Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035300 nr. 2

Tweede Kamer der Staten-Generaal

35 300 Nota over de toestand van 's rijks financiën

Nr. 2 Nota over de toestand van 's rijks financiën

Vergaderjaar 2019‒2020

INHOUDSOPGAVE

Blz.

1

Budgettaire kerngegevens en plafondtoetsen

4

1.1

Budgettaire kerngegevens

4

1.2

Plafondtoetsen

5

1.3

Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota

18

    

2

Uitgaven en niet-belastingontvangsten

20

    

3

Inkomstenkader

28

    

4

De belasting - en premieontvangsten

35

    

5

Toelichting op de belastingontvangsten

52

    

6

EMU-saldo

67

    

7

EMU-schuld

71

    

8

Overheids- en staatsbalans

74

8.1

Overheidsbalans

75

8.2

Staatsbalans

78

8.3

Balansen en het inzicht in de staat van de overheidsfinanciën

82

8.4

Methodebeschrijving staatsbalans

88

    

9

Fiscale regelingen

100

    

10

Toelichting op de fiscale regelingen

115

    

11

Normeringssystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds

141

    

12

Overzicht risicoregelingen van het Rijk

145

    

13

Regeerakkoordmiddelen op de aanvullende post

149

    

14

Verbetering informatievoorziening in en rond begrotingen

152

    

15

Europese begrotingsregels

154

    

16

Horizontale toelichting

157

De

Koning

158

Staten Generaal

159

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

160

Algemene Zaken

162

Koninkrijksrelaties

163

Buitenlandse Zaken

165

Justitie en Veiligheid

166

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

168

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

170

Nationale Schuld (Transactiebasis)

173

Financiën

174

Defensie

176

Infrastructuur en Waterstaat

179

Economische Zaken en Klimaat

182

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

184

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

185

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

188

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

191

Sociale Verzekeringen

192

Premiegefinancierd Budgettair Plafond Zorg

194

Gemeentefonds

195

Provinciefonds

196

Infrastructuurfonds

197

Diergezondheidsfonds

199

Accres Gemeentefonds

200

Accres Provinciefonds

201

BES-fonds

202

Deltafonds

203

Prijsbijstelling

205

Arbeidsvoorwaarden

206

Koppeling Uitkeringen

207

Algemeen

208

Consolidatie

210

Homogene Groep Internationale Samenwerking

211

    

17

Verticale toelichting

216

De

Koning

218

Staten Generaal

219

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

221

Algemene Zaken

223

Koninkrijksrelaties

224

Buitenlandse Zaken

227

Justitie en Veiligheid

230

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

236

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

241

Nationale Schuld (Transactiebasis)

246

Financiën

249

Defensie

254

Infrastructuur en Waterstaat

257

Economische Zaken en Klimaat

261

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

268

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

271

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

279

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

284

Sociale Verzekeringen

285

Zorg

289

Gemeentefonds

294

Provinciefonds

299

Infrastructuurfonds

302

Diergezondheidsfonds

305

Accres Gemeentefonds

308

Accres Provinciefonds

310

BES-fonds

312

Deltafonds

313

Prijsbijstelling

315

Arbeidsvoorwaarden

317

Koppeling Uitkeringen

319

Algemeen

322

Consolidatie

323

Homogene Groep Internationale Samenwerking

333

1 BUDGETTAIRE KERNGEGEVENS EN PLAFONDTOETSEN

1.1 Budgettaire kerngegevens

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste budgettaire kerngegevens tot en met 2021, het laatste kabinetsjaar. Deze cijfers zijn gebaseerd op de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau (CPB). Het kabinet verwacht in 2020 305,5 miljard euro aan inkomsten op te halen via belasting- en premieontvangsten. Dit is een stijging van 3,8 miljard euro ten opzichte van 2019. Er worden totale uitgaven verwacht van 302,1 miljard euro in 2020. Dit is een stijging van 12,7 miljard euro ten opzichte van 2019.

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

(in miljard euro, tenzij anders aangegeven)

2019

2020

2021

Inkomsten (belastingen en sociale premies)

301,7

305,5

311,3

Netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

289,3

302,2

312,0

Rijksbegroting

138,2

143,5

147,0

Sociale zekerheid

80,9

85,2

87,8

Zorg

70,2

73,4

77,2

Overige netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo

0,1

0,0

0,4

Gasbaten

‒ 1,1

‒ 1,1

‒ 0,9

Zorgtoeslag

4,9

5,2

5,7

Werkgeversbijdrage kinderopvang

‒ 1,3

‒ 1,3

‒ 1,3

SDE+

‒ 1,7

‒ 2,4

‒ 2,6

Overig

‒ 0,7

‒ 0,5

‒ 0,5

Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo

289,4

302,1

312,4

EMU-saldo centrale overheid

12,3

3,4

‒ 1,1

EMU-saldo decentrale overheden

‒ 1,5

‒ 1,5

‒ 1,5

Feitelijk EMU-saldo

10,8

1,9

‒ 2,6

Feitelijk EMU-saldo (in procenten bbp)

1,3%

0,2%

‒ 0,3%

EMU-schuld

397,3

397,3

401,9

EMU-schuld (in procenten bbp)

49,2%

47,7%

46,9%

Bruto binnenlands product (bbp)

808

833

857

Het feitelijk overschot van de centrale overheid daalt van 12,3 miljard euro in 2019 naar 3,4 miljard euro in 2020. Voor 2021 wordt een tekort verwacht van de centrale overheid van 1,1 miljard euro. De mede-overheden - onder andere de gemeenten, provincies en waterschappen - komen in deze jaren naar verwachting uit op een tekort van 1,5 miljard euro. Het totale EMU-saldo van de overheid komt daarmee naar verwachting uit op een overschot van 1,3 procent van het bbp in 2019 en 0,2 procent van het bbp in 2020. Voor 2021 wordt een tekort verwacht van 0,3 procent van het bbp.

1.2 Plafondtoetsen

Het kabinet stuurt in zijn begrotingsbeleid op uitgavenplafonds die voor de hele kabinetsperiode worden vastgested. Voor het overgrote deel van de rijksuitgaven geldt een uitgavenplafond. Het totale uitgavenplafond is onderverdeeld in drie deelplafonds: Rijksbegroting, Sociale Zekerheid en Zorg. Het kabinet toetst in de plafondtoetsen het verwachte uitgavenniveau aan het vooraf afgesproken uitgavenplafond voor de jaren van de kabinetsperiode. Het uitgavenplafond geeft de maximale ruimte weer voor uitgaven binnen de kabinetsperiode en hoeft niet maximaal benut te worden.

Tabel 1.2 Plafondtoetsing totaalplafond en deelplafonds

(in miljarden euro, - is onderschrijding)

2019

2020

2021

Totaal uitgavenplafond

Uitgavenplafond

289,7

302,2

312,0

Uitgavenniveau

289,3

302,2

312,0

Over-/onderschrijding

‒ 0,4

0,0

0,0

Plafond Rijksbegroting

Uitgavenplafond

136,9

142,6

146,0

Uitgavenniveau

138,2

143,5

147,0

Over-/onderschrijding

1,3

1,0

1,0

Plafond Sociale zekerheid

Uitgavenplafond

81,6

84,9

87,6

Uitgavenniveau

80,9

85,2

87,8

Over-/onderschrijding

‒ 0,7

0,3

0,2

Plafond Zorg

Uitgavenplafond

71,2

74,7

78,4

Uitgavenniveau

70,2

73,4

77,2

Over-/onderschrijding

‒ 1,0

‒ 1,3

‒ 1,2

Het totale uitgavenplafond laat voor 2019 een onderschrijding zien van 0,4 miljard euro. In de jaren 2020 en 2021 sluit het uitgavenplafond. De drie deelplafonds, die samen het totale uitgavenplafond vormen, laten zowel over- als onderschrijdingen zien.

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Rijksbegroting

Tabel 1.3 Ontwikkeling uitgaven plafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro, - is onderschrijding)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019

139.385

143.358

145.576

Aanpassingen van het uitgavenplafond n.a.v.:

2

Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg

719

648

790

3

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 255

‒ 667

‒ 755

4

Volumebesluit gas

‒ 110

‒ 350

‒ 270

5

Investeringsritme bereikbaarheid, defensie, en in=uittaakstelling

‒ 1.844

254

681

6

Klimaatakkoord

0

‒ 246

107

7

Woningmarkt

‒ 749

220

242

8

Pensioenakkoord

0

66

133

9

Overige uitgavenmutaties

‒ 226

‒ 722

‒ 468

10

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 1 t/m 9)

136.921

142.562

146.036

11

Uitgaven bij Miljoenennota 2019

140.317

143.802

146.176

150.141

153.250

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond

12

Overboekingen met Sociale Zekerheid en Zorg (incl. GF/PF)

719

648

790

649

481

476

13

Loon- en prijsontwikkeling (incl. GF/PF en HGIS)

‒ 255

‒ 667

‒ 755

‒ 1.309

‒ 1.516

‒ 1.972

14

Publiek Private Samenwerking

‒ 277

‒ 313

‒ 255

‒ 287

179

169

15

Macro economische mutaties na de kabinetsperiode

0

0

0

‒ 261

‒ 94

‒ 85

16

Aanpassing investeringsritme bereikbaarheid, defensie, en in=uittaakstelling

‒ 1.844

254

681

610

515

1.113

17

Klimaatakkoord

0

59

107

92

77

‒ 11

18

Salderingsregeling

0

‒ 213

‒ 240

‒ 240

‒ 240

‒ 240

19

Scholingsaftrek

0

‒ 218

0

0

0

0

20

Overige uitgavenmutaties zonder beslag budgettaire ruimte

52

32

36

38

38

40

Uitgavenmutaties met beslag budgettaire ruimte

21

Gemeentefonds en Provinciefonds en BCF (excl. loon- en prijsontwikkeling)

84

371

421

168

369

389

22

HGIS (excl. loon- en prijsontwikkeling)

316

‒ 121

‒ 35

‒ 59

‒ 48

‒ 68

23

EU-afdrachten

‒ 213

‒ 898

‒ 20

‒ 18

‒ 16

‒ 14

24

Rente

‒ 196

‒ 831

‒ 898

‒ 689

‒ 689

‒ 689

25

Winstafdracht DNB en dividend staatsdeelnemingen

‒ 181

‒ 128

‒ 296

‒ 447

‒ 37

214

26

Capaciteitsdoelstellingen NAVO

10

42

249

358

406

461

27

Rechtspraak en Openbaar Ministerie

61

78

75

70

60

50

28

Prognosemodel justitiële ketens

78

155

167

0

0

0

29

Asielketen

15

134

146

134

112

100

30

Afpakopbrengsten en Boeten en Transacties

6

‒ 18

‒ 62

‒ 101

‒ 101

‒ 101

31

Leerlingenramingen en bètatechniek

96

112

80

90

99

105

32

Klimaatakkoord

150

200

295

270

210

205

33

Woningmarkt

0

250

250

250

250

0

34

Eindejaarsmarge (incl. GF/PF en HGIS)

776

13

0

0

0

0

35

In=uittaakstelling

‒ 776

‒ 13

0

0

0

0

36

Invulling in=uittaakstelling

220

0

0

0

0

0

37

Kasschuiven

‒ 713

476

‒ 40

350

98

‒ 170

38

Reservering digitale veiligheid

0

201

32

2

2

2

39

Extrapolatie uitgaven

0

0

0

0

0

130.901

40

Diversen

‒ 261

139

102

111

134

112

41

Uitgaven bij Miljoenennota 2020 (= 11 t/m 40)

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.833

42

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 11-1)

932

444

600

43

Over/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 41-10)

1.263

985

972

De toets op het deelplafond Rijksbegroting laat in de Miljoenennota 2020 een verwachte overschrijding van het plafond zien van 985 miljoen euro in 2020. In de Miljoenennota 2019 werd de overschrijding voor dat jaar nog ingeschat op 444 miljoen euro. De huidige overschrijding is een gevolg van zowel aanpassingen van de uitgaven als van het uitgavenplafond. Deze worden onder de tabel toegelicht.

Aanpassingen van het uitgavenplafond

Het plafond Rijksbegroting wordt, conform de begrotingsregels, aangepast voor enkele mutaties. Er zijn aanpassingen van het plafond die gelijk zijn aan mutaties in de uitgaven. Dit zijn in het geval van het plafond Rijksbegroting onder andere de overboekingen met de plafonds Sociale Zekerheid en Zorg, de loon- en prijsbijstelling en de aanpassing voor het investeringsritme bereikbaarheid en defensie. Deze uitgavenmutaties waarvoor het plafond wordt aangepast worden verder uitgesplitst in de tabel onder ‘uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond’ en worden onder dat kopje verder toegelicht.

Er zijn ook aanpassingen van het uitgavenplafond die niet gepaard gaan met een even grote uitgavenmutatie. In deze gevallen wordt het uitgavenplafond door het kabinet bijgesteld om de beschikbare ruimte onder het uitgavenplafond aan te passen waardoor er meer of minder budgettaire ruimte onder het plafond resteert. Dit is het geval bij het volumebesluit gas, het pensioenakkoord, een deel van de mutaties die samenhangen met het Klimaatakkoord en bij de middelen voor woningmarkt.

In de begrotingsregels is opgenomen dat besluiten over het volume van gaswinning onder het uitgavenplafond gedekt worden. De technische uitwerking hiervan is dat het uitgavenplafond neerwaarts wordt bijgesteld waardoor er minder ruimte resteert onder het uitgavenplafond.

Dit voorjaar heeft het kabinet een Klimaatakkoord en Pensioenakkoord gesloten (zie hoofdstuk 2), en daarvoor heeft het kabinet het uitgavenplafond aangepast. Om het Pensioenakkoord mogelijk te maken, geeft het kabinet meer uit dan voorzien bij Regeerakkoord. Ook schuift het kabinet voor het Klimaatakkoord tussen uitgaven en inkomsten. Zo wordt er 305 miljoen euro aan lastenverlichtende maatregelen gedekt met ruimte onder het uitgavenplafond in 2020 en worden bepaalde uitgaven gedekt aan de lastenkant (zie verderop). Het aanpassen van het uitgavenplafond en het inkomstenkader is een bewuste keuze. Hoewel er op korte termijn meer wordt uitgegeven dan voorzien, staan hier op langere termijn hogere inkomsten en lagere uitgaven tegenover. Bovendien zijn vanuit maatschappelijk oogpunt de akkoorden belangrijke stappen om Nederland duurzaam te maken en te zorgen voor toekomstbestendig pensioenstelsel. Daarnaast zet het kabinet ook de ruimte die in 2019 ontstaat, in latere jaren in voor de woningmarkt.

Uitgavenmutaties met aanpassing van het uitgavenplafond

Overboekingen van de deelplafonds Sociale Zekerheid en Zorg leiden tot een opwaartse bijstelling van de uitgaven onder het deelplafond Rijksbegroting. Deze bijstelling van de uitgaven is gelijk aan de plafondaanpassing hiervoor. Het betreft hier voornamelijk overboekingen naar het Gemeentefonds en het Provinciefonds. Hierbij gaat het onder meer om de middelen voor jeugdzorg en de overheveling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2019 voor de overgehevelde budgetten van Wmo en Jeugd (187 miljoen euro structureel) naar de algemene uitkering van het Gemeentefonds.

De loon- en prijsontwikkeling is lager dan geraamd in de Miljoenennota 2019. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven aan deze post, en een neerwaartse aanpassing van het uitgavenplafond die gelijk is aan de mutatie in de uitgaven.

In het geval van een Publiek Private Samenwerking (PPS) kan sprake zijn van een budgettair neutrale omzetting van (kas)budget in (meerjarige) beschikbaarheidsbudgetten. Dit is het geval bij het gebruik van Design, Build, Finance and Maintain-contracten (DBFM) voor de A24 Blankenburgverbinding en de A16 Rotterdam. Als het kabinet kiest voor een DBFM-constructie wordt het gereserveerde budget voor de projecten aangepast aan het betaalritme van het contract. In plaats van hoge investeringen in een korte periode wordt er een lagere gebruiksvergoeding betaald over een veel langere periode. Conform de begrotingsregels wordt het uitgavenplafond evenredig met de uitgavenmutatie aangepast.

Een andere post uitgavenmutaties die geen effect hebben op de beschikbare ruimte onder het plafond zijn de macro-economische mutaties na de kabinetsperiode. Volgens de begrotingsregels worden deze uitgavenmutaties namelijk niet betrokken in de besluitvorming. Zo wordt voorkomen dat deze beslag leggen op de budgettaire ruimte van het volgende kabinet. Het betreft hier vooral de macro-economische doorwerking op de middelen voor de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) en de rente.

Het kabinet heeft in het Regeerakkoord een investeringsimpuls gegeven aan de bereikbaarheid en defensie. In de jaren 2018 tot en met 2020 is er voor bereikbaarheid incidenteel een bedrag van 2 miljard euro beschikbaar gesteld en vanaf 2021 100 miljoen euro per jaar. Voor Defensie is structureel 1,5 miljard euro beschikbaar gesteld. De ministers van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie vertalen deze ambities naar de concrete aanschaf van materiaal, bestuurlijk afspraken en projectplannen. Onderuitputting op enkele projecten in 2018 heeft vorig jaar geleid tot een kasschuif naar latere jaren. Deze zijn technisch verwerkt door het inboeken van een in=uittaakstelling in 2020 en 2021. Bij Voorjaarsnota 2019 is er een risico op onderuitputting van deze budgetten voor 2019 gesignaleerd. De afgelopen periode is gebruikt om de projectportefeuille van Infrastructuur en Waterstaat en Defensie te analyseren. Hierbij is het risico op onderuitputting verder in kaart gebracht en is bezien welke mogelijkheden voorhanden zijn om de programmering, raming en realisatie van alle projecten te optimaliseren. Hieruit blijkt dat een ander kasritme nodig is dan verondersteld ten tijde van het Regeerakkoord. De investeringsmiddelen worden op basis van deze analyse daarom eenmalig in het op dit moment meest realistische kasritme geplaatst. Daarbij worden middelen geschoven uit de jaren 2019-2021 naar latere jaren. In 2019 wordt er vanuit de begroting van Infrastructuur en Waterstaat 1,5 miljard euro doorgeschoven naar latere jaren en voor Defensie 300 miljoen euro. Hierbij wordt ook de eerder vermelde technische verwerking van de in=uittaakstelling tegengeboekt.

Zoals eerder vermeld worden een aantal klimaatuitgaven gedekt via de lastenkant. Dit geldt bijvoorbeeld voor de aanschafsubsidie elektrisch vervoer, mobiliteitsmaatregelen en verduurzaming van huurwoningen. Deze correcties vallen niet onder de standaardgronden voor het aanpassen van het uitgavenplafond en inkomstenkader, maar worden genomen om op een efficiënte en voor iedereen betaalbare en haalbare manier de opgave van 49 procent minder broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 te behalen.

De salderingsregeling duurzame elektriciteit blijft een fiscale regeling die behouden blijft tot 2023, daarna geleidelijk wordt afgebouwd en na 2030 komt te vervallen. Er komt geen subsidievariant. Hiervoor is een plafondcorrectie nodig om de gereserveerde reeks uit de uitgavenramingen te halen. Tevens wordt het inkomstenkader gecorrigeerd om het fiscale alternatief in te passen.

De fiscale regeling aftrek van scholingsuitgaven wordt een jaar langer dan oorspronkelijk beoogd gecontinueerd. Daarom wordt het bedrag dat in 2020 gereserveerd staat bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor een uitgavenregeling ter vervanging van de aftrek van de scholingsuitgaven afgeboekt ter compensatie van derving van fiscale inkomsten. Het betreft een budgettair neutrale schuif tussen het uitgavenplafond en het inkomstenkader waarbij zowel het uitgavenplafond als het inkomstenkader gecorrigeerd wordt.

De post overige uitgaven mutaties zonder budgettair beslag bestaat uit enkele kleinere correcties van het uitgavenplafond Rijksbegroting. Deze post bevat onder meer een correctie voor de schade-uitkeringen van de exportkredietverzekeringen (EKV). Bij de revisie van de nationale rekeningen verwerkt het CBS de schade-uitkeringen van de exportkredietverzekeringen als financiële transacties. Pas bij het sluiten van de polis wordt de schade geboekt ten laste van het uitgavenplafond.

Uitgavenmutaties met beslag budgettaire ruimte

De hoogte van de uitgaven van het Rijk werkt via de normeringssystematiek door in de indexatie van het Gemeentefonds, Provinciefonds en in het plafond van het Btw-compensatiefonds (BCF). De actualisatie van het uitgavenbeeld voor 2019 en verder laat een stijging zien voor deze fondsen als gevolg van hogere uitgaven door het Rijk. Ook is er een toename van de grondslag van de fondsen als gevolg van overhevelingen van middelen voor onder andere jeugd en klimaat. De lagere uitgaven aan lonen prijzen van de Rijksoverheid werken ook door naar de decentrale overheden. De loon- en prijsontwikkeling van de decentrale overheden is in tabel Ontwikkeling uitgaven plafond Rijksbegroting onderdeel van de totale loon- en prijsbijstelling (regel 13). In bijlage 11 ‘Normeringssystematiek’ worden de geldstromen naar de decentrale overheden verder toegelicht.

De ODA-middelen binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) zijn, conform de reguliere systematiek, bijgesteld op basis van de groeiverwachting van het BNI van het CPB. Ook is de toerekening aan ODA van de kosten van de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen met ingang van 2019 herijkt. Daarnaast is een verbetering van de toerekeningssystematiek doorgevoerd. Dit leidt tot een transparantere, schokbestendigere en doelmatigere toerekening.

De post EU-afdrachten is een saldo van verschillende uitgavenmutaties. De Spring Forecast 2019 van de Europese Commissie leidt o.a. door een hogere raming van het BNI tot hogere afdrachten. Eerder is op de Aanvullende Post hiervoor een structurele reservering van 100 miljoen euro getroffen. Deze reservering wordt nu voor een deel ingezet en het resterende deel van de reservering valt vrij. Daarnaast is de raming onder meer incidenteel verlaagd in 2020 met 810 miljoen euro als gevolg van de recent door de Europese Commissie gepresenteerde ontwerpbegroting 2020.

De raming van de rentelasten wijzigt als gevolg van geactualiseerde rentestanden in de MEV-raming van het CPB en doordat de verwachte financieringsbehoefte is geactualiseerd.

De nieuwste winstramingen van de staatsdeelnemingen leiden tot een hogere dividendraming. Ook de raming van de winstafdracht DNB is aangepast naar aanleiding van de meest recente winstraming.

Het kabinet heeft zijn politieke intentie om structureel te investeren in een aantal prioritaire capaciteiten, die aansluiten op de capaciteitendoelstellingen van de NAVO, bevestigd. In lijn met deze intentieverklaring wordt hiervoor extra geld, oplopend tot 461 miljoen euro in 2024, vrijgemaakt. Structureel wordt er 162 miljoen euro extra per jaar ingezet.

Door het uitblijven van baten van het inmiddels stopgezette digitaliseringsprogramma «Kwaliteit en Innovatie» en vanwege de autonome terugloop van het aantal zaken, kampt de Rechtspraak met een tekort. Daarnaast wordt het nog niet ingevulde deel van de taakstelling Rutte II voor het Openbaar Ministerie (OM) teruggedraaid.

De uitkomsten van het Prognosemodel Justitiële Ketens zijn budgettair verwerkt. De raming van de capaciteitsbehoefte in de justitiële ketens wordt verwerkt in de diverse uitgavenramingen op de begroting van het ministerie van Justitie en Veiligheid, voor de jaren 2019–2021, waaronder voor het Openbaar Ministerie en de forensische zorg.

Voor een stabiele financiering van de asielketen wordt structureel circa 100 miljoen euro beschikbaar gesteld. Hierdoor kan het operationele proces beter worden ingericht en kunnen de doorlooptijden in de asielketen verder worden teruggebracht. In 2020 komt het totaal aan extra middelen voor de asielketen uit op 134 miljoen, onder andere door de budgettaire verwerking van de asielramingen. De raming van de afpakopbrengsten wordt vanaf 2020 structureel verhoogd en per jaar op hetzelfde niveau gebracht. Het ministerie van Justitie en Veiligheid draagt een deel van het risico als de raming niet wordt gerealiseerd. Tevens is de raming voor boeten en transacties geactualiseerd.

Op de Algemene Post is een reservering gemaakt om de betrouwbaarheid van de digitale samenleving te waarborgen.

Meer leerlingen en studenten nemen deel aan het onderwijs dan geraamd bij de Miljoenennota 2019. De onderwijsinstellingen worden gecompenseerd voor de kosten die hierdoor ontstaan. Hiervoor wordt vanaf 2019 55 miljoen euro beschikbaar gesteld tot structureel 64 miljoen euro. Daarbovenop wordt structureel 41 miljoen euro vrijgemaakt voor bèta-techniek in het hoger onderwijs. De taakstelling van structureel 161 miljoen euro op de OCW-begroting wordt structureel ingevuld door de niet-wettelijk verplichte loon- en prijsbijstelling tranche 2019 op onderwijs en onderzoek niet uit te keren.

Het kabinet heeft bij de aanbieding van het ontwerp-klimaatakkoord en bij de eerste reactie op de doorrekening van het ontwerp-klimaatakkoord een pakket aan maatregelen aangekondigd. Voor de uitvoering van deze maatregelen is bij Voorjaarsnota geld gereserveerd op de aanvullende post. Deze middelen worden toegevoegd aan de departementale begrotingen.

Een bedrag van 1 miljard euro wordt in de vorm van een rijksbijdrage beschikbaar gesteld voor het realiseren van woningbouw op specifieke locaties. Het bedrag is mede bedoeld voor de ontsluiting van de infrastructuur van deze woningbouwlocaties. Daarnaast kan een deel van het extra geld worden ingezet voor de bekostiging van noodzakelijke maatregelen in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het extra geld wordt verdeeld in vier tranches van 250 miljoen euro in de jaren 2020 tot en met 2023. De rijksbijdrage wordt als specifieke uitkering vertrekt aan gemeenten voor het realiseren van woningen en de daar bijhorende infrastructuur. Het geld wordt op de aanvullende post gereserveerd en wordt onder voorwaarde van een bestedingsplan overgeheveld naar de begroting van BZK.

Bij de Voorjaarsnota 2019 hebben departementen een deel van de in 2018 niet bestede middelen middels de Eindejaarsmarge doorgeschoven naar 2019. Als tegenhanger van deze Eindejaarsmarge is daarbij ook een in=uittaakstelling geboekt. De gedachte hierachter is dat er aan het einde van dit jaar in dezelfde mate als eind 2018 sprake zal zijn van onderbesteding op de begrotingen. Bij de Miljoenennota 2020 is deze in=uittaakstelling voor 2019 deels ingevuld.

Bij Voorjaarsnota zijn middelen geschoven tussen 2019 en latere jaren. Het gaat onder andere om kasschuiven van middelen voor warme sanering van de varkenshouderij, de Belastingdienst en de Dienst Justiële Inrichtingen. De kasschuif van middelen voor de Wereldbank maakt onderdeel uit van de reeks HGIS.

Onder de post Extrapolatie zijn de uitgaven voor het jaar 2024 vastgesteld.

De post Diversen bevat het saldo van de, veelal kleine, resterende uitgavenmutaties op de departementale begrotingen. De forse neerwaartse bijstelling van deze post in 2019 is vooral het gevolg van overboekingen van de departementale begrotingen van de Rijksbegroting naar het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Sociale Zekerheid

Tabel 1.4 Ontwikkeling uitgaven plafond Sociale Zekerheid

(in miljoenen euro; - is onderschrijding)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019

81.705

84.838

87.523

Aanpassingen van het uitgavenplafond n.a.v.:

2

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

‒ 31

‒ 79

‒ 78

3

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 136

‒ 381

‒ 679

4

Conjuncturele effect WW en Bijstand

38

128

276

5

Pensioenakkoord

2

389

845

6

Pensioenakkoord (taakstelling)

‒ 100

7

WIA en LBZ

1

3

‒ 198

8

Overige uitgavenmutaties

8

18

18

9

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 1 t/m 8)

81.586

84.916

87.606

10

Uitgaven bij Miljoenennota 2019

81.232

84.865

87.498

90.251

93.952

11

Overboekingen met Rijksbegroting en Zorg

‒ 31

‒ 79

‒ 78

‒ 76

‒ 76

‒ 75

12

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 136

‒ 381

‒ 679

‒ 1.038

‒ 1.536

‒ 1.950

13

WW en Bijstand

38

128

276

336

385

441

14

Pensioenakkoord (plafondcorrectie)

2

389

845

914

601

357

15

WIA en LBZ (plafondcorrectie)

1

3

‒ 198

‒ 269

‒ 266

‒ 280

16

Plafondcorrecties (overige uitgaven)

8

18

18

18

‒ 12

18

17

AOW

‒ 89

‒ 65

‒ 105

‒ 141

‒ 148

‒ 127

18

Wajong

‒ 103

‒ 120

‒ 142

‒ 117

‒ 120

‒ 122

19

Ziektewet

55

76

72

88

90

89

20

Kindregelingen

30

76

87

96

102

94

21

Herstel niet-automatisch herstarten WKB

215

255

50

50

50

50

22

Dekking herstel niet-automatisch herstarten WKB

‒ 39

‒ 70

‒ 24

‒ 51

‒ 56

‒ 50

23

Arbeidsongeschiktheid

25

69

80

60

26

27

24

Pensioenakkoord

0

0

100

100

100

100

25

Loonkostenvoordeel

‒ 132

‒ 70

‒ 70

‒ 60

‒ 55

‒ 52

26

Kasschuiven plafond Sociale Zekerheid

‒ 94

25

41

14

‒ 2

16

27

In= uittaakstelling

‒ 13

0

0

0

0

0

28

Eindejaarsmarge

13

0

0

0

0

0

29

Overige mutaties

‒ 53

85

76

80

119

101

30

Extrapolatie

0

0

0

0

0

97.672

31

Uitgaven bij Miljoenennota 2020 (= 10 t/m 30)

80.928

85.204

87.847

90.257

93.153

96.309

32

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 10-1)

‒ 473

28

‒ 25

33

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 31-9)

‒ 659

288

241

Bij Miljoenennota 2020 is sprake van onderschrijding van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 659 miljoen euro voor 2019. In 2020 wordt een overschrijding verwacht van 288 miljoen euro en in 2021 een overschrijding van 241 miljoen euro. Bij Miljoenennota 2019 was er sprake van een verwachte onderschrijding van het uitgavenplafond Sociale Zekerheid van 473 miljoen euro in 2019, een overschrijding van 28 miljoen euro in 2020 en een onderschrijding van 25 miljoen euro in 2021.

In de begrotingsregels van dit kabinet is afgesproken het uitgavenplafond aan te passen voor de loon- en prijsontwikkeling en voor het conjuncturele effect van de WW en bijstand. De uitgaven aan de WW zijn meerjarig naar boven bijgesteld, hoofdzakelijk vanwege de door het CPB hoger voorspelde werkloosheid. De uitgaven aan de bijstand zijn meerjarig naar beneden bijgesteld. Omdat de opwaartse bijstelling op de WW groter is dan de neerwaartse bijstelling op de bijstand wordt het uitgavenplafond per saldo naar boven bijgesteld. Tevens wordt het uitgavenplafond aangepast voor overboekingen met uitgavenplafonds Rijksbegroting en Zorg en voor statistische correcties, waarbij de correcties voor het pensioenakkoord en voor de mutaties van de WIA en LBZ afzonderlijk vermeld staan.

De uitgaven aan de AOW zijn naar beneden bijgesteld ten opzichte van eerdere verwachtingen voor 2019. De bijstelling wordt vooral verklaard door een lager aantal AOW’ers, hetgeen samenhangt met de nieuwe CBS-bevolkingsprognose. Het aantal AOW’ers viel in 2018 lager uit dan verwacht, omdat de sterfte in 2018 hoger uitviel dan het CBS verwachtte. Dit werkt meerjarig door omdat het aantal AOW'ers hierdoor ook in latere jaren naar verwachting lager uitkomt dan ten tijde van de Miljoenennota 2019 werd geraamd.

Op basis van realisatiegegevens van het UWV zijn de verwachte uitkeringslasten Wajong neerwaarts bijgesteld. Dit komt onder andere doordat er meer Wajongers werken dan verwacht, wat zorgt voor een lagere gemiddelde uitkering, en doordat de verwachte uitstroom uit de Wajong structureel hoger is dan eerder geraamd.

De tegenvaller op de Ziektewet wordt veroorzaakt door een opwaartse bijstelling van het aantal ZW-uitkeringen. Ten opzichte van eerdere verwachtingen heeft vooral de ontwikkeling van het aantal ziektejaren van flexwerkers doorgezet. Daarnaast is de werkloosheidsraming van het CPB ten opzichte van de begroting opwaarts bijgesteld. Naar verwachting neemt hierdoor het aantal zieke werklozen in de Ziektewet toe.

De uitgaven aan de kindregelingen (AKW, KOT en WKB) zijn opwaarts bijgesteld. De bijstelling in de AKW is grotendeels het gevolg van een hoger aantal kinderen volgens de laatste bevolkingsprognose van het CBS, met name door een opwaartse bijstelling van het migratiesaldo. De bijstelling van de KOT is het gevolg van een sterkere toename van het gebruik van kinderopvang dan verwacht. De uitgaven aan de WKB komen hoger uit doordat, naast de hogere bevolkingsprognose, de inkomensontwikkeling neerwaarts is bijgesteld.

De Belastingdienst is er bij een onderzoek naar het niet-gebruik van de WKB achter gekomen dat er een groep mensen is die ten onrechte geen WKB heeft ontvangen. Het kabinet gaat deze omissie herstellen voor de periode vanaf 2013 tot en met het lopende toeslagjaar. Dit leidt tot incidentele uitgaven van in totaal naar verwachting 420 miljoen euro verdeeld over 2019 en 2020.

De gevolgen van het herstel van het niet-automatisch herstarten van de WKB zijn voor een deel ook structureel (50 miljoen euro), omdat de uitvoering ook naar de toekomst toe wordt aangepast.

De dekking van de kosten bestaat voor 2019 uit meevallers in het algehele beeld van SZW. De dekking voor 2020 bestaat onder andere uit een incidenteel overschot in 2020 op de middelen voor de transitievergoeding (overgeboekt van de aanvullende post) en uit ruimte die was ontstaan doordat de RA-maatregel bij de kinderopvangtoeslag in de eerste jaren minder kostte dan eerder was voorzien. Omdat de dekking deels in andere jaren staat, zijn de middelen via een budgetschuif naar 2020 geschoven. In eerste instantie werd dekking voor de structurele component gevonden in het eenmalig niet-indexeren van de WKB in 2020.

Het kabinet heeft voor de zomer besloten het kindgebonden budget alsnog te indexeren (63 miljoen euro). Het budgettaire probleem wat hierdoor is ontstaan, wordt deels gedekt op de SZW-begroting en deels uit beschikbare ruimte in het uitgavenbeeld.

De tegenvaller op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen wordt voornamelijk veroorzaakt door een stijging van het aantal uitkeringen Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). De doorstroom uit de Werkhervattingsregeling Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) naar de IVA valt hoger uit dan eerder verwacht. Bij de WGA is een tegenovergesteld effect zichtbaar, daar daalt het volume. Omdat de IVA een duurdere regeling is, levert dit per saldo een tegenvaller op.

Het kabinet heeft met de sociale partners een pensioenakkoord gesloten over de vernieuwing van het pensioenstelsel, een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd, een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen en over een pakket maatregelen op het gebied van duurzame inzetbaarheid (Tweede Kamer, 2018-2019, 32 043, nr. 457). Het pensioenakkoord heeft gevolgen voor de begroting van 2020 en de jaren daarna. Het temporiseren van de verhoging van de AOW-leeftijd leidt tot hogere uitgaven aan de AOW en lagere uitgaven aan andere uitkeringsregelingen zoals de bijstand, WW en arbeidsongeschiktheid. Per saldo leidt dit tot hogere uitgaven. Ook wordt de RVU-heffing versoepeld, wat leidt naar verwachting tot hogere uitkeringslasten van de WW. Daarnaast stelt het kabinet incidenteel 800 miljoen euro beschikbaar (200 miljoen per jaar vanaf 2021) zodat sociale partners afspraken kunnen maken over het faciliteren van langer doorwerken. Aan de uitgavenkant wordt de temporisering deels gedekt met middelen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein. De budgettaire uitwerking van de aanpassing van de koppeling aan de levensverwachting is nog niet zichtbaar in de begroting omdat deze pas later effect zal hebben.

Daarnaast vallen de uitgaven aan het Loonkostenvoordeel (LKV) lager uit dan eerder vanuit werd gegaan. Dit volgt uit de realisatiecijfers van de Belastingdienst.

De kasschuiven sinds Miljoenennota 2019 betreffen onder andere een schuif wegens de herziening Bbz. Door een aanpassing in de raming wordt de vrijval van middelen in 2020 ingezet voor de uitgaven in latere jaren. Daarnaast blijkt uit de uitvoeringstoets van het wetsvoorstel Vereenvoudiging Wajong dat sommige onderdelen pas per 2021 uitvoerbaar zijn waardoor het budget verschuift. Ook is er een kasschuif van de RA-middelen voor de Veranderopgave Inburgering.

Onder de post overige mutaties valt onder andere een incidentele meevaller op de compensatie dagloon doordat de dekking van de compensatie in 2019 lager uitvalt dan verwacht. Daarnaast is er een meevaller op de Participatiewet door veranderingen in prijs en volume. In latere jaren ontstaat er een tegenvaller door onder andere een tegenvaller op de WAZO (Wet Arbeid en Zorg).

Ontwikkeling uitgaven deelplafond Zorg

Tabel 1.5 Ontwikkeling uitgaven plafond Zorg

(in miljoenen euro; - is onderschrijding)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019

71.940

76.121

80.335

Aanpassingen van het uitgavenplafond n.a.v.:

2

Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale Zekerheid

‒ 687

‒ 569

‒ 712

3

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 80

‒ 838

‒ 1.259

4

Uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 1 t/m 3)

71.173

74.713

78.364

5

Uitgaven bij Miljoenennota 2019

71.438

75.629

79.766

83.917

88.953

6

Overboekingen met Rijksbegroting en Sociale Zekerheid

‒ 687

‒ 569

‒ 712

‒ 574

‒ 406

‒ 401

7

Loon- en prijsontwikkeling

‒ 80

‒ 838

‒ 1.259

‒ 1.907

‒ 2.552

‒ 3.228

8

Actualisering Zvw

‒ 558

‒ 496

‒ 296

‒ 296

‒ 296

‒ 296

9

Actualisering Wlz

‒ 71

‒ 71

‒ 71

‒ 71

‒ 71

‒ 71

10

Ramingsbijstelling opleidingen

‒ 225

‒ 176

‒ 86

‒ 150

‒ 110

‒ 80

11

Jeugdhulp

350

190

290

190

0

0

12

Ramingsbijstelling geneesmiddelen

‒ 120

‒ 160

‒ 230

‒ 230

‒ 230

‒ 230

13

Nominaal en onverdeeld Zvw

‒ 72

‒ 40

‒ 83

‒ 72

‒ 63

‒ 60

14

Ambulantisering ggz-domein

50

50

50

60

60

60

15

Taakstelling MSZ

0

40

75

75

75

75

16

Tariefherijking verpleeghuiszorg

0

‒ 87

‒ 87

‒ 87

‒ 87

‒ 87

17

Ramingsbijstelling Wlz

4

‒ 116

‒ 273

‒ 322

‒ 331

‒ 325

18

Tegenvaller Wlz

190

0

0

0

0

0

19

Extrapolatie

0

0

0

0

0

94.060

20

Diversen

‒ 38

89

72

158

105

150

21

Uitgaven bij Miljoenennota 2020 (=5 t/m 20)

70.180

73.443

77.154

80.692

85.047

89.566

22

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2019 (= 5-1)

‒ 502

‒ 492

‒ 569

23

Over-/onderschrijding uitgavenplafond bij Miljoenennota 2020 (= 21-4)

‒ 993

‒ 1.270

‒ 1.210

De uitgaven onder plafond Zorg voor het begrotingsjaar 2020 zijn 2,2 miljard euro lager geraamd dan in de Miljoenennota 2019. Dit hangt voor 1,4 miljard euro samen met technische factoren, namelijk de overboekingen met de deelplafonds Rijksbegroting en Sociale Zekerheid, en de aanpassingen als gevolg van nieuwe CPB ramingen van de loon- en prijsontwikkeling. Het restant verschil van 0,8 miljard euro hangt vooral samen met beschikbaar gekomen realisatiecijfers. De grootste post betreft de actualisering van de Zvw-uitgaven (neerwaartse bijstelling 0,5 miljard euro). Hierna worden de verschillende mutaties meer in detail toegelicht.

Plafondaanpassingen

Het uitgavenplafond Zorg wordt verlaagd als gevolg van overboekingen naar het uitgavenplafond Rijksbegroting. Dit betreft onder meer middelen voor én de overheveling van de loon- en prijsbijstelling tranche 2019 voor de al eerder overgehevelde budgetten van Wmo en Jeugd (187 miljoen structureel) naar de algemene uitkering van het Gemeentefonds. Verder is, ten opzichte van de CPB-raming bij Miljoenennota 2019, de raming van loon- en prijsontwikkeling in de zorg op basis van nieuwe CPB-ramingen naar beneden bijgesteld. Het uitgavenplafond Zorg is hiervoor conform begrotingsregels gecorrigeerd.

Bijstelling uitgaven

Op basis van voorlopige realisatiecijfers over 2018 van het Zorginstituut Nederland zijn de uitgaven onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) geactualiseerd. De uitgaven op diverse sectoren zijn in 2018 lager uitgevallen dan geraamd. Vanaf 2019 worden structureel lagere uitgaven verwerkt in de begroting. Het gaat dan onder meer om aanpassingen van 63 miljoen bij geneesmiddelen, 57 miljoen bij hulpmiddelen, 47 miljoen bij grensoverschrijdende zorg en in totaal 99 miljoen bij diverse sectoren in de overige eerstelijnszorg. Daarnaast zijn ook op basis van de eerste voorlopige realisatiecijfers over 2019 de Zvw-uitgaven voor 2019 en 2020 geactualiseerd. Op basis van deze cijfers zijn de totale Zvw-uitgaven in 2019 met 222 miljoen euro verlaagd en in 2020 met 200 miljoen euro.

Op basis van voorlopige realisatiegegevens over 2018 van het Zorginstituut en de NZa zijn de uitgaven onder de Wet langdurige zorg (Wlz) geactualiseerd. Dit betreft het structureel verwerken van de vrijval van de resterende herverdelingsmiddelen Wlz-kader over 2018 (130 miljoen), lagere opbrengsten van de eigen bijdragen Wlz in 2018 (25 miljoen), en een aantal overige actualisaties (33 miljoen).

De uitgaven aan medische (vervolg)opleidingen zijn in 2019 en verder naar verwachting lager dan eerder geraamd. Het Capaciteitsorgaan constateert dat er steeds meer artsen in opleiding tot specialist (aios) in deeltijd werken. Deze trend zet naar verwachting de komende jaren door. Tevens leiden ziekenhuizen minder gespecialiseerde verpleegkundigen en medisch ondersteunend personeel op dan waarmee in de raming van het Capaciteitsorgaan rekening is gehouden.

Gemeenten zijn nog niet in staat geweest om de transitie- en transformatiedoelen van de decentralisatie van de Jeugdhulp binnen een termijn van vier jaar te realiseren. Er is sprake van een volumestijging en uitgavenstijging. Daarvoor komt het kabinet de gemeenten de komende jaren tegemoet.

De uitgaven aan geneesmiddelen zijn in 2019 en verder naar verwachting lager dan eerder geraamd. Dit leidt tot een neerwaartse bijstelling van de uitgaven aan geneesmiddelen van 120 miljoen in 2019 oplopend tot 230 miljoen in 2021 (additioneel bij de actualisatie van geneesmiddelen van 63 miljoen).

De post nominaal en onverdeeld betreft niet ingezette middelen voor Voorwaardelijke Toelating en het verlagen van de beschikbare groeiruimte voor diverse Zvw-sectoren (niet zijnde hoofdlijnenakkoord-sectoren of genees- en hulpmiddelen).

Middels het Hoofdlijnenakkoord ggz en de Juiste Zorg op de Juiste Plek wordt binnen het ggz-domein ingezet op ambulantisering van de zorg. Dit leidt tot meer zorg in het gemeentelijk domein, zowel voor beschermd wonen als voor begeleiding.

De laatste twee tranches van een taakstelling op de medisch-specialistische zorg uit het regeerakkoord Rutte I worden gedekt binnen het Uitgavenplafond Zorg.

De tarieven voor de verpleeghuiszorg worden op basis van een advies van de NZa herijkt.

In de raming van de Wlz-uitgaven is rekening gehouden met een jaarlijkse volumegroei van de uitgaven. Op basis van actualisatiegegevens wordt de raming van de volumegroei met 52 miljoen euro verlaagd in 2020 oplopend tot 165 miljoen euro vanaf 2021. Daarnaast wordt de raming van het beroep op aanspraken voor dagbesteding, vervoer en huishoudelijke hulp neerwaarts bijgesteld (83 miljoen euro structureel). Deze ramingsbijstelling van de Wlz-uitgaven op de begroting was mogelijk zonder het Wlz-kader bij te stellen.

Op grond van uitvoeringsinformatie en advies van de NZa worden de gereserveerde herverdelingsmiddelen 2019 van 200 miljoen euro volledig en structureel beschikbaar gesteld en wordt het Wlz-kader vanaf 2019 structureel aanvullend met 270 miljoen euro verhoogd. Dekking van de aanvullende middelen wordt vanaf 2019 gevonden in een schuif vanuit de wijkverpleging (80 miljoen euro structureel) en vanaf 2020 in de middelen die aan de contracteerruimte worden toegevoegd als gevolg van de aanzuigende werking van het kwaliteitskader (190 miljoen euro structureel). Er resteert in 2019 een incidentele tegenvaller van 190 miljoen euro.

De uitgavenstanden in 2024 zijn geëxtrapoleerd op basis van de uitgavenstanden in 2023.

De post diversen betreft onder meer een neerwaartse bijstelling van de opbrengsten van het eigen risico met 40 miljoen euro. Extra middelen voor uitvoerende taken van gemeenten als gevolg van de invoering van de Wet verplichte ggz (20 miljoen euro), extra middelen voor zorgkantoren voor de implementatie van het kwaliteitskader Verpleeghuiszorg (10 miljoen euro), en middelen voor de nieuwe Wet zorg en dwang die per 2020 in werking treedt (10 miljoen euro).

1.3 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota

De visuele samenvatting bij de Miljoenennota biedt een toegankelijk overzicht van de belangrijkste cijfers voor het Miljoenennotajaar. Deze presentatie verschilt op een aantal punten van de begrotingssystematiek zoals die wordt gehanteerd in de rest van de Miljoenennota en haar bijlagen. Deze bijlage behandelt de samenhang tussen de cijfers uit de visuele samenvatting en de rest van de Miljoenennota en geeft deze aansluiting weer in tabel 1.6.

De visuele samenvatting gaat uit van een netto-uitgavenbegrip; dat wil zeggen, de (bruto)uitgaven (tabel 2.2 in bijlage 2) verminderd met de zogenaamde niet-belastingontvangsten (tabel 2.3 in bijlage 2). Dit zijn ontvangsten die tot de uitgavenkant van de begroting worden gerekend, waaronder boete-opbrengsten, leges en teruggevorderde toeslagen.

Een ander verschil in presentatie tussen de visuele samenvatting en de Miljoenennota betreft de individuele begrotingsposten. De visuele samenvatting gaat uit van een thematische indeling die niet exact aansluit bij de afzonderlijke begrotingshoofdstukken. Zo wordt het Btw-compensatiefonds in de visuele samenvatting samengevoegd met het Gemeentefonds en het Provinciefonds, terwijl het begrotingstechnisch wordt verantwoord op de begroting van Financiën. Een meer complex voorbeeld is de verwerking van de middelen bestemd voor internationale samenwerking (HGIS = homogene groep internationale samenwerking). In de visuele samenvatting worden al deze middelen gegroepeerd onder de uitgavenpost ‘Buitenlandse Zaken/Internationale Samenwerking’, omdat het minsiterie van Buitenlandse Zaken deze middelen coördineert. In de begrotingssystematiek worden deze middelen echter toegewezen aan verschillende begrotingshoofdstukken, zoals die van Justitie en Veiligheid en Defensie. Het overzicht van de toewijzing van deze middelen is terug te vinden in tabel 2.9 in bijlage 2.

Tabel 1.6 Aansluiting visuele samenvatting met begrotingen en bijlagen Miljoenennota 2020

2020

Bron

Inkomsten

305,51

Tabel 4.4.2

Uitgaven

302,15

Sociale Zekerheid en Arbeidsmarkt

85,81

Plafond S totaal begrotings- en premiegefinancierd

85,20

Tabel 2.6 bijlagen MN

Plafond R Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid

0,61

Tabel 2.5 bijlagen MN

Zorg

82,18

Plafond Z totaal begrotings- en premiegefinancierd

73,44

Tabel 2.7 bijlagen MN

Plafond R Volksgezondheid, Welzijn en Sport

3,51

Tabel 2.5 bijlagen MN

Plafond R Volksgezondheid, Welzijn en Sport

5,24

Hoofdstuk 16 artikel 8.1 en 8.3

af: HGIS Volksgezondheid, Welzijn en Sport

0,00

Tabel 2.9 bijlagen MN

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

39,12

Plafond R Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

39,18

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

0,06

Tabel 2.9 bijlagen MN

Gemeentefonds, Provinciefonds en Btw-compensatiefonds

34,21

Plafond R Gemeentefonds en accres Gemeentefonds

28,28

Tabel 2.5 bijlagen MN

Plafond R Provinciefonds en accres Provinciefonds

2,51

Tabel 2.5 bijlagen MN

Btw-compensatiefonds

3,43

Hoofdstuk 9 artikel 6

Buitenlandse Zaken en Internationale Samenwerking

13,05

Plafond R Buitenlandse Zaken

9,57

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Buitenlandse Zaken

1,44

Tabel 2.9 bijlagen MN

bij: totale plafondrelevante uitgaven Internationale Samenwerking (HGIS)

4,93

Tabel 2.9 bijlagen MN

Justitie en Veiligheid

11,80

Plafond R Justitie en Veiligheid

11,83

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Justitie en Veiligheid

0,03

Tabel 2.9 bijlagen MN

Defensie

10,56

Plafond R Defensie

10,77

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Defensie

0,21

Tabel 2.9 bijlagen MN

Infrastructuur en Waterstaat

8,87

Plafond R Infrastructuur en Waterstaat

8,90

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS Infrastructuur en Waterstaat

0,03

Tabel 2.9 bijlagen MN

bij: plafond R Infrastructuurfonds

0,00

Tabel 2.5 bijlagen MN

Rentelasten

4,78

Rentelasten staatsschuld

4,85

Hoofdstuk 9A artikel 11

Rentelasten schatkistbankieren

‒ 0,07

Hoofdstuk 9A artikel 12

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

5,46

Plafond R Binnenlandse Zaken

5,40

Tabel 2.5 bijlagen MN

Plafond R Koninkrijksrelateis

0,02

Tabel 2.5 bijlagen MN

Economische Zaken en Klimaat

4,79

Plafond R Economische Zaken en Klimaat

4,82

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS EZK

0,03

Tabel 2.9 bijlagen MN

Financiën

1,70

Plafond R Financiën

5,24

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: Btw-compensatiefonds

3,43

Hoofdstuk 9B artikel 6

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

1,28

Plafond R Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

1,32

Tabel 2.5 bijlagen MN

af: HGIS LNV

0,03

Tabel 2.9 bijlagen MN

Gas

‒ 1,05

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

Overig

‒ 0,42

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

1. Totaal inkomsten

305,51

Budgettaire kerngegevens, poster en visuele samenvatting

2. Totale netto-uitgaven relevant voor het EMU-saldo

302,15

Budgettaire kerngegevens, poster en visuele samenvatting

3. EMU-saldo centrale overheid (=1-2)

3,36

Tabel 1.1 Budgettaire kerngegevens

2 UITGAVEN EN NIET-BELASTINGONTVANGSTEN

Deze bijlage biedt een overzicht van de verschillende manieren waarop de uitgaven en de niet-belastingontvangsten van de overheid worden weergegeven. De overheidsuitgaven kunnen op kasbasis, maar ook op transactiebasis worden geregistreerd. In het eerste geval worden betalingen geboekt in de periode waarin betaling plaatsvindt, in het tweede geval de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Op de departementale begrotingen worden de uitgaven op kasbasis geregistreerd: welke bedragen worden van de bankrekeningen van het Rijk afgeschreven. Bij het saldo van de overheid (EMU-saldo) wordt niet uitgegaan van de uitgaven op kasbasis, maar op transactiebasis: de uitgaven worden geboekt in de periode waarin rechten en verplichtingen zijn ontstaan. Bij de tabellen hieronder worden de gebruikte begrippen verder toegelicht.

Tabel 2.1. bevat alle netto-uitgaven van de Rijksoverheid: de optelsom van de uitgaven minus de niet-belastingontvangsten. Om de uitgaven te beheersen is er een uitgavenplafond. De uitgaven mogen het uitgavenplafond niet overschrijden. Het uitgavenplafond is gesplitst in drie deelplafonds: het plafond Rijksbegroting, het plafond Sociale Zekerheid en het plafond Zorg. De meeste netto-uitgaven vallen onder een van de drie plafonds. Er zijn echter ook uitgaven en ontvangsten die niet onder een plafond vallen, deze worden de niet-plafondrelevante uitgaven genoemd.

In het bovenste deel van de tabel zijn de uitgaven uitgesplitst in de begrotingsgefinancierde en de premiegefinancierde uitgaven. De begrotingsgefinancierde uitgaven worden betaald uit belastingen en zijn de optelling van alle uitgaven en niet-belastingontvangsten op de departementale begrotingen. Dit zijn de uitgaven waarvoor het parlement autorisatie verleent door de begrotingen aan te nemen. Naast de begrotingsgefinancierde uitgaven zijn er ook premiegefinancierde uitgaven. De uitgaven aan zorg en sociale zekerheid worden voor een groot deel gefinancierd uit sociale premies. In het onderste deel van de tabel zijn de begrotings- en premiegefinancierde uitgaven per plafond opgeteld.

Tabel 2.1 Netto-uitgaven naar type en plafond

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

Plafond Rijksbegroting

123.797

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.836

Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

22.049

22.678

23.864

24.250

24.709

25.299

25.935

Tabel 2.6

Plafond Zorg

7.595

2.292

2.450

2.450

2.460

2.388

2.401

Tabel 2.7

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

9.939

18.556

21.016

21.674

29.139

31.449

33.542

Tabel 2.8

Totaal begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

163.380

181.709

190.876

195.381

206.231

212.674

218.715

Tabel 2.4

Premiegefinancierde netto-uitgaven

Plafond Sociale Zekerheid

56.577

58.250

61.340

63.597

65.548

67.854

70.374

Tabel 2.6

Plafond Zorg

63.067

67.888

70.993

74.705

78.231

82.660

87.165

Tabel 2.7

Totaal premiegefinancierde netto-uitgaven

119.643

126.138

132.334

138.302

143.780

150.513

157.539

Totaal netto-uitgaven

283.024

307.847

323.209

333.683

350.011

363.187

376.254

Plafond Rijksbegroting

123.797

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.836

Tabel 2.5

Plafond Sociale Zekerheid

78.625

80.928

85.204

87.847

90.257

93.153

96.309

Tabel 2.6

Plafond Zorg

70.662

70.180

73.443

77.154

80.692

85.047

89.566

Tabel 2.7

Totaal netto-uitgaven onder het uitgavenplafond

273.084

289.291

302.194

312.010

320.871

331.738

342.712

Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

9.939

18.556

21.016

21.674

29.139

31.449

33.542

Tabel 2.8

Totaal netto-uitgaven

283.024

307.847

323.209

333.683

350.011

363.187

376.254

Tabel 2.2 geeft alle uitgaven zoals die vermeld zijn in de individuele begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. In die hoofdstukken zelf zijn de uitgaven verdeeld over verschillende beleids- en niet-beleidsartikelen, maar in de tabel wordt alleen het totaal per hoofdstuk weergegeven. Deze tabel bevat dus alle geraamde uitgaven waarvoor het parlement goedkeuring geeft door het betreffende begrotingswetvoorstel aan te nemen. Deze uitgaven worden daarom ook wel de begrotingsgefinancierde uitgaven genoemd. Voor vrijwel alle begrotingshoofdstukken geldt dat de genoemde bedragen ook de raming is van wat de rijksoverheid op kasbasis denkt te gaan uitgeven. Alleen voor het begrotingshoofdstuk van Nationale Schuld geldt dat die begroting deels op transactiebasis wordt opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de uitgaven en verderop in bijlage 6 het saldo van de overheid, zijn de uitgaven aan het aflossen van de staatsschuld niet in deze tabel opgenomen.

