Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 76, pagina 5293-5296

Vragen van het lid Van Gent aan de minister van Justitie over het feit dat sinds de uitbuiting van illegalen in de bouw, horeca en tuinbouw drie jaar geleden strafbaar is gesteld, het justitie bijna nooit lukt om "moderne slavendrijvers" te veroordelen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. In het Nederlands Dagblad van zaterdag 12 april staat dat slavendrijvers in het Nederland van 2008 vaak vrijuit gaan. Wij spreken dan over mensen die op schandelijke wijze misbruik maken van kwetsbare personen die werkzaam zijn in de prostitutie, de huishouding voor rijken, de bouw en de horeca. De cijfers zijn schokkend: in al die jaren dat uitbuiting strafbaar is, is er slechts één dader veroordeeld. De oorzaak van het feit dat weinig daders worden opgepakt en veroordeeld, is dat slachtoffers zich niet melden. Zij zijn immers doodsbang voor represailles. Een andere oorzaak is dat de prioriteit van opsporing en vervolging in de visie van de GroenLinks-fractie ver te zoeken is.

Deze walgelijke praktijken moeten in onze ogen snoeihard worden aangepakt. Die dienen namelijk te worden uitgebannen. Ik hoop dat ik in dit vragenuur met de minister van Justitie een deal kan sluiten, opdat wij als bondgenoten de strijd kunnen aangaan tegen deze praktijken. Ik stel hem daarom een aantal vragen.

Is de minister het met mij eens dat mensenhandel een zwaar misdrijf is en dat het belachelijk weinig is als het OM één zaak in drie jaar aan de orde stelt? Hoe is dat überhaupt mogelijk?

Wat is de ambitie van de minister? Hoeveel capaciteit wordt ingezet voor opsporing van uitbuiting? Er moet meer greep komen op deze onzichtbare vorm van criminaliteit, opdat het onmogelijk wordt als zodanig te handelen.

Op welke wijze zal de minister ervoor zorgen dat de drempel wordt verlaagd, zodat slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting eerder aangifte doen?

Is de minister bereid om de opvang van slachtoffers beter te faciliteren, professionele hulp te bieden en snel zekerheid te geven over het verblijfsrecht?

Is hij bereid om het OM duidelijk te instrueren? Ik pleit ervoor om "die handel" aan te pakken.

Is de minister ook bereid om malafide inleners, zoals Chinese restaurants, bouwbedrijven en mensen met hulp in de huishouding, te verplichten misstanden bij de Arbeidsinspectie te melden? Ik doel dan op de inleners­aansprakelijkheid waarover de minister van Justitie met minister Donner zou kunnen spreken.

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw de voorzitter. Het antwoord op de vragen van mevrouw van Gent is "ja".

Zij vindt in mij een bondgenoot in de strijd tegen de mensenhandel. Ik ben het met haar eens dat er veel meer moet gebeuren en dat het gaat om een ernstige en ergerlijke vorm van criminaliteit waarin wij niet mogen berusten. De staatssecretaris van Justitie en ik hebben daarom onlangs een taskforce ingesteld onder leiding van procureur-generaal Bolhaar. Laatstgenoemde houdt zich bezig met de aanpak van mensenhandel. Daaraan werken vertegenwoordigers mee van de betrokken ministeries, waaronder die van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarnaast werken vertegenwoordigers van de betrokken opsporingsdiensten mee. Later in mijn betoog kom ik daarop terug.

Een onderdeel van het beleid van de staatssecretaris en mij is het verbeteren van de voorzieningen ten behoeve van de slachtoffers. Het gaat dan niet alleen om directe hulpverlening aan slachtoffers, maar een en ander houdt ook in dat in geval van een vreemdelingrechtelijke status beter en meer dan nu het geval was rekening zal worden gehouden met de bescherming die na aangifte nodig is om mogelijk te maken dat die strafzaak daadwerkelijk tot vervolging leidt.

