Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 oktober 2017
Hierbij bied ik u, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu en
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de studie «Verkenning van
klimaatdoelen: van lange termijn beelden naar korte termijn actie» van het Planbureau
voor de Leefomgeving (PBL) en Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) aan1. Deze studie is uitgevoerd op gezamenlijk verzoek vanuit de Ministeries van Economische
Zaken, Infrastructuur en Milieu, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën.
Met de Energieagenda heeft het kabinet een helder en ambitieus perspectief geschetst
richting een CO2-arme maatschappij in 2050. Het doel is om in 2050 80 tot 95% minder CO2 uit te stoten (ten opzichte van 1990) in Nederland. De rijksoverheid werkt nu de
Energieagenda uit: ambtelijk wordt in kaart gebracht wat mogelijk is om dit doel te
halen. Deze studie is – net als de eerder gepubliceerde PBL studie «Nationale kosten
energietransitie in 2030»2 – hiervoor een bouwsteen.
Tijdens het AO Milieuraad van 5 oktober jl. heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur
en Milieu toegezegd uw Kamer een groslijst te sturen van mogelijke maatregelen om
in 2030 de niet-ETS emissies met 36% te verminderen ten opzichte van 2005. Deze groslijst
kan gevonden worden in de studie «Effort sharing regulation: gevolgen voor Nederland»3 van PBL en ECN. De daarin genoemde maatregelen zijn deels terug te vinden in de PBL
studie «Nationale kosten energietransitie tot 2030» en de bijgevoegde studie van PBL
en ECN.
Opzet studie
De studie neemt de 80 tot 95% CO2-reductie als uitgangspunt. In de Energieagenda zijn de transitiepaden voor de functionaliteiten
kracht & licht, hoge temperatuurwarmte, lage temperatuurwarmte en mobiliteit & transport
op hoofdlijnen gepresenteerd. Omdat de opgave uit het Klimaatakkoord van Parijs centraal
staat, is in de uitwerking van de Energieagenda een transitiepad toegevoegd: voedsel
& natuur (met name landbouw en landgebruik). De studie gaat in op alle vijf functionaliteiten.
Op basis van kostenoptimalisatie wordt inzichtelijk gemaakt wat de ambities van 80
en 95% CO2-reductie in Nederland betekenen voor de kosten, de inzet van verschillende technieken
om CO2 te reduceren en de verdeling van emissies over de verschillende functionaliteiten.
Gelet op de vele onzekerheden die er nog zijn richting 2050, als ook om inzicht te
krijgen in de effecten van bepaalde keuzes, werkt de studie met een aantal varianten.
Het gaat dan om varianten ten aanzien van de beschikbaarheid van duurzame biomassa,
het potentieel voor afvang en opslag van CO2 (CCS) en windenergie, en het al dan niet inzetten van kernenergie. Dit levert verschillende
beelden op voor 2050, die onder andere laten zien dat de nationale kosten fors kunnen
toenemen bij het uitsluiten of fors beperken van één of meerdere technieken.
De studie kent ook een aantal beperkingen. Zo gaat deze studie enkel uit van technische
maatregelen en worden volumemaatregelen buiten beschouwing gelaten. Ook worden onzekerheden
ten aanzien van kosten van de technieken in de toekomst niet meegenomen. De getoonde
resultaten brengen daarom slechts globale oplossingsrichtingen in kaart.
Naast kostenoptimalisatie spelen ook andere afwegingen een rol bij de klimaat- en
energietransitie, zoals bijvoorbeeld de ruimtelijke dimensie, maatschappelijk draagvlak
en verdienpotentieel. Deze afwegingen worden meegenomen in de uitwerking van de transitiepaden.
Hier is in deze studie echter maar zeer beperkt rekening mee gehouden, bijvoorbeeld
door varianten uit te werken met en zonder maatschappelijk gevoelige technieken zoals
CCS en nucleair.
Stappen richting 2030 en vervolgproces
Op basis van de resultaten voor 2050 identificeert deze studie mogelijke belangrijke
stappen en de bijbehorende beleidsinzet voor de periode tot 2030.
De resultaten voor 2050 laten immers zien welke technieken een belangrijke rol kunnen
spelen en wat de omvang daarvan in 2050 kan zijn. Het gaat daarbij niet alleen om
stappen die al op korte termijn richting 2030 tot emissiereductie leiden. Ook moeten
nu al voorbereidende stappen worden genomen om op lange termijn de transitie naar
een CO2-arme economie op een verantwoorde en efficiënte manier door te kunnen zetten.
Het is nu aan een volgend kabinet om de klimaat- en energietransitie verder vorm te
geven.
De Minister van Economische Zaken,
H.G.J. Kamp