Tabel 2.2 Uitgaven begrotingen

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

De Koning

43

44

44

44

46

46

46

2A

Staten-Generaal

154

179

162

157

154

152

152

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

124

132

134

129

127

127

127

3

Algemene Zaken

64

68

70

70

73

73

73

4

Koninkrijksrelaties

625

219

83

81

78

78

94

5

Buitenlandse Zaken

9.174

10.008

10.351

10.879

11.169

11.493

11.812

6

Justitie en Veiligheid

12.814

13.602

13.376

13.111

12.767

12.737

12.728

7

Binnenlandse Zaken

5.951

5.840

6.016

5.714

5.728

5.857

5.997

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

42.327

43.060

42.718

42.546

43.027

43.442

43.259

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

9.196

7.265

6.663

6.390

6.551

6.118

6.253

9B

Financiën

7.736

8.883

7.903

7.673

7.762

7.702

7.673

10

Defensie

9.417

10.772

11.035

11.452

11.787

11.593

11.639

12

Infrastructuur en Waterstaat

8.199

8.084

8.912

9.320

9.433

9.957

9.868

13

Economische Zaken en Klimaat

5.355

5.269

5.706

5.747

5.582

6.116

6.189

14

Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid

0

1.099

1.406

1.129

961

942

934

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

34.412

39.388

39.697

40.138

40.420

40.757

41.336

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

15.374

17.428

18.909

20.055

23.217

24.272

24.833

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

0

0

0

0

0

0

0

18

Wonen en Rijksdienst

3.071

3.033

3.079

3.175

3.194

3.337

3.477

50

Gemeentefonds

29.083

31.213

31.826

31.670

31.183

31.001

30.811

51

Provinciefonds

2.454

2.463

2.480

2.367

2.333

2.323

2.313

55

Infrastructuurfonds

5.810

6.009

6.546

6.973

6.743

7.264

7.235

58

Diergezondheidsfonds

51

60

36

34

34

34

34

64

BES-fonds

39

43

42

34

34

34

34

65

Deltafonds

1.084

1.117

1.105

1.114

1.292

1.298

1.278

AP

Aanvullende posten

0

‒ 401

4.341

8.587

12.175

15.788

19.166

90

Consolidatie1

‒ 6.335

‒ 6.047

‒ 6.979

‒ 7.429

‒ 7.550

‒ 8.058

‒ 7.970

HGIS

Internationale Samenwerking2

5.322

5.444

5.091

5.279

5.481

5.657

5.847

Totaal

196.224

208.829

215.663

221.160

228.319

234.484

239.392

X Noot
1

Dit betreft een correctie voor dubbeltellingen die ontstaan door het <<bruto>> boeken van bijdragen. Het bruto-boeken houdt in dat zowel het departement dat bijdraagt, als het departement dat ontvangt de uitgaven op zijn begroting opneemt.

X Noot
2

In deze en volgende tabellen zijn de uitgaven voor Internationale Samenwerking (HGIS) toegerekend aan de begrotingen waarop deze worden verantwoord. De totale uitgaven HGIS zijn tussen haken vermeld en lopen niet mee in de totaaltelling.

Tabel 2.3 bevat alle niet-belastingontvangsten op de verschillende begrotingshoofdstukken van de Rijksbegroting. Dit betreft alle ontvangsten die geen belasting- of premie-ontvangst zijn. Denk bijvoorbeeld aan het dividend dat uitgekeerd wordt door staatsdeelnemingen, terugbetaalde studieschulden of de opbrengst van boetes en schikkingen. Ook hier geldt dat alle bedragen op kasbasis zijn, behalve de begroting van Nationale Schuld, die deels op transactiebasis is opgesteld. Omdat inzicht wordt gegeven in de niet-belastingontvangsten en verderop in bijlage 6 het saldo van de overheid, worden de ontvangsten vanuit het uitgeven van nieuwe staatschuld niet meegeteld.

Tabel 2.3 Niet-belastingontvangsten begrotingen

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

De Koning

0

0

0

0

0

0

0

2A

Staten-Generaal

4

4

4

4

4

4

4

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

6

6

6

6

6

6

6

3

Algemene Zaken

6

7

7

7

7

7

7

4

Koninkrijksrelaties

54

41

39

31

31

31

31

5

Buitenlandse Zaken

1.201

145

787

782

794

810

825

6

Justitie en Veiligheid

2.279

1.702

1.546

1.552

1.607

1.603

1.602

7

Binnenlandse Zaken

1.343

753

654

648

644

637

598

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.369

1.312

1.364

1.416

1.500

1.574

1.671

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

15.509

12.043

9.146

10.525

6.932

6.118

4.915

9B

Financiën

3.339

3.389

3.101

3.103

3.277

3.218

3.179

10

Defensie

664

340

265

254

247

285

285

12

Infrastructuur en Waterstaat

29

55

16

17

15

14

16

13

Economische Zaken en Klimaat

3.560

4.114

4.879

4.435

4.149

4.601

4.614

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

112

90

97

80

68

65

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

1.845

1.981

1.923

1.947

1.985

2.000

1.978

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

838

144

134

115

106

106

106

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

85

80

79

76

76

75

75

18

Wonen en Rijksdienst

0

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

0

0

0

0

0

0

0

51

Provinciefonds

55

Infrastructuurfonds

5.926

5.814

6.546

6.973

6.743

7.264

7.235

58

Diergezondheidsfonds

35

37

36

34

34

34

34

64

BES-fonds

65

Deltafonds

1.085

1.087

1.105

1.114

1.292

1.298

1.278

AP

Aanvullende posten

0

0

39

73

110

114

123

90

Consolidatie

‒ 6.335

‒ 6.047

‒ 6.979

‒ 7.429

‒ 7.550

‒ 8.058

‒ 7.970

HGIS

Internationale Samenwerking

231

172

164

149

149

149

149

Totaal

32.844

27.120

24.787

25.778

22.088

21.810

20.677

Tabel 2.4 geeft per begrotingshoofdstuk de netto-uitgaven weer, oftewel de uitgaven (tabel 2.2) minus de niet-belastingontvangsten (tabel 2.3).

Tabel 2.4 Netto-uitgaven begrotingen

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

De Koning

43

44

44

44

46

46

46

2A

Staten-Generaal

150

175

158

153

150

148

148

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

118

126

128

123

121

121

121

3

Algemene Zaken

58

62

64

64

66

66

66

4

Koninkrijksrelaties

571

178

45

50

47

47

63

5

Buitenlandse Zaken

7.973

9.862

9.565

10.098

10.376

10.683

10.987

6

Justitie en Veiligheid

10.536

11.900

11.830

11.559

11.160

11.134

11.126

7

Binnenlandse Zaken

4.608

5.087

5.361

5.066

5.084

5.219

5.398

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

40.958

41.747

41.353

41.130

41.527

41.867

41.588

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

‒ 6.313

‒ 4.778

‒ 2.483

‒ 4.135

‒ 380

0

1.339

9B

Financiën

4.397

5.494

4.802

4.570

4.485

4.484

4.494

10

Defensie

8.752

10.431

10.770

11.197

11.540

11.308

11.354

12

Infrastructuur en Waterstaat

8.170

8.029

8.896

9.303

9.418

9.943

9.852

13

Economische Zaken en Klimaat

1.795

1.155

827

1.312

1.432

1.515

1.575

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

987

1.316

1.032

881

875

869

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

32.567

37.407

37.774

38.191

38.434

38.757

39.358

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

14.536

17.284

18.775

19.940

23.111

24.166

24.727

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

2.987

2.954

3.000

3.099

3.119

3.262

3.401

18

Wonen en Rijksdienst

0

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

29.083

31.213

31.826

31.670

31.183

31.001

30.811

51

Provinciefonds

2.454

2.463

2.480

2.367

2.333

2.323

2.313

55

Infrastructuurfonds

‒ 117

196

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

16

23

0

0

0

0

0

64

BES-fonds

39

43

42

34

34

34

34

65

Deltafonds

‒ 2

30

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

‒ 401

4.302

8.514

12.065

15.674

19.043

HGIS

Internationale Samenwerking

5.091

5.272

4.927

5.130

5.332

5.509

5.698

Totaal

163.380

181.709

190.876

195.381

206.231

212.674

218.715

De volgende tabellen (2.5 tot en met 2.7) geven per deelplafond aan welke uitgaven er onder vallen, op welk begrotingshoofdstuk deze staan, en of de uitgaven begrotings- of premiegefinancierd zijn.

Tabel 2.5 Netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

1

De Koning

43

44

44

44

46

46

46

2A

Staten-Generaal

150

175

158

153

150

148

148

2B

Overige Hoge Colleges van Staat en Kabinetten van de Gouverneurs

118

126

128

123

121

121

121

3

Algemene Zaken

58

62

64

64

66

66

66

4

Koninkrijksrelaties

417

108

24

28

24

24

40

5

Buitenlandse Zaken

7.973

9.862

9.565

10.098

10.376

10.683

10.987

6

Justitie en Veiligheid

10.536

11.900

11.830

11.559

11.160

11.134

11.126

7

Binnenlandse Zaken

4.608

5.083

5.396

5.099

5.117

5.252

5.431

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

39.160

39.725

39.182

38.769

38.989

39.301

39.081

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

5.968

5.346

4.797

4.744

4.900

4.388

4.490

9B

Financiën

5.023

5.171

5.235

5.085

5.039

5.058

5.099

10

Defensie

8.858

10.426

10.766

11.192

11.539

11.306

11.352

12

Infrastructuur en Waterstaat

8.170

8.029

8.896

9.303

9.418

9.943

9.852

13

Economische Zaken en Klimaat

4.884

4.405

4.817

5.270

5.314

5.409

5.535

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

987

1.316

1.032

881

875

869

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

427

554

610

556

557

553

557

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

2.589

3.456

3.510

3.312

3.076

3.023

2.985

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

3.002

2.967

3.013

3.109

3.128

3.271

3.411

18

Wonen en Rijksdienst

0

0

0

0

0

0

0

50

Gemeentefonds

19.445

27.416

28.059

27.944

27.491

27.355

27.211

51

Provinciefonds

2.454

2.463

2.480

2.367

2.333

2.323

2.313

55

Infrastructuurfonds

‒ 117

196

0

0

0

0

0

58

Diergezondheidsfonds

‒ 8

0

0

0

0

0

0

60

Accres Gemeentefonds

0

0

216

1.226

2.181

3.295

4.424

61

Accres Provinciefonds

0

0

28

125

213

316

420

64

BES-fonds

39

43

42

34

34

34

34

65

Deltafonds

‒ 2

30

0

0

0

0

0

80

Prijsbijstelling

0

0

477

946

1.381

1.880

2.347

81

Arbeidsvoorwaarden

0

0

1.651

3.349

4.747

6.351

7.839

86

Algemeen

0

‒ 388

1.242

1.478

1.643

1.382

1.052

HGIS

Internationale Samenwerking

5.055

5.235

4.927

5.130

5.332

5.509

5.698

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

123.797

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.836

Totaal netto-uitgaven onder plafond Rijksbegroting

123.797

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.836

Tabel 2.6 Netto-uitgaven onder plafond Sociale Zekerheid

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

19.493

20.704

21.542

21.325

21.380

21.551

21.790

50

Gemeentefonds

2.556

1.987

1.893

1.842

1.795

1.749

1.703

AP

Aanvullende posten

0

‒ 13

429

1.083

1.533

1.999

2.441

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

22.049

22.678

23.864

24.250

24.709

25.299

25.935

40

Sociale verzekeringen

56.577

58.250

61.340

63.597

65.548

67.854

70.374

Premiegefinancierde netto-uitgaven

56.577

58.250

61.340

63.597

65.548

67.854

70.374

Totaal netto-uitgaven onder plafond Sociale zekerheid

78.625

80.928

85.204

87.847

90.257

93.153

96.309

Tabel 2.7 Netto-uitgaven onder plafond Zorg

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

513

483

562

536

517

434

435

50

Gemeentefonds

7.082

1.809

1.874

1.885

1.897

1.897

1.897

AP

Aanvullende posten

0

0

14

28

47

57

69

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven

7.595

2.292

2.450

2.450

2.460

2.388

2.401

41

Zorg

63.067

67.888

70.993

74.705

78.231

82.660

87.165

Premiegefinancierde netto-uitgaven

63.067

67.888

70.993

74.705

78.231

82.660

87.165

Totaal netto-uitgaven onder plafond Zorg

70.662

70.180

73.443

77.154

80.692

85.047

89.566

Tabel 2.8 geeft per begrotingshoofdstuk de uitgaven weer die buiten het totale uitgavenplafond vallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om uitgaven die niet meetellen in het overheidstekort (EMU-saldo), zoals het verstrekken van leningen, de bijdrage van het Rijk aan de sociale fondsen of de opbrengst van het verkopen van staatsdeelnemingen. Daarnaast zijn er uitgaven die wel EMU-saldorelevant zijn, maar buiten het uitgavenplafond zijn geplaatst, zoals de uitgaven aan de zorgtoeslag.

Tabel 2.8 Netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

4

Koninkrijksrelaties

154

71

21

21

22

23

24

7

Binnenlandse Zaken

0

4

‒ 34

‒ 33

‒ 33

‒ 33

‒ 33

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

1.798

2.022

2.172

2.362

2.539

2.567

2.507

9A

Nationale Schuld (Transactiebasis)

‒ 12.281

‒ 10.124

‒ 7.280

‒ 8.879

‒ 5.281

‒ 4.388

‒ 3.152

9B

Financiën

‒ 626

323

‒ 433

‒ 515

‒ 554

‒ 574

‒ 605

10

Defensie

‒ 106

5

4

5

1

3

2

12

Infrastructuur en Waterstaat

0

0

0

0

0

0

0

13

Economische Zaken en Klimaat

‒ 3.089

‒ 3.251

‒ 3.990

‒ 3.958

‒ 3.882

‒ 3.894

‒ 3.960

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

12.647

16.149

15.622

16.310

16.497

16.653

17.010

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

11.434

13.346

14.703

16.091

19.519

20.709

21.307

17

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

‒ 16

‒ 13

‒ 13

‒ 10

‒ 10

‒ 9

‒ 9

58

Diergezondheidsfonds

23

23

0

0

0

0

0

AP

Aanvullende posten

0

0

245

279

320

394

451

HGIS

Internationale Samenwerking

36

36

Begrotingsgefinancierde netto-uitgaven buiten het plafond

9.939

18.556

21.016

21.674

29.139

31.449

33.542

Totaal netto-uitgaven buiten het uitgavenplafond

9.939

18.556

21.016

21.674

29.139

31.449

33.542

Tabel 2.9 geeft een overzicht van de uitgaven aan de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) per begrotingshoofdstuk. De HGIS-uitgaven staan op verschillende begrotingen maar worden gecoördineerd door de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Deze stelt ook de HGIS-nota op, die een gedetailleerder overzicht van de HGIS-uitgaven bevat en gelijktijdig met de Miljoenennota wordt gepubliceerd.

Tabel 2.9 Overzicht netto-uitgaven HGIS per begrotingshoofdstuk

(in miljoenen euro)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

5

Buitenlandse Zaken

1.301

1.462

1.438

1.453

1.482

1.521

1550

6

Justitie en Veiligheid

22

48

34

34

34

34

34

7

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

0

1

1

1

1

1

0

8

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

60

62

62

62

62

62

62

9B

Financiën

362

325

70

174

283

332

355

10

Defensie

211

257

209

207

207

207

206

12

Infrastructuur en Waterstaat

25

29

27

26

20

19

18

13

Economische Zaken en Klimaat

52

28

27

25

25

25

25

14

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

0

33

32

31

31

31

31

15

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

0

1

1

1

1

1

1

16

Volksgezondheid, Welzijn en Sport

19

23

15

7

5

5

5

17

Buitenlandse Handel & Ontwikkelingssamenwerking

3.002

2.967

3.013

3.109

3.128

3.271

3411

86

Algemeen

0

0

0

0

53

0

0

Totaal plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

5.055

5.235

4.927

5.130

5.332

5.509

5698

9B

Financiën

36

36

0

0

0

0

0

Totaal niet-plafondrelevante netto-uitgaven HGIS

36

36

0

0

0

0

0

3 INKOMSTENKADER

Uitleg inkomstenkader

In het Regeerakkoord en de Startnota zijn de financiële afspraken en het begrotingsbeleid van het kabinet vastgelegd. Het inkomstenkader speelt een belangrijke rol binnen het begrotingsbeleid. Om de lastendruk voor burgers en bedrijven te beheersen, wordt bij het Regeerakkoord een pad afgesproken voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, die in de Startnota voor de duur van de kabinetsperiode in het inkomstenkader wordt vastgelegd.

Gedurende de kabinetsperiode kunnen er om verschillende redenen wijzigingen optreden in het inkomstenkader:

1. Nieuw beleid dat van na het Regeerakkoord dateert (tariefs- dan wel grondslagwijzigingen). Bij additionele lastenverlichting is compenserende lastenverzwaring nodig, en vice versa.

2. Zorgpremies (de nominale premie en de iab-premie) zijn inkomstenkaderrelevant. Fluctuaties in zorgpremies hebben in de huidige systematiek geen gevolgen voor het EMU-saldo, omdat zowel de zorguitgaven als zorgpremies zijn ingekaderd en de uitgaven voor de Zvw lastendekkend zijn gefinancierd. Een voorbeeld illustreert dit. Stel dat zich een meevaller voordoet in de zorguitgaven. Dit geeft ruimte binnen de uitgavenplafonds, die mag worden ingezet voor uitgaven elders. Per saldo worden de totale uitgaven daarmee niet lager. Tegelijkertijd leiden de lagere uitgaven automatisch tot lagere zorgpremies vanwege de lastendekkende financiering van de zvw, waardoor de inkomsten dus wel afnemen. Om de inkomsten op peil te houden, is dan een compenserende lastenverzwaring nodig. Per saldo is het effect op het EMU-saldo dan nul. Incidentele wijzigingen in de premies die onder meer het gevolg zijn van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds en het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie worden niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd. Ook worden wijzigingen in de ZVW-premiegrondslag nadat de hoogte van de zorgpremies eenmaal is vastgesteld niet gecompenseerd binnen het inkomstenkader.

3. Maatregelen uit het Regeerakkoord en nieuwe maatregelen die onderdeel uitmaken van het inkomstenkader worden, voordat ze worden omgezet in wetgeving, eenmaal opnieuw geraamd (‘herijkt’). Het CPB certificeert deze herijkte raming. Zo wordt geborgd dat in de wet een zo goed mogelijke raming van de maatregel staat. Eventuele verschillen tussen de oorspronkelijke raming en de herijkte raming moet volgens de begrotingsregels binnen het inkomstenkader worden gecompenseerd.

Het inkomstenkader beheerst alleen de beleidsmatige ontwikkeling van de lasten. Wijzigingen in de beleidsmatige lastenontwikkeling moeten gecompenseerd worden met tegengestelde lastenmaatregelen om te borgen dat de totale beleidsmatige ontwikkeling van de lastendruk gelijk blijft aan wat bij het Regeerakkoord en Startnota was voorgenomen.

Verschillen in de (geraamde) belasting- en premiekomsten die niet het gevolg zijn van hierboven genoemde oorzaken, maar veroorzaakt worden doordat de conjunctuur zich anders ontwikkelt dan verwacht ten tijde van de Startnota, lopen in het saldo. Een toename van de werkgelegenheid bijvoorbeeld leidt tot hogere inkomsten uit de inkomstenbelasting en hoeft niet gecompenseerd te worden binnen het inkomstenkader.

Stand inkomstenkader bij Startnota

Bij Startnota is een pad afgesproken voor de beleidsmatige lastenontwikkeling voor deze kabinetsperiode, die alle beleidsmatige aanpassingen in collectieve lasten (tariefs- dan wel grondslagwijziging) bevat, als ook budgettaire veranderingen in zorgpremies (die vanwege het verplichte karakter van de zorgverzekering tot ook inkomstenkaderrelevant zijn) en de zorgtoeslag. De beleidsmatige lastenontwikkeling in de periode 2018 tot en met 2021 wordt bepaald door het basispad, dat bestaat uit maatregelen van eerdere kabinetten, en het effect van het Regeerakkoord. Het basispad bestaat uit een beleidsmatige lastenverzwaring van €9 mld over de kabinetsperiode. De lastenverzwaring in het basispad komt voornamelijk door maatregelen van vorige kabinetten en doordat stijgende zorgkosten leiden tot hogere zorgpremies. De maatregelen van het Regeerakkoord leiden tot een lastenverlichting van €6,5 mld ten opzichte van dit basispad. Inclusief basispad zouden de beleidsmatige lasten deze kabinetsperiode met €3,4 mld toenemen.

Veranderingen inkomstenkader sinds Miljoenennota 2019

- Vorig jaar bij Miljoenennota 2019 is het inkomstenkader gesloten. Daarmee sloot de beleidsmatige lastenontwikkeling deze kabinetsperiode weer aan bij het pad van de Startnota (zie tabel 3.1).1 Sindsdien zijn er verschillende afwijkingen in het inkomstenkader geweest. Tabel 3.1 geeft een overzicht van deze afwijkingen, onderverdeeld in zes pakketten.

- Bij het Klimaat- en Pensioenakkoord en bij het lastenverlichtingspakket huishoudens augustus is gekozen voor een kadercorrectie. Hierdoor stijgen de beleidsmatige lasten deze kabinetsperiode minder dan bij Startnota beoogd (€1 mld in plaats van €3,4 mld). Voor de overige pakketten is het inkomstenkader gesloten.

Tabel 3.1 Inkomstenkader Miljoenennota 2020

In miljarden euro's, - is saldoverslechtering, in mutaties

2018

2019

2020

2021

Cum 2018-2021

Stand inkomstenkader MN2019

2,1

3,8

‒ 1,0

‒ 1,6

3,4

(1) Gevolgen Klimaatakkoord en Pensioenakkoord voor inkomstenkant (kadercorrectie)

0,0

0,0

0,0

‒ 0,7

‒ 0,6

(2) Zorgpremies (aanpassing tussen MN2019 en MN2020)

0,0

0,0

‒ 1,4

0,2

‒ 1,1

(3) Nieuwe maatregelen en herijkingen

0,0

0,0

0,3

‒ 0,2

0,1

(4) Additionele maatregelen om aan te sluiten bij verlaging EB uit KA

0,0

0,0

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,2

(5) Dekking tekort (2+3+4) door verhoging nieuwe tarief eerste schijf en aof-premie

0,0

0,0

1,0

0,3

1,2

(6) Lastenverlichtingspakket huishoudens augustus (kadercorrectie)

0,0

0,0

‒ 0,8

‒ 0,9

‒ 1,6

Stand inkomstenkader MN2020

2,1

3,8

‒ 2,0

‒ 2,9

1,0

Hieronder worden de zes verschillende afwijkingen in het kader verder toegelicht.

(1) Gevolgen Klimaatakkoord en Pensioenakkoord voor inkomstenkant

Op 28 juni heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Dit Klimaatakkoord bevatte veel maatregelen aan de lastenkant. In juli van dit jaar is er een overzicht gestuurd van de maatregelen uit het Klimaatakkoord.2 Toen is toegezegd bij Miljoenennota 2020 terug te komen op de invulling van de dekkingsbronnen van de lastenmaatregelen uit het Klimaatakkoord.

De lastenmaatregelen uit het Klimaatakkoord worden gedekt door een verhoging van de 3e en 4e schijf van de ODE (opbrengst €440 mln in 2020, €483 mln in 2021, oplopend tot €624 mln in 2030), een verhoging van de overdrachtsbelasting van niet-woningen van 6% naar 7% (€297 structureel vanaf 2021), het vervallen van de dekking CO2-minimumprijs (€236 mln structureel vanaf 2022) en incidenteel €305 mln dekking vanuit de uitgavezijde in 2020 (waar een kadercorrectie voor is toegepast).

Voor het resterende dekkingstekort aan de inkomstenkant deze kabinetsperiode is gezamenlijk met een dekkingstekort a.g.v. het dit jaar gesloten pensioenakkoord voor deze kabinetsperiode een kadercorrectie toegepast van €0,6 mld. Hier is voor gekozen omdat het gaat om structurele hervormingen en er daarnaast sprake is van additionele inkomsten na de kabinetsperiode.

(2) Lagere zorgpremies (aanpassing tussen MN2019 en MN2020)

De raming van de zorgpremies in de ZvW in de periode 2018–2021 is neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de Miljoenennota 2019, voornamelijk als gevolg van lagere zorgkosten. De premies zijn immers kostendekkend. Dit zorgt voor een lastenverlichting voor burgers en bedrijven van € 1,1 mld deze kabinetsperiode, welke volgens de begrotingsregels gedekt moet worden met compenserende maatregelen.

(3) Nieuwe maatregelen en herijkingen

Naast bovengenoemde pakketten zijn er sinds Miljoenennota 2019 tal van maatregelen genomen met gevolgen voor het inkomstenkader. Het gaat hier onder meer om de opbrengst van de accijnsverhoging uit het preventieakkoord (opbrengst €170 mln deze kabinetsperiode), en een herijking van de minimumkapitaalregeling ten opzichte van MN2019 (opbrengst €120 mln deze kabinetsperiode). Ook is afgesproken dat in het kader van het Pensioenakkoord €200 mln aan de inkomstenkant moest worden gedekt. Per saldo leiden al deze maatregelen tot meer lastenrelevante inkomsten van €0,1 mld deze kabinetsperiode.

(4) Additionele maatregelen om aan te sluiten bij verlaging energiebelasting uit Klimaatakkoord

Na het herijken van de maatregelen uit het Klimaatakkoord bleek dat het belastingdeel van de energierekening van burgers minder hard daalde dan eerder door het kabinet is toegezegd. Om aan te sluiten bij de eerder gecommuniceerde verlaging van het belastingdeel van de energierekening zijn daarom aanvullende maatregelen noodzakelijk. De kosten hiervan bedragen €0,2 mld.

(5) Dekking bovenstaand tekort door verhoging tarief eerste schijf en aof-premie

In augustus is besloten het tekort in het inkomstenkader als gevolg van de bovenstaande pakketten te dekken door het tarief eerste schijf deze kabinetsperiode te verhogen met €0,5 mld en de aof-premie te verhogen met €0,7 mld. Er is besloten om op jaarbasis het inkomstenkader niet volledig te sluiten.

(6) Pakket lastenverlichting huishoudens augustus

In augustus is besloten tot een additioneel lastenverlichtingspakket voor huishoudens. In onderstaande tabel staan deze maatregelen, daaronder een toelichting per maatregel. De lastenverlichting voor huishoudens is deels gedekt door een lastenverzwaring bij bedrijven. Voor het overige dekkingstekort van €1,6 mld deze kabinetsperiode en €2,2 mld structureel is ervoor gekozen om een kadercorrectie toe te passen. De lastenverlichting gaat namelijk gepaard met een hervorming: het verkleinen van het verschil in fiscale behandeling tussen vaste werknemers en zzp’ers.

Tabel 3.2 budgettair overzicht pakket lastenverlichting huishoudens

in miljarden euro’s; - saldoverslechtering, in standen

2020

2021

2022

structureel

Lastenverlichting huishoudens naar voren halen

1a Lastenverlichting naar voren halen (van 2021 naar 2020)

‒ 1,7

0

0

0

1b Uitstel verlaging vpb 2020 (hoog) met een jaar

1,8

0

0

0

Koopkracht onderkant verbeteren

2a Zorgtoeslag verhogen met €185 mln

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,2

‒ 0,2

2b Dekken door nieuwe tarief eerste schijf (TES) te verhogen met €185 mln

0,2

0,2

0,2

0,2

Structurele lastenverlichting huishoudens

3a Verhoging algemene heffingskorting (AHK)

‒ 0,2

‒ 0,75

‒ 0,75

‒ 0,75

3b lastenverlichting via tarief eerste schijf (TES)

0,2

‒ 0,55

‒ 0,55

‒ 0,55

3c Vpb hoog minder verlagen naar 21,7%

0

0,9

0,9

0,9

3d Grondslagverbredingsmaatregelen bedrijven

0

0,3

0,4

0,6

w.v. verhogen innovatiebox van 7% naar 9% (in mln)

140

140

140

w.v. liquidatie- en stakingsverliesregeling aanpassen (in €mln)

38

76

265

3e betalingskorting Vpb afschaffen (in €mln)

160

160

160

Hervorming

4a Verlagen ZA met stapjes van 250 euro naar 5000 euro

0,05

0,1

0,15

0,45

4b Verhogen arbeidskorting in stappen

‒ 0,8

‒ 1,6

‒ 2,15

‒ 2,15

4c Reservering hervorming zzp

‒ 0,6

5 Verhuurderheffing: heffingsvermindering nieuwbouw

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

‒ 0,1

Kadercorrectie ivm hervorming zzp

‒ 0,8

‒ 1,6

‒ 2,1

‒ 2,2

1a Lastenverlichting naar voren halen (van 2021 naar 2020).

Invoering tweeschijvenstelsel per 2020 en extra verhoging van de algemene heffingskorting in 2020.

1b Uitstel verlaging Vpb 2020 (hoog) met een jaar

De beoogde verlaging van het hoge Vpb-tarief in de vennootschapsbelasting (Vpb) in 2020 wordt een jaar uitgesteld. Daardoor blijft het tarief in 2020 25%.

2a Zorgtoeslag verhogen met € 185 mln.

2b Dekken door tarief eerste schijf (TES) te verhogen met € 185 mln.

Om de verlaging van de zorgtoeslag te dekken wordt het nieuwe tarief eerste schijf verhoogd met 0,05%-punt.

3a & 3b lastenverlichting via algemene heffingskorting (AHK) en tarief eerste schijf

Het nieuwe tarief eerste schijf (TES) komt hiermee in 2021 uit op 37,10% en de algemene heffingskorting op maximaal €2.801 (dat is € 81 hoger t.o.v. het basispad).

3c VPB hoog 1,2%-punt minder verlaagd in 2021

Het hoge vpb-tarief wordt in 2021 met 1,2%-punt minder verlaagd, waarmee het hoge vpb-tarief structureel uitkomt op 21,7%.

3d Grondslagverbredingsmaatregelen bedrijven

Er worden twee grondslagverbredende maatregelen genomen in de Vpb:

- Innovatiebox: Verhogen van het effectieve tarief van de innovatiebox van 7% naar 9%.

- Aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling: De liquidatie- en stakingsverliesregeling worden aangepast in lijn met het (concept) initiatiefwetsvoorstel dat door het Tweede Kamerlid Snels (GroenLinks) op 16 april 2019 ter consultatie is aangeboden3. Door het aanpassen van de liquidatie- en stakingsverliesregeling wordt beoogd:

  • het niet meer mogelijk te maken om liquidatie- en stakingsverlies te nemen op deelnemingen en vaste inrichtingen buiten de EU/EER; en

  • de planbaarheid van het aftrekmoment van een liquidatie- en stakingsverlies te beperken.

3e Afschaffen betalingskorting Vpb

Vennootschappen die de Vpb-aanslag in één keer vooruitbetalen in plaats van in termijnen krijgen een korting, gebaseerd op de invorderingsrente, nu 4%. Dit is veel hoger dan de marktrente, waardoor dit een voordelige regeling voor bedrijven is. Afschaffen levert € 160 mln. per jaar op.

4 Verkleinen verschil zzp’ers met werknemers

Maatregel 4 bestaat uit een aantal elementen:

  • Om het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen zal de zelfstandigenaftrek met ingang van 2020 in acht stappen van €250 en één stap van €280 worden afgebouwd naar €5.000 in 2028.

  • Hiertegenover staat een verhoging van de arbeidskorting in zowel 2020 als 2021 met €106 en in 2022 met €73. Hiervan profiteren zelfstandigen en werkenden.

  • De structurele ruimte (a.g.v. structurele oploop grondslagverbreding Vpb en oploop zelfstandigenaftrek) wordt gereserveerd voor het zzp-dossier. De Commissie Borstlap is gevraagd om aanbevelingen te doen voor een fundamentele stap naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt. Deze budgettaire reservering kan gebruikt worden voor verdere stappen in het zzp-dossier, bijvoorbeeld in reactie op de Commissie Borstlap.

5 Verhuurderheffing: heffingsvermindering nieuwbouw

In de verhuurderheffing wordt een structurele heffingsvermindering van € 100 mln. per jaar opgenomen voor nieuwbouw van woningen in regio’s waar de druk op de woningmarkt het grootst is. Daarmee ontstaat meer financiële ruimte om te investeren in nieuwbouw van huurwoningen.

Overige kadercorrecties inkomstenkant

Sinds MN2019 is er naast bovenstaande maatregelen en kadercorrecties ook besloten tot het nemen van een aantal andere kadercorrecties. In tabel 3.3 staat een overzicht hiervan. In het kader van schuiven tussen fondsen en sociale premies zijn er enkele kadercorrecties geweest. Omdat besloten is enkele uitgavenmaatregelen die samenhangen met loondoorbetaling bij ziekte uit het regeerakkoord terug te draaien is ook besloten dat de daaraan gekoppelde sociale premies te verlagen. Hiervoor was een kadercorrectie aan zowel de inkomsten als de uitgavenzijde nodig. In het kader van de samenhang tussen de compensatie transitievergoeding en de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren is besloten tot een schuif tussen de aof-premie en awf-premie om ook overheidswerkgevers mee te laten betalen. In het kader hiervan is ook een kadercorrectie toegepast.

Daarnaast is (naast de in tabel 3.1 getoonde kadercorrectie Klimaatakkoord en Pensioenakkoord ) besloten tot enkele andere kadercorrecties bij het Klimaatakkoord waarbij het een schuif tussen inkomsten en uitgaven betreft (hoewel niet getoond in de tabel, vinden er ook na de kabinetsperiode schuiven plaats). Tot slot zijn er enkele overige kadercorrecties genomen: door het uitstel van de scholingsaftrek is er zowel aan de inkomsten als uitgaven een kadercorrectie genomen; hetzelfde geldt voor het terugdraaien van het afschaffen van de salderingsregeling. Daarnaast is er besloten tot kadercorrectie aan zowel de inkomsten- als uitgavenzijde in het kader van het invoeren een tijdelijke categorie voor milieu-investeringen in de MIA.

Tabel 3.3 Overzicht overige kadercorrecties

(in miljoenen euro’s; in mutaties)

2020

2021

Cum 2020-2021

Kadercorrecties premies

Kadercorrectie ivm terugdraaien maatregelen loondoorbetaling bij ziekte uit RA

‒ 7

215

208

Kadercorrectie ivm samenhang compensatie bij ziekte transitievergoeding en wet normalisatie rechtspositie ambtenaren (wnra)

‒ 44

‒ 44

Overige kadercorrecties klimaatakkoord

Inzet reserve EIA voor dekking uitgaven (KA)

‒ 50

‒ 50

Aanschafsubsidie uit mobiliteitspakket

‒ 5

‒ 12

‒ 18

Dekking voor uitgavenkant OKA plaat

‒ 4

‒ 40

‒ 44

Dekking KA uitgavenzijde

305

‒ 305

0

Kadercorrecties overig

Uitstel scholingsaftrek

218

‒ 218

0

Terugdraaien afschaffen salderingsregeling

211

34

245

Invoeren van een tijdelijke categorie voor milieuinvesteringen in de MIA

10

‒ 10

0

4 DE BELASTING - EN PREMIEONTVANGSTEN

4.1 Inleiding

Deze bijlage bevat een toelichting op de raming van de belasting- en premieontvangsten van het Rijk en de Sociale fondsen. Om inzicht te geven in de ontwikkeling van het totale ontvangstenbeeld worden de belasting- en premieontvangsten gezamenlijk gepresenteerd.

Net als in hoofdstuk 2 van deze Miljoenennota wordt de ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op EMU-basis toegelicht. Vanzelfsprekend zijn voor het EMU-saldo de belastingen en premies volksverzekeringen op EMU-basis4 relevant. Daarnaast worden in overeenstemming met de Comptabiliteitswet de belastingontvangsten op kasbasis getoond in de tabel aan het einde van deze bijlage. In deze tabel wordt tevens de aansluiting van de ontvangsten op kasbasis naar EMU-basis gemaakt.

De ramingen voor de premieontvangsten komen overeen met de ramingen in de begrotingen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (Begroting XV) en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Begroting XVI). In de begroting van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een nadere toelichting opgenomen van de ramingen voor de WLZ en de ZVW. De overige fondsen worden toegelicht in de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In paragraaf 4.2 wordt de raming van de totale belastingen, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen weergegeven. De ontwikkeling in 2019 en 2020 ten opzichte van het jaar ervoor wordt op hoofdlijnen besproken. Vervolgens worden in paragraaf 4.3 de ramingen van de belasting- en premieontvangsten van 2019 (de Vermoedelijke Uitkomsten) vergeleken met de stand van het vorige ramingsmoment (Voorjaarsnota 2019), waarbij de belangrijkste ramingsbijstellingen worden toegelicht. Paragraaf 4.4 bevat vervolgens een toelichting op de raming van 2020 (de Ontwerpbegroting), onderverdeeld naar endogene ontwikkeling en beleidsmaatregelen. Paragraaf 4.5 gaat over de bijstellingen van het ramingsmodel (‘expert opinion’). Paragraaf 4.6 presenteert de meerjarige ontvangstenraming tot en met 2023. Tot slot geeft paragraaf 4.7 een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten voor 2019 en 2020 op EMU-basis en op kasbasis. Voor een verdere toelichting op de raming van de belastingen wordt verwezen naar bijlage 5 van deze Miljoenennota.

4.2 Ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2019 en 2020

Vooral door de economische groei ontvangt het Rijk in 2019 in totaal 16,6 miljard euro meer belasting- en premieontvangsten dan in 2018. Dit is te zien in tabel 4.2.1. De toename komt grotendeels (+12,9 miljard euro) door de positieve endogene ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten. De endogene ontwikkeling is de ontwikkeling door niet-beleidsmatige ontwikkelingen, zoals economische ontwikkeling. De waarde van het bbp stijgt in 2019 met 4,4 procent,5 en dat werkt ongeveer net zo sterk door in de endogene belastinginkomsten. Beleidsmaatregelen leiden in totaal tot 3,8 miljard euro hogere belasting- en premieontvangsten. Onderliggend is sprake van (beleidsmatig) 1 miljard euro hogere zorgpremies. Voorts bestaat een groot deel van de beleidsmaatregelen uit anticipatie-effecten op de tariefsverhoging in box 2 en de Rekening-Courant-maatregel in 2020. Deze leiden in 2019 incidenteel tot hogere belastingontvangsten.

Tabel 4.2.1 Ontwikkeling inkomsten op EMU-basis 2018-2020 (in miljoenen euro's)

2018

2019

2020

Belastingen en premies volksverzekeringen

221,2

233,3

235,5

waarvan belastingen

178,6

193,0

193,8

waarvan premies volksverzekeringen

42,7

40,2

41,7

Premies Werknemersverzekeringen

63,9

68,4

70,1

Totaal

285,1

301,7

305,5

Jaar-op-jaarmutatie

16,6

3,9

waarvan endogene groei

12,9

9,3

waarvan beleidsmaatregelen

3,8

‒ 5,4

Endogene mutatie (in %)

4,5%

3,1%

Waardeontwikkeling BBP (in %)

4,4%

3,1%

In 2020 groeien de belasting- en premieontvangsten met 3,9 miljard euro. De beleidsmatige mutatie is 5,4 miljard euro neerwaarts, terwijl de economische ontwikkeling leidt tot een endogene inkomstengroei van 9,3 miljard euro, 3,1 procent. Beleidsmaatregelen zorgen in 2020 voor 5,4 miljard euro lagere belasting- en premieontvangsten op EMU-basis. Dat komt voornamelijk door een lagere loon- en inkomensheffing (-3,9 miljard euro), energiebelasting (-1,1 miljard euro) en de dividendbelasting (-0,9 miljard euro).

4.3 De belasting- en premieontvangsten in 2019

In tabel 4.3.1 wordt de nieuwe raming voor 2019 vergeleken met de stand bij Voorjaarsnota 2019. De nieuwe raming voor 2019 is gebaseerd op het macro-economisch beeld conform de MEV 2020 van het CPB en de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten tot en met juli 2019. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2019 is de raming van de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis per saldo 1,9 miljard euro opwaarts bijgesteld.

De raming in de Voorjaarsnota 2019 was voornamelijk gebaseerd op het economisch beeld dat volgde uit het CEP 2019 van het CPB. Ten opzichte van het CEP 2019 is de verwachte waardeontwikkeling van het bbp in 2019 met 0,6 procentpunt opwaarts bijgesteld.

Tabel 4.3.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2019 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Voorjaarsnota 2019

Vermoedelijke uitkomsten 2019

Verschil

Indirecte belastingen

93.761

94.507

746

Invoerrechten

3.274

3.384

110

Omzetbelasting

57.753

58.350

598

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.285

2.315

30

Accijnzen

12.043

12.083

41

Overdrachtsbelasting

3.016

3.012

‒ 4

Assurantiebelasting

2.785

2.822

37

Motorrijtuigenbelasting

4.256

4.261

5

Belastingen op een milieugrondslag

5.671

5.600

‒ 71

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

287

289

2

Belasting op zware motorrijtuigen

186

185

‒ 1

Verhuurderheffing

1.759

1.759

0

Bankbelasting

447

447

0

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

137.959

138.527

568

Loon- en inkomensheffing

104.124

104.449

324

Dividendbelasting

6.117

6.118

2

Kansspelbelasting

544

558

14

Vennootschapsbelasting

25.596

25.773

177

Schenk- en erfbelasting

1.578

1.629

51

Overige belastingontvangsten

231

231

0

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

231.951

233.265

1.314

Premies werknemersverzekeringen

67.830

68.386

556

waarvan zorgpremies

42.402

42.585

183

Totaal belasting- en premieontvangsten

299.781

301.651

1.870

De raming van de totale indirecte belastingen is met 0,7 miljard euro opwaarts bijgesteld opzichte van de Voorjaarsnota 2019. Een iets sterkere volumeontwikkeling van de invoer zorgt - in combinatie met de gerealiseerde kasontvangsten - voor een opwaartse bijstelling van de invoerrechten (0,1 miljard euro). De raming van de btw-ontvangsten is met 0,6 miljard euro opwaarts bijgesteld. Onderliggend neemt de waarde van de consumptie van huishoudens in 2019 sterker toe dan geraamd in het CEP 2019. De belastingen op een milieugrondslag komen naar verwachting 0,1 miljard euro lager uit. De geraamde opbrengst van de energiebelasting is op basis van de kasontvangsten neerwaarts bijgesteld.

De ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen zijn voor 2019 met 0,6 miljard euro opwaarts bijgesteld ten opzichte van de Voorjaarsnota 2019. De raming van de loon- en inkomensheffing is met 0,3 miljard euro opwaarts aangepast. Onderliggend is sprake van een opwaartse bijstelling van de loonheffing op basis van de kasontvangsten en door een toename van de werkgelegenheid. De minder sterke loonontwikkeling valt daar tegen weg. De inkomensheffing is juist neerwaarts bijgesteld. De vpb-ontvangsten komen in 2019 naar verwachting 0,2 miljard euro hoger uit. Deze bijstelling ten opzichte van de Voorjaarsnota volgt voornamelijk uit de kasrealisaties. Ten opzichte van de Voorjaarsnota 2019 is de raming van de schenk- en erfbelasting voor 2019 met 0,1 miljard euro opwaarts bijgesteld naar 1,6 miljard euro. Deze bijstelling volgt uit de hogere kasrealisaties van dit jaar.

Ten slotte komen de ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen 0,6 miljard euro hoger uit. Dat komt vooral door hogere ontvangsten uit de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet en andere werkgeverspremies als gevolg van een sterkere grondslagontwikkeling.

4.4 De belasting- en premieontvangsten in 2020

In figuur 4.4.1 zijn de geraamde belasting- en premieontvangsten voor 2020 opgenomen.

Figuur 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2020 op EMU-basis

Tabel 4.4.1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de geraamde belasting- en premieontvangsten in 2020. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het effect van fiscale beleidsmaatregelen op de ontwikkeling van de ontvangsten van 2019 naar 2020 en de endogene ontwikkeling. Dat is de ontwikkeling van de ontvangsten die vooral samenhangt met macro-economische ontwikkelingen.

Tabel 4.4.1 Raming belasting- en premieontvangsten 2020 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2019

Maatregelen

Endogeen

Endogeen in %

2020

Indirecte belastingen

94.507

‒ 948

2.962

3,1%

96.522

Invoerrechten

3.384

0

116

3,4%

3.500

Omzetbelasting

58.350

2

2.126

3,6%

60.478

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.315

10

137

5,9%

2.462

Accijnzen

12.083

187

118

1,0%

12.388

Overdrachtsbelasting

3.012

0

119

4,0%

3.131

Assurantiebelasting

2.822

‒ 6

98

3,5%

2.914

Motorrijtuigenbelasting

4.261

49

82

1,9%

4.392

Belastingen op een milieugrondslag

5.600

‒ 1.081

0

0,0%

4.520

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

289

0

8

2,6%

296

Belasting op zware motorrijtuigen

185

18

0

‒ 0,2%

202

Verhuurderheffing

1.759

‒ 127

158

9,0%

1.791

Bankbelasting

447

0

0

0,0%

447

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.527

‒ 4.784

4.962

3,6%

138.704

Loon- en inkomensheffing

104.449

‒ 3.931

4.598

4,4%

105.116

Dividendbelasting

6.118

‒ 851

‒ 114

‒ 1,9%

5.153

Kansspelbelasting

558

6

26

4,7%

590

Vennootschapsbelasting

25.773

13

381

1,5%

26.167

Schenk- en erfbelasting

1.629

‒ 21

71

4,4%

1.679

Overige belastingontvangsten

231

0

‒ 1

‒ 0,6%

230

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

233.265

‒ 5.732

7.923

3,4%

235.456

Premies werknemersverzekeringen

68.386

297

1373

2,0%

70.056

waarvan zorgpremies

42.585

‒ 711

1290

3,0%

43.163

Totaal belasting- en premieontvangsten

301.651

‒ 5.435

9.296

3,1%

305.511

In 2020 bedragen de totale belasting- en premieontvangsten op EMU-basis naar verwachting 305,5 miljard euro. Ten opzichte van de meest actuele raming van de ontvangsten voor 2019 stijgen de ontvangsten in 2020 daarmee met 3,9 miljard euro. Beleidsmaatregelen zorgen voor 5,4 miljard euro lagere ontvangsten in 2020 ten opzichte van het jaar daarvoor. Het gaat om zowel maatregelen waartoe dit kabinet en vorige kabinetten eerder hebben besloten als maatregelen die het kabinet met deze Miljoenennota voorstelt. De verwachte endogene groei van de belasting- en premieontvangsten in 2020 bedraagt 9,3 miljard euro (3,1 procent). In de volgende paragrafen wordt nader op de endogene ontwikkeling ingegaan. In bijlage 5 van deze Miljoenennota staat een uitgebreidere toelichting op de ramingsmethodiek en wordt ingegaan op de ramingen op transactiebasis zoals opgesteld voor de grootste belastingsoorten.

4.4.1 Endogene ontwikkeling belasting- en premieontvangsten 2020

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten wordt toegelicht aan de hand van de relevante economische indicatoren zoals deze geraamd zijn in de Macro Economische Verkenning 2020. Voor 2020 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een waardeontwikkeling van het bbp van 3,1 procent. De endogene groei van de totale belasting- en premieontvangsten in 2020 is daar gelijk aan. Daarmee nemen de totale belasting- en premieontvangsten in 2020 net zo sterk toe als waardegroei van het bbp, uitgezonderd het effect van beleidsmaatregelen.

De endogene groei van de inkomsten uit de indirecte belastingen in 2020 bedraagt 3,1 procent. Deze ontwikkeling wordt voor een groot deel bepaald door de btw-ontvangsten, verreweg de grootste post bij de indirecte belastingen. De btw-ontvangsten hangen vooral af van de consumptieve bestedingen, de investeringen in woningen en de overheidsinvesteringen. De waardeontwikkeling van de particuliere consumptie is in 2020 met 3,3 procent vergelijkbaar met de totale economische groei in waardetermen. Binnen de particuliere consumptie neemt het aandeel van duurzame goederen toe, omdat de consumptie van duurzame goederen sneller groeit dan de gehele particuliere consumptie. Dat leidt tot hogere ontvangsten omdat deze goederen belast worden tegen het algemene btw-tarief. De investeringen in woningen nemen met 4,9 procent toe, terwijl de overheidsinvesteringen toenemen met 5,3 procent. Daarmee komt de endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten naar verwachting uit op 3,6 procent in 2020.

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten uit de bpm komt uit op 5,9 procent in 2020. De bpm-ontvangsten hangen af van het aantal autoverkopen en de CO2-uitstoot daarvan. De verwachting is dat het gemiddelde bpm-bedrag per auto in 2020 verder oploopt. De ontvangsten uit de motorrijtuigenbelasting – waarvoor het gewicht van de in Nederland geregistreerde auto’s de grondslag vormt – nemen naar verwachting met 1,9 procent toe in 2020 door een groter wagenpark. De ontvangsten uit de overdrachtsbelasting komen in 2020 4,0 procent hoger uit. Het CPB verwacht dat zowel de transacties als de verkoopprijzen stijgen. De totale WOZ-waarde van sociale huurwoningen vormt de grondslag van de verhuurderheffing. Voor 2020 nemen de ontvangsten uit de verhuurderheffing naar verwachting met 9,0 procent toe. Een groei van zowel het volume als de prijs van ingevoerde goederen zorgen voor een toename van de ontvangsten uit invoerrechten. De ontvangsten uit de belastingen op een milieugrondslag blijven gelijk. Dat komt vooral door de (beperkte) negatieve ontwikkeling bij de energiebelasting die voor meer dan 90 procent bijdraagt aan de totale ontvangsten uit belastingen op een milieugrondslag. De grondslag van de energiebelasting is het elektriciteits- en gasverbruik. Tot slot nemen de ontvangsten uit de accijnzen in 2020 met 1,0 procent toe.

De endogene ontwikkeling van de directe belastingen en de premies volksverzekeringen - de belastingen op inkomen en vermogen - bedraagt 3,6 procent in 2020. De qua omvang belangrijkste directe belastingsoort is de loon- en inkomensheffing.6 Voor de ontwikkeling van de ontvangsten uit deze belastingsoort zijn vooral de verwachte loonontwikkeling, de ontwikkeling van de werkgelegenheid en de ontwikkeling van winsten van zelfstandigen van belang. De grondslag van de loon- en inkomensheffing wordt daarnaast ook beïnvloed door de omvang van de hypotheekrenteaftrek en pensioenpremies. De ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing groeien in 2020 met 4,4 procent. Dat is met name het gevolg van een toename van de werkgelegenheid met 1,0 procent en hogere lonen (contractlonen +2,6 procent, incidenteel loon +0,3 procent). Ook groeien de ontvangsten uit de loon- en inkomensheffing in 2020 door een lagere hypotheekrenteaftrek en hogere winsten van IB-ondernemers (dat zijn ondernemers die belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting).

De vpb-ontvangsten komen in 2020 1,5 procent hoger uit dan in 2019, voornamelijk op basis van de door het CPB geraamde groei van de bedrijfswinsten. De raming van de dividendbelasting laat een afname van 1,9 procent zien in 2020. De raming van de schenk- en erfbelasting voor 2020 bedraagt 1,7 miljard euro en volgt uit de ontwikkeling van huizenprijzen als benadering voor de ontwikkeling van het nagelaten vermogen.

De ontvangsten uit de premies werknemersverzekeringen – waar ook de zorgpremies onder vallen – nemen met 2,0 procent toe in 2020. Onderliggend gaat het om een positieve ontwikkeling van de grondslag door hogere lonen en meer werkgelegenheid in combinatie met de ontwikkeling van de aan de zorguitgaven gekoppelde zorgpremies.

4.4.2 Het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten

In 2020 nemen de belasting- en premieontvangsten met 5,4 miljard euro af als gevolg van beleidsmaatregelen. In tabel 4.4.1 wordt het effect van de beleidsmaatregelen op de ontvangsten in 2020 per belastingsoort getoond. Dit is zowel beleid van vorige kabinetten met in 2020 nog een op- of neerwaarts effect op de inkomsten ten opzichte van 2019, als (nieuw) beleid van het huidige kabinet dat in 2020 effect heeft.

Bij de indirecte belastingen is de beleidsmatige afname per saldo ‒ 0,9 miljard euro. Dat komt vooral door een neerwaarts effect van 1,1 miljard euro bij de energiebelasting. Het verhogen van de belastingvermindering in de energiebelasting ligt daaraan ten grondslag. Deze maatregel zorgt voor een lagere energierekening voor vooral burgers.

De andere categorie binnen de belastingen op milieugrondslag met beleidseffecten is de afvalstoffenheffing. Door het uitbreiden van de grondslag naar buitenlands afval zal in 2020 sprake zijn van hogere ontvangsten. De MRB gaat vooral omhoog door een extra toeslag voor oude dieselauto’s. Bij de verhuurderheffing wordt een heffingsvermindering ingevoerd om meer nieuwbouw te stimuleren.

Als gevolg van beleidsmaatregelen nemen de ontvangsten uit de directe belastingen en premies volksverzekeringen met 4,8 miljard euro af in 2020. Het gaat om een saldo van vele maatregelen, voor een groot deel binnen de loon- en inkomensheffing. De beleidsmatige mutatie bij de loon- en inkomensheffing komt uit op ‒ 3,9 miljard euro. Deze mutatie wordt vooral bepaald door de (versnelde) implementatie van het twee-schijvenstelsel, een verhoging van de arbeidskorting en een verhoging van de algemene heffingskorting.

Beleidsmaatregelen hebben per saldo vrijwel geen effect op de vpb. De grondslagverbreding door de beperking van de renteaftrek staat (op kasbasis) tegenover de verlaging van het lage tarief naar 16,5 procent. De renteaftrek wordt in 2020 beperkt door de implementatie van de minimumkapitaalregel. Daarnaast heeft ook de in 2019 ingevoerde earningsstrippingmaatregel een opwaarts kaseffect in 2020.

Bij de dividendbelasting is sprake van een neerwaarts effect, als gevolg van de in 2019 incidentele anticipatie op zowel de tariefsverhoging van box 2 in 2020 als de beperking van rekeningcourantschulden voor DGA’s.7 

Beleid met betrekking tot de premies werknemersverzekeringen leidt per saldo tot 0,3 miljard euro hogere ontvangsten in 2020. Bij de premies zorgverzekeringswet is sprake van een beleidsmatige afname van 0,7 miljard euro. Deze beleidsmutatie is ondanks stijgende zorgkosten (en een lastendekkende premie voor het zorgverzekeringsfonds) neerwaarts door de snellere groei van de loongrondslag. Vooral bij het arbeidsongeschiktheidsfonds is sprake van een opwaarts effect van beleid.

In tabel 4.4.2 wordt de totale beleidsmatige mutatie in 2020 van 5,4 miljard uitgesplitst naar de opeenvolgende momenten waarop tot beleidsmaatregelen is besloten en wanneer deze in de begroting zijn verwerkt en/of de ramingen zijn geüpdatet. Dit noemen we ook wel de «verticale mutaties» van de beleidsmatige ontwikkeling van de ontvangsten in 2020. Ook wordt zo inzichtelijk dat ook beleid van vòòr deze kabinetsperiode in 2020 nog budgettaire effecten heeft. Budgettair omvangrijk zijn met een opwaarts effect van 1,5 miljard vooral de hogere zorgpremies. Daarnaast zijn mutaties bij de premies werknemersverzekeringen die onderdeel uitmaakten van het arbeidsmarktpakket van Rutte II noemenswaardig (0,2 miljard euro).8

Tabel 4.4.2 Verticale toelichting beleidsmutaties 2020 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

Beleid vorige kabinetten

1.335

waarvan zorgpremies

1.475

waarvan arbeidspakket

173

waarvan overig

‒ 313

Beleid Startnota

‒ 5.038

waarvan afschaffing dividendbelasting

‒ 2.910

waarvan lasten op arbeid (o.a. invoering tweeschijvenstelsel)

‒ 1.866

waarvan vpb-tariefsverlaging en vpb-maatregelen

‒ 393

waarvan box 2

‒ 680

waarvan overig

810

Miljoenennota 2019

‒ 2.088

waarvan zorgpremies

210

waarvan BP2019 en augustusbesluitvorming (incl. update ramingen)

‒ 2.367

- tariefsaanpassingen box 2 (incl update raming)

124

- Rekeningcourantmaatregel DGA's

‒ 1.496

- lasten op arbeid

‒ 192

- vpb-maatregelen

352

- dividendbelasting

‒ 1.094

- overig

‒ 61

waarvan overig

69

Miljoenennota 2020

356

waarvan Pensioen Eigen Beheer

550

waarvan zorgpremies

‒ 2.060

waarvan BP2019

2.961

- Heroverweging Pakket Vestigingsklimaat

2.903

- overig

58

waarvan preventieakkoord

128

waarvan pensioenakkoord

‒ 20

waarvan klimaatakkoord

‒ 688

waarvan BP2020 en augustusbesluitvorming (incl. update ramingen)

‒ 515

- vpb-maatregelen

1.243

- lastenverlichting op arbeid

‒ 1.811

- tweeschijvenstelsel box 1 IB naar voren

‒ 1.723

- verhogen AHK, AK en tarief eerste schijf en overige maatregelen

‒ 88

- overig

53

Totaal

‒ 5.435

Het in de Startnota verwerkte beleid heeft – op basis van de op dat moment ingeboekte beleidsramingen - in 2020 een lastenverlichtend effect van 5,0 miljard euro. Onderliggend is vooral sprake van lastenverlichtingen door de toen voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting en door verlaging van de lasten op arbeid. Het effect van de afschaffing van de dividendbelasting is in 2020 incidenteel groter doordat de verrekening van dividendbelasting in de inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting met een jaar vertraging stopt. Het effect van de tariefsverhoging in box 2 is (op EMU-basis) negatief in 2020. Dat is een gevolg van lagere ontvangsten ten opzichte van 2019. Door aflopende anticipatie op de tariefsverhoging per 1 januari 2020 zullen ondernemers minder dividend uitkeren in 2020 ten opzichte van 2019.

Beleid dat voor het eerst tot uiting komt in Miljoenennota 2019 met (tevens) een budgettair effect in 2020 is onder meer de rekeningcourantmaatregel DGA’s. Ook deze maatregel zorgt voor anticipatie-effecten in box 2, waardoor in 2020 op EMU-basis minder geld binnenkomt ten opzichte van 2019. Voorts zijn de ramingen geüpdatet. De zorgpremies vallen iets hoger uit, daar staan compenserende maatregelen tegenover.

