Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 63, pagina 5579-5593

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met aanpassing van het accreditatiestelsel (32210).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van harte welkom en deel u mede dat wij vandaag voornemens zijn alleen de eerste termijn van de kant van de Kamer te doen. Dat staat hier. Dat had ik niet zo scherp op mijn netvlies, maar zo is het afgesproken.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Voorzitter. Deze inbreng vanavond mag ik mede namens de heer Dibi van GroenLinks uitspreken. Hij is vanavond helaas verhinderd en heeft mij verzocht om ook namens hem te spreken. Daar ben ik uiteraard graag toe bereid.

De afgelopen jaren hebben wij in de Kamer vaak van gedachten gewisseld over de kwaliteit van het onderwijs. Iedereen vindt het van belang dat die kwaliteit goed is. Maar hoe wij dat dan precies omschrijven en wat wij dan precies bedoelen, daar gaat de discussie vaak over. Een ding is helder: over die kwaliteit mag geen twijfel bestaan. Onderwijs is de motor van onze samenleving en van onze economie en die motor moet lopen als een zonnetje. De fractie van de Partij van de Arbeid is daarom blij dat wij vanavond het nieuwe accreditatiestelsel van het hoger onderwijs met elkaar bespreken. Het is erg belangrijk dat wij zo'n belangrijk instrument als de kwaliteitsborging niet controversieel hebben verklaard. De kwaliteit van het onderwijs duldt geen uitstel.

Het vorige stelsel van accreditatie had naast een aantal goede aspecten ook nadelen. Het zette bijvoorbeeld te weinig aan tot kwaliteitsverbetering. Dat is voor de fractie van de PvdA een zeer belangrijke prikkel die wij te allen tijde actief moeten houden. Ook het feit dat er te weinig aandacht was voor de inhoud van het onderwijs en te veel aandacht voor processen en randvoorwaarden, was een doorn in ons oog. Een vermindering van administratieve lasten is bovendien iets waar wij altijd naar moeten streven. Daarom zijn wij verheugd dat er vanavond een nieuw, verbeterd accreditatiestelsel voorligt.

Wat het wetsvoorstel en de aanpassing in het accreditatiestelsel betreft, wil ik de staatssecretaris meegeven dat wij ons kunnen vinden in de gedachtegang dat het een systeem van kwaliteitscontrole met verminderde administratieve lasten moet zijn; een systeem met voldoende grip en zicht op de gewenste en vereiste kwaliteit. Dat is een belangrijk uitgangspunt bij deze wet.

Daarnaast ben ik tevreden over de opzet in het wetsvoorstel over de rol van studenten in relatie tot de accreditatie. Een student gaat deel uitmaken van het onafhankelijke deskundige panel dat door de NVAO wordt ingezet bij de beoordeling van accreditatie. De fractie van de PvdA is blij dat de student hiermee een belangrijke plek in het accreditatiesysteem heeft gekregen. Samen met de versterking die hij of zij heeft gekregen in de WHW is een belangrijke stap gezet in de inspraak van studenten.

Nu wij het toch over de positie van de studenten hebben, wil ik gelijk een reactie geven op het voorstel van de staatssecretaris om de studentassessor te vervangen door het recht op initiatief van studenten om een gesprek aan te vragen met het college van bestuur. De fractie van de PvdA snapt haar overwegingen en kan het met dit voorstel grotendeels eens zijn. Haar voorstel noemt echter de mogelijkheid voor studenten om minstens twee keer per jaar het college van bestuur uit te nodigen om voorgenomen beleid inzake studentenaangelegenheden te bespreken aan de hand van een door hen opgestelde agenda. Met die formulering kan de fractie van de PvdA bijna leven. Het is goed dat de medezeggenschap in het wetsvoorstel is opgenomen. De reikwijdte van de betrokkenheid van de medezeggenschap bij beleidszaken is ons echter te beperkt. Door de zinsnede "inzake studentenaangelegenheden" uit het artikel te schrappen wordt de reikwijdte van de onderwerpen waarover studenten kunnen overleggen met het college van bestuur groter. Op deze wijze kunnen studenten ook meer als gesprekspartner optreden inzake beleid en kwaliteit bij een onderwijsinstelling. Daarom is er een amendement van mij rondgegaan waarin ik voorstel om de toevoeging van de term "inzake studentenaangelegenheden" te laten vervallen.

In dit wetsvoorstel is er speciale aandacht voor studenten met een handicap. De fractie van de Partij van de Arbeid, maar zeker ook de fractie van GroenLinks – de heer Dibi heeft gevraagd dit expliciet te noemen – is blij dat voormalig minister Plasterk de toezegging die hij hierover in het algemeen overleg heeft gedaan, heeft uitgevoerd. Wij steunen de staatssecretaris dan ook in het volharden in deze speciale aandacht.

Wij hebben gemerkt dat zowel de VSNU als de HBO-raad hier kritisch op reageren. Zij vinden dit een oneigenlijk instrument in het accreditatiesysteem. De fractie van de Partij van de Arbeid snapt hun argumenten, maar vindt de zaak, namelijk het eindelijk eens goed begeleiden van studenten met een handicap en het voor hen toegankelijk maken van de onderwijsinstellingen, van zo groot belang, dat wij de staatssecretaris steunen in haar voorstel. In Nederland laten wij veel te veel en veel te vaak talent liggen doordat wij deze voorzieningen niet op orde hebben.

De heer Van der Ham (D66):

Ik kom even terug op het vorige punt. Mevrouw Besselink zei dat zij een amendement heeft ingediend. Ik heb inmiddels ook een amendement ingediend, samen met de heren Harbers en Jasper van Dijk. Ons amendement gaat wel iets verder. Laten wij eens constructief zijn, laten wij die twee amendementen eens in elkaar schuiven.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik heb dat amendement gezien. Daarin staat de extra toevoeging dat er ook met de studenten moet worden overlegd over de wijze en het moment van wederzijdse informatievoorziening. Dat vind ik heel sympathiek, maar dat is al geregeld in artikel 7.15 van de WHW. In mijn beleving hoeven wij dingen niet driedubbel te regelen. Vandaar dat ik ervoor heb gekozen om mij in dit amendement te beperken tot het weglaten van "inzake studentenaangelegenheden". Het deel dat de heer Van der Ham extra toevoegt in zijn amendement is immers al geregeld.

De heer Van der Ham (D66):

Als dat al zou zijn geregeld, zouden de studentenorganisaties daarover geen klachten hebben. Laten wij constructief zijn. Wij zijn over het algemeen allemaal positief over de wetswijzigingen. Laten wij proberen elkaar hierin te vinden, want volgens mij willen wij hetzelfde. Laten wij het in ieder geval zo goed regelen dat studenten over alles kunnen spreken, op de gewenste tijden, en dat zij daar ook zo veel mogelijk openingen voor vinden. Ik hoop dat wij elkaar daarin kunnen vinden.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Nogmaals, ik ben het helemaal met de heer Van der Ham eens, maar ik heb het wetsartikel erop nagelezen en daarin is het echt geregeld. Als wij het nog zouden moeten regelen, dan zou ik in de redenering van de heer Van der Ham meegaan, maar het is geregeld, dus ik handhaaf toch mijn eigen amendement. Er zit geen licht tussen mijn en zijn bedoeling. Ik heb overigens begrepen dat de heer Jan Jacob van Dijk mijn amendement ook ondertekent, dus er zal een gewijzigde versie worden uitgedeeld.

Ik heb nog een aantal vragen en kritische noten over het wetsvoorstel. In het wetsvoorstel staat dat een vrijwillige instellingstoets zal worden ingesteld, waardoor een lichter regime mogelijk wordt als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Instellingen die niet meewerken aan de vrijwillige toets, krijgen de uitgebreide opleidingsbeoordeling. De gedachte hierachter is begrijpelijk: goed gedrag mag worden beloond, maar wij willen ook een stelsel waarin de administratieve lasten echt worden verlicht en waarin overzicht bestaat.

Er lijkt een soort tweedeling te ontstaan. Ik vraag de staatssecretaris om nogmaals uit te leggen waarom niet is gekozen voor een verplichte toetsing, waarna het lichtere regime automatisch zal gelden mits de kwaliteit goed bevonden is. Daardoor kan de eerdere toetsing komen te vervallen. Volgens ons is het dan voor eenieder overzichtelijker. Ook hebben wij begrepen dat men in Vlaanderen wel neigt tot een verplichte instellingstoets. Is het niet verstandiger om daarbij aan te sluiten? Graag krijg ik een nadere toelichting hierop.

Ik heb ook een vraag over de al dan niet aanwezige vermindering van de administratieve lasten. Zowel uit de pilots, als uit de kritiek van de Raad van State, als uit de onderzoeken van Actal blijkt dat er grote twijfels zijn over de vermindering van de administratieve lasten. In haar beantwoording geeft de staatssecretaris steeds aan dat het verminderen van de administratievelastendruk niet het hoofddoel van dit wetsvoorstel is. Voor ons is het echter wel een belangrijk aspect. De resultaten uit de pilots waren nog niet echt bemoedigend en gaven aan dat de effecten bij slechts enkele instellingen echt meetbaar waren. De staatssecretaris geeft aan dat zij denkt dat het een tijdelijk probleem is, omdat de instellingen moeten wennen aan het nieuwe systeem en vooral zelf extra lasten veroorzaken. Kan de staatssecretaris aangeven waarom zij dat hebben gedaan? Hoe gaat zij dit monitoren, opdat het geen structureel probleem wordt? Zijn die problemen over bijvoorbeeld vijf jaar dan ook echt opgelost? Ik wil van de staatssecretaris weten wat het gevolg is als bijvoorbeeld bij een komende evaluatie blijkt dat de administratievelastenverlichting voor instellingen beperkt is gebleven. Wanneer kunnen wij die evaluatie verwachten?

Een belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is dat de NVAO een opleiding de kwalificatie "basis", "goed" of "excellent" kan geven. De motivatie om deze klassenverschillen aan te geven, is het stimuleren van instellingen om te investeren in de kwaliteit van hun opleidingen. Daar zijn wij natuurlijk erg voor. Wel is het de vraag hoe en op welke gronden de opleidingen nu precies op die kwalificaties zullen worden beoordeeld. De staatssecretaris geeft aan dat in het accreditatiekader een nadere uitwerking zal worden opgenomen. Wanneer kunnen wij die uitwerking dan verwachten?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nu mevrouw Besselink ook namens GroenLinks spreekt, vind ik het wel verleidelijk om allerlei dingen over de studiefinanciering te gaan vragen, maar dat zal ik niet doen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ook ik heb met de beoordelingen zitten stoeien. Mevrouw Besselink stelt daar terecht een aantal vragen over: wanneer beoordeel je nou een opleiding als goed, wanneer als excellent en is dat niet heel subjectief? Deze beoordeling kan ook gevolgen hebben. Een instelling die bijvoorbeeld een excellente opleiding aanbiedt, wil daarvoor dan ook het collegegeld iets verhogen. Is mevrouw Besselink het met mij eens dat dit niet de bedoeling is?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ja, dat ben ik met de heer Jasper van Dijk eens, althans in het kader waarin wij dit bespreken. Dit gaat echt over het kwalitatieve oordeel dat de NVAO aan een opleiding hangt. Het gaat dus slechts over de beoordeling van de kwaliteit.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is ook het standpunt van GroenLinks?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Zal ik op dit punt vooral voor mezelf spreken?

De staatssecretaris heeft kenbaar gemaakt dat naar aanleiding van de pilots een aantal wijzigingen in het wetsvoorstel zijn aangebracht. Hoe zit het zo meteen in de praktijk? Stel dat nog verbeteringen plaatsvinden, is er dan ruimte om die verbeteringen nog bij de accreditatie te betrekken? Ik bedoel: al doende leert men.

Wij ondersteunen de staatssecretaris inzake de aanscherping van de verbetertermijn. Die gebeurde voornamelijk naar aanleiding van vragen van de SP. De staatssecretaris heeft deze termijn teruggebracht van drie jaar naar één jaar. Heel goed. De kwaliteit moet op orde zijn. Is dat niet het geval, dan moet dit zo spoedig mogelijk worden bijgestuurd.

