Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 13, item 18

18 Juridisch ouderschap

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie ( 33032 ).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Oskam (CDA):

Voorzitter. Ik zal wat korter spreken dan ik had aangevraagd.

Het wetsvoorstel heeft een lange geschiedenis. Het is in gang gezet na het advies van de commissie-Kalsbeek en na een conceptvoorstel van de voormalige minister van Justitie Hirsch Ballin. In de hoofdlijnennotitie over het emancipatiebeleid van het demissionaire kabinet staat dat er in Nederland zo'n 25.000 kinderen opgroeien in een zogenaamd "roze gezin". Probleem daarbij is dat de duomoeder in een lesbische relatie op dit moment nog niet automatisch een juridische relatie krijgt tot het kind van haar partner, ook niet als zij getrouwd zijn. Alleen door een dure en tijdrovende adoptieprocedure kan de duomoeder de juridische band met haar kind veiligstellen. Dat is ongewenst en het zorgt voor onzekerheid bij duizenden kinderen die opgroeien bij een lesbisch paar. Bovendien gaan veel lesbische paren ervan uit dat het juridisch ouderschap wel automatisch geregeld is zodra zij huwen, maar dat klopt dus niet. In het ergste geval kan deze onwetendheid bij overlijden van een van beide moeders ertoe leiden dat het kind achterblijft zonder juridische ouders met alle consequenties van dien.

Het CDA staat dan ook positief tegenover het wetsvoorstel, dat moederschap van de duomoeder van rechtswege mogelijk maakt bij een onbekende donor en door erkenning bij een bekende donor. Wij zijn hier zo positief over, omdat voor ons het belang van het kind vooropstaat en omdat wij gezinnen en families zien als fundament en cement van onze samenleving. Het gezin biedt een veilige basis om op te groeien en is daarin vrijwel onvervangbaar, ook als het gaat om relatief nieuwe samenlevingsvormen als twee moeders met hun kinderen en misschien ook wel twee vaders met hun kinderen. De wetgever moet zorgen voor randvoorwaarden die het mogelijk maken dat gezinnen goed functioneren. Het CDA vindt het belangrijk dat kinderen opgroeien in een stabiele thuisomgeving. De feitelijke gezinssituatie van kinderen moet worden beschermd. Dat is voor kinderen die twee moeders of twee vaders hebben niet anders dan voor kinderen met een vader en een moeder.

Een belangrijk deel van de vragen die wij in de schriftelijke ronde hebben gesteld, is door de staatssecretaris naar onze tevredenheid beantwoord, maar er blijft toch nog een vijftal vragen over. Het wetsvoorstel gaat over lesbisch ouderschap. Wij kennen natuurlijk ook de situatie dat kinderen opgroeien in een gezin met twee vaders. De staatssecretaris schrijft dat hij het niet in het belang van het kind vindt dat de band met de moeder die het kind heeft gedragen, de draagmoeder, en het ter wereld heeft gebracht zonder rechterlijke tussenkomst, wordt verbroken. Hij wil daarom het duovaderschap niet op dezelfde wijze regelen als het duomoederschap. Betekent dit nu dat de duovader altijd aangewezen blijft op een dure en langdurige adoptieprocedure? Kan de staatssecretaris duidelijk maken waarom het niet voldoende is, als de duovader met toestemming van de biologische moeder het kind erkent in de zin van art. 1:203?

Het wetsvoorstel houdt in dat bij een onbekende donor de duomoeder van rechtswege juridisch ouder wordt. Bij een bekende donor kan de duomoeder ouder worden door erkenning. De staatssecretaris geeft een aantal argumenten voor dit verschil en het CDA kan die goed volgen. Het COC echter komt met een tussenoplossing die de biologische vader tot de geboorte de mogelijkheid tot erkenning geeft. Wanneer de vader het kind niet heeft erkend op het moment van de geboorte, krijgt de duomoeder automatisch het juridisch ouderschap. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris op dit voorstel.

Je zou ook nog een verdergaande mogelijkheid kunnen bedenken, namelijk dat mannen meer bedenktijd moeten hebben. Bij mannen werkt het vaak anders dan bij vrouwen. Mannen voelen het kind niet groeien. Voor hen gaat het kind pas leven als het echt van vlees en bloed is, als zij het kunnen vasthouden en zien. Dan komt vaak het gevoel: ja, wij willen dit kind erkennen, wij willen ook juridisch ouder worden. Dat geldt normaal gesproken in een huwelijk, maar het geldt net zo goed voor de donor in een lesbische relatie. Ik vraag de staatssecretaris of mannen in dit soort situaties niet iets meer bedenktijd zouden moeten hebben, dus na de geboorte van het kind.

Tot slot heb ik nog een vraag over de vernietiging van de erkenning. De staatssecretaris schrijft dat de voorgestelde uitbreiding van art. 1:204, derde lid van het BW ook gevolgen heeft voor de mogelijkheid tot het verzoek door de donor die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind om vernietiging van de erkenning door de niet-biologische ouder. Het is een vrij technisch verhaal. Op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad kan de verwekker verzoeken om vernietiging van de erkenning door de niet-biologische ouder. De staatssecretaris schrijft dat de rechtspraak naar analogie van toepassing moet worden geacht op de figuur van de donor. Op onze vraag waar dat dan staat in het wetsvoorstel, verwijst de staatssecretaris naar de jurisprudentie van de Hoge Raad. Kan hij duidelijk maken waarom hij dit ook niet heeft willen regelen in dit wetsvoorstel? Dan is het maar gelijk voor iedereen duidelijk.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Sinds begin 2001 is het huwelijk in ons land voor paren van gelijk geslacht gelijkgesteld aan het huwelijk van mensen van ongelijk geslacht. Sinds die tijd is het ook mogelijk voor paren van gelijk geslacht om kinderen te adopteren. In de Kamer is sindsdien verscheidene malen de vinger gelegd op een teer punt, te weten dat in tegenstelling tot heteroparen lesbische paren die een kind krijgen aanlopen tegen het feit dat de partner van de biologische moeder niet van rechtswege de juridische ouder wordt, maar alleen ouder kan worden door adoptie van het kind. Dat wordt door velen die hierbij betrokken zijn gezien als onjuist en onrechtvaardig. In de Kamer zijn twee moties ingediend en er is een commissie-Kalsbeek geweest die onder andere naar deze materie heeft gekeken.

Uiteindelijk hebben wij nu te maken met een wetsvoorstel waarmee geprobeerd wordt dit moeilijke punt te regelen. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat de juridische situatie van het kind zo veel mogelijk op een zo eenvoudig mogelijke manier in overeenstemming moet worden gebracht met de feitelijke situatie van het kind. Het belang van het kind is leidend. Mijn fractie is het met de regering eens dat het in het belang van het kind is dat het waar mogelijk twee juridische ouders heeft en dat de juridische situatie zo veel mogelijk moet aansluiten bij de feitelijke situatie. De weg van adoptie was veel mensen die samen bewust voor een kind kozen, toch een doorn in het oog. Het is kostbaar en tijdrovend. Een ander belang dat naar de mening van mijn fractie in deze kwestie voorop dient te staan, is dat een kind moet kunnen opgroeien in een stabiele situatie, of het nu een homo- of een heterorelatie is.

Vandaag gaat het dus om de volgende stap. Twee vrouwen die met elkaar getrouwd zijn en een kind krijgen, kunnen van rechtswege juridische ouders worden, mits er sprake is van een onbekende zaaddonor, want alleen dan is op voorhand duidelijk dat die donor geen rol gaat spelen in het leven van het kind. Is er sprake van een geboorte buiten het huwelijk of is er sprake van een bekende zaaddonor, dan is de situatie gecompliceerder. De duomoeder kan het kind erkennen, maar ook de biologische vader kan dat doen. Volgens het wetsvoorstel bepaalt de biologische moeder in beginsel wie de juridische ouder van het kind wordt: de bekende zaaddonor of de duomoeder. Dat heet keuzevrijheid en dat klinkt mooi. De betrokken partijen, de biologische moeder, de duomoeder en de zaaddonor zijn vrij om hierover afspraken te maken. Maar dat roept de vraag op of daarover geen geschillen zullen ontstaan. Zo ja, hoe worden die opgelost? Is geen sprake van juridisering van het ouderschap, het afstammingsrecht of van beide? Het kan zelfs zijn dat de rechter eraan te pas moet komen om de betrokken belangen af te wegen.

Het is mogelijk dat de zaaddonor die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, de rechter om vervangende toestemming voor erkenning vraagt. Wat is die "nauwe persoonlijke betrekking"? Hoe bepaal je dat en vanaf welk moment is dat het geval? Hoe moet de rechter die belangen afwegen? In het antwoord van de regering staat onder meer dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval, bijvoorbeeld de relatie van de moeder met de zaaddonor, de afspraken van de moeder met de zaaddonor over de rol van de donor in het leven van het kind en de betrokkenheid van de zaaddonor bij het kind. Wat zegt de regering daarmee nou eigenlijk? Naar de omstandigheden moet je altijd kijken. Dat is niets nieuws. De afspraken over de rol die de donor in de toekomst met betrekking tot het kind gaat spelen, liggen in de toekomst en zijn naar mijn oordeel heel moeilijk voor de rechter te wegen op het moment dat het kind nog geboren moet worden. Het derde element, de betrokkenheid van de donor bij het kind, is een soort tautologie. Wat verstaan wij onder "nauwe persoonlijke betrekking"? Daaronder verstaan we betrokkenheid bij het kind. Dus daarmee zeg je in feite nog niets. Vandaar de vraag wat nu precies moet worden verstaan onder die "nauwe persoonlijke betrekking". Wil de staatssecretaris aangeven hoe dat gewogen dient te worden en hoe de rechter daarnaar dient te kijken?

Vervolgens schrijft de staatssecretaris op blz. 20 van de nota naar aanleiding van het verslag: "Het uitgangspunt is dat het kind en de biologische vader er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke betrekking". Wat wordt daarmee bedoeld? Kiest de staatssecretaris dan toch partij voor de zaaddonor indien daar geschillen over ontstaan? Ook daarover zou ik graag nadere informatie van de staatssecretaris ontvangen, met name in het licht van het belang van het kind, want, zoals gezegd, dat belang staat voor onze fractie voorop. Als de staatssecretaris groot belang hecht aan de positie van de zaaddonor en eigenlijk zegt dat die familierechtelijk erkend moet worden, dan ontstaat er naar de mening van mijn fractie toch een heel vreemde situatie. Twee vrouwen die met elkaar gehuwd zijn of op zijn minst een relatie met elkaar hebben, krijgen een kind. Beiden voeden dat kind op en verzorgen dat kind dag in, dag uit. Het ligt voor de hand, zo zie ik het althans, dat beide vrouwen ook het juridische ouderschap willen. De biologische moeder heeft het al; de duomoeder kan het van rechtswege krijgen of door erkenning. Volgens het wetsvoorstel is het mogelijk dat de donor daartussendoor fietst en het juridische ouderschap claimt door vervangende toestemming voor erkenning te vragen. Dan ontstaat er toch een bizarre situatie dat beide moeders die zich dag in, dag uit bemoeien met hun kind en hun kind verzorgen en opvoeden, geconfronteerd kunnen worden met een claim van de donor die ook het juridische ouderschap wil hebben en als gevolg daarvan rechten krijgt zodat die in die relatie tussen twee vrouwen kan binnendringen. Dat is een vreemde situatie. De vraag is dus wat we gecreëerd hebben door het begrip "nauwe persoonlijke betrekking", want daar is het aan gekoppeld. Je zou haast zeggen dat dit recht van de donor juist instabiliteit in zo'n relatie veroorzaakt, iets wat niet in het belang is van het kind, waar ook wel degelijk naar gekeken dient te worden. Hoe ziet de staatssecretaris dat begrip "nauwe persoonlijke betrekking"? Ziet hij het risico dat als je het koppelt aan het vage begrip "nauwe persoonlijke betrekking" er een verstorende werking van uit kan gaan op de relatie tussen twee vrouwen? Zou het daarom niet verstandig zijn om dat beroep van de zaaddonor op de mogelijkheid van erkenning te beperken tot het uiterste, tot de uitzonderlijke situaties die zich zouden kunnen voordoen in zo'n geval, in plaats van dit ongelimiteerd met een beroep op een nauwe persoonlijke relatie toe te staan?

De fractie van de SP heeft eerder gevraagd of het niet verstandig zou zijn om een donorschapsplan te maken. De staatssecretaris heeft daarvan gezegd dat dit niet nodig is omdat er op dit moment al afspraken gemaakt kunnen worden. Dat laatste is ook zo. We hebben de vergelijking getrokken met het ouderschapsplan bij echtscheiding, waarbij tegenwoordig verplicht bij echtscheiding afspraken met betrekking tot de kinderen gemaakt worden in een plan. Waarom moet dat bij echtscheiding en zou dat bij deze situatie rond de donor niet kunnen? Ik zie ook het verschil tussen de ene situatie en de andere, maar je moet je tegelijkertijd wel afvragen of het niet wat meer zekerheid biedt omtrent de moeilijke relatie die er kan ontstaan om afspraken te maken met de bekende donor en die vervolgens vast te leggen. Ik verneem graag het oordeel van de staatssecretaris of zo'n plan niet wettelijk vastgelegd zou moeten worden.

Een van de redenen waarom dit wetsvoorstel zo laat wordt behandeld, is de vraag wat het buitenland doet met onze wetgeving op dit punt. Loop je niet het risico dat het buitenland deze niet erkent? De staatssecretaris zegt, naar mijn idee terecht, dat de Nederlandse wetgever zijn insteek wijzigt van "het kan niet, want u zou mogelijk in de problemen geraken" naar het uitgangspunt dat het wel kan, maar dat men zich bewust dient te zijn van de mogelijk andere denkwijzen en houdingen in andere landen. Daar ben ik het mee eens, maar dan is toch de vraag hoe we dat oplossen. De staatssecretaris zegt dat mensen daar voorlichting over moeten krijgen, maar hoe doen we dat? Hoe gaat de overheid de voorlichting aanpakken met betrekking tot de moeilijkheden die in het buitenland kunnen ontstaan?

Mijn fractie heeft ook gevraagd of het mogelijk zou zijn om te adopteren, ondanks dat je het kind al hebt erkend. Daar kan ik kort over zijn. Ik erken dat de staatssecretaris gelijk heeft dat als iemand al juridisch ouderschap heeft in Nederland, het onzinnig is om nog een keer die adoptie te proberen. Het is echter de vraag of de verklaring voor recht waar de staatssecretaris op wijst, als een mogelijkheid om in het buitenland te zeggen dat je een uitspraak van de rechter hebt dat je het juridisch ouderschap hebt met betrekking tot dit kind, een waterdichte oplossing is. Hangt het af van het land waar je naartoe gaat of zo'n verklaring voor recht wel wordt erkend? Als dat zo is, kunnen we dan nog meer zekerheid inbouwen?

Mijn laatste punt betreft de afstammingsinformatie, een buitengewoon belangrijk aspect van het wetsvoorstel. Iedereen is het erover eens dat een kind het recht heeft om te weten van wie hij afstamt, zie het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en onze eigen jurisprudentie in Nederland. Bij dit soort relaties, waarin een kind wordt geboren in een relatie tussen twee vrouwen, is dat temeer van belang, omdat er altijd een derde in het spel is, te weten de vader. Dat recht op informatie moet wat ons betreft dan ook heel degelijk geregeld worden.

De staatssecretaris verwijst naar de mogelijkheid voor het kind, als het 16 jaar is, om het donorregister te raadplegen. Naar mijn idee is dat nog niet voldoende, want dat is pas vanaf 16 jaar. De staatssecretaris noemt als andere mogelijkheid om te gaan procederen als je ouders het niet vertellen. Ook dat is maar een heel beperkte en niet een normale oplossing. Eigenlijk zijn we aangewezen op de bereidheid van ouders om te vertellen hoe het zit. Als dat zo is, is toch de vraag hoe de overheid dat kan stimuleren. Ik denk dat we dan toch met lege handen staan, maar ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris dat ziet. De staatssecretaris heeft terecht opgemerkt dat het heel moeilijk is om het te vermelden in de geboorteakte, want dat levert bewijsproblemen op, dus dat is ook niet de oplossing voor dit probleem. Hoe dan wel? De Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting is of wordt geëvalueerd. Ik vraag de staatssecretaris om het recht op dit soort afstammingsinformatie ook bij die evaluatie te betrekken en ons hierover te informeren, zodra die evaluatie gereed is.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mijnheer de voorzitter. Is het een ingrijpend wetsvoorstel dat we nu bespreken? Sommigen zullen zeggen dat het wel meevalt, omdat het gewoon een nieuwe stap is in een lopende ontwikkeling. Eerst werd adoptie door homoparen mogelijk. Toen werd de adoptieprocedure vereenvoudigd voor gehuwde lesbische paren en nu wordt het nog weer makkelijker gemaakt voor een vrouw die getrouwd is met de biologische moeder van een kind, om ook zelf juridisch ouder te worden. En het is waar dat in de houding tegenover lesbisch ouderschap maatschappelijk en politiek al eerder wissels zijn omgegaan. Toch hebben adviesorganen er terecht op gewezen dat dit wetsvoorstel wel degelijk een ingrijpende wijziging betekent. Het uitgangspunt van het afstammingsrecht, dat zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de biologische afstamming, wordt namelijk verlaten. De Raad van State wees hierop en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming spreekt over vergaande wetgeving, die het huidige afstammingsrecht geheel doorkruist en waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn. Zo beschouwd is het wel degelijk een ingrijpende wijziging die nu voorligt. Ik heb bij eerdere debatten al, in de net genoemde lijn, naar voren gebracht dat de SGP bezorgd is dat door de politieke druk van gelijkberechtiging van homoparen steeds weer bakens verzet worden en dat het belang van het kind daaraan uiteindelijk ondergeschikt wordt gemaakt.

