Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 61, pagina 4888-4890

Vragen van het lid Zijlstra aan de minister van Economische Zaken over gas- en zoutwinning in de omgeving van Franeker.

De voorzitter:

Met het oog op de tijd zult u begrijpen dat geen aanvullende vragen meer mogelijk zijn.

De heer Zijlstra (VVD):

Voor. In Noord-west Fryslân is grote onrust ontstaan over de aanpassing van de vergunningen voor gas- en zoutwinningen in de regio Franeker. De bezwaren van provincie, waterschap en betrokken gemeenten lijken te worden genegeerd. Het is een kwetsbaar gebied. Er zijn daarom terecht strenge eisen aan de winning gesteld. Deze eisen betroffen bijvoorbeeld de bodemdaling. Vorig jaar trad onverwacht een grote bodemdaling op. Deze was veel groter dan verwacht. Daarom is een onderzoek naar de oorzaken ervan gestart. Dit onderzoek zal niet voor het einde van dit jaar worden afgerond. Toch heeft het ministerie van EZ vorige week besloten om de vergunningen aan te passen, c.q. uit te breiden. Het ministerie heeft in oktober vorig jaar ook uitgesproken dat het vond dat alleen vergunningen moeten worden verleend of aangepast als er concrete afspraken over schadecompensatie zijn gemaakt. Ook dat is tot op heden nog niet gebeurd. Daarom heeft de VVD-fractie de volgende vragen.

Waarom heeft de minister van EZ het onderzoek naar de oorzaken van de bodemdaling niet afgewacht, voordat zij tot verlening c.q. aanpassing van de vergunningen is overgegaan? Waarom nu die vergunningverlening? Welke argumenten heeft de minister daarbij gebruikt, bijvoorbeeld wat betreft het tackelen van het zorgpunt van de bodemdaling? Wil de minister die argumenten naar de Kamer sturen, zodat wij die ook kunnen wegen? Waarom op dit moment wel een vergunningverlening, terwijl er nog geen definitieve compensatieregeling is? Is de minister bereid de vergunningverlening op te schorten, hangende het onderzoek naar de bodemdaling? Kan zij in dat licht aangeven wat de status is van de huidige vergunning c.q. de nieuwe vergunning?

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Frisia Zout en Vermilion hebben vorig jaar gevraagd om toestemming voor een geringe aanpassing van hun winningplannen voor Noordwest-Friesland. Zij beschikken reeds lange tijd over een winningvergunning voor het gebied waar het om gaat. Zij hebben ook toestemming voor een winningsgebied. De winningplannen en de wijzigingen daarvan worden beoordeeld door het Staatstoezicht op de Mijnen, voordat de toestemming wordt verleend. De criteria zijn planmatig beheer en schade door bodemdaling. De verzoeken van Frisia Zout en Vermilion zijn besproken in het bestuurlijk overleg met GS, gemeenten en waterschappen. Dat is op 4 maart gebeurd. Daaruit bleek dat GS en gemeenten terughoudend zijn op dit punt. Zij zouden mij daarover nog een brief sturen, maar ik heb die nog niet ontvangen. Ik weet dus niet wat daarin staat. Ik ben wel van zins om op korte termijn een definitief besluit te nemen, maar ik heb dat nog niet gedaan. Daarbij zal ik uiteraard de brief die ik nog krijg betrekken, ook op basis van de criteria die wij eerder hebben afgesproken en die overigens nog steeds gelden. Het klopt dat de criteria vooral te maken hebben met de bodemdaling. Als grens voor eerdere winningplannen is aangegeven dat het 35 centimeter mag zijn in de Barradeel. Dat is een van de gebieden. Het mag 30 centimeter zijn in de Barradeel II. Binnen die grenzen vraagt Frisia Zout toestemming om 200 kiloton zout in de Barradeel te mogen winnen. Die 200 kiloton is beperkt, want die leidt tot een bodemdaling van ongeveer een halve centimeter. Dat betekent dat dit weliswaar krap, maar binnen de afspraken over 25 centimeter blijft. Het Staatstoezicht op de Mijnen en het Wetterskip hebben deze ruimte met elkaar afgestemd.