Ik rond af. De fractie van de Partij van de Arbeid kan zich grotendeels vinden in het wetsvoorstel. Het is een grote verbetering waardoor de kwaliteit van het onderwijs beter in beeld wordt gebracht en instellingen vooral worden gestimuleerd om de kwaliteit te verbeteren. Op een aantal onderdelen zie ik met belangstelling het antwoord van de staatssecretaris tegemoet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Het belang van accreditatie kan niet snel worden overschat. Het is goed dat opleidingen die worden verzorgd door hogeronderwijsinstellingen regelmatig tegen het licht worden gehouden, opdat wij zonder enige twijfel kunnen zeggen dat een opleiding kwalitatief goed op orde is. Er mag geen twijfel bestaan over het feit dat een opleiding op een goede manier wordt verzorgd. Dat is van belang voor een student, maar ook voor het beroepenveld is het van belang dat men zeker weet dat de opleiding die iemand heeft gevolgd, goed is, zodat hij als een goede arbeidskracht kan worden ingezet.

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit ligt naar onze mening altijd primair bij de instelling. Het is immers de instelling zelf die ervoor moet zorgen dat de kwaliteit van de opleiding op orde is. Naar onze mening moet het dus echt zo zijn dat een instelling ervoor zorgt dat haar systeem zodanig is dat zij kan garanderen dat de kwaliteit recht overeind blijft. Toch menen wij dat het goed is dat door de overheid een stelsel van accreditatie in het leven is geroepen om ervoor te zorgen dat die kwaliteit op een goede manier wordt geborgd. Om die reden zijn wij een groot voorstander van het stelsel van accreditatie, zoals nu op tafel is gelegd. Wij denken dat het van belang is om daar in de komende periode mee te gaan werken.

Er is nog een ander effect, namelijk dat het een disciplinerende werking heeft op de instellingen en de opleidingen wanneer er een accreditatie wordt aangekondigd. De mensen die horen dat er weer een accreditatie aankomt, gaan nog een keer heel goed na welke procedures er zijn, of de kwaliteit op orde is en of alles keurig netjes gaat zoals men heeft afgesproken. In het stelsel dat wij nu hebben, worden zij iedere zes jaar opnieuw tegen het licht gehouden. Dat heeft een dusdanig disciplinerend effect dat wij zeggen dat het goed is om het op deze manier te gaan doen.

Ik heb net al aangegeven dat de kwaliteit van een opleiding in eerste instantie een verantwoordelijkheid is van de instelling zelf waar de opleiding wordt verzorgd, maar de overheid heeft daar ook een groot belang bij. Vandaar dat de overheid de accreditatie moet verzorgen en garanderen.

Als we kijken naar diverse evaluaties die in de afgelopen periode hebben plaatsgevonden, mogen we gewoon zeggen dat het stelsel op zichzelf goed functioneert. Het heeft er in de afgelopen periode toe geleid dat de opleidingen van voldoende kwaliteit zijn. Wanneer er een zwakke opleiding tussen zat, werd deze eruit gehaald. Dan werd er gezegd: dit kan dus niet, u krijgt een herstelperiode of het wordt tijd om deze opleiding te sluiten.

In de afgelopen periode is er gesproken over vier vormen van kritiek, waarvan is gezegd dat wij er iets mee moeten. De eerste is dat er een te hoge mate van bureaucratie is. De tweede is dat er te veel naar de procedures wordt gekeken en te weinig naar de inhoud. De derde is dat de professional te weinig de eigenaar is van het accreditatieproces, terwijl hij er wel erg veel bureaucratische rompslomp van heeft. De vierde is dat het eigenlijk te weinig onderscheidend is. Men kan niet aangeven of een opleiding goed, excellent of normaal is.

Voor die vier uitdagingen is geprobeerd om met dit wetsvoorstel een oplossing te vinden. Wat ons betreft is dit een aanpassing van het bestaande stelsel. We spreken hier niet over een totaal nieuw accreditatiestelsel, zoals de Raad van State ons probeert duidelijk te maken. Dat is echt niet het geval. Het gaat om het aanpassen van een aantal elementen in het huidige accreditatiestelsel. Daarbij geldt dat wij tegen een duivels dilemma aanlopen. Aan de ene kant is de vraag in hoeverre wij vertrouwen hebben in de deskundigheid bij de opleidingen zelf. Aan de andere kant is de vraag hoe wij ervoor zorgen dat we de kwaliteit voldoende borgen. Aan de ene kant willen wij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk administratieve lasten en kosten voor de instellingen komen, terwijl we aan de andere kant willen kunnen garanderen dat de opleidingen op een goede manier georganiseerd zijn.

Dat is de uitdaging waar we voor staan. Wij denken dat we met dit stelsel een heel eind op weg zijn. Om het maar eens in goed Nederlands neer te zetten: het stelsel is mean and lean. Het is simpel, doordacht en niet ingewikkeld, zodat mensen het op een goede manier kunnen begrijpen. Het brengt lagere kosten met zich mee dan in de afgelopen periode, terwijl het voldoende robuust is om ervoor te zorgen dat zwakke opleidingen er voldoende uitgepikt kunnen worden.

Wat dat betreft zijn wij voorstander van het systeem zoals dat nu op tafel is gelegd, namelijk dat je vrijwillig kunt kiezen voor een instellingsaudit, waarin vooral naar de kwaliteitszorg wordt gekeken. Wanneer je die goed hebt doorstaan, kun je een verlichte opleidingsaccreditatie volgen. Kiest een instelling ervoor om geen instellingsaudit te doen, of kan zij deze niet halen, dan gaat zij automatisch voor een stevigere opleidingsaccreditatie. Wij denken dat dit op zichzelf een evenwichtig stelsel is.

Daarbij hebben wij wel de volgende vraag. Als wij de geluiden horen van de VSNU en de HBO-raad en als we kijken naar een aantal ontwikkelingen in het buitenland, bekruipt ons af en toe het gevoel dat dit wetsvoorstel een tussenstap zou kunnen zijn naar een volledige instellingsaccreditatie, zodat straks niet meer aparte opleidingen geaccrediteerd worden, maar het zuiver en alleen een instellingsaccreditatie zou zijn. Dat zouden wij betreuren; laat dat helder zijn. Ik hoop dat de staatssecretaris onze onrustige gevoelens daarover kan wegnemen.

Bovendien zijn wij tegen een verplichte instellingsaudit met daarna nog een verlichte opleidingsaccreditatie. In de afgelopen dagen hebben wij daarover een brief gekregen van de VSNU. Het verbaast me overigens dat ze deze brief heeft geschreven, want zij heeft ook gezegd dat ze dit systeem zou ondersteunen. In de brief dringt de VSNU erop aan dat alle instellingen overgaan tot een instellingsaudit met daarna een verlichte opleidingsaccreditatie. Wij snappen niet waarom de VSNU dit wil en wat het voordeel hiervan zou kunnen zijn. Wij hebben begrepen dat dit juist een verhoging van de administratieve lasten met zich mee zou kunnen brengen voor diverse opleidingen en instellingen en wij zijn dus niet voor dit voorstel.

We hebben nog een zorg. We willen ervoor zorgen dat er een verlichting van de administratieve lasten komt. Nu zijn er enkele pilots geweest waarover we informatie gekregen hebben in de technische briefing. Uit die pilots volgt niet evident dat dit stelsel leidt tot een vermindering van de administratieve lasten. Navraag bij de NVAO leert dat dit een kwestie van wennen zou kunnen zijn. Men zou nu nog automatisch te veel informatie geven uit gevoelens van onzekerheid, maar op den duur zou dit wel wegebben. Ik vind dat nogal een gemakkelijk antwoord. In hoeverre kan de staatssecretaris ons een daling van de administratieve lasten garanderen zonder dat we inboeten op de kwaliteit en op de daarvoor gestelde regels? Wij zijn daarover nog niet helemaal gerust.

Er is nog een element. In het stelsel dat zich in de afgelopen periode geëvolueerd heeft, begint de positie van de NVAO wel buitengewoon dominant te worden. We horen daarover ook geluiden uit het veld. De NVAO is namelijk de instelling die zowel het accreditatiekader opstelt als bepaalt welke personen precies in commissies zouden mogen gaan zitten: er moet eerst toestemming gevraagd worden of iemand zitting mag nemen in een commissie. Bovendien is de NVAO ook nog eens de beoordelaar van de rapporten van die commissies. Hoe dominant is de positie van de NVAO eigenlijk? In hoeverre is er nog sprake van voldoende checks and balances in dit systeem?

Het boeiendste onderdeel van de behandeling van wetgeving is altijd het behandelen van enkele casussen. Stel dat een instelling een audit heeft aangevraagd en verkregen. Die instelling gaat daarna een opleiding accrediteren waarvoor het verlichte regime gehanteerd mag worden. Dat hoeft niet op hetzelfde moment plaats te vinden; er kan een periode tussen zitten. Na verloop van tijd moet die instellingsaudit opnieuw verleend worden. Stel dat die audit niet verleend wordt; wat betekent dat dan voor die opleidingsaccreditatie? Bepaalde onderdelen zijn dan namelijk niet meer geldig. Hoe gaat de staatssecretaris daarmee om en welke situatie ontstaat dan precies?

Dan een tweede casus. Er is een accreditatie gegeven aan een opleiding en in de loop van de periode van zes jaar blijkt dat de kwaliteit van die opleiding echt hard achteruit gaat. Dat gaat zo ver dat de NVAO de minister aanbeveelt dat de accreditatie moet worden ingetrokken. In die periode zijn daar ook studenten actief. Zij volgen die opleiding. Die opleiding en de vakken die zij hebben gevolgd, blijken onvoldoende waarde te hebben om aan een andere opleiding door te gaan, waar zij dan alleen het staartje nog maar af zouden moeten maken. Een aantal vakken moet gewoon over worden gedaan. Dat heeft grote gevolgen, niet alleen voor de instelling maar ook voor de studenten. De studenten hebben immers collegegeld betaald, lopen studievertraging op en raken bovendien een deel van hun studiefinanciering kwijt. In hoeverre hebt u nagedacht over mogelijkheden om de gevolgen voor de studenten op een of andere manier te compenseren?

Een ander element is de vergelijkbaarheid van de oordelen. Voorheen maakten de zogeheten Visiterende en Beoordelende Instanties (VBI's) onderdeel uit van de accreditatie. Dat leidde ertoe dat over het algemeen universiteiten voor bepaalde opleidingen gemeenschappelijk een VBI in het leven gingen roepen of gingen instellen of aanspreken, zodat hun opleidingen met elkaar vergeleken zouden kunnen worden. Nu wordt dat volledig aan de instelling overgelaten. Wij hebben daar op zichzelf niet veel moeite mee, maar in hoeverre komt dat de vergelijkbaarheid van de diverse accreditaties en van de diverse onderzoekspanels omtrent de accreditatie ten goede? Als de personen A, B, C en D de geschiedenisopleiding in Groningen gaan beoordelen en een accreditatiecommissie bestaand uit de personen E, F, G, H doet dat voor de geschiedenisopleiding in Nijmegen, in hoeverre zijn die twee accredidatierapporten dan vergelijkbaar met elkaar?

Dan hebben wij nog een vraag over de objectiveerbaarheid van enkele begrippen. Er wordt nu onderscheid gemaakt. Je kunt of stralen voor het accreditatie-examen of je kunt te horen krijgen dat het voldoende is, dat het goed is of dat het excellent is. Wat zijn de objectiveerbare criteria daarvoor? We hebben het accreditatiekader daarop nageslagen en hebben ze niet kunnen vinden. Wij hopen dat de staatssecretaris ons die criteria duidelijk kan maken.

Een ander onderwerp waar wij in eerdere debatten weleens aandacht voor hebben gevraagd, is studie en handicap. Wij zijn eerlijk gezegd geschrokken van het rapport dat de onderwijsinspectie naar voren heeft gebracht. Geschrokken omdat nu een keer zwart op wit wordt gesteld wat wij steeds al vermoed hebben en naar voren gebracht, namelijk dat hogeronderwijsinstellingen onvoldoende geprepareerd zijn op studenten met een handicap en onvoldoende aandacht aan die problematiek besteden. Wij hebben tijdens een algemeen overleg over de basisnotitie die ten grondslag ligt aan dit nieuwe wetsvoorstel aangegeven dat wat ons betreft het thema studie en handicap daar een plek in zou moeten krijgen. Wij zijn blij dat dit in de nota van wijziging die de staatssecretaris gisteren naar de Kamer heeft gestuurd, op voldoende wijze wordt meegenomen. Het maakt onderdeel uit van de instellingsaudit, terwijl het aan de andere kant, als je de instellingsaudit niet doet, bij de verzwaarde opleidingsaccreditatie thuishoort. Wij denken dat dit een goede manier is om dat op te lossen. Wij hebben begrepen dat de VSNU en de HBO-raad daar moeite mee hebben, maar dat zij dan zo. Eerlijk gezegd is het een blamage dat zij in de afgelopen periode onvoldoende aandacht hebben geschonken aan dit onderwerp.

