Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 41, item 8

8 Clubpas

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 13 december 2012 over de clubpas.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Voorzitter. Ik begin maar gelijk met het voorlezen van mijn moties, want ik heb er drie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het regeerakkoord is afgesproken dat de handhaving van het ingezetenencriterium geschiedt in overleg met betrokken gemeenten en zo nodig gefaseerd, waarbij wordt aangesloten bij het lokale coffeeshop- en veiligheidsbeleid zodat er sprake is van lokaal maatwerk;

constaterende dat in het lokale driehoeksoverleg door de burgemeester en de officier van justitie afspraken worden gemaakt over de inzet van de politie ten behoeve van de handhaving van de openbare orde;

constaterende dat artikel 20 van de Politiewet 2012, conform het amendement-Berndsen-Jansen, regelt dat de vaststelling van de lokale prioriteiten en benodigde politiesterkte eerst plaatsvindt alvorens de nationale prioriteiten worden bepaald;

verzoekt de regering om te respecteren dat het lokale driehoeksoverleg bepaalt of de nieuwe gedoogcriteria voor coffeeshopbeleid worden gehandhaafd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 298 (24077).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat verschillende gemeenten hebben aangegeven lokaal te willen experimenteren met wietteelt bedoeld voor de verkoop in coffeeshops;

constaterende dat Nederland binnen de kaders van internationale verdragen ruimte heeft gevonden voor gedoogbeleid voor de verkoop van cannabis;

constaterende dat ook andere landen binnen de kaders van internationale verdragen ruimte hebben gevonden voor het legaliseren van het gebruik en de productie van cannabis;

van mening dat kennis over de maatschappelijke effecten van gereguleerd softdrugsbeleid noodzakelijk is;

van mening dat door de wietteelt te reguleren: 1. overlast in wijken kan worden voorkomen; 2. illegale teelt kan worden tegengegaan door het uit de sfeer van de georganiseerde criminaliteit te halen;

verzoekt de regering om lokale experimenten met gereguleerde wietteelt mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 299 (24077).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat volgens berekeningen van het Centraal Planbureau decriminalisering van softdrugs 0,2 miljard euro bespaart op politie en justitie en het voeren van een accijns op softdrugs 0,3 miljard euro oplevert;

van mening dat een realistisch softdrugsbeleid de enige manier is om illegale drugshandel tegen te gaan en de volksgezondheid optimaal te beschermen;

van mening dat productie, handel en verkoop van cannabis gereguleerd en gelegaliseerd dienen te worden;

verzoekt de regering om onderzoek te doen naar een gesloten en belastingplichtige (coffeeshop)keten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Berndsen-Jansen en Kooiman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 300 (24077).

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie heeft tijdens het algemeen overleg een goed gesprek met de minister gehad over het nieuwe beleid in het nieuwe regeerakkoord. Dit betekent een fikse verandering ten opzichte van het beleid van kabinet-Rutte I. Zo zijn het ingezetenencriterium, het beslotenclubcriterium, het maximaal aantal leden van 2.000 en de eis van 350 meter afstand tot scholen, die allemaal opgenomen waren in het oude regeerakkoord, vervallen. Dat was niet zozeer de wens van de VVD-fractie als wel het resultaat van onderhandelingen die in het kader van het nieuwe regeerakkoord met de PvdA-fractie zijn gevoerd. Het belangrijkste staat voor de VVD-fractie echter overeind: het drugstoerisme dat met name Zuid- en Oost-Nederland teisterde, wordt op basis van het huidige regeerakkoord nog steeds de pas afgesneden. Dat is belangrijk, want Nederland is wat de VVD-fractie betreft geen drugsland, hoort dat ook niet te zijn en dient het zeker niet te worden. Wij ondersteunen dan ook nog steeds het gedoogbeleid zoals het ooit bedoeld was: kleinschalige mogelijkheden, voor mensen die daaraan behoefte hebben, om cannabisproducten op een veilige manier te gebruiken, los van de harddrugsscene. Het is van groot belang dat nu een belangrijke rol is weggelegd voor het lokale maatwerk. Zo kunnen gemeenten zelf beslissen of zij bijvoorbeeld dat afstandscriterium van 250 meter of 350 meter zelfstandig in hun eigen gemeentelijke beleid willen meenemen. Het is dan ook niet zo dat het kabinet daar een stokje voor zal steken, zo vraag ik aan de minister. Als een gemeente dat zelf beslist, is dat wat de VVD-fractie betreft een goed idee en mogen gemeenten dat ook doen. Zo geldt ook dat lokaal maatwerk kan betekenen dat het afsluiten van de toegang voor buitenlanders gefaseerd kan verlopen, zoals in Amsterdam, waar ze eerst een grote saneringsoperatie gaan opzetten om daarna de rest van het beleid te implementeren. Ook daar kan de VVD-fractie zich in vinden.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dien twee moties in, beide om te bekijken of we het wietbeleid nog een slagje verder kunnen moderniseren.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat inzake de handhaving van het coffeeshopbeleid gestreefd wordt naar lokaal maatwerk;

