Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-201634300-XVI nr. 12

34 300 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2016

Nr. 12 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 28 oktober 2015

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.

De vragen zijn op 1 oktober 2015 voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Bij brief van 28 oktober 2015 zijn ze door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport beantwoord.

Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Lodders

De griffier van de commissie, Teunissen

Vraag 1:

Hoeveel onderwijsinstellingen maken gebruik van de vergoeding voor schoolzwemmen?

Antwoord 1:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 2:

Hoeveel kinderen in Nederland leren zwemmen door het aanbod van schoolzwemmen via de onderwijsinstelling? Hoeveel kinderen in Nederland leren zwemmen door zelf op zwemles te gaan in plaats van schoolzwemmen?

Antwoord 2:

Het antwoord op het eerste deel van de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijk van mijn collega van OCW.

Wat het tweede deel betreft, ontbreekt het aan cijfers waaruit blijkt hoeveel kinderen zowel schoolzwemles hebben als elders op zwemles zitten, dan wel enkel zwemles op eigen initiatief van de ouders volgen.

Vraag 3

Hoeveel kinderen in Nederland halen geen zwemdiploma A, doordat zij geen gebruik maken van schoolzwemmen noch zelf op les gaan?

Antwoord 3:

Volgens de gegevens uit het brancherapport «Zwemmen in Nederland» haalt 98% van de kinderen het nationaal zwemdiploma A. Hiervan afgeleid haalt 2% geen zwemdiploma A. Onbekend is of zij wel of niet deel hebben kunnen nemen aan schoolzwemmen dan wel zelf al dan niet zwemles hebben gevolgd.

Vraag 4:

Wat zijn de totale kosten voor gymles in het basisonderwijs voor de rijksoverheid en vanuit welke middelen wordt dit gefinancierd?

Antwoord 4:

Het antwoord op deze vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 5:

Wat is begroot voor dak- en thuislozen zonder zorgverzekering?

Antwoord 5:

Er is geen begroting voor de zorguitgaven voor dak- en thuislozen zonder zorgverzekering. Ook dak- en thuislozen zijn verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Vaak voeren gemeenten daartoe specifiek op hen gericht beleid.

Vraag 6:

Hoe vaak is «kijk en luistergeld» vaker ingezet ten opzichte van vorig jaar, wat is de ambitie voor komend jaar, net als time out en andere vergelijkbare instrumenten?

Antwoord 6:

De nieuwe zorgactiviteit «intensief consult ten behoeve van zorgvuldige afweging behandelopties» (ook wel bekend als «kijk en luistergeld») is 1 januari 2014 geïntroduceerd. Op dit moment zijn er nog onvoldoende data beschikbaar om conclusies te kunnen trekken over de inzet van deze maatregel. Begin 2016 heeft de NZa waarschijnlijk voldoende data over 2014 op basis waarvan zij een eerste inzicht kan genereren. Over mijn ambities voor «samen beslissen,» zoals de pilot met het time out consult, informeer ik u zo mogelijk nog voor de begrotingsbehandeling.

Vraag 7:

Waaruit blijkt dat de toezichthouders NZA, IGZ en ACM beter hebben samengewerkt in het belang van kwaliteit van de zorg ten opzichte van de afgelopen jaren?

Antwoord 7:

De NZa, IGZ en ACM hebben ieder een eigen, onderscheiden verantwoordelijkheid op het gebied van de zorg. De NZa heeft regulerende, toezichthoudende en uitvoerende taken ten aanzien van de naleving van de wet- en regelgeving (Wmg, Zvw en Wlz) door zorgaanbieders en zorgverzekeraars. De IGZ ziet op basis van diverse wetten, waaronder de Kwaliteitswet zorginstellingen, toe op de kwaliteit van de zorg. De ACM ziet toe op de mededinging in de zorg.

In het uitoefenen van hun respectievelijke taken hebben deze organisaties de afgelopen jaren goede afspraken gemaakt over het uitwisselen van informatie. Deze zijn vastgelegd in samenwerkingsprotocollen. Om de samenwerking nog verder te verbeteren wordt het samenwerkingsprotocol tussen IGZ en NZa dit jaar geactualiseerd. Het samenwerkingsprotocol tussen NZa en ACM is in januari 2015 reeds vernieuwd. Verder wisselen de IGZ en ACM informatie uit in het kader van het toezicht op concentraties. Om goed in te spelen op de voorgenomen overheveling van het zorgspecifieke markttoezicht van de NZa naar de ACM zal het samenwerkingsprotocol nader worden aangepast zodat het bij de nieuwe situatie aansluit. Ik heb er vertrouwen in dat deze aanpassingen de goedlopende samenwerking verder zal optimaliseren.

Vraag 8:

Wat hebben de zorgverzekeraars in preventie geïnvesteerd in het afgelopen jaar ten opzichte van 2013 en 2014 en wat is het voornemen voor komend jaar? Welk percentage geld gaat naar preventie ten opzichte van besteding aan ziekte en zorg?

Antwoord 8:

Het basispakket van de Zorgverzekeringswet omvat alle activiteiten van zorgaanbieders die zijn gericht op individuele, zorggerelateerde preventie in het kader van de behandeling van medische klachten/aandoeningen. Denk bijvoorbeeld aan leefstijladviezen die iemand met (een verhoogde kans op) depressie of diabetes krijgt van zijn huisarts of specialist over leefritme, beweging, voeding, alcohol gebruik. Of aan cholesterol- of bloeddrukverlagers voor mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten; controles en screeningen van zwangere vrouwen; leefstijladviezen van verloskundigen aan aanstaande moeders; preventieve tandartscontroles voor jongeren; preventieve adviezen en voorlichting van de kraamhulp aan jonge ouders; stoppen met roken; dieetadvisering.

Ik heb geen totaalbeeld van de investering in preventie via het basispakket. Dit laat zich niet gemakkelijk onderscheiden van de rest van de behandeling.

Naast de investeringen vanuit het pakket kunnen zorgverzekeraars ook uit eigen middelen preventie stimuleren. Ik heb echter geen zicht op de inzet van eigen financiële middelen.

Vraag 9:

Hoe groot is de overcapaciteit aan ziekenhuisbedden? Hoeveel geld is hiermee gemoeid? Is er een plan voor ombouw om omvallen van ziekenhuizen of onnodig vullen van bedden te voorkomen en wie heeft hierbij de regie?

Antwoord 9:

Het brancherapport 2015 van de NVZ zegt het volgende over de beddencapaciteit (cijfers 2013):

«De bedbezettingsgraad is zeer laag in Nederland. In Europa ligt die gemiddeld rond de 80%, en volgens de OECD zou de bezettingsgraad in Nederland 53% bedragen. Volgens de Enquête Jaarcijfers Ziekenhuizen is de bezettingsgraad in Nederland 64%; nog steeds lager dan het Europese gemiddelde. Een deel van de verklaring is dat in Nederland veel patiënten in dagverpleging worden behandeld. Deze patiënten bezetten geen bedden.»

Het is mij niet bekend hoeveel geld is gemoeid met de genoemde lage bezettingsgraad. Het is aan zorgverzekeraars en ziekenhuizen om gezamenlijk afspraken te maken hoe hiermee om te gaan.

Vraag 10:

Wat waren de kosten voor asielzoekers in 2015 en wat is de verwachting voor de komende jaren tot 2020? Kan dit gespecificeerd worden voor de Zvw, de Wlz en de Wmo?

Antwoord 10:

De zorg aan asielzoekers komt niet ten laste van de Zvw, Wlz of Wmo. De kosten voor gezondheidszorg voor asielzoekers worden verantwoord op artikel 37 van de VenJ-begroting. Zoals aangegeven op pagina 78 van deze begroting bestaan de opvangkosten bij het COA voor 2016, inclusief overhead, voor circa 25% uit gezondheidszorgkosten. Dat zal naar verwachting ook voor de komende jaren het geval zijn. Gelet op het sterk fluctuerende aantal asielzoekers in de opvang is nog niet aan te geven hoeveel geld daar de komende jaren in totaal mee gemoeid zal zijn.

Vraag 11:

Hoeveel vaker maken asielzoekers en allochtonen gebruik van zorg in vergelijking tot autochtonen? Kan dit gespecificeerd worden voor de Zvw, de Wlz en de Wmo voor zowel autochtonen, allochtonen en asielzoekers?

Antwoord 11:

In mijn reactie op de vragen van het lid Klever (PVV) over de hoge zorgkosten van allochtonen TK 2014–15, nr. 3310) heb ik gerefereerd aan het CBS artikel «Zorgkosten niet-westerse allochtonen verschillen van autochtonen» van 11 maart 2013. Uit dit artikel blijkt dat, na correctie voor leeftijdsopbouw, de gemiddelde zorgkosten die vallen onder de basisverzekering Zvw onder niet-westerse migranten (€ 1.890) hoger liggen dan bij autochtonen (€ 1.612). Voor dit verschil zijn diverse verklaringen gegeven, zoals de lage sociaaleconomische situatie waar allochtonen zich gemiddeld vaker in bevinden en fysiologische verschillen die een rol spelen.

De verschillen tussen de zorgkosten van allochtonen en autochtonen voor wat betreft de zorg die valt onder de Wmo en de Wlz zijn niet onderzocht.

De zorgkosten voor asielzoekers vallen onder de verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) en worden daardoor verantwoord op de begroting van het Ministerie van VenJ. Het COA laat weten dat de totale zorgkosten per asielzoeker in 2014 circa € 5.000 bedroegen. De zorgkosten van asielzoekers laten zich om verschillende redenen lastig vergelijken met de zorgkosten van autochtonen. In dit bedrag zitten bijvoorbeeld ook de kosten voor medische screening (bijvoorbeeld op TBC) opgenomen die geen onderdeel uitmaken van de zorgkosten van verzekerden Zorgverzekeringswet.

Vraag 12:

In hoeverre zijn huisartsen voldoende geschoold om patiënten te informeren over beschikbare, effectieve vaccins die tot nu onvoldoende worden benut?

Antwoord 12:

Huisartsen worden weinig bevraagd op vaccins, omdat veel mensen vaccins vooral associëren met het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) voor kinderen, de jaarlijkse griepvaccinatie, of, in mindere mate, reizigersvaccins. Vanwege de relatieve onbekendheid met alle overige beschikbare vaccins heb ik het RIVM voor 2015 en 2016 opdracht gegeven om activiteiten te ontwikkelen met betrekking tot publieksvoorlichting en tot deskundigheidsbevordering (professionals) over alle beschikbare vaccins. De RIVM-website gaat in november de lucht in.

Informatie zal worden gegeven over de ziekte, het vaccin, de toediening, de mogelijke bijwerkingen, de kosten en eventuele vergoeding en tot welke professionals men zich kan wenden voor advies en vaccinatie. Afhankelijk van de informatiebehoefte van het publiek of subgroepen daarvan, wordt deze informatie ook via andere kanalen (tijdschriften, websites) onder de aandacht gebracht.

Vraag 13:

Kunt u een stand van zaken geven ten aanzien van de totstandkoming van de beoordelingskamer vaccins? Wordt de geplande publicatie van de uitvoeringstoets in 2016 behaald?

Antwoord 13:

Op dit moment werken de Gezondheidsraad en het Zorginstituut Nederland reeds samen bij de beoordeling van vaccinaties. In juli 2016 presenteren zij mij een voorstel tot definitieve inrichting van het nieuwe vaccinatiebeoordelingsmodel («Beoordelingskamer Vaccins»). Op basis van dit voorstel zal de nieuwe «Beoordelingskamer Vaccins» definitief worden vorm gegeven. Ik heb geen reden om aan te nemen dat dit tijdpad niet gehaald zal worden. Hierbij wordt overigens niet gebruikgemaakt van een uitvoeringstoets.

Vraag 14:

Is er een budget gereserveerd voor 2016 voor de totstandkoming van de beoordelingskamer vaccins? Zo ja, om welk budget gaat het?

Antwoord 14:

Neen. De gezamenlijke advisering kan uit de reguliere bijdrage aan de Gezondheidsraad en het Zorginstituut Nederland gefinancierd worden.

Vraag 15:

Waar in de begroting van VWS staat de door de Minister toegezegde investering in gendersensitieve zorg? Het aangekondigde Nationaal Kennisprogramma Gender en Gezondheid is nu nog niet in begroting van VWS terug te vinden.

Antwoord 15:

De toezegging om te willen voorzien in de uitvoering van de kennisagenda Gender en Gezondheid is inderdaad nog niet terug te vinden in de begroting. Het voornemen is om door middel van een programmeringsstudie eerst na te gaan welke kennisvragen die snel tot resultaat leiden kunnen worden opgepakt, welke middelen daarvoor nodig zijn en hoe deze middelen worden ingepast.

Andere onderdelen van het vraagstuk gendersensitieve zorg zijn al wel opgepakt. Zo zijn voor 2016 middelen gereserveerd om het onderwerp verder te kunnen implementeren in de vervolgopleidingen tot medisch specialist. Dit project zal worden aangehaakt bij het bredere kennisprogramma Gender en Gezondheid van ZonMW.

Vraag 16:

Waarom daalt het budget voor gezondheidsbevordering in 2016? In hoeverre is de regering tevreden met behaalde resultaten op dit gebied? Hoe zijn deze resultaten voor groepen met lage sociaaleconomische positie?

Antwoord 16:

Gezondheidsbevordering is een belangrijk onderdeel van preventie, waarbij de verantwoordelijkheid in eerste instantie bij de burger zelf ligt en de overheid de insteek heeft de gezonde keuze makkelijk te maken. De resultaten zijn positief te noemen. Uit de Volksgezondheid Toekomstverkenning (VTV) blijkt dat, mede door inzet op preventie en zorg, de levensverwachting gestegen is het afgelopen decennium. Daarnaast laten de cijfers van het CBS zien dat over de laatste 15 jaar het aantal rokers en zware drinkers daalt, terwijl het aantal mensen dat voldoet aan de beweegnorm toeneemt.

De verantwoordelijkheid voor uitvoering van beleid op het gebied van gezondheidsbevordering is lokaal belegd bij gemeenten. Het Rijk zorgt voor een goede landelijke kennisinfrastructuur waar professionals gebruik van kunnen maken. Daarnaast stimuleert het Rijk lokale inzet op gezondheidsbevordering en preventie in den brede, bijvoorbeeld door middel van het beschikbaar stellen van financiële middelen aan het gemeentefonds (de GIDS-gelden) en het mede initiëren van een maatschappelijke beweging via het programma «Alles is Gezondheid...». De inzet op groepen met een lage sociaaleconomische positie is een integraal onderdeel van het beleid. De resultaten op het gebied van gezondheidsbevordering komen dus tot stand door gedeelde inspanning van zowel Rijk als gemeenten en mensen en organisaties buiten de overheid.

Wat betreft de uitgaven voor gezondheidsbevordering zijn deze meerjarig bezien redelijk stabiel (circa € 51 miljoen). De lichte daling in het budget in 2016 ten opzichte van 2015 is grotendeels te verklaren uit kleine schommelingen in subsidies en opdrachten. Daarnaast is als gevolg van een taakstelling uit het regeerakkoord Rutte-Asscher onder meer de instellingssubsidie van het Trimbos-instituut verlaagd (het bredere GGZ-deel). Deze subsidie valt onder het kopje verslavingszorg. Zie voor verdere toelichting de antwoorden op vragen 114 en 116.

Vraag 17:

Waarom daalt het budget voor participatie en zelfredzaamheid voor mensen met een beperking in 2016, juist nu dit jaar in het kader staat van ratificatie van het VN verdrag dat de samenleving juist toegankelijker moet maken voor mensen met een beperking

Antwoord 17:

De daling in het desbetreffende budget is het gevolg van de stopzetting van de landelijke regeling mantelzorgcompliment en de decentralisatie hiervan naar de gemeenten.

Vraag 18:

Wat is de precieze omvang van fraude in de zorg?

Antwoord 18:

Ik heb de NZa in juli 2013 opdracht gegeven een duiding te geven van de kwetsbaarheden in de AWBZ- en Zvw-zorg en een raming van de omvang van fraude. In de derde voortgangsrapportage aanpak van fouten en fraude van 12 december 2014 (TK 28 828, nr. 75) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de definitieve uitkomsten van het samenvattend rapport van de NZa «onderzoek naar kwetsbaarheden en financiële onregelmatigheden in de zorg» en heb ik aangegeven hoe ik deze uitkomsten benut voor de aanpak van onrechtmatigheden. Het betreffende rapport bevat een indicatie van de kwantitatieve omvang van de onregelmatigheden in de zorg. De NZa benadrukt dat de onregelmatigheden niet op voorhand zijn aan te merken als foutief en ook zeker niet als fraude. Het samenvattend rapport van de NZa en de bijbehorende bijlagen zijn bijgevoegd bij de derde voortgangsrapportage aanpak van fouten en fraude. Voor de kwantitatieve uitkomsten van het onderzoek van de NZa verwijs ik volledigheidshalve naar deze derde voortgangsrapportage.

Zorgverzekeraars Nederland (ZN) onderzoekt jaarlijks de omvang van besparingen bij zorgverzekeraars als gevolg van controle-inspanning en fraudebestrijding. De cijfers van ZN geven geen beeld van het totaal aan zorgfraude. Het onderzoek van ZN is bedoeld om de door zorgverzekeraars aangetoonde fraude in kaart te brengen, niet het totaal aan mogelijke fraude. In 2014 hebben zorgverzekeraars bij controles vooraf (voor uitbetaling) voor € 2 miljard aan onterechte declaraties tegengehouden. Bij de achteraf controle (materiële controle) is voor € 449 miljoen aan betaalde declaraties teruggevorderd. Daarnaast is in 2014 door fraudeonderzoek bijna € 53 miljoen aan onjuistheden aan het licht gebracht. Van deze € 53 miljoen is € 18,7 miljoen daadwerkelijk gebleken fraude.

Vraag 19:

Hoeveel fraudezaken die betrekking hebben op de gezondheidszorg worden momenteel behandeld door het Openbaar Ministerie, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord 19:

Over de strafrechtelijke inzet bij de integrale aanpak van zorgfraude en het aantal zaken dat in behandeling is bij het Openbaar Ministerie bent u meest recent geïnformeerd in het plenaire debat over de aanpak fouten en fraude van 5 februari jl. In de vierde voortgangsrapportage aanpak fouten en fraude ontvangt uw Kamer een actualisatie van deze cijfers. Deze voortgangsrapportage zal ik u binnenkort toezenden.

Vraag 20:

In welke zorgsectoren vindt de meeste fraude plaats en wat zijn de oorzaken hiervan?

Antwoord 20:

In de derde voortgangsrapportage aanpak van fouten en fraude van 12 december 2014 (TK 28 828, nr. 75) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de definitieve uitkomsten van het samenvattend rapport van de NZa «onderzoek naar kwetsbaarheden en financiële onregelmatigheden in de zorg» en heb ik aangegeven hoe ik deze uitkomsten benut voor de aanpak van onrechtmatigheden. Het betreffende rapport bevat een indicatie van de kwantitatieve omvang van de onregelmatigheden in de zorg voor de 8 genoemde deelsectoren. Voor de kwantitatieve uitkomsten van het onderzoek van de NZa verwijs ik volledigheidshalve naar deze derde voortgangsrapportage. De NZa benadrukt dat de onregelmatigheden niet op voorhand zijn aan te merken als foutief en ook zeker niet als fraude.

De gevonden onregelmatigheden zijn in de ggz en MSZ en AWBZ-zorg in natura in absolute zin het hoogst. De omvang van de onregelmatigheden in de AWBZ liggen in 2013 substantieel lager dan de omvang in 2012. Dit lagere bedrag in 2013 wordt volgens de NZa grotendeels verklaard door het ontbreken van het bestand met pgb-gegevens voor 2013 en de verbeterslagen in de zorg in natura ten aanzien van het registreren en controleren. Voor de ggz en MSZ zijn de opgespoorde onregelmatigheden aanzienlijk hoger in 2012 dan in 2011. Door de transitiefase waarin de MSZ en ggz zich bevinden, is de verantwoording over de transitiejaren voor deze sector relatief ingewikkeld geworden. Per brief van 11 december 2014 (TK 32 620, nr. 143) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van het jaarrekeningentraject MSZ. De verwachting is dat de uitkomsten van het traject controle jaarrekeningen ggz meer inzicht gaat geven in de wijze waarop er in 2013 is gedeclareerd. Ik informeer uw Kamer eind van dit jaar over de uitkomsten van dit traject.

Zorgverzekeraars Nederland (ZN) onderzoekt jaarlijks de omvang van besparingen bij zorgverzekeraars als gevolg van controle-inspanning en fraudebestrijding. De cijfers van ZN geven geen beeld van het totaal aan zorgfraude. Het onderzoek van ZN is bedoeld om de door zorgverzekeraars aangetoonde fraude in kaart te brengen, niet het totaal aan mogelijke fraude. In 2014 hebben verzekeraars door fraudeonderzoek bijna € 53 miljoen aan onjuistheden aan het licht gebracht. Van deze € 53 miljoen is € 18,7 miljoen daadwerkelijk gebleken fraude. De vastgestelde fraude door verzekeraars hebben zich voornamelijk hebben afgespeeld in de pgb-regeling en de ggz.

Vraag 21:

Zijn er zorgorganisaties die op dit moment onder verdenking staan van het Openbaar Ministerie?

Antwoord 21:

Over lopende opsporingsonderzoeken kunnen door het OM geen mededelingen worden gedaan.

Vraag 22:

Hoeveel personen zijn in 2015 opgepakt voor fraude in de zorg?

Antwoord 22:

Deze informatie wordt door opsporingsinstanties en het OM niet systematisch per zaakstroom bijgehouden.

Vraag 23

Hoeveel personen zijn berecht in 2015 voor fraude in de zorg?

Antwoord 23:

Deze informatie wordt door opsporingsinstanties en het OM niet systematisch per zaakstroom bijgehouden.

Vraag 24:

Hoeveel FTE is er beschikbaar voor de fraudeopsporing, uitgesplitst naar het NZa, het Functioneel Pakket, het Openbaar Ministerie en de Zorgverzekeraars?

Antwoord 24:

De (strafrechtelijke) opsporing van fraude in de zorg is belegd bij de bijzondere opsporingsdiensten Inspectie SZW en FIOD. Deze diensten voeren strafrechtelijke onderzoeken uit onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie (OM/FP). Het OM/FP is tevens verantwoordelijk voor de strafrechtelijke vervolging en de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen.

De Inspectie SZW is verantwoordelijk voor de opsporing van fraude met het persoonsgebonden budget en declaratiefraude. Hiertoe heeft de Inspectie SZW thans circa 50 fte aan capaciteit beschikbaar.

De FIOD rekent zijn capaciteit niet in fte’s maar in opsporingsuren. De FIOD heeft op jaarbasis 20.000 uren beschikbaar voor de opsporing van fraude op het terrein van de zorg.

Het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie heeft met ingang van 2015 structureel 5 fte aan extra capaciteit beschikbaar gekregen voor de afhandeling van zorgfraudezaken. De totaal beschikbare capaciteit voor zorgfraudebestrijding bij het OM (dus inclusief het FP) is niet exact in fte aan te geven. Elke officier van justitie is toegerust om fraudezaken af te doen. Het overige OM personeel dat met fraudebestrijding is belast doet dit vaak ook als onderdeel van een breder takenpakket. Hierdoor kan de totale beschikbare capaciteit van het OM daar worden ingezet waar deze het meest nodig is.

Zorgverzekeraars hebben formeel juridisch gezien geen opsporingstaak. Zij voeren vanuit hun controlerende rol in het stelsel wel reguliere (formele en materiële) controles uit op de rechtmatigheid van de door zorgaanbieders en verzekerden ingediende declaraties. Bij gerede vermoedens van fraude hebben zij tevens de mogelijkheid om een onderzoek in te stellen. Zorgverzekeraars Nederland houdt geen administratie bij van de aantallen medewerkers die bij de verschillende zorgverzekeraars zijn belast met het uitvoeren van controles en (fraude)onderzoeken. Alle zorgverzekeraars stellen hier capaciteit voor beschikbaar, maar door verschillen in zowel de functies van medewerkers als in de inrichting van de processen voor controle en fraudebeheersing binnen de organisatie, is een uniform overzicht niet op te stellen.

Voor de capaciteit die de NZa beschikbaar heeft voor toezicht en (bestuursrechtelijke) handhaving wordt verwezen naar het antwoord op vraag 25.

Vraag 25:

Hoeveel FTE's waren er in 2015 in totaal belast met toezichthouden in de zorg? Hoe groot was dat aantal in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014? Hoe was dat uitgesplitst naar toezichthoudende instanties zoals FIOD, NVWA, NZa, IGZ en Inspectie Jeugdzorg?

Antwoord 25:

In onderstaande tabel zijn de aantallen fte’s opgenomen die in totaal belast waren met toezicht houden in de zorg. De NVWA en de FIOD zijn niet in de tabel opgenomen. Het toezicht dat de NVWA voor VWS uitoefent op voedsel- en productveiligheid vindt plaats in het kader van de volksgezondheid, maar is geen toezicht op de zorg. De FIOD is een bijzondere opsporingsdienst en heeft geen toezichthoudende taak in het zorgstelsel.

In onderstaande tabel zijn de aantallen fte’s opgenomen die in totaal belast waren met toezicht in de zorg.

 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

IGZ1

393

393

447

490

516

538

538

IJZ2

63

62

59

61

62

63

67

NZa3

36

45

42

40

50

80

96

Totaal

492

500

548

591

628

681

701

X Noot
1

De IGZ-aantallen geven de totale formatie weer inclusief overhead.

X Noot
2

De IJZ -aantallen geven de totale formatie weer inclusief overhead en fte’s die werkzaam en gedetacheerd zijn bij STJ.

X Noot
3

De NZa-aantallen hebben betrekking op het onderdeel Toezicht en Handhaving (dat in 2009 is opgericht).

Vraag 26:

Hoeveel (fraude-)onderzoeken zijn er door de NZa gedaan in 2015? Hoeveel hebben geleid tot een bestuursrechtelijke maatregel, en hoeveel tot een strafrechtelijke? Hoeveel waren die aantallen in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 26:

Onderstaande tabel biedt een overzicht van de bestuursrechtelijke maatregelen die de NZa in de periode 2011–2015 (januari t/m juni) heeft uitgevoerd, welke verband houden met correct declareren. Vanaf 2011 is onderstaand overzicht gehanteerd voor registratie van toezichtmaat-regelen. Voor de jaren 2009 en 2010 hanteerde de NZa een andere wijze van registreren. Voor de maatregelen in die jaren verwijs ik uw Kamer naar de jaarverslagen van de NZa1.

Activiteiten

2011

2012

2013

2014

2015 Eerste halfjaar (januari t/m juni)

Interventies bij zorgaanbieders

26

102

34

26

181

Interventies bij zorgverzekeraars en zorgkantoren

8

31

49

5052

40

Boetes

2

2

3

1

2

Handhaving informatieverplichtingen

301

251

370

491

1293

Last onder dwangsom op grond van informatieverplichtingen

71

20

58

115

15

Totaal

408

406

514

1.138

2044

X Noot
1

Waarvan 1 aanwijzing

X Noot
2

Aanwijzingen die in 2014 zijn gegeven aan zorgkantoren zijn tevens verstuurd aan de alle achterliggende zorgverzekeraars. De NZa registreert dit als unieke aanwijzingen, waardoor het overzicht dubbeltellingen bevat.

X Noot
3

Waarvan 9 aanwijzingen op grond van handhaving informatieverplichting

X Noot
4

Een geactualiseerd overzicht wordt opgenomen in het jaarverslag 2015.

Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 19 informeer ik uw Kamer via de vierde voortgangsrapportage aanpak fouten en fraude over de aantallen signalen die vanuit het Centraal Selectie Overleg Zorg (CSO Zorg) bestuursrechtelijk dan wel strafrechtelijk zijn opgepakt. Uw Kamer ontvangt de vierde voortgangsrapportage binnenkort.

Vraag 27:

Hoeveel opsporingscapaciteit is er voor fraude met PGB, zowel bij het OM, de FIOD/ECD, de Inspectie SZW en zorgkantoren?

Antwoord 27:

De strafrechtelijke aanpak van fraude met het persoonsgebonden budget is belegd bij de Inspectie SZW, die opsporingsonderzoeken uitvoert onder gezag van het Functioneel Parket van het Openbaar Ministerie. In het antwoord op vraag 24 is uiteengezet hoeveel capaciteit de Inspectie SZW en het OM/FP beschikbaar hebben voor de aanpak van fraude in de zorg. Deze capaciteit wordt ingezet voor het uitvoeren van strafrechtelijke onderzoeken naar pgb-fraude en declaratiefraude. De toedeling capaciteit naar deze twee aandachtsgebieden is niet exact in fte’s aan te geven.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat zorgkantoren juridisch gezien geen opsporingstaak hebben. Zij voeren vanuit hun controlerende rol in het stelsel wel reguliere (formele en materiële) controles uit op de rechtmatige besteding van het pgb binnen de Wet langdurige zorg (Wlz), onder andere via het afleggen van huisbezoeken. Bij gerede vermoedens van fraude hebben zij tevens de mogelijkheid om een onderzoek in te stellen. Zorgverzekeraars Nederland houdt geen administratie bij van de aantallen medewerkers die bij de verschillende zorgkantoren zijn belast met het uitvoeren van controles en (fraude)onderzoeken ten aanzien van het pgb in de Wlz. Alle zorgkantoren stellen hier capaciteit voor beschikbaar, maar door verschillen in zowel de functies van medewerkers als in de inrichting van de processen voor controle en fraudebeheersing binnen de organisatie, is een uniform overzicht niet op te stellen.

Vraag 28:

Waarom nemen de uitgaven van langdurige zorg en ondersteuning zo hard toe, nl. van 3.6 miljard euro in 2016 naar 4.5 miljard euro in 2020? Vindt de Minister dat een gewenste ontwikkeling?

Antwoord 28:

De geschetste stijging betreft de ontwikkeling van de begrotingsgefinancierde uitgaven aan langdurige zorg. Deze begrotingsgefinancierde uitgaven bestaan voor het grootste deel uit een bijdrage in kosten van kortingen (BIKK). De BIKK is een rijksbijdrage die is ingesteld bij de invoering van het nieuwe belastingstelsel in 2001 en wordt ingezet om de lagere premieopbrengst als gevolg van de grondslagverkleining van de Wlz te compenseren. De BIKK neemt toe van € 3,25 miljard in 2015 tot € 4,2 miljard in 2020.

Vraag 29:

Hoe verhouden de uitgaven aan gezondheidsbevordering, die licht dalen vanaf 2016, zich tot het geven van meer aandacht aan preventie als een van de geformuleerde kernpunten van de beleidsagenda?

Antwoord 29:

Zoals in de beleidsagenda wordt gesteld, gaat het bij preventie om de beweging van nazorg naar voorzorg. Het gaat erom dat er meer aandacht komt voor een adequate plek voor preventie in de gehele gezondheids(zorg)keten. Uw Kamer ontvangt rond de jaarwisseling een brief over de rol van preventie in de gezondheids(zorg)keten en de motie Wolbert (mogelijkheden voor betaaltitel preventie). Zie voor toelichting op de lichte daling in 2016 ten opzichte van 2015 het antwoord op vraag 16.

Vraag 30:

Wat zijn de incentives voor de verschillende ketenpartners ((geneesmiddelen)fabrikanten, zorgverleners, apothekers, verzekeraars, patiënten) om actief te participeren in het leveren van zinnige en zuinige zorg?

Antwoord 30:

In februari 2015 heb ik uw Kamer met mijn brief «Kwaliteit loont» (TK 31 765, nr. 116) geïnformeerd over het actieplan om te komen tot kwalitatief betere zorg die betaalbaar blijft (zinnige en zuinige zorg). Kern van de «Kwaliteit loont» maatregelen is dat het voor patiënten, zorgverleners en verzekeraars lonender moet worden om te kiezen voor de beste zorg.

Met de koepels van verzekeraars, aanbieders en patiënten is daarnaast in het hoofdlijnenakkoord MSZ voor de periode 2014–2017 een lager groeipad afgesproken. Aan dit te bereiken lagere groeipad ligt een pakket aan maatregelen ten grondslag, waaronder de uitvoering van een kwaliteit- en doelmatigheidsagenda. Partijen hebben de afgelopen periode aangetoond dat zij een sterke inhoudelijke prikkel voelen om de zorg te verbeteren en zo doelmatiger in te richten. Mocht dit desondanks niet afdoende zijn, dan ligt er uiteindelijk een prikkel in de afspraken in het akkoord. Wordt het lagere groeipad niet behaald, dan kan de overschrijding met het MBI worden teruggehaald. Verder is eind mei 2013 het programma tegen verspilling in de zorg gestart. Dit programma is gestart op initiatief van VWS. De keuze voor de acties komt vanuit de partijen zelf en VWS. Daarbij worden de verantwoordelijkheden belegd waar ze horen. Aanpak van verspilling is belangrijk om kwalitatief goede zorg te kunnen blijven betalen. Dit uitgangspunt wordt gedeeld door de deelnemende partijen. Want verspilling draagt bij aan onnodige zorg(kosten) die we met zijn allen betalen. Daarnaast is ook beleid gezet op het tegen gaan van fraude en fouten bij betalingen in de zorg.

Zorginstituut Nederland is in 2013 naar aanleiding van het Regeerakkoord stringent pakketbeheer gestart, dat in belangrijke mate samenhangt met de acties die voortkomen uit de kwaliteit- en doelmatigheidsagenda. Dit programma heeft tot doel om het pakket van de Zorgverzekeringswet systematisch door te lichten op ondoelmatige zorg. Dit gebeurt in overleg met de betrokken veldpartijen. Uit de doorlichting komen aanbevelingen voort die bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op doelmatiger inzet van zorg door partijen of op concrete pakketmaatregelen. Als partijen aan zet zijn om de aanbevelingen uit te voeren, dan maakt het Zorginstituut ook afspraken over de implementatie daarvan. Het Zorginstituut monitort de uitvoering van de aanbevelingen. Conform het Regeerakkoord staat er voor 2017 op basis van stringent pakketbeheer nog een besparingsopdracht open van € 225 miljoen. Deze doorlichting van het pakket betreft een extra taak voor het Zorginstituut. Ten behoeve daarvan is een extra bedrag van € 15 miljoen per jaar ter beschikking gesteld.

Patiënten hebben belang bij een betaalbare premie en bij een goede kwaliteit van de zorg die zij ontvangen. Zij hebben geen belang bij een onnodige behandeling; deze kan bij de patiënt eerder schade berokkenen, dan de gezondheid verbeteren. Daarbij betalen patiënten een verplicht eigen risico voor de zorg die zij gebruiken, waardoor zij bewust omgaan met het gebruik van zorg. Door patiënten meer inzicht te geven in de kwaliteit van het zorgaanbod kunnen zij beter geïnformeerde keuzes maken. In het kader van het jaar van de transparantie heb ik hierover concrete afspraken met partijen gemaakt.

(Geneesmiddelen)fabrikanten tot slot dragen bij aan de kwaliteit van zorg door producten te ontwikkelen die meerwaarde met zich meebrengen. Voor de jaarwisseling presenteer ik een integraal pakket van maatregelen om de betaalbaarheid k uit eigen middelen preventie stimuleren. Ik heb echter geen zicht op de inzet van eigen financiële middelen.

Vraag 31:

Wat is de onderbouwing van de afname van de uitgaven aan zorgtoeslag van 800 mln. euro tussen 2014 en 2015, en vervolgens de toename van 340 mln. euro tussen 2015 en 2016?

Antwoord 31:

Van 2014 op 2015 is het afbouwpercentage verhoogd van 9,118% naar 13,4%. Daardoor ontvangen huishoudens met een inkomen boven het minimumloon minder zorgtoeslag. Daarnaast ontvangt een aantal huishoudens hierdoor geen zorgtoeslag meer. Voor huishoudens met een minimuminkomen is er in 2015 niet veel veranderd; de normpercentages zijn vrijwel stabiel (voor eenpersoonshuishoudens daalt het licht en voor meerpersoonshuishoudens stijgt het licht).

Van 2015 op 2016 zijn vrijwel alle percentages beperkt veranderd. De standaardpremie stijgt in de raming van VWS met € 79 op jaarbasis. Daardoor stijgt de zorgtoeslag voor veel rechthebbenden met ruim € 70. Dit leidt tot de kostenstijging van 2015 op 2016.

Vraag 32:

Hoe worden de overgehevelde Wtcg-gelden ingezet door gemeenten? Welk deel hiervan wordt uitgegeven aan collectieve zorgverzekeringen en welk deel aan overige regelingen?

Antwoord 32:

Er is geen totaal overzicht beschikbaar waar gemeenten deze middelen voor hebben ingezet. Middelen in het sociaal domein zijn voor gemeenten vrij inzetbaar. Zoals reeds in de tweede voortgangsrapportage HLZ is gemeld, is een onderzoek gestart waarbij door een steekproef onder 10 gemeenten kwalitatief in beeld zal worden gebracht hoe gemeenten invulling geven aan de mogelijkheid tot het vragen van eigen bijdragen bij algemene voorzieningen, en vooral ook hoe ze invulling geven aan de verantwoordelijkheid om conform artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de cliënt, waaronder de financiële situatie. In dit onderzoek zal ook aandacht worden besteed aan compenserende maatregelen van gemeenten, zoals collectieve zorgverzekeringen. Over de uitkomsten van het onderzoek wordt uw Kamer in de volgende voortgangsrapportage geïnformeerd. Wel blijkt al uit onderzoek dat nagenoeg alle gemeenten een collectieve verzekering hebben afgesloten voor kwetsbare groepen in de gemeenten en dat verschillende gemeenten daar ook een bijdrage aan leveren.

Vraag 33:

In hoeverre wordt in het programma «Alles is gezondheid» rekening gehouden met het feit dat mensen ook recht hebben op een ongezonde keuze?

Antwoord 33:

Het programma «Alles is Gezondheid...» is niet normatief en bepaalt niet hoe mensen moeten leven. Gezondheid is van mensen zelf. Zij maken zelf hun afwegingen en keuzes. Het programma geeft daarover geen waardeoordeel. De activiteiten zijn er vooral op gericht om gezonder leven gemakkelijker te maken, onder andere door preventie en gezondheid onderdeel te maken van het dagelijkse leven in de wijk, op school, op het werk en in de gezondheidszorg. De maatschappelijke partners bepalen zelf wat ze daaraan willen bijdragen en hoe ze dat doen.

Vraag 34:

Waar in de begroting van VWS 2016 staat de door de minster toegezegde investering in gendersenstieve zorg?

Antwoord 34:

Zie het antwoord op vraag 15.

Vraag 35:

U schrijft dat het tegengaan van antibioticaresistentie prioriteit moet krijgen, zowel op nationaal niveau als op internationaal niveau. Via welke middelen is dat exact terug te zien in uw budget?

Antwoord 35:

De middelen voor het tegengaan van antibioticaresistentie zijn in de begroting opgenomen in beleidsartikel 1 Volksgezondheid onder het instrument Subsidies Ziektepreventie (zie tabel budgettaire gevolgen van beleid op pagina’s 25 en 26 en de toelichting op pagina 30).

Vraag 36:

Welke bedragen zijn gemoeid met de preventie van schadelijk middelengebruik, onderverdeeld in alcohol, drugs en tabak voor de jaren 2013, 2014 en 2015 en waar wordt dit aan besteed?

Antwoord 36:

Het budget voor preventie van schadelijk middelengebruik betrof in 2013 € 1,7 miljoen, in 2014 € 1,2 miljoen en in 2015 was een budget van € 3,1 miljoen gereserveerd. Een onderverdeling in budgetten voor preventie van alcohol, drugs en tabak kan ik u niet geven aangezien we juist zijn overgegaan op een integrale benadering van middelengebruik.

Het budget voor preventie van schadelijk middelengebruik wordt voor een groot deel ingezet via subsidie aan het Trimbos-instituut. Het Trimbos-instituut betaalt uit zijn subsidiegelden onder meer activiteiten op het gebied van:

  • het schoolprogramma De gezonde school en genotmiddelen (alcohol, drugs en tabak);

  • het programma Veilige en Gezonde Horeca en Evenementen;

  • de informatielijnen op het gebied van alcohol, drugs en tabak;

  • het Nationaal Expertisecentrum Tabak (NET);

  • het Landelijk Steunpunt Preventie.

De reden voor de verhoging van de middelen voor preventie van schadelijk middelengebruik in 2015 is dat ik meer inzet op het onderwerp veilige en gezonde horeca en evenementen, vooral waar het gaat om drugspreventie. Ook ben ik extra initiatieven gestart en heb ik een aantal extra onderzoeken laten uitvoeren, zoals onderzoek naar middelengebruik van jongeren op het MBO, HBO en WO. Een ander initiatief is ondersteuning van de campagne Celebrate Safe, een aanpak van de uitgaansbranche waarin de branche actief aan de slag gaat met voorlichting aan bezoekers over veilig feesten waarin drugs, alcohol, gehoorschade, veilig thuiskomen en seksuele gezondheid aan de orde komen.

Vraag 37:

Hoeveel moet de GGD en haar verschillende afdelingen bezuinigen en hoe gaan de GGD's deze bezuinigingen invullen? Kunt u zowel een bedrag als een percentage aangeven?

Antwoord 37:

Ik kan deze vraag niet beantwoorden. De gemeenten zijn eigenaar van de GGD'en en daarmee verantwoordelijk voor het financiële beleid en de keuzes die daarbinnen worden gemaakt. Controle vindt plaats door de gemeenteraden van de aangesloten gemeenten.

Vraag 38:

Hoeveel jongeren zijn afgelopen jaar opgenomen op een alcoholpoli? Wat is de ontwikkeling van deze cijfers over de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 38:

Om een goed beeld te geven van het aantal minderjarige jongeren dat in 2014 is behandeld vanwege een alcoholvergiftiging integreert Veiligheid.nl de cijfers afkomstig van de afdelingen Spoed Eisende Hulp (SEH) en die uit het Nederlands Signaleringscentrum Kindergeneeskunde (NSCK). Deze cijfers zijn eind 2015 beschikbaar.

Uit de cijfers van het NSCK blijkt dat in 2014 783 minderjarige jongeren in één van de poliklinieken voor Jeugd en Alcohol zijn behandeld. De afgelopen vijf jaar zijn respectievelijk 684 (2010), 762 (2011), 706 (2012), 713 (2013) en 783 (2014) jongeren behandeld. Gemiddeld gaat het over deze jaren om 730 jongeren. Of het cijfer over 2014 een significante stijging betreft, valt nog niet te zeggen. Het is denkbaar dat ouders alerter zijn en sneller zorg inroepen bij een gespecialiseerde poli.

Het aantal jongeren dat in 2014 met een alcoholvergiftiging is beland bij de Spoed Eisende Hulp is eind 2015 bekend. De afgelopen jaren (2011, 2012 en 2013) schommelde het aantal jongeren tot 18 jaar rond de 1.400. Veiligheid.nl heeft in 2014 geconcludeerd dat het aantal jongeren is gestabiliseerd.

Vraag 39:

Wat is de gemiddelde leeftijd van jongeren die behandeld worden voor comazuipen?

Antwoord 39:

De gemiddelde leeftijd bedraagt 15,4 jaar (factsheet alcoholintoxicaties NSCK2 2015).

Vraag 40:

Wat zijn de omzet- en winstcijfers van de alcoholbranche?

Antwoord 40:

Ik beschik niet over de omzet- en winstcijfers van de alcoholbranche.

Vraag 41:

Wat zijn de omzet- en winstcijfers van de tabaksindustrie?

Antwoord 41:

Ik beschik niet over de omzet- en winstcijfers van de tabaksindustrie.

Vraag 42:

Hoeveel contacten zijn er in 2015 geweest tussen de tabaksindustrie en het Ministerie van VWS en waar gingen deze contacten over?

Antwoord 42:

Het afgelopen jaar heeft er geen overleg plaatsgevonden tussen ambtenaren van VWS en de tabaksindustrie. Wel is tweemaal gesproken met NSO, CBL en KHN over de nalevingcijfers van de leeftijdsgrens voor de verkoop van tabak.

Vertegenwoordigers van de industrie hebben enkele malen contact gezocht over de implementatie van de Tabaksproductenrichtlijn; hierbij zijn zij steeds verwezen naar openbare Kamerstukken en de internetconsultatie voor de algemene maatregel van bestuur. Op de website www.internetconsultatie.nl zijn de 39 openbare reacties op de internetconsultatie te vinden.

Vraag 43:

Wat is de voortgang van het Nationaal Programma Preventie? Hoeveel pledges zijn er inmiddels ondertekend? Welke partijen zijn er allemaal bij het NPP aangesloten? Welke bijdragen hebben de commerciële partijen gedaan aan het preventieonderzoek? Welke bedrijven waren dit?

Antwoord 43:

In het tweede jaar van het NPP «Alles is Gezondheid...» ligt de nadruk op het bevorderen van innovatie en samenwerking bij de aangesloten partijen als opmaat naar de structurele borging van effectieve activiteiten in het derde programmajaar. In januari 2016 informeer ik u hierover nader.

Eind september van dit jaar zijn 236 pledges ondertekend. Daarmee hebben ruim 800 (maatschappelijke) organisaties zich direct of indirect verbonden aan het programma. Op de site www.allesisgezondheid.nl wordt actuele informatie gepubliceerd over de inhoud van de pledges en de organisaties die de pledges hebben ondertekend. De bijdragen die partijen leveren staan in de pledges. Dit zijn vooral in natura bijdragen, of doelstellingen en ambities die zijn geformuleerd en waarvoor partijen zich inspannen.

Vraag 44:

Hoe gaat u er in de bekostigingssystematiek voor huisartsen en wijkverpleging rekening mee houden dat e-health per 2016 vanzelfsprekend is?

Antwoord 44:

De inzet van eHealth is al een vanzelfsprekend onderdeel van de huisartsenbekostiging. De huisarts kan naar eigen inzicht, in overleg met de patiënt, bepalen op welke wijze hij de beste zorg kan verlenen. Anders dan veel huisartsen denken is het al mogelijk om een consult op afstand via videocommunicatie (beeldzorg) te declareren als een regulier consult. Daarnaast is het ook mogelijk om een e-mailconsult in rekening te brengen. Ook is het mogelijk om als huisarts een specialist te consulteren als het gewenst is om op afstand mee te kijken, waarmee onnodig doorverwijzen naar de tweede lijn kan worden voorkomen. Hiervoor is met ingang van 1 januari 2015 de prestatie «meekijkconsult» opgenomen in de nieuwe bekostiging van de huisartsenzorg. Tot slot is ook de prestatie eHealth geïntroduceerd als onderdeel van dit nieuwe bekostigingsmodel. Dit betreft een vrije prestatie waarbinnen de verzekeraar en de huisarts afspraken kunnen maken over bijvoorbeeld digitale behandelvormen of het inzetten op instrumenten voor het ondersteunen van zelfmanagement voor de patiënt.

De bekostiging voor de wijkverpleging is nog volop in transitie van een complexe systematiek met veel verschillende prestaties naar een eenvoudiger systeem met één of enkele prestaties. In deze transitie is het de inzet dat het lonend moet zijn om op een innovatieve manier zorg te leveren, als dit doelmatiger en beter voor de cliënt is. In 2016 wordt een betekenisvolle stap gezet door een extra beloning voor innovatieve zorg mogelijk te maken via de nieuwe prestatie «beloning op maat». Daarnaast is het in 2016 nog steeds mogelijk om voor het op afstand aanreiken van medicijnen (farmaceutische telezorg) of zorg op afstand via videocommunicatie (beeldzorg) een extra vergoeding te declareren in verband met een vermindering van de directe zorgcontacttijd. Per aangesloten patiënt die (onderdelen van) de prestatie persoonlijke verzorging in de vorm van farmaceutische telezorg geleverd krijgt, kan maximaal 2 uur en 30 minuten per maand tegen het afgesproken tarief persoonlijke verzorging worden gedeclareerd, voor beeldzorg betreft dit maximaal 4 uur. Dit kan alleen gedeclareerd worden wanneer hierover een overeenkomst is afgesloten tussen verzekeraar en aanbieder.

Vraag 45:

Welke stap gaat het kabinet nemen, zodat preventie meer aandacht krijgt behalve antibiotica-resistentie?

Antwoord 45:

Ons preventiebeleid omvat veel meer thema's dan antibioticaresistentie. Al jaren richten we ons op specifieke speerpunten zoals roken, overgewicht, alcohol, bewegen, diabetes en depressie. In de landelijke nota gezondheidsbeleid, die uw Kamer later dit jaar ontvangt, geven we aan welke stappen we op die thema’s in de komende vier jaar willen gaan zetten. Ook geven we daarin aan hoe de inzet vanuit de zorg, de publieke gezondheid, maar ook vanuit onderwijs, werk en inkomen, wonen en leefomgeving elkaar kan versterken en bijdragen aan de integrale aanpak van gezondheid.

Vraag 46:

Hoeveel extra middelen worden er vrij gemaakt om E-health te bevorderen?

Antwoord 46:

Ten eerste willen we benadrukken eHealth als een regulier onderdeel van onze gezondheidszorg te beschouwen, het is een leveringswijze. Een belangrijke taak voor het bevorderen van eHealth is dan ook weggelegd voor zorgverzekeraars en gemeenten om bij het inkopen van zorg tot afspraken te komen die leiden tot een optimale inzet van eHealth.

Om de drie eHealth doelstellingen uit de eHealth brief van juli 20143 te bevorderen, is het VWS programma Innovatie & Zorgvernieuwing gestart. Hiervoor is in 2016 een bedrag van € 1,3 miljoen vrijgemaakt. In het Informatieberaad4 maken veldpartijen en VWS afspraken over de noodzakelijke randvoorwaarden voor eHealth. VWS faciliteert de organisatie van het Informatieberaad middels het Regiebureau Informatievoorziening, hiervoor is in 2016 een bedrag van € 0,5 miljoen vrijgemaakt. Daarmee wordt in 2016 in totaal € 1,8 miljoen vrijgemaakt om eHealth te bevorderen.

Vraag 47:

Kan de Minister concreet aangeven welke stappen zij in 2016 wil gaan zetten om de zorguitgaven blijvend in de hand te houden?

Antwoord 47:

Ondanks de afvlakkende groei blijft de druk op de zorguitgaven groot. Verdere stappen zijn nodig om de zorg ook voor toekomstige generaties betaalbaar te houden. Gezamenlijk inspelen op toekomstige ontwikkelingen en uitdagingen staat hierbij het komende jaar centraal.

Het vertrouwen tussen zorgverleners, patiënten en cliënten, gemeenten en zorgverzekeraars moet de komende tijd worden vergroot om betere kwaliteit tegen lagere kosten te kunnen leveren. Het programma «Kwaliteit loont» blijft daarvoor ook in 2016 een belangrijk instrument.

Gezamenlijke inzet op zinnige en zuinige zorg blijft cruciaal om de potentiële uitgavengroei door nieuwe technologie en wetenschappelijke ontwikkelingen in de hand te houden. Komend jaar komt er een nieuw geneesmiddelenbeleid gericht op kwaliteitsverbetering en kostenbeheersing, om ervoor te zorgen dat – dure maar gewenste – innovaties zoals personalised medicine niet ten koste gaan van de toegankelijkheid van de zorg. Innovaties zijn vaak kostenverlagend gebleken. Tegelijkertijd zijn (proces)innovaties ook een oplossing voor problemen van betaalbaarheid en bemensing. Inzet op deze innovatie en het zien van de kansen en onderkennen van de risico’s is cruciaal.

Vraag 48:

Hoe verklaart de Minister enerzijds haar inzet op Europees niveau om te komen tot zo snel mogelijke toegang van geneesmiddelen voor patiënten en anderzijds de sluis die deze toegang vertraagd?

Antwoord 48:

Mijn inzet op Europees niveau richt zich op snelle markttoelating van nieuwe geneesmiddelen met meerwaarde tegen maatschappelijk aanvaardbare prijzen en binnen houdbare zorguitgaven, ook op de lange termijn. Bij middelen met een uitzonderlijk hoge prijs en/of kostenbeslag acht ik het dan ook alleen maatschappelijk verantwoord deze tot het pakket toe te laten als er waarborgen zijn dat de uitgaven op een aanvaardbaar niveau blijven. Dit ook gelet op eerdere zorgen die zijn geuit door de sector over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van dure geneesmiddelen.

Als fabrikanten een hoge prijs van de samenleving vragen verwacht de samenleving ook transparantie in de onderbouwing van die prijs. Daarnaast is het aan de orde om in deze situaties eisen te stellen aan onderzoek en registratie opdat de therapeutische meerwaarde en kosteneffectiviteit kunnen worden afgewogen.

Daarom heb ik het instrument van «de sluis» geïntroduceerd (TK 29 477, nr. 343). Normaliter stromen intramurale geneesmiddelen automatisch het pakket in, mits er sprake is van zorg die voldoet aan de stand van de wetenschap en praktijk. Met de sluis wijk ik voor bepaalde dure geneesmiddelen af van het principe van open instroom. Ik streef er juist naar om via deze maatregel het middel als verzekerde zorg zo snel mogelijk toegankelijk te maken en ook op de langere termijn toegankelijk te houden. Dat kan echter alleen als er sprake is van een aanvaardbare prijs en kostenbeslag.

Vraag 49:

Welke extra maatregelen worden genomen in de regio's met een dalend aantal inwoners en huishoudens dat de kwaliteit van zorg wordt behouden? Welke regio's zijn dit? Wanneer kan de Tweede Kamer hierover een brief ontvangen?

Antwoord 49:

In mijn brief van 6 maart 2015 (TK 29 247, nr. 200) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de maatregelen die het kabinet neemt om de zorg in krimpgebieden te borgen. Nederland kent acht krimpregio’s, te weten Parkstad Limburg, de Westelijke Mijnstreek en Maastricht-Mergelland, Achterhoek, Eemsdelta, Oost-Groningen, de Marne en Zeeuws Vlaanderen. Daarnaast zijn er ook 12 zogenoemde anticipeerregio’s: Oost-Drenthe, Noord- en Midden-Limburg, Krimpenerwaard, de Hoeksche Waard, Noordoost-Friesland, Noordwest-Friesland, Friese Waddeneilanden, Zuidoost Friesland, de Kop van Noord-Holland, Schouwen-Duiveland en Walcheren.

Naar aanleiding van het AO ziekenhuiszorg en krimpregio’s van 21 mei 2015 is er een motie ingediend over het uitwerken van een definitie van basiszorg. U heeft mij verzocht voor de begrotingsbehandeling hierop te reageren in een voortgangsbrief over curatieve zorg in krimpregio’s. Gezien de omvang van deze motie is er meer tijd nodig om overleg met het veld te voeren. Ik verwacht deze brief voor de jaarwisseling naar uw Kamer te sturen.

Vraag 50:

Wie indiceert – indien noodzakelijk – wijkverpleging in de thuissituatie als een persoon op dat moment in het ziekenhuis verblijft? Is dat de wijkverpleegkundige of de transferverpleegkundige van het betreffende ziekenhuis?

Antwoord 50:

De transferverpleegkundige bemiddelt tussen patiënt, mantelzorg en professionele zorg. Binnen de wettelijke mogelijkheden kan de transferverpleegkundige, indien nodig, hulp aanvragen. Dit kan ook wijkverpleging betreffen. De indicatiestelling zal te allen tijde door de wijkverpleegkundige plaatsvinden. Uit oogpunt van coördinatie en kwaliteit van zorg heeft een wijkverpleegkundige de mogelijkheid om een zorginhoudelijke inventarisatie te maken van de patiënt en zijn of haar situatie als voorbereiding op diens terugkeer naar de eigen omgeving op de plek waar de patiënt op dat moment verblijft. Dit kan daarmee ook in het ziekenhuis plaatsvinden.

Vraag 51:

Hoe wordt ervoor gezorgd dat de dienstapotheek in krimpregio's beschikbaar en betaalbaar blijft? Hoeveel extra middelen worden er vrij gemaakt om zorg in krimpregio's te behouden?

Antwoord 51:

Over de dienstapotheken ontvangt u op korte termijn een Kamerbrief.

Voor zorg in de krimpregio’s in het algemeen staan geen aparte middelen op de begroting gereserveerd. Wel worden via de beschikbaarheidbijdragen voor spoedeisende hulp en acute verloskunde, die door de NZa worden toegekend, extra financiële middelen toegekend aan die ziekenhuizen die daarvoor in aanmerking komen.

Vraag 52:

Wat wordt bedoeld met scherper toezicht op fusies in de tweede lijn? Wat wil de regering hiermee bereiken?

Antwoord 52:

In het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg in verband met herpositionering taken Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en deregulering zal het sectorspecifieke markttoezicht overgaan van de NZa naar de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Door deze bundeling wordt het mededingingsinstrumentarium specifieker op de zorg toegesneden en wordt de personele capaciteit versterkt en uitgebreid, zodat het markttoezicht in de zorg wordt versterkt. Onderdeel van deze overheveling is dat de ACM de middelen krijgt om haar kennis van de zorgmarkt te verdiepen en uit te breiden door diepgaand onderzoek te verrichten naar mogelijke problemen. Hierdoor zal de ACM in staat zijn om haar rol als toezichthouder voortvarend op te pakken. De uitbreiding van capaciteit en kennis zal leiden tot een toezichthouder die maximaal in staat is om op te treden in het geval een concentratie tot mededingingsproblemen leidt. Er moet voor patiënten namelijk wel wat te kiezen overblijven. Hiermee wordt de toegankelijkheid en de mogelijkheid om als patiënt te kiezen tussen aanbieders gewaarborgd.

