Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2008-2009nr. 61, pagina 4884-4886

Vragen van het lid Haverkamp aan de minister van Defensie over het bericht dat verschillende inlichtingendiensten in Afghanistan langs elkaar heen werken.

De heer Haverkamp (CDA):

Voorzitter. Afgelopen week publiceerde The Guardian een artikel over een uitgelekt rapport van de Amerikaanse legertop. Het artikel schetst een beeld van langs elkaar heen werkende inlichtingendiensten in Afghanistan. In de Nederlandse pers geven Nederlandse militairen en hun vertegenwoordigers van de vakbond aan dat zij in hun dagelijkse werk worden belemmerd door de gebrekkige samenwerking tussen de veiligheidsdiensten. Dit is niet de eerste keer dat wij dit soort signalen krijgen. Ook tijdens de Nederlandse missie in Irak was er onduidelijkheid over de uitwisseling van gegevens tussen onze inlichtingendiensten en die van de bondgenoten. Wij hebben daarover meerdere keren van gedachten gewisseld met de ambtsvoorganger van de minister. Wij gingen ervan uit dat er duidelijke afspraken waren gemaakt, niet alleen over Irak maar ook voor de toekomst.

De CDA-fractie spreekt haar zorg uit over het beeld dat uit het rapport naar voren komt. Onze militairen zetten zich dagelijks in voor de opbouw van Afghanistan. Er kan geen sprake van zijn dat zij hun werk niet (zo veilig mogelijk) kunnen doen doordat inlichtingen niet op tijd worden verstrekt. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister van Defensie.

Herkent de minister zich in het beeld dat in het artikel wordt geschetst? Zo nee, waarom niet? In de artikel 100-brief ter voorbereiding van de missie in Uruzgan staat het volgende citaat: "Met de bondgenoten zijn goede afspraken gemaakt over de inlichtingenuitwisseling." Kan de minister deze afspraken rondom de inlichtingenuitwisseling met bondgenoten niet alleen herbevestigen maar ook klip-en-klaar uitspreken dat deze afspraken in zijn ogen afdoende zijn?

Minister Van Middelkoop:

Voorzitter. Het rapport van RAND is ons bekend. Het is opgesteld in opdracht van de Amerikaanse krijgsmacht. Nadat het eind vorig jaar klaar was, is het door de Verenigde Staten toegepast voor intern gebruik. Het is ook doorgegeven aan de NAVO-bondgenoten. Het rapport heeft een hoog technisch gehalte, een beetje vergelijkbaar met onze TNO-rapporten.

Veel van het materiaal in het rapport herken ik. Dit is een antwoord op de eerste vraag van de heer Haverkamp. Het is namelijk materiaal gebaseerd op feiten en wetenswaardigheden uit vooral de eerste fase van de ontplooiing van de Nederlanders in Uruzgan. Het is goed dat dit is opgeschreven. Het doel van het rapport is namelijk om lessen te leren uit die initiële fase. Het beeld dat nu indirect via de media naar buiten is gekomen – het is een rommeltje en er wordt slecht samengewerkt – klopt niet. Dat beeld heeft in zekere zin betrekking op een situatie die allang voorbij is.

De uitdagingen die het rapport signaleert – voor een deel zijn die dus al beantwoord – zijn het verbeteren van het delen van inlichtingen en het beter meten van de effecten van het werk. Het laatste is een typisch methodologische vraag. Interessant is overigens dat in het rapport niet alleen wordt gemeten hoe het gaat met het delen van inlichtingen. Het gaat om een heel brede benadering, bekend als 3D. Ter zijde zeg ik: de Nederlandse 3D-aanpak wordt in het rapport met waardering besproken.

In het rapport wordt duidelijk aangegeven hoe essentieel een goede inlichtingenpositie is bij het uitvoeren van complexe counterinsurgency-operaties. Verder worden de aanloopproblemen uit 2006 en 2007 nogmaals zichtbaar gemaakt. De heer Haverkamp herinnert zich wellicht dat wij vorig jaar – de Kamer weet dat – de Joint Task Force Counter IED hebben opgericht. Deze heeft als taak om bijzondere, nieuwe aandacht te geven aan de bestrijding van bermbommen. Een van de deeltaken van deze taskforce is om de contacten te verbeteren met andere landen met inlichtingencapaciteit in het veld.

De uitdagingen blijven groot. Een kenmerk van de inlichtingenwereld is dat, hoe goed je ook samenwerkt, je nooit helemaal zeker weet of je alles krijgt aangeleverd. In vergelijking met de initiële fase is er op dit moment echter een belangrijke stap vooruit gezet. De tweede vraag van de heer Haverkamp kan ik dan ook positief beantwoorden: ja, er zijn afspraken gemaakt met de bondgenoten. Desgevraagd wil ik dat nog wel eens herbevestigen. Veel belangrijker is dat die afspraken uitstekend werken. De heer Haverkamp memoreerde dat niet, maar woorden als "crisis" en "chaos" die ik in de pers tegenkwam, doen dus volstrekt geen recht aan de situatie, en zeker niet aan de situatie die wij vandaag kennen.

