Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2017-2018
Kamerstuk 34775-XIII nr. 6

Gepubliceerd op 24 oktober 2017 10:39

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



34 775 XIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2018

Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 23 oktober 2017

De vaste commissie voor Economische Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 29 september 2017 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken. Bij brief van 20 oktober 2017 zijn ze door de Minister van Economische Zaken beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De fungerend voorzitter van de commissie, Ziengs

De adjunct-griffier van de commissie, De Vos

1. Kan een overzicht worden gegeven van alle duurzaamheidsgerelateerde subsidies, zowel de regelingen die via het Rijk lopen als ook de regelingen die op provinciaal en gemeentelijk niveau worden verstrekt? Welke zijn hiervan open voor particulieren/huishoudens?

Antwoord

Er bestaat geen totaaloverzicht van de duurzaamheidsgerelateerde subsidies die op niveau van Rijk, gemeente of provincie worden verstrekt. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) biedt op zijn internetsite wel overzichten van subsidies en financieringsfaciliteiten gericht op Duurzaam Ondernemen die bij RVO.nl in uitvoering zijn1. Deze instrumenten worden uitgevoerd in opdracht van de verschillende departementen dan wel de provincies. Sinds 2011 gelden onder het Kaderbesluit EZ-subsidies duurzaamheidsbepalingen voor het gehele instrumentarium van het Ministerie van Economische Zaken (EZ) en is het mogelijk om aanvragen af te wijzen die een inbreuk maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.

2. Op welke wijze en waar is in de begroting de kasschuif van de Voorjaarsnota 2015 EZ terug te vinden, waarmee 398 miljoen euro aan de interne begrotingsreserve duurzame energie is onttrokken? Op welke wijze is aangeven dat deze in 2021 weer gebruikt kan gaan worden voor de oorspronkelijke doelstelling?

Antwoord

De kasschuif vindt plaats in de periode 2015 tot en met 2026. Daarom is de kasschuif in de begroting 2018 slechts deels terug te vinden en wel vooral in de budgettaire tabel van artikel 4 enerzijds bij de ontvangsten onder de post «Onttrekking begrotingsreserve duurzame energie» in de jaren 2016 tot en met 2020 en anderzijds onder de post «Storting in begrotingsreserve duurzame energie» met ingang van 2021 (zie de tabel hieronder). Gekoppeld aan de kasschuif is bij de eerste suppletoire begroting 2015 een aantal uitgaven verhoogd (waaronder voor Staatstoezicht op de Mijnen (SodM), Nationaal Coördinator Groningen (NCG) en energiedirecties).

De onttrokken middelen vloeien in de jaren 2021 tot en met 2026 terug naar de begrotingsreserve en zijn op dat moment weer beschikbaar voor het doel waarvoor deze begrotingsreserve is ingesteld: het stimuleren van duurzame energie. Met het aantreden van een nieuw kabinet zal deze besluiten over de inzet van de begrotingsreserve. Echter, in de Wet opslag duurzame energie (ODE) is opgenomen dat de inkomsten uit de ODE aangewend moet worden voor het stimuleren duurzame energie.

Graag verwijs ik u onder andere naar de beantwoording van vraag 5 t/m 9 bij de schriftelijke vragen bij de 1e suppletoire begroting 2015 (Kamerstuk 34 210, nr. 4).

Tabel: Overzicht mutaties in de periode 2015–2026 (bedragen x € 1 miljoen)

Mutaties (– = ontlasting uitgavenkader)

A: periode 2015–2020

B: periode 2021–2026

C: Totaal over periode

2015–2026

1. Mutaties uitgaven duurzame energie door onttrekking/storting interne begrotingsreserve

398

– 398

0

2. Mutatie uitgavenraming duurzame

energie

– 398

398

0

3. Effect op uitgavenraming duurzame energie

0

0

0

4. Mutatie ontvangsten door onttrekking/storting interne begrotingsreserve

– 398

398

0

5. Per saldo effect op het uitgavenkader

– 398

398

0

3. Is de «bescherming» die voortvloeit uit de 100% eindejaarsmarge, voldoende om ook bij een volgende regering dit geld voor Groningen te blijven bestemmen? Hoe voorkomt men amendering vanuit de Kamer, terwijl het niet 100% juridisch verplicht is?

Antwoord

De middelen op artikel 5 Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen zijn beschikbaar gesteld voor de periode 2016 tot en met 2024 en lopen daarmee door in de volgende kabinetsperiodes.

De Nationaal Coördinator Groningen heeft de uitvoering van deze middelen vastgelegd in het Meerjarenprogramma aardbeving bestendig en kansrijk Groningen dat is opgesteld samen met de betrokken gemeenten, de provincie en het Rijk. Jaarlijks vindt een herijking plaats van het meerjarenprogramma. Daarmee zijn de middelen uit de begroting 2018 grotendeels bestuurlijk verplicht in de beschreven programma’s zoals waardevermeerdering, verduurzaming, woningmarkt en compensatie voor gemeente en provincie.

In de brief van 6 juni 2016 (Kamerstuk 33 529, nr. 256) is aangeven dat het kabinet bij de instelling van het nieuwe begrotingsartikel Nationaal Coördinator Groningen, dit artikel heeft voorzien van een 100% eindejaarsmarge, uitgezonderd het onderdeel verduurzaming kader relevant en de bijdrage scholenprogramma van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Dit houdt in dat budget dat in een bepaald jaar niet wordt benut, kan worden meegenomen naar volgende jaren en derhalve beschikbaar blijft voor de uitvoering van het meerjarenprogramma. Op deze wijze houdt het kabinet rekening met de complexe en deels onvoorspelbare opgave waar de NCG voor staat en wordt de nodige flexibiliteit geboden zodat het budget optimaal kan worden aangewend.

Om deze redenen is een deel van de uitgaven nog niet 100% juridisch verplicht.

Zolang budgetten niet juridisch verplicht zijn kan de Kamer gebruik maken van haar recht tot amenderen. Met het inzetten van middelen uit de aardgasbaten in combinatie met de 100% eindejaarsmarge is echter beoogd een meerjarige envelop met middelen te creëren voor het uitvoeren van het meerjarenprogramma. Dat meerjarenprogramma is vastgelegd in bestuurlijke afspraken. Het bestuurlijk verplichte karakter van de uitgaven betreft 82% in 2017 en 75% in 2018. Het betreft dan de begrote uitgaven ten aanzien waardevermeerderingsregeling, het verduurzamen bij het versterken van woningen, de inzet voor het instrumentarium woningmarkt en de compensatie aan gemeenten en provincie.

4. Kunnen alle ondersteuningsmaatregelen inclusief bedragen waar de fossiele industrie van profiteert onder elkaar worden gezet, inclusief subsidies, fiscale maatregelen en vrijstellingen, co-financiering en overige ondersteuningsmaatregelen zoals exportkredietverzekeringen?

Antwoord

Een dergelijk overzicht dat specifiek een onderscheid maakt tussen bedrijven die vooral fossiele brandstoffen gebruiken en bedrijven die hernieuwbare vormen van energie benutten is niet voorhanden, aangezien dat onderscheid in de begrotingen niet wordt gemaakt. Dit geldt zowel voor de uitgaven die op de begroting van het Ministerie van Economische Zaken worden verantwoord als voor fiscale maatregelen en maatregelen die zien op bevordering van de financiering van bedrijven of bijvoorbeeld ondersteuning bij exportactiviteiten en die op begrotingen van andere ministeries staan.

5. Kunnen alle ondersteuningsmaatregelen inclusief bedragen waar duurzame initiatieven van profiteren onder elkaar worden gezet, inclusief subsidies, fiscale maatregelen, vrijstellingen, co-financiering en overige ondersteuningsmaatregelen zoals exportkredietverzekeringen?

Antwoord

In artikel 4 van de begroting van Economische Zaken wordt onder «een doelmatige en duurzame energievoorziening» een overzicht gegeven van aangegane verplichtingen en uitgaven op het terrein van onder andere duurzame energie en energie-innovatie. De hierin beschreven onderdelen bevorderen de reductie van broeikasgassen. In 2016 gaat het om een bedrag van afgerond € 16,9 miljard aan verplichtingen en daarmee samenhangende kasuitgaven van in totaliteit afgerond € 1,9 miljard. Zie verder mijn antwoord op vraag 4.

6. Hoe biedt u het bedrijfsleven voldoende zekerheid op de lange termijn zodat duurzame investeringen minder risicovol zijn?

Antwoord

In het Energieakkoord, met doelstellingen die lopen tot 2020 en 2023, zijn duidelijke afspraken gemaakt op het gebied van hernieuwbare energieproductie, energiebesparing en innovatie voor de korte termijn. Tevens heeft het kabinet met de Energieagenda voor de lange termijn een helder en ambitieus perspectief geschetst voor de transitie naar een betrouwbare, betaalbare, veilige en CO2-arme energievoorziening. Heldere kaders en afspraken zijn van belang voor de investeringszekerheid. Daarnaast zijn er allerlei instrumenten die het financiële risico bij duurzame investeringen voor bedrijven verkleinen, waaronder garantieregelingen en subsidieregelingen met een lange doorlooptijd zoals de SDE+.

7. Welke initiatieven zijn er om gebouwgebonden financiering te realiseren om zo de energietransitie te versnellen?

Antwoord

Mede naar aanleiding van de motie Voortman (Kamerstuk 30 196, nr. 491), heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een brede werkgroep Financiering Energiebesparende Woondiensten ingesteld. In die werkgroep hebben onder andere de vereniging Stroomversnelling, de Nederlandse Vereniging van Banken, de Nederlandse Investeringsinstelling, Netbeheer Nederland, Energie Nederland, Bouwend Nederland en de Vereniging Nederlandse Gemeenten zitting, naast de betrokken departementen Binnenlandse Zaken, Financiën, Veiligheid & Justitie en Economische Zaken. Door de Minister van Binnenlandse Zaken is toegezegd dat eind 2017 aan de Tweede Kamer gerapporteerd zal worden over de resultaten van de werkgroep.

8. Op welke manieren draagt deze begroting bij aan het doel om in 2050 vrij van aardgas te zijn?

Antwoord

Het doel van het kabinet, zoals ook in de Energieagenda geformuleerd, is 80 tot 95% CO2-reductie in 2050. Om dit te bereiken wordt ingezet op een sterke vermindering van het gebruik van aardgas door huishoudens en industrie. Momenteel wordt bij het uitwerken van de transitiepaden uit de Energieagenda in beeld gebracht welke stappen er richting 2050 moeten worden gezet. Op de korte termijn worden daarbij richting 2020 al eerste stappen gezet door de stimuleringsregelingen zoals de SDE+ en ISDE voor de vervanging van aardgas in de industrie en de gebouwde omgeving. Daarnaast zijn er in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) ook middelen beschikbaar voor energiebesparing in de gebouwde omgeving.

9. Kan inzicht worden gegeven ten aanzien van de (trend in de) ontwikkeling van de energieprijzen? Kan daarbij worden toegelicht welke overwegingen hieraan ten grondslag liggen?

Antwoord

Volgens de meest recente Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 staan blijven zowel de gasprijzen, de kolenprijzen als de elektriciteitsprijzen tot 2020 laag. Dit is uiteraard gunstig voor de energierekening van burgers en bedrijven. De lage energieprijzen hebben volgen uit een dalende vraag naar gas en kolen, de geraamde lage prijsontwikkeling van de CO2-prijs, en de toenemende elektriciteitsproductie met wind- en zonne-energie.

10. Wat is het procentuele aandeel van Nederland in de totale mondiale CO2-uitstoot? En van Europa?

Antwoord

De uitstoot van Nederland bedroeg in 2016 197 Mton. Dit is 5,74% van de emissies van de Europese Unie en 0,55% van de wereldwijde emissies.

11. Hoeveel procent van alle CO2-emissies door energieverbruik wordt in Nederland beprijst? En welke plek neemt Nederland daarmee in mondiaal verband in?

Antwoord

In een recent rapport van de OESO getiteld «Effective Carbon Rates» (2016) zijn voor 41 OESO- en G20-landen de energiegerelateerde emissiegegevens en beprijzing daarvan bekeken. Daarmee heeft het onderzoek betrekking op 80% van de wereldwijde emissies gerelateerd aan energieverbruik. In dit rapport is becijferd dat in Nederland 91% van de CO2-emissies door energieverbruik worden beprijsd. Alleen Israël, Italië, Korea en Luxemburg beprijzen meer dan 91% van hun energiegerelateerde CO2-emissies. 65% van de aan energie gerelateerde CO2-uitstoot in Nederland wordt met meer dan 30 euro per ton CO2 beprijsd. Alleen Luxemburg beprijst procentueel meer energiegerelateerde CO2-emissies met meer dan 30 euro per ton CO2, te weten 68%.

In het OESO-rapport is een brede definitie aangehouden van het begrip beprijzing. Hieronder vallen belastingen op energiegebruik (zoals de Nederlandse energiebelasting en accijnzen op motorbrandstof), beprijzing via emissiehandelssystemen (zoals het Europese emissiehandelssysteem) en expliciete CO2-belastingen (die geen onderdeel uitmaken van het Nederlandse belastingstelsel).

12. In hoeverre is bij de begrotingsopzet rekening gehouden met de met algemene stemmen aangenomen motie Weverling c.s. (Kamerstuk 34 725-XIII, nr. 10)?

Antwoord

De motie Weverling c.s. vraagt om verbetering van:

  • informatie over de voortgang van beleid en specifiek beleidswijzigingen;

  • het inzicht in de relatie tussen doelstellingen, prestaties en middelen;

  • het inzicht in de effecten van gevoerd beleid, alsmede de effectmeting.

Hieraan is als volgt aandacht besteed in de begroting 2018:

  • Elk beleidsartikel bevat een paragraaf «beleidswijzigingen» waarin de wijzigingen zo concreet mogelijk staan aangegeven. Verder zijn op pagina’s 16–20 de belangrijkste beleidsmatige begrotingsmutaties (budgettaire wijzigingen) samengevat.

  • Overeenkomstig de begrotingsvoorschriften zijn per beleidsartikel de beleidsdoelstellingen en mijn rollen en verantwoordelijkheden beschreven in de beleidsartikelen. Indien voor de beleidsdoelstellingen een directe relatie is te leggen tussen het gevoerde beleid en de gewenste (maatschappelijke) uitkomst, zijn prestatie-indicatoren opgenomen. Daar waar het niet goed mogelijk is een directe relatie te leggen (bijvoorbeeld als gevolg van externe factoren), wordt gewerkt met kengetallen en prestatie-indicatoren op het niveau van individuele instrumenten. De relatie met de financiële middelen wordt gelegd met de door de rijksbegrotingsvoorschriften voorgeschreven budgettaire tabel.

  • EZ presenteert een dekkende programmering van beleidsevaluaties in de begroting en doet in het jaarverslag (de bijlage evaluatieonderzoek) verslag van de resultaten van uitgevoerde individuele evaluaties. Daarnaast heeft EZ in de periode 2014–2016 voor alle artikelen van de EZ-begroting beleidsdoorlichtingen uitgevoerd. EZ investeert voorts in de kwaliteit van evaluatieonderzoek en de toepassing van kwantitatieve methoden. Volgens het recente IBO-rapport (interdepartementale beleidsonderzoek) over subsidies, dat de Minister van Financiën op 22 juni jl. naar de Kamer stuurde, geldt de aanpak van EZ als «good practice».2

13. Hoe vordert de uitrol van glasvezel in Nederlandse buitengebieden, gemeten in aangelegde kilometers en aangesloten huishoudens en eventueel andere relevante meetmethoden? Hoe verhoudt zich dit tot de geplande aanleg van glasvezel in de buitengebieden? Is hier een ondersteunende rol voor de overheid weggelegd, of moet er worden ingezet op alternatieve technieken?

Antwoord

Nederland heeft een hoogwaardige digitale infrastructuur met meerdere vaste telecomnetwerken (koper, kabel, glasvezel en steeds vaker ook zogenoemde vast draadloze netwerken) en vier mobiele netwerkaanbieders. De beschikbaarheid van zowel vast als mobiel snel internet is in Nederland groot. De mobiele netwerken in Nederland bieden vrijwel volledige 4G-dekking en naar schatting heeft circa 97% van de huishoudens toegang tot minimaal 30 Mbps en circa 91% toegang tot minimaal 100 Mbps. De ambitie is dat in 2020 iedereen kan beschikken over 30 Mbps en in 2025 over 100 Mbps. Zoals geschetst in mijn brieven van 23 mei en 16 december 2016 (Kamerstukken 26 643, nr. 410 en 433) en van 3 juni 2017 (Kamerstuk 26 643, nr. 479) wordt het aantal huishoudens zonder snel internet steeds kleiner door inspanningen van bewonersinitiatieven, overheden en marktpartijen. Zo heeft marktpartij Communication Infrastructure Fund (CIF) de afgelopen drie jaar ruim 50.000 adressen in het buitengebied aangesloten op glasvezel. Voor nog eens bijna 50.000 adressen worden nu glasvezelcampagnes georganiseerd, die daarmee ook zicht hebben op aansluiting door CIF op korte termijn. Ook zal naar verwachting het buitengebied van Overijssel voor eind 2018 volledig ontsloten zijn waardoor Overijssel een vooruitlopende provincie is in de beschikbaarheid van hoogwaardige netwerken in het buitengebied. De rijksoverheid heeft een faciliterende rol door bijvoorbeeld kennis uit te wisselen via het Kennisplatform Snel Internet en frequentieruimte beschikbaar te stellen voor vast-draadloze netwerken. Ook is een koepelregeling in voorbereiding voor publieke financiering door decentrale overheden. Dit juridische kader moet vooraf duidelijkheid bieden over de wijze waarop decentrale overheden als vangnet publieke middelen kunnen aanwenden voor de uitrol van snel internet, zonder dat zij individueel een eigen steunregeling hoeven voor te leggen aan de Europese Commissie.

14. Geeft het rapport van de Algemene Rekenkamer over de «niet-belastingontvangsten» aanleiding om de ramingen van de niet-belastingontvangsten voor 2018 bij te stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Uit de tabel in bijlage 3 van het rapport van de Algemene Rekenkamer (AR) blijkt dat er geen sprake is van het structureel onderschatten van telkens dezelfde ontvangsten door EZ. Zie hiervoor ook de beantwoording van de vragen 15, 17 en 18. Voor een belangrijk deel van de hogere ontvangsten gaat het om «technische mutaties» in de vorm van onttrekkingen uit begrotingsreserves (geld dat in eerdere jaren gespaard werd voor specifieke aanwendingen, zoals het betalen van verliesdeclaraties op grond van de borgstellingsregeling). Onttrekkingen uit begrotingsreserves leiden tot zowel een verhoging van ontvangsten als van uitgaven. Hierdoor treedt er per saldo geen effect op voor het uitgavenkader en ontstaat er geen ruimte voor extra bestedingen. Het rapport van de AR geeft daarom geen aanleiding om specifieke ramingen van de niet-belastingontvangsten voor 2018 op de EZ-begroting bij te stellen.

15. Kunt u naar aanleiding van het rapport van de Algemene Rekenkamer over de «niet-belastingontvangsten» inzichtelijk maken waaraan de hoger gerealiseerde ontvangsten in de periode 2013–2016 uiteindelijk zijn besteed? Welke tegenvallers zijn bijvoorbeeld met de hogere ontvangsten gedekt?

Antwoord

In bijlage 3 van het AR-rapport zijn de verschillen per begrotingsartikel opgenomen. De grootste verschillen hadden betrekking op de beleidsartikelen 12, 14, 16 en 18 (dit betreft oude artikelindeling). Uit de aansluitende analyse per artikel blijkt dat er geen sprake is van het structureel onderschatten van telkens dezelfde ontvangsten door EZ, zoals hieronder per artikel wordt toegelicht. Tegenover een groot deel van de hogere ontvangsten staan ook uitgaven van dezelfde omvang («desalderingen»). Zie ook de beantwoording van de vragen 14, 16 en 19.

Een sterk innovatievermogen

  • De grootste bijstelling trad op in 2013 (€ 48,5 miljoen). De oorzaken bij de grootste posten zijn:

    • Ontvangsten innovatiekrediet (€ 11,2 miljoen). Deze ontvangsten uit verstrekte kredieten zijn volgens bestaande afspraken ingezet voor het Innovatiefonds MKB+.

    • Ontvangst dividend van Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) ad. € 17 miljoen.

    • Terugontvangsten AgentschapNL (€ 12,6 miljoen) vanwege lager dan oorspronkelijk geraamde uitvoeringskosten opdrachtenpakket 2011 en 2012.

  • In 2016 was sprake van € 6,5 miljoen hogere ontvangsten. Dit met name uit hoger dan geraamde ontvangsten voor luchtvaartkredieten (€ 5,7 miljoen) als gevolg van een hoge omzet van de betrokken bedrijven.

Een doelmatige en duurzame energievoorziening

  • De grootste verhogingen vonden plaats in 2014 (€ 10,7 miljoen) en 2015 (€ 17,5 miljoen).

  • In 2014 ging het om met name de volgende meerontvangsten: terugontvangsten/verrekeningen met het agentschap RVO.nl in het kader van het opdrachtenpakket (€ 4,5 miljoen), een afrekening uit hoofde van het project Joint Implementation (€ 3,3 miljoen) en ontvangen provisies voor de garantieregeling Geothermie (€ 2,2 miljoen).

  • In 2015 betrof het met name de opbrengsten uit terugontvangen subsidievoorschotten op diverse subsidieregelingen (€ 8,4 miljoen), de afrekening ontvangsten RVO.nl in het kader van het opdrachtenpakket (€ 5,6 miljoen) en de ontvangen provisies voor de garantieregeling Geothermie (€ 2 miljoen).

Concurrerende, duurzame, veilige agro-, visserij- en voedselketens

  • Voor dit artikel zijn de ontvangsten in 2016 grootst (€ 81,7 miljoen). Het gaat grotendeels om onttrekkingen uit de begrotingsreserves landbouw (€ 6,8 miljoen) en de begrotingsreserve apurement (€ 65,3 miljoen). De onttrekking uit de landbouwreserve was bestemd voor de uitfinanciering van diverse regelingen en projecten op het agro-terrein. De onttrekking uit de begrotingsreserve apurement had betrekking op de door de Europese Commissie opgelegde correcties op ingediende declaraties voor niet EU-conforme uitvoering. Tegenover deze onttrekkingen (ontvangsten) uit de begrotingsreserves stonden derhalve ook uitgaven (zogeheten «desalderingen»).

  • De hogere ontvangsten in 2015 op dit beleidsartikel betroffen met name de onttrekking uit de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit (€ 26,7 miljoen). In 2015 hebben de banken als gevolg van de economische crisis en de verzwakte structuur van de sector met veel faillissementen in met name de glastuinbouw, verliesdeclaraties op grond van de borgstelling ingediend. Dekking van deze hogere uitgaven heeft plaatsgevonden uit de begrotingsreserve Borgstellingsfaciliteit.

Natuur en regio (ontvangsten 2014)

  • De gemiddelde ontvangsten op het natuurartikel kwamen € 1,9 miljoen hoger uit. De grootste verschillen zitten in 2013 (€ 34,8 miljoen lagere ontvangsten) en 2014 (€ 26,7 miljoen hogere ontvangsten).

  • In 2014 zijn meerontvangsten gerealiseerd uit de taakstelling verkoop natuurgronden. Het in 2013 niet ontvangen deel van de taakstelling (€ 18,2 miljoen) werd in 2014 alsnog door de provincies betaald. Verder vonden in 2014 onder andere afrekeningen plaats van projecten in het kader van ruimtelijk economisch beleid (€ 3,9 miljoen).

16. Wat is uw reactie op de conclusies van het rapport van de Algemene Rekenkamer «Niet-belastingontvangsten. Raming, beheersing en prikkels van ontvangsten van ministeries», waarin staat dat de niet-belastingontvangsten van EZ in de periode 2013–2016 gemiddeld 57,7 miljoen euro per jaar hoger waren dan geraamd?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 14.

17. Waardoor worden de hogere (of lagere) inkomsten veroorzaakt en heeft dit een structurele of institutionele oorzaak?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 15.

18. Zijn de onverwacht hoge inkomsten in de afgelopen jaren gebruikt om tegenvallers te dekken? Zo ja, welke?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 15.

19. Gaat u de hoogte van de niet-belastingontvangsten naar aanleiding van het rapport van de Rekenkamer bijstellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 14.

20. Klopt het dat motie Ronnes c.s. (Kamerstuk 34 475-XIII, nr. 11) vervangen is door Kamerstuk 34 475-XIII, nr. 20, en dat de vermelding op pagina 5 derhalve niet correct is?

Antwoord

Het klopt dat deze motie is gewijzigd van nummer 11 in nummer 20. De vermelding op pagina 5 is inderdaad niet correct.

21. Waarom is er voor gekozen om (naar aanleiding van de motie Ronnes c.s. Kamerstuk 34 475-XIII, nr. 20) alleen de begrotingsreserves voor de beleidsterreinen 2,4, 6 en 7 toe te lichten?

Antwoord

Een overzicht van de begrotingsreserves is opgenomen op pagina 5 van de EZ-begroting. Uit dit overzicht blijkt dat de EZ-begroting alleen begrotingsreserves voor de beleidsartikelen 2, 4, 6 en 7 heeft.

22. Waarom is de post duurzame energie van 1,4 miljard euro (onder artikel 4) voor slechts 54,4% juridisch verplicht? Hoe wordt geborgd dat dit bedrag alleen kan worden aangewend voor duurzame energiemaatregelen?

Antwoord

Begin 2017 bedroeg de stand van de begrotingsreserve duurzame energie € 1.474 miljoen. Daarvan is € 795 miljoen (54%) afkomstig van de MEP en de (oude) SDE. Dit bedrag is in zijn geheel benodigd om, in aanvulling op de in 2017 e.v. in begroting en meerjarenramingen beschikbare middelen voor MEP en SDE, aan het totaal van de juridische verplichtingen MEP en SDE (stand begin 2017) te voldoen. Deze € 795 miljoen is daarmee volledig juridisch verplicht.

De overige € 679 miljoen van de begrotingsreserve (46%) is afkomstig van de SDE+. Het totaal van de juridische verplichtingen in het kader van de SDE+ bedraagt begin 2017 € 18.070 miljoen. Aan deze verplichting kan geheel worden voldaan met de in de jaren 2017 tot en met 2032 in begroting en meerjarenramingen beschikbare middelen voor de SDE+, zonder een beroep te doen op de middelen in de begrotingsreserve. Dit deel van de begrotingsreserve is daarmee aangemerkt als niet juridisch verplicht.

Deze berekening van het aandeel «juridisch verplicht» is volledig volgens de methodiek die is toegelicht aan de Kamer in de brief van 1 juli 2016 (Kamerstuk 31 239, nr. 218).

Door het gebruik van de begrotingsreserve duurzame energie blijven de eerder niet uitgegeven middelen beschikbaar voor het doen van uitgaven in latere jaren. Als er in een jaar meer uitgaven moeten worden gedaan voor duurzame energie dan er aan kasmiddelen beschikbaar is, dan kan er een beroep gedaan worden op de begrotingsreserve. Uitgaven kunnen niet direct ten laste van de begrotingsreserve worden geboekt, maar uitsluitend ten laste van de begroting. Dit betekent dat er eerst via een begrotingswijziging middelen moeten worden overgeboekt van de begrotingsreserve naar de begroting. Begrotingswijzigingen worden altijd aan de Kamer ter beoordeling voorgelegd. Op die wijze is geborgd dat de Kamer altijd betrokken is bij de aanwending van de middelen die worden aangehouden in de begrotingsreserve.

23. Op welke plaats qua groeicijfer zou Nederland staan als ook de niet-Eurolanden werden meegerekend? Kunt u hetzelfde aangeven voor de OESO?

Antwoord

Van de 28 lidstaten in de Europese Unie bekleedt Nederland een (gedeelde) 8e plek als het gaat om de economische groei in 2016. Landen in Oost-Europa (zoals Roemenië en Bulgarije) en de landen die door de crisis het hardst geraakt werden (zoals Ierland en Spanje) vertoonden de hoogste groei. Van de 35 OESO-landen stond Nederland wat betreft economische groei op de 15e plaats in 2016.

24. Wordt met het topsectorenbeleid ook specifiek samenwerking tussen sectoren gestimuleerd ten behoeve van de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties?

Antwoord

Ja, uitgangspunt is om binnen het topsectorenbeleid de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties (verder) te stimuleren en hierbij bij voorkeur cross-overs tot stand te laten komen. Bovendien is in het kader van het stimuleren van proefdiervrije innovaties de facto sprake van multidisciplinair samengestelde consortia. Onderzoek naar proefdiervrije innovatieve methoden wordt steeds meer opgepakt. Dit onderzoek wordt in toenemende mate in verband gebracht met de versterking van onze kenniseconomie. Publiek private samenwerking (PPS) vormt de sleutel voor innovatie en implementatie van nieuwe oplossingen op dit vlak. Nederland heeft de ambitie om voorop te lopen in nieuwe innovaties die de transitie naar een proefdiervrije wereld mogelijk helpen maken. We trekken in topsectorenverband gezamenlijk op met het bedrijfsleven en kennisinstellingen om deze ambitie te verwezenlijken. Het Human Organ and Disease Model Technologies (HDMT) initiatief is een aansprekend voorbeeld van een PPS dat momenteel in ontwikkeling is op dit vlak. In het recent gepubliceerde kennis- en innovatiecontract 2018–2021 Health Holland (topsector LSH) staat meer specifiek opgenomen op welke wijze de komende jaren hierin tussen de verschillende sectoren wordt samengewerkt.

25. Wordt Invest-NL zo ingericht dat het ook technologie, innovatie en duurzaamheid kan bevorderen? Zo ja, op welke manier en met welke instrumenten wordt dit mogelijk?

Antwoord

Ja. Zoals het kabinet in de brief over «oprichting van Invest-NL» van 10 februari jl. heeft aangegeven (Kamerstuk 28 165, nr. 266), zal Invest-NL als Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling een rol gaan spelen bij risicovolle activiteiten van ondernemingen op gebieden als energie, verduurzaming, mobiliteit, voedsel en digitalisering van de industrie en van maatschappelijke domeinen als zorg, veiligheid en onderwijs. Invest-NL kan ook bijdragen aan het financieren van risicovolle, innovatieve projecten, en de doorgroei van start- en scale-ups. Invest-NL zal gewenste investeringen in bedrijven en projecten mogelijk maken die vanwege hun onzekere risico-rendementsverhouding of lange onzekere terugverdientijden onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken. Het biedt daarvoor ondersteuning bij de business development van startende en doorgroeiende innovatieve bedrijven en ondersteuning bij het tot stand komen van projecten. Het zal ook de uitvoering van bestaande financieringsinstrumenten op zich nemen, en zal de mogelijkheden om de doorgroei van startups naar scale-ups te financieren uitbreiden, bijvoorbeeld richting hightech investeringen. Voor situaties waarin bestaande financieringsinstrumenten onvoldoende soelaas bieden, beschikt Invest-NL over eigen middelen (kapitaal) voor het verstrekken van (co)financiering en om financieel te kunnen participeren als aandeelhouder.

26. Krijgt Invest-NL een brede missie? Zo ja, hoe ziet deze brede missie er uit en op welke wijze wordt deze brede missie verankerd in Invest-NL?

Antwoord

Invest-NL krijgt van het kabinet een brede missie in de zin dat het een rol gaat spelen bij risicovolle activiteiten van ondernemingen op gebieden als energie, verduurzaming, mobiliteit, voedsel en digitalisering van de industrie en van maatschappelijke domeinen als zorg, veiligheid en onderwijs. Invest-NL kan ook bijdragen aan het financieren van risicovolle, innovatieve projecten, en de doorgroei van start- en scale-ups. Ook zal Invest-NL op het terrein van financiering van export en buitenlandse investeringen ondersteuning geven aan Nederlandse bedrijven voor het internationaal vermarkten van hun producten en oplossingen voor wereldwijde vraagstukken.