Vraag 53:

Hoeveel klachten zijn er bij de NZa en IGZ specifiek over zorgverzekeraars binnengekomen in 2012, 2013, 2014, en welke lessen worden getrokken voor komend jaar?

Antwoord 53:

Bij het meldpunt van de IGZ zijn in 2012, 2013, 2014 respectievelijk 7, 10 en 5 meldingen binnengekomen over zorgverzekeraars en zorgkantoren. Deze meldingen kunnen zowel klachten als signalen zijn. De meldingen hadden een diverse aard en gingen ondermeer over schending van privacy, de leesbaarheid van (jaar-)nota, het niet verlengen van een contract met een zorgaanbieder en het niet (meer) vergoeden van bepaalde geneesmiddelen (preferentiebeleid). Bij het Landelijk Meldpunt Zorg, dat nauw samenwerkt met de IGZ, zijn in 2014 129 klachten binnengekomen over «financiën» in de zorg. Daar zaten ook klachten over verzekeraars bij. In voorkomende gevallen verwijzen de IGZ en het Landelijk Meldpunt Zorg melders door naar de betreffende verzekeraar of de NZa.

Voor de NZa geldt dat zij in haar openbare factsheet «Signaaltoezicht over 2014» aangeeft dat er in 2012, 2013 en 2014 respectievelijk 182, 311 en 348 signalen binnen zijn gekomen over de ziektekostenverzekeraars. Voor de zorgkantoren zijn dat er respectievelijk 22, 5 en 32. Dit omvat zowel vragen, meldingen als klachten. Steeds vaker legt de NZa dergelijke signalen terug bij zorgverzekeraars.

In 2014 gingen wat betreft de ziektekostenverzekeraars de meeste signalen over transparantie (114) en zorgplicht (29). Binnen de NZa lopen meerdere projecten om transparantie in de zorg te verbeteren. Daarbij besteden zij ook veel aandacht aan de informatieverstrekking aan verzekerden en patiënten. De signalen over zorgplicht gebruikt de NZa als input voor het probleemoplossend toezicht. Als er veel signalen zijn over een bepaald onderwerp dan kan dat aanleiding zijn om nader onderzoek te doen.

Vraag 54:

De Staatssecretaris stelt dat de wijkverpleegkundige een belangrijke rol speelt in de buurt. Op welke manier is de wijkverpleegkundige verantwoordelijk voor de signalering van buurtaanpassingen om langer thuis wonen te faciliteren?

Antwoord 54:

De wijkverpleegkundige is de verbindende schakel in de buurt tussen zorgvragers en aanbieders binnen de domeinen van zorg, wonen en welzijn. De wijkverpleegkundige coördineert, regisseert, signaleert en acteert. Dit alles met als doel om mensen langer thuis te kunnen laten wonen. Het behoort dus tot de professie van de wijkverpleegkundige om signalering van eventuele noodzakelijke buurtaanpassingen te bespreken met samenwerkingspartners op de terreinen van wonen en welzijn. Dit kan onder meer binnen sociale wijkteams. In de laatste vijf jaar zijn er diverse mooie initiatieven ontwikkeld- bijvoorbeeld vanuit het landelijke innovatieprogramma Zichtbare schakel – om de spilfunctie van de wijkverpleegkundige vorm te geven.

Vraag 55

De wijkverpleegkundige speelt een belangrijke rol in de buurt. Op welke manier is de wijkverpleegkundige verantwoordelijk voor de signalering van buurtaanpassingen om langer thuis wonen te faciliteren?

Antwoord 55:

Zie het antwoord op vraag 54.

Vraag 56:

Hoe gaat u er voor zorgen dat er straks nog meer huisartspraktijken de beschikking hebben over een POH-Ggz?

Antwoord 56:

De POH-GGZ heeft meerwaarde voor zowel de huisartsenzorg als de geestelijke gezondheidszorg.

De inzet van de POH-GGZ wordt gestimuleerd, en met succes: uit NIVEL-onderzoek blijkt dat tussen 2010 en 2014 het percentage praktijken waar een POH-GGZ werkzaam is, gestegen is van 33% naar 88%.

Om te zorgen dat er voldoende POH’s-GGZ beschikbaar zijn en blijven, is vorig jaar in het sectorplan huisartsenzorg aangekondigd dat medewerkers uit andere zorgsectoren voor de ondersteunende functies in de huisartsenzorg worden opgeleid, waaronder 250 POH’s-GGZ. Dit traject is in volle gang.

Het is hierbij wel van belang om op te merken dat de functie van de POH-GGZ nog erg in ontwikkeling is: er is veel diversiteit in de problematiek die de POH-GGZ behandelt en ook de achtergrond van de professional die de functie bekleedt. De regering verwacht dan ook dat de beroepsgroep investeert in het vergroten van de aandacht voor het takenpakket en het functieprofiel van de POH-GGZ, om daarmee de kwaliteit van de zorg te waarborgen. Dat is ook van belang voor het helder krijgen van de taken en rol van de geestelijke gezondheidszorg binnen de huisartsenpraktijk, in het licht van de versterking van de samenwerking tussen de huisartsenzorg, de generalistische Basis-GGZ en gespecialiseerde ggz.

Vraag 57:

Wanneer komt de nieuwe nota van wijziging van de Wet verplichte ggz, waar door het veld zo naar gesmacht wordt, naar de Kamer? Hoe gaat u de praktijk in verplichte ggz in de tussentijd verbeteren?

Antwoord 57:

De tweede nota van wijziging is 4 september 2015 in consultatie gegaan. Na verwerking van de inbreng uit deze consultatie zal de tweede nota van wijziging worden aan geboden aan de Raad van State. Na verwerking van het advies van de Raad van State zal de tweede nota van wijziging worden aangeboden aan de Tweede Kamer. Dit zal naar verwachting begin 2016 gebeuren.

In de tussentijd wordt door betrokken partijen (ggz, Openbaar Ministerie en gemeenten) al gewerkt aan verbetering van de onderlinge samenwerking en afstemming, onder andere naar aanleiding van de adviezen van de Commissie Hoekstra.

Vraag 58:

Wanneer stuurt de regering het plan van aanpak voor verwarde personen op straat naar de Kamer? Welke concrete verbetering heeft de regering in de bestaande praktijk teweeg gebracht sinds het laatste AO ggz?

Antwoord 58:

  • In mijn brief aan de Kamer van 30 juni 2015 (TK 25 424, nr. 279), heb ik aangekondigd dat uw Kamer vóór de begrotingsbehandeling een breed plan van aanpak voor de opvang van verwarde personen zal ontvangen. Op 3 september heb ik met de Minister van Veiligheid en Justitie en de VNG het aanjaagteam verwarde personen geïnstalleerd. Dit aanjaagteam is direct daarop aan de slag gegaan met het opstellen van een plan van aanpak. Hoewel het tijdpad krap is, is het streven om uw Kamer het plan van aanpak nog voor de begrotingsbehandeling te doen toekomen.

  • Voordat concrete verbeteringen worden ingezet analyseert het aanjaagteam verwarde personen eerst samen met partijen welke problemen met prioriteit moeten worden aangepakt.

  • Daarnaast start binnenkort het vervolgprogramma continuïteit van zorg. Opdrachtgevers zijn Zorgverzekeraars Nederland, de VNG, GGZ Nederland en de ministeries van VWS en VenJ. Het programma heeft tot doel continuïteit van zorg voor cliënten na afloop van een periode in de forensische zorg en/of detentie te realiseren.

Vraag 59

Hoe zorgt de regering dat de huishoudelijke hulp toelage ten goede komt aan thuiszorgaanbieders die handelen naar de Wet werk en zekerheid?

Antwoord 59:

Het college van B en W legt over de uitvoering van de huishoudelijke hulp toelage verantwoording af aan de gemeenteraad. Bij de uitvoering van de huishoudelijke hulp toelage is de gemeente gehouden aan de kaders van de Wmo 2015. Voor aanbieders die huishoudelijke hulp verlenen die voor een deel met inzet van de huishoudelijke hulp toelage wordt gefinancierd, geldt uiteraard ook dat zij gebonden zijn aan wet- en regelgeving, waaronder de Wet werk en zekerheid.

Met de inwerkingtreding van de Wet aanpak schijnconstructies is de verantwoordelijkheid van opdrachtgevers (in dit geval de gemeenten) voor het naleven van wet- en regelgeving door opdrachtnemers (in dit geval de aanbieders van huishoudelijke hulp) toegenomen. Hiermee is op basis van de geldende wet- en regelgeving de naleving van de Wet werk en zekerheid door aanbieders van huishoudelijke hulp in opzet voldoende gewaarborgd.

Vraag 60:

Op welke manier wilt u het gebruik van e-mental health verbeteren?

Antwoord 60:

In 2015 heb ik het Trimbos-instituut opdracht gegeven voor een project «ondersteuning opschaling e-mental health in de huisartsvoorziening». Het project voorziet in de ontwikkeling van een aantal producten en diensten dat de daadwerkelijke opschaling kan ondersteunen. In samenwerking met het NHG en InEen wordt onder andere een overzicht van goede e-mental health interventies gemaakt. Daarnaast wordt gewerkt aan een handreiking voor de implementatie, e-learning modules voor de training van POH’ers en huisartsen. Tot slot zullen eind 2015 ook bijeenkomsten georganiseerd worden die bijdragen aan kennisdeling.

In het kader van bestuurlijke akkoorden ggz is eind 2014 een handreiking adviezen voor opschaling van eHealth in de ggz gelanceerd. Momenteel wordt door de sector gewerkt aan een follow-up om te komen tot de volgende generatie businessmodellen in de ggz. Ik zal met de Staatssecretaris een voortgangsbrief eHealth en zorgverbetering naar de Kamer sturen, waarin wij nadere uitwerking geven aan hoe de overheid innovatie en zorgvernieuwing verder wil faciliteren. Het is onze ambitie om de initiatieven van veldpartijen te ondersteunen en een gezamenlijk versnellingsplan voor e-mental health op te stellen. Een gezamenlijke focus en doelstelling, zoals deze ook de basis vormen van de tripartiete coöperatie Zelfzorg Ondersteund! is, is naar onze visie ook een kansrijke succesfactor voor de ggz.

Vraag 61:

E-mental health kan de kwaliteit van leven van mensen met psychische klachten aantoonbaar verbeteren. Deze vorm van zorg wordt nog onvoldoende benut. Is met concrete doelstellingen inzichtelijk te maken welke acties worden ondernomen om deze vorm van zorg beter te benutten?

Antwoord 61:

In mijn antwoord op vraag 60 geef ik aan welke concrete acties ik onderneem om de toepassing van e-mental health te bevorderen. Doel daarbij is dat de inzet van e-mental health interventies voor meer zelfmanagement en empowerment van de patiënt in de toekomst gemeengoed moet zijn.

Voor 2016 zie ik in de zorginkoop van verzekeraars concrete doelstellingen terug. Zo stelt zorgverzekeraar CZ dat in 20% van de behandeltrajecten een online behandelprogramma moet zijn ingezet om in aanmerking te komen voor een hoger tarief. Menzis heeft opgenomen dat bij minimaal 30% van de behandelingen van angst en depressie gebruik gemaakt moet worden van eHealth. Achmea werkt met een keurmerk waarvan eHealth een onderdeel is: de behandelaar dient bewuste overweging te maken of eHealth ingezet kan worden. Ook VGZ koppelt de implementatie van e-mental health aan een hoger tarief, waarbij geen eisen gesteld worden aan een specifieke toepassing e-mental health.

Wat de concrete doelstellingen uit het zorginkoop beleid gemeen hebben is dat eisen gesteld worden aan een (minimum) gebruik of bewuste overweging over de inzet van e-mental health. Dit moet de opschaling van gemengde zorg stimuleren. Daarbij vind ik het van belang dat verbetering van kwaliteit en doelmatigheid het leidmotief is en de patiënt centraal staat.

Vraag 62:

In de nieuwe wet verplichte GGZ krijgen familieleden en andere direct betrokkenen een veel prominentere rol. Wat gaat dit betekenen voor de positie en ondersteuning die gegeven wordt door de familievertrouwenspersonen die actief zijn binnen de GGZ?

Antwoord 62:

De familievertrouwenspersoon krijgt in de Wet verplichte GGZ een wettelijke verankering. In deze wet worden onder meer zijn taken en bevoegdheden geregeld, alsmede zijn positionering. De financiering van de familievertrouwenspersonen is van oorsprong geënt op de activiteiten op dit terrein ten behoeve van familie van cliënten/patiënten die opgenomen zijn in een ggz-instelling.

Het ligt in de rede om aan te sluiten bij de ambulantisering en daarmee ook familievertrouwenswerk mee te nemen ten behoeve van patiënten/cliënten die in ambulante zorg zijn. Ook op grond van de Wet verplichte GGZ kunnen cliënten die verplichte zorg ontvangen straks ambulant zijn. Ik ben hierover in gesprek met de Landelijke Stichting Familie Vertrouwenspersonen (LSFVP).

Vraag 63:

Hoeveel bedden in de GGZ in totaal zijn er sinds het aantreden van het kabinet Rutte I en II verdwenen, dus hoeveel intensief beschermd wonen (IBW)-bedden, hoeveel klinische bedden, crisisbedden, bedden in de verslavingszorg, bedden in de vrouwenopvang en bedden in de kinder- en jeugd-GGZ zijn er geschrapt?

Antwoord 63:

Het rapport Landelijke Monitor Intramurale GGZ (LMIG) van het Trimbos-instituut heeft het aantal bedden in de ggz in kaart gebracht, inclusief verslavingszorg en beschermd wonen. Deze monitor geeft inzicht in de ontwikkeling over de periode 2008–2013 (daarbij is in dit onderdeel niet ingezoomd op de specifieke bedden verslavingszorg, kinder- en jeugdpsychiatrie en crisisbedden). Uit deze monitor blijkt dat de omvang van de Zvw- en AWBZ-gefinancierde intramurale ggz-capaciteit tussen 2012 en 2013 afnam met drie procent.

De afname was het sterkst bij de Zvw-gefinancierde capaciteit (afname van zeven%). De omvang van de capaciteit van het voortgezet verblijf is afgenomen met vier procent. De totale omvang van het beschermd wonen bleef stabiel. De beschermd wonen capaciteit nam bij de geïntegreerde instellingen af met vier procent, bij de RIBW’s nam de beschermd wonen capaciteit toe met twee procent.

Het aantal bedden/plaatsen in de vrouwenopvang is onbekend. Navraag bij de Federatie Opvang leert dat er ongeveer 200 opvanglocaties zijn (2013).

Vraag 64:

U schrijft dat het GGZ samen met politie, justitie, gemeenten en andere betrokken instanties samen gaan werken om overlast van verwarde mensen aan te pakken. Kunt u aangeven waar dit voornemen in uw begroting terugkomt?

Antwoord 64:

Op 3 september heb ik samen met de Minister van Veiligheid en Justitie en de VNG, het aanjaagteam verwarde personen geïnstalleerd. Het aanjaagteam geeft aan dat zij – zo kort na installatie – nog geen uitgewerkte begroting kan presenteren bij het plan van aanpak. Pas nadat de grootste knelpunten in beeld zijn gebracht en de noodzakelijke verbeteracties zijn bepaald, kan een inschatting worden gemaakt van de mogelijke kosten die aan deze verbeteracties zijn verbonden. Indien deze optreden, dan worden deze bij de komende voorjaarsbesluitvorming betrokken.

Vraag 65:

De Minister stelt in haar beleidsagenda dat de POH GGZ van grote waarde is. Is de Minister bereid hier dan ook financiële middelen voor vrij te maken? Kan een toelichting worden gegeven?

Antwoord 65:

Met het oog op de gewenste groei van het aantal POH’s-GGZ is er in de jaren 2010 t/m 2015 extra budget structureel toegevoegd aan het kader huisartsenzorg, mede conform de afspraken in het convenant huisartsenzorg 2012/2013 (TK 29 247, nr. 176). In het bestuurlijk akkoord eerste lijn 2014 tot en met 2017 (TK 29 248, nr. 257) zijn afspraken gemaakt over de toegestane volumegroei binnen de huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg. De POH-GGZ maakt onderdeel uit van deze afspraken. In de toekomstagenda GGZ, waaraan op dit moment door het veld gewerkt wordt, zal analoog aan de afspraken tussen de medisch-specialistische zorg, huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg het uitgangspunt worden opgenomen dat budget de zorg volgt.

Als zorg voor patiënten verschuift van de curatieve GGZ naar de huisartsenzorg, en vice versa, zullen de budgetten deze verschuiving moeten volgen.

Vraag 66:

Wat zijn de concrete doelen voor E-mental health in 2016? Wanneer wordt deze mogelijkheid volgens de regering voldoende benut? Is hier een aantal gebruikers of anderszins een beoogd resultaat aan te koppelen?

Antwoord 66:

Voor mijn antwoord op de vraag naar concrete doelen verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 60 en 61. Hieraan zijn geen aantallen gebruikers gekoppeld.

Momenteel is nog geen sprake van breed gebruik van e-mental health. De eHealth-monitor 2015 meldt dat ongeveer één op de drie psychiaters de mogelijkheid biedt om via internet een vraag te stellen over psychische problemen. Via internet een behandeling volgen in combinatie met offline face-to-face contacten is bij drie op de tien van de psychiaters mogelijk. Meer dan een derde van de huisartsen en bijna twee derde van de psychiaters gaf aan dat er in het afgelopen jaar een pilot was geweest. Daarbij werd e-mental health veel als voorbeeld genoemd. Er is nog geen brede opschaling maar toch meldt innovatiebureau e-hulp dat ruim een kwart miljoen mensen al online hulp krijgt bij psychische klachten.

De zorginkoop van zorgverzekeraars zal bredere opschaling stimuleren, maar ik constateer ook dat de zorgprofessional nog onvoldoende opgeleid is voor zijn nieuwe rol bij dit soort gemengde behandelingen, waarbij face-to-face contact en online hulpprogramma’s worden gecombineerd. Voor bredere opschaling zal daarom ook hard gewerkt moeten worden aan aspecten als bekendheid en opleiding.

Vraag 67:

Welke maatregelen wilt u nemen om het sportbestel slagvaardiger te maken? Wie maakt deel uit van het sportbestel?

Antwoord 67:

Met de term «sportbestel» doel ik op het samenwerkende netwerk van organisaties die een rol hebben bij de beleidsvorming en beleidsuitvoering van het sportbeleid van de rijksoverheid. Er bestaat geen wettelijk kader waaruit de verantwoordelijkheid voor sportbeoefening voortvloeit. Op lokaal, regionaal, provinciaal en landelijk niveau hebben organisaties een stimulerende rol, scheppen randvoorwaarden, financieren of nemen op specifieke thema’s in de sport de regie. Belangrijke partners zijn de gemeenten, NOC*NSF en haar sportbonden en verenigingen, NWO, ZonMw, Technologiestichting STW, het RIVM, het Mulier Instituut, VeiligheidNL en de Anti-Doping Autoriteit Nederland.

Samen met de partners zetten we ons continu in voor het verbeteren van de slagvaardigheid. In 2016 zal ingezet worden op het verhogen van het rendement van kennis en innovatie in de sport door het gebruiksvriendelijker en efficiënter ontsluiten van kennis via het Kenniscentrum Sport i.o., start een nieuw programma sportblessurepreventie en wordt er een extra impuls gegeven aan de bestrijding van dopinggebruik in de sport.

Met de collega’s van Financiën en Veiligheid en Justitie zorg ik voor borging van de maatschappelijke afdrachten – onder meer aan de sport – uit de opbrengsten van de Loterijen. In 2016 zal ook de beleidsdoorlichting sport plaatsvinden en ontwikkelen het SCP en het RIVM de Sport Toekomst Verkenning. De resultaten hiervan kunnen benut worden bij de vorming van toekomstig sportbeleid met het oog op de gewenste slagvaardigheid.

Vraag 68:

Hoeveel extra middelen worden er ingezet om ouderen met een zorgzwaartepakket 4 in de Wet Langdurige zorg te laten en kan de regering enkele afbakeningsproblemen noemen?

Antwoord 68:

Om ouderen met een zorgzwaartepakket 4 (zzp4) in de Wlz te laten, zijn bij de Voorjaarsnota 2015 extra middelen vrijgemaakt. Het gaat hierbij om een bedrag van € 57 miljoen in 2016 oplopend tot € 274 miljoen structureel vanaf 2018.

Een voorwaarde om toegang te kunnen krijgen tot zorg in de Wlz is dat de cliënt behoefte heeft aan permanent toezicht en/of voordurende zorg in de nabijheid. Dit leverde afbakeningsvragen bij zzp4. Het gaat er dan om welk deel van de cliënten met een zzp4 zal voldoen aan deze toegangscriteria en welk deel niet. Met de toevoeging van de extra middelen aan het Wlz-kader is het mogelijk om alle cliënten met een indicatie voor V&V4 toegang te verlenen tot de Wlz. Daarmee zijn de mogelijke afbakeningsproblemen opgelost.

Vraag 69:

De hervormingen in de jeugdhulp leiden tot voordelen voor cliënten en hun naasten. Welke voordelen zijn dit?

Antwoord 69:

De decentralisatie van de zorg voor jeugd is geen doel op zich, maar een middel om tot kwalitatief betere ondersteuning, hulp en zorg te komen dichterbij de jeugdigen en ouders die daarop zijn aangewezen. Landelijk meetbare effecten zullen pas op langere termijn zichtbaar worden. Met de decentralisatie naar gemeenten zijn daarvoor echter wel de noodzakelijke bestuurlijke en financiële randvoorwaarden gecreëerd.

De evaluatie van de Wet op de jeugdzorg5 en de analyse van de parlementaire werkgroep

Toekomstverkenning Jeugdzorg6 brachten belangrijke tekortkomingen van het oude jeugdstelsel aan het licht:

  • financiële prikkels werkten richting dure gespecialiseerde zorg;

  • tekortschietende samenwerking rond kinderen en gezinnen;

  • afwijkend gedrag werd onnodig gemedicaliseerd;

  • het kosten opdrijvend effect als afgeleide van deze knelpunten.

Deze tekortkomingen van het oude stelsel vormden de aanleiding voor de stelselherziening.

Wat moeten ouders en kinderen van de stelselherziening gaan merken? Gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis organisaties zijn binnen het nieuwe wettelijke kader volop bezig met een vernieuwingsproces. Om dat proces richting te geven, is een Vernieuwingsagenda opgesteld. De veranderopgaven zijn geformuleerd in lijn met de doelen van de Jeugdwet en zijn in het kort:

  • het kind centraal;

  • integrale hulp dichtbij kinderen en ouders;

  • vernieuwing van de toegang, tijdige inzet van specialistische hulp en de overgangsproblematiek rond het achttiende levensjaar;

  • vernieuwing van de jeugdbescherming en jeugdreclassering;

  • betere verbinding tussen jeugdhulp en (passend) onderwijs;

  • meer ruimte voor professionals: het terugdringen van de ervaren regeldruk en het gebruik van outcomecriteria.

Het nieuwe jeugdstelsel biedt zo de basis voor de inzet van de juiste en tijdige ondersteuning, hulp en zorg voor jeugdigen en hun ouders.

Vraag 70:

Hoe zorgt de regering ervoor dat cliënten zeggenschap hebben over het extra budget voor dagbesteding in verpleeghuizen? Hoe zorgt de regering ervoor dat dit geld kan worden ingezet met zo min mogelijk bureaucratie?

Antwoord 70:

Zoals aangekondigd in het plan Waardigheid en Trots moet de kwaliteit van zorg in verpleeghuizen omhoog en beter aansluiten op de wensen, behoeften en mogelijkheden van de cliënt. Daarbij wordt de positie van cliëntenraden versterkt. Om zeker te stellen dat het extra budget voor dagbesteding ook wordt ingezet zoals bedoeld, zal ik de komende periode afspraken maken met de zorgkantoren en zorgaanbieders. Zeggenschap van cliënten is daarbij uitgangspunt. Daarna zal ik bekend maken op welke wijze deze extra middelen beschikbaar worden gesteld. Uitgangspunt daarbij is om de resultaten te kunnen monitoren met zo min mogelijke bureaucratische belasting.

Vraag 71:

Hoe zorgt de regering ervoor dat zorgverleners in het verpleeghuis zeggenschap krijgen over de besteding van het extra budget voor her- en bijscholing? Hoe zorgt de regering ervoor dat dit geld kan worden ingezet met zo min mogelijk bureaucratie?

Antwoord 71:

Er zijn verschillende mogelijkheden om zorgverleners zeggenschap te geven over het extra budget. Te denken valt aan instemming van de ondernemingsraad en/of VAR (Verpleegkundige en verzorgende Adviesraad) bij het opleidingsplan. Zie ook het antwoord op vraag 70.

Vraag 72:

Op welke wijze draagt de nieuwe bekostiging voor wijkverpleging bij aan vermindering van de regeldruk?

Antwoord 72

De wijkverpleegkundige bepaalt op basis van haar professioneel handelen welke inzet van zorg nodig en gepast is. De nieuwe bekostiging moet daarop aansluiten, waardoor administratieve lasten worden teruggedrongen. In het nieuwe model worden op basis van de gegevens die de wijkverpleegkundige sowieso behoort vast te leggen vanuit haar professionele rol, één of enkele zorgprestaties afgeleid. Hiertoe kunnen de in de praktijk gebruikte classificatiesystemen, die wijkverpleegkundigen ondersteunen bij het stellen van de diagnose, behulpzaam zijn. Uitgangspunt is dat er niet meer gegevens worden vastgelegd dan die nu ook al in classificatiesystemen worden geregistreerd.

Vraag 73:

Wat wordt bedoeld met merkbaar minder regeldruk? Wat zijn de streefwaarden en hoe wordt dit gemeten? Zijn er consequenties aan verbonden als de vermindering van regeldruk of bureaucratie niet gehaald wordt?

Antwoord 73:

De aanpak om te komen tot merkbaar minder regeldruk is erop gericht dat zorgprofessionals in de praktijk merken dat de administratieve lasten verminderen. Zo houden zij meer tijd over voor goede zorg aan de patiënt. De aanpak bestaat uit vier onderdelen te weten:

  • 1. slimmer samenwerken;

  • 2. valide regels zo eenvoudig mogelijk maken;

  • 3. overbodige regels waarvan het doel is achterhaald te schrappen;

  • 4. bij nieuwe regels goed te kijken of het doel in verhouding staat tot toename van de regeldruk.

Zoals ook in de Kamerbrief «Merkbaar minder regeldruk» aangegeven is de afgelopen periode steeds meer op meting van prestaties ingezet: vertrouwen lijkt steeds afhankelijker te worden van te meten prestatie. Dit heeft geleid tot een steeds verdergaande stapeling van toezicht, dubbele controles en de behoefte om alles tot in detail te willen weten, zonder dat dit altijd bijdraagt aan het uiteindelijke doel: inzicht in en het aanbieden van kwalitatief goede, betaalbare en bereikbare zorg voor de patiënt en cliënt.

Voor de aanpak van regeldruk hanteert het kabinet het streefcijfer om de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals in de periode 2012- 2017 structureel met € 2,5 miljard te verlagen. Zo is de lastendruk door verschillende maatregelen van VWS tot nu toe met zo’n € 180 miljoen afgenomen. Een belangrijke les is echter dat de uitvoerende partijen de genomen maatregelen niet altijd als een lastenvermindering ervaren hebben. Dit onder meer doordat de regeldruk wordt afgemeten aan overheidsregulering maar dat de regeldruk maar in beperkte mate door overheidsregulering wordt veroorzaakt, maar door meerdere factoren. Bijvoorbeeld door de informatie uitvraag door verschillende partijen en organisaties buiten de eigen zorginstelling en uitvraag, processen en procedures binnen de eigen zorginstelling. Om een meer gespecificeerde duiding te krijgen van de administratieve lasten die gemaakt worden door zorgverleners dan mogelijk is op basis van de huidig beschikbare data zou bij hen extra gegevensuitvraag moeten worden gedaan. Dit zou in zichzelf al een verdere stijging van de administratieve lasten met zich meebrengen. Ik ben dan ook niet voornemens hiertoe nieuwe verplichtingen op te leggen.

Voor een succesvolle aanpak vind ik het belangrijk dat niet alleen VWS, maar alle organisaties die actief zijn in de zorg, op dit vertrouwen inzetten. Iedere organisatie zou zich zelf moeten afvragen: «Wat doe ik waardoor een ander regeldruk ervaart?» en «Wat ga ik doen om de ervaren regeldruk te verminderen?». Dit heeft bijvoorbeeld recent al tot mooie resultaten geleid bij de huisartsen en ik zet mij er voor in om vergelijkbare resultaten ook in andere zorgsectoren te behalen.

Vraag 74:

Is volgens dit kabinet de regeldruk al verminderd onder jeugdzorgwerkers? Met hoeveel en hoe is dit gemeten

Antwoord 74:

De regeldruk wordt niet op landelijk niveau gemeten. Overigens laten diverse goede voorbeelden zien dat in het nieuwe jeugdstelsel zorgprofessionals een vermindering van regeldruk ervaren.

Aan de andere kant levert het declaratie- en verantwoordingsverkeer tussen instellingen en gemeenten vaak een hogere ervaren regeldruk op. Om deze lastendruk te verminderen wordt door VNG/gemeenten en branches/zorgaanbieders de Werkagenda administratie en ICT Wmo en Jeugdwet uitgevoerd.

Vraag 75:

Wat is de voortgang van «het jaar van de transparantie» op de afzonderlijke punten?

Antwoord 75:

Over de voortgang van het Jaar van de transparantie stuur ik u voor de behandeling van de begroting een aparte brief.

Vraag 76:

Wat is het beleid ten aanzien van health checks, medische apps, screening en thuisdiagnostiek? Hoe verhoudt zich dit tot het beleid van zinnige en zuinige zorg?

Antwoord 76:

Zoals ook de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (voorheen de Raad voor Volksgezondheid en Zorg) in zijn recent uitgebrachte advies over consumenten e-health beschrijft7, komen er steeds meer toepassingen voor mensen beschikbaar, die hen helpen beter zicht te krijgen op hun eigen gezondheid.

Zoals verwoord in de brief over e-health en zorgverbetering (TK 27 529, nr. 130), en de op 8 oktober 2015 verstuurde voortgangsrapportage van deze brief (TK 27 529, nr. 134), is het van belang dat deze toepassingen in de zorg kunnen worden ingezet wanneer mensen en medisch professionals dit zinvol vinden. Wij richten ons beleid erop dat het dan ook mogelijk is, door de ambities die wij geformuleerd hebben op het gebied van informatiedeling, zelfmeting en telemonitoring en zorg op afstand (beeldzorg).

Het is verder aan de beroepsgroepen- en patiëntenorganisaties om zowel professionals als patiënten nader te informeren over welke toepassingen voor hen nuttig kunnen zijn.

Als de toepassingen op een goede manier worden ingezet, kunnen deze bijdragen aan zinnige en zuinige zorg, doordat mensen beter voor zichzelf kunnen zorgen, meer inzicht krijgen op het effect van hun eigen gedrag op hun gezondheid en doordat de zorg wordt geleverd op het moment dat het nodig is in plaats van dat het ingepland is.

Op 6 oktober heb ik aan uw Kamer de brief «Standpunt Health Checks» gestuurd (TK 32 793, nr 199), waarin ik inga op het beleid ten aanzien van health checks en screening, breder dan medische apps en thuisdiagnostiek.

Vraag 77:

Houdt het geneesmiddelenbeleid ook rekening met de jaarlijkse groei van het aantal kankerpatiënten? Met welk percentage groeide het aantal kankerpatiënten de afgelopen 5 jaar? Met welk percentage groeide het budget voor oncologische geneesmiddelen en met welk percentage groeide het totale budget dure geneesmiddelen?

Antwoord 77:

Bij de vormgeving van het geneesmiddelenbeleid wordt rekening gehouden met verschillende ontwikkelingen, waarbij het doel is de toegankelijkheid, betaalbaarheid en kwaliteit van de zorg te borgen. Dit geldt voor de oncologie, maar ook voor andere specialismen. Zoals toegezegd in het AO geneesmiddelenbeleid van 25 maart jl. kom ik eind 2015 met een nieuwe visie geneesmiddelenbeleid (in Europees perspectief).

Op basis van gegevens van Integraal Kankercentrum Nederland (www.cijfersoverkanker.nl) is het aantal nieuwe kankerpatiënten tussen 2010 en 2014 toegenomen van 97.604 tot 103.911 (2014 is een voorlopig cijfer), een totale stijging van 6,5% in die periode. Het totaal aantal personen in Nederland dat kanker heeft of heeft gehad bedroeg in 2011 434.506 en in 2013 468.939.

De oncologische geneesmiddelen vallen onder het financiële kader voor medisch-specialistische zorg. Er is binnen het financiële kader medisch-specialistische zorg en binnen het financiële kader voor extramurale farmaceutische zorg geen «budget voor oncologische of dure geneesmiddelen». Dergelijke uitgaven dienen binnen de kaders te worden opgevangen. Overigens, er zijn in 2013 voor circa € 150 miljoen aan oncologische geneesmiddelen overgeheveld van het kader extramurale farmaceutische zorg naar het kader medisch specialistische zorg. Aan het kader medisch-specialistische zorg zijn de financiële middelen en de met het veld afgestemde groeipercentages toegevoegd (gemiddeld +15% per jaar in 2013-2014-2015).

Vraag 78:

Hoe voorkomt de regering dat het geneesmiddelenbeleid gericht op kostenbeheersing leidt tot vertraging of zelfs geen toegang tot beschikbare behandelingen voor patiënten en/of postcodegeneeskunde?

Antwoord 78:

Het zorgbudget is niet oneindig. Het is van belang om ook op de lange termijn ervoor te zorgen dat de zorguitgaven houdbaar zijn. Specifiek voor geneesmiddelen geldt dat we een ontwikkeling zien dat er steeds duurdere geneesmiddelen op de markt komen, waarbij in sommige gevallen het de vraag is in hoeverre er sprake is van maatschappelijk verantwoorde geneesmiddelenprijzen.

Bij middelen met een uitzonderlijk hoge prijs en/of kostenbeslag acht ik het dan ook alleen maatschappelijk verantwoord deze tot het pakket toe te laten als er waarborgen zijn dat de uitgaven zich op een aanvaardbaar niveau bevinden. Dit ook gelet op eerdere zorgen die zijn geuit door de sector over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van dure geneesmiddelen.

Daarom heb ik het instrument van «de sluis» geïntroduceerd (TK 29 477, nr. 343). Zie hiervoor mijn antwoord op vraag 48.

Voor de geneesmiddelen die onderdeel uitmaken van het basispakket geldt dat patiënten die hiervoor een medische indicatie hebben, recht hebben op behandeling met het betreffende geneesmiddel. Zorgverzekeraars hebben voor deze zorg een zorgplicht. Zij moeten ervoor zorgen dat verzekerden zorg of vergoeding van zorg krijgen als zij daar recht op hebben. Daarnaast moeten aanbieders in principe zorg verlenen conform richtlijnen. Het kan dus niet zo zijn dat een patiënt geen toegang heeft tot bepaalde zorg terwijl die wel onderdeel uitmaakt van het basispakket van de Zorgverzekeringswet. Wel kan het zijn dat deze medisch specialistische zorg geconcentreerd is in bepaalde ziekenhuizen uit het oogpunt van kwaliteit. De woonplaats van de patiënt speelt hierbij geen rol. Er kan dus geen sprake zijn van postcodegeneeskunde.

Vraag 79:

Kunt u een overzicht geven van de gemiddelde ontwikkeltijd (time to market) van een geneesmiddel over de periode 1970–2014? Kunt u een overzicht geven van de wet- en regelgeving die heeft bijgedragen aan de groei van de gemiddelde ontwikkeltijd?

Antwoord 79:

Ik beschik niet over de gegevens om een dergelijk overzicht te kunnen opstellen. Er bestaat ook geen eenduidige definitie van «time to market». Wel kan in algemene zin geconstateerd worden dat de time to market mede bepaald wordt door wet- en regelgeving gericht op veiligheid en werkzaamheid van geneesmiddelen.

Vraag 80:

Wanneer verwacht u het nieuwe geneesmiddelenbeleid (lange termijn visie) naar de Kamer te kunnen sturen?

Antwoord 80:

Ik verwacht dit te kunnen doen vóór het komende Kerstreces.

Vraag 81:

Op welke wijze worden zorgaanbieders gestimuleerd om «open te zijn over incidenten en klachten»? Welk beleid zal hen hiertoe bewegen?

Antwoord 81:

Op 6 oktober 2015 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel voor de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). In deze nieuwe wet staat wat goede zorg inhoudt en hoe klachten laagdrempelig kunnen worden aangepakt en afgehandeld. Openheid over, en het leren op de werkvloer van incidenten en klachten, vormt de basisgedachte achter deze wet. De wet draagt op verschillende manieren bij aan een open cultuur. Bijvoorbeeld door een systeem van veilig incidenten melden, waardoor zorgaanbieders op een veilige manier onbedoelde gebeurtenissen en fouten kunnen melden en evalueren ter verbetering van de kwaliteit van zorg. Denk onder meer aan onhandige procedures die het risico op het maken van fouten groter maken of medische technologie die niet goed wordt toegepast. Bovendien bevat de wet een geheimhoudingsplicht voor betrokken medewerkers bij de procedures van het veilig incident melden en de klachtenprocedures. De geheimhoudingsplicht waarborgt dat informatie uit die procedures niet aan anderen wordt verstrekt, hetgeen bijdraagt aan de gewenste veiligheid.

Tot slot noem ik de introductie van een klachtenfunctionaris. De praktijk wijst uit dat een goed open gesprek tussen de cliënt en de zorgverlener of bemiddeling het beste werkt. Een zorgaanbieder kan een beroep doen op de klachtenfunctionaris die een dergelijk gesprek kan bevorderen om klachten snel tot acceptabele oplossingen te brengen.

Vraag 82:

Kunt u een uitsplitsing maken van het deel van de kostenstijging van de zorg in Caribisch Nederland die niet door de valutaeffecten wordt veroorzaakt? Welke oorzaken liggen ten grondslag aan de stijging van de zorgkosten welke niet veroorzaakt zijn door de valutaschommelingen?

Antwoord 82:

De kostenstijging van € 20 miljoen wordt voor € 10 miljoen veroorzaakt door de duurdere dollar (wisselkoers dollar/euro gaat van 1:1,25 naar 1:1,13) en voor € 10 miljoen door een toename van de zorguitgaven.

Voor de uitgaven van het ziekenhuis op Bonaire is in de meerjarenraming opgenomen dat zij zouden dalen, dit omdat werd verondersteld dat de inhaalslag die wordt gemaakt, in omvang zou afnemen. In 2014 is deze daling echter niet gerealiseerd. De verwachting is nu dat deze in de komende jaren ook niet zal worden gerealiseerd. Dat levert een tegenvaller op van ongeveer € 5 miljoen.

Met het oog op de verbeterslag in de zorg die op de drie eilanden plaatsvindt, is er van uit gegaan dat er een forse daling van het aantal medische uitzendingen (MU’s) zou plaatsvinden. Daar is in de meerjarenramingen ook van uit gegaan. Deze daling is ondertussen in aantallen MU’s wel zichtbaar, maar in financiële termen nog niet. Dat levert een tegenvaller op van ongeveer € 3 miljoen.

De Stichting Verslavingszorg en Psychiatrie Caribisch Nederland (SVP-CN) die bezig is met het opzetten van de psychiatrische en verslavingszorg heeft daarvoor € 1 miljoen meer nodig. Dat levert een tegenvaller op van ongeveer € 1 miljoen.

Op een aantal andere kleinere posten is de raming opgeteld met circa € 1 miljoen overschreden.

Vraag 83:

Welke beleidsmaatregelen zijn er getroffen om te zorgen dat de 80 miljoen euro bestemd om specialisten in loondienst te nemen, in 2016 en 2017 niet opnieuw op de plank blijven liggen?

Hoeveel specialisten hebben zich gemeld om in loondienst te treden met een beroep op de subsidieregeling?

Antwoord 83:

Vanuit de middelen die op grond van het bestuurlijk akkoord MSZ meerjarig zijn gereserveerd voor de overgang naar integrale tarieven is in de begroting 2015 € 125 miljoen gereserveerd voor een subsidieregeling. Deze regeling beoogde het loondienstmodel een reële keuzemogelijkheid te maken. Op grond van de ingediende subsidieaanvragen is de raming bij eerste suppletoire begroting 2015 verlaagd naar € 45 miljoen. De resterende middelen zijn doorgeschoven naar 2016 en 2017 om een eventuele verlenging van de regeling mogelijk te maken. Uiteindelijk hebben 449 medisch specialisten aanspraak kunnen maken op de subsidieregeling van 2015. Het is daarmee duidelijk dat de subsidieregeling in een behoefte voorzag. Voor het jaar 2016 werk ik momenteel aan een nieuwe regeling. Ik ben voornemens deze regeling dit najaar te publiceren.

Vraag 84

Welke concrete doelen zijn er bij het in loondienst trachten te nemen van specialisten? Hoeveel specialisten dienen van de regeling gebruik gemaakt te hebben alvorens van een succes gesproken kan worden?

Antwoord 84:

Het primaire doel van de invoering van integrale bekostiging was het vergroten van de gelijkgerichtheid in de ziekenhuizen. Met de invoering van integrale bekostiging is het zelfstandig declaratierecht van medisch specialisten jegens de consument en de ziektekostenverzekeraar vervallen. Een consequentie hiervan was dat ziekenhuizen en medisch specialisten opnieuw moesten nadenken over de wijze van samenwerking binnen, en de besturing van, het ziekenhuis. Eén van de opties was het loondienstmodel. Het in loondienst nemen van medisch specialisten kan bijdragen tot een grotere gelijkgerichtheid van ziekenhuizen en medisch specialisten. De Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch specialistische zorg beoogde van de overstap naar loondienst een reële keuzemogelijkheid te maken. Er hebben 449 medisch specialisten gebruik gemaakt van deze regeling. Het is daarmee duidelijk dat de subsidieregeling in een behoefte voorzag.

Vraag 85:

Wat is de onderbouwing van de toename van 25 miljoen euro van wanbetalers? Zijn er meer wanbetalers bijgekomen? Hoeveel van de uitstaande schuld wordt als oninbaar aangemerkt?

Antwoord 85:

Zorginstituut Nederland verwacht eind 2015 338.000 wanbetalers. De komende jaren wordt ingezet op het voorkomen dat verzekerden wanbetalers worden, succesvoller innen van bestuursrechtelijk premie, het consequenter herinneren en aanmanen van onbetaalde vorderingen en het laten uitstromen van wanbetalers uit het bestuursrechtelijk regime. Sinds eind april 2015 ligt het wetsvoorstel Wet verbetering wanbetalersmaatregelen (TK 33683) ter behandeling in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel heeft tot doel dergelijke verbeteringen te realiseren in de uitvoering van de wanbetalersregeling. Deze maatregelen kunnen leiden tot aanpassingen in de uitgaven en ontvangsten. Vooralsnog is de uitgavenraming met een gelijk bedrag als de ontvangstenraming verhoogd.

In reactie op uw vraag over oninbare schuld wil ik het volgende opmerken. Sinds het begin van de wanbetalersregeling (eind 2009) tot heden, 1 oktober 2015, is in totaal ruim € 2,9 miljard aan bestuursrechtelijke premie Zorgverzekeringswet opgelegd. Per 1 oktober 2015 staat daarvan nog € 1 miljard aan bestuursrechtelijke premie open. Daarnaast staat er € 0,3 miljard open aan vorderingen die via een zogeheten «eindafrekening» (vordering op afgemelde, voormalige wanbetalers) in rekening is gebracht.

Op deze vorderingen vinden volop innings- en incassoactiviteiten plaats, dit betreft dus zowel minnelijke inningsactiviteiten als dwangvorderingen met behulp van de deurwaarders. Leidend uitgangspunt blijft immers dat de openstaande rekening aan de overheid betaald dient te worden en dat wij, vanuit de solidariteitsprincipes van het zorgstelsel, niet te snel overstappen op oninbaarverklaring van vorderingen. Ik span mij dan ook, met het Zorginstituut, het CJIB en de deurwaarders, maximaal in om de openstaande vorderingen voldaan te krijgen.

Vraag 86:

Waaruit bestaan de overige beleidsmatige mutaties van de uitgavenkant?

Antwoord 86:

In deze tabel worden de belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van de ontwerpbegroting 2015 weergegeven en toegelicht. De post overige beleidsmatige mutaties is de sluitpost met het totaal aan beleidsmatige mutaties in het afgelopen jaar. Het gaat daarbij om een grote hoeveelheid aan kleinere mutaties. Voor zover deze mutaties een omvang hebben van meer dan € 2,5 miljoen zijn deze toegelicht in de eerste suppletoire wet 2015 en de verdiepingbijlage van de ontwerpbegroting 2016.

Vraag 87:

Hoe is de grote fluctuatie in de totale uitgaven voor zorgtoeslag tussen 2015 en 2020 te verklaren?

Antwoord 87:

In de begroting staat een voorlopige technische raming van de zorguitgaven tot en met 2020. Die cijfers zijn voorlopig, omdat de cijfers vanaf 2018 bij de start van de volgende kabinetsperiode opnieuw worden geraamd op basis van op dat moment actuele CPB cijfers. De voorlopige uitgavencijfers kennen van 2015 op 2020 elk jaar groei. Daarnaast zal in de komende jaren de rijksbijdrage HLZ worden afgebouwd naar nul. Dergelijke ontwikkelingen leiden tot een hogere standaardpremie. De hogere standaardpremie leidt op zijn beurt weer tot stijgende uitgaven aan zorgtoeslag.

Vraag 88:

Hoe staat het met de ambities van de regering om de sociaaleconomische gezondheidsverschillen niet te laten toenemen? Welke resultaten heeft de regering geboekt?

Antwoord 88:

De ambitie van de regering op het terrein van SEGV zijn verwoord in de doelstellingen van het Nationaal Programma Preventie (NPP) en zijn het uitgangspunt van het VWS beleid. Een integrale, langdurige aanpak op zowel lokaal als landelijk niveau is noodzakelijk, omdat het hier gaat om een complex en hardnekkig vraagstuk. Het onderwerp komt dan ook terug in diverse beleidsmaatregelen en programma’s die door de rijksoverheid worden ondersteund. Het resultaat van deze maatregelen is de ontwikkeling van de levensverwachting in Nederland. Deze laat een positieve trend zien en steeg de laatste 10 jaar sterk, met meer dan 3 jaar. Hoog en laagopgeleiden profiteren in gelijke mate hiervan. Dit betekent dat de sociaaleconomische verschillen in ieder geval niet groter worden. Dit past binnen de doelstellingen van het Nationaal Programma Preventie.

Vraag 89:

Wat betekent het afbouwen van garanties en achterborgstelling voor de kapitaallasten van zorgaanbieders?

Antwoord 89:

Er is sprake van een afbouw voor zover het regelingen betreft die gesloten zijn voor nieuwe gevallen. Deze afbouw heeft geen gevolgen voor de kapitaallasten van zorgaanbieders. Uitstaande garanties aan zorgaanbieders worden gedurende de afgesproken periode gerespecteerd. De Rijksgarantieregelingen8 zijn rond de eeuwwisseling gesloten voor nieuwe gevallen. De laatste rijksgegarandeerde lening loopt af in 2043. De tijdelijke regeling Garantie Ondernemingsfinanciering Curatieve Zorg (Go Cure) is ultimo 2012 gesloten voor nieuwe gevallen. De verstrekte garanties vanwege Go Cure lopen af in 2020.

Vraag 90:

Is met de instandhouding van de hoogte van het budget voor zorg voor illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen rekening gehouden met de actuele situatie rondom het toegenomen aantal vluchtelingen? Waarom is dit budget in het licht van deze ontwikkelingen voor de komende jaren niet verhoogd?

Antwoord 90:

Het budget voor zorg voor illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen is niet bedoeld voor vluchtelingen die momenteel ons land instromen en worden geregistreerd als asielzoeker. Het betreft hier asielzoekers die onder de verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van VenJ. De verwachte hogere zorgkosten als gevolg van het toegenomen aantal asielzoekers zijn verwerkt in de begroting van het Ministerie van VenJ. Evenwel valt niet uit te sluiten dat in de komende periode een groter beroep wordt gedaan op de vergoedingsregeling van art.122a Zvw (de regeling tegemoetkoming kosten voor onverzekerbare vreemdelingen). Om die reden is het Zorginstituut Nederland gevraagd ontwikkelingen nauwlettend te volgen.

Vraag 91:

Hoeveel geld is er specifiek in de begrotingsreserve voor de eventuele schade in het kader van de achterborg in 2017, 2018, 2019 en 2020 gereserveerd? Hoe verhoudt dit gereserveerde bedrag zich tot de ziekenhuizen die zich nu in de rode of oranje zone bevinden? Is overwogen een extra afdracht te vragen van ziekenhuizen die zich in de oranje of rode zone bevinden?

Antwoord 91:

De onderstaande tabel met de begrotingsreserve in de periode 2016–2020 is in de begroting opgenomen.

Tabel: Begrotingsreserve achterborg WfZ-garanties (x € 1.000)
 

2016

2017

2018

2019

2020

Garantiebedrag

0

5.000

10.000

15.000

20.000

Deze begrotingsreserve fungeert als een extra vangnet dat het risico voor de Rijksbegroting nog verder beperkt. De bedragen houden dus geen verband met de actuele financiële situatie bij individuele zorginstellingen. Als het risicovermogen van het WFZ en de obligoverplichting van de deelnemers tezamen (circa € 503 miljoen in 2015) niet voldoende zijn voor het WFZ om aan zijn verplichtingen richting geldverstrekkers te kunnen voldoen, kan het WFZ zich richting VWS beroepen op de achterborg. Het WFZ heeft echter nog nooit een beroep hoeven doen op de obligoverplichting van de deelnemers en dus ook nog nooit op de achterborg van het Rijk. Het WFZ gaat zelf over de toelating van deelnemers tot het WFZ en de eisen aan deelnemers voor borging van leningen door het WFZ. Met oog op de toegenomen risico’s in de sector heeft het WFZ het disagio recent verhoogd van 0,10% naar 0,25%. Het WFZ oordeelt dat daarmee vooralsnog de risico’s voldoende gedekt zijn. Een extra belasting van zorginstellingen in de oranje of rode zone acht het WFZ dan ook niet noodzakelijk.

Vraag 92:

In hoeverre profiteren laagopgeleiden van de toenemende levensverwachting? Stemt dit de regering tevreden?

Antwoord 92:

De ontwikkeling van de levensverwachting in Nederland laat een positieve trend zien. Deze steeg de laatste 10 jaar sterk, met meer dan 3 jaar. Hoog- en laagopgeleiden profiteren in gelijke mate hiervan. Dit betekent dat de sociaaleconomische verschillen in ieder geval niet groter worden. Dit past binnen de doelstellingen van het Nationaal Programma Preventie.

Vraag 93:

Welke onderzoeken heeft VWS extern laten uitvoeren en bij wie? Welke kosten gingen hiermee gemoeid? Is er tussen VWS en de onderzoekers gesproken over de concept-conclusies?

Antwoord 93:

De administratieve systemen van VWS zijn – conform rijksbrede voorschriften – niet zodanig ingericht dat deze vraag kan worden beantwoord. Onderzoek vormt geen aparte uitgavencategorie binnen de administratie.

Op verzoek van uw Kamer wordt vanaf najaar 2015 een overzicht van alle beleidsrelevante VWS-onderzoeken gepubliceerd op het VWS-deel van de website van de rijksoverheid (www.Rijksoverheid.nl). Conform de toezegging aan uw Kamer wordt vanaf dat moment met terugwerkende kracht het overzicht gepubliceerd van alle beleidsrelevante onderzoeksrapporten van 17 concernorganisaties en kennisinstellingen die vanaf april 2015 zijn verschenen. Omdat VWS deel uitmaakt van de pilot Open Overheid van het Ministerie van BZK worden in het overzicht ook alle sinds die datum verschenen rapporten van het door VWS uitgezette opdrachtonderzoek onder ARVODI-voorwaarden opgenomen. Het totaaloverzicht wordt maandelijks achteraf geactualiseerd.

VWS stelt bij conceptrapporten waar relevant vragen over (vermeende) feitelijke onjuistheden of over de wijze waarop de conclusies voortvloeien uit het desbetreffende onderzoek. Daarbij is geen sprake van inhoudelijke beïnvloeding van de conceptconclusies.

Vraag 94:

Kunt u een overzicht geven van congressen waaraan ambtenaren deelnamen? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven in 2013, 2014 en 2015? Kunt u aangeven wat het doel was van deze congressen?

Antwoord 94:

Er is op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord.

Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 95:

Kunt u een overzicht geven van congressen en reizen waaraan ambtenaren deelnamen in het buitenland? Hoeveel geld werd hieraan uitgegeven? Kunt u hierbij aangeven wat het doel was van deze congressen en reizen?

Antwoord 95:

Er is op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord.

Wel worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen maandelijks gepubliceerd vanaf 1 januari 2013. Deze informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 96:

Hoe vaak werden reizen en congressen geheel of gedeeltelijk bekostigd door externe partijen?

Door wie werden de reizen waar ambtenaren aan deelnamen of hun verblijven bekostigd en wat was de bijdrage?

Antwoord 96:

Er is zoals bij vraag 94 en 95 aangegeven op het departement geen separate administratie, waarin wordt bijgehouden welke congressen worden bezocht of welke reizen worden afgelegd. De gestelde vragen kunnen derhalve niet op het gevraagde detailniveau worden beantwoord. Tot het najaar van 2012 was in het algemeen de lijn dat wanneer een VWS’er was uitgenodigd om een inleiding te houden, de deelname- en verblijfkosten voor rekening van de uitnodigende partij konden zijn. Met ingang van het parlementaire jaar in september 2012 hanteert VWS de lijn dat ook in zulke gevallen VWS bij volledige deelname aan het congres de deelname- en verblijfkosten voor eigen rekening neemt.

Vraag 97:

Door wie werden de reizen waar de Staatssecretaris en Minister van VWS aan deelnamen of hun verblijven bekostigd en wat was de bijdrage?

Antwoord 97:

Met ingang van het parlementaire jaar in september 2012 hanteert VWS de lijn dat voor reizen de deelname- en verblijfkosten voor de rekening van VWS is.

Overigens worden alle declaraties van de politieke en ambtelijke leiding van alle departementen vanaf 1 januari 2013 maandelijks gepubliceerd. Deze informatie is daarmee te allen tijde voor iedereen openbaar te raadplegen en beschikbaar.

Vraag 98:

Hoeveel procent van de zorgaanbieders maakten in 2014 gebruik van digitale gegevensuitwisseling met ander zorgaanbieders? Hoe was dat percentage in voorgaande jaren?

Antwoord 98:

Nictiz en het NIVEL voeren jaarlijks een onderzoek uit naar de beschikbaarheid en het gebruik van eHealth toepassingen, de eHealth monitor. Elektronische gegevensuitwisseling maakt daar deel van uit.

De conclusies uit de eHealth monitor 2014:

  • Een groot deel van de huisartsen zegt elektronisch informatie uit te kunnen wisselen met apotheken, ziekenhuizen, laboratoria en huisartsenposten (84–93%). In 2013: 80–90%.

  • Medisch specialisten geven aan dat zij met name informatie elektronisch kunnen uitwisselen met andere afdelingen binnen de eigen instellingen (waaronder de instellingsapotheek) (77%), met huisartsen (56%) en laboratoria (47%). In 2013: 46% van de medisch specialisten wisselt elektronisch informatie uit met huisartsen.

  • 76% van de huisartsen maakt gebruik van teledermatologie. In 2013: 75%.

  • Digitale consultgesprekken komen vooral voor tussen medisch specialisten in verschillende zorginstellingen (21%). In 2013: Een digitaal consultgesprek met een collega via een beeldverbinding is mogelijk bij een beperkte groep artsen, namelijk een op de tien huisartsen, een vijfde van de medisch specialisten en een derde van de psychiaters.

  • In 2014 zijn voor het eerst verpleegkundigen, verzorgenden en praktijkondersteuners betrokken in het onderzoek. 41% van de verpleegkundigen, verzorgenden en praktijkondersteuners geeft aan dat er in hun instelling gebruik wordt gemaakt van elektronische gegevensuitwisseling. In de cure vaker dan in de care (56% versus 31%).

