Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 41, item 15

15 Jeugdwerkloosheid

Aan de orde is het dertigledendebat over de groeiende jeugdwerkloosheid volgens de laatste cijfers van het CBS.

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom en geef als eerste het woord aan de heer Ulenbelt van de SP-fractie. Voor alle zekerheid merk ik op dat de spreektijd drie minuten per spreker is. Bij interrupties krijgen leden twee keer het woord: één keer voor een vraag en één keer voor een vervolgvraag.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. De minister kent ze vast wel: jongeren die honderden sollicitatiebrieven hebben geschreven, goed opgeleid zijn maar niet worden uitgenodigd voor een sollicitatie en soms zelfs geen antwoord krijgen op hun brief. Hoe voel je je dan? Dan voel je je waardeloos. Het is een miskenning van het harde werken op school. Deze jongeren verdienen onze hulp. De minister moet dat met mij eens zijn. De werkloosheid stijgt. Vanochtend verschenen de allernieuwste cijfers. Daaruit blijkt dat één op de veertien mensen werk zoekt. Onder jongeren zoekt zelfs één op de zeven mensen een baan. Het is niet uit te leggen dat de AOW-leeftijd wordt verhoogd en ouderen aan het werk moeten blijven terwijl jongeren werkloos zijn. Het is ook niet uit te leggen dat de grenzen voor Roemenië en Bulgarije worden geopend terwijl de werkloosheid groeit. Hoe hoog moet de werkloosheid zijn voordat de minister iets gaat ondernemen?

In tijden van crisis moet de overheid investeren in de economie, bijvoorbeeld in de bouw. Dat draagt bij aan het bestrijden van de werkloosheid. Wie dat niet doet, veroorzaakt grote schade. In de bouw steeg het aantal WW-uitkeringen maar liefst met 70%. De minister heeft dit jaar 50 miljoen beschikbaar voor de bestrijding van werkloosheid. Dat is heel weinig. Nu las ik vanavond ook nog dat van dat bedrag maar 6 miljoen gebruikt wordt voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid. Kan de minister bevestigen dat dat klopt? Dat zou niet meer zijn dan een sneeuwvlok op een gloeiende plaat.

De SP-fractie vindt dat de handen uit de mouwen moeten worden gestoken. Is de minister bereid om 1 miljard van de opbrengst van de veiling van de 4G-frequenties uit te trekken voor een plan voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid? Een plan dat banen schept en kleine werkgevers bijschoolt tot erkend leermeester. Een plan dat stageplaatsen schept zodat jongeren de opleiding kunnen afmaken. Een plan dat werkloze jongeren vanaf dag één helpt bij het vinden van werk. Een plan kortom dat jongeren hoop en perspectief biedt. Zo'n plan is nodig. Ik hoop dat de minister de urgentie van het probleem inziet. Wij hebben er wat centen voor dus wat let de minister om de handen uit de mouwen te steken?

De heer Van Vliet (PVV):

Voorzitter. Soms zitten PVV en SP niet zo ver van elkaar. Waarom hebben wij het over de stijging van de jeugdwerkloosheid? Omdat de economie niet goed draait. Waarom draait de economie niet goed? Niet alleen omdat het globaal tegenzit in het economische leven, maar ook door de aanpak van deze crisis door de regering. Als in tijden van crisis niet wordt geïnvesteerd maar belastingen worden verhoogd, dan worden alleen maar de bestedingen getemperd. De economie zal dan veel langzamer weer op gang komen. Als de regering het anders zou aanpakken, dan zouden wij hier niet hoeven staan.

Die werkloosheid is een zeer serieus aandachtspunt. Daarom sta ik hier vanavond voor mijn fractie. Laatst stond er iets in de krant wat ik niet verdedigbaar vind. Heel soms staat daar nog wat waars in. In de krant stond dat het Nederlandse bedrijfsleven van plan is om massaal in het buitenland technische vacatures te gaan invullen. Die mensen komen dan naar Nederland en gaan hier banen bezetten. Dat is niet verdedigbaar als er een leger is aan werklozen en bijstandsgerechtigden. Ik hoor graag kort nog wat zinnen van de minister op dit punt. Wat vindt hij ervan dat die bedrijven dat zo gaan doen? Ik dacht juist dat de minister intensief zou samenwerken met zijn collega van OCW om opleidingen van jongeren beter te laten aansluiten op de arbeidsmarkt. Dat zou ik een bijzonder goed initiatief vinden, dus ik hoor toch nog graag even de visie van de minister erop.

Hoe zit het nu precies met de jeugdwerkloosheid in verhouding tot het aantal vacatures in de aspergeteelt of in de paddenstoelensector, waarover we het vaak hebben gehad? Wij vinden het uiteindelijk niet verdedigbaar als de jeugdwerkloosheid oploopt terwijl wij daar continu met Poolse constructies moeten werken met uitzendkrachten die, zoals wij vanochtend hebben gehoord, soms in schimmige constructies zitten. Dat is niet goed voor die Polen en het is ook niet goed voor ons, voor de mensen die in Nederland werkloos zijn en voor de jongeren die werkloos zijn. Wat is de visie van de minister? Welke impuls wil hij geven om de jongeren naar die beschikbare concrete banen toe te leiden?

Het is een beetje een retorische vraag, maar ik heb de indruk dat in het leger aan jeugdwerklozen bepaalde groepen zijn oververtegenwoordigd. Ik heb het dan over niet-westerse allochtonen. Is de minister het met mij eens dat dit zo is, dus dat daar een oververtegenwoordiging te zien is? Als hij dat ook toegeeft, kunnen wij er een eerlijk en open debat over hebben. Mocht hij dit met mij eens zijn, wat gaat hij er dan aan doen om het evenwicht binnen de groep van jongere werklozen te herstellen zodat er geen oververtegenwoordiging meer is, in dit geval van niet-westerse allochtonen?

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Op dit moment zijn 124.000 jongeren werkloos thuis, het hoogste niveau in tien jaar. Urgentie is geboden. In december kondigde de minister aan 100 miljoen beschikbaar te stellen voor de bestrijding van de werkloosheid, in bijzonder die onder ouderen en onder jongeren. Kan hij ons vanavond vertellen hoe dit geld exact is verdeeld en wanneer ermee aan de slag wordt gegaan om het uit te geven? Daar gaat het natuurlijk allemaal om. Daarnaast kondigde de minister aan dat hij 300 miljoen aan lastenverlichting had omgezet in 300 miljoen uitgavengeld voor "van werk naar werk" vanaf 2014. Wat de D66-fractie betreft gaan wij een derde van dat geld gewoon oormerken voor "van school naar werk" om er nu eindelijk voor te zorgen dat we ook jongeren een steuntje in de rug geven. Wil de minister steun toezeggen om van die 300 miljoen 100 miljoen specifiek te oormerken voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid?

De D66-fractie heeft twee concrete ideeën over wat je met dat geld zou kunnen doen. De gemeente is bijvoorbeeld niet meer verplicht om jongeren in de bijstand een leer-werkaanbod te doen. Dat is een optie. Hoe vaak doen gemeenten nu zo'n leer-werkaanbod? Welk effect heeft dat op de uitstroom? Zou het niet fantastisch zijn om met die 100 miljoen ervoor te zorgen dat werkloze jongeren die zes maanden langs de kant staan, niet op afstand komen van de arbeidsmarkt en hiermee van school naar werk worden geleid doordat hen verplicht een traject wordt aangeboden? Ik krijg hierop graag een reactie van de minister.

Als de economie in zwaar weer zit en jongeren moeilijk aan de slag komen, laten we er dan ook voor zorgen dat we doorleren stimuleren. Op 7 februari ligt hier een wetsvoorstel voor dat juist het tegenovergestelde doet als het gaat om mbo'ers en doorleren. Mijn collega Paul van Meenen zal daarbij dan ook zeer kritische opmerkingen plaatsen. Ik wil hier dan maar positief vragen waarom een deel van dit geld niet wordt ingezet om bijvoorbeeld het collegegeld voor het volgen van een tweede studie, bijvoorbeeld een tweede master, te verlagen. Zo houden we jongeren op school of op de universiteit en leren zij door. Daarvan kunnen we profiteren als de economie aantrekt; graag een reactie van de minister.

De minister onderhandelt met sociale partners over het sociaal akkoord. Zou het dan niet fantastisch zijn als de minister offensief een bijdrage vraagt van sociale partners? Niet alleen geven O&O-fondsen elk jaar rond de 400 à 500 miljoen euro uit, maar er ligt daar ook gewoon 500 miljoen aan vermogen op de plank. Kan de minister ervoor zorgen dat sociale partners een gebaar maken en voor 25 of 50 miljoen uit die vermogens van de plank halen en daarmee een stageoffensief betalen voor jongeren die nu thuiszitten? Wil de minister hierop inzetten?

We moeten nu aan de slag. Het is nu tijd om jongeren in de bijstand echt een kans te geven, om doorwerken te stimuleren en om ervoor te zorgen dat er meer kansen komen voor jongeren. Ik vraag in het bijzonder de reactie van de minister op mijn eerder, op zijn verzoek, aangehouden motie voor een Actieplan jeugdwerkloosheid. Wat mij betreft is het tijd om die motie in stemming te brengen; graag een reactie van de minister.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. De werkloosheid onder jongeren stijgt. Het is dus een goede zaak dat het kabinet extra geld uittrekt om de werkloosheid onder ouderen en jongeren aan te pakken. Want de nood is aan de man. In 2009 werd het Actieplan jeugdwerkloosheid gepresenteerd en wij moeten inmiddels concluderen dat de werkloosheid onder jongeren alleen maar is toegenomen. 13,7% van de jongeren in Nederland is momenteel werkloos. Uitzicht op werk is er nauwelijks. Werkgeversorganisaties kunnen wel roepen dat wij vooral rustig moeten gaan slapen, maar daar hebben jongeren niets aan.

Ook onder ouderen stijgt de werkloosheid. Het is voor zowel ouderen als jongeren erg om geen perspectief te hebben. De suggestie van FNV Jongeren om het budget dat wordt uitgetrokken fifty-fifty te verdelen lijkt ons heel rechtvaardig. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

Wij vonden de tien punten die FNV Jongeren verder aandraagt zeer interessant. Ik neem aan dat de minister nog een reactie op deze tien afzonderlijke voorstellen zal geven. GroenLinks wil er in elk geval twee zaken specifiek uitlichten: de startersbeurs en een opzegtermijn in tijdelijke contracten. Het voorstel van de startersbeurs betekent dat jongeren binnen een jaar na hun afstuderen voor een half jaar een beurs krijgen voor een ervaringsplek. De jongere krijgt zo de kans om zich te bewijzen en de werkgever krijgt er een extra werknemer bij. Wat vindt de minister hiervan?

Veel jongeren, en flexwerkers in het algemeen, stapelen tijdelijke contracten. Vaak worden zij lang aan het lijntje gehouden en horen zij pas op het laatste moment of zij wel of niet kunnen blijven. De invoering van een opzegtermijn zal ervoor zorgen dat de positie van flexwerkers ten opzichte van hun werkgever in ieder geval iets wordt versterkt. Doordat de werkgever al in een vroeg stadium moet aangeven of hij door wil, kunnen mensen tijdig op zoek gaan naar een alternatief. Is de minister bereid, de mogelijkheid hiertoe te onderzoeken?

Het beste zou natuurlijk zijn om te kijken naar oplossingen om de werkgelegenheid duurzaam te doen toenemen. Wij pleiten er daarom al jaren voor, de werkgeverslasten op vervuiling te verhogen en die op arbeid te verlagen. Daarmee stimuleer je keuzes voor vergroening en help je mensen. Dat het veel banen oplevert, bevestigt het Centraal Planbureau al jaren. Is de minister bereid om met zijn collega van Financiën deze maatregel nu eindelijk eens serieus te gaan onderzoeken?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Wij stonden hier een paar weken geleden – dat was wel het vorige jaar, moet ik eerlijk bekennen – de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te behandelen. Er is toen heel veel gezegd over de jeugdwerkloosheid. Gelukkig is ook bij de stemmingen een motie van de VVD en van mij aangenomen om juist de jeugdwerkloosheid aan te pakken en met name extra te kijken naar het punt van de scholing. Ik ben de collega's daarvoor dankbaar. Tijdens dat debat heeft de minister de Kamer ook een aantal toezeggingen gedaan, bijvoorbeeld op het punt dat zojuist door de woordvoerder van D66 werd genoemd, namelijk om in overleg met gemeenten te bezien of de jongeren weer een aanbod kan worden geboden zodra zij van school komen. Daarvoor heeft de minister een aantal belangrijke toezeggingen gedaan.