Voor de Miljoenennota 2020 zijn ook weer verschillende beleidsmaatregelen met een budgettair effect verwerkt. Ten eerste is het pakket ‘heroverweging pakket vestigingsklimaat’ ook in de begroting voor 2020 verwerkt. Bij deze heroverweging heeft het kabinet gekeken naar het gehele pakket aan fiscale maatregelen gericht op het versterken van het vestigingsklimaat. Het opwaartse effect van dit pakket vloeit voort uit het terugdraaien van de afschaffen van de dividendbelasting, die in 2020 ook een incidentele budgettaire derving op EMU-basis tot gevolg zou hebben.9 Ten tweede zijn verschillende akkoorden verwerkt: het preventieakkoord, het klimaatakkoord en het pensioenakkoord. Ten derde heeft de augustusbesluitvorming plaatsgevonden waarvoor niet alleen de ramingen zijn geüpdatet, maar ook onder andere besloten is tot aanvullende lastenverlichting op arbeid en lastenverzwaring in de vpb.

Tabel 4.4.3 Budgettair effect van belasting- en premiemaatregelen 2020 (in miljoenen euro's)

Belastingen en premies op EMU-basis

Lasten-ontwikkeling

Belastingen en premies op transactie-basis

Aanpassing box 2 tarief

‒ 585

213

‒ 707

Rekeningcourantmaatregel DGA's (RC)

‒ 1.142

0

‒ 1.379

Zorgpremies

‒ 682

‒ 634

‒ 682

Zorgtoeslag

0

‒ 63

0

Opslag Duurzame Energie (ODE, inclusief wijzigingen klimaatakkoord)

0

1.129

0

Lage Inkomensvoordeel

0

‒ 45

0

ETS-veilingopbrengsten

0

267

0

Premies werknemersverzekeringen

1.008

991

1.008

Tabaksaccijns

186

183

186

Inkomensheffing en dividendbelasting overig

831

604

583

Vpb-tariefsmaatregelen

‒ 580

‒ 427

‒ 582

Vpb-grondslagmaatregelen

495

785

241

Pensioenakkoord

‒ 20

7

7

Klimaatakkoord overig (excl. ODE en kadercorrecties)

‒ 677

‒ 658

‒ 662

Lastenverlichting op arbeid (loonheffing overig)

‒ 3.830

‒ 3.719

‒ 3.830

Kadercorrecties

0

33

0

Overig

‒ 438

‒ 656

‒ 408

Totaal

‒ 5.435

‒ 1.989

‒ 6.226

In tabel 4.4.3 wordt een relatie gelegd tussen het effect van beleidsmaatregelen op de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis10, het effect daarvan op transactiebasis en het effect op de lastenontwikkeling zoals relevant voor het inkomstenkader in 202011. Voor de belasting- en premieontvangsten op EMU-basis, die relevant zijn voor het EMU-saldo, gaat het voor de meeste belastingsoorten om de één-maands-verschoven-kasontvangsten. Bij de ontvangsten op transactiebasis wordt – in dit geval – het beleid toegerekend aan het jaar waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit het effect op de ontvangsten volgt zich voordoet. Daarop sluit het op de lastenontwikkeling gebaseerde inkomstenkader zoveel mogelijk aan. Een uitzonderingen vormen anticipatie-effecten. De aanpassing van het box 2 tarief heeft anticipatie tot gevolg op EMU- en transactiebasis, maar is niet relevant voor het inkomstenkader en daarmee de lastenontwikkeling. Ook de rekeningcourantmaatregel gaat gepaard met anticipatie-effecten en kent daarnaast intertemporele effecten die ook niet relevant zijn voor het lastenkader.

Het budgettaire effect van zorgpremies in 2020 verschilt op lastenbasis van het effect op EMU-basis. Dit wordt veroorzaakt omdat incidentele wijzigingen in de premies zoals (1) het effect op de premies van het wegwerken van tekorten en overschotten in het zorgverzekeringsfonds, (2) incidentele bijstellingen in het saldo verzekeraars en (3) het verschil tussen de VWS-raming en de door verzekeraars vastgestelde nominale premie, niet binnen het inkomstenkader gecompenseerd maar wel relevant zijn voor het EMU-saldo.

Een ander verschil ontstaat door de zorgtoeslag. Vanwege de directe koppeling met de nominale premie is de zorgtoeslag wel relevant voor de beleidsmatige lastenontwikkeling, terwijl dit geen belasting- en premieontvangsten betreft. Dat geldt ook voor de Opslag Duurzame Energie, de ETS-veilingopbrengsten12 en het verschuiven van het lage-inkomensvoordeel (LIV) naar de uitgavenkant van de vergroting. Ook kadercorrecties spelen alleen een rol voor de beleidsmatige lastenontwikkeling zoals vastgelegd in het inkomstenkader.13 Bij andere belastingsoorten kan sprake zijn van een verschil tussen de lastenontwikkeling en het transactiebegrip door het hanteren van constante prijzen van het jaar waarin de wetgeving gemaakt wordt voor de lastenontwikkeling en lopende prijzen bij omvangrijke maatregelen uit een eerder ingeboekt beleidspakket zoals het Regeerakkoord voor de transactie- en EMU-basis begrippen. Verschillen tussen de effecten op EMU- en transactiebasis ontstaan hoofdzakelijk door de duur van het aanslag- en aangifteproces van sommige belastingsoorten. Daardoor ontstaat bij een deel van de belastingsoorten een achterwaartse verschuiving bij de ontvangsten op EMU-basis

4.5 Bijstellingen van het ramingsmodel

Net zoals in de vorige Miljoenennota maakt het ministerie van Financiën ook in deze Miljoenennota de handmatige bijstellingen bij het ramingsproces inzichtelijk. Onderstaande tabel 4.5.1 toont het effect dat deze ramingsbijstellingen (deskundigenoordeel; ‘expert opinion’) hebben op de ramingen op EMU-basis als percentage van de desbetreffende belastingontvangst. Dat is immers relevant voor het EMU-saldo. Daarbij is expert opinion gedefinieerd als de handmatige bijstellingen van de ramingen op kas- of transactiebasis. Daarnaast kan de raming ook nog beïnvloed worden door aanpassing van de kas-transparameters of in het geval van de raming op EMU-basis via de omvang van het kas/EMU-verschil.

De eerste kolom toont de raming voor 2019 zoals eerder toegelicht in miljoenen euro’s. De tweede kolom bevat de bijstelling ten opzichte van de raming volgens het ramingsmodel als percentage van de raming in de eerste kolom. Per saldo komt de inkomstenraming 0,7 procent hoger uit door expert opinion. Over het algemeen zijn de gerealiseerde kasontvangsten tot en met de maand juli de belangrijkste verklaring voor deze bijstellingen. Bij de schenk- en erfbelasting waren de ontvangsten in 2018 hoger als gevolg van een eenmalige ontvangst. Dat zorgt in 2019 voor een neerwaartse bijstelling door expert opinion. De ramingsbijstellingen bij een aantal indirecte belastingsoorten op basis van de kasontvangsten zijn mede toe te schrijven aan de keuze om meer algemene economische variabelen te gebruiken. De ramingsvergelijking van de BPM is daar een voorbeeld van.14 Ontwikkelingen specifiek op het terrein van autoverkopen zullen daardoor per definitie via bijstellingen in de raming verwerkt moeten worden.

Bij de ramingen van de belastingsoorten die op transactiebasis worden geraamd (btw, loon- en inkomensheffing en vpb) werken ook bijstellingen in nog niet volledig afgeronde ramingsjaren gedeeltelijk door in het niveau van de raming voor 2019. Een bijstelling van de transactieraming 2015 van de vpb komt bijvoorbeeld voor een deel in de kas van 2019 terecht. Daarnaast beïnvloedt een dergelijke bijstelling het ‘startniveau’ voor alle latere jaren. Dat is de zogenoemde doorwerking15.

Tabel 4.5.1 bijstellingen ramingsmodel 2019

Raming 2019

Bijstelling ramingsmodel in % raming

Indirecte belastingen

94.507

0,0%

Invoerrechten

3.384

4,1%

Omzetbelasting

58.350

0,3%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.315

2,8%

Accijnzen

12.083

‒ 1,1%

Overdrachtsbelasting

3.012

‒ 4,3%

Assurantiebelasting

2.822

0,0%

Motorrijtuigenbelasting

4.261

‒ 0,7%

Belastingen op een milieugrondslag

5.600

‒ 2,8%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

289

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

185

0,0%

Verhuurderheffing

1.759

0,0%

Bankbelasting

447

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.527

1,1%

Loon- en inkomensheffing

104.449

0,8%

Dividendbelasting

6.118

‒ 3,2%

Kansspelbelasting

558

0,0%

Vennootschapsbelasting

25.773

4,5%

Schenk- en erfbelasting

1.629

‒ 12,2%

Overige belastingontvangsten

231

0,0%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

233.265

0,7%

Omdat voor de raming van 2020 de raming van 2019 - en niet de gerealiseerde kasontvangsten – het uitgangspunt vormt, werkt de expert opinion in 2019 één-op-één door naar 2020. Dat geldt in principe voor alle belastingsoorten. Bij de ramingen op transactiebasis kan het belang van een bijstelling afnemen door een verschil tussen de kas/transparameters waarmee de aansluiting tussen de raming op transactie- en kasbasis wordt gemaakt.

Bij een deel van de belastingen loopt de bijstelling in 2020 verder op ten opzichte van 2019, in lijn met de bijstellingen in 2019 op basis van de kasontvangsten.

Tabel 4.5.2 bijstellingen ramingsmodel 2020

Raming 2020

Bijstelling ramingsmodel in % raming

Indirecte belastingen

96.522

‒ 0,3%

Invoerrechten

3.500

5,4%

Omzetbelasting

60.478

0,4%

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.462

0,0%

Accijnzen

12.388

‒ 2,1%

Overdrachtsbelasting

3.131

‒ 8,3%

Assurantiebelasting

2.914

0,0%

Motorrijtuigenbelasting

4.392

‒ 1,3%

Belastingen op een milieugrondslag

4.520

‒ 3,3%

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

296

0,0%

Belasting op zware motorrijtuigen

202

0,0%

Verhuurderheffing

1.791

0,0%

Bankbelasting

447

0,0%

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.704

0,1%

Loon- en inkomensheffing

105.116

‒ 0,5%

Dividendbelasting

5.153

‒ 14,8%

Kansspelbelasting

590

0,0%

Vennootschapsbelasting

26.167

6,2%

Schenk- en erfbelasting

1.679

‒ 11,8%

Overige belastingontvangsten

230

0,0%

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

235.456

‒ 0,1%

4.6 Meerjarige ontvangstenontwikkeling en raming

De ontwikkeling van de belasting- en premieontvangsten voor de periode 2019-2023 is weergegeven in tabel 4.6.1. De ramingen voor 2019 en 2020 zijn in voorgaande paragrafen toegelicht. Voor 2021 tot en met 2023 betreft dit een technische extrapolatie van de geraamde belastinginkomsten. Deze technische extrapolatie is op basis van de meest recente MLT-raming van het CPB.

Tabel 4.6.1. Meerjarige belasting- en premieraming (in miljarden euro's)

2019

2020

2021

2022

2023

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

301,7

305,5

311,3

319,1

328,8

waarvan belastingen op kasbasis

191,7

193,3

192,7

201,8

205,9

Tabel 4.6.2. bevat - in aanvulling op de ramingen voor 2019 en 2020 die reeds besproken zijn - een technische extrapolatie van de geraamde belastingsoorten voor 2021 tot en met 2023.

Tabel 4.6.2 Raming belasting- en premieontvangsten 2019-2023 op EMU-basis (in miljoenen euro's)

2019

2020

2021

2022

2023

Indirecte belastingen

94.507

96.522

99.210

101.194

102.948

Invoerrechten

3.384

3.500

3.595

3.693

3.800

Omzetbelasting

58.350

60.478

62.425

63.989

65.431

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.315

2.462

2.344

2.261

2.048

Accijnzen

12.083

12.388

12.583

12.661

12.757

Overdrachtsbelasting

3.012

3.131

3.504

3.657

3.793

Assurantiebelasting

2.822

2.914

3.003

3.088

3.176

Motorrijtuigenbelasting

4.261

4.392

4.410

4.466

4.520

Belastingen op een milieugrondslag

5.600

4.520

4.510

4.486

4.467

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

289

296

300

302

305

Belasting op zware motorrijtuigen

185

202

209

211

213

Verhuurderheffing

1.759

1.791

1.879

1.932

1.991

Bankbelasting

447

447

447

447

447

Directe belastingen en premies volksverzekeringen

138.527

138.704

138.197

141.490

146.470

Loon- en inkomensheffing

104.449

105.116

105.916

108.794

113.309

Dividendbelasting

6.118

5.153

5.123

5.513

5.417

Kansspelbelasting

558

590

620

644

669

Vennootschapsbelasting

25.773

26.167

24.832

24.821

25.350

Schenk- en erfbelasting

1.629

1.679

1.706

1.719

1.725

Overige belastingontvangsten

231

230

230

230

230

Totaal belastingen en premies volksverzekeringen

233.265

235.456

237.637

242.914

249.647

Premies werknemersverzekeringen

68.386

70.056

73.626

76.148

79.113

waarvan zorgpremies

42.585

43.163

46.152

47.979

50.407

Totaal belasting- en premieontvangsten

301.651

305.511

311.263

319.062

328.760

4.7 De belastingraming 2019-2020

Tabel 4.7.1 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2019 en 2020 op EMU-basis.

Tabel 4.7.1 Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2019 ‒ 2020 (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2019

Ontwerpbegroting 2020

Indirecte belastingen

94.507

96.522

Invoerrechten

3.384

3.500

Omzetbelasting

58.350

60.478

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.315

2.462

Accijnzen

12.083

12.388

- Accijns van lichte olie

4.527

4.610

- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.957

4.030

- Tabaksaccijns

2.480

2.614

- Alcoholaccijns

332

333

- Bieraccijns

437

441

- Wijnaccijns

350

360

Belastingen van rechtsverkeer

5.834

6.045

- Overdrachtsbelasting

3.012

3.131

- Assurantiebelasting

2.822

2.914

Motorrijtuigenbelasting

4.261

4.392

Belastingen op een milieugrondslag

5.600

4.520

- Afvalstoffenbelasting

188

233

- Energiebelasting

5.116

3.984

- Waterbelasting

293

300

- Brandstoffenheffingen

2

2

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

289

296

Belasting op zware motorrijtuigen

185

202

Verhuurderheffing

1759

1.791

Bankbelasting

447

447

Directe belastingen

98.295

97.032

Inkomstenbelasting

4.113

3.516

Loonbelasting

60.105

59.927

Dividendbelasting

6.118

5.153

Kansspelbelasting

558

590

Vennootschapsbelasting

25.773

26.167

- Gassector

600

370

- niet-gassector

25.173

25.797

Schenk- en erfbelasting

1.629

1.679

Overige Belastingontvangsten

231

230

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

Totaal belastingen

193.034

193.783

Premies volksverzekeringen

40.231

41.672

Premies werknemersverzekeringen

68.386

70.056

waarvan zorgpremies

42.585

43.163

Totaal belasting- en premieontvangsten

301.651

305.511

Tabel 4.7.2 bevat een gedetailleerd overzicht van de raming van de belasting- en premieontvangsten 2019 en 2020 op kasbasis met op de laatste regels de aansluiting naar de totaalraming op EMU-basis.

Tabel 4.7.2. Overzicht van belasting- en premieontvangsten 2019 ‒ 2020 (in miljoenen euro's)

Vermoedelijke uitkomsten 2019

Ontwerpbegroting 2020

Indirecte belastingen

93.116

96.074

Invoerrechten

3.375

3.492

Omzetbelasting

57.074

59.997

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.310

2.466

Accijnzen

12.076

12.366

- Accijns van lichte olie

4.519

4.605

- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.952

4.024

- Tabaksaccijns

2.488

2.602

- Alcoholaccijns

332

334

- Bieraccijns

436

441

- Wijnaccijns

349

359

Belastingen van rechtsverkeer

5.814

5.995

- Overdrachtsbelasting

3.003

3.091

- Assurantiebelasting

2.811

2.904

Motorrijtuigenbelasting

4.248

4.391

Belastingen op een milieugrondslag

5.542

4.632

- Afvalstoffenbelasting

185

237

- Energiebelasting

5.062

4.093

- Waterbelasting

293

300

- Brandstoffenheffingen

2

2

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

288

296

Belasting op zware motorrijtuigen

182

201

Verhuurderheffing

1759

1.791

Bankbelasting

447

447

Directe belastingen

98.339

96.981

Inkomstenbelasting

4.113

3.516

Loonbelasting

60.152

59.880

Dividendbelasting

6.118

5.153

Kansspelbelasting

554

586

Vennootschapsbelasting

25.773

26.167

- Gassector

600

370

- niet-gassector

25.173

25.797

Schenk- en erfbelasting

1.629

1.679

Overige Belastingontvangsten

231

230

waarvan Belasting- en premieontvangsten Caribisch Nederland

154

157

Totaal belastingen

191.687

193.286

Premies volksverzekeringen

40.091

41.720

Premies werknemersverzekeringen (EMU)

68.386

70.056

Aansluiting naar EMU-basis

1.487

450

Totaal belasting- en premieontvangsten op EMU-basis

301.651

305.511

5 TOELICHTING OP DE BELASTINGONTVANGSTEN

5.1 Inleiding

Deze bijlage bevat een nadere toelichting op de raming van belasting- en premieontvangsten. De uitkomsten van de raming op EMU-basis zijn reeds gepresenteerd in paragraaf 2.3 en bijlage 4 van deze Miljoenennota. Deze bijlage gaat in op de methodiek die ten grondslag ligt aan de raming. Het ramingsmodel inclusief de toegepaste ramingsvergelijkingen wordt uitgebreid toegelicht. Vervolgens wordt – in aanvulling op de bijlage 5 van Miljoenennota 2019 - nader ingegaan op de conclusies en de aanbevelingen van de onafhankelijke Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten. Paragraaf 5.6 toont de endogene en beleidsmatige ontwikkeling van de verschillende belastingsoorten op kasbasis. Daarna besteden we in paragraaf 5.7 specifiek aandacht aan belastingen en premies die op transactiebasis (naar belastingjaar) geraamd worden en vervolgens naar kasbasis en EMU-basis worden vertaald. Dit betreffen de loon- en inkomensheffing, de omzetbelasting en de vennootschapsbelasting.

5.2 Het belang van een raming van belasting- en premieontvangsten

Het ministerie van Financiën maakt jaarlijks de rijksbegroting op. De raming van de belasting- en premieontvangsten is hierbij een belangrijke bouwsteen. De geraamde ontvangsten zijn immers noodzakelijk om het te verwachten begrotingssaldo (EMU-saldo) te bepalen. De inkomstenraming is bovendien relevant voor de financieringsbehoefte van de Nederlandse Staat.

De belasting- en premieontvangsten zijn, in tegenstelling tot de meeste overheidsuitgaven, zeer gevoelig voor economische ontwikkelingen. Zo leiden toenemende werkgelegenheid en hogere lonen direct tot meer ontvangsten via de loonheffing. Via hogere consumptieve bestedingen van huishoudens stijgen bovendien de btw-ontvangsten. Dalende winsten in een laagconjunctuur kunnen zelfs tot negatieve kasontvangsten bij de vennootschapsbelasting leiden (door verliesverrekening). Onder andere deze gevoeligheid voor macro-economische ontwikkelingen is reden voor het kabinet om niet op het EMU-saldo te sturen bij de opstelling van de begroting maar te kiezen voor een trendmatig begrotingsbeleid. Dit betekent dat de overheidsinkomsten mogen meebewegen met de economische ontwikkeling. Binnen dit begrotingsbeleid leidt een opwaartse bijstelling van de inkomsten, en daarmee van het EMU-saldo, niet tot intensivering van de overheidsuitgaven of lastenverlichting. Dit werkt stabiliserend op de economie. Fiscale beleidsmaatregelen zijn wel begrensd. Met het inkomstenkader houdt het kabinet vast aan een pad van beleidsmatige lastenverlichting of lastenverzwaring over de kabinetsperiode (zie bijlage 3). Dat pad legt het kabinet bij de start van de kabinetsperiode vast in de Startnota.

Een zo trefzeker mogelijke raming kan ervoor zorgen dat het uiteindelijk gerealiseerde EMU-saldo (relatief) in de buurt ligt van de raming in de begroting. Tegelijkertijd is het goed om te beseffen dat het gaat om een raming gebaseerd op een macro-economisch model. De uitkomsten van het belasting- en premiemodel blijven macro-inschattingen en zijn daarmee vooral sterk afhankelijk van de raming van macro-economische variabelen, die als input voor het model gebruikt worden.

5.3 Ramingsmethodiek ministerie van Financiën

Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten gebruikt het ministerie van Financiën een econometrisch geschat ramingsmodel. Input voor dat model vormen ten eerste de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten van het meest recente volledige jaar, zoals aangeleverd door de Belastingdienst.

Tweede input zijn de ramingen van relevante macro-economische variabelen voor toekomstige jaren, aangeleverd door het Centraal Planbureau (CPB). Het CPB maakt periodiek een onafhankelijke raming van de ontwikkeling van de Nederlandse economie. Het kabinet baseert de opstelling van de begroting zowel aan de uitgaven- als de inkomstenkant op deze ramingen van het CPB. Daarmee is gegarandeerd dat er niet politiek gestuurd kan worden op de cijfers over de economie.

Als derde beïnvloeden ook wijzigingen in beleid de belasting- en premieontvangsten. Beleidseffecten worden ingeboekt in een database, waarna het effect per belastingsoort wordt meegenomen bij de raming.

Tot slot speelt zogenoemde ‘expert opinion’ een rol. De uitkomsten van het model – de geraamde ontwikkeling op basis van macro-economische variabelen en beleidswijzigingen – worden gewogen in samenhang met onder andere de gerealiseerde belastingontvangsten in het lopende jaar (als daar al sprake van is), informatie over de uitvoering van de Belastingdienst (waaronder opgelegde aanslagen) en meer sectorspecifieke informatie. Ook de trefzekerheid van het model in de meest recente jaren wordt daarbij bezien. Voor de raming van de belasting- en premieontvangsten in deze Miljoenennota zijn voor 2019 de gedetailleerde kasgegevens tot en met juli bekend en meegewogen in de raming.16 De inkomsten voor 2019 zijn deels dus reeds gerealiseerd. Voor ramingsjaar 2020 zijn daarentegen nog geen kasgegevens beschikbaar. De geraamde belasting- en premieontvangsten voor 2019 vormen daarom de basis voor de raming van 2020.

Een voorbeeld waarbij specifieke uitvoeringsinformatie van de Belastingdienst een rol speelt, is de vpb-raming voor 2016. Ondernemingen bleken vaker dan in het verleden om een (aangepaste) voorlopige aanslag gevraagd te hebben om op een later moment geen belastingrente te hoeven betalen. Ook het actiever opleggen van aanslagen door de Belastingdienst vormde een verklaring voor de sterke stijging van de kasontvangsten in 2016. Deze stijging in 2016 ging overigens ten koste van de ontvangsten in 2017. Dergelijke ‘kasschuiven’ spelen ook een rol in de overwegingen rond de raming voor de belasting- en premieontvangsten.

Sectorspecifieke informatie speelt een rol bij bijvoorbeeld de raming van de bpm. Naast de op macro-economische variabelen gebaseerde vergelijking wordt gekeken naar het aantal verkochte voertuigen in het lopende jaar in relatie tot de gerealiseerde kasontvangsten en verwachtingen voor de rest van het jaar en het komende jaar. Deze informatie wordt naast de modeluitkomst gehouden en indien nodig wordt de modeluitkomst bijgesteld.

5.4 Ramingsmodel voor de belasting- en premieontvangsten

Het ministerie van Financiën raamt de opbrengst per belasting- en premiesoort. Het ramingsmodel houdt hierbij rekening met beleidsmaatregelen en economische ontwikkelingen. Beleidsmatige keuzes beïnvloeden de hoogte van belastingtarieven en de omvang van belastinggrondslagen. De omvang van belastinggrondslagen wordt bovendien beïnvloedt door economische ontwikkelingen, vooral door de stand van de conjunctuur. Een aantrekkende huizenmarkt met gemiddeld stijgende huizenprijzen en een stijgend aantal woningtransacties leidt bijvoorbeeld tot een hogere opbrengst van de overdrachtsbelasting. Het ramingsmodel bestaat uit meerdere vergelijkingen: elke belastingsoort heeft namelijk een specifieke ramingsvergelijking, aansluitend op de grondslag van de betreffende belastingsoort. Deze vergelijkingen zijn econometrisch geschat.

Bovenstaand kan samengevat worden in onderstaande vergelijking:

Tt = Tt-1 + At + Et

Tt = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t

Tt-1 = Ontvangst van een belastingsoort in jaar t-1

At = Beleidsmatig effect op ontvangst belastingsoort in jaar t

Et = Effect van economische ontwikkeling op ontvangst belastingsoort in jaar t

De geraamde opbrengst van een belastingsoort in een bepaald jaar is gelijk aan de opbrengst van de belastingsoort uit het voorafgaande jaar plus de veranderingen door beleid en als gevolg van economische ontwikkelingen in dat jaar. Het startpunt van de raming in deze Miljoenennota is daarom de gerealiseerde stand van de belasting- en premieontvangsten in 2018. Het Financieel Jaarverslag Rijk 2018 bevat nadere informatie over de gerealiseerde belasting- en premieontvangsten over 2018. Door de geraamde beleidsmatige en economische ontwikkelingen raamt het ministerie vervolgens de belasting- en premieontvangsten in 2019. Deze raming geldt vervolgens als startpunt voor de raming van belasting- en premieontvangsten in 2020, welke eveneens wordt aangevuld met de beleidsmatige en verwachte economische veranderingen van dat jaar.

Beleidsmatige ontwikkelingen

Beleidsmatige ontwikkelingen beïnvloeden de hoogte van de belasting- en premieontvangsten. Een aanpassing van belastingtarieven zorgt bijvoorbeeld voor een verandering van de belastingopbrengsten. Het budgettaire effect van een beleidsmaatregel ex ante wordt vastgesteld met inachtneming van een eerste-orde-gedragseffect.17 In hoofdstuk 3 van de Miljoenennota 2018 is een box opgenomen over de systematiek van de eerste-orde-gedragseffecten. Deze ex ante-inschatting met eerste-orde-gedragseffect is de best mogelijk inschatting van het effect van beleid op de desbetreffende grondslag of het tarief. Mogelijke effecten van het beleid op macro-economische ontwikkelingen spelen hierbij geen rol. Economische ontwikkelingen worden immers apart geraamd: opname hiervan in beleidsramingen leidt tot dubbeltelling.

Endogene ontwikkeling

De verdere verandering van de belasting- en premieontvangsten wordt hoofdzakelijk gedreven door economische ontwikkelingen. In de Miljoenennota wordt dit ook de endogene ontwikkeling genoemd. Het gaat hier bijvoorbeeld om hogere belastingopbrengsten door hogere consumptie van huishoudens, of door hogere lonen bij een gunstige economische ontwikkeling. De endogene ontwikkeling van elke belastingsoort wordt geraamd met een model waarin macro-economische variabelen zijn opgenomen. Deze macro-economische variabelen hebben bewezen samenhang met de betreffende belastingsoort. Hierbij maakt het ministerie van Financiën gebruik van de economische raming van het CPB. Bij deze Miljoenennota betreft dit de Macro-economische Verkenning 2020 (MEV 2020).

De relatie tussen een macro-economische variabele en de endogene verandering van de belastingopbrengst is vaak niet één-op-één. Daarom wordt deze relatie vastgesteld op basis van empirische schatting op historische gegevens, deskundigenoordeel, wetenschappelijke inzichten of andere relevante informatie. De relatie wordt weergegeven door een coëfficiënt. Onderstaande tabel met ramingsvergelijkingen geeft de verschillende coëfficiënten weer. Een negatieve coëfficiënt geeft aan dat de macro-economische ontwikkeling en de endogene ontwikkeling van de belastingopbrengst tegen elkaar in bewegen. Een positieve coëfficiënt geeft aan dat de endogene ontwikkeling en de ontwikkeling van de macro-economische variabele in dezelfde richting bewegen. Deze coëfficiënten worden periodiek herzien. In 2019 zijn de vergelijkingen van het model tegen het licht gehouden en herschat. De beschikbaarheid van (specifieke) macro-economische variabelen en de kwaliteit daarvan is een duidelijke randvoorwaarde bij het empirisch schatten van de ramingsvergelijkingen. Zo is bij de bpm en MRB gekozen voor koppeling aan respectievelijk de ontwikkeling van de duurzame consumptie en het bbp in plaats van meer specifieke ‘auto’-gerichte variabelen vanwege de beperkte voorspelkracht van laatstgenoemde variabelen.

De meeste belastingensoorten worden op kasbasis geraamd. Dat wil zeggen dat het moment van betaling bepaalt aan welk jaar de belasting wordt toegerekend. Omdat de begroting en de verantwoording op EMU-basis – doorgaans de één-maands-verschoven-kas – plaatsvindt, wordt deze raming voor de meeste belastingsoorten gecorrigeerd met het verschil tussen de verwachte kasontvangsten in januari van jaar t en jaar t+1.18

De grootste belastingsoorten – de vennootschapsbelasting, de btw, de loonheffing en de inkomensheffing – worden niet op kasbasis geraamd.19 Die belastingsoorten worden op ‘transactiebasis’ geraamd. Dat wil zeggen dat de belastingopbrengsten worden toegerekend aan de jaren waarin de daadwerkelijke economische transactie waaruit de belastingopbrengst voortkomt zich heeft voorgedaan. Dat maakt een betere raming mogelijk, omdat zo omvangrijke kasstromen uit eerdere jaren modelmatig gekoppeld worden aan de macro-economische ontwikkeling van het betreffende jaar. De Belastingdienst splitst gerealiseerde kasontvangsten uit in transactiejaren. Door deze systematiek zijn de gerealiseerde belastinginkomsten op transactiebasis pas enkele jaren na afloop van het jaar bekend. Na het maken van de transactiebasisraming vertaalt het ministerie van Financiën deze naar kasontvangsten. Hiertoe maakt het gebruik van kan-transparameters. Deze parameters delen de ontvangsten in een economisch jaar toe aan kasjaren. De grootte van deze parameters is in eerste instantie gebaseerd op historische kaspatronen van de desbetreffende belastingsoort en op uitvoeringsinformatie van de belastingdienst.

Verklarende variabelen ramingsmodel

Afkorting

Variabele

arbvu

Arbeidsvolume in arbeidsjaren, mutatie

bbpvu

BBP marktprijzen, volumemutatie

bbpwu

BBP marktprijzen, waardemutatie

Box2

Waardemutatie grondslag box 2

Box3

Waardemutatie grondslag box 3

clpu

Contractloonstijging

hznpu

Huizenverkoop prijsmutatie

hznvu

Huizenverkoop volumemutatie

ihhyptr

Grondslag hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait

incpu

Incidentele loonstijging

iond

Waardemutatie inkomen box 1 ondernemers

invpu

Invoer, prijsmutatie

invvu

Invoer, volumemutatie

ivswu

Investeringen in woningen, waardemutatie

oiwu

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

pcdvu

Consumptie van duurzame goederen, volumemutatie

pcdwu

Consumptie van duurzame goederen, waardemutatie

pcvgvu

Consumptie van voeding en genot, volumemutatie

pcwu

Particuliere consumptie, waardemutatie

prpsv

Aftrekbare premies loonheffing, waardemutatie

tcf

Tabelcorrectiefactor

verr

Waardemutatie verrekende dividendbelasting en heffingskortingen

grvpb

Ontwikkeling grondslag vpb

wozwu

Waardemutatie gemiddelde woz-waarde

Overzicht ramingsvergelijkingen

Belastingsoort

Ramingsvergelijking voor Et

Accijns op lichte oliën

0,19 * bbpvut + 1 * tcft

Accijns op minerale oliën uitgezonderd lichte oliën

0,63 * bbpvut + 1 * tcft

Afvalstoffenbelasting

1 * bbpvut + 1 * tcft

Alcoholaccijns

‒ 0,027 + 1,24 * pcvgvut

Assurantiebelasting

1,05 * pcwut

Bankbelasting

0

Belasting zware motorrijtuigen (bzm)

0,96 * bbpvut

Belasting op personenauto's en motorrijwielen (bpm)

‒ 0,045 + 4,320 * pcdvut + 1 * tcft

Bieraccijns

0,42 * pcvgvut

Dividendbelasting

‒ 0,106 + 5,87 * bbpwut

Energiebelasting

‒ 0,03 + 0,62 * bbpvut + 1 * tcft

Schenk- en erfbelasting

1 * hznput

Inkomensheffing

Box 1 ondernemers

1 * iondt

Box 2

1 * box2t

Box 3

1 * box3t

Eigen woning

1 * ihhyptrt

Inkomensheffing overig

1 * verrt

Kansspelbelasting

1,45 * pcwut

Loonheffing

0,6 * arbvut+ 1,53 * clput + 1,13 * incput ‒ 0,62 * tcft ‒ 0,81 * prpsvt

Motorrijtuigenbelasting (mrb)

0,77 * bbpvut+ 1 * tcft

Omzetbelasting (btw)

0,44* pcwut + 0,29 * pcdwut + 0,18 * ivswut + 0,02 * oiwut

Overdrachtsbelasting

1 * hznvut + 1 * hznput

Rechten bij invoer

0,63 * invvut+ 0,51 * invput

Tabaksaccijns

0,97 * pcvgvut

Vennootschapsbelasting (niet-gas)

1 * winstwu­t

Verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken

1,05 * pcvgvut

Verhuurderheffing

1 * wozwut

Waterbelasting

0,008 + 1 * tcft

Wijnaccijns

1,16 * pcvgvut

Als voorbeeld voor de werking van het ramingsmodel en de totstandkoming van een raming van een belastingsoort nemen we de bieraccijns. Deze belasting wordt geraamd op kasbasis. Volgens bovenstaande vergelijking zijn de geraamde bieraccijnsontvangsten afhankelijk van de volumemutatie van de ‘consumptie van voeding en genot’. De positieve coëfficiënt betekent een positieve relatie: als het CPB een hogere consumptie van voeding en genot raamt, dan leidt dit tot hogere geraamde bieraccijnsontvangsten. De grootte van de coëfficiënt bedraagt 0,42. Dit betekent dat de bieraccijnsontvangsten met 0,42% stijgen ten opzichte van voorgaand jaar als het CPB een stijging van het volume van de consumptie van voeding en genot raamt met 1% in dat jaar. In dit voorbeeld spelen geen beleidsmatige ontwikkelingen. Voorts wordt deze uitkomst uit het ramingsmodel in vergeleken met reeds gerealiseerde kasontvangsten in het lopende jaar, uitvoeringsinformatie, de voorgaande raming en/of andere relevante (sectorspecifieke) informatie. Zo nodig wordt de uitkomst van het model op basis van expert opinion bijgesteld.

5.5 Aanvullende reactie conclusie en aanbevelingen rapport Commissie Visitatie raming belasting- en premieontvangsten

De Commissie Toetsing systematiek raming van de belasting- en premieontvangsten heeft op het verzoek van de minister van Financiën een onafhankelijke toetsing verricht voor de systematiek van de raming van de belasting- en premieontvangsten. Voorzitter van de commissie was Honorair hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) Mr. C.A. (Flip) de Kam. Het eindrapport is gepubliceerd in bijlage 6 van de Miljoenennota 2019.

De commissie heeft aanbevelingen geformuleerd om onderdelen van het ramingsmodel en de bij de raming gevolgde procedures te verbeteren. Bijlage 5 van de Miljoenennota 2019 bevatte een reactie op deze aanbevelingen. Sindsdien is er verder gewerkt aan het implementeren van de aanbevelingen. Hieronder is een korte beschrijving van de werkzaamheden die zijn verricht in het afgelopen jaar, met daarbij de relevante aanbevelingen.

Overleg met het CPB over de macro-economische variabelen

In het voorjaar van 2019 is er uitgebreid overleg geweest met het CPB. De focus lag daarbij op de macro-economische variabelen die in het ramingsmodel worden gebruikt om belastinginkomsten te voorspellen. Voor verschillende belastingsoorten is gesproken over de trefzekerheid van de huidige variabelen en alternatieve voorspellende variabelen. Daarbij is de meeste aandacht is uitgegaan naar de vennootschapsbelasting, maar ook variabelen als de ontwikkeling van het aantal nieuwverkochte auto’s en de verschillende categorieën van de ontwikkeling van de consumptie zijn aan bod gekomen. Er is geconcludeerd dat op basis van huidige beschikbare variabelen – zoals het CPB die aanlevert - geen of maar zeer beperkte verbetering van het model van Financiën mogelijk is.

Het overleg leverde twee aanknopingspunten op. Ten eerste informeert het CPB het Ministerie van Financiën wanneer het voornemens is onderzoek te doen dat relevant is voor de belastingraming. In het bijzonder wanneer dit de vennootschapsbelasting aangaat. Ten tweede nemen het CPB en de belastingramers van het Ministerie van Financiën gemeenschappelijk contact op met het PBL. Mogelijk kunnen hieruit nieuwe inzichten verschaft worden relevant voor macro-economische indicatoren die relevant zijn voor een aantal milieubelastingen.

Raming belasting- en premieontvangsten in andere landen

Met het in het kader van de commissie gedane onderzoek door het Ministerie van Financiën naar de methodiek en institutionele inbedding van belastingramingen in het buitenland is hiervoor reeds de eerste stap gezet. Zie hiervoor de bijlage van het rapport.

Dit onderzoek is sindsdien voortgezet. Daarbij is het onderzoek uitgebreid naar meer landen, en is er meer nadrukkelijk aandacht besteed aan het gebruik van microsimulatiemodellen (zie aanbeveling 3). Er is contact gelegd met belastingramers in Noorwegen, Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Finland. Ook is er contact geweest met de OECD en de Europese Commissie. (Het eerdere onderzoek betrof het Verenigd Koninkrijk, Ierland, de Verenigde Staten, Australië, Noorwegen, Denemarken, Duitsland.) Daarnaast staat er nog een aantal verzoeken uit, die mogelijk in de toekomst nog inzichten zullen opleveren.

Ook uit het vervolgonderzoek is gebleken dat slechts enkele landen, in specifieke gevallen gebruik maken van microsimulatiemodellen voor het verwerken van macro-economische verwachtingen. Wel wordt microsimulatie door veel landen voor het ramen van beleid gebruikt, net als dat ook bij het Ministerie van Financiën het geval is voor onder andere maatregelen in box 1 van de inkomstenbelasting. Ook op andere vlakken bevestigde het vervolgonderzoek de conclusies van het oorspronkelijke onderzoek.

Consistentie ramingsmethodiek loonheffing en premies werknemersverzekeringen

Het Ministerie van Financiën werkt momenteel aan een herziening van de premies werknemersverzekeringen in de ramingsmethodiek. Daarbij wordt in kaart gebracht of de premies werknemersverzekeringen op een vergelijkbare wijze kunnen worden geraamd als de loonheffing. Hoewel enige voortgang is gemaakt, is ook duidelijk dat dit een gecompliceerde herziening betreft. Het Ministerie van Financiën is voornemens dit project het komende jaar af te ronden.

Periodieke bijstelling ramingsmodel

Sinds de vorige miljoenennota zijn de ramingsvergelijkingen empirisch herschat. Daarmee is een vierjaarlijkse cyclus ingezet: de resultaten van de herschatting zijn met deze Miljoenennota geïmplementeerd, waar de laatste herschatting in 2015 werd gecompleteerd. Het Ministerie van Financiën is voornemens om deze cyclus ook in de toekomst voort te zetten.

Transparante verantwoording deskundigenoordeel

In bijlage 4 van de Miljoenennota 2019 is het deskundigenoordeel bij de raming van de verschillende belastingsoorten voor het eerst gepubliceerd en op hoofdlijnen toegelicht. Deze lijn wordt in deze Miljoenennota voortgezet. Het Ministerie van Financiën is voornemens om deze praktijk ook in de toekomst voort te zetten.

5.6 De belastingramingen voor 2019 en 2020 op kasbasis

De volgende twee tabellen geven de opbouw weer van de belastingramingen op kasbasis. Tabel 5.6.1 toont de ontwikkeling van de realisaties in 2018 naar de Vermoedelijke Uitkomsten in 2019. Tabel 5.6.2 toont vervolgens de ontwikkeling van de Vermoedelijke Uitkomsten in 2019 naar de Ontwerpbegroting 2020. De tabel splitst de verandering per belastingsoort uit naar beleidsmatige mutatie en endogene mutatie. Beleidsmatige mutaties zijn mutaties als gevolg van fiscale beleidsmaatregelen of van overige maatregelen. Endogene mutaties zijn mutaties van de belastingopbrengsten als gevolg van de economische ontwikkeling.

Tabel 5.6.1 Raming belastingontvangsten 2019 op kasbasis (in miljoenen euro's)

2018

Beleids-mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2019

Indirecte belastingen

87.281

3.475

2.360

2,7%

93.116

Invoerrechten

3.173

0

202

6,4%

3.375

Omzetbelasting

52.342

2.930

1.801

3,4%

57.074

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.276

‒ 74

108

4,7%

2.310

Accijnzen

11.926

53

97

0,8%

12.076

- Accijns van lichte olie

4.431

0

89

2,0%

4.519

- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.903

5

44

1,1%

3.952

- Tabaksaccijns

2.469

48

‒ 30

‒ 1,2%

2.488

- Alcoholaccijns

331

0

1

0,2%

332

- Bieraccijns

452

0

‒ 16

‒ 3,5%

436

- Wijnaccijns

340

0

9

2,7%

349

Belastingen van rechtsverkeer

5.721

0

93

1,6%

5.814

- Overdrachtsbelasting

3.028

0

‒ 25

‒ 0,8%

3.003

- Assurantiebelasting

2.693

0

118

4,4%

2.811

Motorrijtuigenbelasting

4.161

8

79

1,9%

4.248

Belastingen op een milieugrondslag

5.044

671

‒ 173

‒ 3,4%

5.542

- Afvalstoffenbelasting

88

95

3

3,0%

185

- Energiebelasting

4.667

577

‒ 182

‒ 3,9%

5.062

- Waterbelasting

287

0

6

2,0%

293

- Brandstoffenheffingen

2

0

0

1,5%

2

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

281

0

7

2,4%

288

Belasting op zware motorrijtuigen

170

9

3

1,8%

182

Verhuurderheffing

1.738

‒ 123

144

8,3%

1.759

Bankbelasting

447

0

0

0,0%

447

Directe belastingen

90.574

1.967

5.798

6,4%

98.339

Loon- en inkomstenbelasting

60.184

‒ 579

4.659

7,7%

64.265

Dividendbelasting

4.484

1.146

488

10,9%

6.118

Kansspelbelasting

520

2

31

6,1%

554

Vennootschapsbelasting

23.655

1.413

705

3,0%

25.773

- Gassector

710

0

‒ 110

‒ 15,5%

600

- Niet-gassector

22.945

1.413

815

3,6%

25.173

Schenk- en erfbelasting

1.731

‒ 16

‒ 86

‒ 5,0%

1.629

Overige belastingontvangsten

244

‒ 12

0

0,0%

231

Totaal belastingen op kasbasis

178.099

5.429

8.158

4,6%

191.687

Tabel 5.6.2 Raming belastingontvangsten 2020 op kasbasis (in miljoenen euro's)

2019

Beleids-mutaties

Endogene mutaties

Endogene mutatie in %

2020

Indirecte belastingen

93.116

‒ 491

3.449

3,7%

96.074

Invoerrechten

3.375

0

117

3,5%

3.492

Omzetbelasting

57.074

328

2.595

4,5%

59.997

Belasting op personenauto's en motorrijwielen

2.310

1

155

6,7%

2.466

Accijnzen

12.076

147

142

1,2%

12.366

- Accijns van lichte olie

4.519

0

86

1,9%

4.605

- Accijns van minerale oliën, anders dan lichte olie

3.952

1

72

1,8%

4.024

- Tabaksaccijns

2.488

146

‒ 32

‒ 1,3%

2.602

- Alcoholaccijns

332

0

2

0,5%

334

- Bieraccijns

436

0

5

1,1%

441

- Wijnaccijns

349

0

11

3,0%

359

Belastingen van rechtsverkeer

5.814

‒ 5

187

3,2%

5.995

- Overdrachtsbelasting

3.003

0

89

2,9%

3.091

- Assurantiebelasting

2.811

‒ 5

98

3,5%

2.904

Motorrijtuigenbelasting

4.248

49

93

2,2%

4.391

Belastingen op een milieugrondslag

5.542

‒ 900

‒ 10

‒ 0,2%

4.632

- Afvalstoffenbelasting

185

46

6

3,1%

237

- Energiebelasting

5.062

‒ 946

‒ 23

‒ 0,5%

4.093

- Waterbelasting

293

0

7

2,4%

300

- Brandstoffenheffingen

2

0

0

1,9%

2

Verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken e.a.

288

0

8

2,7%

296

Belasting op zware motorrijtuigen

182

17

3

1,5%

201

Verhuurderheffing

1.759

‒ 127

158

9,0%

1.791

Bankbelasting

447

0

0

0,0%

447

Directe belastingen

98.339

‒ 3.347

1.990

2,0%

96.981

Loon- en inkomstenbelasting

64.265

‒ 2.493

1.625

2,5%

63.397

Dividendbelasting

6.118

‒ 851

‒ 114

‒ 1,9%

5.153

Kansspelbelasting

554

5

27

4,8%

586

Vennootschapsbelasting

25.773

13

381

1,5%

26.167

- Gassector

600

0

‒ 230

‒ 38,3%

370

- Niet-gassector

25.173

13

611

2,4%

25.797

Schenk- en erfbelasting

1.629

‒ 21

71

4,4%

1.679

Overige belastingontvangsten

231

‒ 1

0

0,0%

230

Totaal belastingen

191.687

‒ 3.839

5.438

2,8%

193.286

Nadere toelichting

De raming voor de totale belastingontvangsten in 2019 komt op kasbasis 13,6 miljard euro hoger uit dan de realisatie van de totale belastingontvangsten in 2018 (zie tabel 5.6.1). Deze stijging is het totaal van de beleidsmatige mutatie van 5,4 miljard euro en de endogene ontwikkeling van 8,2 miljard euro. Voor 2020 geldt een toename van de totale belastingontvangsten op kasbasis met 1,6 miljard euro ten opzichte van 2019. Dit is het saldo van een beleidsmatige mutatie van ‒ 3,8 miljard euro en een endogene ontwikkeling van 5,4 miljard euro (zie tabel 5.6.2). De volgende paragrafen lichten deze beleidsmatige en endogene mutaties toe.

Beleidsmatige ontwikkeling

De belastingontvangsten in 2019 nemen met 5,4 miljard euro toe als gevolg van fiscale en overige maatregelen. In tabel 5.6.3 staat aangegeven welke wijzigingen sinds de Miljoenennota 2019 hebben plaatsgevonden.

Tabel 5.6.3 Effecten beleidsmaatregelen (waaronder nabetalingen) op belastingontvangsten in 2019 (in mln euro)

Kas 2019

Totaal maatregelen, zoals gemeld in Miljoenennota 2019 (bijlage 5)

5.790

Mutatie vanwege nabetalingen

‒ 12

Mutatie vanwege beleid

‒ 349

Totaal maatregelen

5.429

Beleidsmatige wijzigingen vloeien voort uit het Regeerakkoord, maatregelen die het kabinet sindsdien heeft genomen en maatregelen van eerdere kabinetten met effecten in 2019. Daarnaast zijn er mutaties als gevolg van nabetalingen tussen het Rijk en de sociale fondsen. Deze nabetalingen vinden plaats omdat via de inkomensheffing en de loonheffing de belastingen en premies volksverzekeringen geïntegreerd worden geheven. De verdeling van deze ontvangsten tussen het Rijk en de sociale fondsen gebeurt op basis van voorlopige verdeelsleutels. Wanneer de Belastingdienst de gegevens over de feitelijke inkomens van mensen binnen heeft, kan nauwkeurig worden bepaald welk deel van de heffingen het Rijk toekomen en welk deel de sociale fondsen. Bij de loonheffing gebeurt dit na twee jaar, omdat dan het grootste deel van de aanslagen en aangiften is afgehandeld. Bij de inkomensheffing gebeurt dit om dezelfde reden pas na vier jaar. Hierdoor vinden er in de jaren nadat een transactiejaar is afgesloten nog nabetalingen plaats tussen het Rijk en de sociale fondsen. Tabel 5.6.3 laat zien dat dit in 2019 dit tot een mutatie in de belastingontvangsten voor het Rijk heeft geleid van ‒ 12 miljoen ten opzichte van wat in Miljoenennota 2019 aan nabetalingen werd verwacht. Omdat het hier onderlinge nabetalingen betreft tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en de ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting, zijn deze verschuivingen niet relevant voor het EMU-saldo.

Voor 2020 bedraagt de geraamde beleidsmatige mutatie van de belastingontvangsten per saldo ‒ 3,8 miljard euro (tabel 5.6.2). Deze mutatie betreft voor 0,1 miljard euro verwachte onderlinge nabetalingen tussen premieontvangsten (volksverzekeringen) en ontvangsten uit de loon- en inkomstenbelasting. Deze verschuivingen zijn niet relevant voor het EMU-saldo. Het voor het EMU-saldo relevante, beleidsmatige deel van de mutatie bij de belastingontvangsten (exclusief premieontvangsten) betreft daarom ‒ 3,7 miljard euro. Bijlage 4 van deze Miljoenennota licht de beleidsmatige mutatie van de totale belasting- en premieontvangsten toe.

Endogene ontwikkeling

De belastingontvangsten (exclusief premies volksverzekeringen) nemen in 2020 met 5,4 miljard euro toe als gevolg van de endogene ontwikkeling. Dit betekent een groei van 2,8 procent. Bijlage 4 van de Miljoenennota bevat een toelichting van de endogene ontwikkeling voor het totaal van de belasting- en premieontvangsten. Dat zijn de totale belastingen inclusief premies volksverzekeringen, premies werknemersverzekeringen en premies zorgverzekeringen.

5.7 Nadere toelichting ramingen op transactiebasis

Deze paragraaf bevat een nadere toelichting op de endogene ontwikkeling van de op transactiebasis geraamde belastingsoorten. Dat zijn de vennootschapsbelasting, de loon- en inkomensheffing (de som van het belastingdeel en het premiedeel van de loon- en inkomensheffing) en de omzetbelasting. Deze belastingsoorten vormen samen ruim 80 procent van de totale belastingontvangsten inclusief premies volksverzekeringen. 

Vennootschapsbelasting

Bij de vennootschapsbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen de gassector en de niet-gassector. Voor de vennootschapsbelasting afkomstig uit de gassector wordt een aparte raming opgesteld op basis van de winstontwikkeling in die sector, die in belangrijke mate afhangt van de beursprijs van TTF-gas. Voor een toelichting op de aardgasbatenraming, inclusief de vpb-afdracht uit de gassector, wordt verwezen naar de begroting van Economische Zaken en Klimaat (Begroting XIII). Deze bijlage bespreekt alleen de ontwikkeling van de vpb-opbrengst in de niet-gassector.

Voor een nader inzicht in de ontwikkeling van de kasontvangsten volgt een korte toelichting op het proces van aanslagoplegging. De heffing van de vennootschapsbelasting vindt in eerste instantie plaats via voorlopige aanslagen. In januari wordt een inschatting gemaakt van de winst voor dat jaar op basis van winsten uit de afgelopen twee jaren, eventueel gecorrigeerd voor verwachtingen betreffende de winsten van dat jaar zelf. Op basis hiervan worden voorlopige aanslagen verstuurd. Vervolgens kan op basis van tussentijdse inschattingen van de winstontwikkeling een bijstelling van de voorlopige aanslag plaatsvinden. In juli / augustus van het daaropvolgende jaar (T+1) vindt vervolgens de voorlopige aangifte plaats. Dit kan wederom leiden tot een nadere voorlopige aanslag. Afhankelijk van de omvang van het bedrijf en de aard van de aangifte vindt in een van de daaropvolgende jaren de definitieve vaststelling van de winst plaats. Meestal wordt circa driekwart van de uiteindelijke aanslagopleggingen reeds in het eerste jaar via voorlopige aanslagen ontvangen, maar dit percentage fluctueert.

Voor het opstellen van de begroting zijn de kasontvangsten van de vennootschapsbelasting relevant. Daarom is het van belang hoe het verloop van aanslagoplegging zich vertaalt in kasontvangsten. Tabel 5.7.4 toont de ontwikkeling van de totale kasopbrengst per jaar met een opsplitsing naar transactiejaar. Deze tabel laat zien dat het grootste deel van de opbrengst in een bepaald jaar voortkomt uit de voorlopige aanslagen over dat jaar zelf. Deze opbrengst stijgt bovendien door bijstellingen in de voorlopige aanslagen over de twee voorgaande jaren. Maar als gevolg van verliesverrekening is de bijdrage van jaar T-3 en ouder over het algemeen negatief.

Tabel 5.7.4 Opbrengst en ontwikkeling van de vennootschapsbelasting (exclusief gas) op kasbasis naar transactiejaar (in miljoenen euro's)

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Jaar T

11.578

14.565

16.630

17.712

19.716

19.796

Jaar T-1

3.837

5.518

4.211

4.996

5.063

5.649

Jaar T-2

445

828

629

650

644

693

Jaar T-3

‒ 152

‒ 172

‒ 102

‒ 317

‒ 190

‒ 196

Jaar T-4 en ouder

‒ 101

‒ 17

‒ 112

‒ 96

‒ 60

‒ 145

Totaal kasopbrengst VPB niet-gas

15.607

20.722

21.256

22.945

25.173

25.797

Per saldo bedraagt de verwachte endogene mutatie van 2018 naar 2019 0,8 miljard euro bij de niet-gassector. Ook beleidsmaatregelen hebben in 2019 per saldo een opwaarts effect op de ontvangsten (1,4 miljard euro). De totale mutatie in 2019 komt daarom uit op 2,2 miljard euro. In 2020 bedraagt de endogene toename van de vpb-ontvangsten bij de niet-gassector naar verwachting 0,6 miljard euro. Het beleidsmatige effect is nihil. Per saldo stijgen de vpb-ontvangsten van de niet-gassector in 2020 afgerond 0,6 miljard euro.

Loon- en inkomensheffing

De loonheffing is een voorheffing van de inkomensheffing. In eerste instantie wordt door inhoudingsplichtigen maandelijks loonbelasting afgedragen op basis van het loon of de uitkering van de belastingplichtigen. Na het verstrijken van het kalenderjaar dient de belastingplichtige voor 1 mei van het volgende jaar belastingaangifte te doen. Op basis hiervan wordt bepaald hoeveel belasting in totaal verschuldigd is (met inachtneming van andere bronnen van inkomen, belastingkortingen en aftrekposten). Wanneer dit bedrag hoger is dan de reeds betaalde loonheffing, moet men het resterende bedrag aan inkomensheffing voldoen. Wanneer de verschuldigde belasting lager is, krijgt men geld terug van de Belastingdienst. In onderstaande alinea wordt gekeken naar de ontwikkeling van de loon- en inkomensheffing. Dit betreft naast de belasting tevens de ontvangsten van de premies volksverzekeringen, welke geïntegreerd worden geheven. Voor analysedoeleinden zijn de ontvangsten op heffingsniveau beter bruikbaar, omdat deze eenvoudiger kunnen worden waargenomen.

Loonheffing

De raming van de loonheffing vindt net als bij de vennootschapsbelasting op transactiebasis plaats. Het ontvangstpatroon van de transactieopbrengst in de kas is bij de loonheffing echter veel stabieler dan bij de vpb. Daarnaast geldt dat de transactieopbrengst ook aanzienlijk sneller wordt ontvangen en binnen drie maanden na afloop van het jaar bijna volledig gerealiseerd is. Hierdoor treden minder grote verschillen op tussen de ontwikkeling van de transactieopbrengst en de kasopbrengst dan bij de vpb.

Tabel 5.7.5 Ontwikkeling loonheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2018

2019

2020

Opbrengst op transactiebasis

101.336

102.186

102.144

Mutatie

851

‒ 42

waarvan endogeen

5.764

3.843

waarvan beleidsmatig

‒ 4.914

‒ 3.885

Endogene groei (in %)

5,7%

3,8%

Tabel 5.7.5 toont de (geraamde) endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2019 en 2020. De verwachte endogene ontwikkeling bedraagt in 2019 5,8 miljard euro. In 2020 bedraagt deze 3,8 miljard euro. De ontwikkeling van de loonheffing is afhankelijk van de ontwikkeling van de totale belastbare loonsom. De ontwikkeling van de totale belastbare loonsom wordt bepaald door de groei van het arbeidsvolume, de stijging van de contractlonen, de hoogte van verschillende aftrekbare premies en de ontwikkeling van uitkeringen en pensioenen. Onderstaande tabel 5.7.6 geeft een overzicht van enkele relevante gegevens uit de Macro Economische Verkenning 2020 van het CPB

Tabel 5.7.6 Relevante economische indicatoren voor de loonheffing

2019

2020

Arbeidsvolume in arbeidsjaren

2,0%

1,0%

contractloonstijging

2,4%

2,6%

Incidentele loonstijging

0,3%

0,3%

Tabelcorrectiefactor

1,2%

1,6%

Uit de economische indicatoren kan de ontwikkeling van de loonheffing worden verklaard. In 2019 neemt de werkgelegenheid toe met 2,0 procent. De contractloonstijging komt uit op 2,4 procent en ook de incidentele loonontwikkeling draagt met 0,3 procent bij aan de stijging van de loonheffingontvangsten. Dat leidt gezamenlijk tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing in 2019 van 5,8 miljard op transactiebasis. In 2020 neemt de werkgelegenheid met 1,0 procent toe. De loonontwikkeling valt met een contractloonontwikkeling en een incidentele loonstijging van respectievelijk 2,6 procent en 0,3 procent ook positief uit. Per saldo leidt dit in 2020 tot een endogene ontwikkeling van de loonheffing van 3,8 miljard euro op transactiebasis.