De missie van Invest-NL wordt vastgelegd in een wet en in de statuten van Invest-NL.

27. Op welke wijze is de regering tot de analyse gekomen dat aan een extra publieke bank die primair gericht is op het verstrekken van vreemd vermogen geen behoefte is?

Antwoord

Het kabinet heeft, mede op basis van de rapportage van de ambtelijke werkgroep over een Nederlandse Financierings- en Ontwikkelingsinstelling (bijlage bij Kamerstuk 28 165, nr. 266), geconstateerd dat in de markt (kort lopend) vreemd vermogen breed beschikbaar is. Er is vooral behoefte aan verdere ontwikkeling en versterking van het risicodragend en langere termijn vermogen in bedrijven en projecten. Het kabinet heeft er daarom voor gekozen Invest-NL vorm te geven als een zelfstandige financierings- en ontwikkelingsinstelling, dat zelf geen vreemd vermogen aantrekt op de markt.

28. Leidt het aantrekken van private financiering, van onder meer institutionele beleggers, Europese fondsen en programma's Europese fondsen, tot meer investeringen?

Antwoord

Ja. Invest-NL wordt opgericht om gewenste investeringen in bedrijven en projecten mogelijk te maken die vanwege hun onzekere risico-rendementsverhouding of lange onzekere terugverdientijden onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken. Invest-NL ondersteunt de ontwikkeling van projecten en bedrijven en krijgt daartoe bestaande financieringsinstrumenten en een kapitaalstorting van in totaal € 2,5 miljard om financiering mogelijk te maken. Hierdoor kunnen initiatieven een beroep doen op private financiering van onder meer institutionele beleggers en Europese fondsen en programma’s. Er kunnen daardoor meer investeringen tot stand komen in Nederlandse bedrijven en projecten.

29. Is het mogelijk dat Invest-NL met een positief rendement investeringen kan financieren, die vanwege hun onzekere risico-rendementsverhouding of langere onzekere terugverdientijden onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken? Zo ja, kan hier een concreet voorbeeld van worden gegeven?

Antwoord

Ja. Het gaat om financieringen waarbij wel sprake is van een positieve, sluitende business case, maar waarbij in de markt onvoldoende (risicodragende) financiering kan worden aangetrokken, vanwege bijvoorbeeld hoge risico's en lange terugverdientijden. Zo zijn financiële instellingen, als gevolg van een hoge risicoperceptie en strenger geworden regelgeving, terughoudend geworden in het aanbieden van financiering met een langere looptijd. Dit terwijl veel maatschappelijke investeringen, bijvoorbeeld in energiebesparing en een relatief lange terugverdientijd hebben. In de markt is ook vooral aanbod van korter lopend vreemd vermogen (krediet), en minder aanbod van eigen dan wel risicodragend vermogen, onder andere omdat deze financieringsvormen hogere risico- en behandelingskosten met zich meebrengen. Invest-NL kan als deelneming van het Rijk deze knelpunten wegnemen, waardoor ook meer private investeringen in doorgroei van bedrijven en transitie-opgaven gerealiseerd kunnen worden.

Zo zijn er in ons land veelbelovende ontwikkelingen gaande rond bijvoorbeeld de duurzame winning en inzet van energie, zoals het winnen van warmte op een diepte van honderden meters uit de bodem (geothermie) en de inzet van restwarmte uit de energie-intensieve industrie via warmtenetten naar andere bedrijven en huishoudens. Ook startende en groeiende bedrijven die werken aan opschaling en vermarkting van een kansrijke technologie, zoals photonica (energiezuinige chips) en productie van verpakkingsmaterialen op basis van afbreekbare grondstoffen (bioplastics), kunnen voor een groeifinanciering een positieve rendementsverwachting hebben waarvoor financiers bereid zijn het vreemd vermogen te verstrekken. Invest-NL kan in zo’n geval helpen met de zoektocht naar de juiste financiers en Europese financieringsmiddelen. Waar nodig en passend binnen de criteria kan Invest-NL vervolgens ondersteunende financieringsinstrumenten van de overheid bieden en, als dat nog niet voldoende is, ook financiering vanuit het eigen investeringskapitaal.

30. Welke investeringen waren er de afgelopen jaren wel gedaan indien Invest-NL al had bestaan?

Antwoord

Of een investering tot stand komt is van veel factoren afhankelijk, zowel aan de vraagkant (de bedrijven en projecten met een specifieke investeringsbehoefte) als aan de aanbodkant (de beschikbare financieringsbronnen en hun kenmerken en criteria). Het is daarom niet mogelijk aan te geven welke investeringen Invest-NL exact had gedaan als het al had bestaan.

Wel staat Nederland net als de rest van de wereld voor grote transities op gebieden als energie, verduurzaming, mobiliteit, voedsel en digitalisering van de industrie en van maatschappelijke domeinen als zorg, veiligheid en onderwijs. Dit vergt een grote investeringsopgave, die zich afspeelt op een snijvlak van publieke belangen en private mogelijkheden. Ook brengt de huidige vormgeving van het nationale instrumentarium, met regelingen en instrumenten die via de rijksbegroting lopen en door de overheid worden uitgevoerd (zoals een deel van het instrumentarium van Economische Zaken), beperkingen met zich mee om rechtstreeks risicokapitaal te verstrekken en om goed aan te sluiten op de voortdurend veranderende behoeftes in de markt. Invest-NL kan als private deelneming van het Rijk bovendien beter gebruik maken van Europese fondsen en private co-financiering. Het kabinet richt daarom Invest-NL op om de investeringen op transitiegebieden en in doorgroei en internationalisering van het bedrijfsleven optimaal vorm te geven.

31. Zou het verstandig zijn om als overheid noodzakelijke investeringen in risicokapitaal te stimuleren via subsidies (met mogelijke terugbetaling) en/of fiscaliteit? Zo niet, waarom niet?

Antwoord

Investeringen met risicokapitaal in ondernemingen gebeuren in beginsel zoveel mogelijk via marktpartijen. Op verschillende wijzen kan het voor private investeerders aantrekkelijker worden gemaakt om in een risicovolle fase te investeren, waarbij het van belang is dat de private financiers altijd risico blijven lopen. De SEED capital regeling is een voorbeeld. Er wordt in deze regeling aan private investeerders een subsidie verstrekt met een terugbetalingsverplichting, dit werkt dan als een lening. Ook kan een investering aantrekkelijker worden gemaakt door middel van een fiscale stimulans. De ervaring is echter dat een fiscale regeling moeilijker gericht is te maken dan een regeling met een subsidie element. Hierdoor is zo’n maatregel vaak duurder. Ook zorgt het voor meer complexiteit van het belastingstelsel. Deze problematiek heeft zich eerder voorgedaan bij de directe en indirecte variant van de om die reden afgeschafte Tante Agaathregeling. Daarnaast bleek uit de evaluatie van de indirecte variant, waarbij een fonds werd gebruikt, dat maar in zeer beperkte mate starters werden gefinancierd die anders geen lening hadden verkregen. Daarmee is de regeling gegeven de doelstelling niet effectief gebleken.

32. Richt de Nederlandse inzet van voor een nieuwe periode van structuurfondsen vanaf 2021 zich ook op digitalisering/snel internet? Zo niet, waarom niet?

Antwoord

Nederland vindt dat structuurfondsen in een volgende periode meer ingezet moeten worden op innovatie, voor het oplossen van maatschappelijke uitdagingen met een duidelijke Europese toegevoegde waarde (zoals klimaat, energie en technologieontwikkeling). Digitalisering in brede zin speelt bij deze uitdagingen een rol, maar de nadere invulling wordt in een later stadium bepaald in overleg met de regio’s. Inzet op specifieke investeringen in digitalisering/snel internet is op dit moment dus nog niet aan de orde.

33. Welke methode kan worden gebruikt om regeldruk merkbaar te verminderen?

Antwoord

In de afgelopen kabinetsperiode is gebleken dat de maatwerkaanpak een goede manier is om de regeldruk merkbaar te verminderen. Hierbij inventariseert de overheid samen met bedrijven knelpunten in specifieke regeldichte sectoren. Vervolgens worden voor deze knelpunten door de betrokken overheidspartijen (beleid, toezicht en uitvoeringsorganisaties) in samenspraak met de sector oplossingen uitgewerkt. Deze aanpak heeft in de afgelopen jaren succesvol gewerkt in een elftal sectoren zoals bijvoorbeeld de logistiek, de chemie, de zorg, de winkelambachten en in de agrosector. Daarom is in een aantal sectoren (zoals chemie en agro) onlangs op verzoek van deze sectoren een tweede tranche gestart.

34. Wat wordt bedoeld met dat het van belang is de regeldruk voor ondernemers niet verder te laten toenemen? Wordt hiermee bedoeld dat afname van kwantitatieve van regeldruk niet langer een doel is?

Antwoord

Ook in de komende kabinetsperiode zal de vermindering van regeldruk een doelstelling zijn. In de afgelopen kabinetsperiode is gebleken dat de maatwerkaanpak een goede manier is om de regeldruk merkbaar te verminderen.

35. Wordt met het toetsen van nationale en EU wetgeving de MKB toets bedoeld?

Antwoord

Met de opvolging van Actal door de ATR heeft het kabinet er voor gekozen om nadrukkelijker in te zetten op het toetsen van de effecten van nieuwe wet- en regelgeving. Het is de bedoeling dat de toetsing eerder in het proces gaat plaatsvinden en transparanter is.

Verder wordt, zoals gemeld in de brief aan uw Kamer van 14 februari jl. in reactie op de moties Monasch c.s. en Graus (Kamerstuk 31 311 nr. 179), tevens bekeken hoe in het begin van het wetgevingsproces expliciet aandacht kan worden besteed aan de uitvoerbaarheid voor het mkb. Dit noemen we de mkb-toets. Dit bevindt zich nog in de verkennende fase.

36. Kunnen er concrete voorbeelden worden gegeven van belemmeringen die weg zijn genomen door het interdepartementale Programma Ruimte in Regels?

Antwoord

Concrete voorbeelden van belemmeringen die weg zijn genomen door het interdepartementale Programma Ruimte in Regels zijn:

  • Een fabrikant van verf wil eigen retouren (ongebruikte en niet verkochte blikken verf met beschadigde verpakkingen, verkeerd gemengde kleuren etc.) inzamelen, zodat deze weer in het productieproces meegenomen kunnen worden. De wens van de fabrikant is om dit ook met wel verkochte blikken verf met bruikbare resten te doen. Door inzet van het programma Ruimte in Regels is samen met de omgevingsdienst een werkbare oplossing gekomen zodat de fabrikant verfresten weer in kan zetten.

  • In Nederland rijden steeds meer hybride en full-electric auto’s. Schatting is dat er na 8 jaar begonnen wordt met afdanken van de Lithium-ion accu’s (hierna: Li-ion accu’s). Een auto(accu)recyclingbedrijf wil voor deze vrijkomende Li-ion accu’s, in samenwerking met verschillende partijen (o.a. een bedrijf dat accu’s gaat demonteren tot losse accucellen) ombouw faciliteren voor het toepassen voor het lokaal opslaan van wind- en zonne-energie in de accu (stationaire accu). Hier is een pilot voor opgezet, waarbij een aantal belemmeringen naar boven kwam. Het genoemde bedrijf heeft verzocht om een rechtsoordeel met betrekking tot de vraag of de gedemonteerde Li-ion accu-cellen als einde-afval kunnen worden gekwalificeerd. Inmiddels is een rechtsoordeel einde-afval verstuurd aan de ondernemer zodat deze verder kan met zijn business case.

  • Bedrijven mochten scheepsrompen en wieken storten. Dit maakte de businesscase niet haalbaar om deze materialen te recyclen. Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft het voorstel van Ruimte in Regels overgenomen om de ontheffing aan te passen en opgenomen in het Landelijk afvalbeheersplan, met als resultaat dat de ondernemer nu wat betreft wet- en regelgeving een sluitende businesscase kan maken.

In totaal zijn er sinds de start van het programma 375 concrete belemmeringen binnengekomen bij het programma Ruimte in Regels. Voor 231 ondernemers zijn de belemmeringen weggenomen

37. Nu de economie aantrekt, is de verwachting dat de borgstelling MKB-kredieten zal dalen aangezien banken weer meer risico kunnen nemen. Is dit volgens de regering correct en welke gevolgen heeft dit voor het MKB-krediet?

Antwoord

Het aantal BMKB-aanvragen is onder meer afhankelijk van de economische conjunctuur en de risicoacceptatiebereidheid van banken. In de meest recente Panteia Financieringsmonitor, die uw Kamer in op 13 oktober jl. heeft ontvangen (Kamerstuk 32 637, nr. 294), blijkt dat een relatief groot deel van het micro- en kleinbedrijf zijn financieringsaanvraag geheel afgewezen ziet worden (respectievelijk 34% en 24%). Ook tonen recente cijfers van DNB aan dat kredietverlening van de Nederlandse grootbanken aan het Nederlandse mkb nog steeds afneemt. Hieruit kan worden afgeleid dat de kredietverlening aan het mkb nog niet optimaal is en de inzet van de BMKB niet zonder meer zal dalen.

38. Wat houdt het concreet in dat EZ ervoor zorgt dat het mededingingsbeleid en het toezicht, maar vooral ook de consument zelf, voldoende toegerust is op nieuwe markten en marktkansen?

Antwoord

In de begroting (p. 10–11) staat in het kader van de digitale economie beschreven dat EZ ervoor zorgt dat het mededingingsbeleid- en toezicht en de consument voldoende zijn toegerust op nieuwe markten. Digitalisering biedt kansen voor consumenten en ondernemers. Tegelijkertijd kunnen nieuwe machtsposities ontstaan door de rol van data en platforms in de digitale economie. Het mededingingsbeleid en -toezicht moet daarop toegerust zijn. Recentelijk heb ik onderzoek laten verrichten naar de relatie tussen data en mededinging. Zoals ik in de beleidsreactie op het onderzoek (Kamerstuk 24 036, nr. 418) heb aangegeven, zie ik vooralsnog geen aanleiding het mededingingsbeleid te wijzigen. Wel zal ik, zoals het onderzoek ook aanbeveelt, ontwikkelingen in de digitale economie blijven volgen en kennis op dit gebied op blijven doen.

Producten of diensten afnemen in een digitale wereld stelt ook consumenten voor nieuwe uitdagingen. Zo is bijvoorbeeld de betrouwbaarheid van verkopers en de kwaliteit van producten en diensten op internet complex omdat minder duidelijk is met wie de overeenkomst wordt aangegaan en de overeenkomst vaak eenmalig is. Om het consumentenbeleid actueel te houden, heeft de Europese Commissie een aantal herzieningen van consumentenrichtlijnen aangekondigd. Daarnaast werkt de Europese Commissie aan regels voor de levering van digitale inhoud (zoals software, streaming en video) om consumenten beter te beschermen.

39. Wanneer zijn de transitiepaden uit de Energieagenda gereed?

Antwoord

De uitwerking van de transitiepaden is onderdeel van een ambtelijk proces dat onder dit kabinet is gestart en waar momenteel nog aan wordt gewerkt. Het is aan een komend kabinet om de klimaat- en energietransitie verder vorm te geven.

40. Welke doelen en streefcijfers gaat het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) bevatten?

Antwoord

Het voorlopige format voor het INEK geeft aan dat er nationale doelen en streefcijfers langs de lijn van de vijf dimensies van de Energie Unie moeten worden opgenomen. Dit zijn: decarbonisatie; energie-efficiëntie; energiezekerheid; interne energie markt; en onderzoek, innovatie en concurrentievermogen) Een besluit over de precieze nationale doelen en streefcijfers is aan een volgend kabinet.

41. Op welke wijze waarborgt de regering dat de CO2-opgave per transitiepad, anders dan de Energieagenda, in lijn is met de ambities van het klimaatverdrag van Parijs?

Antwoord

In Europees verband is een doelstelling van 80–95% broeikasgasemissiereductie in 2050 voor de hele economie afgesproken ten opzichte van 1990. Deze doelstelling vormt ook uitgangspunt voor de Energieagenda en de uitwerking daarvan in transitiepaden. Een discussie over een eventuele ophoging van de Europese ambities voor de klimaatdoelen voor 2030 en 2050, naar aanleiding van het Klimaatakkoord van Parijs, zal plaatsvinden in het kader van de faciliterende dialoog in 2018 en de eventuele herziening van de nationale bijdragen in 2020.

42. Wat is het verschil tussen de gemiddelde energierekening van een huishouden aangesloten op een warmtenet en een huishouden aangesloten op het gasnet? Waar wordt het verschil door veroorzaakt?

Antwoord

ACM stelt op grond van de bepalingen in de Warmtewet, het Warmtebesluit en de Warmteregeling maximumtarieven vast voor levering van warmte uit een warmtenet. Deze tarieven gaan uit van het beginsel dat een huishouden dat is aangesloten op een warmtenet niet meer in rekening gebracht krijgt dan wat huishoudens die zijn aangesloten op een gasnet gemiddeld gesproken kwijt zijn. Voor een gemiddelde situatie is er dus geen verschil.

43. Hoeveel klachten zijn bekend van consumenten die aangeven dat de slimme meter verkeerde standen doorgeeft? Welke oplossingen worden geboden om deze problemen te verhelpen, zowel voor de benadeelde consument als ook om dit zo snel mogelijk in de meters te verhelpen en in de toekomst te voorkomen?

Antwoord

Wanneer er klachten zijn over de slimme meter verloopt het eerste contact normaliter via de energieleverancier. Wanneer deze geen plausibele oorzaak kan vinden worden consumenten doorverwezen naar hun netbeheerder die verantwoordelijk is voor de slimme meter. Momenteel hebben de netbeheerders in ongeveer 4 miljoen huishoudens een slimme meter geplaatst. Het aantal klachten over verkeerde standen van de slimme meter wordt niet apart geregistreerd door energieleveranciers en netbeheerders. Daarnaast heeft de redactie van het televisieprogramma Radar dit voorjaar een meldpunt voor klachten over de slimme meter geopend. Via het Radarmeldpunt zijn ca. 3.000 klachten binnengekomen.

Nader onderzoek van Netbeheer Nederland bij de afhandeling van de klachten van het Radarmeldpunt brengt geen defect aan de slimme meter aan het licht. De klachten betroffen veelal een onverwachte toename van het energieverbruik na het ophangen van de slimme meter. Uit de rapportage van Netbeheer Nederland hierover blijkt dat er vaak andere oorzaken waren voor de waargenomen toename in het energieverbruik. Voorbeelden hiervan zijn de plaatsing van de slimme meter in wintermaanden waardoor direct een hoog verbruik te zien is, en veranderd verbruik door wijziging in gezinssamenstelling of aanschaf andere apparaten. De toename in gebruik werd in deze gevallen door de gebruikers ten onrechte aan de slimme meter toegeschreven.

Recent hebben de netbeheerders een stappenplan ontwikkeld op basis waarvan consumenten kunnen nagaan of hun meterstand afwijkt van het daadwerkelijke energieverbruik of dat er andere oorzaken zijn voor de toename in het energieverbruik. Mochten er na het doorlopen van dit stappenplan nog steeds twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de slimme meter dan kan de netbeheerder een gespecialiseerde doormeting doen. Wanneer er sprake blijkt te zijn van een defecte meter dan wordt de meter zo snel mogelijk door de netbeheerder vervangen. Mocht het een defect betreffen van een hele groep slimme meters dan zullen deze allen worden vervangen.

44. Erkent de regering Brainport Eindhoven als mainport van Nederland conform de motie Mulder/Verhoeven (Kamerstuk 34 550-XIII, nr. 29)? Zo ja, waarom wordt in de begroting 2018 Brainport Eindhoven niet expliciet als mainport benoemd en op welke wijze is de mainportstatus met de regio uitgewerkt?

Dit kabinet erkent Brainport Eindhoven als economisch kerngebied van nationale betekenis, net zoals de grootstedelijke regio’s rond de mainports Rotterdamse haven en Schiphol ook economische kerngebieden van nationale betekenis zijn. Bij brief van 6 december 2016 (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 121), heb ik u namens het kabinet laten weten uitvoering te geven aan de moties Mulder/Verhoeven (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 29) en Mei Li Vos (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 32). Dit komt tot uiting in de Ruimtelijk Economische Ontwikkelings Strategie (REOS) en de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in wording. De regio Eindhoven is de afgelopen periode, in samenwerking met de provincie Noord-Brabant en het Rijk, gestart met de ontwikkeling van een gezamenlijke Brainport Actieagenda. Bij brief van 13 juni 2017 (Kamerstuk 34 550-XIII nr. 135) heb ik u mede namens de Ministers van OCW en Infrastructuur en Milieu (IenM) en de Staatssecretaris van IenM, geïnformeerd over de stand van zaken van deze Brainport Actieagenda. De beleidsmatige en financiële kaders van het nieuwe kabinet zijn hierbij uiteraard bepalend voor de uiteindelijke Rijksinzet.

45. Is het ambassadeurswerk van vijf regioambassadeurs nieuw of bestaand beleid? Zou de indeling kunnen worden weergegeven op welke wijze de vijf regioambassadeurs over de regio's in Nederland zijn verdeeld?

Dit betreft staand beleid. De huidige functie van regioambassadeur is in 2012 ingericht bij het ontstaan van het nieuwe Ministerie van Economische Zaken. Zij vervullen de verbindings- en schakelfunctie vanuit EZ richting regionaal bestuur, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties en omgekeerd.

De regio's van de regioambassadeurs zijn als volgt ingedeeld: regio Noord: Groningen, Friesland, Drenthe en het Waddengebied; regio Oost: Overijssel en Gelderland; regio Noordwest: Utrecht, Flevoland en Noord-Holland; regio Zuidwest: Zuid-Holland, Zeeland, en West-Brabant; regio Zuidoost: Midden- en Oost-Brabant en Limburg.

46. Wanneer kan het wetsvoorstel ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven naar verwachting naar de Kamer gestuurd worden?

Antwoord

Het is aan en volgend kabinet te besluiten of en wanneer het wetsvoorstel ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven naar achtereenvolgens de Raad van State en de Kamer gestuurd zal worden.

47. Zou nader kunnen worden toegelicht wat het concreet inhoudt dat EZ in 2018 werkt aan het inschakelen van de Nederlandse industrie instituten bij de productie en ontwikkeling van militair materieel?

Antwoord

De Nederlandse overheid zet zich in om de Nederlandse industrie op concurrerende basis in te schakelen bij de ontwikkeling en productie van Defensiematerieel. De samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en de defensie- en veiligheidgerelateerde industrie is vastgelegd in de Defensie Industrie Strategie (DIS) van de ministeries van EZ en Defensie (Kamerstuk 31 125, nr. 20). Een specifiek instrument dat door EZ in dit kader wordt ingezet is het Industrieel Participatiebeleid. Bij aanschaffingen van boven de € 5 miljoen die Defensie in het buitenland doet bepaalt EZ per geval of industriële participatie geëist wordt tegen de achtergrond van een wezenlijk veiligheidsbelang. In de DIS zijn prioritaire technologiegebieden en industriële capaciteiten genoemd die hierbij als referentie dienen. In november 2018 zal uw Kamer, middels de tweejaarlijkse rapportage over het Industrieel Participatiebeleid, uitgebreid worden geïnformeerd over de stand van zaken.

48. Om welke frequentieveiling gaat het hier en staat het tijdspad 2017–2019 van het veilingstraject vast of gaat het hier om een inschatting?

Antwoord

Het gaat hier om de veiling van frequenties in de 700-, 1400- en 2100 MHz banden voor mobiele communicatie. De betreffende vergunningen gaan in vanaf 2020/2021. De veiling vindt plaats in het tweede halfjaar van 2019. Om dit tijdig te realiseren moeten er al relatief lang van tevoren voorbereidingen worden getroffen, bijvoorbeeld voor technische en markteconomische onderzoeken en de opstelling van regelgeving en vergunningen. In 2018 zal de regelgeving worden geconsulteerd.

49. Waar wordt de onttrekking van 10 miljoen euro van de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) voor benut?

Antwoord

Zoals aan uw Kamer is gemeld is de Garantiefaciliteit Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) per 1 juli 2017 beëindigd. De voor deze regeling beschikbare begrotingsreserve is daardoor niet langer nodig. Conform besluitvorming door het kabinet valt de € 10 miljoen uit de begrotingsreserve GSF in 2017 vrij ten gunste van het generale beeld.

50. Kan worden aangegeven wat de achtergronden zijn van de aanpassing van kasschuiven: zijn projecten vertraagd of juist versneld? Hoe kan het dat nu al bekend is dat de komende jaren fors minder gaat worden uitgeven? Wordt in 2017 en 2018 extra geld uitgegeven dat in de komende jaren weer moet worden terugverdiend?

Antwoord

De volgende zaken in de tabel «belangrijkste beleidsmatige mutaties» zijn kasschuiven: Frequentieveiling, kasschuiven Energie, Telecom en Mededinging en apparaat. Met kasschuiven worden de ramingen gelijk gesteld aan de meest recente verwachtingen van het ritme van kasuitgaven. Voor alle drie de schuiven geldt dat middelen die geraamd stonden in latere jaren naar eerdere jaren gehaald worden, omdat de kasuitgaven eerder plaatsvinden dan voorheen geraamd. Kasschuiven zijn in principe meerjarig budgetneutraal.

De kasschuif voor de frequentieveiling heeft als achtergrond dat in 2019 de vergunningen in de 700-, 1400- en 2100-MHz frequentiebanden geveild worden in een multibandveiling. Omdat de voorbereidingskosten van deze veiling vooral in 2018 en 2019 plaats zullen vinden, is een kasschuif naar deze jaren noodzakelijk.

De kasschuiven op het gebied van Energie, Telecom en Mededinging betreffen enerzijds een verwachte versnelling van projecten in het kader van de Uitkoopregeling voor woningen die direct onder hoogspanningslijnen liggen, anderzijds een latere uitbetaling dan gepland van de voor de Mijnbouwschade in Limburg, de Demonstratieregeling Energie Innovatie (DEI) en de Triasboring. Zie voor een uitsplitsing van deze kasschuiven het antwoord op vraag 55.

Voor apparaat geldt dat hier vooral middelen naar eerdere jaren zijn geschoven voor de realisatie van de Cloudwerkplek.

51. Is bekend waarom er weinig interesse in de GSF was? In welke mate lieten reders of anderen schepen bouwen met behulp van buitenlandse financiering?

Antwoord

De Garantieregeling Scheepsnieuwbouwfinanciering (GSF) die afliep op 1 juli jl. is in de eerste helft van 2017 extern geëvalueerd door SEO Economisch Onderzoek. De Kamer is op 16 juni jl. geïnformeerd over de uitkomsten van die evaluatie (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 136). Uit het evaluatie onderzoek (periode 2013–2016) blijkt dat werven weinig gebruik hebben gemaakt van de GSF. Van de honderden gebouwde schepen is bij slechts acht schepen een aanvraag voor de GSF ingediend. Dit is minder dan twee procent van de markt. Er zijn vijf aanvragen toegewezen. De belangrijkste reden voor de beperkte interesse is volgens SEO dat, mits de «nafinanciering» bij de klant (reder) is geregeld, banken ook bereid zijn om de bouw te financieren. Zij ervaren dan geen grote risico's. Door het beperkte gebruik is de GSF volgens SEO niet doeltreffend geweest. Het doel om drempels weg te nemen voor financiering van scheepsnieuwbouw lijkt niet te zijn bereikt, omdat er weinig drempels werden ervaren. De GSF lijkt ook geen invloed te hebben gehad op de internationale concurrentiepositie van werven. De generieke Exportkredietgarantieregeling (EKG) speelt op dat punt een grotere rol.

Er is geen specifieke informatie beschikbaar over de mate waarin reders of andere opdrachtgevers schepen laten bouwen met behulp van buitenlandse financiering. Uit de externe evaluatie van de GSF over de periode 2013–2016 blijkt dat Nederlandse reders geregeld gebruik hebben gemaakt van de (generieke) Garantiefaciliteit Ondernemingsfinanciering (GO).

52. Kan worden aangegeven welke bedragen generale bijdragen zijn (dus uit de schatkist) en welke bedragen een verschuiving binnen de begroting van EZ zijn?

Antwoord

In de tabel «belangrijkste beleidsmatige mutaties» zijn de bedragen voor Generieke Digitale Infrastructuur (GDI), Investeringsprogramma Zeeland in Stroomversnelling, bekostiging groen onderwijs en cybersecurity generale bijdragen. De bijdrage voor de GDI komt ten laste van de aanvullende post. De overige bedragen hebben betrekking op mutaties binnen de EZ-begroting of mutaties tussen EZ en de overige departementen. Naast de bovengenoemde generale bijdragen zijn in de EZ-begroting onder andere de middelen voor uitvoeringskosten frequentieveilingen, regionale structuurversterking (waaronder Internationaal onderwijs), Invest-NL en de Garantieregeling Scheepsnieuwbouw Financiering (GSF) generale bijdragen.

53. Waarom worden de middelen van de verplichte ESA-bijdrage in mindering gebracht van het ruimtevaartbudget 2017? Kan dit consequenties hebben voor Noordwijk als vestigingsplaats voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC)?

Antwoord

Bij de tweede suppletoire begroting 2016 is het ruimtevaartbudget verhoogd met € 13,4 miljoen ten behoeve van de verplichte ESA-bijdragen in het kader General Budget en lanceerbasis Kourou voor 2017. Deze middelen zijn daardoor reeds in het jaar 2016 vooruitbetaald en kunnen daarom in het jaar 2017 in mindering gebracht worden op het ruimtevaartbudget in 2017.

Er is per saldo geen sprake van een verlaging van het ruimtevaartbudget, zodat de mutatie geen consequentie heeft voor Noordwijk als vestigingsplaats voor het European Space Research and Technology Centre (ESTEC).

54. Klopt het dat in de begroting van 2018 in totaal 25 miljoen euro wordt uitgetrokken voor het Investeringsprogramma Zeeland in Stroomversnelling? Zo niet, welk bedrag dan wel?

Antwoord

Het rijk zal € 25 miljoen bijdragen aan het Investeringsprogramma Zeeland in Stroomversnelling voor de realisatie van een 7 tal projecten. Daarvan zal € 13,5 miljoen reeds bij Najaarsnota 2017 naar Zeeland worden overgemaakt via het Provinciefonds.

€ 3,2 miljoen wordt via de Demonstratie Energie Innovatie regeling rechtstreeks aan het project Tidal Technology Center uitgekeerd. € 6,5 miljoen is nog gereserveerd in het Toekomstfonds voor deelname in twee innovatiefondsen via de ontwikkelingsmaatschappij Impuls Zeeland. Voor € 1,8 miljoen resteert nog een inspanningsverplichting, die wordt ingevuld zodra de provincie aan de nog resterende inspanningsverplichting van € 2 miljoen heeft voldaan.

55. Wat is de verdeling van de kasschuif Energie, Telecom en Mededinging voor respectievelijk het project Triasboring in het Westland, monitoring en vermindering van de gevolgen van de Mijnbouw in Limburg en welk gedeelte voor de uitkoopregeling eigenaren onder hoogspanningsmasten en de subsidie Demonstratie Energie-Innovatie (DEI)?

Antwoord

De kasschuif Energie, Telecom en Mededinging is een saldo van vier verschillende kasschuiven:

 

2017

2018

2019

2020

2021

2022

EZ-middelen mijnbouwschade Limburg

–1.980

660

660

660

   

Uitkoopregeling i.v.m. hogere verwachte uitgaven 2017 en 2018

12.500

8.500

–4.000

–11.000

–7.300

1.300

Middelen DEI van 2017 naar 2019 en 2020

–7.000

 

3.000

4.000

   

Middelen Triasboring

–1.000

1.000

       

Saldo kasschuiven

2.520

10.160

–340

–6.340

–7.300

1.300

56. Waarom is voor de ontwikkeling van de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) opnieuw een extra bijdrage nodig?