overwegende dat gemeenten dan ook de bevoegdheden moeten worden toegekend om met het oog op de lokale veiligheid en de gezondheid van gebruikers hun lokale coffeeshopbeleid te bepalen en te handhaven, bijvoorbeeld door de exploitatie van een stadswietkwekerij;

verzoekt de regering, gemeenten de bevoegdheid toe te kennen om hun eigen lokale coffeeshopbeleid vorm te geven;

verzoekt de regering tevens, een aantal steden dat daartoe bereid is, op pilotbasis en onder strikt geformuleerde voorwaarden uit te zonderen van het huidige softdrugsbeleid waardoor stadskwekerijen kunnen voorzien in de lokale wietbehoefte, en de Kamer te informeren over de voortgang en de resultaten van deze experimenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 301 (24077).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een aantal gemeenteraden zich hebben uitgesproken voor verruimde mogelijkheden om het lokale softdrugsbeleid vorm te geven;

overwegende dat een aantal stadsbesturen de bereidheid heeft uitgesproken om te experimenteren hoe de eigen lokale wietbehoefte te bedienen is;

verzoekt de regering, in nauw overleg met deze stadsbesturen te onderzoeken hoe zo'n experiment veilig en verantwoord uit te voeren is en de Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 302 (24077).

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. De ene motie vraagt dus om een onderzoek en de andere om dat uit te proberen in een pilotfase.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. Tijdens het AO heb ik uiting gegeven aan de teleurstelling van de CDA-fractie over het nieuwe drugsbeleid van de minister. Konden we in de vorige periode goed zaken doen met hem, inmiddels heeft hij een onnavolgbare draai gemaakt. Coffeeshops blijven besloten maar als gemeenten het liever niet willen, dan hoeft het ook weer niet. De sluizen worden weer opengezet en drugstoerisme is plotseling geen probleem meer. Dat neemt niet weg dat het regeerakkoord duidelijk is over het einddoel. Coffeeshops zijn alleen toegankelijk voor ingezetenen van Nederland, weliswaar met een gefaseerde handhaving en in overleg met de gemeente. Echter, het einddoel is duidelijk: coffeeshops als besloten clubs voor ingezeten.

Wij willen natuurlijk wel weten wat de komende maanden gaat gebeuren in Nederland. Daarom vraag ik aan de minister om de Kamer hierover ieder kwartaal op de hoogte te houden. Met welke gemeenten heeft hij contact gehad en welke gemeenten voldoen aan het einddoel? Wat is de voortgang en wat doet de minister om gemeenten die nog niet voldoen, voor te bereiden op dat einddoel? Daartoe dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het regeerakkoord met betrekking tot het ingezetenencriterium ruimte openlaat voor gefaseerde handhaving en lokaal maatwerk;

constaterende dat het regeerakkoord wel duidelijk is over het einddoel: alleen ingezetenen van Nederland hebben toegang tot coffeeshops;

verzoekt de regering, de Kamer ten minste eens per kwartaal nauwkeurig op de hoogte te houden over de voortgang en de stappen die zijn gezet in de richting van dit einddoel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Oskam.

Zij krijgt nr. 303 (24077).

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. Het CDA heeft al vaker iets gezegd over coffeeshops in de buurt van scholen. Wij willen graag zo veel mogelijk afstand tussen die scholen en die coffeeshops. Wij vinden het zeer onwenselijk als kinderen in aanraking komen met drugs en daarom willen wij zo veel mogelijk drempels opwerpen. De minister heeft dat in het verleden wel gesteund maar nu niet meer, helaas, maar we krijgen wel steun uit onverwachte hoek. Burgemeester Van der Laan uit Amsterdam is van plan om 70 coffeeshops in de buurt van scholen te sluiten, en dat is maar goed ook, want 200 coffeeshops in de buurt van Amsterdam is ronduit bizar. In het verleden hebben wij bij de begrotingsbehandeling al een motie ingediend over dat afstandscriterium. Die is verworpen en dus laten we het daarbij. In het verleden, bij de begrotingsbehandeling, hebben we al een motie ingediend over het afstandscriterium. Die motie is verworpen. We laten het daar dus bij. Dank u wel.