De regering kiest er met dit wetsvoorstel voor om het recht aan te laten sluiten bij de feitelijke situatie. Dat betekent dat er afstamming ontstaat terwijl er geen sprake is van een biologische bloedband. Het uitgangspunt dat degene die van rechtswege juridisch ouder is ook verondersteld wordt de biologische ouder te zijn, wordt daarmee verlaten. Niet alleen de biologische ouder, maar ook de sociale ouder kan via de band van het afstammingsrecht in familierechtelijke betrekking tot het kind komen te staan. Wij vinden dat een achteruitgang, ook in de helderheid van de wetssystematiek. Het is mist oproepen in plaats van wegnemen.

Hoe je het wendt of keert, het komt ons voor dat het hier gaat om het gelijk proberen te behandelen van in feite heel verschillende en ongelijke situaties. De commissie-Kalsbeek heeft zich in 2007 niet uitgesproken over de vraag of het duomoederschap van rechtswege bij de geboorte moet ontstaan, omdat dit volgens de commissie, terecht, een rechtspolitieke vraag is. De SGP maakt een principieel andere rechtspolitieke keuze dan het kabinet en wil in het afstammingsrecht vasthouden aan het biologische ouderschap als de fundamentele band tussen ouders en kinderen, die bepalend is bij het vormgeven van het afstammingsrecht.

De regering beoogt met dit wetsvoorstel ook bescherming te bieden aan de belangen van het kind, maar waar is het kind daadwerkelijk het meest mee gediend? Dan kom ik inderdaad op een fundamenteel verschilpunt, dat bij eerdere debatten uitvoeriger is besproken. Ik vind het echter van belang om dit nu even kort neer te zetten. De SGP-fractie is ervan overtuigd dat het geen toeval is dat het krijgen van kinderen in de natuur verbonden is met het samenleven van man en vrouw. Dat is een natuurlijk orde, die door de Schepper is gegeven. In die orde kunnen ook de aanvullende eigenschappen van een vader of moeder optimaal ingezet worden in het belang van de ontwikkeling van het kind. Het belang van kinderen is er naar onze overtuiging het meest mee gediend als die wijsheid in acht wordt genomen. Dat sluit ook aan bij de natuurlijke, en naar wij geloven, van God gegeven normen die de eeuwen door beproefd en waardevol bevonden zijn. In het Nederland van nu wordt in feite volop geëxperimenteerd met allerhande familierelaties en -verhoudingen. De diversiteit is een norm en wat de gevolgen daarvan zijn, met name op de lange termijn, is in feite voor iedereen onbekend. De toekomst zal het moeten leren. Wij zijn daarover zeer bezorgd, vanuit de overtuiging dat het respecteren van die natuurlijke orde in het belang is van de samenleving.

De regering noemde eerder drie redenen om niet tot de wijziging over te gaan die nu alsnog wordt voorgesteld. Die wegen voor ons nog steeds erg zwaar: juridisch ouderschap volgt biologisch ouderschap, problemen met erkenning in het buitenland en dat per definitie een derde in het spel is. Die drie argumenten zijn steeds genoemd. Erkenning buiten Nederland blijft een probleem. De regering geeft zelf aan dat vermoedelijk meer landen het ouderschap van twee vrouwen niet erkennen dan dat er landen zijn die het wel erkennen. Ik vraag hierop nader in te gaan in het licht van de praktische werking van het wetsvoorstel, nog afgezien van hoe wij er principieel tegenaan kijken. Ik vraag om nader in te gaan op de stand van zaken wat betreft de erkenning buiten Nederland.

De regering veegt onderzoek naar de psychosociale gevolgen voor kinderen met twee moeders of twee vaders van tafel. De regering wil dat niet. Er wordt gezegd dat het ouderschap van twee moeders in onze samenleving een gegeven is. Nader psychologisch onderzoek heeft in dit licht geen toegevoegde waarde. De SGP is het daarmee niet eens. Met dit argument kan in feite elke vorm van onderzoek terzijde worden geschoven als sprake is van een feitelijke situatie. De vraag is immers hoe de feitelijke situatie wordt gewaardeerd en wat de gevolgen daarvan zijn. Bovendien merkt ook de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming op dat er reden is voor een nader onderzoek. Daarom vraag ik aan de staatssecretaris of hij het wenselijk acht om ook langjarig onderzoek ter hand te nemen.

Bij alle fundamentele verschillen in visie op dit onderwerp die wij zojuist hebben besproken, zie je dat er gelukkig veel breder overeenstemming is over het belang van informatie over de afstamming. Die is door de ontwikkeling van de afgelopen jaren versterkt en is voor ieder kind van groot belang. In de meeste gevallen is die informatie beschikbaar, maar in een aantal gevallen niet. De heer De Wit heeft hiervan ook al een punt gemaakt. De regering schrijft dat het lastig is om hiervoor iets te regelen en om te bewerkstelligen en waarborgen dat die informatie voor ieder kind gemakkelijk beschikbaar zal zijn. Zij noemt de nadelen en lastige punten als de registratie op geboorteakten en dergelijke. Ik vraag de staatssecretaris wat hij hierover in positieve zin heeft op te merken. Hoe kan worden bevorderd en gewaarborgd dat die informatie uiteindelijk gemakkelijk toegankelijk beschikbaar is voor ieder kind? De heer Segers zal hierop ingaan in zijn termijn. Hij heeft daarover een interessant amendement ingediend.

De praktische redenen om deze principiële wetswijziging voor te staan, zijn voor mijn fractie bij lange na niet zwaar genoeg om ons afstemmingsrecht om te gooien. Voor mijn fractie zijn de principiële bezwaren zo groot dat zij dit wetsvoorstel niet zal steunen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Voorzitter. Het ouderschap van paren van gelijk geslacht is reeds onderdeel van onze samenleving. Dit werd ook al gezegd door de heer De Wit van de SP. Het wordt nu heel mooi gereflecteerd in ons recht; staatssecretaris Teeven zei dit al eerder. Daarom complimenten voor de staatssecretaris. Hij heeft de handschoen niet alleen opgepakt, maar hij heeft ook doorgepakt na jaren discussie.

Veel moeders hebben lang op dit voorstel moeten wachten. De VVD-fractie is dan ook blij dat dit wetsvoorstel vanavond nu eindelijk plenair wordt behandeld. Hiermee kunnen wij, naar ik hoop, snel duidelijkheid bieden aan alle betrokkenen. Voor de VVD is dit wetsvoorstel, anders dan de heer Van der Staaij net stelde, een mooie en volstrekt logische vervolgstap. Naast het biologisch ouderschap, en laten wij eerlijk zijn, daarbij gaat het altijd om het vermoeden daarvan, wordt nu ook het sociaal ouderschap geïntroduceerd als grond voor het vestigen van familierechtelijke betrekkingen. Hiermee wordt beter dan voorheen recht gedaan aan de bescherming van de feitelijke verzorgings- en opvoedingssituatie van het kind en dus ook aan de relatie van de duomoeder met het kind. Uiteraard staat ook voor de VVD steeds weer het belang van het kind voorop. Het gaat dus niet zozeer om het gelijkschakelen van homo- en heterorechten als wel om het belang en de feitelijke verzorgings- en opvoedingssituatie van het kind. Daarnaast, en dat is een praktische reden, is de totstandkoming van het ouderschap via de band van het afstemmingsrecht in vergelijking met adoptie een stuk eenvoudiger en ook vele malen goedkoper.

Voorzitter. Ik zal gehoor geven aan uw oproep om kort te zijn. Ik heb nog wel een paar vragen aan de staatssecretaris en ik vraag nog aandacht voor een paar punten die voor mijn fractie van belang zijn. Ik begin met het wetsvoorstel waarin aan het geregistreerd partnerschap afstammingsrechtelijke rechtsgevolgen worden verbonden. In de nota naar aanleiding van het verslag stelt de staatssecretaris dat dit wetsvoorstel wordt voorbereid. Dit is goed nieuws. Kan hij ingaan op de stand van zaken van dit voorstel en het tijdpad? Ligt dit nog bij de Raad van State of is het al terug op het ministerie? Wanneer kan de Kamer dit voorstel naar verwachting tegemoet zien?

Verder zou door het voorliggende wetsvoorstel een wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap noodzakelijk zijn. De staatssecretaris heeft aangegeven dat het voorstel tot wijziging van de rijkswet ter hand wordt genomen na afronding van dit debat. Voor de VVD is de grote vraag of die noodzakelijke wijziging tot nog meer vertraging zal leiden voor alle moeders die al zo lang wachten en in procedure verkeren. Ik hoop van harte dat dit niet het geval is en ik hoop hierover duidelijkheid te krijgen van de staatssecretaris.

De VVD-fractie is van mening dat in zekere zin vervangende toestemming tot erkenning ook mogelijk zou moeten zijn voor de duomoeder. Hierin staat zij niet alleen. Onder meer de Raad voor de rechtspraak heeft zich in soortgelijke bewoordingen uitgelaten. De argumenten van de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag heb ik uiteraard gelezen. Toch zag ik ruimte voor een extra stapje. Het is een bescheiden stapje, zeg ik tegen de staatssecretaris. Ik heb dan ook, mede namens de PvdA en D66, een amendement ingediend. De woordvoerder van 50PLUS heeft zojuist gezegd dat hij meeondertekent. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris heeft verder terecht gesteld dat de afspraken die worden gemaakt tussen enerzijds de moeder, de duomoeder of de niet-biologische vader, en anderzijds de bekende donor, wel degelijk rechtskracht hebben. Ik heb het daarbij over het donorschapsplan. Toch constateren praktijkjuristen en wetenschappers dat er op dit punt sprake is van een probleem. Zij stellen dat de situatie waarin bijvoorbeeld twee moeders en één biologische vader, al dan niet met zijn partner, duidelijke afspraken maken over de gezamenlijke opvoeding van een kind, een situatie is die niet in alle gevallen voldoende is beschermd. Dit geldt zeker als in een later stadium verschil van mening ontstaat over bijvoorbeeld gemaakte afspraken. Bovendien blijkt uit onderzoeken dat het inmiddels praktijk is dat kinderen in bepaalde gevallen door meer dan twee ouders worden opgevoed. Het gaat dan om het zogenoemde meerouderschap. Is de staatssecretaris bereid om dit in de toekomst nader onder de loep te nemen? Klopt het bijvoorbeeld dat in Engeland meer dan twee volwassenen het ouderlijk gezag over een kind kunnen uitoefenen? Kortom, kan de staatssecretaris toezeggen om in de toekomst, bij een mogelijke verdere aanpassing van het familierecht, goed te kijken naar het fenomeen meeroudergezinnen en de verhouding met de zo gewenste rechtszekerheid voor alle betrokkenen? Het aanpassen van het familierecht aan de eisen van de veranderde samenleving is een continu en beheerst proces. De staatssecretaris merkte dit zelf al op. Ik meen dat het goed is om niet over het fenomeen van het meeroudergezin heen te kijken.

Voorzitter, ik houd het hierbij. Ik hoor het allemaal graag.

De heer De Wit (SP):

Mevrouw Hennis had het over haar amendement. Zij wil het mogelijk maken voor de duomoeder om in beperkte mate een beroep te doen op de rechter. Is zij niet bang dat daarmee ook daar een wat vreemde situatie wordt gecreëerd, waarin twee partners voor de rechter vechten over de vraag: mag ik wel erkennen of mag ik dat niet? Dat is toch een wat bizarre situatie? Of vindt mevrouw Hennis dat niet?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

De realiteit is dat de biologische moeder in feite "in the lead" is. Ik zeg dit even in mijn eigen, niet erg juridische woorden. Zij heeft de leiding bij het aanwijzen van de biologische vader of de duomoeder. De realiteit is ook dat de biologische vader, de bekende zaaddonor, een bepaald recht heeft. Het is mijns inziens gerechtvaardigd om de duomoeder een extra middel te geven. Ik vermoed, in alle eerlijkheid, dat wij spreken over zeer uitzonderlijke gevallen. Ik vermoed dat er in de praktijk geen of bijzonder weinig gebruik van zal worden gemaakt. Desalniettemin wil ik het regelen.

De heer De Wit (SP):

Dat is duidelijk. Mevrouw Hennis wil het mogelijk maken dat de duomoeder naar de rechter gaat. In het voorstel van de staatssecretaris is het klaar als de duomoeder niet kan erkennen. In het voorstel van mevrouw Hennis kan de duomoeder dan nog naar de rechter gaan. Stel dat de rechter toewijst, dan wordt daarmee uitgesloten dat de biologische vader zegt: maar ik ben er ook nog. Mag hij ook nog erkennen? Toch vindt mevrouw Hennis dat de biologische vader wel een rol dient te spelen. Leidt dat niet tot ongewenste situaties? Wordt de biologische vader daarmee eigenlijk niet geblokkeerd? Er kunnen immers maar twee ouders zijn.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Ik ben helemaal niet van mening dat de biologische vader per definitie een rol moet spelen. Daarover worden, voor zover ik het in mijn omgeving heb kunnen nagaan, over het algemeen zeer duidelijke afspraken gemaakt tussen de biologische moeder, de duomoeder en eventueel de bekende zaaddonor. Het is dus niet per definitie zo dat de bekende zaaddonor een rol speelt. Het voorliggend wetsvoorstel geeft ruimte aan de bekende zaaddonor of de biologische vader om zich tot de rechter te wenden. Gezien de relatie waarin het kind is geboren, is het volgens mij fair dat er, in het belang van het kind, gekeken wordt naar mogelijkheden voor de duomoeder. Uiteindelijk gaat het hierbij steeds om het belang van het kind.

De heer De Wit (SP):

Dan is het natuurlijk toch: wie het eerst komt, het eerst maalt. Ik meen dat dit ook in de stukken staat. Het is de vraag of mevrouw Hennis met dit amendement niet opnieuw een probleem creëert voor de rechter. De biologische vader gaat namelijk ook naar de rechter en vraagt ook om toestemming om erkenning, ondanks het feit dat de biologische moeder en de duomoeder een probleem hebben. De rechter moet dan weer een heel moeilijke afweging maken. Wat moet hij wegen in een situatie waarin zowel de duomoeder als de biologische vader claimt?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

De VVD heeft nog steeds een rotsvast vertrouwen in de rechterlijke macht. Bovendien heeft zij vertrouwen in de kennis en kunde van de rechter om in zo'n situatie te handelen conform het recht.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Eindelijk wordt nu het wetsvoorstel behandeld dat lesbische ouders in staat stelt om zonder de zware weg van adoptie ouder te zijn, net als ieder ander, of beter, bijna net als ieder ander. Op dat laatste kom ik zo nog terug.

Eerst is er blijdschap over deze broodnodige stap in de emancipatie. Het gaat vandaag over het juridische ouderschap van lesbische stellen. Dat is van belang voor het ouderlijke gezag over het kind. Van wie het kind erft, welke naam het draagt en welke nationaliteit het heeft; dit alles hangt van het juridische ouderschap af. Het ouderlijk gezag is echter het belangrijkste van deze vier aspecten.

Als deze wet wordt aangenomen, hoeft een getrouwd lesbisch stel niet meer de dure, langdurige en vooral vreemde weg van adoptie te bewandelen. Adoptie door lesbische stellen werd mogelijk in 1998. In 2001 kwam daar het homohuwelijk bij. Toen begon het wachten op de volgende stap. De commissie-Kalsbeek heeft vervolgens in 2007 een goed rapport over dit onderwerp uitgebracht. Nu wordt dit wetsvoorstel behandeld, een logisch gevolg van de eerder genoemde stappen.

Over de voortgang van dit wetsvoorstel heb ik meteen een vraag aan de staatssecretaris. Ik ben benaderd door aanstaande moeders. In maart verwachten zij hun kindje. Zij vroegen mij of zij de adoptieprocedure nog moeten inzetten in de – ik zou bijna zeggen – "blijde verwachting" van de voortgang van dit wetsvoorstel. Zodra de wet in werking is getreden, wordt de adoptieprocedure namelijk overbodig. Ik weet dat de staatssecretaris natuurlijk niet kan vooruitlopen op de inwerkingtreding, want die is niet in zijn handen. Ik kan hem wel vragen of er is nagedacht over een overgangsregeling. Wat gebeurt er met al de lopende adoptieprocedures als de wet in werking treedt? Op dat moment heb je namelijk een overbodige adoptieprocedure. Worden de gemaakte kosten dan teruggegeven of zijn er dan geen kosten meer aan verbonden?