Antwoord

De ontwikkeling en het beheer van generieke voorzieningen voor de digitale overheid is een zich ontwikkelend proces onder leiding van de door het kabinet aangestelde Digicommissaris. Jaarlijks stelt het overheidsbrede Nationaal Beraad Digitale Overheid een Digiprogramma vast waarin de prioriteiten voor de komende jaren zijn opgenomen. Uit dit Digiprogramma volgt de verdeling van de financiële middelen die gezamenlijk bijeen zijn gebracht op de aanvullende post GDI, beheerd door het Ministerie van Financiën.

De mutaties die op pagina 17 van de begroting zijn genoemd betreffen bijdragen vanuit deze aanvullende post voor een tweetal activiteiten die door EZ worden uitgevoerd om de GDI-voorzieningen meer toegevoegde waarde te laten hebben voor ondernemers. Ten eerste ontvangt EZ in 2017 eenmalig € 1,28 miljoen om de generieke berichtenvoorziening voor burgers die onder leiding van BZK wordt ontwikkeld, ook geschikt te maken voor uitgaand berichtenverkeer naar ondernemers. Ten tweede ontvangt EZ in 2018 evenals in 2016 en 2017 een bijdrage van € 5,5 miljoen voor beheer, toezicht en doorontwikkeling van het stelsel elektronische toegangsdiensten (eHerkenning en Idensys).

57. Hoe heeft het BIT geadviseerd over de GDI?

Antwoord

Het Bureau ICT Toetsing (BIT) heeft geen advies uitgebracht of in voorbereiding over de Generieke Digitale Infrastructuur als geheel. Wel heeft het BIT op 13 mei 2016 een advies uitgebracht over het programma eID, waarmee de overheid voorzieningen realiseert om burgers een betrouwbare toegang te geven tot digitale diensten van overheden en organisaties in het publieke domein. Dit advies, waarin het BIT waarschuwde voor te grote complexiteit, heeft uw Kamer op 17 juni 2016 ontvangen (Kamerstuk 26 643, nr. 414).

58. Kunt u een overzicht geven van de taken van de ACM per sector, of daar wel of niet sprake is van toezicht en hoeveel medewerkers voor deze taken beschikbaar zijn?

Antwoord

Ja. De ACM had in 2016 voor zowel toezicht als regulering voor de sector Energie 80,7 fte beschikbaar en voor de sectoren Telecom, Vervoer en Post gezamenlijk 71,8 fte. Daarnaast had de ACM in 2016 74,4 fte beschikbaar voor toezicht op consumentenbeleid en 133,3 fte voor mededingingstoezicht. Dit laatste is inclusief circa 15 fte specifiek budget beschikbaar gesteld door de Minister van VWS ter intensivering van het markttoezicht in de zorg. Een verdere uitsplitsing van het aantal medewerkers per sector in het consumenten- en mededingingsbeleid is niet beschikbaar. De ACM bepaalt op basis van onder andere klachten, signalen, eigen analyses en clementieverzoeken welke sector binnen het consumentenbeleid en het mededingingstoezicht op enig moment aandacht krijgt. Andere onderdelen van de ACM, zoals de directie Juridische Zaken (77,3 fte) en het Economisch bureau (8,7 fte) dragen eveneens bij aan regulering en toezicht.

59. Is het bedrag van 2,5 miljoen op de EZ-begroting voor bestrijding van cybercrime volledig bedoeld voor het opzetten van het Digital Trust Centre (DTC) en is dit het totale bedrag dat voor het DTC beschikbaar zal zijn?

Antwoord

Het bedrag van € 2,5 miljoen op de EZ-begroting is volledig bedoeld voor het opzetten van het Digital Trust Centre. Daarnaast staat op de V&J-begroting € 1 miljoen ten behoeve van het DTC. Daarmee bedraagt het totaal beschikbare budget voor het DTC op de rijksbegroting € 3,5 miljoen.

60. Welke taken krijgt het DTC, welke rol krijgen de in de kabinetsbrief genoemde organisaties en zal een MKB-bedrijf rechtstreeks contact met het DTC op kunnen nemen? Hoe wordt de samenwerking met het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) ingericht en hoe wordt ervoor gezorgd dat kennis bij het NCSC bij het DTC terecht komt?

Antwoord

De taken die het DTC krijgt, moeten passen bij de doelstelling van het DTC: het niet als vitaal aangemerkte bedrijfsleven weerbaarder maken tegen cyberdreigingen. Taken die nu worden voorzien zijn een aanjagende/faciliterende taak en een informerende/adviserende taak.

De aanjagende/faciliterende taak vloeit voort uit de doelstelling van het DTC een stelsel van intermediaire organisaties tot stand te helpen brengen. De rol van de intermediaire organisaties is om, vanuit hun bestaande rol als vertrouwd eerste aanspreekpunt voor bij hun aangesloten bedrijven, de cyberweerbaarheid van hun achterban te helpen vergroten. Daarbij hangt de exacte ondersteuning die het DTC zal bieden af van de behoefte en het volwassenheidsniveau van een samenwerkingsverband.

De informerende/adviserende taak betreft het geven van adviezen door het DTC over het verbeteren van de cybersecurity in algemene zin en het informeren en geven van een handelingsperspectief omtrent actuele dreigingen en kwetsbaarheden. Hoe mkb-ondernemers contact op kunnen nemen met het DTC wordt de komende tijd uitgewerkt.

Voor wat betreft de samenwerking met het NCSC kan het DTC zorgen voor een bredere verspreiding van producten waar kennis van het NCSC in verwerkt is. Hoe de samenwerking exact vorm krijgt, moet nog nader worden uitgewerkt. Uitgangspunt daarbij is dat beide organisaties elkaar versterken en er geen dubbeling van taken plaatsvindt. De Tweede Kamer wordt voorjaar 2018 geïnformeerd over de nadere invulling van het DTC.

61. Waarom zijn de middelen voor cybersecurity vooralsnog geraamd op artikel 41 (nominaal en onvoorzien)?

Antwoord

Het budget voor cybersecurity staat vooralsnog geraamd op het onderdeel «nog te verdelen» op artikel 41 in afwachting van een concreet bestedingsplan voor het budget van € 2,5 miljoen. Het budget wordt bij Voorjaarsnota 2018 overgeheveld naar de betreffende begrotingspost of -posten.

62. Wat is de status van de 10 miljoen euro die vrij valt in de begrotingsreserve Garantiefaciliteit Scheepsnieuw-bouwfinanciering (GSF)?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 49.

63. Er wordt na 2018 geen rekening meer gehouden met een verdere daling van de gasinkomsten (zie tabel mutatie op pagina 9); ziet de regering dit gezien de voortdurende aardbevingsproblematiek in Groningen en de groeiende weerstand tegen het openen van nieuwe gasvelden als een prudente raming?

Antwoord

Aan deze raming ligt een inschatting van de verwachte productie uit het Groningenveld en de Nederlandse kleine velden ten grondslag. De Minister van EZ heeft op 24 mei 2017 een wijzigingsbesluit genomen, waarmee het productieplafond voor de gaswinning in Groningen per 1 oktober 2017 met 10 procent is verlaagd tot 21,6 miljard m3. Dit besluit heeft een resterende looptijd van vier gasjaren en de raming voor de aardgasbaten gaat hier dan ook vanuit. Voor wat betreft de kleine velden wordt uitgegaan van actuele verwachtingen over de hoogte van de productie. Deze hoeveelheid daalt jaarlijks, omdat de kleine velden langzaam uitgeput raken. De daling is reeds in de raming verwerkt. Op basis van de totale verwachte productie en de verwachte gasprijs wordt vervolgens een raming gemaakt. Deze leidt in dit geval tot een bijstelling naar beneden van de verwachte aardgasbaten met € 0,2 miljoen in 2017 en € 0,25 miljoen in 2018 t/m 2021 ten opzichte van de Voorjaarsnota 2017.

64. Op welke wijze is de afbouw van de gaswinning en de lagere opbrengst van de aardgasbaten vanaf 2018 verwerkt in de tabel op pagina 19? Waarom is hier gekozen voor een «constante verlaging» met 250 miljoen euro voor ieder jaar per 2018?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 63.

65. In de begroting is te lezen dat de Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij (NOM) 10 miljoen euro dividend zal afdragen aan het Ministerie van Economische Zaken. Verwacht de regering van de overige Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen ook dividenduitkeringen? Wat zijn de begrotingsafspraken rondom dit dividend c.q. wat gebeurt er als deze inkomsten hoger of lager zijn dan verwacht?

Antwoord

Van de overige Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen worden op korte termijn geen dividenduitkeringen verwacht. Conform de begrotingsregels zijn dividendontvangsten relevant voor het EMU-saldo en het uitgavenkader en vallen deze toe aan het generale beeld. Hogere of lagere dan geraamde dividendontvangsten worden eveneens in het generale beeld verwerkt.

66. Waarom is het meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen volledig niet-juridisch verplicht? Op welke wijze wordt deze post beschermd tegen andere invloeden dan die van schade en wederopbouw Groningen?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.

67. Belemmert het garantieplafond van 66,6 miljoen euro de groei van de aardwarmtesector of is dit te verwachten?

Antwoord

In 2014 zijn extra middelen vrijgemaakt voor de garantieregeling RNES. De RNES biedt een garantie tegen het risico voor projectontwikkelaars dat de ondergrond tijdens ontwikkeling van een project ongeschikt blijkt te zijn voor geothermie. De RNES heeft tot nu toe alle projecten kunnen accommoderen. Bij de laatste openstelling is twee derde van het budget aangevraagd. Met het huidige tempo waarmee de projecten worden ontwikkeld, is de verwachting dat de regeling de komende jaren zal voldoen.

68. In hoeverre vult de GO Energie Transitie Financierings Faciliteit (ETFF) het gat tussen een lagere SDE+ uitkering en de risico's die een Geothermieproject financieel gezien heeft?

Antwoord

De GO Energie Transitie Financierings Faciliteit (ETFF) is een financieringsinstrument en kan bijdragen aan het verkrijgen van financiering van een geothermieproject. ETFF kan achtergestelde leningen verstrekken voor energietransitieprojecten die momenteel niet financierbaar zijn door een te kleine inbreng van risicodragend vermogen. Hiermee worden de projecten beter financierbaar voor andere banken. De SDE+ is een exploitatiesubsidie; dat wil zeggen dat middelen pas worden uitgekeerd zodra een geothermieproject gaat produceren. De exploitant ontvangt dan een vergoeding per geproduceerde eenheid energie. De ETFF is gericht op het wegnemen van financieringsproblematiek en de SDE+ op het wegnemen van de onrendabele top van projecten, dat wil zeggen het verschil tussen de marktwaarde en de kostprijs van hernieuwbare energie. De ETFF en de SDE+ zijn dan ook op het wegnemen van verschillende knelpunten gericht.

69. In hoeverre draagt de verschuiving van het financieel risico van SDE+ naar een verzekering bij een aardwarmte project bij aan een meer volwassen aardwarmtemarkt?

Antwoord

Er is geen sprake van een verschuiving van het financieel risico van SDE+ naar een verzekering bij een aardwarmteproject. De SDE+ richt zich op de onrendabele top van projecten (zie ook het antwoord op vraag 68). De publieke garantieregeling RNES neemt het risico weg dat de ondergrond ongeschikt is voor geothermie. Er zijn nog geen private verzekeraars die bereid zijn een verzekering aan te bieden voor dit ondergrondrisico.

70. Wanneer zal er, naar verwachting, een (betaalbare) verzekering zijn voor aardwarmteprojecten?

Antwoord

De huidige garantieregeling (RNES) heeft een marktconforme premie en is een betaalbare verzekering om het geologisch risico af te dekken. Uit de evaluatie van de RNES die in 2016 is uitgevoerd, is gebleken dat er nog geen marktpartijen zijn die een verzekering aanbieden. Daarom heeft het kabinet besloten de RNES met vijf jaar te verlengen.

71. Wie bepaalt wat goede initiatieven zijn die in aanmerking komen voor het Aanvullend Actieplan MKB-financiering?

Antwoord

Met het Aanvullend Actieplan Mkb-financiering dat op 8 juli 2014 is gelanceerd zijn negen verschillende acties uitgevoerd. Deze hadden betrekking op een drietal actielijnen waarin de grootste financieringsknelpunten voor het mkb waren gesignaleerd. Dit zijn: het versterken van het eigen vermogen van het mkb; het verbreden van het aanbod van mkb-financiering; en het verbeteren van de werking van de financieringsmarkt. Voor de eerste actielijn geldt dat de door de overheid gefaciliteerde fondsen zelf de afweging/beoordeling doen welke marktinitiatieven worden gefinancierd (met als uitzondering het Vroege-fase-instrument waar uitvoerders RVO.nl en NWO/TTW de selectie zelf doen).

Voor de tweede actielijn geldt dat er binnen de actie nieuwe aanbieders van mkb-financiering een oproep is gedaan aan de markt om initiatieven in te dienen. Deze zijn beoordeeld en geselecteerd door een commissie met externe deskundigen. Bij de derde actielijn is selectie van marktinitiatieven niet aan de orde. Zoals in de brief van 14 december 2016 is gemeld (Kamerstuk 32 637, nr. 270) zijn de acties ten uitvoer gebracht en is hiermee het Aanvullend Actieplan Mkb-financiering afgerond.

72. Aan wat voor initiatieven zijn de twee garanties ter waarde van 43 miljoen euro verstrekt? Hoe is dit bedrag tot stand gekomen?

Antwoord

Er zijn inmiddels drie garanties verstrekt ter waarde van € 69,2 miljoen. DBS2 heeft een garantie gekregen met betrekking tot ZZP factoring-activiteiten ter waarde van € 3,2 miljoen. Trefi, een mkb factoring platform, kreeg een garantie van € 40,0 miljoen. Tot slot verschafte de Staat een garantie van € 26 miljoen aan Fundiq. Fundiq verstrekt achtergestelde leningen aan het mkb.

De gegarandeerde bedragen zijn tot stand gekomen op basis van de financieringsbehoefte van deze initiatieven. De totale financiering van een initiatief wordt maximaal voor 80% gegarandeerd.

73. Kan de regering een overzicht geven van alle middelen die binnen de EZ-begroting direct en indirect beschikbaar zijn voor innovatie?

Antwoord

Het overzicht van de in de rijksbegroting beschikbare middelen voor onderzoek en innovatie wordt jaarlijks door het Rathenau-instituut beschikbaar gesteld via het zgn. TWIN-overzicht (Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie). Het kabinet baseert zich voor informatie over de innovatie-uitgaven van het Rijk op dit overzicht van Rathenau (Kamerstuk 30 991, nr. 14). Het meest recente overzicht dateert van april 2017, op basis van de departementale begrotingen voor 2017. In tabel 1 treft u een samenvattend overzicht aan van rijksmiddelen die direct en indirect beschikbaar zijn voor R&D en innovatie; tabel 2 geeft het EZ-aandeel daarin weer. Een uitgebreide detaillering van deze uitgaven is terug te vinden op de site van Rathenau. Naar verwachting zal Rathenau een geactualiseerd overzicht van de uitgaven voor R&D en innovatie op basis van de begrotingen voor 2018 publiceren in de eerste maanden van 2018. Dat betreft een voorpublicatie in korte vorm, waarna in het voorjaar van 2018 een definitieve publicatie is te verwachten met uitgebreidere en meer gedetailleerde informatie.

Tabel 1 Directe en indirecte financiële overheidssteun voor R&D en innovatie, 2015–2021, in miljoenen euro

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Directe uitgaven voor R&D

4.880,7

5.022,1

4.887,3

4.874,9

4.819,4

4.843,5

4.834,2

waarvan innovatierelevant

1.121,9

1.189,4

1.111,4

1.115,5

1.098,1

1.107,4

1.103,6

Directe uitgaven voor innovatie, niet zijnde R&D

241,9

324,0

281,7

276,2

268,1

261,7

230,3

Indirecte fiscale steun voor R&D en innovatie1

1.009,8

1.153,8

1.215,8

1.215,8

1.215,8

1.215,8

1.215,8

Totaal voor R&D en innovatie

6.132,4

6.499,8

6.384,7

6.366,9

6.303,2

6.321,0

6.280,2

waarvan totaal voor innovatie

2.373,6

2.667,1

2.608,8

2.607,5

2.581,9

2.584,9

2.549,7

Bron: Rathenau, Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2015–2021, Den Haag, april 2017.

X Noot
1

De fiscale steun voor R&D en innovatie bestaat voornamelijk uit RDA (tot 2016) en de afdrachtvermindering S&O (WBSO) en voor een heel klein deel uit de innovatiecomponenten van enkele fiscale regelingen op het gebied van milieu.

De fiscale steun in tabel 1 is net als voorgaande jaren door Rathenau opgesteld exclusief de innovatiebox. Als reden voort Rathenau aan dat de innovatiebox geen gebudgetteerde regeling is en dat het een ander type fiscale regeling is dan bijvoorbeeld de WBSO.

Bron: Rathenau, Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2015–2021, Den Haag, april 2017.

Tabel 2 Aandeel EZ in directe en indirecte financiële overheidssteun voor R&D en innovatie, 2015–2021, in miljoenen euro

 

2015

2016

2017

2018

2019

2020

2021

R&D-uitgaven EZ

835,7

906,4

829,7

838,9

819,7

832,0

827,5

waarvan innovatierelevant

701,7

775,3

708,9

715,2

698,4

707,5

703,2

Directe uitgaven voor Innovatie, niet zijnde R&D

147,1

225,9

171,4

167,9

170,3

175,3

153,5

WBSO/RDA

1.007,0

1.151,0

1.213,0

1.213,0

1.213,0

1.213,0

1.213,0

Totaal voor R&D en innovatie

1.989,8

2.283,3

2.214,1

2.219,9

2.203,0

2.220,2

2.194,0

waarvan totaal voor innovatie

1.855,8

2.152,1

2.093,2

2.096,1

2.081,7

2.095,8

2.069,7

Bron: Rathenau, Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2015–2021, Den Haag, april 2017.

74. Welk deel van het budget dat beschikbaar is voor innovatie wordt besteed aan overhead?

Antwoord

Overheadkosten zijn onderdeel van zowel de R&D-uitgaven als de directe uitgaven voor innovatie via de kostenstructuren van betrokken bedrijven of de tariefopbouw van kennisinstellingen. De mate waarin dit onderdeel uitmaakt van de kosten kan derhalve per uitgavepost variëren, waardoor de overheadkosten niet eenduidig zijn te berekenen. In de uitgaven voor WBSO zijn overigens geen overheadkosten vervat, omdat de WBSO voorziet in een vergoeding voor kosten en uitgaven (loonkosten, materiële uitgaven en investeringen in bedrijfsmiddelen) die direct en uitsluitend dienstbaar zijn aan de R&D-projecten van bedrijven.

Voor de uitvoering van fiscale en subsidieregelingen maakt EZ zelf ook kosten, met name uitvoeringskosten van RVO.nl. De bij de beantwoording van vraag 73 gepresenteerde bedragen omvatten niet deze uitvoeringskosten.

75. Welk bedrag is er in 2018 gereserveerd (graag gespecificeerd) voor de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties en welk bedrag was dat in 2017?

Antwoord

In 2018 is voor de ontwikkeling van proefdiervrije innovaties een budget van € 1,9 miljoen (afgerond) beschikbaar voor het onderzoekprogramma «Meer Kennis met Minder Dieren», belegd bij ZonMw. In 2017 was hetzelfde bedrag beschikbaar. Momenteel is een programma «Transitie Proefdiervrije innovatie» in ontwikkeling. Fondsvorming is één van de onderdelen waar in dit verband de aandacht naar uit zal gaan. Kortheidshalve verwijs ik u naar de brief aan uw Kamer inzake de stand van zaken met betrekking tot de ontwikkeling van proefdiervrije onderzoeksmethoden (Kamerstukken, 32 336, nr. 66).

76. Welk bedrag is er specifiek gereserveerd voor innovaties gericht op energiebesparing?

Antwoord

Er worden binnen de innovatieregelingen voor energie geen specifieke bedragen gereserveerd voor energiebesparing. Energiebesparing maakt onderdeel uit van verschillende thema’s van de Topsector Energie, waaronder urban energy en energie & industrie, die in belangrijke mate over energiebesparing gaan. Vanuit de tenders van de Topsector energie is in 2017 ca € 9 miljoen toe te schrijven aan energiebesparing in de gebouwde omgeving en in de industrie. Dit is meer dan 20% van het totale budget voor deze tenders. De verwachting is dat dat in 2018 niet veel anders zal zijn. Daarnaast worden innovaties op het gebied van energiebesparing ook gestimuleerd door de Energieinvesteringsaftrek (EIA) en de regeling Demonstratie Energie Innovaties (DEI). Bij de DEI gaat ca. 50% van de beschikbare middelen (DEI-budget in 2017: € 39 miljoen) naar projecten voor energiebesparing in de gebouwde omgeving en de industrie. Tot slot wordt er bij ECN en TNO met behulp van rijksbijdragen gewerkt aan innovaties gericht op energiebesparing in de industrie en de gebouwde omgeving.

77. Welke criteria worden gehanteerd voor «goed functionerende markten» en zijn er op dit moment markten die hieraan voldoen?

Antwoord

In een goed functionerende markt reageren vraag en aanbod effectief op elkaar, concurreren bedrijven op een gezonde manier met elkaar en profiteren consumenten daarvan, waardoor de welvaart in Nederland toeneemt. Of een markt goed functioneert en welke criteria hierbij van belang zijn hangt af van de kenmerken van een specifiek product of dienst. Dat is per situatie verschillend: de telecommarkt kent een andere marktdynamiek dan de energiemarkt. De meeste markten zijn bovendien veranderlijk, bijvoorbeeld doordat de voorkeur van consumenten verandert. Het is daardoor moeilijk vast te stellen of er op enig moment een markt is waarin vraag en aanbod volledig effectief op elkaar reageren, zodat bedrijven en consumenten daarvan profiteren. In algemene zin kunnen wel voorwaarden worden geschapen voor het goed functioneren van markten. Generiek doet het kabinet dit bijvoorbeeld door regels te stellen die helpen voorkomen dat monopolies ontstaan, die kartelvorming helpen te bestrijden en die consumenten beschermen. Daarnaast voert het kabinet beleid gericht op specifieke sectoren. Denk aan regelgeving voor de telecommunicatie- en energiemarkt.

78. Hoe groot is het aantal medewerkers van de ACM dat zich met consumentenbescherming bezig houdt en hoe verhoudt dit zich tot het aantal medewerkers dat zich met mededingingstoezicht bezig houdt?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 58.

79. Hoeveel burgers hebben in 2016 contact met Consuwijzer gehad?

Antwoord

De website van ConsuWijzer is in 2016 2,8 miljoen keer bezocht. Daarnaast hebben medewerkers van ConsuWijzer per email of telefoon 57.000 keer contact gehad met consumenten. De publieke campagnes van ConsuWijzer bereikten in 2016 zo’n 4 miljoen consumenten.

80. Houdt de ACM een tevredenheidsscore van Consuwijzer bij? Zo ja, wat was deze score in 2016?

Antwoord

De tevredenheidsscore voor ConsuWijzer wordt gemeten per communicatiekanaal. Voor de website scoort ConsuWijzer een 6,7 voor email-contact een 6,9 en voor telefonisch contact een 8,1.

81. Kunt u het aantal vragen van consumenten die bij de ACM binnenkomen naar categorie uitsplitsen?

Antwoord

Categorie

 

Ondeugdelijk product/dienst

25%

Werving en verkoopmethoden

21%

Beëindiging

15%

Rekening

10%

Levering

9%

Voorwaarden

5%

Prijzen en tarieven

4%

Betaling

3%

Informatie over regels en bedrijven (wetgeving en procedures)

2%

Informatieverplichting

2%

Mededinging

2%

Informatie over ConsuWijzer of ACM

1%

Privacy

1%

Bestelling

1%

82. Hoe groot is de flexibiliteit van het CBS om statistieken die niet in het werkprogramma zijn opgenomen bij te houden? Welke statistische reeksen gaan in de komende jaren niet meer worden bijgehouden en wat zijn daarvan de gevolgen, bijvoorbeeld voor de Monitor Duurzame Welvaart?

Antwoord

Het CBS heeft een basisprogramma dat wordt gefinancierd vanuit de EZ-begroting. Binnen dit financiële kader heeft het CBS geen ruimte om extra statistieken op te nemen. Wanneer de vraag naar statistieken verandert en daarmee bepaalde statistieken in belang toenemen c.q. afnemen, dan is er uiteraard wel enige ruimte om veranderingen aan te brengen binnen het statistisch basisprogramma. Om adequaat in te kunnen spelen op de groeiende vraag naar statistieken levert het CBS op aanvraag statistische informatie, indien de daaraan verbonden kosten vergoed worden.

In 2018 zijn geen verminderingen in het statistiekprogramma voorzien. Op dit moment stelt de DG CBS het strategisch meerjarenplan op voor de periode 2019–2023. Hierin bepaalt de DG CBS ook het statistische programma voor de periode vanaf 2019. Ik verwacht dat de DG CBS het meerjarenprogramma uiterlijk begin volgend jaar zal vaststellen en openbaar maken.

83. Hoe groot was het aantal storingen van TenderNed in 2016, hoe groot was het aantal storingen dat langer dan een dagdeel duurde en hoe lang was de totale storingsgduur?

Antwoord

In 2016 werd TenderNed getroffen door 29 storingen met een totale storingsduur van 21 dagen 13 uur en 16 minuten. In dit cijfer is ook een storing meegerekend van eind maart tot midden april die in totaal 18 dagen, 22 uur en 45 minuten duurde. Tijdens deze storing ontvingen sommige gebruikers een foutmelding bij het uploaden van een document. TenderNed was op deze dagen wel beschikbaar. Als deze storing niet wordt meegerekend is de storingsduur 62 uren en 31 minuten (2 dagen 14 uren en 31 minuten).

In 2016 is TenderNed getroffen door 9 storingen die langer duurde dan een dagdeel. Hier wordt uitgegaan van een dagdeel van 3 aaneengesloten uren.

84. Hoe hoog is de gemiddelde prijs van het versturen van een brief per 72-uurspost op de zakelijke markt?

Antwoord

Volgens de Post- en pakketmonitor van ACM 2016 schommelde de gemiddelde omzet per stuk voor de niet-tijdkritische post, waaronder de 72-uurspost, de afgelopen vijf jaar tussen de € 0,23 en € 0,24. Dit omvat de omzet uit alle verschillende soorten productsoorten (variërend in oplage, vorm, gewicht, verspreiding) binnen de niet-tijdkritische markt. De gemiddelde prijs voor een specifieke soort brief kan hierdoor niet exact worden gegeven, onder andere vanwege de bedrijfsgevoelige aard van de informatie.

85. Hoe groot is het aantal mededingingszaken dat in 2016 door de ACM werd onderzocht, hoe groot was het aantal mededingingsuitspraken dat werd aangevochten en hoeveel zaken werden door de ACM niet in behandeling genomen wegens voorziene juridische procedures?

Antwoord

In 2016 zijn 12 mededingingsonderzoeken gestart en zijn er 17 afgerond. Daarnaast heeft de ACM in 2016 19 onderzoeken onder de Wet Markt en Overheid uitgevoerd en 100 besluiten genomen bij de controle op fusies, overnames en joint ventures. Voorziene juridische procedures zijn op zichzelf nooit een reden om een klacht of signaal niet in onderzoek te nemen. Wel is het zo dat de afweging over juridische haalbaarheid in de totaalafweging een rol speelt. Als er bijvoorbeeld na onderzoek de bewijspositie in een zaak zwak blijkt dan kan dat reden zijn om de zaak niet door te zetten. Over de aantallen zaken waarin juridische haalbaarheid een onderdeel was van de totaalafweging om de zaak niet verder in behandeling te nemen, zijn geen cijfers beschikbaar. In 2016 zijn er totaal 43 zaken op het gebied van mededinging in (hoger) beroep afgerond.

86. Hoe groot is het aantal medewerkers dat nu in de postsector werkt, hoe groot is de gemiddelde werkweek in de postsector, hoeveel van deze mensen werkt in een fulltime betrekking, hoeveel bedrijven voldoen nu niet aan de 80%-norm en hoe groot is hun aantal medewerkers?

Antwoord

Volgens CBS Statline werken er in 2016 60.000 mensen in de post- en koeriersector3. Deze statistiek omvat nationale en lokale postdiensten en koeriersbedrijven. Van deze 60.000 banen zijn er 15.000 in voltijd. Omgerekend naar arbeidsjaren (fte) zijn dit er 31.000. Dit betekent dat een gemiddelde werkweek dus minder dan 20 uur behelst.

Toegespitst naar postdiensten blijkt uit de post- en pakkettenmonitor 2016 van de ACM dat er ongeveer 43.000 postbezorgers zijn. De deeltijdfactor verschilt per bedrijf, maar naar verwachting zal ook de gemiddelde werkweek specifiek voor postbezorgers minder dan 20 uur zijn. De ACM onderzoekt naar aanleiding van een drietal verzoeken van vakbonden om handhavend op te treden zodat bedrijven voldoen aan de 80%-norm zoals vastgelegd in het Tijdelijk besluit postbezorgers 2011. Gedurende dit onderzoek kan ik daar geen uitspraken over doen.

87. Er wordt aangegeven dat de Nota Mobiele Communicatie investeringszekerheid biedt aan marktpartijen en nieuwkomers. Wordt met het verschijnen van de Nota Mobiele Communicatie direct een juridische status gecreëerd of worden er onomkeerbare stappen gezet?

Antwoord

De Nota Mobiele Communicatie is een beleidsbrief die aan de Tweede Kamer zal worden toegezonden. Ze creëert geen juridische status, noch worden er onomkeerbare stappen mee gezet. Wel vormen de maatregelen en uitgangspunten uit de Nota Mobiele Communicatie de basis voor regelgeving waarmee in de komende jaren uitvoering wordt gegeven aan deze beleidsbrief. Bijvoorbeeld in ministeriële regelingen op grond waarvan frequentieverdelingen gaan plaatsvinden, als ook frequentievergunningen. Deze creëren vervolgens wel een juridische status. Een belangrijk doel van de Nota Mobiele Communicatie is zoals in de vraag beschreven het bieden van investeringszekerheid, als ook voorspelbaarheid van beleid. Om dit te bereiken is het onwenselijk dat pas bij publicatie van de verdeelregelingen en vergunningen eventuele aanpassing van het beleid uit de Nota Mobiele Communicatie plaatsvindt.

88. Wat is de actuele beurswaarde van PostNL? Hoe groot is de solvabiliteit? Levert deze solvabiliteit risico's op voor de continuïteit van de UPD?

Antwoord

Op 4 oktober 2017 was de beurswaarde van PostNL € 1,655 miljard. De solvabiliteitspositie van PostNL is negatief omdat het bedrijf een negatief eigen vermogen heeft (op basis van de meest recente kwartaalcijfers). De solvabiliteitsratio alleen geeft geen compleet beeld van de financiële situatie van het bedrijf. Zo heeft PostNL een ruime cash positie, stijgt het eigen vermogen al langere tijd richting een positieve waarde en heeft het bedrijf een kredietbeoordeling van BBB+ door Standard & Poor’s en Baa2 door Moody’s. Dit is vergelijkbaar met de waardering van andere Europese postbedrijven.

Ik zie gelet op de financiële situatie van de UPD-verlener op dit moment geen reden om te twijfelen aan de continuïteit van de universele dienstverlening door PostNL. Zoals eerder aangekondigd in de brief aan uw Kamer van 23 december 2016 (Kamerstuk 29 502, nr. 135) en in reactie op de motie Vos over het borgen van de UPD bij buitenlandse overnames (Kamerstuk 29 502, nr. 131) werk ik aan aanvullende borging van deze continuïteit en financiële stabiliteit middels een wetsvoorstel waarin eisen worden gesteld aan de kredietwaardigheid van de UPD-verlener.