Dan tot slot het onderwerp van de studentassessor, een onderwerp waar wij in de afgelopen periode bij de wijziging van de Wet op het hoger onderwijs uitgebreid over van gedachten hebben gewisseld. Wij hebben destijds aangegeven dat wij een voorstander zijn van het amendement dat de heer Van der Ham heeft ingediend. Dat stuitte op nogal wat bezwaren in de Eerste Kamer. Wij hebben er later nog een keer naar gekeken hoe dat precies zat en moeten tot de conclusie komen dat wij het voorstel dat er nu op tafel ligt in belangrijke mate zouden kunnen volgen, waarbij het amendement van mevrouw Besselink wat ons betreft steun zou kunnen krijgen. We hebben ook kennis genomen van het amendement dat door de heren Jasper van Dijk, Van der Ham en Harbers naar voren is gebracht. Ik deel de opmerkingen die mevrouw Besselink daarover heeft gemaakt. Het voegt niet meer veel toe aan wat er al in de wet staat. Natuurlijk willen wij amendementen altijd bekijken en hebben wij een positief kritische houding ten opzichte van elk amendement dat wordt ingediend. Dat bent u van ons gewend. Sommige personen twijfelen daar weleens aan, maar u mag daar echt van uitgaan. Als het geen toegevoegde waarde heeft, dan heeft het wat ons betreft niet zoveel nut om een amendement over te nemen. Dat is op dit moment onze mening.

De heer Van der Ham (D66):

Die positief kritische houding waardeer ik natuurlijk in de heer Jan Jacob van Dijk. Die herken ik overigens niet altijd, zeg ik terwijl ik de heer Jasper Van Dijk recht in de ogen kijk. Meestal niet, maar we tellen vandaag onze zegeningen.

Ik wil nog iets zeggen over het amendement. Studenten zeggen dat zij op dit moment eigenlijk te weinig hebben en dat zij daarvoor het eerste amendement-Van der Ham nodig hadden. Dat is nu een beetje omgevormd door de minister, volgens u in de goede richting. Ik kan inmiddels ook heel ver meegaan met de staatssecretaris in de richting die zij is ingeslagen. De studenten zeggen dat goed moet worden geregeld dat zij zelf ook een beetje de frequentie kunnen bepalen. Zij vinden dat een belangrijke toevoeging ten opzichte van het voorstel van mevrouw Besselink, dat ook in ons amendement staat. Hoe verklaart u het dat, hoewel het volgens u al in de wet staat, dit niet als zodanig wordt ervaren?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik wil daar twee opmerkingen over maken. Ik heb gezien dat in de boekjes die zijn uitgegeven naar aanleiding van de laatste wijzigingen van de Wet op het hoger onderwijs nog heel veel amendementen niet zijn meegenomen. Het kan zijn dat sommige elementen nog niet volledig op het netvlies van de studentenorganisaties stonden. In het amendement staat nadrukkelijk dat studenten minimaal twee keer per jaar het recht hebben om met het college van bestuur van een instelling voor hoger onderwijs over alle aangelegenheden te spreken. Er staat minimaal twee keer. Het is dan verder aan het onderling overleg om ervoor te zorgen dat dit gebeurt. Als ik dit vergelijk met bijvoorbeeld de Wet op de ondernemingsraden, is dit een aanzienlijke verbreding. Ik denk dat er al in belangrijke mate tegemoet wordt gekomen aan de wensen.

Mijnheer Van der Ham, u maakte een opmerking over een positief kritische houding. Het zal u misschien verbazen, maar wij kijken altijd positief kritisch naar positief kritische amendementen. Als u daarvoor zorgt, zult u mij altijd aan uw zijde vinden.

De heer Van der Ham (D66):

U bent me er eentje, mijnheer Jan Jacob van Dijk. Dat gun ik u graag vandaag, daar gaan wij het niet over hebben. Het amendement van mevrouw Besselink en het amendement van de drie indieners overlappen elkaar op één punt. Hetgeen wij eraan hebben toegevoegd, wordt als belangrijk ervaren om de medezeggenschap daadwerkelijk vorm te geven. Hoe verklaart u dat het in uw visie wel in de wet staat, maar dat het niet zo wordt ervaren en het de aflopen jaren niet zo is gebruikt?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat komt doordat de wet net is aangepast. Volgens mij is er pas drie weken geleden over gestemd in de Eerste Kamer. Zij kunnen dat nu nog niet hebben gevoeld. Daarom denk ik dat het goed is om ons te beperken tot het amendement dat mevrouw Besselink samen met mij heeft ingediend.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Wij spreken over accreditatie, het verlenen van een keurmerk aan opleidingen. Dat is belangrijk voor studenten omdat zij daarmee weten dat zij aan een goedgekeurde opleiding deelnemen. De regering noemt het een centrale overheidstaak omdat de kwaliteit van het hoger onderwijs boven elke twijfel verheven moet zijn. Deze wet is in wezen een wijziging van de bestaande wet op de accreditatie, die wat problemen kende met bureaucratie en het feit dat er te veel naar het proces naar werd gekeken in plaats van naar de inhoud.

De SP-fractie hecht grote waarde aan een goed systeem van accreditatie. Niet alleen instellingen, maar ook opleidingen moeten apart worden gekeurd. Wij zijn het ermee eens dat de instellingstoets geen instellingsaccreditatie mag worden. Ik zie de staatssecretaris knikken, dat is heel mooi. Zonder goede accreditatie weten studenten niet waar zij aan toe zijn en kan het niveau van de opleiding naar beneden gaan. Helaas is er nu al reden tot zorg. In het Onderwijsverslag van de inspectie staat dat minder dan de helft van de hbo-gediplomeerden de opleiding uitdagend vindt qua niveau en dat de resultaten over diepgang en uitdaging de inspectie aanleiding tot zorg geven. Hier is dus werk aan de winkel. Opleidingen worden als te licht ervaren. Wat doet de regering om dit te veranderen? Kan de staatssecretaris zeggen dat de kwaliteit van het hoger onderwijs wordt verbeterd met deze wet? Is het een doelstelling van deze wet? Ik hoor graag een toelichting.

De regering wil met deze wet ook graag de bureaucratie verminderen. Er komt meer aandacht voor de inhoud van de opleidingen en er is een verlicht regime als een hogeschool of een universiteit de zaken op orde heeft. Dat zijn goede punten.

Er zijn echter ook nog onderwerpen waarover wij opmerkingen hebben. Allereerst wordt bij accreditatie een commissie van deskundigen samengesteld door het instellingsbestuur. In de praktijk kan dit ertoe leiden dat de opleidingen zelf de commissies samenstellen die hen moeten beoordelen. Dat geeft de minister ook aan in de antwoorden. De vraag is dan wel hoe onafhankelijk deze commissie is. Gelukkig zijn wij af van de commerciële bureaus, althans in verplichtende zin, de visiterende en de beoordelende instanties. Daarvoor krijgen wij echter commissies in de plaats die opleidingen zelf mogen samenstellen. Zou dat niet beter door de NVAO gedaan kunnen worden?

De voorzitter:

Wat betekent die afkorting?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie. Het is terecht dat u dit vraagt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U stelt dat de NVAO de commissie moet gaan samenstellen. Het is nu toch al zo dat alleen personen, alsook commissies die goedgekeurd zijn door de NVAO de werkzaamheden mogen gaan verrichten? Wat voegt uw voorstel dus nog toe?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is precies zoals u het zegt. Nu doet de "opleiding" of de instelling een voordracht voor een commissie. Het accreditatieorgaan, zoals ik het maar ga noemen, moet dat dan goedkeuren. Ik zeg: laat dit door het accreditatieorgaan doen, want dan weet je zeker dat het onafhankelijk gebeurt. Het is namelijk mogelijk dat het accreditatieorgaan akkoord gaat met een commissie waarvan het niet alle ins en outs weet, terwijl de opleiding of de instelling wel weet dat het gaat om mensen die bekend of bevriend zijn met deze en gene. Dit is het ene argument.

Het andere argument is dat de instellingen zelf ook hebben aangegeven dat het nogal tot een werklast leidt. Ik doel op het samenstellen van al die commissies. Het accreditatieorgaan heeft ook aangegeven: laat het dan door ons doen. Dit zijn de twee argumenten voor mijn voorstel.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij spreekt hier een gebrek aan vertrouwen uit in zowel de instelling als de NVAO. Ik houd het toch liever bij deze afkorting, met alle respect, want dat is helderder. U zegt: de NVAO zou misschien niet alle personen kennen. Ik ga er echter van uit dat dit wel het geval is. Als u zegt dat de NVAO ze misschien niet kent, waarom zou u dan wel de NVAO de exclusieve bevoegdheid willen geven dat zij die commissies gaat samenstellen? Ik vind uw redenering dus een beetje krom.

Stel dat de NVAO zegt "ik keur het af"? Die opleiding of die instelling zal dan naar nieuwe personen op zoek moeten gaan. Waarom wilt u het verplicht stellen? Waarom wilt u niet gewoon de ruimte laten dat instellingen het gaan doen, terwijl er een goede borg voor is dat er alleen maar personen in komen te zitten en dat de samenstelling van de commissie goed is, omdat de NVAO daar voldoende naar kijkt?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Vertrouwen is goed, maar controle is beter. Voorts heeft de NVAO geen direct belang bij de aanstelling van een bepaald commissielid. Dat is het grote verschil! Het accreditatieorgaan is geen betrokkene. Het gaat immers om de onafhankelijkheid van de commissie. Het gaat hierbij wel om de beoordeling van een opleiding! Natuurlijk ga ik a priori met u mee in de gedachte dat wij van het beste vertrouwen zijn. Het kan wel zijn dat er voor de instelling een bepaald belang is om te zeggen: die opleiding willen wij wel graag goedgekeurd hebben, en snel, om welke reden dan ook. Om die reden zeg ik: laat het a priori door het accreditatieorgaan samenstellen.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Jan Jacob van Dijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Eerlijk gezegd, zoek ik echt even naar het verschil. U zegt in feite dat het erom gaat wie het als eerste doet. Stelt de NVAO in feite de commissie samen, of stelt de instelling de commissie samen en moet, voordat de commissie aan het werk gaat, de NVAO aangeven dat de commissie goed is? Waarom zou je de laatste werkwijze onmogelijk maken? De heer Jasper van Dijk stelt dat de NVAO de commissie in haar geheel moet vaststellen, maar ik zie dat eerlijk gezegd niet. Als een instelling een goede commissie wil samenstellen, maar die wel eerst voorlegt, vervolgens toestemming krijgt, en pas daarna aan het werk gaat, welk bezwaar kun je daar dan tegen maken? De NVAO moet toch elke keer de toetsing doen?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Als ik de heer Jan Jacob van Dijk zo beluister, dan krijg ik de indruk dat hij de NVAO zo snel mogelijk wil afschaffen, omdat die te machtig wordt. Ik heb gesproken over onafhankelijkheid en ontlasting van de werklast van de instelling. Daarmee voorkomen wij dat de slager zijn eigen vlees keurt. Bovendien leidt het tot minder belasting.

Wanneer de instelling niet voldoet aan de voorwaarden van een instellingstoets, krijgt de instelling tijd om hier alsnog aan te voldoen. Dat is een periode van herstel. Ook een nieuwe opleiding krijgt van de minister een periode om orde op zaken te stellen. Deze kan immers niet van te voren worden getoetst op het feitelijk functioneren. Aanvankelijk was hiervoor drie jaar de tijd, maar dat is tamelijk lang. In drie jaar tijd is een student al weer een stuk verder. Ik ben dan ook verheugd dat de minister mijn suggestie heeft overgenomen om deze periode in te korten tot een jaar. Dank voor die aanpassing. Er komt ook een versnelde invoering. Instellingen die binnen twee maanden na invoering van deze wet een aanvraag indienen, kunnen het beperkte regime hanteren, mits zij binnen drie jaar een instellingstoets doen. Mijn vraag is of deze termijn niet ook naar een jaar moet worden aangepast. Is deze termijn over het hoofd gezien, gelet op de aanpassing waarover ik het zo juist had, of houdt de staatssecretaris in dit geval wel vast aan drie jaar, bijvoorbeeld omdat het accreditatieorgaan maximaal twintig instellingen per jaar kan beoordelen? Kan dat bijvoorbeeld worden opgelost door de tijdelijke aanstelling van extra personeel? Graag een reactie. Hier zit wel een addertje onder het gras. Stel dat de instellingstoets niet wordt gehaald, dan moet de opleiding opnieuw worden beoordeeld. Een student studeert dan mogelijk al drie jaar aan een opleiding die op onderdelen niet voldoet. Ziet de staatssecretaris dit risico ook? Graag een reactie.