Ik kom nu op de wet zelf. Mijn fractie heeft de wet langs twee meetlatten gelegd. Het eerste en belangrijkste criterium in dezen is de vraag wat in het belang van het kind is. Het tweede criterium is de vraag of de ongelijkheid tussen in dit geval lesbische stellen en heterostellen nu is weggenomen.

Ik ga allereerst op het eerste criterium in. Het is in het belang van het kind dat de zaken goed geregeld worden. Het kind moet weten waar het aan toe is. Verder is het van belang dat het kind kan weten wie zijn biologische vader is en dat het met hem eventueel een relatie kan opbouwen. Hetzelfde geldt voor de duomoeder. Verantwoorde ouders, alle drie, denken vooraf na over de wijze waarop zij dit gaan invullen. Dit kan voor ieder gezin anders zijn. Nogmaals, het kind is gebaat bij duidelijkheid, goede afspraken die conflicten voorkomen en een veilige binding met de relevante ouders. Het is vervolgens de vraag of het in het belang van het kind is dat de relatie met de biologische vader ook juridisch moet worden ingevuld met het juridische vaderschap. Kan de staatssecretaris hier nog eens extra op ingaan bij de beantwoording van de vragen?

Het tweede criterium is de gelijkheid tussen lesbische stellen en heterostellen. Met dit voorstel gaat die zeker een grote stap vooruit. Wij zijn er echter nog niet. Er blijft een niet onbelangrijk verschil. Heterostellen met een bekende zaaddonor worden van rechtswege en dus automatisch ook de juridische ouders als gevolg van het vermoeden van vaderschap. Wij hebben daar vanavond al eerder over gesproken. Dit geldt als gevolg van deze wet echter niet voor lesbische ouders. Daarbij komt het middel van de erkenning om de hoek kijken. Door erkenning moet er worden gekozen: óf voor de biologische vader óf voor de duomoeder. De biologische moeder geeft daarbij de doorslag. Mijn fractie heeft moeite met dat onderscheid. Waarom trekken we lesbische stellen en heterostellen niet gelijk? Breng je de duomoeder niet in een slechtere en kwetsbare positie als zij ook niet juridisch moeder-ouder is, net zoals bij heterostellen het geval is? Kan de staatssecretaris een reactie geven op dit belangrijke punt? Deze ongelijkheid ligt namelijk als een zware steen op de maag van de fractie van de Partij van de Arbeid.

Het wreekt zich dat er drie relevante partijen in het leven van een kind zijn, maar dat in de wet maar plaats is voor twee partijen. Dat is historisch gezien goed te verklaren. Het is echter geen wet van Meden en Perzen, want de toekomst kan er ook anders uitzien. Zo heeft Engeland de mogelijkheid van het meerouderschap, zoals vanavond al eerder is genoemd. Dan is het dus mogelijk om meer dan twee ouders te hebben. Een ander voorstel, ook met verstrekkende gevolgen in het licht van het huidige personen- en familierecht, is om te bekijken of heterostellen met een bekende derde, een bekende donor, het ouderschap niet van rechtswege maar eveneens via erkenning of meerouderschap kunnen krijgen. Dan trekken we de twee situaties ook gelijk, alleen niet door lesbische stellen gelijk te maken aan de huidige regeling voor heterostellen maar door de regeling voor hetero's aan te passen aan de regeling voor lesbiennes. Dat is een verstrekkend voorstel in het licht van het huidige personen- en familierecht, maar we kunnen bekijken of dat een betere oplossing is.

Ten derde vraag ik, zoals ook al eerder aan de orde is geweest, naar de mogelijkheid van een donorschapsplan bij scheiding, analoog aan een ouderschapsplan bij scheiding. Wij moeten vooraf strakke afspraken maken over de rol die ouders, al dan niet juridisch, in het leven van hun kind gaan spelen. Op die manier wordt men van tevoren gedwongen om goed na te denken over de manier waarop men het gaat invullen, waarmee het kind structuur en duidelijkheid kan worden gegeven.

Het betreft drie maatregelen die het voor het kind beter maken. Het zijn alle drie maatregelen die de ongelijkheid tussen lesbische stellen en heterostellen, en wellicht in de toekomst ook tussen homostellen en heterostellen, zullen wegnemen of verkleinen. Het betreft maatregelen die té verstrekkend zijn om in dit wetsvoorstel mee te nemen. Dat is helemaal het geval in het licht van de wens om dit wetsvoorstel nu eindelijk te behandelen en hopelijk ook aan te nemen. Ik vraag de staatssecretaris nu wel vast naar zijn mening daarover, omdat die mede van belang is voor het standpunt van mijn partij over dit wetsvoorstel en de ingediende amendementen. Meer specifiek vraag ik of de staatssecretaris kan toezeggen dat er onderzoek naar de genoemde punten wordt gedaan, zodat wij afhankelijk van de uitkomsten daarvan mogelijk een volgende stap kunnen zetten.

Het deel van mijn spreektekst over het amendement sla ik over, want dat heeft mijn collega Hennis al toegelicht. Ik sluit af met de mededeling dat vandaag een belangrijk wetsvoorstel wordt behandeld. Eindelijk, zeg ik er maar weer bij. Het is ook een moeilijk wetsvoorstel, want wij willen het beste voor het kind en gelijkheid voor iedere Nederlander, homo of hetero. Laten we ons best doen om het goed te regelen. Ik benieuwd naar de antwoorden van de staatssecretaris.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Voorzitter. Geen omslachtige en dure adoptieprocedure meer, maar meteen duomoeder van je pasgeboren kind zijn. Hier hebben lesbische vrouwen lang op gewacht. We zijn heel blij dat wij het dankzij deze staatssecretaris nu eindelijk gaan regelen. Dank daarvoor.

Bij D66 zit het strijden voor gelijke rechten voor homoparen in het DNA. Op ons initiatief was tien jaar geleden de grote doorbraak met de openstelling van het burgerlijk huwelijk voor stellen van het gelijke geslacht. Na een huwelijk volgt vaak gezinsuitbreiding. De maatschappij verandert en gezinnen veranderen. Kinderen met twee moeders of twee vaders zijn geen uitzondering meer, maar de wetgeving hobbelt een beetje achter de realiteit aan, met een ongelijke behandeling tot gevolg. Daarom riep D66 in 2007 in een motie al op om de juridische verschillen in ouderschap tussen lesbische en heterostellen aan te pakken, vooral ook, zoals vandaag al eerder is gesteld, met het oog op het belang van het kind.

Vandaag zetten wij die stap vooruit. Geen omslachtige, dure procedure meer, maar moederschap van rechtswege en door erkenning, bijna net zoals in heterogezinnen. De meerderheid van de Kamer heeft zich met de ondertekening van het roze stembusakkoord al voor dit wetsvoorstel uitgesproken, maar ik zie nog wel ruimte voor verbetering van het voorstel om gelijke rechten nog beter te verankeren. Daarom heb ik een aantal vragen voor de staatssecretaris.

Allereerst kom ik te spreken over de vervangende toestemming tot erkenning. De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en het COC wezen er ook al op: de biologische moeder kan zowel aan de biologische vader als aan de duomoeder toestemming geven om het kind te erkennen. Wanneer de biologische moeder die toestemming echter niet geeft, kan de biologische vader naar de rechter stappen voor vervangende toestemming. De duomoeder kan dit niet. Zij heeft dan geen poot om op te staan. Dat is inconsequent en leidt tot ongelijkheid tussen de ouders. Waarom wordt de biologische vader wel een recht toegekend en wordt de duomoeder dit recht onthouden?

Voor D66 is het helder. Als een duomoeder met toestemming van de biologische moeder kan erkennen, moet de vrouw ook vervangende toestemming kunnen vragen als de moeder die toestemming niet wil geven. Denk bijvoorbeeld aan een gezin waarbij de biologische moeders gelijktijdig duomoeder zijn van elkaars kinderen. Dan zou een heel vreemde situatie ontstaan als opeens een van de moeders niet ook de juridische ouder is. Bij de schriftelijke behandeling heeft de staatssecretaris mij niet kunnen overtuigen van de noodzaak van deze rechtsongelijkheid. Daarom heb ik mijn handtekening gezet onder het amendement van mevrouw Hennis.

De duomoeder kan op basis van dit wetsvoorstel alleen van rechtswege ouder worden als de zaaddonor onbekend is. Bij een bekende donor is ouderschap van rechtswege niet mogelijk. Dat verschilt van de situatie bij een heteropaar. De echtgenoot in een heterohuwelijk is gemakshalve altijd de juridische ouder, ook als er sprake is van een bekende donor en iedereen weet dat de biologische vader iemand anders is. Kan de staatssecretaris nog een keer toelichten waarom hij de duomoeder hierin bewust benadeelt?

Het COC stelt twee aanpassingen van het wetsvoorstel voor. Het ouderschap zou dan ook bij een bekende donor van rechtswege ontstaan. Een. Ingeval de vader vóór de geboorte niet erkent, dan krijgen de moeders vanaf de geboorte het ouderschap van rechtswege. Twee. Ingeval de bekende donor officieel verklaart dat hij geen rol zal spelen in de verzorging en de opvoeding van het kind. Kan de staatssecretaris nog eens op beide opties ingaan? Het is voor ons heel belangrijk dat het nu snel geregeld wordt.

Het is in het belang van het kind dat alle betrokkenen – verwekker, biologische vader, biologische moeder, donor, duomoeder, sociale ouder – goede afspraken maken over de opvoeding van het kind. Dat is zeker belangrijk als meerdere mensen nauw betrokken zijn bij de verzorging van het kind. In hoeverre wordt dit soort afspraken in de dagelijkse praktijk bewust vastgelegd? Houden de gemaakte afspraken dan ook stand voor de rechter? Heeft de staatssecretaris hier zicht op? Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om deze afspraken juridisch te versterken?

De regels rondom juridisch ouderschap zijn ingewikkelder dan veel ouders zich in eerste instantie realiseren. Het is daarom belangrijk dat de overheid goede voorlichting geeft over wat toekomstige ouders te verwachten hebben. Bovendien ontvang ik e-mails waaruit blijkt dat ook de ambtenaren op het gemeentehuis soms moeite hebben om de situatie te overzien. Hoe gaat de staatssecretaris burgers en gemeenten voorlichten over de nieuwe regelgeving? Ziet hij daarin ook een rol weggelegd voor de Centra voor Jeugd en Gezin?

Er staan nog een aantal toezeggingen voor samenhangende wetgeving open. Is de staatssecretaris nog steeds van plan om de wetsvoorstellen over het geregistreerd partnerschap en de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap gelijktijdig met dit wetsvoorstel in werking te laten treden? Wat is de stand van zaken? Kan dit de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, vertragen? Dat laatste vindt mijn fractie zeer onwenselijk, want het is tijd dat het lesbische ouderschap eindelijk gemoderniseerd wordt. Daar hebben lesbische echtparen nu lang genoeg op gewacht.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Mater semper certa est. Bij alle onzekerheden die er door de eeuwen heen over het vaderschap van kinderen hebben bestaan, was er in ieder geval die ene zekerheid: de moeder is altijd de biologische moeder. Die zekerheid is ons echter in deze tijd ontvallen. In een wereld waarin draagmoederschap en eiceldonatie mogelijk zijn, is ook de moeder uit wie het kind geboren is, niet altijd meer de biologische moeder. Lang gold dat het ouderpaar van een kind bestond uit een vader en een moeder. Nu geldt in ons land dat een kind ook kan opgroeien met twee vaders of twee moeders.

Voor de ChristenUnie-fractie is de toegenomen complexiteit geen winst, maar ik erken dat dit wetsvoorstel poogt om vanuit het recht met de nieuwe situatie om te gaan. Bij veruit de meeste ouderparen is er geen reden te twijfelen aan het vaderschap van de juridische vader. De meeste kinderen worden opgevoed door hun biologische vader en moeder. De meeste kinderen hoeven zich op latere leeftijd geen ingrijpende vragen te stellen, zoals: waar kom ik eigenlijk vandaan? Of: wie is mijn vader en wie is mijn moeder? Vanuit dit perspectief en met onderstreping van het belang van het kind kijken wij naar dit wetsvoorstel.

Voor mijn fractie zijn vier juridische ijkpunten van belang bij de beoordeling van de voorgestelde wijziging van het Burgerlijk Wetboek. Een eerste ijkpunt is dat de hoofdregel van het afstammingsrecht wat ons betreft in stand moet blijven. Tenzij zwaarwegende belangen zich hiertegen verzetten, behoort het juridische ouderschap te sporen met het biologische ouderschap. Een kind is het kind van zijn biologische moeder en zijn biologische vader.

Een tweede ijkpunt is dat de belangen van de biologische ouder altijd een afwegingsfactor blijven.

Een derde ijkpunt is dat het belang van het kind moet worden gediend, onder meer door het recht om te weten wie zijn biologische vader en moeder zijn en doordat het mogelijkheden behoudt om de juridische werkelijkheid te laten sporen met de biologische werkelijkheid.

Een vierde ijkpunt is dat, de belangen van alle betrokkenen in aanmerking nemend, het feitelijke gezinsleven de bescherming verdient door de juridische vestiging daarvan.

Al deze belangen sporen niet per definitie met elkaar. Daarom is de afweging ook van belang. In zijn beoordeling van het voorstel is de Raad van State er niet van overtuigd dat de afweging in dit geval een juiste is. Zo is de raad van oordeel dat er geen recht wordt gedaan aan de genoemde hoofdregel van het afstammingsrecht. In de schriftelijke voorbereiding heeft onder andere mijn fractie erop gewezen dat de regering nog in 2005 een drietal bezwaren had tegen de voorliggende wijziging van het afstammingsrecht. De heer Van der Staaij heeft deze genoemd. Met steun van de Raad van State is toen gekozen voor een vereenvoudiging van de adoptieprocedure voor duomoeders.

Tegen deze achtergrond en met de vier genoemde uitgangspunten in gedachten heb ik een aantal vragen. Erkenning door een vader is vaak aan de orde als de wens leeft om het biologische vaderschap te laten sporen met het juridische vaderschap. Omgekeerd kan de erkenning teniet worden gedaan, juist omdat de juridische vader niet de biologische vader is. Dan is het toch opmerkelijk om een rechtsregel te vestigen waarin we in elk geval één ding zeker weten, namelijk dat de duomoeder, die het kind erkent, een afstammingsrelatie vestigt terwijl zij niet de biologische ouder is. Is het wetsvoorstel niet alleen daarom al in strijd met de hoofdregel die ook de staatssecretaris belijdt als uitgangspunt voor het familierecht, namelijk dat de juridische werkelijkheid zo veel mogelijk moet aansluiten op de biologische werkelijkheid? Kan de staatssecretaris nog eens uitleggen waarom het kind daarmee zou zijn gediend? Nu de wet twee soorten moederschap introduceert, kan de merkwaardige situatie zich voordoen dat het kind bij het overlijden van de biologische moeder een moeder overhoudt, niet zijnde de biologische moeder, die op enig moment hertrouwt met een andere moeder die het kind erkent. Kan dat de bedoeling zijn?

Deze vragen en opmerkingen zijn in die zin relatief, dat het nu al mogelijk is om via een vereenvoudigde adoptieprocedure een juridisch ouderschap te vestigen. Niettemin zal het aantal situaties waarin het kind mogelijk de biologische ouder niet kent, waarschijnlijk toenemen. De vraag is of het belang van het kind ermee gediend kan zijn om het kind in elk geval op latere leeftijd zo veel mogelijk in staat te stellen om de biologische ouders alsnog te kennen en dat misschien wel af te dwingen.

Wij hebben het dan bepaald niet alleen over situaties van twee ouders van het gelijke geslacht, maar ook over nogal wat onbekende vaders van ongehuwde moeders. Daarover is in de voorbereiding ook gesproken, tot de optie van DNA-testen en verplichte registratie aan toe. Verschillende adviezen over dit wetsvoorstel leggen de vinger juist bij dit punt. Onder anderen de heer De Wit heeft daarbij ook de vinger gelegd. Kunnen wij kinderen helpen als zij zich de indringende vraag stellen waar zij vandaan komen? De vraag rijst of artikel 207, tweede lid, onder a, moet worden aangepast. De vaststelling van ouderschap van rechtswege is niet mogelijk, indien een kind twee ouders heeft, maar wat nu als de twee ouders allebei vrouw zijn en het kind het vaderschap wil laten vaststellen? Zou een kind niet de mogelijkheid moeten hebben om het biologisch vaderschap te laten vaststellen, niet zijnde een juridisch vaderschap? Nu is dat in beginsel alleen mogelijk via de donorwet KID, maar die is uiteraard niet in alle gevallen aan de orde. Met andere woorden, zou het niet goed zijn dat een verklaring zoals die wordt overlegd bij KID, houdende het biologische ouderschap, ook in andere gevallen kan worden afgedwongen? Ik heb een amendement ingediend waarmee het recht om te weten in de wet wordt verankerd. De heer Van der Staaij noemde het al. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris daarop.