Vraag 99:

Hoeveel bv's, nv's, verenigingen, vof's, eenmanszaken en stichtingen hebben zich in 2015 geregistreerd als zorgverlener of zorginstelling, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord 99:

Uit het handelsregister blijkt dat er in 2015 bij de Kamer van Koophandel 12.956 nieuwe vestigingen zijn geregistreerd. Zie onderstaand overzicht voor de uitsplitsing per zorgsector. Hierbij moet de kanttekening worden gemaakt dat het ook om een nieuwe vestiging van een al bestaande onderneming kan gaan, zoals bijvoorbeeld bij de UMC’s het geval is. De vraag hoeveel bv's, nv's, verenigingen, vof's, eenmanszaken en stichtingen zich in 2015 hebben geregistreerd als zorgverlener of zorginstelling, kan thans nog niet nader worden beantwoord. Naar verwachting zal met de komst van het Landelijk register zorgaanbieders in 2016 een belangrijke basis worden gezet om dergelijke gegevens te kunnen verkrijgen. Met dit register worden gegevens uit verschillende bronregisters, zoals het Handelsregister, het BIG-register en het AGB-register gekoppeld.

 

Nieuwe vestiging (oprichting algemeen)

Nieuwe vestiging (startende onderneming)

Eindtotaal

86101 Universitair medische centra

3

1

4

86102 Algemene ziekenhuizen

16

 

16

86103 Categorale ziekenhuizen

1

 

1

86104 Geestelijke gezondheids- en verslavingszorg met overnachting

42

12

54

8621 Praktijken van huisartsen

130

484

614

86221 Praktijken van medisch specialisten en medische dagbehandelcentra (geen tandheelkunde of psychiatrie)

1.944

170

2.114

86222 Praktijken van psychiaters en dagbehandelcentra voor geestelijke gezondheids- en verslavingszorg

50

69

119

86231 Praktijken van tandartsen

141

286

427

86232 Praktijken van tandheelkundig specialisten

44

23

67

86911 Praktijken van verloskundigen

34

146

180

86912 Praktijken van fysiotherapeuten

318

332

650

86913 Praktijken van psychotherapeuten en psychologen

175

930

1.105

86919 Overige paramedische praktijken (geen fysiotherapie en psychologie) en alternatieve genezers

884

3.036

3.920

86921 Gezondheidscentra

38

3

41

86922 Arbobegeleiding en reïntegratie

63

109

172

86923 Preventieve gezondheidszorg (geen arbobegeleiding)

52

106

158

86924 Medische laboratoria, trombodediensten en overig behandelingsondersteunend onderzoek

16

4

20

86925 Ambulancediensten en centrale posten

6

1

7

86929 Samenwerkingsorganen op het gebied van gezondheidszorg en overige gezondheidszorgondersteunende diensten

129

102

231

8710 Verpleeghuizen

60

3

63

8720 Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrische cliënten

164

65

229

87301 Huizen en dagverblijven voor niet-verstandelijk gehandicapten

13

5

18

87302 Verzorgingshuizen

75

7

82

87901 Jeugdzorg met overnachting en dagverblijven voor jeugdzorg

48

40

88

87902 Maatschappelijk opvang met overnachting

12

5

17

88101 Thuiszorg

283

1.464

1.747

88102 Welzijnswerk voor ouderen

31

92

123

88103 Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten

46

169

215

88993 Lokaal welzijnswerk

28

52

80

88999 Overig maatschappelijk advies, gemeenschapshuizen en samenwerkingsorganen op het gebied van welzijn

135

259

394

Eindtotaal

4.981

7.975

12.956

Vraag 100:

Hoeveel mensen betalen een eigen bijdrage uit vermogen, uitgesplitst per AWBZ/Wlz en Wmo?

Antwoord 100:

Naast het vermogen is het verzamelinkomen van belang voor de berekening van de eigen bijdrage in de Wlz en Wmo. Het komt nagenoeg niet voor dat een cliënt een nihil verzamelinkomen heeft en daardoor alleen een eigen bijdrage verschuldigd is op basis van zijn vermogen.

Bij het bepalen van het aantal mensen is daarom gekeken naar het aantal mensen dat eigen bijdrage betaalt waarbij het vermogen een effect heeft op de hoogte van de eigen bijdrage. Voor de Wlz zijn dit 71.000 mensen voor de Wmo betreffen het 42.000 mensen.

Vraag 101:

Hoeveel mensen zijn een eigen BV gestart om de eigen bijdrage m.b.t. de vermogensinkomensbijtelling te omzeilen?

Antwoord 101:

Het exacte aantal mensen dat een eigen BV start om een hoge(re) eigen bijdrage in de Wlz te voorkomen is niet bekend. Naar verwachting gaat het echter om een kleine groep gezien de tijd en kosten die gepaard gaan met het oprichten van een BV in relatie tot de besparing die daarmee kan worden behaald via de vermogensinkomensbijtelling.

Vraag 102:

Hoeveel budget is er gereserveerd voor de bevordering van gezond voedsel?

Antwoord 102:

Gezond voedsel is een breed begrip. In de beantwoording concentreer ik mij op gezond eten; dat betekent dat onderwerpen als voedselveiligheid en primaire voedselproductie niet zijn meegenomen.

In de begroting van 2016 wordt op bevordering van gezond eten € 5,5 miljoen ingezet.Het gaat om subsidie aan het Voedingscentrum (inclusief Gezonde Schoolkantine) van € 4,5 miljoen, een bijdrage aan het RIVM voor verbetering productsamenstelling (incl. monitoring) van € 0,4 miljoen en een bijdrage aan de NVWA voor het jaarlijkse onderzoek op productsamenstelling van € 0,6 miljoen.

Naast dit budget van € 5,5 miljoen wordt bij verschillende andere activiteiten mede ingezet op gezond eten. Dit gebeurt onder andere bij het programma Jongeren Op Gezond Gewicht en in de Gezonde School aanpak (waarbij scholen een vignet op het thema voeding kunnen behalen). Ook worden bijvoorbeeld de resultaten van de voedselconsumptiepeiling door de Gezondheidsraad gebruikt voor adviezen inzake de richtlijnen goede voeding.

Vraag 103:

Hoeveel budget is er gereserveerd voor het bevorderen van de consumptie van plantaardige eiwitten?

Antwoord 103:

Ik heb geen specifiek budget gereserveerd om de consumptie van plantaardige eiwitten te bevorderen. Het Voedingscentrum adviseert de consumptie van plantaardige producten (groenten en fruit, peulvruchten) als onderdeel van een gezonde en duurzame voedselkeuze. Het Voedingscentrum ontvangt voor zijn activiteiten bijdragen van de ministeries van VWS en Economische Zaken. De ministeries van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu stimuleren ook de consumptie en beschikbaarheid van plantaardige eiwitten door innovaties te ondersteunen en door gedragsbeïnvloedende initiatieven.

Vraag 104:

Wat zijn de eerste resultaten van de aanpak ten behoeve van gezondheidsachterstanden in de Veenkolonien? Hoe worden eventuele positieve resultaten verspreid naar andere regio's?

Antwoord 104:

De afgelopen maanden is in de regio hard gewerkt om te komen tot een goede regionale aanpak van gezondheidsachterstanden in de Veenkoloniën. Daarbij is energie gestoken in het creëren van draagvlak en betrokkenheid bij de betreffende gemeenten en zorgverzekeraars. Inmiddels staat een breed gedragen programma in de steigers met de naam «Kans voor de Veenkoloniën» met als formele startdatum 15 juli 2015. In totaal werken 13 Groningse en Drentse gemeenten samen met een groot aantal andere partijen in dit gebied zoals gezondheidszorg- en welzijnsorganisaties, zorgverzekeraars, verenigingen en de bevolking zelf om de gezamenlijke aanpak handen en voeten te geven.

Inmiddels zijn de volgende acties gestart:

  • De aard, omvang en achterliggende oorzaken van de gezondheidsachterstanden in de regio zijn in kaart gebracht.

  • De gezondheidsdoelen zijn aangescherpt: het terugbrengen van voortijdige sterfte, het belang van een goede (en gezonde) start van het leven voor kinderen, inclusief geboortezorg en het verlengen van de periode van goede gezondheid aan het einde van het leven.

  • Er zijn afspraken gemaakt over onderlinge samenwerking, uitvoering en communicatie.

  • Er is een stuurgroep gevormd met vertegenwoordigers van gemeenten en verzekeraars.

  • Er ligt een uitvoeringsplan voor de wijze waarop deze oorzaken kunnen worden aangepakt (het eerste halfjaar).

  • Momenteel worden bijeenkomsten georganiseerd voor bewoners, Wmo-adviesraden, gemeenteraadsleden, uitvoerders en bestuurders om te komen tot verdere aanscherping van de startfoto, gezondheidsdoelen, wijze van aanpak en monitoring.

Resultaten zullen in ieder geval gedeeld worden via de handreiking Gezonde gemeenten bij het RIVM en het stimuleringsprogramma Gezond in de Stad bij Pharos.

Vraag 105:

Hoe oordeelt de regering over het functioneren van de stuurgroep en commissie die zich inzet voor zoutreductie in voedingsmiddelen?

Antwoord 105:

De organisatie van het akkoord, waaronder de stuurgroep en de wetenschappelijke adviescommissie, is vorig jaar ingericht en heeft een aantal afspraken beoordeeld.

De stuurgroep stimuleert de uitvoering van de tot stand gekomen afspraken en zal zorgen voor vervolgstappen om in 2020 aan de doelstellingen te voldoen.

Over de voor de inname belangrijkste productgroepen zijn inmiddels afspraken gemaakt. Hoewel de wetenschappelijke adviescommissie de ingediende afspraken soms matig ambitieus vindt, zijn het wel de eerste stappen. De stuurgroep is zich hiervan bewust en neemt het advies van de wetenschappelijke adviescommissie serieus. Dat leidt tot stapsgewijze aanscherping van de afspraken.

Ik zal hier kritisch op toezien, want ik vind het van groot belang dat de consument recht heeft op een gezonder productaanbod.

Vraag 106:

In hoeverre wordt bij de regionale aanpak in krimpgebieden in Noord Nederland gebruik gemaakt van de beschikbare, uitgebreide informatie in de biobank LifeLines? Worden soortgelijke data ook in andere krimpgebieden in Nederland verzameld en gebruikt?

Antwoord 106:

Partijen in Noord-Nederland hebben met elkaar gesproken over het gebruik van de data uit LifeLines. Verdere afspraken volgen hoe deze data worden ingezet voor het leefbaarheidsproject binnen het project «Kans voor de Veenkoloniën» (amendement Wolbert). Samen met de GGD’en wordt bekeken hoe deze data voor het gehele Noorden (inclusief krimpgebieden) kunnen worden ingezet. De data van LifeLines kunnen dan ondersteunend zijn aan het lokale gezondheidsbeleid. In andere regio’s maakt men ook gebruik van lokale of regionale dataverzamelingen, maar deze zijn niet (altijd) vergelijkbaar met die van LifeLines.

Vraag 107:

Hoeveel budget heeft het kabinet gereserveerd voor de stimulering van de ontwikkeling van SPF-stallen in het kader van antibioticaresistentie?

Antwoord 107:

Het kabinet heeft geen geld gereserveerd voor de stimulering van de ontwikkeling van SPF-stallen in het kader van antibioticaresistentie.

Vraag 108:

Wanneer komt het wetsvoorstel voor strengere regels voor e-sigaretten zonder nicotine naar de Kamer?

Antwoord 108:

Het wetsvoorstel is in voorbereiding en wordt, nadat het is voorgelegd aan de Raad van State voor advies, in de eerste helft van 2016 naar de Kamer gezonden.

Vraag 109:

Kunt u aangeven hoeveel geld er in totaliteit vanuit alle ministeries begroot is voor de NVWA voor de jaren 2014–2020?

Antwoord 109:

In de ontwerpbegroting 2016 van EZ staat in de agentschapsparagraaf NVWA vermeld dat de ministeries van EZ en VWS tezamen de volgende bedragen in de begroting ramen voor de NVWA

(bedragen x € 1 miljoen):

2014: 197

2015: 217

2016: 204

2017: 198

2018: 196

2019: 196

2020: 196

Vraag 110:

Kunt u aangeven wat voor gevolgen de jaarlijkse wijzigingen in de totale middelen die begroot zijn voor het NVWA in de jaren 2016–2020 hebben voor de tarieven van de NVWA voor bedrijven?

Antwoord 110:

Jaarlijks worden de NVWA-tarieven voor bedrijven (retributies) op basis van de door de Minister van EZ vastgestelde kostprijs bepaald, conform het daartoe geldende kabinetsbeleid omtrent retributies zoals weergegeven in het rapport Maat houden 2014 (TK 24 036, nr. 407). Het kabinet streeft hierbij naar een zo efficiënt mogelijke uitvoering van de inspectie en het toezicht, waarbij kostendekkende tarieven het uitgangspunt zijn.

Vraag 111:

Wat is de onderbouwing voor de afbouw van de uitgaven aan ZBO's en RWT's naar 0 euro in 2017?

Antwoord 111:

De afbouw van de uitgaven aan ZBO's en RWT's naar € 0 in 2017 wordt veroorzaakt door de systematiek van «Verantwoord Begroten». Er is sprake van een opdracht aan Alterra Wageningen UR voor Begeleiding onderzoek Gezonde schoolpleinen. Voor de looptijd van deze opdracht (2014 t/m 2016) zijn middelen overgeheveld naar het instrument Bijdrage aan ZBO’s/RWT’s.

Vraag 112:

Kunt u uiteenzetten waar de gelden voor communicatie verhoging leeftijdsgrenzen alcohol en tabak precies naartoe gaan?

Antwoord 112:

De gelden voor communicatie van de verhoging van de leeftijdsgrenzen voor alcohol en tabak worden ingezet voor de ontwikkeling en de uitvoering van de massamediale socialenormcampagne NIX 18. In 2015 is het grootste deel van het budget (meer dan 90% van circa € 1 miljoen) besteed aan de ontwikkeling en de uitzendtijd van drie tv-spots, materiaalontwikkeling (toolkit, gadgets), de inzet via social media en aan pretest- en effectonderzoek. Het plan voor uitvoering van de NIX 18-campagne in 2016 wordt binnenkort inhoudelijk en financieel nader ingevuld.

Los van deze gelden, ontvangt het Trimbos-instituut jaarlijks € 0,35 miljoen subsidie voor de regionale implementatie van de campagne.

Vraag 113:

Kunt u uiteenzetten waar de gelden voor preventie schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak) precies naartoe gaan?

Antwoord 113:

Zie het antwoord op vraag 36.

Vraag 114:

Kunt u toelichten hoe de afname van het budget inzake preventie schadelijk middelengebruik (alcohol, drugs en tabak) wordt onderbouwd?

Antwoord 114:

Het budget voor preventie van schadelijk middelengebruik betrof in 2013 € 1,7 miljoen, in 2014 € 1,2 miljoen en in 2015 € 3,1 miljoen. Voor 2016 is een budget van € 2 miljoen gereserveerd.

In 2015 is een extra aantal onderzoeken uitgevoerd en initiatieven gestart, dat verklaart de toename van het budget voor 2015. In 2016 zullen die zijn afgerond waardoor het budget in 2016 weer afneemt.

Vraag 115:

Kunt u aangeven hoe de toename van het budget voor de gezonde leefstijl jeugd wordt vormgegeven?

Antwoord 115:

De middelen voor gezonde leefstijl jeugd (€ 0,1 miljoen in 2015, € 0,3 miljoen in 2016, 2017 en 2018 en € 0,2 miljoen in 2019) worden ingezet om bij zeven pabo-opleidingen te komen tot een curriculum waarbij studenten opgeleid worden tot «Sportieve en Gezonde School coördinator».

De «Gezonde School aanpak» zal voor de studenten een rode draad zijn gedurende de vierjarige pabo-opleiding. Over vier jaar zullen hierdoor de eerste coördinatoren, met een formele aantekening op het diploma, beschikbaar zijn voor het basisonderwijs.

Vraag 116:

Waarom gaat er minder geld naar preventie van schadelijk middelengebruik? Kan de Minister dit besluit uiteenzetten?

Antwoord 116:

Zie het antwoord op vraag 114.

Vraag 117:

Wat houdt de afgifte Schengenverklaringen via het CAK in, waar 350.000 euro vanaf volgend jaar heengaat?

Antwoord 117:

Gebruikers van geneesmiddelen die onder Opiumwet vallen mogen deze middelen niet zomaar meenemen naar het buitenland, omdat de import en export van dergelijke geneesmiddelen (Opiumwetmiddelen) verboden is.

In Europees verband is geregeld, in het Verdrag van Schengen, dat mensen deze Opiumwetmiddelen toch mogen meenemen, mits zij in het bezit zijn van een‘Schengenverklaring». Het CAK is sinds 1 januari 2015 verantwoordelijk voor het afgeven van deze Schengenverklaringen.

Vraag 118:

Kunt u aangeven wat voor gevolgen de jaarlijkse wijzigingen in de totale middelen die begroot zijn voor de NVWA in de jaren 2016–2020 hebben voor de producten die het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport afneemt van de NVWA?

Antwoord 118:

Bij het antwoord op vraag 109 is inzicht gegeven in de totaal begrote middelen voor de NVWA in de periode 2016–2020. Het beschikbare budget vanuit het Ministerie van VWS voor de NVWA blijft in deze periode nagenoeg gelijk. Afgezien van aanpassingen van de kostprijs (die wordt vastgesteld door de Minister van EZ) verwacht ik dan ook geen consequenties voor de productie die de NVWA in opdracht van VWS uitvoert.

Vraag 119:

Hoe wordt bij de uitkering van «Gezond in de stad» getoetst welke wijk een kwetsbare wijk is? Wat zijn de mogelijkheden voor mensen met een lage sociaaleconomische status van buiten deze kwetsbare wijken, zodat ook hun gezondheid kan worden verbeterd?

Antwoord 119:

Bij de beoordeling welke wijken in aanmerking komen voor de decentralisatie-uitkering «Gezond in de stad» is de statusscore 2014 die door het Sociaal en Cultureel Planbureau wordt berekend aangehouden. Gemeenten met wijken, die buiten deze uitkering vallen, kunnen gebruik maken van de resultaten uit het Stimuleringsprogramma «Gezond in.» of aanhaken bij gemeenten in hun regio die wel middelen ontvangen.

Vraag 120:

In hoeverre verhoudt de ambitie van de Minister om in te zetten zich op preventie tot de 1,5 miljoen euro die zij beschikbaar stelt voor het Nationaal Programma Preventie?

Antwoord 120:

De € 1,5 miljoen zijn specifiek voor de organisatie en activiteiten van het programmabureau «Alles is Gezondheid...» Het programmabureau voert zelf geen inhoudelijke projecten uit maar richt zich op het uitdragen van de doelstellingen van het programma, het zoeken naar geschikte partners, het verbinden van de activiteiten van partijen en deze te activeren en ondersteunen om effectieve activiteiten duurzaam te borgen.

Het programma bestaat uit talloze activiteiten van vele (maatschappelijke) partners die op verschillende manieren en door verschillende partijen (waaronder private organisaties) worden gefinancierd. De rijksoverheid draagt op verschillende manieren hieraan bij. Zo geeft VWS bijvoorbeeld € 31 miljoen uit aan subsidie voor kennisinstituten op het gebied van gezondheidsbevordering en leefstijl, € 20 miljoen voor gemeenten om gezondheidsachterstanden lokaal aan te pakken, € 47 miljoen voor sport en bewegen in de buurt, € 104 miljoen aan preventie activiteiten van het RIVM en € 29 miljoen voor ZonMw programma's voor preventie en sport. De uitdaging waarvoor we staan is zo omvangrijk dat het een illusie is dat vanuit de overheid alleen de omslag kan worden bewerkstelligd. Daar is echt veel meer voor nodig. Daarom zet het programma «Alles is Gezondheid....» in op brede maatschappelijke betrokkenheid.

Vraag 121:

Kunt u aangeven op welke wijze het bedrag van 41,7 miljoen euro bestemd voor de NVWA wordt ingevuld?

Antwoord 121:

Het bedrag van € 41,7 miljoen is bestemd voor het toezicht van de NVWA op voedselveiligheid. Daarbij gaat het om toezicht op: bedrijven die eet- en drinkwaren maken, verhandelen of transporteren, bedrijven die eet- en drinkwaren direct aan consumenten leveren en om bijzondere eet- en drinkwaren, zoals voedingssupplementen en zuigelingenvoeding.

Vraag 122:

Hoe komt het dat er zo weinig verandering is tussen de cijfers over het aantal verloren gezonde levensjaren ten gevolge van voedselinfecties door ziekteverwekkende micro-organismen in voedsel in Nederland? Heeft de Minister geen ambitie hierin? Wordt het geld hiervoor wel effectief ingezet?

Antwoord 122:

Het niveau van voedselveiligheid in Nederland is hoog. Desondanks ligt het aantal voedselinfecties in Nederland jaarlijks tussen 650.000 en 850.000. Het streven is om het aantal voedselinfecties te verminderen, maar het effect van het beleid is niet eenvoudig te kwantificeren. De getallen zijn immers schattingen en komen tot stand op basis van meldingen en extrapolaties. Deze cijfers zijn zeer sterk afhankelijk van fluctuaties als gevolg van weersomstandigheden en incidenten zoals de met Salmonella besmette zalm in 2012. Naast deze fluctuaties is er sprake van langdurige tendensen onder invloed van productiewijzen en consumptiegewoontes. Zo is het aantal Salmonella-infecties in de afgelopen decennia gedecimeerd door een verbeterde productiehygiëne.

De beheersing van de voedselveiligheid is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de voedselproducent. De NVWA ziet erop toe dat de voedselproducent de regelgeving op dit terrein naleeft en de voedselveiligheid beheerst met concrete beheersingsmaatregelen volgens de HACCP-systematiek.

Daarnaast heeft ook de consument een rol om bij het voorkomen van voedselinfecties. Het Voedingscentrum informeert de consument hierover via de publiekscampagne «Ziekmakers zie je niet». Deze campagne biedt de consument adviezen voor een goede keukenhygiëne.

Vraag 123:

De Minister zet 15 miljoen euro in voor ziektepreventie subsidies, vervolgens noemt zij een lijst. Is dit een gelimiteerde lijst?

Antwoord 123:

De lijst die is opgenomen voor de inzet van € 15 miljoen voor ziektepreventie subsidies is niet gelimiteerd. Wel is het grootste deel van het budget al juridisch verplicht aan de onderwerpen die in de lijst zijn opgenomen.

Vraag 124:

Hoeveel ziekenhuizen in Nederland zijn bezig met het concentreren of afstoten van afdelingen en/of specialismen? Welke ziekenhuizen zijn dit en welke afdelingen of specialismen betreft het?

Antwoord 124:

VWS beschikt niet over informatie over het concentreren of afstoten van afdelingen en/of specialismen door ziekenhuizen. VWS is hierin ook geen directe partij. Het is aan ziekenhuizen en zorgverzekeraars om gezamenlijk afspraken te maken over hoe hiermee om te gaan.

Vraag 125:

Hoeveel en welke ziekenhuisfusies hebben plaatsgevonden de afgelopen 10 jaar?

Antwoord 125:

VWS heeft geen rol bij het tot stand komen en toetsen van fusies en beschikt daarom niet over informatie over ziekenhuisfusies in de afgelopen 10 jaar. Toezichthouders ACM en de NZa toetsen de effecten van overnames en fusies.

De ACM publiceert op haar site de besluiten die zij neemt in het kader van fusies en overnames.

De NZa publiceert aan het eind van dit jaar een overzicht van alle besluiten die de afgelopen 2 jaar zijn genomen in het kader van de zorgfusietoets door de NZa. Dit overzicht wordt niet uitgesplitst naar medisch-specialistische zorg en andere sectoren.

Tot slot publiceert KPMG jaarlijks een overzicht van fusies en overnames in de ziekenhuissector onder de titel «wie doet het met wie in de zorg».

Overigens zien we naast fusies en overnames ook nieuw aanbod ontstaan, vaak in de vrom van zelfstandige behandelcentra.

Vraag 126:

Zijn er ten opzichte van andere jaren wijzigingen in de aanrijtijd van ambulances bij acute problematiek of bij zwangerschap bij vrouwen?

Antwoord 126:

Uit de laatste bereikbaarheidsanalyse van het RIVM9 blijkt dat 99,8 procent van de inwoners van Nederland binnen 45 minuten naar een spoedeisende hulpafdeling (SEH) of een ziekenhuis met acute verloskunde kan worden vervoerd Er zijn 87 ziekenhuislocaties die 24/7 de mogelijkheid hebben voor het behandelen van vrouwen in acute verloskundige situaties. Op basis van deze resultaten is een bereikbaarheidsanalyse van spoedeisende zorg gemaakt. De conclusie is dat de bereikbaarheid van de SEH’s en acute verloskunde goed is. Het aantal inwoners in Nederland dat niet binnen 45 minuten bij een SEH of acute verloskunde kan zijn, is gedaald.

Vraag 127:

Hoeveel klinische verloskunde afdelingen zijn de afgelopen 10 jaar gesloten en welke ziekenhuizen betrof dit?

Antwoord 127:

In 2000 waren er 115 ziekenhuislocaties met een verloskunde afdeling. In 2014 zijn er volgens het RIVM 87 ziekenhuislocaties met een verloskunde afdeling. Het gaat veelal om concentratie van meerdere locaties in één stad naar één of twee locaties per stad. Voor een volledig overzicht van alle ziekenhuislocaties met een SEH en/of acute verloskunde verwijs ik naar het rapport van het RIVM «Beschikbaarheid, specialisatie en bereikbaarheid van Spoedeisende hulp in Nederland», dat ik op 3 juni 2015 aan uw Kamer heb gezonden (TK 29 247, nr. 211).

Vraag 128:

Hoeveel poliklinieken bestaan thans waar zorg wordt verleend die een eerstelijns karakter heeft («pretpoli's»)? Wat is het verschil met 2014?

Antwoord 128:

Zie het antwoord op vraag 129.

Vraag 129

Wat zijn de totale kosten van pretpoli's en hoeveel kan worden bespaard wanneer deze zorg wordt verplaatst naar de eerste lijn?

Antwoord 129:

VWS beschikt niet over informatie welke poliklinieken zorg verlenen die ook in de eerstelijn geleverd zou kunnen worden, of welke kosten daarin omgaan. Wel is in de bestuurlijke akkoorden voor de medisch-specialistische zorg en de eerstelijns zorg met partijen afgesproken dat zij inzetten op substitutie. Met substitutie wordt beoogd dat de zorg doelmatig en waar mogelijk dichtbij huis wordt aangeboden. Uit de substitutiemonitor (TK 33 654, nr. 16) blijkt dat substitutie inderdaad op gang komt.

Vraag 130:

Is het aantal spoedeisende hulpposten (SEH's) in 2015 gewijzigd ten opzichte van 2014? Zo ja, wat is het verschil?

Antwoord 130:

Eind 2014 waren er 95 ziekenhuislocaties die spoedeisende basiszorg boden. Hiervan waren 91 locaties 24 uur per dag, 7 dagen per week geopend. Dit blijkt uit een inventarisatie van het RIVM10 Sinds de vorige bereikbaarheidsanalyse in 2013 zijn 3 SEH’s gesloten. Vanaf 2016 zullen vragen naar de aanwezigheid, specialisatie en beschikbaarheid van de SEH’s ingevoegd wordt in de Jaarverantwoording Zorg, zodat inzicht in het aanbod SEH’s jaarlijks beschikbaar komt.

Vraag 131:

Kunt u per ziekenhuis een overzicht geven van de bestaande wachtlijsten, uitgesplitst naar de verschillende disciplines? Welke ontwikkeling laten deze wachtlijsten zien over de afgelopen vijf jaar en wat zijn daar de oorzaken van?

Antwoord 131:

De NZa rapporteert jaarlijks uitgebreid over de wachttijdontwikkeling in de Marktscan medisch-specialistische zorg per poortspecialisme. Zij rapporteert niet over de wachttijden per ziekenhuis. Hiervan heeft het ministerie geen overzicht. De Marktscan medisch-specialistische zorg 2014 deel A laat een dalende trend zien over de jaren 2009 tot en met 2014. Ondanks deze dalende trend geeft de NZa aan dat de gemiddelde wachttijd in 2014 (tot en met september) licht is toegenomen ten opzichte van 2013. In 2014 komt de wachttijd van 7 specialismen boven de Treeknorm uit.

Dat is één specialisme meer dan in 2013 (neurochirurgie). Op basis van de beschikbare informatie is het voor de NZa niet mogelijk om deze ontwikkelingen te duiden. Eind van dit jaar zal ik u weer informeren over de landelijke wachttijdontwikkeling via de volgende Marktscan van de NZa.

Vraag 132:

Hoeveel ziekenhuizen hebben aangegeven de kosten van dure medicijnen niet meer op te kunnen brengen?

Antwoord 132:

De NZa heeft op mijn verzoek onderzoek gedaan naar de toegankelijkheid en betaalbaarheid van geneesmiddelen in de medisch-specialistische zorg (bijlage bij TK 29 477 nr. 335, 2 juli 2015). Onderdeel van het onderzoek was een enquête onder zorgaanbieders. In de enquête heeft geen van de ziekenhuizen aangegeven de kosten van dure geneesmiddelen niet meer te kunnen opbrengen. Wel geven ziekenhuizen aan dat de toegankelijkheid van dure geneesmiddelen onder druk komt te staan, vanwege beperkingen aan het (interne) budget. Uit een enquete van de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) geven veel ziekenhuizen bovendien aan er niet in te slagen goede afspraken over dure geneesmiddelen te maken met hun zorgverzekeraar (opgenomen in KWF-rapport «effectieve nieuwe middelen tegen kanker, maar het financieringssysteem kraakt», bijlage bij TK 29 689 nr. 636, 7 juli 2015).

De medisch specialisten hebben deze zomer onder hun leden navraag gedaan wie geen dure medicijnen voorschrijft waar het wel aan de orde zou moeten zijn. Uit deze navraag bleek dat geen enkele specialist aangaf niet voor te schrijven als het medicijn in de behandeling nodig was (http://www.demedischspecialist.nl/nieuws/artsen-blijven-zich-inzetten-voor-optimale-behandelingen).

Ik acht het van groot belang dat zorgverzekeraars en zorgaanbieders goede afspraken maken om de toegankelijkheid van dure geneesmiddelen te garanderen. Daar heb ik beide partijen ook toe opgeroepen. Zorgaanbieders hebben mij gegarandeerd dat zij richtlijnconform werken en dus ook, waar medisch noodzakelijk, dure geneesmiddelen aan patiënten voorschrijven. Mocht een zorgaanbieder in individuele gevallen financieel echt niet in staat zijn een geneesmiddel te leveren, dan gaat de zorgaanbieder hierover met de betreffende verzekeraar het gesprek aan. Zorgverzekeraars onderschrijven hun zorgplicht en zorgen dat er geen patiënten om budgettaire redenen de toegang tot dure geneesmiddelen wordt ontzegd. Inmiddels wordt gemeenschappelijk en onder regie van het bestuurlijk overleg medisch-specialistische zorg gewerkt aan een integraal pakket aan maatregelen vanwege de knelpunten op het gebied van de dure geneesmiddelen.

Vraag 133:

Hoeveel ziekenhuizen hebben aangegeven de kosten van dure medicijnen niet meer op te kunnen brengen?

Antwoord 133:

Zie het antwoord op vraag 136.

Vraag 134:

Hoeveel mensen hebben zich sinds 2010 t/m 2015 gemeld op de spoedeisende hulp met een delier?

Antwoord 134:

Zie het antwoord op vraag 136.

Vraag 135:

Hoeveel mensen hebben zich sinds 2010 t/m 2015 gemeld op de spoedeisende hulp met dehydratie?

Antwoord 135:

Zie het antwoord op vraag 136.

Vraag 136:

Hoeveel mensen hebben zich sinds 2010 t/m 2015 gemeld op de spoedeisende hulp en wat zijn de meest voorkomende zorgproblemen?

Antwoord 136:

Ik beschik thans niet over de informatie om de gestelde vragen volledig te beantwoorden. Het boven water krijgen van deze cijfers vergt een gedetailleerde uitvraag bij verschillende bronnen, waarbij ongewis is of deze kan resulteren in een volledig en actueel beeld van het beroep op spoedeisende hulp in de genoemde periode.

Op basis van gegevens van Het Letsel Informatie Systeem (LIS) kan wel een gedeeltelijk beeld worden geschetst. In 2013 vonden er in totaal circa 1,8 miljoen SEH behandelingen plaats, waarvan 980.000 SEH-behandelingen in verband met ziekte of aandoening en 660.000 SEH-behandelingen in verband met lichamelijk letsel of vergiftiging. Bij de SEH-behandelingen in verband met ziekte of aandoening ging het met name om ziekten van de tractus circulatorius (200.000), tractus digestivus (140.000) en tractus respiratorius (120.000). Bij lichamelijk letsel ging het met name om letsel aan schouder/arm/hand (270.000), heup/been/voet (190.000) en hoofd/hals/nek (110.000).

Verdere cijfers over de spoedeisende hulp is te vinden op www.volksgezondheidenzorg.info.

Vraag 137:

Wat is de oorzaak van de terugloop van de deelname aan het Nationaal Programma Grieppreventie? Welke gevolgen heeft dit voor de gezondheid van ouderen?

Antwoord 137:

De griepvaccinatiegraad van risicogroepen in Nederland is één van de hoogste wereldwijd en de hoogste in Europa. Wel is er sinds 2008 sprake van een daling van de vaccinatiegraad. De oorzaak van deze daling is niet onderzocht. De afgelopen jaren is regelmatig discussie geweest over de effectiviteit van de griepprik. We weten uit onderzoek dat deelname wordt beïnvloed door de beleving van mensen dat griep geen groot risico is en door twijfel over het nut van de griepprik.

Ook komt uit onderzoek naar voren dat mensen geneigd zijn hetzelfde gedrag te blijven vertonen dat zij eerder al hadden: als zij eerder de uitnodiging voor de griepprik afsloegen, doen ze dat het jaar erop vaak weer. In het meest recente advies van de Gezondheidsraad over griepvaccinatie is uitgebreid gekeken naar de effectiviteit van de griepprik. Verschillende factoren, zoals fluctuaties in de virulentie (ziekteverwekkend vermogen) van het griepvirus in de jaren maken het lastig om een eenduidige uitspraak te doen over de effectiviteit van de griepvaccinatie. De behaalde gezondheidswinst van het programma is echter ruimschoots naar verwachting. Bij de inschatting van de gezondheidswinst is het ook van belang om te kijken naar het bereik van het vaccinatieprogramma bij de verschillende risicogroepen. Zo is de vaccinatiegraad hoger bij groepen die meerdere indicaties hebben (bijvoorbeeld 60-plus en chronische aandoening). Het Nationaal Programma Grieppreventie is een vrijwillig programma waarbij iedereen die door een huisarts wordt uitgenodigd zelf de afweging kan maken of men gebruik van het aanbod maakt of niet.

Vraag 138:

In hoeverre is de regering tevreden met de ambities en behaalde resultaten van de JOGG-aanpak? Kan de regering haar antwoord toelichten?

Antwoord 138:

Naar aanleiding van motie Wiegman (TK 31 899, nr. 10) was de ambitie om in 2015 ten minste 75 JOGG-gemeenten te hebben die, volgende de EPODE-methode, integraal beleid hebben op overgewicht. Deze ambitie is ruimschoots gehaald: inmiddels zijn 88 gemeenten aangesloten bij JOGG, en dit aantal is nog groeiende. Met het behalen van deze ambitie ben ik tevreden. Maar hiermee eindigt niet de beleidsinzet op een gezond gewicht bij de jeugd, het is een startpunt om lokaal daadwerkelijk een stijging van het aantal jongeren op gezond gewicht te bewerkstelligen. De huidige ambitie is om in 2020 in minimaal 75 gemeenten deze stijging te realiseren.

Inmiddels blijken lokaal al resultaten zichtbaar te worden, zoals ook verwoord in mijn voortgangsbrief Convenant Gezond Gewicht 2014 (TK 31 899, nr. 25).

Vraag 139:

In hoeverre vindt de regering dat de snelheid waarmee scholen komen tot een gezonde kantine toereikendheid is?

Antwoord 139:

Sinds 2013 ontvangt het Voedingscentrum extra subsidie om scholen te adviseren over hun voedings- en drankenaanbod in de kantine en op school. Alle scholen zijn intussen diverse malen benaderd over de gezonde schoolkantine en de mogelijkheid om een advies op maat te krijgen. Dit heeft ertoe geleid dat 1.200 scholen zijn bezocht door de Schoolkantine Brigade en voorzien zijn van een advies op maat. Tachtig procent van de scholen is er vervolgens mee aan de slag gegaan. Op dit moment wordt door het RIVM een monitor uitgevoerd naar aanleiding van de motie Vendrik uit 2009 (TK 31 899, nr. 8) waarin wordt gevraagd om beleid te ontwikkelen gericht op 100% gezond aanbod in alle schoolkantines in 2015. In het voorjaar 2016 informeer ik uw Kamer over de uitkomsten van deze monitor. Zoals verzocht in de motie Wolbert (TK 32 793, nr. 183) om alle schoolkantines per 1-1-2017 gezond te laten zijn, stuur ik uw Kamer een brief met mijn visie op dit vraagstuk en een plan van aanpak voor 2016. Helaas is het, vanwege de gevraagde afstemming met partijen als JOGG, niet gelukt om dit voor 1 oktober 2015 te doen. Ik heb deze brief op 21 oktober aan uw Kamer gestuurd (2015Z19573).

Vraag 140:

Kunt u aangeven of de organisatie STAP subsidie ontvangt van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of een ander ministerie?

Antwoord 140:

STAP ontvangt geen subsidie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of andere ministeries. STAP ontving voor het laatst VWS subsidie in 2012.

Vraag 141:

Kunt u aangeven of de organisatie Clean Air Nederland subsidie ontvangt van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of een ander ministerie?

Antwoord 141:

Clean Air Nederland ontvangt geen subsidie van het Ministerie van VWS en, voor zover op het ministerie bekend, ook niet van andere ministeries.

Vraag 142:

Kunt u aangeven welke meetbare resultaten het JOGG-programma tot nu toe heeft opgeleverd?

Antwoord 142:

Zie het antwoord op vraag 138.

Vraag 143:

Waarom moet de kwaliteit en effectiviteit van zorg voor migranten middels subsidie gestimuleerd worden?

Antwoord 143:

Vanuit de overheid en de zorgprofessional wordt ingezet op zorg op maat en (kosten)effectiviteit van het zorgstelsel voor alle burgers. Dat betekent dat een zorgverlener oog moet hebben voor de diversiteit binnen zijn patiëntenpopulatie, onder andere diversiteit naar achtergrond en opleiding. Daarvoor is kennis nodig. Het ontwikkelen en verspreiden van deze kennis wordt via een subsidie gestimuleerd.

Vraag 144:

Wat wordt bij de zorg voor migranten en mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden precies onder «beperkte gezondheidsvaardigheden» verstaan, en wordt hierbij ook aandacht besteed aan seksuele en reproductieve gezondheid? Op welke manier wordt bij beide groepen hier aandacht aan besteed?

Antwoord 144:

Gezondheidsvaardigheden zijn de vaardigheden van individuen om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen, en te gebruiken bij het nemen van gezondheidsgerelateerde beslissingen. Dit betreft de gehele gezondheid. Van belang is om zowel richting zorgverleners maar ook richting de patiënt aandacht te besteden aan beperkte gezondheidsvaardigheden. Hier wordt via voorlichting en beeldmateriaal voor de doelgroep met lage gezondheidsvaardigheden invulling aan gegeven. Voorbeelden hiervan zijn folders rondom de zwangerschap (Straks zwanger worden) en rondom seksuele gezondheid (Lang leve de liefde).

Vraag 145:

Welke verzoeken voor zorginnovatie heeft het ministerie, en los daarvan de Nza ontvangen, en hoeveel zijn voor komend jaar toegekend met welke doelen?

Antwoord 145:

Zoals aangegeven in onze brief over eHealth en zorgverbetering van 2 juli 2014 (TK 27 529, nr. 130) is ons beleid er niet op gericht dat de overheid losse innovatie-initiatieven subsidieert. Wij hebben de afgelopen jaren door vernieuwingen in de bekostiging van de zorg meer beleidsruimte gecreëerd voor partijen om lokale afspraken te maken over prestaties en vergoedingen die daar tegenover staan, waarmee meer ruimte is ontstaan om innovaties te vergoeden. Daar waar innovaties (nog) niet binnen de reguliere bekostiging passen kunnen deze via de beleidsregel innovatie worden gefinancierd. Zo kan er een aantal jaar geëxperimenteerd worden met activiteiten die nu niet binnen de prestaties passen, waarbij onderzocht kan worden of het gewenst is om de prestaties hierop aan te passen.

Op dit moment zijn er 33 innovaties bekend die in 2016 via de beleidsregel innovatie financiering ontvangen. Er zijn in 2015 3 voorstellen afgewezen, omdat deze onder de reguliere bekostiging gefinancierd kunnen worden. Ook is een aantal aanvragen teruggetrokken toen bleek dat de vergoeding van deze innovatieve zorgvormen al via de nieuwe ruimte in de reguliere bekostiging mogelijk waren geworden. Aanvragen gericht op zorg die niet binnen het verzekerd pakket vallen komen sowieso niet in aanmerking.

Partijen die zich tot het Ministerie van VWS wenden met een verzoek voor financiering van hun innovatie, verwijzen wij naar plekken waar zij terecht kunnen met dit verzoek. Dit betreft onder meer de NZa en de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO). Daarnaast faciliteren wij innovatoren via www.zorgvoorinnoveren.nl. Met behulp van dit loket kunnen zorgvernieuwers het innovatieproces van idee tot toepassing zelfstandig en snel doorlopen en wordt dit proces eenvoudiger en transparanter. Zorg voor innoveren is een initiatief waarin vier overheidsorganisaties, samen met partners, hun krachten bundelen, te weten het Zorginstituut Nederland, de Nederlandse Zorgautoriteit, het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ZonMw.

Vraag 146:

Gaat het idee van de zorginnovatieprijs-winnaar «chip voor recyclen medicatie» dit jaar in werking treden of blijft de tegenstand van de farmacie het winnen?

Antwoord 146:

Het opnieuw verstrekken van ongebruikte geneesmiddelen gebeurt nu niet. Niemand kan nu garanderen dat het teruggebrachte geneesmiddel aan dezelfde kwaliteitscriteria voldoet als op het moment waarop het voor de eerste keer werd uitgegeven.

Binnen het programma Aanpak verspilling wordt de mogelijkheid om een geneesmiddel opnieuw te verstrekken verkend. We werken aan deze actie samen met St. Maartenskliniek, apothekers en anderen zoals de IGZ en CBG. Hierbij worden aspecten meegenomen op het terrein van de wetgeving, kosten, veiligheid en bereidheid van de patiënt om opnieuw uitgegeven geneesmiddelen te gebruiken.

Juridisch is het opnieuw uitgeven van een ongebruikt geneesmiddel niet verboden, zo blijkt uit de Geneesmiddelenwet. Europese wetgeving rondom het tegengaan van vervalsingen wordt ook getoetst op mogelijke heruitgifte. Wat betreft de kosten en veiligheid, betekent heruitgifte een extra handeling van een apotheekhoudende èn daarbij zullen geneesmiddelen voorzien moeten worden van een chip om de bewaarcondities te monitoren. Beiden brengen kosten met zich mee. Indien heruitgifte mogelijk zou worden, ligt het voor de hand dit toe te passen bij dure middelen. Een voorbeeld hiervan zijn de orale oncolytica die in het ziekenhuis verstrekt worden.

Eind 2015 zal de verkenning hebben plaatsgevonden over randvoorwaarden om heruitgifte mogelijk te maken. Aspecten als verantwoordelijkheden, kwaliteitsbewaking, communicatie en financiële afhandeling komen hierin voor. Vervolgens, begin 2016, worden de kaders vastgesteld door VWS, IGZ en CBG. Hierna zal in de praktijk getoetst worden met een pilotstudie of deze randvoorwaarden haalbaar zijn. Een inschatting over de termijn waarop heruitgifte kan plaatsvinden, kan worden gemaakt na inzicht in de randvoorwaarden en de haalbaarheid hieraan in de praktijk.

Vraag 147:

Welke winnaars van de zorginnovatieprijs van afgelopen jaren hebben hun idee daadwerkelijk werkelijkheid zien worden?

Antwoord 147:

Sinds 2013 kent de Herman Wijffels innovatieprijs de categorie zorg. Over de stand van zaken van de zorginnovatieprijs 2014 «chip voor recyclen medicatie» bent u geïnformeerd met het antwoord op vraag 146. In 2013 was de winnaar van de prijs «Wijkbedrijf Bilgaard». Dit idee is werkelijkheid geworden, zoals u uitgebreider op de website www.wijkbedrijfbilgaard.nl kunt lezen.

Vraag 148:

De Minister schrijft verantwoordelijk te zijn voor het financieren van de verbetering van de zorg door financiering van de familie- en vertrouwenspersonen in ggz-instellingen. Toch blijft het budget voor deze vertrouwenspersonen gelijk volgens tabel 4 (p.39 – kop 2 Toegankelijkheid [...]). Kunt u aangeven of het klopt dat u deze ambitie onderbouwt met een budget dat gelijk blijft?

Antwoord 148:

De financiering van de familievertrouwenspersonen is van oorsprong geënt op de activiteiten op dit terrein ten behoeve van familie van cliënten/patiënten die opgenomen zijn in een ggz-instelling. Het ligt in de rede om aan te sluiten bij de ambulantisering en daarmee ook familievertrouwenswerk mee te nemen ten behoeve van patiënten/cliënten die in ambulante zorg zijn. Ik ben hierover in gesprek met de Landelijke Stichting Familie Vertrouwenspersonen (LSFVP).

In 2014 was sprake van onderuitputting van het budget aan instellingssubsidie van de LSFVP. Daarom heb ik vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de toegekende financiële middelen die ik voor deze activiteiten op basis van een instellingsubsidie ter beschikking stel, niet toereikend zouden zijn.

Vraag 149:

Welk percentage en welke bedragen van de ex-post compensaties aan zorgverzekeraars betreffen dure geneesmiddelen? Kan een overzicht van de afgelopen 5 jaar worden gegeven?

Antwoord 149:

In onderstaande tabel zijn de kosten van geneesmiddelen opgenomen die onder de vaste kosten in de regeling risicoverevening zijn opgenomen en dus risicoloos worden uitgevoerd door verzekeraars.

De omvang van de risicodragende geneesmiddelen is niet opgenomen.

Jaar

Risicoloos

Raming in het Macro Prestatie Bedrag (MPB)

(x € 1 miljard)

Uitgaven als percentage van kosten MSZ

2011

Beleidsregel dure geneesmiddelen

Niet apart opgenomen

n.b.

2012

Alle addons voor geneesmiddelen

1,0

5,3%

2013

Alle addons voor geneesmiddelen, exclusief addons groeihormonen

1,2

5,7%

2014

Alle addons voor geneesmiddelen, exclusief addons voor groeihormonen en voor fertiliteitshormonen

1,2

5,5%

2015

Addons voor oncolytica

0,2

0,9%

In 2011 was de systematiek van toewijzen van kosten als «risicoloos» anders dan sinds 2012. Toen werden nog geen addons gedeclareerd en was er nog sprake van een budgetsystematiek voor de ziekenhuizen. Op basis van deze budgetsystematiek werden kostencomponenten aangewezen als vast (risicoloos) of variabele (risicodragend).

De addon systematiek is in 2012 geïntroduceerd. Reden voor de risicoloosheid is het ontbreken van gegevens om mee te rekenen in de risicoverevening en om de juiste normbedragen te berekenen. Binnen de risicoverevening wordt gerekend met declaraties van jaar t-3. Pas per 2015 waren er dus addons beschikbaar (over 2012) voor de berekeningen.

Voor de groei- en fertiliteitshormonen die respectievelijk per 2013 en 2014 zijn overgeheveld, waren extramurale declaraties beschikbaar en hier kon al eerder mee gerekend worden. Voor de oncolytica is door de overheveling in 2013 en in 2015 het niet mogelijk geweest om al voor het jaar 2015 op basis van addons 2012 goede berekeningen op verzekerdenniveau te maken.

Vraag 150:

Wat zal het onderzoek precies inhouden en wie zal het onderzoek naar oncologie gaan uitvoeren, dat omschreven staat in de tabel budgettaire gevolgen van beleid en in de toelichting hierop?

Antwoord 150:

Zie het antwoord op vraag 152.

Vraag 151:

Waarom zijn de subsidies aan Anonieme e-mental health en Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden niet in de toelichting van deze tabel opgenomen, en kan hier alsnog een toelichting op worden gegeven?

Antwoord 151:

Het Ministerie van VWS heeft voor de begroting 2016 bij de toelichting op de budgettaire tabellen een ondergrens gehanteerd van € 2,5 miljoen. De subsidies aan anonieme e-mental health en eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden hebben beide een budget voor 2016 van € 2 miljoen. Deze posten voldoen niet aan de gestelde voorwaarde en daarom is de toelichting niet opgenomen.

Uiteraard kan de toelichting op de twee posten gegeven worden.

Anonieme e-mental health

Voor de financiering van anonieme e-mental health is in 2016 een bedrag van € 2 miljoen beschikbaar. Om dit geld te verdelen over het brede palet van anonieme e-mental health aanbieders is een Beleidskader anonieme e-mental health opgesteld, waarop aanbieders subsidieaanvragen indienen. Dit beleidskader is een tijdelijke maatregel, waarmee in 2016 subsidie wordt verstrekt aan een aantal aanbieders van anonieme e-mental health. Met deze tijdelijke maatregel is ruimte gecreëerd om een structurele oplossing vorm te geven, in afwachting van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dat een structurele basis zal bieden voor financiering van anonieme e-mental health. Het voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten teneinde de bekostiging van anonieme e-mental health structureel te regelen en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten mogelijk te maken (TK 33 675, nr. 3), is in de zomer van 2013 ingediend bij de Tweede Kamer. In het voorjaar van 2015 is de nota naar aanleiding van het verslag aangeboden.

Eerstelijns gezondheidscentra in VINEX-gebieden

Het is van belang dat er in grootschalige nieuwbouwlocaties, waar nog niet voldoende patiënten wonen, geïntegreerde eerstelijnszorg wordt aangeboden. Daarom worden gezondheidscentra in grootschalige nieuwbouwlocaties contractueel belast met het aanbieden van die zorg bij wijze van dienst van algemeen economisch belang. Dit betekent dat zij de taak hebben om op die locaties geïntegreerde eerstelijnszorg te verlenen en verder te ontwikkelen. Hiertoe zullen zij gedurende de aanloopperiode (maximaal vijf jaar) subsidie ontvangen. Hiervoor is in 2016 € 2 miljoen beschikbaar.

Vraag 152:

Wat voor onderzoek naar oncologie wordt bedoeld, waar 2 miljoen subsidie naar toe gaat vanaf volgend jaar?

Antwoord 152:

Het gaat hier om een initiatief gericht op excellent fundamenteel onderzoek op het terrein van de moleculaire oncologie. Deelnemende toponderzoekers moeten zich eerst nog beraden over de nader uit te werken strategische onderzoekslijnen die voor de komende periode zullen worden voorgesteld. Ook wie het onderzoek zal gaan uitvoeren moet nog nader worden bezien.

Pas aan de hand van een uitgewerkt plan zal, naar verwachting eind van dit jaar, nadere besluitvorming over subsidie van VWS plaatsvinden.

Vraag 153:

Wat houdt anonieme e-mental health in en kan de Minister uiteenzetten waarom er geen geld meer vanaf 2017 heen gaat?

Antwoord 153:

Anonieme e-mental health is hulpverlening voor psychische- of verslavingsproblemen via internet waarbij de persoon die hulp zoekt, anoniem wil blijven. Het gaat hier om eerstelijns psychologische zorg, of toegeleiding naar die zorg. Onder eerstelijns psychologische zorg wordt verstaan kortdurende generalistische behandeling van een persoon met lichte tot matig ernstige problematiek, inclusief de daarbij behorende diagnostiek. Bij zorgverlening aan anonieme personen is de zorg niet herleidbaar naar een individuele verzekerde. Als gevolg hiervan bestaat op grond van de Zorgverzekeringswet, geen bekostigingstitel voor de verzekeraar.

Om in de leemte van deze vorm van zorg te voorzien, wordt sinds 2011 deze zorg via een subsidieregeling (Beleidskader anonieme e-mental health) gefinancierd, vooruitlopend op de aanpassing van de Zorgverzekeringswet op dit punt. Ik heb in 2013 het voorstel van wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet, de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en enkele andere wetten teneinde de bekostiging van anonieme e-mental health structureel te regelen en de anonieme financiering van zorg aan ernstig bedreigde cliënten mogelijk te maken (TK 33 675, nr. 3) ingediend bij de Tweede Kamer. In afwachting van het van kracht worden van de wet is voor 2016 via een subsidie in de begroting € 2 miljoen beschikbaar.

Deze structurele financiering is vanaf 2017 nog steeds beschikbaar, alleen wordt deze dan gefinancierd vanuit de premiemiddelen (in plaats vanuit de begrotingsmiddelen). Het Zorginstituut Nederland zal de bevoegdheid krijgen om deze vorm van hulp te subsidiëren. De middelen die het Zorginstituut Nederland hiervoor kan toekennen, zullen daarmee niet langer via de begroting van VWS lopen.

Vraag 154:

Waarom neemt de subsidie van de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen komende jaren zo aanzienlijk af?

Antwoord 154:

De Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) ontvangt een subsidie voor het project «Voorlichting, advies en hulp in het kader van het terugdringen van het aantal wanbetalers en onverzekerden zorgverzekeringen 2013».

De subsidie van de SKGZ neemt niet af, maar kent in de jaren 2015 en 2016 een aanvullende subsidie. Dit betreft een intensivering die zich richt op voortzetting van de bestaande activiteiten, zodat meer burgers bereikt kunnen worden. Het gaat hier om het verspreiden van voorlichtingsmateriaal, voorlichting aan doelgroepen en hulpverleners en het intensiveren van de samenwerking met zorgverzekeraars.

Vraag 155:

Waar is het verschil in de bijdrage van VWS van 2015 1.000 euro naar 2016 4.104.000 euro aan V en J voor C2000 te verklaren?

Antwoord 155:

Jaarlijks ontvangt het Ministerie van VWS van het Ministerie van Veiligheid en Justitie een verzoek om een bijdrage te leveren aan het C2000 budget. Voor 2015 is de bijdrage naar het Ministerie van VenJ overgeboekt; het resterende bedrag staat nog op de begroting.

Voor 2016 is een bedrag van € 4,1 miljoen geraamd. Deze raming wordt in 2016 bijgesteld naar het bedrag dat VWS daadwerkelijk overboekt naar het Ministerie van VenJ.

Vraag 156:

Waarom stopt het programma verspilling in de zorg in 2017? Wil de Minister dit na 2017 niet meer aanpakken?

Antwoord 156:

Bij de start van Rutte-II is het Programma aanpak verspilling opgenomen in het regeerakkoord als middel om de stijging van de zorgkosten te beperken. In het plan van aanpak Verspilling in de Zorg (TK 33 654, nr. 1) is aangegeven dat het Programma Aanpak verspilling in de Zorg gedurende de gehele kabinetsperiode zal lopen en dat daarna opnieuw kan worden bezien of en zo ja in welke vorm dit programma wordt gecontinueerd.

We zijn nu ongeveer halverwege de looptijd van dit Programma. Voorop staat dat de aanpak van verspilling in de zorg onverminderd mijn aandacht heeft. Het is nog te vroeg te beslissen of en in welke organisatorische vorm de aanpak gecontinueerd wordt in een volgende kabinetsperiode.

Vraag 157:

Waarom stijgt de bijdrage aan het Zorginstituut Nederland zoveel in 2016?

Antwoord 157:

Dit heeft voornamelijk te maken met een hogere uitgavenraming van de wanbetalersregeling en een intensivering van de taak «pakketbeheer». Voor wat betreft de wanbetalers verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 85. Voor wat betreft pakketbeheer verwijs ik naar de onderbouwing in de begroting. Hierin heb ik aangegeven dat in het regeerakkoord Rutte-Asscher II is afgesproken dat het Zorginstituut Nederland jaarlijks een deel van het verzekerd pakket zal doorlichten (stringent pakketbeheer/systematische doorlichting pakket). Hiervoor wordt aan het Zorginstituut Nederland aanvullend budget beschikbaar gesteld ten behoeve van de uitbreiding van personele capaciteit en onderzoek. Voor 2016 is hiervoor een budget van € 15 miljoen beschikbaar.

Vraag 158:

Wordt door Nictiz, of een andere instantie, ook onderzocht in hoeverre de mate van digitalisering van de zorg invloed heeft op de kwaliteit en veiligheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de uitkomsten?

