44 Integratiebeleid

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 29 juni 2011 over integratiebeleid.

Mevrouw Ortega-Martijn (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is, vroegtijdig een einde te maken aan medefinanciering van het programma voor risicojongeren van Antilliaanse afkomst;

constaterende dat in de beleidsbrieven 2009 van het ministerie VROM/WWI aan de Tweede Kamer, de samenwerking tussen Rijk en gemeenten is beschreven en waarin tevens is opgenomen dat het Rijk van 2010 tot en met 2013 financiering beschikbaar stelt voor het Antillianenprogramma en dat daarna de rijksbijdrage aan de gemeentelijke aanpak van 2014 tot en met 2017 zal worden afgebouwd;

constaterende dat de gemeenten al met hun samenwerkingspartners afspraken hebben gemaakt tot en met 2013;

van mening dat het risico groot is dat de investeringen die de afgelopen jaren zijn gedaan, verloren gaan;

tevens van mening dat regulier beleid en de reguliere instellingen tot op heden nog niet voldoende in staat blijken te zijn om deze doelgroep te bereiken en de problemen adequaat aan te pakken;

verzoekt de regering, zo spoedig mogelijk in overleg te treden met de 22 Antillianengemeenten om te bezien op welke manier de rijksbijdrage en het Antillianenprogramma tot en met 2013 kan worden gecontinueerd, te komen tot een voor alle partijen deugdelijke afronding hiervan en tevens de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ortega-Martijn en Schouw. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (31268).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is, de Wet overleg minderhedenbeleid (Wom) in te trekken;

van mening dat ook in de nieuwe integratievisie de waarborging van de antennefunctie, de kwaliteitsfunctie, de functie van verbreding van het maatschappelijk draagvlak en de kanalisering te bevorderen, zoals neergelegd in de Wom, nodig blijven;

overwegende dat de Wom nooit is geëvalueerd zodat niet duidelijk is wat de toegevoegde waarde is van de inzet op deze functies;

verzoek de regering, de Wom alsnog te evalueren op de vier functies en de resultaten in te zetten om tot alternatieve modellen te komen voor overleg tussen het Rijk en de samenleving op het gebied van integratie en burgerschap en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ortega-Martijn. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (31268).

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Ik wil de volgende moties indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, stappen te ondernemen opdat een einde wordt gemaakt aan ongewenste beïnvloeding van Nederlanders door de landen van herkomst Turkije en Marokko en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (31268).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemengde wijken leiden tot een betere integratie;

constaterende dat gemengde scholen leiden tot betere prestaties voor integratie en burgerschap;

verzoekt de regering, maatregelen te treffen om te komen tot meer gemengde buurten en scholen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Karabulut. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (31268).

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik wil de volgende motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is om te regelen dat het Nederlanderschap pas definitief wordt verkregen indien afstand is gedaan van een of meer andere nationaliteiten;

constaterende dat vele Nederlanders een dubbele nationaliteit hebben, waaronder kabinets- en Kamerleden, raadsleden en provinciale statenleden;

overwegende dat een aantal herkomstlanden het onmogelijk maken om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit;

overwegende dat ook als er wel afstand gedaan kan worden van de oorspronkelijke nationaliteit, veel Nederlanders ervoor kiezen dat niet te doen, waaronder kabinets- en Kamerleden;

spreekt uit dat het hebben van een meervoudige nationaliteit niets zegt over de loyaliteit aan Nederland en dat het, net als bij kabinets- en Kamerleden, aan Nederlanders zelf is om al dan niet afstand te doen van andere nationaliteiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Dibi en Schouw. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (31268).