De gezinssituatie van sommige kinderen is complex geworden. Makkelijke afwegingen bij het dienen van het recht van gezinssituaties zijn er niet. Zij zijn er nu niet, maar ook niet als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. Zoals de staatssecretaris heeft gemerkt, zijn daarbij verschillende vragen te stellen. Ik wacht de antwoorden van de staatssecretaris met belangstelling af.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. Vandaag bespreken wij na twee jaar het wetsvoorstel over het ouderschap van lesbische paren. Het is een belangrijk wetsvoorstel, omdat het ons een stap dichter bij de gelijke behandeling en emancipatie van homoseksuele ouders in Nederland brengt. Een kind verdient ouders die hem of haar een goede opvoeding geven. Het maakt niet uit of het nu twee moeders, een moeder en een vader of twee vaders zijn. Een snelle totstandkoming van het juridisch ouderschap is dan ook meer in het belang van het kind. Wat mijn fractie betreft kunnen de tijd en het geld die gemoeid gaan met de adoptieprocedure beter geïnvesteerd worden in de opvoeding van het kind. Dit wetsvoorstel maakt dat mogelijk en daarom staat de PVV-fractie in principe positief tegenover dit wetsvoorstel.

Toch zijn er in onze ogen twee tekortkomingen. Je zou het twee "omissies" kunnen noemen. Ik krijg graag een reactie van de staatssecretaris waarom zij niet zijn opgenomen in het wetsvoorstel. Er wordt voorgesteld om het ouderschap van de niet-biologische moeder, de duomoeder, automatisch tot stand te laten komen, als het kind geboren wordt in het huwelijk van de twee vrouwen en er gebruik is gemaakt van een onbekende donor. Deze regel bestaat al voor heteroseksuele echtparen. Wat dit deel betreft, is het een goede zaak dat dit nu in de wet wordt opgenomen. Daarmee is er echter nog geen gelijke behandeling tussen lesbische en heteroseksuele paren bereikt. Het wetsvoorstel maakt namelijk onderscheid tussen een onbekende en een bekende donor. Waarom is dat zo? Dit onderscheid wordt namelijk niet gemaakt in de regeling voor heteroseksuele echtparen. Hier is dus duidelijk sprake van een ongelijke behandeling. Waarom is dat? Bij de heteroseksuele echtparen maakt het niet uit of gebruik is gemaakt van een onbekende of bekende donor. De niet-biologische vader wordt automatisch ouder.

De PVV-fractie vindt dit onderscheid niet gerechtvaardigd en dient daarom een amendement in. Met het amendement wordt de regeling voor getrouwde heteroseksuele en lesbische echtparen die een kind krijgen, echt gelijk getrokken. Mijn amendement bewerkstelligt ook dat de duomoeder door huwelijk automatisch juridisch ouder wordt van het kind, ook als sprake is van een bekende donor. Dit staat niet in het wetsvoorstel, maar mijn amendement regelt dat. De biologische vader behoudt alsnog de mogelijkheid om zich tot de rechter te wenden om vervangende toestemming tot erkenning te vragen, in onze ogen althans. Misschien kan de staatssecretaris uitleggen of dit daadwerkelijk zo is.

De tweede tekortkoming in het wetsvoorstel is dat de duomoeder geen vervangende toestemming tot erkenning bij de rechter kan vragen, terwijl de biologische vader dit wel kan. Verschillende collega's hebben dit al verschillende keren benoemd, maar wij zien dit ook als ongelijke behandeling. Ik had een amendement ingediend om dit onderscheid op te heffen. Mevrouw Hennis-Plasschaert met een aantal collega's kwam daar echter eerst mee. Er zijn nuanceverschillen, maar verder kun je de amendementen gelijk noemen. Het heeft voor mij geen zin om dat amendement te handhaven. Daarom wens ik mijn amendement op stuk nr. 12 in te trekken.

De voorzitter:

Het amendement-Bontes (stuk nr.12) is ingetrokken.

De heer De Wit (SP):

Zie ik het juist dat met het amendement-Bontes op stuk nr. 13, wat artikel 198 betreft, zowel de bekende als de onbekende donor uit het wetsvoorstel wordt gehaald? Laat ik het anders vragen. Betekent dit dat de heer Bontes ervan uitgaat dat de bekende donor niet het recht heeft om vervangende toestemming voor erkenning te vragen, dus gewoon om erkenning te vragen?

De heer Bontes (PVV):

Hij heeft wel het recht om naar de rechter te gaan, maar de duomoeder wordt automatisch de "sociale moeder".

De heer De Wit (SP):

De heer Bontes heeft een deel van de oorspronkelijke tekst van artikel 198 weggelaten. Dat betekent dat de bekende donor en de onbekende donor eruit worden gelaten. In de toelichting vindt hij het recht van de bekende donor om erkenning te vragen een heel belangrijk punt, maar in de tekst van het amendement zie ik dat niet terug. Ontneemt hij de bekende donor dit recht bewust of is dit niet zo?

De heer Bontes (PVV):

De biologische vader behoudt in onze ogen het recht, ook in mijn amendement, om zich tot de rechter te wenden om vervangende toestemming tot erkenning aan te vragen.

De voorzitter:

De heer De Wit ten slotte.

De heer De Wit (SP):

De heer Bontes wil de duomoeder van rechtswege juridisch ouderschap verlenen.

De heer Bontes (PVV):

Bij een onbekende donor.

De heer De Wit (SP):

Dan heeft de biologische vader het nakijken. Ofschoon de heer Bontes dat belangrijk vindt, staat de biologische vader voor een gesloten deur, want er zijn al twee juridische ouders. Hij kan het wel vragen, maar hij vist achter het net.

De heer Bontes (PVV):

Het is nog maar de vraag hoe de rechter dat beoordeelt. De biologische vader heeft de mogelijkheid om naar de rechter te gaan. Of hij achter het net vist, is een tweede.

De voorzitter:

Ik ben bang dat wij niet heel veel verder komen met het ophelderen van dit punt. Wil de heer De Wit nog een poging wagen?

De heer De Wit (SP):

Ik wil het nog een keer proberen. Als je zegt dat de duomoeder van rechtswege het ouderschap heeft, is er niets meer nodig. Dan hoef je niets te doen. Als je erkenning vraagt, moet je naar de rechter en moet er een afweging plaatsvinden, maar de biologische vader staat achter met 1–0 omdat al eerder de duomoeder van rechtswege het ouderschap heeft gekregen.

De heer Bontes (PVV):

Maar de gang naar de rechter staat open voor hem. Het rechtsmiddel is er nog. Het is maar de vraag of hij achterstaat. Dat bepaalt de rechter. Ik ga er wel van uit dat het oordeel van de rechter in die situaties rechtvaardig zal zijn.

De heer Krol (50PLUS):

Voorzitter. Als je vanaf 1977 samen met heel veel anderen lang bezig bent geweest met emancipatie, zult u begrijpen dat vanavond voor mij een heel bijzondere en mooie avond is. Ik dank de staatssecretaris dan ook voor dit wetsvoorstel, dat vooral in het belang is van het kind. Ik ben blij dat heel veel van de collega's dat ook benadrukt hebben. Het is veel minder een voorbeeld van emancipatie, maar voor heel veel moeders zal dit winst betekenen. De rechtspositie van de meemoeder wordt absoluut beter, maar er moet nog wel iets geregeld worden voor het geval er een conflict met de biologische moeder ontstaat. Dat hoeft overigens in heel veel gevallen absoluut niet te betekenen dat de relatie niet goed zou zijn. Wil de staatssecretaris op dat punt kijken of het nog iets evenwichtiger zou kunnen?

Heel veel collega's hebben het vanavond al gezegd: veel deskundigen, de Raad voor de rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken zijn voorstander van de mogelijkheid van vervangende rechterlijke toestemming tot erkenning van de andere moeder. In het nu voorliggende wetsvoorstel zit in mijn ogen nog een onterecht onderscheid tussen een hetero- en een homorelatie. Collega's hebben het al zo fraai uitgelegd dat ik dat niet nog een keer hoef toe te lichten. De argumenten van de staatssecretaris hiervoor heb ik gelezen, maar die hebben mij niet overtuigd. Het is dan ook terecht dat het COC twee oplossingen aandraagt in de brief van 18 oktober. Kan de staatssecretaris er nog eens op ingaan?

Hoe dan ook wil ik nogmaals een compliment maken. Ik denk dat het in het belang van de kinderen en de moeders is dat dit wetsvoorstel nu zo snel mogelijk in werking kan treden.

De voorzitter:

Daar levert u in ieder geval een bijdrage aan door zo kort te spreken. Dank daarvoor.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Voorzitter. GroenLinks steunt deze wet en vindt eigenlijk dat er nog meer stappen moeten worden genomen, zodat de ouders die een kind in de praktijk heeft formeel, op papier ook de ouders zijn. Maar deze wet is nu hard nodig en geen seconde te vroeg. Stel je twee getrouwde paren voor. Bij beide is er een kinderwens. Bij beide is er een zaaddonor nodig om een zwangerschap tot stand te brengen. Twee vriendinnen van mij, een getrouwd stel, deden recentelijk aangifte van de geboorte van hun kindje en daarbij werd maar één ouder vermeld. Dus het ene getrouwde stel heeft een buitenechtelijk kind met één ouder, het andere getrouwde stel heeft gewoon een wettig kindje. Hoewel het homohuwelijk gewoon mogelijk en ook goed geaccepteerd is in Nederland, is er een hoop onzekerheid zodra er kinderen komen. Juridisch heeft nu de meemoeder nog steeds nergens recht op. Als er een conflict uitbreekt met de partner, heeft zij geen poot om op te staan. Dit komt bovenop de sociale uitsluiting die homo-ouders helaas nog steeds zo nu en dan tegenkomen. Het zou allemaal veel gemakkelijker kunnen door een kind gewoon op papier de ouders te geven die het kind in werkelijkheid ook heeft. Maar ik maak de staatssecretaris wel een compliment: deze wet is een stap vooruit. Op verzoek van de voorzitter heb ik enorm in mijn tekst zitten strepen, dus ik hoop dat ik de lijn van mijn betoog kan vasthouden.

Het roze ouderschap wordt maatschappelijk breed geaccepteerd, maar het is volgens GroenLinks wel veel en veel te laat. De staatssecretaris heeft het COC klaarblijkelijk beloofd dat deze wet op 1 januari 2013 in werking zal treden. Ik hoor graag van hem of dat ook zal lukken. Voor GroenLinks hoeft het juridisch ouderschap niet samen te vallen met het biologisch ouderschap. De vraag wie de juridische vader of moeder is of, beter gezegd, wie in een gezagsrelatie tot het kind staat, moet in beginsel door de partners zelf kunnen worden bepaald met inachtneming van de regel dat het belang van het kind voorop moet staan. Wat GroenLinks betreft is de tijd rijp voor een maatschappelijke discussie over de vraag of er niet drie ouders moeten kunnen zijn, of er niet meervoudig juridisch ouderschap mogelijk moet zijn. Die discussie moeten wij zo snel mogelijk gaan voeren als wij zien hoe lang het geduurd heeft om de juridische werkelijkheid in de buurt van de maatschappelijke werkelijkheid te laten komen. Vanzelfsprekend blijven ook voor GroenLinks de rechtszekerheid van afstamming en de juridische verhoudingen vooropstaan, maar dat hoeft niet op gespannen voet te staan met de vormgeving van modern ouderschap. Wat is erop tegen om niet alleen de moeder en de sociale moeder of meemoeder als juridisch ouder te erkennen, maar ook de verwekker die in goed onderling overleg een rol heeft in de opvoeding van het kind?

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Als ik mijn collega goed begrijp, gaat het nu over het fenomeen van het meerouderschap. Via de media heb ik vernomen dat zij voornemens is om daarover een motie in te dienen, terwijl de staatssecretaris nog moet antwoorden. Dat vind ik een beetje vreemd.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Wellicht verrast de staatssecretaris mij en is de motie helemaal niet nodig, maar ik heb inderdaad een motie voorbereid en ik heb hier en daar gevraagd of men zo'n motie wil ondersteunen. Ik heb het voornemen, maar het hoeft niet tot een daadwerkelijke indiening van de motie te komen als de staatssecretaris deze broodnodige brede maatschappelijke discussie toezegt. Daar zal wel enig onderzoek bij horen. Het is belangrijk dat wij niet eerst weer vijf jaar wachten en daarmee weer helemaal achterlopen. Vele mensen hebben het voorbeeld van Engeland aangehaald. Wij moeten proberen om de juridische werkelijkheid niet zover te laten achterlopen. Op andere onderwerpen heb ik met VVD-collega's fundamentele verschillen van inzicht. Het is erg fijn dat wij het op sommige onderwerpen ook roerend eens zijn. Dat mag ook wel eens gezegd worden. Ik zie dat dat onmiddellijk een vraag oproept.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het kan altijd gekker, voorzitter. Ik begrijp dat mevrouw Van Tongeren de staatssecretaris vraagt om te zorgen voor een brede maatschappelijke discussie om te voorkomen dat wij achterlopen. Ik wil dat even koppelen aan het belang van het kind. Komt mevrouw Van Tongeren heel veel kinderen tegen die zeggen: het is toch zo beperkt, twee ouders, ik zou er eigenlijk drie moeten hebben? Als ik zulk soort discussies hoor, vraag ik mij wel eens af of ik op een andere planeet woon. Is dit werkelijk iets wat bij kinderen leeft?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb inderdaad kinderen gesproken die die vraag hebben. Zij weten hoe hun afstamming in elkaar zit. Soms is er een draagmoeder. Een vrouw kan haar zus als draagmoeder hebben gehad. Het kind groeit op bij de juridische moeder en de vader, maar weet dat de zus van moeder de draagmoeder is. Zo'n kind vraagt zich af: waarom mag die niet? Bij een schoolreisje moet de één tekenen, terwijl er ook een connectie is met de ander. Het zal niet zo veel voorkomen in de kringen van de SGP, maar in de kringen waar ik met mensen praat, kom ik het daadwerkelijk tegen. Dus als zo'n fenomeen zich voordoet – het is net zo als met het roze ouderschap – vind ik dat wij als medewetgevers moeten gaan kijken wat zich in de maatschappij ontwikkelt en hoe we daar op een adequate manier op kunnen reageren. Ik vraag de staatssecretaris dus niet om er onmiddellijk een wet over te maken, maar wel om die discussie te starten en om een en ander in kaart te brengen en te onderzoeken, kortom, om dat proces op gang te brengen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik herinner mij uit het debat over het homohuwelijk destijds dat GroenLinks ook al begon over de vraag of het nog wel van deze tijd was dat het huwelijk tussen twee mensen was en of het niet met meer mensen moest kunnen. Neemt mevrouw Van Tongeren dat ook gelijk mee bij die brede maatschappelijke discussie of kan dat nog even wachten?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik weet niet of het een retorische vraag of een echte vraag is, maar ik zal die in ieder geval proberen te beantwoorden. Ik kan mij nog herinneren waar het huwelijks- en familierecht vandaan komt, namelijk uit het eigendomsrecht. Vroeger waren de kinderen en de vrouw – in het Engels chattel geheten – gewoon eigendom van de man. Door emancipatiebewegingen is dat langzamerhand veranderd en gaat het inmiddels om het belang van het kind en de affectieve relatie, maar we zijn er nog niet, in de zin dat dat stukje eigendom, afstamming erin zit. In de visie van GroenLinks is het niet de biologische afstemming die bepalend zou moeten zijn, want dan zou je ook in heterohuwelijken een heleboel DNA-testen moeten gaan doen om te kijken of in alle gevallen de afstamming puur biologisch is; daar zit ook een stukje fictie in. We zullen dan ook moeten kijken wat het belang van het kind is in onze moderne maatschappij.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat met uw betoog.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik geloof overigens niet dat ik de heer Van der Staaij geheel overtuigd heb.

De voorzitter:

Ik zit weleens te denken aan dat ene kind dat soms minder ouders wil.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik zal daar nu niet op ingaan maar daar zijn ook mogelijkheden voor.

Ten slotte heb ik nog een drietal vragen over deze wet. De eerste is: het is eigenlijk al veel te laat, dus hoe snel kunnen we dit nu daadwerkelijk voor deze lesbische ouders regelen?

Er wordt een verschil gemaakt tussen bekende en onbekende zaaddonoren. GroenLinks begrijpt absoluut niet waarom het bij een lesbisch getrouwd stel anders zou moeten zijn dan bij een heterostel. Daarbij heb je ook de mogelijkheden van een bekende en een onbekende zaaddonor. Ik vraag de staatssecretaris daarop te reageren.

De positie van de meevaders blijft in onze optiek onveranderd slecht geregeld. Zij blijven aangewezen op adoptie. Wat is er op dit punt van de wetgever te verwachten? Komt er binnenkort een vergelijkbaar wetsvoorstel dat het juridisch ouderschap van de mannelijke partner regelt?

Voorzitter. Dit wetsvoorstel wordt door GroenLinks verwelkomd als een belangrijke stap voorwaarts op weg naar gelijkwaardige familierechtelijke verhoudingen, ongeacht iemands seksuele gerichtheid, maar een verdere discussie en verdere stappen richting moderne samenlevingsvormen horen hoog te staan op de prioriteitenlijst van deze staatssecretaris en ook straks op die van zijn opvolger in een nieuw kabinet.