Mijn fractie is zeer verheugd dat er sinds die tijd inmiddels een overleg is geweest met de sociale partners, waar direct financiële gevolgen uit zijn voortgekomen. Wij weten inmiddels dat er 100 miljoen beschikbaar is. Ik weet niet of de minister vandaag zo ver is om een verdeling te noemen, maar in ieder geval is het voor ons helder dat het zowel aan jong als oud besteed zal worden. Beide groepen hebben onze aandacht nodig, want anders staan wij hier volgende week hetzelfde pleidooi voor de ouderen te houden. Zo eerlijk moeten wij ook zijn.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Er is inderdaad 100 miljoen beschikbaar, dat klopt. Maar wat vindt de PvdA-fractie een rechtvaardige verdeling van dit bedrag over de groepen oud en jong?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Die middelen zijn uitgetrokken in het kader van het overleg met de sociale partners. Ik neem aan dat daarbij ook is gesproken over de problematiek en de prioriteit daarin. De minister zal daarover straks wel iets vertellen, neem ik aan. Ik heb niet de behoefte om hier vandaag een verdeling aan te geven. Ik vind dat echt iets voor het overleg tussen de sociale partners. Dat heb ik ook tijdens de begrotingsbehandeling steeds gezegd.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Als echter blijkt dat maar 10% van de middelen naar de bestrijding van de jeugdwerkloosheid gaat, kan de PvdA daar toch niet tevreden mee zijn? Ik zeg dit ook gezien waar zij in haar actieplan om heeft gevraagd en gezien de diverse toezeggingen die zij heeft gekregen van de minister. Daar zou toch veel meer geld voor beschikbaar moeten zijn?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb een totaal andere inschatting van de positie die de sociale partners en met name de vakbeweging daarin zullen kiezen. Ik kan mij niet voorstellen dat FNV Jong akkoord zal gaan met een verdeling van 10% jeugd en 90% ouderen. Als wij echter hier in de Kamer zeggen: we willen een sociale agenda en we willen de minister de ruimte geven, dan moeten we hier niet iedere week staan om te zeggen hoe wij het willen hebben. Anders moeten we dat overleg zelf gaan voeren.

De heer Van Weyenberg (D66):

Mevrouw Hamer geeft aan dat de verdeling waar vandaag ook in de media sprake van was, vast niet door FNV Jong gesteund zou worden. Dat kan ik beamen. Dat laat FNV Jong ook luid en duidelijk horen. Kan ik daaruit opmaken dat dit ook voor haar geen acceptabele verdeling is? Zij zegt immers zelf: het zal niet acceptabel zijn voor FNV Jong, dus daar hoeven we niet bang voor te zijn. Daaruit maak ik op dat ook zij de in de media genoemde verdeling niet rechtvaardig vindt.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Volgens mij herhaalt u wat ik net gezegd heb.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel voor dit uitbundige antwoord op mijn vraag. De vraag is heel simpel. Vindt mevrouw Hamer de genoemde verdeling van geld tussen jongere en oudere werklozen, ook een groot probleem, nu wel of niet rechtvaardig? Ik maak uit haar opmerking op dat zij dat geen gewenste uitkomst vindt.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Volgens mij hebben wij al bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken gezegd dat we twee grote problemen hebben, een probleem met ouderen en een probleem met jongeren op de arbeidsmarkt. Overigens heb ik dat als eerste in de nieuwe Kamer gezegd bij het overleg over de arbeidsmarkt. Toen heb ik ook aangegeven dat die twee groepen in leeftijdscategorie naar elkaar toe aan het groeien zijn, omdat de ouderen steeds jonger oud zijn. Desalniettemin hebben beide groepen grote prioriteit. Ik heb ook steeds gezegd dat we, als we willen dat er een sociaal akkoord komt of een sociale agenda, hoe we het ook noemen, ruimte moeten geven aan de sociale partners en aan de minister om dat overleg te voeren. Dan ga ik daar niet elke keer in de Kamer allerlei eisen aan stellen, behalve dat die twee punten goed aan de orde moeten komen. Een verdeling waarbij een groep niets krijgt en de andere groep alles, lijkt me niet logisch, maar dat is ook volgens mij niet de boodschap die wij van de sociale partners en van het kabinet hebben gekregen. Ik maak me daar in die zin minder zorgen over, maar we horen straks wat de minister ons daarover te vertellen heeft.

Voorzitter. Wij hebben bij de begrotingsbehandeling Sociale Zaken inderdaad om een inspanning gevraagd. We hebben ook gezegd dat er nu snel actie moet komen. Dat is eigenlijk ook vandaag mijn belangrijkste oproep. We zien dat de jeugdwerkloosheid nog weer verder gestegen is. Toen we daar voor de verkiezingen met de vorige minister over praatten, was hij niet in beweging te krijgen. Ik mag in ieder geval constateren dat het huidige kabinet voltallig veel werk aan het maken is hiervan. Ik hoor graag van de minister wat de stand van zaken is. Ik hoop ook dat we hier niet elke week de stand van zaken gaan bespreken, maar dat er vooral op de arbeidsmarkt aan de slag wordt gegaan.

De heer Ulenbelt (SP):

De sociaaldemocratie heeft een heel rijke geschiedenis in het scheppen van werk. Als de jeugdwerkloosheid stijgt, hoor ik mevrouw Hamer van de PvdA alleen maar vragen om actie. Dat is mooi. Ik hoor de PvdA echter geen enkel voorstel doen over hoe je de jeugdwerkloosheid zou kunnen bestrijden. Vindt mevrouw Hamer ook niet dat 50 miljoen voor het komende jaar wel heel erg weinig is om 124.000 jongeren aan het werk te krijgen?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik denk dat de heer Ulenbelt echt heel erg slecht luistert. Wij hebben al tijdens de verkiezingen een actieplan gemaakt. Dat heb ik zo ongeveer integraal voorgelezen tijdens ons eerste overleg over de arbeidsmarkt. Ik heb daaruit een aantal moties gemaakt, waarvan er een is aangenomen. Bij de behandeling van de begroting Sociale Zaken lagen er allemaal voorstellen van de Partij van de Arbeid voor. Ik heb voorstellen gedaan om jongeren sneller door gemeenten en scholen gezamenlijk beet te laten pakken om direct aan de slag te gaan. De heer Ulenbelt kan mij niet verwijten dat ik geen voorstellen heb gedaan. Als hij ze gemist heeft, is hij misschien even de zaal uit geweest. Ik weet het niet, maar wij hebben flink veel voorstellen gedaan. Het is raar om te zeggen dat het geld dat er extra komt, het enige geld is dat ter beschikking staat. In wezen stelt natuurlijk het hele beroepsonderwijs middelen ter beschikking om jongeren aan een baan te helpen. Om het nu ineens te beperken tot die 50 miljoen, lijkt mij een vrij vreemde gang van zaken.

De heer Ulenbelt (SP):

Laten wij dan het onderwijs eruit nemen. Een van de grote problemen is het teruglopen van het aantal stageplekken. Ik bedoel: alle voorstellen die mevrouw Hamer heeft gedaan, kun je niet betalen van 50 miljoen. Wat vindt zij ervan om een deel van de gelden die wij met de veiling van frequenties hebben binnengehaald in te zetten voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid?

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik heb bij de begroting van SZW een motie ingediend met een verzoek om extra middelen voor scholing in het kader van de jeugdwerkloosheid. Wij zijn nu drie weken verder. Die motie is aangenomen. De minister heeft in zijn beantwoording volgens mij gezegd dat hij haar als ondersteuning van beleid beschouwt. Ik ga ervan uit dat die motie gewoon wordt uitgevoerd en dat er iets wordt gedaan om meer stageplaatsen te realiseren. Ik weet niet of de voorzitter het echt zinvol vindt dat ik mijn vragen over de 50 miljoen nog een keer op dezelfde wijze beantwoordt. De heer Ulenbelt kan het ook rustig nalezen, want ik heb die vraag net beantwoord.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. Vandaag zijn de nieuwe cijfers over de werkloosheid naar buiten gekomen. De jeugdwerkloosheid loopt al maanden op. Inmiddels zitten 124.000 jongeren werkloos thuis. De urgentie om de jeugdwerkloosheid te bestrijden, is dus groot. De ChristenUnie wil dat er een brede aanpak komt voor de problemen op de arbeidsmarkt waarin alle generaties worden betrokken.

De minister is met vakbonden en werkgevers in gesprek over een sociaal akkoord. Voor de kerst maakte hij bekend dat er 100 miljoen extra beschikbaar is voor de bestrijding van werkloosheid. Hij heeft daarbij toegezegd aandacht te besteden aan de jeugdwerkloosheid. Er zijn nu echter berichten dat van die 100 miljoen slechts 6 tot 7 miljoen gaan naar de bestrijding van jeugdwerkloosheid. Klopt dit? Ik hoop van ganser harte dat dit niet het geval is. Kan de minister dat bevestigen? Kan hij duidelijkheid scheppen over hoeveel van dat bedrag daadwerkelijk ten goede komt aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid?

De minister heeft een eerste kleine stap gezet, maar daar moet het wat ons betreft niet bij blijven. Wij moeten voorkomen dat er straks een verloren generatie op de arbeidsmarkt ontstaat. Een grote rol is weggelegd voor de regio's en de gemeenten. Zij kunnen samen met het onderwijs en werkgevers als spil functioneren. Om de gemeenten op weg te helpen, vraag ik de minister om een toolkit te ontwikkelen. Hierin kunnen zowel eerdere succesvolle als nieuwe initiatieven worden opgenomen. Hier is eerder, in 2009 bij het Actieplan Jeugdwerkloosheid, ook in voorzien. Daar zijn goede resultaten mee geboekt.

Ik denk heel concreet aan onderdelen als het School ex-programma. Jongeren op het mbo en hbo krijgen advies over vervolgopleidingen of, als zij ervoor kiezen om te gaan werken, begeleiding naar werk. Ook is het goed om netwerktrainingen aan te bieden. De minister wil dit voor ouderen doen. Wij vinden dit voor jongeren ook een heel goede mogelijkheid om een goed netwerk op te bouwen, hetgeen de kans op werk aanzienlijk kan vergroten.

Het is van het grootste belang dat jongeren werkervaring kunnen opdoen. Op dit terrein zijn al enkele initiatieven ontplooid in de regio en enkele gemeenten, bijvoorbeeld door middel van startersbeurzen. Gemeenten kunnen afgestudeerden die geen baan vinden een steun in de rug geven met zo'n startersbeurs. Het gaat bijvoorbeeld om een tijdelijk bedrag van € 500 per maand. Voor werkgevers is het zo aantrekkelijk om extra leer-werkplaatsen aan te bieden en de jongeren hebben kans om nuttige werkervaring op te doen. Gemeenten als Rotterdam en Tilburg zijn hier al mee bezig.

Is de minister bereid om een toolkit samen te stellen voor gemeenten waarin dergelijke eerdere succesvolle en nieuwe initiatieven om jeugdwerkloosheid te bestrijden worden opgenomen? Wat ons betreft verdienen waardevolle initiatieven navolging.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik zat nog even na te denken over wat mevrouw Schouten aan het begin van haar inbreng zei. Zij sprak over de verdeling van de middelen. Is mevrouw Schouten het met de VVD eens dat eerst en vooral de effectiviteit van maatregelen voorop moet staan en dat het er niet om gaat dat het geld pondspondsgewijs wordt verdeeld? Het is immers ook geen geld dat rechtstreeks naar de betrokkenen gaat. Het moet toch terechtkomen in effectieve maatregelen?

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik ben de laatste die pleit voor niet-effectieve maatregelen. Dat lijkt mij een uitgangspunt van beleid. Mevrouw Van Nieuwenhuizen suggereert dat deze zaken elkaar uitsluiten. Juist in 2009 is er een heel succesvol Actieplan jeugdwerkloosheid geweest. In die tijd liep de jeugdwerkloosheid ook heel snel op. Er is toen snel actie ondernomen. Daarbij is er ook voldoende geld vrijgemaakt. Het blijkt dat dit kan voorkomen dat heel veel jongeren straks in de werkloosheid terechtkomen, wat de samenleving uiteindelijk ook heel veel geld kost. Ik zou zeggen: investeren in jongeren is juist zorgen dat je straks de rekening niet laat oplopen. Dat lijkt mij buitengewoon effectief.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Van Nieuwenhuizen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Is mevrouw Schouten het dan in ieder geval met ons eens dat het redelijk kunstmatig is om echt naar fiftyfifty te streven?

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het lijkt mij in ieder geval niet de bedoeling dat het 10% versus 90% wordt. Die verdeling lijkt mij namelijk buitengewoon scheef. Ik hoor graag van de minister welke verdeling hij voor ogen heeft. Wat mijn fractie betreft, moeten jongeren er niet bekaaid afkomen doordat wij zeggen: we zien wel hoe het met dit probleem verloopt. Juist om te voorkomen dat er straks een generatie aan de kant komt te staan, wat de samenleving heel veel geld kost, is een klein beetje investeren nu heel veel plezier voor later, vooral voor de jongeren maar ik denk ook voor de Tweede Kamer.