Antwoord 158:

De verbetering van kwaliteit van leven en zorg en patiëntveiligheid is één van de belangrijkste redenen om de digitalisering van zorg (eHealth) na te streven en in te voeren. Voorbeeld van dit laatste is de KNMG-richtlijn «Elektronisch voorschrijven» die op 1 januari 2014 van kracht is geworden. Die richtlijn bepaalt dat artsen alleen nog elektronisch medicatie mogen voorschrijven. Bovendien is het verplicht dat deze elektronische voorschrijfsystemen de arts op het moment van voorschrijven attenderen op mogelijke problemen. Onderzoek naar digitalisering van de zorg richt zich veelal op evidentie van effectiviteit, maar ook op kwaliteit en patiëntveiligheid11. In een aantal gevallen wordt een positief verband aangetoond. Verschillende onderzoeken geven inzicht in vermijdbare medische fouten bijvoorbeeld door verkeerde medicatie12. Ook zijn er onderzoeken die aantonen dat ziekenhuizen die IT-toepassingen als beslissingsondersteuning en barcodering gebruiken bij het voorschrijven en toedienen van medicijnen, efficiënter werken én minder fouten maken13. Een ander voorbeeld is «Gaston» de beslissingsondersteunende software die in het Catharina Ziekenhuis te Eindhoven is ontwikkeld samen met de TU Eindhoven. Een promotie-onderzoek aldaar heeft aangetoond dat deze software leidt tot een forse afname van medicatie-fouten. Bij een meting van de resultaten van gedurende 33 maanden bleek dat er in het betreffende ziekenhuis nu per jaar gemiddeld 960 extra medicatieaanpassingen plaatsvinden die beter zijn voor de patiënt. Een Nictiz-programma patiëntparticipatie en medicatieveiligheid, waarin verschillende ziekenhuizen en apothekers participeren, laat goede resultaten zien. Later dit jaar zullen de resultaten gepubliceerd worden tijdens een seminar. Daarnaast hebben veldpartijen en Nictiz geïnvesteerd in eHealth in de spoedeisende hulp, waardoor ambulancediensten sneller ter plaatse zijn, men over betere medische informatie beschikt en er een beter inzicht is in beschikbare ziekenhuisbedden, wat bijdraagt aan de kwaliteit en veiligheid van de zorg.

Vraag 159:

Is er binnen de taakopdracht van Stichting Lareb specifieke aandacht voor het signaleren van risico's van het gebruik van (een combinatie van) geneesmiddelen en vaccins voor een groter wordende groep oudere patiënten? Zo ja, op welke wijze wordt hier invulling aan gegeven?

Antwoord 159:

Stichting Lareb verzamelt, registreert en analyseert de risico’s van geneesmiddelengebruik in de dagelijkse praktijk. Deze praktijkinformatie is een belangrijke aanvulling op de informatie over bijwerkingen uit registratie-onderzoeken. Deze onderzoeken hebben namelijk beperkingen waardoor niet alle effecten bij alle groepen potentiële gebruikers kunnen worden onderzocht.

Stichting Lareb heeft juist daarom ook daarbij expliciet aandacht voor specifieke groepen, zoals ouderen en groepen (chronische) patiënten waarbij sprake is van polyfarmacie. Het verzamelen, registreren en analyseren van gegevens over bijwerkingen (inclusief de mogelijk effecten van wisselwerkingen) van geneesmiddelen en vaccins levert kennis op, die eerder niet of onvoldoende bekend was. Deze kennis wordt gedeeld met het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) die de wettelijke taak heeft op het gebied van farmacovigilantie en met beroepsbeoefenaren. Daarnaast publiceert Lareb ook met enige regelmaat hierover.

Vraag 160:

Is de subsidie voor de familievertrouwenspersoon toereikend om in extramurale setting te werken?

Antwoord 160:

De financiering van de familievertrouwenspersonen is van oorsprong geënt op de activiteiten op dit terrein ten behoeve van familie van cliënten/patiënten die opgenomen zijn in een GGZ-instelling. Het ligt in de rede om aan te sluiten bij de ambulantisering en daarmee ook familievertrouwenswerk mee te nemen ten behoeve van cliënten/patiënten die in ambulante zorg zijn. Ik ben hierover in gesprek met de Landelijke Stichting Familie Vertrouwenspersonen (LSFVP).

In 2014 was sprake van onderuitputting van het budget aan instellingssubsidie van de LSFVP. Daarom heb ik vooralsnog geen reden om aan te nemen dat de toegekende financiële middelen die ik voor deze activiteiten op basis van een instellingsubsidie ter beschikking stel, niet toereikend zouden zijn.

Vraag 161:

Waarom kunnen de verplichte nascholingsprogramma's voor apothekers niet voor de benodigde kwaliteitsimpuls zorgen en moet hier een apart stimuleringsprogramma van 2,9 miljoen euro voor opgezet worden?

Antwoord 161:

Zoals ik u in mijn brief met de resultaten van het bestuurlijk overleg farmacie heb aangegeven, staat mij en veldpartijen een toekomstbeeld voor ogen waarin de extramurale farmaceutische zorg een essentiële plaats inneemt binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Hierbij past een apotheker die zorgverlener is en multidisciplinair samenwerkt met andere zorgverleners in een geïntegreerde eerste lijn dichtbij de patiënt. Ten aanzien van de farmaceutische sector is de laatste jaren dan ook doelbewust een koers ingezet om een structuur in te richten die de kwaliteit van de farmaceutische zorg borgt en een impuls geeft. Om deze kwaliteitsverbetering op korte termijn te bereiken, ben ik voornemens de KNMP een subsidie toe te zeggen met als doel een stimuleringsprogramma op te zetten ten einde een versnelling in de competentieontwikkeling van openbaar apothekers te bewerkstelligen. Dit om de zittende generatie openbaar apothekers klaar te stomen voor de veranderingen in het beroep van openbaar apotheker om maatwerk te kunnen leveren voor de patiënt en de toegang tot kwalitatief hoogstaande farmaceutische zorg te borgen.

Vraag 162:

In welke mate wordt bij de financiering van de familievertrouwenspersonen in GGZ-instellingen rekening gehouden met ambulantisering? Heeft dit effecten op de financieringsgrondslag die tot nu toe gericht is op familieondersteuning binnen de instellingen? Wordt het ook mogelijk gemaakt dat er buiten de instellingen hulp wordt geboden aan familieleden?

Antwoord 162:

Zie het antwoord op vraag 160.

Vraag 163:

Er is 1.6 miljoen euro beschikbaar voor de activiteiten rondom suïcidepreventie, exclusief de meerjarige onderzoeksagenda van ZonMW. Hoeveel juridische ruimte is er nog voor deze subsidie?

Antwoord 163:

De hoogte van de instellingssubsidie van Stichting 113Online14 is sinds 2012 met 30% toegenomen en is daarmee opgelopen van € 1 miljoen tot € 1,4 miljoen in 2014. In 2015 is het bedrag aan instellingssubsidie verder opgelopen tot € 1,6 miljoen Dit bedrag is exclusief de middelen die ik heb begroot voor de Onderzoeksagenda suïcidepreventie en de jaarlijkse projectsubsidie die ik Stichting 113Online verleen ter hoogte van € 0,3 miljoen in het kader van de uitvoering van de Landelijke agenda suïcidepreventie. Het genoemde bedrag voor de begroting 2016 van € 1,6 miljoen voor suïcidepreventie is daarmee voor 100% juridisch verplicht.

Zoals ik heb toegezegd in het AO Suïcidaliteit, zal ik nog voor de begrotingsbehandeling met een voorstel komen met betrekking tot de financiering van Stichting 113Online met een doorkijk naar de komende jaren.

Tijdens het Algemeen Overleg Suïcidaliteit van 30 september jl. heb ik toegezegd om u te informeren over het overleg met Stichting 113Online over de uitbreiding van haar activiteiten en de daarmee gepaard gaan financiële intensivering. De Stichting 113Online heeft een sterke groei doorgemaakt in de afgelopen jaren. In 2012 ontving 113Online een instellingssubsidie ter hoogte van circa € 0,8 miljoen, inmiddels is deze instellingssubsidie voor 2015 opgelopen naar circa € 1,6 miljoen15 en is daarmee binnen dit krappe tijdsbestek praktisch verdubbeld. Daarmee kan de stichting prachtig werk verrichten, tegelijkertijd zien we ons nog steeds geconfronteerd met teveel suïcides en zijn we het erover eens dat er meer moet gebeuren. Sinds het voorjaar van 2015 zijn VWS en de Stichting 113Online daarom met elkaar in gesprek over een substantiële uitbreiding van het volume van de directe hulpverlening die 113Online biedt en de versteviging van haar expertisefunctie. Op mijn verzoek heeft 113Online eind augustus 2015 een voorstel voor duurzame financiering en beheerste groei geformuleerd op basis waarvan de instellingsubsidie van de huidige circa € 1,6 miljoen zou oplopen in 2018 tot € 2,8 miljoen. Recent heeft 113Online mij aangegeven dat zij een snellere en verdere groei nodig acht, om haar ambitie te kunnen realiseren om het aantal suïcides in 2030 omlaag te hebben gebracht tot 800 per jaar. Concreet vraagt 113Online om een verdere intensivering van de instellingssubsidie oplopend tot € 3,4 miljoen in 2018, een verdubbeling ten opzichte van 2016. De ambitie die 113Online heeft om het aantal suïcides in 2030 met 30% terug te dringen is groot en verdient waardering en steun. Ik ben bereid aan deze groei naar € 3,4 miljoen te accommoderen. Tegelijkertijd is het belangrijk om een dergelijk forse groei met de nodige zorgvuldigheid te bezien en zo nodig te faseren, zodat de organisatie van 113Online de groei ook kan accommoderen. Het laatste wat ik zou willen is dat de Stichting 113Online aan slagkracht inboet door een te snelle groei. Met 113Online wil ik daarom het gesprek voortzetten om vanaf 2016 het fundament voor de brede rol en inzet vanuit Stichting 113Online op het terrein van suïcidepreventie op een duurzame en beheerste wijze verder te verstevigen.

Vraag 164:

Waarom wordt de subsidieregeling medisch-specialistische zorg voortgezet terwijl er weinig gebruik van wordt gemaakt? Hoeveel vrijgevestigde medisch specialisten hebben inmiddels gebruik gemaakt van de subsidieregeling? Zijn hierbij verschillen te constateren tussen het aangaan van een dienstverband bij een ZBC of een ziekenhuis?

Antwoord 164:

De Subsidieregeling overgang integrale tarieven medisch-specialistische zorg beoogde de overstap naar loondienst een reële keuzemogelijkheid te maken bij de overgang naar integrale bekostiging.

449 medisch specialisten maken gebruik van deze regeling van 2015. Het merendeel is werkzaam bij een algemeen ziekenhuis, enkele tientallen zijn werkzaam bij een ZBC. Aangezien bijna 450 medisch specialisten gebruik hebben gemaakt van de regeling, is duidelijk dat de subsidieregeling in een behoefte voorzag. In 2016 wordt opnieuw een subsidieregeling ingesteld. Het goed inrichten van de besturing van ziekenhuizen is met de overgang van 1 januari 2015 niet afgerond. Het is belangrijk dat ziekenhuizen en medisch specialisten blijven nadenken over wat voor hen de beste manier is om de samenwerking zo in te richten dat deze is afgestemd op de behoeften en wensen van patiënten, en de kwaliteit en doelmatigheid van de geleverde zorg ten goede komt. Dat kan betekenen dat medisch specialisten overwegen om in 2016 alsnog over te gaan op het loondienstmodel. Door een nieuwe subsidieregeling in te stellen blijft daarbij ook de overstap naar loondienst een reële keuzemogelijkheid.

Vraag 165:

Kunt u een overzicht geven van de onderzoeken die ZonMW in het kader van Doelmatigheidsonderzoek met behulp van deze middelen uitvoert en gaat uitvoeren de komende jaren?

Antwoord 165:

Ten gevolge van het amendement Rutte (19 november 2014) is het budget voor het programma Doelmatigheidsonderzoek vanaf 2015 tot en met 2017 jaarlijks met € 1 miljoen verhoogt om een impuls voor zorgevaluaties te realiseren. Oogmerk hiermee is de kwaliteit en doelmatigheid in de zorg te bevorderen. Het totale budget voor het programma Doelmatigheidsonderzoek (DO) 2016–2018 bedraagt circa € 32,3 miljoen.

In de jaren 2015–2017 zal jaarlijks € 3 miljoen van het programmabudget geoormerkt worden voor onderzoek naar actuele doelmatigheidsvragen in relatie tot de Kwaliteits- en Doelmatigheids- (K&D) agenda behorend bij het hoofdlijnakkoord medisch-specialistische zorg. In de uitvoering van de K&D agenda in de jaren 2015–2016 is afgesproken een heldere focus te hanteren en de 30 meest relevante aandoeningen centraal te stellen (TK 32 620, nr. 149). Het gaat om:

  • 1. Aneurysma Aorta Abdominalis (AAA)

  • 2. Acuut Myocard Infarct en coronair vaatlijden

  • 3. Blaaskanker

  • 4. Borstkanker

  • 5. Carpale tunnel syndroom

  • 6. Cataract

  • 7. Chronisch nierfalen

  • 8. CVA (inclusief risicofactoren zoals carotis stenose)

  • 9. Cystic Fibrosis

  • 10. Darmkanker

  • 11. Diabetes

  • 12. Geboortezorg

  • 13. Heupfractuur

  • 14. Heupvervanging

  • 15. Infectieziekten

  • 16. Knievervanging

  • 17. Lage rughernia

  • 18. Liesbreuk

  • 19. Longkanker

  • 20. Melanoom

  • 21. Morbide obesitas

  • 22. Multitrauma

  • 23. Ovariumkanker

  • 24. Pancreaskanker

  • 25. Parkinson

  • 26. Perifeer Arterieel Vaatlijden

  • 27. Prostaatkanker

  • 28. Slokdarm- en maagkanker

  • 29. Varices

  • 30. Ziekenhuiszorg als onderdeel van de spoedzorgketen (SEH, IC)

Omdat de programmering pas vanaf 2016 zal plaatsvinden zijn concrete projecten nog niet te benoemen.

Voor uitgebreidere informatie over de invulling van het programma Doelmatigheidsonderzoek van ZonMw verwijs ik u naar de volgende site www.zonmw.nl/nl/programmas/programma-detail/doelmatigheidsonderzoek/algemeen en meer specifiek naar het document Beleidsupdate 2014 (www.zonmw.nl/uploads/tx_vipublicaties/150423_BeleidsUpdate_DO_2014.pdf).

Vraag 166:

Waarom is er gekozen voor een mogelijke verlening van de regeling die getroffen was voor vrijgevestigde medisch specialisten, als nu al gebleken is dat hier geen animo voor was?

Antwoord 166:

Zie het antwoord op vraag 164.

Vraag 167:

Welke maatregelen zijn er genomen om afgewezen asielzoekers direct contant te laten afrekenen voor hun zorggebruik?

Antwoord 167:

Afgewezen asielzoekers die nog onder verantwoordelijkheid van het COA in Nederland worden opgevangen vallen nog onder de Regeling Zorg Asielzoekers (RZA). Asielzoekers die door het COA worden opgevangen moeten op grond van artikel 20 van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2015 opgeven of zij inkomsten of vermogen hebben. Indien dit het geval is, kan het COA de kosten van opvang op de asielzoeker verhalen. Dit geldt ook voor de zorgkosten.

Zodra zij niet meer onder verantwoordelijkheid van het COA worden opgevangen, is deze regeling niet meer van toepassing. Iedere vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft is er in beginsel zelf verantwoordelijk voor dat de kosten van aan hem verleende medische zorg worden betaald. Als illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen geen (particuliere) verzekering hebben gesloten ten laste waarvan de kosten kunnen worden gebracht, zullen zij de kosten van verleende medische zorg dus zelf moeten betalen. In gevallen waarin ondanks inspanningen van de zorgaanbieder de kosten niet op deze patiënten te verhalen zijn, kunnen zorgaanbieders een beroep doen op een wettelijke bijdrageregeling (Regeling financiering zorg onverzekerbare vreemdelingen).

Vraag 168:

Hoe wordt bepaald of een vreemdeling, een illegaal of een asielzoeker zijn zorgpremie niet zelf kan bepalen?

Antwoord 168:

Een asielzoeker (een vreemdeling aan wie de toegang tot Nederland niet is geweigerd en door wie of ten behoeve van wie een asielaanvraag is ingediend) is in de regel opgenomen in de opvang van het COA. Op hen is de Regeling opvang asielzoekers (Roa) van toepassing. De zorg wordt geboden door gecontracteerde zorgaanbieders. Op grond van artikel 20 van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 zijn asielzoekers verplicht aan het COA opgave te doen van hun inkomen en vermogen. Indien een asielzoeker die verblijft in een opvangvoorziening beschikt over een vermogen groter dan de vermogensgrens artikel 34 van de Participatiewet of inkomsten heeft, anders dan een uitkering op grond van de Kinderbijslagwet of op basis van deze regeling, is die asielzoeker aan het COA een vergoeding verschuldigd in de kosten van zijn opvang alsmede van de opvang van zijn gezinsleden. Dit geldt ook voor de zorgkosten.

Afgewezen asielzoekers die nog onder verantwoordelijkheid van het COA in Nederland worden opgevangen vallen nog onder de Regeling Zorg Asielzoekers (RZA). Asielzoekers die door het COA worden opgevangen moeten op grond van artikel 20 van de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2015 opgeven of zij inkomsten of vermogen hebben. Indien dit het geval is, kan het COA de kosten van opvang op de asielzoeker verhalen. Dit geldt ook voor de zorgkosten.

Iedere vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft, is er in beginsel zelf verantwoordelijk voor dat de kosten van aan hem verleende medische zorg worden betaald. Als illegalen en andere onverzekerbare vreemdelingen geen (particuliere) verzekering hebben gesloten ten laste waarvan de kosten kunnen worden gebracht, zullen zij de kosten van verleende medische zorg dus zelf moeten betalen.

Indien illegalen en onverzekerbare vreemdelingen niet in staat zijn de rekening voor de aan hen verleende zorg te betalen, worden zorgaanbieders geconfronteerd met (deels) onbetaalde kosten. In gevallen waarin ondanks inspanningen van de zorgaanbieder de kosten niet op deze patiënten te verhalen zijn, kunnen zorgaanbieders een beroep doen op een wettelijke bijdrageregeling (Regeling financiering zorg onverzekerbare vreemdelingen).

Let wel, in bovenstaande gevallen gaat het dus om de zorgkosten. De in bovenstaande antwoordgenoemde groepen zijn niet Zvw-verzekerd en betalen dus geen zorgpremie.

Vraag 169:

Hoeveel mensen moeten op dit moment een bestuursrechtelijke premie betalen omdat zij een betalingsachterstand van meer dan zes maanden hebben op hun zorgverzekeringspremie?

Antwoord 169:

Op 1 juni 2015 waren er 333.751 mensen aangemeld bij Zorginstituut Nederland als wanbetaler en moeten daarom een bestuursrechtelijke premie betalen.

Vraag 170:

Kunt u een trendmatig overzicht geven van hoeveel mensen sinds de invoering van het zorgstelsel in 2006 een bestuursrechtelijke premie moeten betalen? Kunt u een overzicht geven per jaar?

Antwoord 170:

De Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering is in 2009 Afdeling 3.3.2 (artikelen 18a tot en met 18g) aan de Zorgverzekeringwet toegevoegd. De aanmelding van wanbetalers voor het bestuursrechtelijk premieregime is gestart per 1 september 2009.

In de onderstaande tabel16 is het aantal wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime vanaf het begin van de regeling opgenomen (bron: Zorginstituut).

 

2010

2011

2012

2013

2014

Juni 2015

Aantal wanbetalers

266.502

303.797

298.716

316.006

327.334

333.751

Op 1 juni 2015 waren er 333.751 wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime. Het Zorginstituut verwacht eind 2015 circa 338.000 wanbetalers. Dit is 2,5% van het aantal premieplichtigen.

Vraag 171:

Hoeveel mensen moeten al sinds de invoering van de wanbetalerswet in 2009 een bestuursrechtelijke premie betalen?

Antwoord 171:

Het betreft hier het zogenaamde «stuwmeer» van wanbetalers. Dit zijn de wanbetalers die zijn aangemeld tussen 1 september 2009 en 1 oktober 2010 en dus al vanaf het begin in het bestuursrechtelijk premieregime zitten. Eind 2014 waren dit 80.300 mensen.

Vraag 172:

Hoeveel mensen betaalden in 2008, 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015 een bestuursrechtelijke premie? Kunt u dit uitsplitsen per jaar?

Antwoord 172:

Met de Wet structurele maatregelen wanbetalers zorgverzekering is in het jaar 2009 Afdeling 3.3.2 (artikelen 18a tot en met 18g) aan de Zvw toegevoegd. De eerste wanbetalers zijn per 1 september 2009 aangemeld voor het bestuursrechtelijk premieregime. In de tabel bij het antwoord op vraag 170 is het aantal wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime opgenomen (bron: Zorginstituut). Het gemiddelde inningspercentage van de afgelopen jaren is 40%. De inning gebeurt door middel van inhoudingen op het inkomen, omleiden van zorgtoeslag, het versturen van acceptgiro’s en inningen door deurwaarders.

Vraag 173:

Kunt u aangeven hoe lang mensen gemiddeld een bestuursrechtelijke premie moeten betalen?

Antwoord 173:

Zorginstituut Nederland heeft het gemiddelde berekend voor wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime en wanbetalers die inmiddels zijn uitgestroomd. Wanbetalers in het bestuursrechtelijk premieregime zitten daar gemiddeld 33,5 maanden. De spreiding (standaarddeviatie) is echter groot met plus / min 23 maanden. De gemiddelde duur van wanbetalers die inmiddels uit het bestuursrechtelijk premieregime zijn gestroomd is 17,5 maanden. De spreiding (standaarddeviatie) bij deze groep is plus / min 14,8 maanden. Verder geeft het Zorginstituut Nederland aan dat van alle mensen die in 2014 bij het Zorginstituut Nederland zijn aangemeld als wanbetaler, 41% inmiddels weer is afgemeld.

Vraag 174:

Kunt u de ontwikkeling van het aantal mensen dat een bestuursrechtelijke premie moet betalen nader toelichten? Welke invloed heeft de stijging van het eigen risico hierop?

Antwoord 174:

Het aantal wanbetalers in het bestuursrechtelijk regime is in 2014 met circa 11.000 personen gestegen ten opzichte van 2013. Ook in de eerste helft van 2015 is het aantal wanbetalers gestegen. Op 1 juni 2015 stonden er 333.751 wanbetalers geregistreerd bij Zorginstituut Nederland.

De aanmelding van wanbetalers voor het bestuursrechtelijk premieregime heeft uitsluitend betrekking op een betalingsachterstand van zorgpremie. Of en in welke mate het eigen risico invloed heeft op het betalen van de zorgpremie is niet bekend. Er zijn veel variabelen denkbaar die van invloed kunnen zijn, zoals de economische situatie of trends in gedrag rond schuldenproblematiek.

Vraag 175:

Hoeveel mensen hadden in 2014 een betalingsregeling met hun zorgverzekering? Hoeveel waren dat er in, 2008, 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013?

Antwoord 175:

Ten behoeve van de jaarlijkse Verzekerdenmonitor wordt sinds september 2013 het aantal lopende betalingsregelingen in beeld gebracht waar ten minste de premieschuld in zit. Eind 2014 waren er 152.985 lopende betalingsregelingen. Eind 2013 waren dit er 124.644. Er is geen cijfer beschikbaar van het totaal aantal betalingsregelingen (dus inclusief de betalingsregelingen voor alleen het eigen risico) bij alle zorgverzekeraars. Wel constateer ik dat zorgverzekeraars steeds vaker bij wijze van service de mogelijkheid van gespreid betalen van eigen risico aanbieden aan verzekerden (zie hiervoor ook het antwoord op vraag 485).

Vraag 176:

Kunt u een overzicht sturen van welke vergoedingen voor welke aandoening aan het basispakket zijn toegevoegd of er zijn uitgehaald vanaf 2006 t/m 2015?

Antwoord 176:

Bij de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet (Zvw) per 1 januari 2006 is besloten dat het verzekerde pakket van de Ziekenfondswet zoals dat eind 2005 gold, bepalend was voor de aard, inhoud en omvang van het Zvw-pakket. Het Zvw-pakket 2006 was dan ook gelijk aan het ziekenfondspakket van ultimo 2005. Per 1 januari 2006 zijn er geen wijzigingen in het pakket aangebracht, geen uitbreidingen en ook geen beperkingen.

Ten aanzien van wijzigingen in de medisch-specialistische zorg dient te worden opgemerkt dat de omschrijving van de te verzekeren prestaties in de Zvw het mogelijk maakt dat het verzekerde pakket de medisch-inhoudelijke en maatschappelijke ontwikkelingen volgt. Hierdoor stromen nieuwe interventies en zorgvormen die voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk «automatisch» het verzekerde pakket in. Daar tegenover staat dat verouderde interventies en zorgvormen die in de medische praktijk niet meer worden toegepast «automatisch» uit het basispakket verdwijnen, omdat deze niet langer voldoen aan de stand van wetenschap en praktijk. Omdat deze «automatische» in- en uitstroom in veel gevallen niet plaatsvindt op basis van uitspraken van het Zorginstituut, is het niet mogelijk hiervan een volledig beeld te geven. Wel zijn er in de medische wetenschap in brede zin de afgelopen 10 jaar veel ontwikkelingen geweest die ook impact hebben op het verzekerde pakket (van nieuwe dure geneesmiddelen, behandelingen zoals de Da Vinci robot, tot wijze van behandeling zoals de kijkoperaties).

Behalve de in de vorige alinea bedoelde in- en uitstroom, vindt ook in- en uitstroom plaats op basis van politieke besluitvorming. In bijgaande drie tabellen is een overzicht hiervan opgenomen. Tabel 3 betreft de voorwaardelijk toegelaten behandelingen.

Tabel 1: Overzicht politiek besloten uitbreidingen basispakket 2007–2015

Jaar

Uitbreiding

2007

uitbreiding aantal zittingen psychotherapie

2008

jeugdtandzorg t/m 21 jaar

2009

dyslexiezorg aan kinderen t/m 12 jaar

2010

geen uitbreidingen basispakket

2011

– bekkenfysiotherapie in verband met urine-incontinentie

– stoppen met roken

2012

geen uitbreidingen basispakket

2013

– brillenglazen voor kinderen met medische indicatie

– vervallen minimum leeftijdsgrens van 6 jaar bij fluorideapplicatie blijvende gebitselementen

– geriatrische revalidatie (overheveling uit AWBZ)

– bruikleen hulpmiddelen (overheveling uit AWBZ)

2014

geen uitbreidingen basispakket

2015

– niet-invasieve prenatale test (NIPT)

– zintuiglijk gehandicaptenzorg (overheveling uit AWBZ)

– verpleging en verzorging zonder verblijf (overheveling uit AWBZ)

– tweede en derde jaar intramurale geneeskundige geestelijke gezondheidszorg (overheveling uit AWBZ)

Tabel 2: Overzicht politiek besloten beperkingen basispakket 2007–2015

Jaar

Beperking

2007

geen beperkingen basispakket

2008

geen beperkingen basispakket

2009

– slaapmiddelen

– cholesterolverlagers

– hulpmiddelen

2010

acetylcysteïne

2011

– antidepressiva

– jeugd tandzorg boven 18 jaar

– extracties

– anticonceptie

– fysiotherapie 9 naar 12 behandelingen voor eigen rekening

2012

– fysiotherapie 12 naar 20 behandelingen voor eigen rekening

– fysiotherapie, beperking chronische lijst

– maagzuurremmers, met uitzondering van chronisch gebruik

– stoppen met roken1

– dieetadvisering1

– eerstelijns psychologische zorg, van 8 naar 5 behandelingen2

– aanpassingsstoornissen

2013

– eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen

– redressiehelm

– beperking aantal terug te plaatsen embryo’s bij ivf

– vruchtbaarheidsbehandelingen voor vrouwen van 43 jaar of ouder

– paracetamol/codeïne

2014

geen beperkingen basispakket

2015

– jeugd-ggz, inclusief dyslexiezorg voor kinderen naar Jeugdwet (gefinancierd)

– combinatietest voor zwangere vrouwen vanaf 36 jaar

X Noot
1

Per 1 januari 2013 weer in basispakket opgenomen.

X Noot
2

Per 1 januari 2014 is deze beperking vervallen met de invoering van de generalistische basis ggz.

Tabel 3: Overzicht voorwaardelijk toegelaten behandelingen 2012–2015

Jaar

Voorwaardelijk toegelaten behandelingen

2012

anesthesiologische pijnbestrijdingstechnieken bij patiënten met chronische aspecifieke lage rugpijn

2013

– renale denervatie bij patiënten met therapieresistentie

– behandeling van een herseninfarct met toepassing van intra-arteriële thrombolyse

2014

– het endoscopisch in plaats van chirurgisch behandelen van abcessen bij patiënten met geïnfecteerde pancreasnecrose

– autologe stamceltransplantaties bij therapierefractaire patiënten (patiënten die niet voldoende reageren op medicamenteuze behandeling met o.a. TNF-alfa blokkers) met de ziekte van Crohn

2015

– het geneesmiddel Belimumab (Benlysta) bij een deel van de volwassen patiënten met Systemische Lupus erythematosus (SLE)

– tumor infiltrerende lymfocyten (TIL) bij patiënten met uitgezaaid melanoom in de laatste stadia

– een bepaald type chemotherapie (HIPEC) ter preventie van uitzaaiingen in de buik bij bepaalde patiënten met darmkanker

– borstreconstructie na borstkanker met autologe vet transplantatie

Vraag 177:

Hoe was de verdeling naar inkomensgroep van mensen die de bestuursrechtelijke premie betalen? Hoe was die verdeling in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 177:

Deze informatie is niet beschikbaar. Alleen voor de Verzekerdenmonitor 2014 (TK 33 077, nr. 14) zijn door het Centraal Bureau voor de Statistiek extra kenmerken in beeld gebracht van de wanbetalers die zijn aangemeld tussen 1 september 2009 en 1 oktober 2010 (het zogenoemde «stuwmeer»). Het betreft hier onder andere de bron van inkomen. In de Verzekerdenmonitor 2014 is toegelicht dat van de bovengenoemde groep ruim 41% een uitkering heeft en ruim 43% een inkomen.

Vraag 178:

Wat waren de landelijke uitvoeringskosten van de zorgverzekeraars inzake het treffen van betalingsregelingen in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013, 2014 en 2015? Is hier een trend in te herkennen? Zo ja, kunt deze verklaren?

Antwoord 178:

De uitvoeringskosten voor het treffen van betalingsregelingen worden niet apart in beeld gebracht. Deze kosten zijn onderdeel van het gehele debiteurenbeheer die zorgverzekeraars uitvoeren net als ieder andere organisatie die te maken heeft met debiteuren. Wel is duidelijk dat zorgverzekeraars steeds vaker betalingsregelingen of de mogelijkheid tot gespreide betaling aanbieden aan verzekerden. Vaak gebeurt dit ook als service zonder dat direct sprake is van grote betalingsproblemen.

Vraag 179:

Hoeveel mensen maakten in 2015 gebruik van een collectieve ziektekostenverzekering die in samenwerking met de gemeente aangeboden wordt? Hoeveel mensen waren dat in 2009, 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 179:

Volgens Bureau BS&F, dat ruim driekwart van de Nederlandse gemeenten ondersteunt bij het versterken van het sociaal beleid, waaronder ook de collectieve zorgverzekering, zijn er in 2015 620.000 deelnemers (inclusief kinderen) aan gemeentelijke collectiviteiten.

In onderstaande tabel wordt de ontwikkeling van aantal deelnemers aan gemeentelijke collectiviteiten (inclusief kinderen) vanaf 2009 weergegeven.

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

580.000

600.000

600.000

560.000

550.000

560.000

620.000

Bron: Bureau BS&F

Het lagere aantal deelnemers in de periode 2012–2014 is het effect van de (achteraf tijdelijke) beperking van het mogen verschaffen van een bijdrage in de premie tot 110%. De stijging in 2015 hangt samen met het inzetten van de gedecentraliseerde Wtcg/CER-middelen via de gemeentepolis.

Vraag 180:

Waarop is de afname van onverzekerden van 29.500 in 2015 naar 27.500 in 2016 gebaseerd terwijl dit aantal tot op heden alleen is gestegen?

Antwoord 180:

De SVB is in de loop van 2015 gestart met datamining waardoor de groep niet verzekeringsplichtige buitenlandse studenten uit de bestandsvergelijking wordt gefilterd. Dit verklaart de verwachte afname van het aantal onverzekerden.

Vraag 181:

Voor hoeveel en welke locaties in de intramurale ouderenzorg bestaan wachtlijsten en wat is de omvang van elk van deze wachtlijsten, zowel binnen als buiten de treeknorm?

Antwoord 181:

Zie het antwoord op vraag 182.

Vraag 182:

Voor hoeveel locaties in de intramurale geestelijke gezondheidszorg bestaan wachtlijsten en wat is de omvang van elk van deze wachtlijsten, zowel binnen als buiten de treeknorm?

Antwoord 182:

In de drie bijlagen treft u gedetailleerde informatie aan over de wachtlijst voor de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg en de geestelijke gezondheidszorg17. Het betreft cliënten die «actief wachtend» zijn. Bij de wachttijd wordt onderscheid gemaakt tussen korter en langer dan de Treeknorm.

Bijlage 1:

  • 1. Trend actief wachtend zonder overbruggingszorg, korter dan de Treeknorm.

  • 2. Trend actief wachtend met overbruggingszorg, korter dan de Treeknorm.

Bijlage 2:

  • 1. Trend actief wachtend zonder overbruggingszorg, langer dan de Treeknorm.

  • 2. Trans actief wachtend met overbruggingszorg, langer dan de Treeknorm.

  • 3. Trend wenswachtend zonder overbruggingszorg, langer dan de Treeknorm.

  • 4. Trend wenswachtend wachtend overbruggingszorg, langer dan de Treeknorm.

  • 5. Trend totaal aantal wenswachtenden.

Bijlage 3:

  • 1. Actief wachtend, langer dan de treeknormen en geen overbruggingszorg.

  • 2. Actief wachtend, langer dan de treeknormen met overbruggingszorg.

  • 3. Wachtend op plek van voorkeur, zonder overbruggingszorg.

  • 4. Wachtend op plek van voorkeur, met overbruggingszorg.

Op de site www.istandaarden.nl publiceert het Zorginstituut maandelijks de stand van de wachtlijst. De actief wachtenden worden ook gespecificeerd per instelling op basis van de AGB-code.

Vraag 183:

Hoeveel mensen staan op een wachtlijst voor zorg thuis, wat is de gemiddelde wachttijd en wat zijn de minimum- en maximumwachttijden?

Antwoord 183:

Zie het antwoord op vraag 185.

Vraag 184:

Hoeveel en welke organisaties hebben een cliëntenstop aangekondigd in 2015? Wat waren de redenen die zij daarvoor aan hebben gedragen?

Antwoord 184:

Er zijn aanbieders die aangeven dat ze tegen hun omzetplafond aanlopen en daarom geen nieuwe patiënten meer aannemen. Over de stichting Zorgcentra Rivierenland en de Vierstroom in Zoetermeer zijn eerder berichten verschenen. Inmiddels hebben ook andere organisaties een cliëntenstop aangekondigd. Ik heb op dit moment geen totaaloverzicht van organisaties met een cliëntenstop. Zorgverzekeraars hebben aangegeven over te gaan tot bijcontractering waar dat nodig is. Zij zullen eerst binnen de regio kijken naar mogelijkheden om te herschikken. Indien de zorgplicht in gevaar komt zal gericht worden bijgecontracteerd.

Redenen die organisaties aangeven voor de aangekondigde patiëntenstops zijn het krappe overeen gekomen omzetplafond en de toename van nieuwe cliënten.

Vraag 185:

Hoe zien de wachtlijsten eruit in de Wlz, uitgesplitst naar de afzonderlijke sectoren?

Antwoord 185:

De informatie over de mensen die op een wachtlijst staan voor zorg thuis en zorg in een intramurale instelling treft u aan in bijlage 3. Deze bevat gedetailleerde wachtlijstgegevens, stand 1 augustus en bevat alle sectoren, trend actief wachtend met en zonder overbruggingszorg, trend wenswachtend met en zonder overbruggingszorg, onderverdeling naar prestaties (zzp, functie), duur van de wachttijd, verdeling per concessiehouder. Zie verder het antwoord op vraag 182.

Vraag 186:

Hoe zien de wachtlijsten eruit bij zorginstellingen die gefinancierd worden vanuit de Zorgverzekeringswet, inclusief de ggz?

Antwoord 186:

Zie voor de wachttijden in de medisch-specialistische zorg ook het antwoord op vraag 131.

De NZa rapporteert jaarlijks uitgebreid over de wachttijdontwikkeling in de Marktscan medisch-specialistische zorg en de Marktscan GGZ. De meest recente rapportages dateren van 16 december 2014 (medisch-specialistische zorg, TK 29 248, nr. 280) en van 1 december 2014 (ggz, TK 31 765, nr. 111) en 8 juli 2015 (verdiepende analyse ggz, TK 31 765, nr. 161). Eind van dit jaar zal ik u informeren over de landelijke wachttijdenontwikkeling in de medisch-specialistische zorg via de Marktscan medisch-specialistische zorg en over de ggz via de Marktscan ggz en het rapport van de NZa over de zorgplicht in de ggz.

Vraag 187:

Zijn er wachtlijsten bij jeugdinstellingen? En zo ja, wat is de omvang van deze wachtlijsten?

Antwoord 187:

Wachttijdinformatie maakt niet apart deel uit van de landelijke monitoring van het jeugdhulpgebruik. Maar gemeenten en Rijk kijken natuurlijk samen naar opvallende signalen uit de beleidsinformatie of uit andere bronnen zoals de signalen van patiëntenorganisaties.

Signalen van wachtlijsten zijn medio juni 2015 besproken in bestuurlijk overleg met VNG en branches. Partijen hebben bevestigd dat per geval altijd scherp wordt gekeken of er directe hulp nodig is. Verder hebben de verantwoordelijke wethouders in de VNG-subcommissie van 2 juli 2015 onderling afspraken gemaakt over de manier waarop zij omgaan met wachtlijsten, met name over het volgen van de zogenoemde Treeknormen, factfinding, informatie delen tussen instellingen en tussen gemeenten en de coördinerende rol van de VNG bij bovenregionaal en landelijk aanbod.

Vraag 188:

Hoeveel verzorgingshuizen zijn er in, 2012, 2013, 2014 en 2015 gesloten en hoeveel zijn dat er naar verwachting in 2016?

Antwoord 188:

Er wordt landelijk geen lijst bijgehouden van verzorgingshuizen die sluiten. Wat wel landelijk wordt geregistreerd zijn de indicaties (CIZ) voor de diverse zorgprofielen en de gerealiseerde productie en productieafspraken (NZa). Hierover heb ik u ook eerder bericht (onder andere TK 29 389, nr. 89).

De trend dat cliënten langer thuis blijven wonen is al langer zichtbaar. In 1980 woonden 150.000 ouderen in een verzorgingshuis, in 2010 waren dat er 84.000 terwijl het aantal 80-plussers in dezelfde periode meer dan verdubbeld is. Het aantal verpleeghuisplekken is in dezelfde periode gestegen van ongeveer 46.000 in 1980 tot 74.000 in 2010. Het onderscheid tussen verpleeg- en verzor-gingshuizen vervaagt steeds meer. In verzorgingshuizen worden steeds zwaardere cliënten geholpen. Het aantal cliënten met een licht ZZP (ZZP VV 1 t/m 3) neemt de komende jaren geleidelijk af, terwijl het aantal plekken dat bezet is met mensen met een hoog ZZP de komende jaren kan groeien met een tempo dat gelijke tred houdt met demografische factoren.

In de voortgangsrapportage transitieagenda langer zelfstandig wonen van 1 juli 2015 (TK 2014–2015, 32 847, nr. 182) is de volgende grafiek opgenomen met de verwachte ontwikkeling van de intramurale capaciteit. Deze grafiek toont dat de daling van het aantal mensen dat met een licht ZZP in een instelling verbleef al voor de start van de extramuralisatie tussen 2010 t/m 2012 zichtbaar was.

Grafiek: aantal cliënten verblijvend in een intramurale instelling exclusief revalidatiezorg (cijfers NZa t/m 2014/2015 en extrapolatie)

Grafiek: aantal cliënten verblijvend in een intramurale instelling exclusief revalidatiezorg (cijfers NZa t/m 2014/2015 en extrapolatie)

Vraag 189:

Hoeveel ouderen zijn er de laatste jaren mishandeld en wat zijn, uitgesplitst naar type mishandeling, de meest actuele cijfers?

Antwoord 189:

De meest actuele cijfers gaan over de meldingen ouderenmishandeling die in 2014 bij de steunpunten huiselijk geweld binnen zijn gekomen. Volgens Movisie zijn in 2014 1.541 meldingen en 819 adviesaanvragen geregistreerd door 31 meldpunten.

Er zijn meer vormen van ouderenmishandeling geregistreerd dan het totaal aantal meldingen. Dat betekent dat een slachtoffer te maken heeft met meerdere vormen tegelijk. De meeste slachtoffers (69%) ondergingen een vorm van psychische mishandeling, gevolgd door een vorm van lichamelijke mishandeling (46%). In 37% van de gevallen is financieel misbruik gemeld. Seksueel misbruik wordt nauwelijks gemeld (1%). In 28% van de meldingen is niet doorgegeven om welke vorm van mishandeling het gaat.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft tussen 1 januari en 30 september 2015 26 meldingen ontvangen waarin mogelijk sprake is van ouderenmishandeling. Vier van deze meldingen vallen onder dat begrip. De IGZ doet nader onderzoek in deze vier zaken.

Bij brief van 15 juni 2015 (TK 28 345, nr. 136) bent u geïnformeerd over mijn voornemen om nieuw onderzoek te doen plaatsvinden naar aard, omvang en oorzaken van ouderenmishandeling.

Vraag 190:

Hoeveel ouderen komen jaarlijks bij de huisarts en bij de SEH met opmerkelijk en onverklaarbaar letsel?

Antwoord 190:

Noch huisartsen, noch SEH’s kennen een aparte registratie en/of screening van vermoedens of gevallen van ouderenmishandeling.

In kader van de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling handelen deze professionals overeenkomstig deze code bij signalen van geweld in huiselijke kring.

Ten behoeve van (student) verzorgenden, verpleegkundigen en medici is een op de meldcode gebaseerde e-learningmodule ontwikkeld over signalering en melding van ouderenmishandeling.

Vraag 191:

Hoeveel meldingen van ouderenmishandeling zijn er in 2015 binnengekomen bij de IGZ? Hoeveel onderzoeken is de IGZ naar aanleiding van deze meldingen gestart?

Antwoord 191:

Met haar incidententoezicht ziet de IGZ toe op ouderenmishandeling. Meldingen van (vermoedelijke) ouderenmishandeling worden door de IGZ beoordeeld en behandeld. In de meeste gevallen laat de IGZ, volgens de Leidraad meldingen, onderzoek doen door de zorgaanbieder. Wanneer nodig kan de IGZ zelf onderzoek doen. Hiertoe kan de ernst van de mishandeling een aanleiding zijn, dat geldt ook voor bijvoorbeeld maatschappelijk onrust over een melding of een gebrek aan vertrouwen bij de IGZ in het onderzoek van de zorgaanbieder.

Tussen 1 januari en 30 september 2015 heeft de IGZ 26 meldingen ontvangen waarbij mogelijk sprake is van ouderenmishandeling. Van de 26 meldingen vallen er 4 onder de definitie ouderenmishandeling. Eenmaal was er sprake van een melding van diefstal, eenmaal van een melding van fysiek geweld door zorgmedewerker, eenmaal van een melding over onheuse bejegening en eenmaal van een melding door een zorgaanbieder van ouderenmishandeling door de zorgvertegenwoordiger. Van deze 4 meldingen heeft de inspectie de rapportage bij de zorgaanbieder opgevraagd. Naar 4 overige meldingen wordt momenteel onderzoek verricht.

Vraag 192:

Zijn er het afgelopen jaar mensen opgepakt en berecht naar aanleiding van mishandeling van ouderen, zo ja hoeveel mensen betreft dit?

Antwoord 192:

De politie registreert niet specifiek op aangiften ouderenmishandeling; dit valt onder het bredere begrip huiselijk geweld.

Het OM is dit jaar gestart met het registreren van ouderenmishandeling, naast de registratie van een «regulier» strafbaar feit. Zo kan bijvoorbeeld uit een «vinkje» bij diefstal en ouderenmishandeling worden opgemaakt dat sprake is van financieel misbruik. Cijfers zijn nu nog niet beschikbaar.

Vraag 193:

Hoeveel budget wordt er in 2016 uitgetrokken om ouderenmishandeling te voorkomen? Hoeveel was dit in 2015?

Antwoord 193:

In 2015 en 2016 is vanuit de rijksoverheid een budget van € 2 miljoen per jaar beschikbaar voor (de voortzetting van) het actieplan «Ouderen in veilige handen» (2015–2017).

Vraag 194:

Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot ondervoeding van ouderen?

Antwoord 194:

In mijn brief van 16 juni 2015 (TK 31 765, nr. 145) heb ik u op uw verzoek geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot ondervoeding en de uitvoering van enkele moties en toezeggingen. In deze brief geef ik aan dat het niet eenduidig vast staat hoeveel ondervoede mensen er zijn in instellingen en in de thuissituatie. Variatie in gehanteerde definities, onderzoeks-methoden en de onderzochte groep mensen kunnen tot uiteenlopende schattingen van aantallen leiden. Voor een indicatie ga ik in deze brief uit van de cijfers zoals deze door de stuurgroep ondervoeding op hun website vermeld worden. De schatting is dat in het ziekenhuis 15 tot 25% en in het verpleeghuis 10–15% van de patiënten ondervoed is. In de thuiszorg is dat 15–30%.

Ten aanzien van de uitvoering van het amendement Dik-Faber (Kamerstuk 34 000 XVI, nr. 45) kan ik u melden dat de Stuurgroep Ondervoeding in september is gestart met het project gericht op terugdringing van ondervoeding bij thuiswonende ouderen.

Vraag 195:

Hoeveel ouderen zijn ondervoed en wat zijn de ontwikkelingen in deze cijfers gekeken naar de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 195:

Zie het antwoord op vraag 194.

Vraag 196:

Hoeveel mensen en specifiek ouderen geven in 2015 aan dat ze eenzaam zijn? Wat zijn de ontwikkelingen in deze cijfers gekeken naar de afgelopen vijf jaar?

Antwoord 196:

Recent onderzoek van het CBS laat zien dat 4% (bijna een half miljoen) Nederlanders zich (sterk) eenzaam voelt. Het percentage mensen dat zich soms eenzaam voelt varieert van 53% in de leeftijdsgroep 15–25 tot 66% in de leeftijdgroep 75 jaar en ouder. Bij de 75-plussers is de (sterke) eenzaamheid het hoogst: 5% van de vrouwen en 12% van de mannen geeft aan sterk eenzaamheid te voelen (CBS, 25 september 2015).

Het CBS voert geen periodiek onderzoek uit naar eenzaamheid. Eerdere cijfers over eenzaamheid komen uit 2012 en zijn gebaseerd op onderzoek door de GGD-en. De uitkomsten hiervan waren: 8% van de Nederlanders voelt zich sterk eenzaam, 30% matig eenzaam en 62% niet eenzaam. In de leeftijdsgroep 75–85 voelde 10% zich sterk eenzaam en onder 85-plussers was dat 14%. Dat is een stabiele lijn ten opzichte van eerder onderzoek.

Vergeleken met de cijfers van het CBS lijkt er sprake van een verbetering, hoewel die conclusie slechts voorzichtig getrokken kan worden, omdat de onderzoeken zich vanwege de verschillende opzet moeilijk laten vergelijken. In 2016 verschijnt het nieuwe onderzoek van de GGD-en, zodat dan een betere vergelijking gemaakt kan worden.

Vraag 197:

Hoeveel wordt er besteed aan het bestrijden van eenzaamheid?

Antwoord 197:

Voor het voorkomen en terugdringen van eenzaamheid ontvangt Coalitie Erbij vanuit de rijksoverheid jaarlijks € 150.000 subsidie. In het kader van actieplan «intensiveren en verankeren aanpak eenzaamheid» ontvangt de coalitie voor de periode van 1 september 2014 – 1 september 2016 € 0,8 miljoen vanuit de rijksoverheid extra subsidie. VNG ontving in dat kader vanuit de rijksoverheid voor hun activiteiten en congres over vitaliteit in 2014 en 2015 in totaal € 185.000 subsidie.

Vereniging de Zonnebloem ontvangt een instellingssubsidie van circa € 0,2 miljoen. Ook via de instellingssubsidie aan het Nederlandse Rode Kruis en Stichting Korrelatie is er aandacht voor eenzaamheid.

Bijdragen zijn niet alleen afkomstig van het Rijk. Het actieplan is een impuls met als doel een sterke, goed samenwerkende, lokale infrastructuur van gemeente, vrijwilligersorganisaties, zorgverleners en instellingen. Daarbij wordt voortgebouwd op reeds ingezette acties van gemeenten, professionele zorg- en welzijnsorganisatie, vrijwilligersorganisaties, bedrijven en kennisinstituten. En er wordt aansluiting gezocht bij veranderingen die samenhangen met de decentralisatie van zorg en ondersteuning, zoals echte aandacht, maatwerk, een verbinding met sociale wijkteams, dagbesteding en respijtzorg. Anonieme hulp op afstand, verankerd in de Wmo2015, biedt 24 uur per dag de mogelijkheid om anoniem via telefoon of chat met iemand contact te leggen. In veel gevallen gaat het daarbij om eenzaamheidsproblematiek.

Vraag 198:

Welke effecten heeft eenzaamheid op de fysieke gezondheid? Wat zijn hiervan de kosten?

Antwoord 198:

Naast de negatieve ervaring voor de mensen die zich eenzaam voelen, zijn er ook maatschappelijke gevolgen. Het gaat daarbij om belemmeringen om deel te nemen aan de maatschappij, om welzijnstekort, gedragsproblemen en gezondheidsrisico’s. Naast psychosociale gevolgen (zoals depressie), kan er ook sprake zijn van lichamelijke consequenties, omdat wie zich (sterk) eenzaam voelt geneigd is slechter voor zichzelf te zorgen. Er zijn aanwijzingen dat (sterke) eenzaamheid de kans op bijvoorbeeld het krijgen van hartaandoeningen vergroot.

Het gevolg is dat een beroep wordt gedaan op de huisarts of een andere zorgprofessional voor problemen die direct of indirect samenhangen met eenzaamheid, waar het (eerder) bieden van een interventie op een ander niveau mogelijk en nodig is.

Cijfers van kosten verbonden aan gezondheidsproblemen als gevolg van eenzaamheid zijn niet beschikbaar.

Vraag 199:

Hoeveel cliënt-vertrouwenspersonen zijn er in zorginstellingen aangesteld in 2015?

Antwoord 199:

Op grond van de Wet Bopz bestaat een verplichting voor instellingen tot het hebben van een patiëntvertrouwenspersoon in de ggz. Deze verplichting bestaat nog niet in de psychogeriatrie en de verstandelijke gehandicaptenzorg. Deze verplichting wordt geregeld in het wetsvoorstel Zorg en dwang.

In de ggz zijn momenteel in totaal 57 patiëntvertrouwenspersonen werkzaam. In de psychogeriatrie en verstandelijk gehandicaptenzorg zijn, ondanks het ontbreken van een wettelijke verplichting, naar schatting van de beroepsvereniging circa 130 cliëntvertrouwenspersonen werkzaam.

Vraag 200:

Hoe vaak werd in 2015 gedwongen zorg gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg? En wat voor gedwongen zorg betrof dit?

Antwoord 200:

Tot 4 oktober 2015 werd bijna 8.900 keer gedwongen zorg in het kader van de Wet Bopz gemeld aan de IGZ. Het gaat hierbij om de maatregelen zoals beschreven in de Wet Bopz, zijnde onder andere separatie, afzondering, dwangmedicatie, fixatie, gedwongen vocht en voeding en in een beperkt aantal gevallen inzet van andere middelen zoals opsluiting op de kamer.

Vraag 201:

Hoeveel bewoners hebben (gedwongen) moeten verhuizen door de maatregel om te extramuraliseren? Gaat deze extramuralisering zoals vooraf was voorspeld?

Antwoord 201:

Er is landelijk geen lijst bijgehouden van instellingen die sluiten en daarmee ook niet van cliënten die verhuizen. Uit realisatiecijfers over de ontwikkeling van het aantal lage zzp’s in de V&V-sector blijkt dat de daling in 2014 minder snel gaat dan verwacht. Op basis van een meer gematigd uitstroomtempo in de rest van 2014 en in 2015 wordt verwacht dat het aantal cliënten met een laag zzp’s in 2016 hoger is dan eerder was voorzien. Budgettaire ramingen zijn er op aangepast. De raming is vooral van belang om de benodigde macro-budgetten te berekenen en heeft geen betekenis voor de rechten van de individuele cliënt; een cliënt die met een laag zzp in een instelling verblijft, houdt het recht op verblijf in een instelling.

Vraag 202:

Wat zijn de ontwikkelingen als het gaat om de ontwikkeling van de bezettingsnorm?

Antwoord 202:

In het plan van aanpak voor de kwaliteitsverbetering in de verpleeghuizen, Waardigheid en Trots, is als één van de acties opgenomen dat er een leidraad voor een verantwoorde personeelssamenstelling komt. Onder regie van het Zorginstituut dienen veldpartijen uiterlijk 1 januari 2016 tot deze leidraad te komen. Om te bewaken dat er zowel inhoudelijk als qua voortgang voldoende resultaat wordt geboekt, heeft het Zorginstituut een expertcommissie ingesteld.

Vraag 203:

Hoeveel mensen maken gebruik van de Wmo, uitgesplitst in thuiszorg, dagbesteding, begeleiding, beschermd wonen en hulpmiddelen (en/of een combinatie hiervan)?

Antwoord 203:

Over het jaar 2015 zijn de gevraagde gegevens niet beschikbaar. Gegevens over op grond van de Wmo 2015 verstrekte voorzieningen worden vanaf 2015 verzameld via de gemeentelijke monitor sociaal domein. Een landelijk beeld op basis van deze gegevens zal naar verwachting in het voorjaar van 2016 beschikbaar zijn en u via de Minister van BZK bereiken.

In onderstaande tabel worden beschikbare cijfers vermeld, op basis van vergelijkbare functies in de Wmo (2007) en de AWBZ. Het betreft grotendeels voorlopige/indicatieve cijfers over het jaar 2014, deze aantallen staan dus nog niet vast. De aantallen kunnen niet opgeteld worden om tot het totaal unieke cliënten te komen omdat cliënten meerdere functies kunnen afnemen.

Aantal personen 18+

zorg in natura1

pgb2

Huishoudelijke hulp Wmo

318.000

50.000

Begeleiding individueel

75.000

41.000

Begeleiding groep/dagbesteding

45.000

Beschermd wonen (zzp ggz C)

25.000

6.000

Hulpmiddelen en voorzieningen3

138.000

 
X Noot
1

Bron: www.monitorlangdurigezorg.nl Peildatum november 2014

X Noot
2

Bron: Eigen raming VWS onder andere gebaseerd op macrogegevens van Zorginstituut Nederland uit 2014. Verdeling met microbestand zorgverzekeraar.

X Noot
3

Bron: SCP: Rapportage Wmo- en AWBZ-voorzieningen 2009–2012, cijfer 2012

Vraag 204:

Hoeveel bezwaren zijn ingediend tegen besluiten van de gemeenten als het gaat om de Wmo?

Antwoord 204:

Ik beschik niet over een landelijk overzicht van de tegen, op grond van de Wmo 2015, door gemeenten genomen besluiten ingediende bezwaren.

Vraag 205:

Hoeveel rechtszaken zijn gehouden tegen besluiten van de gemeenten als het gaat om de Wmo?

Antwoord 205:

Er wordt door mij geen overzicht bijgehouden hoeveel rechtszaken zijn aangespannen tegen besluiten genomen door gemeenten op basis van de Wmo. De Raad voor de Rechtspraak heeft dit jaar wel berichten uitgebracht over het aantal rechtszaken. Op basis van een analyse die zij hebben gedaan, zijn er in de eerste acht maanden van dit jaar 1.438 rechtszaken met betrekking tot de Wmo aanhangig gemaakt. De inventarisatie ziet op Wmo-zaken, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen beroep tegen besluiten op grond van de oude en de nieuwe Wmo 2015.

Vraag 206:

Hoeveel mensen hebben het afgelopen jaar afgezien van zorg vanuit de Wmo, omdat ze dit niet meer kunnen betalen?

Antwoord 206:

Er is geen overzicht beschikbaar van het aantal mensen dat heeft afgezien van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 vanwege financiële motieven.

Zoals reeds in de tweede voortgangsrapportage HLZ is gemeld, is er een onderzoek gestart waarbij middels een steekproef onder 10 gemeenten kwalitatief in beeld zal worden gebracht hoe gemeenten invulling geven aan de mogelijkheid tot het vragen van eigen bijdragen bij algemene voorzieningen, en vooral ook hoe ze invulling geven aan de verantwoordelijkheid om conform artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de cliënt, waaronder de financiële situatie. Over de uitkomsten van het onderzoek wordt uw Kamer in de eerstvolgende voortgangsrapportage HLZ geïnformeerd.

