Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 66, item 4

4 Vragenuur

Vragen van het lid Keijzer aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat Nederland overweegt de gegevens van kinderen met een Turkse nationaliteit bij Bureau Jeugdzorg en pleegkinderen met een Turkse nationaliteit, door te geven aan de Turkse autoriteiten.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Voorzitter. Allereerst vindt de CDA-fractie het bijzonder dat de staatssecretaris hier staat. We hadden de vragen gesteld aan de minister-president. Rutte had min of meer een spreekverbod opgelegd aan alle bewindspersonen om over deze kwestie met de Turken te spreken.

Mijn eerste vraag is dan ook waarom dit spreekverbod is opgeheven.

De tweede vraag ziet op de onduidelijkheid die is ontstaan. Aanvankelijk was het kabinet glashelder. Asscher en Van Rijn waren duidelijk: geen bemoeienis vanuit Turkije met onze jeugdzorg. De CDA-fractie stelde vragen waarop vervolgens vrijdagavond laat een antwoord kwam. En daarin lezen wij: Turkije heeft gevraagd om informatie over kinderen die te maken krijgen met jeugdzorg. Het antwoord daarbij is: we zijn in overweging aan het nemen wat we daarmee moeten. Mijn vraag is dan ook sinds wanneer dit verzoek van Turkije bekend is.

Hoewel de vraag stellen al bijzonder is, is het wel van belang om duidelijkheid te krijgen. Het is namelijk heel ingrijpend als kinderen onder Bureau Jeugdzorg komen te vallen. Wat wordt er bedoeld met informatie die dan verschaft moet worden aan de Turkse regering? Gaat dit over het zogenaamde gedwongen kader, dus uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen? Of gaat dit over het drangkader, dus opvoedcursussen en psychiatrische zorg, teneinde dat gedwongen kader te voorkomen?

Mijn vierde en laatste vraag is of u er inmiddels weer uit. Bent u weer van mening dat de Turkse regering zich niet heeft te bemoeien met jeugdzorg? Kunnen de CDA-fractie en alle mensen die betrokken zijn bij dit onderwerp in Nederland weer gerust zijn, in de zin dat hier wordt gezegd dat hetgeen staatssecretaris Van Rijn en minister Asscher eerder hebben gezegd met ingang van vandaag weer geldt? En dat is dat Turkije zich niet te bemoeien heeft met de jeugdzorg en de kinderen die daarmee te maken krijgen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik was mij niet bewust van een spreekverbod; als de Kamer vragen stelt, zullen wij die beantwoorden.

Het is inderdaad zo dat de Turkse autoriteiten Nederland verzocht hebben om hen te informeren als een kind onder verantwoordelijkheid van Bureau Jeugdzorg komt. Turkije beroept zich daarbij op het Verdrag van Wenen inzake consulaire aangelegenheden uit 1961, waarin een informatieverplichting zou zijn opgenomen. We hebben Turkije daarop laten weten dat we bezien hoe we met dat beroep op dat verdrag omgaan. Het gaat daarbij dus niet om de vraag of we die informatie willen verstrekken maar om de vraag hoe we met dat beroep op dat verdrag omgaan. Met mijn collega van Buitenlandse Zaken wilde ik namelijk ook wel eerst weten of er überhaupt wel sprake was van een verdragsverplichting. Dat hebben we inmiddels uitgezocht en samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Veiligheid en Justitie komen we tot de conclusie dat gebleken is dat het Verdrag van Wenen geen informatieverplichting inhoudt. We hebben eerder al gezegd dat er op geen enkele wijze bemoeienis of zeggenschap van Turkije kan zijn over uithuisplaatsingen of beslissingen ten aanzien van pleegouderschap. Er wordt geen informatie verstrekt aan de Turkse autoriteiten. Dat willen we niet, dat hoeft ook niet en dat doen we dus ook niet.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Op zich lijkt de regering er weer uit te zijn: geen informatieverplichting over wat er aan de hand is. Maar om het voor de komende tijd glashelder te hebben is mijn vraag of dit ook inhoudt dat u ook niet meldt dat kindje A inmiddels onder de bemoeienis van Bureau Jeugdzorg valt, dus zonder enige informatie over wat er dan aan de hand is.