Voor de Barradeel II vraagt Frisia Zout om extra tijd, namelijk tot 1 juli 2013, om dezelfde hoeveelheid zout te mogen winnen. Daar is ook geen sprake van extra bodemdaling. De grens van 30 centimeter blijft dus onverkort gelden. Een en ander past dus binnen het bestaande kader. Het leidt niet tot meer bodemdaling en het past binnen het criterium van de Mijnbouwwet. Ik zie dus geen reden om deze verzoeken af te wijzen.

Dan de compensatie. Ik wacht af wat in de brief van GS staat. Uiteraard zal ik de Kamer informeren over ons definitieve antwoord. Ik zal daarin ook aangeven op welke manier ik hiermee omga.

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Ik ben blij te horen dat nog geen definitief besluit is genomen. Dat roept in ieder geval bij mij de voorvraag op of de minister bereid is om, voordat zij dat doet, het "conceptbesluit" aan de Kamer voor te leggen, omdat wat de minister zegt over de bodemdaling nu precies het probleem is.

De berekende bodemdaling is een halve centimeter. Het probleem is nu echter dat op dit moment in dat gebied een veel sterkere bodemdaling optreedt dan is berekend. Dan moet je toch weer kijken of het allemaal wel goed gaat. Ik vind dat de Kamer dat moet doen. Mijn fractie ziet het algemeen belang. Ziet de minister het probleem dat de VVD-fractie herkent, namelijk dat sprake is van een veel snellere bodemdaling dan berekend en daarmee mogelijk grote problemen voor de regio? Is de minister het ermee eens dat dit moet worden meegewogen, zeker nu er nog geen compensatieregeling voor geleden schade is?

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. De heer Zijlstra stelt twee vragen. De tweede vraag betreft het punt van meer bodemdaling dan gedacht. Ik zal daar uiteraard naar informeren. Als de Kamer dat zegt, dan is dat voor mij in ieder geval wel een signaal van "Van der Hoeven, ga nog eens even precies kijken wat daar aan de hand is". Overigens hebben wij het nog niet over gas gehad, want bij gas speelt dit probleem helemaal niet.

De eerste vraag van de heer Zijlstra ging erover of ik bereid ben om het conceptbesluit naar de Kamer te zenden. Nee, voorzitter, dat is, denk ik, te veel gevraagd. Dat zijn zaken die ik moet doen. Als de Kamer mij dan terugroept naar de Kamer om verantwoording af te leggen, dan doe ik dat uiteraard.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor haar antwoorden. Daarmee zijn wij gekomen aan het eind van het mondelinge vragenuur.

Wij gaan nu over op een onderwerp dat ik altijd moeilijk vind, maar dat soms niet anders is, namelijk het afscheid van een collega. Ik verzoek alle Kamerleden plaats te nemen, zodat wij aan dit moment passend aandacht kunnen besteden.

Ingekomen is de volgende brief:

"Wat zullen we nou hebben?" was mijn eerste gedachte toen ik vandaag twee weken geleden – midden in het carnavalsgedruis – gebeld werd met de vraag of ik beschikbaar was om lid te worden van het College van Gedeputeerde Staten in Limburg. Het was een volstrekte verrassing, maar wel een hele mooie! Bijna zeven jaar lang ben ik nu in onze Tweede Kamer woordvoerder voor de CDA-fractie over zaken op economisch gebied, waaronder energie en innovatie. Ik heb het woord mogen voeren over de IJzeren Rijn (en de aanleg daarvan jaren mogen vertragen!) en ben actief in het Beneluxparlement en de Contactgroep Duitsland. Laten dit nu juist de ingrediënten zijn van de portefeuille, die in Limburg vacant was. (...)