De regering introduceert een nieuw systeem van beoordelingen van opleidingen. Een opleiding kan onvoldoende, voldoende, goed of excellent zijn. Op zich is een stimulans voor opleidingen om zich te verbeteren goed, zo lang het om de inhoud gaat. Maar de grote vraag is natuurlijk op basis waarvan deze beoordeling wordt gegeven. Op pagina acht van de nota naar aanleiding van het verslag staan de criteria. De opleiding is goed als deze aanmerkelijk boven de basiskwaliteit uitstijgt. Een opleiding is excellent als deze een voorbeeldfunctie heeft. Dit kan natuurlijk buitengewoon subjectief uitpakken. Wanneer ben je goed en wanneer excellent? Hangt dit samen met de docenten, met de schaalgrootte, met de inhoud of met alle drie? Er is een risico dat met dit systeem het paard van Troje in huis wordt gehaald, namelijk dat instellingen al hun aandacht gaan richten op enkele opleidingen die in potentie excellent zijn. De beste docenten gaan daarheen met de beste faciliteiten. Andere opleidingen zullen het met minder middelen moeten stellen. Is daarover nagedacht? Graag een reactie. Het moet ook niet belangrijker worden waar je hebt gestudeerd dan wat je hebt gestudeerd. Mijn mening is dat alle opleidingen excellent dienen te zijn, of ziet de regering dit anders?

De kans bestaat ook dat instellingen het collegegeld verhogen voor excellente opleidingen. Daarmee komt de toegankelijkheid in gevaar. Kan de staatssecretaris uitsluiten dat het collegegeld op basis van kwaliteitsoordelen wordt gedifferentieerd? Het is goed als een opleiding excellent is, maar excellente opleidingen dienen natuurlijk ook uitstekend toegankelijk te zijn. Nu we het er toch over hebben: De Universiteit van Maastricht verhoogt haar collegegeld voor een tweede studie naar € 8500. Vindt de regering dit, net als ik, buitengewoon onwenselijk? Ook de Universiteit van Tilburg kan er wat van. Daar zijn diverse opleidingen die € 10.000 collegegeld vragen voor een tweede studie. Ik vind dat zeer onwenselijk. Graag een reactie.

Hoe staat het met het onderzoek naar de zogenaamde nepuniversiteiten? De SP wil dat de term "universiteit", of "university", alleen gebruikt mag worden door geaccrediteerde opleidingen. Deelt het kabinet die mening? Het is een slechte zaak dat onderwijs misbruikt wordt door zwendelaars. Het moet voor iedereen duidelijk zijn dat een universiteit kwaliteit biedt. Zo niet, dan wordt de goede naam van het hoger onderwijs besmuikt.

Dit jaar is er een forse toename van het aantal studenten. Op zich goed nieuws, maar dit moet niet ten koste gaan van de kwaliteit. Er zijn veel zorgen over een niveaudaling van het hoger onderwijs. In hoeverre worden eerdere resultaten van studenten vergeleken met die van de huidige lichting?

Er zijn ook veel meer opleidingen dan vroeger. Veel hogescholen en universiteiten werken met glossy folders om studenten te trekken. Iedereen weet dat deze folders soms een buitengewoon rooskleurig beeld schetsen. Ze zijn bedoeld om zo veel mogelijk studenten te lokken, niet om evenwichtig te informeren over de studie. Zou het niet goed zijn als het voorlichtingsmateriaal in het accreditatiekader wordt opgenomen? De brochures dienen een reëel beeld van de studie te geven, niet alleen van de inhoud, maar ook van de contacturen en de bijkomende kosten bovenop het collegegeld.

Ook de student/docentratio moet worden meegenomen in het accreditatiekader. In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de staatssecretaris dat ze dat niet wil doen, maar is het niet zo dat dit er al wel in staat? Ik heb het conceptbeoordelingskader bekeken en daar kwam ik het wel tegen, wat ik op zich goed vind. Graag nog een toelichting.

Een doelstelling van het wetsvoorstel is de aanpak van bureaucratie. Raad van State, VSNU en LSVb betwijfelen sterk of de bureaucratie wel afneemt met deze wet. Uit de pilots is dat nog niet gebleken. De staatssecretaris zegt: het accreditatieorgaan "zal de lasten monitoren en een begeleidingscommissie instellen waardoor de lasten naar verwachting nog verder zullen afnemen". Dat is nogal vrijblijvend. We hechten belang aan een goed systeem van accreditatie, maar het zou mooi zijn als ook de lasten afnemen. Graag een reactie hoe de staatssecretaris dat gaat doen.

Gisteren kregen we op de valreep een nota van wijziging. Net zoals de Landelijke Studentenvakbond kan ik zeggen dat het nieuwe voorstel rond de studentassessor niet tegemoetkomt aan het doel van het versterkte initiatiefrecht en zeker niet in de geest is van de studentassessor. Het voorstel zal in deze vorm slechts leiden tot het verplicht twee keer per jaar extra bij elkaar komen. Daar zijn amendementen op ingediend. Graag krijgen we daar een reactie op. Mocht dat allemaal niet afdoende zijn, dan is het misschien goed om daar op een later moment nog eens uitgebreid op terug te komen.

De heer Harbers (VVD):

Voorzitter. De kwaliteit van het hoger onderwijs moet verder omhoog. Dat is een van de meest gehoorde stellingen in deze tijd, nu iedereen bezig is zijn plannen voor de komende Kamerperiode op een rij te zetten. Een plek in de top vijf van kenniseconomieën wereldwijd krijg je niet zomaar. Er staan zeker twintig landen te trappelen voor een plek in die top vijf. Om die toppositie te bemachtigen zul je dus absoluut kwaliteit moeten leveren in het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek.

Om die reden is het van belang dat we vandaag spreken over de wijziging van het accreditatiestelsel. Dat is namelijk de borging van de kwaliteit van ons hoger onderwijs. Een goed accreditatiestelsel is dus van extreem groot belang voor de toppositie die Nederland dit decennium wil bereiken. Immers, die toppositie bereiken gaat niet door de aantallen hoger opgeleiden te verhogen, maar vooral door ervoor te zorgen dat de waarde van de diploma's die deze hoger opgeleiden behalen, staat als een huis.

Voor de VVD komt daar een belang bij. Bij diverse debatten de afgelopen jaren over de bekostiging van het hoger onderwijs hebben wij ons al uitgesproken voor een groter aandeel van bekostiging op kwaliteitskenmerken. Ook daarvoor biedt een accreditatiestelsel bouwstenen. Bij de invoering van de nieuwe bekostiging, waarover we in januari in een AO spraken, heb ik geconcludeerd dat het nieuwe systeem van bekostiging iets minder perverse prikkels bevat dan het oude, maar dat het nog steeds niet ideaal is. De komende jaren zullen we dus verder moeten werken aan een systeem dat minder op aantallen studenten stuurt en meer op kwaliteit, in de geest van de door de Kamer aangenomen motie-Zijlstra/Besselink. Een motie die de vorige minister helaas nog niet heeft uitgevoerd, maar die we de komende jaren wel als richtsnoer moeten blijven beschouwen.

Ik denk dat we daar vandaag weer een stap voor zetten, doordat de aanpassing van het accreditatiestelsel ruimte biedt voor meer variëteit. Niet langer is er sprake van alleen een oordeel of een opleiding voldoende of onvoldoende scoort, maar er is ook ruimte om aan te geven dat een opleiding goed of excellent is. De VVD-fractie vindt dat een van de positieve punten in het nieuwe accreditatiestelsel.

Zo zijn er meer elementen waar de VVD-fractie tevreden over is. Het is goed dat de kwaliteit gedifferentieerder wordt beoordeeld en dat instellingen door een beperkt regime, na de instellingstoets, de administratieve lasten kunnen terugdringen. Wij hebben ook de overtuiging dat de goede elementen zijn behouden en dat de nadruk meer is komen te liggen op de inhoudelijke kwaliteit van de opleiding, het eindniveau en de examinering. Dat is de basis voor goed hoger onderwijs. Het gerealiseerde eindniveau en de examinering moeten ten minste voldoende zijn. Dat is een belangrijke voorwaarde, al is het maar omdat zowel het oude als het nieuwe bekostigingssysteem een prikkel in zich hebben om studenten aan het eind van hun studie toch nog maar even snel een diploma te verschaffen, want dan krijg je er nog geld voor als instelling.

Het invoeren van de instellingstoets en het bijbehorende beperkte opleidingsregime kunnen helpen om de administratieve lasten te verminderen, maar daar ga ik zo meteen nog verder op in.

Ook een goed punt vinden wij de invoering van een herstelperiode van twee jaar om opleidingen snel weer op orde te brengen als het oordeel is dat dit nodig en mogelijk is. Het oude systeem, zonder herstelperiode maar met de alles-of-nietsbenadering, leidde tot defensief gedrag, waardoor opleidingen die niet aan de maat waren, wellicht toch zijn goedgekeurd omdat de consequentie van een negatief oordeel zo indringend en onherroepelijk was. Tegelijkertijd hebben wij goed gelezen dat er een mogelijkheid is om toch indringend te constateren dat een opleiding niet aan de maat is en gesloten moet worden, en dat die bevoegdheid ook gebruikt kan worden.

Verder zijn wij tevreden over het feit dat de staatssecretaris in de nota van wijziging de termijnen voor een instellingstoets onder voorwaarden en de toets nieuwe opleiding onder voorwaarden heeft teruggebracht van drie naar één jaar. Ook dat heeft de instemming van de VVD-fractie.

Er blijft vanzelfsprekend een aantal onderwerpen over waar ik inhoudelijk verder op wil ingaan en waar wij niet voluit tevreden over zijn of een stap verder in willen gaan. Achtereenvolgens ga ik in op de administratieve lasten en de opzet van het nieuwe stelsel, de instellingstoets onder voorwaarden, de vergelijkbaarheid van de oordelen en twee zaken die gisteren in de nota van wijziging aan de orde kwamen: de studentassessor en het studeren voor studenten met een functiebeperking.

Ten aanzien van de administratieve lasten zit er een probleem in dit voorstel. Van meet af aan was namelijk de bedoeling dat de administratieve lasten zouden worden verminderd, maar helaas is bij de pilots gebleken dat vrijwel nergens de administratieve lasten daadwerkelijk dalen. Hoe realistisch is dan ook de verwachting van de staatssecretaris dat de administratieve lasten worden beperkt met 25%? Waarop is dat gebaseerd? Hoe wordt die verwachting gewaarborgd? Eigenlijk zie ik niet veel meer dat de NVAO de lasten zal monitoren en een begeleidingscommissie zal instellen. Maar met enkele kleine ingrepen kan worden geborgd dat de administratieve lasten daadwerkelijk dalen.

In de eerste plaats constateert de staatssecretaris dat een aantal opleidingen het beperkte kader tijdens de beoordeling uit eigen beweging heeft uitgebreid. Ook is het voorgekomen dat visitatiepanels in de pilots op hun beurt het beperkte kader ook substantieel hebben uitgebreid. Hier zie je dus iets gebeuren wat ons waarschijnlijk allemaal bekend voorkomt: bij een tentamen of examen schrijf je alles op wat je weet in de hoop dat het goede antwoord er ook tussen zit. In de pilots gebeurde dat nog omdat de werking van het nieuwe systeem nog onbekend was. Maar waarop baseert de staatssecretaris de opvatting dat dit gedrag zal verdwijnen als de werking van het nieuwe systeem eenmaal bekend is? Dit is in belangrijke mate te voorkomen als in het accreditatiekader straks goed wordt vastgelegd wat de commissie en de NVAO wel en niet hoeven te weten. In het accreditatiekader kun je ook de informatiestroom beperken tot de zaken die echt relevant zijn voor het oordeel. In het accreditatiekader staat namelijk al omschreven dat straks wordt bepaald welke gegevens het instellingsbestuur mee moet zenden bij de aanvraag van de accreditatie. Graag hoor ik de opvatting van de staatssecretaris hierover. Heeft zij het voornemen om dit soort elementen straks ook in het besluit over het accreditatiekader op te nemen?