Verder hebben wij de internationale samenwerking versterkt. Ik heb daarom een bezoek gebracht aan Bulgarije en de Bulgaarse collega aangeboden samen met ons een steun- en expertisecentrum mensenhandel in te richten. Daarbij gaat het vooral om slachtoffers die in de prostitutie te werk worden gesteld. Ik ben het echter met mevrouw Van Gent eens dat er ook moet worden gewerkt aan de aanpak van mensenhandel met slachtoffers in andere sectoren. Ik doel bijvoorbeeld op de sectoren in de economie waarover mevrouw Van Gent zojuist heeft gesproken.

De capaciteit van de opsporingsdiensten is in dit verband in belangrijke mate die van SIOD, evenals die van de inspectie die belast is met het toezicht op de Wet arbeid vreemdelingen en die van de Arbeidsinspectie. Onlangs heb ik met minister Donner over dit onderwerp gesproken. Ik heb hem gevraagd extra voorlichtingsactiviteiten te ontplooien op het terrein van overige uitbuiting, ofwel uitbuiting buiten de prostitutiesector. Hij is daartoe bereid.

Daarin ligt ook het antwoord op de laatste vraag van mevrouw Van Gent. Zij wil dat misstanden worden gemeld. Wij kennen, anders dan voor ambtenaren, geen verplichting om aangifte te doen. Ambtenaren moeten daarvan wel kennis krijgen. Het gaat ook om de ambtenaren van de Arbeidsinspectie, die van het toezicht bij de Wet arbeid vreemdelingen en die van de SIOD. Dat betekent dat de alertheid en meldingsbereidheid bij het publiek moet worden vergroot. Daarop zijn de voorlichtingsinspanningen van mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gericht. Er moeten meer zaken komen. Om te beginnen moeten meer zaken gereed worden gebracht voor vervolging door het Openbaar Ministerie, door de meldingsbereidheid en het aantal aangiften te vergroten. Dat kan mede door betere bescherming van slachtoffers en mede door scherper te zijn op vormen van uitbuiting waarbij een aanvankelijk vrijwillige arbeidsverhouding feitelijk op uitbuiting neerkomt.

Er is een aantal zaken voor de rechter gekomen. Dat zijn er inderdaad te weinig in verhouding tot de omvang van de problematiek. Er zitten echter meer zaken in de pijplijn. Bij een van die zaken is inmiddels beroep in cassatie ingesteld om de nodige verheldering van wetgeving te krijgen. Zoals gezegd, dit mag niet onvervolgd, onbeantwoord of onopgemerkt blijven. Vandaar deze inspanningen. De door de staatssecretaris van Justitie en mijzelf ingestelde Taskforce mensenhandel komt vanmiddag voor het eerst bijeen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Dat klinkt goed. Ik vraag de minister echter de Taskforce mensenhandel niet te laten neerkomen op vergaderen en papieren verschuiven. Op korte termijn moet de pakkans groter worden. Ik wil dat de slavendrijvers op korte termijn het land uit zijn. De moderne slaven moeten beter beschermd worden. Ook moet gekeken worden naar de strafmaat. Ik wil van de minister weten wanneer hij met concrete maatregelen komt om Arbeidsinspectie en SIOD intensiever te laten controleren. Gaat de minister ook de inlenersaansprakelijkheid onderzoeken? Die hebben immers de verantwoordelijkheid voor wie zij in dienst nemen en onder welke omstandigheden.

Minister Hirsch Ballin:

Het antwoord op deze vraag is "ja". Dit behoort tot de taken van de taskforce. Het gaat ook om het volgen van het feitelijk verloop van strafvervolging en de resultaten bij berechting. Er zitten nog veel zaken in de pijplijn. De eerste zaken mogen niet maatgevend blijven voor de omvang van het justitieel optreden tegen deze misstanden. Ook dat is een punt van bespreking met mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Die is evenzeer gemotiveerd om zijn inspecties aan te zetten tot oplettendheid.