Vraag 207:

Kunt u een overzicht sturen hoeveel gemeenten externe adviesbureaus hebben ingeschakeld met betrekking tot de decentralisatie en welke kosten zijn hiermee gemoeid?

Antwoord 207:

Nee, het gevraagde overzicht is niet beschikbaar.

Vraag 208:

Hoeveel Wmo-regio's zijn er?

Antwoord 208:

Uit een inventarisatie door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) in mei 2013 bleek dat er door gemeenten voor de Wmo op regionaal niveau 43 samenwerkingsverbanden zijn gevormd die grotendeels overeenkomen met de jeugdzorgregio’s.

Vraag 209:

Hoeveel Wmo overlegtafels zijn er georganiseerd, hoe vaak vinden deze plaats en wie zitten aan deze overlegtafels?

Antwoord 209:

Ik ga ervan uit dat uw Kamer met deze vraag doelt op de zogenaamde HLZ transitietafels. Met de HLZ transitietafel wordt bedoeld: een structureel regionaal overleg tussen belanghebbende partners.

De HLZ transitietafels zijn een uitvloeisel van het «Ondersteuningsprogramma regionale samenwerking HLZ», dat in de periode maart 2014 t/m juni 2015 in opdracht van het Ministerie van VWS, de VNG en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) actief was. Alle Wmo-regio’s hebben van VWS, VNG en ZN het aanbod gekregen om een vergoeding voor de ondersteuning bij de regionale samenwerking HLZ aan te vragen. De ondersteuning bestond uit een zogenaamde HLZ-regiosecretaris die de regie voerde op enerzijds het regionale overleg tussen gemeenten en zorgverzekeraars over de inkoop van de niet toewijsbare wijkverpleegkundige zorg en anderzijds het regionale transitieoverleg tussen gemeenten, zorgverzekeraars en andere betrokken partijen over de landelijke werkafspraken HLZ.

Uit de eindrapportage Regionale samenwerking Hervorming Langdurige Zorg door AEF (TK 34 104, nr. 70), die de afronding vormt van het Ondersteuningsprogramma regionale samenwerking HLZ, blijkt dat in juni 2015 in circa drie kwart van de regio’s door gemeenten onderling samen werd gewerkt op het gebied van de landelijke werkafspraken HLZ, in ongeveer een kwart was dit gedeeltelijk het geval. In deze laatstgenoemde groep is een overlegstructuur ontworpen en bestuurlijk afgestemd, maar bestond deze ten tijde van het onderzoek slechts op papier en was hieraan nog nauwelijks praktische invulling gegeven. In circa twee derde van de regio’s werken gemeenten en zorgverzekeraars samen rond de landelijke werkafspraken HLZ. In iets meer dan de helft van de regio’s zijn ook zorgaanbieders hierbij betrokken en in bijna de helft van de regio’s geldt dit ook voor cliënten(organisaties). De frequentie waarmee de transitietafels samen komen verschilt van regio tot regio.

Vraag 210:

Wie zitten er aan de Wmo overlegtafels? Kunt u deelnemers weergeven?

Antwoord 210:

Uit de eindrapportage Regionale samenwerking Hervorming Langdurige Zorg door AEF (TK 34 104, nr. 70), blijkt dat gemeenten en zorgverzekeraars in circa twee derde van de regio’s samenwerken aan de realisatie van de landelijke werkafspraken HLZ. In iets meer dan de helft van de regio’s zijn ook zorgaanbieders hierbij betrokken en in bijna de helft van de regio’s geldt dit ook voor cliënten(organisaties).

Vraag 211:

Welke partijen van de overlegtafels zijn gesubsidieerd door VWS?

Antwoord 211:

Het ondersteuningsprogramma regionale samenwerking HLZ heeft in de periode maart 2014 tot juli 2015 aan de HLZ-regio’s een financiële vergoeding ter beschikking gesteld om een medewerker vrij te maken als HLZ-regiosecretaris (40% van de regio’s), of deze extern in te huren (60% van de regio’s). Veelal is deze vergoeding uitgekeerd aan de grootste (centrum-) gemeente. Voorwaarde voor de aanstelling van een HLZ-regiosecretaris was dat deze de instemming van zowel de gemeenten als de preferente zorgverzekeraar in een regio had. Afgezien van de regiosecretarissen is geen van de betrokken partijen gesubsidieerd voor hun deelname aan de HLZ transitietafels.

Vraag 212:

In welke gemeenten worden maximale inkomensgrenzen voor de Wmo gehanteerd?

Antwoord 212:

Dergelijke gevallen zijn niet bekend. Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het uitgangspunt in de Wmo 2015 is, dat maatschappelijke ondersteuning beschikbaar moet zijn voor mensen die daarop zijn aangewezen, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of het vermogen. Financieel draagkrachtige cliënten moeten ook een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, indien zij niet in staat zijn dit zelf (of door middel van hun netwerk) te organiseren. Een aanvraag mag dan ook niet worden afgewezen, dan wel worden ingeperkt op grond van de hoogte van het inkomen en/of vermogen.

Vraag 213:

Zijn er Wmo-verordeningen aangepast of vernietigd?

Antwoord 213:

Het komt voor dat gemeenten hun verordening of beleidsplan aanpassen als gevolg van eigen, nieuwe beleidskeuzes of als gevolg van een rechterlijke uitspraak. Dit is primair een gemeentelijke aangelegenheid. Op landelijk niveau wordt hiervan geen overzicht bijgehouden. Daar waar mij signalen bereiken van een verordening of beleidsregel die zich mogelijk niet verhoudt met het wettelijk kader zal in contact met de gemeente een analyse van die informatie plaatsvinden. Daar waar de gemeente de verordeningen of beleidsregels zouden moeten aanpassen in overeenstemming met het wettelijk kader en dat nalaten, staan mij bevoegdheden tot interventie ter beschikking die ik zo nodig ook zal inzetten. Van een verzoek tot of voornemen van vernietiging van een Wmo-verordening is tot op heden geen sprake geweest.

Vraag 214:

Hoeveel gemeenten zijn door u op de vingers getikt, omdat zij Wmo-beleid uitvoerden die in strijd met de wetgeving is over 2015?

Antwoord 214:

Op basis van signalen die mij op diverse manieren bereiken over een gemeentelijke uitvoering die zich mogelijk niet verhoudt met de Wmo 2015, wordt in de eerste plaats contact opgenomen met gemeenten voor het verkrijgen van de relevante informatie. In deze fase wordt bekeken of daadwerkelijk sprake is van een met de wet strijdige beleidsuitvoering.

Het behoort tot de vaste werkwijze om geconstateerde strijdigheden in de uitvoering en of beleid met de Wmo 2015 eerst en zoveel als mogelijk op te lossen op ambtelijk niveau. Als dat niet lukt, wordt met de wethouder en het college contact opgenomen om zekerheid te verkrijgen dat de gemeente het beleid gaat aanpassen en of de uitvoering op orde gaat brengen. Mocht een college om redenen daartoe niet bereid zijn, dan volgt een brief van mij, of namens mij, aan het college met een afschrift aan de gemeenteraad.

Op basis van de ervaringen tot nu toe worden signalen in de regel direct opgepakt door colleges. Concreet is in drie gevallen een brief aan de verantwoordelijke colleges in afschrift aan de gemeenteraden toegestuurd.

Vraag 215:

In hoeveel en welke gemeenten worden alfahulpen ingezet?

Antwoord 215:

Er is geen landelijke registratie van gemeenten die gebruik maken van de regeling dienstverlening aan huis.

Vraag 216:

Hoeveel en welke gemeenten hanteren alfacheques?

Antwoord 216:

Er bestaat geen landelijk overzicht van gemeenten die gebruik maken van alfacheques.

Vraag 217:

Wat kost de Wmo jaarlijks uitgesplitst in huishoudelijke verzorging, beschermd wonen, begeleiding, dagbesteding, vervoer en hulpmiddelen?

Antwoord 217:

De middelen die in het kader van de Wmo 2015 aan gemeenten beschikbaar worden gesteld, zijn niet geoormerkt. De middelen behorend tot de Wmo 2015 worden ook niet vanuit het Rijk uitgesplitst naar type ondersteuning verstrekt en niet door gemeenten zelf als uitgaven uniform geadministreerd naar type ondersteuning. Wat wel kan gemeld is dat macro voor de uitvoering van de Wmo 2015 dit jaar € 3.525,1 miljoen beschikbaar is gesteld als onderdeel binnen de integratie-uitkering sociaal domein, € 1.258,7 miljoen via de integratie-uitkering Wmo/huishoudelijke verzorging, € 385,1 miljoen via de decentralisatie-uitkering maatschappelijke opvang, € 116,6 miljoen via de decentralisatie-uitkering vrouwenopvang en € 128,6 miljoen middels de decentralisatie-uitkering Huishoudelijke Hulp Toelage.

Vraag 218:

Hoeveel mensen zijn er geherindiceerd in het afgelopen jaar, en hoeveel mensen hebben minder uren/meer uren/dezelfde uren gekregen, zowel voor Wlz- als Wmo-zorg?

Antwoord 218:

Het CIZ heeft in de eerste 6 maanden van het jaar 2015 ongeveer 47.000 positieve Wlz- besluiten afgegeven. Het aantal Wlz-herindicaties bedroeg 41.000 en de resterende 6.000 betrof eerste aanvragen. Het gaat hierbij om het totaal van zowel reguliere Wlz-besluiten als besluiten voor de subsidieregelingen waarvoor het CIZ taken uitvoert. Het CIZ indiceert de Wlz-zorg in termen van zorgprofielen. Deze zorgprofielen kennen geen aanduidingen meer van het aantal uren. Er is dan ook niet aan te geven of de cliënten aanspraak hebben gekregen op meer of minder uren zorg.

Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal herbeoordelingen (en de uitkomst daarvan) bij de gemeenten in het kader van de Wmo 2015. Vanaf juli 2014 zijn alleen nog maar kortdurende indicaties afgegeven door het CIZ, waardoor vanaf januari 2015 of later in dit jaar al AWBZ-cliënten herbeoordeeld zijn. Daarnaast voeren gemeenten in 2015 herbeoordelingen uit voor Wmo-cliënten die reeds in 2014 een beroep deden op een Wmo-voorziening met een doorloop naar latere jaren. Het is aan gemeenten om in beide situaties rekening te houden met overgangsrecht.

Vraag 219:

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden zijn in 2014 en 2015 gekort in hun loon?

Antwoord 219:

Ik beschik niet over gegevens hoeveel huishoudelijk verzorgenden in 2014 en 2015 gekort zijn op hun loon.

Vraag 220:

Hoe ziet de verdeelsleutel eruit voor de uitkering in het gemeentefonds van gemeenten voor de Wmo, beschermd woonvormen en de jeugdzorg?

Antwoord 220:

Voor de nieuwe Wmo-taken (als gevolg van de decentralisatie per 1-1-2015) geldt in 2015 een verdeling op grond van historische uitgaven. Vanaf 2016 zal de verdeling van het budget (met een ingroeipad) plaatsvinden door middel van een objectief verdeelmodel. Een objectief verdeelmodel is kosten georiënteerd, wat wil zeggen dat het model aansluit bij verschillen in kosten die gemeenten moeten maken om aan maatschappelijke opgaven te voldoen. Het budget wordt verdeeld op basis van de verwachte ondersteuningsbehoefte in een gemeente zoals deze kan worden voorspeld op basis van objectieve maatstaven. Het onderzoeksrapport over het model hebt u ontvangen op 18 november 2014 (bijlage bij schriftelijke vragen 2014Z19647).

De middelen voor beschermd wonen worden op dit moment historisch verdeeld onder 43 centrumgemeenten. Een (nieuw) objectief verdeelmodel moet nog worden ontwikkeld en zal niet eerder dan vanaf 2017 worden ingevoerd.

Ook de middelen voor jeugdhulp (afkomstig uit de Zorgverzekeringswet, Wet op de Jeugdzorg en de AWBZ) zijn per 1 januari 2015 overgeheveld naar het Gemeentefonds. In 2015 betreft dit een bedrag van zo’n € 3,8 miljard.

In 2015 zijn deze middelen nog op basis van historisch zorggebruik (basisjaar 2012) over gemeenten verdeeld. Vanaf 2016 zal de verdeling van het budget op basis van een objectief verdeelmodel plaatsvinden. Hierbij wordt hetzelfde ingroeipad gehanteerd als bij de Wmo 2015.

Het onderzoeksrapport over het objectief verdeelmodel Jeugd hebt u ontvangen op 28 april 2015 (TK 31 839, nr. 185).

Een deel van het jeugdhulpbudget, te weten dat voor kinderen met een voogdijmaatregel en 18plussers, wordt buiten het objectieve verdeelmodel om over gemeenten verdeeld. Reden is dat deze kosten niet op basis van structuurkenmerken van gemeenten te voorspellen zijn.

Deze middelen worden op basis van historisch zorggebruik over gemeenten verdeeld.

Vraag 221:

Hoeveel zorgwoningen zijn er in Nederland?

Antwoord 221:

Er geldt geen eenduidige definitie van het begrip «zorgwoning» waarop wordt geregistreerd. Dit komt mede door een veelvormigheid van woningen met zorg. Wel is een overzicht beschikbaar uit de Monitor Investeren voor de Toekomst (2012).

Woningvoorraad naar geschiktheid woonvorm voor ouderen, indeling monitor MIT, 2012

Woonvorm

Abs.1

Verzorgd wonen

133.500

Wonen met diensten

174.400

Overige ouderenwoningen

205.400

Overige ingrijpend aangepaste woningen

123.700

Overige nultredenwoningen

1.318.200

X Noot
1

Betreft zelfstandige woningen en zelfstandige wooneenheden.

Daarbij wordt de voorraad geschikte woningen op basis van het WoON als volgt ingedeeld:

  • Verzorgd wonen: de situatie waarbij een huishouden in de leeftijd van 55 jaar of ouder in een ouderenwoning woont en zo nodig gebruik kan maken van verpleging en/of verzorging vanuit een nabijgelegen zorgsteunpunt.

  • Wonen met diensten: de woning is een ouderenwoning met extra diensten zoals maaltijdverzorging, receptie, gemeenschappelijke recreatieruimte, etc.

  • Overige ouderenwoning: de woning is een ouderenwoning, niet vallend onder verzorgd wonen of wonen met diensten en waarvan de respondent aangeeft dat de woning speciaal bestemd is voor ouderen.

  • Ingrijpend aangepaste woning: de woning is ingrijpend aangepast omdat er vanwege een handicap of lichamelijke beperking speciale voorzieningen zijn aangebracht in de woning of de woning daarvoor bouwkundig is aangepast. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld een traplift of een hellingbaan naar de voordeur.

  • Overige nultredenwoning: de woning is een nultredenwoning. Een woning is een nultredenwoning als wordt voldaan aan twee voorwaarden, te weten: de woonkamer van de woning of woonruimte is vanaf de straat te bereiken zonder traplopen (externe toegankelijkheid) en vanuit de woonkamer zijn zonder traplopen de keuken, het toilet, de badkamer en ten minste 1 slaapkamer te bereiken (interne toegankelijkheid).

Vraag 222:

Hoe groot is het tekort aan zorgwoningen?

Antwoord 222:

Zoals bij vraag 221 is aangegeven is er geen eenduidige definitie van het begrip zorgwoning. Wel is een overzicht uit de Monitor Investeren voor de Toekomst (2012) beschikbaar. Uitgaande van de algemene definitie van voor ouderen geschikte woningen zoals gehanteerd in de MIT, bedroeg het tekort in 2012 landelijk gezien circa 84.000 geschikte woningen. Zie vraag 221 voor de verschillende woonvormen die hierbij zijn meegenomen. In 2016 ontvangt uw Kamer een nieuwe Monitor.

Vraag 223:

Hoeveel mensen zijn langer thuis blijven wonen sinds de decentralisaties?

Antwoord 223:

Zie het antwoord op vraag 188.

Vraag 224:

Hoeveel en welke gemeenten hebben een huishoudelijke hulp toelage aangevraagd?

Antwoord 224:

Na de gemeentelijke herindelingen per 1 januari 2015, blijkt dat door 393 gemeenten in totaal 390 aanvragen zijn ingediend. Voor het antwoord op de vraag welke gemeenten een huishoudelijke hulptoelage hebben aangevraagd, verwijs ik u voor het jaar 2015 naar de Meicirculaire gemeentefonds 2015, in het bijzonder naar bijlage 4.2.3 (2015–0000299186).

Voor het jaar 2016 treft u het antwoord aan in de Septembercirculaire gemeentefonds 2016, bijlage 4.2.3 (2015–0000532756), met dien verstande dat over circa 10 plannen voor 2016 nog besluitvorming moet plaatsvinden. Gemeenten hebben tot en met 31 augustus 2015 de gelegenheid gehad een aanvraag voor 2016 in te dienen. De verdeling van het resterende budget voor het jaar 2016 zal in de decembercirculaire 2015 bekend worden gemaakt.

Voor 2015 is ten behoeve van de huishoudelijke hulp toelage circa € 129 miljoen toegekend. Voor 2016 zal naar verwachting circa € 141 miljoen aan gemeenten worden verstrekt door een toevoeging aan het gemeentefonds.

Vraag 225:

Kunt u een financieel overzicht sturen van de huishoudelijke hulp toelage?

Antwoord 225:

Zie het antwoord op vraag 224.

Vraag 226:

Hoeveel en/of welke gemeenten verstrekken een tegemoetkoming aan mensen met hoge zorgkosten en hoeveel of welke gemeente verstrekken dit niet? Kunt u hiervan een overzicht sturen?

Antwoord 226:

Er is geen totaaloverzicht beschikbaar van het aantal gemeenten dat een tegemoetkoming verstrekt aan mensen met hoge zorgkosten.

Zoals reeds in de tweede voortgangsrapportage HLZ is gemeld, is een onderzoek gestart waarbij middels een steekproef onder 10 gemeenten kwalitatief in beeld zal worden gebracht hoe gemeenten invulling geven aan de mogelijkheid tot het vragen van eigen bijdragen bij algemene voorzieningen, en vooral ook hoe ze invulling geven aan de verantwoordelijkheid om conform artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de cliënt, waaronder de financiële situatie. In dit onderzoek wordt ook aandacht besteed aan compenserende maatregelen die gemeenten treffen. Over de uitkomsten van het onderzoek wordt uw Kamer in de volgende voortgangsrapportage HLZ geïnformeerd. Deze voortgangsrapportage zal u voor de begrotingsbehandeling bereiken.

Vraag 227:

Hoeveel dagbestedinglocaties zijn gesloten sinds het aantreden van het Kabinet Rutte II?

Antwoord 227:

Ik heb geen inzicht in het aantal dagbestedinglocaties dat is gesloten dan wel is geopend sinds het aantreden van het Kabinet Rutte II.

Vraag 228:

Hoeveel bedden zijn er in 2015 in totaal in de GGZ, uitgesplitst naar intensief beschermd wonen (IBW)-bedden, klinische bedden, crisisbedden, bedden in de verslavingszorg, bedden in de vrouwenopvang en bedden in de kinder- en jeugd-GGZ?

Antwoord 228:

Over 2015 zijn nog geen cijfers beschikbaar. De meest recente cijfers betreffen de gegevens over 2013, afkomstig uit het rapport Landelijke Monitor Intramurale GGZ (LMIG) van het Trimbos-instituut. Aan deze meting namen 66 ggz-instellingen deel die tezamen 78% van de intramurale ggz-capaciteit verzorgden.

Hieruit blijkt dat het aantal plaatsen in geïntegreerde GGZ-instellingen voor de Zorgverzekeringswet 7.048 bedroeg, het aantal bedden AWBZ voorgezet verblijf 6.941, het aantal plaatsen beschermd wonen 4.336 en de categorie «overige AWBZ» 329 plaatsen betrof. Er is binnen deze gegevens geen specificatie aangebracht naar crisisbedden. Het aantal bedden in de verslavingszorg bedroeg 2.146 voor de Zorgverzekeringswet en AWBZ.

Het aantal specifieke bedden voor de kinder- en jeugdpsychiatrie betreft totaal 558 plaatsen (zowel Zorgverzekeringswet als AWBZ). Het aantal bedden/plaatsen in de vrouwenopvang is onbekend. Navraag bij de Federatie Opvang leert dat er ongeveer 200 opvanglocaties zijn (2013).

Vraag 229:

Hoe groot is de toename van verwarde personen in de samenleving sinds het aantreden van het Kabinet Rutte I? Welke kosten brengt dit met zich mee, uitgesplitst naar de verschillende terreinen (waaronder ook justitie)?

Antwoord 229:

Er zijn geen precieze cijfers over de groei van het aantal verwarde personen in de samenleving. Het begrip verwarde personen is een containerbegrip. Het zijn mensen met vaak verschillende aandoeningen/beperkingen (psychiatrie, licht verstandelijke beperkingen, dementie, verslaving), vaak in combinatie met verschillende levensproblemen (schulden, dakloosheid, verlies van dierbaren, gebrek aan participatie, onverzekerd zijn en illegaliteit). De enige beschikbare cijfers zijn de meldingen uit het registratiesysteem van de politie. Deze laten de laatste jaren een stijging zien van het aantal meldingen gerelateerd aan verwarde personen van 14% in 2014 ten opzichte van 2013 en 9% stijging in 2015 ten opzichte van 2014. De cijfers geven echter geen informatie over de aard (schulden, verslaving, ggz problematiek etc) van de achterliggende problematiek, noch over het traject dat volgt op de melding (variërend van een goed gesprek tot gedwongen opname). Ze geven dus ook geen inzicht in de eventuele kosten die hiermee zijn verbonden. Het is onder meer de opdracht van het aanjaagteam verwarde personen om dit voor het eerst inzichtelijk te maken.

Vraag 230:

Kan de regering een overzicht per jaar geven van de kostenontwikkeling van verpleeg- en verzorgingshuizen en de thuiszorg van 2000 tot 2005 en van 2006 tot en met 2015 en kunt u deze cijfers voorzien van uw duiding?

Antwoord 230:

Via de «Zorgrekeningen» heeft het CBS over de periode 2000–2013 een cijferreeks gepubliceerd over de ouderenzorg in zijn totaliteit. De uitgaven aan ouderenzorg in lopende prijzen zijn volgens deze definitie sinds 2000 meer dan verdubbeld van € 8,7 miljard naar € 18,2 miljard in 2013 (voorlopig cijfer). Zie bijgaande tabel met de kostenontwikkeling per jaar.

x € miljard

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

Verstrekkers van ouderenzorg

8,7

9,9

11,3

12,3

12,5

12,9

13,6

14,0

14,8

15,2

15,8

16,5

17,8

18,2

Voor een deel komt deze stijging voort uit loon- en prijsontwikkelingen. In procenten van het BBP zijn de uitgaven aan ouderenzorg in de genoemde periode gestegen van circa 2,3% naar 3,0%, waarbij geldt dat een deel van deze uitgavengroei kan worden toegeschreven aan de vergrijzing.

In de Zorgrekeningen worden andere definities en terreinafbakeningen gebruikt dan in de beleidsstukken (begroting, jaarverslagen, BKZ) van VWS. Zo zijn in de uitgaven aan ouderenzorg in de Zorgrekeningen ook de pgb-gelden opgenomen. Dit geldt ook voor de uitgaven aan zelfstandig werkzame verpleegkundigen en de uitgaven aan andere zorgactiviteiten dan de ouderenzorg die via deze instellingen lopen (ggz, gehandicaptenzorg). Ten slotte maakte ook de kraamzorg nog steeds deel uit van deze kostenreeks, aangezien de kraamzorg ooit onderdeel was van de thuiszorg. De cijfers van de Zorgrekeningen zijn hierdoor niet vergelijkbaar met de cijfers over de ouderenzorg in de VWS-begroting.

De VWS-begroting 2016 presenteert de uitgaven aan de intramurale ouderenzorg ten laste van de contracteerruimte in de periode 2011–201518. Deze zijn opgenomen op regel 1 van onderstaande tabel. Omdat er in deze periode sprake is van wijzigingen in de financiering van de kapitaallasten en verschuivingen van doelgroepen vanuit de AWBZ/Wlz naar andere domeinen zijn de cijfers op regel 1 niet goed vergelijkbaar in de tijd. Via de regels 2, 3 en 4 zijn daarom correcties aangebracht.

  • Tot en met 2011 werden de kapitaallasten volledig op basis van nacalculatie vergoed. Met ingang van 2012 worden de kapitaallasten geleidelijk gefinancierd via de normatieve huisvestingscomponent (NHC). Vanaf 2015 geldt dit ook voor de normatieve inventariscomponent (NIC). De NHC en NIC worden gefinancierd via de contracteerruimte (en lopen dus vanaf 2013 mee in de uitgaven op regel 1). Door de nacalculeerbare kapitaallasten op te nemen op regel 2 van de tabel worden de uitgaven aan ouderenzorg gecorrigeerd voor deze wijziging in de financieringssystematiek. Ze zijn daardoor beter vergelijkbaar over de periode 2011–2015.

  • Per 2013 is de geriatrische revalidatiezorg overgeheveld vanuit de AWBZ naar de Zvw (€ 0,7 miljard). Daarmee is de doelgroep voor de AWBZ/Wlz vanaf 2013 dus kleiner geworden. Regel 3 corrigeert de uitgaven in 2011 en 2012 hiervoor, zodat over de gehele periode 2011–2015 een uitgavenbeeld ontstaat voor een vergelijkbare doelgroep.

  • Sinds 2013 respectievelijk 2014 krijgen nieuwe cliënten geen indicatie meer voor een zorgzwaartepakket V&V1 en V&V2 respectievelijk V&V3. De extramurale zorg voor deze cliënten komt ten laste van gemeenten en verzekeraars die daarvoor zijn gecompenseerd. Het aantal cliënten ten laste van de AWBZ/Wlz is hierdoor sinds 2013 afgenomen. In 2015 liggen de uitgaven door de verschuiving van de doelgroep € 0,7 miljard lager dan bij ongewijzigd beleid. Op regel 4 worden de uitgaven over de periode 2011–2014 gecorrigeerd, zodat over de gehele periode 2011–2015 een uitgavenbeeld ontstaat voor een vergelijkbare doelgroep.

De tabel laat zien dat de uitgaven aan intramurale ouderenzorg, na de genoemde correcties, toegenomen van € 7,8 miljard in 2011 tot € 9,7 miljard in 2015. Van de stijging van € 1,9 miljard over deze periode heeft circa € 0,8 miljard betrekking op loon- en prijsontwikkelingen en betreft € 1,1 miljard reële uitgavengroei van de ouderenzorg. De uitgavenstijging in 2012 is relatief groot vanwege de toevoeging van de intensiveringsmiddelen aan zzp-tarieven voor ouderenzorg (€ 0,4 miljard).

Tabel: Uitgaven intramurale ouderenzorg 2011–2015, gecorrigeerd voor verschuiving doelgroepen

Bedragen in miljarden euro

2011

2012

2013

2014

2015

1. Intramurale ouderenzorg contracteerruimte

7,7

8,7

8,4

8,7

8,9

2. Correctie kapitaallasten (nacalculatie)

1,5

1,5

1,3

1,2

0,8

3. Correctie overheveling GRZ

– 0,7

– 0,7

     

4. Correctie Langer thuis

– 0,7

– 0,7

– 0,6

– 0,4

0,0

Intramurale ouderenzorg 2011–2015 gecorrigeerd

7,8

8,8

9,1

9,5

9,7

Vraag 231:

De transitie naar een betere aansluiting van het huidige aanbod en de vraag om langer zelfstandig te wonen met nieuwe zorgarrangementen, zal meerdere jaren beslaan. Wat zijn hiervan de consequenties voor ouderen die nu nergens terecht kunnen, doordat deze regering de afgelopen 3 jaar 60.500 verzorgingshuisplekken heeft vernietigd? Had deze transitie niet omgekeerd gemoeten?

Antwoord 231:

De mensen die niet naar verzorgingshuizen gaan, blijven over het algemeen langer in hun eigen huis wonen en langer gebruik maken van extramurale zorg. In sommige gevallen is een (extra) woningaanpassing nodig en in sommige gevallen extra zorg. Met betrekking tot woningaanpassingen waarborgt de Wmo2015 dat ingeval iemand een aanvraag voor een woningaanpassing doet om zijn zelfredzaamheid te bevorderen, de gemeente zorgvuldig onderzoek moet doen naar deze behoefte. Indien uit het onderzoek blijkt dat de woningaanpassing bijdraagt aan de zelfredzaamheid van betrokkene en deze niet door hemzelf of met behulp van anderen georganiseerd kan worden, is de gemeente gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken.

Het aantal verzorgingshuisplaatsen is tussen 1980 en 2010 afgenomen van 150.000 plaatsen naar 84.000 plaatsen, terwijl het aantal 80-plussers in dezelfde tijd meer dan verdubbeld is. Het aantal verpleeghuisplekken is in dezelfde periode echter gestegen van ongeveer 46.000 in 1980 tot 74.000 in 2010.

Vraag 232:

Wat zijn de opbrengsten indien het CIZ wordt afgeschaft en de indicatiestelling wordt teruggegeven aan professionele zorgverleners? Is de regering bereid deze besparingsmogelijkheid in de zorg te onderzoeken?

Antwoord 232:

Wanneer het CIZ wordt afgeschaft zal de toegang tot zorg ten laste van de Wet langdurige zorg op een andere wijze dan door middel van een centrale indicatiestelling moeten worden vormgegeven. Het saldo van opbrengsten en kosten dat verbonden is aan een overheveling van de Wlz-indicatiestelling naar professionele zorgverleners is vooraf niet te bepalen. De opbrengsten worden gevormd door een vrijval van de exploitatielasten van het ZBO CIZ. In de VWS-begroting 2016 zijn deze exploitatielasten opgenomen bij Beleidsartikel 3 Langdurige zorg en ondersteuning in de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» (€ 68,7 miljoen in 2016). Uitgaande van ongewijzigde toegangscriteria voor de Wlz, die uniform dienen te worden toegepast, zullen de kosten van indicatiestelling door professionele zorgverleners naar alle waarschijnlijkheid niet lager zijn. Overigens hecht het kabinet aan een centrale indicatiestelling zodat het recht op zorg gefinancierd op basis van de Wlz eenduidig, onafhankelijk en integraal kan worden vastgesteld.

Vraag 233:

Uit de beleidswijzigingen in de begroting blijkt de informele zorg in 2016 verder wordt versterkt. Welke concrete (budgettaire) wijzigingsmaatregelen daartoe bevatten de VWS-begroting en het BKZ 2016, hoe worden de desbetreffende middelen ingezet en welke afrekenbare doelen worden hiermee nagestreefd?

Antwoord 233:

Zie het antwoord op vraag 243.

Vraag 234:

Voor zowel het verbeteren van de kwaliteit van verzorgingshuizen als de gehandicaptensector geldt een plan van aanpak waarin de relatie tussen de cliënt, zijn naaste en de professional centraal staat. Over welke verzorgingshuizen gaat het hier? Hoeveel staan er nog overeind?

Antwoord 234:

Op pagina 54 van de begroting wordt abusievelijk gesproken over een plan voor «het verbeteren van de kwaliteit van verzorgingshuizen». Bedoeld is de aanpak van de kwaliteit in verpleeghuizen door middel van het programma «Waardigheid en trots». Overigens vervaagt het onderscheid tussen verpleeg- en verzorgingshuizen steeds meer. Ook in de (voormalige) verzorgingshuizen verblijven steeds meer zwaardere cliënten. Daar waar verzorgingshuizen zich omvormen tot verpleeghuizen moet ook rekening worden gehouden met kwaliteitsaspecten, hetgeen onderdeel uit maakt van het kwaliteitsprogramma Waardigheid en trots. Er zijn ongeveer 130.000 bezette intramurale plaatsen in de sector verpleging en verzorging. Het verzorgingshuis is daarmee niet verdwenen, maar er verblijven wel steeds meer zwaardere cliënten.

Vraag 235:

De Minister spreekt over een toekomstgerichte werkagenda voor huishoudelijke hulp, en een code voor verantwoord marktgedrag. Welk budget stelt zij hiervoor ter beschikking?

Antwoord 235:

De werkagenda voor huishoudelijke hulp en de code voor verantwoordelijk marktgedrag zijn ondergebracht bij het Interventieteam Hervormingen Langdurige Zorg en de Transitiecommissie Sociaal Domein. In de begroting van 2016 is hiervoor € 1 miljoen gereserveerd. Dit bedrag is ondergebracht bij de post opdrachten van artikel 4.2 (Opleidingen, beroepenstructuur en arbeidsmarkt).

Vraag 236:

Hoeveel mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord 236:

Uit de in 2013 door het SCP opgeleverde literatuurstudie «Informele zorg in Nederland» die bij brief van 20 juli 2013 aan de Tweede Kamer is gestuurd, volgt dat in 2008 er ca. 3,5 miljoen mantelzorgers zijn waarvan er ca. 2,6 miljoen langdurig en/of intensief mantelzorg verlenen (TK 30 169, nr. 28).

In december 2015 verschijnt het kwantitatieve SCP-onderzoek betreffende de stand van zaken informele zorg (mantelzorg en vrijwilligerswerk), met daarin actuele cijfers omtrent aard, omvang, kwaliteit en belasting van de informele zorg.19

Vraag 237:

Hoeveel overbelaste mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers? Wat is de ontwikkeling?

Antwoord 237:

Uit de in 2013 door het SCP opgeleverde literatuurstudie «Informele zorg in Nederland» die bij brief van 20 juli 2013 aan de Tweede Kamer is gestuurd, volgt dat in 2010 circa 450.000 mantelzorgers overbelast te zijn (TK 30 169, nr. 28).

In december 2015 verschijnt het kwantitatieve SCP-onderzoek betreffende de stand van zaken van informele zorg (mantelzorg en vrijwilligerswerk) met daarin actuele cijfers omtrent aard, omvang, kwaliteit en belasting van de informele zorg.20

Vraag 238:

Hoeveel vrijwilligers in de zorg zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord 238:

Volgens schattingen van het kenniscentrum langdurende zorg Vilans zijn er in Nederland ongeveer 450.000 vrijwilligers in de zorg. Van hen zijn ongeveer 250.000 actief via organisaties zoals de Zonnebloem, het Rode Kruis en Humanitas, en ongeveer 200.000 in zorginstellingen (100.000 in de ouderenzorg, 50.000 in de verstandelijk en lichamelijk gehandicaptenzorg, 30.000 in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg en 20.000 in ziekenhuizen.21 Naar schatting 25.000 mensen geven intensieve vrijwilligerszorg, zoals thuishulp, vriendendiensten, buddyzorg of georganiseerde burenhulp.22 Deze cijfers dateren van 2011, maar in december 2015 verschijnt het kwantitatieve SCP-onderzoek betreffende de stand van zaken van o.a. zorgvrijwilligers, met daarin actuele cijfers omtrent aard, omvang, kwaliteit en belasting van de informele zorg.23

Vraag 239:

Hoeveel vrijwillige mantelzorgers zijn er in Nederland, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord 239:

In de Wmo 2015 wordt mantelzorg gedefinieerd als hulp die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie. Het kwalitatieve SCP-onderzoek «Hulp geboden, een verkenning van de mogelijkheden en grenzen van informele zorg» dat op 18 september jl. is verschenen, bevestigt dat mensen mantelzorg gaan verlenen vanwege de hechte band, vriendschap of liefde, die ze hebben met de hulpbehoevende.24

Hoewel vaak een verantwoordelijkheidsgevoel of plichtsgevoel meespeelt, zoals bij de hulp aan een ouder of de partner, is en blijft mantelzorg een persoonlijke keuze.

In 2008 waren er circa 3,5 miljoen mantelzorgers waarvan er circa 2,6 miljoen langdurig en/of intensief mantelzorg verlenen.25

Vraag 240:

Hoeveel respijtvoorzieningen en logeeropvanghuizen zijn er in Nederland?

Antwoord 240:

Respijtzorg in de vorm van logeren is mogelijk op grond van de Wlz en in het gemeentelijke domein. Logeerplekken in deze domeinen worden niet landelijk geregistreerd. De Wlz biedt verzekerden de mogelijkheid van logeren tot een maximum van 104 etmalen per jaar. Wlz-uitvoerders hebben een zorgplicht om hiervoor voldoende logeeropvang in te kopen.

De Jeugdwet en Wmo2015 bieden de gemeente de mogelijkheid om ook andere voorzieningen te treffen die respijt bieden. Dit past bij de maatwerkgedachte waarbij het gewenste resultaat centraal staat: ondersteunen van de mantelzorger.

Uit de inventarisatie van de VNG26 onder gemeenten blijkt het huidige aanbod aan respijtzorg als volgt te zijn: 88% biedt dagbesteding, 84% biedt kortdurende opvang, 75% biedt een zorgvrijwilliger aan huis, 52% biedt crisisopvang, 35% biedt vakantieopvang en 29% een logeergezin, of een combinatie hiervan. Gemeenten geven ook aan dat sommige respijtvoorzieningen nog in ontwikkeling zijn.

Ter ondersteuning van gemeentelijk respijtbeleid verscheen 24 juni 2015 een nieuwe digitale handreiking. Daarnaast heb ik met Mezzo afgesproken de bestaande respijtwijzer voor mantelzorgers te herzien, zodat mantelzorgers eenvoudig zicht krijgen op welke respijtmogelijkheden er in hun omgeving zijn.

Vraag 241:

Is het aantal respijtvoorzieningen in 2015 gestegen, gelijk gebleven of gedaald, en wat is uw duiding hiervan?

Antwoord 241:

Zie het antwoord op vraag 240. Ik heb geen zicht op de ontwikkeling van het aantal respijtvoorzieningen.

Vraag 242:

Hoe vaak worden mantelzorgers ingezet als vervanging van professionele zorg?

Antwoord 242:

Wat mensen voor elkaar doen is afhankelijk van de aard van de relatie die mensen met elkaar hebben. Dat maakt mantelzorg een persoonlijke keuze. Ook de draagkracht en draaglast van mensen speelt bij de verlening van mantelzorg een belangrijke rol.

De gemeente dient derhalve in het kader van de Wmo 2015 – bij de melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning – per geval te onderzoeken wat de mogelijkheden voor mantelzorg zijn.

Professionele zorg is beschikbaar in die gevallen waarin dat nodig is. Mantelzorg is in die zin ook geen vervanging van professionele zorg.

Vraag 243:

Volgens de memorie van toelichting is één van de beleidswijzigingen in de begroting dat de informele zorg in 2016 verder wordt versterkt. Welke concrete (budgettaire) wijzigingsmaatregelen daartoe bevatten de VWS-begroting en het BKZ 2016, hoe worden de desbetreffende middelen ingezet en welke afrekenbare doelen worden hiermee nagestreefd?

Antwoord 243:

Mijn beleid is erop gericht informele zorg in 2016 verder te versterken. Het gaat om het blijvend versterken en het tijdig verlichten van informele zorgverleners en het verbinden van informele zorg met de formele zorg.

In 2016 zet ik daartoe de instellingssubsidie aan Mezzo (circa € 3 miljoen) en Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) (circa € 0,2 miljoen) voort. Ook de activiteiten van Expertisecentrum Mantelzorg, het samenwerkingsverband van Movisie en Vilans, worden in 2016 voortgezet (circa € 0,4 miljoen binnen de instellingssubsidies en circa € 0,25 miljoen projectsubsidie voor deskundigheidsbevordering). Daarmee wordt gewerkt aan verankering van aandacht voor het samenspel tussen formele en informele zorg in mbo- en hbo-opleidingen en in de praktijk. Ook de Wmo-werkplaatsen dragen daaraan bij via onderzoek, opleiding en het delen van praktische kennis voor gemeenten en organisaties in zorg en welzijn. In 2016 wordt ook uitvoering gegeven aan het programma «Vrijwilligers dichtbij», een impuls van € 1,4 miljoen (per jaar gedurende 3 jaren) voor landelijk werkende vrijwilligersorganisaties.

Verder ondersteun ik via de kennisinstituten de verdere ontwikkeling van het sociaal wijkteam, waarbij er ook aandacht is voor de verbinding met informele zorg. Aandacht voor informele zorg moet breed aanwezig zijn. Ik leg daarom verbinding met programma’s en activiteiten van VWS en andere departementen, zoals Waardigheid en Trots, Nationaal Programma Palliatieve Zorg (NPPZ), Werk en mantelzorg (met SZW), emancipatie (met OCW).

Een goed samenspel laat zich moeilijk meten. Uiteindelijk gaat het erom hoe vrijwilligers en mantelzorgers het samenspel met formele zorg ervaren en of zij zich voldoende toegerust voelen om ondersteuning te kunnen bieden aan een naaste. Dat zal naar boven komen uit de evaluatie van de Hervorming Langdurige Zorg door het SCP.

Vraag 244:

Kan voor de jaren 2015 t/m 2020 in de vorm van een tabel per jaar en per maatregel aangegeven worden wat er aan uitgaven aan de diverse genoemde maatregelen m.b.t. dementie wordt geraamd?

Antwoord 244:

Het budget voor de aangekondigde maatregelen in de brief «Samenleven met dementie» van 7 juli 2015 (TK 25 424, nr. 284) is in totaal € 16 miljoen voor de periode 2015–2020. Daarvan is over de periode 2016–2020 € 2 miljoen per jaar voor het programma Dementievrienden.

Voor de maatregelen in het kader van de werkgroep vanuit Dementie Bekeken, het verbeterprogramma voor de naleving van de Zorgstandaard Dementie en de begeleiding van experimenten is in totaal € 6 miljoen beschikbaar. Ik verwacht het advies van de werkgroep «Vanuit Dementie Bekeken» eind dit jaar. Verder ben ik in gesprek met het bestuur van de coöperatie het Deltaplan Dementie en andere relevante partijen over de vormgeving van het verbeterprogramma en met de netwerken ketenzorg dementie over de inrichting van experimenten. Naar aanleiding van het advies van de werkgroep en de uitkomsten van de gesprekken besluit ik over de nadere toedeling van dit deel van het budget.

In de onderstaande tabel is het voorgaande samengevat. Zie ook het antwoord op vraag 249 voor het nog niet verplichte deel van het budget van het innovatieprogramma Memorabel.

Beschikbaar budget (x € 1.000)

Maatregel

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Dementievrienden

     

2.000

2.000

2.000

2.000

2.000

10.000

Werkgroep vanuit Dementie Bekeken

   

50

1.150

1.200

1.200

1.200

1.200

6.000

Verbeterprogramma

Experimenten

Totaal budget voor nieuw beleid

   

50

3.150

3.200

3.200

3.200

3.200

16.000

Memorabel fase 1

255

5.597

6.545

7.211

7.461

3.272

2.099

60

32.500

Vraag 245:

In 2016 worden de 14 Wmo-werkplaatsen voor 2,6 miljoen euro gesubsidieerd. De Wmo-werkplaatsen zijn door de wisselwerking tussen onderzoek, onderwijs en praktijk een succesvolle formule om kennis te ontwikkelen, toe te passen en te implementeren. Kan een overzicht worden verschaft van de successen die tot nu toe behaald zijn?

Antwoord 245:

Bij de tweede voortgangsrapportage Hervorming Langdurige Zorg van 25 juni 2015 (TK 34 104, nr. 63) heb ik u geïnformeerd over de voortgang van de vernieuwing van de kennisinfrastructuur in het sociaal domein. De Wmo-werkplaatsen spelen daarbij een centrale rol. De subsidie is bedoeld om te komen tot omvorming van de huidige Wmo-werkplaatsen tot een goed functionerend en vraaggestuurd regionaal kennisnetwerk sociaal domein, waarin gewerkt wordt op basis van een door de betrokken partijen – gemeenten, instellingen, hogescholen en cliëntorganisaties – gedragen meerjarige regionale kennisagenda. Aan de basis van dit besluit ligt het in opdracht van VWS en de VNG uitgevoerde onderzoek «Uit de steigers: advies over doorontwikkeling Wmo-werkplaatsen». De Wmo-werkplaatsen hebben zich als samenwerkingsverbanden zeer dicht op de praktijk gepositioneerd. Op die manier lukt het om vragen uit de praktijk centraal te stellen en zo implementatie van bevindingen of onderzoeksresultaten kansrijker te maken. Vooral krachtig is de wisselwerking tussen onderzoek, onderwijs en praktijk. De Wmo-werkplaatsen leveren als resultaat van die wisselwerking regelmatig producten die gratis beschikbaar zijn voor onderwijs en de praktijk. Wmo-werkplaatsen ontwikkelden bijvoorbeeld het werkboek «Eenzaam ben je niet alleen», dat handvatten biedt aan ondersteuners (professionals en vrijwilligers) om samen met betrokkene eenzaamheid en sociaal isolement aan te pakken. Daarnaast kwamen in 2015 onder meer het boek «Leren transformeren» over het faciliteren van praktijkinnovatie en de onderwijsmodules «Maatschappelijke ondersteuning en actie-leren in sociale wijkteams» en «burgers en professionals in dialoog» beschikbaar.

Meer informatie en producten vindt u op de website www.wmowerkplaatsen.nl en het onderzoek «Uit de steigers» (https://vng.nl/onderwerpenindex/sociaal-domein/publicaties/uit-de-steigers-advies-over-doorontwikkeling-wmo-werkplaatsen).

Vraag 246:

Hoe lang blijft het kennisinstituut Movisie subsidie ontvangen voor het verzamelen, verrijken, valideren en verspreiden van kennis voor de ondersteuning van gemeenten en instellingen? Is dit een permanente uitgavenpost of wordt de subsidie na een x-aantal jaar beëindigd?

Antwoord 246:

In de voortgangsrapportage Hervorming Langdurige Zorg van 25 juni 2015 (TK 34 104, nr. 63) heb ik aangegeven dat ik de kennisinfrastructuur, waaronder kennisinstituut Movisie, wil vernieuwen.

Er is een traject gestart om kennisvragen vanuit de praktijk leidend te laten zijn voor de inhoudelijke programmering van de kennisinstellingen en dat betekent onder meer dat gemeenten en veld geleidelijk meer invloed zullen krijgen op en verantwoordelijkheid voor die programmering. Na drie jaar zal evaluatie plaatsvinden. Dat betekent dat de subsidie voor Movisie vooralsnog wordt gecontinueerd en dat vervolgens aan de hand van de evaluatie zal worden bezien of verdere stappen wenselijk zijn in termen van continuering, programmering en sturing van de landelijke en regionale kennisinfrastructuur.

Vraag 247:

VWS participeert in het programma «tel mee met taal» omdat laaggeletterdheid een negatief effect heeft op welzijn en gezondheid. Het gezamenlijke jaarlijkse budget is 18 miljoen euro, waarvan 2 miljoen euro van VWS. Is dit voldoende, gezien de enorme asieltsunami uit niet westerse landen? Blijft het bij deze 2 miljoen euro of kan er nog een vervijfvoudiging verwacht worden? Zo ja, ten koste van wat gaat dat dan gefinancierd worden?

Antwoord 247:

De € 2 miljoen is voldoende voor het realiseren van de doelen van genoemd programma.

Vraag 248:

Kan de Minister toelichten waarom zij bij Joodse en Indische instellingen spreekt over een «bijzondere solidariteit», maar gelijktijdig wel in tien jaar de subsidie gaat afbouwen?

Antwoord 248:

De subsidie is in het leven geroepen om specifieke zorg aan de eerste generatie oorlogsgetroffenen de komende tien jaar te kunnen continueren. De subsidie loopt af omdat, als gevolg van de demografische ontwikkeling, de doelgroep steeds kleiner wordt. Voor de afbouw van de subsidie hanteer ik een iets ruimer percentage dan op grond van de demografische ontwikkeling is te verwachten om er zeker van te zijn dat er voldoende middelen voor deze doelgroep beschikbaar zijn.

Vraag 249:

Welk budget is er nog beschikbaar binnen het dementie-onderzoeks- en innovatieprogramma Memorabel en hoe wordt aan het eind van de looptijd de (financiering van de) continuering van dementie-onderzoek geborgd?

Antwoord 249:

Voor het dementie-onderzoeks- en innovatieprogramma Memorabel heb ik voor de periode 2013–2017 € 32,5 miljoen beschikbaar gesteld. Deze middelen zijn conform de met ZonMw gemaakte afspraken grotendeels verdeeld over en vastgelegd in de diverse projecten. Er is nu nog € 1,5 miljoen gereserveerd voor projecten met betrekking tot kennisvragen uit de praktijk en € 1,4 miljoen voor met name de implementatie van resultaten.

In de onderstaande tabel is het voorgaande samengevat. De meeste onderzoeksprojecten van fase 1 van Memorabel ronden af in 2016 of 2017. Het kabinet is voornemens bij het opstellen van de begroting voor 2017 een besluit te nemen over financiering van de tweede fase van Memorabel van 2017–2020.

Budget (x € 1.000)

Maatregel

2015

2016

2017

2018

2019

2020

totaal

Kennisvragen uit de praktijk (Memorabel fase1)

 

1.500

       

1.500

Implementatie en communicatie resultaten (Memorabel fase1)

50

100

750

400

80

 

1.380

Vraag 250:

Met de gemeenten is de afspraak gemaakt dat gemeenten zelf de integrale uitvoeringskosten voor de Wmo 2015 en de Jeugdwet bekostigen. Na afronding van de hersteloperatie zal door de SVB een herziene raming van de uitvoeringkosten in 2016 worden gemaakt. Kan er een overzicht gegeven worden van «alle» kosten die tot nu toe gemaakt zijn voor de invoering van het trekkingsrecht en bij wie deze rekeningen worden neergelegd? En het zelfde overzicht voor de extra kosten?

Antwoord 250:

Vanaf de zijde van het Rijk zijn vanaf eind 2013 kosten gemaakt voor de invoering van het trekkingsrecht: het betreft hier de voorbereidingskosten en uitvoeringskosten bij de SVB. Voor 2013 en 2014 bedragen de kosten van deze voorbereidende werkzaamheden maximaal € 13 miljoen (vaststelling van de realisatie loopt thans). De geraamde uitgaven van de SVB voor de uitvoering van het trekkingsrecht in 2015 bedragen € 74,7 miljoen (zie tabel «budgettaire gevolgen van beleid», pagina 53). Voorts zijn verschillende organisaties tegemoet gekomen in de kosten die zij hebben gemaakt voor de voorlichting en ondersteuning van zorgverleners, budgethouders en ketenpartners. De kosten hiervan bedragen ongeveer € 1,2 miljoen Tevens zijn verschillende opdrachten met een beperkt budgettair beslag verleend in het kader van onderzoek en beleidsadvies op het gebied van trekkingsrecht, en is personele capaciteit ingezet bij de ketenpartners om ondersteuning te bieden bij het voornoemde herstel.

Zorgkantoren en gemeenten maakten en maken kosten ter voorbereiding op en ter uitvoering van het trekkingsrecht. Deze worden niet separaat geregistreerd en centraal bijgehouden. Ik wijs er hierbij overigens op dat er ook vóór de invoering van het trekkingsrecht uitvoeringskosten werden gemaakt door deze ketenpartners, in het kader van de uitvoering van het pgb binnen de Wmo en AWBZ.

Thans loopt onderzoek naar de meerkosten die door de gemeenten zijn gemaakt als gevolg van de uitvoering van de terugvalscenario’s. Bij Voorjaarsnota 2015 is reeds € 20 miljoen extra voor dit doel toegekend aan gemeenten voor het jaar 2015 (zie tabel 9, pagina 156). Door de zorgkantoren is aangegeven dat zij € 5,7 miljoen aan kosten hebben gemaakt. Voorts worden de verwachte meeruitgaven als gevolg van de bestuurlijke afspraken omtrent herindicaties in kaart gebracht (zie Kamerbrief d.d. 4 september 2015, TK 25 657, nr. 202): de geraamde hoogte hiervan wordt dit najaar bekend.

Zoals eerder met de Kamer is gedeeld, ben ik voornemens een compensatieregeling te treffen voor zorgverleners en budgethouders die nadeel hebben ondervonden als gevolg van de invoeringsproblemen van het trekkingsrecht. Deze uitgaven zijn in totaal over 2015 en 2016 geraamd op € 20 miljoen. Dit bedrag is in de begroting eveneens opgenomen in de tabel «budgettaire gevolgen van beleid» bij begrotingsartikel 3 (pagina 53).

Vraag 251:

Wat kosten de persoonsgebonden budgetten jaarlijks?

Antwoord 251:

De uitgaven voor het pgb-AWBZ bedroegen de afgelopen jaren (x € 1 miljoen):

2009: 1.917,3

2010: 2.159,9

2011: 2.255,5

2012: 2.458,7

2013: 2.414,9

De uitgaven voor het jaar 2014 zijn voor het pgb-AWBZ nog niet bekend, omdat Zorginstituut Nederland de subsidie 2014 nog niet voor alle zorgkantoren heeft vastgesteld. De uitgaven worden op dit moment geraamd op € 2.471,5 miljoen.

Naast het pgb-AWBZ werd in het verleden door de gemeenten ongeveer € 250 miljoen uitgegeven aan pgb’s voor huishoudelijke hulp.

Sinds 2015 is het persoonsgebonden budget in de vier zorgdomeinen wettelijk verankerd, te weten de Wlz, de Zvw, de Wmo 2015 en de Jeugdwet. De uitgaven 2015 zijn geraamd op € 1.419 miljoen in de Wlz, € 485 miljoen in de Wmo, € 454 miljoen in de Jeugdwet en € 314 miljoen in de Zvw. De daadwerkelijke uitgaven zijn nog niet bekend.

Vraag 252:

Hoeveel persoonsgebonden budgetten worden jaarlijks afgegeven per zorgdoelgroep en sector?

Antwoord 252:

Het aantal verzekerden met een pgb-AWBZ bedroeg de afgelopen jaren op 31 december:

2009: 118.284

2010: 120.572

2011: 138.682

2012: 128.707

2013: 121.913

2014: 119.184

Ultimo augustus 2015 waren er, volgens gegevens van de NZa, ongeveer 30.000 verzekerden met een pgb-Wlz. Daarvan hadden er 23.000 een pgb-Wlz op basis van een verblijfsindicatie. Daarbij was sprake van de volgende verdeling over de verschillende sectoren/zorgprofielen:

Verpleging en verzorging:

23%

Verstandelijke beperking:

67%

Lichamelijke beperking:

9%

Zintuiglijke beperking:

1%

GGZ:

0,02%

Deze laatste 4 budgethouders hebben op grond van overgangsrecht nog een pgb-Wlz op basis van een zorgprofiel GGZ B.

Volgens gegevens van de SVB waren er in juni 2015 57.415 budgethouders met een Wmo-budget voor begeleiding, 55.818 budgethouders met een Wmo-budget voor huishoudelijke verzorging en 33.242 budgethouders met een pgb-Jeugdwet.

Uit de laatste gegevens van Zorgverzekeraars Nederland (van 30 april 2015) blijkt tot slot dat er 27.540 unieke cliënten met een pgb zijn overgegaan van de AWBZ naar de Zvw. ZN heeft nog geen gegevens beschikbaar over het daadwerkelijk gebruik van het Zvw-pgb in 2015. Die informatie wordt meegenomen in de monitor over het Zvw-pgb. Mijn streven is om de eerste Zvw-pgb monitor, over het jaar 2015, voor 1 april 2016 uit te brengen.

Doordat combinaties van een gemeentelijk en Zvw pgb sinds 2015 mogelijk zijn, is het totaal aantal budgethouders lager dan de optelsom van bovenstaande aantallen.

Vraag 253:

Hoeveel indicaties «Begeleiding» hebben een pgb financiering in 2014 en 2015?

Antwoord 253:

Tot 1 januari 2015 werd in de AWBZ begeleiding of begeleiding groep (dagbesteding) los geïndiceerd of maakte onderdeel uit van een zorgzwaartepakket. Sinds 1 januari 2015 wordt een indicatie en pgb voor begeleiding door de gemeente (Wmo of Jeugdwet) afgegeven of maakt het onderdeel uit van een zorgprofiel Wlz. In de Wlz koopt vrijwel iedere budgethouder enige begeleiding in.

Ultimo 2014 waren er ongeveer 71.000 budgetten voor extramurale begeleiding. Hiervan waren ongeveer 31.000 budgetten voor budgethouders jonger dan 18 jaar en ongeveer 40.000 budgetten voor budgethouders van 18 jaar en ouder.

Volgens gegevens van de SVB zijn door gemeenten 57.415 Wmo-budgetten voor begeleiding afgegeven (stand juni 2015). De budgetten in de Jeugdwet, 33.242, zijn niet verbijzonderd naar functie.

Vraag 254:

Hoeveel indicaties «Persoonlijke verzorging» hebben een pgb financiering in 2014 en 2015?

Antwoord 254:

Tot 1 januari 2015 werd in de AWBZ persoonlijke verzorging los geïndiceerd of maakte onderdeel uit van een zorgzwaartepakket. Sinds 1 januari 2015 wordt persoonlijk verzorging geïndiceerd door de gemeente vanuit de Jeugdwet, wijkverpleging (waarbinnen verzorging) vanuit de Zvw, of als onderdeel van een zorgprofiel vanuit de Wlz. In de Wlz koopt vrijwel iedere budgethouder enige persoonlijke verzorging in.