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat werken aan een gedeelde toekomst belangrijk is voor de samenhang binnen de samenleving en voor een wederzijds gevoel van solidariteit en lotsverbondenheid;

constaterende dat op het vlak van integratie zichtbaar wordt dat de huidige instanties en instituties onvoldoende kracht in de samenleving genereren;

verzoekt de regering om te komen met een Nederlandse kijk en aanpak gebaseerd op het concept "Big Society" met daarin een rol voor oude en nieuwe vormen van participatie, binding en burgerschap,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Sterk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (31268).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Donner:

Voorzitter. In de motie-Ortega-Martijn/Schouw op stuk nr. 46 wordt de regering verzocht, zo spoedig mogelijk overleg te voeren met 22 Antillianengemeenten om te bezien op welke manier de rijksbijdrage kan worden gecontinueerd. In de motie staat "tot en met 2013". Daarom moet ik haar ontraden. Ik heb heel duidelijk uiteengezet dat de middelen er zijn tot 1 januari 2013. Als dat in de motie zou worden uitgesproken, dan zou ik haar slechts zien als ondersteuning van het beleid. Ik heb immers al op 15 juni overleg gevoerd met de gemeenten over de vraag op welke wijze dat kan. Indien de motie ertoe strekt om de financiering een jaar verder uit te zetten, moet ik haar ontraden. Daar zijn namelijk geen middelen voor.

In de motie-Ortega-Martijn op stuk nr. 47 wordt de regering verzocht, de Wet overleg minderhedenbeleid te evalueren op de vier functies en de resultaten daarvan in te zetten om tot alternatieve modellen te komen. Ik heb in de nota over integratie, binding en burgerschap geschreven dat het kabinet voornemens is om deze wet in te trekken. Deze motie heeft betrekking op de motieven voor een besluit van de regering over wetsvoorstellen. Dit zal besproken moeten worden in het kader van dat wetsvoorstel, maar op deze wijze zou de motie de constitutionele vrijheid van de regering om voorstellen te doen die zij dienstig acht, inperken. Omdat de motie op gespannen voet staat met de constitutionele ordening, moet ik haar ontraden.

In de motie-Karabulut op stuk nr. 48 wordt de regering verzocht, stappen te ondernemen opdat een einde wordt gemaakt aan de ongewenste beïnvloeding. In die formulering moet ik de motie ontraden. De Kamer kan ervan verzekerd zijn dat de regering stappen neemt juist waar signalen zijn van ongewenste beïnvloeding. In de motie wordt gesuggereerd dat het een resultaatsverplichting is. In deze formulering kan dat niet worden aanvaard. Ik hoop het, maar ik kan niet aangeven dat alle stappen die worden genomen daartoe dienstig zijn.

In haar motie op stuk nr. 49 verzoekt mevrouw Karabulut de regering, "maatregelen te treffen om te komen tot meer gemengde buurten en scholen". Wij hebben eerder dit jaar een uitvoerig debat gevoerd, ook met de minister van OCW, waarin alleen het specifieke onderdeel van de scholen aan de orde was. Toen is aangegeven dat het kabinet meent dat het belangrijker is om de kwaliteit van het onderwijs voorop te zetten dan om voor menging te zorgen. In die zin moet ik de motie ontraden. In de motie wordt de regering tevens verzocht, maatregelen te nemen om hele buurten te mengen. Ik ben bang dat dit de krachten van de regering te boven gaat.

De motie-Dibi/Schouw op stuk nr. 50 richt zich mijns inziens tot de Kamer zelf. Zij bevat geen verzoek aan de regering, maar behelst slechts een uitspraak van de Kamer, dus past mij daar geen oordeel over.

In haar motie op stuk nr. 51 verzoekt mevrouw Sterk de regering, "te komen met een Nederlandse kijk en aanpak gebaseerd op het concept 'Big Society' met daarin een rol voor oude en nieuwe vormen van participatie, binding en burgerschap". Deze motie beschouw ik als ondersteuning van het beleid. Ik laat het oordeel hierover gaarne over aan de Kamer.

De voorzitter:

De heer Dibi heeft mij net medegedeeld dat hij over zijn ingediende motie straks een hoofdelijke stemming wil. Daar kunnen wij ons dan vast op voorbereiden.

Ik dank de minister voor zijn oordelen over de moties en voor de beknopte wijze waarop hij deze heeft gegeven. Volgens mij gaat het een tijdje duren voordat hij weer in dit huis aanwezig zal zijn.

Minister Donner:

Het zal mij zwaar vallen. Ik wens u allen een goede vakantie.

De voorzitter:

Dank u wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

Naar boven