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel rapporteert jaarlijks. De taskforce is gevraagd om tussentijds te melden welk verbeteringen aangebracht kunnen worden.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

...

De voorzitter:

Wanneer komt u met concrete voorstellen, minister?

Minister Hirsch Ballin:

Er komt elk jaar een rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Naar aanleiding daarvan zal ik elke keer, ook dit jaar, mijn bevindingen melden. Ik neem daarbij specifiek het punt van mevrouw Van Gent mee.

De heer Kamp (VVD):

De minister realiseert zich toch dat het niet alleen om mensenhandel gaat? Wij hebben 100.000, 200.000 illegalen in ons land. Het is logisch dat die zwart werken en dat daarvoor koppelbazen ingeschakeld worden. Wie er echt iets aan wil doen moet drie dingen doen. In de eerste plaats opsporing en uitzetting van illegalen. Daarvan is immers nauwelijks sprake. In de tweede plaats moet het zorgcircuit niet beschikbaar komen voor illegalen. In de derde plaats moet de minister het OM gecoördineerd laten optreden tegen werkgevers en koppelbazen die illegalen zwart laten werken. Het OM slaagt er nog steeds niet in om iets te doen tegen deze al jaren durende wildgroei.

Minister Hirsch Ballin:

De vragen van mevrouw Van Gent gaan over mensenhandel. De heer Kamp betrekt hier het verwijderingenbeleid bij. Bij eerdere gelegenheden hebben de staatssecretaris en ik al gezegd dat dit tot onze prioriteiten behoort. Daarbij hoort uiteraard ook optreden tegen werkgevers die misbruik maken van illegale werknemers. Wij moeten ons echter realiseren dat dit niet allemaal valt onder de delictomschrijving van mensenhandel. Op werkgevers rusten echter ook de verplichtingen van de Wet op de identificatieplicht. Ook in Europees verband werken wij aan versterking van het optreden tegen het tewerkstellen van illegale werknemers.

De heer De Wit (SP):

Voor een beschaafd land zoals Nederland is het buitengewoon beschamend om weer eens te zien dat het zich schuldig maakt aan slavendrijverij. De vraag aan de minister is wat hij ervan vindt dat een modern beschaafd land als Nederland wordt neergezet als een land waarin het voorkomt dat er in slaven wordt gehandeld, dat er slavenarbeid plaatsvindt. Erkent de minister dat?

Als je het hele verhaal over de uitbuitingspraktijken leest, is het in de eerste plaats de vraag of men bereid is aangifte te doen. De minister heeft die vraag wel aan de orde gesteld. Er zal een heleboel rond de aangifte moeten gebeuren, wil men daartoe de bereidheid krijgen. Daarnaast is het de vraag hoe het komt dat de politie de signalen die er komen van mensen die met uitbuitings­praktijken te maken hebben, onvoldoende herkent en er onvoldoende werk van maakt.

Minister Hirsch Ballin:

Dat laatste is zeker in z'n algemeenheid niet juist. Er zijn politiekorpsen die door ons extra in het oog worden gehouden op het punt van de daar noodzakelijke vergroting van de inspanningen om op te treden tegen mensenhandel en om slachtoffers van mensenhandel bescherming te bieden. Dat is de reden dat er in Zwolle door de Nationale Recherche – in vervolg op wat er vroeger werd gedaan op het punt van mensensmokkel en mensenhandel – een expertisecentrum ingesteld dat alle regionale korpsen ondersteunt. Een groot deel van de regionale korpsen pakt dit onderwerp voldoende op. Waar dat niet gebeurt, worden korpsen erop aangesproken, zowel vanuit het Korps Landelijke Politiediensten als door het Openbaar Ministerie. Ik noemde al de procureur-generaal die de taskforce Mensenhandel voorzit.