Inkomensheffing

De ontvangsten uit de inkomensheffing zijn het saldo van de belastingontvangsten van particulieren en zelfstandige ondernemers. Voor de particulieren geldt de loonheffing als voorheffing. Bij de inkomensheffing voor particulieren hebben de ontvangsten dan ook betrekking op bijtel- en aftrekposten en heffingskortingen die niet al via de loonheffing zijn verrekend. Bij de zelfstandigen wordt de ontwikkeling daarnaast ook bepaald door de winstontwikkeling.

De raming van de ontvangsten van de inkomensheffing is opgesteld op basis van de beleidsmaatregelen, de geraamde endogene ontwikkeling en de kasrealisaties tot en met juli.

Tabel 5.7.7 Ontwikkeling inkomensheffing op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2018

2019

2020

Inkomensheffing op transactiebasis

1.428

3.029

2.782

mutatie

1.601

‒ 247

waarvan endogeen

43

40

waarvan beleidsmatig

1.558

‒ 287

De endogene ontwikkeling van de ontvangsten inkomensheffing is in 2019 en 2020 licht positief. Onderliggend is in beide jaren sprake van een negatieve ontwikkeling van de hypotheekrenteaftrek. Dit heeft met vertraging een positief effect op de ontvangsten uit de inkomensheffing. Ook de winsten van zelfstandigen voor de inkomstenbelasting nemen toe. Daartegenover staat een afname door afnemende ontvangsten uit box 3 en meer verrekende heffingskortingen en (andere) aftrekposten.

Omzetbelasting

De omzetbelasting is verantwoordelijk voor circa 30 procent van de totale belastingontvangsten. De endogene groei van de omzetbelasting wordt vooral bepaald door de waardeontwikkeling van de bestedingen waarop btw rust, te weten de particuliere consumptie, de overheidsinvesteringen en de investeringen in woningen.De ramingen van het CPB voor deze bestedingscategorieën zijn samengevat in onderstaande tabel

Tabel 5.7.8 Raming van de procentuele ontwikkeling van bestedingen in 2019 en 2020

2019

2020

Particuliere consumptie, waardemutatie

4,2%

3,3%

Investeringen in woningen, waardemutatie

6,8%

4,9%

Overheidsinvesteringen, waardemutatie

5,3%

5,3%

Bij de particuliere consumptie speelt ook de samenstelling van de consumptie een rol, omdat er verschillende bestedingscategorieën zijn waarvoor een verschillend btw-tarief geldt. Bij laagconjunctuur is het bijvoorbeeld geen ongebruikelijk verschijnsel dat er een verschuiving plaatsvindt van consumptie waarvoor het normale tarief geldt (inclusief alle «luxe goederen») naar consumptie waarvoor het verlaagde btw-tarief geldt. Hierdoor neemt het gemiddelde btw-tarief over de totale particuliere consumptie af en daarmee de btw-ontvangsten. In hoogconjunctuur is sprake van het omgekeerde.

De btw-ontvangsten op transactiebasis bedragen naar verwachting 58,4 miljard euro in 2019. In 2020 wordt een positieve ontwikkeling naar 60,5 miljard euro verwacht.

5.7.9 Raming van de omzetbelasting op transactiebasis (in miljoenen euro's)

2018

2019

2020

Omzetbelasting op transactiebasis

52.708

58.350

60.478

mutatie

5.642

2.128

waarvan endogeen

2.387

2.126

waarvan beleidsmatig

3.255

2

Endogene mutatie in procent

4,5%

3,6%

De endogene ontwikkeling van de btw-ontvangsten wordt voor een groot deel bepaald door de waardeontwikkeling van de particuliere consumptie. Deze is in 2019 positief: 4,2 procent. Ook de investeringen in woningen vallen met een mutatie van 6,8 procent positief uit. Voorts nemen de overheidsinvesteringen met 5,3 procent toe. Op basis van de ontwikkeling van deze relevante macro-economische indicatoren wordt per saldo een positieve endogene ontwikkeling (2,4 miljard euro) van de btw-ontvangsten op transactiebasis in 2019 verwacht. In 2020 nemen de particuliere consumptie en de investeringen in woningen toe met respectievelijk 3,3 en 4,9 procent. De overheidsinvesteringen ontwikkelen zich met 5,3 procent in 2020 positief. Dat leidt tot een positieve endogene ontwikkeling (2,1 miljard) van de btw-ontvangsten op transactiebasis.

6 EMU-SALDO

Tabel 6.1 geeft het EMU-saldo van de hele collectieve sector weer. Dit EMU-saldo (ook wel overheidssaldo genoemd) is de optelsom van alle inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid en de decentrale overheden. De inkomsten en uitgaven van de Rijksoverheid zijn in meer detail te vinden in respectievelijk bijlage 2 en bijlage 4. Om tot het EMU-saldo te komen moeten hier nog een paar correcties op worden toegepast: sommige uitgaven tellen niet mee voor het EMU-saldo (zie tabel 6.2) en voor sommige posten telt een ander bedrag mee voor het EMU-saldo dan in de Rijksbegroting (op kasbasis) is opgenomen (zie tabel 6.3).

Tabel 6.1 EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is overschot)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

1

Belasting- en premieontvangsten

284.929

301.651

305.511

311.263

319.062

328.760

338.831

PM

2

Totale netto-uitgaven

283.024

307.847

323.209

333.683

350.011

363.187

376.254

Tabel 2.1

3

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

‒ 10.585

‒ 19.059

‒ 21.863

‒ 22.033

‒ 29.154

‒ 31.050

‒ 32.770

Tabel 6.2

4

Bij: Kas-transverschillen en overige posten

‒ 407

‒ 581

‒ 800

‒ 728

‒ 655

‒ 670

‒ 398

Tabel 6.3

5

Bij: EMU-saldo decentrale overheden

‒ 735

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

Tabel 6.7

6

EMU-saldo collectieve sector (1-2-3+4+5)

11.348

10.797

1.880

‒ 2.599

‒ 3.934

‒ 5.531

‒ 6.532

De uitgaven die wel op de Rijksbegroting staan, maar die niet meetellen voor het EMU-saldo staan vermeld in tabel 6.2. Wat er wel en niet meetelt voor het EMU-saldo is vastgesteld door Eurostat. Financiële transacties, zoals het verstrekken van (studie)leningen of het verkopen van staatsbezit, zijn meestal ook niet relevant voor het EMU-saldo. Ook de rente ontvangen op renteswaps en uit de verkoop ervan tellen niet mee. De rijksbijdrage en rente van het Rijk aan de sociale fondsen zijn niet relevant, omdat die een transactie vormen tussen twee onderdelen van de collectieve sector: de uitgave van het Rijk is een ontvangst voor de sociale fondsen. Ook de post kasbeheer is een transactie binnen de collectieve sector, deze bestaat uit de toe- of afname van het geld dat de deelnemers aan schatkistbankieren bij het Rijk aanhouden.

Tabel 6.2 Uitgaven niet-relevant voor het EMU-saldo

(in miljoenen euro, + is uitgave)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Rente-ontvangsten swaps

‒ 1.203

‒ 1.092

‒ 1.074

‒ 1.325

‒ 1.143

‒ 694

‒ 480

Opbrengst beëindigen renteswaps

‒ 3.335

0

0

0

0

0

0

Studieleningen

1.798

2.022

2.172

2.362

2.539

2.567

2.507

Netto-verkoop staatsbezit

350

1.074

330

330

330

330

297

Diverse leningen

74

232

‒ 23

‒ 101

‒ 139

‒ 137

‒ 137

Rijksbijdragen aan de sociale fondsen

20.602

25.839

26.639

28.297

31.696

32.669

33.245

Rente sociale fondsen

0

0

0

6

46

117

139

Kasbeheer

‒ 7.706

‒ 8.998

‒ 6.172

‒ 7.539

‒ 4.164

‒ 3.791

‒ 2.791

Overig

11

‒ 19

‒ 9

4

‒ 11

‒ 11

‒ 11

Totaal

10.585

19.059

21.863

22.033

29.154

31.050

32.770

Tabel 6.3 geeft de posten weer die wel meetellen voor het EMU-saldo, maar die niet, of niet op dezelfde manier in de Rijksbegroting staan. Voor een deel ervan geldt dat voor het EMU-saldo wordt gerekend met de uitgaven en ontvangsten op transactiebasis, terwijl de Rijkbegroting op kasbasis wordt opgesteld. Om tot het EMU-saldo te komen moet daarom bovenop de uitgave of ontvangst op kasbasis ook nog een kas-transverschil worden meegeteld. Daarnaast is er een aantal posten die niet op de Rijkbegroting staan, zoals bijvoorbeeld het positieve of negatieve saldo van agentschappen en de kosten van zorgverzekeraars.

Tabel 6.3 Kas-transverschillen en overige posten

(in miljoenen euro, + is EMU-saldoverbeterend)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

KTV gasbaten

‒ 346

290

‒ 220

‒ 130

‒ 260

‒ 100

‒ 110

KTV EU-afdrachten

‒ 689

293

‒ 4

0

0

0

0

KTV LIV/LKV

‒ 458

0

0

0

0

0

0

KTV OV-jaarkaart

826

31

‒ 275

‒ 625

0

0

0

KTV Defensie

‒ 134

0

0

0

0

0

0

Overige kas-transverschillen

‒ 115

‒ 250

‒ 1

107

‒ 27

403

696

Mutatie begrotingsreserves

873

‒ 315

‒ 300

0

0

‒ 450

‒ 400

EMU-saldo agentschappen en rest centrale overheid

57

0

0

0

0

0

0

Overig

376

‒ 135

332

504

344

181

0

Subtotaal Rijk

389

‒ 87

‒ 467

‒ 144

56

33

186

Eigen risico dragers WGA/ZW

311

333

353

372

394

419

443

Zorgbemiddelingskosten

‒ 1.205

‒ 828

‒ 686

‒ 955

‒ 1.106

‒ 1.122

‒ 1.027

Overig

98

0

0

0

0

0

0

Subtotaal sociale fondsen

‒ 796

‒ 495

‒ 333

‒ 583

‒ 711

‒ 703

‒ 584

Totaal

‒ 407

‒ 581

‒ 800

‒ 728

‒ 655

‒ 670

‒ 398

Tabel 6.4 geeft de verdeling van het EMU-saldo over de verschillende onderdelen van de collectieve sector. In tabel 6.5 tot en met tabel 6.7 wordt het EMU-saldo per sector verder toegelicht.

Tabel 6.4 Opbouw EMU-saldo collectieve sector

(in miljoenen euro, - is tekort)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

EMU-saldo Rijk

5.386

4.458

‒ 2.336

‒ 8.596

‒ 6.411

‒ 7.967

‒ 8.591

EMU-saldo sociale fondsen

6.697

7.824

5.700

7.480

3.961

3.920

3.543

EMU-saldo decentrale overheden

‒ 735

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

EMU-saldo collectieve sector

11.348

10.797

1.880

‒ 2.599

‒ 3.934

‒ 5.531

‒ 6.532

EMU-saldo collectieve sector (in procenten bbp)

1,5

1,3

0,2

‒ 0,3

‒ 0,4

‒ 0,6

‒ 0,7

Tabel 6.5 EMU-saldo Rijk

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

Belastingontvangsten

178.394

193.034

193.783

193.200

202.352

206.410

210.549

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

‒ 163.380

‒ 181.709

‒ 190.876

‒ 195.381

‒ 206.231

‒ 212.674

‒ 218.715

Tabel 2.1

Af: niet EMU-saldo relevante uitgaven

10.585

19.059

21.863

22.033

29.154

31.050

32.770

Tabel 6.2

Betaalde rijksbijdrage en rente aan sociale fondsen

‒ 20.602

‒ 25.839

‒ 26.639

‒ 28.303

‒ 31.742

‒ 32.786

‒ 33.385

Tabel 6.2

Kas-transverschillen en overige posten Rijk

389

‒ 87

‒ 467

‒ 144

56

33

186

Tabel 6.3

EMU-saldo Rijk (centrale overheid )

5.386

4.458

‒ 2.336

‒ 8.596

‒ 6.411

‒ 7.967

‒ 8.591

Tabel 6.6 EMU-saldo sociale fondsen

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

Premie-ontvangsten

106.535

108.617

111.728

118.063

116.710

122.350

128.282

Ontvangen rijksbijdragen en rente

20.602

25.839

26.639

28.303

31.742

32.786

33.385

Tabel 6.2

Premiegefinancierde uitgaven

‒ 119.643

‒ 126.138

‒ 132.334

‒ 138.302

‒ 143.780

‒ 150.513

‒ 157.539

Tabel 2.1

Eigen risico dragers WGA/ZW

311

333

353

372

394

419

443

Tabel 6.3

Zorgbemiddelingskosten

‒ 1.205

‒ 828

‒ 686

‒ 955

‒ 1.106

‒ 1.122

‒ 1.027

Tabel 6.3

Overige uitgaven

98

0

0

0

0

0

0

Tabel 6.3

EMU-saldo sociale fondsen

6.697

7.824

5.700

7.480

3.961

3.920

3.543

Tabel 6.7 EMU-saldo decentrale overheden

(in miljoenen euro, - is uitgave / tekort)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Belastinginkomsten

10.300

10.648

10.933

11.274

11.603

11.915

12.226

Rijksbijdragen

75.090

76.105

78.810

80.495

82.180

84.217

86.255

Overige inkomsten

14.775

14.972

15.348

16.336

16.591

16.820

17.048

Uitgaven decentrale overheden

‒ 100.900

‒ 103.208

‒ 106.574

‒ 109.589

‒ 111.858

‒ 114.436

‒ 117.013

EMU-saldo decentrale overheden

‒ 735

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

‒ 1.484

Het overheidssaldo komt in 2020 naar verwachting uit op een overschot van 0,2 procent van het bbp. Tabel 6.8 bevat de toelichting op dit cijfer.

Tabel 6.8 Horizontale toelichting EMU-saldo

(- is een verslechtering)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-saldo 2019

10,8

1,3%

Noemereffect

0,0%

Belasting- en premie-inkomsten

3,9

0,5%

Uitgaven aan zorg (inclusief loon- en prijsbijstelling)

‒ 3,4

‒ 0,4%

Uitgaven aan Sociale zekerheid (inclusief loon- en prijsbijstelling)

‒ 4,3

‒ 0,5%

Loon- en prijsbijstelling Rijksbegroting

‒ 2,1

‒ 0,3%

EU-afdrachten

0,0

0,0%

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

‒ 0,9

‒ 0,1%

KTV's

‒ 0,1

0,0%

Aardgasbaten

‒ 0,5

‒ 0,1%

Rente staatsschuld

0,5

0,1%

Overig

‒ 2,0

‒ 0,2%

EMU-saldo lagere overheden

0,0

0,0%

EMU-saldo 2020

1,9

0,2%

Het overschot van zowel 2019 als 2020 is bijgesteld, 2019 naar boven, 2020 naar beneden. Dit wordt zichtbaar wanneer de verandering van het overschot niet van jaar op jaar (horizontaal) wordt bekeken, maar als ontwikkeling sinds vorige Miljoenennota (verticaal). Deze verticale ontwikkeling is weergeven in tabel 6.9.

Tabel 6.9 Verticale toelichting EMU-saldo

(in procenten bbp, - is een verslechtering)

2019

2020

EMU-saldo Miljoenennota 2019

1,0%

0,5%

Noemereffect

0,0%

0,0%

Belasting- en premie-inkomsten

‒ 0,2%

‒ 0,5%

Aardgasbaten

0,0%

‒ 0,1%

Loon- en prijsbijstelling

0,1%

0,2%

Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-compensatiefonds

‒ 0,1%

‒ 0,1%

HGIS-uitgaven

0,0%

0,0%

EU-afdrachten

0,0%

0,1%

Overige uitgaven Rijksbegroting

0,3%

‒ 0,2%

Uitgaven aan Sociale zekerheid (exclusief loon- en prijsbijstelling)

0,0%

‒ 0,1%

Uitgaven aan zorg (exclusief loon- en prijsbijstelling)

0,2%

0,2%

Overig

0,1%

0,0%

EMU-saldo Miljoenennota 2020

1,3%

0,2%

Tabel 6.10 bevat een overzicht van de gerealiseerde EMU-saldi vanaf 2004 en de verwachte EMU-saldi tot en met het jaar 2024, uitgedrukt in zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.

Tabel 6.10 Historisch overzicht EMU-saldo

(in miljarden euro, - is tekort)

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

EMU-saldo

‒ 9,7

‒ 2,2

0,6

‒ 0,6

1,3

‒ 31,8

‒ 33,5

BBP

529

551

585

619

647

625

639

EMU-saldo (in procenten bbp)

‒ 1,8

‒ 0,4

0,1

‒ 0,1

0,2

‒ 5,1

‒ 5,2

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

EMU-saldo

‒ 28,8

‒ 25,6

‒ 19,3

‒ 14,5

‒ 14,0

0,1

9,3

BBP

650

653

660

672

690

708

738

EMU-saldo (in procenten bbp)

‒ 4,4

‒ 3,9

‒ 2,9

‒ 2,2

‒ 2,0

0,0

1,3

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

EMU-saldo

11,6

10,8

1,9

‒ 2,6

‒ 3,9

‒ 5,5

‒ 6,5

BBP

774

808

833

857

881

906

931

EMU-saldo (in procenten bbp)

1,5

1,3

0,2

‒ 0,3

‒ 0,4

‒ 0,6

‒ 0,7

7 EMU-SCHULD

Tabel 7.1 geeft het financieringssaldo van het Rijk. Het financieringssaldo is het bedrag dat het Rijk op kasbasis in een jaar tekort komt of over heeft. Het financieringssaldo is daarmee dus ook het bedrag dat in een jaar extra moet worden geleend of, bij een overschot, waarmee schulden kunnen worden afgelost. Waar het EMU-saldo een begrip op transactiebasis is, is het financieringssaldo op kasbasis. Dat betekent dat naast de belasting-ontvangsten en de uitgaven op de begrotingen er nog een aantal correcties moet worden toegepast. Ten eerste zijn de belastingen zoals die meetellen voor het EMU-saldo berekend op transactiebasis. Om tot de belastingen op kasbasis te komen moet het kas-transverschil hier dus vanaf worden getrokken. Hetzelfde geldt voor posten op de rijksbegroting die niet op kasbasis zijn. Allereerst is dat de rente op de staatsschuld: deze staan in de rijksbegroting op transactiebasis, terwijl voor het financieringssaldo alleen de kasuitgaven meetellen. Daarnaast wordt geld storten in (of opnemen uit) een begrotingsreserve op de begroting gezet als uitgave of ontvangst, terwijl het geld niet daadwerkelijk de schatkist verlaat of binnenkomt.

Tabel 7.1 Financieringssaldo Rijksoverheid

(in miljoenen euro, - is kasuitgave / kastekort)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

Belastinginkomsten (kasbasis)

178.099

191.687

193.285

192.666

201.766

205.944

210.179

Tabel 5.6.1

Netto begrotingsgefinancierde uitgaven

‒ 163.380

‒ 181.709

‒ 190.876

‒ 195.381

‒ 206.231

‒ 212.674

‒ 218.715

Tabel 2.1

Af: kas-transverschil rentelasten

‒ 733

‒ 940

‒ 710

‒ 640

‒ 480

‒ 1.210

0

Mutatie begrotingsreserves

873

‒ 315

‒ 300

0

0

‒ 450

‒ 400

Mutatie derdenrekeningen

‒ 241

0

0

0

0

0

0

Overbruggingskrediet Fortis/ABN Amro

0

0

100

250

0

0

0

Financieringssaldo Rijksoverheid

14.618

8.722

1.499

‒ 3.105

‒ 4.945

‒ 8.390

‒ 8.933

Het financieringssaldo werkt één op één door in de staatsschuld. Voor een financieringstekort moet immers geleend worden, terwijl een overschot gebruikt kan worden om schulden af te lossen. Tabel 7.2 geeft de opbouw van de EMU-schuld weer. De EMU-schuld betreft de hele collectieve sector, dus ook het tekort van decentrale overheden en agentschappen heeft invloed op de EMU-schuld.

Tabel 7.2 Opbouw EMU-schuld collectieve sector

(in miljoenen euro, - is kasoverschot)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

bron

EMU-schuld begin jaar

419.778

405.427

397.289

397.274

401.863

408.292

418.166

Financieringssaldo Rijksoverheid

‒ 14.618

‒ 8.722

‒ 1.499

3.105

4.945

8.390

8.933

Tabel 7.1

EMU-saldo decentrale overheden

735

1.484

1.484

1.484

1.484

1.484

1.484

Tabel 6.4

EMU-saldo rest centrale overheid

‒ 25

0

0

0

0

0

0

Schatkistbankieren decentrale overheden

‒ 900

‒ 900

0

0

0

0

0

SNS/Propertize

0

0

0

0

0

0

0

Overig

457

0

0

0

0

0

0

EMU-schuld einde jaar

405.427

397.289

397.274

401.863

408.292

418.166

428.583

EMU-schuldquote (in procenten bbp)

52,4

49,2

47,7

46,9

46,4

46,2

46,0

Tabel 7.3 bevat de ontwikkeling van de EMU-schuldquote (de EMU-schuld in verhouding tot het bbp). Behalve het begrotingstekort of -overschot heeft ook de ontwikkeling van het bbp zelf invloed op de schuldquote, dit is weergegeven als het noemereffect.

Tabel 7.3 Opbouw EMU-schuldquote

(in procenten bbp)

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

EMU-schuldquote begin jaar

57,0

52,4

49,2

47,7

46,9

46,4

46,2

Noemereffect bbp

‒ 2,7

‒ 2,2

‒ 1,5

‒ 1,4

‒ 1,2

‒ 1,3

‒ 1,3

Financieringssaldo Rijksoverheid

‒ 1,9

‒ 1,1

‒ 0,2

0,4

0,6

1,0

1,0

EMU-saldo decentrale overheden

0,1

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

0,2

EMU-saldo rest centrale overheid

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Schatkistbankieren decentrale overheden

‒ 0,1

‒ 0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

SNS/Propertize

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Overig

0,1

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

EMU-schuldquote einde jaar

52,4

49,2

47,7

46,9

46,4

46,2

46,0

De EMU-schuld komt in 2020 naar verwachting uit op 47,7 procent van het bbp. In miljarden euro blijft de afgeronde schuld gelijkt. Uitgedrukt in percentage van het bbp neemt de schuld naar verwachting in 2020 af met 1,5 procentpunt bbp (van 49,2 procent bbp). Voor deze afname zijn verschillende verklaringen. In tabel 7.4 zijn deze verder uitgesplitst.

Tabel 7.4 Horizontale toelichting EMU-schuld

(+ is toename schuld)

Miljarden euro

Procenten bbp

EMU-schuld ultimo 2019

397,3

49,2%

Noemereffect

‒ 1,5%

EMU-saldo

‒ 1,9

‒ 0,2%

Renteontvangsten derivaten

‒ 1,1

‒ 0,1%

Schatkistbankieren

‒ 0,5

‒ 0,1%

Aan- en verkoop staatsdeelnemingen

0,3

0,0%

Studieleningen

2,2

0,3%

Kastransactieverschillen

0,7

0,1%

Overige financiële transacties

0,2

0,0%

EMU-schuld ultimo 2020

397,3

47,7%

De schuld is, sinds de Miljoenennota 2019, enigszins bijgesteld voor beide jaren. De verwachte schuld ultimo 2019 is gedaald naar 49,2 procent van het bbp. De schuldverwachting ultimo 2020 is 47,7 procent bbp. De onderliggende posten die bepalend zijn voor de schuld zijn gewijzigd, maar hebben per saldo niet tot een wijziging van de schuldraming in procenten bbp geleid.

Tabel 7.5 Verticale toelichting EMU-schuld

(in procenten bbp)

2019

2020

EMU-schuld Miljoenennota 2019

49,6%

47,7%

Noemereffect

0,3%

0,5%

Doorwerking lagere schuld t-1

‒ 0,6%

‒ 0,7%

EMU-saldo

‒ 0,3%

0,3%

Renteontvangsten derivaten

0,0%

0,0%

Voortijdige beëindiging derivaten

0,0%

0,0%

Aan- en verkoop staatsdeelnemingen

0,1%

0,0%

Kastransactieverschillen

0,0%

‒ 0,1%

Overige financiële transacties

0,0%

0,0%

EMU-schuld Miljoenennota 2020

49,2%

47,7%

Tabel 7.6 bevat een overzicht van de gerealiseerde EMU-schuld vanaf 2004 en de verwachte EMU-schuld tot en met het jaar 2024, uitgedrukt in zowel miljarden euro als in procenten van het bbp.

Tabel 7.6 Historisch overzicht EMU-schuld

(in miljarden euro)

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

EMU-schuld

266,1

274,3

264,2

266,1

353,9

354,7

378,7

BBP

529

551

585

619

647

625

639

EMU-schuld (in procenten bbp)

50,3

49,8

45,2

43,0

54,7

56,8

59,3

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

EMU-schuld

401

432

447

456

446

438

420

BBP

650,4

653,0

660,5

671,6

690,0

708,3

738,1

EMU-schuld (in procenten bbp)

62

66

68

68

65

62

57

2018

2019

2020

2021

2022

2023

2024

EMU-schuld

405,5

397,3

397,3

401,9

408,3

418,2

428,6

BBP

774

808

833

857

881

906

931

EMU-schuld (in procenten bbp)

52,4

49,2

47,7

46,9

46,4

46,2

46,0

8 OVERHEIDS- EN STAATSBALANS

Inleiding

Nederland kent een lange traditie van het in kaart brengen van het vermogen van de Staat. Kort na de Tweede Wereldoorlog begon minister van Financiën Lieftinck met het samenstellen van de balans van de Staat der Nederlanden. Directe aanleiding was om te weten hoe de Staat der Nederlanden er financieel voor stond na de Tweede Wereldoorlog. Deze staatsbalans is gepubliceerd tot 2013.

In 2013 besloot het kabinet om de overstap te maken van de publicatie van een staatsbalans naar de publicatie van een overheidsbalans. Belangrijke overweging om de reikwijdte uit te breiden was om aan te sluiten bij de reikwijdte van het EMU-saldo en de EMU-schuld. De reikwijdte van saldo en schuld is de gehele overheid (‘general government’) en omvat naast het Rijk ook de sociale fondsen, de lokale overheden en overheidsinstellingen. Het CBS stelt de overheidsbalans op en gebruikt hiervoor de methode van het ESA 2010. Het ESA 2010 is ook de methode om het EMU-saldo en de EMU-schuld samen te stellen. Saldo, schuld en vermogen zijn dus alle drie gebaseerd op dezelfde methode. Dit keer bevat deze Miljoenennota naast de overheidsbalans ook een staatsbalans. De Adviescommissie Verslagleggingsstelsel Rijksoverheid (AVRo) heeft in 2017 een herintroductie van de staatsbalans aanbevolen. Het CBS heeft daarom in opdracht van het ministerie van Financiën een pilot van de staatsbalans gemaakt. Deze staatsbalans is een deelbalans van de overheidsbalans, die eveneens gepubliceerd wordt door het CBS.

Deze bijlage bevat dus allereerst de overheidsbalans 2018, aangevuld met de balansstanden van de periode 2015-2017. Daarnaast staat in deze bijlage de pilot-staatsbalans 2018 inclusief een toelichting op de mutaties van de balansposten en een methodebeschrijving van de staatsbalans. Ook worden in deze bijlage het nut en de noodzaak van verschillende overheidsbalansen besproken. Het IMF heeft in 2018 namelijk een studie uitgebracht over overheidsbalansen. De conclusies van deze studie zijn in het licht gehouden van de specifieke Nederlandse situatie. Ook is onderzocht hoe de overheidsbalans zich verhoudt tot de studies van het CPB naar de houdbaarheid van het overheidsbeleid.

Samenvatting toegevoegde waarde balansen

Concluderend kan gezegd worden dat de overheidsbalans wel toegevoegde waarde heeft, zij het een beperkte. Zo laat de overheidsbalans zien of de overheid een positief of negatief vermogen heeft, en hoe groot dit vermogen dan is. Ook maakt de overheidsbalans het verschil tussen consumptie en investeringen goed duidelijk. Bij investeringen neemt het vermogen van de overheid vaak toe terwijl dit bij consumptie niet het geval is. Hierdoor is een mogelijk EMU-tekort beter te duiden. Daarnaast maakt de overheidsbalans specifiekere risicoanalyse mogelijk door mismatches qua bezittingen en verplichtingen inzichtelijk te maken. De staatsbalans geeft ten opzichte van de overheidsbalans echter een incompleet beeld van de staat van de overheidsfinanciën en heeft daardoor vrijwel geen toegevoegde waarde. Niet alleen doordat zo’n 10 procent van de overheidsuitgaven ontbreekt bij de staatsbalans, maar ook bijvoorbeeld doordat schulden van het Rijk soms neerslaan als bezit bij de decentrale overheden.

De overheidsbalans geeft echter geen informatie over een aantal belangrijke toekomstige categorieën van uitgaven en ontvangsten. Zo ontbreekt informatie op een balans over bijvoorbeeld de toekomstige belastingontvangsten, toekomstige uitgaven voor vergrijzing, zorg en onderwijs. De houdbaarheidsstudies van het CPB houden daarentegen wel rekening met dergelijke toekomstige posten. Bij deze studies gebruikt het CPB posten van de overheidsbalans.

8.1 Overheidsbalans

In deze paragraaf staat de overheidsbalans van het CBS voor de periode 2015-2018. Dit is de balans na de revisie van de nationale rekeningen uit 2018. Eenmalig wordt een korte toelichting gegeven op de effecten van deze revisie.

Tabel 8.1 Overheidsbalans

(bedragen in miljoenen euro)

2015

2016

2017

2018

Activa

800.257

730.203

719.042

729.259

Niet-financiële activa

554.412

482.316

473.564

487.992

Vaste activa

407.611

408.604

418.318

430.993

Voorraden

2.116

2.016

2.108

2.137

Olie- en gasreserves

113.607

38.244

17.546

18.734

Grond

31.078

33.452

35.592

36.128

Financiële activa

245.845

247.887

245.478

241.267

Aandelen en overige deelnemingen

95.400

98.710

98.759

96.993

Leningen

61.161

55.975

56.970

58.485

Handelskredieten, transitorische posten

50.918

56.842

55.738

56.391

Schuldbewijzen

9.076

8.450

7.603

8.529

Chartaal geld en deposito's

11.447

12.359

14.653

13.099

Financiële derivaten

17.843

15.551

11.755

7.770

Wat is een overheidsbalans?

De overheidsbalans geeft de balans van de gehele overheid weer en biedt zo inzicht in het totaal van bezittingen, schulden en het vermogen van de centrale overheid, decentrale overheden en de socialeverzekeringsinstellingen als geheel. De bezittingen, de zogenoemde activa, bestaan uit financiële activa zoals uitgezette leningen en niet-financiële activa zoals wegen en gebouwen. De passivazijde van de balans bestaat uit de schulden en het vermogen.

De overheidsbalans is een foto van het nettovermogen van de overheid op een bepaalde datum. Toekomstige rechten en verplichtingen als toekomstige belastingopbrengsten en AOW-verplichtingen ontbreken.

De cijfers

De overheidsbalans ultimo 2018 laat een positief vermogen zien van 222 miljard euro. In de overheidsbalansen is te zien dat er tussen 2015 en 2018 een fluctuerend positief vermogen is.

In 2018 heeft het CBS een revisie van de nationale rekeningen doorgevoerd. Deze revisie heeft ook effect gehad op een aantal posten van de overheidsbalans.

Toelichting op de mutaties van de CBS-revisie

Niet-financiële activa

De balanswaarde van bedrijfsgebouwen is met ongeveer 5 à 6 miljard euro gedaald. Daarentegen is de balanswaarde van grond-, weg- en waterbouwkundige werken (GWW) juist gestegen met ongeveer 5 à 6 miljard euro. Voor een deel hebben wijzigingen te maken met de nieuwe boekingswijze van PPS-projecten. Die nieuwe methode houdt in dat de PPS-projecten worden geactiveerd op de balans van de overheid, en dat dit al tijdens de constructiefase gebeurt. Ook zijn de investeringsreeksen gewijzigd door opnieuw uitgevoerde bronanalyses.

Ook de waarde van de post landbouwgronden is gedaald. De daling bedraagt ruim 3 miljard euro. Dit komt door een nieuwe berekening, waarbij nieuw bronmateriaal van oppervlaktes is gebruikt. Voor een kleiner deel wordt de daling veroorzaakt doordat gronden een andere bestemming hebben gekregen. Landbouwgrond dat wordt omgezet in natuurgebied of bouwgrond, verdwijnt dan uit deze balanspost.

De balanswaarde van machines en installaties is toegenomen. De stijging is ongeveer 1,5 miljard euro. Dit komt met name door nieuw bepaalde tijdreeksen van investeringen in dit type activum.

Tot slot is er na revisie ook een balanswaarde geraamd voor de voorraden van de overheid. Voorheen was aan deze post geen waarde toegekend. De waarde van de voorraden bedraagt ongeveer 2 miljard euro. Dit zijn met name aardolie, brandstoffen en munitievoorraden.

Financiële activa

De vorderingen op de girale deposito’s zijn na revisie toegenomen met ongeveer 1,5 miljard euro. Dit komt voornamelijk doordat de populatie van de sub-sector Instellingen zonder winstoogmerk voor de centrale overheid met de revisie fors is uitgebreid. Hierdoor zijn eenheden tot de overheid gerekend, die voorheen buiten de overheid vielen. De banksaldi van deze instellingen maken daardoor na revisie onderdeel uit van de overheidsbalans.

De vorderingen op de post langlopende leningen zijn juist in waarde gedaald met 2 miljard euro. Ook hier speelt de gewijzigde populatie van de overheid een grote rol. Doordat een groot aantal eenheden vóór revisie buiten de overheid werden geclassificeerd, stonden vorderingen op deze instellingen op de overheidsbalans. Omdat deze instellingen na revisie tot de overheid worden gerekend vallen deze vorderingen voortaan binnen de consolidatiekring van de overheidsbalans, waardoor de vorderingenpost is verlaagd. Daarnaast heeft nader onderzoek bij de lokale overheden tot lagere vorderingen geleid.

Daarnaast is de waarde van de overheidsdeelnemingen gedaald met bijna 1 miljard euro. Dit komt vooral doordat bepaalde eenheden na revisie tot de overheid worden gerekend, waarmee het aandelenbezit niet langer wordt opgenomen in de overheidsbalans. Dit zijn eenheden zoals Ultra Centrifuge Nederland, Energie Beheer Nederland, Groningen Seaports en de RET.

De toename van de handelskredieten en transitorische posten komt voornamelijk door de toename van de post overige vorderingen met bijna 5 miljard euro. Dit komt met name doordat bij de btw een brutering van vorderingen en verplichtingen heeft plaatsgevonden waar voorheen de bedragen genetteerd bij de vorderingen stonden.

Financiële passiva

De balanswaarde van langlopende schuldbewijzen is toegenomen met 0,7 miljard euro. Deze toename vloeit voort uit nader onderzoek naar het bronmateriaal van lokale overheden, met name gemeenten. Dit onderzoek heeft tot andere inzichten geleid.

Daarnaast zijn ook de langlopende leningen in waarde toegenomen. De stijging bedraagt ongeveer 3 miljard euro. Dit komt door een nieuwe boekingsmethode van de investeringen in PPS-projecten.

De overige schulden, vallend onder de handelskredieten en transitorische posten, zijn toegenomen met zo’n 16 miljard euro. Dit komt voor een groot gedeelte door de eerder bij de activa genoemde brutering van de vorderingen en verplichtingen bij de btw. Daarnaast zijn aan de financiële balans van de rijksoverheid de schulden buiten begrotingsverband van ministeries en de transitorische schulden van agentschappen toegevoegd. Deze ontbraken voorheen op de overheidsbalans.

Ook een gewijzigde registratiewijze van veilingopbrengsten van frequenties leidt tot een toename van de overige schulden. Voorheen schreven Europese regels voor dat de opbrengsten ten gunste van het saldo werden geboekt in het jaar waarin de telecombedrijven de vergunning kregen, ongeacht wanneer de opbrengsten daadwerkelijk in kas werden ontvangen. Nieuwe richtlijnen vereisen juist dat de opbrengsten worden gespreid over de gehele looptijd van de vergunningen. De 4G-frequenties die in 2013 geveild zijn, hebben nog een lange looptijd. De opbrengsten zijn wel al in 2013 in de schatkist beland, maar hier staat een schuld/verplichting van bijna 3 miljard euro tegenover. De begunstigden hebben namelijk nog een lange tijd recht op het gebruik van de frequenties, terwijl ze daarvoor al hebben betaald.

Daarnaast is de boekingswijze van de ontvangsten uit afkoop van erfpacht bij gemeenten geconformeerd aan de Europese richtlijnen. Hierbij is geld ontvangen dat pas op een later moment in het saldo van gemeenten geboekt mag worden. De kasontvangst wordt daarom als een overlopend passivum (vooruit ontvangen betaling) geregistreerd. De omvang bedraagt ongeveer 3 miljard euro.

Activa

De activa, oftewel bezittingen, bestaan uit niet-financiële activa en financiële activa. De niet-financiële activa zijn objecten die een economische waarde hebben. In de praktijk komt dit neer op alle (niet-financiële) objecten die verkocht kunnen worden.

In de schuldcijfers die elders in de Miljoenennota zijn opgenomen, zijn de bezittingen niet verwerkt. De overheidsschuld is namelijk een brutoschuldbegrip. Dit betekent dat (financiële) bezittingen van de overheid – bijvoorbeeld de staatsdeelnemingen in Schiphol of de Nederlandse Spoorwegen – niet in mindering worden gebracht op de uitstaande schulden. De achterliggende reden voor het hanteren van een brutoschuldbegrip is dat het arbitrair is welke bezittingen wel en welke niet moeten worden meegeteld. Ook is het moeilijk om de exacte waarde van bezittingen op een eenduidige manier vast te stellen en bovendien zijn veel bezittingen niet of slecht liquide te maken.

De grootste niet-financiële post bestaat uit de vaste activa. Hierbinnen vormen de grond-, weg- en waterbouwkundige werken van Nederland veruit de grootste post. Een andere grote post zijn de olie- en gasreserves.

De post financiële activa bestaat uit alle financiële bezittingen van de overheid. Het gaat bijvoorbeeld om aandelen van de overheid in ondernemingen en leningen aan financiële instellingen.

Passiva

Aan de kant van de passiva laat een balans zien hoe de bezittingen zijn gefinancierd en hoe groot het vermogen is. De waarde van de financiële passiva is in 2018 vrijwel gelijk gebleven.

Het vermogen is het saldo van bezittingen (activa) en schulden (financiële passiva). Bij een positief vermogen zijn de bezittingen groter dan de schulden. In 2018 is er sprake van een positief vermogen van 222 miljard euro. Het overheidsvermogen is gestegen ten opzichte van 2017 met circa 25 miljard euro.

8.2 Staatsbalans

Pilot Staatsbalans

De Adviescommissie Verslagleggingsstelsel Rijksoverheid (AVRo) heeft in 2017 een herintroductie van de staatsbalans aanbevolen. Dit jaar heeft het CBS daarom op verzoek van het ministerie van Financiën een pilot van de staatsbalans opgesteld.

De overheidsbalans beschrijft de gehele Nederlandse overheid, waarbij interne vorderingen en schulden, tussen bijvoorbeeld het Rijk en gemeenten, zijn geëlimineerd. De vaste activa op de overheidsbalans betreffen dus ook de gezamenlijke bezittingen van alle overheidssectoren.

De staatbalans is een deelverzameling van de overheidsbalans en schetst daarmee een minder volledig beeld. De staatsbalans beschrijft de bezittingen, schulden en het vermogen van de Nederlandse staat. Voor dit onderzoek is de Staat afgebakend als de sector rijksoverheid zoals deze binnen de nationale rekeningen is gedefinieerd. Onder het Rijk vallen ministeries, programmaministeries, begrotingsfondsen en agentschappen. Ook horen hierbij rechtspersonen waarover het Rijk zodanige zeggenschap heeft, dat deze rechtspersonen geringe eigen beslissingsbevoegdheid hebben, zoals de Stichting Ether Reclame (STER) en NL Financial Investments (NLFI).

Tabel 8.2 Staatsbalans

(bedragen in miljoenen euro)

2017

Mutatie

2018

Activa

350794

‒ 591

350203

Niet-financiële activa

127.714

4.376

132.090

Vaste activa

102.328

3.211

105.539

Woningen

192

5

197

Bedrijfsgebouwen

15.511

256

15.767

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

71.074

2.614

73.688

Overdrachtskosten op grond

264

‒ 10

254

Vervoermiddelen

1.162

‒ 87

1.075

Computers

388

33

421

Telecommunicatie apparatuur

128

‒ 5

123

Machines en installaties

9.707

77

9.784

Overige materiële vaste activa

135

19

154

In cultuur gebrachte activa

0

0

0

Onderzoek en ontwikkeling

1.386

139

1.525

Computerprogrammatuur en databanken

2.381

170

2.551

Overige immateriële activa

0

0

0

Voorraden

1.283

‒ 35

1.248

Grond

6.557

12

6.569

Grond onder woningen

235

24

259

Grond onder bedrijfsgebouwen

4.870

55

4.925

Landbouwgrond

1.452

‒ 67

1.385

Olie- en gasreserves

17.546

1.188

18.734

Financiële activa

223.080

‒ 4.967

218.113

Chartaal geld en deposito's

4.769

‒ 321

4.448

Chartaal geld

1

0

1

Girale deposito's

3.888

‒ 1.199

2.689

Overige deposito's

880

878

1.758

Schuldbewijzen

1.931

1.314

3.245

Kortlopende schuldbewijzen

569

1.267

1.836

Langlopende schuldbewijzen

1.362

47

1.409

Leningen

84.695

‒ 880

83.815

Kortlopende leningen

31.799

‒ 2.711

29.088

Langlopende leningen

52.896

1.831

54.727

Aandelen en overige deelnemingen

73.445

‒ 1.770

71.675

Beursgenoteerde aandelen

1.606

‒ 380

1.226

Niet-beursgenoteerde aandelen

65.220

‒ 1.195

64.025

Overige deelnemingen

6.370

54

6.424

Aandelen in beleggingsfondsen

249

‒ 249

0

Financiële derivaten

12.189

‒ 3.988

8.201

Handelskredieten en transitorische posten

46.051

678

46.729

Toelichting op de staatsbalans

Niet-financiële activa

De waarde van de niet-financiële activa van het Rijk nam in 2018 toe met 4,4 miljard euro. Voor het overgrote deel komt deze stijging door de toegenomen waarde van grond-, weg- en waterbouwkundige werken (GWW). Hierin werd 2,4 miljard euro geïnvesteerd, vooral vanuit het Infrastructuurfonds.

Naast de reguliere investeringen maken ook de investeringen in het kader van publiek-private samenwerking (PPS) hiervan deel uit. Grote infrastructurele PPS-projecten waarin is geïnvesteerd, zijn bijvoorbeeld de verbreding van de A9 en de nieuwe zeesluis in IJmuiden. Ook door herwaarderingen is de waarde van de GWW toegenomen, al werd dit grotendeels tenietgedaan door de afschrijvingen.

Naast de GWW laten ook de bedrijfsgebouwen een waardestijging zien in 2018. Hoewel hierop veel werd afgeschreven, werd er ruim 1 miljard euro geïnvesteerd, met name door het Rijksvastgoedbedrijf. Ook bij bedrijfsgebouwen is sprake van PPS-projecten. Zo is er in 2018 geïnvesteerd in de nieuwe huisvesting van het RIVM, het gerechtsgebouw Breda en de rechtbank Amsterdam.

Tabel 8.3 GWW en bedrijfsgebouwen

(bedragen in miljoenen euro)

Beginbalans

Herwaardering

Saldo aan- en verkopen

Afschrijvingen

Eindbalans

Bedrijfsgebouwen

15.511

260

820

‒ 824

15.767

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

71.074

2.210

2.387

‒ 1.983

73.688

Minerale reserves

De minerale reserves namen in 2018 met bijna 1,2 miljard euro in waarde toe. Door de gaswinning gedurende het jaar nam de waarde van de olie- en gasreserves in de grond met 2 miljard euro af. Daar stond een waardestijging van 3,2 miljard euro tegenover, die vooral werd veroorzaakt door de toegenomen waarde van de ‘resource rent’20, waarin de gasprijs een belangrijke rol speelt. Gas dat niet gewonnen zal worden, is gewaardeerd op nul euro.

Financiële activa

De vorderingen van het Rijk namen in 2018 af met bijna 5 miljard euro. Dit kwam onder andere doordat er per saldo zo’n 3,9 miljard euro op werd afgelost. Daarnaast leidden prijsveranderingen ook tot een afname van 1,1 miljard euro.

Door het voortijdig afwikkelen en in mindere mate het aflopen van contracten, werd de waarde van de derivatenportefeuille verlaagd met 4,4 miljard euro. De contracten die eind 2018 nog liepen, namen per saldo juist met 0,4 miljard euro in waarde toe door ontwikkelingen van de rente.

De waarde van staatsdeelnemingen nam in 2018 af. Deze daling werd vooral bepaald door de beurskoers van ABN AMRO. Ten opzichte van 2017 nam het aandeel ABN AMRO bijna een kwart in waarde af. Voor het Rijk kwam dit neer op een vermogensverlies van bijna 3,4 miljard euro. Andere staatsdeelnemingen maakten dit verlies deels goed. Zo namen de deelnemingen in Tennet, de Nederlandse Spoorwegen (NS), het Havenbedrijf Rotterdam en Schiphol gezamenlijk zo’n 0,8 miljard euro toe. De grootste stijger was echter de deelneming in De Nederlandsche Bank. Daarvan nam de waarde in 2018 ruim 0,8 miljard euro toe.

Naast de daling van de derivaten en staatsdeelnemingen, namen ook de vorderingen op de kortlopende leningen af. Dit werd met name veroorzaakt door een afname van de vorderingen op de socialezekerheidsfondsen van 2,7 miljard euro. De vorderingen vanuit verstrekte langlopende leningen namen in 2018 juist in waarde toe. Dit kwam voornamelijk doordat er voor 1,8 miljard euro aan studieleningen zijn verstrekt.

Een andere stijging op de vorderingen kwam vanuit de kortlopende schuldbewijzen. Deze post nam in 2018 bijna 1,3 miljard euro in waarde toe. Dit kwam doordat Energie Beheer Nederland heeft belegd in commercial paper. De derde grote stijging is op de post handelskredieten en transitorische posten. Deze post nam in 2018 met bijna 0,7 miljard euro toe. Dit werd voornamelijk veroorzaakt doordat vervoersbedrijven, zoals de NS, een vooruitbetaling hebben ontvangen voor de vervoerskosten van studenten in 2019.

Financiële passiva

De financiële passiva van het Rijk zijn in 2018 afgenomen met ruim 9,8 miljard euro. Dit kwam vrijwel volledig doordat er per saldo schulden zijn afgelost. Prijsveranderingen hadden bijna geen effect op de schuld.

Er werd vooral afgelost op de staatsobligaties. Met een afname van ruim 15,4 miljard euro werd de schuld op de post langlopende schuldbewijzen teruggebracht tot 352 miljard euro. In 2018 waren er vrijwel geen prijsmutaties op de staatobligaties.

Tegenover de verlaging van de staatsobligaties stond wel een toename van het kortlopende schatkistpapier. Hiervan heeft het Rijk in 2018 per saldo ruim 5 miljard euro aangetrokken.

Ook de schulden in de vorm van deposito’s namen in 2018 met 3,5 miljard euro toe. Dit komt hoofdzakelijk door het schatkistbankieren van de socialezekerheidsfondsen. Hun vorderingen op het Rijk namen met 3,6 miljard euro toe.

Op de aangegane leningen werd in 2018 ruim 3,9 miljard euro afgelost. Dit had te maken met de onderpanden die het Rijk ontvangt uit hoofde van derivaten. Deze onderpanden worden tot de kortlopende leningen gerekend en namen in 2018 af met 4,3 miljard euro.

Tot slot steeg ook de balanspost handelskredieten en transitorische posten. De toename van 1,1 miljard kwam voor een groot deel door nog terug te betalen omzetbelasting. Het totaal van btw-teruggaven bedroeg eind 2018 bijna 0,9 miljard euro meer dan een jaar eerder.

Vermogenssaldo

In 2018 is het vermogen van de Nederlandse staat gestegen met bijna 9,3 miljard euro. Dit kwam met name door het exploitatieoverschot, waarmee schulden konden worden afgelost.21 In 2018 had het Rijk een exploitatieoverschot van 6,2 miljard euro. Dit overschot werd voor een groot deel veroorzaakt door gestegen opbrengsten uit belastingen en wettelijke premies.

Naast het exploitatiesaldo veranderde het vermogen ook door waardeveranderingen van niet-financiële activa, vorderingen of schulden. Met name de prijs- en volumemutaties van de niet-financiële activa hadden een groot effect op het vermogen van de rijksoverheid. De balans nam hierdoor met ruim 4,4 miljard euro in waarde toe. Daarentegen nam het vermogenssaldo van het Rijk met 1,1 miljard euro af door herwaarderingen van de vorderingen. Prijsmutaties van de schulden hadden in 2018 nauwelijks een effect op het vermogen.

Ondanks de toename van het vermogen, is het vermogenssaldo negatief. De schulden zijn 113,5 miljard euro meer waard dan de bezittingen.

8.3 Balansen en het inzicht in de staat van de overheidsfinanciën

Gezonde overheidsfinanciën zijn een randvoorwaarde voor duurzame welvaart. Publieke voorzieningen en lastenverlagingen zijn alleen toekomstbestendig, als de begroting ook bestand is tegen een conjunctuuromslag. Uit het verleden weten we hoe snel een lage schuld en een begrotingsoverschot om kunnen slaan naar een ongewenst hoge schuld en een flink begrotingstekort. Als dit dwingt tot vergaande bezuinigingen, kan dit de economie schaden. Dit roept de vraag op hoe de huidige staat van de overheidsfinanciën beter inzichtelijk gemaakt kan worden en hoe de economie bij een volgende crisis weerbaarder gemaakt kan worden.

8.3.1 Huidige indicatoren in Nederland

Voor het inzichtelijk maken van de staat van de overheidsfinanciën is het belangrijk dat de overheidsfinanciën op een goede manier gepresenteerd worden. In Nederland wordt veel belang gehecht aan het EMU-saldo, de EMU-schuld en het houdbaarheidssaldo. Onafhankelijke instituties dragen zorg voor betrouwbare cijfers over de overheidsfinanciën. Het CBS publiceert realisatiecijfers van de overheidsfinanciën op jaar-, kwartaal en maandbasis. Het CPB publiceert regelmatig ramingen voor de korte en middellange termijn. Voor de lange termijn publiceert het CPB houdbaarheidsstudies. Het daarin opgenomen houdbaarheidssaldo wordt gezien als een goede indicator van de houdbaarheid van huidig overheidsbeleid. Daarnaast staan in de rijksbegroting de voor het Rijk geïntegreerde meerjarencijfers.

In hoofdstukken 1 en 2 van de Miljoenennota zijn de ontwikkelingen weergegeven in uitgaven en ontvangsten. Het weergegeven EMU-saldo en EMU-schuld zijn hier een resultante van. De EMU-schuld geeft de bruto schuld van de overheid weer, maar biedt daarmee geen volledig inzicht in de financiële positie van de overheid. Voor dit inzicht moeten ook de bezittingen in ogenschouw worden genomen. De overheidsbalans geeft een overzicht van de omvang en samenstelling van het vermogen van de overheid en daarmee van de bezittingen én schulden.

Het CPB maakt houdbaarheidsstudies om de houdbaarheid van huidig overbeidsbeleid te analyseren. In de paragraaf over de relatie tussen de balansen en de houdbaarheid wordt hierop dieper ingegaan.

Het Financieel Jaarverslag van het Rijk (FJR) bevatte tot en met 2012 een staatsbalans. Deze staatsbalans presenteerde voor de meeste jaren een negatief vermogen. De Rijksoverheid gaat namelijk vaak schulden aan, maar de daaruit volgende bezittingen zijn voor een groot deel elders in de collectieve sector ondergebracht, zoals bij decentrale overheden, zelfstandige bestuursorganen en scholen. De staatsbalans geeft daarmee een onvolledig beeld van de positie van de overheid. In tegenstelling tot de staatsbalans laat de overheidsbalans een vollediger beeld zien.

8.3.2 Het nut van balansen in het algemeen en in de Nederlandse context

In een recent paper22 stelt het IMF dat het opstellen van overheidsbalansen het mogelijk maakt om het begrotingsbeleid en de begrotingsrisico’s beter te analyseren. Zo kan de overheid een betere risicoanalyse maken. Het IMF maakt hier een onderscheid tussen een balans die een momentopname is, en een intertemporele balans die ook toekomstige inkomsten- en uitgavenstromen meeneemt. Het opstellen van dergelijke overheidsbalansen heeft verschillende voordelen volgens het IMF. Maar een intertemporele balans is weer lastig samen te stellen. Met name de activering van de belastingcapaciteit van een land is complex.

Het IMF baseert zijn conclusies op een analyse van een grote groep heterogene landen (35 ontwikkelde economieën, 40 opkomende economieën en 40 lagelonenlanden) met grote onderlinge verschillen wat betreft economische ontwikkeling, staat van overheidsfinanciën, en (economische) karakteristieken. De vraag is daarom in hoeverre de conclusies van het IMF over de toegevoegde waarde van de overheidsbalans toepasbaar zijn op Nederland. Daarom worden eerst de mogelijke voordelen van het opstellen van een balans volgens het IMF gepresenteerd, en vervolgens hoe deze voordelen zich verhouden tot de Nederlandse context.

  • 1. Beter inzicht in de staat van de overheidsfinanciën

De overheidsbalans onthult de volledige omvang en aard van publieke activa en niet-schuldverplichtingen. Dit maakt beter beheer van publieke activa, en daardoor rendementsverbetering, mogelijk. Dit kan bijvoorbeeld door via een balansanalyse te bepalen of de overheid wel voldoende gecompenseerd wordt voor het gedragen risico, en contracten te heronderhandelen wanneer dit niet zo is. Volgens het IMF kan dit tot behoorlijke rendementswinsten leiden.

In de Nederlandse context 

Door de activa en passiva te bekijken, wordt inzichtelijker hoeveel en wat voor soort bezittingen en verplichtingen een land heeft. Hierdoor kan ook de nettowaarde van een land berekend worden. Dit maakt beter beheer van de bezittingen mogelijk. Ook maken balansen een einde aan de begrotingsillusie. Deze illusie ontstaat wanneer overheden op het eerste gezicht hun financiële positie verbeteren door direct aan schuldvermindering of begrotingsverbetering te doen, maar tegelijkertijd hun bezittingen verminderen. Denk bijvoorbeeld aan privatiseringen.

Hier moet wel de kanttekening bij gemaakt worden dat een overheidsbalans vooral veel toegevoegde waarde heeft voor landen die niet over goede datavoorziening beschikken. De datakwaliteit in Nederland is bijzonder hoog. Daarnaast kent Nederland verschillende hoogwaardige instituties die zich bezighouden met het in kaart brengen van de staat van de overheidsfinanciën (zoals het CBS en het CPB).

Daarnaast houdt de statische balansanalyse geen rekening met het belangrijkste instrument van de overheid: de mogelijkheid om in de toekomst belastingen te heffen. Bovendien leidt het in kaart brengen van de bezittingen er niet toe dat de kwetsbaarheden die bij een hoge schuld horen er niet meer toe doen. Juist van de overheid zijn veel bezittingen moeilijk of niet verkoopbaar en kunnen dus niet gebruikt worden om (op de korte termijn) schulden af te lossen. Bovendien zijn waarderingen van bezittingen bijzonder volatiel (zeker in vergelijking met schulden) en vaak gecorreleerd met de conjunctuur: tijdens laagconjunctuur zijn de bezittingen het minst waard, terwijl er juist dan drang bestaat om schulden aan te gaan.

Kortom, de overheidsbalans geeft extra inzicht in de staat van de overheidsfinanciën, maar de toegevoegde waarde is in de Nederlandse context beperkt.

  • 2. Verbeterde risicobeheersing

De overheidsbalans verbetert de identificatie en beheersing van risico's. Door beide zijdes van de balans te bekijken, worden mogelijke mismatches in kaart gebracht. Zo kunnen er mismatches ontstaan tussen bijvoorbeeld de hoeveelheid kortlopende verplichtingen en de liquiditeit van de bezittingen. Of tussen de hoeveelheid schuld in buitenlandse valuta en het bezit van buitenlandse valuta. Daarnaast kwantificeert het uitvoeren van fiscale stresstests de gevoeligheid van de overheidsfinanciën voor schokken. Wel is het zo dat voorwaardelijke verplichtingen niet worden meegenomen op de balans, zoals vrijwel alle garantieregelingen. Daarom is het belangrijk dat voorwaardelijke verplichtingen wel apart in kaart worden gebracht. In Nederland doen we dit al bij de garanties van het Rijk.

Een balansanalyse kan onderscheid maken tussen verschillende soorten risico’s:

  • i. Liquiditeitsrisico’s. Een balans kan de hoeveelheid liquide bezittingen (als percentage van het bbp) in kaart brengen en dit tegenover de hoeveelheid kortlopende verplichtingen zetten.