In de tweede plaats heb ik vanuit deze gedachte mijn amendement op stuk nr. 10 ingediend om de beperking van de administratieve lasten echt een impuls te geven door de instellingstoets in ieder geval verplicht te stellen voor de bekostigde instellingen. De enige motivatie die de staatssecretaris immers in de antwoorden geeft om de instellingstoets niet te verplichten, is dat het te ver gaat om die op te leggen aan instellingen waarvoor die niet passend is. Hierbij wordt gezegd: "Er kan bijvoorbeeld worden gedacht aan onbekostigde instellingen die maar één geaccrediteerde opleiding aanbieden, naast veel andere onderwijsvormen." Dan gaat het vaak om de niet bekostigde instellingen. Voor bekostigde instellingen zou het dus geen probleem hoeven te zijn. Ik vind dat des temeer van belang omdat de regering zelf aangeeft dat er ook vertrouwen moet zijn in de kwaliteitszorg van de instelling. Als je spreekt over bekostigde instellingen vindt de VVD-fractie dat een dermate belangrijk criterium dat wij dat graag voor alle bekostigde instellingen op instellingsniveau willen waarborgen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als het instellingen zo veel voordelen zou opleveren, zouden ze het dan niet vrijwillig gaan doen? Waarom is die verplichting nog nodig?

De heer Harbers (VVD):

Ook in de beantwoording wordt aangegeven dat het de verwachting is dat de meeste instellingen hiertoe zullen overgaan. Die verwachting betekent echter nog steeds niet dat ze dat allemaal zullen doen. Ik vind het vanuit het oogpunt van een goede besteding van belastinggeld goed dat je de vergelijkbaarheid in het systeem tussen alle universiteiten en alle bekostigde hogescholen op voorhand meegeeft door de instellingstoets. Ik denk dat er vervolgens een belangrijke prikkel van kan uitgaan, omdat dit juist de grootste besparing op de administratieve lasten was. Daarmee regel je een aantal zaken voor een instelling centraal, in plaats van per opleiding.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij zat de belangrijkste vermindering van de administratieve lasten niet alleen daarin, maar vooral ook in het feit dat je geen VBI meer hoeft in te huren, wat ook nogal wat kosten met zich meebrengt. Volgens mij is het verhaal iets genuanceerder dan de heer Harbers het brengt. Stel dat het zo zou zijn dat er bijvoorbeeld aan een bekostigde instelling maar een zeer beperkt aantal opleidingen plaatsvindt en men zegt dat er geen voordeel in zit om het te doen via een instellingsaudit. Waarom wil de heer Harbers die instelling dan niet de ruimte geven om te zeggen: en toch ga ik voor een verzwaarde opleidingsaccreditatie? Waarom wil hij als overheid bepalen dat een autonome instelling in feite zijn regels moet gaan volgen? Dat past niet bij een liberale opvatting, denk ik.

De heer Harbers (VVD):

Nee, maar het past wel bij de opvatting dat je goede controle wilt op de besteding van overheidsgeld. Juist voor de instellingen waar slechts enkele opleidingen zijn, kan de instellingstoets besparingen bieden omdat het vervolgens gaat om criteria die je niet meer bij de accreditatie van de afzonderlijke opleidingen hoeft mee te nemen. Daarnaast denk ik overigens ook dat in de praktijk dit soort instellingen nauwelijks voorkomen. Wij spreken veel meer over de klachten uit het veld van met name particuliere opleidingen die één of een paar opleidingen hebben in het bekostigde systeem. Die sluit ik uit doordat het niet gaat om de bekostigde instellingen waaraan ik die toets wil opleggen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Misschien kan de heer Harbers nog eens nadenken over zelfstandige pabo's, waar een beperkt aantal opleidingen is. Misschien kan hij nog eens nadenken over de Scheepvaartschool. Zo zijn er nog wel enkele voorbeelden te noemen: wel publiek bekostigd met een zeer beperkt aantal opleidingen, terwijl het wel een instelling is. Misschien kan de heer Harbers dat nog eens meenemen in zijn overwegingen of hij doorgaat met het amendement.

De heer Harbers (VVD):

Ik zou dat wel willen meenemen, maar ik denk dat juist bij de voorbeelden die de heer Van Dijk noemt wel degelijk voordelen zijn bij een instellingstoets. Als wij spreken over de pabo's hebben wij het over een goede opleiding van toekomstige docenten. Ook de Scheepvaartschool heeft behoorlijk veel opleidingen in het bekostigde segment, althans, als de heer Van Dijk het Scheepvaart en Transport College bedoelt. Ik denk dat wij daar uiteindelijk veel mee te winnen hebben. In dat opzicht ben ik in eerste instantie benieuwd naar het antwoord van de staatssecretaris. Tot die tijd handhaaf ik sowieso mijn amendement.

Voordat ik overga op de instellingstoets heb ik nog een opmerking over het nog te verwachten besluit accreditatiekader en de AMvB waarin de criteria zullen worden vastgelegd voor die instellingstoets en de toets nieuwe opleiding. Aangezien deze besluiten pas later volgen en eerst aan de Kamer worden voorgehangen, ontstaat er volgens mij een probleem. De wet stelt dat instellingen binnen twee maanden na inwerkingtreding van de wet moeten besluiten tot deelname aan de versnelde invoering. Dat impliceert dat enkele instellingen al binnen enkele maanden na inwerkingtreding van deze wet beoordeeld gaan worden. Dat roept bij mij de vraag op of de criteria op dat moment al bekend zullen zijn, want ook de criteria voor de instellingstoets zitten in het accreditatiekader. Dat besluit moet dan wel op korte termijn aan ons worden voorgelegd, wil je instellingen een goede afweging kunnen laten maken over de vraag of zij aan die versnelde invoering zullen deelnemen.

Ik kom op een situatie waarin de instellingstoets onder voorwaarden is verleend, een variant op de eerste casus die de heer Jan Jacob van Dijk zojuist naar voren bracht. Ook hiervoor geldt dat de criteria ons nog moeten bereiken in de AMvB. Er ontstaat een ongewenste situatie als de instellingstoets nog onder voorwaarden is verleend en opleidingen gedurende die periode volgens het beperkt regime zullen worden geaccrediteerd. Immers, van verdiend vertrouwen is op dat moment nog geen sprake. Daarom heb ik een amendement ingediend om gedurende de periode dat de voorwaarden van kracht zijn, geen accreditatie onder beperkt regime toe te laten. Enerzijds is dit gedreven door de gedachte dat een extra borging van kwaliteit nodig is en anderzijds omdat het een extra stok achter de deur is om snel van de beperkende voorwaarden af te komen.

Ik kom op de vergelijkbaarheid van de oordelen over opleidingen. Volgens mij is iedereen het erover eens dat het het mooist is om vergelijkbare opleidingen in dezelfde periode en op basis van vergelijkbare gegevens te laten accrediteren. Het gaat dus niet alleen over de criteria, maar ook over het moment van accreditatie. De praktijk zoals de staatssecretaris die schetst gaat niet verder dan dat instellingen ervoor moeten zorgen dat zo veel mogelijk in samenwerking met andere instellingen wordt voorzien in een regelmatige beoordeling en dat de VNSU en de HBO-raad deze samenwerking willen coördineren. Ik vraag mij af of dat voldoende is. Wat gaat de staatssecretaris doen als deze coördinatie en samenwerking niet tot dit resultaat leiden? Ik kom hierop omdat de voorzitter van de NVAO ons tijdens de briefing over het wetsvoorstel zelf het probleem meegaf dat de vergelijkbaarheid hierin nog niet geborgd is.

Gisteren bereikte ons de nota van wijziging. Daarin is opgenomen dat in de accreditatie ook bepalingen worden opgenomen over studeren met een functiebeperking. Daarbij vielen mij twee zaken op. In de eerste plaats voldoet geen van de instellingen voor hoger onderwijs in alle opzichten aan de eisen die voortvloeien uit het referentiekader. Daar ben ik van geschrokken, net als de heer Jan Jacob van Dijk. In de tweede plaats zijn de huidige wettelijke bepalingen onvoldoende om de toegankelijkheid en studeerbaarheid van het hoger onderwijs voor studenten met een functiebeperking te garanderen. Echter, de commissie-Maatstaf was nog maar net klaar met het advies of het moest gistermiddag met stoom en kokend water in dit wetsvoorstel worden gegoten. Ik heb daar een tijdje over nagedacht. De VVD-fractie is daar niet voor. Wij zijn er zeer voor dat de toegankelijkheid voor studenten met een functiebeperking een wettelijke basis gaat vinden, maar wij moeten dit zorgvuldig regelen en daarbij de vraag beantwoorden of het accreditatiebestel de beste plek is. Terecht stellen de HBO-raad en de VSNU in dit verband dat lastendruk ook ontstaat of verzwaard wordt als het stelsel wordt benut om andere beleidsdoelen dan de inhoudelijke kwaliteit van het onderwijs in te brengen. Ik ben er dan ook veel meer voor om dit belangrijke onderwerp los van het voorliggende wetsvoorstel te bespreken en het elders in de Wet op het hoger onderwijs een verankering te geven. Daarom heb ik een amendement ingediend op dat punt. Daar zou ik graag een reactie van de staatssecretaris op willen hebben.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Een van de argumenten van de heer Harbers is dat wij dit zorgvuldig moeten doen. Hij vroeg zich af waarom wij dit met stoom en kokend water doen. Is hij het met mij eens dat wij hier al jaren over praten in deze Kamer en dat er steeds niets, of, om het genuanceerder te zeggen, te weinig gebeurt in dat verband, en dat de term "met stoom en kokend water" daarbij niet aan de orde kan zijn?

De heer Harbers (VVD):

Ik ben het zeer met mevrouw Besselink eens dat er heel veel op dit gebied moet gebeuren. Ik ben het zeer met haar eens dat het al veel te lang duurt. Zij kan de term "met stoom en kokend water" misplaatst vinden, dan neem ik die terug. Maar het voorstel bereikte ons gisteren. Daardoor hebben wij er nauwelijks over kunnen praten. Het accreditatiebestel is de verkeerde plek om dit in de wet te regelen. Iedere plek in de Wet op het hoger onderwijs is een betere plek. Want natuurlijk, als het niet vanzelf gaat – de commissie-Maatstaf constateert ook dat dit een meer wettelijke verankering moet vinden – zullen wij het in de wet moeten opnemen. Ik denk alleen niet dat het goed is om dit weer als een van de criteria toe te voegen aan het accreditatiebestel. Op die manier kunnen wij daar nog veel meer beleidsdoelen aan gaan toevoegen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Mag ik concluderen dat de heer Harbers in dit geval niet vindt dat de letterlijke betekenis van de uitdrukking "nood breekt wet" geldt voor zo'n belangrijke zaak?

De heer Harbers (VVD):

Nee, dat mag mevrouw Besselink niet concluderen. Het feit dat ik zeg dat het niet in het accreditatiebestel thuishoort, betekent niet dat ik een wetswijziging op de lange baan wil schuiven. Als zelfs in deze demissionaire periode ons nog een voorstel zou bereiken, zou ik er zeer voor zijn om dat nog te behandelen. Maar ik vind dit nu eenmaal de verkeerde plek in de wet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Een van de elementen van de instellingsaudit is de kwaliteitszorg; dat zijn de kwaliteitselementen van de opleidingen. Een van die elementen is: in hoeverre zorg je ervoor dat iedereen die kan studeren ook werkelijk die studie kan volgen? Is het dan niet logisch dat dit juist in het kader van kwaliteitszorg een belangrijk onderdeel is waarop acht moet worden geslagen en dat onderdeel kan uitmaken van de accreditatie? Zou het om die reden niet toch logisch zijn om het hier neer te leggen? Als de heer Harbers "nee" zegt, wat is dan zijn concrete alternatief? Waar zou het dan geregeld moeten worden? Wij willen er dan ook kritisch, positief kritisch, constructief kritisch – ik kijk even in de richting van de heer Van der Ham – naar kijken.

De heer Harbers (VVD):

Hiermee neem je het mee in het accreditatiebestel en wordt het meteen onderdeel van de beoordeling, vanaf over enkele maanden. Ik vind dat zorgelijk, want dit kabinet heeft de financiële middelen om instellingen tegemoet te komen om studeren met een functiebeperking mogelijk te maken juist ingeperkt. Eigenlijk betekent het dat vanaf over een paar maanden, als de wet is ingevoerd en de instellingstoetsen gaan lopen, opleidingen hun accreditatie gaan verliezen, omdat het nog niet is geregeld en er nog zo'n grote inhaalslag te maken is. Maar zoals ik zojuist al heb gezegd, ben ik het ermee eens dat dit wel een wettelijke verankering moet vinden. Ik vind het extra ballast in het accreditatiesyteem, als je deze beoordeling ook daarin meeneemt. Instellingen zullen zich aan de wet moeten houden. Daarom zei ik zojuist: op iedere andere plek in de Wet op het hoger onderwijs komt wat mij betreft de verplichting dat instellingen goed toegankelijk zijn voor studenten met een functiebeperking.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

In de afgelopen vier, vijf jaar is herhaaldelijk in de Kamer gesproken over dit onderwerp en is herhaaldelijk aangegeven dat de minister contact zou opnemen met de VSNU en de HBO-raad om dit soort dingen te regelen. Iedere keer kregen wij de rapportage terug: het gaat goed. Er is een apart subsidietraject in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat dit zou gebeuren, voor een beperkte periode om daarmee de dingen te doen, maar ook dat heeft onvoldoende effect. Is het dan niet een keer tijd om te zeggen: nu moet er echt een effectief instrument zijn om ervoor te zorgen dat het werkelijk goed gaat gebeuren?

