Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 28, pagina 2180-2182

Vragen van het lid Agema aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat seksueel misbruik bij gehandicapten ongemeld blijft.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Het is niet niets om de zorg voor je kind, je zoon, je dochter of een andere geliefde die een verstandelijke handicap heeft, toe te vertrouwen aan een instelling. Natuurlijk ben je dan als ouder of familie bang dat iemand onheus met hem of haar om zal gaan. Helaas is die angst niet onterecht, want seksueel misbruik komt vaak voor in instellingen, zelfs vaker dan gedacht. Kwalijk is dat een aantal instellingen verzuimt om seksueel misbruik te melden. Zij doen alsof er onduidelijkheid bestaat over het moment waarop er dient te worden gemeld. Het is klip en klaar: seksueel misbruik is seksueel misbruik en dat is een groot onrecht tegen iemand die in dit geval onvoldoende verstandelijk vermogen heeft om "nee" te zeggen. Het gaat er niet om of de hulpverlener, de conciërge, een bezoeker of een taxichauffeur de viespeuk is. Dat maakt niet uit. Tegenwoordig gaan zelfs loverboys instellingen af, op zoek naar meisjes voor de prostitutie. Zij komen er gewoon over de vloer. De primaire reactie van de instelling moet zijn: eruit die viespeuk, de cel in met hem. Ik zie nog het liefst dat hij ook op water en brood wordt gezet. Doet de instelling dat niet, dan moet de staatssecretaris, die hier nu door de minister wordt vervangen, ervoor zorgen dat de directie van de instelling wordt ontslagen. De ouders moeten worden geïnformeerd. Bovendien moet er na iedere melding onderzoek worden gedaan. Er moet helemaal niet gesust worden.

Geen seksueel misbruik, al helemaal niet van mensen die zich onvoldoende kunnen verweren. Dat is ons land onwaardig. Met een nieuw protocolletje dat pas in 2010 wordt geëvalueerd, zijn wij er niet. Ik krijg graag de toezegging van de minister dat hij de instellingen die misbruik verzwijgen, strafrechtelijk zal vervolgen, desnoods de directie ervan ontslaat en de viezeriken keihard aanpakt.

Minister Klink:

Mevrouw de Voorzitter. Ik vervang inderdaad de staatssecretaris. Dat heeft mevrouw Agema goed opgemerkt.

Seksueel misbruik in de zorg voor verstandelijk gehandicapten komt vaker voor dan de Inspectie voor de Gezondheidszorg tot nu toe dacht. Nu al dienen incidenten altijd aan de inspectie te worden gemeld. Van begin 2006 tot halverwege dit jaar kwamen 325 meldingen binnen. Dat zijn er over anderhalf jaar gemeten buitengewoon veel, vind ik. Uit jaarverslagen van instellingen komt bovendien naar voren dat veel zaken niet worden gemeld. Ik beschouw dit dus als een enorm maatschappelijk probleem. Overigens heb ik vernomen dat dit ook in andere landen buitengewoon vaak voorkomt.