De voorzitter:

Wij zijn nog niet klaar. De heeft Oskam heeft een motie ingediend, maar ik moet nog vragen of de indiening van zijn motie door de Kamer wordt ondersteund. Ik constateer dat dat het geval is. Nu maakt zij deel uit van de beraadslaging. Deze motie krijgt nr. 303 (24077).

Dank u wel voor uw inbreng, mijnheer Oskam. U was zo snel.

De heer Oskam (CDA):

Ja, ik moest wel.

De voorzitter:

U had ruim de tijd, hoor.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik dien namens de ChristenUnie twee moties in. Ze gaan over de ingezetenencriteria, het onderwerp waarop het debat zich heeft toegespitst. De ene gaat wat verder dan de andere. We zullen zien welke motie wordt aangenomen.

De eerste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de strafwetgeving voor iedereen gelijk is;

overwegende dat dit principe ook moet gelden in situaties waarin handhaving van deze wetgeving aan de orde is, zoals bij de gedoogcriteria inzake handhaving van de Opiumwet;

constaterende dat bij de handhaving van het ingezetenencriterium in samenspraak met de gemeenten sprake zal zijn van lokaal maatwerk en dat dit zo nodig gefaseerd zal worden ingevoerd;

overwegende dat hierdoor in gelijke situaties verschillend zal worden omgegaan met het ingezetenencriterium;

verzoekt de regering, het ingezetenencriterium zonder uitzondering in alle gemeenten te handhaven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 304 (24077).

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Om toch duidelijkheid te krijgen over een einddatum heeft de ChristenUnie nog de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is om door middel van het ingezetenencriterium drugstoeristen te weren;

constaterende dat bij de handhaving van het ingezetenencriterium in samenspraak met de gemeenten sprake zal zijn van lokaal maatwerk en dat dit zo nodig gefaseerd zal worden ingevoerd;

overwegende dat het voor alle betrokkenen van belang is dat duidelijk is wanneer deze eventuele lokale fasering is afgerond en overal in Nederland het ingezetenencriterium wordt gehandhaafd;

constaterende dat de regering prioriteiten voor de nationale politie vaststelt en via deze weg betrokken is bij de handhaving van het ingezetenencriterium;

spreekt uit dat uiteindelijk zonder uitzondering in alle gemeenten het ingezetenencriterium moet worden gehandhaafd;

verzoekt de regering, in overleg met gemeenten binnen zes maanden een datum vast te stellen vanaf wanneer het ingezetenencriterium in alle gemeenten in Nederland wordt gehandhaafd, maar uiterlijk 1 juli 2014,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 305 (24077).

Mevrouw Kooiman (SP):

Voorzitter. Willen we de criminaliteit aanpakken, willen we doen wat in het belang van de volksgezondheid is, dan moeten we de achterdeur van de coffeeshops reguleren. We hebben daarvoor al heel veel voorstellen gedaan. Ik zie nog geen meerderheid. Mevrouw Berndsen-Jansen heeft met mij een aantal heel mooie moties ingediend. Ik hoorde ook een aantal goede moties van mevrouw Van Tongeren. Ik dacht: als we dat niet redden, dan kunnen we in ieder geval bekijken of we de feiten boven tafel kunnen krijgen. Daarom heb ik de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister heeft toegezegd de Kamer voor januari 2014 een brief te sturen met daarin onder meer opgenomen de resultaten van onderzoek naar kleinschalige wietteelt in Europa en de Verenigde Staten, een inventarisatie van initiatieven en experimenten van gemeenten en een overzicht van lokaal maatwerk en het afstandscriterium in gemeenten;

van mening dat het ten behoeve van zorgvuldige besluitvorming in het softdrugs- en coffeeshopbeleid tevens relevant is om te kijken naar eventuele gezondheidseffecten van regulering of verbodsbepalingen, een inventarisatie van extra belastinginkomsten die regulering met zich mee zou brengen, alsmede een besparing op kosten als gevolg van inzet van politie en Openbaar Ministerie;

verzoekt de regering, het reeds toegezegde onderzoek dienovereenkomstig te verbreden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Kooiman en Berndsen-Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 306 (24077).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Opstelten:

Mevrouw de voorzitter. Ik dank de geachte afgevaardigden voor hun inbreng. Ik loop de moties in volgorde van indiening langs en begin bij de motie op stuk nr. 298 van mevrouw Berndsen c.s. Het moge duidelijk zijn dat ik deze motie moet ontraden, gelet op de positie die in het regeerakkoord en door het kabinet is gekozen. Het vaststellen van gedoogcriteria is niet aan de driehoek. Het is landelijk beleid en ik moet de motie daarom ontraden.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

De minister geeft een andere uitleg aan mijn motie. In het dictum staat namelijk niet dat de lokale driehoek de gedoogcriteria gaat bepalen, maar dat de nieuwe gedoogcriteria worden gehandhaafd en dat de lokale driehoek bepaalt hoe ze gehandhaafd worden. Dat is wat anders dan dat ze deze zelf gaan bepalen.

Minister Opstelten:

Zeker. Ik blijf erbij dat ik de motie moet ontraden, maar dat zal mevrouw Berndsen ook niet verbazen, gelet op de discussie die wij eerder hebben gevoerd. Uiteindelijk is het niet de driehoek die bepaalt, maar wordt rekening gehouden met het lokaal en gemeentelijk coffeeshopbeleid. Dat is een handhavingsarrangement van de lokale driehoek, maar het wordt wel getoetst of het deugt en goed is. Er blijft dus een centrale hand, want het is nationaal beleid dat moet worden uitgevoerd.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Als de driehoek van de gemeente Amsterdam bepaalt dat op dit moment niet wordt gehandhaafd en met een lokaal coffeeshopbeleidsplan bij de minister komt, is dat feitelijk wat ik hier vraag. Dan gaat de minister bekijken of al dan niet dat coffeeshopbeleid rechtvaardigt dat de handhaving wordt uitgesteld.

Minister Opstelten:

Dat is in een klap goed begrepen en dat heb ik ook telkens zo gezegd. Ik heb zelfs een aanvankelijk oordeel gegeven over wat er uit Amsterdam komt, namelijk dat ik dat een goed beleid vind dat binnen de toets van het beleid van het kabinet past. Maar of het in Vlagtwedde zo gaat en in Tilburg, is iets heel anders. Dat wil ik gewoon zien.

De voorzitter:

Eigenlijk doen we het in tweeën, mevrouw Berndsen, maar gaat uw gang.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dat betekent dus dat we A-, B- en C-gemeenten in Nederland krijgen.

Minister Opstelten:

Neen, we hebben alleen maar gemeenten. Binnen het rijksbeleid wordt mijn beleid – het coffeeshopbeleid – uitgevoerd. Dat wordt ook door mij getoetst. Dat heb ik ook gezegd. Ik zal daarover rapporteren. Ik ontraad dus de motie.

Wat betreft de motie op stuk nr. 299 verwijs ik nogmaals naar mijn toezegging. Ik herhaal dat het naar mijn inzicht juridisch onmogelijk is om te reguleren, omdat dit in strijd zou zijn met de Opiumwet, met EU-verdragen en met VN-verdragen. Ik heb gezegd dat ik vanuit dat standpunt bereid ben om met alle gemeenten te spreken die met een initiatief komen. Daarna wil ik de inventarisatie met mijn standpunt bij de Kamer neerleggen. Dat gaat gebeuren en dat past niet in deze motie. Om die reden zal ik deze motie moeten ontraden.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Dan krijg ik toch graag een verduidelijking, want de minister zegt dat hij dit zal beoordelen en dat wij een brief krijgen met daarin ook zijn standpunt. De minister heeft echter in het algemeen overleg gezegd dat het fair is dat iedereen zijn standpunt al kent, namelijk dat hij het helemaal niet wil. Mijn vraag aan de minister is met welk schimmenspel wij hier bezig zijn. In feite zegt hij: laat de gemeenten maar komen met hun aanvragen, maar eigenlijk is mijn oordeel volstrekt helder, namelijk dat ik het niet zal toestaan.