Wat ons beleid op dat terrein betreft, vertel ik de heer De Wit bepaald geen nieuws als ik zeg dat dit behoort tot onze prioriteiten en dat wij de ook door hem uitgesproken verontwaardiging over het voorkomen van mensenhandel ook in ons land en van mensenhandel vanuit andere landen die zich op ons land richt, volledig delen. Ik noemde al enkele initiatieven, ook internationaal, want een belangrijk deel van de mensenhandel heeft zijn origine in landen waar misbruik wordt gemaakt, hetzij van de economische afhankelijkheid, hetzij van de kwetsbaarheid, soms ook de goedgelovigheid, van de slachtoffers. Dat geldt niet alleen voor Oost-Europa en de grensgebieden van Europa en Azië waar de mensenhandel mede via het door mij al genoemde Bulgarije binnenkomt. Dat was wel de reden waarom ik dit tot een van de prioriteiten heb gemaakt in mijn gesprekken bij het bezoek aan Bulgarije. Het is evenzeer de reden waarom de staatssecretaris van Justitie is overgegaan tot het instellen van preflight controles op wisselende plaatsen om de mensenhandel vanuit bijvoorbeeld landen in Afrika tegen te gaan.

Wat de heer De Wit zegt is een onderstreping van ons staande beleid. Het hoort tot onze prioriteiten. Ik verwijs ook naar wat beide bewindslieden van Justitie hebben gezegd bij de instelling van de taskforce Mensenhandel. De teksten daarvan zijn beschikbaar. Het werkprogramma van de taskforce ligt daarmee voor. Daarmee hebben wij voor het eerst een groep bijeengebracht van mensen uit de verschillende gelederen van de overheid, maar ook uit belanghebbende particuliere sectoren die hierin samenwerken.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA):

De debatten over mensenhandel zijn in het verleden steeds samengegaan met debatten over mensensmokkel. Bij mensenhandel is evident uitbuiting aan de orde. In de verschillende publicaties in de afgelopen week viel het mij op dat het feit dat zo weinig zaken door het OM kunnen worden aangebracht ook te maken had met de vaststelling dat veel mensen die in situaties van uitbuiting in Nederland tewerkgesteld worden of leven, op eigen gelegenheid zijn gekomen. Dan is mensensmokkel kennelijk niet aan de orde. Het simpele feit van uitbuiting doet mij de minister vragen of hij met mij van mening is dat er nog eens nadrukkelijker moet worden gekeken wat wij in Nederland onder uitbuiting verstaan en waardoor deze situaties kunnen bestaan. Is hij met mij van mening dat wij daaromtrent een aantal verscherpte noties moeten formuleren en wellicht in de wet neerleggen?

Minister Hirsch Ballin:

De strafbepaling, zoals die sinds de wijziging van 2005 van kracht is, kent een zwaardere strafmaat: maximaal zes jaar cel. Die strafbepaling heeft ook een omschrijving die uitbuitingssituaties omvat, zodat niet per se de herkomst (het daaraan voorgegane proces van het iemand in deze situatie brengen) daaronder valt. Dat betekent dat de strafbepaling naar ons inzicht geheel toereikend is om situaties als door mevrouw De Pater terecht aan de kaak zijn gesteld, mede voor de strafrechter en zo tot bestraffing te brengen. Zoals gezegd, is er ten aanzien van de uitleg van de wettelijke bepaling op dit moment nog in één zaak cassatieberoep aanhangig. Ook de inspanningen van mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, waarvan ik al eerder melding maakte, via de SIOD en de Arbeidsinspectie en het toezicht op de Wet arbeid vreemdelingen, zijn erop gericht om dit onder de aandacht te brengen van de werkgevers en daarmee ook de uitbuitingssituaties, die bijvoorbeeld kunnen blijken uit het ontbreken van behoorlijke arbeidsvoorwaarden, een ver onder de maat liggende beloning, abnormale werktijden en dergelijke, ongeacht hoe die verhouding begonnen is, op te sporen en waar nodig voor de strafrechter te brengen.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Uitbuiting van mensen is natuurlijk iets verschrikkelijks waar wij krachtig tegen moeten optreden, maar het beleid van de minister op dit punt lijkt mij toch dweilen met de kraan open. Ik zou zeggen: minister, doe die kraan dicht. Zorg ervoor dat illegaal verblijf in Nederland strafbaar is, maak er een misdrijf van, zet er zes jaar gevangenisstraf op, zodat ze kunnen worden vastgezet. U zult dan zien dat er heel wat minder illegalen in ons land zijn en dan zult u ook zien dat er heel wat minder uitbuiting van illegalen zal kunnen plaatsvinden.