Ultimo 2014 waren er ongeveer 45.000 budgethouders met een pgb-AWBZ voor persoonlijke verzorging (niet zijnde onderdeel van een zorgzwaartepakket). Hiervan waren ongeveer 11.000 budgetten voor budgethouders jonger dan 18 jaar en ongeveer 34.000 budgetten voor budgethouders van 18 jaar en ouder. Een beperkt deel zal nu een pgb voor verzorging hebben van de gemeente, en het overgrote deel (95%), in bijzonder van de budgethouders van 18 jaar en ouder zal terecht gekomen zijn in de Zvw. Deze aantallen zijn ook de raming voor het verwachte aantal budgetten die afgegeven zullen worden in 2015. De daadwerkelijke aantallen voor de Zvw, de Wmo en Jeugdwet zijn nog niet bekend.

Vraag 255:

Hoeveel mantelzorgers worden betaald uit het pgb 2014 en 2015?

Antwoord 255:

Bij mantelzorgers is per definitie sprake van onbetaalde ondersteuning en zorg. Wel kan zorg door naasten uit het pgb worden gefinancierd. Het is niet exact bekend hoeveel naasten in 2014 en 2015 uit het pgb zijn betaald. Onder de AWBZ is dat niet op dit niveau bijgehouden.

Voor 2015 geeft het aantal familieovereenkomsten dat de SVB registreert enige indicatie. Op 20 augustus 2015 had de SVB 84.570 overeenkomsten van opdracht met een familierelatie geregistreerd, op een totaal van 260.215 zorgovereenkomsten. Daarvan waren er 20.332 geregistreerd onder de Jeugdwet, 24.703 betroffen Wlz-zorg, 21.638 Wmo-begeleiding, 13.948 Wmo-huishoudelijke hulp en 3.949 Zvw-zorg. Voor de Zvw-zorg geldt geen trekkingsrecht, maar mensen kunnen de SVB wel hun administratie laten doen, waardoor dit niet de volledige populatie betreft.

Vraag 256:

Hoeveel mensen zetten per jaar hun zorg in natura om in pgb 2014 en 2015?

Antwoord 256:

In 2014 zijn in de AWBZ 2.635 verzekerden overgestapt van zorg in natura naar pgb. Voor 2015 zijn nog geen vergelijkbare cijfers bekend voor de verschillende domeinen.

Vraag 257:

Hoeveel mensen hebben wijkverpleging via het pgb?

Antwoord 257:

Uit de laatste gegevens van Zorgverzekeraars Nederland (ZN) van 30 april 2015 blijkt dat er 27.540 unieke cliënten met een pgb zijn overgegaan vanuit de Algemene Wet Bijzondere Zieketekosten (AWBZ) naar de Zvw.

ZN heeft nog geen betrouwbare informatie beschikbaar over het daadwerkelijk gebruik van het Zvw-pgb in 2015. Die informatie zal worden meegenomen in de monitor over het Zvw-pgb. Het streven is de eerste monitor, over het jaar 2015, voor 1 april 2016 uit te brengen.

Vraag 258:

Wat is het hoogste en laagste pgb-bedrag voor iemand?

Antwoord 258:

De verzekerde kan in de Wlz via het mpt per functie kiezen voor een pgb, voor een aanbieder gecontracteerd door het zorgkantoor of om de zorg zelf te organiseren. Het laagst mogelijke pgb is daardoor het pgb voor de laagste klasse van de functie verpleging: € 1.281 per jaar (tarief 2015). Vaak betekent dit dat de rest van de indicatie (deels) in natura is verzilverd.

Het hoogst toegekende pgb bedroeg in 2015 € 319.253. Het betreft een Wlz-indiceerbare, met een indicatiebesluit in functies en klassen, waarbij door het CIZ verpleging is geïndiceerd boven de hoogste klasse.

Vraag 259:

Hoeveel klachten heeft het SVB de afgelopen 2 jaar binnengekregen?

Antwoord 259:

De SVB rapporteert als volgt: tussen 1 oktober 2013 en 31 december 2013 zijn 132 klachten geregistreerd. Deze zijn in gemiddeld 3,7 werkdagen afgehandeld. In 2014 zijn 1.301 klachten ontvangen. Deze klachten zijn in gemiddeld 2,8 werkdagen afgehandeld. Tot en met 30 september 2015 zijn 7.631 klachten ontvangen. Deze klachten zijn in gemiddeld 9 werkdagen afgehandeld.

Op 1 oktober 2015 stonden in totaal nog 344 klachten open.

Klachten kunnen zowel via de website als via de overige kanalen (post, mail, telefoon) worden ingediend. Het streven is dat er binnen 24 uur contact wordt opgenomen door de SVB met de budgethouder of diens vertegenwoordiger. Als het probleem is opgelost, wordt de budgethouder of diens vertegenwoordiger op de hoogte gesteld.

Vraag 260:

Welke kosten zijn vanaf 1 januari 2015 gemaakt om de problemen die zijn ontstaan bij het invoeren van het Trekkingsrecht PGB op te lossen?

Antwoord 260:

Zie het antwoord op vraag 250.

Vraag 261:

Hoeveel geld is uitgetrokken voor de komende tijd om de problemen die ontstaan zijn bij het invoeren van het Trekkingsrecht PGB op te lossen? Waarvoor is dit budget bedoeld? Waar komt het beschikbare budget vandaan?

Antwoord 261:

Zie het antwoord op vraag 250.

Vraag 262:

Hoeveel pgb-bemiddelingsbureaus zijn er, en hoeveel pgb-houders maken gebruik van een dergelijk bemiddelingsbureau?

Antwoord 262:

Er bestaat geen landelijke registratie van de bemiddelingsbureaus en het is ook niet bekend hoeveel budgethouders gebruik maken van een bemiddelingsbureau. Sinds 1 januari 2013 kunnen nieuwe budgethouders hun pgb-AWBZ of pgb-Wlz niet meer besteden aan de kosten van bemiddeling.

Vraag 263:

Hoeveel herindicaties zijn er tot nu toe gedaan in 2015 en hoeveel van deze herindicaties hebben geleid tot minder zorg, uitgesplitst in Wlz, Wmo en pgb?

Antwoord 263:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over herindicaties die zijn uitgevoerd voor de Wmo. Voor de Wlz is het volgende bekend. Het CIZ heeft in de eerste 6 maanden van het jaar 2015 ongeveer 47.000 positieve Wlz- besluiten afgegeven. Het aantal Wlz-herindicaties bedroeg 41.000 en de resterende 6.000 betrof eerste aanvragen. Het gaat hierbij om het totaal van de zowel reguliere Wlz-besluiten als besluiten voor de subsidieregelingen waarvoor het CIZ taken uitvoert.

Vraag 264:

Wat kost het CAK jaarlijks?

Antwoord 264

De beheerskosten van het CAK bedroegen in 2014 € 102 miljoen en zullen in 2015 waarschijnlijk uitkomen op circa € 101 miljoen.

Vraag 265:

Hoeveel klachten en bezwaren heeft het CAK afgelopen jaar gekregen, en wat was het aantal in voorgaande jaren?

Antwoord 265:

In het onderstaande overzicht is opgenomen het totaal aantal klachten en bezwaren over alle regelingen die het CAK uitvoert (Wmo 2015/WLZ) of in het verleden heeft uitgevoerd (Wmo/AWBZ/Wtcg/CER).

Jaar

Klachten

Bezwaren

   

Eigen bijdrage (AWBZ//Wlz/Wmo/Wmo 2015)

Compensatie eigen risico

Wtcg

2011

441

3.828

2.065

5.839

2012

518

2.457

1.156

7.040

2013

677

4.583

698

5.459

2014

645

2.363

382

3.297

2015 (t/m 1 juli)

401

2.8401

12

1.152

X Noot
1

Waarvan 1.072 over de Wlz en 1.131 over de Wmo (zie ook antwoord op vraag 550)

Vraag 266:

Kunt u nauwkeurig toelichten welke extra amendeerruimte nog bestaat? Als deze ruimte ontbreekt, wat is hiervoor de reden?

Antwoord 266:

Strikt genomen is het budget dat nog niet juridisch verplicht is amendeerbaar. Het juridisch verplichte budget is opgenomen onder het kopje budgetflexibiliteit. Los van de juridische verplichtingen zijn er echter ook beleidsplannen gepresenteerd en zijn er politieke en bestuurlijke afspraken gemaakt die nog niet in een juridische verplichting zijn vastgelegd, maar wel in 2016 tot uitgaven zullen leiden. Een voorbeeld hiervan is het voortzetten van het Actieplan Veilig Werken in de Zorg in 2016 (€ 3,5 miljoen). Amendementen die leiden tot een verlaging van de budgetten die nog niet juridisch verplicht zijn, gaan ten koste van de uitvoering van deze plannen.

Vraag 267:

Hoe vaak is er melding gemaakt afgelopen jaren bij de Ondernemingskamer als het gaat om disfunctionerende bestuurders?

Antwoord 267:

Op grond van het enquêterecht kan een cliëntenraad van de zorginstelling een verzoek doen tot een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken binnen de zorginstelling. Indien uit het onderzoek van de enquêteur blijkt dat er sprake is van wanbeleid kan de Ondernemingskamer voorzieningen treffen die zij op grond van de uitkomst van het onderzoek noodzakelijk acht. De Ondernemingskamer doet daarbij geen uitspraak over de aansprakelijkheid. Navraag bij de Ondernemingskamer wijst uit dat de afgelopen jaren vijf jaar vijf van dergelijke verzoeken zijn gedaan. Deze vijf verzoeken zijn alle door de Ondernemingskamer in behandeling genomen. Daarbij speelde ook in alle vijf gevallen het optreden van het bestuur een rol.

Vraag 268:

Wat is de stand van zaken met het rapport «Beperkt weerbaar»? Zijn er de afgelopen jaren verbeteringen bereikt of juist niet? Kunt u een toelichting geven?

Antwoord 268:

Er worden periodiek geen landelijke cijfers bijgehouden omtrent het vóórkomen van seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke beperking.

Gewerkt is aan het verbeteren van de kennis, informatie en instrumenten die beschikbaar zijn om seksueel misbruik bij mensen met een beperking te voorkómen en aan te pakken. Zowel door de koepelorganisatie, de individuele instellingen als het platform van ouderorganisaties is en wordt hiervoor materiaal ontwikkeld. De onderzoekers van Beperkt Weerbaar constateerden dat er veel kennis, informatie, instrumenten en methodieken beschikbaar zijn over het omgaan met seksualiteit en preventie van seksueel misbruik, maar dat de informatie niet altijd vindbaar was en niet toegesneden op specifieke groepen.

Daarom heb ik twee acties laten uitvoeren. Op mijn verzoek is door de Universiteit Maastricht (Gouverneur Kremers Centrum) een «wegwijzer» gemaakt voor ouders en zorgprofessionals. Deze wegwijzer verwijst in elke stap in de keten (preventie-signalering-aanpak-nazorg) naar bruikbaar materiaal. Dat kan ook materiaal zijn dat minimaal gebaseerd is op relevante praktijkervaringen. De wegwijzer is dit voorjaar gereed gekomen en is via het «Kennisplein gehandicaptensector» te raadplegen (www.kennispleingehandicaptensector.nl). Voorts heeft Ieder(in) op mijn verzoek een reeks gepubliceerd, waarin het beschikbare voorlichtingsmateriaal toegesneden wordt op specifieke groepen, bijvoorbeeld mensen met autisme, syndroom van Down en meervoudige beperkingen (en de verwanten van deze mensen).

Vraag 269:

Hoeveel mensen maken gebruik van de tegemoetkoming specifieke zorgkosten?

Antwoord 269:

Voor de jaren 2009 t/m 2012 maakten gemiddeld 170.000 mensen per jaar gebruik van de TSZ. De toekenning voor 2013 is nog niet afgerond. Naar verwachting zullen ruim 120.000 mensen gebruik maken van de TSZ. Over 2014 zijn nog onvoldoende gegevens beschikbaar om een prognose te kunnen maken.

Vraag 270:

Kunt u toelichten wat bedoeld wordt met extra inspanning om de bureaucratie in de zorg terug te dringen? Welke concrete maatregelen zullen worden genomen om de regeldruk te verminderen?

Antwoord 270:

Zie het antwoord op vraag 73.

Vraag 271:

Op welke wijze wordt in het kader van de extra inspanning om de bureaucratie in de zorg terug te dringen gekeken of het mogelijk is om te komen tot een verdere uniformering van de datasets van zorgverzekeraars om de veelheid aan verschillende vragenlijsten terug te dringen? Is het mogelijk om toetsbare resultaten aan te geven voor het terugdringen van de bureaucratie (graag in een meerjarenperspectief)?

Antwoord 271:

Zoals ik in de Kamerbrief «Merkbaar minder regeldruk» heb aangegeven is standaardisering van groot belang. De zorgverzekeraars zijn gevraagd om een ambitieus plan om hun formulieren zo te standaardiseren dat voor zorgverleners de administratieve last substantieel wordt verminderd. Verder heb ik met zorgverzekeraars afgesproken dat wanneer er tripartiete – dat wil zeggen door zorgaanbieders, patiënten en verzekeraars – afspraken zijn gemaakt over indicatoren, zij daarnaast niet parallel extra gegevens uitvragen. De druk op de partijen om dit te realiseren is hoog. In de medisch-specialistische zorg is dit gekoppeld aan de ambities van het Jaar van de transparantie waar voor 30 aandoeningen afspraken worden gemaakt. Ik ben met de partijen in gesprek over de aanpak in de komende jaren. Zie verder ook het antwoord op vraag 73.

Vraag 272:

Hoeveel kosten de HKZ en andere keurmerken in de zorg? Hoeveel van deze keurmerken per merk worden jaarlijks afgegeven?

Antwoord 272:

Zorginstellingen zijn op grond van de Kwaliteitswet verplicht een kwaliteitssysteem te hebben. Op welke manier een zorginstelling dat invult staat in beginsel vrij. Certificering is niet verplicht op grond van wet- en regelgeving, maar is een aangelegenheid van de partijen in het veld zelf; door het veld en vóór het veld. Een zorgaanbieder kan, naast het eigen kwaliteitssysteem, kiezen voor het aanvragen van het keurmerk. Op de websites van de diverse keurmerken staan de kosten voor het verkrijgen van het specifieke keurmerk aangegeven. Centraal worden geen gegevens over de kosten bijgehouden of hoeveel keurmerken per merk jaarlijks worden afgegeven, zoals in de vraag gesteld.

Vraag 273:

Welke besparing is mogelijk als keurmerken in de zorg afgeschaft worden?

Antwoord 273:

Certificering is niet verplicht op grond van wet- en regelgeving, maar is een aangelegenheid van de partijen in het veld zelf. Er wordt niet op een centrale plaats bijgehouden hoeveel keurmerken worden afgegeven en welke kosten verbonden zijn aan de verschillende keurmerken. Derhalve is het gevraagde bedrag aan besparing niet bekend.

Vraag 274:

Welke keurmerken worden er vereist bij zorginkoop, uitgesplitst naar zorgkantoorregio?

Antwoord 274:

Er bestaan geen keurmerken als zodanig die gebruikt worden bij de zorginkoop. Zorgkantoren gaan wel op een andere manier zorg inkopen. De zorgkantoren hebben gekozen voor het opstellen van een uniform inkoopkader per sector: voor Verpleging & Verzorging, voor Gehandicaptenzorg en voor Geestelijke gezondheidszorg. Binnen elk van die sectoren geldt een programma van eisen, aanvullend op de geldende wet- en regelgeving. Het betreft zowel voorwaarden in aanvulling op de NZa-beleidsregels als voorwaarden ten aanzien van het zorgplan, het kwaliteitssysteem van de zorgaanbieder, het betrekken van de cliëntenraad, de informatievoorziening aan cliënten en het leveren van zorg thuis.

Vraag 275:

Wat kost de minutenregistratie jaarlijks?

Antwoord 275:

Van rijkswege bestaat er geen verplichting voor zorgaanbieders om een minutenregistratie te voeren. Elke zorgaanbieder bepaalt zelf of en zo ja, op welke manier aan tijdregistratie wordt gedaan; dat is een eigen keuze.

In de praktijk worden uiteenlopende varianten toegepast. Sommige instellingen hanteren geen minutenregistratie en werken op basis van het principe: «planning (zorgplan) is realisatie».

Ik heb geen zicht op de wijze waarop elke zorgaanbieder zijn administratie heeft ingericht en wat deze kost.

Vraag 276:

Wat kost jaarlijks de bureaucratie in Nederland?

Antwoord 276:

Dit is niet bekend. Er bestaat geen meting van de omvang van de bureaucratie in Nederland. Er wordt door het kabinet wel ingezet op het merkbaar verminderen van de regeldruk in de zorg. Dit betekent: van regeldruk naar passende regels. Zo weinig als kan; zoveel als moet. Zie het antwoord op vraag 73 voor deze aanpak.

Vraag 277:

Hoe groot is de overhead en de kosten hiervan, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord 277:

De overhead binnen de zorg, uitgesplitst voor ziekenhuizen, ggz, gehandicapten-, ouderen- en thuiszorg is door het CBS over de jaren 2008 tot en met 2011 gemeten als percentage van de kosten. Hieronder vindt u dit overzicht.

 

Eenheid

2008

2009

2010

2011

Kosten van de zorg

         

Ziekenhuizen, specialistenpraktijken

x € 1 miljard

20,3

21,6

22,7

22,7

Ouderenzorg

x € 1 miljard

14,8

15,2

15,7

16,4

Gehandicaptenzorg

x € 1 miljard

7,1

7,8

8,1

8,3

Geestelijke gezondheidszorg

x € 1 miljard

4,9

5,3

5,4

5,7

Aandeel overhead in instellingen

         

Totaal ziekenhuizen

%

20

20

20

20

Zvw/AWBZ-gefinancierde ouderen- en thuiszorg

%

10

9

9

8

Zvw/AWBZ-gefinancierde gehandicaptenzorg

%

9

9

9

9

Zvw/AWBZ-gefinancierde GGZ

%

17

17

17

17

CBS, Centraal Bureau voor de Statistiek (2011, 2012, 2013 en 2014), Gezondheid en zorg in cijfers 2011, 2012, 2013 en 2014, Den Haag: CBS

Vraag 278:

Wat zijn de ontwikkelingen als het gaat om het traject regelarme zorg? Wat zijn tot nu de opbrengsten van dit traject?

Antwoord 278:

Het Experiment Regelarme Instellingen (ERAI) programma heeft laten zien dat het mogelijk is om administratieve lasten terug te dringen. Vaak lukte dit binnen instellingen zelf, door het slim kijken naar de eigen werkprocessen. Soms was hier hulp vanuit VWS voor nodig door tijdelijk regelruimte te creëren. Het programma loopt definitief af op 31 december 2015. Begin 2016 komt de evaluatie van het programma beschikbaar. Hierin wordt ingegaan op de goede voorbeelden en de mogelijkheden voor het breed toepassen hiervan. Vooruitlopend op de uitkomsten is het streven om voortzetting van de goede ervaringen uit de verschillende trajecten mogelijk te maken. In sommige gevallen kan worden aangesloten bij bestaand beleid. In andere gevallen moeten alternatieven worden verkend. De regelruimte die in het kader van het programma Waardigheid en Trots wordt geboden alsmede de decentralisaties bieden hiertoe goede mogelijkheden. Zoals toegezegd stuur ik uw Kamer in het voorjaar van 2016 deze eindevaluatie.

Vraag 279:

Hoe vaak heeft de Nza gebruik gemaakt van het instrument aanmerkelijke marktmacht en wat verwacht u van het gebruik nu dit instrument wordt overgeheveld naar de ACM?

Antwoord 279:

De NZa heeft op grond van het instrument aanmerkelijke marktmacht twee keer verplichtingen opgelegd. De ACM krijgt na de overheveling meer mogelijkheden en flexibiliteit ten aanzien van te hanteren methoden om aanmerkelijke marktmacht vast te stellen. Er bestaan methoden om aanmerkelijke marktmacht vast te stellen zonder dat de markt per definitie hoeft te worden afgebakend. Deze zijn specifiek voor de zorg ontwikkeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om de methoden Logit Competition Index (LOCI) en Willingness to Pay (WTP). Wanneer de ACM ook gebruik kan maken van deze of andere vergelijkbare methoden om aanmerkelijke marktmacht vast te stellen, kan dit leiden tot een effectievere inzet van dit instrument.

Er kan echter op voorhand geen definitieve uitspraak worden gedaan over het optreden van de ACM ten aanzien van het instrument van aanmerkelijke marktmacht of de overige instrumenten waarover de ACM beschikt. Dit vloeit voort uit de onafhankelijke positie die de ACM inneemt als toezichthouder. Het is aan de ACM om zelfstandig te besluiten hoe, wanneer en waar zij optreedt. In het geval zij besluit tot optreden over te gaan, zal de ACM een afweging maken welke instrumenten passend zijn om de geconstateerde problemen op te lossen.

Wel wordt momenteel gekeken naar de ruimte die de EU-regelgeving nog biedt om wet- en regelgeving ter zake aan te scherpen.

Vraag 280:

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden zijn de afgelopen jaren teruggezet van FWG 15 naar FWG 10?

Antwoord 280:

Daar heeft het ministerie geen gegevens over. In het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn wordt vooral gekeken naar de functies en kwalificaties van zorgmedewerkers, echter niet naar de inschaling. Zie ook mijn antwoord op vraag 293.

Vraag 281:

Hoeveel en welke interim-managers zijn in 2015 werkzaam (geweest) uitgesplitst in alle zorgsectoren?

Antwoord 281:

De gevraagde gegevens over de inzet van interim-managers in de zorg worden niet geregistreerd.

Vraag 282:

Hoeveel topbestuurders kent Nederland, per sector GGZ, VVT, GHZ, ZKH en wie zijn dit?

Antwoord 282:

Jaarlijks stuurt de Minister van BZK een overzicht van alle topinkomens in de publieke en semipublieke sector in Nederland naar de Tweede Kamer op grond van artikel 7.1 van de WNT (Wet Normering Topinkomens). Volgens de rapportage over het verslagjaar 2013 (TK 30 111 nr. 74) waren er in 2013 in totaal 1.451 bestuurders van Wtzi-instellingen (Wet Toelating Zorginstellingen) met een gemiddelde bezoldiging van € 133.458. Hierbij is geen verder onderscheid naar deelsectoren gemaakt. Eind dit jaar stuurt de Minister van BZK u de WNT-jaarrapportage over verslagjaar 2014.

Vraag 283:

Wat is de salariëring van alle topbestuurders per persoon en sector GGZ, VVT, GHZ, ZKH?

Antwoord 283:

Zie het antwoord op vraag 282.

Vraag 284:

Aan welke politieke partijen zijn de topbestuurders gelieerd, per naam en sector GGZ, VVT, GHZ, ZKH?

Antwoord 284:

Dergelijke gegevens worden niet geregistreerd. Het vragen naar partijlidmaatschap of aanhang van een bepaalde ideologie en het registreren van deze gegevens betekent een schending van het recht op privacy van de bestuurder. Deze gegevens mogen alleen verwerkt worden door bij wet bepaalde instanties of met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Dat is hier niet aan de orde.

Vraag 285:

Aan welke patiëntenorganisaties zijn de topbestuurders gelieerd, per naam en sector GGZ, VVT, GHZ, ZKH?

Antwoord 285:

De gevraagde gegevens over de relaties tussen bestuurders en patiëntenorganisaties worden niet geregistreerd.

Vraag 286:

Hoeveel hbo-verpleegkundigen zijn er in 2015 werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord 286:

De meest recente cijfers over werkzame hbo-verpleegkundigen zijn afkomstig uit 2014, uitgevoerd in het onderzoeksprogramma zorg en welzijn.

 

UMC's

Algemene en categorale ziekenhuizen

GGZ

Verpleging & Verzorging

Thuiszorg

Gehandicaptenzorg

Overige zorg

Totaal

Hbo Verpleeg-kundigen

7.300

21.600

8.250

6.950

9.050

2.900

3.900

59.950

Vraag 287:

Hoeveel mbo-verpleegkundigen zijn er in 2015 werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord 287:

Het aantal mbo-verpleegkundigen per sector staat weergegeven in onderstaande tabel. Deze aantallen zijn gebaseerd op het Onderzoeksprogramma Zorg en Welzijn 2014.

 

UMC's

Algemene en categorale ziekenhuizen

GGZ

Verpleging & Verzorging

Thuiszorg

Gehandicaptenzorg

Overige zorg

Totaal

Mbo verpleeg-kundigen

10.250

65.950

14.350

23.450

11.300

22.300

8.850

156.450

Vraag 288:

Hoeveel wijkverpleegkundigen zijn er in 2015 werkzaam in de thuiszorg?

Antwoord 288:

Het onderzoek naar de raming van wijkverpleegkundigen is onlangs afgerond door KIWA. Daaruit blijkt dat het aantal werkzame wijkverpleegkundigen in Nederland 8.800 bedraagt.

Vraag 289:

Hoeveel verzorgenden IG zijn er in 2015 werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord 289:

Verzorgenden IG hebben een deelkwalificatie Individuele Gezondheidszorg. Er zijn geen specifieke aantallen bekend over het aantal verzorgenden IG. Het totaal aantal werkzame verzorgenden is ongeveer 167.250.

Vraag 290:

Hoeveel verzorgenden zijn er in 2015 werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord 290:

Het aantal verzorgenden in 2014 wordt geschat op ongeveer 167.250.De verdeling van het aantal verzorgenden over de verschillende sectoren is volgens het onderzoeksprogramma Zorg en Welzijn (2014):

 

UMC's

Algemene en categorale ziekenhuizen

GGZ

Verpleging & Verzorging

Thuiszorg

Gehandicaptenzorg

Overige zorg

Totaal

Verzorgenden

950

7.750

3.100

95.000

44.250

11.350

4.800

167.250

Vraag 291:

Hoeveel helpenden zijn er in 2015 werkzaam in de zorg, uitgesplitst per sector?

Antwoord 291:

Helpenden zijn met name werkzaam in de verpleging, verzorging en de thuiszorg. Het onderzoeksprogramma Zorg en Welzijn (2014) geeft de volgende aantallen per sector in 2014: In de algemene en categorale ziekenhuizen werken ongeveer 700 helpenden, in de ggz ongeveer 130, in de gehandicaptenzorg ongeveer 1,6 duizend, in de verpleging en verzorging ongeveer 18,5 duizend en in de thuiszorg ongeveer 5,9 duizend.

Vraag 292:

Hoeveel alfahulpen waren/zijn werkzaam in de jaren 2007 t/m 2015?

Antwoord 292:

Het aantal alfahulpen in 2013 is geschat op 45 duizend. Recentere cijfers hierover zijn er niet. Dit is een grove schatting waarin ook PGB gecontracteerden meegenomen zijn. Het gaat dus over een bredere groep dan alfahulpen, zoals bijvoorbeeld ook ZZP-ers en familieleden. De ontwikkeling over de jaren heen is om dezelfde reden niet goed in te schatten.

Vraag 293:

Hoeveel huishoudelijk verzorgenden waren/zijn werkzaam in de jaren 2007 t/m 2015?

Antwoord 293:

Het aantal huishoudelijk verzorgenden – zoals blijkt uit het Onderzoeksprogramma Zorg en Welzijn in – is 77,3 duizend in 2013 inclusief alfahulpen. Eerdere en recentere cijfers zijn niet beschikbaar.

Vraag 294:

Hoeveel medisch specialisten, uitgesplitst per beroep zijn er in 2015 werkzaam in de zorg?

Antwoord 294:

In onderstaande tabel is het aantal werkzame medisch specialisten per 1 januari 2015 weergegeven.27

Medisch specialisten

 

Anesthesiologie

1.550

Cardiologie

985

Cardio-thoracale chirurgie

125

Dermatologie, venerologie

490

Heelkunde

1.230

Interne geneeskunde

1.950

Keel-neus-oorheelkunde

475

Kindergeneeskunde

1.380

Klinische genetica

145

Klinische geriatrie

230

Longziekten en tuberculose

590

Maag-darm-leverziekten

450

Medische microbiologie

260

Neurochirurgie

135

Neurologie

870

Nucleaire geneeskunde

170

Obstetrie en gynaecologie

960

Oogheelkunde

605

Orthopedie

740

Pathologie

390

Plastische chirurgie

295

Psychiatrie

3.145

Radiologie

1.025

Radiotherapie

270

Reumatologie

265

Revalidatiegeneeskunde

520

Sportgeneeskunde

120

Urologie

400

Vraag 295:

Hoeveel verloskundigen, kraamverzorgenden en gynaecologen zijn er werkzaam in 2015?

Antwoord 295:

Het aantal werkzame gynaecologen per 1 januari 2015 is 960 (zie de tabel in het antwoord op vraag 294). Gegevens over het aantal werkzame verloskundigen zijn het meest recent van 1 januari 2014 (website NIVEL), toen waren 2.980 verloskundigen werkzaam. Naar schatting waren in 2012 ruim 9.000 kraamverzorgenden actief (website Actiz).

Vraag 296:

Hoeveel huisartsen zijn er in totaal?

Antwoord 296:

Uit de gegevens van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten blijkt dat het aantal geregistreerde huisartsen op 1 januari 2015 in totaal 12.464 bedroeg.

Het aantal werkzame huisartsen op peildatum 1 januari 2013 was 8.865. Daarnaast waren er naar schatting 2.210 waarnemers.28

Vraag 297:

Hoeveel verpleeghuisartsen werken er in 2015 in Nederland?

Antwoord 297:

Per 1 januari 2015 waren 1.535 specialisten ouderengeneeskunde (voorheen verpleeghuisartsen) in Nederland werkzaam.29

Vraag 298:

Hoeveel nurse practitioners en nurse physicians werken er in Nederland?

Antwoord 298:

Inmiddels zijn er rond de 1.800 verpleegkundig specialisten/ nurse practitioners afgestudeerd. De term nurse physician is ons niet bekend, wanneer u doelt op physician assistant dan zijn er inmiddels 580 opgeleid. Zij zijn inmiddels bijna allemaal werkzaam.

Vraag 299:

Hoeveel anesthesisten werken er in 2015 in Nederland?

Antwoord 299:

Per 1 januari 2015 waren 1.550 anesthesisten in Nederland werkzaam.30

Vraag 300:

Hoeveel ZZP'ers werken jaarlijks in de zorg per sector?

Antwoord 300:

In het kader van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn is op basis van de Enquête Beroepsbevolking van het CBS bepaald hoeveel zelfstandigen werkzaam zijn in de verschillende zorgsectoren. De gehanteerde definitie van zelfstandige is daarbij ruimer dan van een zzp’er31.

In onderstaande tabel staan de resultaten van deze analyse, welke betrekking heeft op 2013.

Zorgsector

Aantal zelfstandigen

Academische ziekenhuizen

2.300

Algemene en categorale ziekenhuizen1

7.700

Geestelijke gezondheidszorg

18.400

Gehandicaptenzorg

7.900

Verpleeg- en verzorgingshuizen

10.000

Thuiszorg

17.800

Overige Zorg2

78.700

Totaal

142.800

X Noot
1

De vrijgevestigde medisch specialisten zijn bij de overige zorg ondergebracht.

X Noot
2

Tot de overige zorg worden naast de vrijgevestigde medische specialisten, ook de huisartsen, de fysiotherapeuten, en dergelijke gerekend.

Vraag 301:

Wat kosten de ZZP'ers in de zorg jaarlijks?

Antwoord 301:

Daar heeft het ministerie geen gegevens over. Uitgaven worden bijgehouden op basis van geleverde zorg(producten). Zie daarnaast het antwoord op vraag 300 over aantallen zelfstandigen werkzaam in de zorg.

Vraag 302:

Hoeveel bemiddelingsbureaus zijn er in Nederland die zzp'ers inzetten voor de zorg?

Antwoord 302:

Daar heeft het ministerie geen gegevens over. In het onlangs aan de Tweede Kamer toegezegde onderzoek naar de gehanteerde tarieven van bemiddelingsbureaus zal dit aspect meegenomen worden.

Vraag 303:

Hoeveel tandartsen zijn er in Nederland werkzaam, zowel Nederlandse als buitenlandse tandartsen? Hoeveel zijn er in 2015 nieuw opgeleid, hoeveel zijn er vanuit het buitenland ingestroomd in de Nederlandse arbeidsmarkt?

Antwoord 303:

Per 1 januari 2013 waren 8.854 tandartsen in Nederland werkzaam. Dit cijfer is ontleend aan het Capaciteitsplan 2013. Dit plan is op 12 juni 2014 naar de Tweede Kamer is gestuurd (TK 29 282, nr. 196). In 2014 (het meest recente cijfer) zijn 389 nieuwe tandartsen ingeschreven in het BIG register waarvan 167 met een buitenlands diploma. Dit aantal is een kwart lager dan in 2013.

Vraag 304:

Hoeveel opleidingsplaatsen zijn er in 2015 bijgekomen, uitgesplitst naar artsen, medisch specialisten, verpleegkundig specialisten en physician assistents?

Antwoord 304:

De aantallen beschikbaar gestelde opleidingsplaatsen voor 2015 zijn in onderstaande tabel weergegeven:

Opleiding

Aantal plaatsen

Basisopleiding geneeskunde1

3.050

Huisarts

750

Medisch specialist

1.206

Arts spoedeisende hulp (SEH-arts)

45

Specialist ouderengeneeskunde

128

Arts verstandelijk gehandicapten

24

Sociaal geneeskundigen

202

Verpleegkundig specialisten, physician assistants1

700, de verdeling van deze extra plaatsen over de beide categorieën hbo-zorgmasters wordt in samenspraak met de hogescholen en zorginstellingen bepaald

X Noot
1

Deze aantallen betreffen het studiejaar 2015/2016.

Vraag 305:

Hoe hoog is het ziekteverzuim onder zorgverleners, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord 305:

Het ziekteverzuimpercentage in ziekenhuizen in 2014 was 4,15%, in de ggz was dit 4,83%. In de verpleging, verzorging en thuiszorg was het verzuimpercentage 5,64% en in de gehandicaptenzorg 5,02%. In de jeugdzorg was het 5,3%.

Vraag 306:

Wat is de gemiddelde uittredeleeftijd van zorgverleners, uitgesplitst per zorgsector?

Antwoord 306:

Er zijn geen cijfers bekend over de gemiddelde uittredeleeftijd van zorgverleners. Hierop wordt geen administratie bijgehouden.

Vraag 307:

In welke regio's is er een tekort aan zorgpersoneel, en aan welk zorgpersoneel?

Antwoord 307:

Er bestaan verschillen tussen regio’s wanneer het gaat om de tekorten aan personeel. Deze regionale verschillen worden op dit moment meegenomen in het onderzoeksprogramma Zorg en Welzijn. Uitkomsten hiervan zijn op dit moment nog niet bekend, maar hierover wordt de Kamer eind 2015 geïnformeerd.

Vraag 308:

Hoeveel mensen zijn geregistreerd in de wet BIG en hoeveel mensen zijn dit per beroepsgroep?

Antwoord 308:

Per 30 september 2015 waren er in totaal 353.128 beroepsbeoefenaren geregistreerd in het BIG-register. In onderstaande tabel is dit uitgesplitst per beroepsgroep.

Beroepsgroep

Aantallen

Apothekers

6.988

Artsen

82.268

Fysiotherapeuten

34.296

GZ-psychologen

16.771

Psychotherapeuten

6.936

Tandartsen

14.274

Verloskundigen

3.963

Verpleegkundigen

187.632

Totaal

353.128

Vraag 309:

Uit welke landen wordt buitenlands personeel aangetrokken om te werken in de zorg in Nederland?

Antwoord 309:

Van over de hele wereld kunnen mensen in Nederland komen werken in de zorg. Het meeste buitenlandse zorgpersoneel komt uit de Europese Economische Ruimte (EER) landen.

Vraag 310:

Waarom wordt er met buitenlands personeel gewerkt in de Nederlandse zorg?

Antwoord 310:

Er kunnen verschillende redenen zijn om met buitenlands personeel te werken, bijvoorbeeld omdat buitenlandse zorgverleners in Nederland zijn komen wonen, maar soms ook om tekorten in zorgpersoneel op te vangen. Deze redenen worden echter niet geadministreerd. Buitenlands personeel van binnen de EER stroomt gemakkelijker in omdat er vrij verkeer van personen en van diensten bestaat. Zorgverleners uit EER-landen van in Nederland niet gereglementeerde beroepen kunnen zonder belemmeringen in de Nederlandse zorg aan de slag. Zorgverleners uit EER-landen van in Nederland gereglementeerde beroepen, zoals artsen en verpleegkundigen, moeten voldoen aan de eisen zoals gesteld in de Wet BIG. Die eisen hebben betrekking op de opleiding, de werkervaring en de beheersing van de Nederlandse taal.

Vraag 311:

Welke besparing op personeelskosten moet buitenlands personeel opleveren in verhouding tot Nederlands personeel?

Antwoord 311:

Buitenlands personeel wordt op gelijke wijze behandeld en betaald als Nederlandse zorgverleners. Dit levert dus geen besparing op.

Vraag 312:

Welke maatregelen treft de regering om de agressie tegen hulpverleners in de zorg aan te pakken?

Antwoord 312:

Agressie tegen hulpverleners moet worden teruggedrongen. Om die reden hebben we het Actieplan «Veilig werken in de zorg» opgesteld met sociale partners in de zorg, de Minister van Veiligheid en Justitie (VenJ) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Op basis van dit actieplan wordt jaarlijks ruim € 3 miljoen besteed aan een brede aanpak van agressie en geweld in de sector zorg en welzijn. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk gemaakt dat hulpverleners anoniem aangifte kunnen doen. Ook wordt het doen van aangifte door de werkgever gestimuleerd.

Door middel van de ondersteuningsregeling worden hulpverleners getraind om agressie en geweld terug te dringen en meer de-escalerend te werken. Jaarlijks helpen we met de ondersteuningsregeling zo ongeveer tweehonderd instellingen. Ook worden regelmatig vanuit het actieplan intersectorale regionale bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens deze sessies wisselen medewerkers ervaringen en good practices uit. Er worden ook bijeenkomsten georganiseerd om de samenwerking tussen de politie en zorgorganisaties te verbeteren.

Vraag 313:

Hoe wordt gecontroleerd of zorgverleners die werkzaam zijn in de zorg daadwerkelijk geregistreerd staan in het BIG-register?

Antwoord 313:

Een beroepsbeoefenaar mag een beschermde beroepstitel alleen voeren als hij geregistreerd is in het BIG-register. Ook is een beroepsbeoefenaar alleen bevoegd voor het zelfstandig verrichten van voorbehouden handelingen als hij geregistreerd is. Bij inschrijving in het BIG-register wordt gecontroleerd of de beroepsbeoefenaar over het juiste diploma beschikt. Het BIG-register is openbaar om zo de transparantie voor patiënten, zorgverzekeraars, werkgevers en andere zorgverleners te waarborgen. Elke vijf jaar moeten beroepsbeoefenaren vervolgens aantonen dat ze aan de gestelde herregistratie-eisen voldoen. Een patiënt kan zelf in het BIG-register inzien of een beroepsbeoefenaar in het BIG-register is geregistreerd. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van werkgevers om te controleren of bij hen werkzame beroepsbeoefenaren, die een wettelijk gereguleerd beroep uitoefenen, geregistreerd zijn. De Inspectie voor de Gezondheidszorg ziet hier op toe. Tevens kunnen verzekeraars dit controleren bij het aangaan van een contract en patiënten bij het aangaan van een behandeling.

Vraag 314:

Hoe groot zijn de wachtlijsten voor de hbo-verpleegkundige opleiding?

Antwoord 314:

Veertien van de zeventien verpleegkundige opleidingen hebben voor het studiejaar 2015–2016 een numerus fixus ingesteld. De numerus fixus is ingesteld om de kwaliteit van de opleiding te waarborgen. Echter, alle geselecteerde eerstejaars studenten zijn op de verschillende HBO-V opleidingen geplaatst. Ook bij de drie verpleegkundige opleidingen zonder numerus fixus zijn alle aangemelde studenten geplaatst. Er is dus geen sprake van een wachtlijst.

Vraag 315:

Hoeveel opleidingsplekken zijn er in Nederland voor zorgopleidingen en voor welke niveaus?

Antwoord 315:

In onderstaande tabel vindt u een door de MBO-Raad, op basis van DUO-gegevens, samengesteld overzicht van het aantal MBO leerlingen in 2014 (peildatum 1-10-2014) in de opleidingen Zorg en Welzijn.

Niveau:

1

2

3

4

Totaal

Apothekersassistent

     

2.295

2.295

Dienstverlening

 

16.824

   

16.824

Doktersassistent

     

4.199

4.199

Entree

567

     

567

Facilitair Leidinggeven

     

1

1

Maatschappelijke Zorg

   

7.365

13.044

20.409

Mbo-Verpleegkundige

     

21.151

21.151

Niet gespecificeerd naar beroepsopleiding

   

24

44

68

Pedagogisch werk

   

9.058

18.080

27.138

Praktijkopleider

     

50

50

Schoonheidsverzorging

   

2.984

2.244

5.228

Sociaal werk

     

5.264

5.264

Sport en bewegen

   

5.821

10.372

16.193

Tandartsassistent

     

2.556

2.556

Verzorgende IG

   

24.824

 

24.824

Voetzorg

   

47

33

80

Totaal

567

16.824

50.123

79.333

146.847

In onderstaande tabel vindt u een overzicht van het aantal HBO-leerlingen in 2014, samengesteld op basis van gegevens van de Vereniging Hogescholen, opgesplitst naar opleiding en niveau.

Opleiding en niveau

(ad = associate degree; b = bachelor; m = master)

Aantal

ad management in de zorg

250

ad praktijkondersteuner in de zorg

16

ad sport, gezondheid en management

46

b audiologie

b farmakunde

418

b huidtherapie

671

b kunstzinnige therapie

329

b management in de zorg

832

b medisch beeldvormende en radiotherapeutische technieken

1.665

b medische hulpverlening

461

b mondzorgkunde

1.181

b oefentherapie cesar

300

b opleiding podotherapie

417

b opleiding tot fysiotherapeut

8.243

b opleiding tot oefentherapeut-mensendieck

487

b opleiding tot verpleegkundige

16.372

b opleiding voor ergotherapie

2.235

b opleiding voor logopedie

2.305

b optometrie

581

b orthoptie

166

b psychomotorische therapie en bewegingsagogie

446

b sport, gezondheid en management

1.582

b toegepaste gerontologie

244

b verloskunde

860

b voeding en dietetiek

3.172

m advanced nursing practice

603

m health care and social work

68

m physician assistant

379

Totaal

44.329

Vraag 316:

Hoeveel zorgverleners zijn in 2015 ontslagen vanwege bezuinigingen, uitgesplitst per zorgsector en beroep? Wat zijn de cijfers van voorgaande jaren?

Antwoord 316:

Bij de brief van 3 september 2015 aan de Tweede Kamer is als bijlage de monitor sectorplannen meegestuurd (TK 33 891, nr, S). In deze monitor zijn gegevens over ontslagen medewerkers in de sector zorg en welzijn opgenomen.

Onbekend is of er sprake is van ontslag vanwege de bezuinigingen. Daarnaast zijn uitsplitsingen naar beroep niet mogelijk. Verder zijn geen ontslaggegevens naar zorgsector bekend over de periode voor 2014.

In de monitor wordt onderscheid gemaakt tussen ontslaggegevens en WW-gegevens, beide van het UWV. Bij de ontslaggegevens gaat het om ontslagen op bedrijfseconomische gronden, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen meldingen collectief ontslag, daadwerkelijke ontslagaanvragen en verleende ontslagvergunningen. In onderstaande tabel zijn deze gegevens gepresenteerd voor de langdurige zorg (ggz, gehandicaptenzorg en vvt). Daarbij is onderscheid gemaakt tussen het 1e half jaar 2014, 2e half jaar 2014 en 1e half jaar 2015.

 

1e half jaar 2014

2e half jaar 2014

1e half jaar 2015

Meldingen collectief ontslag

4.446

6.019

4.412

Ontslagaanvragen

1.045

3.520

2.684

Verleende ontslagvergunningen

628

1.343

1.583

Bij de WW-gegevens wordt onderscheid gemaakt tussen WW-aanvragen, WW-toekenningen en de uitstroom uit de WW. In onderstaande tabel zijn wederom gegevens gepresenteerd voor de langdurige zorg, uitgesplitst naar dezelfde tijdsperiodes.

 

1e half jaar 2014

2e half jaar 2014

1e half jaar 2015

WW-aanvragen

20.389

21.134

24.471

WW-toekenningen

18.222

16.265

22.109

Uitstroom uit de WW

14.059

13.405

16.479

Bij zowel de WW-aanvragen als de WW-toekenningen uit de WW gaat het niet om unieke personen. De ervaring leert dat dezelfde persoon meerdere keren in een bepaalde periode een WW-uitkering aanvraagt en toegekend krijgt. Het aantal personen dat in de gehele periode van 18 maanden in de WW terecht is gekomen, is dus lager dan 56.000.

Het verschil tussen de ruim 3.500 door het UWV toegekende ontslagvergunningen en de 56.000 door het UWV toegekende WW-aanvragen in de gehele periode van 18 maanden kan worden verklaard door onder andere het van rechtswege aflopen van tijdelijke contracten, het gebruik van vaststellingsovereenkomsten in geval van ontslag met wederzijds goedvinden en faillissementen. In deze gevallen is geen ontslagvergunning van het UWV noodzakelijk, terwijl er wel recht kan zijn op een WW-uitkering.

Vraag 317:

Waarom zijn er minder opleidingsplaatsen voor physician assistants ingevuld in 2015 dan van te voren verwacht?

Antwoord 317:

Zie het antwoord op vraag 326.

Vraag 318:

Waarom stopt de bijdrage aan het CIBG voor het landelijk meldpunt zorg in 2016 en waar gaat de overige 92.000 euro heen van de bijdragen?

Antwoord 318:

De middelen voor het Landelijk Meldpunt vanaf 2016 zijn geraamd bij de IGZ op artikel 10 van de begroting.

De uitvoering van de subsidieregeling patiënten en gehandicaptenorganisaties is vanaf medio 2013 overgegaan van het CIBG naar het kerndepartement. De overige € 92.000 betreft een bijdrage aan het CIBG voor de laatste termijn frictiekosten.

Vraag 319:

Wat is de oorzaak van de aanzienlijke verlaging van het budget van het CAK (2015: 99.459.000 en 2016: 69.870.000)? Welke gevolgen heeft dit voor de organisatie en de uitvoering van de taken van het CAK?

Antwoord 319:

In verband met de afschaffing van de Wtcg, CER en eigen bijdrage zorg zonder verblijf is het financieel kader structureel verlaagd. Verder zijn nog niet alle veranderingen in het takenpakket van het CAK meegenomen in het beheerskostenbudget. Dit heeft te maken met de onzekerheid van de termijn waarop de burgerregelingen worden overgeheveld van Zorginstituut Nederland naar het CAK. De uitvoeringskosten van de burgerregelingen zijn vooralsnog opgenomen in het financieel kader van Zorginstituut Nederland.

Vraag 320:

Wat is de oorzaak van de aanzienlijke verlaging van het budget van het Zorginstituut Nederland (2015: 68.479.000 en 2016: 48.503.000)? Welke gevolgen heeft dit voor de organisatie en de uitvoering van de taken van het Zorginstituut Nederland?

Antwoord 320:

Er is geen sprake van een aanzienlijke verlaging van het budget van het Zorginstituut Nederland (hierna het Zorginstituut). De hoogte van het reguliere beheerskostenbudget bedraagt € 48,5 miljoen per jaar. Aanvullend op dit reguliere budget worden jaarlijks door VWS voor de taken (waaronder wanbetalers, onverzekerden, onverzekerbare vreemdelingen en het project systematische doorlichting pakket) gelden aan het Zorginstituut beschikbaar gesteld. De reden van deze wijze van financiering is dat de genoemde taken nog in ontwikkeling zijn en de uitvoeringskosten fluctueren. Deze aanvullende middelen kunt u terugvinden op artikel 2.3 van de VWS-begroting.

Opgemerkt dient te worden, dat een groot deel van dit aanvullende budget zal worden overgeheveld naar het CAK in verband met de in 2016 voorziene overheveling van de burgerregelingen van het Zorginstituut naar het CAK.

Vraag 321:

Waarom is vanaf 2017 geen subsidie meer beschikbaar voor het voorkomen oneigenlijk gebruik en aanpak fraude?

Antwoord 321:

Deze subsidies worden verstrekt door de programmadirectie Fraudebestrijding in de zorg. Deze directie is in beginsel ingesteld tot medio 2017. In de aanloop daar naar toe zal worden bezien waar en op welke wijze binnen VWS de zorgbrede aandacht voor het voorkomen van onrechtmatigheden in de zorg wordt belegd en hoeveel middelen daarvoor dan benodigd zijn.

Vraag 322:

Waaruit bestaat de post opdrachten, die niet gespecifieerd is?

Antwoord 322:

Door middel van opdrachten kunnen ontwikkelingen worden gestimuleerd op het terrein van rechtmatige zorg. Zo wordt kennisontwikkeling gestimuleerd en initiatieven op het terrein van rechtmatige zorg aangejaagd en versterkt. Dit is beschreven in het programmaplan «Rechtmatige zorg: aanpak fouten en fraude 2015–2018» dat op 27 maart 2015 naar de Tweede Kamer is verzonden (TK 28 828, nr. 89). Er wordt onder meer bezien op welke wijze (blijvend) invulling kan worden gegeven aan de casuïstiek en kennisuitwisseling in multidisciplinair verband wanneer de pilot Expertisecentrum zorgfraudebestrijding op 31 december 2015 eindigt. Ook zijn middelen gereserveerd voor een verdere versterking van het toezicht en de (strafrechtelijke) handhaving in de zorg. In overleg met de betrokken toezichthouders, opsporingdiensten en het OM wordt bepaald waar de accenten worden gelegd en hoe de middelen worden verdeeld.

Vraag 323:

Er worden subsidies verstrekt aan patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zodat kennis en ervaringen van cliënten zelf optimaal gebruikt worden voor goede zorg en ondersteuning. Hoeveel financiële middelen gaan er in dit kader van de Rijksbegroting naar de belangenvereniging Per Saldo? Hoeveel financiële middelen gaan er in totaal vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport richting Per Saldo voor hun ondersteunende werk in de pgb-problematiek? In hoeverre is het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierbij betrokken?

Antwoord 323:

Jaarlijks wordt aan Per Saldo door VWS een instellingssubsidie verleend voor het geven van advies, informatie en ondersteuning aan budgethouders. Hiernaast is het mogelijk dat een projectsubsidie wordt gegeven, wanneer een organisatie als Per Saldo specifieke activiteiten ontplooit die VWS financieel wenst te ondersteunen omdat het goed past binnen geformuleerde beleidsdoelstellingen. Zo ontvangt Per Saldo over de periode 2014–2016 een projectsubsidie om een informatiepunt te verzorgen in het kader van het Wlz-overgangsrecht.

In 2014 ontving Per Saldo in totaal circa € 1 miljoen aan subsidiegelden, hiervan betrof circa € 0,9 miljoen de instellingssubsidie voor reguliere activiteiten. Zodoende is circa € 0,1 miljoen ontvangen in het kader van projecten. In 2015 is tot dusver een instellingssubsidie verleend van circa € 1 miljoen. Een (beperkte) herziening hiervan in het kader van de bijdrage die Per Saldo levert aan het oplossen van de problemen omtrent het trekkingsrecht heb ik thans in behandeling. Voorts ontvangt Per Saldo nog middelen in het kader van bovengenoemd informatiepunt, circa

€ 0,6 miljoen. Conform de geldende systematiek worden deze subsidies vastgesteld na afloop van de subsidiabele periode, nadat verantwoording is afgelegd over de uitgevoerde activiteiten en de besteding van de subsidiegelden. Het vaststellingstraject van de instellingssubsidie 2014 loopt thans nog.

Er bestaat op dit moment geen financiële relatie tussen Per Saldo en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Vraag 324:

In de toelichting over de subsidies die worden verstrekt voor de positie van de patiënt wordt vooral gesproken over patiëntervaringen en de uitwisseling hiervan, maar wordt deze subsidie ook gebruikt om de versteviging van de positie van de patiënt in de machtsdriehoek tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar te verstevigen, en zo ja, op welke manier?

Antwoord 324:

Deze subsidie vanuit het Beleidskader subsidiëring patiënten- en gehandicaptenorganisaties wordt zeker ook gebruikt om de positie van de patiënt in de machtsdriehoek tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar te verstevigen. Dit gebeurt door de vier onderstaande geldstromen:

  • Binnen subsidiestroom 1 krijgen circa 200 patiënten- en gehandicaptenorganisaties jaarlijks per organisatie max. € 35.000 subsidie voor a) het delen van ervaringskennis van individuele cliënten, b) voor informatievoorziening en c) voor lotgenotencontact. Door het aanbieden en uitwisselen van ervaringskennis kunnen cliënten zelf betere keuzes maken, de regie over hun leven voeren, zelf verantwoordelijkheid nemen voor hun eigen gezondheid en maatschappelijk participeren.

  • Binnen subsidiestroom 2 krijgen circa 200 patiënten- en gehandicaptenorganisaties per organisatie jaarlijks een voucher waarmee een organisatie een projectsubsidievraag kan ondersteunen. Projectsubsidie kan worden aangevraagd met tenminste zeven vouchers. Een voucher is geen waardebon of een zelfstandig recht op subsidieverstrekking. Een voucher correspondeert met een vastgestelde waarde van € 18.000. Met minimaal 7 organisaties vindt bundeling van krachten plaats en kan met een projectsubsidie van minimaal € 126.000 per jaar effectieve invloed uitgeoefend worden op professionals, aanbieders, verzekeraars en andere maatschappelijke organisaties.

  • Binnen subsidiestroom 3 krijgen de drie koepelorganisaties (de NPCF, Ieder(in) en LPGGz) ieder een subsidie om een regierol te kunnen spelen. Door het scherp houden van overheden, politiek, verzekeraars, aanbieders en andere maatschappelijke organisaties vervullen de drie koepelorganisaties een belangrijke taak. Zij kunnen onderwerpen die grote groepen patiënten en gehandicapten raken, op de politieke agenda zetten en signalen en ervaringen van lidorganisaties bundelen en ook de uitkomsten van hun inbreng terugkoppelen. Daarnaast hebben de drie koepelorganisaties een regierol bij de inbreng van cliëntenervaringen bij onder meer richtlijnontwikkeling. Naast een eigen structurele subsidie, krijgen zij een extra subsidie voor een gezamenlijk werkplan. Het doel daarvan is een krachtige stem van de cliënt.

  • Ten slotte heeft PGO support de opdracht om de patiënten- en gehandicaptenorganisaties te ondersteunen bij de professionaliseringsslag en het professionaliseren van de inbreng van het cliëntenperspectief bij onder meer professionele standaarden (richtlijnen en zorgstandaarden).

Naast de subsidies vanuit het Beleidskader subsidiëring patiënten- en gehandicaptenorganisaties, zijn er ook andere projectsubsidies om de positie van de patiënt in de machtsdriehoek tussen zorgaanbieder en zorgverzekeraar te verstevigen, bijvoorbeeld de subsidies in het kader van de jaar van de transparantie (onder andere keuzehulpen en uitbreiding van zorgkaartnederland.nl).

Vraag 325:

Het doel van het stagefonds is de kwaliteit en toegankelijkheid van zorgopleidingen te verbeteren. Wat dragen het stagefonds en de stageplaatsen bij aan dit doel? Hoe wordt de effectiviteit van deze subsidie getoetst? Met andere woorden: wanneer is het doel bereikt? Vloeien er ook private gelden in dit stagefonds en/of dragen zorgaanbieders zelf bij aan de bekostiging van de stagiair(e)s?

Antwoord 325:

Stages zijn een essentieel onderdeel van de zorgopleidingen. Zonder voldoende en kwalitatief goede stageplaatsen kunnen de opleidingen niet met goed gevolg voltooid worden, kunnen minder opleidingsplaatsen vervuld worden en stromen uiteindelijk minder zorgverleners de arbeidsmarkt op.

De subsidieregeling stageplaatsen zorg (stagefonds) heeft als doel om zorginstellingen via een bijdrage in de stagebegeleidingskosten te stimuleren meer stageplaatsen aan te laten bieden en de begeleiding van stagiaires te verbeteren. Daarmee draagt het stagefonds via de beschikbaarheid van stageplaatsen bij aan de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel.

De doeltreffendheid en doelmatigheid van de subsidieregeling wordt elke vijf jaar beoordeeld bij de evaluatie van de subsidieregeling. De eerstvolgende evaluatie zal in 2016 worden afgerond.

Het stagefonds wordt gefinancierd via de VWS-begroting. Het stagefonds beoogt niet de volledige financiering van stageplaatsen, maar de stimulering van de beschikbaarstelling daarvan. Het grootste deel van de kosten die de zorgaanbieders maken voor stageplaatsen, stagebegeleiding en stagevergoedingen dragen de zorgaanbieders zelf bij.