De vergadering wordt van 21.52 uur tot 22.01 uur geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Een compliment aan de leden en dank voor hun inbreng. Het is een wetsvoorstel dat door een grote meerderheid van de Kamer wordt gesteund. Uiteraard zijn er ook Kamerleden die er anders over denken. Daar zal ik ook op ingaan.

Het is wel een logische gang van zaken als je bekijkt wat er de afgelopen jaren is gebeurd, zoals door enkele sprekers ook is gezegd. In 2001 is het huwelijk voor partners van hetzelfde geslacht opengesteld. Mevrouw Dijkstra zei al dat haar fractie zich daar altijd heel druk voor heeft gemaakt, maar andere fracties ook. In 2009 is de adoptieregeling voor de duomoeder versoepeld. Ik kan mij de discussie in 2007 nog goed herinneren, omdat ik toen zelf in de Kamer zat. Ik geloof dat de heer De Wit ook heeft deelgenomen aan die discussie, waarbij toen al is gesproken over het lesbisch ouderschap. De heer Van der Staaij wees er terecht op dat de regering toen een aantal bezwaren heeft genoemd op grond waarvan het niet zou moeten. Ik zal nog ingaan op de opmerkingen die de heer Van der Staaij daarover heeft gemaakt en op de redenen waarom ik namens de regering denk dat het nu wel kan.

Ik dank de Kamer dat wij dit wetsvoorstel kunnen behandelen, terwijl het kabinet nog demissionair is. Het is fijn dat het niet controversieel is en dat het voort kan gaan, zodat we de termijnen misschien kunnen halen. In het verleden zijn hierover weleens beloften gedaan ten departemente.

Het is een langverwacht wetsvoorstel, waardoor de manier waarop het juridisch ouderschap van de duomoeder tot stand komt wordt gewijzigd. Een gang naar de rechter voor een adoptieprocedure is hiervoor niet langer nodig. Het ouderschap kan heel eenvoudig tot stand worden gebracht via de band van het afstammingsrecht buiten de rechter om of van rechtswege of door een erkenning. Wat daarmee samenhangt, is dat de kosten aanzienlijk lager zijn. Enkele woordvoerders hebben opgemerkt dat de kosten van een adoptieprocedure behoorlijk hoog zijn en de kosten van erkenning buitengewoon laag. We hebben dat eens uitgerekend en het staat ook in de nota naar aanleiding van het verslag. Volgens het departement zijn de kosten van erkenning omgerekend ongeveer € 2,56. Het is ook een handeling die niet langer dan vier minuten zal duren bij de burgerlijke stand.

Ik vind het belangrijk om dat op te merken. Waarom haal ik dat aan? Je zou zeggen dat het amendement van mevrouw Hennis, de heer Recourt en mevrouw Dijkstra een enorme verbetering is, maar dat waag ik te betwijfelen. Ik realiseer mij dat de politieke werkelijkheid is dat er een meerderheid voor is, gezien de ondertekening, maar ik waag te betwijfelen of dit een verbetering is, dus ik wil wel indringend met de Kamer van gedachten wisselen over dat amendement van mevrouw Hennis cum suis.

Het recht valt eigenlijk samen met de feitelijke situatie van kinderen die opgroeien in een gezin met twee moeders. Het is voor die moeders mogelijk om het kind van rechtswege te erkennen of door erkenning voor de geboorte. Let op wat ik zeg: erkenning voor de geboorte. Dat is niet mogelijk als je het van rechtswege doet bij de geboorte. Dat is een aanzienlijk verschil, bijvoorbeeld als je naar het buitenland verhuist. Dan is dat amendement dus geen verbetering, dat zeg ik maar gewoon.

Het kabinet deelt de vreugde over dit wetsvoorstel en is er blij mee, omdat het winst is voor het kind. Het is in het belang van het kind en het brengt het recht in overeenstemming met de feitelijke situatie. Dat is ook winst voor de ouders. Sommige Kamerleden zullen vinden dat het ook winst is dat Nederland voorop gaat lopen in de wereld, maar dat is niet het standpunt van het kabinet. Dat is niet de reden waarom wij dit wetsvoorstel in procedure hebben gebracht, maar er zullen ongetwijfeld fracties zijn die dat ook vinden.

Ik ben mij ervan bewust dat het voorstel lang op zich heeft laten wachten. De wisseling van de kabinetten was daaraan ook debet. Het huidige kabinet en veel partijen in de Kamer hebben dit voorstel hoog in het vaandel. Ik kom aan het einde van mijn betoog terug op de amendementen. Eerst ga ik in op de vragen die door de achtereenvolgende leden zijn gesteld. Daarna zal ik de drie amendementen van mevrouw Hennis, de heer Bontes en de heer Segers van commentaar en van een oordeel voorzien.

Ik rubriceer de voorgestelde wijzigingen. Wat zit er concreet in het wetsvoorstel? Het ouderschap van een duomoeder ontstaat van rechtswege bij geboorte van een kind als de moeders zijn gehuwd en de identiteit van de biologische vader, de zaaddonor, onbekend is. In alle overige gevallen kan de duomoeder het kind erkennen. Er komt, zo zal ik beargumenteren, een versterking van de positie van de bekende zaaddonor die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Hij kan tegen de wil van de moeder ouderschap via de rechter verkrijgen. Ik merk op dat die positie daarmee gelijk wordt gesteld met de positie van de verwekker in het huidige recht. Ik doel op de man die het kind samen met de moeder op natuurlijke wijze heeft doen ontstaan. In het huidige recht is die positie voor de verwekker al geregeld. De duomoeder die als levensgezel heeft ingestemd met de daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, wordt gelijkgesteld met de mannelijke levensgezel van de moeder. Dat betekent dat het juridisch ouderschap tegen haar wil in gerechtelijk vastgesteld kan worden en dat zij ook alimentatieplichtig wordt. Ook dat is een consequentie van de wetswijziging.

Ik roep de commissie-Kalsbeek in herinnering, die in 2007 aan het werk is gegaan en die een uitgebreid rapport heeft uitgebracht. De heer Van der Staaij heeft al gezegd dat die commissie alleen "erkenning" adviseerde en niet "van rechtswege". Daarna is door het kabinet inderdaad een andere rechtspolitieke keuze gemaakt.

Er zijn door de leden vragen gesteld over tal van onderwerpen. Ik zal die allemaal behandelen, ook als het om dezelfde vragen gaat.

De heer Oskam vraagt waarom het wetsvoorstel niet ziet op twee mannen en waarom de duovader nog steeds moet adopteren. Die vraag is vanavond al heel vaak aan de orde geweest. Een kind kan volgens het huidige afstammingsrecht niet meer dan twee juridische ouders hebben. De moeder die het kind door geboorte op de wereld zet, is altijd juridisch ouder van rechtswege. Bij lesbisch ouderschap verandert daar eigenlijk helemaal niets aan. Bij het vaderschap van twee mannen zou je kunnen zeggen dat de bedoeling is dat de moeder uit het plaatje verdwijnt. De band tussen de moeder die het kind heeft gedragen en het kind is zo sterk dat die niet zonder tussenkomst van de rechter kan worden verbroken. Ik denk ook dat wij, met het oog op gelijkstelling van andere belangen, ervoor moeten oppassen dat wij het belang van het kind niet veronachtzamen.

Mevrouw Van Tongeren vraagt of het kabinet van plan is om de positie te versterken van twee vaders die samen een kind opvoeden. Als één vader door adoptie juridisch ouder is geworden, kan de andere vader in het gezin door erkenning ook juridisch ouder worden. Dat is nu al mogelijk met het huidige recht. Daar verandert dit wetsvoorstel helemaal niets aan. Dit is dus de mogelijkheid voor vaders. Het kabinet is niet voornemens om dit te wijzigen. Wij zien daar eigenlijk ook geen mogelijkheden toe.

De heer Oskam vraagt verder of een duovader ook kan erkennen. Dat heb ik net al gezegd. Het kan alleen maar als één vader al juridisch ouder is. Als er juridische banden moeten worden verbroken, is dat altijd zo wezenlijk dat rechterlijke tussenkomst vereist is. Dat zei de heer Oskam zelf ook al.

De heer Oskam vraagt ook naar het alternatief van het COC, namelijk erkenning door een biologische vader in geval van huwelijk van twee moeders beperken tot aan het moment van de geboorte van het kind. Tot dat moment kan het dus, maar daarna niet. Ik denk dat het wetsvoorstel meer mogelijkheden en meer voordelen biedt voor kind, moeder, duomoeder en biologische vader dan het COC-alternatief. De wetgever kan door het alternatief onbedoeld in de keuzevrijheid van partijen treden. Dat wil de regering helemaal niet. Wat bijvoorbeeld als een kind vroeger wordt geboren dan verwacht, zo vraag ik de heer Oskam, of als betrokkenen niet op de hoogte zijn van de speciale regeling en ervan uitgaan dat de vader het kind bij geboorte erkent. Het ouderschap van de duomoeder is dan van rechtswege ontstaan terwijl niemand dat weet. Het alternatief van het COC waarnaar de heer Oskam vraagt, zal er ook toe leiden dat het ouderschap van de duomoeder pas op het moment van de geboorte kan ontstaan. Dat vind ik echt een groot nadeel. Dit is overigens ook het nadeel van het amendement van mevrouw Hennis en anderen. De duomoeder kan dus niet eerder moeder worden. Dat kan nu via de erkenning wel. De biologische vader kan tot de geboorte wel ouder worden en eventueel naar de rechter gaan als hij er met de moeders niet uitkomt, maar dat zou dan tot rechtsonzekerheid leiden.

Toch nog even het goede van het wetsvoorstel, wat de leden ook wel zien. De onzekerheid over het ouderschap wordt beperkt doordat ook de duomoeder reeds voor de geboorte kan erkennen. Als zij dat in goed overleg doet voor de geboorte, is er altijd duidelijkheid over het ouderschap en ook over de vraag of er dan twee juridische ouders zijn of dat er één juridische ouder is. De erkenning door de duomoeder voor de geboorte kan bijvoorbeeld grote voordelen hebben bij vertrek naar het buitenland doordat er dan duidelijkheid bestaat over de juridische positie van de ouders. Die heb je niet als dat pas na de geboorte via andere regelingen tot stand zou moeten komen.

De heer Oskam heeft ook gevraagd waarom de regeling dat ook de bekende zaaddonor in uitzonderlijke gevallen kan vragen om vernietiging van de erkenning door de duomoeder, niet in de wet is vastgelegd. Hij sprak over de jurisprudentie en wees erop dat het standpunt van het kabinet volgt uit artikel 3.13. Dat artikel heb ik in de schriftelijke voorbereiding genoemd. In dit artikel is bepaald dat niemand een bevoegdheid kan inroepen voor zover hij deze misbruikt. De Hoge Raad heeft beslist dat de moeder misbruik van haar bevoegdheid maakt als zij, kort gezegd, toestemming voor erkenning geeft aan een ander dan de verwekker met het enkele doel om die verwekker buiten spel te zetten. Nu de positie van de bekende zaaddonor in dit voorstel is gelijkgesteld aan die van de verwekker, geldt die uitleg van artikel 3.13 dus ook voor de bekende zaaddonor. Een aanvullende wettelijke bepaling is naar mijn oordeel dan ook niet nodig.

De heer De Wit heeft gevraagd hoe de rechter de nauwe persoonlijke betrekking weegt. Dat is een aangelegen punt in de stukken. Ik wijs erop dat de "nauwe persoonlijke betrekking" geen nieuw begrip is, want ook in artikel 377a van Boek I wordt dit al genoemd. Rechters hebben daarvoor in jurisprudentie al criteria ontwikkeld. Je kunt echter wel zeggen dat interesse van vader en kind van belang is en de bedoelingen van de vader zijn dus van belang. Heeft hij afgesproken met de moeders dat hij een rol zal vervullen in het leven van het kind of heeft hij dat niet gedaan? In de schriftelijke voorbereiding heeft een aantal leden gevraagd naar de standpunten van professor Forder, die daarover een aantal opmerkingen heeft gemaakt. Ik wijs erop dat artikel 8 van het EVRM ook relaties beschermt die nog moeten ontstaan omdat het kind nog geboren moet worden. Vervangende toestemming voor erkenning kan dus alleen als er nog maar één ouder is.

Dan reageer ik ook gelijk op wat de heer De Wit al in een interruptie een aantal keren aan de heer Bontes heeft gevraagd. Als er bij de geboorte van rechtswege twee juridische ouders zijn ontstaan, is het niet meer mogelijk om de biologische vader te laten erkennen want er kunnen volgens ons afstemmingsrecht niet meer dan twee juridische ouders zijn. Als de beide moeders, de biologische moeder uit wie het kind is geboren en de duomoeder, van rechtswege in alle gevallen juridisch ouder worden, is de positie van de biologische vader in feite uitgeschakeld. Die keus heeft het kabinet bewust niet gemaakt.

De heer Bontes (PVV):

Dat is mij dan niet helemaal duidelijk, want bij heteroseksuele stellen zou dat wel zo kunnen zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Nee, het is bij heteroseksuele stellen ook niet zo. De moeder uit wie het kind is geboren, is de eerste juridische ouder. Als zij is getrouwd met een man, wordt die man automatisch van rechtswege ouder. De heer Bontes vraagt waarom wij verschil maken tussen de hetero stellen, waar dit de hoofdlijn is, en de lesbische relatie. Als twee moeders een kind willen opvoeden, dus bij de paren van gelijk geslacht, zal er altijd ook sprake zijn van een derde, de vader. Dit komt veel minder voor bij heterostellen. Bij een lesbische relatie zal er altijd een derde, de biologische vader, in het spel zijn. Dat is altijd het geval.

De heer Bontes (PVV):

Een derde kan bij heteroseksuele stellen ook in het spel zijn.

Staatssecretaris Teeven:

Dat kan, maar in veel gevallen zal dat niet zo zijn.

De heer Bontes (PVV):

Daarom begrijp ik de vraag van de heer Wit niet, maar ook niet de reactie van de staatssecretaris. Er hoeft toch niet per se onderscheid te zijn?

Staatssecretaris Teeven:

Er is uiteraard wel een wezenlijk verschil. Bij lesbisch ouderschap zal er altijd sprake zijn van een zaaddonor, hetzij een bekende, hetzij een onbekende. In feite is er daarbij geen andere mogelijkheid. Met het amendement wordt voorgesteld om van rechtswege de beide moeders juridisch ouder te laten worden. Daarmee wordt een situatie gecreëerd waarin er voor de biologische vader nooit meer een mogelijkheid is om het kind te erkennen. Er zijn heel veel stellen van twee moeders die een kind willen opvoeden, waarbij met de vader goede afspraken zijn gemaakt. Enkele woordvoerders hebben zulke moeders gesproken. Stel nu dat we dit amendement invoeren. Dan worden ook bij deze stellen, waarbij goede afspraken zijn gemaakt met de bekende donor, beide moeders juridisch ouder. Stel dat na een jaar de beide moeders gaan scheiden. Pas op dat moment is het mogelijk voor de vader om het kind te erkennen. Voor de vader is geen ruimte als we dit amendement volgen. Voor de biologische vader is er dan geen ruimte.

De heer Bontes (PVV):

Voor heteroseksuele stellen geldt toch precies hetzelfde? Dit argument snijdt toch geen hout?

Staatssecretaris Teeven:

Uiteraard snijdt dit argument hout. Wat is het belang van het kind? Voor het kind is de vraag van belang wie gaat opvoeden. In heel veel situaties zullen er goede afspraken worden gemaakt tussen de beide moeders en de zaaddonor over de nauwe betrekking die de biologische vader wenst. Het kabinet kiest als uitgangspunt het belang van het kind. Als ik goed luister naar het betoog van de heer Bontes, moet ik concluderen dat het uitgangspunt van zijn fractie niet het belang van het kind is, maar de gelijkheid van rechten van heterostellen en homostellen. Dat is een wezenlijk ander uitgangspunt.

De voorzitter:

Gaat u verder, staatssecretaris.

Staatssecretaris Teeven:

De heer De Wit heeft ook gevraagd waarom een ouderschapsplan wel kan en een donorschapsplan niet. Deze vraag is ook door andere fracties aan de orde gesteld. In principe zou een donorschapsplan uiteraard ook kunnen. Ik wijs echter op de kern van het ouderschapsplan zoals dat in de Kamer in 2007 is afgesproken. Die kern bestaat uit alimentatie en gezag. Dat zijn de dingen die in het ouderschapsplan worden geregeld. Als twee duomoeders juridisch ouder zijn, hebben zij in de regel het gezag en zijn zij alimentatieplichtig. De donor is dat in zo'n geval niet. Het donorschapsplan beperkt zich hiermee tot de omgang. Daarover zal dat donorschapsplan gaan.