Nu al kijk ik met weemoed terug op de vele gebeurtenissen, positief en soms ook negatief, van al die Kamerdagen. De goede inhoudelijke debatten over innovatie, telecom en energie, de moeilijke politieke manoeuvres in een gruwelijk dossier als de Splitsingswet, de allermoeilijkste besluiten over de uitzending van Nederlandse militairen, maar ook de vriendschap en de humor in de Kamer. Of het licht nu uitvalt tijdens de stemmingen of het alarm afgaat tijdens een zwaarwichtig debat, we blijven lachen. (...)

Aan de andere kant heb ik me altijd uitermate geërgerd aan de verhalen over een Kamer, die zich slechts bezighoudt met hypes. En dan zeker aan leden van de Kamer, die dit beeld bevestigen. De tijd, die de Kamer aan hypes besteedt, zal maximaal tien procent zijn van de vele uren, die hier in huis en vooral ook buiten de deur ten dienste van Nederland gewerkt worden. En die tien procent hype-uren worden dan vaak ook nog veroorzaakt door diegenen, die er het hardst over klagen. Veruit de meeste Kamerleden zijn harde werkers, die zich invreten in hun dossiers en niet elke dag zo nodig op de voorpagina van De Telegraaf hoeven te staan. Dát beeld van de Kamer zou wat meer uitgedragen moeten worden!

Een woord van dank aan alle collega's uit alle fracties en aan alle anderen hier in huis, die ons het werken mogelijk maken. Een speciaal woord van dank aan de vrouwen en mannen van het restaurantbedrijf. Zonder goed eten en drinken functioneer ik immers niet. Zij stonden altijd klaar om mij van een maaltijd te voorzien, waarbij ik niet zelden ook tussen de middag met een bijpassend glas wijn tussen de karnemelk drinkende Hollanders zat.

En daarmee is de cirkel rond. Een schat aan ervaring rijker, ga ik nu weer terug naar mijn eigen Limburg. Want, voorzitter, hoe je het ook wendt of keert: Dáár is mijn vaderland, Limburgs dierbaar oord!

Jos Hessels

(geroffel op de bankjes en applaus in de zaal)

De voorzitter:

Geachte heer Hessels, beste Jos, u had reeds een aantal jaren ervaring bij de CDA-fractie voordat u op 23 mei 2002 lid werd van deze Kamer. Nu wordt u geroepen om het college van gedeputeerde staten te versterken in het mooie Limburg, de provincie waar uw wieg heeft gestaan, waar u met veel plezier woont en waarover u in deze Kamer vaak warme woorden hebt gesproken. U bent maatschappelijk altijd zeer verbonden gebleven met deze provincie, bijvoorbeeld als senator van de Bond van Carnavalsverenigingen. Maar ook uw rooms-katholieke identiteit hebt u nooit onder stoelen of banken gestoken. Deze was voor u een belangrijke drijfveer in de vervulling van uw Kamerlidmaatschap.

U geldt binnen de Kamer als een van de ICT-deskundigen en voerde namens uw fractie het woord over onze energievoorziening, innovatie, mobiele communicatie, infrastructuurprojecten, zoals de IJzeren Rijn, en grensoverschrijdende samenwerking. De relatie met onze buurlanden gaat u bijzonder aan het hart, dat hebt u als voorzitter van de Contactgroep Duitsland en als lid van het Beneluxparlement laten zien. Namens uw fractie hebt u zich beziggehouden met een aantal bijzondere, complexe dossiers; de splitsing van de energiebedrijven zult u zich ongetwijfeld nog herinneren.

Ik wens u veel succes in uw nieuwe functie als gedeputeerde. Ik heb overigens begrepen dat u strikt genomen boven de rivieren blijft opereren, aangezien uw nieuwe werkkamer zich op de rechter Maasoever bevindt. Het ga u goed!

(applaus)

De voorzitter:

Dan gaan wij over tot het meer prozaïsche gedeelte, de regeling van werkzaamheden. Ik deel u eerst nog een aantal dingen mee.

Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

De Roon, Luijben, Ormel en Halsema;

Van de Camp, ook morgen.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:

Op de tafel van de griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.