Vraag 326:

Hoeveel nieuwe opleidingsplaatsen voor nieuwe beroepsbeoefenaren (verpleegkundig specialisten en physician assistants) komen erbij in 2016? Waarom zijn er minder opleidingsplaatsen voor physisician assistants ingevuld in 2015 dan van te voren verwacht? Hoeveel physician assistants zijn er werkzaam, uitgesplitst in de eerste lijn, tweede lijn (UMC's en perifere ziekenhuizen separaat)?

Antwoord 326:

Het totaal aantal bekostigde opleidingsplaatsen voor 2016 van de physician assistant en de verpleegkundig specialist gezamenlijk is gelijk aan die van 2014 en 2015, te weten 700.

Het onvoldoende benutten van de beschikbare opleidingsplaatsen wordt met name veroorzaakt door een tekort aan stageplekken. Dit tekort kan worden verklaard door de terughoudendheid van ziekenhuizen vanwege de onduidelijkheid over de consequenties van de invoering van de integrale bekostiging met ingang van dit jaar. Verwacht wordt dat nu zich dit heeft uitgekristalliseerd het aantal stageplekken weer zal aantrekken.

De exacte aantallen van werkzame pa’s is niet te geven. Inschrijving bij de beroepsvereniging is geen verplichting en evenmin is uit te sluiten dat mensen wel geregistreerd staan als pa, maar inmiddels niet meer werkzaam zijn. Het geschatte aantal werkende pa’s is 580. 90% van deze physician assistants werkt in ziekenhuizen. De overige 10% in huisartsenpraktijken of ggz-instellingen. Een uitsplitsing naar UMC’s en perifere ziekenhuizen is niet te geven.

Vraag 327:

U schrijft over innovatie en zorgberoepen die moeten meegroeien met de zorgomslag. Als voorbeeld noemt u de ziekenhuisarts en noodzaak tot onderzoek of deze positie aansluit bij de behoefte. Kunt u aangeven waarop het bedrag van 8,3 miljoen euro is gebaseerd om vervolgens de zorgopleidingen aan te passen mocht er meer vraag zijn naar de ziekenhuisarts?

Antwoord 327:

Bijna € 6 miljoen van de € 8,3 miljoen wordt besteed aan opleidingsplaatsen voor ziekenhuisartsen. De rest van het bedrag is gereserveerd voor andere projecten op het terrein van innovatie van beroepen en opleidingen.

Momenteel zijn 53 AIOS (waarvan er 8 bekostigd worden door het veld zelf) in opleiding tot ziekenhuisarts. Elk half jaar beginnen 4 door VWS gesubsidieerde AIOS in het kader van een pilot traject met de opleiding tot ziekenhuisarts (tot en met 2018). Dit is de maximale instroom voor de (huidige) opleiding. Wel hebben meer ziekenhuizen aangegeven interesse te hebben in het opleiden van ziekenhuisartsen. Zij willen deze extra opleidingsplekken voor ziekenhuisartsen zelf bekostigen.

Vraag 328:

Welke resultaten heeft Celsus inmiddels opgeleverd voor het beleid van de Minister van VWS op het gebied van de stijgende zorguitgaven?

Antwoord 328:

Het doel van de Celsus Academie is om kennis te genereren op het terrein van betere kwaliteit van de zorg voor minder geld. De focus ligt derhalve op de doelmatigheid van de zorg. Deze kennis moet bovendien aanknopingspunten bieden voor implementatie, rondom de vier centrale betaalbaarheidsthema’s: 1) beleid, 2) kwaliteit, 3) cultuur en 4) innovatie. Het programma bestaat uit fundamenteel en toegepast onderzoek, naast onderwijs- en disseminatieactiviteiten.

Met het toegepaste onderzoek heb ik reeds een keur aan kennisvragen kunnen beantwoorden – in enkele gevallen ook aan uw Kamer (onder andere uitkomstbekostiging, verspilling, dure zorgvoorzieningen). Er is ook nuttig werk verricht voor de website Zorg-Op-De-Kaart, in het kader van Zorg-Keuzes-in-Kaart en er zijn benchmarkrapportages voor elke instelling binnen de langdurige zorg aangeleverd. Later dit jaar vindt een uitgebreid onderzoek plaats naar de mening van de medisch specialist over hoe de zorg betaalbaar te houden. Daarnaast wordt gewerkt aan toegankelijke kennis over betaalbare zorg voor verschillende doelgroepen, ondermeer voor ambtenaren en medisch specialisten.

Fundamentele verbeteringsvoorstellen verwacht ik vanuit de gekozen meerjarige kennisspeerpunten: vergelijking verschillend budgettair beleid, uitkomstbekostiging, «dure» patiënten, medicalisering en kostenbesparende procesinnovaties. Op de website www.celsusacademie.nl vindt u uitgebreide informatie over activiteiten, rapporten en artikelen van de Celsus Academie.

Vraag 329:

Hoe draagt de arbeidsmarktinformatie van azwinfo.nl bij aan de goed functionerende arbeidsmarkt? Deelt u de mening dat een overzicht van aanbod van vacatures en personeel hier meer aan bijdraagt? In hoeverre overlapt informatie op deze website met andere overheidsinformatie, zoals van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of van het UWV?

Antwoord 329:

De website www.azwinfo.nl bevat allerlei relevante gegevens over het functioneren van de arbeidsmarkt in de sector zorg en welzijn. Deze informatie is bedoeld voor beleidsmakers op lokaal, regionaal en nationaal niveau, zodat zij hun arbeidsmarktbeleid kunnen baseren op betrouwbare cijfers over de werking van de arbeidsmarkt. Zowel het UWV als het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maken gebruik van deze cijfers. Ook maakt het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn op zijn beurt gebruik van cijfers van UWV en het Ministerie van SZW. De gegevens zijn dan ook eerder aanvullend dan overlappend.

Voor een ieder toegankelijke gegevens over vacatures zijn eveneens zeer relevant voor het functioneren van de arbeidsmarkt in de sector zorg en welzijn. Dergelijke gegevens worden verzameld door de regionale werkverbanden in zorg en welzijn en op voor een ieder toegankelijke websites geplaatst. Vanuit VWS wordt dit ondersteund vanuit het regionale arbeidsmarktbeleid.

Vraag 330:

Wanneer heeft het Kwaliteitsinstituut haar doorzettingsmacht gebruikt in belang van kwaliteit van zorg voor de patiënt?

Antwoord 330:

Al in 2013 heeft het Kwaliteitsinstituut bijzondere aandacht voor hartfalen en chronische nierschade gevraagd met als resultaat dat huisartsen en cardiologen een landelijke transmurale afspraak over hartfalen hebben opgesteld. De partijen zijn gestart met een multidisciplinaire kwaliteitsstandaard voor patiënten met nierschade.

Eind 2014 heeft het Kwaliteitsinstituut het onderwerp «spoedzorg» op de meerjarenagenda geplaatst. Aanleiding hiervoor was een verzoek van Zorgverzekeraars Nederland. Het Kwaliteitsinstituut is hierover in gesprek gegaan met betrokken partijen. Het Kwaliteitsinstituut heeft vervolgens een tijdelijke expertgroep «spoedzorg» ingesteld voor de onderdelen waarover partijen niet tot overeenstemming konden komen. Dit is de eerste keer dat de ontwikkeling van een kwaliteitsstandaard (en de daarbij behorende meetinstrumenten) onder directe verantwoordelijkheid van het Kwaliteitsinstituut ter hand zijn genomen. Door het onder regie nemen van het onderwerp «spoedzorg» en het instellen van een expertgroep heeft het Kwaliteitsinstituut voor wat betreft het proces zijn doorzettingsmacht ingezet.

Op verzoek van veldpartijen is het dossier verbreed naar de spoedzorgketen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de kwaliteit van triage en de kwaliteit van de overdracht. Ook hier wordt eerst gekeken in hoeverre de betrokken veldpartijen er zelf uit kunnen komen. Het Kwaliteitsinstituut faciliteert hierbij het proces en zet daarmee zijn doorzettingsmacht in. Indien het de betrokken partijen niet lukt om tot een gezamenlijk kwaliteitskader voor de spoedzorgketen (SEH, IC, ambulance en HAP) te komen, dan is ook hier de weg vrij om de doorzettingsmacht daadwerkelijk in te zetten.

Vraag 331:

Kunt u een overzicht geven van de gemeenten die geen eigen bijdrage voor de jeugdzorg heffen?

Antwoord 331:

Het CAK heeft een overzicht met een stand van zaken per half juli 2015. Onderstaande gemeenten innen momenteel helemaal geen ouderbijdrage.

Den Bosch

Amstelveen

Appingedam

Aalsmeer

Bergen op Zoom

Castricum

Alphen aan de Rijn

Comstrijen

Delfzijl

Dronten

Enschede

Groningen

Haarlem

Haren

Heerlen

Hillegom

Kaag en Braassem

Katwijk (ZH)

Leek

Leiden

Leiderdorp

Lisse

Loppersum

Nieuwkoop

Noordwijk

Noordwijkerhout

Oegstgeest

Stadskanaal

Ten Boer

Teijlingen

Uithoorn

Valkenswaard

Voorschoten

Zandvoort

Zeevang

Zoetermeer

Zoeterwoude

Zutphen

Bernheze

Daarnaast zijn er ongeveer 10 gemeenten die voor daghulp geen ouderbijdrage innen; ongeveer 20 gemeenten doen geen mutaties, dus innen voor nieuwe cliënten geen ouderbijdrage en bij enkele gemeenten gaat het om zulke kleine aantallen dat de reden onduidelijk is.

Vraag 332:

Op welke manier waarborgt het Zorginstituut Nederland bij de ontwikkeling van kwaliteitsstandaarden het verkleinen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen?

Antwoord 332:

Het Kwaliteitsinstituut controleert de kwaliteitsstandaarden die tripartiete – dat wil zeggen door zorgaanbieders, patiënten en verzekeraars – worden aangeboden procedureel. Ze hanteert daarvoor het toetsingskader dat te vinden is op de website van het Zorginstituut. Het toetsingskader geeft aan dat een kwaliteitsstandaard moet beschrijven wat goede zorg is vanuit het perspectief van de patiënt. Een kwaliteitsstandaard moet daarom ook aandacht besteden aan bijvoorbeeld de vraag of er sprake is van relevante leeftijdsverschillen en etnische, sociaaleconomische of gender verschillen.

Vraag 333:

Hoeveel DBC's zijn er afgelopen jaar aangepast, zodat er meer passende zorg geboden kon worden? Wat is het voornemen voor komend jaar, en wie heeft hierover de regie?

Antwoord 333:

De NZa stelt prestaties, tarieven en regelgeving voor de medisch-specialistische zorg vast. Deze komen tot stand in afstemming met zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Bij het bepalen van de wijzigingen in het DBC-pakket wordt afgewogen welke aanpassingen urgent zijn om door te voeren, ook gegeven het effect op de stabiliteit van het systeem. Ook wordt meegewogen welke aanpassingen noodzakelijk zijn om aan te blijven sluiten bij ontwikkelingen in de zorgpraktijk.

De voornaamste wijzigingen in de productstructuur die het afgelopen jaar zijn aangepast voor invoering per 2016 hebben betrekking op spoedeisende hulp en licht complexe zorg, transplantatiezorg en interventieradiologie. De wijzigingen voor spoedeisende hulp en lichtcomplexe zorg zijn gericht op het verbeteren van de herkenbaarheid en homogeniteit van de prestaties, en op het faciliteren van de onderhandelingen tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars. Ook dienen de wijzigingen bij te dragen aan een herkenbare nota voor de patiënt die beter aansluit bij de ontvangen zorg.

Bij transplantatiezorg sluit de aangepaste productstructuur beter aan bij de integrale zorgketen, waarin expertisecentra en perifere ziekenhuizen en beschouwende en snijdende specialismen samenwerken. Voor interventieradiologie heeft de wijziging van de productstructuur tot doel de ondersteunende rol van de interventieradioloog bij de behandeling van een zorgvraag door de hoofdbehandelaar beter zichtbaar te maken.

In totaliteit worden er per 2016 zo’n 200 nieuwe DBC-zorgproducten geïntroduceerd en ruim 300 oude DBC-zorgproducten beëindigd. De NZa zal eind 2015 een besluit nemen over de voorgenomen wijzigingen in het DBC-systeem per 2017. Op dit moment kan er dus nog geen uitspraak gedaan worden over het aantal aanpassingen in DBC-zorgproducten per 2017.

Vraag 334:

Welke vergelijkingsinformatie over zorginstellingen is inmiddels beschikbaar via het Zorginstituut? Hoe recent is deze informatie?

Antwoord 334:

Op de website www.zorginzicht.nl geeft het Kwaliteitsinstituut inzicht in de datasets die door zorgaanbieders zijn aangeleverd. Deze data worden bovendien in voor patiënten begrijpelijke vorm gepubliceerd op www.kiesBeter.nl. Het gaat om vergelijkingsinformatie over de kwaliteit van zorg voor verschillende aandoeningen en condities in verschillende sectoren:

  • Ziekenhuizen en Zelfstandige Behandelcentra | Medisch specialistische zorg over de verslagjaren 2008 tot en met 2014

  • Verpleging, Verzorging en Thuiszorg over de verslagjaren 2008 tot en met 2013. Eind 2015 volgt verslagjaar 2014

  • Medisch specialistische revalidatie over de verslagjaren 2013 en 2014

  • Kraamzorg over de verslagjaren 2010 tot en met 2014

  • Gehandicaptenzorg over de verslagjaren 2009 tot en met 2014

  • Geestelijke gezondheidszorg over de verslagjaren 2008 tot en met 2013. Eind 2015 volgt verslagjaar 2014

  • Fysiotherapie over de verslagjaren 2009 tot en met 2011

Op https://www.zorginzicht.nl/Bibliotheek/Paginas/Transparantiekalender.aspx is per sector en per aandoening of conditie aanvullende informatie beschikbaar.

Vraag 335:

Is er vergelijkingsinformatie over kwaliteitsgegevens over zorginstellingen vertraagd? Zo ja, welke en waarom?

Antwoord 335:

Er is voor 2 sectoren sprake van enige vertraging.

De kwaliteitsinformatie over de VVT is door de instellingen aangeleverd, maar door gebruik van een oude code is het niet direct mogelijk om te herleiden welke kwaliteitsinformatie bij welke aanbieder op welk adres hoort. Met behulp van de branchepartijen verwacht het Kwaliteitsinstituut dit najaar tot publicatie te komen.

Op verzoek van GGZ NL, Zorgverzekeraars Nederland en Landelijk Platform GGz was de aanleverdatum van de kwaliteitsinformatie vooruitgeschoven naar 15 september. Op verzoek van IGZ is nog eens 14 dagen respijt gegeven in verband met de veiligheidsindicatoren. Medio oktober zijn de gegevens in de openbare database opgenomen en gepubliceerd op de website www.zorginzicht.nl. Via deze website stelt het Kwaliteitsinstituut open datasets beschikbaar.

Vraag 336:

Wat is de stand van zaken ten aanzien van het invoeren van een meldcode voor vermoedens van fraude conform de aangenomen motie van de leden Klever en Gerbrands (Kamerstuk 28 828 nr. 86)?

Antwoord 336:

Zoals ik in mijn brief van 30 juni aangaf zijn er veel stappen gezet op het gebied van de invoering van een meldcode voor zorgverleners bij vermoedens van zorgfraude (TK 28 828, nr. 91). Samen met veldpartijen worden bestaande initiatieven uitgebouwd en versterkt. Een voorbeeld daarvan is het beter toegankelijk maken en stimuleren van meldingen van vermoedens van fraude door aanbieders bij het meldpunt van de NZa.

Daarnaast worden nieuwe initiatieven in gang gezet. In de voortgangsrapportage «Rechtmatige zorg: aanpak fouten en fraude» die ik binnenkort aan uw Kamer stuur, ga ik meer gedetailleerd in op de stand van zaken ten aanzien van een meldcode.

Vraag 337:

Wordt bij de fraude aanpak ook gekeken naar de fraudegevoeligheid van het huidige financieringssysteem in vergelijking tot andere financieringssystemen? Zo ja, welke systemen zijn meer of minder fraudegevoelig dan het huidige systeem? Zo nee waarom niet?

Antwoord 337:

Het minst gevoelige financieringssysteem is als mensen hun kosten direct zelf betalen. Indirecte financiering is altijd meer fraude gevoelig door directe financiering.

Bij alle voorgenomen wet- en regelgeving van VWS waarbij sprake kan zijn van oneigenlijk gebruik en misbruik van publieke gelden en in geval van substantiële wijzigingen van bekostigingssystemen wordt in beginsel een fraudetoets uitgevoerd. Voor substantiële wijzigingen van bekostigingssystemen maakt deze toets onderdeel uit van de uitvoeringstoets die de NZa uitvoert. Indien uit de analyse blijkt dat sprake is van frauderisico’s, ook als die betrekking hebben op het financieringssysteem, dan zullen die waar mogelijk worden aangepakt door aanpassingen in het voorstel.

Vraag 338:

Welke accenten worden door de toezichthouders, opsporingsdiensten en het OM gelegd op het versterken van het toezicht en de strafrechtelijke handhaving in de zorg? En indien dit nog niet bekend is, wanneer wordt de Tweede Kamer hierover geïnformeerd?

Antwoord 338:

De NZa ontvangt sinds 2014 extra middelen voor het versterken van het toezicht en (bestuurlijke) handhaving in de zorg. Hiermee heeft de NZa het toezicht op correct declareren in een aantal zorgsectoren geïntensiveerd. De NZa stelt, mede met input van de bijzondere opsporingsdiensten en het OM, jaarlijks de prioriteiten vast voor het toezicht op het (declaratie)gedrag van zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Om strategisch gedrag te voorkomen, worden de sectoren waar de NZa geïntensiveerd toezicht houdt niet vooraf openbaar gemaakt.

Voor wat betreft de verdere inzet van genoemde handhavingspartijen verwijs ik u naar het programmaplan Rechtmatige Zorg. Door middel van de vierde voortgangsrapportage aanpak fouten en fraude in de zorg zal ik uw Kamer informeren over de voortgang van dit programma en de tot nu toe behaalde resultaten. Uw Kamer ontvangt de vierde voortgangsrapportage binnenkort.

Vraag 339:

Wat wordt de inzet van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bij de formulering van de accenten en het verdelen van de middelen in het kader van het versterken van toezicht en (strafrechtelijke) handhaving in de zorg?

Antwoord 339:

Sinds vorig jaar heeft het Ministerie van VWS extra middelen beschikbaar gesteld voor versterking van het toezicht en de (strafrechtelijke) handhaving in de zorg. In 2014 ging het om € 5 miljoen en vanaf 2015 om structureel € 10 miljoen Deze middelen zijn verdeeld over de NZa, de Inspectie SZW en (met ingang van 2015) het OM/FP. In de begroting is aangegeven dat wij vanaf 2016 wederom extra middelen (€ 1,2 miljoen op jaarbasis) vrijmaken voor het verder versterken van het toezicht en de (strafrechtelijke) handhaving in de zorg. In de vierde voortgangsrapportage aanpak fouten en fraude in de zorg wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de inzet van deze middelen en de accenten die wij daarbij leggen. Deze voortgangsrapportage wordt binnenkort aan uw Kamer gestuurd.

Vraag 340:

Hoeveel kinderen en jongeren maken er gebruik van de jeugdzorgvoorzieningen, uitgesplitst in de verschillende vormen van jeugdhulp? Hoeveel waren dit er in 2013 en 2014?

Antwoord 340:

In het eerste kwartaal van 2015 kregen 214.000 jongeren jeugdhulp. Voor de meeste jongeren, 158.000, was dat een vorm van ambulante jeugdhulp op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. Ruim 29.000 jongeren kregen jeugdhulp met verblijf. Hiervan waren 17.000 jongeren in een pleeggezin opgenomen en tweeduizend ondergebracht in gezinsgerichte opvang.

Tabel: kerncijfers Jeugdzorg
 

eenheid

2010

2011

2012

2013

2014

Jeugd

           

Aantal cliënten provinciale jeugdzorg

aantal

n.b.

104.090

104.345

104.965

102.175

Aantal cliënten tot 21 jaar gesloten jeugdzorg

aantal

n.b.

n.b.

2.535

2.415

n.b.

Aantal personen jonger dan 18 jaar met een indicatie jeugd-AWBZ

1.000

n.b.

97

88

82

78

Aantal personen jonger dan 18 jaar met een indicatie jeugd-Ggz

1.000

248

267

266

n.b.

n.b

Bron: CBS – Statline

Inzake een vergelijking met de jaren 2013 en 2014, is het lastig cijfers uit voorgaande jaren vergelijkbaar beschikbaar te hebben, omdat in de Wet op de jeugdzorg geen unieke cliënten werden geteld maar indicaties. Bovendien zaten de jongeren in 3 verschillende wettelijke kaders met eigen mores over toewijzen zorg, het registreren van de hulp en uiteenlopende ict systemen die dat ondersteunen. Dit vraagt om enige voorzichtigheid bij het vergelijken van aantallen jeugdhulp voor en na 1 januari 2015.

Vraag 341:

Hoe is de gemiddelde waardering van de ontvangen jeugdhulp in 2015? Hoe was die waardering in 2013 en 2014?

Antwoord 341:

Instellingen meten de cliënttevredenheid van hun cliënten. Hiervan worden nu landelijk geen cijfers verzameld.

Cliënttevredenheid maakt deel uit van de outcome-critaria in de jeugdhulp. Gemeenten zijn bezig deze criteria vorm te geven.

Vraag 342:

Kunt u gesplitst per financieringsstroom aangeven hoeveel kinderen en jongeren gebruik maken van jeugdhulp? Wat waren deze getallen in 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 342:

Zie het antwoord op vraag 340.

Vraag 343:

Hoeveel jeugdzorginstellingen zijn er actief in het totale jeugdzorgveld? Hoeveel waren dit er in 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 343:

Het aantal jeugdhulpinstellingen kan niet worden vastgesteld. Er waren en zijn aanbieders die tot 1-1-2015 zorg leverden op basis van de AWBZ, Zvw, Wet op de jeugdzorg of Wmo. Hierbij komt dat aanbieders fuseren en soms ook weer opsplitsen. Sommige aanbieders leveren niet alleen jeugdhulp. Vervolgens zijn er nieuwe toetreders, verdwijnen aanbieders en zijn er aanbieders die in een bepaald jaar geen jeugdcliënten helpen. Wij hebben het aantal geaccumuleerde aanbieders dat jeugdigen heeft geholpen uit de verschillende wettelijke kaders van 2011 tot 2014 hierom niet beschikbaar.

Voor 2015 houdt het CBS via de beleidsinformatie Jeugd bij welke aanbieders door de gemeenten worden gecontracteerd. Hierdoor hebben we een beter beeld van het totaal aantal aanbieders dat jeugdhulp levert.

Voor het eerste kwartaal 2015 zijn 2.144 jeugdhulpaanbieders geteld. Hierbij moet worden bedacht dat 50% van deze aanbieders 3% van de cliënten helpt.

Vraag 344:

Hoeveel particuliere jeugdzorgvoorzieningen zijn er? Bij hoeveel instellingen is er een vorm van toezicht bijvoorbeeld door de GGD of de Inspectie?

Antwoord 344:

Een persoon of organisatie die beroepsmatig of bedrijfsmatig jeugdhulp verleent of doet verlenen onder verantwoordelijkheid van de gemeente, is een jeugdhulpaanbieder in de zin van de Jeugdwet. Dit omvat ook degene die «indirect» jeugdhulp verleent ten behoeve van de gemeente. Wanneer een jeugdhulpaanbieder die ingeschakeld is door de gemeente, zelf een derde inschakelt om voor hem (een deel van) de jeugdhulp uit te voeren, dan is die derde dus ook een jeugdhulpaanbieder in de zin van deze wet. Die derde werd onder het oude stelsel wel bestempeld als «particuliere jeugdzorgaanbieder».

Het omvat echter niet (rechts)personen die jeugdhulp verlenen zonder bemoeienis en buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dat valt niet onder het begrip jeugdhulpaanbieder in de zin van de Jeugdwet en daarmee valt het ook niet onder het kwaliteitsregime en het toezicht dat in de Jeugdwet is geregeld. Dergelijke initiatieven worden privaat gefinancierd en voor zover daar geen voorbehouden handelingen in de zin van de Wet big worden uitgevoerd, vallen zij niet onder toezicht van de Inspectie Jeugdzorg of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Het is niet bekend hoeveel van dergelijke private instellingen er zijn in Nederland.

Overigens wordt met het wetsvoorstel Wet op de jeugdverblijven (34 053), dat momenteel in behandeling is bij de Eerste Kamer, beoogd om inrichtingen onder toezicht van de betreffende gemeenten te brengen, die niet door een Nederlandse overheid of krachtens een wettelijk voorschrift bekostigd worden en waar ten minste vier minderjarigen elk gedurende een half jaar meer dan de helft van de tijd buiten familie- of gezinsverband overnachten of naar verwachting zullen overnachten. Voornoemd wetsvoorstel regelt dat dergelijke jeugdverblijven onder het toezicht van de gemeentelijke gezondheidsdienst komen te vallen.

Vraag 345:

Hoeveel verschillende, bovenregionale samenwerkingsverbanden zijn er binnen de jeugdhulp? Kunt u per samenwerkingsverband uitsplitsen op welke vorm(en) van jeugdhulp deze samenwerkingsverbanden van toepassing zijn?

Antwoord 345:

Gemeenten werken in 42 regio’s samen bij inkoop en uitvoering van jeugdhulp. Die samenwerking is door gemeenten zelf vastgelegd en juridisch geborgd. Op verschillende plekken werken regio’s samen, daar waar het opdrachtgeverschap van zeer specialistische jeugdhulp betreft. Dat gebeurt tussen de drie noordelijke provincies, in Gelderland, in Utrecht en in de drie zuidelijke provincies en Zuid-Holland specifiek voor gesloten jeugdhulp. Via de uitwerking van de notitie Ruimte voor Jeugdhulp wordt deze bovenregionale samenwerking gevolgd en daar waar nodig ondersteund door de VNG.

Vraag 346:

Hoeveel kost een plek op jaarbasis in de pleegzorg, in een gezinshuis, in de residentiële zorg en de gesloten jeugdzorg?

Antwoord 346:

De informatie over de kosten van jeugd- en opvoedhulp wordt niet landelijk bijgehouden en is niet exact voorhanden. Uit verschillende bronnen is een grove indicatie af te leiden:

  • Pleegzorg: € 14.000,– inclusief pleegvergoeding van € 7.000 per jaar

  • Gezinshuis: € 17.000,– tot € 40.000,– afhankelijk van zorgzwaarte

  • Residentieel: € 50.000,– tot € 90.000,– afhankelijk van zorgzwaarte

  • Gesloten jeugdhulp: € 120.000,– incl. vervoer en excl. Kapitaallasten (Voor de kapitaallasten gesloten jeugdhulp geldt een aparte subsidieregeling vanuit het Rijk. De gemiddelde kapitaallasten zijn € 14.000,–.

Vraag 347:

Hoe groot is momenteel de gemiddelde caseload van een (gezins-)voogdijwerker?

Antwoord 347:

Er zijn geen gegevens beschikbaar over de gemiddelde caseload van een (gezins-) voogdijwerker. Het is aan de instelling om ervoor zorg te dragen dat de (gezins-) voogdijmedewerker en de jeugdreclasseringmedewerker voldoende zijn toegerust en voldoende tijd hebben om overeenkomstig de normen van het certificeringschema hun wettelijke taak voor het beschermen van kinderen uit te kunnen voeren. Het is aan de gemeenten om bij de inkoop van jeugdbescherming en jeugdreclassering zodanig in te kopen dat de gecertificeerde instelling (GI) in staat is om deze taken conform de normen van het certificeringschema en conform de wettelijke vereisten uit te kunnen voeren.

De taken van de medewerkers van de GI’s beperken zich niet uitsluitend tot het gezinsvoogdijwerk. Zij worden vaak ook ingezet ter ondersteuning van de wijkteams om daarmee te voorkomen dat een jeugdbeschermingsmaatregel moet worden opgelegd. Er wordt inmiddels in veel gemeenten ook gewerkt met een gezinsgerichte aanpak. Daardoor is de huidige caseload niet zonder meer te vergelijken met de caseload zoals deze voorheen gold.

Vraag 348:

Hoeveel ondertoezichtstellingen waren er in 2014 en 2015 en wat was de gemiddelde duur van een ondertoezichtstelling?

Antwoord 348:

Het aantal kinderen met een ondertoezichtstelling (OTS) bedroeg aan het einde 2014 25.395. Aan het einde van het eerste kwartaal 2015 bedroeg het aantal cliënten 23.945. De gemiddelde duur van een OTS bedroeg in 2014 2,8 jaar. In het eerste kwartaal van 2015 was de gemiddelde duur 2,9 jaar. De ervaring leert dat op basis van één kwartaal geen conclusies kunnen worden getrokken over een daling of een stijging. Het CBS publiceert in november de gegevens over het tweede kwartaal.

Vraag 349:

Hoeveel wachtlijstbeheerders kenden de Bureaus Jeugdzorg in 2013 en 2014 en hoeveel zaken hadden zij gemiddeld onder hun hoede als het gaat om jeugdbescherming?

Antwoord 349:

Met de provincies en grootstedelijke regio’s zijn in 2013 en 2014 afspraken gemaakt over het omgaan met wachtlijsten in de provinciale jeugdzorg. Belangrijkste punt van deze afspraken was dat in crisissituaties altijd onmiddellijk hulp wordt geboden. Hoe het wachtlijstbeheer precies werd vormgegeven was een kwestie van specifieke provinciale/ grootstedelijke invulling. In een aantal provincies/ grootstedelijke regio’s zijn hiervoor wachtlijstbeheerders aangesteld. Ook is in een aantal gevallen een gezamenlijke commissie ingericht van bureau jeugdzorg en de zorgaanbieders om er voor te zorgen dat er tijdig en adequaat zorg werd verleend. Het is zodoende niet mogelijk om een uitspraak te doen over hoeveel zaken een wachtlijstbeheerder gemiddeld onder haar hoede heeft als het gaat om jeugdbescherming.

Vraag 350:

Hoeveel gemeenten kiezen ervoor om niet te werken met indicaties, maar enkel met doorverwijzingen via de hulpverlening?

Antwoord 350:

Deze informatie wordt niet landelijk bijgehouden.

Vraag 351:

De vernieuwingen in het jeugdstelsel wordt samen met de VNG gemonitord om eventuele knelpunten tijdig in beeld te brengen en met extra ondersteuning passende oplossingen te bieden. Zijn er op basis van deze monitor knelpunten gesignaleerd? Zo ja, welke?

Antwoord 351:

Met de VNG bekijk ik voortdurend of de vernieuwing op gang komt. Knelpunten zoals de aansluiting van de zorg voor 18+-ers op de jeugdhulp, afbakeningsvraagstukken tussen de Wet langdurige zorg en de Jeugdwet en de vermindering van administratieve lasten zijn belangrijke voorbeelden van de onderwerpen die in de overleggen met de VNG en de branches aan de orde komen. De Tweede Kamer wordt hierover via voortgangsrapportages geïnformeerd.

Vraag 352:

De vernieuwingen in het jeugdstelsel wordt samen met de VNG gemonitord om eventuele knelpunten tijdig in beeld te brengen en met extra ondersteuning passende oplossingen te bieden. Welke oplossingen worden er geboden aan gemeenten die halverwege het jaar al door hun budget van jeugdzorg heen zijn, omdat er toch meer jeugdhulp nodig is?

Antwoord 352:

Met de VNG heb ik afspraken gemaakt over de manier van vaststellen van het gemeentelijk budget. De resultaten van deze afspraken, de budgetten per gemeente, zijn bekendgemaakt in de circulaires van het gemeentefonds. Op welke manier gemeenten vervolgens met dit budget omgaan is primair een zaak voor de lokale democratie. Bij evidente fouten die zijn opgetreden bij het maken van de verdeling wordt er hersteld, zoals in de onlangs gepubliceerde septembercirculaire is gedaan.

Vraag 353:

De vernieuwingen in het jeugdstelsel wordt samen met de VNG gemonitord om eventuele knelpunten tijdig in beeld te brengen en met extra ondersteuning passende oplossingen te bieden. Welke passende oplossingen worden er aangedragen bij het ontstaan van wachtlijsten omdat sommige gemeenten te weinig jeugdhulp hebben ingekocht?

Antwoord 353:

Signalen van wachtlijsten zijn medio juni 2015 besproken in bestuurlijk overleg met VNG en branches. Partijen hebben bevestigd dat per geval altijd scherp wordt gekeken of er directe hulp nodig is. Verder hebben de verantwoordelijke wethouders in de VNG-subcommissie van 2 juli 2015 onderling afspraken gemaakt over de manier waarop zij omgaan met wachtlijsten, met name over het volgen van de zogenoemde Treeknormen, factfinding, informatie delen tussen instellingen en tussen gemeenten en de coördinerende rol van de VNG bij bovenregionaal en landelijk aanbod.

Vraag 354:

Kinderen moeten de zorg krijgen die ze nodig hebben zonder dat er sprake is van over- of onderbehandeling. Helder moet zijn wat de lange termijn effecten van medicatie zijn op de gezondheid van kinderen en wat de effectiviteit is van zorg/ondersteuning en medicatie zijn. Is er al bekend wat de lange termijn effecten zijn van ADHD-medicatie, zoals Ritalin?

Hoeveel kinderen krijgen op dit moment ADHD-medicijnen voorgeschreven?

Hoeveel kinderen hebben dit jaar de diagnose ADHD gekregen?

Hoeveel kinderen in Nederland hebben ADHD?

Antwoord 354:

Nee, op dit moment is nog niet bekend wat de lange termijneffecten van ADHD medicatie zijn. Via ZonMw programma’s wordt nader onderzoek gedaan naar de lange termijn effecten van ADHD. Het gaat om twee meerjarenonderzoeken waarvan het ene onderzoek medio 2016 en het andere onderzoek medio 2017 is afgerond.

Op basis van cijfers over de eerste helft van 2015 (bron Stichting Farmaceutische Kengetallen) blijkt dat het aantal kinderen tot 18 jaar dat ADHD-medicatie krijgt voorgeschreven, ruim 107.000 bedraagt.

Het antwoord op de vraag hoeveel kinderen dit jaar de diagnose ADHD hebben gekregen, is helaas niet bekend omdat daarover geen recente gegevens beschikbaar zijn. Wel blijkt uit gegevens van de NZa dat vorig jaar (2014) 5.342 kinderen onder de 18 jaar de diagnose ADHD hebben gekregen.

Over het aantal kinderen in Nederland dat ADHD heeft zijn geen recente en exacte cijfers bekend (omdat niet alle kinderen in Nederland met ADHD behandeld worden).

Vraag 355:

Wat is de rol van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de totstandkoming en uitvoering van de Vernieuwingsagenda Jeugd 2015–2018? Wat is de status van de uitvoering van deze Vernieuwingsagenda? Welke activiteiten of initiatieven ondersteunt of financiert het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en wat is de beoogde uitkomst ervan? Is die uitkomst vastgelegd?

Antwoord 355:

De Vernieuwingsagenda Jeugd 2015–2018 is opgesteld met input van gemeenten, beroeps- en brancheorganisaties, cliëntenorganisaties en kennisinstituten. De agenda laat zien dat er een groot commitment is onder deze partijen over de thema’s waarop vernieuwing nodig is. De onderwerpen worden op dit moment in partnerschap opgepakt en lokaal, regionaal en/of landelijk uitgevoerd.

De rijksoverheid financiert, ondersteunt en faciliteert de diverse activiteiten in de Vernieuwingsagenda Jeugd. Soms door subsidie te verlenen (programma’s van de kennisinstituten zoals ZonMw en NJi), dan weer door advies te vragen over belangrijke vraagstukken (advies Gezondheidsraad), of door te faciliteren dat partijen een werkagenda opstellen (Verbinding passend onderwijs, preventie, jeugdhulp en participatie).

De rol van de rijksoverheid is in deze Vernieuwingsagenda Jeugd divers en afhankelijk van het thema, maar altijd dusdanig dat thema’s in partnerschap met diverse partijen worden opgepakt om zo de vernieuwingsthema’s uit de Vernieuwingsagenda Jeugd een stap verder te helpen en de randvoorwaarden te scheppen voor gemeenten en haar lokale/regionale partners om haar regierol bij de preventie, jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering waar te kunnen maken.

Vraag 356:

Het Rijk stimuleert en faciliteert de transformatie financieel (onder andere professionaliseringstraject en andere ondersteuningsprogramma's) en met de inzet van de landelijke kennisinfrastructuur (ZonMW-programma's en Nederlands Jeugdinstituut (NJI)).

Kunt u een uitsplitsing geven van de kosten die hiermee gemoeid zijn met een concrete toelichting per instantie, actie en budget?

Antwoord 356:

De transitie maakt onlosmakelijk deel uit van de reguliere programma’s van Zon MW en het Nji. Meer specifiek:

In het reguliere werkprogramma van het Nji bestaat een cluster transformatie, dat deels wordt gefinancierd door het Ministerie van OCW.

Cluster Transformatie jeugdstelsel: Programma’s:

  • 1. Ondersteuning Transformatie. Thema’s:

    • a. Ondersteunen gemeenten bij de transformatieopdracht

    • b. Regionale en digitale kennis co-creatie en uitwisseling

    • c. Internationale kennis over transformatie

  • 2. Monitoring & sturingsinformatie o.a:

    • a. Database jeugdmonitors

    • b. Ontwikkeling monitoren (kindermishandeling, passend onderwijs, transformatie etc.)

    • c. Outcomesturing: meten en verbeteren lokaal beleid; outcome in zicht

    • d. Staat van de jeugd, welbevinden, opvoeding en zorg

    • e. Netwerken monitoren, onderzoek & praktijkontwikkeling (o.a. academische werkplaatsen, kennis- en onderzoeksnetwerken)

  • 3. Verbinding (passend) onderwijs en jeugdhulp. NB Dit programma wordt gefinancierd door OCW. Thema’s:

    • a. Verbinding scholen en wijkteams

    • b. Passende ondersteuning (onderwijs-zorgarrangementen)

    • c. Participatie en toeleiding arbeid kwetsbare jeugd

    • d. Sturen op samenhang en effectieve samenwerking

De hiernavolgende programma’s zijn belegd bij ZonMW.

  • Voor de periode 2015–2010 loopt een nieuw programma voor academische werkplaatsen met als onderwerp jeugd en transformatie van € 6 miljoen.

  • In het programma Effectief werken in de jeugdzorg 2012–2019 gaat het om het onderzoeken wat werkt voor cliënten, interventies, professionals en instellingen. Dit betreft veelal onderzoeken met een lange adem,die los staan van het stelsel waarin bijvoorbeeld interventies moeten worden toegepast. Daar waar een project mogelijk bijdraagt aan de transformatie in de brede jeugdhulp, krijgt het meer kans op een positieve beoordeling. Met dit project is € 21,9 miljoen gemoeid voor 7 jaar.

  • Voor de verbreding van professionalisering van de Wet op de Jeugdzorg naar de Jeugdwet is € 13 miljoen beschikbaar voor 4 jaar.

Vraag 357:

Hoeveel onderzoeken hebben de IGZ en Inspectie Jeugdzorg gedaan in 2015? Hoeveel daarvan hebben geleid tot een bestuursrechtelijke maatregel, en hoeveel tot een strafrechtelijke? Wat waren de aantallen in 2010, 2011, 2012, 2013 en 2014?

Antwoord 357:

Onderzoeken IGZ:

De laatst vastgestelde cijfers hebben betrekking op 2014. In dat jaar heeft de IGZ in totaal 3.793 rapporten geschreven na haar toezichtbezoeken.

Het aantal onderzoeken dat tot een maatregel heeft geleid bedraagt 232 in 2014. De IGZ kan geen strafrechtelijke maatregelen opleggen. Het aantal bestuursrechtelijke maatregelen die de IGZ heeft genomen vanaf 2010 zijn als volgt:

 

2010

2011

2012

2013

2014

Bevel (Kwaliteitswet zorginstellingen, Wet big)

6

19

15

36

10

(Advies) Aanwijzing (Kwaliteitswet zorginstellingen, Wet klachtrecht cliënten zorginstelling)

4

57

9

16

12

Bestuurlijke boete

9

23

18

18

34

Waarschuwingen

3

34

59

142

100

Last onder dwangsom (Wet toelating zorginstellingen, Kwaliteitswet zorginstellingen, Wet BIG)

9

14

19

51

13

Verscherpt toezicht

11

27

19

29

29

Tuchtzaken

12

12

38

25

34

TOTAAL

54

186

177

317

232

Onderzoeken IJZ/ STJ

In de jaren 2010 tot en met september 2015 hebben de Inspectie Jeugdzorg en Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ) de hierna vermelde aantallen onderzoeken gedaan. Onder onderzoek wordt verstaan elk onderzoek dat heeft geleid tot een openbaar oordeel.

2010: 54 van IJZ en 6 van STJ

2011: 46 van IJZ en 12 van STJ

2012: 28 van IJZ en 11 van STJ

2013: 41 van IJZ en 29 van STJ

2014: 39 van IJZ en 10 van STJ

2015: 21 van IJZ en 26 van STJ (tot en met september)

Hiernaast voeren de IJZ en STJ veel toezicht uit dat niet leidt tot een openbaar rapport. De Inspectie Jeugdzorg houdt inspectiebezoeken bij instellingen, volgt de verbetermaatregelen die zij van instellingen verlangt en beoordeelt calamiteiten die uiteindelijk niet leiden tot een diepgaand onderzoek. STJ monitort tot twee jaar na haar onderzoeken de opvolging van haar aanbevelingen.

Sinds 1 januari 2015 zijn de handhavende bevoegdheden in het jeugddomein die eerst bij de provincies lagen, overgeheveld naar de Inspectie Jeugdzorg. Tot op heden heeft de inspectie geen bestuursrechtelijke maatregel toegepast. De inspectie kan geen strafrechtelijke maatregelen opleggen. Dit betekent niet dat de Inspectie Jeugdzorg in het verleden niet heeft opgetreden bij geconstateerde tekortkomingen. Indien de situatie daar aanleiding toe gaf, heeft zij van de instellingen verbeterplannen geëist, verscherpt toezicht ingesteld en de provincies geadviseerd handhavend op te treden.

Vraag 358:

Hoeveel gemeenten kennen een specifieke loverboy aanpak?

Antwoord 358:

Van de VNG heb ik begrepen dat in praktisch alle regiovisies huiselijk geweld en kindermishandeling aandacht wordt geschonken aan slachtoffers van loverboys als doelgroep voor voorlichting, preventie en signalering.

Hoewel een compleet beeld op gemeentelijk niveau niet voorhanden is, geeft de VNG aan dat er wel een aantal voorbeelden van specifieke aanpak loverboys bekend is. Zo heeft Limburg provinciaal beleid en hebben de gemeenten Eindhoven, Regio IJsselland en Helmond ook specifiek beleid voor slachtoffers loverboys. Regio Arnhem richt zich specifiek in beleid op slachtoffers mensenhandel.

Daarnaast verwijzen alle regio’s naar het landelijke arrangement voor hulp aan slachtoffers van loverboys door Fier Fryslân en Kompaan en de Bocht.

Wat de inhoud is van de beleidsplannen van de gemeenten wordt niet geregistreerd en bijgehouden.

Vraag 359:

Kunt u aangeven hoe de voortgang van het werkprogramma professionalisering Jeugdhulp 2015–2018 wordt gemonitord. Liggen de organisaties op schema? Zijn hier outcome-criteria aan verbonden? Zo ja, welke zijn dat?

Antwoord 359:

Het programma professionalisering jeugdhulp 2015–2018 wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een stuurgroep, die bestaat uit bestuurders vanuit de betrokken partners. De stuurgroep draagt zorg voor de monitoring van de voortgang en rapporteert daarover aan het ministerie. De uitvoering van het programma ligt op schema. In het Plan van aanpak van dit programma is vastgesteld welke resultaten moeten worden behaald:

  • Voor 1 januari 2016 moeten professionals op een HBO- of WO-functie, werkzaam in de jeugdhulp, zich hebben (voor)aangemeld in het Kwaliteitsregister Jeugd.

  • Per 1 januari 2018 dienen professionals werkzaam in de jeugdhulp, op een HBO-functie en hoger, waarop de norm van de verantwoorde werktoedeling van toepassing is, volledig ge(her)registreerd kunnen worden.

  • Per 1 januari 2020 moeten professionals werkzaam in de jeugdhulp, op een HBO-functie en hoger, volledig voldoen aan de (her)registratie-eisen, zodat de aanbieder/werkgever kan voldoen aan de norm van de verantwoorde werktoedeling.

Vraag 360:

Wordt er bij het werkprogramma professionalisering Jeugdhulp ook aandacht besteed aan het verminderen van handelingsverlegenheid rondom seksualiteit en of maakt dit onderdeel uit van het professionaliseringsproces en beroepsregistratie van jeugdprofessionals?

Antwoord 360:

In het curriculum van de studenten die opgeleid worden voor de jeugdhulp is het onderwerp handelingsverlegenheid rondom seksualiteit een vast onderdeel geworden.

Daarnaast is ter uitvoering van het «Kwaliteitskader voorkomen seksueel misbruik in de jeugdzorg» (cie Rouvoet) in de bij Jeugdzorg Nederland aangesloten instellingen een basismethodiek ingevoerd. Deze basismethodiek is bedoeld om seksueel gedrag met een gemeenschappelijke taal te kunnen bespreken en te duiden en zo de handelingsverlegenheid terug te dringen. Andere brancheorganisaties (gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg) sluiten hier op aan.

Binnen het programma Professionalisering Jeugdhulp werkt het veld aan de randvoorwaarden die nodig zijn voor verdere professionalisering. Dit programma is niet primair gericht op aspecten als het verminderen van handelingsverlegenheid rondom seksualiteit.

Vraag 361:

Kunt u aangeven hoe u tot het bedrag van 13,4 mln. euro voor een periode van vier jaar bent gekomen om branche- en beroepsorganisaties, cliëntenorganisaties en gemeenten met financiële steun te voorzien in het kader van de Jeugdhulp?

Antwoord 361:

De veldpartijen hebben aangegeven welke activiteiten nodig zijn om de beroepsregistratie in te richten. Zij hebben het daarvoor benodigde budget becijferd op € 13,4 miljoen. Na toetsing van deze berekening heeft VWS besloten dit bedrag beschikbaar te stellen. Het budget is onderdeel van het Plan van aanpak 2015–2018 van het Programma Professionalisering Jeugdhulp en gekoppeld aan de resultaten die daarin zijn opgenomen.

Vraag 362:

In deze tabel ontbreken de frictiekosten Jeugdhulp? Wat zijn de frictiekosten?

Antwoord 362:

De totale frictiekosten die jeugdhulpinstellingen maken zijn niet bekend. Instellingen dienen in principe uit eigen middelen deze frictiekosten te financieren. Er wordt alleen subsidie verleend indien een instelling zelf niet in staat is om de frictiekosten te dragen en indien de instelling ook voldoet aan de subsidievoorwaarden van de Beleidsregels subsidieverstrekking bijzondere transitiekosten Jeugdwet.

Vraag 363:

Wat is de verklaring voor de daling van uitgaven aan de subsidies Jeugdhulp van bijna 66 miljoen euro in 2015 naar 20 miljoen euro in 2016?

Antwoord 363:

In 2015 is een grote post gereserveerd en besteed aan de capaciteitsreductie Jeugdzorg plus. De capaciteitsreductie (€ 41 miljoen) is eenmalig en heeft geheel in 2015 plaatsgevonden. Verder is een aantal subsidies verstrekt voor het monitoren van de transitie naar de gemeenten.

Vraag 364:

Welk deel van het budget dat gespendeerd wordt aan bestrijding van kindermishandeling wordt besteed aan het informeren en bijscholen van professionals? Hoe worden de financiële middelen specifiek besteed?

Antwoord 364:

Vanuit het budget voor aanpak kindermishandeling is voor 2016 voorzien in middelen voor de Taskforce kindermishandeling en seksueel misbruik (ruim € 0,6 miljoen), uitvoering van de praktische aanpak gemeenten door VNG (circa € 0,15 miljoen), onderzoeken (€ 0,4 miljoen) zoals een bijdrage aan het prevalentieonderzoek, een bijdrage aan de publiekscampagne (€ 0,2 miljoen) en budget voor het faciliteren van de praktische aanpak en implementatieactiviteiten bij professionals (€ 0,2 miljoen).

De afgelopen jaren is met name via het project meldcode veel geïnvesteerd in het informeren en bijscholen van professionals. Daarnaast is in april 2015 een publiek private samenwerkingsovereenkomst met huisartsenorganisaties en Augeo afgesloten voor de implementatie van de kindcheck. Hiervoor is circa € 0,1 miljoen beschikbaar gesteld. Via het onderzoeksbudget van ZonMW worden middelen beschikbaar gesteld voor implementatie van de kindcheck bij GGZ-professionals

Vraag 365:

Kunt u aangeven waarom het bedrag toegekend voor de Jeugdhulp van 65 miljoen euro in 2015 afneemt tot 20 miljoen euro in 2016 maar oploopt naar 40 miljoen euro in 2020?

Antwoord 365:

In 2015 is een grote post gereserveerd en besteed aan de capaciteitsreductie Jeugdzorg plus. De capaciteitsreductie (€ 41 miljoen) is eenmalig en heeft geheel in 2015 plaats gevonden. Verder is een aantal subsidies verstrekt voor het monitoren van de transitie naar de gemeenten.

De uitvoering van het project kwaliteit en professionalisering is in 2015 aangevangen. Het project kent een looptijd van 4 jaar. De meeste kosten vallen in de laatste 2 jaar van de looptijd van het project.

Tot slot is budget gereserveerd voor verschillende activiteiten in het vernieuwingsprogramma (uitvoering vernieuwingsagenda).

Vraag 366:

De regering reserveert € 22,5 miljoen voor subsidies schippersinternaten. Hoeveel kinderen worden opgevangen en verzorgd door deze internaten? Over hoeveel internaten wordt deze subsidie verdeeld? Kan een uitsplitsing naar internaat worden gegeven? Hoeveel betreft de subsidie gemiddeld per kind? Wat is de bijdrage van de ouders gemiddeld per kind? Wat is de reden dat het Rijk deze subsidie verstrekt?

Antwoord 366:

De schippersinternaten hebben aangegeven dat in 2016 719 kinderen worden opgevangen in internaten en 10 kinderen in gastgezinnen. In 2015 werd de subsidie als volgt over de 4 internaten verdeeld (inclusief OVA 2015).

 

2015

Meander

10.406.638

Limena

6.125.476

De Merwede

2.938.086

Juzt

606.063

Totaal

20.076.263

In 2015 werden 794 kinderen opgevangen in internaten en 8 kinderen in een gastgezin. Het gemiddelde subsidiebedrag komt daarmee op € 25.033 per kind. Schippersinternaten hebben aangegeven dat de gemiddelde verwachte ouderbijdrage in 2015 en 2016 ongeveer € 1.700 per kind zal zijn.

Het Rijk subsidieert de internaten om twee redenen. De Leerplichtwet 1969 vormde de aanleiding voor subsidieverlening aan internaten voor kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan, kinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten. Kinderen moeten volgens de Leerplichtwet ingeschreven staan bij een school en deze regelmatig bezoeken. Hierdoor moeten kinderen gedurende de schoolperiode «aan de wal» zijn. De ouders hebben echter geen vaste woon- of verblijfplaats. De bedrijfsvoering kan vereisen dat beide ouders gedurende het jaar in de onderneming verblijven, zodat niet één van hen op de wal kan gaan wonen. De bedrijven van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten zijn van oudsher familiebedrijven. Verblijf aan de wal kan plaatsvinden in een gastgezin (bijvoorbeeld bij familie) of in een internaat.

Naast de Leerplichtwet is het voortbestaan van het traditionele familiebedrijf in de binnenvaart een belangrijke sociaaleconomische factor van betekenis geweest voor subsidiering. Zonder een financiële compensatie van het nadeel ten gevolge van het onverkort gelden van de Leerplichtwet voor deze kinderen, zouden veel ouders tot bedrijfsbeëindiging worden gedwongen.

Vraag 367:

Welke organisaties ontvangen subsidie ten behoeve van hun bijdrage op het gebied van participatie? Hoeveel ontvangen zij per organisatie? Welke activiteiten ontplooit de Nationale Jeugdraad (NJR) van deze subsidiegelden?

Antwoord 367:

De Nationale Jeugdraad NJR is de enige organisatie die subsidie ontvangt van het Ministerie van VWS voor activiteiten op het gebied van jeugdparticipatie.

NJR ontvangt circa € 0,6 miljoen subsidie ten behoeve van activiteiten op het gebied van jeugdparticipatie.NJR ontplooit een groot aantal activiteiten. Met de ontvangen subsidiegelden worden ondermeer het Nationaal Jeugddebat, het NJR-panel, jongerenvertegenwoordigers bij internationale organisaties, de NJR trainerspool en het Impactprogramma gericht op jongerenparticipatie in gemeenten gefinancierd. Meer informatie over de activiteiten van NJR staat op http://www.njr.nl/watwijdoen.

Vraag 368:

Kunt u een nadere toelichting geven op de verschillende onderzoeken naar jeugdhulpgebruik die momenteel gefinancierd worden onder de post Kennis en beleidsinformatie? Waarop richten deze onderzoeken zich en wie voeren de onderzoeken uit?

Antwoord 368:

Via de Benchmark beleidsinformatie jeugdhulp leveren aanbieders cijfers over de geleverde jeugdhulp aan unieke cliënten. Gemeenten kunnen hun prestaties op deze wijze onderling vergelijken op diverse terreinen zoals wonen, werken, school, politiecontacten, middelengebruik en kindermishandeling (http://jeugdmonitor.cbs.nl/nl-nl/). Vanwege de stelselverantwoordelijkheid doet ook het Rijk na iedere benchmarklevering een aantal nadere onderzoeken, naar aanleiding van grote verschillen in jeugdhulpgebruik bij gelijksoortige gemeenten. Dit zijn maximaal acht onderzoeken voor een geheel jaar waarvoor € 0,2 miljoen is gereserveerd.

Het doel van dit nader onderzoek is om een beeld te krijgen, via met name kwalitatief onderzoek bij een beperkt aantal gemeenten. In de analyse voor de verklaring van het verschillend jeugdhulpgebruik, wordt aandacht besteed aan factoren waar de gemeenten geen invloed op hebben (bijvoorbeeld bevolkingssamenstelling en sociaaleconomische omstandigheden) en factoren waar de gemeenten wel invloed op hebben (kwaliteit en kwantiteit van ingekocht jeugdhulpaanbod). Op deze wijze wordt een beeld verkregen hoe de Jeugdwet bij gemeenten functioneert.

Deze onderzoeken worden uitgevoerd door diverse onderzoeksbureaus.

De onderwerpen worden voorgesteld door de branches, de VNG en de departementen. Het eerste onderzoek, waarover bij de eerstvolgende voortgangsrapportage over de invoering van de Jeugdwet wordt gerapporteerd, gaat over het functioneren van de toegang in de jeugdhulp.

Dit jaar zal ook onderzoek worden gedaan naar verschillen in registratie door aanbieders als mogelijke verklaring voor een verschil in gebruik van jeugdhulp. GGZ Nederland werkt daarnaast momenteel aan een onderzoeksvoorstel om te bezien of het aantal crisisplaatsingen samenhangt met het gemeentelijk beleid. Dit onderzoek zal in 2016 plaatsvinden.

Vraag 369:

Hoe wordt ervoor gezorgd dat er in geheel Nederland zoveel mogelijk met 1 systeem voor de verwijsindex risicojongeren wordt gewerkt?

Antwoord 369:

  • 1. De Jeugdwet kent alleen de verwijsindex risicojongeren (vir) en gemeentelijke signaleringssystemen. Het College van B&W is verantwoordelijk voor de goede inrichting daarvan en aansluiting op de vir. De vir zelf wordt beheerd door het CIBG als agentschap van VWS.

  • 2. In de toelichting bij de aanpassing van de Wet op de Jeugdzorg voor de invoering van de vir is een handreiking gegeven op welke wijze de goede aansluiting op de VIR gewaarborgd kan worden onder meer door de NTA 8023 te volgen.

  • 3. Nagenoeg alle gemeenten maken voor de koppeling van hun signaleringssysteem met de vir gebruik van de diensten van een professionele derde. Voor circa 70% van de gemeenten is dat Multisignaal. Ook dit draagt bij aan uniformiteit van de aansluitingen.

Vraag 370:

Kunt u een gedetailleerd beeld schetsen van de subsidie-uitkeringen door de Transitieautoriteit Jeugd in het verleden? Wie waren de ontvangers van deze subsidie voor transitiekosten? Hoe is het bedrag van 60 mln. euro voor 2016 onderbouwd? Wat is het resterende budget van de Transitieautoriteit Jeugd en hoe wordt dat over de resterende jaren verdeeld?