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan de heer Heerma van het CDA.

De heer Heerma (CDA):

Die dit keer ook niet zal pleiten voor ineffectieve maatregelen, om daarmee maar te beginnen.

De voorzitter:

Dit keer niet!

De heer Heerma (CDA):

Dit keer niet. Dat biedt geen garanties voor de toekomst, overigens.

Voorzitter. De werkloosheid in Nederland is in verhouding nog steeds laag ten opzichte van veel landen om ons heen. Dit geldt ook voor onze jeugdwerkloosheid. Toegegeven, de jeugdwerkloosheid is conjunctureel zeer afhankelijk, ook als een economie weer aantrekt. Als wij vandaag echter de nieuwe cijfers van het CBS zien binnenkomen over de weer toegenomen werkloosheid en de nog verder gestegen jeugdwerkloosheid, leidt dat toch tot ongemak; het is door vrijwel alle woordvoerders in de Kamer aangegeven. Met het ongemak stijgt ook het ongeduld. In het najaar spraken wij met de minister over de arbeidsmarkt. Namens mijn fractie heb ik toen gepleit voor een taskforce ouderenwerkloosheid. Maar ook het Actieplan jeugdwerkloosheid kwam naar voren. De collega van D66 verwees al naar de motie van zijn hand, die volgens mij op dit moment nog aangehouden is. De minister verwees tijdens dat overleg, maar ook tijdens de begrotingsbehandeling, veelvuldig naar het sociaal overleg. Dat zal vandaag wellicht weer gebeuren, is zo mijn inschatting. Zoals bekend, hecht het CDA zeer aan een echt sociaal akkoord. Wij willen het kabinet en de polder dan ook de kans geven.

Maar, zoals gezegd, het ongeduld groeit ook. Ik vraag de minister dus toch opnieuw hoe hij aankijkt tegen het voorstel om het Actieplan jeugdwerkloosheid nieuw leven in te blazen. Kan hij daarop reageren? De collega van D66 sprak daarover zojuist al enigszins dreigende woorden, geloof ik zelfs. Naar aanleiding van het actieplan in de vorige periode, 2009–2011, is het vorige kabinet aan de slag gegaan om met regio's en ondernemers, en in samenwerking met gemeenten, met de zorg en met het onderwijs de inzet om jeugd aan het werk te krijgen te verbeteren. Eigenlijk is dit de kern van de motie die bij de begrotingsbehandeling is ingediend door mevrouw Hamer en mevrouw Van Nieuwenhuizen. Kan de minister aangeven hoe het staat met de uitwerking van die motie?

Zojuist, voor het debat, zag ik op Nu.nl het bericht – verschillende collega's hebben er al aan gerefereerd – met de melding dat er stukken in het bezit zouden zijn van partijen rondom het overleg waaruit zou blijken dat het overgrote merendeel van het geld naar de inzet voor oudere werklozen zou gaan en niet naar die voor jongeren. FNV Jong heeft al zeer kritisch gereageerd. Kan en wil de minister hierover iets kwijt in dit debat? Kan hij de berichten dat er een zeer gebrekkige inzet is voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid daarmee ook ontzenuwen?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Voorzitter. Sinds 1 januari heb ik een nog heel jonge nieuwe medewerkster, die nu achter in de zaal zit. Ik heb dus meegemaakt dat er ontzettend veel sollicitaties binnenkwamen om hier voor mij te mogen komen werken. Nu denkt iedereen natuurlijk: het is ook een fantastische werkomgeving. Maar toen ik hier tweeënhalf jaar geleden voor het eerst kwam werken, kreeg ik ook sollicitaties binnen, en tussen dat aantal en het aantal nu zit toch echt een factor tien verschil. Dat heeft niet met de functie of met mij te maken, maar dat heeft echt te maken met de jeugdwerkloosheid. Ik hoor de heer Van Vliet nu roepen dat het met de VVD te maken heeft. De VVD wordt steeds populairder, daar heeft hij gelijk in, maar dit heeft echt met de jeugdwerkloosheid te maken. Anders zouden ze niet allemaal hier willen werken. Maar we dwalen af en ik meen het serieus. Ik heb heel veel brieven gekregen, veel meer dan verwacht. Daaraan zie je dat ontzettend veel jongeren aan het zoeken zijn. Ik merk het ook thuis. Mijn kinderen zitten in een leeftijd waarop ze vrienden en vriendinnen hebben die aan het zoeken zijn. Ik hoor dus ook thuis gesprekken over jongeren die gewoon heel graag willen maar niets kunnen krijgen. Ze zijn gelukkig niet wanhopig, maar ze zijn wel erg bezorgd.

Daarom heb ik met volle passie tijdens de begrotingsbehandeling samen met mevrouw Hamer een motie ingediend waarin wij de regering oproepen om iets te doen aan de jeugdwerkloosheid. Gelukkig staan wij er relatief, ten opzichte van een heleboel andere Europese landen, erg goed voor, maar dat mag absoluut geen excuus zijn om achterover te leunen, want het is een serieus probleem, dat veel aandacht en inzet van het kabinet verdient.

Hoe ver is de minister op dit terrein opgeschoten sinds de begrotingsbehandeling? Andere sprekers vroegen hier ook al naar. Ik vraag specifiek ook naar de aansluiting van de arbeidsmarkt op het onderwijs. In december hebben we een uitzending voorbij zien komen waarin sprake was van 70 vacatures voor schoenmakers die niet konden worden ingevuld. In de provincie Brabant, waar ik vandaan kom, zijn heel veel vacatures in de technische sfeer die niet ingevuld kunnen worden. Kortom, er moet echt worden gezorgd voor een betere aansluiting. Er zijn natuurlijk ook bedrijven die inmiddels zelf al aan de slag zijn gegaan met interne opleidingen en daaraan bankgaranties verbinden. Wij horen graag van de minister hoe ver het hem staat om dit soort initiatieven aan elkaar te knopen om tot een betere oplossing te komen.

Ik vraag hem in dit verband ook naar de stand van zaken van het Techniekpact. Hoe opereert hij daarin, samen met de minister van Onderwijs maar ook zeker met de minister van Economische Zaken, om tot een verbeterslag te komen?

De heer Van Weyenberg (D66):

Warme woorden van de VVD over jongeren. Dat is fijn, maar ik wil de nieren proeven, om uit te vinden of er achter deze warme woorden, in tegenstelling tot bij het dossier kinderopvang, nu ook echt daden schuilgaan. Ik heb daarom twee concrete vragen. Ten eerste. Is mevrouw Van Nieuwenhuizen het met mij eens dat de verdeling die vandaag in de pers stond, namelijk dat van de 50 miljoen per jaar maar een kleine fractie naar jongeren gaat, onwenselijk is, mocht dit bericht kloppen? Ten tweede. Steunt mevrouw Van Nieuwenhuizen mijn inzet om van de 300 miljoen werk-naar-werkgelden gewoon 100 miljoen helemaal vrij te spelen voor de bestrijding van de, zojuist ook door haar als een groot probleem geschetste, jeugdwerkloosheid?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Op de eerste vraag kan ik antwoorden dat ik de minister niet voor de voeten wil lopen bij de verdeling. Zoals ik zojuist in een interruptie aan mevrouw Schouten heb gemeld, staat effectiviteit voor de VVD voorop. Ik weet niet welke maatregelen en welke plannen de minister op dit moment heeft. Ik kan dus niet beoordelen of het naar de mening van de VVD allemaal echt effectief ingezette middelen betreft. Het ene plan heeft meer tijd nodig dan het andere voordat je daadwerkelijk middelen kunt gaan inzetten. Zo kun je nog een heleboel vragen meer oproepen. Wij wachten gewoon af. Ik heb vertrouwen dat de minister het op een goede manier zal invullen, zodat hij met maatregelen kan komen waar we echt iets aan hebben. We hebben in het verleden natuurlijk allerlei actieplannen gezien. Die klonken mooi, maar ze hebben erg weinig opgeleverd. De VVD is er niet voor om dat soort dingen te herhalen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Veel woorden zonder een idee. Ik ben door de kiezer gekozen om een visie te hebben op wat wij willen. Ik doe hier dus concrete voorstellen. Meent mevrouw Van Nieuwenhuizen nu werkelijk dat zij niets zelf aan ideeën heeft en niets anders doet dan wachten op waar minister Asscher mee komt? Dat kan toch niet waar zijn?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Nee, maar dat is dan ook helemaal niet wat ik heb gezegd. De heer Van Weyenberg vroeg mij naar een oordeel over de verdeling. Dat laat ik afhangen van de effectiviteit van de plannen die erachter vandaan moeten komen. We willen een stevige onderbouwing hebben voordat we die middelen daadwerkelijk kunnen inzetten. Wat betreft de ideeën, heb ik zojuist al een aantal voorbeelden genoemd, bijvoorbeeld de betere afstemming van het onderwijs met de arbeidsmarkt. We hebben van de week al gedebatteerd over het mbo. De VVD is van mening dat je niet moet opleiden voor een diploma maar voor een baan. Daar is nog heel veel in te winnen. Zo kan ik nog meer ideeën noemen, maar die kent de heer Van Weyenberg ook allemaal wel. Het is dus een beetje vragen naar de bekende weg.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Mevrouw Van Nieuwenhuizen maakt zich erg druk over de effectiviteit van de maatregelen. Het is dan goed als zij aan de minister aangeeft wat voor haar effectieve maatregelen zijn. Als we namelijk achteraf een lijstje krijgen waarop staat wat de acties worden, is er kans dat mevrouw Van Nieuwenhuizen of haar fractie die acties alsnog afschieten. Wat verstaat zij onder effectieve maatregelen? Kan zij dat concreet maken? Waarop baseert zij het oordeel dat allerlei actieplannen niet-effectieve maatregelen bevat hebben? Heeft zij concrete voorbeelden van wanneer het in het verleden niet goed is gegaan?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Er zijn evaluaties geweest van de actieplannen. Daaruit is gebleken dat heel veel dingen die ingesteld zijn, niets of nauwelijks iets hebben opgeleverd. Een voorbeeld van wat wel goed heeft gewerkt en waarover we de minister al vaker geadviseerd hebben om in door te gaan, is de regionale aanpak. Die heeft wel vruchten afgeworpen. Die lijkt ons een goede weg om verder te uit te stippelen. Ik denk dat het niet zo veel zin heeft om hier allerlei individuele maatregelen door te nemen. Mevrouw Schouten kent ook de evaluaties en heeft ook gezien dat sommige dingen gewoon weggegooid geld zijn geweest. Dat moeten we niet herhalen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Dan wil ik concreet weten waarop mevrouw Van Nieuwenhuizen doelt. Juist het Actieplan jeugdwerkloosheid uit 2009 is buitengewoon effectief geweest. Mevrouw Van Nieuwenhuizen suggereert dat het weggegooid geld is, of een deel daarvan, maar als zij daar zo veel inzicht in heeft – zij heeft dat kennelijk – wil ik weten wat voor maatregelen er wat haar betreft niet genomen moeten worden omdat die niet effectief zouden zijn. We helpen de minister dan ook een heel eind op weg. Hij weet dan waarover hij niet hoeft te onderhandelen.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

De minister hoeven we daar niet mee op weg te helpen, want hij kent ook alle wetenschappelijke rapporten en onderzoeken die ernaar gedaan zijn. Het is een goed gebruik in de Kamer dat als er ergens grote budgetten aan besteed worden, zij dat zelf evalueert. Daaruit is op verschillende punten gebleken dat bepaalde zaken niet gewerkt hebben. Dat weet mevrouw Schouten net zo goed als ik.

De heer Ulenbelt (SP):

Het siert mevrouw Van Nieuwenhuizen dat zij zich zorgen maakt over haar dochters …

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Ik heb maar één dochter en drie zonen, maar dat doet er niet toe.

De heer Ulenbelt (SP):

… en dat zij zelf in de gaten heeft dat de werkloosheid een probleem is. De VVD zit echter al een paar jaar in de regering. Sinds zij erin zit, is de werkloosheid alleen opgelopen. Heeft mevrouw Van Nieuwenhuizen zich weleens afgevraagd of het een met het ander te maken kan hebben?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Die vraag is in verkiezingstijd heel vaak aan mij gesteld, ook door de heer Ulenbelt. Toen heb ik aangegeven dat er in de afgelopen tijd het een en ander is gebeurd. We hebben te maken met de ergste financiële crisis die wij ons kunnen herinneren. We hebben toen, zij het niet helemaal vrijwillig, vastgesteld dat wanneer de SP aan het roer had gestaan, het allemaal nog veel beroerder zou zijn geweest.