Minister Opstelten:

Wat mevrouw Berndsen zegt, is juist. Het is een herhaling van hetgeen zij toen heeft gezegd en ook een herhaling van wat ik heb gezegd. Ik ben bereid om te kijken naar alle experimenten en te luisteren naar het standpunt van gemeenten – niet het standpunt van de gemeenteraden, maar het standpunt van het bevoegd orgaan, de burgemeester – en zal de Kamer presenteren wat daar aan de orde is, zoals ik al eerder heb gezegd. Ik zal mijn standpunt laten weten, maar ik vind het fair om van tevoren tegen de Kamer te zeggen hoe ik erin zit. Dat is niet anders dan ik eerder heb gezegd. De motie past daar niet bij. Mevrouw Berndsen kan dat een schimmenspel vinden, maar ik ben het daar niet mee eens. Ik geef de gemeenten de kans om hun verhaal te vertellen, maar ik geef tevens aan vanuit welke basis ik erin zit.

Voor de motie op stuk nr. 300, van mevrouw Berndsen, geldt hetzelfde. Omdat regulering als zodanig naar de mening van het kabinet geen optie is, verdient het geen aanbeveling om nader onderzoek te doen, zoals in de motie wordt gevraagd. Derhalve moet ik deze motie ontraden.

De heer Van der Steur heeft eigenlijk geen vragen gesteld, maar alleen nogmaals een opmerking gemaakt over het afstandscriterium. Ook anderen, waaronder de heer Oskam, hebben daarover gesproken. In feite is dit een herhaling van de discussie in het algemeen overleg. De heer Oskam stelt terecht dat er sprake is van een bijstelling van het beleid dat ik heb ingenomen in het vorige kabinet, nu het afstandscriterium niet verplicht wordt gesteld voor gemeenten. Het zou goed zijn als de destijds gemaakte afspraak tussen de VNG en het kabinet inzake de 250 meter als leidraad geldt. Veel gemeenten voeren dat ook uit. Als men een afstand van 350 meter wil, is dat wat ons betreft prima, maar het is geen randvoorwaarde voor het coffeeshopbeleid.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik heb wél een vraag gesteld aan de minister. Kan hij bevestigen dat gemeenten, als zij het van belang vinden om in het kader van hun lokale maatwerk wel een afstandscriterium in te voeren, daartoe de gelegenheid hebben, ongeacht of het gaat om 250 of 350 meter?

Minister Opstelten:

Zeker. Dat is wat ik zeg. De gemeenten kunnen uitgaan van 250 meter – daarover is met de gemeenten via de VNG een afspraak gemaakt – 350 meter, of een andere afstand. Dat zullen wij zeker positief in een coffeeshopbeleidsplan honoreren.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 301, ingediend door mevrouw Van Tongeren. Zoals ik zo-even al heb gezegd, is het kabinet niet van oordeel dat er regulering moet plaatsvinden. Tevens vindt het kabinet dat er geen ruimte is voor een pilot. Ik geef nogmaals aan wat ik zojuist tegen mevrouw Berndsen heb gezegd, namelijk dat ik fair zal kijken naar alle gemeenten en met hen zal spreken. Aan het eind van het jaar zal ik de Kamer informeren. Daarom past de motie op stuk nr. 301 niet in die afspraak. Ik moet de motie derhalve ontraden.

Voor de motie op stuk nr. 302 geldt min of meer hetzelfde. Ook daarin wordt gesproken over een experiment. Dat past niet in het beleid dat wij voeren en ook niet in de afspraken die ik met de Kamer heb gemaakt in het algemeen overleg. Ook die motie ontraad ik dus.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

In mijn motie op stuk nr. 302 wordt verzocht het in de motie gevraagde te onderzoeken. Ik begrijp dat de minister in eerste instantie niet trappelt van enthousiasme om het te doen, maar zou onderzocht kunnen worden of het überhaupt veilig en verantwoord kan? De minister wil het niet en ik wil het wel, dus laten wij dan eerst eens samen bekijken of het überhaupt mogelijk is.

Minister Opstelten:

Ik heb al gezegd dat de wetgeving het niet toestaat. Het is een juridische kwestie. Ik heb ook gezegd dat ik bereid ben om met iedereen die initiatieven heeft ernaar te kijken, maar dat iedereen van te voren weet waar ik sta. Dat vind ik fair in een bestuur. Ik heb ook toegezegd dat ik op internationaal niveau zal kijken hoe het juridisch is geregeld en hoe het in verschillende landen hiermee staat. Ik kom daar straks misschien nog op terug. Ik denk dat ik vooralsnog een dergelijke motie, een experiment, niet kan honoreren. Mevrouw Van Tongeren moet gewoon afwachten tot de brief aan het einde van dit jaar. Daarna kunnen we het er weer over hebben. Ik ontraad de motie.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik vraag niet om een experiment. De minister zegt dat hij niet eens hoeft te onderzoeken of het kan want het mag van de huidige wet niet. Dan zou de Kamer met een heleboel onderwerpen kunnen ophouden, want ze onderzoekt aan de lopende band hoe ze op enig moment de wet zou kunnen veranderen. Ik weet dat de Nederlandse wet het nu niet toestaat, daar hebben we geen onderzoek voor nodig. Zou er niet neutraal gekeken kunnen worden naar wat je allemaal tegenkomt, wat je moet regelen en hoe het in elkaar zit, mocht je het willen gaan doen. De minister zegt dat hij het niet wil en dus nergens naar hoeft te kijken. Van hem hoeft de wet niet te veranderen.

