Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 28, pagina 2197-2198

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 31 oktober 2007 over handhaving.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het onderzoek Fraude in beeld een goede basis is voor strategische beleidskeuzes voor het voorkomen en bestrijden van fraude;

overwegende dat samenhang in handhavingsmethoden van de betrokken opsporingsdiensten bevorderd moet worden;

verzoekt de regering om een reactie op dit onderzoek met daarin de strategische beleidskeuzes en de beoogde samenhang voor 1 februari 2008 aan de Kamer te doen toekomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Nicolaï, Karabulut, Jan Jacob van Dijk en Spekman. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 343(17050).

Staatssecretaris Aboutaleb:

Voorzitter. Wij hebben in het algemeen overleg een langdurige gedachtewisseling gehad. Met het rapport Fraude in beeld is geprobeerd om fraudepatronen in het bedrijfsleven via nieuwe wegen te benaderen. Het onderzoek beschrijft uitsluitend de beleidsterreinen van de vier bijzondere opsporingsdiensten, al gebeurt dat niet volledig. Uitkeringsfraude is voor het ministerie van SZW een belangrijk onderwerp, maar dat komt in dat rapport zelfs niet aan de orde.

Mijn belangrijkste bezwaar tegen de motie is dat het voorliggende onderzoeksrapport een eerste en niet eens een volkomen beeld schetst van de pogingen die wij ondernemen om een fraude-index te ontwikkelen. De uitkomsten zijn op dit moment nog niet "rijp" als basis voor strategische beleidskeuzes. Als enige basis voor alomvattende strategische beleidskeuzes is het onderzoek daarom minder geschikt. Het dekt niet het gehele fraudedomein en is dus niet geschikt voor een rijksbreed regeringsbeleid. Met de studie Fraude in beeld is een eerste aanzet gegeven voor een methodiek waarvan de onderdelen in de toekomst vaker kunnen worden gebruikt. Er zijn meer bronnen op basis waarvan keuzes kunnen worden gemaakt. Dat is benadrukt op het moment dat het stuk aan de Kamer werd aangeboden. In de studie concluderen drie onafhankelijke wetenschappers dat deze methodiek valide is, maar dat die in de toekomst verder moet worden ontwikkeld. Ook daarom aarzel ik om de studie nu al als basis te gebruiken voor het maken van strategische beleidskeuzes.

Ik wijs de heer Nicolaï op het instrument dat is opgenomen in de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Daarin staat dat de minister van Justitie samen met de vakministers voor iedere bijzondere opsporingsdienst een beleidsbrief opstelt. Die brief lijkt mij bij uitstek geschikt om strategische keuzes vast te leggen. Alle departementen en bijzondere opsporingsdiensten kunnen de resultaten van Fraude in beeld op de gewenste wijze gebruiken. Een en ander is uiteraard mede afhankelijk van de accenten die de bewindslieden leggen. Dit is overigens geen poging om op het punt van de coördinatie stappen terug te doen. Gezien het partiële karakter van het rapport en de noodzaak tot verdere ontwikkeling van de methodiek, acht ik dat rapport nog niet rijp voor strategische beleidskeuzes. Op grond daarvan ontraad ik de Kamer, misschien tegen beter weten in, om de motie aan te nemen.

De heer Nicolaï (VVD):

De staatssecretaris heeft gezegd dat die studie interessante inzichten biedt om fraude meer toekomstgericht aan te pakken. De conclusie van het rapport is volgens hem dat die wel als basis voor strategisch beleid kan dienen.

Staatssecretaris Aboutaleb:

De heer Nicolaï doet een interessante poging om te beweren dat ik in de commissievergadering iets anders heb gezegd dan zojuist. Het is een eerste echte poging om op wetenschappelijke basis inzichten te verwerven op grond waarvan strategische keuzes kunnen worden gemaakt. In het rapport staat ook dat wij meer tijd nodig hebben om een en ander echt goed te kunnen doorgronden. Het is mijn rol om, gezien het karakter van de methodiek, te benadrukken dat de timing niet juist is.

De beraadslaging wordt gesloten.