  • ii. Valutarisico’s. Veel landen lenen geld in buitenlandse valuta waardoor ze significante buitenlandse valuta verplichtingen hebben. Als hier geen grote buitenlandse valuta bezittingen tegenover staan, dan is er sprake van een wisselkoersrisico.

  • iii. Herwaarderingsrisco’s. Met name financiële bezittingen zijn vaak inherent volatiel. De combinatie van hoge blootstelling aan volatiele activa en relatief stabiele verplichtingen kan leiden tot snelle veranderingen in het vermogen en de liquiditeit. Zo blijkt dat veel ontwikkelde landen de begrotingstekorten van tijdens de crisis weer hebben teruggedrongen, maar dat de verslechterde nettowaarde (dankzij de herwaardering van de bezittingen) nog niet hersteld is. Dit zet het Nederlandse EMU-overschot van 2018 ook in een ander licht.

  • iv. Afdekkingsrisico’s. Veel landen in de steekproef laten een aanzienlijk verband zien tussen de waarderingswijzigingen van activa en passiva. In veel gevallen dempen deze verbanden de waarderingswijzigingen van de netto financiële waarde, wat een natuurlijke hedge in de balans oplevert. In sommige landen versterken waarderingswijzigingen in activa en passiva elkaar, waardoor de impact op de netto financiële waarde wordt versterkt. Een balans kan dus inzichtelijk maken in hoeverre het risico van herwaarderingen van bezittingen tijdens een crisis is afgedekt door herwaarderingen van de verplichtingen.

In de Nederlandse context

Het EMU-saldo, waarvoor veel aandacht is, zegt relatief weinig over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Hierin worden namelijk een aantal zaken niet meegenomen. Denk aan zaken als de hoogte van de overheidsschuld, de richting van de ontwikkeling van het EMU-saldo over een paar jaar, en toekomstige begrotingsuitdagingen. Voor het EMU-saldo maakt het namelijk niet uit of de overheid geld uitgeeft aan consumptie of aan investeringen, het saldo verslechtert evenveel. Bij de balansbenadering nemen in het geval van consumptie de bezittingen niet toe, en bij investeringen wel. Zo wordt beter inzichtelijk in hoeverre een negatief EMU-saldo in de toekomst een probleem kan worden.

Hier staat echter wel tegenover dat de overheid vaak investeert in zaken die niet of moeilijk verkoopbaar zijn en ook niet per se (veel) rendement opleveren.

  • 3. Betere budgettaire beleidsvorming 

Volgens het IMF maakt het opstellen van een overheidsbalans betere budgettaire beleidsvorming mogelijk. De effecten van beleid op de korte en lange termijn zouden dan inzichtelijk worden via mutaties in de bezittingen en verplichtingen.

In de Nederlandse context

In Nederland worden vrijwel alle plannen grondig doorgerekend, vaak door het CPB. Zowel incidentele als structurele effecten worden hierin meegenomen. Een balansbenadering zou hieraan niet veel toevoegen.

  • 4. Sneller crisisherstel

Ook zouden landen met deze «sterke balansen» beter in staat zijn om anticyclisch beleid te voeren tijdens een crisis. Hierdoor zouden ze minder macro-economische schade lijden en sneller herstellen van een recessie.

In de Nederlandse context

Volgens het IMF herstellen landen met sterke balansen sneller van een recessie. Een land heeft een sterke balans volgens het IMF wanneer de netto financiële waarde boven de mediaan ligt. Het is het niet verrassend dat het IMF tot deze conclusie komt. Gezonde en verstandige overheidsfinanciën zorgen er immers voor dat er tijdens een crisis niet direct bezuinigd hoeft te worden en dat er wellicht juist ruimte is voor stimulerende maatregelen. Dit zorgt voor een minder diep dal en een sneller herstel. Dit staat los van het feit of er wel of geen balansen worden opgesteld.

Alleen wanneer landen geen goed inzicht hebben in hun financiële positie en daardoor onnodig gaan bezuinigen, kan het opstellen van een balans wellicht duidelijk maken dat bezuinigen niet nodig is. Wel is het makkelijker om goede balansen op te stellen in al ver ontwikkelde landen. Deze landen zijn waarschijnlijk ook beter bestand tegen een crisis.

  • 5. Lagere rentelasten

Het IMF stelt dat financiële markten niet alleen kijken naar de bruto schuld bij de rendementsbepaling voor staatsobligaties, maar ook naar de overheidsbezittingen en de nettowaarde. Een hogere nettowaarde zou dan, via een verlaagde risicoperceptie, leiden tot lagere rentelasten op de schuld. Volgens het IMF betalen landen met «sterke balansen» dus minder rente over hun schuld en is de rente op hun staatsobligaties lager.

In de Nederlandse context

Het is logisch dat een land dat er financieel gezond voorstaat (en dus een sterke balans heeft volgens het IMF), lagere rentelasten betaalt. Het hebben van een balans leid op zichzelft echter niet per definitie tot lagere rentelasten. Voor landen waarvan de (toekomstige) financiële situatie lastig in te schatten is, kan een balans beter inzicht verschaffen. Het is echter geen gegeven dat dit leidt tot een lagere rente; dit hangt af van of de balans leidt tot een hogere of lagere risicoschatting door de financiële markten dan ex ante. Voor landen die op het oog risicovoller lijken dan ze in de praktijk zijn, kan het opstellen van een balans leiden tot een lagere rente.

Nederland heeft al een lange tijd een triple A-status. De financiële markten beschikken al over voldoende informatie om een zuivere risicoschatting te maken. Hierdoor is het onwaarschijnlijk dat de overheidsbalans hierop (veel) invloed op heeft. Bovendien kan onze rating niet verder verbeteren.

8.3.3 Balansen en de houdbaarheidssommen

De houdbaarheidssommen van het CPB schetsen de houdbaarheid van het huidige overheidsbeleid op de lange termijn. Voor deze analyse kijkt het CPB of de huidige arrangementen ook in de toekomst betaalbaar zijn, zonder in de toekomst de lasten te moeten verzwaren of de uitgaven te moeten verlagen anders dan reeds in huidig beleid is vastgelegd. De focus ligt hier op toekomstige stromen van uitgaven en inkomsten en of er gemeten in percentage van het bbp er een stabiele overheidsschuld ontstaat op de lange termijn. Dit is waar het om draait bij houdbare overheidsfinanciën. In die zin zijn de houdbaarheidssommen een filmpje waarin een indicatie van de toekomstige ontwikkeling van de overheidsfinanciën zichtbaar wordt, als het huidige beleid zou worden doorgezet. De houdbaarheidssommen zijn echter geen precieze voorspelling van de staat van de overheidsfinanciën of de schuld in de toekomst. De sommen zijn vooral een indicatie van de verdeling qua het genoten profijt van de overheid tussen generaties.

Balansen zijn daarentegen een foto van de voorraden aan bezittingen en schulden. Het is een momentopname van wat je op een specifiek moment bezit en verplicht bent. Dit zegt weinig over de toekomstige houdbaarheid van de financiën. Een balans kan immers een behoorlijk positief vermogenssaldo laten zien terwijl het beleid alsnog niet houdbaar is. Zo kan een groot gedeelte van de bezittingen niet of moeilijk verkoopbaar zijn, kan besloten worden dat de minerale reserves niet gewonnen worden en kan het vermogen jaar op jaar flink aan het dalen zijn. Daarentegen wil een negatief vermogenssaldo niet per se zeggen dat de financiën onhoudbaar zijn, toekomstige ontvangsten (bijvoorbeeld door hogere belastingen) staan immers niet op de balans.

Een intertemporele balans zou dit inzicht mogelijk kunnen bieden. Evenwel, de beschikbare internationale accounting standards zoals IPSAS bieden geen houvast voor registratie van posten als de belastingcapaciteit van een land of van alle toekomstige verplichtingen zoals uitgaven voor de vergrijzing.

Hoe werken de overheids- en staatsbalans door in de houdbaarheidssommen?

Belangrijk voor de uitkomsten van de houdbaarheidsstudie van het CPB is welke aannames het CPB doet over de beginstanden van de balansposten en hoe deze standen muteren in de volgende jaren. Hoeveel olie- en gasreserves we hebben en wat we hiermee in de toekomst gaan doen, heeft bijvoorbeeld invloed op de staat van de overheidsfinanciën. Hetzelfde geldt voor zaken als deelnemingen en vaste activa.

Als beginstand neemt het CPB de cijfers van de nationale rekeningen over. Zo voeren ze de overheidsbalans, in geaggregeerde vorm, in hun modellen in en is de overheidsbalans dus een-op-een gekoppeld tussen het CBS en de houdbaarheid. De staatsbalans gebruikt het CPB dus niet, aangezien hier niet alle benodigde informatie van de gehele overheid in zit.

Voor de mutaties gaat het CPB voor de periode tot en met t+5 uit van de cijfers van de Middellangetermijnverkenning (MLT). Afschrijvingen zijn gebaseerd op de nationale rekeningen en zitten in de MLT. Deze methode hanteert het CPB dus voor de niet-financiële activa, de financiële activa én de financiële passiva.

Voor olie- en gasreserves hanteert het CPB de gasproductiecijfers van EZK tot en met 2035. Hiervoor gebruiken ze een vergelijkbare methode als het CBS voor de netto contante waarde. Staatsdeelnemingen worden overigens niet specifiek gemodelleerd, maar zijn onderdeel van de totale niet-financiële activa.

Bij precies houdbaar overheidsbeleid groeit de brutoschuld mee met het bbp en blijft zo als percentage van het bbp constant.

8.3.4 Conclusie

Nederland beschikt over veel goede indicatoren die de staat van de overheidsfinanciën inzichtelijk maken. De overheidsbalans voegt hier in beperkte mate iets aan toe door inzicht te geven in de huidige activa en passiva en het bijbehorende vermogen. Dit maakt de financiële staat van de gehele overheid inzichtelijk en dit maakt het identificeren van specifieke risico’s mogelijk.

De staatsbalans voegt hieraan echter vrijwel niets toe. De staatsbalans geeft immers een incompleet beeld. Ook het IMF pleit voor een zo volledig mogelijke balans van de collectieve sector. Zo zijn de uitgaven aan de decentrale overheden in 2019 32,5 miljard euro; dit is meer dan 10 procent van de totale overheidsuitgaven. Door het niet meenemen van de decentrale overheden, wordt een groot gedeelte van de bezittingen en verplichtingen van de overheid geneerd. Dit kan tot een sterk vertekend beeld leiden. Daarnaast slaat een deel van de schuld van het Rijk neer als bezit bij de decentrale overheden. Een compleet en integraal beeld is noodzakelijk om goed geïnformeerde en overwogen beslissingen te nemen. Het CPB gebruikt daarom ook louter de overheidsbalans als input.

Wat de overheids- en staatsbalans gemeen hebben is dat ze beide vrijwel niets zeggen over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in de toekomst. Gelukkig beschikt Nederland over goede instituties die zorgen voor een transparante en nauwkeurige dataverzameling. Zo wordt de staat van de Nederlandse overheidsfinanciën nauwkeurig in kaart gebracht. Bovendien worden er vrijwel geen plannen doorgevoerd, zonder dat er rekening wordt gehouden met de gevolgen van deze plannen op de lange termijn. Zowel de planbureaus als de ministeries zelf rekenen plannen uitvoerig door.

Kortom, de overheidsbalans voegt beperkt wat toe aan het inzicht in de toestand van de overheidsfinanciën en risicoanalyse, waar de staatsbalans dat nauwelijks doet. Verder dragen beide balansen nauwelijks bij aan betere budgettaire besluitvorming. Tot slot laat het IMF zien dat uiteindelijk voornamelijk de gezondheid van de overheidsfinanciën bepaalt hoe hoog de rente op de schuld is en hoe snel je van een crisis kunt herstellen. In Nederland staan gezonde overheidsfinanciën hoog in het vaandel. Het opstellen van de overheidsbalans heeft dus slechts beperkt toegevoegde waarde en lost geen concrete problemen op. Wat betreft de staatsbalans lijkt het verstandiger om het geld en de energie die hierin gestoken wordt te investeren in andere zaken.

8.4 Methodebeschrijving staatsbalans

Deze methodebeschrijving maakt deel uit van de pilot van de staatsbalans. Dit onderzoek behelst het samenstellen van een staatsbalans volgens de richtlijnen van het Europees Systeem van Rekeningen (ESR 2010).

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) stelt al een overheidsbalans op volgens het ESR 2010. Die statistiek beschrijft echter de gehele Nederlandse overheid; naast de rijksoverheid onder meer ook gemeenten, provincies, waterschappen en onderwijsinstellingen. De opdrachtgever, het Ministerie van Financiën, heeft het CBS verzocht om langs dezelfde richtlijnen een balans op te stellen die enkel de Nederlandse staat beschrijft.

In deze paragraaf is eerst kort toegelicht welke instellingen onder de Staat worden verstaan. Vervolgens staan hierin de toegepaste methoden voor de verschillende balansposten.

Basis voor consolidatie staatsbalans

De staatsbalans is opgesteld volgens dezelfde richtlijnen en grotendeels dezelfde methoden als de overheidsbalans die het CBS samenstelt. De twee statistieken beschrijven echter verschillende sectoren.

De overheidsbalans beschrijft de gehele Nederlandse overheid, waaronder de rijksoverheid, gemeenten, provincies en waterschappen. De activa op de overheidsbalans zijn dus ook de gezamenlijke bezittingen van alle overheidssectoren. Vorderingen en schulden, tussen overheden onderling, bijvoorbeeld tussen het Rijk en gemeenten, tellen niet mee.

De staatsbalans beschrijft daarentegen enkel de rijksoverheid. Zij bestaat voornamelijk uit alle ministeries, begrotingsfondsen en de agentschappen. Daarnaast bestaan er rechtspersonen waarover het Rijk een zodanige zeggenschap heeft, dat deze rechtspersonen weinig eigen beslissingsbevoegdheid hebben. Ook deze rechtspersonen worden voor de staatsbalans tot de rijksoverheid gerekend. Dit zijn:

  • Energie Beheer Nederland (EBN)

  • Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL)

  • NL Financial Investments (NLFI)

  • Stichting Ether Reclame (STER)

  • Stichting Marine Cantine Dienst

  • Pensioen- en uitkeringsraad

  • Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden (NIO)

  • Ultra-Centrifuge Nederland (UCN)

  • Depositogarantiefonds

  • Stichting Wetenschappelijk Onderwijs en Afwikkelingsfonds Onderzoek (NLDA)

De staatsbalans beschrijft dus méér dan enkel de Staat der Nederlanden. De onderlinge vorderingen en schulden tussen onderdelen van de rijksoverheid zijn wel geëlimineerd. Daarentegen zijn vorderingen op en schulden aan andere overheidssectoren wel in de staatsbalans inbegrepen, terwijl deze posten in de overheidsbalans ook geëlimineerd zijn.

Revisie

Als onderdeel van de nationale rekeningen worden de balanswaarden, evenals de overheidsbalans, periodiek gereviseerd. Dat houdt in dat wijzigingen in methodologie worden doorgevoerd voor een gehele tijdreeks. Ook informatie uit nieuwe gegevensbronnen worden bij een revisie toegevoegd aan de ramingen. Door de meest recente revisie zijn de cijfers van de overheidsbalans gewijzigd ten opzichte van de cijfers die in de Miljoenennota 2018 zijn opgenomen tot en met verslagjaar 2016.

Niet-financiële activa

Het ESR 2010 kent een activa-indeling die is onderverdeeld in niet-financiële en financiële activa en passiva. In de staatsbalans wordt voor vier hoofdgroepen van niet- financiële activa de balanswaarde geraamd. Dit zijn de kapitaalgoederenvoorraad, voorraden, grond en minerale reserves. Hieronder is voor elke hoofdgroep de raming beknopt beschreven.

Voor een aantal andere activa worden geen balansstanden berekend. Dit zijn:

  • kostbaarheden;

  • overige natuurlijke hulpbronnen;

  • contracten, leases en vergunningen;

  • saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva.

Op de overheidsbalans zijn voor deze activa geen balansstanden berekend, omdat er geen betrouwbare waarderingsmethode is. Dit komt met name door het ontbreken van goede broninformatie. Bovendien zouden de waarderingen een grote mate van onzekerheid kennen. Het is bijvoorbeeld niet eenvoudig om een kunstvoorwerp te waarderen. Veelal ontbreekt het simpelweg aan vergelijkbare objecten die zijn verhandeld, waar een waarde van afgeleid zou kunnen worden. Om die reden is met de opdrachtgever afgesproken deze posten evenmin op te nemen in de staatsbalans.

Voor de overige natuurlijke hulpbronnen (zoals bossen) geldt dat er relatief weinig waarde aan toegekend kan worden en dat waarderingen op basis van de netto contante waarde naar verwachting vrij volatiel zullen zijn. Door de combinatie van een relatief geringe waarde en vrij grote volatiliteit is ervoor gekozen om geen waardering toe te kennen aan de andere natuurlijke hulpbronnen.

De bepalingen in het ESR 2010 voor contracten, leases en vergunningen compliceren het toekennen van een waarde. Voor deze posten is de waarde het positieve verschil tussen de waarde genoemd in het contract en de marktprijs. Hiervoor ontbreken gegevens en is de berekening in de praktijk moeilijk uit te voeren. Iets soortgelijks geldt voor goodwill en marketingactiva. Het ESR 2010 definieert de waarde van dit activum als: «Het verschil tussen de prijs die is betaald voor een gevestigde institutionele eenheid en het saldo van haar activa en passiva, waarvan elke post afzonderlijk is vastgesteld en gewaardeerd.» Ook hier stuit het CBS op praktische bezwaren voor de uitvoering hiervan. Tot slot geldt dat de niet-opgenomen balansposten ook niet horen tot het verplichte leveringsprogramma richting Eurostat.

Kapitaalgoederenvoorraad

De ramingen van de vaste activa zijn gebaseerd op de zogenoemde PIM, de Perpetual Inventory Method. Bij deze methode wordt een lange tijdreeks van investeringen gebruikt om de balanswaarden per activumtype te schatten.23

Deze methode geeft een modelmatige schatting van de balanswaarde van de vaste activa, zonder dat begin- en eindbalans direct worden waargenomen. De reden voor deze manier van het bepalen van balansstanden is dat balansstanden afkomstig uit verschillende databronnen niet eenvoudigweg opgeteld kunnen worden tot een zinvol totaal. Dit komt door verschillen in waarderingsgrondslag. Ook kunnen bepaalde activa niet op de balans van een bedrijf of instelling zijn opgenomen, terwijl de regels van de nationale rekeningen dit wel voorschrijven. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij software geproduceerd in eigen beheer.

De investeringsreeks van het Rijk is afkomstig van gegevens binnen het CBS, directie Overheidsfinanciën en consumentenprijzen. Deze reeks bevat de (nieuwe) investeringen en aan- en verkoop van gebruikte vaste activa. Doordat dit detail in de reeks beschikbaar is, hoeft er geen aparte raming van de investeringen van het Rijk opgezet te worden.

Investeringen in het kader van publiek-private samenwerking (PPS) maken deel uit van de activa van het Rijk. De waarde van die projecten (zoals wegen en gebouwen etc.) zijn ook opgenomen op de balans van het Rijk. De specifieke Europese richtlijnen voor PPS- projecten schrijven voor dat deze investeringen op de balans worden geactiveerd gedurende de constructiefase.

De gemiddelde levensduren zijn belangrijk voor het bepalen van de balansstanden. In tabel 8.4 staan de levensduren per activumtype die zijn toegepast.

Tabel 8.4 Levensduren per activumtype

Activumtype

Gemiddelde levensduur in jaren

Woningen

67

Bedrijfsruimten

34

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

55

Personenauto’s

9

Overige wegvervoer

9

Schepen

35

Vliegtuigen

20

Computers

5

Machines en installaties

11

Overige materiële activa

8

Overdrachtskosten op grond

20

Overdrachtskosten op bestaande gebouwen

17

Software

4

Telecommunicatie

4

Research & Development

12

Elektronische apparatuur

10

(zend-/meet-/regel-/navigatieapparatuur)

Wapens en tanks

30

Militaire voertuigen

10

Militaire schepen

25

Militaire vliegtuigen

34

«Om-niettransacties»

De balanswaarden van de grond-, weg- en waterbouwkundige werken (GWW) op de staatsbalans worden bepaald op basis van de historische reeksen van investeringen, desinvesteringen, prijsinformatie en afschrijvingen. Hierbij moet worden opgemerkt dat (des)investeringen met name worden waargenomen wanneer er sprake is van geldelijke betalingen.

Er vinden echter ook overdrachten van activa plaats, waar geen geldelijke betaling tegenover staat. Deze zogenoemde om-niettransacties werden voorheen niet waargenomen in de statistieken van de overheidsfinanciën, maar hebben uiteraard wel gevolgen voor wie de eigenaar van de betreffende GWW is. Daarbij hebben deze overgedragen activa wel een waarde en zorgt het niet-registreren voor een overschatting van het bezit van de rijksoverheid. Vervolgens is er een onderschatting bij andere lagen van de overheid. Voor de overheid als geheel is er geen vertekening van de waarde zoals bepaald met de PIM.

Deze kwestie is besproken met het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat en Rijkswaterstaat. Deze om-niettransacties vinden inderdaad plaats, zij het van beperkte omvang. Het meest voorkomende geval is wanneer een primaire wegverbinding door de aanleg van een nieuwe weg wordt ‘gedegradeerd’ tot secundaire wegverbinding, waarmee de nieuwe weg de functie van hoofdverbinding overneemt. In deze gevallen komt het voor dat de nu secundaire weg wordt overgedragen aan bijvoorbeeld een provincie of gemeente. Ook vaarwegen en sluizen kunnen om niet overgedragen worden aan andere overheidslagen.

Het is gebleken dat dergelijke overdrachten beperkt van omvang en aantal zijn. Per jaar gaat het gemiddeld om slechts enkele gevallen. Er is overigens geen uitputtend overzicht van dergelijke transacties beschikbaar. Omdat er geen daadwerkelijke betaling plaatsvindt en er ook geen actuele waardering aan het overgedragen object wordt toegekend, is het moeilijk om uitspraken te doen over de exacte omvang van de transacties. Wel is duidelijk geworden dat het om relatief oude GWW gaat, vaak van beperkte omvang in bijvoorbeeld de hoeveelheid kilometers van wegen.

Gezien de beperkte omvang van de overdrachten om niet, is de verwachting dat deze transacties een zeer beperkte invloed uitoefenen op de toe- en afname van de GWW in het bezit van de Rijksoverheid. Om deze reden zijn er geen correcties aangebracht op de gebruikte methodiek om te komen tot een waardebepaling van de GWW van het Rijk.

Voorraden

De raming van de voorraden is gebaseerd op bronmateriaal dat op het CBS beschikbaar is. Dit betreft voornamelijk de jaarverslagen van rijksonderdelen. De geraamde balanswaarde bestaat met name uit de munitievoorraden en voor een kleiner gedeelte uit grond- en hulpstoffen en gereed product.

Grond

Grond is te onderscheiden naar grond onder bedrijfsgebouwen, grond onder woningen en landbouwgrond. Voor de eerste twee subtypen wordt de raming gebaseerd op een residuele waardemethode. Kort gezegd: de waarde van grond wordt bepaald door de WOZ-waarde te verminderen met de waarde van de opstal. Deze opstalwaarde is gelijk aan de waarde van het vaste activum «woningen» die met de PIM bepaald wordt. De waarde van landbouwgrond is gebaseerd op het totale areaal waarvoor met verschillende prijzen de totale waarde wordt bepaald.24

Landbouwgrond

Om de waarde van landbouwgrond in Nederland te berekenen wordt gestart met een totale oppervlakte die elk jaar bekend is. De grond wordt vervolgens opgedeeld in verschillende subtypen, zoals akkerbouw, glastuinbouw en bloembollenteelt. Dit is nodig, omdat elk van de onderscheiden subtypes landbouwgrond een andere prijs kent. De prijzen zijn afkomstig van het Landbouw Economisch Instituut (LEI)/Wageningen universiteit (WUR) en deels van eigen berekeningen. Door de waarden van verschillende subtypen bij elkaar op te tellen, kan de balanswaarde voor heel Nederland bepaald worden. Daarmee is de precieze waarde per sector nog niet bekend.

Een afbakening van de sector rijksoverheid, of liever gezegd een betere afbakening daarvan, is een van de doelen van het pilotonderzoek staatsbalans. De aanpak die is gekozen voor de pilot is om van een tijdreeks het bezit van de overheid en van de rijksoverheid vast te stellen. Een zo goed mogelijke vaststelling van het bezit van de overheid is het uitgangspunt voor een berekening van de landbouwgrond van de rijksoverheid.

De eerste stap is per verslagjaar de oppervlakte in hectares in bezit van de overheid vast te stellen. Dit was niet voor alle jaren mogelijk, waardoor er soms voor enkele jaren interpolatie samen met mutaties is gebruikt. Het startpunt vormt het interne CBS-rapport «De waarde van de grond in Nederland voor 1990-1997».25 Hierin wordt het bezit van de overheid geraamd op 200.000 hectare landbouwgrond. De centrale overheid bezit hiervan 130.000 hectare. Voor het restant van 70.000 hectare is geen expliciete verdeling gemaakt. Daarom vormt dit het bezit van alle andere overheden samen. Voor de pilot is een precieze toedeling naar andere overheidslagen niet van belang, omdat enkel het bezit van het Rijk benodigd is. Vervolgens is met behulp van andere bronnen een overzicht gemaakt. Deze lijst van bronnen staat hieronder in tabel 8.5.

Tabel 8.5 Overzicht van bronnen voor de oppervlakte landbouwgrond van de rijksoverheid

Bronnen

Verslagjaar

Welke overheid

Oppervlakte in hectare x 1.000

Hoekema 2000

1997

Totaal

199

Hoekema 2000

1997

Centrale overheid

130

Jaarverslagen BBL (2008 t/m 2017)

2008

Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL)

36

Herijking domeingronden 2009

2008

Rijksvastgoed- en Ontwikkelbedrijf (RVOB)

49

Staatbalans onroerende activa, Keskin 2009

2008

RVOB

48

Staatbalans onroerende activa, Keskin 2009

2008

BBL

36

Evaluatie pachtbeleid 2011

2008

Totaal erfpacht

4

E-mail van RVB

2018

Rijksvastgoedbedrijf (RVB)

44

Uit tabel 8.5 blijkt dat de bronnen niet dekkend zijn voor alle onderdelen van de overheid en/of alle verslagjaren. De oppervlakte voor het verslagjaar 1997 uit het eerdergenoemde rapport vormt het uitgangspunt van de raming. Dit is in overeenstemming met de huidige statistiek van de landbouwgrond voor de verslagjaren tot en met 1997. Vervolgens is met de standgegevens uit tabel 8.5 een raming gemaakt. Ook is daarbij gebruikgemaakt van mutaties die bekend zijn uit de verschillende rapporten. Die zijn vermeld in tabel 8.6. In tabel 8.6 ontbreken de aan- en verkopen van het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en rechtsvoorlopers, omdat die niet strikt noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het bezit. Wel zijn die gebruikt om de waarde van aan- en verkopen te bepalen. Sinds verslagjaar 2014 is het grootste gedeelte van het bezit van BBL overgegaan naar de provincies. Hiermee is expliciet rekening gehouden.

Tabel 8.6 Grote mutaties landbouwgronden

Bronnen

Verslagjaar

Welke overheid

Mutatie in hectare x 1.000

Herijking domeingronden 2009

1995-1999

Rijksvastgoed- en Ontwikkelbedrijf (RVOB)

‒ 29

Evaluatie pachtbeleid 2011

2003-2007

Overheid

‒ 36

De afbakening van de rijksoverheid is gebaseerd op het rapport «Staatsbalans onroerende activa». De aanname is dat het bezit van de centrale overheid, qua landbouwgrond, gelijk is aan dat van de rijksoverheid.26 Tabel 8.7 geeft voor de laatste vijf jaren van de tijdreeks de oppervlakte van landbouwgrond van het Rijk weer.

Tabel 8.7 Oppervlakte landbouwgrond Rijk

Verslagjaar

2014

2015

2016

2017

2018

Hectares x 1.000

54

52

50

48

45

Voor de balanswaarde van landbouwgrond wordt gebruik gemaakt van prijzen van LEI/WUR. Jaarlijkse cijfers zijn beschikbaar per regio. Deze cijfers worden bewerkt, waaruit een totaalprijs per hectare voor Nederland volgt. Omdat de regionale verdeling van de landbouwgrond van het Rijk niet bekend is, wordt verondersteld dat de verdeling van landbouwgrond die van het totaal in Nederland volgt. De gemiddelde jaarprijs wordt vervolgens vermenigvuldigd met de oppervlaktes uit tabel 8.7. Dit resulteert in tabel 8.8.

Tabel 8.8 Balanswaarde landbouwgrond Rijk

Verslagjaar

2014

2015

2016

2017

2018

(bedragen in miljoenen euro)

1.428

1.478

1.470

1.452

1.385

Grond onder woningen en grond onder bedrijfsgebouwen

De waarde van de grond onder woningen en grond onder bedrijfsgebouwen wordt berekend volgens de zogenoemde residuele methode. Deze methode houdt in dat de waarde van grond wordt bepaald door de WOZ-waarde te verminderen met de waarde van de opstal. Deze opstalwaarde is gelijk aan de waarde van het vaste activum woningen of bedrijfsgebouwen, die met de PIM bepaald wordt. Vervolgens wordt de grond onder woningen en bedrijfsgebouwen verdeeld over de verschillende overheidslagen in dezelfde verhouding als de woningen en bedrijfsgebouwen.

Overige typen grond

Voor natuurgrond, recreatiegrond, bouwgrond en grond onder wegen wordt geen raming gemaakt. De waarde van bouwgrond is bijvoorbeeld moeilijk te bepalen van jaar tot jaar. Voor natuurgrond, recreatiegrond en grond onder wegen wordt bovendien verondersteld dat de waarde (gedeeltelijk) ligt besloten in de waarde van de grond onder woningen en bedrijfsgebouwen of, zoals bij natuurgrond, dat de economische waarde vrijwel nihil is. Wegen verschaffen toegang tot woningen en andere gebouwen en daarom kan de waarde niet apart bepaald worden van deze gebouwen.

Minerale reserves

De waarde van de olie- en gasreserves

De waarde van de olie- en gasreserves wordt, zoals voorgeschreven in het ESR 2010, berekend met behulp van de netto contante waarde.27 Het deel van de toegevoegde waarde dat toewijsbaar is aan het onttrokken aardgas (in het Engels de ‘resource rent’), wordt in de productierekening van de mijnbouwindustrie per saldo berekend door van de waarde van het geproduceerde aardgas (en de olie) de intermediaire kosten, de loonkosten en de kapitaalkosten af te trekken. Deze resource rent wordt gebruikt om de netto contante waarde te berekenen. Hierbij wordt uitgegaan van een reële discontovoet van 3 procent, overeenkomstig het laatste advies van de werkgroep discontovoet.28

De resource rent wordt vervolgens gedeeld door de hoeveelheid gewonnen olie en gas. Dit wordt de «unit resource rent» genoemd. Deze variabele wordt ingezet als prijs om toekomstige extractievolumes om te rekenen naar monetaire waardes. De unit resource rent vertoont door de wijze van berekenen een hoge correlatie met de wereldmarktprijzen van olie en gas, maar is niet hetzelfde. Door de berekeningswijze is het niet nodig om rekening te houden met wisselkoersen.

De toekomstige extractievolumes zijn afkomstig van het fysieke extractiescenario, dat beschrijft hoeveel olie en gas per jaar wordt opgepompt totdat de economisch winbare reserves uitgeput zijn. Het extractiescenario is afkomstig van de makers van het rapport «Natural resources and geothermal energy in the Netherlands», aangevuld met een eigen berekende (lineaire) extractie, als er geen scenario is of er geen sprake is van volledige uitputting in het rapport. Voor olie wordt één scenario gemaakt. Voor gas twee: één voor het Groningenveld en één voor de overige velden.

Hoofdzakelijk zijn er drie oorzaken voor de daling van de balanswaarde in het recente verleden. Dit zijn een lagere unit resource rent, het gewijzigde extractiescenario en de extractie zelf. Hier kwam in 2017 het einde van de gaswinning in Groningen in 2030 bij. Winningsbesluiten van het kabinet worden dus meegenomen in deze extractiescenario's.

De daling van de unit resource rent komt, doordat de kosten van de productie in minder sterke mate zijn afgenomen dan de waarde van de productie. Dit komt vooral door het grote bezit aan kapitaalgoederen.

Gewijzigde extractiescenario's beïnvloeden de waarde, doordat in recente jaren steeds minder extractie plaatsvond, ten faveure van extractie verder in de toekomst. Door de verdiscontering zijn extractie-jaren verder in de toekomst minder waardevol dan recentere jaren.

Door het stopzetten van de winning in 2030 in Groningen kan alle geplande winning voor latere jaren niet meer plaatsvinden. Daarom is de economisch winbare voorraad naar beneden bijgesteld. Hierdoor is ook de monetaire waarde gedaald.

Deze grote aanpassingen hebben vóór verslagjaar 2018 plaatsgevonden. In 2015 en 2016 daalde de waarde sterk door een lagere unit resource rent en andere extractiescenario’s, in 2017 door het stopzetten van winning in Groningen in 2030.

De eigenaar van de olie- en gasreserves

Voor dit project is ook de vraag gesteld wie de eigenaar is van de aardgas- en olievoorraad. De waarde kan toegeschreven worden aan de overheid en het bedrijfsleven, of alleen aan de overheid. Geen van de bestudeerde opties is zonder nadelen. Een argument voor splitsing van de voorraden is dat zowel bedrijfsleven als overheid inkomsten genereren uit de winning. Een argument ertegen is dat het bedrijfsleven maar beperkt zelfstandig kan bepalen hoeveel het oppompt. In geval van twijfel over eigenaarschap schrijft het ESR 2010 voor de juridische eigenaar aan te wijzen. Aan een volledige toeschrijving aan de overheid kleven omgekeerd ook nadelen. Hoofdzakelijk is het nadeel dat de overheid een activum op de balans heeft staan waarvan de waarde de verwachte stroom van inkomsten overstijgt. Het voordeel is dat de overheid de juridische eigenaar is en zeggenschap heeft over de hoeveelheid die elk jaar gewonnen kan worden.

Als derde optie kan ook gekozen worden om de olie- en gasvoorraden niet op de balans op te nemen. Het argument daarvoor is dat de waarde sterk beïnvloed wordt door beleidskeuzes. Echter, de balansen leveren een aanzienlijke inkomstenstroom, terwijl er dan geen activum tegenover staat.

Uiteindelijk is ervoor gekozen de huidige situatie te handhaven, dus het Rijk het volledige eigendom toe te kennen van alle olie- en gasvoorraden. De optie voor het splitsen is theoretisch een goede keuze, maar er kan in de praktijk geen optimale splitsing vastgesteld worden. Het niet opnemen van de waarde op de balans stuit ook op bezwaren. De optie om alles aan het Rijk toe te schrijven is conform het ESR 2010 en daarom de beste keuze.

Financiële activa en passiva

Anders dan de niet-financiële balans bestaat het samenstellen van de financiële balans van het Rijk vooral uit de bronverwerking van detailinformatie en in mindere mate uit ramingen of modelmatige waarderingen. De financiële items worden op basis van de beschikbare bronnen geclassificeerd naar de verschillende financiële instrumenten.

Omdat de financiële balans van het Rijk al lange tijd door het CBS wordt samengesteld, was er op dat punt geen verder onderzoek nodig voor het pilotonderzoek staatsbalans. De financiële balans van het Rijk wordt op kwartaal- en jaarbasis gepubliceerd en gaat terug tot verslagjaar 2008.

In het algemeen worden de balansposten gewaardeerd tegen marktwaarde. De marktwaarde geeft het bedrag weer waarvoor een activum verkocht kan worden. Indien er geen markt bestaat voor een activum, wordt een zo goed mogelijke benadering gegeven van de marktwaarde. Balansposten die niet op de markt verhandeld worden, zoals chartaal geld, deposito’s, leningen, handelskredieten en transitoria worden tegen de nominale waarde gewaardeerd.

Door deze waarderingsgrondslag wijken de cijfers van de financiële passiva van de staatsbalans af van de overheidsschuld van het Rijk volgens de EMU-definitie. Bij het berekenen van de overheidsschuld volgens de EMU-definitie worden schuldinstrumenten gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Bronnen

Ministeries

De financiële balans bestaat hoofdzakelijk uit de vorderingen en schulden van de ministeries. Deze financiële relaties worden veelal waargenomen vanuit de jaarverantwoordingen, waarvan de saldibalans het belangrijkste gedeelte is.

Er bestaan conceptuele verschillen tussen hoe de ministeries hun jaarverantwoording opstellen en hoe het CBS zijn statistieken over overheidsfinanciën moet opstellen. Hierdoor zijn er nog diverse bewerkingen nodig op de brongegevens. De voornaamste bewerkingen bestaan uit het elimineren van onderlinge vorderingen en schulden en het elimineren of juist toevoegen van financiële posities om te voldoen aan de ESR-richtlijnen. Zo zijn er strikte voorwaarden om volgens het ESR 2010 te kunnen spreken van bijvoorbeeld een deelneming of lening, terwijl de jaarverantwoording van de ministeries een eigen kader heeft.

Daarnaast moet worden opgemerkt dat de ministeries een kas-verplichtingenstelsel kennen, terwijl het ESR 2010 verlangt dat statistieken worden samengesteld op transactiebasis. Dit houdt in dat de saldibalansen nog moeten worden uitgebreid met posten die buiten de kasboekhouding blijven, maar wel op de financiële balans geboekt moeten worden volgens de Europese richtlijnen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan naheffingen te betalen aan de Europese Unie die in een bepaald verslagjaar komen vast te staan, terwijl de daadwerkelijke betaling in een ander verslagjaar plaatsvindt. De financiële steun aan Griekenland vanuit de Europese Financiële Stabiliteitsfaciliteit (EFSF) is een ander voorbeeld. Hiervoor geldt dat er geen daadwerkelijke kasbetalingen vanuit het Rijk plaatsvinden, maar Europese regels schrijven voor dat deze faciliteit wel deels moet toegerekend worden aan de financiële balans van de Nederlandse staat.

Agentschappen en overige rechtspersonen

Zoals eerder is toegelicht, beschrijft de staatsbalans het gezamenlijke vermogen van ministeries, agentschappen en enkele specifieke rechtspersonen. Aan de financiële relaties van de ministeries worden dan ook de vorderingen en schulden van de agentschappen en overige rechtspersonen toegevoegd.

De agentschappen en overige rechtspersonen beschikken over een eigen jaarverantwoording, waarmee het CBS de financiële balans van het Rijk samenstelt. Omdat deze verantwoordingen op zichzelf staan, is er een consolidatieslag nodig waarbij onderlinge rijksrelaties worden geëlimineerd. Er zijn minder bewerkingen nodig om deze posten op te nemen in de balans van het Rijk, omdat de jaarverslagen van deze eenheden zijn opgesteld volgens het baten- en lastenstelsel. Het gaat hierbij met name om het juist classificeren van de verschillende financiële posten naar categorieën die in het ESR 2010 worden onderscheiden.

Financiële activa en passiva naar instrument

Deposito’s

Onder deze categorie vallen de liquide middelen van het Rijk. Dit zijn bijvoorbeeld de bankrekeningen van de ministeries.

Deposito’s komen ook aan de passivakant voor. Onderdeel hiervan is namelijk het schatkistbankieren, oftewel de financiële middelen die met name decentrale overheden in de schatkist hebben uitstaan. De agentschappen doen eveneens aan schatkistbankieren en hebben daardoor vrijwel geen liquide middelen buiten het Rijk.

Verder vallen hieronder ook de rekeningcourantverhouding met de Europese Commissie en de schuld uit hoofde van uitgifte van munten.

Schuldbewijzen

De schuldbewijzen maken het grootste deel uit van de staatsschuld. Dit bestaat hoofdzakelijk uit de staatsobligaties die het Rijk uitgeeft. Ook schatkistpapier valt onder deze categorie.

Er wordt onderscheid gemaakt naar kort- en langlopende schuldbewijzen. Dit hangt af van de oorspronkelijke looptijd bij uitgifte. Is deze langer dan één jaar, dan wordt het schuldbewijs geclassificeerd als langlopend.

Schuldbewijzen worden gewaardeerd tegen marktwaarde. Schuldbewijzen in vreemde valuta worden omgezet naar euro's tegen de jaareinde wisselkoersen.

Leningen

Leningen zijn kredieten met een contractuele looptijd. De belangrijkste vorderingen vormen de studieleningen en vorderingen op socialezekerheidsfondsen in het kader van het schatkistbankieren. Ook worden er leningen als schulden geïmputeerd voor de pps-projecten van het Rijk. Verder wordt een deel van de financiële steun aan andere EU-landen via het EFSF als schuld opgenomen. Hiervoor staat de Nederlandse staat namelijk garant.

Hier staat ook weer een vordering tegenover in de vorm van een langlopende lening aan deze EU-landen. Net als de schuldbewijzen kennen de leningen een onderscheid in kort- en langlopend, afhankelijk van de oorspronkelijke looptijd. Leningen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.

Deelnemingen

Onder deze categorie vallen alle deelnemingen van het Rijk. Een voorbeeld is onder andere het aandelenbezit van het Rijk in ABN AMRO, maar ook bijvoorbeeld de deelneming in De Nederlandsche Bank.

Beursgenoteerde deelnemingen worden gewaardeerd tegen de actuele beurskoers. Aandelen zonder beursnotering worden gewaardeerd op basis van het eigen vermogen van de onderneming.

Financiële derivaten

Het Ministerie van Financiën gebruikt derivaten om rente- en valutarisico’s van de staatsschuld af te dekken. Ook het Ministerie van Defensie heeft derivaten. Deze instrumenten worden onder een aparte categorie geboekt.

Derivaten kunnen zowel een positieve als een negatieve waarde hebben. De waarde van de totale derivatenportefeuille voor de overheid neemt het CBS op aan de activazijde van de balans.

De derivaten worden tegen marktwaarde geregistreerd.

Handelskredieten en transitorische posten

Deze categorie bestaat onder meer uit de posten nog te ontvangen en nog te betalen. De belangrijkste transitorische posten zijn belastingvorderingen. Ook worden zogenoemde intra-comptabele vorderingen en schulden van de saldibalansen van de ministeries hieronder opgenomen. Dit zijn bedragen die de departementen namens een andere partij hebben voorgeschoten óf ontvangen, maar nog moeten worden afgewikkeld. Hieronder vallen onder andere landbouwsubsidies van de EU die nog niet zijn verstrekt aan de begunstigden.

Literatuurlijst

Bergen, D. van den, M. de Haan, R. de Heij en M. Horsten (2009), ‘Eindrapport herziening kapitaalgoederenvoorraad‘, CBS (Den Haag/Voorburg).

Eurostat (2013), ‘Europees Systeem van Rekeningen 2010’, Eurostat/ Europese Commissie (Luxemburg).

Haan, M. de (2013), ‘Balance sheet for land, energy reserves and mineral reserves in the Netherlands.’ Paper gepresenteerd op de OESO Working Party on National Accounts.

Hoekema, F. (2000), De waarde van de grond in Nederland voor 1990-1997, intern CBS rapport (Voorburg/ Heerlen).

Keskin, Y. (2009), ‘Staatsbalans onroerende activa’, Raad voor Vastgoed Rijksoverheid / Ministerie van Financiën.

TNO, Geological Survey of the Netherlands.

Ministerie van Economische zaken en Klimaat, ‘Natural resources and geothermal energy in the Netherlands’. https://www.nlog.nl/en/annual-reports

Veldhuizen E., C. Graveland, D. van den Bergen en S. Schenau (2009), ‘Valuation of Oil and Gas Reserves in Netherlands 1990-2005’, CBS Discussion paper 09029 (Voorburg/ Heerlen).

Werkgroep discontovoet (2015), ‘Rapport werkgroep discontovoet 2015’. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2015D43793

9 FISCALE REGELINGEN

9.1 Inleiding

Deze bijlage geeft een overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen die de belastingopbrengst verminderen.29 Het betreft verschillende soorten regelingen, zoals aftrekposten, vrijstellingen, heffingskortingen en verlaagde tarieven.

Het monitoren van fiscale regelingen is van belang voor transparante Rijksfinanciën. De regelingen hebben immers een budgettair belang. In de hieronder gepresenteerde tabellen wordt inzichtelijk wat de omvang van de verschillende regelingen is en hoe deze zich ontwikkelt. Ook het evalueren van fiscale regelingen is essentieel om het beleid te kunnen verbeteren. Deze bijlage besteedt aandacht aan de evaluaties die afgelopen jaar zijn uitgevoerd en de evaluaties die gepland staan voor komende jaren. Dit jaar is het budgettaire belang van de vrijstelling van assurantiebelasting voor de Brede Weersverzekering toegevoegd aan het overzicht.

Een toelichting op de regelingen is beschikbaar in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» en bestaat uit een beschrijving van de regeling, de doelstelling, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waarop de regeling betrekking heeft, een verwijzing naar de laatst uitgevoerde evaluatie, het beoogde jaar van afronding van de volgende evaluatie en de ramingsgrond. In die bijlage staat ook een tabel met de uitsplitsing van de ontwikkeling van het budgettaire belang tussen 2017 en 2020 inclusief de bijstelling ten opzichte van de benchmark. De benchmark is de raming voor het basisjaar 2017 ten tijde van de start van dit kabinet en is de basis voor de beoordeling van de ontwikkeling van de regelingen. Fiscale regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving of een budgettair belang van minder dan € 5 miljoen hebben, worden niet in deze bijlage vermeld, maar zijn wel opgenomen in genoemde toelichtende bijlage.

In de volgende paragraaf worden de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van fiscale regelingen samengevat. Het budgettaire overzicht is opgenomen in paragraaf 9.3. De twee daaropvolgende paragrafen maken inzichtelijk welke factoren bijdragen aan opvallende ontwikkelingen in het budgettaire belang. Paragraaf 9.4 gaat in op de budgettaire effecten van de beleidsmaatregelen die in het Belastingplanpakket 2020 worden aangekondigd en andere maatregelen die zijn genomen sinds de vorige Miljoenennota. Paragraaf 9.5 presenteert de benchmarktoets en gaat in op de belangrijkste endogene ontwikkelingen en (technische) bijstellingen van het budgettaire belang. Tot slot schenkt paragraaf 9.6 aandacht aan de evaluaties in het fiscale domein die sinds de Miljoenennota 2019 zijn afgerond en de evaluaties die gepland staan voor de periode 2019-2022.

9.2 Samenvatting

Over het algemeen is sprake van een beheerste groei van de budgettaire omvang van fiscale regelingen tussen 2015 en 2020. Dit jaar zijn van veel regelingen (met name in de inkomstenbelasting) realisatiecijfers bekend voor 2017 op basis van aangiftegegevens. Het aantal regelingen waarbij de huidige inschatting van het budgettaire belang in 2017 sterk afwijkt van de raming van het budgettaire belang in 2017 ten tijde van de start van het kabinet (de benchmark) is verder toegenomen. Dit is illustratief voor de onzekerheden in het ramen naar de toekomst toe, maar slechts bij enkele regelingen is er daadwerkelijk een sterke endogene (niet-beleidsmatige) ontwikkeling van het belang. Dit betreft in het bijzonder de regelingen voor nulemissievoertuigen, de 30%-regeling en de salderingsregeling in de energiebelasting, stuk voor stuk regelingen waar actief beleid op gevoerd wordt. Daarnaast zijn de verhoging van de belastingvermindering per aansluiting in de energiebelasting, de stapsgewijze verlaging van de zelfstandigenaftrek en de verlaging van de (aftrek)tarieven in de inkomstenbelasting noemenswaardige beleidsmaatregelen die in 2020 van kracht worden. Tot slot is naar aanleiding van de respectievelijke evaluaties de teruggaafregeling LNG in de accijnzen beëindigd per 1 januari 2019 en is de vrijstelling van pleegvergoedingen met ingang van 1 januari 2019 structureel geworden en is de horizonbepaling vervallen.

9.3 Overzicht van het budgettaire belang van fiscale regelingen

Tabel 9.3.1 geeft inzicht in het budgettaire belang van fiscale regelingen van 2015 tot en met 2020. De laatste kolom geeft de gemiddelde jaarlijkse procentuele groei weer tussen 2015 en 2020. De groei kan zowel het gevolg zijn van beleidsmaatregelen als van endogene ontwikkelingen. Endogene ontwikkelingen zijn de ontwikkelingen die niet het gevolg zijn van beleid, maar van andere factoren die het gebruik van een regeling beïnvloeden, zoals de economische ontwikkeling.

Tabel 9.3.1 Fiscale regelingen 2015-2020, budgettair belang op transactiebasis in lopende prijzen (x € miljoen)1

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Gemiddeld % groei ‘15-‘202

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

216

217

233

240

237

238

2,0%

Giftenaftrek inkomstenbelasting

346

357

377

388

384

377

1,7%

Aftrek specifieke zorgkosten

265

266

277

277

261

256

‒ 0,7%

Aftrek uitgaven monumentenpanden

57

66

73

78

n.v.t.

Onderhoudsverplichtingen aftrek

338

320

319

319

312

280

‒ 3,7%

Belaste ontvangen alimentatie

‒ 198

‒ 199

‒ 200

‒ 200

‒ 192

‒ 189

‒ 0,9%

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

17.256

17.270

18.437

19.180

20.184

21.108

4,1%

Pensioen belaste uitkering

‒ 11.917

‒ 11.988

‒ 12.631

‒ 12.889

‒ 12.501

‒ 12.691

1,3%

Pensioen vrijstelling box 3

7.195

7.124

7.215

7.143

7.276

7.427

0,6%

Lijfrente premieaftrek

507

503

544

566

597

622

4,2%

Lijfrente belaste uitkering

‒ 364

‒ 361

‒ 382

‒ 390

‒ 378

‒ 384

1,0%

Lijfrente vrijstelling box 3

220

214

218

216

220

225

0,4%

FOR aftrek

157

168

189

190

190

193

4,2%

FOR belaste afneming

‒ 99

‒ 101

‒ 108

‒ 109

‒ 108

‒ 108

1,8%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

515

510

519

537

548

555

1,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 410

‒ 400

‒ 398

‒ 412

‒ 409

‒ 420

0,5%

Reisaftrek OV

9

8

9

9

9

9

‒ 1,0%

Middelingsregeling3

90

84

88

113

113

100

2,1%

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

13.207

12.548

11.722

10.627

9.665

9.532

‒ 6,3%

Aftrek financieringskosten eigen woning

224

212

214

193

175

166

‒ 5,8%

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

28

29

30

31

31

31

2,6%

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

25

27

26

27

26

26

0,7%

Eigenwoningforfait

‒ 3.069

‒ 3.139

‒ 3.330

‒ 3.310

‒ 3.221

‒ 3.241

1,1%

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

529

561

632

645

621

614

3,0%

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

33

37

190

190

190

190

41,9%

OVB Verlaagd tarief woning

1.594

2.062

2.454

2.737

2.716

2.865

12,4%

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing3

28

16

45

74

181

242

53,9%

Kamerverhuurvrijstelling

11

11

11

11

10

10

‒ 1,2%

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

946

934

1.011

916

930

871

‒ 1,6%

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

25

24

24

20

20

20

‒ 4,4%

Vrijstelling groen beleggen box 3

47

46

44

39

38

35

‒ 5,7%

Heffingskorting groen beleggen box 3

29

28

27

25

22

19

‒ 8,2%

Heffingvrij vermogen box 3

1.456

1.580

1.149

913

892

864

‒ 9,9%

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

35

35

37

36

37

37

1,4%

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

1.645

1.652

1.745

1.796

1.765

1.686

0,5%

Extra zelfstandigenaftrek starters

95

96

102

106

106

108

2,5%

Meewerkaftrek

8

8

8

8

8

8

‒ 0,9%

Stakingsaftrek

14

15

16

16

15

15

1,6%

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

6

6

6

6

‒ 2,2%

Willekeurige afschrijving starters

8

8

8

8

8

8

‒ 1,6%

Doorschuiving stakingswinst

246

252

264

274

278

283

2,9%

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

98

100

102

104

106

108

2,0%

Mkb-winstvrijstelling

1.545

1.688

1.840

1.978

2.064

2.065

6,0%

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

17

19

18

18

18

17

0,4%

Innovatiebox

1.264

1.376

1.554

1.496

1.603

1.561

4,3%

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

338

362

382

400

394

386

2,7%

Energie-investeringsaftrek (EIA)

107

144

135

160

147

147

6,6%

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

102

108

114

139

114

124

4,0%

VAMIL

30

20

27

19

25

25

‒ 3,6%

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

120

120

120

119

117

‒ 0,5%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.599

1.293

1.329

1.337

1.364

1.336

‒ 3,5%

Bosbouwvrijstelling

3

2

0

1

1

1

‒ 19,1%

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

7

7

7

11

10

10,0%

OVB Vrijstelling cultuurgrond

110

114

118

123

128

133

3,9%

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

16

16

16

16

17

0,7%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

429

422

421

421

421

421

‒ 0,4%

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

203

207

211

215

219

223

2,0%

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

6

6

7

8

9

9

9,2%

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

154

n.v.t.

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

769

1.208

1.182

1.074

1.237

1.281

10,7%

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

25

23

24

23

‒ 3,3%

30%-regeling

806

850

968

1.056

1.143

1.186

8,0%

Afdrachtvermindering zeevaart

113

112

108

108

108

108

‒ 0,8%

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

114

115

118

122

122

123

1,6%

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

22.399

19.704

19.687

19.940

21.816

23.789

1,2%

Arbeidskorting

12.968

17.276

18.323

18.966

18.752

21.084

10,2%

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1.596

1.932

1.981

2.027

1.743

1.752

1,9%

Jonggehandicaptenkorting

179

178

178

178

180

182

0,3%

Alleenstaande ouderenkorting

520

516

509

481

452

456

‒ 2,6%

Ouderenkorting

2.484

2.756

2.965

3.243

3.698

3.749

8,6%

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

106

125

128

116

136

160

8,6%

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

26

25

29

29

30

31

3,8%

Teruggaaf energie-intensieve industrie

5

5

6

7

8

8

12,3%

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

1

2

4

7

132,5%

Salderingsregeling

83

100

140

199

249

307

29,9%

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

42

44

83

89

98

129

25,0%

Belastingvermindering per aansluiting

2.471

2.493

2.441

2.443

2.039

3.450

6,9%

Omzetbelasting

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

7.267

7.491

7.983

8.378

6.964

7.235

‒ 0,1%

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.568

1.532

1.684

1.678

1.379

1.416

‒ 2,0%

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

970

978

1.173

1.217

997

1.042

1,4%

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

1.216

923

938

997

822

846

‒ 7,0%

Verlaagd tarief overig

1.856

1.918

2.087

2.182

1.841

1.942

0,9%

Kleineondernemersregeling

141

152

159

177

192

208

8,1%

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

2

3

4

10

13

20

67,9%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

5

8

12

19

39

65

64,2%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

39

60

84

149

236

319

52,3%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

805

723

510

374

88

n.v.t.

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

38

54

90

74

80

n.v.t.

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

49

46

48

50

46

45

‒ 1,6%

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

12

15

13

15

14

13

1,6%

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

25

25

25

27

27

28

2,6%

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

765

801

826

873

924

966

4,8%

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

15

15

15

15

15

16

1,9%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

48

51

58

64

70

76

9,5%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

25

22

19

17

15

13

‒ 12,4%

MRB Kwarttarieven

125

133

141

152

161

170

6,3%

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

32

37

38

35

34

1,5%

Assurantiebelasting

Vrijstelling Brede Weersverzekering

6

n.v.t.

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

X Noot
2

Als de regeling nog niet bestond in 2015 of het budgettair belang van 2015 is niet bekend, is de gemiddelde jaarlijkse groei gegeven vanaf het jaar dat de regeling bestaat.

X Noot
3

Budgettair belang middelingsregeling en vermindering verhuurderheffing is op kasbasis.

De interpretatie van de gepresenteerde cijfers vergt aandacht. De recht gedrukte cijfers zijn schattingen van het budgettaire belang die gebaseerd zijn op concreet bronmateriaal over het gebruik van een regeling. Meestal betreft dit realisatiecijfers die volgen uit de aangiftegegevens van de Belastingdienst. Deze cijfers zijn in redelijke mate een definitieve inschatting van het budgettaire belang. De cursieve cijfers zijn ramingen. Hierbij is (nog) geen (volledige) informatie beschikbaar voor dat jaar en is op basis van aannames of trendramingen het budgettaire belang bepaald. Over de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek zijn bijvoorbeeld tot en met 2016 aangiftegegevens beschikbaar, waarmee het budgettaire belang kan worden geschat – deze cijfers staan recht gedrukt. De groei van het gebruik van de regeling na 2016 wordt verondersteld gelijk te zijn aan de groei van de investeringen in vaste activa en op basis van deze aanname worden de ramingen voor de jaren vanaf 2017 gemaakt – deze cijfers staan cursief.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld in de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen». In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen kwantitatieve informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. Doordat belastingplichtigen meerdere aftrekposten kunnen hebben, is met deze wijze van berekenen het budgettaire belang van de aftrekposten feitelijk niet optelbaar.30 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval dat een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen.