Minister Opstelten:

Ik zeg niet alleen dat ik het niet wil, maar ook dat ik het niet kan, vanwege de juridische positie. Dat is iets anders. Ik kan nog wel een aantal argumenten geven, maar dan gaan we het hele AO herhalen. Dat zouden we niet moeten doen. De motie past niet in de afspraken die we hebben gemaakt in het AO, dus ik ontraad haar.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 303 van de heer Oskam. Ik zou hem willen vragen om de gemeenten en alle betrokken partijen even de ruimte te geven om het beleid daadwerkelijk vorm te geven. Ik heb gezegd dat ik aan het einde van het jaar met een totaaloverzicht kom. Ik denk dat dit vroeg genoeg is. Laten we niet rapportage op rapportage stapelen. Ik zou de motie willen ontraden omdat we enige ruimte moeten geven om de gemeenten in staat te stellen het beleid met hun eigen lokale maatwerk in te vullen.

De heer Oskam (CDA):

Ik begrijp dat het lokale maatwerk de nieuwe maat is. Daarom willen we het juist volgen. Ik vraag de minister niet om elke drie maanden van elke gemeente op te schrijven wat er gebeurd is, maar wij willen de ontwikkelingen volgen. Zijn er problemen in de handhaving of niet: dat willen we weten. Het lijkt me een kleine moeite om dat regelmatig terug te laten komen. Of het nu een keer in de drie of vier maanden is, zal me een zorg zijn, maar we moeten zeker op de hoogte worden gehouden omdat het willekeur in de hand werkt.

Minister Opstelten:

Ik wil een tegemoetkoming doen. Aan het einde van het jaar komt de brief. Dat is de hoofdlijn. Ik kan toezeggen om voor het zomerreces een tussenstand te geven, maar ik ga niet in maart al een brief sturen. Als de heer Oskam de motie wil intrekken en op mijn toezegging af gaat, ontmoeten wij elkaar.

De heer Oskam (CDA):

Heeft de minister bruine of blauwe ogen? Volgens mij heeft hij blauwe ogen, maar bruine zijn betrouwbaarder. Dat was deze week in het nieuws. Ik zal mijn motie intrekken, afgaande op de toezegging van de minister.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Oskam op stuk nr. 303 is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Opstelten:

Ik zal de heer Oskam nog een keer recht in de ogen kijken. De motie op stuk nr. 304 is ondersteuning van beleid. Ik laat haar graag aan de Kamer, want er wordt gevraagd naar beleid dat ik uitvoer. Ik ben de heer Voordewind erkentelijk dat hij dat nog eens onderschrijft. Dat hoeft van mij ook niet. De motie kan ook worden ingetrokken.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik denk dat de minister nog even goed naar de tekst van de motie moet kijken. In de motie staat namelijk dat er sprake zou zijn van lokaal maatwerk en dat dit zo nodig gefaseerd zal worden ingevoerd. Het gaat dan over de handhaving van het ingezetenencriterium. Dan zegt de motie: "overwegende dat hierdoor in gelijke situaties verschillend zal worden omgegaan met het ingezetenencriterium". Daarmee wordt dus de suggestie gewekt dat dat een probleem zou zijn. Vervolgens staat er: "verzoekt de regering, het ingezetenencriterium zonder uitzondering in alle gemeenten te handhaven". De motie probeert dus te zeggen dat er geen sprake is van lokaal maatwerk.