Staatssecretaris Van Rijn:

Duidelijk is dat wij gekeken hebben of er sprake is van een verdragsverplichting. Die is er dus niet. Dat betekent ook dat dit soort informatie niet aan de Turkse autoriteiten verstrekt zal worden.

Mevrouw Keijzer (CDA):

Dank u wel voor deze helderheid. Ik ben blij dat het duwen van de CDA-fractie ertoe geleid heeft dat de regering heel snel duidelijk heeft gemaakt hoe het zit. Ik hoop ook dat zij in de toekomst niet weer door de knieën zal gaan over enig ander onderwerp ten aanzien van de kinderen in Nederland vanuit Turkije.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik dank de CDA-fractie voor de vragen. Dan kan ik tenminste ook uitleggen wat de positie van de Nederlandse regering was, is en zal blijven. Ik maak er een beetje bezwaar tegen dat de indruk wordt gewekt dat wij dat eerder al overwogen. Dat is niet zo. Uit en te na is gezegd wat onze positie is. Ook in antwoord op vragen van de CDA-fractie waarom de Turkse regering tot een verzoek komt, hebben wij uitgezocht of er sprake is van een verdragsverplichting. Dat blijkt niet het geval te zijn. Dus er is geen nieuwe positie. Wij hadden de positie ingenomen dat wij het niet willen en dat blijft ook zo.

Mevrouw Ypma (PvdA):

Wat de PvdA betreft moeten pleegouders altijd een groot compliment krijgen, omdat zij met een groot hart kwetsbare kinderen opvangen. Als ik het goed begrijp, zegt de staatssecretaris dat hij altijd zal uitdragen dat hierbij gekeken wordt naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders en niet naar de seksuele geaardheid.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat klopt. De selectie van pleegouders gebeurt heel zorgvuldig. Bij die selectie wordt altijd bekeken of de pleegouders respect tonen voor de culturele achtergrond van de pleegkinderen. Dat heeft niets te maken met seksuele geaardheid.

Mevrouw Agema (PVV):

Een week geleden stonden wij hier ook. Toen verweet vicepremier Asscher mijn fractie een karikatuur te maken van het conflict met Turkije. Vervolgens zagen wij onze premier op donderdag stoer staan naast premier Erdogan en hij zei: geen bemoeienis van Turkije met onze jeugdzorg. Op vrijdagavond krijgen we de brief van de staatssecretaris toen alle commotie wat overgewaaid leek te zijn. Hij zei: ik ga toch bezien of ik Turkije ga informeren. Nu staan we hier vandaag weer. De schijnwerpers staan weer aan, de camera's staan weer aan en vervolgens zegt de staatssecretaris: nee, we gaan het niet bezien; we gaan toch tegen Turkije zeggen dat we het niet doen.

Ik heb twee punten. 1. Wie maakt nu een karikatuur van dit conflict met Turkije over jeugdzorg? 2. Laten we klip-en-klaar als buitenlandse mogendheid aangeven dat Turkije niets maar dan ook niets ooit te maken zal hebben met onze jeugdzorg en laat de staatssecretaris dat middels een brief kenbaar maken.

Staatssecretaris Van Rijn:

Er is geen sprake van dat we bezien of die informatie verstrekt zal kunnen worden. Wat wij bezien, overigens naar aanleiding van vragen van de CDA-fractie, is wat de grondslag is voor het verzoek van de Turkse autoriteiten om een informatievoorziening. Daarop hebben wij gezegd dat wij zullen bezien of er een verdragsverplichting is. Die is er dus niet. Dat betekent dat de positie is dat wij het niet willen. Daarnaast is ook nog eens bekeken of er een verdragsverplichting is waarin iets anders staat. Dat blijkt ook niet het geval te zijn. Dus doen wij het ook niet. Die positie blijft dezelfde en dat zullen wij ook aan de Turkse autoriteiten laten weten.