In de gehandicaptenzorg bestaat onduidelijkheid over wat er nu moet worden gemeld. Men weet dat incidenten tussen hulpverleners en cliënten altijd moeten worden gemeld. Sommige instellingen melden de incidenten tussen cliënten onderling of tussen bezoekers en cliënten niet. Andere instellingen doen dat weer wel. Daar komt bij dat seksueel misbruik een breed begrip is. Het behelst zowel ongewenste intimiteiten als ruwe bejegeningen. Ongewenste intimiteiten zijn grensoverschrijdend, maar ruwe uitingen daarvan zijn natuurlijk wel een behoorlijke graad erger. Veel werkers in de zorg weten niet hoe, waar en wanneer zij bij vermoedens aan de bel moeten trekken, omdat er een taboe op dat onderwerp heerst. Onlangs heeft de IGZ een soort format voor de instellingen gemaakt teneinde hun meldingsbereidheid te verbeteren. Van de binnengekomen 325 meldingen bleek er 35 keer een hulpverlener bij betrokken te zijn. Daarom zei ik zo-even dat het vooral gebeurt tussen cliënten onderling en tussen cliënten en derden. Ieder incident is er natuurlijk één te veel en daarom is preventie van grensoverschrijdend seksueel gedrag een belangrijk thema. Zorgverleners zijn in eerste aanleg zelf verantwoordelijk voor het bieden van veilige zorg, maar dit neemt natuurlijk niet weg dat ook de overheid hierbij een belangrijke taak heeft. Vandaar dat preventie van seksueel misbruik een onderdeel is van het programma Zorg voor beter. Dit programma biedt organisaties in de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg ondersteuning bij het voorkomen van seksuele intimidatie en seksueel misbruik. Het gaat er niet alleen om, cliënten te beschermen tegen seksueel misbruik, maar vooral om hen bewuster te maken van hun lichamelijke ontwikkeling en van de grenzen die zij en anderen daarbij in acht moeten nemen. Het gaat erom, zelf weerbaarder te worden, maar ook meer drempels op te werpen in gevallen waarin grensoverschrijdend gedrag voor de hand ligt. Door deel te nemen aan het verbetertraject bevorderen instellingen de preventie van seksueel misbruik en bevorderen zij dat dit onderwerp binnen de instellingen uit de taboesfeer wordt gehaald en bespreekbaar wordt gemaakt. Goede voorbeelden worden tussen instellingen uitgewisseld en er zal meer aandacht worden besteed aan de privacy van patiënten. Ook daarmee kunnen oneigenlijke seksuele prikkels worden voorkomen.

De sector heeft preventie van seksueel misbruik ook opgenomen in het programma Veilige zorg, dat de staatssecretaris verleden week heeft gepresenteerd. Er worden twee acties in gang gezet. Ten eerste een prevalentieonderzoek: hoe vaak komt het voor en hoe structureel is het? En ten tweede zullen honderd instellingen de verbetertrajecten gaan afleggen die ik noemde. Overigens zal de IGZ alle meldingen analyseren en bekijken wat de verschillen tussen instellingen zijn. Het veld werkt hier hard aan, de noodzaak ervan wordt onderkend. De cijfers zijn dramatischer dan wij aanvankelijk dachten, zodat er alle reden is om hier iets aan te doen. Ik vind – maar hier gaan instellingen natuurlijk in eerste aanleg zelf over – dat het, voor zover medewerkers erbij betrokken zijn, consequenties dient te hebben voor het personeelsbeleid. Ik ben het er ook mee eens – maar ook hier gaan de mensen en de instellingen in eerste aanleg zelf over – dat instellingen en verwanten die te weten komen dat er iemand seksueel misbruikt is, bereid moeten zijn om aangifte te doen. Langs deze twee lijnen moet er actie worden ondernomen, maar nogmaals, in eerste aanleg zijn hierbij de instellingen aan zet, en de betrokkenen, die uiteindelijk aangifte zullen moeten doen.

Mevrouw Agema (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn antwoord. Het eerste deel van zijn reactie was wat mij betreft alleen een algemene inleiding. Hij heeft twee piepkleine toezeggingen gedaan die mij niet ver genoeg gaan. Het gaat erom dat de minister ervoor moet zorgen dat de directie van een instelling die geen aangifte doet, die er geen zaak van maakt, ontslagen wordt. Ook moeten de ouders geïnformeerd worden over wat er is gebeurd. Er moet al helemaal niet worden gesust, terwijl het daar toch wel op lijkt. De minister richt zich vooral op preventie, maar het gaat erom dat de instellingen nu ook eens met harde hand aangepakt worden. Er moet iemand van hogerhand zeggen dat het gewoon niet meer mag gebeuren, dat de directie maar moet opstappen als er weer een keer seksueel misbruik wordt geconstateerd.

Minister Klink:

Een minister gaat er niet over of directies moeten opstappen, maar ik ben het wel met u eens dat de instellingen een maatschappelijke verantwoordelijkheid bij dit soort incidenten hebben. Zij dienen ze dan ook aan de inspectie te melden. En overigens ben ik bereid om samen met de staatssecretaris te bekijken of het sanctiearsenaal zou moeten worden uitgebreid, want ik ben het ermee eens dat wij echt de grenzen van het mogelijke moeten opzoeken om instellingen aan te pakken die dit soort dingen verzwijgen en er niet tegen optreden. Hiertoe ben ik bereid, maar verder wil ik niet gaan, omdat ik de consequenties van uw voorstellen niet kan overzien.