Box 9.3.1 Aftrekbaarheid en marginaal tarief

De berekening van het budgettaire belang van aftrekposten in de inkomstenbelasting verdient nadere toelichting. Burgers kunnen aftrekposten in de belastingaangifte aftrekken van het inkomen, waardoor het belastbaar inkomen en de te betalen inkomstenbelasting dalen. De waarde van een aftrekpost is afhankelijk van het marginale tarief, dat doorgaans stijgt met het inkomen. Ter illustratie: iemand die in een jaar € 100.000 verdient, betaalt over de laatste euro die hij verdient in 2020 49,5% belasting (het tarief in de hoogste belastingschijf). Dit is zijn of haar marginale tarief. Als deze persoon een aftrekpost van 1 euro heeft, hoeft hij dus 49,5 eurocent minder belasting te betalen. Voor iemand die € 20.000 verdient in een jaar, is dezelfde aftrekpost van 1 euro, 37,35 eurocent waard, omdat deze persoon over de laatste euro 37,35% belasting betaalt in 2020 (het tarief in de eerste belastingschijf).

Sinds 2014 wordt de algemene heffingskorting afgebouwd voor hogere inkomens, wat ook doorwerkt in het marginale tarief. Mensen met een inkomen dat op dit moment in de tweede of derde schijf valt, betalen over de laatste euro inkomen het belastingtarief van de schijf waar ze in zitten en daar bovenop enkele centen doordat ze minder algemene heffingskorting krijgen. Dit afbouwpercentage was 2% in 2014 en bedraagt 5,672% in 2020. Hierdoor stijgt het marginale tarief en daarmee ook de waarde van aftrekposten in de inkomstenbelasting.

Bij het bepalen van het budgettaire belang van aftrekposten, moet dus per persoon worden gekeken tegen welk marginaal tarief de aftrekpost wordt verrekend. Wanneer de tarieven of de grenzen van de belastingschijven worden aangepast, leidt dit tot een verandering van het budgettaire belang van aftrekposten. Deze verandering is het gevolg van gevoerd beleid en wordt in tabel 10.2.1 meegenomen in de kolom ‘beleid’.

Vanaf 2020 gaat de maatregel in waarbij bepaalde aftrekposten in de vierde schijf niet meer tegen het reguliere tarief worden verrekend, zie de paragraaf ‘Tariefmaatregel grondslagverminderende posten’. Ook worden de huidige eerste, tweede en derde schijf samengevoegd. Hierdoor worden vanaf 2023 de betreffende aftrekposten voor het hele inkomen nog maar tegen één belastingtarief verrekend en zorgt alleen de afbouw van de algemene heffingskorting nog voor verschillen in de waarde van deze aftrekposten tussen inkomens.

9.4 Beleidsmaatregelen

Tabel 9.4.1 bevat een overzicht van de beleidsmaatregelen die betrekking hebben op de hiervoor gepresenteerde fiscale regelingen, zoals besloten sinds de vorige Miljoenennota. Voor een inhoudelijke uitleg van de maatregelen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de betreffende wetsvoorstellen.

Tabel 9.4.1 Fiscale beleidsmaatregelen, budgettair belang op transactiebasis in vaste prijzen (x € miljoen)1

2019

2020

structureel

Nota’s van wijziging Belastingplan 2019

Overgangsrecht verkorting maximale looptijd 30%-regeling

‒ 369

‒ 337

54

Verlagen budget Vamil

7

7

7

Verhogen budget MIA

‒ 7

‒ 7

‒ 7

Pakket Belastingplan 2020

Introduceren vrijstelling assurantiebelasting brede weersverzekering

‒ 6

‒ 7

Toepassen verlaagd btw-tarief op elektronische uitgaven

‒ 30

‒ 30

Stapsgewijze oploop bijtelling elektrische voertuigen

22

0

Aanpassen vaste voet BPM elektrische voertuigen

0

Aanpassen MRB elektrische voertuigen

0

Aanpassen MRB bestelauto’s

42

Verhogen belastingvermindering per aansluiting

‒ 1.425

‒ 1.697

Eenmalig verhogen budget MIA

‒ 10

0

Verlagen zelfstandigenaftrek

50

450

Verminderen verhuurderheffing nieuwbouw

‒ 100

‒ 100

Vrijstelling verhuurderheffing tijdelijke nieuwbouw

0

Verhogen algemene heffingskorting

‒ 720

‒ 740

Verhogen arbeidskorting

‒ 800

‒ 2.150

X Noot
1

[+] = opbrengst, het budgettaire belang van de regeling neemt af; [–] = derving, het budgettaire belang van de regeling neemt toe.

Naast deze maatregelen hebben ook enkele tariefsmaatregelen invloed op het budgettaire belang van fiscale regelingen. Het effect van specifieke en algemene beleidsmaatregelen op het budgettaire belang in 2018 tot en met 2020 is terug te vinden in de bijlage "Toelichting op de fiscale regelingen".

Maatregelen mobiliteit klimaatakkoord

De bedragen die in deze tabel staan wijken af van de bedragen die in het Belastingplan staan. In het Belastingplan staan bedragen van het integrale pakket aan maatregelen binnen het autodomein, inclusief doorwerkingen van/naar andere belastingsoorten binnen het autodomein (bijtelling, MRB, BPM, accijnzen). De bedragen in deze tabel zien alleen op het effect van de maatregelen op het budgettaire belang van de afzonderlijke fiscale regelingen. Als de stimulering stopt, is er geen belastinguitgave meer, maar de maatregelen kunnen structureel wel een effect hebben op het wagenpark, wat zichtbaar is in de tabellen in het Belastingplan.

Tariefmaatregel grondslagverminderende posten

Op 1 januari 2020 gaat een tariefmaatregel in waardoor het belastingvoordeel van bepaalde grondslagverminderende posten (vanaf hier: aftrekposten) voor hogere inkomens stapsgewijs wordt afgebouwd. De afbouw van het aftrektarief heeft invloed op het budgettaire belang van deze posten. De tariefmaatregel houdt in dat de betreffende aftrekposten in de hoogste tariefschijf niet meer aftrekbaar zijn tegen het reguliere tarief, maar tegen een alternatief (lager) tarief. Dit aftrektarief wordt stapsgewijs afgebouwd van 46% in 2020 tot 37,10% in 2023. Vanaf 2023 kan de gehele aftrekpost worden afgetrokken tegen het dan geldende basistarief. Een beperkt aftrektarief geldt sinds 2014 al voor de aftrek van rente en kosten voor de eigen woning. De afbouw van dat aftrektarief wordt per 2020 versneld en gaat vanaf dat moment ook gelden voor bepaalde andere aftrekposten, namelijk voor de ondernemersaftrek, de MKB-winstvrijstelling, de terbeschikkingstellingsvrijstelling en de persoonsgebonden aftrek. Aangezien de tariefmaatregel alleen in de hoogste schijf van toepassing is, heeft de tariefmaatregel alleen effect op belastingplichtigen die een belastbaar inkomen uit werk en woning (vóór toepassing van de genoemde aftrekposten) hebben van meer dan € 68.507 (in 2020).

Tabel 9.4.2 Ontwikkeling beperken aftrektarief 2019 t/m 2023

2019

2020

2021

2022

2023

Regulier tarief hoogste schijf

51,75%

49,50%

49,50%

49,50%

49,50%

Maximaal aftrektarief aftrekbare kosten eigen woning

49,00%

46,00%

43,00%

40,00%

37,10%

Maximaal aftrektarief andere grondslagverminderende posten

51,75%

46,00%

43,00%

40,00%

37,10%

De gevolgen van deze maatregel worden bij de betreffende aftrekposten zichtbaar in de beleidsmatige ontwikkeling van het budgettaire belang. Door de tariefmaatregel wordt het voordeel van deze posten kleiner voor mensen met een inkomen in de hoogste schijf, waardoor het budgettaire belang van deze posten daalt.

9.5 Benchmarktoets en opvallende ontwikkelingen

Tabel 9.5.1 biedt inzicht in een aantal opvallende (endogene) ontwikkelingen in de ramingen van fiscale regelingen. De tabel presenteert de raming van het budgettaire belang dat voor 2017 werd geraamd bij de start van dit kabinet in de Miljoenennota 2018 (de benchmark). Vervolgens wordt de bijstelling van de raming voor 2017 vermeld. Deze bijstelling werkt door in de raming voor de kabinetsjaren. Vervolgens wordt de absolute endogene groei en de gemiddelde procentuele endogene groei per jaar tussen 2017 en 2020 gegeven. De tabel bevat alleen de fiscale regelingen waarbij de geraamde endogene ontwikkeling in die periode gemiddeld (absoluut) groter dan 8% per jaar is en/of de bijstelling voor 2017 (absoluut) groter dan 8% is. Bijstellingen kleiner dan € 5 miljoen zijn buiten beschouwing gelaten, evenals bijstelling van gebudgetteerde regelingen.

9.5.1 Toelichting mutatie ten opzichte van benchmark 2017 (x € miljoen)1

Benchmark 2017

Bijstelling 2017

Bijstelling in %

Endogeen 2018-2020

Endogeen in % per jaar

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

212

21

9,9%

21

3,0%

Aftrek uitgaven monumentenpanden

57

16

28,4%

5

2,2%

FOR aftrek

160

28

17,6%

14

2,5%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

574

‒ 55

‒ 9,6%

64

4,0%

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 460

62

‒ 13,5%

‒ 45

3,7%

Hypotheekrenteaftrek

10.648

1.075

10,1%

‒ 1.370

‒ 4,1%

Aftrek financieringskosten eigen woning

280

‒ 66

‒ 23,7%

‒ 37

‒ 6,2%

OVB Verlaagd tarief woning

2.944

‒ 490

‒ 16,6%

411

5,3%

Vermindering verhuurderheffing

23

22

95,7%

31

19,2%

Mkb-winstvrijstelling

1.635

205

12,5%

441

7,4%

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

219

19,8%

63

1,6%

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

383

38

9,9%

0

0,0%

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

24

5

23,2%

‒ 5

‒ 6,2%

EB Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

0

100,0%

6

108,4%

EB Salderingsregeling

120

20

16,7%

138

25,7%

EB en kolenbelasting Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

12

16,6%

0

0,0%

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.568

‒ 396

‒ 25,2%

88

2,4%

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

660

278

42,1%

114

3,9%

BTW Verlaagd tarief overig

1.877

209

11,1%

320

4,9%

BTW Kleineondernemersregeling

160

‒ 1

‒ 0,4%

49

9,4%

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

4

0

10,8%

18

77,7%

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

12

0

0,0%

53

76,8%

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

86

‒ 2

‒ 2,3%

263

60,5%

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

529

‒ 19

‒ 3,6%

‒ 305

‒ 26,2%

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

51

39

78,1%

0

0,0%

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

58

0

0,0%

21

10,6%

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

19

0

0,0%

‒ 6

‒ 12,0%

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

Het budgettaire belang wordt afgezet tegen de aan het begin van de kabinetsperiode verwachte ontwikkeling. Hierbij ligt de nadruk op de endogene ontwikkeling en niet op de ontwikkelingen die volgen uit beleidsmaatregelen. Hieronder wordt een aantal posten waarbij er een aanwijsbare oorzaak is voor de opvallende ontwikkeling, nader toegelicht.

Algemeen

Vanaf vorig jaar is de berekening van het budgettaire belang van de aftrekposten in de inkomstenbelasting gewijzigd. Het effect van de algemene heffingskorting op het verzilveren van het fiscale voordeel is nu consistent bij al deze regelingen berekend op basis van aangiftecijfers van de Belastingdienst. Dit beïnvloedt de berekende gemiddelde marginale tarieven. De omvang van dit effect verschilt sterk tussen de regelingen en heeft in slechts een paar gevallen geleid tot een substantiële bijstelling van de raming.

Aftrek voor scholingsuitgaven

In plaats van een verwachte daling van de kosten van de aftrek scholingsuitgaven in 2017 blijkt het gebruik van de aftrekregeling in 2017 juist behoorlijk te zijn toegenomen. Hiervoor is geen duidelijke oorzaak aan te wijzen. In de jaren 2018-2020 is een jaarlijkse toename van 3% verondersteld en is rekening gehouden met de effecten van wijzigingen in de primaire heffingsstructuur.

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek en belaste uitkering

De raming van het budgettaire belang van de premieaftrek en de belaste uitkering in het kader van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen is vorig jaar reeds omlaag bijgesteld ten opzichte van de raming voor 2017 in Miljoenennota 2018. Dit kwam met name door een wijziging in de ramingsmethode. Voor de ramingsjaren na het laatste realisatiejaar is op een andere, lagere raming van de groeivoet overgestapt. Voorheen werd aangenomen dat de premieontwikkeling de groei van de pensioenpremie volgt. Inmiddels is de realisatie over 2017 bekend en blijkt juist een daling ten opzichte van voorgaande jaren op te treden. Voor ramingsjaren wordt nu de loonontwikkeling gebruikt als voorspeller.

Hypotheekrenteaftrek

Het budgettaire belang van de hypotheekrenteaftrek was in 2017 hoger dan eerder in Miljoenennota 2018 was geraamd. Dit komt voornamelijk door een technische bijstelling in de ramingsmethode; de doorwerking naar de heffingskortingen en het wel of niet kunnen verzilveren van de hypotheekrenteaftrek werd voorheen niet integraal doorgerekend. In de berekeningen in Miljoenennota 2018 werd nog niet integraal rekening gehouden met het feit dat de afbouw van heffingskortingen bij een hoger inkomen, effectief leidt tot een hoger marginaal tarief waartegen aftrekposten kunnen worden afgetrokken. Het meenemen in de raming van deze doorwerking zorgt voor een opwaartse bijstelling van het geraamde budgettaire belang. Daarnaast was de endogene daling iets minder sterk dan geraamd; tegenover de verwachte daling van de hypotheekrentetarieven stond ook een wat sterkere stijging van de huizenprijzen.

Financieringskosten eigen woning

Het budgettaire belang van de aftrek van financieringskosten voor de eigen woning in 2017 is aanzienlijk lager dan in Miljoenennota 2018 was geraamd. In 2015 toonde deze aftrekpost een zeer sterke stijging, vermoedelijk vooral vanwege de grote toename van zogenoemde ‘boeterentes’. Doordat het verschil tussen de uitstaande - en nieuwe hypotheekrentetarieven behoorlijk opliep, werd het relatief aantrekkelijker om een lopend hypotheekcontract open te breken. Vandaar dat voor de jaren erna een verdere oploop van deze aftrekpost was geraamd. Een verdere groei bleef echter uit. Volgens de Nederlandsche Bank was het verschil van de uitstaande - en de nieuwe hypotheekrentetarieven in 2016 vrijwel gelijk aan 2015, in de jaren erna nam dit verschil af. Vandaar dat ook voor de jaren 2017 en verder een daling van de aftrekpost wordt geraamd.

OVB verlaagd tarief voor woningen

De neerwaartse bijstelling van de budgettaire reeks voor het verlaagd OVB-tarief voor woningen is het gevolg van een technische bijstelling. Ten behoeve van de raming vanuit de totale kasontvangsten van de overdrachtsbelasting wordt een onderverdeling geraamd voor het deel van de overdrachtsbelasting dat is toe te rekenen aan woningen en het deel niet-woningen. Op basis van onder meer recente gegevens van het Kadaster is de verhouding van het aandeel van woningen verlaagd en het aandeel van niet-woningen verhoogd. Hierdoor wordt het budgettaire belang van het verlaagde tarief van woningen (2%) ten opzichte van niet-woningen (6%) lager.

Vermindering verhuurderheffing

Voor de jaren 2014 tot en met 2021 is in totaal € 698,5 miljoen beschikbaar voor de heffingsvermindering voor de aanpak van urgente maatschappelijke opgaven en de heffingsvermindering voor de bouw van goedkope huurwoningen. In april 2018 was voor ongeveer € 800 miljoen aan heffingsvermindering aangemeld. Rekening houdend met het feit dat niet alle aanvragen tot realisatie leiden, is de regeling per 1 juli 2018 stopgezet om te voorkomen dat het totale beschikbare budget overschreden wordt. De heffingsvermindering wordt echter pas na realisatie definitief toegekend. Dit verklaart de geringe bedragen vanaf 2014 en de substantiële oploop vanaf 2017. De ramingen voor 2019 en 2020 zijn gebaseerd op de aangemelde investeringen, een inschatting van de mate waarin al deze investeringen worden geëffectueerd en het verwachte tempo daarvan. Tot en met 2020 wordt ten aanzien van voornoemde heffingsverminderingen een totaal aan definitieve heffingsvermindering verwacht van € 532 miljoen.

MKB-winstvrijstelling

Het totaal aangegeven bedrag aan MKB-winstvrijstelling stijgt al sinds 2012 met meer dan 10% per jaar. Op grond van de voorlopige stand van de aangiften voor 2017 wordt het budgettaire belang van deze regeling in dat jaar € 72 miljoen hoger geraamd dan vorig jaar werd verwacht. Op grond van deze ontwikkeling wordt voor de jaren 2018-2020 een groei van gemiddeld 7,5% per jaar verondersteld, terwijl in de vorige Miljoenennota nog was aangenomen dat het budgettaire belang van de mkb-winstvrijstelling na 2016 met 5% per jaar zou groeien.

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Reguliere waardestijgingen van landbouwgrond (WEVAB) zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting door de landbouwvrijstelling. Op basis van recente aangiftecijfers heeft het budgettaire belang van de landbouwvrijstelling een uitschieter naar boven in 2015. Dit is vermoedelijk het gevolg van landbouwers die in 2015 hun grond hebben geherwaardeerd. In 2016 is het budgettaire belang weer aanzienlijk lager. Aangenomen wordt dat het budgettaire belang na 2016 meegroeit met de gemiddelde waardestijging van landbouwgrond.

Energiebelasting

De budgettaire omvang van de salderingsregeling in de energiebelasting blijft hard groeien. Het budgettaire belang van de regeling is omhoog bijgesteld op basis van de prognose uit de Nationale Energieverkenning 2017 dat kleinverbruikers meer zonne-energie opwekken dan ten tijde van het ramen van de benchmark werd ingeschat. In het Klimaatakkoord is aangekondigd om de salderingsregeling vanaf 2023 fiscaal te gaan begrenzen.

Ook het budgettaire belang van het verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie kent een forse endogene ontwikkeling. Uit de Lokale Energiemonitor 2018 van HIER opgewekt blijkt namelijk dat het aantal nieuwe postcoderoosprojecten jaarlijks in absolute zin toeneemt. Het is de verwachting dat deze groei zich komend jaar verder zal doorzetten.

In de energiebelasting zijn ook de teruggaaf kerkgebouwen en non-profit en de vrijstelling voor energie-intensieve processen opwaarts bijgesteld ten opzichte van de benchmark, zoals ook in Miljoenennota 2019 gemeld. De realisatiecijfers van de teruggaafregeling zijn door de Belastingdienst naar boven bijgesteld voor het jaar 2017. De toename van de vrijstelling voor energie-intensieve processen valt grotendeels te verklaren doordat vanaf vorig jaar in de raming rekening is gehouden met een aanvullende vrijstelling voor metallurgische procedés. Ten onrechte is toen aangenomen dat alle vrijstellingen de hele periode van kracht waren, terwijl de vrijstelling aardgas voor mineralogische en metallurgische procedés pas per 1 januari 2017 is geïntroduceerd. Dit jaar hebben we hiervoor gecorrigeerd en rapporteren we een lager budgettair belang in 2015 en 2016.

Btw-posten verlaagd tarief

De ramingen voor het verlaagde tarief in de btw zijn op de Nationale Rekeningen gebaseerd. In 2018 heeft het CBS een revisie doorgevoerd van de Nationale Rekeningen. Door de revisie is onder meer een herschikking van consumptiecategorieën doorgevoerd. Hierdoor is bij drie btw-posten sprake van een technische bijstelling ten opzichte van de benchmark. De consumptie van culturele goederen en diensten is met circa € 2 miljard neerwaarts bijgesteld, waardoor het budgettaire belang ongeveer € 300 miljoen omlaag is gebracht. Bij de arbeidsintensieve diensten bedraagt de technische bijstelling van het budgettaire belang circa € 250 miljoen opwaarts. De post verlaagd tarief ‘overig’ is € 150 miljoen opwaarts bijgesteld, als gevolg van een revisie bij het onderdeel logiesverstrekking. Bovengenoemde bijstellingen zijn al in Miljoenennota 2019 gerapporteerd.

Btw Kleineondernemersregeling

De stijging van de kosten van de KOR wordt enerzijds veroorzaakt door een toename belastingplichtigen die aangifte omzetbelasting doen en gebruik maken van de KOR, anderzijds door een aanzienlijke jaarlijkse toename van het aantal zonnepaneelhouders.

Auto

Door de opkomst van elektrisch rijden in Nederland, loopt het budgettaire belang van de fiscale regelingen op dit gebied ten opzichte van 2017 elk jaar op. Dit is ook vorig jaar geconstateerd. In 2018 zijn met name aan het einde van het jaar nog veel elektrische auto’s verkocht in anticipatie op de invoering van de cap in de bijtelling per 2019. Dit werkt voor de bijtelling door in de jaren na 2018 doordat auto’s gemiddeld circa vier jaar in de bijtelling zitten. De raming is verbeterd ten opzichte van vorig jaar doordat er nu rekening mee gehouden wordt dat nieuwe auto’s verspreid over het jaar de lease in gaan. Voor zuinige auto’s is de korting op de bijtelling afgeschaft per 2016 met overgangsrecht, waardoor het budgettaire belang geleidelijk afneemt. De teruggaaf van BPM voor taxi’s en openbaar vervoer kende een uitschieter naar boven in 2017 door met name de verkoop van bestelauto’s op aardgas die een hoge BPM hebben. Het budgettaire belang is weer terugzakt naar een lager niveau in 2018 dan in 2017, maar is nog wel hoger dan in 2016. De teruggaafregeling voor taxi’s wordt afgeschaft in 2020. De teruggaafregeling wordt gerespecteerd voor voertuigen die vóór 2020 gekocht zijn, waardoor in 2018 en 2019 waarschijnlijk extra aankopen (anticipatie-effecten) zullen plaatsvinden.

9.6 Evaluaties

In deze paragraaf wordt verslag gedaan van de voltooide evaluaties naar doelmatigheid en doeltreffendheid van regelingen in het fiscale domein sinds de Miljoenennota 2019. Op hoofdlijnen wordt aandacht geschonken aan de conclusies en eventuele beleidsconsequenties die het kabinet heeft getrokken op basis van de uitgevoerde evaluaties. Verder komt de evaluatieprogrammering voor de periode 2019-2022 aan bod.

Gerealiseerde evaluaties sinds de Miljoenennota 2019

In oktober 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën de evaluatie Teruggaafregeling LNG in de accijnzen aan de Tweede Kamer aangeboden.31 In het rapport wordt ingegaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van de teruggaafregeling LNG. Sinds 1 januari 2014 werd een gedeeltelijke teruggaaf van accijns verleend voor LNG, namelijk € 125 per 1.000 kg. De teruggaafregeling had als doel het gebruik van LNG te stimuleren vanwege de positieve milieueffecten ten opzichte van diesel en zou door middel van een horizonbepaling aflopen op 31 december 2018. Het rapport concludeert dat de teruggaafregeling gedeeltelijk doeltreffend is geweest. De regeling heeft in het begin bijgedragen aan een positieve businesscase. Het uiteindelijke aantal LNG-trucks, was echter fors lager dan verwacht. De meerkosten van een LNG-truck ten opzichte van een Euro VI dieseltruck waren na 5 jaar terugverdiend. Zonder teruggaafregeling zou een LNG-truck binnen 6,9 jaar worden terugverdiend. De levensduur van een truck is gemiddeld 7 jaar, waardoor de teruggaafregeling nauwelijks een economische prikkel gaf om op LNG te gaan rijden. Uit het rapport bleek dat de milieuvoordelen van LNG-trucks relatief beperkt zijn ten opzichte van dieseltrucks. Uit de kosteneffectiviteitsanalyse bleek dat de maatschappelijke kosten van het rijden, waarbij ook rekening wordt gehouden met de accijnsderving door het lagere tarief dat van toepassing is op LNG, altijd (fors) hoger liggen dan de baten van de daarmee behaalde milieuwinst. Dit geldt niet wanneer volledig op bioLNG zou worden gereden. Dit is voor veel ondernemers echter nog geen optie voor de komende jaren. Daarom zag het kabinet geen reden om het gebruik van LNG nog langer te stimuleren via een korting op de accijns en is de teruggaafregeling niet verlengd .

In november 2018 heeft de Minister van VWS het onderzoeksrapport en de kabinetsreactie omtrent de wettelijke vrijstelling van pleegvergoedingen naar de Kamer gestuurd.32 In het kader van het Actieplan Pleegzorg33 is in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een onderzoek uitgevoerd naar de financiële aspecten rondom pleegzorg. De wettelijke vrijstelling van pleegvergoedingen is per 1 januari 2013 uitgebreid naar een vrijstelling van pleegvergoedingen ongeacht het aantal pleegkinderen dat in het pleeggezin wordt opgevangen. De uitbreiding van de vrijstelling per 2013 naar ook pleeggezinnen met meer dan drie pleegkinderen is aanleiding geweest om een horizonbepaling van vijf jaar – en aansluitend een evaluatie – aan de vrijstelling te koppelen. Doel van de horizonbepaling was om te bezien wat de gevolgen zijn van de vrijstelling, met name de uitbreiding per 2013 naar pleegouders met meer dan drie pleegkinderen. Met de vrijstelling is het ook bij deze groep pleegouders niet langer nodig te onderzoeken of sprake is van een bron van inkomen. Uit de evaluatie van de vrijstelling van pleegvergoedingen komt naar voren dat de uitbreiding geen aanzuigende werking heeft gehad met betrekking tot het aantal pleeggezinnen met meer dan drie pleegkinderen. Ook komt naar voren dat de mate waarin pleegouders met meer dan drie pleegkinderen wel of niet uitkomen met de pleegvergoedingen geen ander beeld geeft dan voor ouders met drie of minder pleegkinderen. Op basis hiervan acht het kabinet het niet langer nodig om de positie van pleegouders met meer dan drie pleegkinderen apart te monitoren. Hoewel uit het onderzoek en de evaluatie naar voren komt dat kosten en vergoedingen niet altijd op elkaar aansluiten is dat voor het kabinet geen reden om de vrijstelling in de inkomstenbelasting als zodanig te laten vervallen. Een zeer belangrijke overweging hierbij is het in stand kunnen houden van voldoende pleegzorgouders. Het afschaffen van de vrijstelling zou naar de mening van het kabinet hier haaks op staan. Uit de evaluatie volgt dat de vrijstelling in positieve zin bijdraagt aan het voorkomen van administratieve lasten bij pleegouders. Daarnaast beperkt de vrijstelling de werklast bij de Belastingdienst. De vrijstelling voorkomt immers dat de Belastingdienst een onderzoek moet instellen of bij pleegouders sprake is van een bron van inkomen. De evaluatie is aanleiding geweest om via een nota van wijziging bij Belastingplan 2019 de vrijstelling van pleegvergoedingen met ingang van 1 januari 2019 structureel te maken en de horizonbepaling voor deze vrijstelling te laten vervallen.

Uit de evaluatie van de Middelingsregeling, die in december 2018 is aangeboden aan de Tweede Kamer,34 blijkt dat jaarlijks circa 50.000 belastingplichtigen (waarvan 40% IB-ondernemers) gebruik maken van deze regeling, die een budgettair beslag heeft van circa € 80 miljoen. Het doel van de regeling is het voorkomen van een progressienadeel als gevolg van sterk fluctuerende inkomens. De conclusie van de evaluatie is dat de doeltreffendheid van de middelingsregeling beperkt is. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. Ten eerste wordt de regeling weinig benut. Gemiddeld 85% van de belastingplichtigen die recht hebben op een middelingsteruggave maakt er geen gebruik van. Naar de oorzaak van de lage benutting is geen onderzoek gedaan. Ten tweede compenseert de regeling niet voor het volledige progressienadeel dat ontstaat door sterk wisselende inkomens. Het feit dat een aantal heffingskortingen inkomensafhankelijk is, maakt dat de afbouw ervan leidt tot een extra progressienadeel. Doordat heffingskortingen uitgezonderd zijn voor toepassing van de middelingsregeling, kan dit nadeel niet worden gecompenseerd. Door de voorgenomen invoering van het tweeschijvenstelsel in 2021 zal naar verwachting het aantal gebruikers van de regeling dalen en zal een verschuiving plaats vinden van lagere- en midden inkomens naar hogere inkomens. Wat betreft de doelmatigheid geldt dat de regeling niet eenvoudig te gebruiken is door de burger en aanvragen niet eenvoudig te verwerken zijn door de Belastingdienst. De burger moet zelf initiatief nemen, gegevens verzamelen, een berekening maken en een verzoek indienen. Dit leidt tot administratieve lasten bij de burger van circa € 2 miljoen. De uitvoeringskosten voor de Belastingdienst zijn circa € 1,1 miljoen. De introductie van een applicatie door de Belastingdienst zal naar verwachting de toepassing en uitvoering van de regeling vereenvoudigen, voor zowel de burger als de Belastingdienst. In de evaluatie worden de voor- en nadelen van drie beleidsopties beschreven: de regeling onveranderd voort laten bestaan, de regeling aanpassen door de afbouw van de algemene heffingskorting erbij te betrekken, en de regeling afschaffen. De bevindingen uit het rapport worden betrokken bij het onderzoek naar bouwstenen voor stelselverbeteringen.

In april 2019 is de evaluatie van de WBSO aangeboden aan de Tweede Kamer.35 Uit de evaluatie is gebleken dat de WBSO een kostenefficiënte regeling is. De regeling wordt door het gros van de gebruikers gewaardeerd en heeft een aantoonbaar positief effect op de S&O-loonsom van bedrijven. Het is ook aannemelijk dat de WBSO – naast andere factoren – bijdraagt aan het vestigingsklimaat voor die bedrijven die hun S&O-activiteiten op internationale schaal organiseren («internationals»). In deze evaluatie zijn de economische opbrengsten van de extra S&O als gevolg van de WBSO niet vergeleken met de economische kosten van de WBSO (kosten-batenanalyse). De macro-doelmatigheid kan derhalve alleen worden benaderd. Wij concluderen dat als rekening wordt gehouden met spillovereffecten het aannemelijk is dat de baten van de WBSO groter zijn dan de kosten van de WBSO. In de evaluatieperiode 2011-2017 is de geschatte omvang van de korte termijn Bang For The Buck (BFTB) 0,7 en van de lange termijn 0,9. Dit is het directe effect van de WBSO op de S&O-loonsom. De enquêteresultaten en de literatuur geven aanwijzingen dat er daarbovenop spillovereffecten zijn. In de kabinetsreactie is conform de aanbeveling ingegaan op de rationale van de WBSO en is aangegeven dat aan het bestaande nieuwheidscriterium wordt vastgehouden vanwege de doelstelling van de WBSO om de private R&D over de volle breedte van het bedrijfsleven te bevorderen. Van de overige tien aanbevelingen is in de kabinetsreactie aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan. In het Belastingplan 2020 zijn reeds voorstellen opgenomen om conform een van de aanbevelingen en in lijn met de kabinetsreactie de aanvraagsystematiek te vereenvoudigen en te verkorten.

Evaluatieprogrammering 2019-2022

Hieronder wordt een overzicht gegeven van de evaluaties van fiscale regelingen die gepland staan voor de periode 2019-2022. Deze programmering is erop gericht om met een gerichte inzet van de beschikbare capaciteit relevante evaluaties af te leveren die voorzien in de informatiebehoefte van het parlement. De planning is afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen, zodat het beleid aan uitgaven- en inkomstenkant in de doorlichtingen integraal kan worden behandeld.

Voor evaluaties van fiscale regelingen zijn het Ministerie van Financiën en het betreffende vakdepartement beide verantwoordelijk. Als de invalshoek het (bredere) beleidsterrein van het departement is, ligt het voor de hand dat het vakdepartement het voortouw neemt. Als de invalshoek de fiscale wetgeving is, ligt het voor de hand dat het Ministerie van Financiën het voortouw neemt. Beide hebben een eigen verantwoordelijkheid en dus inbreng in de evaluatie.

Naast evaluaties van specifieke fiscale regelingen, is een aantal overkoepelende evaluaties gepland van de fiscale regelingen binnen een bepaalde belastingsoort. Deze evaluaties worden door het Ministerie van Financiën geïnitieerd en in samenwerking met betrokken departementen uitgevoerd.

In de bijlage «Toelichting op de fiscale regelingen» bij deze Miljoenennota is per regeling aangegeven wanneer de volgende evaluatie gepland staat.

Tabel 9.6.1. Evaluatieprogrammering 2019-20221

Evaluaties per departement

Begrotingsartikel

2019

2020

2021

2022

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Fiscale regelingen eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

X

Vermindering verhuurderheffing

3: Woningmarkt

X

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met FIN)

3: Woningmarkt

X

Financiën

Doorlichting fiscale evaluaties

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen overdrachtsbelasting

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

X

Vrijstellingen nettolijfrenten en nettopensioen (met SZW)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen assurantiebelasting

1: Belastingen

X

Eenmalige vrijstelling schenk- en erfbelasting t.b.v. de eigen woning (met BZK)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen BPM en MRB (met IenW)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen energiebelasting (met EZK)

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen erf- en schenkbelasting

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen kansspelbelasting

1: Belastingen

X

VPB vrijgestelde en fiscale beleggingsinstelling

1: Belastingen

X

Bankenbelasting

1: Belastingen

X

Fiscale regelingen ondernemerschap (met EZK)

1: Belastingen

X

Reisaftrek OV (met IenW)

1: Belastingen

X

Infrastructuur en Waterstaat

Fiscale regelingen groen beleggen

21: Duurzaamheid

X

Fiscale regelingen BPM en MRB (met FIN)

4: Wegen en verkeersveiligheid

X

Fiscale regelingen zeeschepen

18: Scheepvaart en Havens

(X)

Reisaftrek OV (met FIN)

16: Openbaar vervoer en Spoor

X

Economische Zaken en Klimaat

Innovatie-instrumenten

2: Bedrijvenbeleid: innovatief en duurzaam ondernemen

X

Start-upregelingen

2: Bedrijvenbeleid

X

Fiscale regelingen energiebelasting (met FIN)

4: Een doelmatige en duurzame energievoorziening

X

Fiscale regelingen bedrijfsopvolging2

2: Bedrijvenbeleid

X

Fiscale regelingen ondernemerschap (met FIN)

2: Bedrijvenbeleid

X

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Vrijstelling nettolijfrenten en nettopensioen (met FIN)

8: Oudedagsvoorziening

X

Arbeidskorting en Inkomensafhankelijke combinatiekorting

1: Arbeidsmarkt

X

Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Landbouwvrijstelling

11: Agro-, visserij- en voedselketens

X

X Noot
1

Afgeronde en naar de Kamer verzonden evaluaties zijn vetgedrukt.

X Noot
2

Zodra genoeg data beschikbaar is.

10 TOELICHTING OP DE FISCALE REGELINGEN

10.1 Inleiding

In deze bijlage worden de fiscale regelingen nader toegelicht. Voor elke regeling bevat de toelichting een korte beschrijving, de doelstelling, de ramingsgrond, het ministerie dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft en informatie over de laatst uitgevoerde en/of geplande beleidsevaluatie. Daarnaast zijn cijfers opgenomen over de verwachte ontwikkeling van het budgettaire belang van fiscale regelingen tussen 2017 en 2020.

Het overzicht van fiscale regelingen in deze bijlage is uitgebreider dan in de bijlage «Fiscale regelingen». Naast de regelingen die daar vermeld staan, bevat deze bijlage ruim twintig regelingen die in het verleden ook in die bijlage stonden, maar niet meer structureel worden gekwantificeerd, vanwege het beperkte beleidsmatige of budgettaire belang. Deze regelingen zijn verplicht op basis van Europese wet- en regelgeving of hebben een budgettair belang van kleiner dan € 5 miljoen.

Het departement dat bij elke regeling vermeld staat, is het departement dat verantwoordelijk is voor het beleidsterrein waar de regeling betrekking op heeft. De Staatsecretaris van Financiën en de bewindspersonen van het betreffende departement dragen ieder verantwoordelijkheid voor de regeling en de evaluatie daarvan, vanuit de invalshoek van hun eigen beleidsterrein. Het Ministerie van Financiën is hoofdverantwoordelijk voor de fiscale wetgeving, de uitvoering van het fiscale beleid en de budgettaire verantwoording. Conform de rijksbegrotingsvoorschriften wordt het budgettaire belang van de fiscale regelingen ook extracomptabel op de departementale begrotingen opgenomen.

Tenzij anders vermeld, hebben bedragen en tarieven in de toelichting betrekking op het belastingjaar 2020. De jaartallen onder het kopje ‘Evaluatie’ betreffen het beoogde jaar waarin de evaluatie wordt afgerond. De evaluatieprogrammering is afgestemd op de planning van de beleidsdoorlichtingen van het betreffende begrotingsartikelen. Bij de meeste regelingen waar geen evaluatie is voorzien in de komende jaren, staat vermeld dat deze in de periode 2023-2026 worden geëvalueerd. In enkele gevallen wordt geen evaluatie gepland, vanwege het beperkte beleidsmatige of budgettaire belang van de regeling. Dit geldt bijvoorbeeld voor de regelingen die verplicht zijn op basis van Europese wet- en regelgeving. In een aantal gevallen worden fiscale regelingen gezamenlijk geëvalueerd, zoals de regelingen in de energiebelasting in 2020.

De informatiebasis, ook wel ramingsgrond, verschilt van post tot post en staat per regeling vermeld. In het ene uiterste volgt het budgettaire belang direct uit de aangiften (zoals de afdrachtverminderingen voor de loonbelasting), in het andere uiterste is er geen enkele informatie over het feitelijke gebruik, omdat het gebruik niet hoeft te worden aangegeven (zoals bijvoorbeeld de doorschuifregeling voor stakingswinst) en ook cijfers van het CBS en andere gegevensbronnen weinig aanknopingspunten bieden voor een benadering van het budgettaire belang. Tussen deze twee uitersten zitten regelingen waarvan het budgettaire belang is berekend op basis van rekenregels, zoals bijvoorbeeld de aftrekposten in de inkomstenbelasting. De aftrekpost blijkt uit de belastingaangiften en het budgettaire belang wordt berekend door de belastingheffing met en zonder de aftrekpost met elkaar te vergelijken. Deze rekenregel impliceert dat voor elke aftrekpost wordt aangenomen dat die aftrekpost de laatste is. De bedragen van de aftrekposten zijn daarom feitelijk niet optelbaar.36 Er wordt ook op gewezen dat het hier vermelde budgettaire belang niet hetzelfde is als de opbrengst in het geval een regeling wordt afgeschaft. Het budgettaire belang geldt voor het feitelijke gebruik en houdt geen rekening met gedragseffecten als de regeling zou worden afgeschaft. Ook kan bij afschaffing sprake zijn van samenloop met andere regelingen. Bij regelingen die niet in de bijlage «Fiscale regelingen» zijn opgenomen, staat geen ramingsgrond vermeld.

10.2 Nadere uitsplitsing van de budgettaire ontwikkeling van fiscale regelingen

Tabel 10.2.1. Nadere toelichting mutatie ten opzichte van benchmark 2017 (x € miljoen)1

Benchmark 2017

2020 MN2020

Mutatie

waarvan bijstelling 2017

waarvan beleid 2018-2020

waarvan endogeen 2018-2020

Persoonsgebonden aftrek

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

212

238

26

21

‒ 16

21

Giftenaftrek inkomstenbelasting

362

377

15

15

‒ 35

34

Aftrek specifieke zorgkosten

282

256

‒ 26

‒ 5

‒ 21

0

Aftrek uitgaven monumentenpanden

57

16

‒ 62

5

Onderhoudsverplichtingen aftrek

336

280

‒ 56

‒ 17

‒ 39

0

Belaste ontvangen alimentatie

‒ 201

‒ 189

12

1

11

0

Inkomensvoorzieningen

Pensioen niet-belaste premie

19.178

21.108

1.930

‒ 742

‒ 1.006

3.677

Pensioen belaste uitkering

‒ 13.175

‒ 12.691

484

544

768

‒ 828

Pensioen vrijstelling box 3

7.288

7.427

139

‒ 73

0

212

Lijfrente premieaftrek

549

622

73

‒ 5

‒ 31

109

Lijfrente belaste uitkering

‒ 394

‒ 384

10

12

23

‒ 25

Lijfrente vrijstelling box 3

218

225

7

0

0

6

FOR aftrek

160

193

33

28

‒ 10

14

FOR belaste afneming

‒ 101

‒ 108

‒ 7

‒ 7

7

‒ 8

Arbeidsongeschiktheidsverzekering premieaftrek

574

555

‒ 20

‒ 55

‒ 29

64

Arbeidsongeschiktheidsverzekering belaste uitkering

‒ 460

‒ 420

40

62

23

‒ 45

Reisaftrek OV

10

9

‒ 1

‒ 1

0

0

Middelingsregeling

86

100

14

2

0

12

(Eigen) woning

Hypotheekrenteaftrek

10.648

9.532

‒ 1.115

1.075

‒ 820

‒ 1.370

Aftrek financieringskosten eigen woning

280

166

‒ 114

‒ 66

‒ 11

‒ 37

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

31

31

1

‒ 1

‒ 2

4

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

27

26

‒ 1

‒ 1

‒ 2

2

Eigenwoningforfait

‒ 3.280

‒ 3.241

39

‒ 50

196

‒ 107

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

631

614

‒ 17

1

‒ 96

79

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

190

190

0

0

0

0

OVB Verlaagd tarief woning

2.944

2.865

‒ 79

‒ 490

0

411

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Vermindering verhuurderheffing

23

242

219

22

166

31

Kamerverhuurvrijstelling

10

10

0

1

‒ 1

0

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

979

871

‒ 108

32

‒ 73

‒ 67

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

27

20

‒ 7

‒ 3

‒ 5

1

Vrijstelling groen beleggen box 3

41

35

‒ 6

3

‒ 4

‒ 5

Heffingskorting groen beleggen box 3

27

19

‒ 8

0

0

‒ 8

Heffingvrij vermogen box 3

1.160

864

‒ 296

‒ 11

‒ 135

‒ 150

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

37

0

‒ 2

3

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Zelfstandigenaftrek

1.720

1.686

‒ 34

25

‒ 272

212

Extra zelfstandigenaftrek starters

108

108

0

‒ 6

‒ 10

16

Meewerkaftrek

8

8

0

0

0

0

Stakingsaftrek

14

15

1

2

‒ 1

0

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

6

6

0

0

0

0

Willekeurige afschrijving starters

8

8

0

0

‒ 1

0

Doorschuiving stakingswinst

262

283

21

2

‒ 14

34

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

102

108

6

0

0

6

Mkb-winstvrijstelling

1.635

2.065

430

205

‒ 216

441

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

17

17

0

1

‒ 1

0

Innovatiebox

1.687

1.561

‒ 126

‒ 133

‒ 206

213

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

405

386

‒ 19

‒ 23

‒ 30

34

Energie-investeringsaftrek (EIA)

164

147

‒ 17

‒ 29

‒ 17

29

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

97

124

27

17

27

‒ 17

VAMIL

40

25

‒ 15

‒ 13

‒ 15

13

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

120

117

‒ 3

0

‒ 3

0

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

1.109

1.336

227

219

‒ 56

63

Bosbouwvrijstelling

5

1

‒ 5

‒ 5

0

1

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

6

10

4

1

‒ 1

4

OVB Vrijstelling cultuurgrond

118

133

14

0

0

14

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

16

17

0

0

0

0

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

383

421

38

38

0

0

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

211

223

12

0

0

12

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

7

9

3

1

0

2

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

0

0

0

Loonbelasting

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

1.205

1.281

76

‒ 23

‒ 42

141

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

29

23

‒ 6

‒ 4

0

‒ 2

30%-regeling

901

1.186

286

67

‒ 89

308

Afdrachtvermindering zeevaart

111

108

‒ 3

‒ 3

0

0

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

121

123

3

‒ 2

‒ 6

11

Heffingskortingen

Algemene heffingskorting

20.163

23.789

3.626

‒ 476

3.213

889

Arbeidskorting

18.207

21.084

2.877

116

1.079

1.682

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

2.003

1.752

‒ 251

‒ 22

‒ 207

‒ 22

Jonggehandicaptenkorting

178

182

4

0

0

4

Alleenstaande ouderenkorting

510

456

‒ 54

‒ 1

‒ 20

‒ 33

Ouderenkorting

2.971

3.749

778

‒ 6

617

167

Energiebelasting

Verlaagd tarief glastuinbouw

121

160

38

6

48

‒ 16

Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

24

31

8

5

7

‒ 5

Teruggaaf energie-intensieve industrie

6

8

2

0

2

0

Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

0

7

6

0

0

6

Salderingsregeling

120

307

187

20

29

138

Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

71

129

58

12

46

0

Belastingvermindering per aansluiting

2.493

3.450

957

‒ 52

1.015

‒ 6

Omzetbelasting

Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

8.069

7.235

‒ 834

‒ 87

‒ 1.741

993

Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

1.830

1.416

‒ 414

‒ 146

‒ 387

118

Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

1.568

1.042

‒ 526

‒ 396

‒ 219

88

Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

660

846

186

278

‒ 205

114

Verlaagd tarief overig

1.877

1.942

65

209

‒ 464

320

Kleineondernemersregeling

160

208

48

‒ 1

0

49

Auto

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

4

20

17

0

‒ 2

18

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

12

65

53

0

0

53

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

86

319

233

‒ 2

‒ 28

263

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

529

‒ 19

‒ 157

‒ 305

BPM Teruggaaf taxi's en openbaar vervoer

51

39

‒ 10

0

MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

48

45

‒ 3

0

‒ 7

5

BPM Teruggaaf diverse voertuigen

16

13

‒ 2

‒ 3

‒ 2

3

MRB Vrijstelling diverse voertuigen

25

28

3

0

0

3

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

834

966

132

‒ 8

0

140

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

15

16

1

0

0

1

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

58

76

18

0

‒ 3

21

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

19

13

‒ 6

0

0

‒ 6

MRB Kwarttarieven

142

170

28

‒ 1

0

29

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

38

34

‒ 4

‒ 1

0

‒ 3

Assurantiebelasting

Vrijstelling Brede Weersverzekering

6

0

6

0

X Noot
1

[-] = regeling is in dat jaar niet van toepassing; [0] = budgettair belang van de regeling bedraagt in dat jaar afgerond nihil.

De tabel presenteert de ontwikkeling tot en met 2020 inclusief de bijstelling ten opzichte van de benchmark. De benchmark is de raming voor het jaar 2017 ten tijde van de start van dit kabinet en is de basis voor de beoordeling van de ontwikkeling van de regelingen in de jaren die volgen. De kolom ‘Beleid 2018 ‒ 2020’ omvat alle maatregelen omtrent de regeling zelf en substantiële wijzigingen in de primaire heffingsstructuur (zoals het verleggen van een schijfgrens of het wijzigen van een tarief) die in die jaren invloed hebben op het budgettaire belang van de regeling. De kolom ‘Endogeen 2018 ‒ 2020’ geeft de ontwikkeling van het budgettaire belang ten gevolge van verwachte veranderingen in het gebruik van de regeling die niet het gevolg zijn van beleidsmaatregelen.

10.3 Toelichting individuele fiscale regelingen

Persoonsgebonden aftrek

Regeling:

Aftrek voor scholingsuitgaven (studiekosten)

Beschrijving:

Uitgaven boven € 250 ter zake van een opleiding of studie voor het verwerven van inkomen uit werk en woning kunnen onder voorwaarden worden afgetrokken. Het bedrag dat mag worden afgetrokken is, buiten de standaardstudieperiode, maximaal € 15.000. Als onderdeel van het Belastingplanpakket 2020 wordt voorgesteld de fiscale aftrek van scholingsuitgaven, conform de daarover gemaakte afspraak in het regeerakkoord af te schaffen. De inwerkingtreding van deze maatregel vindt plaats bij koninklijk besluit omdat de regeling ter vervanging van deze fiscale aftrek (de Subsidieregeling STAP-budget) in ieder geval niet eerder dan per 2021 kan worden ingevoerd. Dat betekent dus dat in 2020 de fiscale aftrek van scholingsuitgaven nog wordt gecontinueerd. Op grond van bestaand overgangsrecht (artikel 10a.16 Wet IB 2001) kunnen scholingsuitgaven die voor 1 juli 2015 zijn gedaan en die destijds niet tot aftrek leidden omdat recht bestond op een prestatiebeurs, alsnog (forfaitair) in aftrek kunnen worden gebracht als scholingsuitgaven indien in een jaar – na afloop van de diplomatermijn - de prestatiebeurs definitief niet wordt omgezet in een gift. Dit overgangsrecht zal, aansluitend bij de reguliere diplomatermijn van 10 jaar, uiterlijk tot en met het belastingjaar 2030 worden gehandhaafd.

Doelstelling:

Vergroten van de Nederlandse kennisinfrastructuur.

Ministerie:

OCW, artikel 4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

Evaluatie:

Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven, CPB, 2016. Notitie Evaluatie aftrekpost scholingsuitgaven. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgestelde afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Giftenaftrek inkomstenbelasting

Beschrijving:

Giften aan onder andere algemeen nut beogende instellingen (ANBI) zijn aftrekbaar. Periodieke giften geschieden op basis van een bij notariële of onderhandse akte vastgelegde verplichting om gedurende ten minste 5 jaren met onzekerheidsvereiste schenkingen te doen. Voor overige giften aan uitsluitend ANBI’s geldt een drempel van 1% en plafond van 10% van het verzamelinkomen. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s.

Doelstelling:

Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie giftenaftrek, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek specifieke zorgkosten

Beschrijving:

Bepaalde zorgkosten mogen worden afgetrokken. Hiervoor komt in aanmerking het deel van de kosten dat uitkomt boven het drempelbedrag en waarvoor geen vergoeding is gekregen van bijvoorbeeld de (aanvullende) zorgverzekering of de bijzondere bijstand. Onder omstandigheden geldt een verhoging van het in aftrek te brengen bedrag.

Doelstelling:

Tegemoetkoming van chronisch zieken en gehandicapten.

Ministerie:

VWS, artikel 8: Tegemoetkoming specifieke kosten.

Evaluatie:

Onderzoek naar gebruik aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten, FIN, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 34 550 IX, nr. 4. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek uitgaven monumentenpanden

Beschrijving:

In de Wet IB 2001 is een persoonsgebonden aftrekpost voor monumentenpanden opgenomen. Indien het een eigen woning of een bezitting betreft die in de grondslag van de forfaitaire rendementsheffing wordt betrokken, zijn 80% van de onderhoudskosten (minus ontvangen subsidies) aftrekbaar. Deze fiscale aftrekpost is per 1 januari 2019 vervangen door een subsidieregeling.

Doelstelling:

Behoud van het culturele erfgoed.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen monumentenzorg, PwC, 2009. Kamerstukken II 2009-2010, 32 156, nr. 2. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgestelde afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Onderhoudsverplichtingen aftrek en belaste ontvangen alimentatie

Beschrijving:

Dit betreft het betalen en ontvangen van partneralimentatie. Omdat hierbij sprake is van inkomensoverheveling is betaalde alimentatie bij de alimentatieplichtige aftrekbaar en is ontvangen alimentatie bij de ontvanger van alimentatie belast. Ook de aftrekbaarheid van bepaalde andere onderhoudsverplichtingen zit verwerkt in de cijfers.

Doelstelling:

Het aansluiten bij draagkracht.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Persoonsgebonden aftrekpost durfkapitaal

Beschrijving:

Deze persoonsgebonden aftrekpost biedt de mogelijkheid om geleden verliezen op beleggingen in durfkapitaal in aftrek te brengen. Deze faciliteit is per 1 januari 2011 vervallen met inachtneming van een overgangsbepaling.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen in bedrijven van startende ondernemers en het bevorderen van de ondernemingszin.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie van de durfkapitaalregeling, Bureau Bartels B.V., 2005. Kamerstukken 2005-2006, 30 300 XIII, nr. 57. Geen volgende evaluatie beoogd, omdat de regeling is afgeschaft.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Inkomensvoorzieningen

Regeling:

Pensioen fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Het werkgeversdeel van de pensioenpremie wordt niet tot het belastbare loon van de werknemer gerekend en het werknemersdeel van de pensioenpremie wordt in mindering gebracht bij het bepalen van het belastbare loon. Daar staat tegenover dat de pensioenuitkeringen wel tot het belastbare loon worden gerekend en daarmee in de belastingheffing worden betrokken. Het opgebouwde pensioenvermogen valt niet in box 3. Deze faciliteiten gelden voor pensioenopbouw over pensioengevend loon tot de aftoppingsgrens.

Doelstelling:

Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.

Ministerie:

SZW, artikel 8: Oudedagsvoorziening.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Uitkomsten van MIMOSI voor de pensioenpremies en pensioenuitkeringen. Gegevens van het CBS voor pensioenvermogen tot 2015 dan wel 2012 en uitkomsten van MIMOSI voor de ontwikkeling van het pensioenvermogen daarna.

Regeling:

Lijfrente fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een lijfrenteproduct betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht, binnen wettelijk bepaalde begrenzingen. Het opgebouwde vermogen valt niet in box 3. De uitkeringen worden belast in box 1. Onder lijfrenteproduct worden voorzieningen begrepen zoals een (tijdelijke) oudedagslijfrente, een nabestaandenlijfrente, lijfrenterekeningen, lijfrentebeleggingsrechten en lijfrenten voor meerderjarige invalide kinderen of kleinkinderen. Deze lijfrenteproducten dienen ter compensatie van een pensioentekort. De faciliteiten gelden voor lijfrenteopbouw over inkomen tot de aftoppingsgrens.

Doelstelling:

Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening. Met de uitgestelde heffing wordt tevens aangesloten bij de maatschappelijke inkomensbeleving.

Ministerie:

SZW, artikel 8: Oudedagsvoorziening.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017 voor premieaftrek en uitkomsten van MIMOSI voor uitkeringen en vermogens.

Regeling:

Vrijstelling nettopensioen en nettolijfrente box 3

Beschrijving:

Bij deze oudedagsvoorzieningen voor het inkomen boven de aftoppingsgrens is de waarde van de aanspraak vrijgesteld in box 3. Bij het nettopensioen en de nettolijfrente wordt de premie of inleg betaald uit het netto-inkomen of nettovermogen. De uit de aanspraak op een nettopensioen of nettolijfrente voortvloeiende uitkering wordt niet belast in box 1.

Doelstelling:

Het faciliteren/stimuleren van de opbouw van een oudedagsvoorziening voor het inkomen boven de aftoppingsgrens.

Ministerie:

SZW, artikel 8: Oudedagsvoorziening.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

FOR aftrek en belaste afneming

Beschrijving:

De FOR (fiscale oudedagsreserve) is een voorziening die ondernemers die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt (onder voorwaarden) kunnen gebruiken om maximaal 9,44%, met een maximum van € 9.270, van de winst opzij te zetten om een oudedagsvoorziening op te bouwen. Uiterlijk bij staking van de onderneming kan deze FOR belastingvrij worden omgezet in een lijfrente. Als bij staking van (een gedeelte van) de onderneming of bij het bereiken van de AOW-leeftijd van de ondernemer blijkt dat de oudedagsreserve het ondernemingsvermogen overtreft, wordt het verschil beschouwd als afneming van de oudedagsreserve. Toevoegingen aan de FOR zijn aftrekbaar bij de bepaling van de belastbare winst. Afnemingen van de FOR worden als bijtelpost meegenomen bij de bepaling van de belastbare winst. De in het kader van de afneming van de FOR eventueel betaalde premies voor lijfrenten kunnen worden afgetrokken als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De latere lijfrente-uitkeringen zijn belast.

Doelstelling:

Het creëren van de mogelijkheid voor ondernemers om een oudedagsvoorziening binnen de onderneming op te bouwen. Als direct lijfrenten worden aangekocht, verlaat de premie de onderneming, ten koste van het ondernemingsvermogen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Arbeidsongeschiktheidsverzekering fiscale faciliteiten

Beschrijving:

Op grond van de Wet IB 2001 kunnen de voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalde premies als uitgaven voor inkomensvoorzieningen in box 1 in aftrek worden gebracht. De uitkeringen worden belast in box 1.

Doelstelling:

Het stimuleren van de opbouw van een inkomensvoorziening ter zake van invaliditeit, ziekte of ongeval.

Ministerie:

SZW, artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017 voor premieaftrek en loonontwikkeling uit MIMOSI

Regeling:

Reisaftrek OV

Beschrijving:

Onder bepaalde voorwaarden mogen belastingplichtigen een forfaitair bedrag aan reiskosten voor per openbaar vervoer afgelegde woon-werkkilometers aftrekken in de inkomstenbelasting. Het forfait wordt verminderd met de ontvangen reiskostenvergoeding.

Doelstelling:

Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer voor woon-werkverkeer.

Ministerie:

IenW, artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Middelingsregeling

Beschrijving:

Een belastingplichtige met wisselende jaarinkomens kan op verzoek inkomstenbelasting terugkrijgen door de verschuldigde belasting te herrekenen uitgaande van een gelijkmatige toedeling van het inkomen van drie opeenvolgende kalenderjaren aan die jaren. Teruggaaf wordt alleen verleend voor zover het verschil tussen de geheven belasting over het middelingstijdvak en de herrekende belasting over deze drie jaren meer bedraagt dan € 545.

Doelstelling:

Beperken van het progressienadeel bij (sterk) wisselende jaarinkomens.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie middelingsregeling, FIN, 2018. Kamerstukken II 2018-2019, 32 140, nr. 49. De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aanslagen inkomstenbelasting t/m 2018. Budgettair belang is op kasbasis.

(Eigen) woning

Regeling:

Hypotheekrenteaftrek

Beschrijving:

Over eigenwoningschuld betaalde rente is aftrekbaar van het inkomen (hypotheekrenteaftrek). De afgelopen jaren is een aantal beperkende maatregelen doorgevoerd: sinds 2013 dienen nieuwe leningen in dertig jaar volledig en minimaal annuïtair afgelost te worden om in aanmerking te komen voor renteaftrek en sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek financieringskosten eigen woning

Beschrijving:

Kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld zijn aftrekbaar van het inkomen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek periodieke betalingen erfpacht, opstal en beklemming

Beschrijving:

Periodieke betalingen op grond van de rechten van erfpacht, opstal en beklemming, met betrekking tot de eigen woning zijn aftrekbaar van het inkomen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd.