Antwoord 370:

Voor de Beleidsregels subsidieverstrekking bijzondere transitiekosten Jeugdwet is een bedrag van € 200 miljoen gereserveerd. Dit bedrag is in de regeling opgenomen en vormt daarmee het uitgavenplafond voor deze regeling. Vanaf 21 oktober 2014 kunnen er subsidieaanvragen worden ingediend.

Tot en met 30 september zijn er toekenningen gedaan aan 4 organisaties voor een totaal bedrag van circa € 9 miljoen. Van 5 organisaties is de aanvraag nog in behandeling. Er kan in verband met bedrijfseconomische redenen geen inzicht worden geboden in welke organisaties subsidie hebben ontvangen.

De raming van het benodigde bedrag van € 60 miljoen voor 2016 is gebaseerd op de veronderstelling dat in het eerste jaar het gebruik van de regeling het grootst zal zijn.

Voor het totaal aan transitiekosten is voor de periode 2015 tot en met 2017 een bedrag geraamd van € 214 miljoen. De verdeling van deze middelen over de jaren 2015 tot en met 2017 is als volgt in de begroting opgenomen:

2015: € 94 miljoen

2016: € 60 miljoen

2017: € 60 miljoen

Lagere uitputting in 2015 komt doordat gebruik van regeling langzamer op gang komt dan oorspronkelijk voorzien. Met name door «overgangsrecht» is in 2015 meer capaciteit in stand gehouden en zijn er minder aanvragen ingediend dan verwacht. Daarnaast zijn toekenningen alleen maar gedaan voor zover het de effecten van de inkoop voor 2015 betreft (dit in verband met feit dat gemeenten in vrijwel alle gevallen slechts voor 1 jaar hebben gecontracteerd). Verwachting / inschatting is dat gebruik van regeling in 2016 toe gaat nemen; ook in verband met overeengekomen verdere afbouw van 24 uur zorg. Daarnaast zitten er nog een aantal aanvragen voor subsidie in de behandelprocedure.

Vraag 371:

Kunt u een uitsplitsing geven van de uitgaven aan subsidies Jeugdhulp met nadere toelichting per post? Binnen deze post is een aandeel gereserveerd voor verbetering van kinderrechten in Caribisch Nederland. Hoe groot is dat aandeel?

Antwoord 371:

De subsidies Jeugdhulp bestaan uit drie hoofdposten, kapitaallasten Jeugdzorg plus (€ 18 miljoen), professionalisering Jeugdhulp (€ 2 miljoen) en Jeugdzorg plus Caribisch Nederland (€ 1 miljoen). De post die gereserveerd is voor Caribisch Nederland is niet gereserveerd voor kinderrechten in het Caribisch gebied maar voor het aanbieden van capaciteit Jeugdzorg plus.

Vraag 372:

Veilig Thuis wordt genoemd en gelinkt aan kindermishandeling. Kan de Minister aangeven of Veilig Thuis ook aandacht heeft voor seksueel geweld breed, dus behalve misbruik, of ligt dit bij de Centra Seksueel Geweld?

Antwoord 372:

Veilig Thuis is het advies- en meldpunt voor kindermishandeling en huiselijk geweld. Seksueel geweld/misbruik is één van de vormen van kindermishandeling of huiselijk geweld.

Bij de Centra Seksueel Geweld (CSG) kan ieder slachtoffer kort na het incident terecht voor hulpverlening.

Vraag 373:

Zijn de opbrengsten van 78 mln. euro ten gevolge van teruggave van egalisatiereserves van de provinciën uitgegeven in deze begroting? Zo ja, waaraan worden deze subsidies besteed? Hoe is de hoogte van dat bedrag vastgesteld? Vloeien de opbrengsten terug in de algemene middelen of komen deze ten goede aan de (jeugd)begroting van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport?

Antwoord 373:

Het bedrag van € 78 miljoen aan ontvangsten ten gevolge van de afrekening met provincies betreft 2016 zoals in de tabel is weergegeven. Abusievelijk staat in de toelichting dat deze ontvangsten 2015 betreffen. Deze ontvangsten maken deel uit van Beleidsartikel 5 «Jeugd» van de VWS begroting. De op dit beleidsartikel geraamde verplichtingen, kasuitgaven en ontvangsten vormen het totale budgettaire kader waarbinnen de beleidsdoelstellingen voor jeugd moeten worden gerealiseerd. In die zin is niet aan te geven waaraan deze geraamde ontvangsten specifiek zullen worden besteed. Het bedrag van € 78 miljoen is gebaseerd op realisatiecijfers over de omvang van de provinciale egalisatiereserves die door de provincies in hun jaarrekeningstukken zijn opgenomen. Bij wijziging van de omvang van deze reserves zal dit bedrag dus ook wijzigen.

Vraag 374:

Waarom krijgt het Ministerie van VWS 78 mln. euro terug uit de egalisatiereserves van de provincie? Wat voor grond is hiervoor en is dit eenmalig of wordt het herhaald binnen een bepaalde periode?

Antwoord 374:

In verband met het beëindigen van de taken op het gebied van de jeugdzorg voor de provincies en de grootstedelijke regio’s, vindt afrekening van de doeluitkering jeugdzorg plaats. De grond hiervoor is de invoering van de Jeugdwet waardoor de wettelijke bevoegdheden van de provincies en grootstedelijke regios op het terrein van de jeugdzorg komen te vervallen. Niet bestede middelen worden teruggevorderd. Dit gebeurt eenmalig.

Vraag 375:

Hoe wordt in 2016 een extra impuls gegeven aan de bestrijding van dopinggebruik in de sport?

Antwoord 375:

Het Ministerie van VWS ondersteunt het actieplan Samen voor een schone sport dat NOC*NSF samen met de Dopingautoriteit, de Atletiekunie, de Koninklijke Nederlands Voetbalbond, Fit!vak en de Koninklijke Nederlandse Biljart Bond tot eind 2016 uitvoeren. Dat actieplan is opgesteld naar aanleiding van de nationale Dopingconferentie van 23 april 2015 Een dopingvrije sportcultuur in Nederland!. Binnenkort zend ik uw Kamer een separate brief toe met mijn standpunt over de laatste ontwikkelingen op het gebied van doping.

Vraag 376:

Hoeveel kinderen in Nederland hebben overgewicht en obesitas, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord 376:

In 2014 had 13,2% van de kinderen (4–20 jaar) overgewicht waarvan 3,7% obesitas (http://statline.cbs.nl). Bij de vergelijking van de uitkomsten vanaf 2014 met die over de periode tot en met 2013 dient enige voorzichtigheid in acht te worden genomen. Tussen 2013 en 2014 hebben er veranderingen plaatsgevonden bij de Gezondheidsenquête. De wijzigingen hebben tot enkele methodebreuken geleid, onder andere bij de cijfers over overgewicht. Meer informatie over deze analyse en de vastgestelde methodebreuken staan in de nota Methodebreuk Gezondheidsenquête 2014.

Vraag 377:

Zijn er verschillen in regio's waar het overgewicht van kinderen hoog is?

Antwoord 377:

In de jeugdmonitor (2–25 jaar) van het CBS wordt een onderscheid gemaakt in de overgewichtcijfers in de vier landsdelen. Uit die cijfers blijkt dat het percentage overgewicht onder kinderen in het landsdeel Noord het hoogst is, gevolgd door Oost, West en Zuid (http://jeugdmonitor.cbs.nl).

Vraag 378:

Hoeveel volwassenen hebben overgewicht en obesitas, wat zijn de meest recente cijfers?

Antwoord 378:

In 2014 had 50,9% van de volwassenen (20 jaar en ouder) overgewicht waarvan 14,2% obesitas (http://statline.cbs.nl). Bij de vergelijking van de uitkomsten vanaf 2014 met die over de periode tot en met 2013 dient enige voorzichtigheid in acht te worden genomen. Tussen 2013 en 2014 hebben er veranderingen plaatsgevonden bij de Gezondheidsenquête. De wijzigingen hebben tot enkele methodebreuken geleid, onder andere bij de cijfers over overgewicht. Meer informatie over deze analyse en de vastgestelde methodebreuken staan in de nota Methodebreuk Gezondheidsenquête 2014.

Vraag 379:

Hoeveel scholen hebben schoolzwemmen in het onderwijspakket zitten?

Antwoord 379:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 380:

Hoeveel gemeenten regelen schoolzwemmen in hun verordening?

Antwoord 380:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 381:

Welke prioriteit heeft de regering met het aanpakken van doping?

Antwoord 381:

Het opstellen en handhaven van regels tegen het gebruik van doping in de sport is de verantwoordelijkheid van de sport. Door de subsidiëring van de Nederlandse Anti-Dopingautoriteit faciliteert de overheid die taak in de sportsector. De overheid is verantwoordelijk voor het tegengaan van illegale handel in geneesmiddelen, die voor dopingdoeleinden kunnen worden gebruikt. Deze taak wordt afgewogen tegen andere taken en aandachtsvelden van de betrokken overheidsinstanties. Met de voorgenomen Wet uitvoering anti-dopingbeleid maakt de overheid duidelijk dat het tegengaan van doping prioriteit heeft.

Vraag 382:

Wat is het aantal sportblessures in 2015, wat was het aantal in voorgaande jaren kunt u deze cijfers voorzien van uw duiding?

Antwoord 382:

Het aantal sportblessures in 2015 is nog niet bekend. Deze cijfers zijn in het derde kwartaal van 2016 beschikbaar. In 2014 liepen sporters in Nederland 4,7 miljoen sportblessures op. Dat waren er 200.000 meer dan in 2013 en 300.000 meer dan in 2012. De toename van het aantal sportblessures is zorgelijk. Dit is mede de aanleiding geweest om per 2016 te starten met een nieuw programma sportblessurepreventie waarover ik u op 26 mei 2015 heb geïnformeerd.32

Vraag 383:

Hoe hoog zijn de inkomsten uit de loterijopbrengsten en welk bedrag gaat hiervan naar de sport?

Antwoord 383:

Zie het antwoord op vraag 385.

Vraag 384:

Wat waren de loterijopbrengsten voor de sport in 2010 t/m 2015?

Antwoord 384:

Zie het antwoord op vraag 385.

Vraag 385:

Wat zijn de verwachte loterijopbrengsten voor de sport in 2016?

Antwoord 385:

De totale gerealiseerde loterijopbrengsten en de gerealiseerde en geraamde afdrachten aan de sport zijn:

 

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Totale loterijopbrengsten (omzet)

(x € 1 miljoen) (1)

1.940

1.950

1.910

1.880

1.870

Afdrachten aan de Sport (x € 1 miljoen)

             

Lotto (2)

57,6

57,4

42,4

43,1

42,7

   

GoedeDoelenLoterijen (3)

8,1

8,7

9,6

13,6

9,9

   

Van FIN (SENS) via sportbegroting VWS

   

10

6

     
               

Geraamde afdrachten aan de sport

(x € 1 miljoen)

             

Lotto (2)

         

38,4

38

GDL (3)

         

n.n.b.

n.n.b.

Fusieorganisatie SENS/Lotto (4)

           

40–45

Bron:

1 – Kansspelautoriteit, Marktscan 2013 en mededeling 2014

2- Mededeling De Lotto 5/10/2015

3- Mededeling De Postcodeloterij/Vriendenloterij 6/10/2015

4- Mededeling NOC*NSF 6/10/2015

Vraag 386:

Wat zijn de laatste ontwikkelingen met betrekking tot matchfixing?

Antwoord 386:

Er verschijnen in de media regelmatig berichten over vermeende matchfixing. Ik constateer dat alle betrokken partijen hun verantwoordelijkheid nemen voor hun aandeel in de bestrijding van matchfixing. Om matchfixing te bestrijden is een integrale aanpak noodzakelijk van preventie en signalering tot repressie. Matchfixing kan alleen bestreden worden door nauwe samenwerking tussen de sectoren sport, kansspel en opsporing en vervolging. Dat is een continu proces, dat wordt versterkt door zowel het nationale platform als de ontstane bilaterale contacten. Ook grensoverschrijdend werken is cruciaal. Daarom agendeer ik matchfixing- als onderdeel van integriteit in de sport- tijdens het EU-voorzitterschap van Nederland in de eerste helft van 2016. In het geval zich nieuwe ontwikkelingen voordoen zal ik uw Kamer hierover informeren.

Vraag 387:

Wat zijn de laatste ontwikkelingen met betrekking tot een veiliger sportklimaat?

Antwoord 387:

Over de voortgang van het actieplan «Naar een Veiliger Sportklimaat» wordt uw Kamer, zoals toegezegd, in het najaar geïnformeerd via de jaarlijkse voortgangsrapportage. Zo vindt deze week de «Week van de Scheidsrechter» plaats. Hier worden alle scheidsrechters bedankt voor de belangrijke rol die zij hebben in de sport.

Vraag 388:

Wat zijn de laatste ontwikkelingen met betrekking tot doping?

Antwoord 388:

Over de meest recente ontwikkelingen met betrekking tot doping zal ik uw Kamer zeer binnenkort per separate brief informeren. Daarmee breng ik u onder meer op de hoogte van de resultaten en de voorgenomen vervolgactie naar aanleiding van de dopingconferentie Een dopingvrije sportcultuur in Nederland! van 23 april 2015 en zend ik u het onderzoeksrapport De Nederlandse topsporter en het anti-dopingbeleid 2014–2015.

Vraag 389:

Hoeveel buurtsportcoaches zijn in gemeenten aangesteld in 2015?

Antwoord 389:

Het aantal gerealiseerde buurtsportcoaches op peildatum 1 januari 2015 was 2.607 fte. Een nieuwe meting vindt plaats op 1 september 2016.

Vraag 390:

Kunt u een overzicht sturen van het aantal scholen dat 1 uur, 2 uur of 3 uur gymonderwijs geeft, zowel voor het basis- als voortgezet onderwijs?

Antwoord 390:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 391:

Hoeveel kinderen zijn in 2015 door verdrinking om het leven gekomen en wat waren de cijfers in voorgaande jaren?

Antwoord 391:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van I&M.

Vraag 392:

Hoeveel kinderen verlaten de basisschool zonder zwemdiploma A, B, en/of C?

Antwoord 392:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 393:

Hoe hebben andere Europese landen gymlessen georganiseerd? Heeft u daarover informatie of rapporten die hiertoe meer informatie geven?

Antwoord 393:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 394:

Hoe gaan andere Europese landen om met het inzetten van vakleerkrachten voor gymles op school?

Antwoord 394:

Het antwoord op de vraag valt onder de beleidsverantwoordelijkheid van mijn collega van OCW.

Vraag 395:

Kan de Minister uiteenzetten waarom de subsidie voor verantwoord sport en bewegen afneemt in 2016?

Antwoord 395:

Op het subsidie-instrument «verantwoord sport en bewegen» worden de uitgaven voor het programma sportblessurepreventie en monitoring en de kennisfunctie met betrekking tot blessurepreventie verantwoord. Met ingang van 2016 zijn de uitgaven voor het opleidingenbudget voor sportartsen structureel overgeheveld naar het opleidingenfonds. Dit verklaart de daling in de budgetstand.

Vraag 396:

Wat hield de compensatie van betaalde energiebelasting in en vervangt de energiebesparing en duurzame energie dit? Zo ja, Waarom kiest de Minister voor een verlaging van deze bekostiging? Zo nee, waarom is de compensatie stopgezet?

Antwoord 396:

Bij de huidige compensatie van betaalde energiebelasting krijgen sportverenigingen 50% van de betaalde energiebelasting gecompenseerd. De nieuwe subsidieregeling energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties (Staatscourant, Nr. 25937, nr. WJZ/14186622) vervangt de compensatie energiebelasting. In overleg met de georganiseerde sport is er voor gekozen om naast de subsidieregeling het ook makkelijker te maken voor sportverenigingen om leningen af te sluiten. Hiervoor vindt de komende jaren een jaarlijkse storting naar de Stichting Waarborgfonds Sport plaats. Daarmee is de inzet van middelen gelijk gebleven.

Vraag 397:

Waarom is de subsidie voor het programma sport en bewegen in de buurt een landelijke subsidie? Waarom is niet gekozen om dit door de gemeente uit te laten voeren via de bijdrage?

Antwoord 397:

Er bestaat geen wettelijk kader voor gemeenten, waarin de rechten en plichten voor sport en bewegen is vastgelegd. Om die reden is ervoor gekozen om de gelden voor de buurtsportcoach te labelen door middel van een decentralisatie-uitkering. Zo wordt het budget ook daadwerkelijk ingezet ten behoeve van sport en bewegen, waarbij gemeenten zelf de vrijheid hebben om het daar in te zetten waar lokaal de meeste behoefte ligt.

De Sportimpuls is bedoeld om lokale projecten en activiteiten tot stand te brengen en te versterken met als doel het creëren van passend sport- en beweegaanbod in de buurt. Hierbij wordt de samenwerking op gang gebracht tussen sport en relevante andere sectoren zoals zorg, onderwijs, welzijn, buitenschoolse opvang en het bedrijfsleven. Alleen lokale sport- en beweegaanbieders mogen aanvragen indienen. Hoewel gemeenten betrokken zijn bij de lokale initiatieven, mogen zij zelf geen subsidieaanvraag doen. De uitvoering van de sportimpuls is uitbesteed aan ZonMw.

Vraag 398:

Waaruit bestaan de ontvangsten van beleidsartikel 6 Sport en Bewegen?

Antwoord 398:

De ontvangsten van beleidsartikel 6 Sport en Bewegen betreffen een raming van terug te ontvangen subsidiegelden als gevolg van het vaststellen van subsidies.

Vraag 399:

In hoeverre worden ouderen betrokken bij het programma Sport en Bewegen in de buurt in het algemeen? In hoeverre worden ouderen betrokken bij het programma Sportimpuls specifiek?

Antwoord 399:

Het programma Sport en Bewegen in de Buurt draagt bij aan een gezonde en actieve samenleving. Het gebeurt nog te vaak dat mensen een (te) hoge drempel ervaren om te gaan sporten en/of bewegen. Door sport- en beweegmogelijkheden bij mensen in de buurt te stimuleren, worden deze drempels zoveel mogelijk weggenomen. Hierbij wordt de samenwerking op gang gebracht tussen sport en relevante andere sectoren zoals zorg, onderwijs, welzijn, buitenschoolse opvang en het bedrijfsleven.

De middelen worden ingezet voor lokale projecten en activiteiten om met passend sport- en beweegaanbod meer mensen te bereiken. Dat geldt ook voor ouderen. Binnen de Sportimpuls kunnen onder andere projecten worden aangevraagd specifiek gericht op ouderen. Zo is het percentage van gehonoreerde aanvragen dat gericht is op de doelgroep ouderen toegenomen van 26% in 2012 naar 47% in 2015. Daarnaast kunnen gemeenten buurtsportcoaches aanvragen om specifiek in te zetten om de doelgroep ouderen te bereiken. Het verdiepingsonderzoek buurtsportcoaches uit 2014 geeft aan dat 7% van de buurtsportcoaches werkzaam is in de ouderenzorg.

Vraag 400:

Vanaf 2017 gaat 2 miljoen euro van beleidsartikel 7 naar een andere begrotingshoofdstuk. Naar welk begrotingshoofdstuk en waarvoor is het bestemd?

Antwoord 400:

De € 2 miljoen is bestemd voor het begrotingshoofdstuk van het Ministerie van Defensie voor het maatschappelijk werk van Oorlogs- en Geweldgetroffenen (OGG) en de Indische doelgroep.

Om de administratieve lasten rond het subsidieverleningproces te beperken doen de ministeries van Defensie en VWS onderzoek naar integratie van de subsidiabele activiteiten van Defensie en van VWS (één subsidie voor Stichting de Basis) welke zo spoedig mogelijk zal worden gerealiseerd.

Vraag 401:

Bekostiging Van het beschikbare budget ad 0,4 miljoen euro is 100% juridisch verplicht. Het betreft de bekostiging van wachtgelden, de vervoerskosten en de niet op grond van een wettelijke regeling of ziektekostenregeling vergoede kosten van behandeling door stichting Centrum ’45, inclusief de noodzakelijke verblijfskosten en deels de vergoeding in de FPU plus- en WW/BWU-regeling voor ex-werknemers van de Stichting 1940–1945. Wie worden hier specifiek behandeld? Klopt het dat de stichting ook vluchtelingen ondersteunt? Klopt het dat de stichting zich ook bezig houdt met deradicaliseringsprojecten?

Antwoord 401:

Deze begrotingspost betreft deels kosten in directe relatie tot de behandeling van oorlogsgetroffenen WOII bij Centrum’45. Voor het resterende deel betreft deze begrotingspost een wachtgeldregeling voor ex-werknemers van Stichting 1940–1945. Dit budget is derhalve voor een doelgroep met een relatie tot de Tweede Wereldoorlog.

Centrum’45 behandelt als derdelijns ggz-instelling ernstig getraumatiseerde burgers, waaronder ernstig getraumatiseerde jongeren die betrokken zijn geweest bij de oorlog in Syrië en Irak. Centrum ’45 is niet betrokken bij deradicaliseringsprojecten.

Vraag 402:

Waar zijn de ingeboekte bedragen voor de payback in de Indische kwestie? De premier heeft in zijn toespraak gezegd: «De regelingen met de erkenning van achterstallige salarissen en geleden oorlogsschade lieten lang op zich wachten.» Hiermee is gesuggereerd, dat het geregeld is. Wat is er geregeld en welk bedrag is daarvoor beschikbaar?

Antwoord 402:

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar mijn brief van 12 oktober 2015 (TK 20 454, nr. 113) en het AO van 14 oktober 2015.

Vraag 403:

Klopt het dat er in de begroting geen budget is gereserveerd voor de Indische Kwestie? Kunt u een toelichting geven op de reden hiervan?

Antwoord 403:

Zie het antwoord op vraag 402.

Vraag 404:

Waar liggen de grenzen van de zorgtoeslag en vanaf welke percentages geldt de toeslag niet meer? Kan dit worden aangegeven voor de verschillende inkomenscategorieën?

Antwoord 404:

In 2016 ontvangen eenpersoonshuishoudens zorgtoeslag tot een inkomen van circa € 27.132, terwijl meerpersoonshuishoudens zorgtoeslag ontvangen tot een inkomen van circa € 34.003. Er zijn geen percentages die de basis vormen voor het ontvangen van zorgtoeslag. De genoemde inkomens zijn gebaseerd op de raming van de nominale premie in de VWS begroting. Als de premie lager uitvalt hebben huishoudens tot een lager inkomen recht op zorgtoeslag en vice versa.

Vraag 405:

Kunt u voorrekenen hoe hoog de zorgtoeslag voor de verschillende inkomensgroepen wordt?

Hoeveel mensen hebben het afgelopen jaar minder zorgtoeslag gehad?

Antwoord 405:

In onderstaande tabel staat de berekening van de zorgtoeslag voor een aantal huishoudens. De hoogte van de zorgtoeslag is louter afhankelijk van de hoogte van het belastbaar inkomen en de huishoudsamenstelling (eenpersoons of meerpersoons). De hoogte van de zorgtoeslag is niet afhankelijk van het aantal kinderen of de verdeling van het inkomen over partners. Wel geldt dat geen recht op zorgtoeslag bestaat voor huishoudens met een vermogen van ruim € 80.000 of meer boven de in de inkomstenbelasting geldende vrijstelling.

(Bedragen in €)

Eenpersoonshuishouden

Meerpersoonshuishouden

Inkomen

Tot 19.759

20.759

24.759

26.759

boven 27.759

Tot 19.759

20.759

29.759

33.759

boven 34.759

Inkomen boven WML

1.000

5.000

7.000

8.000

1.000

10.000

14.000

15.000

Standaardpremie

1.484

1.484

1.484

1.484

1.484

2.968

2.968

2.968

2.968

2.968

Af: 2,38% resp. 5,22% van WML (€ 19.759)

– 470

– € 470

– 470

– 470

– 470

– 1.031

– 1.031

– 1.031

– 1.031

– 1.031

Af: 13,43% van inkomen boven WML

– € 134

– 672

– 940

1.074

– 134

– 1.343

– 1.880

– 2.015

Zorgtoeslag

1.014

870

342

74

 

1.937

1.802

1.265

56

De hoogte van de zorgtoeslag wordt bepaald als de standaardpremie (bij een meerpersoonshuishouden twee maal de standaardpremie) minus het normpercentage (2,38% bij een eenpersoonshuishouden en 5,22% bij een meerpersoonshuishouden) maal het belastbaar minimumloon minus het afbouwpercentage (13,43%) maal het inkomen boven het minimumloon. Als de uitkomst van de berekening negatief is, is er geen recht op zorgtoeslag.

In het afgelopen jaar (2014) is de standaardpremie lager vastgesteld dan in 2013, vooral als gevolg van een daling bij de gemiddelde nominale premie. Die dalende standaardpremie leidt tot een lagere zorgtoeslag bij vrijwel alle huishoudens. Relatief gaan deze huishoudens er niet op achteruit. Meer huishoudens met een relatief hoog inkomen ontvangen geen zorgtoeslag meer. Hierdoor is het aantal huishoudens met zorgtoeslag gedaald met 340.000.

Vraag 406:

Wat was de daling van de zorgtoeslag uitgesplitst in verschillende inkomensgroepen (minimum, 130% van het minimum, modaal)?

Antwoord 406:

In 2016 stijgt de zorgtoeslag voor vrijwel alle ontvangers met zorgtoeslag met ruim € 70, omdat de percentages die de hoogte van de zorgtoeslag bepalen in 2016 marginaal veranderen, terwijl de standaardpremie van 2015 op 2016 (op grond van de VWS-raming) met € 79 stijgt.

Vraag 407:

Wat zijn de omslagpunten van de zorgtoeslag vanaf 2006 t/m 2016?

Antwoord 407:

De zorgtoeslag is constant tot een inkomen ter hoogte van het belastbaar wettelijk minimumloon (WML). Bij een hoger inkomen daalt de zorgtoeslag. In onderstaande tabel staat het WML voor de gevraagde jaren.

Belastbaar wettelijk minimumloon
 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Wettelijk minimumloon (in €)

17.494

17.905

18.496

19.135

19.528

19.890

20.079

19.043

19.253

19.463

19.759

Vraag 408:

Wat zijn de normpercentages van de zorgtoeslag vanaf 2006 t/m 2015 en wat is dit voor 2016?

Antwoord 408:

In onderstaande tabel staan de normpercentages (het percentage over het drempelinkomen) en de afbouwpercentages (het percentage over het inkomen dat boven het drempelinkomen uitgaat) voor de gevraagde jaren gesplitst naar een- en meerpersoonshuishoudens.

 

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Normpercentage

                     

Eenpersoons-huishouden

3,5%

3,5%

3,5%

2,7%

2,7%

2,715%

2,93%

2,195%

2,41%

2,395%

2,38%

Meerpersoons-huishouden

5,0%

5,0%

5,0%

5,0%

5,0%

5,015%

5,53%

4,695%

5,21%

5,265%

5,22%

Afbouwpercentage

                     

Een- en meerpersoons-huishoudens

5,0%

5,0%

5,0%

5,0%

5,0%

5,03%

5,435%

8,713%

9,118%

13,4%

13,43%

Vraag 409:

Wat is de bezuinigingsdoelstelling van de zorgtoeslag?

Antwoord 409:

Recent is er niet besloten tot bezuinigingen op de zorgtoeslag. In het verleden zijn wel bezuinigingen in de zorgtoeslag verwerkt, die deels nog zijn doorwerking hebben na 2016.

Vraag 410:

Kunt u een overzicht sturen hoeveel mensen zorgtoeslag ontvangen vanaf 2006 t/m 2015 en dit overzicht voorzien van uw duiding?

Antwoord 410:

In onderstaande tabel staan de aantallen huishoudens en volwassenen met zorgtoeslag. De cijfers voor 2006 tot en met 2014 zijn afkomstig van de belastingdienst. De cijfers voor 2015 zijn afkomstig van het CPB. Uit de cijfers in de tabel blijkt dat het aantal huishoudens met zorgtoeslag eerst een aantal jaren is gestegen. Dit hing samen met de stijging van de standaardpremie. De laatste jaren is het aantal huishoudens met zorgtoeslag gedaald. Dit is het gevolg van de daling van de standaardpremie in 2014 en van beleidsmaatregelen gericht op het beperken van de zorgtoeslag tot huishoudens met relatief lage inkomens.

(Bedragen x € 1 miljoen)

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

Eenpersoonshuishoudens

3,4

3,3

3,5

3,6

3,8

4,0

4,0

3,8

3,5

3,3

Meerpersoonshuishoudens

1,4

1,3

1,4

1,4

1,4

1,5

1,5

1,3

1,3

0,8

                     

Volwassenen

6,1

6,0

6,2

6,3

6,6

7,0

6,9

6,4

6,0

4,9

Vraag 411:

Wat is de maximale compensatie voor het eigen risico die iemand maximaal kan krijgen?

Antwoord 411:

Via de zorgtoeslag kan iemand maximaal € 299 compensatie krijgen in 2016. Dit betekent dat iemand op WML of uitkeringsniveau maximaal € 86 zelf aan eigen risico moet betalen.

Vraag 412:

Kunt u een overzicht geven van de netto-uitgaven aan zorgpremie en eigen risico voor iemand op het sociaal minimum voor de periode 2004–2015, rekening houdend met de zorgtoeslag?

Antwoord 412:

In onderstaande tabel staat de vergelijking voor de jaren 2005 tot en met 2016. Voor 2008 tot en met 2016 worden de netto-zorgpremies bepaald door de nominale premie, het eigen risico en de zorgtoeslag. In 2006 en 2007 betreft het de nominale premie, de no claimpremie, de no claimteruggave en de zorgtoeslag. Voor 2005 betreft het de nominale premie, de no claimpremie, de claimteruggave en de procentuele werknemerspremie. In 2004 betreft het de nominale premie en de procentuele werknemerspremie.

 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Nominale premie (per jaar)

308

130

773

848

1.049

1.059

1.095

1.199

1.226

1.213

1.098

1.158

1.243

Procentuele premie

201

234

                     

Gemiddeld eigen risico1

177

151

154

109

112

119

123

149

215

232

238

241

Nominale premie + gemiddeld eigen risico

509

541

924

1.002

1.158

1.171

1.214

1.322

1.375

1.428

1.330

1.396

1.484

Zorgtoeslag

403

432

553

692

735

835

838

1.060

865

942

1.014

Per saldo betalen

509

541

521

570

605

479

479

487

537

368

465

454

470

X Noot
1

Voor 2005 tot en met 2007 is onder gemiddeld eigen risico de no claim premie minus de gemiddelde no claim teruggave verwerkt.

Vraag 413:

Hoeveel geld spendeert het Ministerie van VWS aan het EU-voorzitterschap? Kan dit per onderdeel gespecificeerd worden?

Antwoord 413:

De kosten voor het EU-voorzitterschap voor VWS zijn begroot op circa € 2,7 miljoen. Hier zal een bijdrage vanuit de Europese Commissie van circa € 0,6 miljoen tegenover staan, waarmee de netto kosten worden begroot op € 2,1 miljoen. Het voorzitterschap wordt georganiseerd binnen de bestaande personele en de financiële kaders. VWS zal 17 bijeenkomsten in Amsterdam organiseren en een zestigtal raadswerkgroepen in Brussel voorzitten. Hiernaast zal VWS als voorzitter, de EU vertegenwoordigen op de Speciale Zitting van de VN op het gebied van het drugsbeleid (New York) en bij de jaarvergadering van de WHO (Genève). Tijdens het laatste EU-voorzitterschap in 2004 was voor VWS circa € 4 miljoen begroot.

Begroting EU-voorzitterschap 2016 VWS:

Hotelkosten evenementen Amsterdam

€ 70.000

Cateringskosten evenementen Amsterdam

€ 350.000

Geschenken

€ 75.0001

Side events tijdens evenementen Amsterdam

€ 150.000

Vervoerskosten evenementen Amsterdam

€ 40.000

Inhuur evenementenbureau

€ 400.000

Drukwerk

€ 75.000

Aankleding zalen

€ 40.000

Extra kosten

€ 400.000

E-health week

€ 600.000

EU CELAC

€ 100.000

Post onvoorzien

€ 400.000

Totale kosten bruto

€ 2.700.000

Verwachte bijdrage Europese Commissie

€ 600.000

Totale kosten netto

€ 2.100.000

X Noot
1

Het gereserveerde bedrag voor gescheken is voor +/- 3000 gasten (2,5 euro per gast) en is conform de richtlijnen die BZ hiervoor heeft opgesteld.

Toelichting:

  • Uitgangspunt is dat er geen hotelkosten worden vergoed voor bezoekers van ambtelijke conferenties, tenzij hier een bijzondere reden voor is. Bijvoorbeeld omdat de Europese Commissie hier expliciet geld voor ter beschikking stelt.

  • Het gereserveerde bedrag voor geschenken is conform de lijn die interdepartementaal is afgesproken.

    Er wordt een evenementenbureau ingehuurd voor ondersteuning bij het organiseren van de conferenties.

  • De extra kosten zijn met name extra reis-en verblijfskosten in het buitenland en kosten gemoeid met het interactief maken van de conferenties.

  • De eHealth week is separaat begroot, aangezien dit evenement een coproductie is van VWS, HIMMS en de Europese Commissie.

  • De EU CELAC is apart begroot, aangezien dit evenement niet kan worden georganiseerd op het MEA-terrein.

  • Een post onvoorzien van 15% van de totale kosten, is ingeboekt.

  • De bijdrage van de Europese Commissie wordt ingeschat op € 0,6 miljoen.

Vraag 414:

Waarom is er geen bijdrage meer aan agentschappen bij internationale samenwerking in 2016 en welke waren dit?

Antwoord 414:

De bijdrage aan agentschappen betreft de bijdrage aan het RIVM in het kader van het partnerschapsprogramma 2014–2017 met de World Health Organisation. Via het hierbij behorende allocatieplan 2014–2015 is dit voor deze jaren ingevuld. Voor 2016 en 2017 moet dit nog worden ingevuld in overleg met betrokken partijen.

Vraag 415:

Wat is de (financiële) situatie van het waarborgfonds? Hoeveel organisaties hebben er in 2015 daarvan gebruik gemaakt?

Antwoord 415:

Het Waarborgfonds voor de Zorgsector (WFZ) heeft 310 deelnemers en borgt in totaal circa € 8,2 miljard aan langlopende leningen en kasgeldleningen. Ultimo 2014 bedroeg het risicovermogen € 247 miljoen. Indien een instelling omvalt worden de rente- en aflossingsverplichtingen overgenomen en allereerst ten laste van het risicovermogen gebracht. Tot op heden is dit in 2015 niet gebeurd. Kredietbeoordelaar Standard & Poors (S&P) heeft op 31 juli 2015 in het kader van de periodieke herbeoordeling de AA+-rating met positieve outlook van het WFZ herbevestigd.

Vraag 416:

Op welke manier wil de Minister de overige materiële uitgaven van het kerndepartement met 23 miljoen euro laten dalen?

Antwoord 416:

De begrote materiële uitgaven van het kerndepartement zijn voor 2016 ongeveer gelijk aan de begrote uitgaven voor 2015. In de eerste suppletoire wet 2015 heeft op de materiële uitgaven voor 2015 een mutatie plaatsgevonden van per saldo € 32,2 miljoen Hiervan had onder andere € 23,4 miljoen betrekking op de Projectdirectie Anthonie van Leeuwenhoekterrein (PDAlt). Daarnaast is € 5,6 miljoen beschikbaar gesteld ten behoeve van investeringen in de generieke digitale infrastructuur binnen het interdepartementale programma Digitale overheid. Er ligt geen opgave om de overige materiële uitgaven te laten dalen.

Vraag 417:

Waaruit bestaan de ontvangsten van de apparaatsuitgaven, die een stuk lager zijn in 2016, en hoe dit komt?

Antwoord 417:

De ontvangsten op het apparaatsartikel in de begroting van 2016 zijn bijna gelijk aan die van de begroting van 2015. Dit zijn regulier terugkomende ontvangsten op het apparaatsartikel. Dit zijn onder andere ontvangsten van detacheringen, interne verrekeningen en ontvangsten ten behoeve van de WAO en WIA. Door mutaties in de eerste suppletoire wet 2015 is de ontvangstenraming voor dat jaar verhoogd naar € 21,2 miljoen. Deze mutaties zijn van toelichting voorzien bij de eerste suppletoire wet.

Vraag 418:

Hoe wordt de korting op apparaatskosten van de CIZ, CAK en ZiNL ingevuld? Zal dit ook de personele kosten betreffen?

Antwoord 418:

De korting voor het CIZ is verwerkt in het beschikbare financiële kader van VWS voor het CIZ. Vanuit dit financiële kader wordt aan het CIZ budget beschikbaar gesteld voor de uitoefening van hun (wettelijke) taken (vanuit dit budget betaald het CIZ ook de personele kosten). Het budget voor het CIZ is gedaald doordat de werklast van het CIZ door de invoering van de Wlz sterk is gedaald. De organisatie heeft hiervoor een omvangrijke afslankingsoperatie ondergaan. Voor de herinrichting van de organisatie heeft VWS in 2014 wel incidenteel extra middelen beschikbaar gesteld (frictiekosten).

De voorziene opgelegde taakstelling voor het Zorginstituut en het CAK betreft een korting voor 2016. Hierover is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport met het Zorginstituut en het CAK in gesprek.

Vraag 419:

Op welke wijze wordt erop gestuurd dat de uitgesproken verwachting van de uitzetting van het budget voor externe inhuur binnen de perken blijft? Welke activiteiten worden ondernomen om onvoorziene actualiteiten zoveel mogelijk met eigen mensen in te vullen?

Antwoord 419:

VWS committeert zich aan de Rijksbrede norm van maximaal 10% externe inhuur. VWS heeft sinds een aantal jaren een systematiek ontwikkeld waarmee op de inhuur van externen wordt gestuurd.

In deze systematiek is het VWS-concern verdeeld in homogene eenheden met inhuurplafonds in euro’s.

Maandelijks worden plafonds, realisaties en vastgelegde verplichtingen in een management-dash board gepresenteerd. Daarnaast maakt de inhuur van externen onderdeel uit van de gesprekken die plaats vinden in het kader van de planning- & controlcyclus.

Binnen VWS is de beleidslijn om bij behoefte aan extra capaciteit allereerst binnen de bestaande formatie te kijken, vervolgens van interim- functievervulling gebruik te maken binnen de eigen organisatie, daarna de mogelijkheden tot inbesteding te verkennen en pas in laatste instantie over te gaan tot het inhuren van extern personeel.

Vraag 420:

De zorgaanbieder is zelf verantwoordelijk voor een goede klachtprocedure die leidt tot een zorgvuldige en adequate manier van afhandeling van klachten. Kunt u een beschrijving geven hoe adequaat is gedefinieerd en wat hiermee wordt beoogd? Op welke wijze worden de verwachtingen van de indiener van de klacht gemanaged?

Antwoord 420:

In april 2013 heeft er een brede veldconsultatie plaatsgevonden over de ontwikkeling van een kader voor beoordeling van de kwaliteit van de klachtbehandeling. Het voor een ieder toegankelijke Toetsingskader Klachtbehandeling Zorgaanbieders van de IGZ is hiervan het product. Met dit kader wordt een voor de cliënt toegankelijke en transparante klachtenprocedure beoogd die de zorgaanbieder in staat stelt om de kwaliteit van zijn zorgaanbod te borgen.

Het kader is gebaseerd op wetgeving (WKCZ) en de Klachtenrichtlijn Gezondheidszorg van het CBO en bestaat uit vijf normen. Ze gaan respectievelijk over (1) beschikbaarheid, begrijpelijkheid en toegankelijkheid van de klachtenregeling, (2) cliëntgerichtheid van de klachtopvang en -afhandeling, (3) het sturen op zo volledig mogelijke managementinformatie over klachten, (4) gebruik ervan voor kwaliteitsverbetering en (5) de wettelijke vereisten voor de klachtencommissie die zich richten op onpartijdigheid en deskundigheid van de commissie.

De IGZ beschouwt een afhandeling van een klacht adequaat te zijn wanneer deze normen door de zorgaanbieder in acht zijn genomen. In dat geval handelt de zorgaanbieder een klacht af volgens procedures en termijnen in de eigen regeling en houdt hij de cliënt op de hoogte van tussenstappen en termijnen.

Vraag 421:

Hoeveel medicatie (in bedragen en aantal medicijnen) wordt er jaarlijks vernietigd na inlevering? Hoe is de ontwikkeling ten opzichte van eerdere jaren?

Antwoord 421:

De meest recente gegevens die beschikbaar zijn (op basis van onderzoek door RTL nieuws in 2012), schatten de hoeveelheid vernietigde medicatie op circa 150.000 kilogram. Dit betreft de geneesmiddelen, die zijn ingeleverd bij apotheken en die vervolgens worden vernietigd. De waarde van deze geneesmiddelen wordt geschat op circa € 100 miljoen. Ik heb geen recentere gegevens op basis van specifiek onderzoek.

In het kader van het Programma Verspilling wordt een aantal acties ondernomen om het aantal te vernietigen geneesmiddelen te verminderen. Belangrijk zijn dan het terughoudender voorschrijven en uitleveren van geneesmiddelen ten einde te voorkomen dat geneesmiddelen overblijven. Daarnaast wordt de mogelijkheid om geretourneerde geneesmiddelen opnieuw uit te geven verkent, rekening houdende met kwaliteitseisen.

De apotheek is het meest voor de hand liggende kanaal om niet-gebruikte geneesmiddelen naar terug te brengen. In sommige gemeenten moeten apotheken betalen voor het afvoeren van de bij hen ingeleverde medicijnen. Deze kosten kunnen voor de apotheker nogal oplopen. Apotheken dreigen daarom af te zien van hun rol als verzamelpunt, met alle gevolgen voor de reguliere afvalstromen van dien. Dit is onwenselijk.

Een aantal apotheken heeft met hun gemeente een regeling getroffen. De apotheker scheidt (alleen of met een groep apothekers) het ingezamelde afval. In ruil daarvoor levert de gemeente geschikte bakken en haalt het afval gratis op.

Via het programma Aanpak verspilling willen wij de werkwijze van deze voorlopers meer bekendheid geven door samen met de VNG, KNMP, en brancheverenigingen van afvalverwerkers proberen tot uniforme afspraken te komen en zo een bijdrage leveren aan het tegengaan van verspilling en aan een grotere medicatieveiligheid voor patiënten.

Vraag 422:

Hoeveel meldingen ontvangt de Inspectie voor de Gezondheidszorg jaarlijks met betrekking tot de ouderenzorg, gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg en ziekenhuiszorg?

Antwoord 422:

Het aantal meldingen is terug te vinden in de onderstaande tabel, uitgesplitst naar de gevraagde categorieën:

Programma/afdeling

2013

2014

2015 tot 1 sept

Gehandicaptenzorg

810

770

470

Geestelijke gezondheidszorg

980

900

410

Ouderenzorg en zorg thuis

1.330

1.080

690

Specialistische somatische zorg1

1.520

1.460

970

X Noot
1

Vanwege de wijze van registreren vallen hier niet alleen de meldingen onder die betrekking hebben de ziekenhuiszorg maar ook die betrekking hebben op particuliere klinieken.

Vraag 423:

Hebben de meldingen die de Inspectie voor de Gezondheidszorg binnenkrijgt betrekking op veel dezelfde problemen, zo ja welke problemen zijn dit?

Antwoord 423:

Het informatiesysteem van de IGZ is momenteel nog niet toegerust om een nadere analyse te geven van alle specifieke onderwerpen waarover bij de IGZ gemeld wordt. De IGZ werkt continu aan de verbetering van mogelijkheden op het gebied van data-analyse. Momenteel wordt er dan ook gewerkt aan de gefaseerde invoering van een nieuw informatiesysteem dat beter in staat zal zijn om meldingen en signalen op onderwerp te beoordelen.

Burgers die klachten hebben over de zorg kunnen voor advies en begeleiding terecht bij het Landelijk Meldpunt Zorg, dat organisatorisch onder de CIBG valt. Deze organisatie ging op 17 juli 2014 van start en ontving tot en met 31 december van dat jaar totaal 2.219 klachten.

Bijna tweederde van de klachten betreft de hoofdcategorieën professioneel handelen (509 klachten), veiligheid (459 klachten) en communicatie (429 klachten). Onder «professioneel handelen» vallen onder meer de categorieën «oneens met medisch handelen» en «diagnose gemist». «Veiligheid» omvat onder andere de klachtencategorieën «medicatie», «de staat van een gebouw of voorziening», «hygiëne» en «infectiepreventie». «Bejegening en dossiervoering» en «dossier-inzage» zijn voorbeelden van klachten die onder de hoofdcategorie «communicatie» vallen. Nadere informatie hierover is te raadplegen in het Klachtbeeld Landelijk Meldpunt Zorg 2014.

Vraag 424:

In hoeveel zorginstellingen, zowel curatief als care, is de hygiëne onder de maat? Is er sprake van een toename of afname van zorginstellingen met ondermaatse hygiëne?

Antwoord 424:

Steekproefsgewijs onderzoekt de IGZ in hoeverre hygiëne in de curatieve en langdurige zorg in orde is. De IGZ kan van het totaal aantal zorgaanbieders in het land echter niet aangeven bij hoeveel zorgaanbieders de hygiëne onder de maat is. Dit komt omdat de IGZ niet alle zorginstellingen in een jaar bezoekt en hygiëne geen standaard onderwerp is tijdens de bezoeken.

Wel heeft de inspectie onlangs geconstateerd dat in de intramurale ouderenzorg de hygiëne bij het eerste bezoek vaak niet op orde is, maar dat verbeteringen snel waren te realiseren. Zowel uit recente bezoeken als uit de rapportage van de IGZ blijkt dat ziekenhuizen zich blijven verbeteren op het gebied van hygiëne. De IGZ blijft de komende jaren vorderingen op dit terrein volgen, in de curatieve zorg als in de langdurige zorg.

Vraag 425:

In hoeveel zorginstellingen, zowel curatief als care, is er vanwege personeelsgebrek gemeld dat kwaliteit onder de maat is?

Antwoord 425:

Het informatiesysteem van de IGZ is momenteel nog niet toegerust om een nadere analyse te geven van alle specifieke onderwerpen waarover bij de IGZ gemeld wordt. De IGZ werkt continu aan de verbetering van mogelijkheden op het gebied van data-analyse. Momenteel wordt er dan ook gewerkt aan de gefaseerde invoering van een nieuw informatiesysteem dat beter in staat zal zijn om meldingen en signalen op onderwerp te beoordelen.

Vraag 426:

In hoeveel zorginstellingen is er geweld gemeld, onder bewoners, naar personeel of beiden? Hoe is daar opvolging aan gegeven?

Antwoord 426:

Het informatiesysteem van de IGZ is momenteel nog niet toegerust om een nadere analyse te geven van alle specifieke onderwerpen waarover bij de IGZ gemeld wordt. De IGZ werkt continu aan de verbetering van mogelijkheden op het gebied van data-analyse. Momenteel wordt er dan ook gewerkt aan de gefaseerde invoering van een nieuw informatiesysteem dat beter in staat zal zijn om meldingen en signalen op onderwerp te beoordelen.

Vraag 427:

Hoeveel Wob-verzoeken zijn er gedaan aan het ministerie en ZBO's? Hoeveel door burgers, hoeveel door media, hoeveel op tijd of te laat, aard en omvang van de bezwaren en aangespannen rechtszaken?

Antwoord 427:

Er zijn 185 Wob-verzoeken ingediend bij het ministerie. Mij is niet bekend hoeveel er bij de ZBO’s op VWS-terrein zijn ingediend. Wob-verzoeken bij een ZBO worden door het betrokken bestuursorgaan afgehandeld.

Er zijn 26 Wob-verzoeken ingediend door de media. De overige 159 door (vertegenwoordigers van) een burger of door een belangencollectief.

Op ongeveer de helft van het aantal verzoeken die met een besluit worden afgehandeld, wordt binnen de wettelijke termijnen gereageerd.

In 2014 zijn er 24 bezwaarschriften ingediend naar aanleiding van een Wob-besluit. Het aantal aangespannen rechtszaken (voorlopige voorziening, beroep en hoger beroep) in 2014 betreft 18.

Over het algemeen kan worden aangegeven dat er vooral wordt geageerd tegen de weigering om de gevraagde informatie openbaar te maken ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer, het belang van inspectie, controle en toezicht en het interne beraad.

Meer uitgebreide informatie is opgenomen in de aan de Tweede Kamer gezonden Rapportage burgerbrieven VWS 2014 van 4 mei 2015 (TK 29 362, nr. 243).

Vraag 428:

Wat is het aandeel juristen en beleidsmedewerkers bij IGZ, Zinl, Nza en is er voldoende tijd en aandacht voor inhoud?

Antwoord 428:

De NZa heeft momenteel 15 juristen en 218 beleidsmedewerkers in dienst. De totale formatie van de NZa bedraagt begin 2015 425 fte.

Het Zorginstituut kent geen functie «beleidsmedewerker». In de begroting 2015 van het Zorginstituut is 2,42 fte opgenomen voor de afdeling juridische zaken. De totale formatie van het Zorginstituut bedraagt begin 2015 430 fte.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft 25 juridisch medewerkers (juristen en ondersteuners) en 10 beleidsadviseurs in dienst. De totale formatieve ruimte van de Inspectie is op dit moment 575 fte.

De werkzaamheden van de juristen en beleidsmedewerkers in deze organisaties zijn in de meeste gevallen direct gerelateerd aan de (wettelijke) taken, en daarmee gerelateerd aan de primaire processen van de organisaties. De activiteiten van de meeste van bovenstaande medewerkers staan ten dienste van het primaire proces of de inhoud van de organisatie.

Vraag 429:

Hoeveel budget is gereserveerd voor preventie door vergroening van de leefomgeving en op welke wijze wordt dat besteed?

Antwoord 429:

In het komende jaar is er geen budget gereserveerd voor preventie door vergroening van de leefomgeving. Het project op dit terrein, dat in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken is uitgevoerd, wordt eind 2015 afgerond.

Vraag 430:

Welke meetbare doelen moeten in 2015 gerealiseerd zijn met betrekking tot preventie door het vergroenen van de leefomgeving?

Antwoord 430:

Het project, dat in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken op dit terrein is uitgevoerd, heeft zich (ook in 2015) met name gericht op de kennisverbreding. Dit is noodzakelijk om in de toekomst inzicht te krijgen welke meetbare doelen relevant zijn voor preventie door het vergroenen van de leefomgeving. U wordt hierover via de voortgangsrapportage Nationaal Programma Preventie geïnformeerd, die jaarlijks in januari naar de Kamer wordt gestuurd.

Vraag 431:

Hoeveel budget is er gereserveerd voor het stimuleren van groene schoolpleinen?

Antwoord 431:

In 2016 worden de laatste «gezonde schoolpleinen» gerealiseerd. Hiervoor wordt in 2016 € 1,2 miljoen besteed, daarnaast wordt € 0,1 miljoen ingezet voor het monitoren van het proces van het programma Gezonde Schoolpleinen. In 2016 zullen 70 voorbeeldschoolpleinen gerealiseerd zijn, waar ingezet is op een rookvrij, beweegvriendelijke en groene omgeving bij een Gezonde School. Deze schoolpleinen kunnen vervolgens tot voorbeeld dienen voor gemeenten en andere scholen.

Vraag 432:

Op welke wijze is de taakstelling van 48,030 miljoen euro in 2015 op pagina 114 ingevuld?

Antwoord 432:

Aan het begin van een begrotingsjaar is niet altijd te voorspellen waar onderuitputting zich zal voordoen. Met de post taakstellende onderuitputting wordt de onderuitputting achteraf toebedeeld aan specifieke begrotingsposten wanneer bekend is waar de onderuitputting zich voordoet. Net als in voorgaande jaren wordt de taakstelling in 2015 hetzij bij Tweede suppletoire begroting hetzij bij Slotwet ingevuld, als er concreet zicht is op het hoe en waarom van lagere uitgaven op artikelniveau.

De taakstellende onderuitputting wordt afgebouwd met een redelijke overgangsperiode. Dit leidt ertoe dat de taakstellende onderuitputting vanaf 2017 nul is.

Vraag 433:

Op welke wijze wordt de taakstelling van 17,397 miljoen euro in 2016 op pagina 114 ingevuld?

Antwoord 433:

Aan het begin van een begrotingsjaar is niet altijd te voorspellen waar onderuitputting zich zal voordoen. Met de post taakstellende onderuitputting wordt de onderuitputting achteraf toebedeeld aan specifieke begrotingsposten wanneer bekend is waar de onderuitputting zich voordoet. Net als in voorgaande jaren zal de taakstelling in 2016 hetzij bij Tweede suppletoire begroting hetzij bij Slotwet worden ingevuld, als er concreet zicht is op het hoe en waarom van lagere uitgaven op artikelniveau.

Bij VWS is de taakstellende onderuitputting in het verleden groter geweest. Deze wordt afgebouwd met een redelijke overgangsperiode. Dit leidt ertoe dat de taakstellende onderuitputting vanaf 2017 nul is

Vraag 434:

Kan onderzocht worden of het voor de diagnostiek, net zoals voor geneesmiddelen, mogelijk is een gestandaardiseerd systeem in te stellen waar op basis van wetenschappelijke bewijzen wordt bepaald of diagnostische testen worden goedgekeurd? Kan de Minister hierbij de organisatie NICE in Groot-Brittannië als voorbeeld nemen?

Antwoord 434:

Diagnostische test moeten voldoen aan Europese regels. Daarnaast is het zo dat de beroepsgroep de diagnostische testen zelf goedkeurt via door de beroepsgroep gemaakte richtlijnen die zijn gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek.

Vraag 435:

Hoe omvangrijk zijn de investering in de ICT bij het CIBG, die ervoor moeten zorgen dat de organisatie up-to-date blijft? Welke plannen liggen er nu om de ICT te verbeteren en wanneer ontvangt de Tweede Kamer die plannen?

Antwoord 435:

Omdat ICT-ontwikkelingen snel gaan en steeds complexer worden en gespecialiseerde ict-dienstverleners beschikken over de benodigde kennis en kunde is gekozen de benodigde ondersteuning op het gebied van ICT bij een gespecialiseerde partij in te kopen, namelijk de Dienst ICT Uitvoering (DICTU, de ICT-organisatie van het Ministerie van Economische Zaken).

De overgang naar DICTU zal zorgvuldig en geleidelijk gaan. Op deze manier kunnen DICTU en het CIBG er samen voor zorgen dat de benodigde ICT up-to-date blijft. Ik verwijs u voor de plannen naar mijn brief die ik u op 30 juni 2015 aan uw kamer (TK 33 149 nr. 133) heb gezonden.

Vraag 436:

Waarom nemen de uitgaven aan de UZI-pas/certificaat van 34,6 miljoen euro in 2015 naar 41,1 miljoen euro in 2016 toe?

Antwoord 436:

De cijfers die genoemd staan in de vraag hebben betrekking op het toegenomen productievolume en zien niet op gestegen kosten. In het in paragraaf 2.4 opgenomen overzicht van doelmatigheidsindicatoren CIBG (zie pagina 124) is bij het product «UZI-pas/certificaat» opgenomen dat het productie-volume van 34.600 stuks naar 41.100 stuks zal stijgen. Deze stijging wordt verwacht omdat 3 jaar geleden in 2013 een zeer groot aantal UZI-passen is aangevraagd (als gevolg van de invoering van de tarifering van de UZI-passen). Een UZI-pas is 3 jaar geldig. Om die reden wordt in 2016 een stijging verwacht van de productie.

Vraag 437:

Waar zijn in de begroting de kosten in 2016 voor de projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein gebleven, en hoeveel bedragen deze kosten?

Antwoord 437:

Bij de opheffing van het agentschap Nederlands Vaccin Instituut (NVI) eind 2012 zijn de resterende activiteiten van het NVI samengevoegd met vaccinologietaken van het RIVM. Deze onderdelen zijn ondergebracht in de tijdelijke projectdirectie Antonie van Leeuwenhoekterrein (PD ALt). De geraamde uitgaven 2016 worden bekostigd vanuit verschillende begrotingsartikelen en bedragen in totaal circa € 15 miljoen. Het betreffen geraamde uitgaven voor onder andere de ontwikkeling van het RSV-vaccin, onderzoek naar alternatieven voor dierproeven en vaccinonderzoek. In 2016 zullen de resterende taken van de tijdelijke projectdirectie op het terrein van vaccinonderzoek (Intravacc) hun definitieve organisatievorm krijgen.

Vraag 438:

Hoeveel ambtenaren werken op het Ministerie van VWS? Kunt u uitsplitsen hoeveel daarvan in vaste dienst, tijdelijk, flex zijn?

Antwoord 438:

Onder het Ministerie van VWS vallen naast het kerndepartement, de agentschappen (RIVM, CIBG en aCBG), de inspecties (IGZ, IJZ), het Sociaal en Cultureel Planbureau en de raden en commissies. Hier werken in totaal 4.440 ambtenaren. Dit zijn 1.211 ambtenaren bij het kerndepartement en 3.229 ambtenaren bij de overige diensten (peildatum 30 september 2015).