89. Kunt u een overzicht geven van hoe de postsectoren in andere landen zijn ingericht en daarbij in ieder geval per land ingaan op de vraag of er sprake is van staatspostbedrijven en/of liberalisering van de postsector?

Antwoord

In augustus 2013 heeft de Europese Commissie een onderzoek laten uitvoeren naar de opening van de postmarkt in de verschillende lidstaten. Hieronder treft u de tabel uit dat onderzoek waarbij de gegevens door mij zijn geactualiseerd tot oktober 2017 met betrekking tot overheidseigendom.

Land

UPD-verlener

Overheids-eigendom (%)

Concurrentie *1

AT

Österreichische Post AG (Austria Post)

52,8

<5%

BE

bpost (Belgian Post Group)

50

<5%

BG

Български пощи (Bulgarian Post)

100

Ja

CY

Κυπριακά Ταχυδρομεία (Cyprus Post)

100

<5%

CZ

Česká pošta s.p. (Czech Post)

100

<5%

DE

Deutsche Post AG [niet aangewezen als UPD-verlener]

20,9

Ja

DK

Post Danmark A/S

100

<5%

EE

AS Eesti Post (Estonian Post)

100

<5%

EL

Ελληνικά Ταχυδρομεία / EΛTA (Hellenic Post / ELTA)

90

<5%

ES

Sociedad Estatal Correos y Telégrafos, S.A.

100

Ja

FI

Itella Mail Communications / Itella Posti Oy

100

<5%

FR

La Poste (France)

100

<5%

HR

Hrvatska pošta (Croatian Post)

100

Ja

HU

Magyar Posta Zrt. (Hungarian Post Limited)

100

<5%

IE

An Post

100

<5%

IT

Poste Italiane S.p.A.

64,7

Ja

LT

Lietuvos paštas (Lithuanian Post)

100

<5%

LU

POST Luxembourg

100

<5%

LV

VAD Latvijas Pasts

100

<5%

MT

MaltaPost Plc.

0

<5%

NL

PostNL

0

Ja

PL

Poczta Polska SA (Polish Post)

100

Ja

PT

CTT – Correios de Portugal, S.A. (CTT)

0

<5%

RO

Poșta Română C.N.(National Company Romanian Post)

75

Ja

SE

Posten AB

100

Ja

SI

Pošta Slovenije d.o.o.

100

Ja

SK

Slovenská pošta, a.s., Banská Bystrica

100

<5%

UK

Royal Mail Group Ltd

0

<5%

IS

Íslandspóstur (Iceland Post)

100

<5%

LI

LIechtensteinische Post AG

100

<5%

NO

Posten Norge AS (Norway Post)

100

<5%

CH

Swiss Post

100

<5%

Tabel is gebaseerd op informatie uit: WIK (in opdracht van de EU Commissie) «Main developments in the postal sector 2010–2013», augustus 2013.

X Noot
1

De mate en vormen van concurrentie en de invulling van de UPD verschillen per land.

«Ja» houdt in dat in het land één of meerdere bedrijven met de UPD-verlener kunnen concurreren en de UPD-verlener minder dan 95% marktaandeel heeft.

«<5%» houdt in dat het marktaandeel van de UPD-verlener groter dan 95% is.

90. Kunt u een overzicht geven van hoe de postsectoren in andere landen zijn ingericht en daarbij in ieder geval per land ingaan op de vraag of er sprake is van staatspostbedrijven en/of liberalisering van de postsector?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 89.

91. Hoe verhoudt de loonontwikkeling in de Nederlandse postsector in de afgelopen 10 jaar zich tegen de prijsontwikkeling in diezelfde periode?

Antwoord

Volgens CBS Statline4 zijn de lonen in de post- en koeriersector per gewerkt uur gestegen van € 18,80 in 2006 naar € 20,70 in 2016. Dit is een stijging van ongeveer 10%.

Er is voor de postsector geen betrouwbare cijferreeks over de laatste tien jaar met de gemiddelde prijsontwikkeling in de gehele markt (zakelijke en consumentenpost). Wel kan uit de cijfers van CBS Statline worden afgeleid dat de consumentenprijs voor post- en pakketdiensten5 in de afgelopen tien jaar is gestegen met 81%. De consumentenmarkt is echter minder dan 10% van de totale markt, de werknemers in de postsector verzorgen zowel consumenten- als zakelijke post.

Omdat de zakelijke markt veruit het grootste deel van de markt betreft, zal de gemiddelde prijsontwikkeling in de totale postmarkt meer gedreven zijn door de gemiddelde prijsontwikkeling in het zakelijke segment dan in het consumentensegment. De prijsontwikkeling in het zakelijke segment is echter moeilijker te achterhalen, aangezien het veelal om bedrijfsvertrouwelijke cijfers gaat. Uit de meest recente post- en pakkettenmonitor van de ACM (2016)6 blijkt dat de gemiddelde omzet per stuk is gestegen van € 0,33 in 2012 naar € 0,37 in 2016, een stijging van ongeveer 12%.

Tot slot blijkt uit het meest recente onderzoek van Wik-consult naar de Nederlandse postmarkt dat de totale omzet in de gezamenlijke consumenten- en zakelijke markt sinds 2010 met meer dan 20% is afgenomen7.

92. Kunt u een Herfindahl-Hirschmann Indexcijfer geven van de postsector over de periode sinds de liberalisering van de postsector? Zo nee, waarom niet?

Antwoord

In opdracht van ACM (destijds OPTA) heeft RBB Economics in een rapport van maart 2007 (Monitor Postmarkt 2006) de Herfindahl-Hirschmann Index (HHI) van de totale postmarkt gesteld op rond de 7.800. De Nederlandse postmarkt is met de inwerkingtreding van de Postwet 2009 volledig geliberaliseerd.

Uit de openbare versie van de meest recente post- en pakketmonitor van de ACM (monitor 2016) kan de HHI voor de postsector worden herleid. Voor consumentenpost heeft PostNL een marktaandeel van praktisch 100% en zal de HHI voor dat marktsegment de 10.000 benaderen. Voor zakelijke post komt de HHI op basis van de door ACM gerapporteerde marktaandelen uit tussen de 5.740 en 6.650.

93. Welke stappen zullen moeten worden ondernomen om de penetratiegraad van digitale radioontvangers in huishoudens in 2022 op de streefwaarde 35% te krijgen?

Antwoord

Het Ministerie van EZ ondersteunt de Nederlandse radiosector n in de transitie van analoge naar digitale radio. In dit kader zijn dit jaar de vergunningen voor analoge radio verlengd. De omroepen op hun beurt investeren in de verdere ontwikkeling van digitale radio. In zogenaamde digitaliseringsplannen hebben de omroepen aangeven hoe zij hier uitvoering aan zullen geven. Hier vallen bijvoorbeeld netwerkverbeteringen, samenwerking met de retailsector en de auto-industrie en bepaalde marketinginspanningen onder. Tijdens de onlangs gehouden Week van de Digitale Radio zijn nieuwe cijfers bekendgemaakt over de ontwikkeling van DAB+. Het gebruik van DAB+ is sinds 2015 verdrievoudigd naar inmiddels 13%. Dat betekent dat op dit moment ruim twee miljoen mensen radioluisteren via DAB+.

94. De uitrol van digitale radio (DAB) is gekoppeld aan de veiling van FM-frequenties. Is hier gestructureerd overleg met de betrokken partijen over? Wat zijn de uitkomsten hiervan? Zijn er mogelijkheden om het proces te versnellen?

Antwoord

Ik heb over de uitgifte van vergunningen voor analoge FM en digitale DAB+ frequenties geregeld overleg met betrokken partijen. Ik zie het overleg met de markt als belangrijke input voor de vorming van het uitgiftebeleid. Zo zijn er op dit moment gesprekken gaande over de uitgifte van digitale laag 7. Daarnaast betrek ik de markt bij de totstandkoming van de aangekondigde Nota omroepdistributie. Deze nota zal onder meer het beleidskader gaan vormen voor de toekomstige bestemming en verdeling van frequenties voor omroeptoepassingen.

95. Hoe wordt de motie Paternotte (Kamerstuk 21 501-30, nr. 414) over zonder excessieve kosten bellen binnen de interne telecommarkt, verwerkt met het oog op de herziening van het Europese telecomkader?

Antwoord

Het reguleren van de tarieven voor internationaal bellen is inmiddels onderdeel van de positie van het Europees parlement ten aanzien van de lopende herziening van het Europees telecomkader. Deze wens van het Europees parlement zal een rol gaan spelen in de onderhandelingen tussen de Raad, het Europees parlement en de Europese Commissie, die naar verwachting in de loop van oktober van start gaan. Een separaat voorstel van de Europese Commissie, waarover de motie spreekt, is daarom niet meer aan de orde. Het voorzitterschap zal regelmatig aan lidstaten terugkoppelen hoe de onderhandelingen verlopen en vragen naar het standpunt van lidstaten ten aanzien van het te bereiken compromis. Nederland zal daarbij aandacht vragen voor het tegengaan van excessieve kosten van internationaal bellen, in lijn met de motie Paternotte.

96. Kunt u de post Onderzoek en Opdrachten nader uitsplitsen?

Antwoord

De post Onderzoek en Opdrachten is als volgt samengesteld; € 0,27 miljoen voor Strategisch Kennis, Algemene Economisch politiek € 1,0 miljoen, Europese en internationale zaken € 0,15 miljoen en Mededinging en Consument € 0,6 miljoen, in totaal € 2,0 miljoen. De budgetten kennen geen onderverdeling tussen organisatie- en opdracht budget.

97. Over de contributies aan (inter)nationale organisaties zijn meerjarige afspraken gemaakt en zijn de bedragen voor 38% juridisch verplicht. Zou een overzicht kunnen worden gegeven van de hoogte van de bedragen die vallen onder de 62% niet-juridische verplichting en hoe deze bedragen precies zijn verdeeld?

Antwoord

Het budget bedraagt in totaal € 3,7 miljoen, waarvan 62% niet-juridisch verplicht (€ 2,3 miljoen). Dit betreft een groot deel van het budget voor bijdragen aan internationale organisaties die weliswaar niet juridisch verplicht zijn, maar wel bestuurlijk verplicht zijn door aangegane internationale afspraken. Dit bedrag is verdeeld in bijdragen aan: de International Telecommunication Union (ITU) (€ 1,4 miljoen), The European Telecommunications Standards Institute (ETSI) (€ 0,18 miljoen), International Bureau of Weights and Measures (BIPM) (€ 0,21 miljoen) en de European Communications Office (ECO) (€ 0,130 miljoen, dit is het kantoor dat het Electronic Communications Committee van de European Conference of Postal and Telecommunications Administrations (CEPT-ECC)).

98. Welke andere organisaties zorgen voor High Trust-ontvangsten?

Antwoord

Naast de Autoriteit Consument en Markt zorgt ook Agentschap Telecom voor High Trust-ontvangsten.

99. Welk bedrag is Agentschap Telecom jaarlijks kwijt aan helikoptermetingen?

Antwoord

Agentschap Telecom zet helikoptermetingen in indien daar een concrete aanleiding voor is binnen het geformuleerde toezichtkader. Daarom worden er niet elk jaar met behulp van een helikopter metingen verricht. Deze vluchten zijn meer uitzondering dan regel.

De kosten van de metingen per individuele zender bedragen gemiddeld € 2.300,– per vergunning, ervan uitgaande dat meerdere vergunningen per vlucht kunnen worden gemeten. Veelal is dat het geval omdat er meerdere vergunninghouders van een hoog opstelpunt gebruik maken. De jaarlijkse kosten voor helikoptermetingen kunnen liggen tussen € 0,– en € 15.000,–.

100. Welk deel van het werkprogramma van het CBS is niet Europees verplicht?

Antwoord

5% van het werkprogramma is niet Europees verplicht.

101. Op welke wijze worden de apparaatsuitgaven in de hand gehouden? Hoe wordt er voor gezorgd dat het toezicht efficiënt en effectief is? Hoe wordt er voor gezorgd dat de toename in de kosten qua doorbelasting naar marktorganisaties beperkt blijft?

De apparaatsuitgaven van de ACM worden gedaan binnen het beschikbare apparaatsbudget. Het toegekende budget vormt de begrenzing van de totale uitgaven van de ACM. Bij het uitoefenen van haar toezichtstaken kiest de ACM in termen van efficiency en effectiviteit voor een optimale aanwending van dat budget. Dit is bij de evaluatie van ACM in 2014–2015 bevestigd door een extern onderzoek van Bureau Kwink. In haar jaarverslag legt de ACM verantwoording af over de uitgaven.

Slechts een deel van de kosten die samenhangen met het toezicht van de ACM op naleving van wet- en regelgeving wordt doorberekend aan marktorganisaties. De mogelijkheden voor doorberekening aan de markt worden beperkt door de Instellingswet ACM en het Besluit doorberekening kosten ACM. Op basis van de jaarcijfers van de ACM over de afgelopen jaren, die gehanteerd worden om de concrete bedragen voor doorberekening vast te stellen, is ongeveer een kwart van de toezichtskosten door de markt en drie kwart door het Rijk gefinancierd.

102. Welke maatregelen bevatten de begrotingen voor 2018 om ervoor te zorgen dat in 2020 2,5% van het bbp aan R&D wordt besteed? Hoeveel procent van het bbp werd in 2016 aan R&D besteed?

Antwoord

Het bedrijvenbeleid, bestaande uit generiek beleid en topsectorenbeleid, draagt via een versterking van het ondernemingsklimaat en via gerichte stimulering van R&D bij aan gunstige voorwaarden voor R&D bij bedrijven. In de begroting van EZ voor 2018 is op blz. 32–34 een «Overzichtstabel bedrijfslevenbeleid en topsectoren» opgenomen waarin de financiële middelen van diverse departementen zijn weergegeven voor dit beleid. In de Beleidsagenda van de begroting zijn op blz. 8–11 beleidsontwikkelingen beschreven die erop gericht zijn om vernieuwing maximaal de ruimte te geven, onder andere via een focus van het topsectorenbeleid op maatschappelijke uitdagingen en sleuteltechnologieën, via het opzetten van Invest-NL als Nederlandse financierings- en ontwikkelingsinstelling en door het werken aan betere regelgeving die ruimte biedt voor innovatie in sectoren met belangrijke vernieuwingsopgaven.

Het realiseren van de doelstelling van 2,5% van het bbp voor de R&D-uitgaven in 2020 is een grote uitdaging. Het realiseren van die doelstelling is nog niet behaald, o.a. door achterblijvende private investeringen. Wel is er afgelopen jaren vordering bereikt gezien de toename van de R&D-uitgaven van 1,90% van het bbp in 2011 naar 2,02% van het bbp in 2015. In de brief in reactie op de motie van het lid Agnes Mulder (CDA) zijn wegen beschreven waarlangs de komende jaren belangrijke bijdragen geleverd kunnen worden aan een verdere verhoging van de R&D-uitgaven (Kamerstuk 33 009, nr. 40). Het versterken van het R&D-vestigingsklimaat en versterking van de hefboomwerking van publieke middelen richting extra private R&D zijn hierbij hoofdelementen.

Het is nog niet bekend hoeveel procent van het bbp in 2016 aan R&D werd besteed. Het CBS publiceert later deze maand (oktober 2017) voorlopige R&D-cijfers over 2016.

103. Welk deel van de 2,02% bestaat uit overheidsuitgaven aan innovatie en hoe hoog zou dit moeten zijn volgens de ambities van de regering? Hoe zit dit bij de particuliere sector, uitgesplitst naar groot-, midden- en kleinbedrijf?

Antwoord

De R&D-uitgaven kunnen worden uitgesplitst naar uitvoerders en financieringsbronnen. Van de totale R&D-uitgaven ten bedrage van 2,02% van het bbp in 2015 is 1,13% van het bbp uitgevoerd in de private sector en 0,89% van het bbp in de publieke sector. Verschillen met financiering van R&D door respectievelijk de private sector en de publieke sector worden veroorzaakt door R&D-middelen die de overheid aan bedrijven verstrekt in de vorm van onder andere subsidies en fiscale R&D-faciliteiten en door medefinanciering door bedrijven van publiek onderzoek. Met behulp van CBS-cijfers en WBSO/RDA-gegevens is berekend dat de totale R&D-uitgaven in 2015 voor 46% uit overheidsfinanciering hebben bestaan en dus voor 54% uit private middelen. Bij de R&D-uitgaven in de private sector is het aandeel van overheidsfinanciering 17%, waarvan driekwart WBSO/RDA.

Cijfers over de overheidsfinanciering van R&D-uitgaven in de private sector uitgesplitst naar grootteklassen zijn beschikbaar in R&D-financieringsdata van de OECD, waarbij momenteel 2014 het meest recente jaar is. Door deze OECD-data te combineren met WBSO/RDA-gegevens zijn cijfers per grootteklasse berekend voor het jaar 2014. Voor bedrijven met minder dan 50 werkzame personen bedraagt het aandeel overheidsfinanciering 39%, voor bedrijven met tussen de 50 en 250 werkzame personen 15% en voor bedrijven met 250 of meer werkzame personen 11%. Dit grote verschil in percentages is het gevolg van het feit dat de WBSO relatief sterk in het voordeel werkt van kleinere R&D-verrichtende bedrijven.

Er zijn geen ambities geformuleerd voor het aandeel van overheidsfinanciering in de totale R&D-uitgaven en ook niet voor dat aandeel in de R&D-uitgaven in de private sector.

104. Het Ministerie van Economische Zaken stimuleert in algemene zin het ondernemerschap in Nederland. Op welke concrete manieren wordt het stimuleren van ondernemersvaardigheden uitgevoerd?

Antwoord

De Kamer van Koophandel biedt namens het Ministerie van Economische Zaken eerstelijns informatie over ondernemersvaardigheden via het ondernemersplein en bijvoorbeeld via de KvK Online Ondernemers Campus op de website van de KvK. Dit laatste is een mix tussen een e-learning en een sociaal platform rondom verschillende thema’s. Ondernemers kunnen zich zo aan elkaar spiegelen en van elkaar leren.

Daarnaast voert de Kamer van Koophandel samen met NLevator voor het Ministerie van Economische Zaken het driejarige programma NLGroeit uit. Het doel is om ondernemers met minimaal € 1 miljoen omzet in contact te brengen met mentoren over hun groeivragen. Elke ondernemer vult eerst de Groeitest in. In anderhalf jaar zijn er bijna 300 matches tussen ondernemers en mentoren, daarnaast zijn er 350 ondernemers gematcht met een mentor in peer-peer sessies. Daarnaast biedt Qredits microfinanciering Nederland naast kredieten tot 250.000 euro ook coaching- en begeleiding aan startende en kleine ondernemers. Het betreft zowel online tools (e-learnings) als individuele coachingsgesprekken (met vrijwillige coaches). Het coachingsprogramma is mede gerealiseerd met een investeringssubsidie van EZ (tot 2014).

EZ stimuleert verder met impulsgeld het Valorisatieprogramma 2010–2018 voor benutting van kennis vanuit de Universiteiten en Hogescholen. Via het Valorisatieprogramma wordt een krachtige impuls aan regionale initiatieven gegeven voor de introductie en het uitbouwen van het ondernemerschapsonderwijs. Doel is het stimuleren van een ondernemende cultuur en houding binnen de kennisinstelling en tussen samenwerkende kennisinstellingen. Het programma subsidieert voorstellen van regionale consortia bij het ontwikkelen van ondernemerschapsonderwijs (bachelor, master en PhD), scholing van docenten in ondernemerschapsonderwijs, onderzoek naar ondernemerschapsonderwijs en specifieke activiteiten gericht op samenwerking tussen studenten en bedrijven. Via het Valorisatieprogramma zijn meer dan 150.000 studenten bereikt. Om dit proces van inspireren, informeren en opleiden te versterken heeft EZ samen met OCW (financiële) ondersteuning geboden voor de oprichting en ontwikkeling van DutchCE, een parapluorganisatie voor de Nederlandse Centers for Entrepreneurship en Centra voor Ondernemerschap. Dit centrum zet in op krachten- en kennisbundeling, inspiratie en onderzoek, internationalisering en afstemming en coördinatie. Ook steunt EZ het Nederlands Lectoren Platform Ondernemerschap (NLPO) bij hun onderzoek naar een effectievere samenwerking tussen mkb en hbo.

Daarnaast zijn er nog initiatieven waarbij Startupdelta betrokken is, zoals een online cursus van de vier Technische Universiteiten over ondernemerschap om studenten aan te moedigen en te ondersteunen om hun innovatieve technologische ideeën in te zetten om een eigen bedrijf te starten. Ook relevant is het convenant tussen Vereniging Hogescholen en StartupDelta dat in september jl. is gesloten en dat gericht is op het stimuleren van ondernemerschap binnen het hoger onderwijs (o.a. pilot entrepreneurial master en Startup24, een 24 uurs event voor eerste en tweedejaars studenten gericht op ondernemerschapsbevordering).

105. Op welke wijze wordt, naast innovatiegericht inkopen, ook verantwoord inkopen door overheden bevorderd?

Antwoord

Naast innovatiegericht inkopen zijn er nog zes thema's relevant voor maatschappelijk verantwoord inkopen namelijk: internationale sociale voorwaarden, social return, milieuvriendelijk inkopen, biobased inkopen, circulair inkopen en kansen voor het mkb.

Met het Plan van Aanpak Maatschappelijk Verantwoord Inkopen 2015 – 2020 heeft het Rijk (met name de ministeries van IenM, EZ, BZK, Buitenlandse Zaken en Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)) een heel scala aan activiteiten ontplooid. Deze zijn onder meer gericht op professionalisering, stimulering van ambities en Europese samenwerking. Concrete voorbeelden zijn: kennisverbreding en brede ondersteuning door PIANOo, het oprichten van Communities of Practice, de leergang Circulair Inkopen Academy, de expertpool, het Manifest MVI, de milieucriteriadocumenten en de Koopwijsprijs.

Op dit moment wordt ook gewerkt aan een nieuwe systematiek van benchmarking en monitoring. Doel hiervan is om beter inzicht te geven in het aantal maatschappelijk verantwoorde inkopen door overheden en in de bereikte effecten. Over de benchmark heb ik u eerder per brief geïnformeerd (Kamerstuk 26 485, nr. 249).

106. Hoe wordt «een adequaat stelsel van intellectueel eigendom» ingericht en hoe verhouden de taken van de Minister zich tot die van zijn collega's bij bijvoorbeeld Veiligheid en Justitie?

Antwoord

Een adequaat stelsel van «intellectueel eigendom» is een van de instrumenten waarmee de overheid bedrijven in staat stelt concurrerend, innovatief en duurzaam te opereren. Belangrijk daarbij is dat er een evenwicht bestaat tussen enerzijds het beschermen van prestaties, waarmee bedrijven tot innovaties worden gestimuleerd en anderzijds het verspreiden en delen van in intellectuele eigendomsrechten neergelegde kennis, waarmee vervolginnovaties en een gezonde concurrentie worden bevorderd. De daarvoor beschikbare – grotendeels op mondiale en Europese afspraken gebaseerde – wettelijke instrumenten zijn voldoende adequaat om dit beleidsdoel te realiseren.

De Minister van Economische Zaken is in dit verband verantwoordelijk voor de Rijksoctrooiwet 1995, de zaaizaad- en Plantgoedwet 2005, en de wetgeving die in Benelux- verband is ontwikkeld met betrekking tot het merken- en modellenrecht. De Minister van Veiligheid en Justitie is verantwoordelijk voor de Auteurswet, de Wet op de naburige rechten, de Databankenwet en de wet bescherming oorspronkelijke topografieën van halfgeleiderproducten. Vanuit die bevoegdheidsverdeling werken de betrokken ministeries nauw samen bij het ontwikkelen en implementeren van het intellectuele eigendomsbeleid.

Voorts is van belang het mededingingsrecht en een efficiënt stelsel van handhaving en rechtspraak.

107. Hoeveel technici zijn in 2016 afgestudeerd, uitgesplitst naar opleidingsniveau? Hoe verhoudt dit zich tot de investeringen in die verschillende opleidingsniveaus?

Antwoord

Op 26 juni jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de jaarlijkse voortgang en de monitor van het Techniekpact. De jaarlijkse voortgangsrapportage beschrijft de ontwikkeling en geboekte voortgang op de twaalf doelen van het Techniekpact. De rapportage monitor (ook te vinden op www.techniekpactmonitor.nl) laten zien dat de inspanningen van de landelijke en regionale partners vruchten afwerpt.

In het mbo behaalden 42.920 bèta-technische studenten hun diploma in 2015/2016. In totaal behaalden 12.890 bètatechnici in het hbo hun diploma in datzelfde collegejaar. Voor de universiteiten was dit aantal 10.213.

Afgaande op de toenemende instroom in het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs zullen de aantallen afgestudeerde bètatechnici verder toenemen. De instroom van studenten in de bètatechniek nam tussen 2013/2014 en 2016/2017 toe met 2 procentpunt in het wo (nu 36%), 4 procentpunt in het hbo (nu 25%) en 3 procentpunt in het mbo (nu 32%).

Het Ministerie van Economische Zaken investeert niet in specifieke bèta-technische opleidingsniveaus. De inzet van het Ministerie van Economische Zaken met betrekking tot betatechnisch onderwijs is vooral in natura via het programma Techniekpact, een «doe-pact», met concrete acties, en met de nadruk op regionale aanpak. Op landelijk niveau investeert het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bijvoorbeeld via het Regionaal Investeringsfonds mbo.

108. Hoe worden via de verschillende bestaande Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO)-convenanten de IMVO-risico's verminderd, daarbij de status en omvang van de convenanten in acht nemende?

Antwoord

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de recente brief van 28 september 2017, waarin de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingaat op de voortgang van de verschillende IMVO-convenanten.

109. Hoe worden de vele sectoren zonder IMVO-convenant geholpen bij het identificeren, voorkomen en verminderen van IMVO-risico's?

Antwoord

Voor het convenantentraject vormen de KPMG sectorrisico analyse en het SER advies uit 2014 het uitgangspunt aangezien deze zich richten op die bedrijfssectoren waar de grootste IMVO risico’s zijn gesignaleerd (Zie kabinetsreactie op het eindrapport MVO Sector Risico Analyse, Kamerstuk 26 485, nr. 197, 19 november 2014).

Bedrijven in sectoren die daar niet onder vallen kunnen voor het identificeren, voorkomen en verminderen van IMVO risico’s gebruik maken van de uitgebreide informatie, diverse concrete tools zoals de risicochecker en MVO steps en de helpdesk van MVO Nederland, die mede door de overheid wordt gefinancierd. De sectoren ontvangen verder geen actieve ondersteuning van overheidswege maar kunnen zelf in lijn met de richtlijnen van de OESO initiatieven ontplooien om eventuele IMVO gerelateerde risico’s te adresseren. Zij kunnen daarbij gebruik maken van de ervaringen die in de verschillende convenanten trajecten zijn opgedaan. MVO Nederland, RVO.nl en het Nationaal Contactpunt (NCP) geven voorlichting over de implementatie van de OESO-richtlijnen.

110. Welke alternatieve financieringsvormen zijn in Nederland actief, wat is hun omvang en relevantie ten opzichte van traditionele financieringsvormen?

Antwoord

In Nederland zijn er veel verschillende aanbieders van alternatieve financiering. Zo zijn er (online)platforms die bemiddelen tussen geldvrager en geldbieder (crowdfunding). Ook zijn er fondsen (zowel risicokapitaal als vreemd vermogen) die financieren vanuit eigen balans dan wel met extern vermogen van bijvoorbeeld pensioenfondsen. Te denken valt bijvoorbeeld aan kredietunies, mezzanine en (achtergestelde) leningenfondsen. Tot slot zijn er meer gevestigde vormen van alternatieve financieringsvormen met wel al een behoorlijke omvang, zoals leasing en factoring. De aard, omvang en relevantie ten opzichte van traditionele financieringsvormen zoals bankfinanciering is niet eenduidig weer te geven. De markt is relatief jong en beperkt in omvang vergeleken met bancaire financiering, maar heeft mede gedreven door fintech-toepassingen veel potentieel. Ook kunnen alternatieve financieringsvormen door de mogelijkheid tot stapeling met andere financieringsvormen een belangrijke complementaire functie hebben, ondanks dat de omvang vaak bescheiden is. In de meest recente Panteia Financieringsmonitor, die uw Kamer op 13 oktober jl. ontving (Kamerstuk 32 637, nr. 294), blijkt dat 55% van de microbedrijven (tot tien werkzame personen) met een financieringsbehoefte in het komende jaar, aangeeft dit te willen doen bij een alternatieve financier. Meer bedrijven zien kansen in alternatieve financiering, al vertaalt dit zich in de financieringsmonitor vooralsnog niet in een stijging van de financieringsaanvragen bij alternatieve financiers.

111. Op welke wijze gaat het Franse «Devoir de vigilance des entreprises donneuses d'ordre» een bijdrage leveren aan het afdwingen van verantwoord ondernemen bij Franse ondernemingen? Welke verschillen zijn er tussen deze wet en de convenantenaanpak?

Antwoord

Ik verwijs u naar de brief van 28 september 2017, waar de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ingaat op de voortgang van de IMVO-convenanten en IMVO-wetgeving andere landen. Met betrekking tot het laatste onderwerp loopt op dit moment een onderzoek waarvan de resultaten eind 2017 worden verwacht. Hierover zal uw Kamer worden geïnformeerd.

112. Aangegeven wordt dat ondernemers gebruik kunnen maken van diverse soorten ondersteuning, zowel financieel als inhoudelijk. In hoeverre geeft het Ministerie van Economische Zaken ondersteuning aan ondernemers die aanspraak willen maken op Europese ondersteuningsfondsen en hoe verhoudt dit zich tot de recente aankondiging van het Europees Investeringsfonds (EIF)?

Antwoord

KvK en RVO.nl helpen ondernemers die zaken gaan doen in Europa met het Enterprise Europe Network. KvK beantwoordt daarnaast vragen van ondernemers over financieringsmogelijkheden, ook Europees, via haar Financieringsdesk en organiseert bijeenkomsten over internationaal ondernemen. RVO.nl biedt bedrijven instrumenten bij financiering van onderzoek en innovatie via het programma Horizon2020.Het Nederlands Investering Agentschap (NIA) helpt ondernemingen bij de toegang tot financiering, in het bijzonder in de risicovolle fases als de markt alleen het nog niet oppakt. NIA biedt ondersteuning bij toegang tot financiering door banken, waaronder de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF). Per 1 januari 2018 zal Invest-NL i.o., waar het NIA in op zal gaan, ondernemers hierbij helpen. Het recent door het EIF aangekondigde Dutch Growth Co-Investment Programme is ook door het EIF in samenwerking met het NIA opgezet.

113. Welk deel van de aangekondigde 2,5 miljard euro grote kapitaalstorting is afkomstig van de reeds bestaande financieringsinstrumenten die overgaan naar Invest-NL? Welk bedrag kan daadwerkelijk als nieuwe investering worden aangemerkt?

Antwoord

De kapitaalstorting van € 2,5 miljard bestaat volledig uit nieuwe middelen. Daarnaast zal Invest-NL de uitvoering op zich nemen van bestaande financieringsinstrumenten, die voor rekening en

risico van de overheid zijn en daarmee los staan van het investeringskapitaal van Invest-NL.

114. Kan Invest-NL worden gebruikt door bedrijven om te investeren in activiteiten in het buitenland? Zo ja, welke voorwaarden zijn hieraan verbonden en welk doel dient dit?