De heer Ulenbelt (SP):

Beroerder dan wat de VVD ervan maakt, kan al helemaal niet meer. Ik vraag u om die woorden terug te nemen. Ik stel u de volgende concrete vraag: wat heeft de VVD de jongeren van nu op dit moment te bieden? Of is het net als met de Partij van de Arbeid: zelf geen idee, de minister zoekt het maar uit?

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Het gaat wel erg ver om te zeggen dat wij zelf geen ideeën hebben. We hebben net ideeën genoemd. Het heeft weinig zin om die te herhalen. Het belangrijkste wat wij te bieden hebben, is dat we zorgen dat we financieel orde op zaken stellen en dat de economie weer aan de praat raakt. De overheid creëert immers geen banen, maar het bedrijfsleven. Dat willen we heel graag daartoe in staat stellen. Om daar een extra stimulans aan te geven, hebben we 100 miljoen voor de sociale agenda beschikbaar. We gaan er dan, met u hoop ik, op toezien dat dit geld op een zo effectief mogelijke manier besteed wordt.

De vergadering wordt van 21.10 uur tot 21.17 uur geschorst.

Minister Asscher:

Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng. Het is erg mooi om te zien met welke enorme passie, dwars door de partijen heen, er over dit onderwerp gesproken wordt. Dat heb ik al eerder gemerkt. Ik denk dat dat helpt. Het zal niet de laatste keer zijn dat wij hierover spreken.

Het is waar: de cijfers zijn slechter geworden. Zowel de algemene werkloosheid als de jeugdwerkloosheid is gestegen naar een hoog niveau. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat de vooruitzichten ook niet zo rooskleurig zijn. Het Centraal Planbureau verwacht dat de Nederlandse economie dit jaar met 0,5% krimpt en dat de werkloosheid verder oploopt. Dat zal ook opgaan voor de jeugdwerkloosheid. Dat is een harde boodschap, maar die moeten we wel onder ogen zien. 2013 wordt een ongelooflijk lastig jaar. Dat blijkt uit al dit soort cijfers. Dat zal de komende maanden zo blijven. Voor de jongeren over wie het gaat, die nu op zoek zijn naar werk en er maar niet in slagen om dat te vinden, is dat een hard gelag en een ongelooflijk frustrerende ervaring. We voelen de gevolgen van de crisis.

Er is echter ook een aantal lichtpuntjes. Ik voel de behoefte om die toch ook even met de Kamer te bespreken. Onze jongeren doen het ten opzichte van de jongeren in andere landen bepaald niet slecht. De arbeidsparticipatie van de Nederlandse jongeren is de beste in Europa. Met de jeugdwerkloosheid staan we op de vierde plek van het goede lijstje; we hebben een relatief lage jeugdwerkloosheid. Daarnaast schetste het Centraal Planbureau in december dat, hoewel fragiel, voorzichtig en met alle mitsen en maren omkleed, de eurocrisis nu eindelijk in rustiger vaarwater is terechtgekomen door het gevoerde beleid in het eurogebied. De export trekt weer aan. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek ligt de export 5% hoger dan een jaar geleden. Ondernemers in de industrie zijn positiever over de toekomst. Voorts ziet het UWV met name in de techniek, de beveiliging en de informatica grote aantallen vacatures. Dat doet niets af aan de situatie van mensen die nu op zoek naar werk zijn en er niet in slagen om dat te vinden. Het is echter belangrijk om te beseffen dat er, ook na deze heel diepe crisis, weer licht aan het einde van de tunnel komt. De werkgelegenheid zal aantrekken en daarvan zullen we kunnen profiteren als we een goed beleid voeren. We moeten ervoor zorgen dat juist de jongeren die het nu moeilijk hebben, snel aan de slag kunnen. Ik ben het geheel met de sprekers eens dat dit een actief beleid vergt. We moeten niet wachten. Het is echter wel belangrijk dat het ergens naartoe gaat.

Het is onze opdracht, van het kabinet en van de Kamer, om de werkzekerheid te vergroten voor zowel jong als oud. We hebben daarvoor geen simpele oplossing. Dat hebben de Kamerleden elkaar ook meegegeven. Er bestaat geen "gouden kogel" waarmee je alle problemen in één keer oplost, anders hadden we die natuurlijk allang gebruikt. Het vertrouwen moet worden hersteld. We moeten ons richten op effectieve en structurele maatregelen die ervoor zorgen dat we niet alleen in het nu, maar ook in de periode daarna de goede dingen doen voor de werkgelegenheid. In de aanpak van de jeugdwerkloosheid wil ik samen met vooral de minister van Onderwijs aan de slag met gemeenten, sociale partners en onderwijsinstellingen. Dit moet leiden tot een samenhangend en effectief pakket aan maatregelen om op een duurzame manier jeugdwerkloosheid te voorkomen – voorkomen is ook hier beter dan genezen – en te bestrijden.

Het gaat om maatwerk. De problemen waar jongeren op dit moment tegen aanlopen, zijn niet dezelfde als die van de ouderen. Jongeren zijn in vergelijking met ouderen vaker werkloos. De jeugdwerkloosheid bedraagt altijd zo'n beetje het dubbele percentage van de algemene werkloosheid. Ieder jaar komen er jongeren uit de schoolbanken. Zij zijn in het begin vaak een periode werkloos, maar die periode is vaak van korte duur. Ook zijn er enorme verschillen in de manier waarop verschillende groepen jongeren getroffen worden. Allochtone jongeren zonder startkwalificatie zijn veel kwetsbaarder en veel vaker werkloos. De heer Van Vliet wees hierop.

De Kamerleden vroegen mij al eerder wat de reactie wordt. Is het niet tijd voor een actieplan? Ik kies niet zozeer voor een actieplan, als wel voor een aanpak van de jeugdwerkloosheid die dynamisch is, die bestaat uit concrete maatregelen voor de korte en de lange termijn, die uitgaat van het voorkomen van jeugdwerkloosheid, met name op de lange termijn, die altijd gericht is op effectiviteit – we kunnen onze euro's maar één keer uitgeven, zeker in crisistijd – maar die heel erg gericht is op wat er nu nodig is. Ik snap het ongeduld van de Kamer op dat punt heel goed. Haar ongeduld is het mijne. Zij weet dat ik in gesprek ben met de sociale partners. De grote geldbedragen kunnen niet eerder worden verdeeld dan nadat ik daar afspraken over heb gemaakt met de sociale partners. Zulke grote afspraken worden vastgelegd in het sociaal akkoord. De Kamer heeft mijn planningsbrief gezien. Dat duurt even, maar ik wil de Kamer eind volgende maand wel een tussenstand geven die geheel gericht is op het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Zodoende ziet de Kamer welke maatregelen we in gang hebben gezet en welke maatregelen deel uitmaken van die aanpak en kan zij ook een oordeel vellen over de effectiviteit van de maatregelen waar wij voor kiezen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Het is een mooi aanbod, waarvoor dank. Toch schrik ik er een beetje van. Ik was namelijk in de veronderstelling dat het overleg met de sociale partners in maart afgerond zou zijn, maar nu gaat de minister ons eind februari een tussenstand over de jeugdwerkloosheid geven. Daarom check ik het even: wat is de deadline om het totale overleg af te ronden?

Minister Asscher:

De heer Van Weyenberg heeft gelijk. Eind maart moet het voorjaarsoverleg zo'n beetje zijn afgerond. Vervolgens kom ik snel naar de Kamer met een hoofdlijnennotitie. Ik zal de resultaten zo snel mogelijk aan de Kamer presenteren, als er tenminste sprake is van resultaten. Maar misschien begrijpt de heer Van Weyenberg dat er toch wel enige tijd overheen gaat voordat ik een en ander in fatsoenlijke voorstellen aan de Kamer heb kunnen voorleggen. Hij heeft de planning in ieder geval goed begrepen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Mijn ongeduld is inderdaad groot. Ik denk ook dat al die mensen die zitten te wachten op de resultaten van al dat "achterkamergepolder" ongeduldig zijn. Ik geef de minister wel graag in overweging dat hij, ook als dit kabinet afspraken maakt met de sociale partners, absoluut niet verzekerd is van steun in beide Kamers van het parlement. Het is dus van belang dat de minister zich, bij de tijdpaden, realiseert dat die steun niet vanzelf komt.

Minister Asscher:

Ik dank de heer Van Weyenberg voor zijn vermaning, die voor mij helemaal geen verassing is. Ik laat niet na om tegen mijn gesprekspartners te benadrukken dat niet alleen werkgevers of werknemers te maken hebben met een achterban die soms kritisch kan zijn, maar dat dit net zo goed geldt voor het kabinet. Wij zijn ons daar allemaal terdege van bewust. Ik wil wegblijven van de negatieve connotatie van praten in een achterkamer. We overleggen met elkaar en we zijn ons ten volle bewust van de druk die op dat overleg ligt. Die druk is ingegeven door de huidige economische situatie. Ik overleg ook graag met de Kamer. Dat wordt ook niet gedaan in een achterkamer.

We realiseren het ons dus terdege. Ik denk dat de kracht van de Nederlandse overlegeconomie erbij gebaat is dat we het een goede kans geven. Vervolgens kom ik naar de Kamer. De Kamerleden hebben mij allemaal in meerdere of mindere mate opdrachten meegegeven en criteria genoemd waar eventuele afspraken aan moeten voldoen. Dat wordt een ingewikkelde klus; dat weet het kabinet.

Ik kom op de berichtgeving over de verdeling van die 100 miljoen. Ik wil daarbij wel één opmerking vooraf maken. Die 100 miljoen is niet het enige bedrag dat wij uitgeven aan het stimuleren van werkgelegenheid, aan het bevorderen van het opleidingsniveau van jongeren of aan het verbeteren van de Nederlandse arbeidsmarkt. Gelukkig maar! Sommige zeggen dat het een fooi of een sneeuwvlok is. Hetzelfde werd gezegd over de 250 miljoen structureel die bij het heronderhandelen over het regeerakkoord boven water kwam. Ook dat zou een fooi zijn.

Welnu, ik stel vast dat we de middelen zo effectief mogelijk willen besteden. Het kabinet heeft bij het midwinteroverleg aangegeven dat we ook op korte termijn de middelen die we uit alle hoeken en gaten van het ministerie hebben gekrabd, bij elkaar willen zetten om iets te doen aan de stijgende werkloosheid onder jongeren en ouderen. Maar dat is niet het eerste en ook niet het laatste. Bij het voorjaarsakkoord, bij het sociaal overleg, bij de sociale agenda, gaat het immers over grotere bedragen, structurele bedragen en over structurele afspraken. De heer Van Weyenberg verwees daarnaar. Daarbij moeten niet alleen eventuele extra middelen van het kabinet aan de orde komen, maar ook investeringen van het bedrijfsleven en investeringen namens werknemers, bijvoorbeeld uit de O&O-fondsen. Daar ben ik het helemaal mee eens. Daarom is het juist dat we op grond van een eerste selectie van maatregelen voorlopig denken aan een verdeling waarbij er inderdaad meer geld wordt besteed aan de participatie van ouderen dan van jongeren. Ik zal de Kamer eind februari in de tussenstand laten zien waar wij op uit zijn gekomen. Ik voel er niet voor om te zeggen dat we ieder bedrag door tweeën gaan delen, zodat het gelijk wordt verdeeld over ouderen en jongeren. Ik voel ervoor om in te grijpen waar dat nodig is en dat zo effectief mogelijk te doen. Dat hoor ik in wezen ook van de Kamer. Ik zal in de rest van mijn betoog laten zien dat veel grotere bedragen worden geïnvesteerd juist in het bestrijden van de jeugdwerkloosheid op een naar mijn mening effectieve manier, ook buiten die 100 miljoen.

Het is belangrijk om ook eer te bewijzen aan de mensen die verantwoordelijk waren voor het vorige Actieplan jeugdwerkloosheid. Ik hoor daarover in de Kamer ietwat gemengde recensies. Dit actieplan heeft er in ieder geval voor gezorgd dat toen enorm is geïnvesteerd in een infrastructuur voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid. Die infrastructuur is door gemeenten overeind gehouden. Die is er vandaag dus nog steeds. Juist door die investeringen van toen, zo'n 250 miljoen, kunnen wij nu met een relatief kleine extra bijdrage gemeenten, lokale werkgevers- en werknemersorganisaties en onderwijsinstellingen in staat stellen om effectief op te treden tegen jeugdwerkloosheid. Daar is dus in de jaren hiervoor goed werk mee gedaan. Ik meen dat die regionale aanpak daadwerkelijk de meest effectieve manier is om samen de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Mevrouw Van Nieuwenhuizen gaf daar ook hoog van op. Die duurzame regionale aanpak juich ik zeer toe.