De heer Harbers (VVD):

Ik ben er meer voor dat wij hier een goed debat hebben over de vraag waar wij dit de wettelijke verankering geven zodat het ook echt gaat gebeuren. Dat is beter dan dat – dat is wel min of meer binnen een paar dagen – er op vrijdag een rapport verschijnt en op maandag meteen wordt besloten: wij zetten dit ook in het toevallig eerst voorliggende wetsvoorstel, waarmee het gelijk ook in een heel ander bestel terechtkomt, namelijk het hele accreditatiebestel met alles wat daarbij hoort. Ik vind dat niet verstandig. Ik denk niet dat je daarmee à la minute afdwingt dat iedere instelling toegankelijk is. Ik voorspel u wat er gaat gebeuren, als wij met dit criterium erbij vanaf over een paar maanden, als de wet is ingevoerd, de instellingen gaan toetsen. Dan zal dat er echt niet toe leiden dat opleidingen binnen instellingen à la minute gesloten worden. Daarmee schuiven wij het weer voor ons uit. Dan kunnen wij beter een debat voeren: wat is er gebeurd met die financiële middelen, hoe maak je dit verder mogelijk, hoe serieus nemen wij dit en zetten wij er ook de middelen tegenover?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik wil toch ook nog een poging doen. Wij hebben het er hier vaker over gehad. Ik heb in 2008 een amendement over dit onderwerp ingediend. De minister heeft toen gezegd: ik wil dit later bij een ander stuk wetgeving laten terugkomen. Wij hebben er regelmatig gesprekken over gehad, maar het is niet gebeurd. De vraag die de heer Jan Jacob van Dijk stelt, stel ik ook aan de heer Harbers. Waar zouden wij het anders moeten neerzetten dan in datgene wat over de kwaliteit van het onderwijs gaat, in dit stuk wetgeving? Ik kan wel begrijpen dat de VSNU nu weer een briefje stuurt, maar zij heeft dit toch al een tijdje kunnen zien aankomen?

De heer Harbers (VVD):

Dat ben ik geheel met de heer Anker eens, maar het staat nu in een artikel waarmee het onderdeel is geworden van het accreditatiesysteem. Op elke andere plek in de Wet op het hoger onderwijs vinden wij waarschijnlijk een betere plek om wettelijk te verankeren waaraan instellingen moeten voldoen.

De heer Anker (ChristenUnie):

Dan moet de heer Harbers concreet worden: moet het via medezeggenschap of via bekostiging? Hoe ziet hij dat voor zich?

De heer Harbers (VVD):

Bijvoorbeeld via de bekostiging. Op dit moment vind ik het de verkeerde plek. Ik meen dat het veel meer een debat is, zoals ik net al zei, over de vraag wat er precies op dit gebied gedaan is. Zullen wij daadwerkelijk binnenkort opleidingen sluiten – ondanks het feit dat dit de afgelopen jaren niet is gedaan – als niet iedere opleiding in Nederland meteen toegankelijk is voor mensen met een handicap? Ik denk namelijk dat dit in de praktijk niet zal gebeuren. Als je dit punt op deze manier in de wet opneemt, wordt het ook weer een loze letter. Je kunt dan veel beter zeggen: wij nemen het serieus, er zijn middelen tegenover gezet; zijn die voldoende geweest, is daar voldoende mee gedaan en moet daar geen vervolg aan worden gegeven?

De heer Anker (ChristenUnie):

Als een minister tegen een instelling heeft gezegd dat deze er werk van moet maken, als er geld voor wordt uitgetrokken, als het al jaren loopt, als er al meerdere malen aandacht voor is gevraagd, en het is niet gebeurd, dan hebben wij toch zo'n beetje alles gedaan wat wij konden om dit onderwerp heel serieus met elkaar te bespreken?

De heer Harbers (VVD):

Dat ben ik met de heer Anker eens, maar niet op dit punt in deze wet. De minister heeft in 2008 al toegezegd dat hij het een keer zou betrekken bij een voorliggend wetsvoorstel. Ik vind dat wij daar wel heel erg lang op hebben zitten wachten als wij het pas vandaag bij deze wetswijziging behandelen. Studeren met een functiebeperking speelt per definitie op instellingsniveau. Volgens mij wordt dat extra ingewikkeld in de accreditatie van opleidingen volgens een uitgebreid regime.

Tot slot zal ik nog een paar woorden spreken over de perikelen rond de studentassessor. Ik heb het vermoeden dat wat nu in de nota van wijziging wordt geregeld, namelijk het recht van de medezeggenschapsraad om twee keer per jaar het college van bestuur uit te nodigen, niet veel anders is dan wat nu ook al geregeld tot stand komt. Saillant detail daarbij is dat ik vernam dat studentorganisaties pas afgelopen donderdag zijn geraadpleegd over dit voorstel, terwijl de VSNU al op 18 februari over dit voorstel sprak met de toenmalige minister.

Om die reden hebben de heren Van der Ham, Jasper van Dijk en ikzelf een amendement ingediend om een stap verder te gaan in het borgen van de informatievoorziening. Dat amendement handhaaf ik in ieder geval. In artikel 7.15 van de WHW, waar mevrouw Besselink net over sprak, staat slechts iets over de informatievoorziening aan aanstaande studenten. In dat artikel hebben wij het in ieder geval nog niet geregeld. Daarom denk ik dat het goed is om bovenop hetgeen al in de nota van wijziging staat, afspraken te maken over de informatie-uitwisseling.

Mevrouw Besselink (PvdA):

De heer Harbers heeft een terecht punt. Per abuis heb ik artikel 7.15 genoemd. Het had artikel 9.32 van de WHW moeten zijn. Daarin wordt wel tijdig de informatieplicht geregeld. Een deel daarvan is dus al geregeld.

De heer Harbers (VVD):

Dan gaan wij eerst artikel 9.32 weer eens lezen; tot zolang blijf ik in ieder geval bij het amendement dat wij al hebben ingediend. Met dat amendement kunnen beide partijen, studenten en instellingen, de situatie laten zoals deze is als zij tevreden zijn over de huidige verstandhouding, en instellingen waar onvrede bestaat over het moment van de medezeggenschap en de manier waarop deze erbij wordt betrokken, worden ertoe aangezet om hierover samen het gesprek aan te gaan en voor beide partijen acceptabele afspraken te maken.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn inbreng in eerste termijn. Zoals ik heb aangegeven bouwt het nieuwe accreditatiestelsel voort op de goede punten van het oude stelsel en bevat het goede prikkels om de bureaucratie te verminderen, waardoor wij ons kunnen richten op de inhoud. De hamvraag is natuurlijk hoe alles straks in de praktijk zal uitpakken. In de praktijk zullen wij een stelsel zien waarin de vrees dat licht ondermaatse opleidingen toch worden geaccrediteerd, zich niet meer voordoet. Wij zullen zien dat de aandacht voor processen en procedures die de overhand kregen ten koste van de aandacht voor de inhoudelijke kwaliteit van een opleiding teniet gedaan wordt. Het wordt geen stelsel waarin bij slechte oordelen altijd een herstelperiode plaatsvindt, maar het wordt een systeem waarin herstel alleen plaatsvindt als er iets te herstellen valt. Anders zal de opleiding alsnog worden gesloten. Studenten zullen uiteindelijk vanzelfsprekend goed onderwijs krijgen, steeds beter de kwaliteit kunnen beoordelen en als de kwaliteit ondermaats is, snel naar een andere opleidingsinstelling worden geholpen. Als zodanig is dat een variant op de tweede casus van de heer Jan Jacob van Dijk.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Uit evaluaties en rapporten bleek dat ons accreditatiestelsel onvoldoende effectief was: hoge administratieve lasten, te veel nadruk op processen en onvoldoende aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs. Een herziening was dus hard nodig. De D66-fractie is daarom voorstander van het principe dat een instelling die het goed doet, minder last heeft van de inspectie. Een steviger instellingstoets moet leiden tot minder administratieve lasten voor de opleidingstoets. De HBO-raad stelt voor om tussentijds te evalueren of de aanpassing ook echt tot een reductie van administratieve lasten heeft geleid. Wat vindt de staatssecretaris van dat voorstel?

Wij vinden het van belang dat ook het lichte regime kwaliteitsverschillen tussen opleidingen zichtbaar maakt. Ik vraag de staatssecretaris of kwaliteitsverschillen tussen opleidingen, ook in het beperkte regime, voldoende inzichtelijk zijn voor studenten. Kunnen zij die kwaliteitsverschillen betrekken bij hun studiekeuze? Op welke wijze publiceert de NVAO haar oordeel?

De D66-fractie is voorstander van differentiatie tussen opleidingen. Instellingen kunnen zich zo meer profileren en de student heeft daardoor meer keuze. Krijgt de NVAO bij een beperkte accreditatie voldoende inzicht in het antwoord op de vraag of een opleiding excellent is? Hoe pakt het onderscheid in accreditatieregimes uit als binnen één instelling straks excellente en zwakke opleidingen bestaan? Krijgt de instelling dan in haar geheel te maken met een strenge instellingstoets of alleen maar op de onderdelen van het onderwijs die juist als zwak worden gezien?

Wij willen graag dat Nederland tot de internationale onderwijstop behoort. Kan de staatssecretaris aangeven wat de gevolgen zijn van een negatieve instellingstoets? Kan de instelling na een negatieve toets nog nieuwe opleidingen starten? Hoeveel tijd krijgt de instelling na een negatieve toets om verbeteringen door te voeren?

Ons onderwijs moet gelijke kansen geven. Een handicap mag geen belemmering zijn voor het ontplooien van talent. De HBO-raad en de VSNU hebben aangegeven dat het opnemen van aanpassingen voor gehandicapte studenten in het accreditatiestelsel leidt tot flinke administratieve lasten. De heer Harbers sprak daar ook al over. D66-fractie vindt het prima als wij van de onderwijsinstellingen vragen om extra hun best te doen, want de afgelopen jaren is het nog niet helemaal op orde. Dat hebben wij ook vaak in de Kamer besproken. De administratieve lasten zijn een belangrijk bezwaar. Ik wil graag in reactie op het amendement van de heer Harbers weten of er voldoende mogelijkheden zijn voor het terugdringen van de administratievelastendruk die daaruit volgens de HBO-raad en de VSNU voortvloeit. Ik kan dat gewoon niet beoordelen. De nota van wijziging is ons kort voor dit debat toegestuurd. Heeft Actal daarnaar gekeken? In hoeverre kunnen wij verwachten dat de administratieve lasten op een ernstige wijze worden vergroot? Ik wil graag een uitvoerige reactie op het amendement van de heer Harbers.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Wat weegt het zwaarst voor de fractie van D66? Is dat om voor eens en voor altijd ervoor te zorgen dat ook studeren met een handicap mogelijk wordt en geregeld wordt, of is dat het verminderen van de administratievelastendruk? Als u mag kiezen, waar kiest u dan voor?

De heer Van der Ham (D66):

Ik kies voor het eerste. Dat mag duidelijk zijn. Op het moment dat wij dit gaan uitwerken, hoop ik dat de staatssecretaris in de korte tijd die zij heeft genomen om dit voorstel op dat punt te veranderen, ook met een schuin oog kijkt naar het andere deel van de vraag van mevrouw Besselink. Dat is de vraag hoe wij ervoor zorgen dat dit in ieder geval zo inpasbaar mogelijk wordt gemaakt. Het een hoeft het ander dus niet uit te sluiten. Maar het mag duidelijk zijn dat de toegankelijkheid van eenieder die wil studeren bij de D66-fractie op nummer een staat.