De heer De Wit stelde ook nog dat voorlichting over het lesbisch ouderschap belangrijk is. Hij vroeg hoe we die voorlichting gaan aanpakken. Ook andere woordvoerders hebben daarvoor aandacht gevraagd. Voorlichting is inderdaad belangrijk. Wij zullen hieraan aandacht besteden op de website die daarvoor bestemd is, namelijk www.rijksoverheid.nl. De informatie zal daarop ook in het Engels komen te staan. Bij inwerkingtreding van deze wet zal er uiteraard ook een persbericht voor buitenlandse media komen. Ik kom straks nog op het moment van inwerkingtreding van de wet. Er zal bij inwerkingtreding eveneens informatie worden verstrekt via de sociale media. Ook belangrijk is dat via het ministerie van Buitenlandse Zaken de Nederlandse ambassades worden geïnformeerd, zodat zij zo nodig vragen kunnen beantwoorden. Als er problemen ontstaan rondom de gezagsrelatie van twee moeders met een kind, moeten die problemen op die wijze worden opgelost.

De heer De Wit heeft ook een vraag gesteld over recht op afstammingsinformatie. Hij vroeg op welke wijze dat recht is geborgd. Bij een donor in de zin van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting registreert de Stichting Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting de gegevens van de donor. Een criterium daarbij is of de donorinseminatie door een professional is geschied. Het kan daarbij gaan om een bekende donor, maar ook om een onbekende. Bij kunstmatige bevruchting die zich in de privésfeer voltrekt, is het kind uiteraard aangewezen op anderen. Een overheidsorgaan kan dan niet nagaan wie de biologische vader is, behoudens verplicht DNA-onderzoek. Dat is de enige mogelijkheid. Ik denk overigens dat er bij twee moeders geen problemen te verwachten zijn, want het is in dat geval voor het kind altijd duidelijk dat er een derde is. De moeders zullen het kind in de regel over de identiteit van deze derde informeren. Doen zij dat niet, dan rest een juridische procedure. Dat ben ik met de heer De Wit eens. Het recht van het kind is daar wel mee gewaarborgd.

De heer De Wit en de heer Van der Staaij hebben de vraag aan de orde gesteld of niet alle donoren bekende donoren moeten zijn in het belang van het kind. Dit is ook aan de orde geweest bij de evaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting. De laatstgenoemde wet is na langdurig beraad tot stand gekomen. Men heeft getracht een evenwicht te vinden tussen alle betrokken belangen. Het ministerie van VWS evalueert die wet op dit moment. In de evaluatie komen onder meer de maatschappelijke effecten van de wet op de praktijk aan de orde evenals de knelpunten in de uitvoering en de toekomstbestendigheid. De demissionaire minister van VWS verwacht deze evaluatie overigens eind 2012 af te ronden. Mijn collega zal de Kamer over dat onderzoek informeren. De vraag in dit verband kan dus binnen enkele maanden van een antwoord worden voorzien.

De heer Van der Staaij vroeg of het voorstel nu niet noopt tot nader psychosociaal en juridisch onderzoek. Ik wijs erop dat het wetsvoorstel alleen de wijze waarop het ouderschap tot stand kan worden gebracht wijzigt. Dat is dus de weg naar het ouderschap toe. Naast de mogelijkheid van adoptie wordt het in geval van het voorstel ook mogelijk om de weg van het afstemmingsrecht te bewandelen. Of je nu de weg kiest van adoptie of de weg van het afstemmingsrecht, het eindresultaat is altijd het ouderschap. Het ouderschap van twee moeders is in onze samenleving mijns inziens een gegeven. Nader psychosociaal onderzoek heeft naar het oordeel van de regering in dit licht dus geen toegevoegde waarde. Ik wijs ook nog op het uitgebreide advies van de commissie-Kalsbeek en van de zojuist al genoemde professor Forder. Naar ons oordeel is het kabinet daarmee voldoende geïnformeerd. Ik denk dat er dus geen aanleiding bestaat voor nader juridisch onderzoek.

Mevrouw Hennis vroeg naar de stand van zaken en het tijdspad van het wetsvoorstel, waarin onder meer de afstammingsrechtelijke gevolgen van geregistreerd partnerschap worden geregeld. Ook anderen hebben daarover gesproken. Ik kan melden dat dit voorstel op dit moment voor advies aanhangig is bij de Raad van State. Nadat het advies van de Raad van State ontvangen is, zullen wij dat verwerken. Wij zullen het ook aan de Kamer sturen. Wij denken dit in januari 2013 te kunnen doen.

Mevrouw Hennis, mevrouw Dijkstra en anderen hebben een opmerking gemaakt over de Rijkswet op het Nederlanderschap. Laat het voorstel tot wijziging van de Rijkswet niet te lang op zich wachten en leidt dit niet tot vertraging van het voorstel lesbisch ouderschap? Voordat wij de Rijkswet kunnen veranderen, is natuurlijk heel erg van belang wat de Kamer feitelijk accepteert. Wat zit daar dan in aan amendementen die wel of niet worden aanvaard? De afronding van dit debat en het voorstel dat wij vandaag bespreken, is dus zeer van belang voor de vormgeving van de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dat zal men begrijpen. Wij moeten er dus zo snel mogelijk uitkomen, want dan zal de wijziging van de rijkswet meteen ter hand worden genomen. Mijn streven is in ieder geval om die wijziging voor het einde van 2012 voor advies bij de Raad van State van het Koninkrijk aanhangig te maken. Het is wel de bedoeling om er een beetje tempo in te houden. Of ik dat doe of mijn opvolger, moeten wij dan maar bezien.

Mevrouw Hennis, de heer Recourt, mevrouw Van Tongeren en anderen spraken over de toezegging om in de toekomst te kijken naar meeroudergezinnen en de aanpassing van de gezagsregeling en/of het donorschapsplan, want dat heeft er ook mee te maken. Een aanpassing van het gezag valt buiten het bestek van deze regeling. Dat hebben de leden zelf ook al gezegd. Het is juist dat in Engeland de mogelijkheid bestaat dat meer dan twee personen het gezag hebben over een kind. Het gezag bij meer dan twee personen, drie of misschien nog meer, heeft veel consequenties. De heer Segers, de heer Van der Staaij en de heer De Wit hebben daar terecht op gewezen. Je kunt bijvoorbeeld denken aan een verhuizing van duomoeders. Moet een derde dat kunnen tegenhouden? Je kunt ook denken aan de situatie dat een kind ernstig ziek is. Het is dan voor twee ouders vaak al heel erg moeilijk om een beslissing te nemen. Het wordt er zeker niet makkelijker op als er drie ouders zijn. Indien drie of meer personen het gezag zouden hebben, dienen al deze personen namelijk toestemming te geven. Bij conflicten moet de rechter dan een knoop doorhakken. Namens de regering vraag ik mij echt af of het belang van het kind hier altijd mee gediend is. Komt het belang van het kind dan niet ernstig onder druk te staan?

Ondanks al deze kanttekeningen ben ik wel bereid om nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van uitbreiding van het gezag naar meer dan twee personen.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Dit zijn goede uitspraken van staatssecretaris Teeven. Ik deel overigens de vragen die hij opwerpt, maar het gaat natuurlijk om het onderzoek en de gewenste rechtsbescherming in de toekomst.

Ik kom even terug op de rijkswet. De minister sprak heel snel – ik moest het even tot me laten doordringen – maar treedt het wetsvoorstel waarover wij spreken nu wel of niet in werking zonder aanpassing van de rijkswet? Moeten wij de aanpassing daarvan echt afwachten?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, in de stukken, volgens mij in de memorie van toelichting, is daar iets over opgemerkt. Ergens in de memorie van toelichting of in de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt dat we proberen om het parallel te laten lopen. Er is voor gekozen om pas een rijkswet te maken als wij duidelijkheid hebben over de omvang van het wetsvoorstel, met of zonder welke amendementen dan ook. Dat maakt enig verschil.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Dat snap ik heel goed, maar moet de aanpassing van de rijkswet worden afgewacht alvorens het voorliggende wetsvoorstel rechtskracht heeft?

Staatssecretaris Teeven:

Ja.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Het is mij nog nooit overkomen dat de uitvoering van een motie wordt toegezegd nog voordat ik die heb ingediend. Ik dank de staatssecretaris daarvoor, maar ik wil nog even checken of dit inhoudt dat in het onderzoek ook wordt meegenomen of wij het uitgangspunt moeten verlaten dat voor de vestiging van familierechtelijke betrekkingen zo veel mogelijk wordt aangesloten bij de biologische afstamming.

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat het helder is dat wij dit uitgangspunt door dit wetsvoorstel een beetje hebben verlaten. Met dit wetsvoorstel hebben wij natuurlijk al gekozen voor het sociaal ouderschap, zoals in de stukken ook al is gewisseld. Dat is wel helder. Dat staat erin. De heer Van der Staaij heeft daar vanuit zijn optiek terecht de vinger op gelegd.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb mijn vraag niet helder genoeg gesteld, want het gaat mij niet om het voorliggende voorstel. De staatssecretaris zegde net een nader onderzoek naar meervoudig ouderschap, van drie of meer mensen, toe. Ik ben uiterst geïnteresseerd in dat onderzoek en ik vraag mij af of in dat onderzoek ook wordt bekeken of wij de lijn van biologische afstamming niet nog verder moeten loslaten.

Staatssecretaris Teeven:

Dat doe je in feite als je dat onderzoek verricht. Noch mevrouw Van Tongeren, noch ik kan echter al iets over de uitkomst daarvan zeggen.

De voorzitter:

Dit is opgehelderd.

De heer Recourt (PvdA):

Ik dank de staatssecretaris voor zijn toezegging. Ik waardeer dat. Ieder wetsvoorstel heeft voor- en nadelen en laten wij die goed onderzoeken. Ik neem aan dat ook de situatie in Engeland en de ervaringen aldaar goed worden meegewogen. Wij zijn op dit punt namelijk zeker niet de eerste.

Ik heb ook naar een breder onderzoek gevraagd. Komt de staatssecretaris daar nog op of is dit het?

Staatssecretaris Teeven:

Ik ga nog een aantal vragen beantwoorden.

De voorzitter:

Wij wachten het af. De minister vervolgt zijn betoog.

Staatssecretaris Teeven:

Ik kom meteen op de beantwoording van een aantal vragen van de heer Recourt. Hij vroeg of ouders bijvoorbeeld de griffiekosten terugkrijgen als het wetsvoorstel in werking treedt tijdens een lopende adoptieprocedure; is er sprake van overgangsrecht? Dit wetsvoorstel kent geen specifieke bepalingen over overgangsrecht. De wet heeft daarmee onmiddellijke werking en is dus ook van toepassing op kinderen die al geboren zijn voordat de wet in werking trad. Kinderen die voor de inwerkingtreding van de wet zijn geboren, kunnen dus worden erkend door de duomoeder. Ook kan het ouderschap van de duomoeder op verzoek van moeder of kind door de rechter worden vastgesteld. Kosten die zijn gemaakt voor een lopende adoptieprocedure zullen niet worden vergoed. Die kosten zijn immers gemaakt omdat er ook uitgaven zijn gedaan, bijvoorbeeld door de vergunninghouders.

De heer Recourt (PvdA):

Kunt u al die vrouwen die op dit moment twijfelen over wat ze moeten doen, niet wat meer helderheid geven? Moet iedereen totdat het wetsvoorstel is aangenomen, gewoon de adoptieprocedure starten? Kunt u praktische handvatten geven?

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat het zo is. Ik kan niet meer zeggen dan dat de wet onmiddellijke werking heeft. Dus op het moment dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen en in het Staatsblad is gepubliceerd, treedt de wet meteen in werking. De wet is dan ook van toepassing op kinderen die voor de inwerkingtreding van de wet zijn geboren. Er zijn een aantal complicaties, bijvoorbeeld ten aanzien van de werking van de wet in het buitenland. Daar zijn ook vragen over gesteld. In hoeverre gaan paren oplopen tegen problematische situaties in het buitenland omdat de procedure die het parlement lijkt te kiezen, in het buitenland niet wordt gehanteerd? Ik wijs er in de schriftelijke stukken ook op dat het in sommige situaties dan nog steeds mogelijk is om de weg van adoptie te volgen. Het hangt heel erg van de feitelijke situatie af, maar ik zou mij kunnen voorstellen dat paren die zich in het buitenland willen vestigen, al naar gelang het land, kunnen besluiten om toch te adopteren. De kans dat verkregen ouderschap via adoptie wordt geaccepteerd in het buitenland is onnoemelijk veel groter dan dat het via deze procedure wordt geaccepteerd. Laten we daar helder over zijn.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Aan welke termijn moeten we dan denken? Er zijn nu vrouwen met die plannen bezig, maar ik krijg geen duidelijk beeld van de termijn. Spreken we misschien over een vertraging van een jaar? Of waar moet ik aan denken?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, daar praat ik helemaal niet over. Ik heb juist proberen aan te geven dat we die zaak zo snel mogelijk in de Eerste Kamer willen behandelen. Wat mij betreft kan dat echt snel. Daarvoor moeten we een combinatie maken met die rijkswet, die ook behandeld moet worden. Dat is niet de meest ingewikkelde procedure. Ik hoop toch wel dat er in de eerste maanden van 2013 iets in het Staatsblad staat.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):

Ik vraag het vooral om de volgende reden. De staatssecretaris gaf daarnet aan dat het ook afhangt van de amendementen die in de Kamer worden aangenomen en van de vraag hoe snel we met dit wetsvoorstel door kunnen. Heel expliciet: waar zou het fout kunnen gaan?

Staatssecretaris Teeven:

De rijkswet kunnen we pas maken op het moment dat we weten welk voorstel van wet in de Tweede Kamer is aangenomen. Dat kan parallel lopen op enig moment. Het kan fout gaan als van de zijde van de regering wordt geconstateerd dat amendementen worden aangenomen die de bedoeling van dit wetsvoorstel volstrekt te buiten gaan. Op de bespreking van de amendementen kom ik zo meteen nog, maar twee van de drie amendementen die vanavond zijn ingediend, zijn dermate verstrekkend dat ik ze als demissionair staatssecretaris niet voor mijn rekening kan nemen. Dan gaat het even niet verder.

De heer Recourt heeft gevraagd waarom de met de moeder getrouwde duomoeder niet altijd van rechtswege ouder wordt. Dat is een belangrijk punt voor de fractie van de Partij van de Arbeid. Het voorstel stelt de belangen van het kind voorop. Er wordt ook wel rekening gehouden met de belangen van de moeder, de duomoeder en de biologische vader. Zou het ouderschap van de duomoeder ook van rechtswege ontstaan als er een bekende biologische vader is, dan kan de vader bij de geboorte dus nooit meer de juridische ouder van het kind worden. Daarvan kun je je echt afvragen wie daar baat bij heeft. Is het kind daarbij gebaat? Is de biologische vader daarbij gebaat? Zijn de duomoeders daar altijd bij gebaat? Het is heel wel mogelijk dat alle partijen, duomoeders en biologische vader, wensen dat juist de biologische vader de juridische ouder van het kind is. Erkenning biedt die mogelijkheid. Die ruimte is er op dit moment dus. Zo sluiten wij ook aan bij de praktijk waarin moeders en vaders verschillende afspraken maken over de invulling van het ouderschap. Erkenning biedt dus ook voordelen voor moeders die bijvoorbeeld in het buitenland verblijven ten tijde van de geboorte. Zij kunnen het ouderschap naar Nederlands recht namelijk regelen vóór hun vertrek naar het buitenland, voordat het kind geboren is. Dat kan bijvoorbeeld weer niet, zo zeg ik tegen de heer Bontes, als het ouderschap in alle gevallen van rechtswege ontstaat.

De heer De Wit (SP):

Ik wilde mijn vraag eigenlijk stellen na de behandeling van de amendementen, maar De heer Teeven spreekt nu over de nauwe persoonlijke betrekking en dus in feite de erkenning door de biologische vader, dus stel ik mijn vraag nu maar. Begrijp ik het goed dat de gevraagde erkenning niet altijd een indringing hoeft te zijn in een relatie tussen twee vrouwen en een kind? Zo heb ik het zelf namelijk geschetst.

Staatssecretaris Teeven:

Ik was ook enigszins, maar niet meer dan enigszins verbaasd door de bijdrage van, ik meen, mevrouw Dijkstra van de D66-fractie, die zei dat dat ingaat tegen de belangen van de beide moeders die een kind willen opvoeden. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn heel veel paren – ik ken sommige ook persoonlijk – waarbij de biologische vader, de bekende donor, wel degelijk een rol heeft in de opvoeding en ook juridisch ouder zou willen zijn. Dan gaat het dus om die nauwe betrekking die wordt opgebouwd. Wil je de vader ook een rol geven bij de opvoeding van het kind? Daar kunnen de moeders zeker voor kiezen. Je kunt je heel goed een situatie voorstellen waarin de moeders ervoor kiezen dat de biologische vader een rol krijgt. Ik kan me ook heel goed voorstellen dat het niet wenselijk is dat het juridische ouderschap van de duomoeder blijft bestaan, als de relatie tussen de twee moeders wordt verbroken. Ik kan heel veel situaties bedenken waarin de biologische moeder een nieuwe partner kiest en niet zit te wachten op het juridische ouderschap van rechtswege van de duomoeder. Het is maar hoe je het bekijkt. Het hangt echt van de feitelijke situatie af.