Kort geleden hebben de mensen van mijn departement een rondgang gemaakt langs die regio's om te bezien of die infrastructuur overeind was gebleven, op welke manier daar nu invulling aan wordt gegeven en hoe snel je eventueel met een extra zetje de boel tot leven kunt wekken en met meer vaart kunt aanpakken. Dat ziet er goed uit. Ik ga vanzelfsprekend met UWV en gemeenten verder in gesprek over de vraag wat nu nodig is. De eerste gesprekken zijn al begonnen. Gemeenten zitten absoluut niet stil, want zij zien in hun eigen achter- en voortuin wat het betekent als jongeren geen werk zoeken. Er is echter een goede structuur. Het moet een breder pakket worden en het moet een brede aanpak worden. Het zal ook niet om één keer een plan gaan waar we dan over vier jaar naar gaan kijken. Ik meen dat jeugdwerkloosheid bij uitstek een onderwerp is dat vraagt om een dynamische aanpak. Hoe ontwikkelt de arbeidsmarkt voor jeugdigen zich, hoe gaat het met de instroom bij de onderwijsinstellingen, wat vraagt de markt, waar zijn er vacatures en op welke manier kun je jongeren wél zover krijgen? Daar zullen we telkens naar moeten kijken.

Ik zei al iets tegen de heer Van Vliet over het feit dat hij gelijk heeft dat de werkloosheid juist onder allochtone jongeren hoger is. Ik deel zijn zorg daarover en ik waardeer die zorg ook. Het belangrijkste antwoord is dat men zich moet kwalificeren voor beroepen waar vraag naar is. Dat bestaat uit twee delen: school afmaken en diploma halen én jongeren niet meer massaal opleiden voor banen die er niet zijn, maar juist vraaggericht werken. Daar ligt echt een stevige verantwoordelijkheid voor onze onderwijsinstellingen. Dat begint al veel eerder dan op het roc. Dat begint al op de middelbare school of daarvoor, op de basisschool. Op een gegeven moment hebben we voldoende musicalsterren en te weinig technici. Daar ligt echt een deel van het antwoord op dit probleem.

De heer Ulenbelt (SP):

Nu maakt de minister er echt een karikatuur van. De feiten zijn: 570.000 werkzoekenden en 108.000 vacatures. Waar is het plan van de minister voor meer vacatures? Die zul je nodig hebben. Iemand kan een keer een fout maken bij het kiezen van een opleiding, maar het tekort aan vacatures is het probleem. Er is één vacature voor vijf werklozen. Dat moet de minister toch oplossen?

Minister Asscher:

Ik kom straks terug op de gerichte vragen van de heer Ulenbelt. Ik zeg nu dat dit echt niet het enige probleem is. Het probleem is wel degelijk een enorme mismatch tussen de opleidingen die jongeren volgen en de vacatures, die er wel degelijk zijn. Terecht zei de heer Van Vliet dat werkgevers van plan zijn om mensen uit het buitenland hier naartoe te halen, terwijl de jongeren staan te springen om een baan. Laten wij dat ook oplossen, mijnheer Ulenbelt. Laten we daar ook naar kijken. Dat is echt ook een kwestie van het toespreken van onderwijsinstellingen en jongeren. Wat wij nodig hebben zijn vakmensen. De talenten zijn er. De jongeren zijn er. De opleidingsinstellingen zijn er. Alleen moeten we wel de goede keuzes maken.

Ik voeg daaraan toe dat bij allochtone jongeren op de arbeidsmarkt nog twee dingen een rol spelen. In sommige gevallen gaat het om de meer sociale competenties, over de manier waarop je je presenteert, over de manier waarop je solliciteert en netwerkt. Daar ligt een verantwoordelijkheid voor het onderwijs. In sommige andere gevallen is er sprake van discriminatie. Ik vind dat ieder geval van discriminatie er één te veel is. Het is bekend dat de staatssecretaris bezig is met de bestrijding van discriminatie op de werkplek. Dat is ook een onderdeel van de aanpak van jeugdwerkloosheid. Daar moeten we heel streng op zijn.

De heer Ulenbelt (SP):

Zelfs als we geen discriminatie hadden en als jongeren de goede opleiding hadden gekozen, dan zitten we nog steeds met een banentekort van 400.000. De minister is wel heel dynamisch bezig, maar het antwoord op deze vraag blijft hij schuldig. Waar creëert hij het werk? Waarom niet ouderen gunnen eerder te stoppen, zodat er een-op-een een jongere in kan, om werk te verdelen, waar zijn partij altijd goed in was? We moeten niet de jongeren de schuld geven, maar 400.000 banen scheppen.

Minister Asscher:

U hebt zojuist voorgesteld om een miljard uit te trekken voor het scheppen van banen. Ik ben benieuwd hoe die voorstellen er precies uitzien. Ik richt mij nu, namens het kabinet, op een structurele aanpak, om ervoor te zorgen dat jongeren beter gekwalificeerd zijn op de arbeidsmarkt, vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten, en jongeren doorleren in plaats van thuiszitten. U en ik, wij weten allebei hoe conjunctuurgevoelig jeugdwerkloosheid is. We moeten door die dip heen en ervoor zorgen dat jongeren niet, of zo kort mogelijk, thuiszitten en als zij dan weer aan het werk gaan, gekwalificeerd zijn voor het werk dat er is.

Ik noem een paar voorbeelden van onderdelen die binnen zo'n regionale aanpak effectief kunnen zijn en waar wij vertrouwen in kunnen hebben, ook naar aanleiding van de vragen van de ChristenUnie. Denk aan de zogenaamde startersbeurs, om schoolverlaters gedurende een korte periode werkervaring te laten opdoen. Een gemeente als Rotterdam wil daarmee aan de slag. Ik zal zo nog iets zeggen over de vraag of je dat voor alle jongeren zou moeten doen, zoals FNV Jong heeft gesuggereerd. Het is een interessant instrument om toe te passen, maar wel weer met maatwerk.

Te denken valt aan jongerenloketten, waar jongeren terecht kunnen met vragen over scholing of het vinden van werk of om ondersteuning daarbij. Je kunt hulp bieden bij de beroepskeuze van jongeren, door ze samen met hun ouders kennis te laten maken met verschillende soorten werkgevers. Daar zie je voor een deel hetzelfde als wat effectief blijkt bij ouderen, waarnaar de heer Van Weyenberg verwees. Soms is het veel beter om werkgevers en mogelijke werknemers met elkaar in contact te brengen, dat te organiseren en ze daarop voor te bereiden, dan te wachten tot mensen door het schrijven van brieven wat voor elkaar krijgen. De eerste reacties uit de regio's zijn positief. Men staat klaar om een impuls te geven. Ik zal samen met de VNG bekijken hoe we zo snel mogelijk van start kunnen gaan.

Er is ook gevraagd naar de tool kit, instrumentenkoffer of gereedschapskist, die in 2009 al voor een groot deel is ontwikkeld. We weten van een aantal instrumenten al hoe zij van dienst kunnen zijn. Wat we kunnen doen, is regio's en gemeenten faciliteren of op de hoogte brengen van de mogelijkheden. Netwerktraining maakt daar onderdeel van uit. Dan kunnen zij gebruikmaken van alle instrumenten die er in zo'n gereedschapskist zijn om effectief op te treden tegen jeugdwerkloosheid. Die suggestie neem ik graag mee.

De woordvoerders van de Partij van de Arbeid en van D66 vroegen hoe wij kunnen bevorderen dat gemeenten jongeren een leer-werkaanbod doen. Hierover is al het een en ander gezegd in het kader van die regionale aanpak. De laatste tijd is ook de eigen verantwoordelijkheid van jongeren benadrukt. Dat is die periode waarin zij zelf op zoek moeten. Die aanscherping pakt tot nu toe goed uit. Je ziet dat veel jongeren eigenlijk heel goed in staat zijn om hun weg te vinden en aan de slag te komen.

Ik vind het belangrijk om dat te benadrukken, voordat wij met het urgente probleem van de stijgende jeugdwerkloosheid een hele groep jongeren te kansarm zouden inschatten. Je ziet dat heel veel jongeren er wel degelijk goed in slagen om hun weg te vinden op een ingewikkelde arbeidsmarkt. Hier geldt weer dat maatwerk essentieel is en dat we moeten zoeken naar de plekken waar jongeren niet vanzelf aan het werk komen, omdat zij onvoldoende mogelijkheden hebben, de afstand te groot is, of omdat zij soms inderdaad niet de competenties hebben om hun netwerk aan te boren, op zoek naar werk.

Voordat men te veel afgaat op die 100 miljoen, denk ik dat de mogelijkheid van een sectorale aanpak een cruciaal element is. We hebben in het midwinteroverleg met de sociale partners besproken dat er behoefte is aan sectorplannen, plannen uit de samenleving zelf, bijvoorbeeld in de bouw of de metaal, waar het nu zo ontzettend moeilijk gaat. Het kabinet heeft gezegd eraan mee te willen doen als er in die sectorplannen concrete afspraken worden gemaakt om mensen effectief van werk naar werk te helpen. Daarin zou rekening moeten worden gehouden met de arbeidsmarktpositie van ouderen, zoals een wens is van de Kamer. Er zouden ook concrete maatregelen in moeten zitten over stages, leer-werk-plaatsen en carrièremogelijkheden voor jongeren in die sectoren. Daarin moet worden geïnvesteerd door zowel werkgevers als werknemers via de O&O-fondsen. De heer Van Weyenberg wist precies welke middelen we daarvoor op het oog hebben, en dat ben ik ook inderdaad van plan. Ik was vanmiddag in Arnhem op een bijeenkomst over de kansen die zitten in "van werk naar werk". Dat gaat heel erg over investeren in de opleiding van mensen, van jongeren maar ook van werknemers in bestaande bedrijven. Dan zie je dat je daarmee tot 60% van de mensen niet in de uitkering krijgt, maar in een nieuwe baan. Dat zijn elementen die ik terug wens te zien in de sectorplannen. Daar ligt een kans die de sociale partners ook niet mogen laten liggen. Ik weet dat zij bezig zijn met het maken van die plannen. Ik denk dat dit ook een belangrijke bijdrage kan leveren aan de bestrijding van de jeugdwerkloosheid.

Ik voeg hieraan toe dat een stage- en een leer-werkbanenoffensief van de Stichting Samenwerking Beroepsonderwijs Bedrijfsleven in 2013 wordt geïntensiveerd. Ik werk hieraan samen met de minister van Onderwijs. De Kamer heeft terecht gezegd dat jongeren wel werkervaring moeten kunnen opdoen, dat er stages moeten zijn. We intensiveren dat, we beginnen een stage- en een leerwerkoffensief en we rekenen op sterke sectorale plannen. Die komen vanzelf bij de Kamer terecht. We kunnen onze euro maar één keer uitgeven. Daarmee kun je in de reële economie banen behouden, banen creëren en jongeren aan het werk helpen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb gevraagd hoeveel jongeren op dit moment in de bijstand zitten die na een aantal maanden toch nog niet zo'n leerwerkaanbod krijgen. Ik ben het met de minister eens dat je zoveel mogelijk op hun eigen kracht moet vertrouwen. Dat gaat vaak ook heel goed. Ik heb echter ook een concreet voorstel gedaan. Dat is het voorstel om iedereen die na zes maanden nog in de bijstand zit, het recht te geven op zo'n leer-werkaanbod. Naar mijn optiek is dat nog niet sluitend. Ik heb het gevoel dat het in dit blokje hoort. Kan de minister daar nog iets over zeggen?

Minister Asscher:

Ik vind dat een goede suggestie van de heer Van Weyenberg. Ik wil in de tussenstandbrief aangeven of dat wel of niet een haalbare richting is. Er zijn jongeren die niet van school naar werk gaan, die daar een tijdlang niet aan toekomen, die een tijdlang toch een uitkering hebben. We weten dat jongeren in feite of op school horen te zitten of werken. Als dat niet lukt, dan is er waarschijnlijk iets aan de hand. Ik vind de suggestie van de heer Van Weyenberg helemaal niet gek. Ik wil het daar met de gemeenten over hebben. Dan kom ik erop terug in de februaribrief. Dan zal ik aangeven of het al dan niet een begaanbare weg is.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik heb begrepen dat de minister het gevoel heeft dat hij op weg is naar het overleg met allerlei opdrachten en verzoeken uit de Kamer. Dan zal ik hem op dit vlak in tweede termijn niet teleurstellen.

Minister Asscher:

Dat wacht ik dan even af.

Het is natuurlijk ook ongelooflijk belangrijk om jongeren die eenmaal een baan hebben, aan het werk te houden.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Ik wil toch even interveniëren in dit debatje tussen de heer Van Weyenberg en de minister. Volgens mij hebben we die afspraak al gemaakt bij de begrotingsbehandeling. Toen heeft de minister mij dat al toegezegd. Ik vind het een beetje jammer als we hier elke keer de suggestie wekken dat we iets nieuws doen terwijl we al begonnen waren. Ik hoor op dit punt graag een bevestiging van de minister.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik heb een persoonlijk feit

De voorzitter:

Dat betekent dat u daar een opmerking over mag maken, maar u mag er geen vraag over stellen

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben het geheel met mevrouw Hamer eens.