Geen macht zonder tegenmacht, zeg ik maar even op de dag dat wij hier Hans van Mierlo hebben herdacht. Door middel van mijn amendement over de studentassessor in de vorige periode waarin wij deze wet behandelden, heb ik gepoogd de positie van de medezeggenschap in het hoger onderwijs te versterken. Studenten zijn meer dan leerlingen op een basisschool of een middelbare school bij hun opleiding betrokken. Zeker als wij van studenten verwachten dat zij meer investeren in hun eigen opleidingen, moeten wij ook ervoor zorgen dat zij betrokken zijn en die betrokkenheid kunnen tonen.

Het amendement over de studentassessor werd door deze Kamer aangenomen, maar bleek in de Eerste Kamer op veel weerstand te stuiten. De belangrijkste kritiek was dat hiermee de scheiding tussen bestuur en medezeggenschap zou vervagen. De senatoren dreigden het hele wetsvoorstel te verwerpen als de studentassessor daarin overeind zou blijven. Vanuit de Tweede Kamer probeerden wij met de minister te komen tot een alternatief voorstel dat tot een compromis zou kunnen leiden om al die elementen te bewaken. De deelname van studenten aan vergaderingen van het college van bestuur werd beperkt en er werd nogmaals duidelijk gemaakt dat het ging om de informatiepositie van de medezeggenschapsraad bij de voorbereiding van beleid.

We vonden het wel jammer dat minister Plasterk pas heel laat koos voor de verdediging in de Eerste Kamer. Dat is echt een unicum. Als een wetsvoorstel hier wordt aangenomen, hopen wij echt dat het in zijn geheel, met alle elementen ervan, hartgrondig wordt verdedigd in de Eerste Kamer. Ik hoop dat dit geen voorbeeld is voor komende ministers. Ik zie de nota van wijziging die er is gekomen, als een bescheiden poging om tegemoet te komen aan de doelstelling van de studentassessor en aan de wensen van zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Colleges van bestuur moeten regelmatig in overleg met de medezeggenschapsraad over voorgenomen beleidsideeën. Het voorstel zegt alleen niets over de omstandigheden waaronder dat gebeurt. Hoe komt zo'n overleg tot stand? Moet het college van bestuur instemmen met een verzoek om overleg over het beleid van instellingen? Hierop hoor ik graag een reactie van de staatssecretaris.

Samen met de fracties van de VVD en de SP heb ik gepoogd in dat amendement verdere invulling te geven aan de positie van de medezeggenschapsraad. Met dit amendement willen we graag regelen dat de medezeggenschapsraad met het college van bestuur afspraken maakt over welke informatie zij wanneer, op welke manier, voorafgaand aan het overleg van het college krijgt. Zo kan de medezeggenschapsraad het college erop aanspreken als hij onvoldoende informatie ontvangt of als informatie te laat wordt toegestuurd. Op dit soort punten willen wij het wetsvoorstel licht wijzigen. Dit is een nadere uitwerking van wat er nu staat. De heer Harbers heeft op een goede manier betoogd dat wij dit echt een aanvulling vinden op wat mevrouw Besselink heeft voorgelegd. Daarmee hebben wij de faux pas van mevrouw Besselink bij het aanhalen van dat wetsartikel ook afgedaan in dit debat.

Mevrouw Besselink (PvdA):

We moeten hier inderdaad helder hebben wat er wel of niet geregeld is, dus ik heb het nog even goed nagekeken. Dit blijkt inderdaad deels in artikel 9.32 geregeld te worden. Studenten moeten gewoon tijdig geïnformeerd worden. Het punt dat extra in uw amendement zit, is om met elkaar afspraken te maken over hoe je dat vorm gaat geven. Naar aanleiding daarvan heb ik een vraag. Wat wilt u precies in de wet regelen? Wanneer denkt u dat er voldoende haken in de wet zitten om er met elkaar uit te komen? In uw verkiezingsprogramma van 2006, Het gaat om mensen, staat in het hoofdstukje Vertrouwen in scholen: "Scholen en instellingen weten zelf het beste wat goed is voor hun leerlingen en studenten. Zij kunnen zelf verantwoordelijkheid dragen voor het onderwijs dat zij bieden. Daarvoor is het nodig hen vertrouwen (in de vorm van geld en vrijheid) in plaats van wantrouwen (in de vorm van regels) te geven." Is uw voorstel om dit alles nog meer te regelen eigenlijk niet strijdig met uw eigen inzet om te regeren op basis van vertrouwen in plaats van wantrouwen? Geeft het wetsvoorstel dat wij nu hebben, niet al voldoende haakjes om daaraan tegemoet te komen?

De heer Van der Ham (D66):

Het citaat dat u aanhaalt, gaat natuurlijk over iets heel anders. Dat gaat over de inhoud van het onderwijs. Overigens gaat dat over het algemeen over het basis- en middelbaar onderwijs. In het hoger onderwijs weten docenten meestal ook heel goed wat zij aan hun studenten willen meegeven. Hier gaat het over bepaalde beleidsvoornemens van het college van bestuur. Die kunnen over studentenzaken gaan, maar ook over allerlei andere zaken die de universiteit betreffen. Je moet zorgen voor een goede informatievoorziening voor studenten en je moet haakjes in de wet maken om die macht ook een tegenmacht te geven. Deze staat sowieso al uit het lood, want het college van bestuur heeft natuurlijk ontzettend veel middelen om zich goed voor te bereiden en studenten en docenten staan soms een stuk zwakker in de medezeggenschap. Daarom zeg ik dat er voldoende informatie moet zijn. Studenten moeten bijvoorbeeld met nadruk kunnen wijzen op ons amendement, als dat deel wordt van de wet. Zij hebben ook het recht om afspraken te maken over de manier en het tijdstip waarop zij worden geïnformeerd; niet één minuut voor de vergadering. Dat soort zaken kun je via dat amendement afdwingen. Inderdaad moeten zij daar in de lokale situatie in onderling verkeer uitkomen. Wij hebben hiermee echter een aantal haakjes in de wet willen aangeven, zodat studenten en anderen die gebruik willen maken van de medezeggenschap, daarop een beroep kunnen doen. Ze kunnen dan op de wet wijzen en zeggen dat ze in hun recht staan. Dat heeft niets met de inhoud te maken, maar met de procedure waarnaar je kunt verwijzen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

In wat we willen bereiken, liggen we niet zo ver uit elkaar.

De heer Van der Ham (D66):

Precies.

Mevrouw Besselink (PvdA):

De discussie gaat over wat er in de wet geregeld is. Er staat in de wet "tijdig alle inlichtingen te krijgen". Dat "tijdig" lijkt mij voldoende. D66 zegt in zijn programma dat de overheid een forse stap terug moet doen en dat we van onnodige regelgeving af moeten. Dit zou u in de komende dagen in overweging moeten nemen. Kijkt u nog eens serieus naar het wetsartikel en overweeg nog eens of het nou echt nodig is om alles wat u nu omschrijft, in de wet te regelen. Er staat namelijk al een grote haak in de wet.

De heer Van der Ham (D66):

Nee, dat is dus niet zo. Wat is "tijdig"? Is dat een uur voor de vergadering, is dat twee uur voor de vergadering? Wij willen dat van tevoren onderlinge afspraken moeten worden gemaakt over wat er reëel wordt gevonden en wat de definitie van "tijdig" is. Ik zet niet in het amendement wat dan precies het tijdstip moet zijn. Dat mag onderling afgesproken worden, maar een student moet wel kunnen wijzen naar de wet en kunnen zeggen dat hij inspraak wil over de definitie van wat in de wet is neergelegd. Dat zeggen we in dit amendement. Het is dus niet tot op microniveau regelen wat er moet gebeuren, maar als iemand wil specificeren wat "tijdig" is, kun je wel het gesprek met hem aangaan en verwijzen naar de wet. Dat is een heel belangrijk wapen voor hen die gebruikmaken van de medezeggenschap. Ik hoop dan ook echt dat u die macht- en tegenmachtvraag ook goed op u laat inwerken. Zo komt u hopelijk tot de conclusie dat het amendement van mijzelf en de heren Harbers en Jasper van Dijk helemaal niet zo gek is en dat het juist heel veel kracht kan geven aan medezeggenschap. Daar ontbreekt het namelijk heel vaak aan.

De heer Jasper van Dijk heeft nog een aantal andere amendementen ingediend. Die amendementen kunnen over het algemeen op mijn sympathie rekenen. Ik heb het al gehad over het amendement van de heer Harbers over gehandicapten. We vinden dat heel sympathiek, maar we hebben wel wat vragen over de inpassing daarvan. Daarom willen we daarop graag wat antwoorden in de eerste termijn van de staatssecretaris. Ik heb van het amendement van mevrouw Besselink al gezegd: een heel mooi begin, maar maak het nu goed af. Help het amendement van de drie oppositiefracties – overigens behoort de PvdA inmiddels ook tot de oppositie – aan een meerderheid. Dat zou de informatievoorziening van studenten kunnen verbeteren.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Wie de titel van dit wetsvoorstel vluchtig leest, krijgt waarschijnlijk niet meteen warme gevoelens. Het gaat vanavond over de wijziging van een accreditatiestelsel. Dat klinkt niet direct inspirerend. Als we echter op de Franse oorsprong van het woord "accreditatie" letten, zien we dat het gaat om het schenken van vertrouwen en het toekennen van geloofwaardigheid. Dat is een belangrijk uitgangspunt bij de ordening van de samenleving en zeker ook in de sfeer van het hoger onderwijs. Het is dus voluit de moeite waard.

De SGP-fractie steunt de ontwikkeling die met dit wetsvoorstel wordt ingezet. Als op het niveau van de instelling vertrouwen verdiend is, is het belangrijk om de toezichtslast op het niveau van de opleiding te verminderen. De regering biedt deze gedachte als facultatief aan door het model van de instellingstoets te regelen. Het oude model van volledige toetsing op opleidingsniveau blijft als mogelijkheid bestaan. De SGP-fractie vraagt zich af of dat het eindpunt kan zijn. Moeten wij bijvoorbeeld niet verder naar verplichte accreditatie op instellingsniveau en, bij positieve beoordeling, een beperktere vorm van toezicht op opleidingsniveau?

Bestrijding van administratieve lasten is een belangrijke doelstelling van het wetsvoorstel. Dat is een mooi streven. Mijn fractie blijft de onderbouwing echter opmerkelijk vinden, want de pilots geven juist geen aanmerkelijke vermindering van de administratieve lasten aan. Toch ziet de regering aanknopingspunten. Dat is mooi, maar is dat niet erg wankel voor een wijziging van het stelsel? Er begint hierover al een levendige discussie te ontstaan tussen verschillende partijen in het hoger onderwijs. Graag opheldering op dit punt.

Een belangrijk argument voor het facultatieve model noemt de regering de last die instellingen met weinig opleidingen bij een verplichte instellingstoets te dragen krijgen. De SGP-fractie is gevoelig voor dit belang. Er blijft echter een paradox in het voorstel. Aan de ene kant is de regering ervan overtuigd dat lastenvermindering gerealiseerd wordt, maar tegelijk blijkt dat vaak niet het geval te zijn. Hoe is dat te rijmen? Zou het uitgangspunt niet moeten zijn dat ook kleine instellingen in het nieuwe model niet slechter af zijn? Is de verzwaring van de last bij de instellingstoets niet vooral het gevolg van een groter aanbod aan opleidingen? Graag een nadere toelichting.

Mijn fractie heeft nog een kritische houding tegenover de manier waarop differentiatie in de beoordeling van opleidingen wordt mogelijk gemaakt. Het is de vraag of er werkelijk meer helderheid wordt geboden en of de doelstelling van meer competitie wordt gehaald. Met de schaal onvoldoende, voldoende, goed en excellent lijkt het er erg veel op dat de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie NVAO een rapportcijfer gaat uitdelen. Uitgangspunt moet toch zijn dat het accreditatieorgaan vaststelt of een opleiding vertrouwen verdient en of ze voldoet aan de gestelde eisen, zie bijvoorbeeld ook het advies van de Raad van State op pagina 11. Alleen voor uitzonderlijke opleidingen zou eventueel het etiket excellent uitgedeeld kunnen worden, zonder dat daar een financiële bonus voor geldt. Wil de staatssecretaris dit alternatief nog eens overwegen?