De heer De Wit (SP):

Als de twee moeders afspreken dat de biologische vader het juridische ouderschap kan krijgen, de erkenning, is de duomoeder in ieder geval uitgesloten van het juridische ouderschap. Dat is het spiegelbeeld van een andere situatie.

Staatssecretaris Teeven:

Daar kiezen de partijen dan voor.

De heer De Wit (SP):

Het is ook mogelijk dat de biologische vader opteert voor de erkenning, tegen de wil van de duomoeder in. Dan creëert hij wel een probleem. Hij dringt dan binnen in die verhouding. Speelt dit een rol in de beoordeling van de nauwe persoonlijke betrekking, waar u over spreekt in het wetsvoorstel? Moet dit de doorslag geven voor de rechter om in een dergelijk geval te kiezen voor de vader? De rechter weet dat hij daarmee dus ook de moeder uitsluit.

Staatssecretaris Teeven:

Dat hangt heel erg af van de feitelijke situatie en de omstandigheden. Ik kan me heel goed een casus voorstellen waarbij de moeders met de vader hebben afgesproken om het zo te doen. Op een gegeven moment is het kind verwekt, maar nog niet geboren, en komen de moeders de afspraken niet na, terwijl de biologische vader oprecht de bedoeling heeft om een rol te vervullen in de opvoeding van het kind. Dat blijkt ook uit zijn feitelijke gedrag. Dan is het mogelijk dat de positie van de biologische vader zwaarder moet worden gewogen dan de positie van de duomoeder. Dat zou kunnen. Dat hoeft niet per definitie een benadeling te zijn van de duomoeders. Het van rechtswege ontstaan – dat wordt in ieder geval door één fractie bepleit – kan een situatie met zich meebrengen dat een moeder, als de relatie tussen beide vrouwen wordt verbroken, zit met een ex-partner die nog wel iets over het kind heeft te zeggen, terwijl dat kind opgroeit in een nieuw gezin. Dat lijkt mij niet het meest voor de hand te liggen.

Ik heb al geantwoord op de vraag van de heer Recourt over het donorschapsplan. Dat gaat echt over de omgang. Je kunt alleen maar dwingend regelen wat ter vrije beoordeling van partijen in de bepaling staat en dat is dus de omgang en de wijze waarop het kind over zijn afstamming wordt geïnformeerd. Die dingen kun je regelen met een donorschapsplan.

De heer Recourt (PvdA):

Ik hoor hier geen mening over van het kabinet. Ik had aangegeven dat dit inderdaad de beperking is, maar wel een heel zinvolle beperking, gezien in het perspectief van het belang van het kind. De drie relevante spelers worden namelijk van tevoren gedwongen om goed na te denken over de invulling.

Staatssecretaris Teeven:

Het kabinet ziet echt problemen met de handhaafbaarheid. Hoe dwing je dat af? Je kunt het wel in de wet opnemen, maar ik zie geen enkele mogelijkheid om dat daadwerkelijk af te dwingen. Er kan een situatie ontstaan waarin er sprake is van een verwekker die niet uit de bank komt, om het zo maar te zeggen, en waarover de informatie niet bekend is. Als partijen dat nergens neerleggen, is dat gewoon niet bekend. Je kunt dat dus wel opschrijven in de wet, maar de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid van zo'n regeling is buitengewoon gecompliceerd, op het gevaar af dat wij nu met zijn allen een dode letter creëren.

De heer Recourt (PvdA):

De afspraak kan ook zijn dat de donor geen enkele rol heeft, bijvoorbeeld als hij nergens op aanspreekbaar is. Dan heb je in ieder geval wat vastgelegd.

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat partijen nu ook al de vrijheid hebben om daarover van alles vast te leggen. Zowel in de memorie van toelichting als in de nota naar aanleiding van het verslag heb ik geschreven dat partijen de volledige vrijheid hebben om daarin een keuze te maken en om zaken vast te leggen. Ik zie niet dat het donorschapsplan daarin een meerwaarde heeft.

De heer Recourt (PvdA):

De meerwaarde is dat het nu wel kan, maar dat het beperkt blijft tot die drie – ik zal ze maar ouders noemen – die dat nodig vinden. De groep die dat niet nodig vindt, blijft buiten schot. Mij gaat het er juist om dat je alle potentiële nieuwe ouders dwingt om na te denken over de vraag hoe ze dat vorm willen geven.

Staatssecretaris Teeven:

Dan is mijn wedervraag hoe je dat uitvoert en hoe je dat afdwingt. Dat is ons probleem en daarom denken wij dat wij dit niet moeten doen.

Mevrouw Dijkstra heeft gevraagd hoe wij de voorlichting voor burgers en ambtenaren gaan vorm geven. Ik heb de vraag van de heer De Wit daarover beantwoord.

Ook stelde zij de vraag of het voorstel voor het geregistreerd partnerschap en het voorstel voor de rijkswet kunnen vertragen. Het voorstel voor het geregistreerd partnerschap staat de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel niet in de weg. Het voorstel voor de rijkswet zullen wij ter hand nemen, als wij weten wat de afloop is van dit debat volgende week bij de stemmingen. Dan zullen wij het ook zo spoedig mogelijk voor advies doorsturen aan de Raad van State, zodat wij dat allemaal parallel kunnen laten lopen in de Eerste Kamer. Dan wordt het een mooi pakket, om het zo maar te zeggen.

Ik heb gesproken over de tussenoplossing.

Mevrouw Dijkstra heeft nog gesproken over de mogelijkheid dat de biologische vader een verklaring maakt tot afstand van het ouderschap. Het ouderschap ontstaat dan van rechtswege. Het afstand doen van het ouderschap bij overeenkomst is in strijd met de Nederlandse openbare orde. De vraag rijst of niet alle biologische vaders en moeders door middel van een briefje afstand moeten kunnen doen van het juridisch ouderschap. Het kabinet denkt dat dit zich niet verhoudt met de bestaande afstemmingsrechten. Bovendien is er een punt van uitvoerbaarheid. Hoe verifieer je nou dat de persoon die afstand doet, ook daadwerkelijk de vader is van het kind? Daarbij speelt nog mee dat een overeenkomst van deze strekking moeders en biologische vaders waarschijnlijk meer moeite, tijd en hoofdbrekens kost dan de simpele erkenning door de duomoeder bij de burgerlijke stand. Ik begon mijn inbreng met de woorden dat dit vier minuten en € 2,56 kost. Dit is zelfs voor de geboorte zo, met alle voordelen die dat in het buitenland heeft. Mijn wedervraag voor de tweede termijn aan de fractie van mevrouw Dijkstra is wie daarbij eigenlijk gebaat is.

De heer Segers opperde dat de duomoeder hertrouwt met een nieuwe moeder, nadat de moeder is overleden. Hij vroeg of deze nieuwe moeder als moeder kan worden erkend. Dat is echter onmogelijk. Het kind heeft namelijk altijd twee ouders. Dat zijn de moeder die het kind heeft gebaard en de duomoeder, van rechtswege of door erkenning. Als een moeder overlijdt, dan blijft dat ook zo. Een nieuwe partner kan het kind dan niet als haar kind erkennen.

Ik dank de heer Krol voor zijn inbreng. Hij vroeg of ik het wetsvoorstel voldoende evenwichtig vind. Ja, ik vind het voldoende evenwichtig. Op het gevaar af dat ik mevrouw Hennis een beetje desavoueer, denk ik dat het iets minder evenwichtig wordt door het amendement van mevrouw Hennis en anderen. Wordt het wetsvoorstel beter van de vervangende toestemming van de duomoeder? Ik denk dat het wetsvoorstel daardoor niet beter wordt. Er zijn nu meer mogelijkheden dan die vervangende toestemming. Dan krijgen we nog meer conflicten. Daarin zie ik geen meerwaarde. Ik wijs er ook op dat als duomoeders met elkaar samenleven en samen een kind willen opvoeden, zij daarover afspraken maken voor en in ieder geval bij de geboorte. Dat is eigenlijk een heel logische redenering. Het is eigenlijk een beetje raar om te veronderstellen dat je dit pas na de geboorte doet en dat de duomoeder het kind erkent als de biologische moeder zou weigeren, als je samen de plannen maakt om een kind op te voeden. In die zin is het amendement ook een beetje gekunsteld.

De heer Recourt (PvdA):

Of het nu de biologische vader is of de duomoeder, ik kan mij voorstellen dat je naar de rechter stapt op het moment dat gemaakte afspraken eenzijdig gewijzigd worden. Dat lijkt mij een situatie waarin je zegt dat het misgaat. Dan is de rechtsbescherming terecht, waarbij de rechter – de heer De Wit heeft dat terecht opgemerkt – een beperkt criterium heeft op grond waarvan hij kan beslissen. Verdient het feit dat afspraken na verloop van tijd eenzijdig gewijzigd kunnen worden, geen rechtsbescherming?

Staatssecretaris Teeven:

Daarover zeg ik dat die twee moeders ervoor kiezen om samen te leven. Zij kiezen ervoor om samen een kind op te voeden. Zij kiezen voor een onbekende of bekende zaaddonor als vader van dat kind. Zij hebben de mogelijkheid, als de biologische moeder meewerkt, om voor de geboorte, bij de geboorte en kort na de geboorte dat kind te erkennen. Je kunt zelfs voor de geboorte ervoor zorgen dat de rechten van de duomoeder geborgd zijn. Het wetsvoorstel schept die mogelijkheid. Het amendement van de heer Bontes maakt dat onmogelijk. Ik kan mij dus niet zo goed de situatie voorstellen dat de biologische moeder al voor de geboorte zegt: ik ga niet … Dat moet dan heel kort nadat je samen die keuze hebt gemaakt, gebeuren. Ik kan bijna geen casus bedenken waarin dit nodig is.

De heer Recourt (PvdA):

De casus is wel denkbaar, het zal alleen een grote uitzondering zijn. Het wordt nog complexer als de moeder die de vrucht draagt, een ander is dan degene die de eicel doneert. Dan wordt het helemaal complex. In al die situaties kan ik mij voorstellen dat het heel zinvol kan zijn als niet alleen de biologische vader, maar ook de duomoeder kan zeggen dat de eigen belangen en wellicht ook die van het kind dat nog niet geboren is, zo in het geding zijn dat tussenkomst van de rechter gewenst is.

Staatssecretaris Teeven:

Ik kan mij die situatie werkelijk niet indenken. Ik vind het ook een bijzondere situatie. Dan rijst wel de vraag wat het belang van het kind is – daar hebben wij het vanavond ook over – bij een biologische moeder die niet samen met de duomoeder het kind wil opvoeden. Met ongeveer die situatie heb je dan te maken. Ik wijs er overigens op dat opvoeden ook kan zonder juridisch ouderschap. Voor opvoeden is op zichzelf het juridisch ouderschap niet nodig. Ik zie dus niet op voorhand de meerwaarde van dit amendement, zoals mevrouw Hennis zei. Ik heb dat nu een aantal keren gezegd. Ik moet niet in herhaling vervallen.

De voorzitter:

Nee, gaat u vooral door.

Staatssecretaris Teeven:

De fractie van GroenLinks vraagt naar inwerkingtreding van de wet voor 1 januari 2013. Aan mij zal het niet liggen, maar de Eerste Kamer zal zich er wel over moeten uitspreken. Ik denk dat het iets te snel is. De schriftelijke ronde en het plenaire debat zullen de nodige tijd in de Eerste Kamer in beslag nemen. Ik kan allen die aandringen op spoed, alleen toezeggen dat ik in de tijd die mij als demissionair staatssecretaris gegeven is, echt alles in het werk zal stellen om te zorgen dat dit zo snel mogelijk gaat gebeuren en om mijn opvolger, wie dat ook moge zijn, ertoe te bewegen dat het snel gaat.

Ik wil de vragenronde afsluiten met mevrouw Van Tongeren. Ik denk dat dan alle vragen zijn beantwoord, waarna ik tot de bespreking van de amendementen kom. Zij zei dat het huwelijk voortkomt uit het eigendomsrecht. Ik heb die opmerking op mij laten inwerken. Ik denk wel dat vroeger om zakelijke redenen werd getrouwd. Dat is wel helder, daarover zijn wij het wel eens. Volgens mij heeft de kerk ermee te maken als het gaat om de vraag waar het huwelijk vandaan komt, en niet het eigendomsrecht. Ik heb nog even rustig zitten denken of dit wel klopt, ik denk dat het niet klopt. Mevrouw Van Tongeren denkt misschien dat het wel klopt en dan blijven wij daarover verdeeld.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik dacht dat de staatssecretaris nog wat meer zou zeggen over het onderzoek waar mevrouw Van Tongeren om vroeg, maar blijkbaar heeft hij nu de vragen beantwoord. Ik kom er nog heel even op terug, want ik weet niet zo goed wat ik mij erbij moet voorstellen. Hij heeft een paar keer over zijn opvolger gesproken, wie dat dan ook moge zijn. De vraag is of hij zijn opvolger niet met een onmogelijke opdracht opzadelt, omdat je voor de impact van het meeroudergezin ook effecten op de heel lange termijn moet bekijken. Welke opdracht gaat hij zijn opvolger meegeven?

Staatssecretaris Teeven:

Ik stel vast dat het in Engeland al mogelijk is onder omstandigheden. Dat betekent dat je in het onderzoek kunt bekijken hoe de Engelse situatie uitwerkt met alle voor- en nadelen, hoe dat past in ons afstammingsrecht en welke consequenties dat op langere termijn zou kunnen hebben. Daar denk ik dan aan op dit moment. Maar er is wel een land in Europa waar het zo gebeurt.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dan gaat het vooral om de juridische constructie van een meeroudergezin en nog niet over de psychosociale gevolgen die dat voor een kind zou kunnen hebben.

Staatssecretaris Teeven:

Ja, maar ook in Nederland zijn er op dit moment kinderen die worden opgevoed door twee vaders en twee moeders. Er zijn voorbeelden van dat een kind de ene week in het gezin met twee moeders is en de andere week in het gezin met twee vaders. Je zou kunnen bekijken wat de gevolgen zijn in die feitelijke situatie. Dat betekent dat je in het onderzoek ook wat veldonderzoek zult moeten doen. Ik zie geen onmogelijke opdracht. Ik denk dat er wel iets te onderzoeken is.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Het gaat GroenLinks ook om het debat, niet alleen om het onderzoek. Ik lees een zinnetje voor om te zien of de staatssecretaris en ik op dezelfde lijn zitten: om te laten onderzoeken hoe de huidige uitgangspunten van het personen- en familierecht zich verhouden tot de hedendaagse invulling van gezags- en opvoedsituaties en welke mogelijkheden ouders en opvoeders geboden zouden kunnen worden om ouderschap en opvoeding naar eigen inzicht juridisch vorm te geven.

Staatssecretaris Teeven:

Ik kan dat debat niet aanzwengelen. Ik probeer weleens wat aan te zwengelen, maar daar krijg ik altijd veel commentaar op. Ik ben er een beetje voorzichtig mee geworden, zeker in demissionaire status. Ik weet niet of dat mijn taak is.

De voorzitter:

De Kamer kan natuurlijk ook zelf een debat entameren in procedurevergaderingen en commissies. De staatssecretaris heeft een onderzoek toegezegd. De vraag is wat u vervolgens nog wilt, mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Ik heb nog wel een klein verkiezingsprogramma dat ik graag geheel uitgevoerd zou zien.

De voorzitter:

Zeker, maar ik bedoel op dit punt.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):

Op dit punt wilde ik vooral checken of de zinsnede die ik voorlas overeenkomt met datgene wat de staatssecretaris wil laten onderzoeken.

Staatssecretaris Teeven:

Ik heb net in antwoord op de vragen van de heer Segers gezegd dat ik denk aan rechtsvergelijking, dat ik denk aan de feitelijke uitwerking van meeroudergezinnen in Nederland. Wij hebben meeroudergezinnen, gezinnen met meer dan twee ouders. Zijn er vreselijke problemen, waar lopen zij tegenaan, wat zijn de voordelen, wat zijn de nadelen, ook op lange termijn? Er is wel wat te onderzoeken. Wat de uitkomst daarvan zal zijn, weet ik niet. De uitkomst kan zijn dat je het afstemmingsrecht moet veranderen, maar kan ook zijn dat je niets moet veranderen. Dat moeten wij afwachten.