De voorzitter:

Wat is het persoonlijk feit?

De heer Van Weyenberg (D66):

Het persoonlijk feit is dat hier eigenlijk de indruk wordt gewekt dat ik iets herhaal wat al is afgesproken. Dat was het verzoek of de minister ernaar wil kijken. Mijn verzoek is om het gewoon te doen.

De voorzitter:

Mijnheer Van Weyenberg, ik zal het nog even voor de zekerheid uitleggen. Een persoonlijk feit betreft een belediging. Ik neem dus aan dat u het beledigend vond dat de woorden verkeerd uitgelegd worden.

Ik zie dat mevrouw Hamer het nu ook als een persoonlijk feit beschouwt.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Nu wordt het wel heel wonderlijk. Dan kan ik weer beledigd zijn, omdat wordt gezegd dat ik de minister alleen maar heb gevraagd om over iets na te denken. De minister heeft mij tijdens de behandeling van de begroting van Sociale Zaken echter toegezegd om met gemeenten in gesprek te gaan over die aansluiting tussen onderwijs en gemeenten en hoe kan worden voorkomen dat jongeren langdurig werkloos worden. Volgens mij bedoelen we precies hetzelfde. Ik wil alleen niet dat we om de twee weken steeds hetzelfde tegen elkaar zeggen, ik wil dat we aan de slag gaan.

Minister Asscher:

Ik proef op dit punt een grote harmonie bij de Kamerleden. Ik voel me niet beledigd, maar wel aangespoord. Dat is op zichzelf ook niet nieuw. Ik beluister de opmerking van de heer Van Weyenberg als een uiting om daar nu ook inderdaad snel werk van te maken. Ik begrijp best dat hij vraagt: wanneer krijg ik nu eens zo'n plan te zien? Daarom heb ik ook gezegd dat ik met een tussenstand naar de Kamer zal komen.

Ik wil een paar opmerkingen maken over de rol om jongeren als ze eenmaal een baan hebben, ook aan het werk te houden. De overheid speelt daar een ondersteunende maar wel belangrijke rol. In de eerste plaats wordt het gebruik van Erkenning Verworven Competenties (EVC's) gestimuleerd. Met name die jongeren zonder formele kwalificatie maar met werkervaring hebben daar baat bij. Waarom? Omdat zij er vaak als eerste weer uitvliegen als het conjunctureel tegenzit. Door hen een zekere erkenning van hun competenties en werkervaring mee te geven, worden zij weerbaarder op de arbeidsmarkt. Verder worden best practices van duurzame inzetbaarheid verspreid en wordt de scholing van particulieren gestimuleerd. Dat kan door de aftrekbaarheid van scholingskosten in de inkomstenbelasting. Per 1 januari van dit jaar is de drempel waarboven die kosten mogen worden afgetrokken verlaagd naar 250 euro. Dat stimuleert het investeren in de eigen ontwikkeling en scholing. Omdat juist veel jongeren in flexbanen zitten, wil het kabinet de balans tussen vaste arbeid en flexarbeid herstellen. Jongeren komen nu te vaak terecht in flexbaantjes en oproepcontracten zonder uitzicht op een duurzame carrière. Dat is een van de hoofdonderwerpen waarnaar ik wil kijken, in opdracht van deze Kamer en het regeerakkoord, samen met de sociale partners. Tegen mevrouw Voortman zeg ik dat daarbij ook gekeken moet worden naar de wenselijkheid en onwenselijkheid van een proeftijd bij een tijdelijk contract. Dat hoort erbij. Jongeren die eenmaal een baan vinden, moeten een stevige positie krijgen.

Het is natuurlijk nog beter om jeugdwerkloosheid te voorkomen. D66 en PVV spraken daarover. Daarvoor is kwalitatief goed onderwijs nodig dat aansluit bij de behoefte. Het is bekend dat jongeren met een mbo-diploma kwetsbaarder zijn dan jongeren met een hogere opleiding. Juist op dat punt willen wij verbetering. 250 miljoen aan intensivering om opleidingen uitdagender te maken, roosters voller te krijgen en meer aandacht te besteden aan essentiële vaardigheden die jongeren nodig hebben. Zo zorgen wij ervoor dat de jongeren die van het mbo komen vakmensen zijn. Die zijn ongelooflijk hard nodig voor de Nederlandse economie. Het gaat ook om die aansluiting. Met het actieplan Focus op vakmanschap kijken wij samen met het onderwijs en het bedrijfsleven naar wat er nodig is om de kwalificaties van jongeren als zij aan het werk gaan te verbeteren. Er is nu vaak nog een te grote afstand tussen een mbo-diploma en wat er echt nodig is op de werkplek. Wij doen dat door een studiebijsluiter, door beter te informeren over arbeidsmarktperspectieven en door voortijdig schoolverlaten te bestrijden, een onderwerp dat mij bijzonder nauw aan het hart gaat. Wij willen dat terugdringen tot 25.000 in 2016. Dat is namelijk een echte voorspeller van jeugdwerkloosheid. Als iemand de school verlaat zonder diploma, zeker in deze tijd, maar eigenlijk in iedere tijd – de conjunctuur gaat naar boven en naar beneden – dan zijn zijn kansen zo ongelooflijk veel slechter. Het is de moeite waard om dat te bestrijden. Vorig jaar daalde de uitval van voortijdig schoolverlaten voor het eerst tot onder de 7%. Juist onder allochtone jongeren, met name met een Marokkaanse en Surinaamse achtergrond, en onder jongeren uit achterstandswijken zet die daling extra hard door. Wij slagen er in om iets wat bijna voor onmogelijk werd gehouden, een ijzeren contingent van jongeren die maar geen diploma wilden halen, binnen de school te houden. Dat is ongelooflijk goed voor die jongeren zelf maar ook voor de Nederlandse arbeidsmarkt.

Ook in het hoger onderwijs wordt gewerkt aan het versterken van arbeidsmarktrelevantie in de opleiding. Door zorg te dragen voor betere informatie over banen, juist ten behoeve van de studiekeuze, door het criterium "arbeidsmarktrelevantie" zwaarder te laten wegen bij de bekostiging van nieuwe opleidingen en door te snoeien in de wildgroei aan opleidingen. In dit verband laat ik niet onvermeld dat deze Kamer zich hard heeft gemaakt voor het afschaffen van de langstudeerboete. Ook dat helpt de jongeren die doorleren; zij worden daarvoor niet gestraft.

Dit voorjaar willen wij met het bedrijfsleven en het onderwijs een techniekpact 2020 afsluiten. Mevrouw Van Nieuwenhuizen vroeg daarnaar. Aan de hand daarvan kan beschikt worden over voldoende en kwalitatief goed opgeleide, technisch geschoolde vakkrachten. Dat is noodzakelijk voor de economie. Samen met de minister van OCW en onder leiding van de minister van Economische Zaken werk ik aan concrete afspraken over doorstroming en voorlichting, op basisscholen, over stages en aantrekkelijke loopbaanperspectieven. Op die manier moeten de enorme tekorten aan goed opgeleide arbeidskrachten van het heel hoge niveau van de gepromoveerde technici tot het heel lage niveau van de assistenten en de helpers worden opgelost.

De huidige ontwikkeling van de jeugdwerkloosheid is zorgelijk. De jeugdwerkloosheid stijgt. Wij hebben het ergste, vrees ik, nog niet gehad. Dat vraagt om actie. Wij hebben daartoe de eerste stappen gezet. Wij richten ons daarbij op een gezamenlijke, integrale aanpak van de jeugdwerkloosheid die dynamisch is. Ik ga samen met de onderwijsminister in gesprek met gemeenten, sociale partners en werkgevers. We komen met een effectief pakket aan maatregelen om zowel te voorkomen als te bestrijden. Daarmee wil ik ook invulling geven aan de motie-Hamer/Van Nieuwenhuizen-Wijbenga over de uitkomsten, die bij de begrotingsbehandeling is ingediend. Het grote pakket zal onderdeel moeten uitmaken van het sociaal akkoord van komend voorjaar, waarover ik de Kamer zo snel als mogelijk zal informeren als de afspraken er zijn. Juist op het punt van de jeugdwerkloosheid, waar ik de urgentie van de Kamer voel en deel, kom ik eind februari met een tussenstand.

Voorzitter. Tot zover mijn antwoord in eerste termijn.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik had nadrukkelijk gevraagd wat de minister vond van de berichten in de media over de verdeling van de 100 miljoen, waarvoor in het sociaal akkoord ruimte is gemaakt. Kloppen die berichten? Zo ja, wat vindt de minister dan een rechtvaardige verdeling?

Minister Asscher:

Daar heb ik ook antwoord op gegeven.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Er is alleen geantwoord dat er in februari nadere informatie komt …

Minister Asscher:

Nee, ik heb aangegeven dat de 100 miljoen niet het enige geld is dat we hiervoor uittrekken. Ik heb gezegd dat ik me daarbij richt op datgene waar we op dit moment het snelste effectief kunnen ingrijpen. Ik heb aangegeven dat er door de eerdere investeringen een infrastructuur staat voor bestrijding van de jeugdwerkloosheid in de regio. Die is er dus al. Met relatief weinig geld kun je daar wat aan doen. Ik heb gezegd dat het klopt dat we bij onze voorlopige inschattingen uitgaan van de verdeling die nu is geschetst en naar buiten is gekomen, maar dat die verdeling nog niet definitief is en dat zij bij goede plannen weer kan wijzigen. Ik heb gezegd dat ik de concrete voorstellen daaromtrent eind februari bij de tussenstand aan de Kamer wil melden. "Rechtvaardig" is natuurlijk altijd een hamvraag in de politiek. Rechtvaardig is, denk ik, maar dat zal ieder van ons misschien op een eigen manier beantwoorden, dat we met de beperkte beschikbare middelen zo veel mogelijk doen aan het bestrijden van werkloosheid en het verbeteren van de arbeidsmarkt. Daarbij moet je natuurlijk – niet dat mevrouw Schouten dat doet – niet alleen kijken naar de 100 miljoen, maar vooral naar het totale pakket.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik maak uit de woorden van de minister op dat de genoemde 6 à 7 miljoen voor jeugdwerkloosheid dus klopt. De minister heeft inderdaad aangegeven dat er al een hele infrastructuur staat, maar dat geldt uiteraard ook voor de ouderenwerkloosheid. Als er goede plannen zijn die meer kosten, maar ook zeer effectief zijn, vraag ik wel aan de minister of hij zich ervoor hard wil maken om meer middelen voor de jeugdwerkloosheid vrij te maken dan de 6 à 7 miljoen die nu wordt genoemd.

Minister Asscher:

Ik heb aangegeven dat ik ernaar streef om in het voorjaar tot een veel groter pakket te komen waarin bijvoorbeeld in de sectorplannen, maar ook in de van-werk-naar-werktrajecten waarover de heer Van Weyenberg sprak, concreet aandacht wordt besteed aan de arbeidsmarktpositie van jongeren, zonder werk en met werk. Daarbij moeten concrete afspraken worden gemaakt over stages en leer-werkplekken. Ik noemde al de intensivering van 250 miljoen in het mbo en het voortgezette offensief om meer stages en leer-werkplekken te creëren. Met andere woorden: ja, ik ben permanent op zoek naar effectieve maatregelen en die wil ik gericht inzetten. Daarover praat ik ook met gemeenten. Dat is de manier waarop u en ik voorstellen zullen beoordelen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Je hoort dat de minister zeer welwillend is. Wel hoor je hem steeds zeggen "ik streef ernaar" en "ik kom er bij u op terug", terwijl verschillende fracties hebben gevraagd of hij de voorstellen die zijn gedaan ook echt gaat uitvoeren. Een aantal fracties, waaronder de mijne, heeft bijvoorbeeld een voorstel gedaan tot een leer-werkaanbod. Gaat de minister dat nu gewoon doen of wil hij het toch nog op de lange baan schuiven? Het zou fijn zijn als hij ook aangeeft dat we het zo gaan doen.

Minister Asscher:

Het is retorisch natuurlijk altijd aardig als je net een half uur hebt verteld wat je doet en wat je gaat doen en iemand je vervolgens vraagt wat je nu gaat doen. Dat heb ik u net verteld. Ik denk niet dat iemand erop zit te wachten dat ik dat allemaal herhaal, mevrouw de voorzitter.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Het betoog van de minister is gelardeerd met "ik streef ernaar" en "ik onderzoek het". Ik heb een specifiek voorstel genoemd. Streeft de minister ernaar, onderzoekt hij het of gaat hij het gewoon doen?