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw de voorzitter. Over de gedachten van de heer De Roon op het punt van het vreemdelingenbeleid hebben wij het vaker gehad en ik mag daarnaar verwijzen.

Hij sprak over het strafbaar stellen van illegalen. Natuurlijk is illegaal verblijf iets waartegen wij optreden. Ik heb net in antwoord op eerdere vragen al melding gemaakt van het uitzettings- en verwijderingsbeleid. Als het zo ter sprake wordt gebracht door de heer De Roon, in verband met mensenhandel en slachtoffers van mensenhandel, dan legt hij het accent toch op de verkeerde plaats. Dat zou toch moeten worden gelegd bij degenen die uitbuiten, die mensen verhandelen en exploiteren en aan mensonterende omstandigheden onderwerpen. Dan denk ik dat daar het accent op moet liggen en niet op de slachtoffers die wij integendeel bescherming moeten bieden om de gelegenheid te geven om aangifte te doen en daarmee het optreden tegen de uitbuiters mogelijk te maken.

De heer Heerts (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Goed dat dit onder de aandacht wordt gebracht. Ik heb enkele vragen aan de minister.

Als het erom gaat om de pakkans te verhogen, hoe kijkt de minister aan tegen een nadrukkelijker rol van de bureaus Naleving? Dat zijn samenwerkingsverbanden tussen werkgevers en werknemers en zitten nog voor de Arbeidsinspectie en de SIOD. Wat vindt hij ervan om die heel nadrukkelijk op te roepen om dit soort zaken ook te melden?

Wij hebben niet voor niets uitbreiding van de Arbeidsinspectie bepleit, juist ook op dit punt. Hoe staat het daar nu mee? Worden die extra inspecteurs ook daarvoor gebruikt?

De onder de maat liggende beloning noem ik maar even ontduiking van het minimumloon. Juist de Arbeidsinspectie moet daar veel meer bovenop zitten om de pakkans te verhogen en de boetes voor werkgevers ook echt te voltrekken, zodat het niet lonend wordt om die mensen te misbruiken. In dat opzicht ben ik het erg eens met wat collega Kamp daarvan zei, namelijk om eindelijk die foute werkgevers aan te pakken.

Wordt die aanpak van het Openbaar Ministerie en de AI wel voldoende gecoördineerd?

Minister Hirsch Ballin:

Ja, die wordt goed gecoördineerd. Voor zover er nog vragen waren, is de taskforce die onder leiding staat van de Procureur-Generaal portefeuillehouder in het college van Procureurs-Generaal zeer geschikt om eventueel nog ontbrekende afstemming aan te brengen. Het is ook de inzet van mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om zijn diensten daarvoor in te zetten. Het jaarverslag 2006 van de SIOD is aan de Tweede Kamer gestuurd. Daarin ziet u ook de aantallen die oplopen van 2007-2008. Er is nog veel meer werk te doen. Dat heb ik ook in antwoord op de voorafgaande vragen duidelijk gezegd. Het is onze wens dat er aanzienlijk meer gebeurt, dat er op zo'n manier preventief, politieel en justitieel tegen wordt opgetreden dat wij deze buitengewoon lelijke vorm van misdaad effectief terugdringen. De gedachte van de heer Heerts om daarbij ook de inspanningen van de bureaus naleving een plaats te geven, neem ik graag mee.