Mevrouw Kooiman (SP):

Goed dat er geen informatie gaat naar Turkije. Er is natuurlijk wel indirecte bemoeienis vanuit Turkije met Nederland. Turkije financiert ook projecten om Turkse pleeggezinnen te werven. Kan de staatssecretaris zich daartegen uitspreken? Dan gaat het er ook om dat als Turkse pleeggezinnen zich aanmelden, Nederlandse pleegkinderen niet mogen worden uitgesloten. Een pleegouder wordt geacht elk kind met elke achtergrond op te nemen in het eigen gezin.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat klopt. Voor het selecteren en werven van pleegouders zijn Nederlandse regels van toepassing. Alle rechten en plichten en selectiecriteria die daarmee samenhangen, gelden voor iedereen die zich aanmeldt als pleegouder.

De heer Omtzigt (CDA):

Dank voor het heldere antwoord van de regering. Jammer dat dit niet op vrijdagavond al beschikbaar was. Het is duidelijk: Turkije heeft niets met de pleegkinderen in Nederland. Toch heb ik twee vragen aan de staatssecretaris. De eerste is: waarom was het op vrijdagavond niet duidelijk? Turkije weigert onder het Verdrag van Wenen zelfs om aan de Nederlandse ambassade door te geven dat Nederlanders die ook een Turks paspoort hebben in arrestatie genomen worden. Oftewel, de Nederlandse regering vindt dat Turkije zich niet aan het Verdrag van Wenen houdt. Waarom wordt dat niet als antwoord gegeven op het moment dat Turkije zich nota bene op dat verdrag beroept? Is de staatssecretaris bereid om een afschrift van de brief aan de Turkse autoriteiten over deze kwestie, dat hij geen enkel dossier zal opsturen, aan de Kamer te doen toekomen?

Staatssecretaris Van Rijn:

De eerste vraag is waarom wij niet meteen dat antwoord hebben gegeven. Dat is omdat ook door de CDA-fractie de vraag werd gesteld hoe het komt dat Turkije zo'n verzoek doet en of ik dat kan toelichten. Wij hebben uitgezocht waar dat op gebaseerd was. Dat is op basis van een kennelijke interpretatie van het Verdrag van Wenen, maar volgens ons is dat niet van toepassing. Daarom hebben wij zo zorgvuldig mogelijk antwoord willen geven.

Het verzoek om een afschrift van de brief aan Turkije zal ik overbrengen aan mijn collega van Buitenlandse Zaken.

De heer Van Klaveren (PVV):

Ik heb twee vragen. Erkent de staatssecretaris dat ook dit probleem met Turken een direct gevolg is van de massa-immigratie? Mijn tweede vraag is of de staatssecretaris ook ziet dat de dubbele nationaliteit hier een gigantisch probleem is. Wat gaat dit kabinet daaraan doen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Laten wij proberen ons te houden bij de kwestie die hier aan de orde is. Dat is de vraag hoe het gaat met de selectie van pleegouders en wie daar wel of niet mee te maken heeft. Daar ben ik klip-en-klaar over geweest. Of het nu immigratie is of niet, als er pleegouderbeslissingen moeten worden genomen, zijn dat ingrijpende beslissingen, die zorgvuldig moeten gebeuren. Dan kijk je niet naar wat de oorzaken zijn, maar vooral naar de veiligheid van het kind. Dat is één.

Zou u de tweede vraag nog even kunnen herhalen?

De heer Van Klaveren (PVV):

Ziet de staatssecretaris dat ook op dit terrein de dubbele nationaliteit een heel groot probleem vormt? Wat gaat dit kabinet daaraan doen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Nee, dat denk ik niet. Bij de jeugdzorg gaat het erom dat als er omstandigheden zijn waarin de veiligheid van het kind in het geding is, er op grond van de Nederlandse wetgeving maatregelen worden genomen, ongeacht het paspoort, omdat dat in het belang is van het kind. Dan zul je op grond daarvan maatregelen moeten nemen die ook weer in het belang van het kind zijn, onder andere de selectie van adequate pleegouders. Laten we vooral naar de veiligheid kijken en niet naar de nationaliteit.

De voorzitter:

Ik dank u voor uw komst naar de Kamer en voor uw antwoord.