Minister Opstelten:

Jawel, dat zeg ik. Het regeerakkoord en mijn beleid geven ook aan dat dat als zodanig voor het hele land geldt. Er zijn geen uitzonderingen op, behalve in de fasering. Daarmee kom ik bij de motie op stuk nr. 305 van de heer Voordewind die ik helaas moet ontraden. Dit beleid, deze aanwijzing, geldt voor alle gemeenten, alleen kan men gefaseerd, zonder dat er een datum bij staat, handhaven en dus de handhaving uitstellen.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik lees de motie niet zoals de minister deze uitlegt. Misschien kan de indiener daarvan in een spannende interruptie nog enig licht op deze zaak werpen. Als het ondersteuning van beleid is, zal de VVD-fractie de motie in beginsel niet steunen. Als de minister zegt dat deze motie in lijn is met zijn beleid, dan kan ik het nog overwegen. Ik geloof echter niet dat de motie zo bedoeld is.

Minister Opstelten:

Nee, misschien is de motie zo niet bedoeld, maar daarom vond ik het zo aardig.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind, u stond er eerder, maar ik vind het ook prima als mevrouw Hilkens eerst gaat. Gaat u uw gang, mevrouw Hilkens.

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Dames eerst, voorzitter, waarvoor dank. Ik steun mijn collega Van der Steur, want zoals ik het lees, betekent dit dat je zonder uitzondering gaat handhaven op het I-criterium. Ik constateer dan dat mijn burgemeester in Amsterdam, Eberhard van der Laan, voorlopig gevrijwaard is van het handhaven op dat ingezetenencriterium omdat hij met heel goede, stringente plannen is gekomen. Ik wil hier te kennen geven dat ik het niet een al te opperbeste motie vind.

Minister Opstelten:

Ik wil het nog een keer zeggen. Als de Kamer mijn brief goed leest, dan valt daaruit op te maken dat het ingezetenencriterium voor heel Nederland geldt. Echter, ten aanzien van de handhaving daarvan geldt dat er lokaal maatwerk kan plaatsvinden en dat gebeurt in overleg met de gemeenten. Vervolgens heb ik gezegd dat in Amsterdam niet gehandhaafd hoeft te worden op basis van hun plan. Wij hebben ook geen afspraken gemaakt over de periode waarin dat geldt. Dat is de volgende motie. In theorie kun je zeggen dat het voor vier jaar geldt, maar je kunt ook zeggen dat het voor acht jaar of voor twee jaar geldt.

Mevrouw Hilkens (PvdA):

Dan wil ik toch nog even de laatste zin en dan in het bijzonder het laatste stukje daarvan herhalen: "… zonder uitzondering in alle gemeenten te handhaven". Dat is precies het zinnetje dat ik, met het beleid zoals we dat nu in Amsterdam uitrollen, moeilijk vind. Persoonlijk hoop ik dat de motie alsnog wordt ontraden.

Minister Opstelten:

Ik wil geen misverstanden laten ontstaan. In de kern geldt het beleid dat wij voeren voor heel Nederland. Dat kan ook juridisch niet anders. Het is inderdaad zo dat er in gelijke situaties verschillend mee kan worden omgegaan. Dat klopt en dat kan, maar er wordt wel gefaseerd gehandhaafd. In Amsterdam wordt er nu een tijd niet gehandhaafd. Het criterium geldt daar nog steeds, maar het wordt niet gehandhaafd.

De voorzitter:

Mijnheer Voordewind? Of gaan de vrouwen nog steeds voor?

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De motie op stuk nr. 304 en de motie op stuk nr. 305 moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. De minister ziet dat heel goed. Voor ons was van belang om te constateren dat alle gemeenten aan het ingezetenencriterium moeten voldoen. De crux zit hem natuurlijk in de motie op stuk nr. 305. Daarvan heeft de minister gezegd dat hij in overleg gaat met de gemeenten, maar dat is natuurlijk niet een openeindeafspraak. Hij zal dat doen om uiteindelijk met de gemeenten tot een afspraak te komen. Mijn enige verzoek in de motie op stuk nr. 305 is om dat te koppelen aan een tijdslimiet.

Minister Opstelten:

Als u het goed vindt, voorzitter, kom ik dan bij mijn judicium over die motie.

De voorzitter:

Misschien kunt u dat een beetje bondiger doen, al weet ik dat dat lastig is.

Minister Opstelten:

Nee hoor, dat is niet lastig. Dat hangt van het onderwerp af. Het moge duidelijk zijn dat ik hier tot een ontraden moet komen. De crux van het beleid dat we voeren, is dat daarbij het handhavingsarrangement beoordeeld moet worden, bijvoorbeeld dat van de lokale driehoek. Dat kan betekenen, zoals bijvoorbeeld in Amsterdam, dat het voor enige jaren kan gelden en dat we er later op terugkomen. Daarbij zijn er in Nederland ook verschillende uitkomsten mogelijk. Deze motie moet ik dus ontraden.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik kom dan terug op de vorige motie, want die zegt uiteindelijk dat de minister wel moet handhaven. Als u zo gefaseerd en pas na zoveel jaren tot die afspraken komt, ontstaat een ongelijkheidsbeginsel. Ik denk dat de minister dan gaat discrimineren richting de gemeenten. Vandaar mijn motie op stuk nr. 304.