Doelstelling:

Het bevorderen van eigenwoningbezit.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek rente en kosten van geldleningen over restschuld vervreemde eigen woning

Beschrijving:

Als aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning worden voor een periode van vijftien jaar na het tijstip van vervreemding van een eigen woning mede aangemerkt de renten en kosten van geldleningen voor een restschuld van die vervreemde woning. Van een restschuld is sprake, wanneer bij een vervreemding van een eigen woning in de periode van 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017 de op deze woning betrekking hebbende schuld tot een negatief vervreemdingssaldo heeft geleid. Het budgettaire belang vanaf 2018 betreft de gevallen die gebruik maken van de mogelijkheid om na 2017 voor een periode van maximaal vijftien jaar de aftrek toe te blijven passen. Sinds 2014 wordt het maximale aftrektarief jaarlijks met 0,5%-punt gereduceerd. Vanaf 2020 wordt het maximale aftrektarief versneld afgebouwd.

Doelstelling:

Tijdelijke crisismaatregel ter bevordering van de doorstroming op de woningmarkt.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, aangezien de regeling afloopt na 2017.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Eigenwoningforfait

Beschrijving:

Huishoudens met een eigen woning dienen afhankelijk van de hoogte van de WOZ-waarde een percentage van de WOZ-waarde bij het belastbaar inkomen op te tellen. Deze regeling is de keerzijde van de aftrekbaarheid van rente en kosten voor de eigen woning.

Doelstelling:

Het doelmatig belasten van het voordeel in natura (het woongenot) van een eigen woning, door een forfaitaire benadering.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste post is.

Regeling:

Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld

Beschrijving:

Aan eigenwoningbezitters zonder eigenwoningschuld of met een lage eigenwoningschuld wordt een aftrek toegekend ter hoogte van een deel van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten. In 2020 bedraagt dat deel 93,33%. Hierdoor hoeven eigenwoningbezitters met geen of een lage eigenwoningschuld in 2020 alleen over 6,67% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de daarop drukkende aftrekbare kosten belasting te betalen. De regeling wordt vanaf 2019 in een periode van dertig jaar uitgefaseerd.

Doelstelling:

Bevordering aflossing eigenwoningschuld en lastenverlichting eigenaar-bewoners met geen of een lage eigenwoningschuld.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Eenmalige vrijstelling eigen woning

Beschrijving:

Voor schenkingen aan personen tussen de 18 en 40 jaar ten behoeve van de eigen woning geldt een eenmalige vrijstelling. De vrijstelling bedraagt € 103.643.

Doelstelling:

Verminderen van de eigenwoningschuld van Nederlandse huishoudens.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2016. Het gegeven budgettaire belang is het bedrag dat belastingplichtigen in dat jaar zouden moeten betalen als de vrijstelling niet van toepassing was. Het is dus de fictief verschuldigde schenkbelasting over de schenkingen in dat jaar, gegeven de omvang van de schenkingen.

Regeling:

OVB Verlaagd tarief woning

Beschrijving:

Het reguliere belastingtarief in de overdrachtsbelasting bedraagt tot en met 2020 6%. In afwijking hiervan geldt voor woningen een tarief van 2%. Dit tarief is uitsluitend van toepassing op de verkrijging van woningen of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die naar hun aard zijn bestemd voor bewoning door particulieren. Het maakt geen verschil of de verkrijger de woning zelf gaat bewonen of dat de verkrijger de woning verhuurt aan een particulier.

Doelstelling:

Structureel bevorderen van de doorstroming op de woningmarkt.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Totale ontvangsten overdrachtsbelasting volgens raming CPB. Realisatiecijfers t/m 2017.

Verlaging lastendruk op inkomsten uit vermogen

Regeling:

Vermindering verhuurderheffing

Beschrijving:

Deze regeling is beschikbaar voor belastingplichtigen in het kader van de verhuurderheffing, die onder andere investeren in huurwoningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens. Het bedrag aan heffingsvermindering dat genoemd is in de investeringsverklaring van RVO, wordt van de verhuurderheffing afgetrokken. Het budget is € 698,5 miljoen over de jaren 2014 tot en met 2021 voor de heffingsvermindering voor de aanpak van urgente maatschappelijke opgaven die in 2014 op verzoek van de Tweede Kamer is opgenomen en de heffingsvermindering voor de bouw van goedkope huurwoningen die in 2017 is toegevoegd. Met ingang van 2019 is een nieuwe heffingsvermindering geïntroduceerd. Het doel hiervan is het stimuleren van de verduurzaming van huurwoningen door verhuurders. Het beschikbare budget voor deze nieuwe heffingsvermindering loopt jaarlijks op met € 26 miljoen tot structureel € 104 miljoen in 2022. Per 2020 wordt in de verhuurderheffing aanvullend een structurele heffingsvermindering van € 100 miljoen per jaar opgenomen voor nieuwbouw van woningen in regio’s waar de druk op de woningmarkt het grootst is.

Doelstelling:

Stimulering van maatschappelijk gewenste investeringen (zoals sloop, renovatie, transformatie en nieuwbouw van huurwoningen).

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Rapport evaluatie verhuurderheffing, BZK, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 32 847, nr. 248. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018. Raming 2019 en 2020 op basis van gegevens investeringsverklaringen RVO t/m juli 2019. Budgettair belang is op kasbasis.

Regeling:

Kamerverhuurvrijstelling

Beschrijving:

Indien de inkomsten uit verhuur - anders dan voor korte duur - van woonruimte die geen zelfstandige woning vormt en onderdeel is van het hoofdverblijf van de verhuurder, niet meer bedragen dan € 5.460 per jaar, blijft het verhuurde deel van de eigen woning vallen onder de fiscale behandeling van de eigen woning, in plaats van de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3. Het maximumhuurbedrag wordt jaarlijks op basis van de huurontwikkeling geïndexeerd.

Doelstelling:

Vergroten van het particuliere kameraanbod, met name voor studenten.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Evaluatie kamerverhuurvrijstelling, BZK, 2017. Kamerstukken II 2017-2018, 33 104, nr. 12. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Raming zonder recente gegevensbron. Laatst gebruikte bron betreft cijfers VROM uit 2006 over aantal kamers.

Regeling:

Vrijstelling rechten op bepaalde kapitaalsuitkeringen, waaronder KEW, box 3

Beschrijving:

In het overgangsrecht van de Wet IB 2001 zijn vrijstellingen voor bepaalde kapitaalverzekeringen, spaarrekeningen en beleggingsrechten opgenomen. Onder voorwaarden geldt een box 1-vrijstelling voor het voordeel (de uitgekeerde rente of het rendement op de premie/inleg) uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW), spaarrekening eigen woning (SEW) en beleggingsrecht eigen woning (BEW) waardoor deze niet in box 3 vallen. Per 1 april 2013 is de faciliteit vervallen en voor bestaande contracten ondergebracht in het overgangsrecht. Het kapitaal dan wel de inleg kunnen niet meer worden verhoogd en de looptijd kan niet worden verlengd. Tevens gelden er vrijstellingen voor andersoortige kapitaalverzekeringen waarvan de inkomsten vrijgesteld waren onder de Wet IB 1964.

Doelstelling:

Eerbiedigen van bestaande rechten op bepaalde vrijstellingen kapitaalsuitkeringen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, want de regeling is vervallen voor nieuwe gevallen.

Ramingsgrond:

Gegevens van DNB en het Verbond van Verzekeraars over levensverzekeringen t/m 2017.

Regeling:

Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkering bij overlijden box 3

Beschrijving:

Rechten op prestaties uit levensverzekering in verband met het overlijden van de belastingplichtige worden tot een bedrag van maximaal € 7.232 vrijgesteld van de rendementsgrondslag. De prestaties kunnen de vorm hebben van een kapitaalsuitkering of een uitkering in natura (het verzorgen van de uitvaart van de verzekeringnemer).

Doelstelling:

Sociaal beleid (aangezien sprake is van financiering van een begrafenis of crematie) en doelmatigheid (het voorkomen van administratieve lasten voor polissen met een financieel beperkte omvang).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatierapport Vrijstelling rechten op kapitaalsuitkeringen bij overlijden in box 3, FIN, 2005. Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 2, bijlage 11. De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Gegevens van DNB over overlijdensverzekeringen t/m 2016.

Regeling:

Vrijstelling groen beleggen box 3

Beschrijving:

Op grond van deze regeling is € 59.477 aan groene beleggingen vrijgesteld van de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing. Beleggers met een fiscale partner hebben gezamenlijk recht op een vrijstelling van € 118.954. Het bedrag van de vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen en beleggingen in groenprojecten.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Evaluatie MIA, Vamil en Groen Beleggen 2000–2004, VROM, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 30 535, nr. 11. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017.

Regeling:

Heffingskorting groen beleggen box 3

Beschrijving:

De heffingskorting voor groene beleggingen sluit aan op de vrijstelling in box 3 voor groene beleggingen. De korting bedraagt 0,7% van het bedrag dat is vrijgesteld van de vermogensrendementsheffing.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen en beleggingen in groenprojecten.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Evaluatie MIA, Vamil en Groen Beleggen 2000–2004, VROM, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 30 535, nr. 11. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2017.

Regeling:

Heffingvrij vermogen box 3

Beschrijving:

Een algemene vrijstelling in box 3 van € 30.846 per belastingplichtige. Bij een rendementsgrondslag groter dan het heffingvrije vermogen, wordt het meerdere in de heffing betrokken. Het bedrag aan heffingvrij vermogen wordt jaarlijks geïndexeerd.

Doelstelling:

Doelmatigheid (vermindering van aantal belastingplichtigen).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Fiscale faciliteiten Natuurschoonwet

Beschrijving:

De Natuurschoonwet 1928 voorziet in fiscale tegemoetkomingen in de schenk- en erfbelasting, overdrachtsbelasting, inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en onroerendzaakbelasting aan eigenaren van onroerende zaken als deze eigenaren hun onroerend goed als landgoed in stand houden en daarmee het natuurschoon bevorderen. Er zijn extra faciliteiten indien het landgoed voor het publiek wordt opengesteld.

Doelstelling:

Het natuurschoon en cultureel erfgoed behouden door landgoederen als geheel te bewaren en versnippering tegen te gaan. Stimuleren van particulier natuurbeheer en realisatie van nieuwe natuur en bos door particulieren op landbouwgrond. Openstelling van landgoederen voor het publiek.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie van de Natuurschoonwet 1928, Ecorys, 2014. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 90. De volgende evaluatie zal worden gepland bij invoering van de voorgenomen wijzigingen.

Ramingsgrond:

Aantal gerangschikte landgoederen volgens RVO t/m 2018. Geen aangiftecijfers beschikbaar, dus het budgettaire belang wordt voor alle jaren geraamd aan de hand van inschattingen van de Belastingdienst.

Regeling:

Vrijstelling voorwerpen van kunst en wetenschap box 3

Beschrijving:

Voorwerpen van kunst en wetenschap vallen niet in de rendementsgrondslag van de vermogensrendementsheffing ook indien deze niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt. Voorwerpen van kunst en wetenschap die hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, zijn uitgezonderd van de vrijstelling om een ongerechtvaardigde bevoordeling ten opzichte van andere beleggingen te voorkomen.

Doelstelling:

Het particuliere kunstbezit en de kunstuitleen van particulieren aan musea in Nederland stimuleren.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, vanwege het beperkte budgettaire belang van de regeling.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Vrijstelling bos- en natuurterreinen box 3

Beschrijving:

Deze regeling bewerkstelligt dat voor de forfaitaire rendementsheffing de volgende bezittingen van de grondslag worden uitgezonderd: bossen, bepaalde natuurterreinen en de volgens de Natuurschoonwet als zodanig aangewezen landgoederen. Gebouwde eigendommen vallen niet onder de vrijstelling.

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling zal in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12, waarna een volgende evaluatie zal worden gepland in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Verlaging lastendruk in de winstsfeer

Regeling:

Zelfstandigenaftrek

Beschrijving:

De zelfstandigenaftrek is een aftrek in de IB van € 7.030 voor ondernemers die voldoen aan het urencriterium en die aan het begin van het kalenderjaar de pensioengerechtige leeftijd nog niet hebben bereikt. Na de pensioengerechtigde leeftijd wordt de zelfstandigenaftrek gehalveerd. Vanaf 2020 wordt de zelfstandigenaftrek stapsgewijs verlaagd naar € 5.000 in 2028.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Extra zelfstandigenaftrek starters

Beschrijving:

Startende ondernemers in de IB die in één of meer van de vijf voorgaande jaren geen ondernemer waren en bij wie in die periode niet meer dan tweemaal de zelfstandigenaftrek is toegepast, hebben recht op een extra zelfstandigenaftrek van € 2.123.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap en het bevorderen van de bereidheid om startersrisico te lopen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

Beschrijving:

De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid in de IB wordt geboden in de startfase van de onderneming ingeval niet aan het normale urencriterium van 1.225 uur wordt voldaan, maar wel aan een verlaagd urencriterium van 800 uur. De aftrekpost bedraagt € 12.000 voor het eerste jaar, € 8.000 voor het tweede jaar en € 4.000 voor het derde jaar. De aftrek kan niet hoger zijn dan de genoten winst.

Doelstelling:

Stimuleren van het starten van een onderneming vanuit een uitkering inzake arbeidsongeschiktheid.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei en SZW, artikel 3: Arbeidsongeschiktheid.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Meewerkaftrek

Beschrijving:

Indien de partner van een ondernemer in de IB meewerkt in diens onderneming zonder hiervoor een vergoeding te ontvangen, heeft de ondernemer die voldoet aan het urencriterium recht op de meewerkaftrek. De aftrek is afhankelijk van het aantal door de partner gewerkte uren in de onderneming en bedraagt tussen de 1,25% van de winst (indien ten minste 525 uur wordt meegewerkt) en 4% van de winst (indien ten minste 1.750 uur wordt meegewerkt).

Doelstelling:

Fiscaal faciliteren van arbeid in de onderneming van de partner zonder de verplichting tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Stakingsaftrek

Beschrijving:

Bij de staking van een onderneming of een deel ervan is van de behaalde stakingswinst maximaal € 3.630 vrijgesteld van belastingheffing in de IB. Op de in een kalenderjaar berekende stakingsaftrek wordt de in het verleden genoten stakingsaftrek in mindering gebracht.

Doelstelling:

De stakingsaftrek beoogt een verzachting van belastingheffing te geven over de stakingswinst. De stakingsaftrek is de voortzetting – zij het op een lager niveau – van de stakingsvrijstelling van de Wet IB 1964.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Aftrek speur- en ontwikkelingswerk

Beschrijving:

Ondernemers in de IB die voldoen aan het urencriterium en in het kalenderjaar ten minste 500 uur hebben besteed aan werk dat bij een zogenoemde S&O-verklaring kwalificeert als speur- en ontwikkelingswerk, hebben recht op een aftrek van € 12.980. Voor starters wordt deze aftrek onder voorwaarden verhoogd met € 6.494.

Doelstelling:

Bevorderen van technologische vernieuwingen.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie WBSO 2011–2017, Dialogic, 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 32 637, nr. 358. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Willekeurige afschrijving starters

Beschrijving:

Startende ondernemers in de IB kunnen op basis van deze regeling willekeurig afschrijven op bedrijfsmiddelen die zijn aangeschaft in een kalenderjaar waarover voor hen de extra zelfstandigenaftrek starters van toepassing was.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, de budgettaire kosten zijn gebaseerd op een veronderstelling van het aantal gebruikers en hun investeringen.

Regeling:

Doorschuiving stakingswinst

Beschrijving:

Op verzoek is onder voorwaarden doorschuiving van stakingswinst zonder inkomstenbelastingheffing mogelijk in het kader van overdracht van (een deel van) de onderneming. Hiervan is sprake in geval van overlijden, echtscheiding, overdracht van de onderneming aan alle medeondernemers die gedurende drie jaar een gezamenlijke onderneming drijven, of in geval van inbreng van de onderneming in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap. De belastingplichtige voor wiens rekening de onderneming zal worden voortgezet, is verplicht de oude boekwaarden van de overgedragen vermogensbestanddelen over te nemen.

Doelstelling:

Ondersteunen van de continuïteit van de onderneming, in het kader van liquiditeitsproblemen die kunnen ontstaan als gevolg van de fiscale claim die rust op een bedrijfsoverdracht.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.

Regeling:

Doorschuifregelingen inkomen uit aanmerkelijk belang box 2

Beschrijving:

Onder voorwaarden wordt (op verzoek) een overgang krachtens huwelijksvermogensrecht, erfrecht of schenking, van een aanmerkelijk belang niet als vervreemding aangemerkt. De verkrijgingprijs van de aandelen van de overdrager wordt dan doorgeschoven naar de overnemer.

Doelstelling:

Het waarborgen van de continuïteit van de onderneming, doordat op het moment van overgang niet hoeft te worden afgerekend over het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de verkrijgingsprijs van de aandelen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen.

Regeling:

Mkb-winstvrijstelling

Beschrijving:

De mkb-winstvrijstelling is een vrijstelling van een deel van de winst voor ondernemers in de IB. Sinds 2014 bedraagt de mkb-winstvrijstelling 14% van de winst nadat de winst is verminderd met de ondernemersaftrek.

Doelstelling:

Stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Terbeschikkingstellingsvrijstelling

Beschrijving:

De terbeschikkingstellingsvrijstelling bedraagt 12% van het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit terbeschikkingstellingswerkzaamheden, te weten het ter beschikking stellen van vermogensbestanddelen aan een verbonden onderneming, werkzaamheid of vennootschap.

Doelstelling:

Het voorkomen van arbitrage tussen de verschillende boxen en een beter evenwicht in fiscale behandeling tussen enerzijds ondernemers en anderzijds houders van een aanmerkelijk belang.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Innovatiebox

Beschrijving:

Op verzoek en onder voorwaarden worden winsten uit zelf-ontwikkelde immateriële activa belast in de vennootschapsbelasting tegen een effectief tarief van 7%. Tot en met 2017 bedroeg het effectieve tarief 5%. Er kan gekozen worden voor toepassing van de forfaitaire regeling voor maximaal 3 jaar. Hierbij wordt van een belastingplichtige met een zelf-ontwikkeld immaterieel activum 25% van de winst aangemerkt als winsten uit immateriële activa met een maximum van € 25.000.

Doelstelling:

Stimuleren, aantrekken en behouden van speur- en ontwikkelingswerk en bevorderen vestigingsklimaat.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie innovatiebox 2010 tot 2012, Dialogic, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 34 302, nr. 111. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m 2016.

Regeling:

Kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

Beschrijving:

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek over een gedeelte van het investeringsvolume. De hoogte van de aftrek is afhankelijk van de hoogte van de investering. De aftrek bedraagt maximaal € 16.307.

Doelstelling:

Bevorderen van investeringen van relatief geringe omvang, die in het algemeen gedaan zullen worden in het midden- en kleinbedrijf.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale ondernemerschapsregelingen, SEO, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 311, nr. 186. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is. Geraamde endogene groei vanaf 2017 is gelijk aan groei investeringen overige vaste activa volgens CEP 2019.

Regeling:

Energie-investeringsaftrek (EIA)

Beschrijving:

De EIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst verleend voor door de Minister van EZK aangewezen investeringen in nieuwe energiebesparende bedrijfsmiddelen en maatregelen. De aftrek bedraagt vanaf 2019 45%. De EIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ten behoeve van een doelmatig energiegebruik.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie Energie-investeringsaftrek 2012-2017, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 91. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2018 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2019 en 2020 is budget.

Regeling:

Milieu-investeringsaftrek (MIA)

Beschrijving:

De MIA vormt, als onderdeel van de investeringsaftrek in de IB en Vpb, een extra aftrek op de fiscale winst voor milieu-investeringen die bij ministeriële regeling worden aangewezen. Er zijn drie verschillende categorieën op de Milieulijst, waarbij respectievelijk 36%, 27% en 13,5% aftrek wordt verleend. De MIA is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ter bescherming van het milieu.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie MIA\Vamil, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 89. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2018 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2019 en 2020 is budget.

Regeling:

VAMIL

Beschrijving:

Op basis van de willekeurige afschrijving milieu-investeringen (VAMIL) mag willekeurig worden afgeschreven op door de Minister van IenW aangewezen milieu-investeringen (Milieulijst) tot 75% van de aanschaf- of voortbrengingskosten. Deze regeling in de IB en Vpb leidt voor de belastingplichtige tot een liquiditeits- en rentevoordeel. De VAMIL is een gebudgetteerde regeling met een systematiek van meerjarige budgetegalisatie.

Doelstelling:

Stimuleren van investeringen ter bescherming van het milieu.

Ministerie:

IenW, artikel 21: Duurzaamheid.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie MIA\Vamil, CE Delft, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 34 785, nr. 89. De volgende evaluatie is beoogd in 2023.

Ramingsgrond:

Investeringsbedragen volgens RVO t/m 2018 en rekenveronderstellingen. Cijfer 2019 en 2020 is budget.

Regeling:

Tonnageregeling winst uit zeescheepvaart

Beschrijving:

Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van het algemeen systeem van winstbepaling in de IB en Vpb, de winst uit zeescheepvaart op basis van deze regeling forfaitair bepaald. Uitgangspunt hierbij vormt de tonnage van de schepen waarmee die winst wordt behaald. Als voor een schip voor de tonnageregeling wordt gekozen, geldt dit voor een periode van 10 jaar.

Doelstelling:

Bevorderen en stimuleren van de zeescheepvaart in Nederland.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Raming zonder actuele gegevensbron; de raming is een conjunctuurvrije, gemiddelde schatting die gemaakt is ten behoeve van de laatste evaluatie.

Regeling:

Willekeurige afschrijving zeeschepen

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb biedt de mogelijkheid om vervroegd af te schrijven op zeeschepen. De regeling kan uitsluitend worden toegepast indien niet wordt gekozen voor de forfaitaire winstbepaling en bedraagt per jaar maximaal 20% van de af te schrijven aanschaffings- en voortbrengingskosten.

Doelstelling:

Het stimuleren van ondernemerschap.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Landbouwvrijstelling in de winstsfeer

Beschrijving:

Op grond van deze regeling worden voordelen uit een landbouwbedrijf die verband houden met de waardeverandering van de grond, niet tot de fiscale winst (IB en Vpb) gerekend. De regeling is niet van toepassing als de waardeverandering optreedt in het kader van de bedrijfsuitoefening. Een waardestijging van de grond die de gebruikelijke waarde binnen een landbouwbedrijf te boven gaat is belast.

Doelstelling:

Instandhouding van de fiscale behandeling van grond ten behoeve van voordelen uit een landbouwbedrijf.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

IBO Agro-, visserij- en voedselketens, EZ, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 30 991, nr. 25. De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2016. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Regeling:

Bosbouwvrijstelling

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb houdt in dat voor- en nadelen uit bosbouwbedrijf niet tot de winst worden gerekend. Het staat de belastingplichtige vrij te opteren voor het buiten toepassing laten van de vrijstelling. Toepassing van de facultatieve regeling blijft, indien gebruik wordt gemaakt van de optie, gelden voor een periode van ten minste 10 jaar.

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12, waarna een volgende evaluatie zal worden gepland in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Inkomensschattingen LEI.

Regeling:

Vrijstelling vergoeding bos- en natuurbeheer

Beschrijving:

Deze regeling in de IB en Vpb voorziet in een (gedeeltelijke) vrijstelling voor aangewezen subsidieregelingen ten behoeve van de ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur (SVNL en SKNL).

Doelstelling:

Ontwikkeling en instandhouding van bos en natuur.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De regeling en de uitkomsten van de vorige evaluatie zullen in 2021 worden behandeld in de beleidsdoorlichting van artikel 12, waarna een volgende evaluatie zal worden gepland in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Subsidiebedragen provincies SVNL en SKNL tot en met 2018. Cijfer 2019 en 2020 is budget.

Regeling:

OVB Vrijstelling cultuurgrond

Beschrijving:

Vrijgesteld is de verkrijging van cultuurgrond – daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop – die ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. Voorwaarde is dat de exploitatie van de cultuurgrond voor een aaneensluitende periode van tien jaar wordt voortgezet.

Doelstelling:

Versterken van de economische structuur van de land- en tuinbouwsector.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

IBO Agro-, visserij- en voedselketens, EZ, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 30 991, nr. 25. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2013.

Regeling:

OVB Vrijstelling bedrijfsoverdracht in familiesfeer

Beschrijving:

Vrijgesteld van overdrachtsbelasting is de verkrijging door een familielid van goederen die behoren tot en dienstbaar zijn aan (de continuering) van een onderneming. De regeling vindt slechts toepassing indien de overdragende ondernemer een ouder of grootouder betreft en de onderneming in haar geheel (al dan niet in fasen) wordt voortgezet door het verkrijgende familielid.

Doelstelling:

Stimuleren van overdracht onderneming aan de volgende generatie.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2013.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Bedrijfsopvolgingsfaciliteit

Beschrijving:

Voor een geërfde of geschonken onderneming geldt, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, een voorwaardelijke vrijstelling van erfbelasting respectievelijk schenkbelasting voor het ondernemingsvermogen. Indien de geërfde of geschonken onderneming voor een periode van 5 jaar wordt voortgezet, wordt de voorwaardelijke vrijstelling definitief. De vrijstelling bedraagt 100% van de going-concernwaarde van de onderneming tot een bedrag van € 1.102.209. Voor het meerdere geldt een vrijstelling van 83%.

Doelstelling:

Bevorderen continuïteit van de onderneming.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie fiscale regelingen gericht op bedrijfsoverdracht, SEO, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 32 637, nr. 158. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2016.

Regeling:

Schenk- en erfbelasting Faciliteiten ANBI’s

Beschrijving:

ANBI’s zijn per 2006 geheel vrijgesteld van schenk- en erfbelasting. Voor sociaal belang behartigende instellingen (SBBI’s) is de vrijstelling ingegaan per 2010.

Doelstelling:

Bevorderen van schenken en nalaten aan ANBI’s en SBBI’s.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie van de praktijk rondom ANBI’s en SBBI’s, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in 2021.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron. Laatste cijfers Belastingdienst uit 2005 toen het nog niet volledig was vrijgesteld. Trend is doorgetrokken.

Regeling:

Giftenaftrek vennootschapsbelasting

Beschrijving:

Giften aan onder andere ANBI's zijn aftrekbaar. De totale aftrek bedraagt ten hoogste 50% van de winst met een maximum van € 100.000. Er geldt een multiplier voor giften aan culturele ANBI’s.

Doelstelling:

Bevorderen van schenkingen aan bepaalde instellingen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie giftenaftrek, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 77. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte vennootschapsbelasting t/m 2016 definitief, 2017 voorlopig.

Regeling:

RDA (m.i.v. 2016 geïntegreerd in WBSO)

Beschrijving:

De Research & Development aftrek (RDA) was een extra aftrekpost voor kosten en investeringen, zoals apparatuur en materialen, voor de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten. De RDA was een gebudgetteerde regeling. Vanaf 2016 is het budget van de RDA geïntegreerd in de WBSO.

Doelstelling:

Bevordering van speur- en ontwikkelingswerk in het bedrijfsleven.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, omdat de regeling is afgeschaft.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomsten- en vennootschapsbelasting t/m 2015. Bijbehorend budgettair belang is berekend op grond van de rekenregel dat het de laatste aftrekpost is.

Loonbelasting

Regeling:

Afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk WBSO

Beschrijving:

De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is van toepassing op werknemers die direct betrokken zijn bij speur- en ontwikkelingswerk. De afdrachtvermindering bedraagt 32% van het S&O-loon van die werknemers (40% voor starters). Voor zover het S&O-loon meer bedraagt dan € 350.000, bedraagt de vermindering 14% van het loon. De WBSO is een gebudgetteerde regeling. Eventuele overschrijdingen of onderuitputtingen van het budget uit t-1 worden ten laste/bate van het budget in t+1 gebracht. Vanaf 2016 is het budget van de RDA geïntegreerd in de WBSO.

Doelstelling:

Bevordering van speur- en ontwikkelingswerk in het bedrijfsleven.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

Evaluatie WBSO 2011–2017, Dialogic, 2019. Kamerstukken II 2018-2019, 32 637, nr. 358. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst uit loonbelastingaangiften over gebruik WBSO t/m 2018. Cijfer 2019 en 2020 is budget.

Regeling:

Verlaagd gebruikelijk loon voor dga’s van startups

Beschrijving:

Voor dga’s van startups gelden niet de normale regels voor de bepaling van het zogenoemde gebruikelijk loon. Zij mogen het gebruikelijk loon op het wettelijk minimumloon vaststellen.

Doelstelling:

Het stimuleren van startups.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Raming gebaseerd op aantal bedrijven met S&O-startersverklaring op basis van raming RVO, en andere rekenveronderstellingen.

Regeling:

Vrijstelling aandelenopties werknemers van startups

Beschrijving:

Indien tussen de werknemer en de startup aandelenopties worden overeengekomen, zorgt de vrijstelling ervoor dat het genoten voordeel uit de vervreemding of uitoefening van deze aandelenopties slechts voor 75% als loon wordt belast, voor zover het genoten voordeel niet meer bedraagt dan € 50.000. Daarnaast dient de toekenning van het optierecht reeds twaalf maanden geleden te hebben plaatsgevonden en geldt de mogelijkheid tot toepassing van de vrijstelling voor de duur van vijf kalenderjaren na toekenning van het optierecht.

Doelstelling:

Het stimuleren van het door werknemers investeren in de startup waar zij werkzaam zijn door middel van de aanvaarding van aandelenopties in plaats van regulier loon.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

30%-regeling

Beschrijving:

De werkgever mag aan ingekomen en uitgezonden werknemers onder voorwaarden een forfaitaire onbelaste vergoeding geven van maximaal 30% van het loon inclusief die vergoeding. Deze forfaitaire vergoeding komt in de plaats van de mogelijkheid om de werkelijke extraterritoriale kosten onbelast te vergoeden. Naast deze forfaitaire vergoeding kan de werkgever aan deze werknemers ook de schoolgelden voor internationale scholen onbelast vergoeden of verstrekken. Vanaf 2019 is de maximale looptijd van de 30%-regeling ingekort tot vijf jaar.

Doelstelling:

De 30%-regeling dient ter compensatie van extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst in het kader van de dienstbetrekking van ingekomen en uitgezonden werknemers. De regeling heeft als doel:

(a) het aantrekken van werknemers uit het buitenland met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet of schaars aanwezig is;

(b) een bijdrage leveren aan het aantrekkelijk en competitief houden van het Nederlandse vestigingsklimaat; en

(c) verminderen van administratieve lasten voor werkgevers en werknemers.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie 30%-regeling, Dialogic, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 84. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte inkomstenbelasting t/m 2018. De opbrengst bij afschaffing van de regeling is lager dan het vermelde budgettair belang, aangezien zonder de regeling de werkelijke kosten belastingvrij vergoed kunnen worden.

Regeling:

Afdrachtvermindering zeevaart

Beschrijving:

Deze vermindering mag worden toegepast ter zake van het loon van zeevarenden die werken op een Nederlands schip. De vermindering bedraagt 40% van het loon voor zeevarenden die in Nederland of in een ander EU- of EER-land wonen. Voor overige zeevarenden die onderworpen zijn aan de loonbelasting of premieplichtig zijn voor de volksverzekeringen is het percentage vastgesteld op 10%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de sector met de daaraan verbonden werkgelegenheid en het in stand houden van een vloot onder Nederlandse vlag.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale maatregelen in het zeescheepvaartbeleid, Panteia, 2014. Kamerstukken II 2014-2015, 31 409, nr. 67. De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst aangifte loonbelasting t/m 2018.

Regeling:

Vrijstelling uitkering wegens 25- of 40-jarig dienstverband

Beschrijving:

De werkgever mag onder voorwaarden maximaal een maandsalaris belastingvrij uitkeren na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en opnieuw na een diensttijd van ten minste 40 jaar.

Doelstelling:

Sociaal beleid (uitkering bij jubilea buiten de heffing te laten).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De planning van de volgende evaluatie is afhankelijk van de uitkomsten van de doorlichting van fiscale evaluaties die in 2019 aan de Kamer zal worden aangeboden.

Ramingsgrond:

Raming zonder gegevensbron, gebaseerd op rekenveronderstellingen en CBS-tabellen over banen, leeftijdsklassen en anciënniteit.

Regeling:

Levensloopverlofkorting

Beschrijving:

Om de aantrekkelijkheid van de levensloopregeling als alternatief voor het spaarloon te vergroten, werd aan werknemers per jaar waarin een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd een bij de opname van het tegoed te verzilveren tegemoetkoming toegekend in de vorm van een levensloopverlofkorting. De levensloopregeling is per 1 januari 2012 afgeschaft voor nieuwe gevallen. Voor deelnemers aan de levensloopregeling die op 31 december 2011 een aanspraak ingevolge levensloopregeling hebben opgebouwd waarvan de waarde in het economische verkeer minimaal € 3.000 bedroeg, geldt een overgangsregeling tot en met 31 december 2021. Onderdeel van deze overgangsregeling is dat sinds 1 januari 2012 bij inleg in de levensloopregeling geen levensloopverlofkorting meer wordt opgebouwd, maar dat de op 31 december 2011 opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting niet vervallen en nog steeds kunnen worden verzilverd bij de opname van het levenslooptegoed. Het bedrag van de levensloopverlofkorting wordt ook na 2011 nog steeds geïndexeerd en bedraagt in 2020 € 219 per jaar waarin vóór 1 januari 2012 een voorziening in het kader van een levensloopregeling is opgebouwd, verminderd met de reeds verzilverde bedragen.

Doelstelling:

Respecteren bestaande rechten.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, omdat de oorspronkelijke regeling is afgeschaft en er slechts sprake is van toepassing van overgangsrecht.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Overdrachtsbelasting (OVB)

Regeling:

OVB Vrijstelling stedelijke herstructurering

Beschrijving:

De vrijstelling stedelijke herstructurering bestaat uit drie onderdelen, te weten:

(a) de vrijstelling die het mogelijk maakt voor wijkontwikkelingsmaatschappijen huizen te verkrijgen zonder overdrachtsbelasting;

(b) de vrijstelling die het voor woningcorporaties mogelijk maakt om ter financiering van stedelijke herstructurering huizen zonder overdrachtsbelasting over te dragen aan een landelijk werkende toegelaten instelling; en

(c) de vrijstelling die ertoe strekt de verkrijging van onroerende zaken van wijkontwikkelings-maatschappijen door de deelnemers in een dergelijke maatschappij in bepaalde situaties vrij te stellen van overdrachtsbelasting.

Doelstelling:

Stimulering van stedelijke herstructurering.

Ministerie:

BZK, artikel 3: Woningmarkt.

Evaluatie:

Evaluatie WOM-regeling, Companen, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 34 552, nr. 79. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling inrichting landelijk gebied

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn verkrijgingen krachtens de Wet inrichting landelijk gebied. De vrijstelling bevordert de overdracht van de onroerende zaken via kavelruil en herverkaveling doordat de overdracht zonder overdrachtsbelasting kan plaatsvinden. Dit maakt het eenvoudiger om wegen, waterlopen en overige infrastructuur aan te leggen en gronden van eigenaren kunnen zo dichter bij elkaar worden gebracht.

Doelstelling:

Structuurverbetering van het landelijk gebied.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling Bureau Beheer Landbouwgronden

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn verkrijgingen door het Bureau Beheer Landbouwgronden. Per 01-01-2019 is het Bureau Beheer Landbouwgronden gestopt met haar werkzaamheden.

Doelstelling:

Structuurverbetering van het landelijk gebied.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

OVB Vrijstelling natuurgrond

Beschrijving:

Vrijgesteld is de verkrijging van natuurgrond, daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop. De vrijstelling is beperkt tot grond. Voor zover er opstallen aanwezig zijn, is de vrijstelling niet van toepassing. Als voorwaarde voor de vrijstelling geldt dat tot minimaal tien jaar na de verkrijging de natuurgrond nog steeds behouden en ontwikkeld wordt.

Doelstelling:

Bevorderen en behoud van natuurschoon in handen van private partijen.

Ministerie:

LNV, artikel 12: Natuur en biodiversiteit.

Evaluatie:

Evaluatie van de fiscale vrijstellingen bos en natuur, Wageningen University & Research, 2016. Kamerstukken II 2016-2017, 33 576, nr. 106. De volgende evaluatie is beoogd in 2019.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Heffingskortingen

Regeling:

Algemene heffingskorting

Beschrijving:

De algemene heffingskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen. Iedereen heeft recht op de korting, maar de hoogte is inkomensafhankelijk. De korting bedraagt maximaal € 2.711. Vanaf een belastbaar inkomen van € 68.507 bedraagt de korting nul.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De regeling is onderdeel van het inkomensbeleid in den brede en wordt niet afzonderlijk geëvalueerd.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Arbeidskorting

Beschrijving:

De arbeidskorting is een heffingskorting op de inkomstenbelasting en de premie voor de volksverzekeringen voor werkenden. De hoogte van de korting hangt af van de hoogte van het arbeidsinkomen. De korting bedraagt maximaal € 3.819 en bedraagt nul vanaf een belastbaar inkomen van € 98.639.

Doelstelling:

Stimuleren van arbeidsparticipatie en daarmee samenhangend, het verkleinen van de armoedeval.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Inkomensafhankelijke combinatiekorting

Beschrijving:

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is een heffingskorting voor ouders met een arbeidsinkomen boven een bepaalde drempel. Een ouder komt in aanmerking als deze een werkende alleenstaande is of de minstverdienende van twee werkende partners, en als deze in het belastingjaar ten minste zes maanden een kind dat aan het begin van het belastingjaar jonger dan 12 jaar oud was, op zijn woonadres heeft staan ingeschreven. De korting bedraagt maximaal € 2.881.

Doelstelling:

Stimuleren van arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2022.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Jonggehandicaptenkorting

Beschrijving:

De jonggehandicaptenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die recht hebben op een uitkering volgens de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong-uitkering) of op ondersteuning bij het vinden van werk volgens de wet Wajong. De korting vervalt als de belastingplichtige ouderenkorting krijgt. De korting bedraagt € 749.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning jonggehandicapten.

Ministerie:

SZW, artikel 4: Jonggehandicapten.

Evaluatie:

De regeling is onderdeel van het inkomensbeleid in den brede en wordt niet afzonderlijk geëvalueerd.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Alleenstaande ouderenkorting

Beschrijving:

De alleenstaande ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die een AOW-uitkering voor een alleenstaande ontvangen, of die een AOW-uitkering voor een alleenstaande zouden ontvangen als ze minimaal één jaar verzekerd zouden zijn geweest voor de AOW. De korting bedraagt € 436.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning alleenstaande ouderen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De regeling is onderdeel van het inkomensbeleid in den brede en wordt niet afzonderlijk geëvalueerd.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Regeling:

Ouderenkorting

Beschrijving:

De ouderenkorting is een heffingskorting voor belastingplichtigen die op 31 december van het belastingjaar de AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. De korting bedraagt € 1.622 voor verzamelinkomens tot en met € 37.372 en wordt voor verzamelinkomens daarboven met 15% afgebouwd tot € 0.

Doelstelling:

Inkomensondersteuning ouderen.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De regeling is onderdeel van het inkomensbeleid in den brede en wordt niet afzonderlijk geëvalueerd.

Ramingsgrond:

MIMOSI.

Energiebelasting

Regeling:

EB Verlaagd tarief glastuinbouw

Beschrijving:

Voor verbruik van aardgas in de glastuinbouw geldt in de eerste twee schijven een verlaagd tarief in de energiebelasting.

Doelstelling:

Het voorkomen van een onbedoelde lastenverzwaring voor de relatief kleinschalige energie-intensieve glastuinbouwsector bij de invoering van de energiebelasting, zoals deze met de degressieve tariefstructuur werd bereikt voor de andere energie-intensieve sectoren.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

Evaluatie energiebelastingtarief glastuinbouw, LEI, 2016. Kamerstukken II 2015-2016, 32 627, nr. 24. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

EB Teruggaaf kerkgebouwen en non-profit

Beschrijving:

Non-profitinstellingen en gebouwen die ten dienste staan van de openbare eredienst of het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, hebben recht op teruggaaf van de helft van de betaalde energiebelasting.

Doelstelling:

Bieden van compensatie aan de beheerders van dergelijke gebouwen, aangezien kerken e.d. weinig betaald personeel hebben en geen vennootschapsbelasting betalen waardoor enig voordeel in de vorm van een terugsluis deze doelgroep niet bereikt.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie van de teruggaafregeling energiebelasting voor kerken en non-profit organisaties, FIN, 2005. Kamerstukken II 2005-2006, 30 375, nr. 2, bijlage 12. Deze regeling is tevens geëvalueerd in de Brede heroverwegingen 1. Energie en Klimaat, 2010. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

EB Teruggaaf energie-intensieve industrie

Beschrijving:

Teruggaaf van energiebelasting voor het elektriciteitsgebruik boven de 10 miljoen kWh voor energie-intensieve bedrijven die deelnemen aan een convenant ter verbetering van de energie-efficiëntie.

Doelstelling:

Primair maakt de regeling deel uit van de beleidsarme implementatie van de Richtlijn Energiebelastingen per 2004. Secundair wordt deelname aan een convenant ter verbetering van de energie-efficiëntie bevorderd.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

EB Verlaagd tarief lokaal opgewekte duurzame energie

Beschrijving:

Leden van coöperaties en Verenigingen van Eigenaren waar collectief duurzame energie wordt opgewekt komen in aanmerking voor een belastingkorting van 9,789 eurocent per kWh. De regeling geldt voor kleinverbruikers die in dezelfde postcoderoos wonen als waar de productie-installatie zich bevindt. De opgewekte duurzame energie wordt geleverd aan de energiemaatschappij, die de korting toepast op de energiebelasting over de elektriciteit die de leden geleverd krijgen van het net. De korting is gelijk aan het tarief energiebelasting dat drukt op die elektriciteit. Dit leidt er toe dat een lid geen energiebelasting betaalt over zijn energieverbruik van het net voor zover daar aan hem toe te rekenen duurzame opgewekte elektriciteit tegenover staat.

Doelstelling:

Het stimuleren van lokale duurzame opwekking van elektriciteit door particuliere kleinverbruikers.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

Evaluatie Regeling verlaagd tarief, Kwink, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 31 239, nr. 287. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgenomen afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Geen aangiftecijfers beschikbaar, dus het budgettaire belang wordt voor alle jaren geraamd aan de hand van inschattingen in het evaluatierapport van Kwink uit 2018 en rekenveronderstellingen.

Regeling:

EB Salderingsregeling

Beschrijving:

De salderingsregeling in de energiebelasting geldt voor kleinverbruikers die duurzame energie opwekken, bijvoorbeeld met zonnepanelen. Per kalenderjaar wordt de van het net afgenomen elektriciteit weggestreept tegen de teruggeleverde elektriciteit. Voor salderen is de bovengrens het eigen jaarlijkse verbruik. Voor de geproduceerde elektriciteit boven het eigen verbruik ontvangt de kleinverbruiker van zijn energieleverancier een terugleververgoeding.

Doelstelling:

Stimuleren van energieopwekking middels zonnepanelen en het in overeenstemming brengen van de toepassing van energiebelasting met de praktijk van terugdraaimeters.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

De historische impact van salderen, PwC, 2017. Kamerstukken II 2016-2017, 31 239, nr. 251. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege voorgenomen afschaffing van de regeling.

Ramingsgrond:

Cijfers ECN over elektriciteitsproductie uit zon-PV in huishoudens (NEV 2018).

Regeling:

EB en kolenbelasting Vrijstellingen voor energie-intensieve processen

Beschrijving:

Deze post omvat de vrijstelling voor verbruik van aardgas voor metallurgische en mineralogische procedés in de energiebelasting, de vrijstelling voor verbruik van elektriciteit voor metallurgische en elektrolytische processen en chemische reductie in de energiebelasting en de vrijstellingen voor duaal verbruik van kolen en elektriciteit

Doelstelling:

Beschermen van internationale concurrentiepositie.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers CBS over energieverbruik t/m 2017. Raming 2018-2020 gebaseerd op cijfers uit NEV 2018.

Regeling:

EB Belastingvermindering per aansluiting

Beschrijving:

Per elektriciteitsaansluiting geldt een belastingvermindering. Deze wordt per 2020 verhoogd naar € 435,68 (exclusief btw). De vermindering geldt alleen voor onroerende zaken met verblijfsfunctie (zoals een huis of kantoor).

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan energie en ter compensatie van de invoering van het capaciteitstarief (een vast tarief voor transport van elektriciteit in plaats van een tarief per kWh).

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De regeling is onderdeel van het beleid rond de energierekening in den brede en wordt niet afzonderlijk geëvalueerd.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

EB Stadsverwarmingsregeling

Beschrijving:

De stadsverwarmingsregeling geldt voor installaties voor stadsverwarming die grotendeels gebruik maken van restwarmte. De stadsverwarmingsregeling regelt dat het degressieve tarief in de energiebelasting van toepassing is op het aardgas dat wordt gebruikt voor deze installaties voor stadsverwarming. Zonder de regeling zou dat aardgas worden belast tegen het (hogere) blokverwarmingstarief.

Doelstelling:

Stimuleren van nuttige inzet restwarmte.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

EB en kolenbelasting Inputvrijstelling

Beschrijving:

Aardgas of kolen die worden gebruikt als brandstof voor het opwekken van elektriciteit in een installatie met een elektrisch rendement van minstens 30% en een elektrisch vermogen van tenminste 60 kilowatt zijn vrijgesteld van energie- en kolenbelasting. De gedachte hierachter is dat de opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.

Doelstelling:

Voorkomen van dubbele energiebelasting. Opgewekte elektriciteit bij levering is belast met energiebelasting.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

EB Verlaagd tarief openbare laadpalen

Beschrijving:

Voor elektriciteit geleverd aan laadpalen met een zelfstandige aansluiting geldt over de eerste 10.000 kWh tijdelijk het lagere tarief van de tweede schijf in plaats van het hogere reguliere tarief van de eerste schijf. Het verlaagde tarief zal vier jaar van toepassing zijn, van 2017 tot en met 2020. Verder geldt een nihiltarief voor de elektriciteit voor laadpalen met een zelfstandige aansluiting op het distributienet in de Wet opslag duurzame energie voor de periode van 2017 tot en met 2020.

Doelstelling:

De businesscase voor openbare laadpalen verbeteren.

Ministerie:

EZK, artikel 4: Een doelmatige energievoorziening en beperking van de klimaatverandering.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, vanwege beoogde afschaffing in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Omzetbelasting (BTW)

Regeling:

BTW Verlaagd tarief voedingsmiddelen en water

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde leveringen en diensten met betrekking tot water en de levering van voedingsmiddelen die voldoen aan de eisen van de Warenwetgeving, inclusief niet-alcolhoudende dranken, het verlaagde btw-tarief van 9%. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan voeding en water.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2016 definitief, 2017 en 2018 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief geneesmiddelen en hulpmiddelen

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor leveringen van geneesmiddelen die voldoen aan de definitie uit de Geneesmiddelenwet, voorbehoedsmiddelen, infusievloeistoffen en voor geneeskundige doeleinden bestemde inhalatiegassen het lage btw-tarief van 9%. Ook geldt voor specifiek genoemde medische hulpmiddelen het lage btw-tarief van 9%. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan zorg.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023-2026.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2016 definitief, 2017 en 2018 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief culturele goederen en diensten

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor leveringen van specifieke culturele goederen of diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Het gaat bijvoorbeeld om de levering en verhuur van boeken, tijdschriften, week- en dagbladen en kunstvoorwerpen en toegangverlening tot musea, kermissen, attractieparken, sportwedstrijden en -accommodatie, circussen, bioscopen, theaters, concerten, e.d. Vanaf 2020 vallen ook bepaalde digitale publicaties onder het verlaagde tarief. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van cultuur, kennisvermeerdering, recreatie en sport c.q. ondersteuning van de desbetreffende sectoren.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

Evaluatie van de verhoging van het btw-tarief op podiumkunsten, OCW, 2014. Kamerstukken I 2013-2014, 33 752 M. Het verlaagde tarief voor fysieke en digitale uitgaven (boeken, kranten, e.d.) wordt in 2023 geëvalueerd.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2016 definitief, 2017 en 2018 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief arbeidsintensieve diensten

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde arbeidsintensieve diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Het gaat om de diensten van kappers, fietsenmakers, schoenmakers, kleermakers en schoonmakers van woningen. Het verlaagde btw-tarief geldt tevens voor het schilderen, stukadoren, isoleren en behangen van woningen ouder dan twee jaar. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren, aanpakken problemen op de woningmarkt en bestrijding van het zwarte circuit.

Ministerie:

SZW, artikel 1: Arbeidsmarkt.

Evaluatie:

Monitor effecten btw-verlaging arbeidsintensieve diensten, Research voor Beleid, 2002. Contra-expertise effecten btw-verlaging arbeidsintensieve diensten, CPB, 2003. Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 IXB, nr. 24. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2016 definitief, 2017 en 2018 voorlopig.

Regeling:

BTW Verlaagd tarief overig

Beschrijving:

In plaats van het algemene btw-tarief van 21% geldt voor bepaalde goederen en diensten het verlaagde btw-tarief van 9%. Deze categorie «overig» ziet onder andere op de sierteelt, het vervoer van personen en logiesverstrekking. Tot en met 2018 bedroeg het verlaagde tarief 6%.

Doelstelling:

Bevorderen van werkgelegenheid in de desbetreffende sectoren.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Beleidsevaluatie btw-regeling sierteeltproducten, LEI, 2007. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 XIV, nr. 157. De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

Bestedingscijfers CBS t/m 2016 definitief, 2017 en 2018 voorlopig.

Regeling:

BTW Kleineondernemersregeling

Beschrijving:

De huidige Kleineondernemersregeling (KOR) bestaat uit twee onderdelen: een degressieve belastingvermindering indien de verschuldigde omzetbelasting niet meer bedraagt dan € 1.883, en een mogelijke ontheffing van bepaalde administratieve verplichtingen indien de verschuldigde omzetbelasting niet meer bedraagt dan € 1.345. Per 1 januari 2020 treedt de nieuwe KOR in werking. Deze kent een facultatieve vrijstelling van omzetbelasting bij een omzet van maximaal € 20.000. De kleine ondernemers die hiervoor kiezen zijn ontheven van het doen van btw-aangifte en de daarbij horende administratieve verplichtingen.

Doelstelling:

Stimuleren en ondersteunen van kleine ondernemers en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd minstens een jaar na inwerkingtreding van de gewijzigde kleineondernemersregeling.

Ramingsgrond:

Cijfers btw-aangifte en aanvullende informatie van de Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

BTW Vrijstelling sportclubs

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn de diensten van niet-winstbeogende organisaties die zich de beoefening van sport of de bevordering daarvan ten doel stellen. Het gaat met name om contributie en lesgelden. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht. Per 2019 wordt de sportvrijstelling verruimd zodat deze ook van toepassing is op sportgerelateerde prestaties door niet-winstbeogende

sportorganisaties aan niet-leden, zoals het ter beschikking stellen van sportaccommodaties.

Doelstelling:

Stimuleren c.q. ondersteunen van sportclubs en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

VWS, artikel 6: Sport en bewegen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling post

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn diensten met betrekking tot de levering van brieven tot een bepaald gewicht, bedoeld in artikel 16 van de Postwet 2009. De vrijstelling geldt alleen voor een verlener van de universele postdienst. Binnen de Europees Unie is een vrijstelling voor openbare postdiensten verplicht.

Doelstelling:

Voorkomen van administratieve lasten.

Ministerie:

EZK, artikel 1: Goed functionerende economie en markten.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling vakbonden, werkgeversorganisaties, politieke partijen, kerken

Beschrijving:

Vrijgesteld zijn de diensten en daarmee nauw samenhangende leveringen door werkgevers- en werknemersorganisaties, alsmede door organisaties van politieke, godsdienstige, vaderlandslievende, levensbeschouwelijke of liefdadige aard aan hun leden tegen een statutair vastgestelde contributie. Deze vrijstelling is binnen de Europese Unie verplicht.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van hierboven bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling fondswerving

Beschrijving:

Deze regeling voorziet in een vrijstelling voor bijkomstige activiteiten van reeds vrijgestelde organisaties. Het gaat met name om activiteiten die zij ontplooien ter verwerving van de benodigde middelen voor hun vrijgestelde doelstelling. Om te waarborgen dat deze prestaties geen ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen veroorzaken, is de vrijstelling beperkt tot omzetgrenzen van € 68.067 per jaar voor leveringen en € 22.689 per jaar voor diensten (€ 50.000 voor sportorganisaties).

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstellingen medische zorg

Beschrijving:

Vrijgesteld van btw zijn medische handelingen die gericht zijn op de persoonlijke gezondheidskundige verzorging van de mens, alsmede voor de zorg verleend door instellingen waar men is opgenomen en de zorg op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

Doelstelling:

Ondersteunen van de basisbehoefte aan medische zorg.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regeling is verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling componisten, schrijvers en journalisten

Beschrijving:

Vrijgesteld van btw zijn diensten die naar hun aard diensten zijn door een journalist, schrijver of componist.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

OCW, artikel 14: Cultuur.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in de periode 2023–2026.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstelling lijkbezorging

Beschrijving:

Leveringen door lijkbezorgers die in een rechtstreeks verband staan met de door hen verrichte kenmerkende en essentiële diensten zijn vrijgesteld van btw.

Doelstelling:

Stimuleren of ondersteunen van bedoelde organisaties en instellingen en verminderen van administratieve lasten.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd, vanwege het beperkte budgettaire belang van de regeling.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

BTW Vrijstellingen overig

Beschrijving:

Deze categorie «overig» ziet onder andere op de btw-vrijstelling voor verhuur van onroerende zaken, betalingsverkeer, handelingen inzake waardepapieren, beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Doelstelling:

Diversen, bijvoorbeeld om de moeilijkheden in verband met de vaststelling van de belastbare grondslag te verhelpen of omdat het elders belast is.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Geen evaluatie beoogd. De regelingen zijn verplicht door de Europese Commissie in de btw-richtlijn. Het is derhalve niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Auto

Regeling:

BPM Vrijstelling nulemissievoertuigen

Beschrijving:

Voertuigen met een CO2– uitstoot van 0 gram per kilometer zijn vrijgesteld van BPM. Deze vrijstelling geldt tot 1 januari 2025.

Doelstelling:

Stimuleren van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De regeling zal worden meegenomen in de tussenevaluatie van het Klimaatakkoord in 2022 of 2023 en in de integrale evaluatie in 2024.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, cijfers van de Belastingdienst en de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2018/19» van de Stichting BOVAG-RAI.

Regeling:

MRB Vrijstelling nulemissievoertuigen

Beschrijving:

Voor alle voertuigen met een CO2– uitstoot van 0 gram per kilometer geldt in de MRB een nihiltarief. In 2025 geldt een kwarttarief en vanaf 2026 geldt het volle tarief.

Doelstelling:

Stimuleren van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De regeling zal worden meegenomen in de tussenevaluatie van het Klimaatakkoord in 2022 of 2023 en in de integrale evaluatie in 2024.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2019. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

IB/LB Korting op de bijtelling voor nulemissieauto's

Beschrijving:

Bij privégebruik van een auto van de zaak geldt voor nieuwe auto’s vanaf 2017 een bijtelling in de loon- en/of inkomstenbelasting van 22% van de catalogusprijs. Bij privégebruik van een nulemissieauto van de zaak geldt in 2017 en 2018 een korting van 18% op de bijtelling. Hierdoor komt de bijtelling voor nulemissieauto’s in feite uit op 4%. In 2019 is de korting van 18% gemaximeerd op € 9.000. Vanaf 2020 wordt het kortingspercentage en het maximum afgebouwd. Vanaf 2026 verdwijnt de korting op de bijtelling.

Doelstelling:

Stimulering van emissievrij rijden.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De regeling zal worden meegenomen in de tussenevaluatie van het Klimaatakkoord in 2022 of 2023 en in de integrale evaluatie in 2024.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2018/19» van de Stichting BOVAG-RAI en data van de Belastingdienst over de bijtelling.

Regeling:

IB/LB Korting op de bijtelling voor zuinige auto's (overgangsrecht)

Beschrijving:

Bij privégebruik van een auto van de zaak geldt voor auto’s van voor 2017 een bijtelling in de loon- en/of inkomstenbelasting van 25% van de catalogusprijs. Bij auto’s met lagere CO2– uitstoot dan bepaalde grenzen kan in 2017 en latere jaren door overgangsrecht een korting op de bijtelling van toepassing zijn.

Doelstelling:

Bevorderen van het gebruik van milieuvriendelijke auto’s.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De regeling zal worden meegenomen in de tussenevaluatie van het Klimaatakkoord in 2022 of 2023 en in de integrale evaluatie in 2024.

Ramingsgrond:

Data over nieuwverkopen van de RDW, de publicatie «Mobiliteit in Cijfers Auto’s 2018/19» van de Stichting BOVAG-RAI en data van de Belastingdienst over de bijtelling.

Regeling:

BPM Teruggaaf en MRB Vrijstelling taxi's en openbaar vervoer

Beschrijving:

Teruggaaf van belasting wordt onder voorwaarden verleend voor personenauto’s die zijn bestemd om geheel of nagenoeg geheel te worden gebruikt voor het verrichten van openbaar vervoer of taxivervoer. De BPM-teruggaaf voor taxi's wordt afgeschaft vanaf 2020.