Antwoord

Ja dat kan. Dit zal primair geschieden via de Joint Venture die Invest-NL zal aangaan met FMO. De Joint Venture tussen Invest-NL en FMO vergoot de slagkracht van Nederlandse ondernemers bij het realiseren van hun internationale ambities en projecten die bijdragen aan economische en maatschappelijke impact. Dit doet de Joint Venture door het helpen van ondernemers, direct of indirect, bij het op de internationale markt brengen van hun producten, het kunnen meedingen naar opdrachten van buitenlandse partijen en het ontwikkelen en financieren van internationale projecten. De Joint Venture biedt hierbij, additioneel aan de markt, financiële producten en diensten aan die leiden tot een commercieel haalbaar project. De voorwaarden worden nog uitgewerkt maar in ieder geval zullen de afspraken voor exportfinanciering, zoals deze in de OECD zijn afgesproken, gelden.

115. Welk budget binnen Invest-NL is beschikbaar voor directe participatie in bedrijven en kunnen dit ook niet-startups of niet-scale-ups zijn? Welke criteria worden hierbij voor start-up en scale-up gebruikt?

Antwoord

Invest-NL zal zowel een rol gaan spelen bij de doorgroei van start- en scale-ups en innovatieve bedrijven, als bij risicovolle activiteiten van ondernemingen op het gebied van grote transitie-opgaven, en ondersteuning geven aan Nederlandse bedrijven voor het internationaal vermarkten van hun producten en oplossingen voor wereldwijde vraagstukken. Het hanteert dus een breder ondernemingsbegrip dan alleen start- en scale-ups, en maakt op voorhand geen onderverdeling in de beschikbare budgetten.

116. Op welke manier investeert Invest-NL in de transitiegebieden? Welke criteria worden hierbij gehanteerd?

Antwoord

De ontwikkeltak van Invest-NL zal ertoe bijdragen dat projecten die nu onvoldoende van de grond komen op het terrein van de transitie-opgaven, zoals in de energie(besparing) en verduurzaming, worden vlotgetrokken. Tevens kan Invest-NL als regisseur optreden om met de markt financieringsbronnen bij elkaar te brengen en kleinere projecten te bundelen en te standaardiseren. In beide gevallen gaat het om het financierbaar maken van bedrijven of projecten met zo veel mogelijk private inleg.

De instelling kan vanuit de eigen balans ook bijdragen aan het financieren van risicovolle, innovatieve projecten, bijvoorbeeld in de energietransitie, waar die nu niet van de grond komen. Randvoorwaarde is dat de kapitaalinjectie voldoende rendement genereert om te kwalificeren als financiële transactie in het kader van het EMU-saldo. Tevens zijn randvoorwaarden dat er aanvullend aan de markt wordt gewerkt en dat sprake is van een sluitende business case. Invest-NL is immers een financieringsinstelling en verstrekt geen (impliciete) subsidies. De instelling kan met de eigen middelen inspelen op Europese regelingen, onder andere op transitiegebieden, in die gevallen waarin een Europese regeling nationale cofinanciering vereist.

117. Welke wereldwijde vraagstukken betreft het hier? Hoe wordt voorkomen dat bijgedragen wordt aan verergering van een vraagstuk via de exportkredietverzekering, zoals bijvoorbeeld is gebeurd in Brazilië?

Antwoord

De wereldwijde vraagstukken waarover gesproken wordt, betreffen de Sustainable Development Goals. Het tweede deel van de vraag is eerder door de beleidsverantwoordelijke bewindspersonen van Financiën en voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking beantwoord (Kamerstuk 31 935, nr. 40). Hier is aangegeven dat uit het «final statement» van het Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen (NCP) duidelijk volgt dat de exportkredietverzekering (ekv) niet heeft bijgedragen aan het ontstaan van vermeende negatieve gevolgen van een door het NCP onderzocht project in Brazilië. Over de vraag of er negatieve gevolgen zijn, laat het NCP zich overigens niet uit, omdat dit aan het Braziliaanse NCP is om te onderzoeken. Onderdeel van het acceptatieproces van de ekv is een gedegen milieu en sociale beoordeling van een project. Wanneer een project per saldo negatieve gevolgen heeft in het «ontvangende» land, wordt er geen ekv verstrekt. Een dergelijke proces zal ook gaan gelden in het kader van het toekomstige samenwerkingsverband tussen FMO Bank en Invest NL.

118. Hoe wordt ervoor gezorgd dat Invest-NL voor innovatieve projecten wordt benut die anders moeilijk aan financiering kunnen komen?

Antwoord

Invest-NL wordt opgericht om gewenste investeringen in bedrijven en projecten mogelijk te maken die vanwege hun onzekere risico-rendementsverhouding of lange onzekere terugverdientijden onvoldoende financiering in de markt kunnen aantrekken. Invest-NL ondersteunt de ontwikkeling van projecten en bedrijven en krijgt daartoe bestaande financieringsinstrumenten en een kapitaalstorting van in totaal € 2,5 miljard om financiering mogelijk te maken. Hierdoor worden de expertises en middelen (voor projectontwikkeling, financieren en verzekeren – nationaal en internationaal) op één plek samengebracht en versterkt in een vormgeving die herkenbaar is voor de markt. Initiatieven kunnen daarmee ook meer beroep doen op private financiering van onder meer institutionele beleggers en Europese fondsen en programma’s.

Invest-NL zal ondersteuning bieden bij de business development van startende en doorgroeiende innovatieve bedrijven, en bij het tot stand komen van risicovolle projecten. In beide gevallen gaat het om het financierbaar maken van bedrijven of projecten met zo veel mogelijk private inleg.

Voor situaties waarin bestaande financieringsinstrumenten onvoldoende soelaas bieden, beschikt Invest-NL over eigen middelen (kapitaal) voor het verstrekken van (co)financiering en om financieel te kunnen participeren als aandeelhouder. De instelling kan ook bijdragen aan het financieren van risicovolle, innovatieve projecten, bijvoorbeeld in de energietransitie, waar die nu niet van de grond komen.

119. Waarom is het nodig Invest-NL op 1 januari 2018 al operationeel te laten zijn op bepaalde gebieden? Welke gebieden zijn dit concreet? En worden hiermee onomkeerbare stappen gezet?

Antwoord

Nederland staat, net als de rest van de wereld, voor grote transitie- en investeringsopgaven: denk aan de energietransitie, verduurzaming van de productie, digitalisering van private en publieke sectoren, de bereikbaarheid en het versterken van het groei-, innovatie- en exportvermogen van het bedrijfsleven.

Om deze investeringen samen met de markt tijdig aan te jagen heeft het kabinet aangekondigd in de brief van 10 februari jl. over de oprichting van Invest-NL (Kamerstuk 28 165, nr. 266). zo veel mogelijk per 1 januari 2018 starten met de onderdelen en activiteiten van Invest-NL die genoemd zijn Het betreft het ontwikkelen van projecten en bedrijven, het uitvoeren van overheidsinstrumenten gericht op financiering, en mogelijk enkele investeringen in kansrijke projecten en bedrijven die zich al aandienen. Tot de oprichting van Invest-NL als zelfstandige instelling zal dat vanuit de huidige publieke organisaties en begrotingen onder directe ministeriële verantwoordelijkheid en verantwoording gebeuren.

Wanneer uit de ontwikkelactiviteiten projecten of investeringskansen komen met een zeer urgente financieringsbehoefte die niet zelfstandig door de markt ingevuld kunnen worden, maar die passen in de doelstellingen van Invest-NL, kan, zoals gemeld in de brief van 30 juni jl. (Kamerstuk 28 165, nr. 269), door het kabinet worden overwogen om vooruitlopend op Invest-NL zelf te investeren vanuit de rijksbegroting. Het kabinet zal, indien deze situatie zich voordoet voordat Invest-NL statutair is opgericht, uiteraard zorgen dat dit gebeurt conform de vereisten van de Comptabiliteitswet en het staatssteunkader. Dit betekent dat deze investeringen apart worden voorgelegd aan uw Kamer en de Europese Commissie. Daarmee worden geen onomkeerbare stappen gezet zonder het parlement te betrekken.

120. Is het niet verstandiger en zorgvuldiger om eerst de behandeling in de Tweede- en Eerste Kamer op het gebied van Invest-NL af te ronden voordat zaken in werking worden gezet?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 119.

121. Indien Invest-NL per 1 januari kan starten met mogelijk enkele investeringen in kansrijke projecten en bedrijven, betekent dit dan dat Invest-NL haar werk ook kan doen als onderdeel van de overheid? Wordt hiermee beweerd dat de activiteiten kunnen plaatsvinden zonder dat de activiteiten in een aparte rechtsvorm zijn vervat of is een private rechtsvorm noodzakelijk?

Antwoord

Zoals in het antwoord bij 119 en 120 is aangegeven is het mogelijk om vooruitlopend op Invest-NL al te investeren vanuit de rijksbegroting, wat betekent dat deze investeringen apart worden voorgelegd aan het parlement en de Europese Commissie.

Zoals in de rapportage van de werkgroep voor de Nederlandse Financierings- en Ontwikkelingsinstelling is aangegeven (bijlage bij Kamerstuk 28 165 nr. 266), is het probleem echter dat een aantal geschetste knelpunten niet of moeilijk opgelost kan worden in een volledig publieke omgeving en dat een deel van de oplossingsrichtingen evenmin goed gerealiseerd kan worden met dergelijke instituties. Zo zijn de mogelijkheden voor het verstrekken van risicokapitaal en het aantrekken van Europese cofinanciering beperkt, en is er een beperkte flexibiliteit van individuele regelingen die over de Rijksbegroting lopen om adequaat in te spelen op de voortdurende veranderingen in zowel vraag naar en aanbod van financiering. Samenwerken met private financiële instellingen, en Europese instituties als EIB en EFSI en de bijbehorende status als National Promotional Bank, vereist daarbij onder meer voldoende afstand tot de overheid8. Het kabinet geeft Invest-NL daarom vorm als zelfstandige instelling in de markt zodat individuele investeringsbeslissingen onafhankelijk en op basis van zakelijke overwegingen worden genomen, en meer en effectief gebruik wordt gemaakt van Europese en private cofinancieringsinstrumenten.

122. Kunt u overige subsidies nader specificeren?

Antwoord

In onderstaande tabel is in afgeronde bedragen een uitsplitsing gegeven van de overige subsidies voor het begrotingsjaar 2018.

Subsidie

Budget 2018 (x € 1.000)

Bijdrage Nederland Maritiem Land

257

Bijdrage Stichting Toekomstbeeld der Techniek

165

Uitfinanciering Innovatieve Onderzoeksprogramma’s

502

Uitfinanciering Valorisatie

2.461

Green Deal Laadinfrastructuur

1.561

Totaal

4.946

123. Waarom zijn de belangrijkste beleidsmatige mutaties binnen Artikel 2 niet allen afzonderlijk genoemd? Kunt u deze alsnog nader toelichten in de context van Artikel 2?

Antwoord

De belangrijkste mutaties worden toegelicht als onderdeel van de Beleidsagenda. In de Verdiepingsbijlage (bijlage 2) worden deze mutaties eveneens benoemd in combinatie met eventuele overige relevante mutaties. In de beleidsartikelen zelf wordt conform de richtlijnen begrotingspresentatie «Verantwoord Begroten» per begrotingsinstrument een korte toelichting gegeven op doel en werking.

124. Welk deel van alle innovatiesubsidies is bestemd voor het stimuleren van de duurzame economie?

Antwoord

De innovatieregelingen op beleidsartikel 2 zijn primair gericht op het stimuleren van innovatie. Deze regelingen kunnen echter indirect ook bijdragen aan een duurzame economie. Er zijn echter regelingen die specifiek de duurzaamheid bevorderen. In dit kader kunnen bijvoorbeeld de EFRO-subsidies genoemd worden waarvan de focus ligt op innovatie en een koolstofarme economie, maar ook de bijdragen aan de Green Deal Laadinfrastructuur en de middelen voor Small Business Innovation Research.

125. Hoe verklaart de regering het structurele verschil van ca. 18 miljoen euro tussen de geschetste uitgaven op beleid artikel 2 in de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken (XIII) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2018 versus de geschetste uitgaven in de horizontale toelichting in de «nota over de toestand van ’s Rijks Financiën»?

Antwoord

In de horizontale toelichting worden de bedragen die onder de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) vallen buiten beschouwing gelaten, omdat deze onder een afzonderlijk budgettair kader vallen. Deze uitgaven worden separaat gepresenteerd in de HGIS-nota 2018. Op artikel 2 betreffen de HGIS-budgetten zijn: het budget voor de Innovatieattachés (€ 6,6 miljoen), de NFIA (€ 10,2 miljoen), en de bijdragen World Tourism Organization (UNWTO, € 0,3 miljoen), World Intellectual Property Organization (WIPO, € 0,4 miljoen) en de Stichting ter Bevordering van de Uitvoer (SBU, € 1 miljoen).

126. Welke ICT-projecten lopen of zijn in voorbereiding bij zowel het departement als uitvoerende organisaties van het departement?

Antwoord

Bij EZ lopen tientallen ICT-projecten waarvan de grootste (> € 5 miljoen) worden gepubliceerd op het Rijks ICT-dashboard. Op dit dashboard staan momenteel acht lopende projecten vermeld waarvan drie nog in 2017 zullen worden afgerond (DICTU-cloud (€ 32,7 miljoen), AMRI (vernieuwing van een bancair systeem ten behoeve van garantstellingen) (€ 8,3 miljoen) en eDU (Elektronisch Dienstverlening Uitvoering) (€ 21,7 miljoen)). De beide Cloudwerkplek-programma’s (samen ruim € 70 miljoen) zullen in 2018 worden afgerond. De overige programma’s Blik op NVWA (o.a. vernieuwing van het Inspectiesysteem van de NVWA)(€ 36 miljoen), Gamma (Vernieuwing van de primaire processystemen bij AT) (€ 10,8 miljoen) en Phoenix+ (vernieuwing van de dataverzamelingssystemen bij CBS) (€ 41 miljoen) lopen door tot na 2018. Het programma Kerngezond bij de Kamer van Koophandel (gericht op verbetering van het Handelsregister) bevindt zich in de opstartfase.

Het Bureau ICT-toetsing is vanaf de tweede helft 2015 actief en richtte zich in eerste instantie op nieuwe projecten. De volgende EZ-programma’s zijn door het BIT getoetst:

  • Het programma Blik op NVWA is inmiddels twee maal getoetst waarbij de aanbevelingen zijn overgenomen.

  • Het programma Phoenix+ wordt op dit moment door het BIT getoetst. De uitkomst hiervan is nog niet bekend.

  • Voor de programma’s Cloudwerkplek en Kerngezond zijn BIT-toetsen in voorbereiding.

127. Hoe groot is de omvang van deze projecten, hoe lang is de (verwachte) looptijd van deze projecten, heeft het Bureau ICT-toetsing (BIT) over deze projecten advies uitgebracht en zo ja, luidde dit positief of negatief?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 126.

128. Welke projecten zijn in de laatste jaren succesvol afgerond en welke zijn als mislukt aan te merken?

Antwoord

EZ en voorheen ook LNV heeft sinds de invoering van het Rijks ICT-dashboard tien projecten afgerond (BBR (onderdeel van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid), Aerius (Programmatische Aanpak Stikstof), Geo-Nu (vernieuwing van geografische systemen bij RVO.nl), E&F (nieuw financieel systeem EZ), IB (verbetering InformatieBeveiliging), eDV (Elektronische Dienstverlening), NHR (Nieuwe Handelsregister), DDV (Programma Digitale Dienstverlening), Carmen (verbeteren Relatiebeheer bij RVO.nl) en TenderNed). Eén project (ZaakGerichtWerken-Service bij DICTU) is geannuleerd toen de aanbesteding geen resultaten opleverde.

129. Kunt u de post onderzoek en opdrachten nader specificeren?

Antwoord

In onderstaande tabel is de post onderzoek en opdrachten nader gespecificeerd voor het begrotingsjaar 2018.

Onderzoek en opdrachten

Budget 2018 (x € 1.000)

Beleidsondersteunend onderzoek

2.374

CBS-statistieken

1.100

Opstartkosten Unified Patent Court

400

Small Business Innovation Research (SBIR)

716

Incidentele uitgaven

245

Totaal

4.835

130. Wat veroorzaakt de forse daling van de post Topsectoren overig?

Antwoord

Deze post bestaat voor een groot deel uit voormalige FES-projecten (zoals COMMIT en HTSM). Omdat deze projecten in 2017 bijna volledig worden uitgefinancierd, laten de uitgaven in 2018 een forse daling zien.

131. Waaruit bestaat de post ICT-beleid?

Antwoord

De post ICT-beleid in de EZ-begroting bevat de programmamiddelen voor ICT-beleid. Deze middelen worden in 2018 voor ca. driekwart besteed aan het beheer en (door)ontwikkeling van de voorzieningen van de «digitale overheid», ook bekend als de Generieke Digitale Infrastructuur (GDI) waaronder berichtenbox bedrijven, Mijn Overheid voor Ondernemers, eID/ETD-stelsel, etc. Circa een kwart wordt besteed aan opdrachten en programma-activiteiten op het vlak van «digitale economie» waaronder team ICT en maatschappelijke domeinen en ICT, maar ook cyber security.

132. Wat is het budget voor het Adviescollege Toetsing Regeldruk in 2018 respectievelijk 2019 en de jaren erna?

Antwoord

ATR moet haar begroting voor 2018 nog aanbieden aan EZ. Afgesproken is dat ATR haar begroting voor 2018 uiterlijk 1 december aanlevert. Naar verwachting bedraagt de totale jaarbegroting van ATR ca. € 1,7 miljoen. Hiervan bestaat ca. € 1,2 miljoen uit kosten voor personeel en huisvesting, die worden betaald uit artikel 40 (apparaat). De benodigde/gevraagde bijdrage van EZ vanuit programmamiddelen voor «Regeldruk» betreft dus ca. € 0,5 miljoen.

133. Wat verklaart de dip in 2018 van het budget voor de post «regeldruk?

Antwoord

De dip in 2018 van het budget voor de post «regeldruk» wordt verklaard door de overboeking naar het apparaatsbudget voor de huisvestingskosten van het Adviescollege Toetsing Regeldruk

(€ 130.000 in 2018) en de overboeking naar het bijdrage instrument van RVO.nl voor de uitvoering van het programma Regelhulpen (€ 360.000 in 2018).

134. Hoe verhoudt het percentage Nederlandse deelnemers, zowel succesvol als niet-succesvol, aan Horizon 2020 zich tot het percentage niet-Nederlandse deelnemers?

Antwoord

Het gemiddelde slagingspercentage voor Nederlandse stakeholders ligt met 16,1% opvallend hoger dan het EU-gemiddelde van 12,6%. In de eerste plaats komt dit door de hoge kwaliteit van Nederlandse voorstellen door bedrijven en kennisinstellingen, maar ook door advisering en begeleiding van indieners van voorstellen door RVO.nl. Hierdoor is sinds de start van Horizon 2020 ruim € 2 miljard aan Nederlandse indieners toegekend. Nederland staat hiermee op een zesde plaats in Europa. Dit is een goede prestatie, zeker gezien het feit dat de concurrentie in Horizon 2020 substantieel is toegenomen in vergelijking met het zevende kaderprogramma: het aantal ingediende voorstellen is met bijna 76% toegenomen. Het percentage Nederlandse indieners (zowel succesvol als niet succesvol) is 5,5% van het totaal. In combinatie met het beschikbare budget is de concurrentie ook een van de verklaringen waarom het gemiddelde EU-slagingspercentage laag ligt en niet-succesvolle indieners veelal wel kwalitatief goede voorstellen hadden.

135. Is er Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)-cofinanciering beschikbaar van het Rijk voor het integratieonderdeel van het Europees migratiebeleid?

Antwoord

Nee. De landsdelige EFRO-programma’s richten zich op innovatie en duurzame energie met het mkb als belangrijkste doelgroep. Dit zijn ook de prioriteiten voor de grensoverschrijdende EFRO-programma’s waar Nederland bij betrokken is (de zgn. INTERREG A programma’s) met daarnaast het thema arbeidsmobiliteit. Voor dit thema geldt dat vluchtelingen met een status kunnen deelnemen aan een INTERREG-project op dat terrein. De prioriteiten zijn vastgelegd na overleg tussen betrokken partijen, waaronder decentrale overheden, en de Europese Commissie voor de programmaperiode 2014–2020. De middelen van het Rijk voor cofinanciering van EFRO-projecten worden op bovengenoemde prioriteiten ingezet. Dit betekent dat er in Nederland binnen de EFRO-programma’s geen ruimte is voor het integratieonderdeel van het Europees migratiebeleid en dat Rijkscofinanciering hier niet voor benut wordt.

136. Welk effect heeft de premiestijging van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB) op het tot op heden verstrekte aantal garanties gehad?

Antwoord

Het aantal BMKB-aanvragen is o.a. afhankelijk van de economische conjunctuur en de risicoacceptatiebereidheid van banken. De invloed van de premieverhoging per 1 januari 2017 kan daarom niet eenduidig worden vastgesteld. De benutting op 31 augustus 2017 stond op € 369 miljoen, ten opzichte van € 407 miljoen op dezelfde datum een jaar eerder. Daarmee blijft de huidige benutting dus iets achter vergeleken met 2016. Aan het eind van het jaar kan worden bekeken of deze terugval substantieel is en welke oorzaken hier mogelijk aan ten grondslag liggen.

137. Is het aantal faillissementen van bedrijven dat gebruik maakt van een lening met BMKB-garantie gedaald of gestegen en is de recente premiestijging hiermee gerechtvaardigd gebleken?

Antwoord

Halverwege 2017 zijn er iets minder faillissementen van bedrijven met een BMKB-lening dan halverwege 2016. Het is echter te vroeg om de conclusie te trekken dat de premieverhoging wel of niet gerechtvaardigd is. De premieverhoging had tot doel om de regeling meer kostendekkend te maken door middel van hogere inkomsten, omdat de regeling over een periode van jaren te weinig kostendekkend was geweest. De resultaten van de BMKB hangen sterk samen met de economische conjunctuur. Om te oordelen over de noodzaak van de premieverhoging moet daarom gekeken worden naar de kostendekkendheid van de BMKB over een gehele conjunctuurcyclus.

138. Kunt u in een meerjarige tabel inzichtelijk maken welke middelen op de aanvullende post gereserveerd zijn voor het Ministerie van Economische Zaken? Kunt u daarbij ook een uitsplitsing maken per beleidsterrein, in miljoenen nauwkeurig?

Antwoord

Een overzicht van de middelen op de aanvullende post is opgenomen in bijlage 10 van de Miljoenennota (Verticale Toelichting). Voor EZ gaat het om de volgende twee posten.

X € 1 miljoen

2018

2019

2020

2021

Invest-NL ontwikkelkosten

 

19

19

19

NVWA

25

     

Invest-NL ontwikkelkosten

De (nationale en internationale) ontwikkeltak van Invest-NL ontvangt in 2017 en 2018 middelen via de EZ-begroting. De middelen voor de jaren na 2018 (€ 19 miljoen per jaar) zijn gereserveerd op de Aanvullende Post.

NVWA

Om de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) beter in staat te stellen haar rol als autoriteit uit te oefenen, is er € 25 miljoen gereserveerd in 2018.

139. Voor welke doeleinden zijn de middelen op de aanvullende post, gereserveerd voor het Ministerie van Economische Zaken, beschikbaar?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 138.

140. Kan worden aangegeven wat wordt bekostigd met de 19 miljoen euro structureel op de aanvullende post bij Financiën vanaf 2019 voor Invest-NL en op welke wijze dit leidt tot bijdragen aan de doelstellingen van Invest-NL?

Antwoord

De € 19 miljoen die vanaf 2019 structureel op de aanvullende post bij Financiën zijn gereserveerd, zijn bestemd voor het intensiveren van de ontwikkelactiviteiten van Invest-NL, die thans worden uitgevoerd door het Nederlands Investerings Agentschap en FMO NL Business. Zoals in de brief van 10 februari jl. (zie Kamerstuk 18 165, nr. 266) is toegelicht betreffen de ontwikkelactiviteiten zowel ondersteuning bij de business development van startende en doorgroeiende innovatieve bedrijven als ondersteuning bij het tot stand komen van projecten. In beide gevallen gaat het om het financierbaar maken van bedrijven of projecten met zo veel mogelijk private inleg. De ontwikkeltak van Invest-NL zal ertoe bijdragen dat projecten die nu onvoldoende van de grond komen op het terrein van de transitie-opgaven, zoals in de energie(besparing) en verduurzaming, worden vlotgetrokken. Tevens kan Invest-NL als regisseur optreden om met de markt financieringsbronnen bij elkaar te brengen en kleinere projecten te bundelen en te standaardiseren.

141. Hoe zijn de extracomptabele fiscale regelingen opengesteld voor Nederlandse inwoners en ondernemers op de BES-eilanden?

Antwoord

De in de vraag bedoelde fiscale regelingen staan niet open voor inwoners op de BES-eilanden.

142. Uit de begroting blijkt dat het budget van de WBSO wordt verlaagd. Wat is de reden hiervoor?

Antwoord

De afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) is een gebudgetteerde fiscale regeling en kent een structureel budget van € 1.205 miljoen. In de budgetsystematiek van de WBSO (en voorheen de RDA) worden onderuitputtingen en overschrijdingen in jaar T-1 gecompenseerd in jaar T+1. In 2016 (T-1) kende de WBSO een overschrijding van het budget met € 65 miljoen die dient te worden gecompenseerd in 2018 (T+1). Samen met een onderuitputting van de RDA uit 2014 van € 23 miljoen die aan het WBSO-budget 2018 wordt toegevoegd leidt dit tot een correctie (d.w.z. verlaging) van het WBSO-budget 2018 met € 42 miljoen. Dit verklaart de dalende lijn. De WBSO-budgetsystematiek brengt met zich mee dat de parameters van de WBSO jaarlijks aangepast moeten worden aan het beschikbare budget. Uitgaande van de huidige inzichten betekent dit naar verwachting een daling van het tarief van de tweede schijf van 16% naar 14% en een daling van de eerste schijf van 32% naar 31%. Ook andere ingrepen zijn mogelijk. Het kabinet zal dit jaar de parameters voor de WBSO 2018 definitief vaststellen en de Kamer hierover informeren.

143. Hoe verklaart de regering de dalende lijn ten aanzien van de fiscale regeling «innovatiebox»?

Antwoord

In het Belastingplan 2017 is voor de innovatiebox uitvoering gegeven aan afspraken die in het kader van het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS)-project van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) zijn gemaakt. Daarvoor zijn de voorwaarden voor de toepassing van de innovatiebox aangepast. Winst die samenhangt met speur- en ontwikkelingswerk dat is uitbesteed aan andere bedrijfsonderdelen komt – kort gezegd – niet altijd meer in aanmerking voor de innovatiebox (nexus-benadering). Daarnaast bestaat vanaf 2017 de toets of voor een immaterieel activum gebruik kan worden gemaakt van de innovatiebox (naast het voortbrengingsvereiste) uit twee extra stappen. De eerste toets is of voor het speur- en ontwikkelingswerk dat heeft geleid tot het activum een S&O-verklaring is afgegeven. Daarmee wordt geborgd dat sprake is van (technische) innovatie. Deze toets geldt voor zowel grotere als kleinere belastingplichtigen. Als tweede stap moeten grotere belastingplichtigen toetsen of voor het activum een tweede toegangsticket (octrooi, kwekersrechten) aanwezig is. Door deze wijzigingen voldoet een belastingplichtige minder snel aan de voorwaarden van de innovatiebox. De dalende lijn bij de innovatiebox in 2017 en 2018 is een gevolg van de bovenstaande aanpassingen in de innovatiebox.

144. Hoe verklaart de regering de dalende lijn ten aanzien van de fiscale regeling «afdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk»?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 142.

145. Kan er nader aangegeven worden waar het budget beschikbaar voor het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) aan besteed wordt? Zijn er resultaten bekend over besteed geld? Hoeveel geld is er beschikbaar gesteld?

Antwoord

EZ verstrekt jaarlijks een subsidie aan het NBTC gericht op het bevorderen van Nederland als aantrekkelijke bestemming voor vakanties, zakelijke bijeenkomsten en congressen.

Deze jaarlijkse subsidie wordt verstrekt vanuit een kaderbeschikking die elke vier jaar opnieuw wordt vastgesteld. Over de huidige periode, die van 2016–2019 loopt, ontvangt NBTC een jaarlijkse subsidie van € 8.469.000. Dit bedrag wordt jaarlijks opgehoogd met de beschikbare loon- en prijsbijstelling.

Over de huidige subsidieperiode zijn de volgende streefwaarden afgesproken:

  • 1. Aantal internationale bezoekers op basis van marketingactiviteiten: 6,2 miljoen;

  • 2. Internationale bestedingen: € 4,1 miljard;

  • 3. Aantal bezoeken aan het online platform Holland.com: 50 miljoen;

  • 4. Economische waarde bids internationale congressen: € 72 miljoen;

  • 5. Cofinancieringspercentage overige partijen: minimaal 50%.

Aan het eind van de subsidieperiode vindt een evaluatie plaats, deze evaluatie wordt aan uw Kamer aangeboden. (Onderzoek Realisatie Streefwaarden Subsidie NBTC 2012–2015, bijlage bij Kamerstuk 26 419, nr. 61). Tijdens de subsidieperiode levert het NBTC jaarlijks een voortgangsrapportage, met de ontwikkeling van de streefwaarden.

Naast de jaarlijkse subsidie heeft EZ in 2015, voor de periode 2016–2019, eenmalig € 400.000,– extra ter beschikking gesteld om de HollandCity spreidingsstrategie, die gericht is op het spreiden van toeristen in ruimte en tijd, verder uit te werken. Provincies hebben elk € 25.000 bijgedragen.

146. Hoe wil de regering ervoor zorgen dat er voldoende ruimte blijft om het Nederlands MKB te laten meeprofiteren van innovatiekansen in de energiesector, aangezien er weinig meevallers in de aardgasbaten te verwachten zijn maar de komende jaren wel veel innovatie nodig is om te komen tot een betaalbare duurzame energievoorziening?

Antwoord

In de regelingen van de Topsector energie komt meer dan 50% van alle deelnemers in subsidieprojecten uit het mkb. Het streven is om dit aandeel in de toekomst te continueren. Er wordt op meerdere manieren aandacht en ondersteuning gegeven aan het mkb vanuit de topsectoren, onder meer via de regeling MKB Innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT).

147. Hoe vast is de afspraak dat mogelijke meevallers in de gasbaten ten goede komen aan het Toekomstfonds? Wanneer is er sprake van een meevaller van gasbaten, ten opzichte van welke uitgangspositie?

Antwoord

Het Toekomstfonds wordt gefinancierd met de beschikbare middelen op de EZ-begroting. Voor een overzicht van de meerjarig beschikbare begrotingsmiddelen verwijs ik naar de budgettaire tabel art. 3 Toekomstfonds van de EZ-begroting 2018 (blz. 66 en 67). Deze middelen zijn niet afhankelijk van mee- of tegenvallers bij de gasbaten en stellen het Toekomstfonds in staat om te voorzien in mkb-financiering.

In aanvulling daarop kan het Toekomstfonds gevoed worden met het rendement op eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van dergelijke meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (Kamerstuk 34 000, nr. 5). Wanneer sprake is van lager gerealiseerde aardgasbaten, oftewel tegenvallers ten opzichte van de ijklijn Toekomstfonds, heeft dit geen gevolgen voor het Toekomstfonds.

In de jaren 2015, 2016 en bij Voorjaarsnota 2017 is de oorspronkelijke gasbatenraming, relevant voor het Toekomstfonds, herijkt als gevolg van diverse beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie.

Als gevolg van deze wijzigingen is er pas sprake van meevallers voor het Toekomstfonds wanneer de gerealiseerde gasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de gasbaten zoals in onderstaande tabel is opgenomen (stand actuele ijklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2017).