Minister Opstelten:

Er is juist geen sprake van discriminatie, omdat ik luister naar de gemeenten. Kijk naar Amsterdam, waar weer 70 coffeeshops gaan sluiten. Zo zijn er nog andere voorbeelden. De beoordeling is goed, en daarom ook effectief. Daarom is het coffeeshopbeleid in Nederland uiteindelijk toch niet zo slecht als sommigen vinden.

De voorzitter:

Mevrouw Berndsen, kunt u proberen kort te zijn?

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Ik zal kort zijn. De minister maakt er echt een potje van. Als hij de motie op stuk nr. 304 ondersteunt, zegt hij met zoveel woorden dat er A-, B- en C-gemeenten zijn, zoals ik net al zei. Er is dus sprake van ongelijkheid en gemeenten kunnen daar juridisch wat van gaan vinden. Ik snap dus helemaal niet waarom de minister deze motie dan toch omarmt.

Minister Opstelten:

We hadden het over de motie op stuk nr. 305. Ik wil nog een keer zeggen dat het helemaal niet over A-, B- en C-gemeenten gaat. Dat staat er ook niet: het gaat over gemeenten. Het lokale beleid wordt getoetst en het lokale handhavingsarrangement bepaalt of wij daarmee wat betreft de fasering kunnen instemmen. Ik kom nu bij de motie op stuk nr. 306, als u dat goed vindt.

De voorzitter:

Mevrouw Berndsen heeft het recht om nog één korte opmerking te maken.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

En ik stond er al toen de motie op stuk nr. 304 nog werd besproken. Ik constateer toch dat hier staat dat in gelijke situaties verschillend zal worden omgegaan met het ingezetenencriterium. Het gedoogcriterium is in de ene gemeente kennelijk wel van toepassing, en in de andere gemeente niet. Juridisch is dat volgens mij volstrekt onhoudbaar.

Minister Opstelten:

Nee. Ik zeg het nog een keer. Het hangt ervan af wat de interpretatie van die zin is. Situaties kunnen lokaal verschillend zijn. Dat is nou eenmaal zo. De situatie moet lokaal beoordeeld worden en dat neem ik heel serieus. Uiteindelijk zal ik zelf toetsen, omdat het coffeeshopbeleid alleen bestaat omdat het nationaal beleid is en omdat het nationaal getoetst wordt.

Ik kom dan toch bij de motie op stuk nr. 306. Die zal ik moeten ontraden, om dezelfde redenering die ik eerder ben aangegaan. We gaan niet uit van regulering of legalisering, omdat dat juridisch niet mogelijk is. Ook zal ik geen nadere onderzoeken entameren die daarop anticiperen. Wel zeg ik toe dat ik een overzicht zal verstrekken van hoe het internationaal geregeld is. Dat zal ik eind dit jaar naar de Kamer sturen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik heb deze motie eerlijk gezegd ingediend omdat dit ontbrak bij de toezeggingen. De minister zei in het algemeen overleg dat hij wist dat ik hier zo over denk. Hij was het niet met mij eens, maar wilde wel wat toevoegen aan het onderzoek. Deze gegevens zijn namelijk al beschikbaar. Laten we het complete beeld naar buiten brengen als we onderzoek doen. Daar kan de minister toch niet op tegen zijn?

Minister Opstelten:

Nogmaals, ik zal inventariseren welke verschillende systemen er in de wereld en in Europa zijn. Ik zal ook spreken met gemeenten die experimenten willen; u kent mijn standpunt daarover. Vervolgens zal ik die inventarisatie naar de Kamer sturen.

Mevrouw Kooiman (SP):

Ik vind het heel jammer dat hetgeen de minister in het algemeen overleg heeft aangegeven niet overeenkomt met hetgeen hij in dit debat aangeeft. Het is ook jammer dat hij niet het hele onderzoek wil doen, maar alleen een half onderzoek om zijn beleid te kunnen volgen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer. De stemmingen over de moties zullen komende dinsdag plaatsvinden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.