Doelstelling:

Stimuleren van het gebruik van openbaar vervoer en taxivervoer.

Ministerie:

IenW, artikel 16: Openbaar Vervoer en Spoor.

Evaluatie:

Evaluatierapport Openbaar vervoer en taxivervoer in de MRB en BPM, IenM, 2006. Kamerstukken II 2005-2006, 30 300 IXB, nr. 32. De voor 2018 geplande evaluatie is vervallen vanwege de voorgenomen afschaffing van de BPM-teruggaaf per 2020. De evaluatie van de MRB-vrijstelling taxi’s en openbaar vervoer is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

BPM Teruggaaf en MRB Vrijstelling diverse voertuigen

Beschrijving:

In de BPM en MRB geldt voor diverse voertuigen een vrijstelling of teruggaafregeling. In de MRB betreft dit (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, vuilniswagens, aftrek voor het gewicht van een voor rolstoelinstallatie en voertuigen waar gewoonlijk slechts over een geringe afstand van de weg gebruikt gemaakt wordt. In de BPM betreft het (voertuigen voor) politie, defensie, brandweer, ambulance, vervoer van een stoffelijk overschot, dierenambulances, invalidenwagens en vervoer van rolstoelgebruikers in groepsverband.

Doelstelling:

Deze regelingen kennen diverse doelstellingen, waaronder het dienen van het algemeen belang.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Het beperkte en ondergeschikte gebruik van de weg in de MRB, FIN, 2007. Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 IXB, nr. 17. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

BPM Vrijstelling bestelauto ondernemers

Beschrijving:

Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig (meer dan 10% van het totale gebruik van de bestelauto) in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt een vrijstelling van BPM.

Doelstelling:

Stimulering ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

MRB Verlaagd tarief bestelauto ondernemers

Beschrijving:

Voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig (meer dan 10% van het totale gebruik van de bestelauto) in het kader van hun onderneming gebruiken, geldt een verlaagd tarief in de MRB. Dit tarief wordt van 2021 tot en met 2024 jaarlijks met gemiddeld € 24 verhoogd en in 2025 met gemiddeld € 24 verlaagd.

Doelstelling:

Stimulering ondernemerschap.

Ministerie:

EZK, artikel 2: Bedrijvenbeleid: innovatie en ondernemerschap voor duurzame welvaartsgroei.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2019. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Verlaagd tarief bestelauto gehandicapten

Beschrijving:

Een verlaagd MRB-tarief is van toepassing op een bestelauto die wordt gebruikt voor het vervoer van een gehandicapte persoon in de cabine van het voertuig en voor het gelijktijdig vervoeren van een niet-opvouwbare rolstoel van die persoon.

Doelstelling:

Tegemoetkoming voor gehandicapten.

Ministerie:

VWS, Financieel Beeld Zorg.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2019. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Vrijstelling motorrijtuigen ouder dan 40 jaar

Beschrijving:

Motorrijtuigen van 40 jaar en ouder zijn vrijgesteld van MRB.

Doelstelling:

Stimulering behoud van mobiel historisch erfgoed.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Budgettaire opbrengst van de oldtimermaatregel, FIN, 2015. Kamerstukken II 2014-2015, 34 002, nr. 100. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

MRB Overgangsregeling motorrijtuigen vanaf bouwjaar 1988

Beschrijving:

Voor personen- en bestelauto’s rijdend op benzine, motorrijwielen, bussen en vrachtauto’s die op 1 januari 2014 26 jaar of ouder zijn maar nog geen 40 jaar, geldt een kwarttarief met een maximum van € 124 onder de voorwaarde dat er in de maanden januari, februari en december niet van de openbare weg gebruik wordt gemaakt.

Doelstelling:

Behouden van cultureel rijdend erfgoed in deze leeftijdsgroep waarmee niet dagelijks gebruik wordt gemaakt van de weg.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Budgettaire opbrengst van de oldtimermaatregel, FIN, 2015. Kamerstukken II 2014-2015, 34 002, nr. 100. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst t/m 2018.

Regeling:

MRB Kwarttarieven

Beschrijving:

Voor kampeerauto’s, voertuigen voor particulier paardenvervoer, kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en rijdende werkplaatsen geldt een kwarttarief in de MRB. Het overgrote deel hiervan betreft kampeerauto’s.

Doelstelling:

Ontzien van voertuigen waarmee beperkt gebruik wordt gemaakt van de weg.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Het beperkte en ondergeschikte gebruik van de weg in de MRB, FIN, 2007. Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 IXB, nr. 17. De volgende evaluatie is beoogd in 2020.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2019. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Regeling:

MRB Halftarief plug-in hybride auto’s

Beschrijving:

Voor auto’s met een CO2– uitstoot van meer dan 0 gram per kilometer maar minder dan 50 gram per kilometer geldt een halftarief in de MRB. In 2025 wordt het tarief verhoogd naar een driekwarttarief en vanaf 2026 geldt het volle tarief.

Doelstelling:

Stimuleren gebruik plug-in hybride auto.

Ministerie:

IenW, artikel 14: Wegen en verkeersveiligheid.

Evaluatie:

Evaluatie Wet uitwerking Autobrief II, FIN, 2018. Kamerstukken II 2017-2018, 32 800, nr. 44. De regeling zal worden meegenomen in de tussenevaluatie van het Klimaatakkoord in 2022 of 2023 en in de integrale evaluatie in 2024.

Ramingsgrond:

Cijfers Belastingdienst over juni t/m 2019. De raming van het jaarlijkse budgettaire belang is afgeleid van de cijfers voor de maand juni.

Assurantiebelasting

Regeling:

ASB Vrijstelling Brede Weersverzekering

Beschrijving:

De brede weersverzekering is een instrument voor agrariërs om weerrisico’s af te dekken. Deze verzekering wordt met ingang van 2020 vrijgesteld van assurantiebelasting.

Doelstelling:

Met de introductie van de vrijstelling van assurantiebelasting wordt beoogd de deelname van agrariërs aan de brede weersverzekering te stimuleren.

Ministerie:

LNV, artikel 11: Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens.

Evaluatie:

De volgende evaluatie is beoogd in 2023, als onderdeel van de beleidsevaluatie Brede Weersverzekering.

Ramingsgrond:

Expertraming subsidiebenutting voor de premie brede weersverzekering.

Accijns

Regeling:

Accijns Vrijstelling communautaire wateren

Beschrijving:

Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van Richtlijn 2003/96/EG moet voor leveringen van motorbrandstof aan de commerciële zeescheepvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Op grond van een internationaal verdrag, de Akte van Mannheim, moet vrijstelling van accijns ook worden verleend voor motorbrandstof voor de commerciële scheepvaart op de binnenwateren van de verdragslanden. Accijns is alleen verschuldigd voor zover het verbruik van een accijnsgoed in Nederland plaatsvindt. Omdat het overgrote deel van de motorbrandstof voor de zeescheepvaart niet in Nederland wordt verbruikt, zou hierover sowieso geen accijns verschuldigd zijn. Indien wel accijns zou zijn betaald, wordt op verzoek teruggaaf hiervan verleend.

Doelstelling:

Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor vaartuigen.

Ministerie:

IenW, artikel 18: Scheepvaart en Havens.

Evaluatie:

Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18. Geen evaluatie beoogd. De regeling komt voort uit internationale verdragen, dus het is niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Accijns Vrijstelling luchtvaartuigen

Beschrijving:

Op grond van artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van Richtlijn 2003/96/EG en internationale verdragen moet voor motorbrandstof voor de commerciële luchtvaart vrijstelling van accijns worden verleend. Binnenlandse vluchten kunnen wel worden belast, hetgeen in Nederland in de periode van 1 januari 2005 tot 1 januari 2012 ook gebeurde.

Doelstelling:

Voorkomen van verstoring van de internationale concurrentieverhoudingen veroorzaakt door accijnzen op brandstof voor luchtvaartuigen.

Ministerie:

IenW, artikel 17: Luchtvaart.

Evaluatie:

Evaluatierapport Belastinguitgaven op het terrein van de accijnzen, FIN, 2008. Kamerstukken II 2007-2008, 31 200 IXB, nr. 18. Geen evaluatie beoogd. De regeling komt voort uit internationale verdragen, dus het is niet doelmatig om te evalueren.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Regeling:

Accijnzen overige regelingen

Beschrijving:

Overige regelingen die de accijns verminderen, zoals het verlaagd tarief voor kleine brouwerijen en teruggaafregelingen voor LNG en LPG.

Doelstelling:

Verschilt per regeling.

Ministerie:

FIN, artikel 1: Belastingen.

Evaluatie:

Evaluatie teruggaafregeling LNG in de accijnzen, Ecorys, 2018. Kamerstukken II 2018-2019, 32 800, nr. 45. Geen volgende evaluatie beoogd, vanwege het beperkte budgettaire belang van de regeling.

Ramingsgrond:

n.v.t.

Afkortingen

ASB

Assurantiebelasting

BPM

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen

BTW

Belasting over de toegevoegde waarde

EB

Energiebelasting

IB

Inkomstenbelasting

LB

Loonbelasting

MIMOSI

Microsimulatiemodel van het Centraal Planbureau (CPB)

MRB

Motorrijtuigenbelasting

OVB

Overdrachtsbelasting

VPB

Vennootschapsbelasting

11 NORMERINGSSYSTEMATIEK GEMEENTEFONDS EN PROVINCIEFONDS

Uitgangspunten

Gemeenten en provincies beschikken over verschillende inkomstenbronnen om de uitgaven voor hun taken te financieren. Eén van de belangrijkste inkomstenbronnen voor decentrale overheden is de algemene uitkering uit het Gemeentefonds en het Provinciefonds.

De normeringsystematiek ‘samen trap op, samen trap af’ bestaat sinds 1994 en bewerkstelligt een evenredig, actuele, inzichtelijke en beheersbare indexatie van het Gemeentefonds en Provinciefonds. Het betreft één integrale indexatie voor zowel loon-, prijs- als volumeontwikkelingen. Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de Rijksbegroting hebben via de normeringsystematiek direct invloed op de omvang van de fondsen (‘samen de trap op, samen de trap af’). De jaarlijkse toe- en afname van het Gemeentefonds en het Provinciefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de Rijksuitgaven wordt het accres genoemd.

Doel van de normeringsystematiek is dat budgettaire lusten of lasten op rijksniveau evenredig worden door vertaald naar de ontwikkeling van de fondsen voor decentrale overheden. De evenredigheid, is met de keuzes uit het Regeerakkoord Rutte III, met in gang van 2018 versterkt, door een koppeling in de normeringssystematiek aan de totale rijksuitgaven. Deze bredere basis zorgt voor meer stabiliteit in de accresontwikkeling. Immers, verschuivingen tussen de verschillende budgettaire deelplafonds hebben niet langer effect op de accresontwikkeling.

Actualiteiten

Sinds Miljoenennota 2019 hebben zich een aantal zaken voorgedaan in de accresontwikkeling. Bij de afrekening van 2018 bleek dat de onderuitputting bij het Rijk voor een negatief effect zorgde op het accres. Dit effect was enkeljarig voor 2019. In het voorjaar heeft het CPB de raming voor de loon- en prijsontwikkeling naar beneden bijgesteld. Voor het accres betekent dit een negatieve bijstelling. Hier staan ook lagere uitgaven voor gemeenten en provincies tegenover. De vertraagde investeringen uit het Regeerakkoord bij de departementen Defensie en Infrastructuur en Waterstaat zorgen in de accresontwikkeling het accres voor een negatief effect in eerdere jaren en een positief effect in latere jaren. Daarnaast zorgen het Pensioenakkoord en het woningmarktpakket voor een positieve bijstelling van het accres.

Presentatie en berekening van de accresontwikkeling

Bij de bepaling van de omvang van accresrelevante uitgaven (aru) vormen de netto uitgaven van het Rijk onder het uitgavenplafond het startpunt. Netto wil zeggen dat de Rijksuitgaven worden gesaldeerd met de niet-belastingontvangsten. Op de netto uitgaven onder het uitgavenplafond (A) worden correcties (B) doorgevoerd voor verschillende posten zoals het Gemeentefonds en Provinciefonds zelf. Het saldo (C) geeft de accresrelevante uitgaven (aru) en vormt de basis voor de accresberekening. Het accres (G) is vervolgens het product van de grondslag (E en H) en de aru in procenten (D).

Tabel 11.1 Normeringssystematiek Gemeentefonds en Provinciefonds

(in miljoenen euro, tenzij anders aangegeven)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Uitgaven Rijksbegroting

138.184

143.546

147.008

149.922

153.537

156.833

Uitgaven Sociale zekerheid

80.928

85.204

87.847

90.257

93.153

96.309

Uitgaven Zorg

70.180

73.443

77.154

80.692

85.047

89.566

A) Netto uitgaven onder uitgavenplafond

289.291

302.194

312.010

320.871

331.738

342.708

B) Correcties

‒ 42.593

‒ 44.016

‒ 45.322

‒ 46.095

‒ 47.396

‒ 48.658

w.v. Gemeentefonds, Provinciefonds en BTW-Compensatiefonds

‒ 32.626

‒ 33.538

‒ 34.414

‒ 34.971

‒ 36.042

‒ 37.119

w.v. overige Rijksbijdragen aan gemeenten en provincies

‒ 10.550

‒ 10.587

‒ 10.687

‒ 10.793

‒ 10.897

‒ 11.006

w.v. overboekingen met GF, PF en BCF

919

399

390

244

50

13

w.v. financieringsverschuivingen

‒ 174

36

‒ 161

‒ 163

‒ 163

‒ 165

w.v. overige correcties

‒ 162

‒ 326

‒ 451

‒ 412

‒ 344

‒ 382

C) Accresrelevante uitgaven (aru) = A+B

246.699

258.177

266.687

274.776

284.342

294.050

D) Ontwikkeling aru (%) = (Ct - Ct-1)/Ct-1

6,06%

4,65%

3,30%

3,03%

3,48%

3,41%

Gemeentefonds

E) Grondslag (t-1)

17.633

26.736

27.387

28.173

28.576

29.434

F) Accres (= E * D)

1.068

1.244

903

855

995

1.005

G) accres cumulatief

1.068

2.312

3.215

4.069

5.064

6.069

Provinciefonds

H) Grondslag (t-1)

2.454

2.463

2.480

2.448

2.489

2.566

I) Accres (= H * D)

149

115

82

74

87

88

J) accres cumulatief

149

263

345

419

506

594

Tabel 11.2 Accrestranches Gemeentefonds

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Tranche 2019

1068

1068

1068

1068

1068

1068

Tranche 2020

1244

1244

1244

1244

1244

Tranche 2021

903

903

903

903

Tranche 2022

855

855

855

Tranche 2023

995

995

Tranche 2024

1005

Cumulatief accres Gemeentefonds (reeks G)

1068

2312

3215

4069

5064

6069

Tabel 11.3 Accrestranches Provinciefonds

(in miljoenen euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Tranche 2019

149

149

149

149

149

149

Tranche 2020

115

115

115

115

115

Tranche 2021

82

82

82

82

Tranche 2022

74

74

74

Tranche 2023

87

87

Tranche 2024

88

Cumulatief accres Gemeentefonds (reeks G)

149

263

345

419

506

594

Bepaling accresrelevante uitgaven (aru)

Om de aru te berekenen wordt uitgegaan van de netto Rijksuitgaven onder het uitgavenplafond inclusief drie type correcties:

  • 1. Rijksuitgaven aan gemeenten en provincies

    Uitgaven onder het uitgavenplafond die het Rijk overmaakt naar gemeenten en provincies worden uit de aru gecorrigeerd. Deze overdrachten zijn immers bestemd voor de financiering van uitgaven door gemeenten en provincies zelf en maken derhalve geen onderdeel uit van de rijksuitgaven waarop de trap-op-trap-af van toepassing is. Het corrigeren van de overdrachten is ook nodig om een onbedoelde doorwerking van accres op accres in hetzelfde jaar te voorkomen. Rijksuitgaven die op deze wijze gecorrigeerd worden zijn onder andere de algemene-, decentralisatie- en integratie-uitkeringen van het Gemeentefonds en Provinciefonds, de uitgaven van het Btw-compensatiefonds, de bijstand en de integratie uitkering sociaal domein.

  • 2. Uitgavenmutaties in de WW als gevolg van conjunctuur

    In de begrotingsregels van het kabinet Rutte III is afgesproken dat gedurende de regeerperiode het uitgavenplafond gecorrigeerd wordt voor mutaties in de WW-uitgaven als gevolg van de conjunctuur. Het Rijk hoeft zodoende mee- en tegenvallers in de WW uitgaven als gevolg van conjunctuur niet op te vangen binnen het uitgavenplafond en zijn om deze reden ook niet accresrelevant.

  • 3. Financieringsverschuivingen gedurende de kabinetsperiode

    Financieringsverschuivingen zijn verschuivingen van geldstromen binnen het Rijk die niet tot meer of minder bestedingsruimte van het Rijk leiden, maar zonder correctie wel effect zouden hebben op het accres. Dit zijn dus schuiven tussen accresrelevante uitgaven en niet-accresrelevante uitgaven. Bij een schuif is per saldo geen sprake van meer of minder uitgaven op rijksniveau, maar is alleen sprake van een andere financieringsbron. Denk bijvoorbeeld aan overhevelingen van departementale begrotingen naar het Gemeentefonds en Provinciefonds en financieringsverschuivingen tussen de inkomsten- en de uitgavenkant.

Grondslag

De normeringsystematiek is van toepassing op alle middelen die worden verantwoord onder het Gemeentefonds en Provinciefonds en vallen onder het uitgavenplafond Rijksbegroting (voorheen genaamd: uitgavenkader Rijksbegroting in enge-zin). Daarmee is de grondslag waarover de normeringsystematiek wordt uitgekeerd dus breder dan alleen de algemene uitkering van beide fondsen.

Voor de berekening van het accres in jaar t wordt de grondslag van het voorgaande jaar (t-1) genomen. Het accrespercentage in jaar t betreft immers ook de groei van de aru ten opzichte van het voorgaande jaar (t-1). Als de aru met x% stijgen in jaar t groeien het Gemeentefonds en het Provinciefonds via het accres in jaar t ook met x%. Hiermee wordt het principe van trap-op-trap-af gewaarborgd.

Dit heeft tot gevolg dat mutaties in de grondslag altijd met een jaar vertraging doorwerken in de normeringsystematiek. Via taakmutaties kunnen departementen geld toevoegen of onttrekken aan één van beide fondsen, dit werkt door als grondslagmutatie. Uitgangspunt is dat bij taakmutaties geen jaren ontstaan zonder indexatie van deze overgehevelde budgetten. Dat betekent dat bij overheveling van of naar het Gemeentefonds of Provinciefonds het verantwoordelijke departement een reeks overhevelt met indexatie over het lopende jaar.

Het BTW-compensatiefonds

Gemeenten en provincies kunnen de door hen betaalde btw onder voorwaarden terugvragen uit het Btw-compensatiefonds (BCF). Hierdoor speelt btw geen rol meer in de afweging tussen in- of uitbesteden. De bijdrage van het Rijk aan het BCF is geplafonneerd. Dit plafond groeit jaarlijks mee met de uitkomst van de normeringssystematiek. Als er minder geclaimd wordt uit het fonds dan het plafond, dan wordt de ruimte onder het plafond gestort in het Gemeente- en Provinciefonds. Als er meer wordt geclaimd uit het fonds dan het plafond, dan wordt het bedrag boven het plafond teruggevorderd uit het Gemeente- en Provinciefonds. Hierdoor zijn het BCF en het Gemeente- en Provinciefonds communicerende vaten.

Wanneer het Rijk een taak decentraliseert naar een gemeente of provincie, dan wordt er ook een toevoeging gedaan aan het BCF. Hierdoor hebben decentralisaties geen effect op de ruimte onder het plafond van het BCF.

Tabel 11.4 Geraamd plafond BCF

(in duizenden euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Plafond

3.519.703

3.671.278

3.791.793

3.906.157

4.042.143

4.180.137

Grondslag

3.569.421

3.708.459

3.824.075

3.962.612

4.114.792

4.114.792

W.v. overhevelingen i.v.m taakmutaties

8.043

697

201

W.v. accres

‒ 57.761

‒ 37.878

‒ 32.483

‒ 56.455

‒ 72.649

65.345

Uitgaven

3.427.847

3.426.667

3.426.171

3.426.036

3.426.036

3.426.036

W.v. Gemeenten

3.016.105

3.014.557

3.014.448

3.014.448

3.014.448

3.014.448

W.v. Provincies

411.742

412.110

411.723

411.588

411.588

411.588

Ruimte onder plafond

91.856

244.611

365.622

480.121

616.107

754.101

W.v. Gemeenten

80.823

215.193

321.685

422.442

542.091

663.507

W.v. Provincies

11.033

29.418

43.937

57.679

74.016

90.594

12 OVERZICHT RISICOREGELINGEN VAN HET RIJK

Tabellen 12.1, 12.2 en 12.3 geven een totaaloverzicht van directe en indirecte risicoregelingen van het Rijk. Voor details over onderstaande garantiere- gelingen en achterborgstellingen wordt verwezen naar begrotingen en jaarverslagen van de betreffende vakdepartementen

Garanties

Een garantie is een voorwaardelijke, financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Garantieregelingen worden als verplichting opgenomen in de begroting van het betreffende vakdepartement.

Tabel 12.1 bevat de garantieregelingen van het Rijk. Alle regelingen met een uitstaand risico groter dan 100 miljoen euro zijn weergegeven. Alle regelingen met een uitstaand risico, een risicoplafond en mutaties kleiner dan 100 miljoen euro zijn samengevat in de post «Overig». Het overzicht geeft de stand eind augustus weer. Ontwikkelingen daarna zijn niet in het overzicht opgenomen. Deze worden meegenomen in het overzicht risicoregelingen bij het Financieel Jaarverslag Rijk 2019.

In het overzicht worden achtereenvolgens de begroting (b), het begrotingsartikel (a) en de omschrijving van de garantie weergegeven.

Daarachter staat voor de jaren 2018, 2019 en 2020 het bedrag dat daadwerkelijk als risico is verleend dan wel door de Tweede Kamer is geautoriseerd, genaamd de «uitstaande garanties». Onder de uitstaande garanties vallen ook de garanties die in eerdere jaren zijn verstrekt. In 2019 en 2020 worden garanties verleend en komen garanties te vervallen. Dit is terug te lezen in de kolommen «geraamd te verlenen» en «geraamd te vervallen».

Een garantieregeling van het Rijk kent vrijwel altijd een maximum, het zogenaamde plafond. Dit plafond kan een jaarlijks plafond zijn (per jaar mag een maximaal bedrag aan garanties worden verleend) of een totaalplafond (er mogen nooit meer garanties verleend worden dan het plafond). In tabel 12.1 is onderscheid gemaakt tussen beide soorten plafonds. Bij regelingen waar geen plafond is afgesproken, is het totaalplafond gelijk gesteld aan de uitstaande garanties. Bij internationale organisaties is gekozen het garantieplafond gelijk te stellen aan de uitstaande garanties. Hiervan is sprake bij de Europese garanties (EFSF, EFSM en ESM) en de garanties aan een aantal internationale financiële instellingen.

Tabel 12.1 Garantieregelingen van het Rijk (in miljoenen euro)

b

a

omschrijving

Uitstaande garanties

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Geraamd te verlenen

Geraamd te vervallen

Uitstaande garanties

Garantie-plafond

Totaal plafond

2018

2019

2019

2019

2019

2020

2020

2020

2020

V

43

IS-Raad van Europa

176,7

176,7

176,7

176,7

VIII

7

Bouwleningen academische ziekenhuizen

163,9

163,9

163,9

176,6

VIII

14

Achterborgovereenkomst NRF

322,7

15,3

15,9

322,1

322,1

380,0

VIII

14

Indemniteitsregeling

288,1

131,3

346,5

72,8

72,8

300,0

IXB

2

Single Resolution Fund

4.163,5

4.163,5

4.163,5

4.163,5

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

9.768,9

9.768,9

9.768,9

9.768,9

IXB

3

Financieringsmaatschappij voor ontwikkelingslanden (FMO)

5.507,0

5.507,0

5.507,0

IXB

4

Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB)

719,5

3,1

722,6

722,6

722,6

IXB

4

DNB - deelneming in kapitaal IMF

43.303,7

264,5

43.568,2

43.568,2

43.568,2

IXB

4

European Bank for Reconstruction and Development (EBRD)

589,1

589,1

589,1

589,1

IXB

4

European Financial Stability Facility (EFSF)

34.154,2

34.154,2

34.154,2

34.154,2

IXB

4

European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM)

2.880,0

60,0

2.940,0

2.940,0

2.940,0

IXB

4

European Investment Bank (EIB)

9.895,5

1.900,4

11.796,0

11.796,0

11.796,0

IXB

4

European Stability Mechanism (ESM)

35.445,4

35.445,4

35.445,4

35.445,4

IXB

4

Kredieten EU-betalingsbalanssteun

2.400,0

50,0

2.450,0

2.450,0

2.450,0

IXB

4

Wereldbank

4.525,2

774,9

5.300,0

5.300,0

5.300,0

IXB

5

Exportkredietverzekering

16.338,9

10.000,0

10.000,0

16.338,9

10.000,0

10.000,0

10.000,0

16.338,9

10.000,0

XIII

2

Borgstelling MKB Kredieten (BMKB)

1.858,9

765,0

509,8

2.114,1

765,0

765,0

467,9

2.411,3

765,0

XIII

2

Garantie Ondernemingsfinanciering (GO)

597,9

400,0

89,8

908,1

400,0

400,0

127,1

1.181,0

400,0

XIII

2

Groeifaciliteit

103,7

105,0

19,7

189,0

105,0

85,0

23,0

251,0

85,0

XIII

2

Microkredieten

100,0

30,0

0,6

129,4

7,1

122,2

130,0

XIII

2

MKB-financiering

68,2

68,2

68,2

268,2

XIII

4

Aardwarmte

58,9

66,6

34,4

91,1

66,6

66,6

157,7

66,6

XIV

11

Garantie voor investeringen & werkkapitaal landbouwondernemingen

334,3

79,3

33,1

380,5

120,0

120,0

50,0

350,5

120,0

XIV

12

Garantie voor natuurgebieden en landschappen

346,5

19,1

327,4

19,4

308,0

346,5

XVI

2 & 3

Instellingen voor de gezondheidszorg

250,7

37,6

213,1

35,1

178,0

213,1

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

8,2

24,0

32,2

24,0

56,2

140,0

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

80,6

50,0

130,6

50,0

180,6

675,0

XVII

43

International Finance Facility for Education (IFFEd)

212,5

212,5

212,5

XVII

45

Garanties IS-NIO

138,0

15,4

122,6

14,6

108,1

122,6

XVII

45

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

2.155,5

5,7

2.161,1

2.161,1

2.161,1

Overig

300,2

82,0

38,1

344,2

55,4

81,9

10,3

415,8

55,4

346,1

Totaal

177.044

14.807

11.160

180.691

11.512

11.805

10.755

181.641

11.492

156.546

Tabel 12.2 bevat de uitgaven en ontvangsten behorende bij de door de staat verstrekte garanties in 2019 en 2020. Alleen garanties waarop daadwerkelijk uitgaven en ontvangsten zijn gedaan worden hier weergegeven. De in de tabel getoonde uitgaven betreffen de schade-uitkeringen op afgegeven garanties. De in de tabel getoonde ontvangsten betreffen zowel ontvangen premies, provisies en dergelijke als op derden verhaalde (schade-)uitkeringen.

Tabel 12.2 Uitgaven en ontvangsten door staat verstrekte garanties (in duizenden euro)

b

a

omschrijving

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2019

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo 2020

2019

2019

2020

2020

VI

33

Garantiestelling Faillissementscuratoren dienst JUSTIS

3.000

3.500

500

IXB

1

Garantie procesrisico's

245

‒ 245

245

‒ 245

IXB

2

Terrorismeschades (NHT)

875

875

875

875

IXB

2

WAKO (kernongevallen)

614

614

614

614

IXB

5

Exportkredietverzekering

190.000

218.297

28.297

62.000

235.954

173.954

XIII

2

Borgstelling MKB krediet (BMKB)

36.563

33.000

‒ 3.563

36.744

33.000

‒ 3.744

XIII

2

Garantie Ondernemersfinanciering (GO)

11.745

13.000

1.255

11.745

13.000

1.255

XIII

2

Groeifaciliteit

8.772

8.000

‒ 772

8.772

8.000

‒ 772

XIII

4

Aardwarmte

3.500

1.280

‒ 2.220

4.700

4.700

XVII

41

Dutch Trade and Investment Fund (DTIF)

7.000

500

‒ 6.500

7.000

500

‒ 6.500

XVII

41

Garantie Dutch Good Growth Fund (DGGF)

5.000

3.000

‒ 2.000

5.000

3.000

‒ 2.000

XVII

41

Garanties Internationale samenwerking - Netwerk internationaal ondernemen (IS-NIO)

300

300

300

300

Achterborgstellingen

Naast het risico uit garantieregelingen staat het Rijk ook indirect bloot aan risico’s uit achterborgstellingen. In die gevallen wordt de daadwerkelijke garantieverplichting niet afgegeven door het Rijk maar door een daarvoor aangewezen tussenpersoon, bijvoorbeeld een stichting. Het Rijk wordt pas aangesproken zodra de tussenpersoon niet aan haar verplichtingen kan voldoen. In de begroting van het betreffende vakdepartement worden achterborgstellingen niet als verplichting opgenomen. De achterborgstellingen zijn opgenomen in tabel 12.3.

Het risico uit de achterborgstellingen (in tabel 12.3) is niet één op één te vergelijken met het risico uit de garantieregelingen (in tabel 12.1). Bij achterborgstellingen worden de risico’s soms gedeeld met gemeenten. Zo worden de verplichtingen die het Waarborgfonds Eigen Woningen (WEW) voor 1 januari 2011 is aangegaan voor 50 procent gedekt door gemeenten en voor 50 procent door de rijksoverheid. Verplichtingen aangegaan na deze datum worden volledig door de rijksoverheid gedekt. Bij het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) wordt de gehele positie met gemeenten gedeeld.

Per achterborgstelling zijn er verschillende mogelijkheden om eventuele schade te dekken. Het WSW beschikt over een fondsvermogen en kan daarnaast indien nodig obligo ophalen bij deelnemende woningcorporaties ter hoogte van € 3,1 miljard. Ook kunnen woningcorporaties in financiële problemen onder bepaalde voorwaarden een aanvraag doen voor saneringssteun. Saneringssteun wordt bekostigd via een heffing aan corporaties en deze middelen lopen via een risicovoorziening op de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Alle woningcorporaties zijn op basis van de wet verplicht om deze heffing te betalen. Financiële problemen bij corporaties worden in eerste instantie dus betaald door de corporatiesector zelf via het fondsvermogen WSW, obligo en de saneringsheffing. Pas daarna komen Rijk en gemeenten in beeld via de achtervang. De achtervang is nog niet eerder aangesproken.

De Stichting Waarborgfonds Zorg (WFZ) kent een soortgelijke regeling. Ook hier wordt eerst het bufferkapitaal van de stichting aangesproken om schade te dekken. Daarna moeten de zorginstellingen met een door het WFZ geborgde lening een percentage (maximaal 3 procent van de uitstaande garanties van de deelnemende zorginstelling) van het leningenbedrag afdragen (obligo). Mocht dit onvoldoende zijn om de verplichtingen van het WFZ na te komen, dan kan het WFZ een beroep doen op de rijksoverheid. Bij het WEW geldt geen obligoverplichting. Hier dienen huizen als onderpand, waardoor de schade zich beperkt tot eventuele restschulden na gedwongen verkoop. Het WEW teert bij verlies direct in op het bufferkapitaal.

Tabel 12.3 Achterborgstellingen (in miljoenen euro)

Realisatie 2018

Raming 2019

Raming 2020

Totaal Achterborgstellingen

292.400

295.837

306.193

Stichting Waarborgfonds Zorg

7.100

6.737

9.393

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

79.800

82.600

84.800

Waarborgfonds Eigen Woningen

205.500

206.500

212.000

Bufferkapitaal

Stichting Waarborgfonds Zorg

286

288

293

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

535

522

508

Waarborgfonds Eigen Woningen

1.265

1.396

1.525

Obligo

Stichting Waarborgfonds Zorg

213

202

191

Waarborgfonds Sociale Woningbouw

3.000

3.100

3.200

13 REGEERAKKOORDMIDDELEN OP DE AANVULLENDE POST

In deze bijlage zijn de mutaties van de regeerakkoordmiddelen op de aanvullende post tot en met Miljoenennota 2020 en de nieuwe stand bij Miljoenennota 2020 opgenomen. De toelichtingen bij de mutaties op de aanvullende post staan in de Verticale Toelichting aanvullende post.

In tabel 1 zijn alle mutaties sinds de Miljoenennota 2019 weergegeven. De mutaties betreffen overhevelingen naar begrotingen en kasschuiven. De stand van de reserveringen Regeerakkoord op de aanvullende post bij Miljoenennota 2020 zijn zichtbaar in tabel 2. Daar waar een 0 in de reeksen staat, is de mutatie en/of de stand kleiner dan 0,5 mln. De reserveringen Regeerakkoord die volledig zijn uitgeput, worden niet meer in tabel 2 weergegeven.

Tabel 1: Mutaties Regeerakkoordmiddelen aanvullende post (in mln. euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Ontvangende begroting

Totaal

‒ 1.886

‒ 1.877

‒ 1.784

‒ 1.519

‒ 1.568

711

Hoofdstuk en artikel

Openbaar bestuur

A3

Belastingdienst

‒ 202

0

25

110

FIN: art. 1

A4

Reservering transitie werkgevers zorg en overheid a.g.v. afschaffing doorsneesystematiek pensioenen

‒ 200

200

Staten-Generaal: art. 1 en 3Overige Hoge Colleges van Staat: art. 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9AZ: art. 1JenV: art. 92BZK: art. 11OCW: art. 95FIN: art. 10IenW: art. 98EZK: art. 40LNV: art. 51SZW: art. 96VWS: art. 11

Veiligheid

B5

Politie (o.a. agenten in de wijk, innovatie, recherche en werkgeverschap)

‒ 50

‒ 82

‒ 82

‒ 82

‒ 82

47

JenV: art. 31

B6

Digitalisering werkprocessen strafrechtketen

‒ 70

‒ 25

‒ 25

‒ 24

JenV: art. 33, 92

B7

Extra capaciteit strafrechtketen

‒ 10

‒ 15

‒ 20

‒ 20

‒ 20

JenV: art. 92

B10

Ondermijnende criminaliteit

‒ 7

‒ 7

‒ 7

‒ 7

‒ 7

JenV: art. 33

B12

Ondermijningsbestrijdingsfonds

‒ 100

JenV: art. 33

B14

Experimenten regulering wietteelt

‒ 1

‒ 1

‒ 1

‒ 1

‒ 1

JenV: art. 33

L110

Meerjarenprogramma werven en opleiden brandweer- en politie

‒ 1

‒ 1

‒ 1

JenV: art. 36

Defensie

C20

Uitbreiding slagkracht, cyber en werkgeverschap

‒ 110

‒ 110

‒ 110

‒ 110

‒ 110

DEF: art. 12

Milieu

E23

Envelop klimaat

‒ 300

‒ 265

‒ 194

‒ 188

‒ 219

81

BZK: art. 4IenW: art. 14, 21EZK: art. 2, 4LNV: art. 11, 12

E24

SDE+: nieuwe verplichtingen vanaf 2020

‒ 103

‒ 368

‒ 290

‒ 288

EZK: art. 4

E26

Invoeren alternatief voor salderingsregeling

‒ 213

‒ 240

‒ 240

‒ 240

nvt

Landbouw

F28

Capaciteit NVWA

‒ 5

‒ 15

‒ 16

‒ 15

‒ 15

LNV: art. 14VWS: art. 1

F29

Cofinanciering Fonds warme sanering varkenshouderij (prioritair voor Noord-Brabant)

‒ 66

‒ 80

‒ 36

‒ 6

3

1

LNV: art. 11, 50

F30

Fonds bedrijfsopvolging agrarische sector

‒ 50

‒ 25

LNV: art. 11

F31

Cofinanciering innovatie visserij

‒ 5

‒ 5

‒ 5

LNV: art. 11

Onderwijs, onderzoek en innovatie

G33

Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. 20 miljoen kleine scholen)

‒ 81

‒ 193

‒ 153

97

OCW: art. 1

G39

Maatschappelijke diensttijd

‒ 50

‒ 40

‒ 27

‒ 7

‒ 1

100

VWS: art. 4, 10

G40

Cultuur (en historisch democratisch bewustzijn)

‒ 2

‒ 28

‒ 28

‒ 29

‒ 29

OCW: art. 14

G42

Media/onderzoeksjournalistiek

‒ 5

‒ 5

‒ 5

‒ 5

‒ 5

OCW: art. 15, 95

G43

Intensivering erfgoed en monumenten

‒ 39

OCW: art. 14

Zorg

H57

Bevorderen digitaal ondersteunende zorg

5

H59

Preventiemaatregelen

‒ 41

‒ 41

‒ 15

8

VWS: art. 1, 4, 10

H62

Onafhankelijke cliëntondersteuning

10

nvt

H64

Brede aanpak LVB, daklozen en zwerfjongeren

‒ 1

‒ 2

‒ 2

‒ 1

VWS: art. 3

H70

Experimenten regulering wietteelt

‒ 1

‒ 1

‒ 1

‒ 1

‒ 1

VWS: art. 1, 10

Sociale Zekerheid

I82

Pilot scholing WGA (voor mensen waarvoor onvoldoende functies te duiden zijn)

‒ 10

‒ 10

‒ 10

0

SZW: art. 99

I86

Collectiviseren transitievergoeding MKB

‒ 100

‒ 100

‒ 100

‒ 100

SZW: art. 99

Overdrachten bedrijven

J101

Eigen vermogen Invest NL (niet EMU-saldorelevant)

‒ 500

‒ 330

‒ 330

‒ 330

‒ 300

153

FIN: art. 3

Overige uitgaven

L105

Reservering regionale knelpunten (waaronder BES, Rotterdam-Zuid, nucleair, Eindhoven, ESTEC, Zeeland)

‒ 205

‒ 164

‒ 105

‒ 1

EZK: art. 5LNV: art. 12, 51

L107

Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch

‒ 15

‒ 15

30

nvt

L108

Gasfonds Groningen

‒ 50

6

9

EZK: art. 5

Tabel 2: Resterende RA-reserveringen op de aanvullende post bij Miljoenennota 2020 (in mln. euro)

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Saldo

4

612

829

898

675

711

Openbaar bestuur

A3

Belastingdienst

30

50

110

A4

Reservering transitie werkgevers zorg en overheid a.g.v. afschaffing doorsneesystematiek pensioenen

200

200

200

200

Veiligheid

B5

Politie (o.a. agenten in de wijk, innovatie, recherche en werkgeverschap)

23

47

47

47

B6

Digitalisering werkprocessen strafrechtketen

45

45

46

Milieu

E23

Envelop klimaat

35

106

112

81

81

E25

Natuur en waterkwaliteit

40

Landbouw

F29

Cofinanciering Fonds warme sanering varkenshouderij (prioritair voor Noord-Brabant)

4

4

4

3

1

Onderwijs, onderzoek en innovatie

G33

Aanpak werkdruk primair onderwijs (incl. 20 miljoen kleine scholen)

41

97

G39

Maatschappelijke diensttijd

35

73

93

99

100

Zorg

H57

Bevorderen digitaal ondersteunende zorg

4

10

10

5

5

H59

Preventiemaatregelen

10

9

8

H62

Onafhankelijke cliëntondersteuning

10

10

10

H64

Brede aanpak LVB, daklozen en zwerfjongeren

0

H65

Belonen van uitkomsten

3

6

Overdrachten bedrijven

J101

Eigen vermogen Invest NL (niet EMU-saldorelevant)

170

170

170

170

153

Overige uitgaven

L105

Reservering regionale knelpunten (waaronder BES, Rotterdam-Zuid, nucleair, Eindhoven, ESTEC, Zeeland)

4

178

66

L107

Stimulering ombouw laagcalorisch naar hoogcalorisch

15

30

30

L108

Gasfonds Groningen

56

50

50

10

9

14 VERBETERING INFORMATIEVOORZIENING IN EN ROND BEGROTINGEN

Het kabinet werkt aan diverse trajecten die moeten leiden tot een verbeterde informatievoorziening in de begroting 2021, begrotingsuitvoering 2020 en jaarverslag 2019:

  • De voorschriften over de informatie rond budgetflexibiliteit en de verplichtingen op de begrotingsartikelen krijgen meer aandacht. Financiën zal meer erop toezien dat de naleving van de voorschriften wordt verbeterd en waar nodig aangescherpt. Bij de verplichtingen is het de bedoeling dat in een begrotingsartikel voortaan meer toelichting komt om inzicht te vergroten in de meerjarige verplichtingen, en welke verplichtingen zijn komen te vervallen. Dit start met de 1e suppletoire begroting 2020 en het jaarverslag over 2019. Hierdoor krijgt de Tweede Kamer, naast de informatie die nodig is om het budgetrecht uit te oefenen, ook informatie over de gevolgen daarvan meerjarig. Daarnaast krijgt de Tweede Kamer meer inzicht in welke middelen niet juridisch of bestuurlijk verplicht zijn, wat ook de allocatiefunctie van de begroting verbetert. Kamerleden zijn hierdoor immers beter in staat te bepalen welke middelen zich lenen voor eventuele herallocatie.

  • De digitale beleidsverantwoording, zoals die nu op rijksbegroting.nl en rijksfinancien.nl staat, wordt in 2020 meer geïntegreerd. Beide websites worden daarmee op termijn samen één. Dit leidt ertoe dat de zogenoemde witte stukken (de wetsteksten en memories van toelichting van de Begrotings- en Slotwetten) worden verrijkt met andere doorkijken. Zo bieden de open data beter en meer inzicht in meerjarige uitgaven, uitputting en tussentijdse wijzigingen. Daarnaast kan men op relevante plaatsen in de witte stukken een verrijking met externe beleidsinformatie, beleidsevaluaties en -doorlichtingen, en andere kamerstukken vinden. Ook is het merendeel van de bestede middelen tot op het niveau van de ontvanger te volgen. Hiermee biedt de toekomstige website steeds meer synergie tussen de witte stukken en digitale informatie, en daarmee een integraal informatiepakket rond de begrotingen en jaarverslagen. Nu al is veel van deze informatie beschikbaar op rijksfinancien.nl.

  • In 2017 heeft de Adviescommissie Verslaggevingsstelsel rijksoverheid (AVro) onderzoek gedaan naar de voor- en nadelen van verdere toevoeging van baten-lasteninformatie binnen het verslaggevingsstelsel van de Rijksoverheid. De Adviescommissie concludeerde dat er aanleiding is het verslaggevingsstelsel verder te verbeteren en harmoniseren. Tijdens het Algemeen Overleg «Rijksbrede ontwikkelingen in begroten en verantwoorden» van 14 februari 2019 heeft het kabinet toegezegd – in lijn met de bevindingen van de rapporteurs Sneller en Snels – verschillende pilotprojecten uit te voeren bij de ministeries van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat. Bij vier investeringsprojecten wordt zowel informatie op basis van kas-verplichtingen als op basis van baten-lasten gepresenteerd, waarbij de baten-lasteninformatie extracomptabel tot stand komt. Met de pilots wordt onderzocht of het toevoegen van baten-lasteninformatie de kwaliteit van besluitvorming van investeringen versterkt en of hiermee de waardeontwikkeling van publiek bezit beter zichtbaar wordt. De afgelopen periode is de Tweede Kamer geïnformeerd welke pilotprojecten hiervoor door de twee departementen zijn uitgekozen (zie Kamerstukken 31865 nr. 130 en 31865 nr. 132).

    Om de uniformiteit te borgen tussen de pilots wordt momenteel een accounting manual opgesteld waarin de belangrijkste uitgangspunten voor de verslaggeving in een baten-lastenomgeving zijn opgenomen. Tijdens de verschillende begrotingsmomenten in 2020 zal aan de Tweede Kamer zal toegelicht worden welke aanvullende baten-lasteninformatie toegevoegd is en hoe de cijfers tot stand zijn gekomen. Periodiek zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd over de algemene voortgang van de ontwikkelingen van de AVro. Hierbij zal worden aangesloten op de periodieke voortgangsrapportages van de Operatie Inzicht in Kwaliteit.

    Ten slotte heeft het kabinet toegezegd de Studiegroep Begrotingsruimte te verzoeken om advies uit te brengen over de ontwikkelingen binnen het Rijksbrede verslaggevingsstelsel. Dit advies wordt in de zomer 2020 verwacht.

Het kabinet werkt ook met de Operatie Inzicht in Kwaliteit aan het vergroten van het inzicht in de maatschappelijke toegevoegde waarde van beleid. Daartoe zijn 18 departementale initiatieven gestart om bij te dragen aan het vergroten van bruikbaar inzicht en wordt gewerkt aan verbeteringen in het Rijksbrede evaluatiestelsel om ook structureel meer inzicht te verkrijgen en benutten. Meer inzicht in de maatschappelijke toegevoegde waarde van beleid is niet alleen van belang om verantwoording af te kunnen leggen over beleidskeuzes en resultaten, maar ook om als een lerende overheid te zijn. Beter inzicht in bijvoorbeeld de beleidsopgaven en beleidstheorie kunnen bijdragen aan de kwaliteit van besluitvorming. Beter inzicht in (tussentijdse) resultaten en mogelijkheden voor verbetering bieden mogelijkheden om beleid waar nodig bij te sturen. Deze inzichten in de maatschappelijke toegevoegde waarde van beleid kunnen tevens de kwaliteit van de informatie in begrotingen en jaarverslagen vergroten en ook rijksfinancien.nl verder verrijken met beleidsinformatie.

15 EUROPESE BEGROTINGSREGELS

Het Stabiliteits- en Groeipact

In het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) hebben de lidstaten van de Europese Unie vastgelegd aan welke eisen hun overheidsfinanciën moeten voldoen. Deze afspraken moeten zorgen voor gezonde overheidsfinanciën van de lidstaten, op zowel korte als lange termijn. Deze afspraken gelden dus ook voor Nederland. De afspraken kennen een zogenoemde correctieve en preventieve arm. De correctieve arm omvat de bekendste grenswaarden van het SGP: een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bbp en een feitelijk begrotingstekort (EMU-saldo) van maximaal 3 procent van het bbp. Ook heeft Nederland heeft een overheidsschuld van minder dan 60 procent bbp, en een begrotingsoverschot. Het saldo komt eind 2019 naar verwachting uit op 1,3 procent van het bbp, de schuld daalt tot 49,2 procent van het bbp.

In vergelijking met veel andere lidstaten in de eurozone kent Nederland – met een verwachte schuld van 47,7 procent van het bbp in 2020 – een relatief lage overheidsschuld. Ook het verwachte overschot op de Nederlandse overheidsbegroting voor 2020 van 0,2 procent van het bbp steekt gunstig af bij het gemiddelde overheidssaldo in de eurozone. Nederland behoort tot de groep landen waarvan zowel het saldo als de schuld voldoet aan de normen uit het Stabiliteits- en Groeipact.

Met die normen biedt het Stabiliteits- en Groeipact handvatten om de overheidsfinanciën van de lidstaten op een gezond spoor te krijgen. De staat van de overheidsfinanciën is gevoelig voor veel verschillende factoren, zoals de economische groei in een lidstaat maar ook specifiek gevoerd begrotingsbeleid of politieke keuzes over hervormingen en gewenste belastingniveaus.

Sinds het ontslag uit de buitensporigtekortprocedure in 2014 zit Nederland in de preventieve arm. Voor een lidstaat in de preventieve arm van het SGP zijn middellangetermijndoelstelling (medium term objective, MTO) en de uitgavenregel relevant. De middellangetermijndoelstelling heeft de vorm van een minimaal structureel saldo, en wordt voor elke lidstaat afzonderlijk vastgesteld, op basis van onder andere de volatiliteit en houdbaarheid van de begroting. Nederland heeft momenteel een MTO van ‒ 0,5 procent bbp. De Europese Commissie hanteert hierbij een marge van 0,25 procent. Het structurele EMU-saldo is het feitelijke overheidstekort, gecorrigeerd voor de economische conjunctuur en eenmalige inkomsten en uitgaven. Als een lidstaat niet voldoet aan zijn MTO, schrijven de regels van het SGP voor dat het structureel saldo jaarlijks een verbetering moet laten zien. Omdat de MTO rekening houdt met conjunctuur, biedt de preventieve arm ruimte voor stabiliserend begrotingsbeleid in laagconjunctuur, maar vraagt de preventieve arm ook om prudent begrotingsbeleid in hoogconjunctuur.

Tabel 15.1 laat zien dat Nederland in 2019 en 2020 een structureel saldo kent van naar verwachting 0,5 en ‒ 0,4 procent van het bbp. Met de vooruitzichten uit deze Miljoenennota blijft Nederland dus ook binnen de MTO.

Tabel 15.1 Structureel EMU-saldo

(in procenten bbp)

2017

2018

2019

2020

Feitelijk EMU-saldo

1,2%

1,5%

1,3%

0,2%

Conjuncturele component

0,0%

‒ 0,5%

‒ 0,7%

‒ 0,6%

Incidentele correcties

‒ 0,4%

0,0%

‒ 0,2%

0,0%

Structureel EMU-saldo

0,8%

1,0%

0,5%

‒ 0,4%

Uitgavenregel

Tenzij het structureel saldo van een lidstaat positiever is dan de MTO, moeten lidstaten voldoen aan de uitgavenregel. Die regel schrijft voor dat de gecorrigeerde overheidsuitgaven niet harder mogen groeien dan de gemiddelde potentiële economische groei, waarbij ook rekening gehouden wordt met de afstand tot de MTO.37 De gedachte achter deze uitgavenregel is dat inkomsten meebewegen met de economische ontwikkeling. Als de uitgaven dan meestijgen met het potentiële bbp, blijft het structurele saldo in theorie gelijk. De uitgavenregel kan worden gezien als een concretere en minder volatiele manier om de ontwikkeling van het structurele saldo te verbeteren.

De uitgaven mogen sneller stijgen dan de norm die volgt uit de uitgavenregel, indien dit gecompenseerd wordt met discretionary revenue measures (DRM’s). Dit zijn beleidsmaatregelen om de inkomsten te verhogen, inkomstenmeevallers tellen niet mee. De gedachte is dat de Europese begrotingsregels geen invloed moeten uitoefenen op de omvang van de overheid. Belastingen verhogen om extra uitgaven te financieren is in tegenstelling tot de nationale begrotingsregels dus toegestaan. Belastingverlagingen mogen gefinancierd worden met een lagere uitgavengroei.

Verder corrigeert de uitgavenregel voor one-offs, zowel aan de uitgaven als inkomstenkant. Dit staat niet in de verordeningen, maar is een correctie die de Commissie toepast in de overall assessment als gevolg van

Voor 2019 en 2020 voldoet Nederland naar verwachting aan de uitgavenregel. Die geeft aan dat de overheidsuitgaven niet harder mogen groeien dan de potentiële groei van het bbp.

Wet houdbare overheidsfinanciën

Het CPB en de raad van State informeren en adviseren de overheid gevraagd en ongevraagd over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Het CPB levert het kabinet onafhankelijke economische ramingen als basis voor het begrotingsbeleid. De Raad van State geeft een advies bij de Miljoenennota vanaf de eerste Miljoenennota in 1906. Daarnaast controleert de Afdeling Advisering van de Raad van State sinds 2015 ook of de overheid de Europese begrotingsregels naleeft.38

De Wet houdbare overheidsfinanciën (Wet hof) heeft de essentiële uitgangspunten van het Nederlandse begrotingsbeleid en de Europese begrotingsregels vastgelegd. Ook voor de decentrale overheden is de de Wet hof relevant omdat zij een aandeel hebben in het EMU-saldo. De Europese Commissie heeft geoordeeld dat Nederland hiermee voldoet aan de eisen van het Fiscal Compact, de verankering van de Europese begrotingsregels.

16 HORIZONTALE TOELICHTING

In deze bijlage wordt per begroting een toelichting gegeven op het verloop van de uitgaven en niet-belastingontvangsten vanaf 2019 tot en met 2024.

De totalen per begroting zijn exclusief de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen. De HGIS-uitgaven en niet-belastingontvangsten worden separaat gepresenteerd en toegelicht.

De cijfers van de afzonderlijke begrotingen luiden in miljoenen euro’s in constante prijzen van het jaar 2019. Een uitzondering hierop vormen de premiegefinancierde uitgaven van SZW en VWS, deze luiden in lopende prijzen.

De Koning

I DE KONING

2019

2020

2021

2022

2023

2024

totaal uitgaven

44,2

44,4

44,4

45,9

45,9

45,9

totaal niet-belastingontvangsten

0,2

1

Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

Uitgaven

8,4

8,5

8,6

10,1

10,1

10,1

2

Functionele uitgaven van de Koning

Uitgaven

29,6

29,6

29,6

29,6

29,6

29,6

3

Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Uitgaven

6,2

6,2

6,2

6,2

6,2

6,2

Ontvangsten

0,2

Artikel 1 Grondwettelijke uitkering aan de leden vh Koninklijk Huis

Op dit artikel worden de uitkeringen aan de uitkeringsgerechtigde leden van het Koninklijk Huis verantwoord. De lichte stijging in de uitgaven vanaf 2020 wordt veroorzaakt door de doorwerking van de stijging van de ambtenarensalarissen volgens de systematiek van de Wet Financieel Statuut van het Koninklijk Huis op de uitkering van de leden van het Koninklijk Huis. In 2021 wordt de Prinses van Oranje achttien jaar en ontvangt zij vanaf dat moment een grondwettelijke uitkering (voor zowel inkomen, als voor personeel en materieel). Dit is in 2021 (naar rato) 0,1 mln. en vanaf 2022 het jaarbedrag van 1,5 mln.

Artikel 2 Functionele uitgaven van de Koning

Op dit artikel staan de functionele uitgaven van de Koning, waaronder de uitgaven aan personeel en materieel en overige specifieke uitgaven, zoals de inzet van luchtvaartuigen.

Artikel 3 Doorbelaste uitgaven van andere begrotingen

Op dit artikel staan de doorbelaste uitgaven van andere begrotingen, zoals de uitgaven in het kader van voorlichting, het Militaire Huis als onderdeel van de Dienst van het Koninklijk Huis en de uitgaven van het Kabinet van de Koning.

Staten Generaal

IIA STATEN-GENERAAL

2019

2020

2021

2022

2023

2024

totaal uitgaven

178,8

162,1

157,0

153,9

152,4

152,4

totaal niet-belastingontvangsten

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

4,2

1

Wetgeving en controle Eerste Kamer

Uitgaven

12,8

13,1

12,8

12,8

12,8

12,8

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

2

Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

Uitgaven

32,4

32,4

34,0

32,9

31,9

32,4

Ontvangsten

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

0,1

3

Wetgeving en controle Tweede Kamer

Uitgaven

132,6

115,2

108,8

106,7

106,2

105,7

Ontvangsten

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4,0

4

Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

Uitgaven

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

1,5

Ontvangsten

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

10

Nog onverdeeld

Uitgaven

‒ 0,4

Artikel 1 Wetgeving en controle Eerste Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet voor de uitvoering van de kerntaken van de Eerste Kamer. In 2020 zijn extra middelen toegevoegd voor de invoering van het individueel keuzebudget (CAO Rijk 2018-2020).

Artikel 2 Uitgaven tbv van (oud) leden Tweede Kamer en leden EP

De hoogte van de uitgaven aan oud-leden van de Tweede Kamer en het Europees Parlement wordt beïnvloed door verkiezingen. In het jaar van de verkiezingen en het jaar erna stijgt het beroep op wachtgeld. In 2021 nemen daarom de uitgaven op dit artikel toe, om in de jaren daarna weer af te nemen.

Artikel 3 Wetgeving en controle Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet voor de uitvoering van de kerntaken van de Tweede Kamer. Het gaat bijvoorbeeld om de financiering van de ambtelijke ondersteuning van het constitutionele proces van de Tweede Kamer, de financiering van de digitale en fysieke infrastructuur van het parlement en de kosten van de fracties. In 2019 en 2020 zijn de budgetten voor bedrijfsvoering opgehoogd en zijn er middelen toegevoegd voor vervangingsinvesteringen in audiovisuele middelen en de verhuizing van het datacenter. Daarnaast zijn er in 2020 extra middelen toegevoegd voor de invoering van het individueel keuzebudget (CAO Rijk 2018-2020). In een verkiezingsjaar en het jaar erna, uiterlijk in 2021, nemen de uitgaven voor fractiekosten toe. Dit komt voornamelijk omdat na verkiezingen tijdelijk zowel de fractieondersteuning op basis van de oude samenstelling van de Tweede Kamer, als de fractieondersteuning op basis van de nieuwe samenstelling wordt gefinancierd.

Artikel 4 Wetgeving en controle Eerste en Tweede Kamer

De middelen op dit artikel worden ingezet voor interparlementaire activiteiten. Er zijn geen beleidswijzigingen.

Hoge Colleges van Staat en Kabinetten

IIB OVERIGE HOGE COLLEGES VAN STAAT, KABINETTEN EN DE KIESRAAD

2019

2020

2021

2022

2023

2024

totaal uitgaven

131,7

133,8

128,9

127,3

126,9

126,9

totaal niet-belastingontvangsten

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

5,9

1

Raad van State

Uitgaven

65,4

67,0

63,1

60,9

60,4

60,4

Ontvangsten

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

1,9

2

Algemene Rekenkamer

Uitgaven

32,1

33,1

32,7

33,2

33,2

33,2

Ontvangsten

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

1,2

3

De Nationale Ombudsman

Uitgaven

18,9

19,8

19,4

19,5

19,6

19,6

Ontvang