Meestal probeer ik amendementen met de nodige welwillendheid te bezien. Maar als je de toelichting op het amendement op stuk nr. 11 van mevrouw Hennis, de heer Recourt en mevrouw Dijkstra leest, vraag je je wel af in welke gevallen dit zich zal voordoen. Het antwoord is: in het geval waarin beide moeders grote onenigheid met elkaar hebben. Is het dan in het belang van het kind dat het een tweede juridische ouder krijgt met wie hij geen verwantschap heeft en met wie zijn biologische moeder niet door een deur kan? De teleurgestelde verwachtingen van de ex-partner van de moeder moeten mijns inziens wijken voor het belang van het kind. Het kind moet de mogelijkheid hebben om op een later moment in een familierechtelijke betrekking te komen tot een persoon met wie hij wel een vanzelfsprekende relatie heeft, bijvoorbeeld zijn biologische ouder of de nieuwe partner van de moeder die als een ouder voor hem is. Waarom zou je die duomoeder dan met zo'n vervangende toestemming tot erkenning in het leven van dat kind moeten willen houden? In uitzonderlijke gevallen kan de duomoeder overigens wel verzoeken om een vervangende toestemming voor erkenning. Dat kan bijvoorbeeld als de moeder misbruik maakt van haar bevoegdheid door geen toestemming voor erkenning aan de duomoeder te verlenen. Die regeling kan een oplossing bieden voor de duomoeder die de biologische moeder van het kind is, of de duomoeder die jaren als een moeder voor het kind heeft gezorgd. De duomoeder is niet vleugellam. Dan biedt de situatie van artikel 3:13 een oplossing. Als de biologische moeder, uit wie het kind is geboren, echt weigerachtig is, dan biedt artikel 3:13 voldoende mogelijkheden voor de duomoeder om haar recht te halen. Daarvoor heb je de regeling van de vervangende toestemming tot erkenning niet nodig.

Ik kom op het amendement van de heer Bontes. Het kind kan maar twee juridische ouders hebben. Ontstaat van rechtswege ouderschap van de duomoeder, dan kan de biologische vader niet meer erkennen. Een ander groot nadeel is dat de moeders niet vóór de geboorte kunnen erkennen. Dat kan bij vestiging in het buitenland grote problemen opleveren. Als een biologische vader dan toch zijn recht wil halen, zal hij met het amendement van de heer Bontes niet ontvankelijk worden verklaard, omdat het kind al twee juridische ouders heeft. Ik ontraad het amendement van mevrouw Hennis c.s. ook, maar ik ontraad het amendement van de heer Bontes ten sterkste. Het is een aantasting van het wetsvoorstel in basale zin. Als het amendement zou worden aangenomen, zal het kabinet zich beraden op de voortzetting van de behandeling van het wetsvoorstel.

Ik kom op het amendement van de heer Segers op stuk nr. 14. Daarin gaat het om het recht om te weten. De Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting kent de onbekende donor. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om deze onbekende donor "om zeep te helpen". Het amendement doet dat wel. Ik stel voor om het te betrekken bij een evaluatie van de Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en de discussie daarover. Ik ontraad het amendement. Ik wijs de heer Segers erop dat hij een tweede kans heeft bij de regeling geregistreerd partnerschap. Ook dit amendement is een aantasting van de bedoeling van het wetsvoorstel in volle omvang. Ik ontraad het.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik begrijp niet goed hoe het een aantasting kan zijn van de manier waarop het in de donorwet is geregeld. Daarin staat een aantal voorwaarden waaronder je navraag kunt doen naar de identiteit van de donor. In de behandeling is het belang van het kind een paar keer onderstreept. Het lijkt mij dat dit amendement, het recht om te weten, een onderstreping van het belang van het kind is.

Staatssecretaris Teeven:

De bepaling zal in de praktijk worden gebracht in die gevallen waarin de vermoedelijke biologische vader niet wil meewerken aan een DNA-test. Het kind zal twee ouders hebben, een vader en een moeder. Het gaat dan alleen om het weten. De procedure wordt dus niet gestart om een tweede ouder te krijgen. Een biologische moeder moet kinderalimentatie betalen, maar niet als er al twee ouders zijn. Voor een eenoudersituatie staat de weg van de artikelen 394 en 395 nog open. Naar een oordeel van het kabinet vormt dit echt een aantasting van het wetsvoorstel. Om die reden ontraad ik het amendement.

De heer Segers (ChristenUnie):

Ik begrijp het niet. Ik doel op een situatie waarin de moeders de identiteit van de vader wel kennen, maar dat niet aan het kind willen vertellen. Een kind kan daar, bijvoorbeeld op latere leeftijd, heel veel belang aan hechten. Het is dan toch een versterking van de positie van het kind zoals deze ook in de donorwet is vastgelegd?

Staatssecretaris Teeven:

Het hebben van kennis over je afstamming is een gerechtvaardigd verlangen, maar het is de vraag of je daarvoor een gerechtelijke procedure moet openstellen. Is het in het belang van het kind? Ik denk aan een heteropaar waarbij het kind twijfel heeft over de vraag of zijn vader wel de biologische vader is. Dan heb je natuurlijk ook zo'n situatie. Daarvoor hebben we in de wet als criterium opgenomen het vermoede vaderschap. Dus ik zie niet in wat dit amendement daar nu wezenlijk aan verandert.

De heer Segers (ChristenUnie):

Dit is dus een bredere bepaling dan alleen deze wet. Het gaat om een algemeen recht voor alle kinderen om het te weten, dus ook in de gevallen die u net noemde.

Staatssecretaris Teeven:

Dan denk ik dat het een andere discussie is die niet bij de behandeling van dit wetsvoorstel thuishoort.

De heer De Wit (SP):

Het is misschien vreemd, maar ik heb een vraag over het amendement op stuk nr. 12 dat ingetrokken is. Het antwoord op die vraag is echter wel van belang bij de beoordeling van het amendement op stuk nr. 11 en het amendement op stuk nr. 13.

De voorzitter:

Stelt u dan een vraag naar aanleiding van het amendement op stuk nr. 11 en het amendement op stuk nr. 13. Dan komt het best goed.

De heer De Wit (SP):

Nee, ik moet de vraag toch stellen over het amendement op stuk nr. 12. In het slot van dat amendement van de heer Bontes zit een heel expliciete toetsingsmogelijkheid, waardoor het ouderschap van rechtswege nog minder makkelijk mogelijk wordt gemaakt dan in het amendement op stuk nr. 11. Is dat wellicht voor de staatssecretaris nog een reden om te kijken of het aanknopingspunten biedt om dit mogelijk te maken?

Staatssecretaris Teeven:

Ik zal er in tweede termijn op terugkomen.

De voorzitter:

Bent u klaar met uw beantwoording?

Staatssecretaris Teeven:

Ja, voorzitter.

De voorzitter:

Wij gaan proberen de behandeling van dit wetsvoorstel af te maken. Daartoe willen sommige leden in tweede termijn nog iets zeggen. Dat geldt niet voor de heer Oskam van het CDA maar wel voor onder anderen de heer De Wit van de SP. Mijn voorstel is om de spreektijd per fractie te beperken tot een minuut. Dan zijn we conform de regels van dit huis redelijk op tijd klaar.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. De staatssecretaris heeft heldere antwoorden gegeven op de vragen die ik namens mijn fractie heb gesteld. Ik blijf een probleem hebben met betrekking tot de definiëring van de nauwe persoonlijke betrekking. We hebben in ieder geval in de interrupties enkele voorbeelden voorbij zien komen waardoor het iets duidelijker voor mij is geworden. Ik deel de bezwaren van de staatssecretaris met betrekking tot het amendement op stuk nr. 11 en het amendement op stuk nr. 13. Ik ben ook benieuwd naar de reactie van de indieners hierop.

De kwestie die wat mij betreft nog blijft hangen, is de vraag over het donorschapsplan. Begrijp ik de staatssecretaris goed dat hij vertrouwt op de afspraken die gemaakt worden door partijen en dat wat hem betreft het probleem met het donorschapsplan is gelegen in de handhaafbaarheid ervan en dat derhalve een verplichting moeilijk is te controleren, juist ook gelet op het moment waarop die afspraken gemaakt moeten worden?

Dan nog iets over de voorlichting. De staatssecretaris heeft gezegd dat de desbetreffende informatie op de website zal worden geplaatst. De vraag is echter of je niet nog wat meer zou moeten doen. Ik kan mij voorstellen dat mensen bij een gemeenteloket terechtkomen, dat daar ook kennis is over dit soort onderwerpen en dat daar ook de mogelijkheid van voorlichting aanwezig zou moeten zijn.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Voorzitter. Ik hecht eraan om nog even terug te komen op het amendement dat is ingediend door de VVD, de PvdA, D66 en zeer recent ook door 50PLUS. In het amendement, zeg ik in het bijzonder tegen de staatssecretaris en tegen collega De Wit van de SP, kan de rechter het verzoek toewijzen wanneer dit in het belang van het kind is. De rechter heeft hiermee dus een ruimere afwijzingsbevoegdheid dan het geval is bij het verzoek van de verwekker of de biologische vader, waarbij in het amendement van de heer Bontes op stuk nr. 12, dat inmiddels is teruggetrokken, aansluiting werd gezocht. Kort gezegd komt het verschil erop neer dat in het amendement van de VVD, de PvdA, D66 en 50PLUS de rechter meer speelruimte heeft bij het nemen van een beslissing en dat de belangen van het kind, waar het uiteindelijk allemaal om draait in dit wetsvoorstel, nadrukkelijk vooropstaan. Ik handhaaf het amendement.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording en voor de toezegging van het onderzoek wat betreft het meeroudergezag. Ik heb nog een opmerking over het donorschapsplan. De staatssecretaris zei dat de handhaafbaarheid een probleem is. Een mogelijkheid is wellicht om bij de erkenning een dergelijk plan in te stellen.

Ik had gevraagd om een iets breder onderzoek met betrekking tot drie punten: het donorschapsplan, meeroudergezag en de mogelijkheid om niet lesbische stellen gelijk te stellen aan heterostellen, maar om heterostellen, wanneer er sprake is van een bekende zaaddonor, gelijk te stellen aan de regeling in dit wetsvoorstel voor lesbische ouders. Ik snap dat dit verstrekkend is en dat het nu niet kan, maar ik heb gevraagd om er onderzoek naar te doen, om die ongelijkheid weg te nemen, zoals het COC heeft voorgesteld. Ik zou het erg op prijs stellen als het onderzoek met dat element wordt verbreed.

De heer Segers (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik was nog niet toegekomen aan een finale beoordeling van het wetsvoorstel, maar ik hecht eraan om dat hier wel te vellen. Wat in 2005 het zwaarst woog voor de wetgever, weegt voor de fractie van de ChristenUnie nog steeds het zwaarst. Dat is om vast te houden aan de hoofdregel van het afstammingsrecht dat juridisch ouderschap biologisch ouderschap volgt. Ik denk dat de staatssecretaris in de mondelinge beantwoording nog veel ruiterlijker dan in de schriftelijke beantwoording heeft toegegeven dat dit wetsvoorstel daar sterk van afwijkt. De toezegging van het onderzoek naar meerouderschap, zoals gevraagd door GroenLinks, onderstreept dat dit een stap verder weg is van het natuurlijke gezin, waarin het kind opgroeit bij zijn vader en moeder. Voor de fractie van de ChristenUnie is dat geen winst. Daarom zullen wij niet voor dit wetsvoorstel stemmen.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. Bij lesbische gehuwde paren gebruikt de staatssecretaris als argument: stel dat de erkenning van rechtswege plaatsvindt en dat zij gaan scheiden, dan kan de bekende donor niet meer erkennen. Dat geldt ook voor heteroseksuele paren. Stel dat zij uit elkaar gaan, dan kan de bekende donor ook niet meer erkennen. De staatssecretaris kan niet duidelijk maken wat het verschil daartussen is, wat het zo belangrijk maakt om het ene wel te honoreren en het andere niet. Wat dat betreft is zijn redenering voor mij niet zwaarwegend en duidelijk genoeg om te zeggen dat het amendement ingetrokken moet worden. Hij heeft mij daarvan niet kunnen overtuigen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun inbreng in tweede termijn.

Tegen de heer De Wit zeg ik dat ik geprobeerd heb om de nadere persoonlijke betrekking met een aantal voorbeelden nader aan te geven. Het is inderdaad zo dat ik bij het donorschapsplan grote problemen zie met de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid. Ik ben echter wel bereid, ook in het licht van de woorden van de heer Recourt, om dit plan mee te nemen bij het onderzoek. Ik zal de opdracht aan de Kamer toesturen, zodat de leden weten wat het onderzoek precies behelst. Dat is wellicht een geruststelling voor mevrouw Van Tongeren.

Ik neem kennis van de mening van mevrouw Hennis. Punt. Soms ben je het niet met elkaar eens, ook al ben je van dezelfde partij. Ik ben echter ook een politiek realist. Ik waag dus nog een poging en dan stop ik ermee!

Ik kan de heer Recourt toezeggen om te bekijken of de situatie bij heterostellen, mede gezien de brief van het COC van 18 oktober, meer in de richting van homostellen kan bewegen. Moeten wij die positie veranderen? Wij bekijken hoe wij dat moeten formuleren. Wij komen daarna terug naar de Kamer met de juiste formulering.

De heer De Wit vraagt mij om goed te kijken naar het ingetrokken amendement op stuk nr. 12 over de vervangende toestemming voor erkenning. De norm in dit ingetrokken amendement is, ook voor de duomoeder, "toewijzing van erkenning, tenzij". Ik vind dat geen goed voorstel. Als het kind geen band heeft met de duomoeder, moet die moeder niet zomaar juridisch ouder kunnen worden. Dat impliceert het criterium "toewijzing, tenzij".

Ik vind ook het amendement op stuk nr. 11 niet goed. Als ik moet kiezen tussen het ingetrokken amendement op stuk nr. 12 en het amendement op stuk nr. 11, heb ik een lichte voorkeur voor het amendement op stuk nr. 11. Dat geeft in ieder geval nog ruimte aan de rechter om een afweging te maken in het belang van het kind. Als dit amendement wordt aangenomen, zal ik het voorstel natuurlijk met veel enthousiasme in de Eerste Kamer verdedigen, met alle problemen die dat met zich brengt. Ik zal daar zeker werk van maken.

De heer Bontes zegt geen argumenten van mij gehoord te hebben waarom ik zijn amendement ten sterkte ontraad. Met het wetsvoorstel dat wij vanavond bespreken, proberen wij aansluiting te zoeken bij de feitelijke praktijk. Die is dat er bij heteroparen in de regel geen derde bij is betrokken, maar soms wel, terwijl er bij lesbisch ouderschap altijd een derde bij betrokken is. Dat is sowieso een feitelijk verschil. Er bestaat dus een onderscheid. Je kunt ongelijke gevallen gelijk willen behandelen. Dat is echter niet altijd zoals het moet. Ik wijs erop dat de erkenning op maat gemaakt is voor duomoeders. Zij kunnen volgens het wetsvoorstel in alle vrijheid afspraken maken over het ouderschap en die reeds vóór de geboorte vastleggen. De heer Bontes heb ik daarop in zijn tweede termijn niet in horen gaan. Ik hoopte wel dat hij hierover iets zou zeggen. Ik heb een paar keer betoogd dat de regeling van het wetsvoorstel in die zin beter is dan het amendement. Met het amendement staat het pas vast bij de geboorte. In alle andere gevallen kunnen de duomoeders al afspraken maken vóór de geboorte. Dat is de winst van het wetsvoorstel. Bij het amendement op stuk nr. 13 is dus de vraag wie daarbij feitelijk belang heeft. Die vraag kunnen wij niet zomaar beantwoorden.

Ik dank de heer Segers voor zijn opmerkingen. Het kabinet en de fractie van de ChristenUnie zijn het vanavond basaal oneens.

De heer De Wit (SP):

De staatssecretaris heeft in zijn eerste termijn een soort waarschuwing afgegeven. Als bepaalde amendementen zouden worden aangenomen, zou hij een probleem hebben met het wetsvoorstel en ook met de voortgang en de eerder geschetste termijnen. Er blijven drie amendementen over. Wat is zijn oordeel, ingeval die amendementen zouden worden aangenomen?

Staatssecretaris Teeven:

Daarover kan ik helder zijn. Ik het ontraad het amendement op stuk nr. 11, maar ik ben een politieke realist. Ik zal kijken hoe de Kamer over dit amendement van mevrouw Hennis en anderen zal oordelen. Het amendement op stuk nr. 13 ontraad ik ten sterkste. Het behelst een dusdanige aantasting van het wetsvoorstel dat ik me zal beraden op de vraag of ik het dan wel zal verdedigen in de Senaat. Dat geldt ook voor het amendement op stuk nr. 14 van de heer Segers.

De heer Bontes (PVV):

De staatssecretaris zei over het amendement dat ik heb ingetrokken dat hij dat wel zou kunnen verdedigen in de Eerste Kamer, of heb ik dat verkeerd begrepen?

Staatssecretaris Teeven:

De vraag over het amendement op stuk nr. 12 ging over de norm. De norm die de heer Bontes in het ingetrokken amendement op stuk nr. 12 stelde, is iets anders dan de norm in het amendement-Hennis c.s. Het amendement-Hennis op stuk nr. 11 geeft de rechter meer ruimte om te handelen in het belang van het kind dan het ingetrokken amendement op stuk nr. 12. Het amendement op stuk nr. 13 ontraad ik ten sterkste, want daarover verschillen wij wezenlijk van mening.

De voorzitter:

Volgens mij is het helder.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Ik dank de collega's voor de vlotte en toch degelijke behandeling van dit wetsvoorstel. Ik kondig aan dat wij dinsdag over het wetsvoorstel en de amendementen kunnen stemmen.

Sluiting 23.17 uur.