Mevrouw Van Miltenburg (VVD):

Ik hoop dat u de Kamer dan in ieder geval een overzicht van de bestaande instrumenten wilt geven en dat u daarbij wilt aangeven wanneer u die kunt inzetten. Vervolgens kunnen wij nog praten over eventuele uitbreiding van het aantal instrumenten, waarvoor u al een voorzetje hebt gegeven.

Nu heeft er in juni jongstleden een artikel over de Haagse instelling De Compaan in de krant gestaan. Deze constateert dat het voor sommige cliënten moeilijk is om zelf aangifte te doen omdat zij daarvoor niet goed genoeg uit hun woorden kunnen komen. Dan wordt er dus geen aangifte gedaan. Hoe moet een instelling in zo'n situatie handelen? Ernstiger vind ik het dat een groot deel van de 35 meldingen die zijn gedaan, niet door de politie in behandeling is genomen, omdat zij geen tijd had en een aanklacht niet haalbaar achtte. Dat vind ik kwalijk; wat gaat u daaraan doen?

Minister Klink:

Voorzitter. Ik vind dat laatste ook een kwalijke zaak. De politie en het Openbaar Ministerie moeten afwegingen maken binnen hun opportuniteitsbeginsel. Het moge duidelijk zijn dat ik niet over de politie ga. De politie moet haar eigen afwegingen maken. Mevrouw Van Miltenburg zegt dat de politie bepaalde aangiften niet eens in behandeling neemt. Als dit klopt, heb ik daar net als zij mijn bedenkingen bij. Dat gaat wel heel erg ver. Ik neem er graag contact over op met de minister van Justitie. Ik wil bekijken wat de grens is van wat wij voor de instellingen kunnen betekenen, zeker ten behoeve van patiënten die hun eigen zaak niet kunnen verdedigen. Dat neem ik stellig mee. De zorg van mevrouw Van Miltenburg is de zorg van ons allen en dus ook van mij. Zij moet dit niet opvatten als een reserve om dit punt bij de staatssecretaris voor te leggen. Ik zeg de brief graag toe.

Mevrouw Van Dijken (PvdA):

Voorzitter. Ik wil erop aandringen om deze brief nog deze week aan ons te sturen, en anders in ieder geval vóór het debat van 12 december. Wij zullen dan spreken over de kwaliteit van zorg in instellingen voor verstandelijk gehandicapten. Dit onderwerp leent zich bij uitstek voor dit debat.

Vindt de minister het verstandig om vast te houden aan 2010 als evaluatiemoment, juist gezien de verontrustende cijfers die ons bereiken? Is het niet wijs om dat moment iets naar voren te halen? Op basis van deze evaluatie kunnen wij dan eerder gerichtere maatregelen nemen. Mevrouw Van Miltenburg stelde vragen over het probleem van aangifte doen bij de politie. Dit probleem geldt voor alle vormen van seksueel misbruik.

Minister Klink:

Voorzitter. Ik zal een dringende aanbeveling aan de staatssecretaris doen om deze brief vóór 12 december aan de Kamer te sturen, zodat zij deze kan meenemen in haar overwegingen over de kwaliteit van de gehandicaptenzorg. Ik kan niet overzien of het evaluatiemoment kan worden vervroegd. Ook dit zal ik doorgeven aan de staatssecretaris, die hier over gaat. Ik begrijp dat mevrouw Van Dijken dit spoedig wil behandelen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Wij hebben het over kwetsbare mensen die op dit moment onvoldoende beschermd worden. Wij moeten allemaal doordrongen zijn van deze zeer ernstige zaak. Staatssecretaris Bussemaker heeft tijdens een congres gezegd dat gebrek aan voldoende gekwalificeerd personeel een probleem vormt voor de veiligheid in instellingen. Volgens mij dragen de bezuinigingen in de gehandicaptenzorg van 1% op de totale AWBZ ook niet bij aan de veiligheid en de bescherming van deze groep mensen. Kan de minister hier in zijn brief op ingaan en er nu ook al iets over zeggen?