De heer Haverkamp (CDA):

Ik vroeg niet aan de minister of er afspraken gemaakt waren. Ik vroeg om de klip-en-klare bevestiging dat de afspraken afdoende zijn. Ik moet bekennen dat ik toch wat schrok bij zijn eerste aanloop, toen hij aangaf dat het beeld alsof het nu een zooitje is, niet klopt, maar dat het dat wel is geweest. Wij hebben juist uit Irak geleerd dat wij echt moeten zorgen dat de inlichtingenpositie op orde is. Wij hebben dat nogmaals bevestigd bij artikel 100-procedure. Dan is het heel pijnlijk om te constateren dat het in de aanloop blijkbaar niet goed genoeg geregeld was. Nu wil ik van de minister echter de duidelijke toezegging dat het nu in orde is.

Minister Van Middelkoop:

Het gaat niet om een toezegging; het gaat om een constatering van een verantwoordelijke minister die moet samenwerken met vele andere landen. Ik constateer dat er heel goed wordt samengewerkt in Uruzgan, maar ook in Kandahar. Dat is natuurlijk interessant, want daar hebben wij op dit moment in de persoon van generaal De Kruif het commando. Daar wordt heel goed samengewerkt met het oog op het dienen van de belangen van alle militairen die in Uruzgan respectievelijk in het zuiden actief zijn. Ik heb niet het woord "zooitje" gebruikt. Dat zeg ik van achteren naar voren werkend. De heer Haverkamp moet mij dat woord dan ook niet in de mond leggen. Ik vraag hem wel begrip voor de situatie die er in 2006 en 2007 was. De Amerikanen waren in Afghanistan. Uruzgan was niet de meest bezochte provincie. Er kwamen toen voor het eerst Nederlanders binnen. Later ook anderen. Dat leidt tot aanloopproblemen; echt niet alleen op het gebied van inlichtingen, maar ook op andere terreinen. Dat maakt het rapport zichtbaar. Dat is zeer waardevol, maar de constatering voor dit moment is dat er heel goed wordt samengewerkt en dat de afspraken die wij hebben gemaakt – dat was de eerste vraag van de heer Haverkamp – afdoende zijn. Dat woord wil ik graag herbevestigen.

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid voor een korte serie vervolgvragen. Echt kort.

De heer Boekestijn (VVD):

Ik zal zeer kort zijn. Er zijn drie relevante feiten. Ten eerste is RAND geen Mickey Mouse-club. Ten tweede heeft RAND ook met een Nederlandse militair gesproken. Ten derde zegt de minister zelf, en ik citeer hem precies: het is nu veel minder erg. Met andere woorden: er is dus nog wel wat aan de hand. De logische vraag is dan, wat hij eraan gaat doen om ook het resterende probleem op te lossen. Wij hebben het hier namelijk over de veiligheid van onze militairen.

Minister Van Middelkoop:

Je moet nooit zeggen dat je de graad van perfectie hebt bereikt en zeker niet in de wereld van de inlichtingen. Als ik de huidige situatie echter vergelijk met die van 2006 en 2007, dan is de huidige situatie buitengewoon goed – "afdoende", om nog een keer de term te gebruiken die ik tegenover de heer Haverkamp heb gebruikt – en wordt er zodanig samengewerkt dat alle militairen in het zuiden bediend worden op een manier die hun eigen belangen en bescherming dient, en die goed is voor de operatie. Wij merken dat nu ook in Kandahar.

Mevrouw Peters (GroenLinks):

De oorlog in Afghanistan is een gevaarlijke en dodelijke oorlog. Ik wil stilstaan bij twee conclusies uit het RAND-rapport. De eerste is dat Nederlandse F-16's bombardementen hebben uitgevoerd zonder inzage te krijgen in de schaderapporten van de Amerikaanse inlichtingendiensten. De tweede conclusie van RAND is dat er onnodig burgerslachtoffers worden gemaakt door het gebrek aan samenwerking door de inlichtingendiensten. Wat is daarop de reactie van de minister? Ik kan mij niet voorstellen dat zijn reactie is dat het niet zo erg is.

Minister Van Middelkoop:

Ik ben niet bekend met de uitspraak dat er onnodig burgerslachtoffers zijn gemaakt. Zo geformuleerd is dat overigens een curieuze formulering, alsof het ook nodig kan zijn om burgerslachtoffers te maken. Het humanitaire oorlogsrecht schrijft ons juist voor dat wij moeten voorkomen dat wij oorlogsslachtoffers maken, maar dat weet mevrouw Peters. Misschien is het gekoppeld aan de zaak van de F-16's. Ik moet even voorzichtig zijn. Wat betreft F-16-piloten, die zoals mevrouw Peters weet in heel Afghanistan potentieel kunnen worden ingezet, hebben zich voor zover ik heb kunnen achterhalen in de beginfase situaties voorgedaan waarin het lastig was om later een rapport te krijgen van de precieze schade die was toegebracht. Dat had soms ook gewoon te maken met de afwezigheid van middelen. Het had ook te maken met het feit dat er aanloopproblemen waren en aan het feit dat wij aan elkaar moesten wennen. Het RAND-rapport heeft dit zichtbaar gemaakt en dat vind ik uitstekend, maar die situatie is nu echt verleden tijd.