Minister Asscher:

Ik heb u al gezegd dat ik u over het specifieke punt waar de heer Van Weyenberg het over had zal informeren in de tussenstandbrief.

De heer Ulenbelt (SP):

Voorzitter. De kern van werkloosheid is dat er een tekort is aan werk. Er zijn nog een hoop andere problemen. Wij zitten met 100.000 vacatures en 500.000 werklozen. Er is dus stimulering van de economie nodig om banen te creëren. Het is niet voor niets dat de werkloosheid in de bouw zo gigantisch oploopt. Daarom heb ik een voorstel voor de Kamer, ook om heel veel middelen vrij te maken, want dat blijft een hinderpaal, zoals ook weer blijkt uit het betoog van de minister. Mijn motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de jeugdwerkloosheid hard oploopt;

overwegende dat de regering geen prioriteit maakt van het bestrijden van de werkloosheid onder jongeren;

verzoekt de regering, een actieplan jeugdwerkloosheid op te stellen om de werkloosheid onder jongeren te bestrijden, banen te scheppen, stageplekken te creëren en jongeren meteen te helpen bij het zoeken naar werk en daarvoor 1 miljard van de opbrengst van de geveilde 4G-frequenties voor mobiele telefonie in te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ulenbelt. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 429 (29544).

De heer Ulenbelt (SP):

De minister lijkt wel te willen, maar als je toestaat dat je 6 miljoen uittrekt voor de bestrijding van de werkloosheid van die 100 miljoen, kan niemand in Nederland met droge ogen zeggen dat je jeugdwerkloosheid serieus neemt. De bedragen kloppen kennelijk en terecht maakt FNV Jongeren zich dan dus kwaad. De minister biedt 100 miljoen, maar het voorstel van de SP is een miljard.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Vliet van de PVV-fractie.

De heer Van Vliet (PVV):

Voorzitter. Ik had twaalf moties klaar liggen, maar ik ben in een constructieve bui, dus ik zie af van een tweede termijn.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn beantwoording in eerste termijn en ook voor de helderheid die hij heeft gegeven over het feit dat hij het sociaal akkoord echt eind maart gesloten hoopt te hebben. Dat is mooi nieuws, waarvoor dank.

Ik ben ook blij met zijn toezegging dat hij de vermogens van O&O-fondsen erbij wil betrekken, dus niet alleen wat er elk jaar in en uit gaat, maar ook het geld dat daar op de plank ligt, om bijvoorbeeld stages voor jongeren te financieren. Dat vond ik ook fijn nieuws.

Ik ben ook erg tevreden met het belang dat hij aan scholing hecht. Wij delen dat volledig. Ik zou hem wel willen vragen om nog een keer met zijn collega van OCW in gesprek te gaan, want er ligt nu een wetsvoorstel dat het voor mbo'ers juist moeilijker maakt om door te leren. Dat vind ik moeilijk te verenigen met de woorden die de minister over scholing spreekt, waar ik mij overigens erg bij aansluit.

Ik dien een tweetal moties in en er zal zo meteen ook nog een motie mede namens mij worden ingediend.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op de aanvullende post in de startnota 300 miljoen is gereserveerd in de periode 2014 tot en met 2017 voor van-werk-naar-werk;

constaterende dat de jeugdwerkloosheid zich met 14,2% op het hoogste niveau in tien jaar bevindt;

verzoekt de regering, 100 miljoen van dit budget te reserveren voor jongeren voor van-school-naar-werk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Schouten en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 430 (29544).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat sinds 1 januari 2012 gemeenten niet meer verplicht zijn om jongeren onder de 27 jaar in de bijstand een leerwerkaanbod te doen;

constaterende dat het in deze tijden van hoge jeugdwerkloosheid zeker van belang is dat jongeren met een minder gunstige arbeidsmarktpositie kans op een baan of scholing hebben;

constaterende dat er in het participatiebudget of in de enveloppe voor van-werk-naar-werk geld vrijgespeeld kan worden om deze groep extra te ondersteunen;

verzoekt de regering om het leerwerkaanbod te herintroduceren voor jongeren onder de 27 jaar die langer dan 6 maanden in de bijstand zitten en niet in aanmerking komen voor regulier bekostigd onderwijs,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Schouten en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 431 (29544).

De heer Van Weyenberg (D66):

Tegen de heer Ulenbelt zeg ik dat deze motie netjes is gedekt uit de reeds beschikbare middelen en niet ten koste gaat van de staatsschuld, zoals zijn gratuite 1 miljard

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ik kan het kort houden. Ik had in mijn bijdrage ook aandacht besteed aan de voorstellen van FNV Jong om de jeugdwerkloosheid aan te pakken. Ik heb daar zelf één voorstel expliciet uitgelicht, namelijk de opzegtermijn in tijdelijke contracten. Die zegt de minister te willen betrekken in het overleg. Nu kan ik daar een heel punt van maken. Gaat hij dat echt doen of heeft hij alleen de intentie daartoe? Ik wil hem de kans geven om het in het overleg aan de orde te stellen en dan zullen we eind maart verder kijken. Daarnaast heb ik een aantal moties meeondertekend, dus ik kan het hierbij laten.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ik wil de minister graag danken voor zijn beantwoording. We zullen het overleg van vanavond maar beschouwen als een klein voortgangsoverleg na de behandeling van de begroting van Sociale Zaken, een overleg dat een beetje in het teken stond van de vraag: doet hij het wel of doet hij het niet? Mijn conclusie is dat de minister het wel doet. Dat is ook zeer belangrijk, want het aanpakken van de jeugdwerkloosheid heeft grote prioriteit voor de Partij van de Arbeid en gelukkig ook voor dit kabinet, hebben we gemerkt. Ik heb al bij de begrotingsbehandeling moties ingediend over scholing en daar heb ik toezeggingen op gekregen. Ik hoef die verzoeken hier niet te herhalen.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Voorzitter. De minister heeft een bevlogen verhaal gehouden met alle maatregelen die hij voornemens is te nemen om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Voor de duidelijkheid: mijn fractie steunt hem daarin en wil ook graag dat hij die handschoen oppakt. Ik zie ook wel dat hij daartoe bereid is. Ik dank hem voor de toezegging dat hij de regio's en de gemeenten gaat faciliteren met toolkits of iets dergelijks, en dat hij handreikingen zal doen om de bestrijding van de jeugdwerkloosheid verder te helpen.

Een punt bleef wat wazig. Daar kwam aan het eind toch wat duidelijkheid over, namelijk het bedrag dat beschikbaar zou zijn voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid uit de extra 100 miljoen die er voor de bestrijding van de werkloosheid vrij is gevallen. 6 miljoen op 100 miljoen vinden wij toch echt een fooi. Er mogen al wel heel veel zaken in gang zijn gezet, uiteindelijk moeten de maatregelen toch substantie hebben en daarvoor heb je vaak toch ook wat geld nodig. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er 100 miljoen beschikbaar is voor de bestrijding van de werkloosheid onder jongeren en ouderen in 2013 en 2014;

spreekt uit dat bij de verdeling van dit bedrag recht moet worden gedaan aan de omvang van de werkloze groep jongeren en ouderen;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Schouten, Van Weyenberg en Voortman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 432 (29544).

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Rest mij niets anders dan de minister heel veel succes en wijsheid toe te wensen bij de acties die hij ongetwijfeld allemaal in gang gaat zetten.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer Heerma heeft aangegeven, geen gebruik te maken van zijn tweede termijn. Dan geef ik het woord aan mevrouw Van Nieuwenhuizen van de VVD-fractie.

Mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga (VVD):

Voorzitter. Ik kan ook heel kort zijn. Ik dank de minister voor zijn beantwoording en ben verheugd dat hij het ook doet. Dat is een beetje het thema van vandaag. Vanmiddag betrof de vraag de heer Dijsselbloem: doet 'ie het of doet 'ie het niet? Vanavond gaat het om deze minister. Hij doet het ook, zou ik zeggen. Ik ben blij met zijn enthousiasme voor dit onderwerp. Ik heb hem goede dingen horen zeggen over de O&O-fondsen, ik heb hem ook goede dingen horen zeggen over de sectorplannen. Ik wil de minister wel graag nog even meegeven dat een deel van het probleem zit in het feit dat niet sectoroverstijgend kan worden gewerkt. Je wilt natuurlijk heel graag iemand die in die bouw niet aan slag komt, kunnen omscholen richting metaal. Als de minister echt alleen maar in sectorplannen gaat denken, terwijl die fondsen ook al zo binnen sectoren gevangen zitten, laat hij misschien kansen liggen. Ik wil de minister nadrukkelijk meegeven om dat vooral niet uit het oog te verliezen.

De voorzitter:

Ik zie de minister opstaan, dus ik concludeer dat hij direct door kan gaan met zijn beantwoording in tweede termijn.

Minister Asscher:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de opmerkingen in tweede termijn. Natuurlijk is er een probleem met de structurele werkgelegenheid, zeg ik de heer Ulenbelt. Natuurlijk had ik graag gezien dat er meer vacatures waren dan er nu zijn. Toch vinden ieder jaar zo'n 700.000 mensen weer een baan. Dat aantal van 100.000 vacatures is niet statisch. In sommige sectoren zijn of dreigen al tekorten. Daar richt ik mij op. De motie van de heer Ulenbelt moet ik helaas, alleen al op grond van de dekking, voorzien van een negatief preadvies.

In de richting van de heer Van Vliet, die zich opnieuw constructief opstelt, zeg dat ik dat beschouw als een blijk van vertrouwen. Ik zal hem nog enorm gaan missen als hij straks de enquêtecommissie gaat voorzitten. Zo zie je maar weer.

De heer Van Vliet (PVV):

I'll be back!

Minister Asscher:

En minder constructief dan ooit. Daar ga ik althans van uit. Het is misschien maar goed ook dat wij even uit elkaar gaan, mijnheer Van Vliet.

De voorzitter:

U bent er nog maar net, minister.

Minister Asscher:

Ja, maar het wordt te constructief. Ik ben bang dat de partijleider van de heer Van Vliet anders zal ingrijpen.

Ik dank de heer Van Weyenberg van D66 voor zijn opmerking over de door ons gedeelde passie voor het onderwerp scholing en Leven Lang Leren. Wij hebben daar al een paar keer over gesproken. Hij zal misschien geconstateerd hebben dat ik wat dat betreft het gevoel heb echt een missie te hebben. Ik draag die overal uit, omdat de cultuur in Nederland wat dat betreft toe is aan verandering. Zijn motie op stuk nr. 430 over de 300 miljoen ontraad ik, op grond van het simpele feit dat de Kamer mij al de opdracht had gegeven om bij het sociaal overleg rekening te houden met de arbeidsmarktpositie van jongeren. Door daar nu compartimenten in aan te brengen, zou dat gesprek worden bemoeilijkt.

Ik vraag hem zijn motie op stuk nr. 431 over het leerwerkaanbod aan te houden tot ik eind februari een brief heb gezonden. In de motie staat terecht dat er binnen de participatiebudgetten ruimte gevonden zou kunnen worden. Zoals bekend, zijn die budgetten beperkt. De gemeenten hebben de behoefte om daar zo veel mogelijk zelf over te kunnen beslissen en beschikken. Ik wil graag eerst overleg voeren met de gemeenten en dan bij de Kamer terugkomen. Daarna kan hij die motie alsnog in stemming brengen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Het is geen semantische kwestie. Deze motie is echt constructief bedoeld. Ik ben net de heer Van Vliet. Mag ik uit dit antwoord opmaken dat de minister dit wel een goed idee vindt? Dat is waar het mij met deze motie eigenlijk om te doen is.

Minister Asscher:

Ik heb het net al gezegd in reactie op mevrouw Hamer, maar misschien niet duidelijk genoeg. Wat mij aanspreekt in het idee is dat je jongeren niet eindeloos in de bijstand laat zitten. Daar is deze niet voor bedoeld. Dat zit ook op allerlei manieren in onze regelgeving. Juist bij jonge mensen moet je er niet in berusten. Dan kan zo'n leerwerktraject na zo'n periode bijzonder nuttig zijn. Het idee vind ik dus goed. Ik vraag mij wel af of wij het van hieraf moeten opleggen. Gemeenten hebben zelf de ruimte om dat te doen. Daar wil ik even het gesprek over voeren.

De heer Van Weyenberg (D66):

De minister zegt nog net niet dat hij er helemaal voor zal gaan om het te realiseren. Op basis van dit antwoord, beraad ik mij nog even op de vraag of ik de motie zal aanhouden. Vooralsnog houd ik haar even staande.

De voorzitter:

Ik vraag de minister wat zijn oordeel over deze motie is, mocht zij in stemming komen.