Bedragen x € 1 miljoen
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

2022

Ijklijn aardgasbaten Miljoenennota 2017

6.500

6.350

6.000

6.250

5.250

1.800

 

Bijstelling n.a.v. beleidsmatige aanpassingen (volume-effect) bij Voorjaarsnota 2017

 

–50

–250

–300

–300

–250

 

Actuele ijklijn aardgasbaten Voorjaarsnota 2017

 

6.300

5.750

5.950

4.950

1.550

2.100

Na de Voorjaarsnota 2017 is er geen sprake geweest van beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie. Daarom blijft de actuele ijklijn aardgasbaten ongewijzigd.

Met de brief van 16 september 2014 (Kamerstuk 34 000, nr. 5) is uw Kamer geïnformeerd dat vanwege fluctuaties in de productie, prijs en wisselkoers het moeilijk voorspelbaar is wanneer en in welke mate meevallers in de gasbaten zich zullen voordoen. Ook is de Kamer met deze brief geïnformeerd dat de verwachting is dat meevallers kleiner en minder frequent zullen zijn dan in het verleden.

148. Het Toekomstfonds wordt betaald door meevallers in de aardgasbaten. Mochten de meevallers in de gasbaten de komende jaren tegenvallen, heeft u dan nog een andere manier om dit Toekomstfonds te financieren zodat er voor het MKB genoeg financiële middelen blijven om te kunnen investeren in duurzame innovaties?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 147.

149. Welke vestigingseisen worden gesteld aan bedrijven die gebruik maken van het Nederlands-Californische Seed Capital fonds? Hoe lang wordt van bedrijven die hiervan gebruik maken verwacht dat ze in Nederland actief zijn?

Antwoord

Het gaat om ondernemingen die zowel in Nederland als in Californië actief zijn of willen zijn. Om in aanmerking te komen voor financiering van het fonds dienen de primaire bedrijfsactiviteiten in Nederland te worden uitgevoerd. De verwachting is dat de bedrijven in Nederland actief blijven en kunnen internationaliseren met behulp van de Californische regelingen.

150. Welke bijdrage levert de staat Californië aan het fonds?

Antwoord

De staat Californië heeft in de intentieverklaring toegezegd om via haar infrastructuur en economische ontwikkelingsbank, Nederlandse bedrijven in «smart & eMobility» die in Californië actief willen worden toegang te geven tot haar garantieprogramma. Inmiddels zijn er meerdere Nederlandse bedrijven die hier gebruik van willen maken. De staat Californië geeft zelf geen bijdrage aan het fonds, maar er wordt wel naar gestreefd dat Californische bedrijven meefinancieren.

151. Kunt u aangeven welk deel van de innovatiekredieten betrekking heeft op de energietransitie?

Antwoord

Het innovatiekrediet is een generiek instrument dat krediet verstrekt voor cofinanciering van innovatieve technische en klinische ontwikkelingsprojecten. Het gaat om innovatieprojecten met een goede businesscase en een concreet commercieel perspectief na afloop van het project, waardoor er ook afloscapaciteit is om het krediet terug te kunnen betalen. Ook bedrijven vanuit de sector Energie en op het gebied van energietransitie maken hier gebruik van. Dit wordt niet apart gemonitord. Uit een inventarisatie van RVO.nl over 2014–2016 blijkt het aantal projecten op het thema «Groene Groei» in het Innovatiekrediet te fluctueren tussen 16 en 24%. Energie maakt onderdeel uit van dit thema.

152. Wat is de reden van de stijging in 2019 van de aardgasbaten en voor de stijging in 2022 ten opzichte van 2021?

Antwoord

Op basis van de geraamde aardgasbaten in deze begroting is er geen sprake van een stijging van de verwachte aardgasbaten in deze jaren (zie ook de antwoorden op vraag 63 en 64). Op pagina 72 van de EZ-begroting wordt alleen de ontwikkeling van de ijklijn voor het Toekomstfonds weergegeven. Het Toekomstfonds wordt mede gevoed met eventuele meevallers uit de aardgasbaten. Er is sprake van meevallers wanneer de gerealiseerde aardgasbaten in een bepaald jaar hoger zijn dan de aardgasbaten zoals die voor dat betreffende jaar geraamd zijn in de Miljoenennota 2015. Deze raming wordt herijkt als er beleidsmatige aanpassingen van de gasproductie plaatsvinden (Kamerstuk 34 000 XIII, nr. 5).

153. In de begroting voor 2018 is er meestal sprake van het streven naar een volledig duurzame energiehuishouding en soms van een CO2-arme energievoorziening; hoe verhoudt deze terminologie zich tot de concrete reductiedoelen van de regering?

Antwoord

In Europees verband is een doelstelling van 80–95% broeikasgasemissiereductie in 2050 voor de hele economie afgesproken ten opzichte van 1990. Deze doelstelling vormt ook uitgangspunt voor de Energieagenda van het huidige kabinet.

154. Op welke wijze gaan de genoemde 15.000 voltijdsbanen gecreëerd worden? In welke sectoren worden deze banen verwacht? Op welk opleidingsniveau liggen deze banen?

Antwoord

De doelstelling uit het Energieakkoord is dat er in de periode 2014 – 2020 jaarlijks 15.000 voltijdsbanen worden gecreëerd, oftewel 90.000 banen over deze gehele periode. In de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 wordt aangegeven dat nieuwe werkgelegenheid als gevolg van het Energieakkoord vooral gecreëerd wordt door energiebesparingsmaatregelen en investeringen in hernieuwbare energie. Deze werkgelegenheid wordt zodoende vooral gecreëerd in de bouwsector, de installatiesector en de hernieuwbare energiesector. Er is geen specifiek beeld van het opleidingsniveau van deze banen.

155. Hoeveel banen dreigen in de energietransitie verloren te gaan? In welke sectoren worden verliezen in werkgelegenheid verwacht? Op welk opleidingsniveau liggen deze banen?

Antwoord

Uit de NEV 2016 blijkt dat in de conventionele energiesector de werkgelegenheid de komende jaren afneemt, in het bijzonder door een afname van olie- en gaswinning en raffinage. Tegenover deze daling wordt een sterkere stijging van de werkgelegenheid verwacht die samenhangt met de energienetten, hernieuwbare energie en energiebesparing. Daardoor zal de werkgelegenheid in de gehele energievoorziening naar verwachting toenemen naar 171 duizend voltijdsbanen in 2020. Er is geen specifiek beeld van het opleidingsniveau van deze banen.

Totale werkgelegenheid energievoorziening (arbeidsjaren in duizenden voltijdsequivalenten)

 

2008

2010

2015

2020

Conventionele energie

63,3

69,9

77,6

63,2

Energienetten

19

19,3

29,6

33,8

Hernieuwbare energie en energiebesparing

35,3

38,3

49

73,8

Totaal

117,6

127,5

156,2

170,8

Bron: NEV 2016

Welke gevolgen de energietransitie in de toekomst precies voor de arbeidsmarkt zal hebben, is moeilijk te voorspellen. Daarom heeft het kabinet de SER gevraagd om de effecten op de werkgelegenheid verder te onderzoeken en wat dit betekent voor de verschillende sectoren en regio’s.

156. Hoeveel banen zijn de afgelopen jaren verloren gegaan in de fossiele sector? Welk percentage van de ontslagen werknemers is momenteel werkloos?

Antwoord

Uit de NEV 2016 blijkt dat de werkgelegenheid die samenhangt met conventionele energieactiviteiten (de fossiele activiteiten) de afgelopen jaren is gestegen van ongeveer 70.000 voltijdsbanen in 2010 naar bijna 78.000 voltijdsbanen in 2015.

157. Welk percentage van de middelen uit het Nationaal Energiebespaarfonds is terecht gekomen bij de huishoudens met de laagste 10% aan inkomen? Hoeveel is dat voor de inkomensgroep met de 10% daaropvolgend laagste inkomen? Kan dit voor deze regeling per deze stappen van 10% voor alle huishoudens worden uitgesplitst?

Antwoord

De vraag zoals die is gesteld, is niet te beantwoorden op basis van de gegevens van het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF). Dit komt doordat de toetsing en administratie van leningen regelmatig betrekking heeft op slechts één persoon in een huishouden die de lening aanvraagt, terwijl de vraag en de CBS-gegevens over het hele huishouden gaan. Daarnaast is de definitie van het door het NEF geadministreerde «toetsinkomen» bij het verstrekken van leningen anders dan de inkomensdefinitie van het CBS.

158. Welk percentage van de middelen van de regeling Subsidie energiebesparing eigen huis is terecht gekomen bij de huishoudens met de laagste 10% aan inkomen? Hoeveel is dat voor de inkomensgroep met de 10% daaropvolgend laagste inkomen? Kan dit voor deze regeling per deze stappen van 10% voor alle huishoudens worden uitgesplitst?

Antwoord

Bij de Subsidie energiebesparing eigen huis worden geen inkomensgegevens van de aanvragers opgevraagd. Het antwoord op de vraag zoals die is gesteld, is daarom niet te geven.

159. Klopt het dat mensen met een minimuminkomen dan wel uitkering niet in aanmerking komen voor een lening vanuit het Nationaal Energiebespaarfonds? Kunnen de criteria om voor deze regeling in aanmerking te komen worden toegelicht?

Antwoord

Het NEF sluit mensen met een minimuminkomen dan wel uitkering niet uit. Het toetsinkomen van de aanvragers moet echter wel voldoende zijn om de lasten van een nieuwe lening naast de bestaande lasten te kunnen dragen volgens de normen en gedragscode voor consumptief krediet.

Om voor een lening in aanmerking te komen moeten aanvragers in elk geval aan de volgende eisen voldoen:

  • een eigen woning bezitten;

  • voornemens zijn energiebesparende maatregelen in die woning door te voeren die passen binnen het investeringsreglement van het Nationaal Energiebespaarfonds;

  • geen negatieve BKR-registratie hebben; en

  • volgens de normen en gedragscode voor consumptief krediet ruimte hebben om de rente en aflossing van de Energiebespaarlening te betalen.

160. Klopt het dat het bedrag dat bespaard wordt op de energierekening hoger is dan de afbetaling inclusief rente van leningen verstrekt via het Nationaal Energiebespaarfonds?

Antwoord

Het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) berekent niet of de besparing op de energiekosten hoger is dan de afbetaling inclusief rente van de lening en hanteert dit ook niet als eis bij de lening. Voor een deel van de mensen met een lening bij het NEF zal gelden dat de besparing op de energiekosten gedurende de looptijd van de lening hoger is dan de maandlasten van de lening. Dit geldt met name bij relatief goedkope maatregelen die veel besparing opleveren, zoals spouwmuurisolatie en vloerisolatie. Voor een ander deel van de mensen zal dit waarschijnlijk niet het geval zijn. Dit komt omdat mensen hun keuze voor energiebesparende maatregelen niet alleen baseren op de financiële besparing, maar bijvoorbeeld ook op de argumenten milieu, comfort, waarde van de woning, natuurlijk vervangingsmoment (ketel, kozijnen) en combineren bij een verbouwing.

161. Kan er gespecificeerd worden welke energieregelgeving er volgens de regering gestroomlijnd dient te worden en per wanneer?

Antwoord

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Warmtewet en wetsvoorstel Voortgang Energietransitie voor liggen op dit moment voor in de Tweede Kamer. In de wijziging van de Warmtewet worden noodzakelijke stappen gezet voor versterking van de markt voor collectieve warmtelevering. In het wetsvoorstel Voortgang Energietransitie wordt onder andere meer ruimte voor experimenten geboden en wordt ingegaan op de verkabeling van hoogspanningsleidingen. Dit wetsvoorstel is door uw Kamer controversieel verklaard.

De uitwerking van de transitiepaden zullen consequenties hebben voor de Elektriciteits-, en Gas- en Warmtewet. Besluitvorming hierover is aan een volgend kabinet.

162. Wat zijn criteria voor technologieën om onder «innovatie energietechnologie» te vallen en aanspraak te kunnen maken op financiering?

Antwoord

Er zijn verschillende regelingen voor energie innovatie, waarbij verschillende criteria gelden. In de Topsector energie wordt ingezet op een aantal thema’s: urban energy (energie in de gebouwde omgeving, smart grids en zonne-energie), wind op zee, bioenergie, energie & industrie en gas. Een project scoort hoger in de competitie met andere projecten naarmate de bijdrage aan de verduurzaming groter is, de bijdrage aan de economie groter is, het project vernieuwender is en de kwaliteit groter is. De regeling Demonstratie Energie Innovaties (DEI) richt zich op de bijdrage die de betreffende innovatie kan leveren aan de Nederlandse economie. Hierbij wordt getoetst op de bijdrage van de projecten aan werkgelegenheid, omzet en exportpotentieel. Ook hier gaat het om een tender waarbij projecten onderling concurreren. Het budget van de Hernieuwbare Energie Regeling (HER) wordt aan geschikte projecten beschikt op volgorde van binnenkomst. Deze regeling is gericht op kostenreducties van duurzame energieopties. Belangrijkste criterium hierbij is dat het project moet leiden tot een besparing op de toekomstige uitgaven aan subsidies in het kader van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+).

163. Wie bepaalt de «randvoorwaarden» voor «een veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten»?

Antwoord

Allereerst zijn de randvoorwaarden voor een veilige en verantwoorde winning van onze bodemschatten in de Mijnbouwwet vastgelegd. Per 1 januari 2017 is de gewijzigde Mijnbouwwet in werking getreden. Deze wijziging betreft onder meer het stellen van randvoorwaarden met betrekking tot de risico’s voor veiligheid bij de instemming met een winningsbesluit, het uitbreiden van de inspraakmogelijkheden en adviesrechten en het versterken van de positie van Staatstoezicht op de Mijnen als onafhankelijke toezichthouder.

Daarnaast kunnen, binnen de wettelijke kaders, verdere randvoorwaarden gesteld worden bij de vergunningverlening door de Minister van Economische Zaken. Ook heeft de inspecteur-generaal der mijnen in het kader van toezicht de mogelijkheid te sturen op het veilig uitvoeren van werkzaamheden bijvoorbeeld bij de aanleg van een boorgat.

164. Op welke wijze (welke wetgeving en/of aanvullende afspraken) wordt er bij de «ruimtelijke inpassing van grote energie-infrastructuurprojecten» de belangen van natuur en wilde dieren geborgd?

Antwoord

De belangrijkste bescherming van natuur en wilde dieren volgt ook voor energie-infrastructuurprojecten uit de Wet natuurbescherming. Met een milieueffectrapport en een passende beoordeling in het geval van beschermde Natura 2000-gebieden, worden de verwachte effecten in beeld gebracht en wegen deze mee in de besluitvorming. Indien een energie-infrastructuurproject mogelijk negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelen van een Natura-2000 gebied is een vergunning op grond van hoofdstuk 2 van deze wet nodig. Indien een energie-infrastructuurproject mogelijk negatieve effecten heeft op bepaalde soorten is een ontheffing nodig op grond van hoofdstuk 3 van deze wet. In de vergunning of ontheffing kunnen mitigerende maatregelen of andere voorwaarden worden voorgeschreven. In het geval dat er geen MER-plicht geldt, wordt er bij de opstelling van het bestemmingsplan/inpassingsplan een ecologische voortoets uitgevoerd. Op basis daarvan kan dan voor het project worden bepaald of er sprake is van een vergunning- of ontheffingsplichtige activiteit en of er wel of geen vergunning/ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd.

165. Welke tools (gaan) worden ingezet om «mogelijkheden te bieden aan lokale duurzame energie-initiatieven»?

Antwoord

Lokale energie-initiatieven worden op verschillende wijzen ondersteund. Het gaat hierbij om (fiscale) regelgeving en financiering (postcoderoosregeling en salderingsregeling), kennisontwikkeling en -verspreiding, green deals en innovatie-activiteiten. Daarnaast wordt via RVO.nl op ad-hoc basis steun verleend aan activiteiten van energiecoöperaties, zoals bijvoorbeeld monitoring, duiding van (fiscale) wet- en regelgeving en voorbeelden van succesvolle werkwijzen. Besluitvorming over aanpassing en/of uitbreiding van deze mogelijkheden is aan het volgende kabinet.

166. Is er voor de Kamer de mogelijkheid om te reageren op de opgestelde transitiepaden alvorens ze als input voor INEK gebruikt worden?

Antwoord

Momenteel wordt in kaart gebracht wat de opties zijn om in 2050 80 tot 95% minder CO2 uit te stoten (ten opzichte van 1990), mede op basis van reacties van regionale overheden, maatschappelijke organisaties, bedrijven, netbeheerders en kennisinstituten. De maatregelen die zodoende genoemd worden in de uitwerking van de Energieagenda betreffen met nadruk «mogelijke» maatregelen. De uitwerking van de transitiepaden is onderdeel van een ambtelijk proces waar momenteel nog aan wordt gewerkt. Het is aan een volgend kabinet om een besluit te nemen over de invulling van het klimaat- en energiebeleid en hoe dit wordt opgenomen in het concept integraal nationaal energie- en klimaatplan (INEK).

167. Zullen de Europese minimumregels leidend zijn voor het Nederlandse energiebeleid of is Nederland bereid tot aanvullende maatregelen en doelstellingen?

Antwoord

Zoals vermeld in de Energieagenda is het uitgangspunt van het Nederlandse energiebeleid het CO2-emissiereductiedoel voor 2050 uit het Klimaatakkoord van Parijs. Momenteel wordt dit doel nader uitgewerkt in de transitiepaden. Een besluit over de precieze nationale doelen en streefcijfers die uit deze transitiepaden volgen, wordt aan een volgend kabinet gelaten. Deze doelen en streefcijfers zullen vervolgens worden opgenomen in het Integraal Klimaat- en energieplan (INEK).Overigens zijn er op Europees niveau alleen nationale minimumdoelen gesteld voor CO2-emissiereductie in de niet-ETS sectoren en voor energiebesparing. Voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie zijn Europese doelen afgesproken. Hiervoor gelden dus geen minimumgrenzen op nationaal niveau en Nederland kan zelf zijn bijdragen aan deze doelen vaststellen in het INEK.

168. Op welke wijze (met welke tools/frequentie) coördineert de regering «het energiebesparingsbeleid via de verschillende vakministers»?

Antwoord

Het Ministerie van Economische Zaken zorgt voor regelmatig overleg tussen de betrokken departementen over de voortgang van de doelen en afspraken op het gebied van energiebesparing zoals opgenomen in het Energieakkoord. De frequentie is afhankelijk van de voortgang van de doelen en afspraken.

169.Wat wordt van de andere (welke) vakministers verwacht op het gebied van energiebesparingsbeleid (doelstellingen/streefwaarden)?

Antwoord

In het Energieakkoord zijn doelen gesteld en afspraken gemaakt over energiebesparing. Deze doelen en afspraken zijn sectorspecifiek. De ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Milieu en Economische Zaken zijn dan ook verantwoordelijk voor de doelen en afspraken in de eigen sectoren.

170. Worden het concept en het definitieve INEK voorgelegd aan de Kamer alvorens in de Europese Commissie ingediend te worden? Zo ja, gaat dit een wetgevingstraject zijn en wat is dan de planning? Zo nee, hoe gaat het verdere indieningstraject dan verlopen?

Antwoord

Het uitgangspunt van het kabinet is dat het concept en definitieve Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) breed geconsulteerd worden alvorens deze worden ingediend bij de Europese Commissie. Publieke consultatie en consultatie met buurlanden voorafgaand aan indiening bij de Europese Commissie is een vereiste in het voorstel voor de governance verordening. Uw Kamer zal hierbij worden betrokken. Het moment van het indiening van het concept en het definitieve INEK is nog onderdeel van de lopende onderhandelingen in Brussel. Het moment van het indiening van het concept en het definitieve INEK is nog onderdeel van de lopende onderhandelingen. Afhankelijk van het besluit over deze data, zal het proces van consultatie en indiening van het concept INEK mogelijk tegelijkertijd moeten plaatsvinden. Het streven van het Estse voorzitterschap is om in december 2017 een algemene oriëntatie over het voorstel voor governance voor de Energie Unie te bereiken. Mogelijk zal dan meer duidelijkheid komen over de aanlevermomenten. Een besluit over de precieze vorm en het verdere proces, inclusief de wijze waarmee uw Kamer wordt betrokken, wordt aan een volgend kabinet gelaten.

171. Hoe verhouden de te verwachte transitiepaden zich tot de doelstellingen van het klimaatakkoord en de klimaatzaak?

Antwoord

Ambtelijk wordt in kaart gebracht de opties zijn om in 2050 80 tot 95% minder CO2 uit te stoten (ten opzichte van 1990). Dit staat los van de rechtszaak Urgenda/Staat der Nederlanden, aangezien het vonnis in deze rechtszaak ziet op doelstellingen die lopen tot 2020.

172. Hoe wordt de energiedialoog vormgegeven, wie worden daarbij betrokken en wat is hun invloed in de besluitvorming, welke beslispunten zijn er, hoe voorkomt dit vertraging in het energiebeleid en hoe verhouden de uitkomsten van de dialoog zich tot de transitiepaden en tot het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan?

Antwoord

De energiedialoog liep van 7 april tot 8 juli 2016. Met een brief is uw Kamer op de hoogte gebracht van de uitkomsten van de dialoog (kamerstuk 30 196, nr. 484). De energiedialoog heeft inhoudelijke bouwstenen en breed draagvlak geleverd voor de Energieagenda, en daarmee bijgedragen aan het tempo van de energietransitie. De uitwerking van de Energieagenda levert input voor de invulling van het Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK).

Het uitgangspunt van het kabinet is dat het concept en definitieve Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) breed geconsulteerd worden alvorens deze worden ingediend bij de Europese Commissie. Publieke consultatie en consultatie met buurlanden voorafgaand aan indiening bij de Europese Commissie is een vereiste in het voorstel voor de governance verordening.

173. Wanneer krijgt de Kamer het concept Integraal Nationaal Energie- en Klimaatplan (INEK) toegestuurd?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 170.

174. Wat is de rol van woningcorporaties in het convenant energiebesparing gebouwde omgeving?

Antwoord

Het convenant energiebesparing in de gebouwde omgeving is ondertekend door UNETO-VNI, Energie-Nederland, Netbeheer Nederland, de Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie, de Minister van BZK en de Minister van EZ. In het convenant hebben deze partijen afspraken gemaakt over verbeterd inzicht in het eigen energieverbruik voor huishoudelijke en klein-zakelijke verbruikers, de ontwikkeling van de markt voor energiebesparingsproducten en -diensten en financiële stimuli voor besparingsmaatregelen. Maatregelen kunnen zich richten op de gebruikers van kantoorgebouwen mits deze organisaties voor hun energieverbruik niet onder de werking van de Wet Milieubeheer vallen, en (ver)huurders, waaronder woningbouwcorporaties. De opbrengst van het convenant moet additioneel zijn aan de overige afspraken uit het Energieakkoord, waaronder de labelverplichting voor de woningbouwcorporaties die 5 PJ energiebesparing in 2020 moet opleveren.

Met de afspraken uit het convenant energiebesparing in de gebouwde omgeving kan 10 PJ additionele finale energiebesparing gerealiseerd worden in 2020. De eindverantwoordelijkheid voor de voorgenomen besparing vanuit het convenant energiebesparing gebouwde omgeving ligt bij de partijen die het convenant hebben ondertekend. De energieleveranciers hebben een belangrijke rol in het behalen van de voorgenomen energiebesparing aangezien zij verantwoordelijk zijn voor het realiseren van het verbeterd verbruiks- en kostenoverzicht waarop een aanzienlijk deel van de besparing van 10 PJ is gebaseerd.

175. Vallen ook kantoorgebouwen binnen het convenant energiebesparing gebouwde omgeving? Zo ja, bij wie ligt de eindverantwoordelijkheid voor de voorgenomen besparing?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 174.

176. Wat zijn de belangrijkste te verwachten wijzingen in de herziening van de Warmtewet in dienst van de energietransitie?

Antwoord

Met de wijziging van de Warmtewet worden in de eerste plaats de nu ervaren knelpunten, die naar voren zijn gekomen uit de evaluatie van de Warmtewet, opgelost. Dit is belangrijk voor het draagvlak en daarmee een belangrijk onderdeel van de gewenste energietransitie. Het gaat onder meer om aanpassing van de reikwijdte van de wet, waardoor niet langer zoals nu het geval is zowel het huurrecht als de warmtewet van toepassing zijn, en het scheppen van helderheid ten aanzien van de kosten van aansluiting en afsluiting en het beschikbaar stellen van afleversets. Verder beoogt dit wetsvoorstel om de regelgeving voor collectieve warmtelevering beter te laten aansluiten op toekomstige ontwikkelingen in het kader van de energietransitie. Dit gebeurt onder meer door meer ruimte te bieden waar dat mogelijk is, bijvoorbeeld in de tariefstelling, en betere toegangscondities te creëren om de ingroei van duurzame warmtebronnen mogelijk te maken.

Daarnaast voorziet de nota van wijziging bij het voorstel tot wijziging van de Warmtewet in de bevoegdheid voor gemeenten om de aansluitplicht op aardgas bij nieuwbouw te laten vervallen.

177. Is de besparingsopgave van 9 Petajoule energie via de «kaasschaafmethode» te behalen of zijn hiervoor fundamentele wijzigingen nodig?

Antwoord

De Minister van EZ en de Staatssecretaris van Financiën hebben in mei jongstleden een akkoord bereikt met VNO-NCW en de brancheverenigingen over het Addendum op het MEE-convenant. Binnen het Addendum zijn afspraken gemaakt met de deelnemers aan het MEE-convenant om 9 PJ additionele finale energiebesparing te realiseren. De 9 PJ wordt naar rato van energieverbruik onder de bedrijven verdeeld in de vorm van een individuele besparingsopgave. Bedrijven moeten een plan indienen waarin zij aanvullende energiebesparingsprojecten opnemen om aan hun opgave te voldoen. RVO.nl beoordeelt deze plannen. Bedrijven mogen onderling verevenen om aan hun opgave te voldoen. Indien de bedrijven niet gezamenlijk aan de 9 PJ voldoen, moeten de bedrijven met een tekort een boete betalen.

De verwachting van ECN is dat bedrijven binnen de structuur van het MEE-convenant de 9 PJ energiebesparing kunnen behalen. Indien niet aan de afspraken uit het Addendum wordt voldaan, zal een algemene maatregel van bestuur (AMvB) met een energiebesparingsverplichting aan uw Kamer worden aangeboden. In een dergelijke verplichting worden bedrijven op individueel niveau verplicht om een bepaald percentage aan energiebesparing te realiseren in de periode tot en met 2020.

178. Wordt er naast de ISDE-regeling, die slechts als bijkomend effect energiebesparing realiseert, ook extra budget beschikbaar gesteld specifiek gericht op energiebesparing in de bebouwde omgeving?

Antwoord

Eerder heeft de Minister van BZK via verschillende regelingen geld beschikbaar gesteld voor energiebesparing in de gebouwde omgeving: de Stimuleringsregeling energieprestatie huursector voor verhuurders van sociale huurwoningen, het Nationaal Bespaarfonds met leningen voor eigenaar-bewoners en Verengingen van eigenaren (VvE’s), de Subsidie energiebesparing eigen huis (SEEH) voor eigenaar-bewoners en VvE’s en een budget voor gemeenten en bedrijven die energiebesparing stimuleren. De meeste van deze regelingen en fondsen lopen nog. Alleen het budget van de SEEH voor eigenaar-bewoners en voor energieloketten van gemeenten is uitgeput.

Als onderdeel van het convenant energiebesparing gebouwde omgeving 2020 wordt voor de jaren 2017 tot en met 2020 voor de ISDE-regeling van mijn ministerie in totaal € 160 miljoen extra budget beschikbaar gesteld. Met de ISDE-regeling wordt de aanschaf van onder meer kleinschalige warmtepompen en zonneboilers gestimuleerd. Deze technieken hebben een besparingseffect. Het extra budget zal in samenspraak met betrokken partijen worden verdeeld over de jaren tussen 2017 tot en met 2020. Naast het extra budget wordt ook ontzorging van eigenaar-bewoners gestimuleerd door het creëren van de mogelijkheid voor marktpartijen om een collectieve voorafgaande aanvraag te kunnen doen. Dat biedt marktpartijen de mogelijkheid om aantrekkelijke buurt- of wijkgerichte aanbiedingen te ontwikkelen.

179. In hoeverre is het maximaal beperken van onderwatergeluid een harde voorwaarde in de tender(s) voor windenergie op zee?

Antwoord

In de kavelbesluiten wordt, voorafgaand aan de tender, als harde voorwaarde voorgeschreven wat het maximale onderwatergeluid mag zijn. Er is een voorschrift opgesteld met een geluidsnorm welke afhankelijk is van het seizoen en het aantal funderingen dat geheid moet worden.

180. In hoeverre is het een harde voorwaarde in de tender(s) voor windenergie op zee dat er voor materialen wordt gekozen die duurzaam zijn en die tegen begroeiing kunnen (waardoor kraamkamers kunnen ontstaan)?

Antwoord

In de kavelbesluiten is een voorschrift opgenomen dat de vergunninghouder verplicht zich in te spannen om het park natuur-inclusief te ontwerpen en te realiseren. Natuur-inclusief ontwerpen en realiseren kan onder meer door materialen te kiezen waarop bepaalde waardevolle organismen kunnen gaan groeien of die zodanig worden gevarieerd of van vorm zijn dat ze schuilplaatsen kunnen bieden voor bijvoorbeeld vissen.

181. Op welke wijze worden natuurgebieden op zee ontzien bij de aanleg van windparken op zee?

Antwoord

In de procedures voor de aanwijzing van windenergiegebieden en de kavelbesluiten wordt de externe werking van windparken op beschermde natuurgebieden getoetst evenals de effecten op beschermde soorten met behulp van (plan)milieueffectrapporten en daarin opgenomen passende beoordelingen.

182. Kunt u aangeven hoeveel initiatieven marktpartijen tot dusverre hebben genomen of in voorbereiding hebben met betrekking tot de ontwikkeling van aantrekkelijke buurt- of wijkgerichte aanbiedingen, aangezien daar ruimte voor komt binnen de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE)?

Antwoord

In de ISDE is het mogelijk om een collectieve aanvraag te doen voor meerdere apparaten op meerdere locaties. Zakelijke partijen (niet zijnde particulieren), zoals woningcorporaties, verenigingen van eigenaren (vve’s), bedrijven, decentrale overheden en energiecoöperaties, kunnen dan een aantrekkelijk buurt- of wijkgericht aanbod doen voor de installatie van meerdere installaties op meerdere locaties in één keer. Ik kan echter geen specifiek getal geven voor dergelijke initiatieven, omdat onder collectieve aanvragen binnen ISDE ook andersoortige initiatieven vallen.

183. Waar zou omgevingsmanagement niet op kunnen worden toegepast?

Antwoord

Omgevingsmanagement is een methode bedoeld om te komen tot betere en daardoor snellere besluitvorming voor projecten in de fysieke leefomgeving. Ik pas omgevingsmanagement waar mogelijk toe op alle lopende als startende energieprojecten onder de Rijkscoördinatieregeling. Bij startende projecten is er meer tijd en ruimte om dit te doen dan bij projecten die al een aantal jaren lopen of hun afronding naderen. De principes achter het omgevingsmanagement (vroeg in gesprek met belanghebbenden, bouwen aan duurzame relaties en -oplossingen, in gesprek zijn aan de hand van belangen in plaats van standpunten en transparante besluitvorming) zijn breder toepasbaar, bijvoorbeeld bij beleidsprocessen. Deze principes pas ik daarom ook toe in de regionale energiestrategieën en de transitiepaden.