Mevrouw Eijsink (PvdA):

Ik vind het vreemd dat de minister het heeft over de initiële fase, want pas eind december 2007 is besloten tot een verlenging met nog eens twee jaar. Graag een reactie daarop.

Ik heb het rapport en ik vind dat de minister zich er iets te gemakkelijk vanaf maakt als hij zegt dat hij zich in het rapport herkent. Gelet op wat er staat op bladzijde 81, in de conclusies en aanbevelingen, vraag ik de minister om de Kamer een brief te sturen over de stand van zaken van vandaag. De minister zegt dat hij verbeteringen heeft aangebracht. In de brief wil ik graag een reactie krijgen op de conclusies en aanbevelingen van het rapport.

Minister Van Middelkoop:

Laten wij niet geheel in semantiek vervallen. Met initiële fase bedoel ik de begintijd van de ontwikkeling van wat later de Taskforce Uruzgan is geworden. Wij hebben het dan over 2006 en 2007. Ik beloof mevrouw Eijsink dat ik het rapport zal laten bestuderen en dat ik zal bezien of het nodig is, de Kamer daarover te rapporteren. Mevrouw Eijsink zal het aan mij willen overlaten om de vorm te vinden waarin ik dat doe.

De heer Brinkman (PVV):

De missie in Afghanistan is op sterven na dood en dat lag vanaf het begin in het verschiet. Laten wij wel zijn: de Amerikanen zijn met de operatie OEF keihard bezig Al Qaida en de Taliban te bestrijden, terwijl de Nederlandse strijders in Uruzgan bezig zijn met het slaan van waterputten en het bouwen van meer dan 35 moskeeën. Daar win je dus de oorlog niet mee. Deze missie zal nooit slagen. Ik verzoek de minister daarom, bij de Amerikanen aan te dringen op spoed. Laten zij die duizenden militairen naar Afghanistan sturen, zodat onze jongens zo snel mogelijk naar huis kunnen.

Minister Van Middelkoop:

De heer Brinkman is weer buitengewoon rijk gesorteerd in sterke taal. Ik vind de formulering dat de missie op sterven na dood is, buitengewoon ongelukkig en ook kwetsend voor de militairen. Het is niet nodig dat ik de Amerikanen aanspoor om meer militairen te sturen, want de heer Brinkman weet even goed als ik dat de Amerikanen daartoe allang hebben besloten. Voor de periode tot en met de zomer gaat het bij elkaar om ongeveer zeventienduizend militairen, die voor een belangrijk deel in het zuiden actief zullen zijn, onder het commando van ISAF, dat wil zeggen tot november onder het commando van Generaal De Kruif. Daar ben ik heel trots op.

De voorzitter:

Tot slot een korte vraag van de heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP):

Nederland laat zich er graag op voorstaan dat het op een andere wijze opereert in Afghanistan. Er wordt zelfs gesproken over de Nederlandse methode. Nu geloof ik daar zelf niet zo in, en de Afghanen volgens mij al helemaal niet; zeker nu wij weten dat in 2008 het hoogtepunt is bereikt in het aantal burgerslachtoffers: meer dan 2000. Daarover gaat mijn vraag en ik borduur hiermee voort op de vraag van mevrouw Peters, die stelde dat gegevens over de schade die is aangericht door beschietingen door Nederlandse F-16's niet door Nederland mochten worden ingezien. De Amerikanen hebben daarover gegevens verzameld, maar daartoe geen toegang geboden, omdat zij die gegevens als geheim beschouwen. Mijn vraag is: zijn er ook andere voorbeelden van Nederlands optreden, waarbij de Amerikanen zicht hebben op de schade die is aangericht, maar tegelijkertijd zeggen: dit is geheime informatie, dus daar hebt u geen toegang toe?

Minister Van Middelkoop:

Wij hebben het over een operatie binnen ISAF. Wij hebben daarin ook een verantwoordelijkheid. Dat geldt natuurlijk niet in die mate voor de operatie Enduring Freedom. In de huidige situatie is het volstrekt normaal dat na een eventueel bombardement en hoe dan ook na een geweldscontact, zo veel mogelijk wordt nagegaan wat daarvan de gevolgen zijn in de ruimste zin van het woord. In een dergelijke situatie is het niet betamelijk dat de één geheimen zou hebben voor de ander. Dat is ook niet de praktijk. Het zou heel raar zijn als binnen hetzelfde commando het ene land informatie geheim zou kunnen houden voor het andere. Dat zou wezenlijk afbreuk doen aan de operatie, en zo ken ik die operatie niet.