Minister Asscher:

Als dat beraad van de heer Van Weyenberg ertoe zou leiden dat hij de motie per se nu in stemming wil brengen, moet ik haar helaas van een negatief preadvies voorzien. Ik wil namelijk de ruimte hebben om het gesprek te kunnen voeren zonder die motie.

Ik dank ook mevrouw Voortman voor haar heel positieve tweede termijn. Wij hadden net een moment waarop ik dacht "wat doet u nu", retorisch gesproken. Maar ik vind het extra bijzonder dat mevrouw Voortman daarna zei: ik vertrouw de minister, wij gaan het kritisch volgen maar wij verwachten dat het in orde komt. Dank daarvoor.

Dit debat heeft in zekere zin aspecten van een voortgangsoverleg, zeg ik tegen mevrouw Hamer. Dat kan met dit onderwerp ook helemaal geen kwaad. Wij hebben vandaag allemaal die cijfers gezien, en die geven toch te denken. Ze doen je wel slikken. Alleen al daarom is het goed om met elkaar te spreken over zaken als: waar staan wij nu, wat is er al in gang gezet, wat staat er nog op stapel en wat kan de Kamer de komende maanden van mij verwachten?

Doet-ie het wel of doet-ie het niet? Die vraag was bij de collega van Financiën pregnanter dan bij mij, denk ik. Hiervoor ben ik tenslotte aangenomen.

Mevrouw Schouten van de ChristenUnie blijft bezorgd over de verdeling van de additionele 100 miljoen. Op zichzelf begrijp ik die zorg wel, als dat het enige zou zijn en als wij alleen zouden toedelen op basis van de omvang van de groep werkzoekenden. Ik heb geprobeerd te betogen dat het gaat om een bedrag ten opzichte van veel grotere investeringen. Additioneel heb ik aangegeven dat dit komt boven op eerdere, succesvolle investeringen, ook van het kabinet-Balkenende IV. Ten slotte zeg ik dat de voorlopige verdeling weliswaar geen evenredige verdeling is, maar dat die ook niet zo scheef is als mevrouw Schouten net aangaf. Het was namelijk 6 op de 50, zoals de heer Ulenbelt terecht zei, en niet 6 op de 100. Het doet niets af aan het feit dat het geen 50–50 is. Ik kom daarop terug in mijn brief in februari, maar ik moet de motie op stuk nr. 432 wel ontraden.

Ten slotte sluit ik me graag aan bij de oproep van mevrouw Van Nieuwenhuizen dat wij niet kunnen volstaan met plannen binnen sectoren. De aardige voorbeelden die ik nu zie van succesvolle van-werk-naar-werktransities gaan vaak juist ook buiten de sector om. Ik denk dat in deze tijd de urgentie zo groot is en de werkloosheid zo nijpend dat wij toe zijn aan het doorbreken van die kokers, hoe moeilijk dat ook is. Wij moeten immers ook erkennen dat het vaak gaat om middelen die door werknemers uit de loonsom zijn opgebracht in een bepaalde sector. Het is dus niet eenvoudig, maar ik doe wel een beroep op de sociale partners om dit, gezien de situatie waarin wij zitten, op slimme manieren te doorbreken.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Ik heb nog één vraag over mijn motie. De minister stelt dat het niet gaat om fiftyfifty, maar dat is ook niet wat in de motie wordt gevraagd. Met de motie wordt gevraagd om de middelen zo evenredig mogelijk over de omvang van de groep werklozen naar jongeren en naar ouderen te verdelen. Dat is niet fiftyfifty. Er zijn minder jongere werklozen dan oudere. Ik geef de minister en de sociale partners dus ook de vrije hand om daarmee rekening te houden. Mijn punt is dat 6 op de 50 – of 6 op de 100, maar goed, het gaat om 50 miljoen – verre van de wat evenrediger verdeling over de doelgroepen is. Is de minister echt niet bereid om daarmee nog rekening te houden bij de verdeling van die middelen?

Minister Asscher:

Ik wil zeker rekening houden met de arbeidsmarktpositie van jongeren in het sociaal akkoord, en ik wil rekening houden met de positie van jongeren bij het toedelen van die middelen. Ik vind alleen een verdeling aan de hand van de omvang van de groep geen goed criterium. Dat is geen goed criterium. Het gaat ons om het verzinnen van maatregelen die effectief en duurzaam zijn en om het leveren van maatwerk daarbij. Daarbij moet je, denk ik oprecht, niet alleen kijken naar de omvang van de groep. Daarom vind ik deze motie dus niet verstandig. Natuurlijk, de jeugdwerkloosheid gaat mevrouw Schouten en mij aan het hart. Daarover voeren wij vanavond het debat. Maar met dat criterium als ultiem criterium zou de Kamer het mij te makkelijk maken. De Kamer zou het mij te makkelijk maken als ik kon zeggen: die groep is zo groot, die groep is zo groot, en dus verdelen wij de middelen zo. Mevrouw Schouten vraagt mij eerder, denk ik, om elke euro zo effectief mogelijk te besteden, om zo veel mogelijk te doen aan het bestrijden van werkloosheid en aan arbeidsmarktkansen voor ouderen en voor jongeren en om dit te betrekken in de grotere context van wat er allemaal moet gebeuren met een sociale agenda en een sociaal akkoord.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Schouten.

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):

Het wordt bijna een discussie op woorden over de motie. Er staat: rekening te houden met de omvang van de groep, "recht moet worden gedaan aan de omvang van de groep". Dat is niet heel sec: daar trekken wij de lijn en daar niet. Ik constateer alleen dat 6 op de 50 daaraan in ieder geval geen recht doet. Ik vraag de minister om daarmee meer rekening te houden. Dat is toch niet een heel irreële vraag?

Minister Asscher:

Mevrouw Schouten had mij bijna aan haar kant, maar toen zei zij: ik constateer dat daaraan geen recht wordt gedaan. Toen was blijkbaar toch weer het criterium: recht doen aan de omvang. Mevrouw Schouten weet helemaal niet of ik rekening houd met de omvang van de groep, want dat hangt af van de effectiviteit van de maatregelen, de bestaande investeringen en de infrastructuur. Ik beluister de motie van mevrouw Schouten zo – en zo beluister ik die ook bij de interruptie van mevrouw Schouten in tweede termijn – dat mevrouw Schouten vindt dat er nu, op grond van de plannen die zij nog niet kent en een verdeling die voorlopig is, geen recht wordt gedaan aan de omvang van groepen. Dat vind ik geen verstandig criterium.

De heer Heerma (CDA):

Ik was ook in een heel constructieve bui en heb mijn tweede termijn daarvoor laten lopen. Ik geloof ook dat de minister in zijn tweede termijn zojuist herhaaldelijk verschillende collega's geroemd heeft voor de mate waarin zijn positief waren in hun tweede termijn. Met dit oordeel heb ik echter wel een beetje moeite. Misschien kan de minister de motie nog een keer lezen. Er staat namelijk gewoon alleen maar in dat er bij de verdeling van het bedrag recht gedaan moet worden aan de omvang van de groep werkloze jongeren én ouderen. Dat staat er. Mevrouw Hamer roept nu uit de bankjes dat de motie dan overbodig zou zijn. Dank voor dat oordeel van mevrouw Hamer, maar dat is volgens mij aan de minister. Er staat in de motie gewoon iets waar zijn oordeel niet zo negatief over hoeft te zijn, zeker gezien het feit dat hij in zijn termijn ook sprak over het grote percentage werkloze jongeren. Ik meen mij te herinneren dat hij zei dat dit vaak tweemaal zo groot is als het reguliere percentage. Ik zou zeggen: lees de motie nog een keer.

Minister Asscher:

Dat zal ik zeker niet nalaten. Ik luister heel goed naar wat de heer Heerma zegt. Uit de paar keer dat wij met elkaar hebben mogen debatteren de afgelopen tijd, heb ik toch de indruk gekregen dat het de Kamer net als het kabinet gaat om het vinden van een effectieve aanpak van de jeugdwerkloosheid. Als dat zo is, is het merkwaardig om bij een onderdeel van de totale investeringen in het verbeteren van de kansen van mensen op de arbeidsmarkt, te zeggen: het criterium moet zijn dat er recht wordt gedaan aan de omvang van de groep. Ik denk dat het criterium moet zijn: hoe kun je voor zo veel mogelijk jongeren zo veel mogelijk doen met zo min mogelijk geld? Nogmaals, voor mij hoeft het niet per se 6 op 50 te worden, dat mag best veranderen. De Kamerleden hebben een aantal heel goede suggesties gedaan en ik kom daar nog op terug. Ik zou het echter vreemd vinden als ik fantastische plannen om meer te doen voor ouderen, plannen die toevallig duurder zijn dan plannen voor jongeren, niet aan de Kamer zou kunnen voorleggen omdat daarmee geen recht wordt gedaan aan de omvang van de groep. Ik lees de motie opnieuw en ik lees haar echt goed, maar wat ik zojuist zei, is echt de reden dat ik het geen verstandig criterium vind. Het spijt mij zeer.

De heer Van Weyenberg (D66):

Die 2 keer 50 hebben de collega's en ik niet bedacht, dat heeft de minister in de pot gegooid in december, als een kerstgeschenk onder de kerstboom. Hartstikke fantastisch. De minister is het toch wel met mij eens dat er heel veel goede ideeën zijn genoemd door de Kamer maar ook door hem zelf voor maatregelen die jongeren een zetje kunnen geven in het onderwijs en in de leer-werktrajecten? Dan wil het er bij mij niet in dat hij maar voor 6 miljoen aan goede plannen zou hebben weten te vinden. Ik wil de vraag dus omdraaien. Ik ben verbaasd dat de minister bij het kijken naar effectieve plannen uit zou kunnen komen op deze verdeling. Kan hij dat misschien nog toelichten?

Minister Asscher:

Het is natuurlijk niet een cadeautje voor onder de kerstboom. We zitten in een heel ingewikkelde periode; dat is de reden dat ik het nodig vond om met mijn collega's in het kabinet al voordat we over dat heel grote sociale akkoord tot overeenstemming zouden kunnen komen, op zoek te gaan naar beperkte – toegegeven: beperkte – extra middelen om ook nu al dingen te kunnen doen voor mensen die het op onze arbeidsmarkt zo moeilijk hebben. Ik bekijk nu hoe je die middelen zou moeten verdelen. De voorlopige verdeling is op een of andere manier naar buiten gekomen. Zo gaat dat, dat is op zichzelf helemaal niet zo rampzalig. Deze verdeling staat voor mij nog niet vast. Ik sluit ook niet uit dat er nog een verschuiving in komt; ik heb de Kamer goed gehoord in dit debat vanavond. Ik heb daarbij alleen niet als criterium meegegeven: zorg dat er een verdeling komt aan de hand van de omvang van de groep. Er zijn veel meer goede plannen voor het bestrijden van de jeugdwerkloosheid, maar er zijn ook veel meer middelen voor. Er is al een enorm goede infrastructuur. Gemeenten investeren daarin. Er wordt vrij stevig geïnvesteerd in het middelbaar beroepsonderwijs. Ik reken er ook op dat er in de sectorplannen, waar veel meer geld voor beschikbaar is, interessante voorstellen zouden kunnen komen.

Ik heb dus vooralsnog de neiging om juist de plannen die de kansen van oudere werkzoekenden vergroten en die nu eenmaal hier en daar wat duurder zijn te honoreren, gezien de situatie op de arbeidsmarkt. Het gaat dan met name over het direct in contact brengen van ouderen met werkgevers en het begeleiden daarbij.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voor ons is het buitengewoon ingewikkeld om dit soort wegingen te maken, omdat wij, simpel gesteld, niet weten tussen welke plannen u uw keuze moet maken. Ik constateer dan dat volgens mij het beeld van een aantal collega's en mijzelf toch een oproep aan u is om nog eens vanuit de creativiteit te kijken of u die balans die wij als scheef ervaren aanzienlijk recht kunt zetten. Ik proef bij u enige bereidheid om die kant op te gaan. Is dat juist? Wij zullen waarschijnlijk nog een stap verder willen gaan, maar ik vraag u nogmaals of u die bereidheid hebt, aangezien 50 versus 6 een heel groot gat is.

Minister Asscher:

Laat ik daarop bevestigend antwoorden, zeker gezien de overweldigende constructiviteit bij zo veel partijen dat ik ze niet eens meer bij naam kan noemen, laat staan de woordvoerders. Ik ga zeker kijken of we in het totale pakket de goede balans te pakken hebben. Daarbij gebruik ik niet de omvang van de groep als criterium. Maar ik heb u goed verstaan. Ik hoop dat u in februari kritisch zult zijn, maar misschien net iets minder kritisch dan vanavond.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de regering. Stemmingen over de moties zullen komende dinsdag plaatsvinden. Ik dank de minister voor zijn komst naar de Kamer.

Sluiting 22.17 uur.