Minister Klink:

Voorzitter. Ik ben natuurlijk geneigd om te zeggen dat ik er in de brief op zal ingaan. Het gebrek aan voldoende gekwalificeerd personeel is een aangelegen punt. Wij hebben de Kamer niet voor niets de arbeidsmarktbrief gestuurd. Dit antwoord is natuurlijk vrij globaal. Uw vraag heeft specifiek betrekking op deze groep van zeer kwetsbare mensen. Ook ik ben geschrokken van de cijfers. Ik vind 350 meldingen in anderhalf jaar nogal wat, terwijl niet eens alles gemeld wordt. Ik neem dit punt zeker mee. Wij hebben tijdens de begrotingsbehandeling uitvoerig gesproken over de bezuinigingen. Deze efficiencytaakstelling raakt iedereen, maar is nodig om te investeren in zorg die buitengewoon noodzakelijk is. Ik kan niet anders dan aansluiten bij wat de staatssecretaris daarover vorige week heeft gezegd.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Er is tot nu toe heel veel aandacht voor de structuur binnen de organisaties. Zo moet er een meldingsplicht zijn. Er wordt gewezen op het belang van preventie en het vervolg op een melding. Omdat het om kwetsbare mensen gaat, vraag ik aandacht voor de cultuur binnen een organisatie. Is er voldoende veiligheid om een incident te melden? Zo nee, is de minister dan bereid om daar meer aandacht aan te schenken? Wil hij dit opnemen in de toegezegde brief?

Minister Klink:

Voorzitter. In wat mevrouw Agema inleidende opmerkingen noemde, ben ik al enigszins op die cultuur ingegaan. De seksualiteit moet meer uit de taboesfeer worden gehaald. Er moet zo mogelijk meer bewustwording bij cliënten c.q. patiënten worden gecreëerd. Verder moet er meer oog zijn voor de privacy van de personen in kwestie. Dat hangt allemaal samen met de cultuur binnen een instelling. Ik zal de opmerkingen van mevrouw Wiegman gaarne doorgeven aan de staatssecretaris, opdat ze een plaats krijgen in de brief.

Mevrouw Willemse-van der Ploeg (CDA):

Voorzitter. Wil de minister in de brief ook de ondersteuningsmogelijkheden voor de cliënt opnemen? In een taal die hij of zij begrijpt, in de vorm van pictogrammen of hoe dan ook, moet een cliënt kunnen onderkennen wat er aan de hand is. Er moet informatie aan ouders en verwanten worden opgenomen voor het onderkennen van signalen wanneer er met hun verwanten iets aan de hand is. Dit soort zaken moet zo snel mogelijk gemeld worden. In de brief moet dit vanuit het cliëntenperspectief worden meegenomen.

Minister Klink:

Voorzitter. Het is een van de instrumenten waarmee wij een cultuur van preventie binnen de instellingen kunnen bevorderen. Het wordt wat eentonig, maar ook deze waardevolle opmerkingen zal ik meenemen naar de staatssecretaris. Er is zo-even gesproken over de aangiftebereidheid bij de politie, maar het is ook mogelijk dat cliënten onmachtig zijn of te weinig vaardigheden hebben om uit te leggen wat er precies gebeurd is. Het is ook mogelijk dat een te hoge drempel wordt ervaren.

Mevrouw Van Gijlswijk (SP):

Voorzitter. Het werd inderdaad wat eentonig toen de minister zei dat hij ook dit naar de staatssecretaris zou meenemen. In antwoord op vragen van mevrouw Van Miltenburg gaf de minister aan dat hij ook in overleg zal treden met de minister van Justitie. In juni heb ik al schriftelijke vragen over dit onderwerp gesteld. Daarop kwam het antwoord dat de politie altijd wettelijk verplicht is om elke aangifte in behandeling te nemen. Ik vraag de minister om in zijn overleg met de minister van Justitie mijn wens mee te nemen om alle politiekorpsen daarover te instrueren. Ik doel dan op seksueel misbruik in het algemeen en seksueel misbruik van gehandicapten in het bijzonder.

Minister Klink:

Toen ik het had over het opportuniteitsbeginsel, gold dat vooral de vervolging. Het geldt niet bij het opnemen van aangiftes, want die dienen altijd te worden geregistreerd. U hebt daar gelijk in, ik zal dat punt meenemen.

De voorzitter:

Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Fritsma, Waalkens, De Roon en Vendrik.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:

Op de tafel van de griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.