Het wetsvoorstel regelt een mogelijkheid tot uitstel voor opleidingen die bij de toets niet voldoen aan de kwaliteitseisen. Er is een herstelperiode van maximaal twee jaar, artikel 5a.12a. Daar moeten we niet te scheutig in zijn. De keerzijde van het vertrouwen dat in opleidingen wordt gelegd, is dat harde consequenties nodig zijn wanneer dat vertrouwen beschaamd wordt. Dat is niet onrechtvaardig. Opleidingen hebben immers zes jaar de tijd gehad om zich voor te bereiden op een nieuwe accreditatie. Als er al sprake is van een mogelijkheid tot herstel, moet het eigenlijk gaan om zaken die relatief eenvoudig te genezen zijn. Deelt de staatssecretaris dit uitgangspunt? Waarom is niet aangesloten bij de gewijzigde maximale termijn voor de toets nieuwe opleiding, namelijk een jaar?

Voor studenten die hun zegje willen doen binnen de universiteit is dit wetsvoorstel een opsteker. Het bestaande instrumentarium van inspraak en medezeggenschap wordt nog verder opgetuigd. Het is goed dat er binnen de instelling mogelijkheden zijn tot inspraak, maar de vraag is of wij steeds meer moeten willen. Waar is het einde? Wil de staatssecretaris daar eens op ingaan?

Fundamentelere vragen zijn te stellen bij de positie van de student in het kader van de accreditatie. In artikel 5a.2 lid 2 is geregeld dat in de deskundigencommissies een student zitting heeft. Dat is op zichzelf merkwaardig. Het gaat niet meer over interne mogelijkheden, waar de stem van de student waarlijk telt, maar over een externe beoordeling. Krijgen wij niet te veel de associatie met de slager die zijn eigen vlees keurt wanneer onderwijsdeelnemers onderwijsinstellingen gaan beoordelen? Is zitting in een deskundigencommissie werkelijk noodzakelijk om de mening van studenten te kunnen horen? Het laatste kan natuurlijk heel gewenst zijn, geen misverstand daarover. Toch hoor ik graag een rechtvaardiging van de aan het voorliggende wetsvoorstel ten grondslag liggende keuze.

Als het gaat om accreditatie hebben we een bijzonder samenwerkingsverband tussen Nederland en Vlaanderen, belichaamd in de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie, de NVAO. Als het gaat om het nieuwe accreditatiestelsel, ontstaat echter verschil tussen beide partners, aangezien Vlaanderen heeft besloten om te wachten met herziening. Kunnen problemen ontstaan wanneer Vlaanderen uiteindelijk besluit een ander stelsel te hanteren? Dat zou toch kunnen? In hoeverre is het wenselijk dat systemen dezelfde invulling hebben? Welke minimumcondities gelden eigenlijk als het gaat om de uniformiteit in stelsels?

Studeren met een handicap of functiebeperking is voor de SGP-fractie al jaren een zeer zwaarwegend thema. Jaren terug diende ik daar een motie over in, door de Kamer aanvaard, om er scherper op toe te gaan zien dat de instellingen serieus bezig zijn met het realiseren van de mogelijkheden tot participatie van studenten met een functiebeperking of een handicap. Natuurlijk is daar het een en ander voor te doen en voor te regelen, maar het moet er wel een keer van komen. Ook mijn fractie constateert dat dit niet erg opschiet, zij het dat ik ook wel enkele voorbeelden ken van situaties waarin beslist iets ten goede is gewend.

In de nota van wijziging is een en ander snel meegenomen. Een van de collega's vindt het te snel gaan en wil dit onderwerp separaat aan de orde stellen. Dat betreft het amendement op stuk nr. 13. Mijn fractie wil spoed betrachten onder één voorwaarde, namelijk dat het effectief en zorgvuldig gebeurt. Ik wil van de staatssecretaris vernemen hoe het hiermee staat, mede gelet op de reacties uit de kringen van de VSNU en de HBO-raad.

Ik kom op mijn laatste punt. Het demissionaire kabinet hecht veel waarde aan het verbeteren van vaardigheden op het gebied van rekenen en taal. Dat is een mooi streven dat door mijn fractie beslist wordt gesteund. Het is dan echter wel van belang dat wij in Den Haag het goede voorbeeld geven. Zeker onze wetgeving moet een schoolvoorbeeld zijn van taalvaardigheid. Mijn fractie heeft zo haar vragen bij de constructie die in de voorgestelde artikelen 5a.13f, lid 1, en 5a.13g, lid 1, wordt gebezigd. Ik lees een van de beide artikelen voor. Zij zijn inhoudelijk op hetzelfde gericht. Artikel 5a.13f, lid 1, luidt: "Bij de beoordeling van de aanvraag om accreditatie voor een opleiding van een instellingsbestuur die beschikt over een instellingstoets kwaliteitszorg wordt aandacht geschonken aan ..." Een instellingsstuur die, staat er. Het moet zijn "dat" en anders moet er ten minste één komma extra in de zin worden ingebouwd. De staatssecretaris – ik ken haar – is vast bereid om haar taalvirtuositeit op dit punt te etaleren.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb sterk de neiging om de d's en de t's in mijn tekst even na te lopen, maar gelukkig klinkt het verschil niet zo sterk als je ze uitspreekt. Ik zal mijn tekst straks toch even voorleggen aan de heer Van der Vlies.

Voorzitter. Wij bespreken niet zo gek veel wetten meer in deze tijd, dus het is fijn om toch even aan de slag te gaan met deze wetswijziging. Ik zie dat ook mijn collega's er de nodige tijd voor hebben uitgetrokken. Bij de wetswijziging om het accreditatiestelsel aan te passen, is het eerste doel te garanderen dat opleidingen in het hoger onderwijs van een kwalitatief hoog niveau zijn en blijven. Waar mogelijk moeten wij ook leren van een toetsing, zodat zaken kunnen worden verbeterd.

Een tweede doel is het verlichten van het stelsel en het meer op basis van vertrouwen te gaan werken. Ik vind dat dit wetsvoorstel in lijn ligt met het programma Vernieuwing Rijksdienst, waarin wij proberen om de controletoren van de overheid af te bouwen, een onderwerp waar wij met de bewindslieden van BZK over spreken. Dat is een nieuwe benadering van bestuur. De overheid staat erom bekend risicomijdend gedrag te vertonen. In dit geval zoeken wij misschien het risico wat meer op door meer met vertrouwen te gaan werken.

Ook de Kamer neemt haar controlerende taak over het algemeen erg serieus. Bij een incident staan wij direct te trappelen om het debat met de minister aan te gaan en onze controlerende taak uit te oefenen. Wat ik wil zeggen, is dat als wij ervoor kiezen om te gaan werken vanuit vertrouwen dit ook betekent dat wij en anderen onze plaats meer moeten leren kennen en die plaats ook moeten innemen. Vaak gebeurt juist het tegenovergestelde wanneer de overheid zaken op afstand zet. De controle neemt dan evenredig toe en per saldo word je daar dan ook niet zo heel erg veel wijzer van. Wat dit betreft, verbaast het mij eigenlijk ook dat een aantal amendementen, juist op het moment dat wij ietsje meer ruimte willen geven, direct probeert om die ruimte terug te nemen.

Als wij in dit licht naar het wetsvoorstel kijken, ligt er een wetsvoorstel dat probeert om de teugels iets te laten vieren. Als een instelling bewezen heeft, haar kwaliteiten lange tijd op orde te hebben, kan er een lichtere toets voor de accreditatie worden toegepast. De reacties uit het veld en de resultaten van de pilots laten zien dat verlichting van de administratieve druk mogelijk is. Bovendien is dat ook hard nodig. Wij hebben het immers vaak over het terugdringen van overhead. Geld dat voor onderwijs bestemd is, moet zo min mogelijk in administratieve handelingen gaan zitten.

De vraag is wel hoe de wetswijziging in de praktijk gaat uitwerken. Daarover hoor je toch verschillende geluiden. De HBO-raad ziet juist heel veel concrete goede effecten en de VSNU is weer erg kritisch. De Raad van State heeft in zijn advies zelfs een vijftal risico's benoemd die kunnen maken dat deze wetgeving haar doel voorbij gaat schieten. Ik wil die risico's maar eens langslopen.

Ten eerste wordt de beoordeling opgedeeld. Enerzijds komt er de beoordeling van de kwaliteitszorg van een instelling en anderzijds de beoordeling van inhoud en resultaat van de afzonderlijke opleidingen. Wordt dat dan geen dubbele toetsing, zo vraagt de Raad van State. Daarbij kan worden opgemerkt dat de opleidingstoets niet lichter wordt. De Raad van State noemt het zelfs een doublure in toetsing van randvoorwaarden. De Raad van State schetst ook het risico dat defensief gedrag en fixatie op procedures met dit voorstel verschuift van de opleiding, faculteit, naar het college van bestuur van de instelling. Dat zou ertoe kunnen leiden dat deze mogelijk geen vernieuwingen bij individuele opleidingen of vestigingen toelaat of zelfkritiek juist weer achterwege gaat laten. Dit zou niet alleen bureaucratisering gaan betekenen, maar ook een verstarring. Dat is wel de laatste bedoeling van deze wet.

De pilots hebben ons wel geleerd dat vermindering van administratieve lasten niet zo maar tot stand komt. Alleen het wijzigen van regelgeving verandert namelijk niet de manier van werken in de praktijk. Uit de pilots bleek dat door de wet de inhoudelijke kwaliteit zou verbeteren. Wat gaat de minister nu concreet doen om het nieuwe systeem goed te laten functioneren? Op welke manieren kan er ook in de dagelijkse praktijk meer vertrouwen getoond worden en op welke manier kan dat vertrouwen vervolgens beloond worden?

De omslag in het veld naar een nieuw stelsel van accreditatie kan ook tot tijdelijke administratieve druk leiden. Voorziet de minister een tijdelijke toename door de verandering van het stelsel? Graag verneem ik hierop haar reactie.

Sommige opleidingen moeten in 2011 en 2012 geaccrediteerd worden. Voor deze opleidingen is onduidelijk op basis van welke criteria die getoetst zullen worden, terwijl wij juist nastreven dat onderwijs en organisaties structureel verbeteren. Voor deze opleidingen dreigt alsnog een toepassing ad hoc van de kwaliteitszorg. Waarmee moeten deze opleidingen nu precies rekening gaan houden?

Ook na het accreditatieproces is het belangrijk dat docenten en andere professionals met het kwaliteitsoordeel aan de slag kunnen. De accreditatie is immers ook bedoeld om zaken beter te doen. Een belangrijk uitgangspunt is dat de docent inspraak heeft in het onderwijskundige beleid en het kwaliteitsbeleid van een instelling. Hoe zorgen wij ervoor dat wij niet alleen de kwaliteit van een instelling gaan peilen, maar vervolgens ook gaan verbeteren? Wat is de positie van de docent in het verbeteren van zaken? De Algemene Onderwijsbond noemt bijvoorbeeld ook de vergelijkbaarheid van oordelen over opleidingen van gelijke aard. Hoe zit het met die vergelijkbaarheid?

De ChristenUnie onderschrijft het principe dat op basis van verdiend vertrouwen de uitgebreide procedure wordt vereenvoudigd en versneld. Ik begrijp dat na een periode van drie jaar de beperkte accreditatieprocedure niet meer wordt toegepast. De vraag is dan: is dat alleen nog maar de uitgebreide toets? Verder wijst het ISO nog op een mogelijk capaciteitsprobleem bij de NVAO door de invoering van een versnelde toepassing van de beperkte opleidingsaccreditatie. Wat is de verwachting van de minister?

Ik heb nog twee opmerkingen. Ik dank de minister voor de nota van wijziging om toetsing van handicap en studie aan de wet toe te voegen. Ik ben het eens met wat de heer Harbers in dit verband heeft opgemerkt. Wij voelden al een tijdje dat dit zou gebeuren, maar het komt wel erg op het laatste moment. Maar goed, er zijn ook wat dingen veranderd op het ministerie. Misschien komt het daardoor. Ik ben wel erg blij dat dit nu eindelijk geregeld wordt. Zojuist heb ik ook in een interruptie gezegd dat hierover een amendement is ingediend. Wij vonden allemaal heel goed dat handicap en studie op die manier zijn aangedragen. Nogmaals, dat is een goede zaak.

Wat de studenteninspraak betreft heb ik mij inmiddels ook bij het amendement van mevrouw Besselink gevoegd. Ik ga dat amendement meeondertekenen, alleen al vanwege de kwestie dat studentenaangelegenheden in de wet misschien wel veel meer onenigheid dan enigheid gaan opleveren, in de zin van: Wat zijn nu precies studentenaangelegenheden? Wij willen niet dat men over het kopieerpapier gaat meespreken, maar aan de andere kant kun je waarschijnlijk prima beargumenteren dat dit met het dagelijkse werk van de student te maken heeft.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Wij zijn voornemens om dit debat donderdag aan het eind van de middag voort te zetten.

Sluiting 22.19 uur