184. Wat wordt specifiek bedoeld met «waar mogelijk worden de uitgangspunten van omgevingsmanagement toegepast aangaande projecten onder de Rijkscoördinatieregeling»? Houdt dit in dat er nog steeds zonder vroegtijdige inspraak gehandeld kan en zal worden? Hetzelfde wordt gevraagd ten aanzien van besluitvorming over de ruimtelijke inpassing door gemeenten en provincie.

Antwoord

Bij alle energieprojecten onder de Rijkscoördinatie is sprake van inspraak, op verschillende momenten in de procedure waaronder aan het begin. Omgevingsmanagement ondersteunt de besluitvormingsprocedure van de Rijkscoördinatieregeling in de vorm van aanvullende omgevingsconsultaties, juist ook voorafgaand aan de formele RCR- procedure. Bij startende projecten is er meer tijd en ruimte om dit te doen dan bij projecten die al een aantal jaren lopen of hun afronding naderen. Gemeenten en provincies hebben vanuit hun bevoegd gezag te maken met dezelfde wettelijke mogelijkheden voor inspraak.

185. Wordt, met het oog op draagvlak, ook de mogelijkheid tot participatie en meedelen in opbrengsten door direct omwonenden van grote energieprojecten verder onderzocht?

Antwoord

Het openstellen van projecten voor financiële participatie en het meedelen in de opbrengsten is aan de eigenaars en initiatiefnemers van de verschillende projecten. Steeds vaker stellen gemeenten en provincies hier ook eisen aan. Ook vanuit EZ worden initiatiefnemers opgeroepen aandacht te besteden aan omgevingsmanagement, en daarmee ook om waar opportuun financiële participatie mogelijk te maken. Dit gebeurt onder andere aan de hand van gedragscodes die in verschillende sectoren (wind, olie en gas) inmiddels zijn opgesteld.

186. Kan worden toegelicht waarom per 2018 de post ISDE-regeling niet meer als aparte post wordt opgevoerd?

Antwoord

De ISDE zal ook in de jaren 2018 e.v. als aparte post worden verantwoord. Ten behoeve van de ISDE-regeling wordt jaarlijks een bedrag afgezonderd van de voor de SDE+ beschikbare middelen. Welk deel is afhankelijk van het beroep dat naar verwachting op de regeling zal worden gedaan, onder meer gebaseerd op ervaringsgegevens. Eind 2017 zal het budget voor de ISDE voor 2018 worden vastgesteld, mede op basis van het beroep dat in 2017 op de regeling is gedaan.

187. Kan worden toegelicht waarom per 2018 de post Elektrisch rijden niet meer als aparte post wordt opgevoerd?

Antwoord

Vanaf 2018 valt elektrisch rijden niet meer onder artikel 4, maar onder artikel 2. Op dit artikel worden op verschillende posten middelen beschikbaar gesteld voor elektrisch vervoer. Zo is onder de post «Groene Groei en Biobased Economy» € 0,3 miljoen beschikbaar voor subsidie aan het Nationaal Kennisplatform Laadinfra. Verder is onder «overige subsidies» € 1,56 miljoen beschikbaar voor de Green Deal Laadinfra. Tenslotte is voor de uitvoering van het beleid met betrekking tot elektrisch vervoer € 0,8 miljoen beschikbaar als onderdeel van de bijdrage aan RVO.nl.

188. Hoeveel ontvangen de huishoudens met de laagste 10% inkomen aan ISDE-subsidie? Hoeveel is dat voor de inkomensgroep met de 10% daaropvolgende laagste inkomens? Kan dit voor de ISDE-regeling per deze stappen van 10% voor alle huishoudens worden uitgesplitst?

Antwoord

Dat is mij niet bekend. Zoals vermeld kunnen naast woningeigenaren en huurders (particulieren) ook woningcorporaties, decentrale overheden en bedrijven (zakelijke markt) subsidie aanvragen. Bij het aanvragen van subsidie wordt niet gevraagd naar het inkomen van het huishouden aangezien dat niet relevant is voor de beoordeling van de subsidieaanvraag, ook omdat de installatie dan al geïnstalleerd en betaald is. De ISDE is immers ontworpen om op eenvoudige wijze subsidie aan te vragen met zo min mogelijk administratieve lasten en lage uitvoeringslasten. Dit past binnen het rijksbreed bindend raamwerk voor uitvoering van subsidies (RUS) en het streven naar een doelmatige uitvoering.

189. Welk percentage van de SDE+-regeling is tot nu besteed aan mestvergisters en biomassa?

Antwoord

In mijn brief van 27 januari 2017 (Kamerstuk 31 239, nr. 255) is de stand van zaken van de stimuleringsregelingen voor hernieuwbare energieproductie weergegeven. Hierin zijn de kasuitgaven voortkomend uit de SDE+ regelingen vermeld per kalenderjaar en uitgesplitst naar categorieën, waaronder biomassa. Opwekking van hernieuwbare elektriciteit, warmte en gas middels mestvergisting is daarvan een deelverzameling. Met de openstellingen van de SDE+ van 2012 tot en met 2016 is een verplichting van in totaal € 2,5 miljard aangegaan voor mestvergisting. Dit is de maximale verplichting over de looptijd van subsidiebeschikkingen, die afhankelijk van de werkelijke energieproductie en de marktprijzen voor energie tot uitbetaling kan komen. In 2016 bedroegen de kasuitgaven voor mestvergisting uit de SDE+ € 12,7 miljoen, dit staat gelijk aan 7,4% van SDE+ kasuitgaven in het betreffende jaar.

190. Hoeveel geld zit er in 2018 in de begrotingsreserve duurzame energie?

Antwoord

Begin 2017 bedroeg de stand van de begrotingsreserve duurzame energie € 1.474 miljoen. Ten tijde van het opstellen van de begroting was de verwachting dat daaraan eind 2017 een bedrag van per saldo € 233 miljoen zou worden toegevoegd, zodat de stand van de begrotingsreserve begin 2018 € 1.707 zou bedragen. Inmiddels is de verwachting dat er eind 2017 per saldo € 262 miljoen zal worden toegevoegd, waarmee de begrotingsreserve begin 2018 zou uitkomen op € 1.736 miljoen. Overigens moet daarbij worden aangetekend dat bij deze standen van de begrotingsreserve geen rekening is gehouden met een bijstelling van de ramingen van de uitgaven voor duurzame energie (en de inzet daarbij van de begrotingsreserve of een deel daarvan) in verband met het aantreden van een nieuw kabinet.

191. Op welke aanname is de daling voor de bijdrage voor de uitkoopregeling gebaseerd en is dit realistisch aangezien er na 2020 een toename in de seismiciteit wordt voorzien en aangezien stapeling van schades leidt tot een toename van het aantal onherstelbare dan wel onverkoopbare woningen in de gaswinningsregio?

Antwoord

De budgetreeks op pagina 80 in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid artikel 4» voor de uitkoopregeling heeft, zoals toegelicht op pagina 86, betrekking op de vrijwillige uitkoopregeling voor woningen die loodrecht onder de hoogspanningslijnen staan van 220 kV en 380 kV verbindingen en 110 kV en 150 kV verbindingen buiten de bevolkings-kernen.

Op artikel 5 »Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen» staan middelen voor «instrumentarium woningmarkt». Er is € 10 miljoen beschikbaar voor de opzet van het woonbedrijf en € 4 miljoen voor het fonds achterstallig onderhoud. In de pilot koopinstrument wordt de daadwerkelijke uitkoop door NAM gefinancierd. Zij heeft hiervoor € 10 miljoen beschikbaar gesteld.

Dit betreft echter de uitkoop in relatie tot aardbevingsschade en houdt geen verband met de vrijwillige uitkoop van woningen onder hoogspanningskabels in de reeks op artikel 4.

Op dit moment wordt er gewerkt aan de invulling van het vervolg op de pilot koopinstrument. Daarbij wordt ook gekeken wordt naar de termijn waarvoor dit vervolg gaat gelden.

192. Hoe gaat de voorziene stijging van de ODE (opslag duurzame energie) in 2018 vertaald worden naar de energierekening van huishoudens? Wat betekent dit voor de energierekening van een huishouden met een laag inkomen?

Antwoord

Met het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet opslag duurzame energie (in verband met de vaststelling van tarieven voor 2018), dat ik op 19 augustus jl. aan uw Kamer heb aangeboden, worden de tarieven voor de Opslag Duurzame Energie vastgesteld, conform de afspraken die hierover in het Regeerakkoord zijn gemaakt. Ondanks een verwachte toename van de ODE in 2018 van circa 41 euro voor een gemiddeld huishouden zal de energierekening voor een gemiddeld huishouden in 2018 naar verwachting niet of nauwelijks toenemen. Dit komt ten dele door de ontwikkeling van de gas- en elektriciteitsprijzen. Daarnaast blijkt uit de NEV 2016 dat het gemiddelde gas- en elektriciteitsverbruik voor huishoudens in de jaren tot en met 2020 een dalende trend vertoont. Dat komt door voortschrijdende energiebesparing en door toenemende productie van zonne-energie op daken van woningen.

Over de specifieke ontwikkeling van de energierekening voor lage inkomens is geen informatie voorhanden. Er is sprake van een heterogeen beeld dat onder andere afhankelijk is van de woonsituatie en de gezinssamenstelling waardoor geen eenduidig beeld kan worden geschetst.

193. Hoe gaat de voorziene stijging van de Opslag Duurzame Energie (ODE) in 2020 vertaald worden naar de energierekening van huishoudens? Wat betekent dit voor de energierekening van een huishouden met een laag inkomen

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 192.

194. Hoeveel dragen de huishoudens met de laagste 10% aan inkomen bij aan de ODE? Hoeveel is dat voor de inkomensgroep met de 10% daaropvolgende laagste inkomens? Kan dit voor de ODE-regeling per deze stappen van 10% voor alle huishoudens worden uitgesplitst?

Antwoord

Een eenduidig beeld omtrent het aardgas- en elektriciteitsverbruik naar inkomensgroep van huishoudens ontbreekt en daarom is het op basis van de beschikbare informatie ook niet mogelijk om de opbrengsten van de ODE naar inkomensgroep te herleiden. Er is sprake van een heterogeen beeld dat onder andere afhankelijk is van de woonsituatie en de gezinssamenstelling. Maar ook de leeftijd van eventueel aanwezige kinderen in het gezin speelt een rol. Ook zijn woningtype, de grootte van de woning en het bouwjaar van invloed op het energieverbruik. Dit heterogene beeld doet zich binnen en tussen alle inkomensgroepen voor en leidt ertoe dat geen eenduidige uitspraken gedaan kunnen worden over het specifieke energieverbruik bij een bepaald inkomensniveau. Omdat het specifieke energieverbruik derhalve onbekend is, kan ook niet exact becijferd worden hoeveel huishoudens in afzonderlijke inkomensgroepen bijdragen aan de ODE.

195. Waaruit is de post aardgasbaten over 2017 opgebouwd? Waarom liggen de opbrengsten over 2017, ondanks verlaging van de gaswinning in Groningen, hoger ten opzichte van 2016?

Antwoord

De aardgasbaten zijn opgebouwd uit afdrachten van NAM op basis van privaatrechtelijke afspraken, afdrachten van olie- en gasmaatschappijen op grond van de Mijnbouwwet, winstuitkeringen van Energie Beheer Nederland (EBN) en dividenduitkeringen van EBN en GasTerra. In 2016 heeft er een eenmalige verrekening plaatsgevonden met EBN waardoor de gasbaten in dat jaar extra werden verlaagd. In 2017 is van een dergelijke verrekening geen sprake. Hierdoor zullen de aardgasbaten in 2017 naar verwachting hoger zijn dan in 2016.

Op grond van een overeenkomst tussen EBN en de Staat keerde EBN in 2015 maandelijks bijzondere winstuitkeringen uit. Als gevolg van de aanzienlijke daling van de olie- en gasprijzen heeft EBN in het vierde kwartaal van 2015 forse afwaarderingen moeten boeken op een aantal deelnemingen. Als consequentie van de systematiek van maandelijkse bijzondere winstuitkeringen, in combinatie met door EBN gerealiseerde negatieve netto winsten in de maanden van het vierde kwartaal van 2015, is er over het jaar 2015 door EBN meer aan voorlopige betalingen uitgekeerd aan de Staat dan er netto winst over 2015 is gerealiseerd. Daarom is in 2016 uiteindelijk een bedrag van € 453 miljoen van de Staat aan EBN teruggestort (zie ook Kamerstuk 34 475 XIII, nr. 1). Om deze verrekeningen in de toekomst te voorkomen, vinden de bijzondere winstuitkeringen inmiddels op kwartaalbasis plaats en wordt er gedurende het jaar door EBN een buffer van € 300 miljoen aangehouden, die pas na afloop van het jaar wordt uitgekeerd aan de Staat.

196. Wat zijn de bijdragen aan projecten op het gebied van mijnbouw/bodembeweging en hoe groot is de ondersteuning van de uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR)? Waaruit bestaat de ondersteuning in de uitvoering van de RCR?

Antwoord

De bijdragen aan projecten op het gebied van mijnbouw/bodembeweging bedragen € 4.567.000 en de ondersteuning van de uitvoering van de Rijkscoördinatieregeling (RCR) door RVO.nl bedraagt € 2.344.000. De ondersteuning in de uitvoering van de RCR wordt uitgevoerd door bureau energieprojecten. Dit bureau voert de coördinatie uit van de voor RCR projecten benodigde besluiten (vergunningen en ontheffingen).

197. Hoeveel fulltime-equivalent (fte) is er bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) gericht op dierenwelzijn en natuur?

Antwoord

Bij de NVWA zijn 93 fte werkzaam op het terrein van dierenwelzijn en 40 fte op het terrein van natuur, in totaal dus 133 fte (per 1 oktober 2017).

198. Voor welke doeleinden wordt er geld uit de begrotingsreserve duurzame energie onttrokken?

Antwoord

De opzet van de begrotingsreserve duurzame energie is dat via deze begrotingsreserve onbesteed gebleven middelen beschikbaar blijven voor uitgaven in latere jaren voor hetzelfde doel, te weten duurzame energie.

Als er kasmiddelen voor duurzame energie in enig jaar niet zijn uitgegeven, dan worden deze gestort in de begrotingsreserve. In jaren waarin meer uitgaven moeten worden gedaan voor duurzame energie dan er kasmiddelen beschikbaar zijn in de begroting, kan een beroep worden gedaan op de begrotingsreserve voor aanvulling van de begroting.

199. Waarom is ervoor gekozen om het resterende budget van de duurzame energieregelingen in de begrotingsreserve duurzame energie te storten?

Antwoord

Het totaal van alle voor duurzame energie beschikbare kasmiddelen is nodig voor het bereiken van de doelstellingen. Minder duidelijkheid is er over het moment waarop deze middelen nodig zijn. Daarom is er voor gekozen om, als er in enig jaar middelen overblijven, de overgebleven middelen beschikbaar te houden tot het moment dat ze wel benodigd zijn. Dat gebeurt met gebruikmaking van de begrotingsreserve duurzame energie.

200. Worden er naast de bijdragen in apparaatskosten Stichting COVA over 2016 en 2017 nog verdere bijdragen gedaan aan deze stichting? Zo ja, welke en over welke jaren?

Antwoord

De ontvangsten COVA op artikel 4 van de EZ-begroting betreffen de ontvangsten uit hoofde van de voorraad-heffing die is vastgesteld in de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012. De uitgavenreeks op artikel 4 van de EZ-begroting betreft de doorsluis van de ontvangen voorraadheffingen naar de COVA om de operationele kosten en financieringslasten van COVA te dekken. Zowel de ontvangsten als de uitgavenreeks op artikel 4 van de EZ-begroting zijn meerjarig geraamd op € 111 miljoen per jaar. De post apparaatskosten stichting COVA, die op artikel 40 van de EZ-begroting wordt vermeld, betreft het deel van de uitgaven (in 2016 ca 1,7%) dat de COVA uitgeeft aan de kosten voor personeel, huisvesting en afschrijving en de inhuur van diensten.

Buiten de jaarlijkse uitgaven aan de COVA, die worden verantwoord op de uitgaven reeks «doorsluis COVA heffing» op artikel 4 van de EZ-begroting, worden er geen andere bijdragen gedaan aan de Stichting COVA.

201. Is na 2018 helder in beeld hoe aardgaswinning leidt tot het ontstaan van bodembeweging en aardbevingen?

Antwoord

Door het omvangrijke netwerk van seismometers in Groningen komen er voortdurend nieuwe meetgegevens over aardbevingen beschikbaar. Deze meetgegevens leren ons steeds meer over het mechanisme van aardbevingen. Omdat het verschijnsel zich afspeelt op grote diepte, blijft het lastig – ook ná 2018 – om heel precieze voorspellingen over aardbevingen te doen.

202. Kunt u een overzicht geven van alle buitenlandse kernreactor-initiatieven waarvan men nu voorziet dat die dezelfde taken zouden kunnen uitvoeren als de Pallas-reactor?

Antwoord

De Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten verzorgt momenteel 70% van de Europese markt voor wat betreft het meest gebruikte isotoop molybdeen-99. Samen met de BR-2 reactor in België wordt in bijna 100% van de Europese behoefte voorzien. De BR-2 reactor heeft een licentie om te produceren tot 2026. Er is nog niet besloten of deze reactor dan stopt of nog een aantal jaren zal doorgaan met productie. Naast het diagnose-isotoop Molybdeen-99 produceert de HFR onder meer ook jodium-131, lutetium-177 en iridium-192. Deze isotopen worden vooral gebruikt voor therapeutische doeleinden (behandeling). Ook een toekomstige reactor zal een uitgebreide scala van diagnostische- en therapeutische isotopen kunnen moeten gaan produceren. Gezien de wereldwijde markt voor isotopen, hoeft deze reactor niet per se in Nederland te komen. Pallas is op dit moment wel het meest vergevorderde Europese initiatief om in de toekomstige vraag naar medische radioisotopen te voorzien. De Pallas reactor kan naar verwachting in 2025 operationeel zijn.

Nieuwe kernreactorinitiatieven in Europa zijn de FRM-II reactor in Duitsland en de Jules Horowitz reactor in Frankrijk (verwachte opening in 2022). Beide reactoren samen zullen qua productieschaal ver onderdoen voor de productie van de HFR en de BR-2. De FRM-II reactor draait al wel maar is nog niet geschikt gemaakt voor het maken van molybdeen-99. Hieraan wordt op dit moment gewerkt. De Jules Horowitz reactor zal zich vooral richten op onderzoeksactiviteiten. De verwachting is dat deze Franse reactor slechts een geringe hoeveelheid molybdeen-99 kan leveren en geen andere isotopen kan produceren. Verder zal naar verwachting de BR-2 reactor in België pas in 2034 worden opgevolgd door de Myrrha-reactor. Nieuwe initiatieven buiten Europa (Argentinië en Korea) zijn zeer kleinschalig en worden vanwege lange afstand en het verval in radioactiviteit als ongeschikt en inefficiënt beschouwd om de voorzieningszekerheid in Europa te borgen.

203. Hoe borgt u dat bij aantoonbare levensvatbaarheid van veiligere alternatieven het Pallas-project wordt gestaakt ten gunste van het veiligere alternatief?

Antwoord

In de besluitvorming over het Pallas project en mogelijke alternatieve technologieën staat de borging van de voorzieningszekerheid van medische radioisotopen in Nederland centraal met in achtneming van de voorwaarden die de overheid stelt aan nucleaire veiligheid en financiële zekerheidsstelling. Ten aanzien van de nucleaire veiligheid ziet de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) er op toe dat Pallas voldoet aan de voorwaarden die daaraan worden gesteld in Kernenergiewet. Het standpunt van het huidige kabinet is dat de bouw en exploitatie van Pallas privaat gefinancierd worden.

Zoals aangegeven in het eindrapport van de interdepartementale hoogambtelijke werkgroep nucleair landschap (Kamerstuk 30 196, nr. 203) is door het RIVM geconcludeerd dat er na sluiting van de HFR (voorzien in 2025) een reactor nodig is voor de productie van medische isotopen om de internationale voorzieningszekerheid te garanderen. Op dit moment is er geen volwaardige alternatieve productiemethode beschikbaar die op voldoende schaal het gehele spectrum aan medische radioisotopen kan leveren. Het is onzeker of een dergelijke productiemethode tijdig beschikbaar komt, en, zo ja, hoe lang het zal duren voordat dergelijke initiatieven technisch zijn uitontwikkeld. Het Lighthouse initiatief is veelbelovend en heeft als voordeel dat er minder radioactief afval zal worden geproduceerd. De technische haalbaarheid van het initiatief wordt nog onderzocht en de techniek richt zich vooralsnog alleen op de productie van één isotoop (Molybdeen-99). Als vervolg op het eindrapport van de interdepartementale hoogambtelijke werkgroep nucleair landschap wordt op dit moment verkend hoe beide trajecten zich tot elkaar verhouden en in hoeverre ze elkaar op onderdelen kunnen versterken of vervangen. Over de resultaten hiervan zal uw Kamer nader worden geïnformeerd.

versterken of vervangen. Over de resultaten hiervan zal uw Kamer nader worden geïnformeerd.

204. In hoeverre staat de heffing op aardolieproducten, bedoeld voor het dekken van de kosten van het aanhouden van voorraden, de energietransitie in de weg?

Antwoord

De voorraadheffing op aardolieproducten, op dit moment 0,8 ct/l motorbrandstoffen, dient om de exploitatiekosten te dekken van de Stichting COVA (Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieproducten). Deze heffing staat de energietransitie niet in de weg. De COVA houdt een groot deel van de strategische olievoorraden van Nederland aan. Met deze voorraden geeft Nederland invulling aan de internationale verplichtingen in het kader van het IEA (Internationale Energie Agentschap) en de EU (Europese Unie) tot het aanhouden van een strategische olievoorraad. Deze worden ingezet in geval er een fysieke aanvoerverstoring optreedt in Nederland of in de wereldoliemarkt. Hiermee wordt in geval van een oliecrisis de stabiliteit van de oliemarkt verbeterd en wordt er zo veel mogelijk vermijdbare economische schade voorkomen.

205. Op welke wijze komen investeringen die via de Demonstratieregeling Energie-innovatie voor de export weer ten goede aan het duurzaamheidsbeleid? Wat zijn de verwachte opbrengsten en hoe vloeien deze weer terug richting het Rijk?

Antwoord

Nederlandse bedrijven kunnen met de demonstratieregeling energie-innovatie (DEI) tot € 6 miljoen per project ontvangen voor het demonstreren van nieuwe innovatieve producten op het gebied van hernieuwbare energie of energiebesparing. De nadruk ligt hierbij op de bijdrage die de betreffende innovatie kan leveren aan de Nederlandse economie. Hierbij wordt getoetst op de bijdrage van de projecten aan werkgelegenheid, omzet en exportpotentieel. De DEI is een investeringssubsidie voor innovatieve producten die zonder subsidie nog niet rendabel zijn. De verwachte opbrengsten vloeien dus niet direct terug naar het Rijk. De investeringen komen wel ten goede aan het duurzaamheidsbeleid doordat innovatieve bedrijven leerervaringen opdoen waarmee ze hun producten kunnen verbeteren en de toepassing van de producten tot energiebesparing en hernieuwbare energieproductie in Nederland leidt. Indien succesvol kunnen de producten (in de toekomst) geëxporteerd worden.

206. Welke (soort) bedrijven en projecten ontvangen middelen via de Demonstratieregeling Energie-innovatie?

Antwoord

Het grootste deel van de subsidies gaan naar het midden- en kleinbedrijf (mkb).Van de subsidieontvangers betreft 60% het mkb en 30% grote bedrijven, de resterende 10% betreft kennisinstellingen en overige partijen zoals stichtingen en waterschappen. De projecten beslaan verschillende onderwerpen, waaronder energiebesparing in de gebouwde omgeving en industrie (50% van het toegewezen budget), en hernieuwbare energieproductie (36% van het toegewezen budget). Het gaat daarbij om innovatieve projecten waarbij steeds voor het eerst een nieuwe techniek of nieuwe dienst wordt toegepast.

207. Hoeveel bedrijven ontvangen middelen via de Demonstratieregeling Energie-innovatie? Welk percentage van het totale budget van deze regeling is dat?

Antwoord

In totaal ontvingen tot op heden 114 bedrijven subsidie via de demonstratieregeling energie-innovatie (76 mkb en 38 grote bedrijven). Samen ontvingen deze bedrijven 84% van het totale budget. Het overige deel van het budget gaat bijvoorbeeld naar kennisinstellingen. Deze gegevens zijn gebaseerd op de jaren 2014 (start van de regeling) tot en met 2016.

208. Is er voldoende ruimte gereserveerd in de begroting voor eventuele extra energiemaatregelen die moeten worden genomen naar aanleiding van de Nationale Energieverkenning 2017?

Antwoord

De Nationale Energieverkenning 2017 (NEV 2017) zal naar verwachting eind oktober of begin november worden gepubliceerd. Mocht uit de NEV 2017 blijken dat de doelstellingen uit het energieakkoord niet worden behaald zonder aanvullend beleid, dan zal het nieuwe kabinet daar een besluit over moeten nemen. Eventuele maatregelen moeten worden ingepast in de begroting.

209. Welke aanwijzingen heeft u dat er in Nederland ETS-bedrijven zijn die overwegen weg te gaan vanwege de CO2-kosten in hun elektriciteitsverbruik ten gevolge van emissiehandel, die u voor hen nu compenseert?

Antwoord

In gesprekken met de industrie hebben bedrijven hun zorgen hierover kenbaar gemaakt. De industrie vindt een level playing field belangrijk en ziet eventuele aantasting daarvan als beperkend voor investeringen in Nederland.

Bij een beslissing over vestiging of gevestigd blijven, spelen voor bedrijven vele factoren een rol, waarvan de prijs van energie er één is. Het is niet mogelijk om dergelijke beslissingen terug te voeren op slechts één van deze factoren. Regelingen zoals de compensatie van indirecte kosten onder het ETS zijn echter wel onderdeel van de bredere overweging die bedrijven maken. De regeling wordt in het kader van de evaluatie regeling indirecte kosten ETS onderzocht. Ik zal uw Kamer over de uitkomsten van de evaluatie informeren.

210. Hoeveel van het totale SDE+-budget gaat naar wind op zee, hoeveel naar wind op land, hoeveel naar zonne-energie en hoeveel naar biomassa?

Antwoord

Het aandeel van de verschillende technieken binnen de SDE+ verschilt per jaar. Er worden vooraf geen budgetten per techniek bepaald, maar alle toegestane technologieën dingen op basis van kostprijs mee naar het beschikbare budget. Wind op zee, dat via aparte tenders wordt uitgerold, vormt hierop een uitzondering. Graag verwijs ik u mijn brief van 27 januari 2017 (Kamerstuk 31 239, nr. 255, figuur 1) waar een overzicht is gegeven van het verplichtingenbudget van de SDE+ over de verschillende categorieën vanaf het jaar 2011. In de meest recente openstelling van de SDE+ (voorjaar 2017) is het grootste deel van het budget toegekend aan projecten met zonne-energie. SDE+ projecten ontvangen alleen subsidie, indien zij daadwerkelijk hernieuwbare energie opwekken. Pas vanaf dan zullen er kasuitgaven plaatsvinden. Voor een gedetailleerd overzicht van de kasuitgaven per technologie verwijs ik u naar de jaarlijkse rapportage op de website van RVO.nl.9

211. Hoeveel van het totale SDE+-budget gaat naar hoeveel bedrijven?

Antwoord

Met de SDE+ stimuleert het kabinet de kosteneffectieve uitrol van hernieuwbare energieproductie. De SDE+ staat in beginsel open voor alle ontwikkelaars van hernieuwbare energieprojecten, waaronder burgers, bedrijven, instellingen en decentrale overheden. De enige uitzondering is de rijksoverheid zelf. Hoewel het merendeel van de SDE+ wordt toegekend aan bedrijven of consortia van bedrijven, hebben onder andere stichtingen, verenigingen en decentrale overheden zoals gemeenten en waterschappen SDE+ beschikkingen ontvangen. Bij de aanvraag van projecten zijn vaak meerdere partijen betrokken, in dat geval wordt een aanvraag ingediend door een projectconsortium met een daartoe opgerichte entiteit. Daarom heb ik geen eenduidige informatie over het aandeel bedrijven of huishoudens. Een volledig overzicht met projecten en aanvragers die een beschikking hebben ontvangen is te vinden op de interactieve database «Volg SDE+», op website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.10

Gezien de minimale schaalgrootte waar de SDE+ zich op richt ligt het minder voor de hand dat huishoudens gebruik maken van de SDE+. Ter illustratie, de SDE+ staat open voor zonprojecten vanaf een omvang van 15 kWp, dat grofweg 60 zonnepalen omvat. Kleinschaligere projecten voor hernieuwbare energie worden onder andere ondersteund door de salderingsregeling, de postcoderoosregeling en de ISDE regeling.

212. Hoeveel van het totale SDE+-budget gaat naar hoeveel huishoudens?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 211.

213. Welke indirecte kosten worden gecompenseerd met de ETS-compensatieregeling? Welke (soort) bedrijven ontvangen middelen uit deze regeling?

Antwoord

In het Energieakkoord is afgesproken dat de rijksoverheid compensatie geeft aan energie-intensieve bedrijven voor de indirecte emissiekosten van het EU-ETS en hiervoor in de periode 2013 tot en met 2020 budget beschikbaar stelt. De subsidieregeling indirecte emissiekosten ETS compenseert bedrijven die hogere elektriciteitskosten hebben als gevolg van emissiehandel. Europese elektriciteitsproducenten zijn namelijk onder het ETS verplicht om voor hun CO2-uitstoot emissierechten aan te kopen en/of in te leveren. De kosten hiervan berekenen ze door in de elektriciteitstarieven. Vijftien sectoren die door de Europese Commissie worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico als gevolg van de indirecte kosten ETS komen in aanmerking voor compensatie hiervoor. Daarmee wordt bedoeld dat de indirecte emissiekosten als gevolg van het ETS voor deze bedrijven een concurrentienadeel kunnen vormen ten opzichte van bedrijven uit andere landen die niet deelnemen aan het ETS. Hierdoor is er een risico op het weglekken van investeringen en CO2-emissies naar landen buiten Europa waarbij CO2 niet of niet in dezelfde mate wordt beprijsd. De bedrijven die voor deze regeling in aanmerking komen zijn onder meer bedrijven uit de staal-, aluminium, kunstmest- en papiersector.

In de Europese richtsnoeren voor staatssteun in het kader van ETS is afgesproken dat de maximale steunintensiteit niet hoger mag zijn dan 85% van de indirecte emissiekosten voor de periode 2013, 2014 en 2016. De steunintensiteit wordt richting 2020 afgebouwd naar 75% van de indirecte emissiekosten. Nederland stelt daarbij als aanvullende eis dat de aanvragers moeten zijn aangesloten bij een energiebesparingsconvenant voor de industrie en in het jaar van de aanvraag een goedgekeurde voortgangsverklaring in het kader van het convenant moeten kunnen overleggen. Op die manier is er een extra prikkel voor energiebesparing en wordt de eventuele verzwakking van de prikkel om de CO2-uitstoot te verminderen ingeperkt.

214. Kan verder worden toegelicht waarom bedrijven worden gecompenseerd voor de ETS-regeling? Hoe verhoudt deze compensatieregeling zich tot het beleidsdoel om via de ETS bedrijven te stimuleren duurzamer te produceren?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 213.

215. Hoeveel ontvangen de huishoudens met de laagste 10% inkomen aan SDE+-subsidie? Hoeveel is dat voor de inkomensgroep met de 10% daaropvolgende laagste inkomens? Kan dit voor de SDE+-regeling per deze stappen van 10% voor alle huishoudens worden uitgesplitst?

Antwoord

Voor de SDE+ wordt geen informatie ten aanzien van inkomensgegevens van huishoudens uitgevraagd. Om deze reden kan ik uw vraag niet beantwoorden.

216. Hoeveel geld is er gereserveerd voor de afvang, gebruik en opslag van CO2?

Antwoord

Er is € 4,36 miljoen gereserveerd voor de uitvoering van de projecten die een subsidiebeschikking hebben gekregen onder het ERANET Cofund ACT I programma. ACT is een Europese samenwerking, waarbij verschillende Europese landen en de Europese Commissie internationale projecten subsidiëren gericht op de ontwikkeling en toepassing van CCS.

Daarnaast is er € 2 miljoen gereserveerd om de kosten van CCS beter in beeld te krijgen, wat belangrijk is om bredere uitrol te kunnen realiseren. Dit budget wordt ingezet voor cofinanciering van haalbaarheidsstudies.

217. Ziet u carbon capture and storage (CCS) als «onvermijdelijk» bij het volledig duurzaam maken van de elektriciteitsvoorziening of geldt deze kwalificatie alleen voor de industrie?

Antwoord

De analyse van PBL en ECN, die ik 9 oktober jl. aan uw Kamer heb aangeboden (Kamerstuk 32 813, nr. 155), laat zien dat CCS onvermijdelijk is om 95% reductie ten opzichte van 1990 te halen in 2050. Hierbij is CCS met name belangrijk om de industrie te verduurzamen, omdat er in een aantal industriële sectoren vooralsnog geen alternatieven voorhanden zijn. Voor de volledige verduurzaming van de elektriciteitsproductie lijken er in 2050 kostenefficiëntere maatregelen te zijn. Echter, in de analyses is gekeken naar de huidige technologieën. Mogelijk dat technologische ontwikkelingen leiden tot kostenefficiëntere toepassing van CCS bij de elektriciteitsproductie.

218. Geldt de garantie ook bij geothermie voor het risico (met name tijdens de exploitatie) dat de opbrengst minder is dan vooraf ingeschat en zo nee, op welke termijn wordt er een garantie gesteld voor dit risico?

Antwoord

De huidige garantieregeling (RNES) dekt het geologisch risico van een aardwarmteproject, oftewel het risico dat er op de beoogde locatie een minder grote volumestroom of een minder gunstige temperatuur kan worden onttrokken dan voorzien.

Er bestaat op dit moment geen verzekering die een project tijdens de exploitatiefase dekt. Dat betekent dat als zich tijdens de productie van de duurzame warmte problemen voordoen, het risico bij de exploitant ligt.

219. In hoeverre verwacht u dat het potentieel van aardwarmte van 11 Petajoule in 2020 ook volledig benut kan worden? Waarom heeft u deze verwachting op 2020 gezet? En kunt u ook een indicatie geven voor het potentieel van aardwarmte voor na 2020?

Antwoord

ECN gaat in de Nationale Energieverkenning (NEV) 2016 uit van ongeveer 7 PJ aan toepassing van geothermie in 2020. Uitgaand van het aantal verleende opsporingsvergunningen zijn er voldoende projecten in ontwikkeling om de verwachting van 11 PJ in 2020 te realiseren. Er spelen daarbij nog wel factoren die de ontwikkeling kunnen hinderen, zoals onvoldoende financiële robuustheid van de initiatiefnemers. Om dit knelpunt weg te nemen is de energietransitie financieringsfaciliteit (ETFF) opgezet. ECN heeft hier bij de NEV 2016 nog geen rekening mee kunnen houden.

In de tweede helft van 2016 ben ik samen met betrokkenen in de sector gestart met het verbeterplan geothermie, waarin bekeken wordt hoe geothermie kan uitgroeien tot een volwassen technologie die een belangrijke bijdrage kan leveren aan de energietransitie. Hierbij wordt ook gekeken naar het potentieel van geothermie. Het verbeterplan geothermie» is in een afrondende fase en uw Kamer wordt naar verwachting in het najaar van 2017 over de uitkomsten van dit verbeterplan geïnformeerd, inclusief een inzicht in het potentieel voor geothermie na 2020.

220. Waarop het is «het potentieel van aardwarmte van 11 Petajoule in 2020» gebaseerd en is dit een veilige, reële schatting of een onderschatting?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 219.

221. Zijn er in de begroting middelen opgenomen om in beeld te brengen waar aardwarmte een bijdrage kan leveren aan de warmtevoorziening en waar niet?

Antwoord

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 219 ben ik in de tweede helft van 2016 gestart met het verbeterplan geothermie. Hierin wordt ook gekeken wat er nodig is om aardwarmte te versnellen. Hierbij wordt specifiek gekeken naar wat er nodig is om de kennis en informatie van de ondergrond op een zodanig niveau te brengen, zodat de potentie van alle gebieden in Nederland voor geothermie duidelijker wordt en de kans van slagen van geothermie projecten wordt vergroot. In het verbeterplan geothermie wordt gekeken welke onderzoeken hiervoor nodig zijn (seismiek en boringen) en wat de kosten daarvan zijn.

222. Welk percentage en welk bedrag van het «kennisprogramma effecten mijnbouw» wordt besteed aan de effecten voor de (Wadden)zee en natuur?

Antwoord

In het «kennisprogramma effecten mijnbouw» worden de onderzoeksvragen thematisch gebundeld, omdat aan veel effecten van mijnbouw eenzelfde of vergelijkbaar te onderzoeken gedrag van de ondergrond ten grondslag ligt. De uitkomsten van de onderzoeken dragen daardoor bij aan een brede diversiteit van vraagstukken rondom bodembeweging. Het is daardoor niet mogelijk om de kosten per individueel vraagstuk aan te geven.

223. Waar zijn de resultaten van het SodM-onderzoek te vinden?

Antwoord

De onderzoeken die SodM uitvoert, publiceert zij op de SodM-website. De onderzoeken die SodM in het kader van het «kennisprogramma effecten mijnbouw» laat uitvoeren, zullen ook via een afzonderlijke website van het kennisprogramma beschikbaar komen.

224. Waar is de – in de brief (Kamerstuk 31 865, nr. 79) beloofde – 66 miljoen euro per jaar in de periode 2021–2026 te laten vrijvallen van het ETS-budget te vinden? Kunt u dit explicieter aangeven en de staart op pagina 90 transparanter uitsplitsen?

Antwoord

Deze bedragen zijn terug te vinden in de budgettaire tabel van artikel 4 onder de post «storting in de begrotingsreserve duurzame energie» (blz. 79). Omdat de budgettaire tabel in de begroting 2018 een overzicht geeft t/m 2022 zijn nu alleen nog de bedragen voor 2021 en 2022 zichtbaar. Zoals aangegeven in de brief wordt er echter ook in de jaren 2023 t/m 2026 jaarlijks een bedrag van € 66 miljoen teruggestort in de begrotingsreserve duurzame energie. Dit zal de komende jaren in de budgettaire tabel zichtbaar worden.

225. Is de zin (en daarmee samenvatting) dat een nieuwe regering, bij het vaststellen van een nieuw uitgavenkader, de op dat moment in de begrotingsreserve opgebouwde middelen kan overboeken naar een nieuwe begroting en de meerjarencijfers op basis van de dan actuele inzichten een wijziging op de mededeling in de brief (Kamerstuk 31 865, nr. 79 blz. 2)? De verdere zinnen «het geheel aan middelen (de middelen in de begrotingsreserve, plus meerjarenraming op de begroting EZ) blijven daarmee in stand. Er is dus geen sprake dat er geld voor duurzame energie verdwijnt» zijn immers niet opgenomen in de verhelderende tekst.

Antwoord

De tekst in de memorie van toelichting waarnaar verwezen wordt is slechts een verkorte weergave van een deel van mijn brief aan de Kamer (31 865, nr. 79). Van een inhoudelijke wijziging of een voornemen daartoe is geen sprake.

226. Hoeveel geld is de afgelopen vijf jaar besteed aan de handhaving van de Wet Milieubeheer?

Antwoord

Specifiek wat betreft de energiebesparingsverplichting uit de Wm, is vanuit het Rijk de afgelopen vijf jaar ongeveer € 6 miljoen extra beschikbaar gesteld (€ 3 miljoen in het kader van de prestatie afspraken Energieakkoord voor de periode 2015–2106 en € 3 miljoen intensivering handhaving Wm in 2017), naast de reguliere middelen die beschikbaar worden gesteld voor de handhaving van de Wm door het bevoegd gezag.

227. Hoeveel fte’s zijn de afgelopen vijf jaar ingezet op de handhaving van de Wet Milieubeheer?

Antwoord

Dat is mij niet bekend. Hoeveel fte’s aangewend wordt voor de handhaving van de Wet Milieubeheer is aan de handhavingsinstanties en hun opdrachtgevers, onder andere de omgevingsdiensten en de gemeenten, zelf. Een specifiek aantal fte's is dan ook niet aan te geven. Een verplichting tot energiebesparing is geregeld artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit onder de Wet Milieubeheer. Handhaving op energiebesparing is onderdeel van het bredere takenpakket van de handhavers. Zoals in 2016 met de Energieakkoordpartijen overeen is gekomen, is er wel 20 additionele fte beschikbaar gemaakt voor handhaving Wet milieubeheer op energiebesparing voor een periode van twee jaar.

228. Waarom zijn er geen kosten voor «Duurzame warmte» in de tabel opgenomen?

Antwoord

De tabel sluit aan op de tabel zoals deze in de Ontwerpbegroting 2017 was opgenomen. Hier was voor 2016 voor Duurzame Warmte een budget van € 15 miljoen opgenomen. Aangezien er in 2016 voor dit doel geen uitgaven zijn geweest, is hier als bedrag 0 opgenomen.

229. Kunt u een overzicht geven van de tien grootste ontvangers van de Subsidieregeling Indirecte emissiekosten ETS en hoeveel zij elk in 2016 ontvingen?

Antwoord

Ja. Hierbij de 10 grootste ontvangers in het jaar 2016 en de bedragen die deze bedrijven ontvingen:

Tata Steel IJmuiden B.V.

€ 6.796.793,00

Chemelot Site Permit B.V.

€ 5.371.404,00

AKZO Nobel Industrial Chemicals B.V.

€ 5.054.967,00

Nyrstar Budel B.V.

€ 3.810.384,00

Klesch Aluminium Delfzijl B.V.

€ 3.124.873,00

Dow Benelux B.V.

€ 2.442.131,00

Parenco B.V.

€ 1.690.342,00

Yara Sluiskil B.V.

€ 1.635.326,00

ESD-SIC B.V.

€ 1.446.513,00

Shell Nederland Chemie B.V.

€ 1.384.638,00

230. Waarom zijn er voor «Energiebesparing huursector» alleen bedragen voor het jaar 2018 en 2019?

Antwoord

De stimuleringsregeling energieprestatie huursector voor investeringen van verhuurders in energiebesparende maatregelen valt onder verantwoordelijkheid van de Minister van BZK. De bijbehorende kosten worden verantwoord op artikel 2 van de begroting van Wonen en Rijksdienst.

231. Kunt u een nader overzicht geven van de uitgaven in het kader van de organisatiekosten van Green Deal Autodelen?

Antwoord

De organisatiekosten van de Green Deal Autodelen worden gefinancierd door de 42 ondertekenaars gezamenlijk. Zij betalen hiervoor jaarlijks een bijdrage. De rijksoverheid, als mede-ondertekenaar, betaalt deze bijdrage ook en neemt daarnaast (incidenteel) out-of-pocket kosten (zoals huur van een locatie voor bijeenkomsten) voor haar rekening. In totaal is de bijdrage vanuit de rijksoverheid (via de begroting van IenM) aan de uitvoering van deze Green Deal zo’n € 20.000 per jaar, gedurende de looptijd van de Green Deal van juni 2015 tot juni 2018.

232. Waarom heeft u, zoals de commissie op 7 juli 2016 per brief heeft gevraagd, in de begroting 2018 of in de meest recente kwartaalrapportage van de Nationaal Coördinator Groningen, geen meerjarenbegroting 2016–2024 opgenomen (conform de tabel op pagina 35 in de 4e kwartaalrapportage NCG)? Kan deze tabel weer standaard opgenomen worden in de rapportages aan de Tweede Kamer?

Antwoord

Doordat in 2016 is gestart met de uitvoering van het programma zullen er verschillen gaan ontstaan ten opzichte van de beginstanden uit het genoemde overzicht. Deze mutaties zijn toegelicht in het jaarverslag over de EZ-begroting 2016 en in de toelichting per onderwerp in de begroting 2018. Dit leek op het moment van opstellen van de begroting 2018 overzichtelijker. Desalniettemin treft u hieronder de gevraagde aan de begroting 2018 geactualiseerde tabel en de aansluiting met de voor 2016–2024 beschikbaar gestelde bedragen.

De meerjarige totalen van deze instrumenten programma NCG (tweede kolom van rechts) zijn inclusief de grijs gearceerde bedragen die door overboekingen niet meer op de begroting van EZ staan.

De belangrijkste mutaties zijn:

  • De niet bestede middelen van 2016 zijn in de 1e suppletoire begroting van 2017 opnieuw toegevoegd aan artikel 5 op basis herziene ramingen (zowel kaderrelevante middelen, als de niet-relevante middelen).

  • Uit de post verduurzamingsopgave uit aardgasbaten worden de nieuwe en de oude waardevermeerderingsregelingen gefinancierd. De uitgaven hierop zijn in de begroting 2018 over de komende jaren geraamd.

  • Aangezien de post versterking kaderrelevant is, is op deze post is bij Voorjaarsnota loon- en prijsbijstelling uitgekeerd.

  • Bij 1e suppletoire begroting 2017 zijn de resterende middelen van het scholenprogramma overgeboekt naar het gemeentefonds om zo in de betreffende jaren beschikbaar te komen aan de in het scholenprogramma deelnemende gemeenten. Het gaat daarbij om de € 5,9 miljoen die begroot stond voor 2019 en € 17,6 miljoen in 2016. Deze zijn overgemaakt naar het gemeentefonds. In totaal betreft het de EZ-bijdrage aan verduurzaming van scholen € 23,5 miljoen. De structurele OCW-reeks voor het scholenprogramma van € 50 miljoen die meerjarig doorloopt (tot en met 2035) is eveneens bij 1e suppletoire begroting overgemaakt naar het gemeentefonds. Beide reeksen zijn daarom niet meer zichtbaar op de EZ-begroting.

  • In 2017 is € 0,2 miljoen toegevoegd aan de post werkbudget ten behoeve van amendement Van Tongeren (Kamerstuk 34 550 XIII, nr. 14).

233. Is er ruimte in de begroting ingebouwd voor een eventueel schadefonds voor gedupeerden van de mijnbouwschade in Groningen?

Antwoord

In deze begroting is geen ruimte ingebouwd voor een eventueel schadefonds. De verschillende mogelijkheden ten aanzien van een schadefonds worden momenteel onderzocht en het is aan het volgend kabinet om een besluit te nemen over het schadefonds en de wijze waarop deze wordt ingericht. Hetzelfde geldt voor de nieuwe schadeafhandelingsprocedure.

234. Waarom geldt de 100% eindejaarsmarge niet voor de in totaal 40 miljoen euro tot en met 2022 van de verduurzamingsopgave overig? Deze middelen blijven ook bij niet benutting beschikbaar voor het verduurzamen van woningen bij versterken. Wat is het verschil met de wijze waarop de in totaal 244,2 miljoen euro wordt meegenomen naar volgende jaren en beschikbaar blijft voor de uitvoering van het meerjarenprogramma?

Antwoord

De 100% eindejaarsmarge geldt niet voor de in totaal € 40 miljoen voor de verduurzaming overig omdat deze middelen in 2016 uit het toenmalige beleidsartikel 14 (duurzame energie) zijn geoormerkt voor inzet op duurzaamheid door de NCG. In de brief van 6 juni 2016 (Kamerstuk 33 529, nr. 256) heeft de Minister van Economische Zaken aangeven dat hij deze aanvullende middelen inpast binnen het geheel van de EZ-begroting.

Anders dan bij de in totaal € 244,2 miljoen schuiven de niet benutte middelen niet automatisch door naar de daarop volgende jaren maar worden de middelen jaar op jaar beschikbaar gemaakt binnen de EZ-begroting om ingezet te worden voor verduurzaming. Op deze wijze blijft de totale envelop van € 40 miljoen behouden om ingezet te worden voor verduurzaming bij versterken.

235. Kunt u tabel 27 uit de 4e kwartaalrapportage van de Nationaal Coördinator Groningen over 2016 actualiseren naar de huidige stand in de begroting 2018? Kunt u hierin ook een aansluiting maken met de voor 2016–2024 beschikbaar gestelde bedragen ad. 430 miljoen euro, te weten 334 miljoen euro voor programma en 96 miljoen euro voor apparaat?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 232.

236. Kunt u toelichten waarom bij de uitgaven van het Meerjarenprogramma NCG in 2018 nog geen enkele juridische verplichting is aangegaan, terwijl dit bij andere uitgaven in de begroting 2018 van EZ varieert van 67% tot 100%?

Antwoord

Ik verwijs u hiervoor naar het antwoord op vraag 3.

237. Wat is de stand van zaken voor wat betreft de oprichting van de Wadden Foundation? Wat houdt op een toonaangevende manier van promoten in, wat zijn daar voorbeelden van? Op welke manier wordt het bedrijfsleven betrokken? Op welke manier worden eilanderondernemers en eilandbestuurders betrokken?

Antwoord

De oprichting van een Wadden Sea World Heritage (UNESCO) Foundation is een prioriteit van het Nederlandse voorzitterschap van de trilaterale Waddensamenwerking met Denemarken en Duitsland. De heer Verdaas, die onafhankelijk voorzitter is van de Wadden Sea Board, onderzoekt de mogelijkheden van de daadwerkelijke oprichting van de foundation tijdens de «Trilateral Government Conference» van 18 mei 2018. De inzet tot die tijd is om publieke steun te verwerven voor het initiatief, alsmede samenwerkingen aangaan met het bedrijfsleven en publieke partijen om goedwerkende (business) cases van de grond te krijgen. Deze worden gekozen in overleg met de stakeholders. Mogelijke businesscases zijn bijvoorbeeld het opruimen van «plastic soup» en het CO2-neutraal maken van eilanden (zoals Ameland).

Ondernemers, NGO’s en (eiland)bestuurders uit de drie landen zijn reeds betrokken via het Wadden Sea Forum en via de (nationale) voorbereidingen van de bijeenkomsten van de Wadden Sea Board. Vertegenwoordigers van de Nederlandse Waddengemeenten zijn onderdeel van de Nederlandse delegatie.

238. Wat veroorzaakt de te verwachten daling van uitgaven aan DICTU?

Antwoord

In 2016 en 2017 zijn de uitgaven aan DICTU hoger dan in de jaren erna vanwege investeringen in de bouw van en overgang naar een Cloudwerkplek.

239. Waar zijn de 96 miljoen euro apparaatsuitgaven van de organisatie NCG (personeel en materieel) te vinden op artikel 40?

Antwoord

De apparaatsuitgaven van de NCG maken onderdeel uit van artikel 40 onderdeel 1 Apparaatsuitgaven departement subonderdeel kerndepartement (Beleid en Staf) op blz. 133.

240. Wat behelst de post apparaatskosten Stichting COVA voor 2016 en 2017?

Antwoord

De kosten van de stichting COVA worden betaald uit de voorraadheffing die is vastgesteld in de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 op € 8,00 /m3. De post apparaatskosten betreft het deel van de uitgaven (in 2016 ca 1,7%) dat de COVA uitgeeft aan de kosten voor personeel, huisvesting en afschrijving en de inhuur van diensten.

Het overige deel van de uitgaven van de COVA (in 2016 ca 98,3%) bestaat uit de kosten voor de opslag van voorraden en de financieringskosten van leningen voor de aankoop van voorraden. Zie ook het antwoord op vraag 200.

241. Wat veroorzaakt de stijging van externe inhuur en waarom wordt ernaar gestreefd om in de komende jaren exact 10% externe inhuur te hebben?

Antwoord

De hogere inhuur is tijdelijk en noodzakelijk voor Gamma (automatisering zaakgericht werken) en nieuwe taken zoals Toezicht Elektronische Identiteiten en Vertrouwensdiensten (TEIV).

Er wordt niet gestreefd naar een externe inhuur op exact 10% te houden. Het agentschap stuurt actief om de externe inhuur zo laag mogelijk te houden.

242. Heeft het BIT GAMMA getoetst? Zo ja, wat was de uitkomst?

Antwoord

Het programma Gamma van Agentschap Telecom loopt al sinds 2014. Omdat het Bureau ICT Toetsing (BIT) zich vanaf 2015 richt op nieuwe projecten, is Gamma niet door het BIT getoetst.

243. Zou bij de doelmatigheidsindicatoren bij Agentschap Telecom kunnen worden aangeven wat de huidige stand van zaken is?

Antwoord

De doelmatigheidsindicatoren worden bij het opstellen van jaarrekening opgesteld. De laatst berekende standen staan dan ook in de kolom Slotwet 2016. De realisatie 2017 is begin 2018 bekend.

244. Wat is de reden dat bij enkele indicatoren de doelstelling naar beneden wordt bijgesteld?

Antwoord

De indicator waarvan de doelstelling naar beneden wordt bijgesteld is het aantal fte’s. Dit is mogelijk door efficiënter te werken, en daarmee het aantal declarabele uren per fte te verhogen.

245. Wat is de reden dat nu al bekend is dat het uurtarief de komende jaren fors gaat stijgen, terwijl de indicatoren lager worden?

Antwoord

Voor de jaren 2018 tot en met 2020 wordt een nominale stijging van 5% (reëel 2,8% voor 2018) voor de tarieven begroot. Deze nominale stijging is opgebouwd uit de stijgende ICT-kosten, ondanks dat de indicator op personeelssterkte naar beneden is bijgesteld. Per saldo is er sprake van toenemende kosten.

246. Kan worden toegelicht waaruit de -/-997 duizend euro tekort op het bedrijfsresultaat wordt betaald?

Antwoord

Het tekort wordt in 2018 gefinancierd uit het eigen vermogen en de post «te verrekenen met vergunninghouders» (zie 34725 XIII 1 Jaarverslag van het Ministerie van Economische Zaken (xiii) en diergezondheidsfonds (f)).

247. Waaruit bestaan de overige personele lasten? Waarom valt dit niet onder externe inhuur indien dit de genoemde «kennis uit de markt» bedraagt?

Antwoord

De overige personele lasten bestaan uit gemaakte kosten voor ICT-beheer en onderhoud, overige externe inhuur en uitbesteding. De wijze van verantwoording is gelijk aan voorgaande jaren. Dit jaar wordt bezien of de rubricering tussen externe inhuur, overige personele kosten en uitbesteding verder kan worden verduidelijkt.

248. Wat is de status van de Cloudwerkplek? Hoe verhoudt dit zich tot de oorspronkelijke verwachtingen? Welke verklaringen zijn er voor eventuele afwijkingen?

Het programmaportfolio Cloudwerkplek bestaat uit twee delen: één deel betreft het ontwikkelen en opzetten van een nieuwe werkplekdienstverlening binnen EZ en het tweede deel gaat over het continueren/actualiseren van de bestaande dienstverlening en het overzetten van deze dienstverlening van de huidige externe leverancier naar EZ. De bouwfase van de Cloudwerkplek is bijna afgerond. In september is gestart met het testen van de nieuwe werkomgeving. Vanaf eind 2017 gaan alle medewerkers gefaseerd per dienstonderdeel over naar de nieuwe werkomgeving. Vóór het einde van 2018 zal naar verwachting iedere EZ-medewerker met de nieuwe werkomgeving aan de slag zijn en zal de oude werkplek zijn afgesloten.

249. Wat is de reden dat het percentage productieve uren naar beneden wordt bijgesteld?

Antwoord

De lichte daling van het percentage productieve uren 90% naar 88% is een gevolg van het vervangen van inhuur, waarvan de kosten grotendeels zijn opgenomen onder overige personele kosten, door eigen personeel. Het percentage productieve uren ligt voor eigen personeel lager omdat rekening moet worden gehouden met zaken als personeelsontwikkeling, verlof en deelname aan medezeggenschap.

250. Wat is de reden waarom de gemiddelde bezetting stijgt van 650 naar 750?

Antwoord

DICTU verwacht de komende jaren een hogere gemiddelde bezetting door stijging van eigen medewerkers en minder externe medewerkers, om minder afhankelijk te worden van externen.

251. Waarom kan de RVO nog steeds niet voldoen aan de Roemernorm?

Antwoord

Vanwege het wisselend opdrachtpakket dat RVO.nl uitvoert, met de daarbij behorende verschillende benodigde expertises, is de flexibele inzet van vaste krachten niet altijd doelmatig. Het inzetten van externe inhuur biedt de flexibiliteit om efficiënt met dit spanningsveld tussen vraag en aanbod om te gaan. RVO.nl zal altijd streven naar een zo doelmatig mogelijke inzet van middelen. RVO.nl zet er daarom op in de reeds in 2014 ingezette dalende lijn van externe inhuur in 2018 verder voort te zetten.

252. Kan worden toegelicht door welke eerdere besluiten de stand ontwerpbegroting 2017 in 2017 185,7 miljoen euro bedraagt en in 2018 178,6 miljoen euro?

Antwoord

In de EZ-begroting 2017 is in de verdiepingsbijlage op pagina 169 aangegeven welke mutaties op de stand ontwerpbegroting 2016 voor 2017 (€ 177,0 miljoen) hebben geleid tot de hogere stand ontwerpbegroting 2017 voor 2017 (€ 185,7 miljoen). Ook is hierin aangegeven welke mutaties op de stand ontwerpbegroting 2016 voor 2018 (€ 170,3 miljoen) hebben geleid tot de hogere stand ontwerpbegroting 2017 voor 2018 (€ 178,6 miljoen).

Uitgaven beleidsartikel (Bedragen x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

2021

Stand ontwerpbegroting 2016

184.122

177.036

170.337

170.345

170.342

 

Mutatie amendement 2016

500

         

Mutatie 1e suppletoire begroting 2016

1.354

651

651

476

226

 

Nieuwe mutaties:

           

Loon-en prijsbijstelling

4.944

4.181

4.019

4.020

4.021

 

Inbedding PIANOo/TenderNed

2.217

2.184

1.104

1.104

 

CBS

1.855

1.603

1.479

1.464

1.464

 

Overig

1.304

38

- 44

36

36

 

Stand ontwerpbegroting 2017

194.079

185.726

178.626

177.445

177.193

177.018

253. Is er in de begroting voldoende ruimte gereserveerd voor eventuele toekomstige tegenvallende aardgasbaten?

Antwoord

In de systematiek van het trendmatig begrotingsbeleid worden de gasbaten behandeld als niet relevant voor het uitgavenkader. Dit betekent dat in geval van lagere dan geraamde gasbaten niet bezuinigd hoeft te worden op andere uitgaven en dat in geval van hogere dan geraamde gasbaten geen aanvullende, nieuwe uitgaven kunnen worden gedaan. Een verandering van de gasbaten heeft wel gevolgen voor het begrotingstekort van de overheid. Een daling van de gasbaten leidt, alle andere ontwikkelingen buiten beschouwing latend, tot een verslechtering van het EMU-saldo.

254. Waarom is er bij de verduurzamingsopgave (Meerjarenprogramma Nationaal Coördinator Groningen) sprake van een verlaging van het budget in 2017 met 2 miljoen euro (ten gunste van latere jaren)? Is sprake van een vertraging van het programma en opzichte van uw verwachtingen bij Voorjaarsnota 2017?

Antwoord

Ten opzichte van de verwachting van de Voorjaarsnota 2017 is er inderdaad sprake van vertraging van de versterkingsoperatie waaraan deze middelen voor verduurzaming zijn gekoppeld. Het betreft namelijk het budget voor de beoogde subsidie van maximaal € 4.000 per woning wanneer deze wordt versterkt. Hier is inderdaad rekening mee gehouden door het budget voor 2017 met

€ 2 miljoen euro te verlagen ten gunste van latere jaren.

255. Hoe geeft u invulling aan de in de motie Pechtold (Kamerstuk 34 550, nr. 14) uitgesproken wens dat het tijdspad voor het sluiten van kolencentrales in lijn is met 55% CO2-reductie in 2030?

Antwoord

In de brief van de Minister van EZ en de Staatssecretaris van IenM van 14 oktober 2016 (Kamerstuk 31 793, nr. 161) is aangegeven binnen welke context de motie Pechtold wordt uitgevoerd.

256. Waarom is er in 2018 wel een evaluatie van de inzet van het EFRO in de vier landsdelige programma's, maar geen evaluatie van de totaalinzet van de Europese structuur- en investeringsfondsen gepland?

Antwoord

De besteding van ESI-fondsen gebeurt door middel van het gedeeld management tussen de Europese Commissie en de lidstaten. Elk heeft dan ook haar eigen verantwoordelijkheid in de evaluatie hiervan. De Europese Commissie evalueert op ex-post basis de verschillende fondsen, en voert daarnaast thematische evaluaties uit gedurende de programmaperiode. De laatste fondsevaluatie dateert van oktober 2016 en betrof het Cohesie- en EFRO-fonds over de periode 2007–2013.

Daarnaast zijn op Nederlands niveau voor alle Europese ESI-fondsen de volgende evaluaties gepland:

  • Voor het Europees Sociaal Fonds (ESF), dat onder verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van SZW valt, is in 2018 de oplevering gepland van twee evaluaties op het gebied van Actieve Inclusie (derde verdiepende onderzoek en tweede tussenevaluatie Implementatie en Uitvoering). Daarnaast start SZW in 2018 evaluaties op het gebied van Sociale Innovatie en Transnationale Samenwerking, Geïntegreerde Territoriale Investeringen (in samenwerking met EFRO Managementautoriteit West) en duurzame inzetbaarheid.

  • EZ evalueert het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) conform het evaluatieplan. De verslagen van de evaluaties worden jaarlijks opgenomen in het jaarverslag EFMZV. In 2019 staat een uitgebreid jaarverslag gepland waarin de evaluatie van de EFMZV programmaperiode 2014–2018 uitgebreid aan bod zal komen.

  • Voor het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) heeft EZ conform de EU-richtlijnen, evenals bij het EFMVZ, in het jaar 2019 een uitgebreid jaarverslag gepland, waarin de voortgang van het programma over de periode 2014 – 2018 wordt geëvalueerd. Samen met de verantwoordelijke partijen (onder meer provincies) maakt EZ daarnaast in 2018 afspraken over mogelijk aanvullende evaluaties, gericht op specifieke maatregelen

  • Voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) zal, zoals in de begroting op pagina 255 is beschreven, in 2018 een tussentijdse impactevaluatie gereed komen over de vier landsdelige programma's. Hierbij wordt onderzocht welk effect de EFRO-programma's hebben op de ontwikkeling van een aantal resultaatindicatoren van het programma, zoals de omzet dat wordt behaald uit nieuwe producten

  • Tenslotte zal EZ begin 2018 de evaluatie naar de inzet van Rijkscofinanciering in EFRO over de periode 2007–2013 publiceren.


X Noot
2

Zie bijvoorbeeld de website www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl waarop uitvoerig wordt toegelicht hoe het bedrijvenbeleid wordt geëvalueerd en wat de resultaten daarvan zijn.

X Noot
5

Onder post- en pakketdiensten vallen de betaling voor de bezorging van brieven, ansichtkaarten en pakjes- bezorging van post en pakjes door niet-overheidsbedrijven en alle aankopen van nieuwe postzegels, gefrankeerde ansichtkaarten en luchtpostbladen. Zie: http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=83131ned&D1=0–1&D2=233–235&D3=142,155,168,181,194,207,220,233,246,259,272&HDR=T&STB=G1,G2&VW=T

X Noot
7

Zie WIK-consult (2016) Future Scenario Developments in the Dutch Postal Market

X Noot
8

Mededeling van de Europese Commissie over «The role of National Promotional Banks (NPBs) in supporting the Investment Plan for Europe», 26 november 2014.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl