Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201333605-VIII nr. 1

33 605 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2012

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP (VIII)

Aangeboden 15 mei 2013

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen)

Gerealiseerde ontvangsten van het departement verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen)

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen)

Gerealiseerde uitgaven van het departement verdeeld over de beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 miljoen)

INHOUDSOPGAVE

 

blz.

     

A.

Algemeen

7

 

Aanbieding en dechargeverlening

7

 

Leeswijzer

11

     

B.

Beleidsverslag

15

 

Beleidsverslag over 2012

15

 

De beleidsartikelen

31

 

1.

Primair onderwijs

31

 

3.

Voortgezet onderwijs

36

 

4.

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

41

 

6. en 7.

Hoger onderwijs

46

 

8.

Internationaal beleid

52

 

9.

Arbeidsmarkt en personeelsbeleid

55

 

11.

Studiefinanciering

59

 

12.

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

67

 

13.

Lesgeld

70

 

14.

Cultuur

71

 

15.

Media

78

 

16.

Onderzoek en wetenschapsbeleid

82

 

25.

Emancipatie

86

 

De niet-beleidsartikelen

88

 

91.

Nominaal en onvoorzien

88

 

92.

Apparaat kerndepartement

91

 

93.

Inspecties

93

 

94.

Adviesraden

94

 

De bedrijfsvoeringsparagraaf

95

     

C.

Jaarrekening

98

 

1.

Verantwoordingsstaat van het ministerie van OCW

98

 

2.

Samenvattende verantwoordingsstaat van de baten-lastendiensten

100

 

3.

Jaarverantwoording Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)

100

 

4.

Jaarverantwoording Nationaal Archief (NA)

108

 

5.

Saldibalans

116

 

6.

Misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving

125

     

D.

Bijlagen

129

 

1.

ZBO’s en RWT’s

129

 

2.

Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

135

 

3.

Externe inhuur

138

 

4.

Afkortingenlijst

139

 

5.

Trefwoordenregister

143

A. ALGEMEEN

AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het jaar 2012 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap decharge te verlenen over het in het jaar 2012 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • 1. het gevoerde financieel en materieel beheer;

  • 2. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • 3. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • 4. de betrokken saldibalans;

  • 5. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • 6. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012;

  • 2. het voorstel van de slotwet over het jaar 2012 die het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2012 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2012, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2012 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

LEESWIJZER

Het departementaal jaarverslag 2012 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • A. Een algemeen deel

  • B. Het beleidsverslag

  • C. De jaarrekening

  • D. Bijlagen

A. Het algemeen deel bevat de aanbieding van het departementaal jaarverslag, het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «verantwoord begroten» in de Tweede Kamer behandeld (Kamerstuk 31 865, nr. 26). De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien.

De begroting 2012 was een overgangsjaar waarin de Rijksbegroting deels volgens de systematiek van Verantwoord Begroten is opgesteld. Dit jaarverslag is vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten voor zover deze in de begroting 2012 al waren doorgevoerd. Door de nieuwe indeling kunnen in sommige tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2011 en 2012.

In 2012 zijn al veel aanpassingen verwerkt die ook zijn weerslag hebben in het jaarverslag:

  • in de beleidsagenda is aan het eind een totaaloverzicht opgenomen van de streefdoelen;

  • de opbouw van de beleidsartikelen is aangepast;

  • alle artikelen zijn vormgegeven conform VB behalve de indeling in financiële instrumenten;

  • de begroting bevat een centraal apparaatsartikel waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan. Dit is artikel 92 Apparaat kerndepartement van deze begroting;

  • In verband met een herziening van de afspraken tussen de ministeries van Financiën en OCW staat OCW vanaf 2012 garant voor de rekening courantlimieten die instellingen aanhouden bij het ministerie van Financiën.

Informatie in het departementaal jaarverslag en andere relevante publicaties

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Schematische weergave van de informatie aan de Tweede Kamer gedurende de begrotingscyclus

Hieronder volgt een nadere toelichting bij het schema.

  • Op Prinsjesdag ontvangt de Tweede Kamer de begroting van OCW en Trends in Beeld. In Trends in Beeld zijn de relevante cijfers te vinden die inzicht geven in de kwaliteit en prestaties van de Nederlandse onderwijs, cultuur en wetenschapsstelsels en van emancipatie. In deze publicatie zijn ook onderzoeksresultaten van Education at a Glance opgenomen, de jaarlijkse publicatie van de OESO.

  • Begin oktober komt ook Cultuur in beeld uit. In deze publicatie wordt ingegaan op de veranderingen in het Nederlandse cultuurbeleid. Deze publicatie gaat dieper in op de gevolgen van het beleid en schetst de te verwachten ontwikkelingen in de culturele sector. Daarbij is er bijzondere aandacht voor de bijdrage van cultuur aan de Nederlandse economie en werkgelegenheid, het financieel-maatschappelijk draagvlak, publieksbereik en de financiële verhoudingen tussen subsidieverstrekkers.

  • De Inspectie van het Onderwijs heeft een belangrijke rol in het onderwijsstelsel als toezichthouder, maar ook als leverancier van beleidsinformatie. In het jaarwerkplan van de Inspectie van het Onderwijs worden voorgenomen werkzaamheden gepresenteerd aan de Tweede Kamer.

  • Gedurende het jaar wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de begrotingsuitvoering door middel van de Voorjaarsnota (1e suppletoire begroting) en de Najaarsnota (2e suppletoire begroting).

  • Ook worden gedurende het jaar allerlei beleidsdocumenten zoals actieplannen, beleidsdocumenten, beleidsevaluaties, beleidsdoorlichtingen naar de Tweede Kamer gestuurd. Wetsvoorstellen worden ter behandeling aangeboden en AMvB’s worden voorgehangen. Over verschillende beleidsterreinen worden brieven naar de Tweede Kamer gestuurd, onder andere ter nadere uitwerking van de beleidsagenda en de begroting. Hierover vindt vaak separaat overleg met het parlement plaats. De actieplannen geven voor de verschillende beleidsterreinen een beeld van het beleid. Beleidsdoorlichtingen en andere evaluaties verschaffen inzicht in de effectiviteit van beleid.

  • De derde woensdag in mei is verantwoordingsdag. De Tweede Kamer ontvangt dan het jaarverslag van OCW en de publicatie Kerncijfers. In Kerncijfers worden resultaten, de stand van zaken en ontwikkelingen in het OCW-veld met een kwantitatieve toelichting en onderbouwing in beeld gebracht. Ook wordt het Onderwijsverslag aan de Tweede Kamer toegestuurd. Daarin wordt uitgebreid stilgestaan bij de staat van het onderwijs.

Relatie verplichtingen versus uitgaven

In de tabel budgettaire gevolgen van beleid vindt u naast de uitgaven en de ontvangstenmutaties ook verplichtingenmutaties. Bij de verplichtingen wordt ook aangegeven welk deel garantieverplichtingen betreft. Het gaat hier met name om zogenaamde garanties voor bouwprojecten in het onderwijs (schatkistbankieren) en kredietgaranties/verzekeringen in de cultuursector. Hier moet gedacht worden aan een indemniteitsregeling voor kunstvoorwerpen die op uitleenbasis in een Nederlands museum zijn tentoongesteld. In verband met een herziening van de afspraken tussen de ministeries van Financiën en OCW staat OCW vanaf 2012 tevens garant voor de rekening courantlimieten die instellingen aanhouden bij het ministerie van Financiën. Dit verklaart de forse toename in de garantieverplichtingen als onderdeel van de verplichtingenstand.

In de toelichting op de tabel worden de voornaamste verschillen en oorzaken verklaard tussen de oorspronkelijke begroting en de realisatie. De kasuitgaven zijn voor deze toelichting leidend. In het algemeen is er in de begroting sprake van een vaste verhouding tussen de verplichtingen en uitgaven die gerelateerd is aan het bekostigingsmoment voor scholen/instellingen. Er geldt daarom alleen een aanvullende, aparte toelichting voor de verplichtingmutaties als er sprake is van een opmerkelijk verschil met de uitgavenmutaties. Hiervoor wordt het procentuele realisatieverschil bij de verplichtingen vergeleken met het procentuele realisatieverschil bij de uitgaven. En als het verschil tussen deze percentages meer dan 10 bedraagt, dan worden de verplichtingenmutaties apart toegelicht.

Het accent van de toelichting ligt vooral op de geboekte resultaten van in 2012 in gang gezette specifieke actieplannen en dergelijke. In het algemeen wordt hier niet ingegaan op «going concern» resultaten.

B. Het beleidsverslag kent de volgende elementen:

  • 1. Beleidsverslag

  • 2. De beleidsartikelen

  • 3. De niet-beleidsartikelen

  • 4. Bedrijfsvoeringparagraaf

1. Beleidsverslag

In het beleidsverslag kijken we terug op de activiteiten in 2012.

2. De beleidsartikelen

De veranderingen in de beleidsartikelen komen voort uit de modellen van Verantwoord begroten (VB) voor begroting 2012.

3. De niet-beleidsartikelen

Met ingang van begroting 2012 zijn de niet-beleidsartikelen artikel 17 t/m 20 vernummerd naar artikel 91 t/m 94.

Op artikel 91 (Nominaal en onvoorzien) wordt een overzicht gegeven van de verdelingen van tijdelijk geparkeerde middelen, zoals de loon- en prijsbijstelling. De apparaatsuitgaven van het kerndepartement, de inspecties en de adviesraden worden op artikel 92 t/m 94 verantwoord.

4. Bedrijfsvoeringparagraaf

In de bedrijfsvoeringparagraaf wordt verslag gedaan over de bedrijfsvoering. De paragraaf bevat tevens de mededeling bedrijfsvoering. Deze heeft betrekking op het financieel- en materieel beheer en de daarvoor bijgehouden administraties.

C. De jaarrekening

De jaarrekening bevat de departementale verantwoordingsstaat 2012, de samenvattende verantwoordingsstaat 2012 van de baten-lastendiensten, de jaarverantwoording van de baten-lastendiensten Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Nationaal Archief (NA), de saldibalans en het paragraaf misbruik en oneigenlijk gebruik van wet- en regelgeving.

D. De volgende bijlagen zijn opgenomen:

  • 1. Toezichtsrelaties ZBO’s en RWT’s

  • 2. Afgerond evaluatie en overig onderzoek

  • 3. Externe inhuur

  • 4. Afkortingen

  • 5. Trefwoorden

B. BELEIDSVERSLAG

BELEIDSVERSLAG OVER 2012

Inleiding

Onderwijs, wetenschap, cultuur, media en emancipatie zijn van groot belang voor ons functioneren, nu en in de toekomst. Ze dragen bij aan een samenleving die toegerust is voor de uitdagingen van de 21e eeuw, waar mensen tot hun recht komen, actief deelnemen aan de maatschappij en samen bouwen aan een sterk en sociaal Nederland. Het beleid van OCW is gericht op het creëren van de juiste voorwaarden, zodat scholen, docenten, kunstenaars, wetenschappers en programmamakers die belangrijke bijdrage kunnen leveren. Kwaliteit is daarbij van cruciale waarde.

Eind 2012 verscheen een internationaal vergelijkend onderzoek onder scholieren naar de leerprestaties in lezen, rekenen en natuuronderwijs in ruim 45 landen. Dit liet opnieuw zien dat het Nederlandse onderwijs goed is, we behoren tot de subtop. Maar we blinken niet uit. Het Nederlandse onderwijs is goed in staat om zwak presterende leerlingen op het middenniveau te brengen, maar heeft moeite talentvolle leerlingen te laten excelleren. Als we het beste uit alle leerlingen willen halen, is «goed» niet goed genoeg. Als we blijvend willen meedoen in de top vijf van kenniseconomieën in de wereld, is versterking van de kwaliteit nodig.

Het kabinet heeft daarom de ambitie om de stap te zetten van «goed» naar «excellent» onderwijs. Om het talent van alle leerlingen en studenten te benutten. Leraren, maar ook schoolleiders en lerarenopleidingen zijn hierbij cruciaal. Daarbij bouwen we voort op de inzet van het vorige kabinet.

Zo zijn in 2011/2012 in het onderwijs een aantal bestuursakkoorden en prestatieafspraken gesloten om de kwaliteit van het onderwijs structureel te verbeteren. Continuïteit en tijd zijn belangrijk voor instellingen om de afgesproken aanpak succesvol te laten zijn. Maar om de stap van «goed» naar «excellent» te kunnen maken is meer nodig dan de huidige inzet. Eind 2012 zijn dan ook gesprekken gestart met de Stichting van het Onderwijs om te komen tot een nationaal onderwijsakkoord dat leidt tot meer kwaliteit en meer participatie.

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het Nederlandse onderwijs. Jaarlijks stelt de Inspectie van het Onderwijs een onderwijsverslag op waarin positieve en negatieve ontwikkelingen in het stelsel worden beschreven. Het onderwijsverslag bevat ook aanbevelingen voor verbeteringen. De minister van OCW schrijft naar aanleiding van het onderwijsverslag een beleidsreactie. Zowel het onderwijsverslag als de beleidsreactie worden aan de Tweede Kamer aangeboden. De behandeling in de Tweede Kamer vindt tegelijkertijd met het jaarverslag OCW plaats.

Bij het jaarverslag wordt ook de publicatie Kerncijfers aangeleverd aan de Tweede Kamer. In deze publicatie wordt een beeld gegeven van de werking van het stelsel en de behaalde resultaten. Door middel van het beleidsverslag, het onderwijsverslag en Kerncijfers maar ook door de tussentijdse evaluaties wordt verantwoording afgelegd over de behaalde resultaten van het beleid.

In de cultuursector zijn kunstenaars en culturele instellingen van hoge kwaliteit het uitgangspunt van het beleid en een noodzakelijke voorwaarde voor artistiek succes en een sterk cultureel klimaat. Daarbij gaat het om artistieke kwaliteiten, maar ook heel nadrukkelijk om de maatschappelijke en economische waarde. Er is in 2012 scherp gekozen voor een sterke basisinfrastructuur. Daarbij streven we er naar dat instellingen en kunstenaars de band met hun publiek en met de samenleving versterken en uitbouwen en nieuwe middelen verwerven in Nederland, maar ook daarbuiten. Op het gebied van de media blijft de taak van de publieke omroep het verzorgen van een breed, onafhankelijk, pluriform en kwalitatief hoogwaardig media-aanbod dat bovendien toegankelijk is voor iedereen.

In dit beleidsverslag presenteren we de voortgang die in 2012 is geboekt om de door het vorige kabinet gestelde doelen te bereiken en de eerste stappen die eind 2012 zijn gezet voor de implementatie van het beleid van het nieuwe kabinet.

Voor de opbouw van het beleidsverslag is gekozen voor een indeling waarbij de belangrijkste resultaten op de terreinen onderwijs, wetenschap, cultuur, media en emancipatie in 2012 zijn beschreven. De beleidsagenda 2012 en het beleid van het kabinet Rutte II zijn hierbij als leidraad gebruikt.

Onderwijs

Funderend onderwijs

Om te werken aan een excellente onderwijscultuur in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs, stimuleren we dat scholen opbrengstgericht werken. Dat wil zeggen dat scholen systematisch en doelgericht werken aan het maximaliseren van leerprestaties. Dat doet een beroep op de verschillende vaardigheden van de schoolleider en de leraar. Daarom wordt er geïnvesteerd in de professionalisering van deze sleutelfiguren.

In 2012 zijn de maatregelen voor het stimuleren van de professionele ontwikkeling van leraren en het op peil houden van de omvang en kwaliteit van de lerarenpopulatie voortgezet en op onderdelen geïntensiveerd. Zo zijn er in 2012 circa 4.400 lerarenbeurzen voor bachelor- en mastopleidingen toegekend. In februari 2012 is het lerarenregister voor leraren in po, vo en bve van start gegaan. Verder is er in 2012 gewerkt aan het verbeteren van de lerarenopleidingen. In het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs zijn in 2012 de bekwaamheidsprofielen voor schoolleiders geactualiseerd. In het voortgezet onderwijs is in 2012 de VO-academie voor schoolleiders gestart, deze biedt een overzicht van het (na)scholingsaanbod, gerangschikt naar de bekwaamheidsprofielen. Inmiddels hebben zich 340 schoolleiders geregistreerd bij de VO-academie. De VO-academie wordt verder uitgebouwd en is medio 2013 volledig operationeel. Alle nieuwe schoolleiders die vanaf dat moment starten, volgen een gevalideerde basisopleiding, of zijn daarvoor ingeschreven. In het PO zijn in 2012 plannen geconcretiseerd voor de doorstart van de Nederlandse Schoolleiders Academie in een nieuwe registerorganisatie. Die is begin 2013 van start gegaan.

Opbrengstgericht werken en de professionalisering van leraren en schoolleiders zijn ook belangrijke peilers van de bestuursakkoorden die eind 2011 en begin 2012 met de VO-raad en de PO-raad werden afgesloten. In de bestuursakkoorden zijn gedeelde ambities vertaald in concrete afspraken, gekoppeld aan meetbare streefdoelen. Via de Regeling Prestatiebox PO en Regeling Prestatiebox VO ontvangen scholen jaarlijks aanvullende middelen, dat hen financiële slagkracht biedt om de door hun geformuleerde doelen in het kader van de akkoorden te realiseren. Per brief van 1 november is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang van de bestuursakkoorden (Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 11). Scholen zijn in 2012 nadrukkelijk aan de slag gegaan om de sectorale prestatieafspraken te vertalen naar doelstellingen op schoolniveau en om opbrengstgericht werken, excellentie, professionalisering van leraren en schoolorganisatie en passend onderwijs op hun specifieke situatie toegepast vorm te geven. Het ondersteuningsprogramma School aan Zet ondersteunt scholen – 447 in het voortgezet onderwijs, 1.792 in het (speciaal) basisonderwijs en 89 in het speciaal (voortgezet) onderwijs in 2012 – bij het formuleren en het realiseren van deze ambitie. Eind 2013 wordt aan de hand van de landelijke monitor, uitgevoerd door OCW, opnieuw de balans opgemaakt. Aan de hand van de eerste resultaten wordt dan bekeken in hoeverre de scholen erin geslaagd zijn de tussendoelen uit de bestuursakkoorden te bereiken.

Ook de betrokkenheid van ouders is van belang bij het verhogen van de leeropbrengst van een kind en het goed functioneren van de school als gemeenschap. Daarom is 2012 het onderwerp ouderbetrokkenheid geagendeerd. Dit heeft onder andere geresulteerd in een herhaling van het monitoronderzoek ouderbetrokkenheid po, vo en mbo (in 2009 voor het eerst uitgevoerd) en een vervolgonderzoek bij het SCP (deels eerder uitgevoerd in 2000). Een inhoudelijke reactie op de monitorresultaten ouderbetrokkenheid po, vo en mbo wordt in het eerste kwartaal van 2013 naar de Tweede Kamer gestuurd.

Tevens heeft op 14 januari 2013 de OCW-conferentie «Ouders en school: samen de schouders eronder» plaatsgevonden. Hier kwamen de opbrengsten van het afgelopen jaar samen:

  • Op het gebied van ouderbetrokkenheid zijn ruim 50 goede praktijkvoorbeelden op scholen beschreven en vervolgens digitaal en tijdens de conferentie gedeeld. Pabo’s en lerarenopleidingen zijn zelf met dit thema aan de slag gegaan, gesteund door OCW.

  • Onderwijsadviesbureaus hebben zich op eigen initiatief georganiseerd om kennis en ondersteuning aan het veld te bieden via een landelijk dekkend netwerk van expertisepunten.

  • Zo’n 50 gemeenten denken na over de wijze waarop zij in staat zijn om ouderbetrokkenheid te versterken.

  • De PO-, VO- en MBO-raad, de ouderorganisaties, de besturenorganisaties hebben in het kader van het programma initiatieven genomen, zoals het uitvoeren van diverse pilots om ouderbetrokkenheid te versterken, o.a. op het gebied van taal en rekenen en het ontwikkelen en inzetten van samenwerkingsovereenkomsten etc.

  • Uit de monitor ouderbetrokkenheid en gesprekken met leraren, ouders, onderzoekers en andere betrokken, blijkt dat niet alleen dat het onderwerp meer is gaan leven, men is ook daadwerkelijk actie gaan ondernemen.

In 2012 hebben de Tweede Kamer en de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel passend onderwijs en met het wetsvoorstel kwaliteit (v)so. Met het begrotingsakkoord 2013 is besloten de eerder voorgenomen bezuiniging van structureel € 300 miljoen op passend onderwijs niet door te voeren. Ook krijgen scholen één schooljaar langer de tijd om de invoering van passend onderwijs voor te bereiden. Het ministerie van OCW heeft in 2012 volop ondersteuning geboden aan schoolbesturen en samenwerkingsverbanden om te komen tot een zorgvuldige invoering van goed passend onderwijs.

In juni 2012 is de wet onderwijstijd VO aangenomen. Vanaf schooljaar 2013–2014 veranderen hierdoor de voorschriften ten aanzien van de onderwijstijd in het voortgezet onderwijs. Het Regeerakkoord van het nieuwe kabinet kondigt een modernisering van de wettelijke norm voor onderwijstijd aan, en bij de behandeling van de begroting 2013 is de regering verzocht hiervoor een voorstel te doen.

Het wetsvoorstel dat de invoering van een centrale eindtoets en de verplichting voor het leerling- en onderwijsvolgsysteem beoogt te regelen, is in januari 2012 door de regering ingediend bij de Tweede Kamer. In het voortgezet onderwijs is bij de examens in 2012 voor alle scholen de extra eis gaan gelden dat de leerling gemiddeld voor alle centrale examens ten minste een voldoende moet hebben behaald. Scholen en leerlingen lijken daar goed op te hebben geanticipeerd. Het aantal geslaagden is slechts met 0,9% afgenomen. Uit de examenmonitor blijkt dat leerlingen hogere cijfers hebben gehaald bij het centraal examen.

In 2013 gaat naast deze eis nog gelden dat de leerling maximaal één vijf als eindcijfer voor de vakken Nederlands, Engels en wiskunde mag hebben.

Het kabinet heeft als doelstelling het aantal voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) verder terugbrengen. In het schooljaar 2011–2012 is het aantal vsv’ers gedaald naar 36.250. Hiermee is weer een stap richting de doelstelling van maximaal 25.000 in 2016. Om doelgericht de schooluitval in het mbo aan te pakken worden met vijftien ROC’s afzonderlijk de mogelijkheden voor verbetering besproken. Voor het realiseren van deze doelstelling zijn in 2012 opnieuw meerjarige (voor de periode 2012–2015) prestatiegerichte convenanten afgesloten met scholen in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs en de contactgemeenten van de 39 RMC-regio’s.

Middelbaar Beroepsonderwijs

In 2012 werd in het mbo verder uitwerking gegeven aan de beleidsagenda die is opgenomen in Focus op Vakmanschap en Leraar 2020 en het daarmee samenhangende Bestuursakkoord. Het doel is te komen tot aantrekkelijk, uitdagend beroepsonderwijs waar meer jongeren voor willen kiezen. Kernpunten van Leraar 2020 zijn: docenten zo hoog mogelijk opleiden, continue professionalisering en leren van elkaar. Daarnaast richt Focus op Vakmanschap zich op intensiveren en verkorten van mbo-opleidingen om aan kwaliteit en aantrekkingskracht te winnen. Met het begrotingsakkoord 2013 is besloten dat de leeftijdsgrens van 30 jaar voor bekostiging in het mbo niet ingevoerd wordt en dat de ombuiging «MBO vereenvoudiging kwalificatiestructuur en verkorten» en de intensivering «MBO kwaliteitsverbetering» beide met één jaar vertraagd worden.

Focus op vakmanschap

De hoofdlijnen van het beleid voor het mbo in deze kabinetsperiode zijn uitgewerkt in het actieplan mbo «Focus op Vakmanschap 2011–2015» (Kamerstuk 31 524, nr. 88).

Het actieplan leraar 2020

Het actieplan leraar 2020 heeft de volgende kernpunten:

  • de kwaliteit van de leraar en middenmanager wordt duurzaam gegarandeerd

  • naar professionele scholen, met ruimte voor goed onderwijspersoneel

  • voldoende en goed opgeleide leraren

Aan de instellingen is gevraagd om een Plan van Aanpak (2012 t/m 2015) in te dienen. Op basis van het positieve totaalbeeld van de beoordelingen heeft OCW in 2012 eenmalig een aanvullend budget van € 7 miljoen beschikbaar gesteld voor een versnelling van de startfase van professionalisering in het schooljaar 2012–2013.

Op basis van het begrotingsakkoord wordt vanaf 2013 structureel een aanvullend budget van € 14 miljoen beschikbaar gesteld. In lijn met het bestuursakkoord zijn er aanvullende afspraken gemaakt gericht op maatwerk per instelling.

Financiële problematiek

Het jaar 2012 stond ook in het teken van de financiële problematiek bij verschillende ROC’s, waaronder Amarantis en Zadkine. Begin 2012 werd duidelijk dat de Amarantis Onderwijsgroep in acute financiële problemen was gekomen. Naar aanleiding van deze problemen is toen de Commissie onderzoek financiële problematiek Amarantis ingesteld. Begin december 2012 is het eindrapport verschenen. De (beleids) reacties hierop zullen in 2013 hun beslag krijgen. In 2012 is aan Amarantis een continuïteitsbijdrage betaald.

Hoger onderwijs

Prestatieafspraken over onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie

In 2012 hebben alle bekostigde hogeronderwijsinstellingen een voorstel voor een prestatieafspraak ingediend bij OCW. De prestatieafspraken hebben betrekking op onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. Deze voorstellen zijn beoordeeld door de Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek (RCHOO). De RCHOO heeft geadviseerd alle voorstellen (uitgezonderd de Open Universiteit (OU)) te belonen met prestatiebekostiging en de OU de kans te bieden een nieuw voorstel in te dienen. Dit advies is overgenomen. De komende jaren werken de instellingen aan het realiseren van hun ambities. De RCHOO monitort het profileringsproces op sectorniveau en adviseert de regering. Om prestatiebekostiging mogelijk te maken is in 2012 het Besluit experiment prestatiebekostiging hoger onderwijs (Staatsblad 2012, 534) gepubliceerd. Dit besluit maakt het mogelijk om de komende (maximaal) 6 jaar instellingen te bekostigen op basis van een prestatieafspraak. Op basis van de ervaringen met het experiment moet besloten worden of prestatiebekostiging wettelijk wordt verankerd.

De strategische agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Kamerstuknummer 31 288 , nr. 194) is op verschillende manieren geoperationaliseerd. Voor een aantal onderwerpen geldt dat daartoe wet- en regelgeving moest worden aangepast. Het wetsvoorstel Kwaliteit in verscheidenheid is in januari 2013 ingediend bij de Tweede Kamer. In de strategische agenda zijn ook de voornemens opgenomen naar aanleiding van de uitkomsten van de onderzoeken naar zogenoemde alternatieve afstudeertrajecten. Dit is in een wetsvoorstel opgenomen dat in november 2012 is ingediend bij de Tweede Kamer. Daarnaast zijn drie algemene maatregelen van bestuur in voorbereiding. Deze hebben een experimenteel karakter: flexibiliteit van het onderwijs (een leven lang leren), promotieonderwijs (een experiment op beperkte schaal met bursalen) en het verruimen van de mogelijkheden tot een bindend studieadvies in latere jaren (na de propedeuse).

Externe validering

In het hoofdlijnenakkoord tussen OCW en de HBO-raad is afgesproken dat de HBO-raad een commissie van deskundigen instelt die adviseert over hoe de externe validering van examenkwaliteit kan worden versterkt. In mei 2012 is het advies «Vreemde ogen dwingen» van de commissie Bruijn uitgebracht. In oktober 2012 heeft de HBO-raad een plan ingediend over de wijze waarop de hogescholen voornemens zijn invulling te geven aan de implementatie van de voorstellen voor de externe validering van opleidingen. In januari 2013 hebben de voorzitter van de HBO-raad en de minister van OCW bestuurlijke afspraken over de uitwerking van het advies van de commissie Bruijn gemaakt.

Studiefinanciering: Studeren is investeren

In 2012 is het wetsvoorstel Studeren is investeren ingediend. Vanwege de val van het kabinet Rutte I is de invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase niet doorgevoerd. Ook is de verlenging van de aflossingstermijn van studieleningen van 15 naar 20 jaar niet doorgevoerd. Wel is het recht op de reisvoorziening (OV-kaart) beperkt tot de nominale studieduur plus één uitloopjaar in plaats van drie uitloopjaren. Een nieuw wetsvoorstel dat invoering van een sociaal leenstelsel beoogt, is in voorbereiding.

Wetenschap

Met de universiteiten zijn prestatieafspraken gesloten die onder meer zullen leiden tot meer zwaartepuntvorming en profilering in het wetenschappelijk onderzoek, mede in relatie tot de economische topsectoren en de grand challenges. In het topsectorenbeleid is gewerkt aan versterking van de keten leerervaring door valorisatie. NWO en KNAW hebben hun programma’s voor een deel in lijn gebracht met de integrale agenda’s voor de topsectoren. Het bedrijfslevenbeleid leidt tot intensievere samenwerking en meer synergie en netwerkvorming tussen bedrijven en kennisinstellingen. Zwaartepuntvorming in het wetenschappelijk onderzoek werd ook gerealiseerd door het aantal toponderzoekscholen over fundamenteel wetenschappelijk onderzoek met diverse wetenschapsgebieden aanzienlijk uit te breiden. Bijvoorbeeld met het programma zwaartekracht van NWO en door meer te investeren in grootschalige onderzoeksfaciliteiten en in ICT-onderzoeksinfrastructuur.

Cultuur

Stelselwijziging

Het kabinet heeft in 2012 de nieuwe basisinfrastructuur vormgegeven. Dit is gebeurd op basis van het advies «Slagen in Cultuur» van de Raad voor Cultuur.

Het kabinet wil een omslag in het cultuurbeleid: minder subsidieafhankelijkheid en scherpe selectie van te financieren instellingen. De overheid biedt een financiële ondersteuning voor eventuele frictie- en transitiekosten van instellingen die gedurende een lange periode publiek gefinancierd zijn. In totaal stelt het Rijk € 138 miljoen beschikbaar. De nieuwe basisinfrastructuur is 1 januari 2013 gestart. De BTW-verhoging voor podium- en beeldende kunsten gaat definitief niet door.

Stimuleren van ondernemerschap en een groter publieksbereik

Om de cultuursector te helpen om nieuwe inkomstenbronnen aan te boren is in 2012 het Programma Ondernemerschap Cultuur opgestart. Het programma loopt langs drie lijnen: het stimuleren van een geefcultuur, het ondersteunen van culturele instellingen en makers op het terrein van ondernemerschap, onderzoek en monitoring. De Tweede Kamer is in mei 2012 (Kamerstuk 32 820, nr. 57) geïnformeerd. Het programma is tijdelijk van aard en loopt tot en met 2016.

Creatieve bedrijven in de architectuur en vormgeving maakten deel uit van de grote handelsmissie naar Brazilië in november 2012. In 2012 was tevens de viering van 400 jaar diplomatieke betrekkingen met Turkije. Het programma «Dutch Design, Fashion and Architecture» is in 2012 afgerond.

Het uitvoeren van wettelijke erfgoedtaken

In april 2012 is aangegeven welke wijzigingen in de instandhoudingssubsidie voor rijksmonumenten (Brim) per 2013 worden ingevoerd. Het nieuwe Brim is aangepast aan de eisen van deze tijd. Incidenteel is in 2012 € 47,2 miljoen ingezet voor monumenten ter bestrijding van de crisis in de bouwsector.

In 2012 heeft Nederland het Unesco-verdrag rond Immaterieel erfgoed geratificeerd, Nederland verplicht zich met de ratificatie van dit verdrag om het eigen immaterieel erfgoed in kaart te brengen, te documenteren en om maatregelen te nemen voor bescherming ervan.

In 2012 heeft het kabinet een beleidsreactie gegeven op het rapport «Ruimte voor Archeologie», (Kamerstuk II 2011–2012, 33 053, nr. 1). Dit rapport bevat de evaluatie van de effectiviteit van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg en het Besluit archeologische monumentenzorg die in 2007 in werking zijn getreden. De conclusie is dat op basis van de huidige wetgeving een betere bescherming van de archeologische waarden mogelijk is gebleken. Dit resultaat is vooral te danken aan het feit dat in de ruimtelijke ordening steeds meer rekening wordt gehouden met archeologie.

Het verhogen van de kwaliteit van cultuureducatie

In 2012 hebben de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur een gezamenlijk advies uitgebracht: Cultuureducatie: leren, creëren, inspireren! In oktober 2012 hebben minister en staatsecretaris van OCW een beleidsreactie op het advies gegeven. Het belangrijkste element uit deze reactie is het ontwikkelen van een leerlijn cultuureducatie.

Van 20 september tot en met 29 november 2012 kon er via internetconsultatie gereageerd worden op een conceptwetsvoorstel over de profielen havo / vwo. Een onderdeel daarvan is het voornemen het verplichte examenvak CKV (Culturele en Kunstzinnige vorming) te vervangen door de algemene, op schoolniveau vorm te geven, opdracht om in het curriculum van alle leerlingen herkenbaar en structureel aandacht te besteden aan culturele en kunstzinnige vorming. De internetconsultatie heeft vooral ten aanzien van dit onderdeel zeer veel reacties opgeleverd. Dit vergt een zorgvuldige afweging. Naar verwachting zal de Tweede Kamer in het voorjaar van 2013 geïnformeerd kunnen worden over het besluit ter zake.

De realisatie van een landelijke digitale bibliotheek

In 2012 zijn alle openbare bibliotheken aangesloten op de landelijke digitale infrastructuur. Openbare bibliotheken konden hiervoor gebruik maken van de Subsidieregeling aansluiting op de digitale bibliotheek. In 2013 zal de digitale collectie worden uitgebreid met rechtenvrije en rechtendragende content.

Media

Stelselwijziging

Op 17 juli 2012 is de wet tot wijziging van de Mediawet in het Staatsblad verschenen (Stb. 2012, 319). Deze wijziging heeft betrekking op de verlaging van de rijksmediabijdrage met € 200 miljoen en beëindiging van de wettelijke taken van de Stichting Radio Nederland Wereldomroep. De (financiële) verantwoordelijkheid voor de Wereldomroep is overgeheveld naar Buitenlandse Zaken. Verder is de fusie van omroepverenigingen, waarbij het aantal omroeporganisaties teruggebracht wordt van 21 tot 8, een belangrijke voorwaarde om de ingeboekte besparingen op het budget van de publieke omroep te realiseren. De NPO en de omroepverenigingen zijn hiermee het afgelopen jaar voortvarend aan de slag gegaan.

Maatregelen nieuw kabinet

Over de wijze waarop de mediaparagraaf uit het Regeerakkoord Rutte II wordt uitgewerkt, is de Tweede Kamer in een brief van 6 december 2012 (Kamerstuk 33 400, nr. 129) nader geïnformeerd. In deze brief is ingegaan op de wijze waarop de structurele verlaging van de rijksmediabijdrage met € 100 miljoen wordt ingevuld.

Emancipatie

Het aantal actieve LHBT1 gemeenten is meer dan verdubbeld tot 40. In 2012 zijn 134 scholen gestart met de pilot LHBT jongeren op school. Doel van de pilot is om een impuls te geven aan het sociale veiligheidsbeleid ten aanzien van LHBT jongeren op scholen. Het wetsvoorstel Lesbisch ouderschap ligt momenteel bij de Eerste Kamer. Het wetsvoorstel Erkenning genderidentiteit ligt momenteel bij de Tweede Kamer. In 22 gemeenten wordt het programma «Eigen Kracht» uitgevoerd als doel een positieve houding bij de deelnemende vrouwen ten opzichte van solliciteren, volgen van een opleiding of verrichten van vrijwilligerswerk te weeg te brengen. Met vijftien gemeenten zijn afspraken gemaakt over de werving van zogenaamde «changemakers» voor de We Can Young campagne gericht op veiligheid en weerbaarheid van jongeren.

Caribisch Nederland

Er is gewerkt aan het uitvoeren van de Onderwijsagenda Caribisch Nederland 2011–2016. Beide Kamers worden in mei 2013 geïnformeerd over de voortgang. Met Aruba is een bilateraal samenwerkingsprotocol gesloten voor alle beleidsterreinen van OCW. Met Curaçao en Sint Maarten werden protocollen afgesloten ter stimulering van studeren in de regio.

Monitor streefdoelen

Streefdoelen

 

Basiswaarde

Realisatiewaarde 2011

Realisatiewaarde 2012

Streefwaarde

Bron

Box 1 Onderwijs

         

1.

Gemiddelde score basisvakken

         
 

a)

gemiddelde score CITO-eindtoets omhoog (Primair onderwijs)

535,5 (2012)

n.v.t.

535,5 (2012)

537 (2015)

CITO- Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (2009, 2010, 2011, 2012)

 

b)

gemiddelde taalvaardigheidsscores in groep 8 van het bao hoger dan 250 (Primair onderwijs)

Woordenschat 251 / Spelling 252 / Begrijpend lezen 257 (2011)

n.v.t.

Woordenschat 251 / Spelling 252 / Begrijpend lezen 257 (2011)

>250

CITO- Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (2009, 2010, 2011, 2012)

 

c)

gemiddelde rekenvaardigheidsscores in groep 8 van het bao hoger dan 250 (Primair onderwijs)

Getallen en bewerkingen 252/ Breuken en procenten en verhoudingen 253/ Meten en meetkunde en tijd en geld 254 (2011)

n.v.t.

Getallen en bewerkingen 252/ Breuken en procenten en verhoudingen 253/ Meten en meetkunde en tijd en geld 254 (2011)

>250

CITO- Jaarlijks Peilingsonderzoek van het Onderwijsniveau (2009, 2010, 2011, 2012)

 

d)

gemiddelde PISA-score wiskunde (Voortgezet onderwijs)

526 (2009)

n.v.t.

Nieuwe data eind 2013 beschikbaar

536 (2015), 541 (2018)

Programme for international student assesment (PISA), OESO

 

e)

gemiddelde PISA-score lezen (Voortgezet onderwijs)

508 (2009)

n.v.t.

Nieuwe data eind 2013 beschikbaar

516 (2015), 520 (2018)

Programme for international student assesment (PISA), OESO

 

f)

Gemiddelde PISA-score science (Voortgezet onderwijs)

522 (2009)

n.v.t.

Nieuwe data eind 2013 beschikbaar

526 (2015), 528 (2018)

Programme for international student assesment (PISA), OESO

2.

Excellente leerlingen en studenten

         
 

a)

po: de grensscore voor de beste 20% van de leerlingen stijgt naar 545 in 2015

543/544 (2010)

543/544 (2011)

543/544 (2012)

545 (2015)

CITO, jaarlijkse eindtoets

 

b)

vo: gemiddelde eindexamencijfers (CE+SE) van de 20% best presterende vwo-leerlingen van 7,6 in 2010 naar 7,8 in 2015

7,5 (2010)

7,5 (2011)

7,5 (2011/2012)

7,8 (2015)

Bestuursakkoord VO-Raad – OCW 2012; cijfers worden verstrekt door DUO

3.

Verhogen percentage deelnemers per mbo niveau dat de opleiding succesvol afrondt

         
 

Percentage mbo-deelnemers per niveau dat met diploma de instelling verlaat, jaarresultaat per niveau, 1, 2, 3, 4

niveau 1: 66% / niveau 2: 62%/ niveau 3: 63%/ niveau 4: 65%

0

Nieuwe data juni 2013 beschikbaar

70% (2015) alle niveau's

Benchmark MBO Raad

4.

Verhogen rendement

         
 

a)

Het aantal nieuwe vsv'ers per kalender jaar (nationale indicator)

41800 (2009)

39115 (2010/2011)

36200 (2011/12)

35000 (2012), 25000 (2016)

Kamerstuk 26 695, nr. 44

 

b)

Verhogen rendement, verminderen studiewisseling en uitval ho conform prestatieafspraken 2012 met universiteiten & hogescholen

Hogescholen: Verminderen studie-uitval (cohort 2010: 28,0% in 2011)/ Verminderen switch (cohort 2010; 9,0% in 2011)/ Verhogen rendement n+1 (cohort 2006; 65,7% in 2011). Universiteiten: Verminderen studie-uitval (cohort 2010: 18,9% in 2011)/ Verminderen switch (cohort 2010; 9,0% in 2011)/ Verhogen rendement n+1 (cohort 2007; 60,9% in 2011)

0

Hogescholen: Verminderen studie-uitval (cohort 2010: 28,0% in 2011)/ Verminderen switch (cohort 2010; 9,0% in 2011)/ Verhogen rendement n+1 (cohort 2006; 65,7% in 2011). Universiteiten: Verminderen studie-uitval (cohort 2010: 18,9% in 2011)/ Verminderen switch (cohort 2010; 9,0% in 2011)/ Verhogen rendement n+1 (cohort 2007; 60,9% in 2011)

0

1 cijfer ho

5.

Percentage opbrengstgerichte scholen

         
 

a)

In po het percentage po-scholen dat opbrengstgericht werktvan 30% naar 60% in 2015 en naar 90% in 2018

35% (2010/2011) Alle indicatoren voldoende, behalve «volgen en analyseren»

35% (2010/2011)

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

60% (2015), 90% (2018)

Inspectie van het Onderwijs

 

b)

In vo het aantal vo-scholen dat opbrengstgericht werkt naar minstens 50% in 2015 en naar 90% in 2018

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

50% (2015), 90% (2018)

Inspectie van het Onderwijs

 

c)

In het (v)so naar minstens 25% in 2012, minstens 50% in 2015 en minstens 75% in 2018

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

25% (2012), 50% (2015), 75% (2018)

Inspectie van het Onderwijs

6.

Intensivering onderwijstijd

         
 

a)

Uitbreiding van het aanbod van vve, schakelklassen en zomerscholen aan kinderen met risico op taalachterstand

Aanbod VVE 35680 (2011)/ Schakelklassen 525 (2011)/ Zomerscholen 30 (2011)

n.v.t.

Aanbod VVE 35680 (2011)/ Schakelklassen 525 (2011)/ Zomerscholen 30 (2011)

Aanbod VVE 43490 (2015)/ Schakelklassen 1380 (2015)/ Zomerscholen 220 (2015)

In 2011 opgave gemeenten. In 2013 bron: Inspectie. In 2012 geen meting

7.

Onderpresterende scholen / opleidingen

         
 

a)

In po reductie van het aantal zeer zwakke scholen

zeer zwakke scholen 69/ taal en rekenzwakke scholen 238 (2010)

zeer zwakke scholen 57/ taal en rekenzwakke scholen (2011 beschikbaar april 2013)

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

zwakke scholen 35/ taal en rekenzwakke scholen 199 (2015)

Inspectie van het Onderwijs

 

b)

In (vso) verder reductie van het aantal (zeer) zwakke scholen

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

0

Inspectie van het Onderwijs

 

c)

In vo geen stijging van het aantal (zeer) zwakke scholen

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

0

Inspectie van het Onderwijs

 

d)

In het mbo geen stijging van het aantal (zeer) zwakke opleidingen

311 zwak (2010)/ 34 zeer zwak (2010)

175 zwak (2011)/ 14 zeer zwak (2011)

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

175 zwak (2012)/ 14 zeer zwak (2011)

Inspectie van het Onderwijs

8.

Aantal leraren, docenten dat over een master- of PhD-graad beschikt

         
 

a)

hbo: percentage op master- of PhD-niveau opgeleide leraren/docenten bedraagt 80% in 2016 (in 2009 63%)

0

0

66,2% waarvan 6,4% PhD (2011)

80% (2016)

«Kwaliteit in verscheidenheid» – Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap, 2011. De indicator is gebaseerd op het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek (POMO) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken

9.

Bekwame leraren en schoolleiders

         
 

a)

In 2016 voldoen alle leraren in po en vo aan de bekwaamheidseisen op de onderdelen «afstemmen op verschillen en opbrengst gericht werken» (indicatoren van de Inspectie van het Onderwijs).

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

0

Inspectie van het Onderwijs

 

b)

In 2016 voldoen alle schoolleiders po, vo en teamleiding/middenmanagement in het mbo aan de dan geldende bekwaamheids eisen

0

0

Nieuwe data medio april 2013 beschikbaar, onderwijsverslag IvhO

0

Inspectie van het Onderwijs

10.

Geregistreerde leraren

         
 

In 2014 is 40 % van de leraren in po, vo en mbo die voldoen aan de bekwaamheidseisen opgenomen in het register vr leraren

0

0

3% (2012)

40% (2012), 100% (2018)

CIBG, agentschap van het ministerie van VWS

11.

Deelname eindtoets basisonderwijs

         
 

Vanaf voorjaar 2013 leggen alle leerlingen in het basisonderwijs de verplichte eindtoets af.

0

0

Wetsvoorstel toetsing Primair Onderwijs wacht op behandeling TK (stand van zaken in januari 2013)

0

Wetsvoorstel toetsing Primair Onderwijs wacht op behandeling TK (stand van zaken in januari 2013)

12.

Percentage opleidingen met voldoende examenkwaliteit in het mbo

         
 

In 2012 is het percentage opleidingen mbo met voldoende examenkwaliteit 85% (2012; 63%)

63% (2009)

83% (2010)

Beschikbaar april 2013

85% (2012)

Inspectie van het Onderwijs

13.

Tevredenheid studenten, docenten en bedrijfsleven

         
 

a)

Van mbo-studenten rapportcijfer opleiding

6,9 (2010)

0

6,9 (2012)

7,0 (2014)

JOB-monitor

 

b)

van mbo-docenten over organisatie/begeleiding studie: indicator wordt nog ontwikkeld

0

0

Nog niet uitgewerkt

0

MBO Raad

 

c)

van bedrijfsleven over mbo onderwijs/mbo-afgestudeerden: indicator wordt nog ontwikkeld

0

0

Nog niet uitgewerkt

0

SBB

 

d)

van hbo-studenten; 65,6% scoort 4 of 5 op algemene tevredenheid

0

0

65,6% (2011)

4 of 5 op algemene tevredenheid

NSE (Nationale Studentenenquête)

 

e)

van wo-studenten: 80,1% scoort 4 of 5 op algemene studenttevredenheid

0

0

80,1% (2011)

4 of 5 op algemene tevredenheid

NSE (Nationale Studentenenquête)

Box 2 Wetenschap

1.

Mondiale top-5 positie op basis van citatiescores

Positie 4 (data 2005–2008)

Positie 3 (data 2006–2009)

Positie 3 (data 2007–2010)

Behorende tot de Top-5

De indicator is gebaseerd op een door externe instituten uitgevoerde en door OCW gefinancierde dataverzameling. Het CWTS onderhoudt hiervan een database, waaruit de indicator is ontwikkeld. Tot en met 2009 via opdrachtverlening aan NOWT/CWTS, vanaf 2011 via opdrachtverlening aan Dialogic. – NOWT/CWTS, middels de tweejaarlijkse rapporten «Wetenschaps- en Technologie- Indicatoren». De gegevens in de begroting 2011 zijn gebaseerd op het NOWT-rapport 2010 (januari 2010). – Dialogic/NIFU voor de realisatiewaarde 2009. Vanaf 2011 verzamelen Dialogic en NIFU, in samenwerking met het CWTS, wetenschaps-, technologie- en innovatie-indicatoren, in opdracht van OCW en hebben hiervoor een website (www.wti2.nl ) ontwikkeld om de indicatoren te publiceren

2.

Inzet middelen NWO voor economische topsectoren/grand challenges cf. Strategische Agenda HO, OWB

n.v.t.

n.v.t.

Nieuwe waarde medio 2013 beschikbaar

Maximaal 275 miljoen (2015)

Het gegeven moet komen uit het jaarverslag van NWO

3.

Versterken privaat-publieke samenwerking in kader topsectoraanpak; streefwaarde nog uit te werken

Nog niet uitgewerkt

Nog niet uitgewerkt

Nog niet uitgewerkt

Nog niet uitgewerkt

invulling volgt

4.

Valorisatie versterken; streefwaarde is 2,5% van de publieke onderzoeksmiddelen in 2016

Nog niet uitgewerkt

Nog niet uitgewerkt

Nog niet uitgewerkt

2,5% (2016)

invulling volgt

Box 3 Cultuur en media

1.

Percentage cultuurproducerende instellingen in de BIS dat voldoet aan de eigen inkomstennorm van minimaal 17 ,5 %

85% (2009)

85% (2010)

90% (2011)

95%

(2012)

Jaarrekeningen gesubsidieerde instellingen

2.

Bezoeken aan door OCW gesubsidieerde podiumkunsten (incl. buitenland)

4,1 miljoen (2009)

4,2 miljoen (2010)

4,9 miljoen (2011)

4,2 miljoen (2012)

Jaarrekeningen gesubsidieerde instellingen

3.

Aantal bezoeken rijksgesubsidieerde musea

5,7 miljoen (2009)

6,1 miljoen (2010)

6,1 miljoen (2011)

6 miljoen (2012)

Jaarverantwoording van rijksgesubsidieerde musea.

4.

Aantal monumenten met een restauratie-achterstand

17%

10%

10%

10%

Onderzoek PRC Bouwcentrum (2001, nulmeting); Rapport PRC Bouwcentrum: «Effectmeting middelen inzake restauratie van rijksmonumenten» (2005) (bijwerking gegevens 2001); Rapport PRC Bouwcentrum: «Rapportage onderzoek naar de restauratieachterstand bij rijksmonumenten» (2006)

5.

Bereik landelijke publieke televisie

85% (2003)

85% (2011)

84,3% (2012)

85% (2015)

NPO/ Dienst Kijk en Luisteronderzoek

6.

Onderscheidende programmering publieke televisie

77% (2006)

79% (2011)

79% (2012)

70% (2015)

Stichting Kijkonderzoek

7.

Bekendheid Kijkwijzer

79% (2006)

95% (2009)

97% (2012)

minimaal 95% in 2015

Het onderzoek wordt uitgevoerd door Intomart Gfk in opdracht van het Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media (NICAM)

Box 4 Emancipatie

1.

Sociale acceptatie van homoseksuelen onder de bevolking

91% (2010)

93%

96%

≥ 91% (2014)

SCP monitoring van sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland

2.

Aantal scholen met gay-straight alliantie verdubbeld; van 150 (2011) naar 300 (2014)

150

0

160 (2013)

300 (2014)

www.gaystraightalliance.nl

Verschillen DJV 2012 t.o.v. Begroting 2012

Box 1 Monitor streefdoelen onderwijs

Reden

2. Excellente leerlingen en studenten

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 c) niet meer opgenomen, reden : De oude definitie van excellentie uit de begroting 2012 is gewijzigd in het kader van de prestatieafspraken. Daardoor is het niet meer mogelijk periodiek een landelijk beeld op hbo- en wo-niveau te geven. Excellentie is nu onderdeel van de prestatieafspraken met de afzonderlijke instellingen en zal net als de meeste andere pa-indicatoren buiten begroting en jaarverslag om worden gemonitord.

4. Verhogen rendement

b) in begroting stond ho totaal onder b) in DJV 2012 is ho uitgesplitst naar hbo en wo

6. Intensivering onderwijstijd

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 b) niet meer opgenomen, reden : voor onderwijsintensiteit geldt dat er afspraken met individuele instellingen zijn gemaakt. De instellingen gaan namelijk heel verschillend om met de inrichting van de curricula, afhankelijk van het type opleidingen en de eigen pedagogische visie, en hebben nu de vrijheid gekregen om binnen die context de onderwijsintensiteit te verbeteren. Dat betekent dus geen landelijke cijfers en monitoring buiten de begrotingscyclus om.

8. Aantal leraren, docenten dat over een master- of PhD-graad beschikt

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 a) niet meer opgenomen, reden: vervallen ivm aanhouden brief over masters. b) is a) geworden.

9. Bekwame leraren en schoolleiders

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 c) niet meer opgenomen, reden: vervallen omdat dat de einddatum is verschoven van 2016 naar 2018 en daarmee buiten het bestek van deze begroting/verslag is komen te vallen (looptijd tot 2017).

13. Tevredenheid studenten, docenten en bedrijfsleven

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 onderdeel d) en e) toegevoegd (tevredenheid hbo en wo-studenten)

14. Prestatieafspraken ho

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 c) niet meer opgenomen, reden : De prestatieafspraken zijn in contracten per instelling opgenomen en ondertekend. De monitoring hiervan vind buiten de begroting plaats. Is niet mogelijk per instelling te verantwoorden.

Box 2: Monitor streefdoelen emancipatiebeleid

 

2. Aantal gemeenten dat een actief homo-emancipatiebeleid voert

T.o.v. de begroting 2012 is in het DJV 2012 niet meer opgenomen, reden: Meetinstrument gewijzigd, zoals werd gemeten wordt het niet meer gemeten

Beleleidsdoorlichtingen

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Toelichting

 

2010

2011

2012

 

Artikel 1, 3 en 4

       

Heroverweging Produktiviteit Onderwijs

   

Productiviteit

Artikel 4

       

Beleidsdoorlichting Leren & Werken

 

 

Kamerstuk 30 012, nr. 36

Artikel 6, 7 en 11

       

Heroverweging Hoger Onderwijs & SF

   

Hoger onderwijs & SF

Artikel 9

       

Beleidsdoorlichting Actieplan Leerkracht

     

Afronding begin 2013

Artikel 12

       

Heroverweging Kindregelingen

   

Kindregeling

Artikel 14

       

Waarborgen aanbod en participatie Cultuur

 

 

Kamerstuk 31 511, nr. 8

Artikel 15

       

Beleidsdoorlichting Mediabeleid

   

Kamerstuk 31 511, nr. 7

Artikel 16

       

Beleidsdoorlichting Toerusting Onderzoekstelsel

     

Niet in 2012/2013 maar in 2014 samen met de beleidsdoorlichting Behoud van kwaliteit wetenschap, wetenschappelijk talent en versterken impact wetenschap

DE BELEIDSARTIKELEN

1: Primair onderwijs

Artikel

Algemene doelstelling

Het primair onderwijs zorgt dat leerlingen in de eerste fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het beste past bij hun talenten. Het legt bovendien de basis voor de huidige en toekomstige deelname van deze leerlingen aan de samenleving.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een primair onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

In het bijzonder is zij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van de middelen voor het onderwijs en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die zij tot haar beschikking heeft zijn het uitvaardigen van wet- en regelgeving, het verstrekken van bekostiging, subsidies en opdrachten, het houden van toezicht en het voeren van een dialoog met belanghebbenden, en zonodig actief voeren van regie.

Kengetallen

Indicatoren voor het primair onderwijsstelsel worden beschreven in het Onderwijsverslag 2011–2012 en in Trends in Beeld 2012 .

Tabel 1.1: Leerlingen primair onderwijs (x 1.000)
         

Realisatie

Raming

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

Leerlingen basisonderwijs

           

geen gewicht

1.316,6

1.344,3

1.338,5

1.330,8

1.322,7

1.328,1

0.25

37,5

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0.3

89,0

117,2

111,7

104,2

96,9

100,8

0.4

0,4

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0.7

0,7

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0.9

47,3

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

1.2

61,6

86,3

84,7

82,3

78,3

81,3

Subtotaal1

1.553,0

1.547,8

1.534,9

1.517,4

1.497,9

1.510,3

Leerlingen trekkende bevolking

0,4

0,5

0,4

0,4

0,4

0,4

Totaal1

1.553,5

1.548,3

1.535,3

1.517,9

1.498,3

1.510,7

Leerlingen in het speciaal basisonderwijs

44,1

43,3

42,8

41,8

39,9

41,0

Leerlingen in het (voortgezet) speciaal onderwijs

66,8

68,5

68,9

70,2

70,7

69,3

Ambulant begeleide leerlingen

39,4

42,3

38,9

40,5

39,8

42,3

NB: De gewichtenregeling is herzien per 1 augustus 2006. Hierdoor zijn twee nieuwe gewichten (0,3 en 1,2) ingevoerd. Per 1 oktober 2009 is de oude gewichtenregeling afgebouwd.

Bron: Referentieraming 2012, raming op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. De realisatie 2012 is op basis van een voorlopige telling.

X Noot
1

(Sub)totalen kunnen een kleine afwijking vertonen door het afronden van de aantallen.

Tabel 1.2: uitgaven per leerling, excl. DUO en apparaatskosten (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Raming

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

Primair onderwijs

5,4

5,7

5,7

5,8

6,0

5,9

Bron: Referentieraming 2012, op teldatum 1 oktober van de respectievelijke jaren. De realisatie 2012 is op basis van een voorlopige telling.

Beleidsconclusies

In 2012 is met de PO-raad een bestuursakkoord afgesloten. In dit bestuursakkoord zijn op sectorniveau afspraken gemaakt over de gedeelde ambities en streefwaarden voor het primair onderwijs. Om de ambities uit het Bestuursakkoord te realiseren hebben schoolbesturen in 2012 extra middelen ontvangen via de «prestatiebox». Schoolbesturen hebben daarnaast ondersteuning gekregen bij het werken aan de ambities uit het bestuursakkoord. Hiervoor is in 2012 het programma «School aan Zet» opgestart. Per brief van 1 november is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang op de ambities uit de bestuursakkoorden (Kamerstuk 33 400 VIII, nr. 11).

Uit monitorgegevens blijkt dat bijna negen op de tien ondervraagde schoolbesturen positief tot zeer positief is over de «prestatiebox». Tweederde van de schoolbesturen zet het geld uit de prestatiebox in voor het bereiken van de ambities en streefwaarden uit het bestuursakkoord. Het bestuursakkoord en de «prestatiebox» lijken er ook toe te hebben geleid dat op de werkvloer het gesprek over onderwijskwaliteit is losgekomen. Circa 80% van de ondervraagde schoolbesturen en schoolleiders geeft aan dat met elkaar is overlegd over de geplande besteding van de extra middelen (CED-Groep/Kohnstamm, 2012).

In 2012 hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel «passend onderwijs» en het Wetsvoorstel «kwaliteit (v)so». In het Begrotingsakkoord 2013 is besloten de eerder voorgenomen bezuiniging van structureel € 300 miljoen op «passend onderwijs» niet door te voeren. Dit is in de begroting 2013 verwerkt. Ook krijgen scholen één schooljaar langer de tijd om de invoering van «passend onderwijs» voor te bereiden. Vanaf schooljaar 2014–2015 wordt «passend onderwijs» gefaseerd ingevoerd. Via halfjaarlijkse rapportages worden zowel de Tweede als de Eerste Kamer op de hoogte gehouden van de voortgang van de implementatie van «passend onderwijs».

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 1.3 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

9.282.969

9.625.193

9.460.186

9.914.081

9.752.070

9.634.780

117.290

Waarvan garantieverplichtingen

       

48.850

0

48.850

Totale uitgaven

8.981.019

9.567.428

9.471.237

9.554.470

9.746.672

9.635.996

110.676

               

Programma-uitgaven

8.974.817

9.562.350

9.466.210

9.549.482

9.746.672

9.635.996

110.676

Personele bekostiging

7.411.429

7.873.478

7.824.174

7.822.355

7.934.682

7.717.687

216.995

Materiële bekostiging

1.089.307

1.145.841

1.142.896

1.154.479

1.166.070

1.148.598

17.472

Bekostiging Caribisch Nederland

0

0

0

10.563

11.949

10.782

1.167

Conciërgeregeling

0

0

0

9.724

21.830

21.700

130

Verbeteren binnenmilieu

1.354

1.775

105.555

1.454

528

2.103

– 1.575

Onderwijspersoneelsbeleid

4.603

6.432

3.314

2.204

9.179

5.083

4.096

Humanistisch vormend en godsdienstonderwijs

1.963

5.529

7.440

8.196

9.996

10.000

– 4

Aanpak (zeer) zwakke scholen

180

989

1.616

1.037

1.989

2.080

– 91

Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten

13.421

20.680

41.009

20.141

4.065

42.588

– 38.523

Invoering centrale eindtoets en verplicht leerling-onderwijsvolgsysteem

0

0

0

0

4.922

25.375

– 20.453

Excellentie en talentontwikkeling

920

2.970

3.698

2.840

260

11.711

– 11.451

Verbreding techniek in het basisonderwijs

7.875

8.071

5.407

15.300

18.569

11.300

7.269

Cultuur en school

16.774

18.119

27.949

18.659

0

9.500

– 9.500

Passend onderwijs en LGF

39.258

58.108

71.242

71.422

82.013

93.460

– 11.447

Onderwijsachterstandenbeleid

283.542

266.260

110.779

289.491

359.596

360.190

– 594

Onderwijsvoorzieningen voor jonggehandicapten

0

16.454

19.000

21.500

22.500

23.862

– 1.362

Veiligheid op school

21.614

22.217

22.594

23.886

25.591

23.417

2.174

Brede scholen

970

28.931

1.412

788

1.140

12.331

– 11.191

Overig

40.375

38.977

34.938

37.898

27.723

6.290

21.433

Dienst Uitvoering Onderwijs

41.232

47.518

43.187

37.546

44.070

44.859

– 789

               

0

Loon- en prijsbijstelling

0

0

0

0

0

53.079

– 53.079

               

Apparaatsuitgaven1

6.202

5.078

5.027

4.988

     

Ontvangsten

71.404

61.435

45.002

20.668

52.385

1.661

50.724

X Noot
1

Met ingang van de begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 92 Apparaat Kerndepartement.

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven in het primair onderwijs ligt € 110,7 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. De realisatie van de ontvangsten is € 50,7 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Hieronder worden de grootste verschillen toegelicht.

Uitgaven

Toelichting op de instrumenten

  • Personele bekostiging: Het verschil met de begroting wordt grotendeels verklaard door de toevoeging van middelen voor loon- en prijsbijstelling (€ 53,1 miljoen), de tegemoetkoming voor werkgeverslasten (€ 34,8 miljoen) en de uitvoering van het «Actieplan Leerkracht» (€ 16,3 miljoen). Tevens zijn de middelen die vanaf 2012 via de «prestatiebox» beschikbaar worden gesteld aan de schoolbesturen onderdeel van de personele bekostiging (€ 132,5 miljoen, waarvan € 42,0 miljoen middelen voor het professionaliseren van leraren en schoolleiders). Tegenover deze toevoegingen staat een verlaging van € 23,8 miljoen, doordat er in 2012 minder leerlingen waren dan geraamd.

  • Materiële bekostiging: Het budget voor materiële bekostiging is per saldo verhoogd met € 17,5 miljoen. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door het toevoegen van de prijsbijstelling (€ 27,0 miljoen) aan de begroting. Hier staat een verlaging van de materiële bekostiging tegenover, doordat er in 2012 minder leerlingen waren dan geraamd (€ 3,2 miljoen) en door interne herschikkingen (€ 5,0 miljoen).

  • Onderwijspersoneelsbeleid: De verhoging van het budget voor onderwijspersoneelsbeleid is grotendeels het gevolg van een toevoeging van € 4,9 miljoen voor het Participatiefonds (zie ook de toelichting op de ontvangsten).

  • Verbeteren van taal- en rekenopbrengsten: Van het budget voor verbeteren taal- en rekenopbrengsten is € 38,5 miljoen beschikbaar gesteld via de «prestatiebox» (personele bekostiging).

  • Invoering centrale eindtoets en verplicht leerlingonderwijsvolgsysteem: Van het budget voor invoering centrale eindtoets en verplicht leerlingonderwijsvolgsysteem is € 20,5 miljoen beschikbaar gesteld via de «prestatiebox» (personele bekostiging).

  • Excellentie en talentontwikkeling: Van het budget voor excellentie en talentontwikkeling is € 11,5 miljoen beschikbaar gesteld via de «prestatiebox» (personele bekostiging).

  • Verbreding techniek in het onderwijs: De verhoging van € 7,3 miljoen van het budget voor verbreding techniek in het onderwijs is grotendeels veroorzaakt door de bijdragen van de artikelen 3 en 9 voor de projecten «School aan Zet» (€ 5,7 miljoen) en «Meer Betere Bèta’s» (€ 3,0 miljoen).

  • Cultuur en school: Het budget voor «Cultuur en school» is beschikbaar gesteld via de «prestatiebox» (personele bekostiging).

  • Passend Onderwijs en LGF: De verlaging van het budget voor «passend onderwijs» en «Leerling Gebonden Financiering» met € 11,4 miljoen wordt deels veroorzaakt door het later starten van projecten «passend onderwijs» (€ 3,6 miljoen) en de bijdrage aan artikel 3 voor de examenkosten van VSO-leerlingen in het voortgezet onderwijs (€ 0,9 miljoen). Daarnaast komt een deel van de stimuleringsregeling «passend onderwijs» in 2013 tot betaling (€ 3,0 miljoen). Het project «Herstart» is ten laste gebracht van het budget voor veiligheid op school (€ 2,3 miljoen).

  • Brede scholen: Het budget voor brede scholen is verlaagd door een overboeking naar het Gemeentefonds van € 11,2 miljoen voor het realiseren van combinatiefuncties in brede scholen.

  • Overig: Het verschil op het budget overig wordt grotendeels verklaard door de toevoeging van € 16,9 miljoen uit de Eindejaarsmarge voor dekking van overlopende verplichtingen van 2011 naar 2012. Daarnaast zijn op dit instrument uitgaven gedaan voor diverse projecten, zoals «Ouderbetrokkenheid» en «Vensters voor Verantwoording Primair Onderwijs».

  • Loon- en prijsbijstelling: De middelen voor loon- en prijsbijstelling zijn toegevoegd aan de personele bekostiging.

Ontvangsten

  • De ontvangsten zijn € 50,7 miljoen hoger dan geraamd.

    • Grootste oorzaak is dat gemeenten over de periode 2006–2010 onderwijsachterstandsmiddelen niet hebben besteed (€ 37,0 miljoen). Enerzijds is dit het gevolg van onderbesteding, anderzijds bleek een deel van de middelen niet exact aan de doelen van de specifieke uitkering te zijn besteed.

    • Er zijn voor € 8,8 miljoen hogere ontvangsten gerealiseerd dan geraamd door afhandeling van jaarrekeningen en afrekeningen van subsidies.

    • Voor € 4,9 miljoen is teruggevorderd bij scholen als gevolg van onterechte declaraties van wachtgeldkosten. Dit bedrag is weer beschikbaar gesteld aan het Participatiefonds.

Artikel

3: Voortgezet onderwijs

Artikel

Algemene doelstelling

Het voortgezet onderwijs zorgt dat leerlingen in deze fase van de doorlopende leerlijn hun talenten maximaal kunnen ontplooien en vervolgonderwijs kunnen volgen dat het best past bij hun talenten. Het bereidt hen voor op volwaardige deelname aan de samenleving en een bij hun talenten passende (toekomstige) positie op de arbeidsmarkt.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een voortgezet onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele leerlingen en bij de behoeftes van de maatschappij.

In het bijzonder is zij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen voor het onderwijs en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die zij tot haar beschikking heeft zijn het uitvaardigen van wet- en regelgeving, het verstrekken van bekostiging, subsidies en opdrachten, het houden van toezicht en het voeren van een dialoog met belanghebbenden, en zonodig actief voeren van regie.

Kengetallen

Tabel 3.1 Kengetallen
 

2012

1.

Totaal aantal ingeschreven leerlingen, teldatum 1-10-2012

937.200

 

Bron: DUO

 

2.

Uitgaven per onderwijsdeelnemer (x € 1,-)

7.669

 

Bron: DUO

 

3.

Totaal aantal scholen

646

 

Bron: DUO

 

4.

Gemiddeld aantal leerlingen per school

1.451

 

Bron: DUO

 

Beleidsconclusies

In het beleidsverslag is de stand van zaken beschreven van een aantal belangrijke beleidsonderwerpen van het voorgezet onderwijs, te weten excellente scholen, schoolleiders, bestuursakkoord vo inclusief «prestatiebox» en «School aan Zet», ouderbetrokkenheid, onderwijstijd en (aangescherpte) examens. Daarnaast worden hieronder de onderstaande prioriteiten extra benadrukt:

Taal en rekenen

Uit onderzoek van Regioplan (Onderwijsinspanningen taal en rekenen in het po, vo en mbo, Regioplan augustus 2012) blijkt, dat scholen volop bezig zijn met de intensivering van het taal- en rekenonderwijs. Ze nemen instap- en voortgangstoetsen af, geven meer aandacht aan zwakke leerlingen en programmeren extra lesuren. Tegelijkertijd geven veel scholen aan dat zij zich in een voorbereidend stadium bevinden.

In de brief van 19 december 2012 (Kamerstuk 31 332, nr. 19) is de Kamer op de hoogte gesteld van deze bevindingen en de maatregelen die genomen worden voor het vervolgtraject.

Tussendoelen onderbouw

De Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) heeft de gevalideerde concept-tussendoelen voor Nederlands, Engels en wiskunde/rekenen in 2012 opgeleverd. Deze worden gebruikt in verband met de voorbereidingen voor de diagnostische tussentijdse toets (dtt). In het kader van de wetgeving hierover zullen de tussendoelen definitief worden vastgesteld.

Experimenten doorlopende leerroutes: VM2, vakmanschap- en technologieroute

In 2012 is gewerkt aan het vormgeven van het wettelijk kader voor vmbo-scholen en bve-instellingen om nieuwe experimenten met doorlopende leerlijnen vmbo-mbo uit te voeren. De ervaringen van VM2 worden bij deze nieuwe experimenten meegenomen. Er worden twee typen van experimenten mogelijk gemaakt: experimenten met een vakmanschaproute en experimenten met een technologieroute. De vakmanschaproute is gericht op het behalen van een startkwalificatie op mbo 2 niveau.

De technologieroute richt zich op opleidingen met een technisch of technologisch karakter op mbo 4 niveau. Via deelname aan de experimenten kunnen scholen en instellingen op een aantal onderdelen afwijken van voorschriften uit wet- en regelgeving.

Vernieuwing beroepsgerichte examenprogramma’s

In november 2011 is de vernieuwing van de beroepsgerichte examenprogramma’s in het vmbo gestart. Gedurende 2012 is in verschillende commissies gewerkt aan een toekomstbestendige nieuwe programmering van beroepsgerichte vmbo-vakken in de sectoren economie, techniek en zorg & welzijn. De nieuwe structuur kent een kernprogramma per sector, dat via een profieldeel in een centraal examen met aandacht voor praktijk en theorie getoetst zal worden. In september 2012 is tevens een voorstudie gestart om te komen tot één breed intersectoraal examenprogramma. Met dit vernieuwingstraject wordt gewerkt aan een beter herkenbaar en organiseerbaar vmbo, dat beter aansluit bij vervolgopleidingen en de huidige arbeidsmarktpraktijk.

Techniek (Toptechniek in Bedrijf)

Begin 2012 is in opdracht van de ministeries van OCW en EZ het Platform Bètatechniek (PBT) van start gegaan met het Actieprogramma Toptechniek in Bedrijf met als doelstelling te werken aan voldoende arbeidsmarktrelevant opgeleide technici in het vmbo en mbo in de regio. Speciale aandacht gaat hierbij uit naar de topsectoren.

De basis van het programma wordt gevormd door een zogenaamde regiovisie die de route aangeeft hoe het regionale bedrijfsleven, overheden en vmbo- en mbo-instellingen tot een toekomstbestendig en aantrekkelijk techniekonderwijs willen komen dat aansluit op de regionale arbeidsmarktbehoeften.

Excellente leerlingen

Sinds 2012 ontvangen scholen met een vwo-afdeling via de prestatiebox voortgezet onderwijs middelen voor maatwerk en verbetering van de prestaties van hoogbegaafde- en excellente leerlingen. Uit de prestatiemonitor blijkt, dat 68 procent van de vo-scholen maatwerktrajecten aanbiedt die specifiek gericht zijn op excellente en hoogbegaafde leerlingen. Voor scholen met een vwo-afdeling is dit zelfs 87 procent.

Scholenstichting

In 2012 is door splitsing van een bestaande school goedkeuring verleend voor een nieuwe school voor praktijkonderwijs in Almere. De daadwerkelijke bekostiging start per 1 augustus 2013. Het betreffende besluit is gepubliceerd in de Staatscourant jaargang 2012 nr. 8643. Met ingang van 1 augustus 2012 is de bekostiging gestart van een nieuwe school voor praktijkonderwijs in Boxmeer, die ook op basis van splitsing werd goedgekeurd. De rapportage aan de Tweede Kamer over de evaluatie van de per 1 augustus 2008 gewijzigde wetgeving met betrekking tot de voorzieningenplanning voortgezet onderwijs is voorzien vóór augustus 2013.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 3.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 3 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

6.651.112

7.183.021

6.964.926

7.057.626

7.296.426

6.902.783

393.643

Waarvan garantieverplichtingen

       

122.352

0

122.352

Totale uitgaven

6.484.945

6.788.278

6.958.031

6.950.405

7.131.701

6.933.900

197.801

                 

Programma-uitgaven

6.479.381

6.782.445

6.950.011

6.942.483

7.131.701

6.933.900

197.801

Personele en materiële bekostiging

6.271.963

6.546.179

6.672.161

6.485.190

6.655.969

6.468.423

187.546

Actieplan beter presteren

51.855

55.646

59.673

55.703

110.049

47.644

62.405

Versterken centrale en uniforme toetsing

       

3.190

31.638

– 28.448

Excellente leerlingen en hoogbegaafden

       

681

8.349

– 7.668

Maatschappelijke stages

27.970

38.325

69.478

55.233

47.043

47.308

– 265

Regionaal zorgbudget etc.

     

65.123

72.527

73.970

– 1.443

Leerplusarrangement

     

93.970

82.962

84.074

– 1.112

Doorontwikkeling praktijkonderwijs

     

4.600

2.159

2.300

– 141

Visueel gehandicapten

     

1.071

1.292

1.206

86

Experimenten vmbo-mbo2

 

7.199

18.698

10.510

5.936

11.772

– 5.836

Borgingscohort experimenten vmbo-mbo2

     

16.913

21.245

16.913

4.332

Onderwijs Caribisch Nederland

     

12.003

12.967

10.367

2.600

Scholen aan zet en Platform Beta en Techniek

     

9.800

0

7.400

– 7.400

Taal en rekenen

       

2.074

8.074

– 6.000

Actieprogramma «Onderwijs bewijs»

749

3.243

3.521

5.342

4.641

4.744

– 103

Wet SLOA (po, vo, mbo)

50.605

51.849

51.828

49.839

45.393

45.892

– 499

Overig

19.444

18.069

15.630

17.782

10.115

15.747

– 5.632

Ondersteuning ICT (po, vo, mbo)

32.106

35.154

33.628

31.873

22.030

20.900

1.130

Dienst Uitvoering Onderwijs

24.689

26.781

25.394

27.531

31.428

27.179

4.249

                 

Apparaatsuitgaven1

5.564

5.833

8.020

7.922

     

Ontvangsten

67.658

63.729

62.450

9.450

4.322

1.361

2.961

X Noot
1

Met ingang van de begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen in artikel 92 Apparaat Kerndepartement.

Toelichting:

De realisatie van de uitgaven van het voortgezet onderwijs is circa € 197,8 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd. De realisatie van de ontvangsten is € 3 miljoen hoger dan geraamd.

Hieronder worden de grootste verschillen toegelicht:

Uitgaven

  • Personele en materiële bekostiging:

    • Een verhoging met € 10,7 miljoen, omdat er in dit jaar meer leerlingen in het voortgezet onderwijs waren dan in de oorspronkelijke raming.

    • Een verhoging met € 34,3 miljoen in verband met de uitdeling van de middelen voor de verbetering van het onderwijspersoneel convenant leerkracht (tranche 2012).

    • Een verhoging met € 28,3 miljoen in verband met de uitdeling van de loonbijstelling (werkgeverslasten tranche 2012) en de compensatie voor de maatregelen met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering (IAB ZVW).

    • Een verhoging met € 24,6 miljoen in verband met de uitdeling van de prijsbijstelling tranche 2012.

    • Een verhoging met € 56 miljoen. In 2010 is aan de sector VO ten behoeve van de kosten van arbeidsvoorwaarden een bedrag van € 56 miljoen verstrekt. Voorgaande jaren is deze € 56 miljoen via kasschuiven doorgeschoven naar 2012. Omdat de loonbijstelling 2012 ontoereikend is om dit bedrag te compenseren, is deze post (via een kasschuif) doorgeschoven naar 2013. Omdat er in verband met de nullijn voor 2013 geen loonruimte beschikbaar is, is deze eenmalige compensatie in 2013 met de personele lumpsumbekostiging verrekend.

    • Een toevoeging vanuit de eindejaarsmarge van een bedrag van € 33 miljoen, dat ten goede is gekomen aan het VO-onderwijsveld.

    • Een verhoging met € 18 miljoen in verband met de financiële situatie van Amarantis. Hiervan is € 11 miljoen naar latere jaren doorgeschoven, omdat van de € 18 miljoen er in 2012 € 7 miljoen is besteed.

  • Actieplan beter presteren:

    Bij dit budget is de mutatie zichtbaar als gevolg van de invoering van de prestatiebox voortgezet onderwijs. Het beschikbare bedrag voor de Kwaliteitsagenda voortgezet onderwijs ad. € 48 miljoen is verhoogd met € 62 miljoen, waardoor voor 2012 de prestatiebox uitkomt op een bedrag van € 110 miljoen. De verhoging met € 62 miljoen is als volgt opgebouwd:

    • Het beschikbaar komen van een bedrag van € 25 miljoen in verband met de uitdeling van de middelen voor de professionalisering van het onderwijspersoneel.

    • Een verschuiving van in totaal € 41 miljoen van de volgende budgetten:

    • Versterken centrale en uniforme toetsing: – € 22 miljoen;

    • Excellente leerlingen en hoogbegaafden: – € 8 miljoen;

    • Scholen aan zet: – € 5 miljoen;

    • Taal en rekenen: – € 6 miljoen.

    Voor de invoeringskosten van het actieplan beter presteren is een bedrag van € 4 miljoen beschikbaar.

  • Experimenten vmbo-mbo2 en borgingscohort experimenten vmbo-mbo2:

    Een verschuiving en aanpassing van beide reeksen (per saldo – € 1,5 miljoen).

  • Onderwijs Caribisch Nederland: aanvullende middelen ad. € 2,6 miljoen voor Caribisch Nederland.

Resteert een bedrag van – € 22,2 miljoen, verdeeld over diverse instrumenten en onder meer bestaand uit meerdere overboekingen van en naar andere artikelen en departementen en uit diverse bijstellingen en kasschuiven.

De ontvangsten zijn met € 3 miljoen gestegen, voornamelijk als gevolg van terugvorderingen van middelen naar aanleiding van de controle op aanvragen in het kader van de regeling praktijkgerichte leeromgeving vmbo/pro.

Artikel

4: Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

Artikel

Algemene doelstelling

Het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zorgen ervoor dat deelnemers hun talenten maximaal kunnen ontplooien en volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Deelnemers worden voorbereid op passend vervolgonderwijs en/of een positie op de arbeidsmarkt die optimaal aansluit bij hun talenten.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele deelnemers en bij de behoeftes van de maatschappij. In het bijzonder is zij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen voor het onderwijs en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die zij tot haar beschikking heeft zijn het uitvaardigen van wet- en regelgeving, het verstrekken van bekostiging, subsidies en opdrachten, het houden van toezicht en het voeren van een dialoog met belanghebbenden, en zonodig het actief voeren van regie. De verantwoordelijkheid voor de educatie is belegd bij de gemeenten, omdat zij het beste zicht hebben op de lokale behoefte. Gemeenten ontvangen via het participatiebudget de rijksbijdrage educatie voor de inkoop van educatieve activiteiten bij roc’s.

Indicatoren voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie worden beschreven in Trends in Beeld 2012 .

Kengetallen

Tabel 4.1 Kengetallen
   

2007–2008

2008–2009

2009–2010

2010–2011

2011–2012

 

Indicator

         

1.

Aantal deelnemers mbo (x 1000)

477.1

479.6

486.1

488.7

478.0

 

bol-vt

319

313.1

321.9

327.2

328.2

 

bbl

147

156.9

155.4

152.9

142.3

 

bol-dt

11.1

9.6

8.8

8.6

7.5

 

Bron: Bekostigingstelling mbo

         

2.

Gemiddelde prijs per mbo-deelnemer (x € 1.000)

6.7

7.2

7.3

7.3

7.4

 

Bron: Lumpsum budget/specifieke regelingen en gewogen bekostigingsdeelnemers mbo

2008

2009

2010

2011

2012

Toelichting:

Het aantal deelnemers in het mbo is onder andere gedaald door demografische ontwikkelingen. De grote daling in de bbl vanaf 2008–2009 en de geringe stijging in de bol worden veroorzaakt door de economische situatie. Deelnemers stappen over van de bbl naar de bol, omdat er niet genoeg bpv-plaatsen beschikbaar zijn voor de bbl-deelnemers.

Beleidsconclusies

In 2012 werd in het mbo verder uitwerking gegeven aan de beleidsagenda die is opgenomen in Focus op Vakmanschap en Leraar 2020 en het daarmee samenhangende Bestuursakkoord. In het actieplan mbo «Focus op vakmanschap 2011–2015» (maart 2011) heeft het kabinet Rutte I zijn beleid voor het middelbaar beroepsonderwijs uitgewerkt. Het doel is goed beroepsonderwijs. Het kabinet wil dat alle mbo-instellingen goed presteren. Daartoe zijn de volgende doelen gesteld:

  • In het mbo ligt de focus op goed, initieel beroepsonderwijs voor jongeren;

  • De besturing en de bedrijfsvoering van alle instellingen zijn op orde;

  • Het beroepsonderwijs is competitief met het algemeen vormend onderwijs.

Het kabinet heeft in 2011 wetgeving voorbereid voor: het verkorten en intensiveren van opleidingen, modernisering van de bekostiging, invoering van de entrée-opleiding. Het wetsvoorstel «Doelmatige leerwegen en het moderniseren van de bekostiging van het beroepsonderwijs» is aan de Tweede Kamer aangeboden en is begin 2013 aangenomen. Het wetsvoorstel over de centralisatie van het Voortgezet Algemeen Volwassenenonderwijs (vavo) is in 2012 aangenomen. Daarnaast is er in 2012 een kamerbrief over het aanbod van mbo-opleidingen naar de Tweede Kamer verstuurd. In de brief wordt op hoofdlijnen aangegeven hoe de voorgestelde maatregelen ervoor moeten zorgen dat mbo-instellingen:

  • Voldoende kunnen investeren in de kwaliteit van opleidingen door versnippering van het aanbod tegen te gaan (doelmatigheid);

  • Aansluiten op de vraag vanuit de regionale arbeidsmarkt en (top)sectoren waarvoor zij werken (arbeidsmarktrelevantie);

  • Rekening houden met de bereikbaarheid voor studenten (toegankelijkheid).

De uitwerking van deze maatregelen zijn voortvarend ter hand genomen.

Het aparte wetsvoorstel 30-plusarrangement is ingetrokken en deze taakstelling vanuit het regeerakkoord van Rutte I is in het begrotingsakkoord budgettair gecompenseerd.

In het najaar van 2012 bevat het regeerakkoord van Rutte II ook een pakket aan maatregelen voor het middelbaar beroepsonderwijs. Deze maatregelen worden verder uitgewerkt en vertaald in concept wetgeving. De maatregelen betreffen:

  • Minder opleidingen en macrodoelmatigheid in het mbo;

  • Intensiveren van het onderwijs;

  • Afschaffen afdrachtvermindering onderwijs en vervangen door een beter te richten subsidie;

  • De kenniscentra worden samengevoegd en hun wettelijke taken daar waar mogelijk ondergebracht bij de Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven en mbo-instellingen. Met de uitvoering van deze maatregel wil het kabinet een bezuiniging realiseren van € 40 miljoen in 2015 en structureel € 80 miljoen vanaf 2016 (incl. groen onderwijs).

Het kabinet wil het aantal voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) verder terugbrengen naar maximaal 25.000 in 2016. De stand van zaken is bij brief van 12 februari 2013 (kamerstuk 26 695, nr. 89) aan de Tweede Kamer gemeld. In het schooljaar 2011–2012 is het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters gedaald naar 36 250 op landelijk niveau.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 4.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 4 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

3.520.349

3.846.651

3.385.269

3.559.207

3.824.455

3.514.780

309.675

Waarvan garantieverplichtingen

90.817

143.934

6.290

104.200

193.020

0

193.020

Totale uitgaven

3.336.258

3.507.340

3.502.523

3.479.814

3.501.845

3.468.898

32.947

                 

Programma-uitgaven

3.332.952

3.503.474

3.498.688

3.476.052

3.501.845

3.468.898

32.947

Bekostiging roc's/overige regelingen

2.692.786

2.834.325

2.803.470

2.852.729

2.934.984

2.878.690

56.294

Bekostiging KBB's

111.939

115.821

105.572

98.820

100.356

98.814

1.542

Bekostiging Caribisch Nederland

0

0

0

2.829

3.019

2.089

930

Verbetermiddelen Caribisch Nederland

0

0

0

12.756

6.167

18.072

– 11.905

Leerlinggebonden financiering (LGF)

23.066

32.847

38.174

38.221

45.012

40.001

5.011

Versterken centrale en uniforme toetsing

0

0

0

0

1.584

11.911

– 10.327

Taal en Rekenen

9.237

10.155

60.570

58.313

53.963

56.109

– 2.146

Regeling stagebox

35.000

35.362

34.900

34.900

34.900

35.000

– 100

Schoolmaatschappelijk werk

0

15.000

15.000

14.017

14.042

14.017

25

Prestatiebox

0

0

0

0

3.755

0

3.755

Convenanten met RMC-regio's

13.597

21.146

33.248

39.590

60.372

68.160

– 7.788

Programmagelden regio's

6.800

15.170

22.865

44.389

0

19.300

– 19.300

Plusvoorziening «overbelaste jongeren»

0

11.900

47.724

72

30.450

30.000

450

RMC's

39.225

53.251

31.471

31.599

31.885

31.599

286

Aanvalsplan Laaggeletterdheid

4.000

4.200

4.001

4.000

4.000

4.000

0

Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo

1.200

0

5.108

3.788

1.428

4.530

– 3.102

Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016

0

0

0

400

400

400

0

Netwerkscholen (FES)

0

0

0

4.500

3.000

3.000

0

Educatie

197.591

202.401

150.445

115.863

111.604

110.766

838

Pilots Laaggeletterdheid

0

0

0

0

2.949

5.000

– 2.051

Overig

25.826

30.990

26.742

35.525

39.391

19.935

19.456

Uitvoeringsorganisatie DUO

13.919

13.326

17.177

19.549

18.584

17.505

1.079

School-ex programma's

0

8.485

7.778

0

0

0

0

Beroepsgerichte kwalificatiestructuur

5.000

5.000

3.785

0

0

0

0

Stage en lerbaanoffensief Kenniscentra

0

7.000

13.000

3.000

0

0

0

Leven Lang Leren en EVC

16.142

22.444

22.920

8.142

0

0

0

Innovatiearrangement

20.000

21.500

11.500

10.000

0

0

0

Innovatiebox regulier

44.495

43.151

43.238

43.050

0

0

0

Innovatiebox FES

73.129

0

0

0

0

0

0

                 

Apparaatsuitgaven1

3.306

3.866

3.835

3.762

     

Ontvangsten

24.099

15.190

11.108

11.108

14.920

0

14.920

X Noot
1

Met ingang van de begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 92 Apparaat Kerndepartement

Toelichting:

De uitgaven voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie zijn in 2012 ruim € 32,9 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. De verplichtingen zijn € 309,7 miljoen hoger dan geraamd. De realisatie van de ontvangsten is € 14,9 miljoen hoger dan geraamd.

Verplichtingen

Toelichting op de instrumenten

De verhoging van de verplichtingen is € 276,6 miljoen hoger dan de verhoging van de uitgaven. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt door de toevoeging van een bedrag van € 66,6 miljoen aan garantieverplichtingen. Tevens zijn er in 2012 meerjarige verplichtingen aangegaan onder meer vanwege het afsluiten van meerjarige vsv-convenanten.

Uitgaven

Hieronder worden de belangrijkste verschillen toegelicht.

  • Bekostiging roc’s/overige regelingen: De stijging van € 56,3 miljoen op het onderdeel «bekostiging roc’s/overige regeling» ten opzichte van de vastgestelde begroting 2012 wordt met name veroorzaakt door de volgende mutaties.

    • Een bijstelling van € 14 miljoen voor de loonontwikkeling (werkgeverslasten tranche 2012) en de compensatie voor de maatregelen met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage voor de zorgverzekering;

    • Een bijstelling van € 24 miljoen voor de prijsontwikkeling 2012;

    • Het incidenteel toevoegen aan de lumpsum van € 12 miljoen van de middelen voor het versterken van de centrale en uniforme toetsing;

    • Toevoeging van een bedrag van € 6 miljoen door verschillende afrekeningen en kasschuiven.

  • Verbetermiddelen Caribisch Nederland: De realisatie is € 11,9 miljoen lager omdat middelen voor de verbetering van de onderwijshuisvesting zijn doorgeschoven om deze middelen in de juiste jaren beschikbaar te krijgen.

  • Leerlinggebonden financiering: De realisatie op het onderdeel Leerlinggebonden financiering (LGF) is € 5 miljoen hoger dan begroot.

  • Versterken centrale en uniforme toetsing: Zoals hierboven aangegeven is dit budget toegevoegd aan de lumpsum.

  • Prestatiebox: Het betreft een overheveling van de vsv-middelen naar de nieuwe prestatiebox van bve. De prestatiebox is een nieuw bekostigingselement voor het mbo. Het is bedoeld om mbo-instellingen financieel te stimuleren tot het realiseren van bijzondere beleidsdoelstellingen.

  • Convenanten met RMC-regio’s: De daling van € 7,8 miljoen wordt onder andere veroorzaakt door de overboeking van middelen naar de hierboven genoemde prestatiebox en de lagere realisatie bij de prestatieconvenanten.

  • Programmagelden regio’s: Er was sprake van een incidentele tegenvaller in 2011 van € 19,3 miljoen. De regeling programmagelden was met één jaar verlengd en het bijbehorende budget voor het jaar 2012 is na de aanvraagprocedure in 2011 ook verplicht en betaald in 2011. In de ontwerpbegroting 2012 is de kasschuif van 2012 naar 2011 abusievelijk niet verwerkt. Hierdoor is er nu vrijval in het jaar 2012.

  • Aanvullende vergoeding experimenten vmbo-mbo: Het betreft een kasschuif van € 0,7 miljoen uit 2012 en daarnaast een lagere realisatie door een lager deelnemersaantal dan begroot.

  • Overig: De stijging van de realisatie met € 19,5 miljoen wordt onder andere verklaard doordat uit 2011 € 11,9 miljoen is doorgeschoven naar 2012 om aan de verplichtingen uit de vsv convenanten te kunnen voldoen. Daarnaast is er € 3,4 miljoen uit 2011 naar 2012 doorgeschoven voor het transitiebudget om de fusie tussen ROC Zeeland en ROC Westerschelde te laten slagen. Het restant van de hogere realisatie wordt verklaard door een cumulatie van overboekingen van en naar andere artikelen, afrekeningen en kasschuiven.

Ontvangsten

De hogere ontvangsten van € 14,9 miljoen zijn het gevolg van onder andere afrekeningen die betrekking hadden op het innovatiearrangement, de technocentra, educatie en het project Leren en Werken.

Artikel

6 en 7: Hoger onderwijs

Artikel

Algemene doelstelling

Het stelsel van hoger onderwijs en onderzoek zorgt dat studenten en (wetenschappelijk) personeel hun talenten en onderzoekend vermogen maximaal kunnen ontwikkelen. Het leidt hen op voor een positie op de nationale en internationale arbeidsmarkt en het vervullen van hun rol in de intellectuele voorhoede van onze samenleving. In de beleidsconclusie wordt beschreven in welke mate de inspanningen van 2012 hebben bijgedragen aan het bereiken van deze doelstelling.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een hoger onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en de ambities van individuele studenten en bij de behoeftes van de maatschappij. In het bijzonder is zij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen voor het hoger onderwijs en onderzoek en het borgen van de onderwijs- en onderzoekskwaliteit. De instrumenten die zij tot haar beschikking heeft, zijn het uitvaardigen van wet- en regelgeving, het verstrekken van bekostiging, subsidies en opdrachten, het houden van toezicht en het voeren van een dialoog met belanghebbenden, en zonodig actief voeren van regie. De minister van Economische Zaken is verantwoordelijk voor het groen onderwijs.

Kengetallen

Tabel 6.1 Kengetallen

(aantallen x 1.000)

Realisatie 2008/2009

Realisatie 2009/2010

Realisatie 2010/2011

Realisatie 2011/2012

Realisatie 2012/2013

1.

Eerstejaars aantal studenten bachelorfase (excl. groen onderwijs)1

         
 

Hbo voltijd

78,0

82,9

82,6

83,5

82,8

 

Hbo deeltijd

9,3

9,5

9,1

7,9

6,4

 

Wo

32,9

34,7

33,6

34,3

34,1

2.

Ingeschreven aantal studenten (excl. groen onderwijs)

         
 

Hbo voltijd

315,0

332,8

346,5

357,0

361,1

 

Hbo deeltijd

62,0

64,2

64,5

60,7

52,7

 

Wo

214,0

226,0

234,3

236,7

232,3

3.

Gediplomeerden (excl. groen onderwijs)2

         
 

Hbo voltijd

51,6

52,2

51,9

55,0

 

Hbo deeltijd

12,4

12,3

12,9

13,1

 

Wo

28,8

30,8

34,5

38,6

Bron: 1 cijfer HO 2012 (tellingen conform OCW-referentieraming)

(bedragen x € 1.000)

 

2009

2010

2011

2012

4.

Onderwijsuitgaven per student

         
 

Hbo

 

6,0

6,2

6,3

6,2

 

Wo

 

5,9

5,9

6,1

6,2

X Noot
1

De definitie van eerstejaars is aangepast aan het nieuwe bekostigingsmodel (één bachelor, één master). Er wordt nu niet meer gekeken of een student voor het eerst deelneemt aan hbo-bachelor, hbo-master of wo, maar of een student voor het eerst deelneemt aan een bachelor-opleiding dan wel master-opleiding, ongeacht het soort hoger onderwijs. In de tabel zijn alleen de eerstejaars in de bachelorfase opgenomen, omdat dit de nieuwe instroom is vanuit het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs.

X Noot
2

In de onderwijsmatrix zijn enkele aanpassingen doorgevoerd die voortkomen uit de invoering van de bachelor-masterstructuur in het wo. Deze aanpassingen leiden tot een zuiverder telling van de aantallen gediplomeerden van wo-masteropleidingen. De aantallen gediplomeerden zijn met terugwerkende kracht voor alle getoonde jaren herberekend volgens deze nieuwe matrixdefinitie. Conform de referentieraming zijn nu ook de gediplomeerden van wo-postmasteropleidingen meegeteld. De aantallen zijn daardoor iets hoger dan in eerdere jaarverslagen en begrotingen.

Toelichting:

  • 1, 2 en 3 Verondersteld wordt dat de ingevoerde – maar na de teldatum 1 oktober 2012 weer ingetrokken – langstudeermaatregel een effect heeft gehad op de instroom. De teruglopende aantallen studenten in deeltijd worden daarnaast verklaard door o.a .:

    • voortzetting van de tendens van dalende instroom in deeltijd hoger onderwijs (halvering instroom sinds begin deze eeuw);

    • crisis: verminderde bereidheid individuen en werkgevers te investeren in deelname aan deeltijdopleiding hoger onderwijs.

    Een tweede verondersteld effect van de langstudeermaatregel is het hogere aantal gediplomeerden in vergelijking met het vorige studiejaar, met name in voltijd hbo en wo.

    NB: Voor 2012/2013 zijn nog geen cijfers beschikbaar voor gediplomeerden, omdat deze worden geteld aan het eind van het studiejaar.

  • 4. Onderwijsuitgaven per student zijn in constante prijzen 2012 (dat wil zeggen gecorrigeerd voor de uitgekeerde loon- en prijsbijstelling). Omdat de langstudeerdersmaatregel is ingetrokken, wordt – in tegenstelling tot de begroting 2012 – in het jaarverslag 2012 geen onderscheid meer gemaakt in enerzijds de onderwijsuitgaven per student en anderzijds de ontvangsten per student van het verhoogd collegegeld conform de langstudeersmaatregel.

Beleidsconclusies

Het beleid, zoals dat in de begroting 2012 was voorgenomen voor het hoger onderwijs, is overeenkomstig uitgevoerd. Uitzondering daarop is de langstudeerdersmaatregel. In 2012 is besloten deze maatregel in te trekken. Dit betekent dat langstudeerders – met terugwerkende kracht tot 1 september 2012 – geen verhoogd wettelijk collegegeld meer verschuldigd zijn. De hiermee samenhangende korting op de rijksbijdrage en de korting voor het gedragseffect van de hogescholen en universiteiten is in 2012 ongedaan gemaakt. Inmiddels is de wet die voorziet in de intrekking van de langstudeerdersmaatregel (Kamerstuk 33 452) door de Eerste Kamer aangenomen.

In 2012 is de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (Kamerstuk 31 288, nr. 194) verder geoperationaliseerd en zijn noodzakelijke wet- en regelgevingstrajecten in gang gezet. Ook zijn in 2012 met alle hogescholen en universiteiten (met uitzondering van de Open Universiteit) afzonderlijk prestatieafspraken gemaakt (zie ook Kamerstuk 31 288, nr. 322) en is aan deze instellingen prestatiebekostiging toegekend. De Open Universiteit is de mogelijkheid geboden een nieuw voorstel in te dienen. In het beleidsverslag van dit Jaarverslag zijn beide onderwerpen nader toegelicht.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 6.2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 6 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

2.377.498

2.692.061

2.804.787

2.509.747

2.630.999

2.455.998

175.001

Waarvan garantieverplichtingen

92.333

176.362

82.202

40.000

153.459

0

153.459

Totale uitgaven

2.158.944

2.323.653

2.495.166

2.515.211

2.543.058

2.501.470

41.588

                 

Programma-uitgaven

2.153.863

2.317.618

2.489.231

2.509.283

2.543.058

2.501.470

41.588

Reguliere bekostiging1

2.058.208

2.214.185

2.378.551

2.454.511

2.495.524

2.456.191

39.333

Profilering

           

0

Studiekeuze-informatie voor het hoger onderwijs

2.299

2.400

2.400

2.400

2.455

2.400

55

Praktijkgericht onderzoek (Raak)

11.300

13.100

18.883

18.883

22.267

20.267

2.000

Ondernemerschap

   

0

95

500

500

0

Hbo-masteropleidingen

5.044

0

1.079

5.490

922

1.481

– 559

Deltaplan/Investerings-agenda bèta en techniek

57.200

64.500

58.005

1.000

1.000

1.000

0

Sectorplan mbo-hbo techniek 2011–2016/Centres of Expertise

       

0

2.000

– 2.000

Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten

5.600

8.765

12.797

12.848

0

0

0

Emancipatie

100

100

100

100

0

0

0

Dienst Uitvoering Onderwijs

14.112

14.568

17.416

13.956

20.390

17.631

2.759

                 

Apparaatsuitgaven Hoger Onderwijs en Studiefinanciering2

5.081

6.035

5.935

5.928

     

Ontvangsten

9.580

11.404

3.462

3.948

8.646

974

7.672

X Noot
1

In de middelen voor «Reguliere bekostiging» zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

X Noot
2

Met ingang van de begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 92 Apparaat Kerndepartement

Toelichting:

De uitgaven voor het hoger beroepsonderwijs zijn in 2012 € 41,6 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. De verplichtingen zijn € 175 miljoen hoger dan geraamd.

De realisatie van de ontvangsten is € 7,7 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting.

Verplichtingen

Toelichting op de instrumenten

De verhoging van de verplichtingen is € 133,4 miljoen hoger dan de verhoging van de uitgaven. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de toevoeging van een bedrag van € 153,5 miljoen aan garantieverplichtingen (zie ook de Leeswijzer bij dit Jaarverslag).

Uitgaven

De belangrijkste oorzaken van de hogere realisatie van de uitgaven zijn:

  • Reguliere bekostiging: Een verhoging van in totaal € 39,3 miljoen als gevolg van met name:

    • een verlaging van € 30,7 miljoen als gevolg van de ontwikkeling van de studentenaantallen in het hoger beroepsonderwijs (Referentieraming 2012),

    • een toevoeging van € 7,7 miljoen aan het Profileringsfonds,

    • een verhoging van € 32 miljoen als gevolg van het intrekken van de langstudeerdersmaatregel,

    • een bijstelling van € 10,2 miljoen voor de loonontwikkeling (werkgeverslasten tranche 2012) en de compensatie voor de maatregelen met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering,

    • een bijstelling van € 14,2 miljoen voor de prijsontwikkeling 2012,

    • een kasschuif (van 2012 naar 2016) van – € 2 miljoen vanwege de aanpassing van de periode waarin de middelen beschikbaar worden gesteld voor het verbeteren van de landelijke praktijk van toetsing,

    • toevoeging van een bedrag van € 4,7 miljoen voor de dekking van specifieke (incidentele) knelpunten, en

    • toevoeging van een bedrag van € 3,9 miljoen aan het macrokader van het hbo (zie de toelichting bij de ontvangsten).

  • Praktijkgericht onderzoek (Raak)/Centres of Expertise: Een bedrag van € 2 miljoen, dat was begroot voor de centres of expertise, is toegevoegd aan de middelen voor praktijkgericht onderzoek (Raak-programma). Zowel het Raak-programma als de centres of expertise dragen bij aan de versterking van het praktijkgericht onderzoek van hogescholen.

  • Dienst Uitvoering Onderwijs: De verhoging van € 2,8 miljoen heeft met name betrekking op de dekking van de kosten voor BRON-HO (€ 1,5 miljoen), Studielink (€ 0,9 miljoen) en het Diplomaregister (€ 0,2 miljoen).

Een groot deel van bovengenoemde mutaties heeft een effect op de rijksbijdrage van de hogescholen. In onderstaand overzicht is de definitieve stand opgenomen van de rijksbijdrage voor de hogescholen voor het jaar 2012 (zie ook de 1e suppletoire begroting 2012; Kamerstuk 33 280 VIII, nr. 2, blz. 12 en de 2e suppletoire begroting 2012; Kamerstuk 33 480 VIII, nr. 2, blz. 10).

Tabel 6.3 Overzicht rijksbijdrage 2012 hogescholen (bedragen x € 1.000)

Onderwijsdeel

2.410.449

Deel ontwerp en ontwikkeling (Lectoren en kenniskringen)

68.605

Totaal

2.479.054

Ontvangsten

De belangrijkste oorzaak van de hogere realisatie van € 7,7 miljoen op de ontvangsten is de terugstorting als gevolg van een lagere vaststelling van projectsubsidies (€ 3,8 miljoen) en terugvorderingen die in 2012 hebben plaatsgevonden (€ 3,9 miljoen). De teruggevorderde middelen zijn toegevoegd aan het macrokader van het hbo (zie de toelichting bij de uitgaven).

Tabel 6.4 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 7 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

3.784.930

4.052.409

4.009.600

3.946.917

4.028.132

3.909.380

118.752

Waarvan garantieverplichtingen

50.000

115.000

35.000

104.400

0

104.400

Programma-uitgaven

3.676.678

3.781.800

3.822.986

3.954.885

3.984.999

3.894.034

90.965

Reguliere bekostiging1

3.663.991

3.764.651

3.800.219

3.929.396

3.953.456

3.862.491

90.965

Profilering

0

0

0

0

0

0

0

Toponderzoeksscholen voor topsectoren en «grand challenges»

0

0

0

0

20.000

20.000

0

Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (Sirius Programma)

575

4.764

11.436

10.929

11.543

11.543

0

Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (kwaliteit en bekostiging)

0

0

0

0

0

0

0

Excellentie in onderwijs: binnen- en buitenlands talent (HSP/Libertas noodfonds)

12.112

12.385

11.331

11.351

0

0

0

Verhogen studierendement niet-westerse allochtone studenten

0

0

0

3.209

0

0

0

Ontvangsten

11.645

13.894

13.877

25.117

114

16

98

X Noot
1

In de middelen voor «Reguliere bekostiging» zijn ook enkele posten voor overige uitgaven verwerkt.

Toelichting:

De uitgaven voor het wetenschappelijk onderwijs zijn in 2012 € 91,0 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting. De verplichtingen zijn € 118,8 miljoen hoger dan geraamd.

De realisatie van de ontvangsten is € 0,1 miljoen hoger dan de vastgestelde begroting.

Verplichtingen

Toelichting op de instrumenten

De verhoging van de verplichtingen is € 27,8 miljoen hoger dan de verhoging van de uitgaven. Dit verschil wordt voornamelijk veroorzaakt door de toevoeging van een bedrag van € 104,4 miljoen aan garantieverplichtingen (zie de Leeswijzer bij dit Jaarverslag) en meerdere mutaties in de uitgaven voor het begrotingsjaar 2013. Omdat de laatst bedoelde uitgavenmutaties voor het jaar 2013 – overeenkomstig de bekostigingsregelgeving – in het jaar 2012 worden verplicht, worden deze verwerkt in het verplichtingenbudget 2012.

Uitgaven

De belangrijkste oorzaken van de hogere realisatie van de uitgaven zijn:

  • Reguliere bekostiging: Een verhoging van in totaal € 91,0 miljoen als gevolg van met name:

    • een verlaging van € 33,7 miljoen als gevolg van de ontwikkeling van het aantal studenten in het wetenschappelijk onderwijs (Referentieraming 2012),

    • een overboeking van € 18,8 miljoen door het ministerie van VWS voor de loonbijstellingen 2010, 2011 en 2012 betreffende de sector academische ziekenhuizen,

    • een toevoeging van € 2,2 miljoen aan het Profileringsfonds van de universiteiten,

    • een verhoging van € 28,4 als gevolg van het afschaffen van de langstudeerdersmaatregel,

    • een bijstelling van € 15,5 miljoen voor de loonontwikkeling (werkgeverslasten tranche 2012) en de compensatie voor de maatregelen met betrekking tot de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering,

    • een bijstelling van € 28,2 miljoen voor de prijsontwikkeling 2012,

    • een bijstelling van € 26,1 miljoen in verband met een beroepszaak van de Technische Universiteit Delft,

    • toevoeging van een bedrag van € 3,7 miljoen voor de dekking van specifieke (incidentele) knelpunten,

    • een verhoging van per saldo € 0,9 miljoen voor diverse kleinere bijstellingen.

Een groot deel van bovengenoemde mutaties heeft een effect op de rijksbijdrage van de universiteiten. In onderstaand overzicht is de definitieve stand opgenomen van de rijksbijdrage voor de universiteiten voor het jaar 2012 (zie ook de 1e suppletoire begroting 2012; Kamerstuk 33 280 VIII, nr. 2, blz. 14 en de 2e suppletoire begroting 2012; Kamerstuk 33 480 VIII, nr. 2, blz. 12).

Tabel 6.5 Overzicht rijksbijdrage 2012 universiteiten (bedragen x € 1.000)

Onderwijsdeel

1.616.492

Onderzoeksdeel

1.706.967

Deel ondersteuning geneeskundig onderwijs en onderzoek

581.042

Totaal

3.904.501

Artikel

8: Internationaal beleid

Artikel

Algemene doelstelling

Bevorderen van internationale samenwerking, om daarmee de kwaliteit van onderwijs, cultuur en wetenschap een impuls te geven en de internationale competenties van studenten, docenten, kunstenaars en wetenschappers te vergroten.

Rol en verantwoordelijkheid

Bij het uitvoeren van de algemene doelstelling ligt de nadruk op het zoveel mogelijk stimuleren en ondersteunen van instellingen en burgers om zich op een internationale omgeving te oriënteren. Daartoe zorgt de minister vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de benodigde internationaal-bestuurlijke randvoorwaarden, bijvoorbeeld door afspraken over wederzijdse beroepserkenning, kwaliteitszorg en grensverkeer en door de uitwisseling van best practices. De minister opereert hierbij binnen multilaterale kaders als de Europese Unie, OESO en de Unesco en andere – vaak daarbij aangesloten – organisaties, alsmede via bilaterale contacten, verdragen, Memorandums of Understanding, etc. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van stimuleringsmaatregelen in de vorm van fondsen en beurzen en worden faciliterende en uitvoerende instanties gesubsidieerd, zoals het Europees Platform, Neth-er en het Duitsland Instituut. De bevordering van internationale samenwerking is ondersteunend aan de beleidsdoelstellingen van OCW. De voorgenomen activiteiten zijn dan ook voor een belangrijk deel opgenomen in de betreffende beleidsartikelen.

De internationale activiteiten van OCW geven tenslotte mede-ondersteuning aan de doelstellingen en ambities van het bredere buitenlandse beleid, specifiek op de terreinen van OCW.

Internationale – ondersteunende – maatregelen laten zich moeilijk vangen in «harde» cijfers en conclusies. In gevallen waar dit wel mogelijk is, bijvoorbeeld bij de bevordering van in- en uitgaande studiemobiliteit of bij de bevordering van culturele activiteiten in het buitenland zijn relevante cijfers opgenomen in de publicaties «Trends in Beeld 2012» en «Kerncijfers OCW». Bij de ten uitvoerlegging van de in de begroting opgenomen voornemens zijn er geen bijzondere ontwikkelingen opgetreden die een aanpassing of afwijking van die voornemens noodzakelijk maakten.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 8.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 8 (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

HGIS realisatie

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

2012

Verplichtingen

28.899

29.277

57.293

15.441

7.312

7.960

– 648

779

Waarvan garantieverplichtingen

Totale uitgaven

18.849

24.418

23.813

19.393

16.215

16.890

– 675

779

                 

Programma-uitgaven

16.329

21.364

20.794

16.543

16.215

16.890

– 675

779

Mobiliteitsprogramma's Europees Platform en Fulbright Center

6.199

6.102

6.012

6.084

5.818

5.730

88

 

EU-programma Leven Lang Leren

1.686

1.804

1.724

1.731

1.748

1.731

17

 

Bilaterale samenwerking met andere landen

1.487

1.719

1.713

1.789

1.642

1.596

46

590

Programma's Agentschap NL

1.286

1.264

1.097

1.161

1.162

1.168

– 6

 

OCW-vertegenwoordiging in het buitenland

1.783

1.660

1.895

2.050

2.227

2.551

– 324

140

Participeren in multilaterale organisaties

3.263

3.427

3.376

3.441

3.287

3.459

– 172

 

Stimuleren van internationale uitwisseling van kennis en cultuur, beleidsonderzoek en benchmarking

625

1.395

668

287

331

655

– 324

49

Het integreren van de BES-eilanden in Nederland

 

3.993

4.309

         
                   

Apparaatsuitgaven1

2.520

3.054

3.019

2.850

       

Ontvangsten

430

84

183

16

41

99

– 58

X Noot
1

Met ingang van begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in niet-beleidsartikel 92 Apparaatsuitgaven.

Toelichting:

Uitgaven

De uitgaven zijn € 0.7 miljoen lager uitgevallen dan de vastgestelde begroting. Het betreft voornamelijk de uitgaven voor de OCW-vertegenwoordiging in het buitenland en de uitgaven voor internationale culturele uitwisseling.

Internationale Uitgaven OCW – breed

Het vergroten van internationale mobiliteit en grensoverschrijdende samenwerking tussen instellingen is een inzet die niet alleen plaatsvindt op dit artikel. Veel internationaliseringsbeleid is elders ondergebracht binnen de OCW-begroting. Hieronder is een overzicht opgenomen van de totale internationale uitgaven van OCW per beleidsartikel en daaraan gekoppeld, welk deel daarvan deel uitmaakt van de Homogene groep internationale samenwerking (HGIS), die wordt gecoördineerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Tabel 8.2 Internationale uitgaven OCW (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

HGIS realisatie

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

2012

Primair onderwijs (artikel 1)

17.657

19.198

22.008

20.291

20.992

20.237

755

 

Voortgezet onderwijs (artikel 3)

3.061

3.914

3.518

4.660

4.631

4.274

357

 

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (artikel 4)

611

1.172

862

830

1.217

868

349

 

Hoger beroepsonderwijs (artikel 6)

3.453

3.453

3.453

3.453

3.453

3.453

 

3.453

Wetenschappelijk onderwijs (artikel 7)

84.906

86.428

86.503

87.582

74.813

87.350

– 12.537

58.254

Internationaal beleid (artikel 8)

16.329

17.371

16.485

16.543

16.215

16.890

– 675

779

Studiefinanciering (artikel 11)

10.378

4.363

2.162

55.165

63.775

49.152

14.623

 

Kunsten (artikel 14)

11.818

19.379

18.334

19.211

18.017

17.643

374

5.765

Cultureel erfgoed (artikel 14)

1.598

1.389

2.096

2.129

2.578

2.892

– 314

395

Media (artikel 14 en 15)

47.401

50.478

50.872

50.306

49.891

50.214

– 323

506

Onderzoek en wetenschappen (artikel 16)

83.950

88.675

79.226

91.964

99.359

85.457

13.902

685

Totaal

281.162

295.820

285.519

352.134

354.941

338.430

16.511

69.837

Toelichting:

De uitgaven op de Homogene groep internationale samenwerking (HGIS) maken deel uit van de totale realisaties in het jaar 2012. De beleidsprestaties zijn – waar nodig en relevant – toegelicht bij de betreffende beleidsartikelen.

Voor artikel 11 geldt dat de bedragen indicaties zijn van de omvang van uitgaven aan internationale studiefinanciering (diplomamobiliteit). Het betreft zowel de relevante als niet-relevante uitgaven voor meeneembare studiefinanciering (dit is uitgaande studentenmobiliteit) en voor inkomende mobiliteit (EU-studenten die een vorm van collegegeldvergoeding krijgen).

Artikel

9: Arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

Artikel

Algemene doelstelling

De kwaliteit van het onderwijs wordt gewaarborgd door de beschikbaarheid van voldoende personeel van voldoende kwaliteit voor alle onderwijsdeelnemers.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor een onderwijsstelsel dat zodanig functioneert dat het onderwijs aansluit bij de talenten en ambities van individuele leerlingen/studenten en bij de behoeftes van de maatschappij.

In het bijzonder is zij verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs, de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen voor het onderwijs en het borgen van de onderwijskwaliteit. De instrumenten die zij tot haar beschikking heeft, zijn het uitvaardigen van wet- en regelgeving, het verstrekken van bekostiging, subsidies en opdrachten, het houden van toezicht en het voeren van een dialoog met belanghebbenden, en zonodig actief voeren van regie.

Beleidsconclusies

Vanuit het actieplan «Leraar 2020 – een sterker beroep!» zijn in 2012 de maatregelen voor het stimuleren van de professionele ontwikkeling van leraren en het op peil houden van de omvang en kwaliteit van de lerarenpopulatie voortgezet en op onderdelen geïntensiveerd. Zo zijn er in 2012 ruim 4.400 nieuwe lerarenbeurzen voor bachelor- en masteropleidingen toegekend. In februari 2012 is het lerarenregister voor leraren in po, vo en mbo van start gegaan. Ook is gewerkt aan de verbetering van de aantrekkelijkheid en de kwaliteit van de lerarenopleidingen.

Professionalisering van leraren en schoolleiders is ook een belangrijke peiler van de bestuursakkoorden die met de PO-raad, VO-raad en MBO-raad zijn afgesloten. Via Prestatiebox-regelingen ontvangen scholen voor po, vo en mbo hiervoor jaarlijks aanvullende middelen (2012 € 90 miljoen) dat hen financiële daadkracht biedt om de door hun geformuleerde professionaliseringsdoelen in het kader van de akkoorden te realiseren. De scholen zijn in 2012 nadrukkelijk aan de slag gegaan om de sectorale prestatieafspraken te vertalen naar doelstellingen op schoolniveau.

In 2012 was de onderwijsarbeidsmarkt redelijk in evenwicht. Zowel in het po, vo en in het mbo is de spanning op de arbeidsmarkt voor leraren het afgelopen jaar verminderd. Dat komt naast de hogere uittredeleeftijd van leraren, een hogere leerling/leraarratio en de gevolgen van de financiële crisis in belangrijke mate door de ingezette beleidsmaatregelen vanuit het Actieplan «LeerKracht van Nederland» (in 2012 ruim € 730 miljoen). In het vo zijn er, zowel naar vak als regionaal, wel duidelijk verschillen op de arbeidsmarkt. Vooral in en rondom de grote steden en in enkele groeigebieden is de arbeidsmarkt voor leraren meer gespannen. In 2012 is hier dan ook een aanvang gemaakt om via een vraaggestuurde aanpak ondersteuning te bieden aan regio’s die acute knelpunten ervaren of verwachten op de onderwijsarbeidsmarkt.

Met het Begrotingsakkoord 2013 is besloten om geen middelen meer in te zetten voor prestatiebeloning in het onderwijs. Het betreft hier zowel de middelen voor het uitvoeren van de experimenten (€ 10 miljoen in 2012 oplopend tot € 80 miljoen in 2015) als voor de structurele middelen (€ 250 miljoen vanaf 2018). De in 2011 gepubliceerde regeling om de experimenten mogelijk te maken is in 2012 ingetrokken, waarbij een regeling is getroffen ter tegemoetkoming van de kosten die betrokken scholen en onderzoekers al hadden gemaakt (Stcrt, 21 juni 2012, nr. 12358).

De kwaliteit van de leraar en schoolleider wordt duurzaam geborgd

In 2012 is een volgende stap gezet om te zorgen voor een duurzame borging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel.

Met ingang van 2012 is de lerarenbeurs (Stcrt, 1 maart 2012, nr. 3917) exclusief ingezet voor geaccrediteerde bachelor- en masteropleidingen ter verkrijging van hogere kwalificaties voor leraren in het po, vo, mbo en hbo. In 2012 zijn er 4.400 nieuwe beurzen toegekend, in totaal is in 2012 € 68 miljoen aan beurzen verstrekt. Daarnaast zijn 350 subsidies voor zij-instroomtrajecten in het vo en mbo verleend en zijn 33 leraren in het po, vo, mbo en ho via de zogenaamde promotiebeurs in staat gesteld om onderzoek te verrichten dat uitmondt in een proefschrift.

In het kader van de bestuursakkoorden met de sectorraden is in het po (Kamerstuk 31 293, nr. 132), vo (Kamerstuk 31 289, nr. 110) en mbo (Kamerstukken 27 923, nr. 121 en 33 400 VIII, nr. 11) verder geïnvesteerd (2012 € 90 miljoen) in de intensivering van het bekwaamheidsonderhoud van leraren en in de professionele ontwikkeling van leraren en in professionalisering van schoolleiders. Voorts is in februari 2012 het lerarenregister voor leraren in het po, vo en mbo van start gegaan waarin leraren activiteiten ten behoeve van hun bekwaamheidsonderhoud kunnen vastleggen (Kamerstuk 27 923, nr. 136). Ook het op Nederlands niveau brengen van de bekwaamheden in Caribisch Nederland is in 2012 in gang gezet.

Ter versterking van het beroep en de kwaliteit van de leraar en om leraren te kunnen ondersteunen in hun professionele ontwikkeling zijn in 2012 subsidies verstrekt aan de Onderwijscoöperatie (€ 2,9 miljoen, Kamerstuk 27 923, nr. 139) en aan de Open Universiteit LOOK (€ 6,4 miljoen).

Naar professionele scholen, met ruimte voor goed onderwijspersoneel

De investeringen in beloning voor het onderwijspersoneel, ter verbetering van de arbeidsmarktpositie, voortvloeiend uit de convenanten LeerKracht van Nederland (Stcrt, 3 maart 2009, nr. 42) zijn in 2012 doorgezet. In totaal was in 2012 € 586 miljoen beschikbaar voor het versterken van de functiemix en het inkorten van de carrièrelijnen (inclusief schaal-uitloopbedrag en toelage directeuren po), dat aan de lumpsum of als aanvulling op de lumpsum van de instellingen voor po, vo, mbo en ho is toegevoegd.

Met het Begrotingsakkoord 2013 zijn de middelen uit de intensivering «Prestatiebeloning op basis van leerwinst» ingehouden. Op basis daarvan is de «Regeling experimenten prestatiebeloning onderwijs» ingetrokken (Stcrt. 21 juni 2012, nr. 12358). Ter tegemoetkoming in de gemaakte kosten is aan instellingen en onderzoekers die al de nodige werkzaamheden hadden verricht een eenmalige tegemoetkoming verstrekt van in totaal € 1,5 miljoen.

Er komen voldoende en goed opgeleide leraren

Vanuit de Kwaliteitsagenda «Krachtig meesterschap» (Kamerstuk 27 923, nr. 68) hebben de opleidingen voor leraren die door hogescholen worden verzorgd verder gewerkt aan verbetering van de balans tussen het kennen en het kunnen van de leraren die zij opleiden. De invoering van kennisbases en kennistoetsen in de curricula spelen daarbij een belangrijke rol. Voorts is eind 2012 de Tweede Kamer geïnformeerd over de maatregelen die met opleidingen en scholen worden getroffen om de kwaliteit van de opleiding van leraren voor het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs te verbeteren (Kamerstuk 27 923, nr. 148). Ten slotte zijn universiteiten en hogescholen uitgenodigd om samen een sectorale agenda op te stellen en uit te voeren gericht op de realisering van een adequaat, flexibel en toekomstbestendig geheel van (initiële) opleidingsvoorzieningen.

Ook zijn in 2012 vanuit diezelfde agenda op verschillende fronten de acties voortgezet om het leraaraanbod te vergroten. Het gaat om projecten als «Eerst de Klas», stimulering Krachtig meesterschap, de invoering van de educatieve minor en de uitbreiding van de hbo-kopopleiding.

Om de samenwerking tussen lerarenopleidingen en het afnemend veld te verbeteren, zijn er 55 opleidingsscholen (samenwerkingsverbanden van één of meer lerarenopleidingen met één of meer scholen voor po, vo en mbo) erkend. Zij hebben in 2012 € 14 miljoen aan bekostiging ontvangen om gezamenlijk leraren op de werkplek op te leiden. Van de 55 opleidingsscholen zijn er 22 academische opleidingsscholen. Deze scholen verbinden het opleiden in de school met schoolontwikkeling, innovatie en onderzoek. In aanloop op een verdere verankering van de academische opleidingsschool hebben deze scholen hiervoor in 2012 € 2,5 miljoen extra aan bekostiging ontvangen.

In 2011 zijn de experimenten Innovatie Impuls Onderwijs gestart. Het doel van het project is tweeledig: het implementeren van innovatieve maatregelen in de schoolorganisatie po en vo, gericht op de verhoging van de arbeidsproductiviteit met behoud van onderwijskwaliteit en zonder verhoging van werkdruk, en het meten van effecten van deze maatregelen op de arbeidsproductiviteit. Het project loopt tot eind 2014 (uitgaven 2012 € 5 miljoen).

Voor verdere beleidsconclusies wordt verwezen naar de «Beleidsdoorlichting Actieplan LeerKracht van Nederland (2007–2012) zoals die begin 2013 aan de Tweede Kamer is aangeboden (Kamerstuk 31 511, nr. 10).

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 9.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 9 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

208.665

203.820

252.435

312.184

328.100

426.396

– 98.296

Waarvan garantieverplichtingen

             

Totale uitgaven

109.199

178.436

265.898

273.113

257.651

426.396

– 168.745

                 

Programma-uitgaven

107.318

176.265

263.586

270.983

257.651

426.396

– 168.745

De kwaliteit van de leraar en schoolleider wordt duurzaam geborgd

   

80.880

98.112

106.649

185.435

– 78.786

Naar professionele scholen, met ruimte voor goed onderwijspersoneel

   

114.412

106.805

92.000

162.412

– 70.412

Er komen voldoende en goed opgeleide leraren

   

37.555

38.322

31.286

50.500

– 19.214

Overig

   

27.662

24.672

20.131

21.773

– 1.642

Dienst Uitvoering Onderwijs

2.488

3.025

3.077

3.072

7.585

6.276

1.309

                 

Apparaatsuitgaven1

1.881

2.171

2.312

2.130

     

Ontvangsten

1.344

7.620

4.688

5.216

7.335

0

7.335

* Door herschikking van de instrumenten binnen de doelstellingen zijn de uitgaven op het niveau van de doelstellingen voor de jaren 2008 en 2009 niet meer te reconstrueren.

X Noot
1

Met ingang van de begroting 2012 zijn de apparaatsuitgaven opgenomen in de tabel budgettaire gevolgen van beleid in artikel 92 Apparaat Kerndepartement

Toelichting:

Het verschil tussen de uitgaven op dit beleidsartikel en de oorspronkelijke begroting is € 168,7 miljoen. De realisatie van de ontvangsten is € 7,3 miljoen hoger dan oorspronkelijk geraamd. Hieronder worden de verschillen toegelicht.

Verplichtingen

De realisatie van de verplichtingen is € 98 miljoen lager ten opzichte van de begroting 2012, terwijl de realisatie van de uitgaven € 169 miljoen lager is. Dit wordt ondermeer veroorzaakt doordat in 2012 verplichtingen zijn aangegaan voor de regelingen «Lerarenbeurs voor scholing» en «Professionalisering mbo», die tot uitgaven leiden zowel in 2012 als in 2013 en 2014. In de begroting was hiervan geraamd dat in 2012 slechts de verplichtingen zouden worden aangegaan die in 2012 tot uitgaven zouden leiden.

Uitgaven

  • De tranche 2012 aan beloningsmaatregelen uit het actieplan «LeerKracht van Nederland» is overgeboekt naar de onderwijssectoren po en vo (totaal € 50,7 miljoen) en toegevoegd aan de lumpsum.

  • In het kader van de professionalisering van het onderwijspersoneel is, in het verlengde van de met de sectoren afgesloten bestuursakkoorden € 69,2 miljoen overgeboekt naar po en vo en toegevoegd aan de bekostiging via de prestatiebox van die sectoren.

  • Voor het realiseren van de verdere professionalisering van medewerkers in het mbo zijn extra middelen (€ 7 miljoen) ter beschikking gesteld.

  • Om voor het beleidsonderwerp «aansluiting pabo’s/lerarenopleidingen met schoolbesturen de beschikbare budgetten in overeenstemming te brengen met de beoogde uitgaven is de begroting 2012 via een intertemporele compensatie verlaagd met € 16 miljoen.

  • Het, door het intrekken van de regeling «Prestatiebeloning in het onderwijs», niet tot uitkering komen van een groot deel van de middelen 2012 voor prestatiebeloning (€ 8,5 miljoen).

  • Onderuitputting van € 16,9 miljoen op de budgetten «Kwaliteitsagenda leraren», «experimenten actieplan LeerKracht» en «overige uitgaven lerarenopleidingen»; dit omdat diverse projecten later zijn gestart/aangevraagd dan wel eerst in 2013 worden ingezet.

  • De aanvragen op de regelingen «lerarenbeurs voor scholing» en de «zij-instroom» bleven achter bij de raming (€ 12,5 miljoen).

  • Op de regeling «tegemoetkoming kosten opleidingsscholen» is een meevaller van € 4 miljoen omdat het aantal studenten op de betreffende scholen nog niet het maximum heeft bereikt.

  • De loon- en prijsbijstelling hebben geleid tot een verhoging van het budget met € 2,1 miljoen.

Ontvangsten

Hierop is € 6,5 miljoen geboekt betreffende door leraren terugbetaalde lerarenbeurzen, dit omdat ze hun opleiding niet of niet voldoende hebben afgerond. Het resterende bedrag van € 0,8 miljoen is binnengekomen door het afrekenen van in voorgaande jaren verstrekte (project-) subsidies.

Artikel

11: Studiefinanciering

Artikel

Algemene doelstelling

Het stelsel van studiefinanciering biedt studenten in het hoger onderwijs en deelnemers in de beroepsopleidende leerweg van het middelbaar beroepsonderwijs (vanaf 18 jaar) de financiële mogelijkheden om in Nederland en daarbuiten onderwijs te kunnen volgen.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor de doeltreffende en doelmatige werking van het stelsel van studiefinanciering, zoals geregeld in de Wet studiefinanciering 2000. De financiële toegankelijkheid is gewaarborgd: er zijn geen onoverkomelijke financiële belemmeringen om te gaan studeren. Tegelijkertijd wordt recht gedaan aan het principe dat studeren ook investeren is.

De minister heeft verschillende financiële instrumenten ter beschikking om de financiële toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen. Dit zijn de basisbeurs, de aanvullende beurs, de reisvoorziening, het collegegeldkrediet en de rentedragende lening. De overheid zet haar middelen voor studiefinanciering zo in dat het onderwijs voor iedereen toegankelijkheid is, ook voor mensen met een lager inkomen. Ook bij de ouders van studerenden ligt een verantwoordelijkheid: van hen wordt verwacht dat zij bijdragen aan de financiering van de studie van hun kinderen. Indien de ouders onvoldoende inkomen hebben, verstrekt de overheid een aanvullende beurs. Bij de studerende ligt de verantwoordelijkheid om zelf ook een bijdrage aan de studie te leveren, omdat de studie een investering in de eigen toekomst is.

Beleidsconclusies

In 2012 is het wetsvoorstel Studeren is investeren ingediend. Na de val van het kabinet Rutte I is dit wetsvoorstel controversieel verklaard. Daarom zijn de invoering van een sociaal leenstelsel in de masterfase en de verlenging van de aflossingstermijn van studieleningen van 15 naar 20 jaar niet doorgevoerd. Het recht op de reisvoorziening (OV-kaart) is wel beperkt van de nominale studieduur plus één uitloopjaar in plaats van drie uitloopjaren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 11.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 11 (x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

3.782.267

3.617.833

3.790.873

4.131.887

3.807.055

3.746.891

60.164

Totale uitgaven

3.782.267

3.617.833

3.790.873

4.131.887

3.807.055

3.746.891

60.164

               

Basisbeurs

992.566

963.997

1.198.484

1.041.952

1.176.404

1.266.547

– 90.143

• Gift (R)

640.966

711.397

808.120

873.052

915.853

1.021.900

– 106.047

• Prestatiebeurs (NR)

351.600

252.600

390.364

168.900

260.551

244.647

15.904

               

Aanvullende beurs

589.700

578.100

629.379

583.500

612.222

671.230

– 59.009

• Gift (R)

471.100

473.400

523.731

489.800

499.865

514.517

– 14.652

• Prestatiebeurs (NR)

118.600

104.700

105.648

93.700

112.357

156.714

– 44.357

               

Reisvoorziening

596.475

440.630

450.811

803.237

292.937

196.608

96.330

Bijdrage aan vervoersbedrijven (R)

852.893

672.178

672.346

996.331

539.319

374.318

165.001

• Gift (R)

277.925

355.754

425.909

463.234

497.253

520.583

– 23.330

• Prestatiebeurs (R)

– 534.342

– 587.303

– 647.443

– 656.328

– 743.635

– 698.294

– 45.341

               

Leenvoorzieningen

1.219.326

1.255.007

1.294.051

1.354.449

1.423.416

1.463.482

– 40.066

• Rentedragende lening

1.174.713

1.187.857

1.207.497

1.252.579

1.300.675

1.277.663

23.012

• Collegegeldkrediet

44.613

67.150

86.554

101.870

122.741

185.819

– 63.078

               

Overige uitgaven

305.064

303.500

125.645

260.235

188.783

60.596

128.187

Overige uitgaven relevant

37.456

52.265

77.392

70.448

98.457

88.753

9.704

Overige uitgaven niet-relevant

267.608

251.235

48.253

189.787

90.326

– 28.157

118.483

               

Programma-uitgaven overig

78.228

76.600

92.503

88.514

113.293

88.428

24.865

• Dienst Uitvoering Onderwijs (R)

78.228

76.600

92.503

88.514

113.293

88.428

24.865

Totaal programma-uitgaven

3.781.359

3.617.833

3.790.873

4.131.887

3.807.055

3.746.891

60.164

• Waarvan relevant

1.824.225

1.754.292

1.952.557

2.325.051

1.920.405

1.910.206

10.199

• Waarvan niet-relevant

1.957.134

1.863.541

1.838.316

1.806.836

1.886.650

1.836.685

49.965

Apparaatsuitgaven

908

           

Totale ontvangsten

473.015

541.891

629.024

662.979

694.980

755.386

– 60.406

• Terugontvangen hoofdsom (NR)

226.918

276.081

337.562

360.611

384.348

414.046

– 29.698

• Ontvangen rente en relevante hoofdsom (R)

170.717

198.092

223.869

240.832

234.426

277.345

– 42.919

• Kortlopende vorderingen (R)

75.379

67.718

67.593

61.536

76.206

63.995

12.211

               

Totale ontvangsten

473.015

541.891

629.024

662.979

694.980

755.386

– 60.406

• Waarvan relevant

246.097

265.810

291.462

302.368

310.632

341.340

– 30.708

• Waarvan niet-relevant

226.918

276.081

337.562

360.611

384.348

414.046

– 29.698

Toelichting:

Zowel voor de uitgaven als de ontvangsten wordt een onderscheid gemaakt tussen relevant en niet-relevant. Relevant betekent: relevant voor het begrotingstekort/EMU-saldo. De relevante uitgaven worden hoofdzakelijk gevormd door studiefinanciering die meteen als gift wordt toegekend en uitgekeerde prestatiebeurs die wordt omgezet in een gift (na behalen diploma binnen tien jaar). Onder de niet-relevante uitgaven vallen vooral de prestatiebeurs (zolang die nog niet is omgezet in een gift) en de rentedragende leningen.

De relevante ontvangsten worden vooral gevormd door de ontvangen rente op leningen. De niet-relevante ontvangsten betreffen hoofdzakelijk aflossingen op de hoofdsom van rentedragende leningen.

Uitgaven

Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en de uitgavenrealisatie in 2012 is € 60,2 miljoen, waarvan € 10,2 miljoen relevant en € 50,0 miljoen niet-relevant.

Ontvangsten

Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en de ontvangstenrealisatie in 2012 is – € 60,4 miljoen, waarvan – € 30,7 miljoen relevant en – € 29,7 miljoen niet-relevant. De verschillen tussen de begrotingsramingen en realisaties 2012 worden hierna bij de instrumenten toegelicht.

Het verschil tussen raming en realisatie bij de programma-uitgaven voor de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) is € 24,9 miljoen. In 2011 is € 7,5 miljoen doorgeschoven naar 2012 voor de vernieuwing van de studiefinancieringssystemen en voor hetzelfde doel is bij Najaarsnota 2012 € 10,0 miljoen extra beschikbaar gekomen. Daarnaast is er op de DUO-budgetten op artikel 12 en 13 een onderuitputting van in totaal € 4,5 miljoen en deze uitgaven zijn om administratieve redenen gedaan ten laste van artikel 11. Voor de uitvoering van het Actieplan aanpak misbruik uitwonendenbeurs zijn de uitgaven in 2012 met € 2,5 miljoen verhoogd.

Toelichting op de instrumenten

Tabel 11.2 Totaal aantal studerenden met studiefinanciering
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Studerenden met een basisbeurs

568.549

580.795

606.390

618.730

629.184

641.200

– 12.016

bol

210.186

210.670

219.110

220.271

223.172

241.700

– 18.528

hbo

242.882

249.435

260.442

266.876

271.003

277.100

– 6.097

wo

115.481

120.690

126.838

131.583

135.009

122.400

12.609

Alleen (nul)lening

64.550

70.269

97.841

99.020

101.745

119.800

– 18.055

bol

0

1.438

1.752

2.146

4.632

1.900

2.732

hbo

30.681

32.588

42.647

43.151

44.706

46.100

– 1.394

wo

33.869

36.243

53.442

53.723

52.407

71.800

– 19.393

Totaal

633.099

651.064

704.231

717.750

730.929

761.000

– 30.071

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal studerenden met een vorm van studiefinanciering is in 2012 totaal 30.071 lager dan geraamd. Bij de studerenden met een basisbeurs ligt dit aantal per saldo ruim 12.000 lager. Bij het ho stijgt het aantal nog licht, maar met name bij de bol is de realisatie over 2012 veel lager dan de raming.

Het aantal studerenden zonder beurs maar met een rentedragende lening en/of de reisvoorziening is 18.055 lager dan de raming. Voor het wo is in de raming van een te hoog aantal uitgegaan.

Tabel 11.3 Uitgaven basisbeurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

bol direct gift (bol 1/2 en 3/4 met diploma)

141,8

124,2

119,4

112,5

107,0

126,7

– 18,8

bol omzettingen prestatiebeurs in gift

35,8

86,6

138,6

159,2

173,8

209,8

– 36,8

ho omzettingen prestatiebeurs in gift

463,4

500,6

550,1

601,3

635,0

685,4

– 50,3

Totaal

641,0

711,4

808,1

873,1

915,9

1.021,9

– 106,0

Bron: realisatiegegevens DUO

Tabel 11.4 Uitgaven basisbeurs prestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

bol toekenningen

178,4

201,4

219,1

222,0

222,5

238,3

– 15,7

bol omzettingen

– 35,8

– 86,1

– 137,9

– 158,5

– 173,0

– 210,1

37,1

ho toekenningen

759,6

799,2

853,1

873,0

884,5

895,7

– 11,1

ho omzettingen

– 550,7

– 662,0

– 543,9

– 767,7

– 673,5

– 679,2

5,6

Totaal

351,6

252,6

390,4

168,9

260,6

244,6

15,9

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In de bol is in 2012 € 36,8 miljoen minder basisbeurs in gift omgezet dan geraamd. Daarnaast is in totaal € 34,5 miljoen minder aan basisbeurs uitbetaald dan geraamd, waarvan € 18,8 miljoen minder toegekend in de bol direct gift (bol 1/2 en 3/4 met diploma) en € 15,7 miljoen minder als prestatiebeurs toegekend aan deelnemers op bol-niveau 3 en 4.

In het ho is er ten opzichte van de raming 2012 € 50,3 miljoen minder basisbeurs omgezet in gift. Ten opzichte van 2011 is wel meer omgezet, maar de groei is minder sterk geweest dan geraamd. Daarnaast is er € 11,1 miljoen minder basisbeurs als prestatiebeurs toegekend dan geraamd.

Tabel 11.5 Totaal aantal studerenden met aanvullende beurs
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

bol

104.374

100.541

103.455

102.301

103.469

114.100

– 10.631

hbo

80.978

79.269

82.102

81.252

81.821

89.500

– 7.679

wo

25.250

24.672

25.997

25.785

26.133

28.700

– 2.567

Totaal

210.602

204.482

211.554

209.338

211.423

232.300

– 20.877

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal verstrekte aanvullende beurzen is in 2012 lager dan geraamd. In het verlengde van het aantal studerenden met basisbeurs (zie tabel 11.2) is ook het aantal aanvullende beurzen lager dan geraamd. Bij de bol is het verschil tussen raming en realisatie 2012 het grootst.

Tabel 11.6 Uitgaven aanvullende beurs gift (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

bol gift

153,1

124,4

121,6

113,6

117,0

135,6

– 18,6

bol prestatiebeurs

115,9

143,5

188,0

198,7

209,2

238,8

– 29,6

ho

202,2

205,5

214,2

177,5

173,6

140,1

33,5

Totaal

471,1

473,4

523,8

489,8

499,9

514,5

– 14,6

Bron: realisatiegegevens DUO

Tabel 11.7 Uitgaven aanvullende beurs prestatiebeurs (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

bol toekenningen

105,9

124,1

188,7

137,7

145,5

157,1

– 11,6

bol omzettingen

– 17,2

– 52,4

– 136,2

– 103,2

– 110,9

– 122,6

11,7

ho toekenningen

173,2

171,5

140,6

217,4

233,1

269,9

– 36,8

ho omzettingen

– 143,4

– 138,4

– 87,4

– 158,2

– 155,3

– 147,7

– 7,6

Totaal

118,6

104,7

105,6

93,7

112,4

156,7

– 44,3

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In de bol is in 2012 € 29,6 miljoen minder aanvullende beurs omgezet in gift dan geraamd. Daarnaast is in de bol totaal € 30,2 miljoen minder aan aanvullende beurs uitbetaald dan geraamd, waarvan € 18,6 miljoen minder toegekend als direct gift (bol 1/2 en 3/4 met diploma) en € 11,6 miljoen minder toegekend aan deelnemers op bol-niveau 3 en 4 in de vorm van prestatiebeurs. Deze realisaties zijn in lijn met het lagere aantal studerenden met een aanvullende beurs (zie tabel 11.5).

In het ho is er ten opzichte van de raming 2012 € 33,5 miljoen meer aanvullende beurs omgezet in gift. In vergelijking met de raming bleek er in het ho minder recht op aanvullende beurs in de vorm van prestatiebeurs te zijn en zijn de uitgaven € 36,8 miljoen lager uitgevallen.

Tabel 11.8 Aantal studenten met een reisvoorziening
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Aantal gebruikers van het reisrecht

589.717

607.052

618.274

644.700

656.510

669.900

– 13.390

bol

185.547

188.093

186.234

192.548

194.599

215.600

– 21.001

ho

404.170

418.959

432.040

452.152

461.911

454.300

7.611

Aantal RBS

15.129

16.308

17.671

17.828

18.964

19.100

– 136

bol

2.615

2.571

2.595

2.418

2.609

3.000

– 391

ho

12.514

13.738

15.076

15.410

16.355

16.100

255

Totaal

604.846

623.360

635.945

662.528

675.474

689.000

– 13.526

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Het aantal studenten met een reisvoorziening («OV-kaart») is in 2012 per saldo 13.526 lager dan geraamd. In het ho is er ten opzichte van de raming een stijging met 7.611 kaarthouders. In de bol is in 2012 ten opzichte van voorgaande jaren een kleine stijging zichtbaar. Ten opzichte van raming zijn er echter 21.001 minder kaarthouders. Deze daling is in lijn met de lagere realisatie van het aantal basisbeursgerechtigden (tabel 11.2).

Het aantal studenten met een financiële vergoeding voor studeren in het buitenland is in 2012 nagenoeg gelijk aan het geraamde aantal.

Tabel 11.9 Uitgaven reisvoorziening (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Betaling aan vervoersbedrijven

852,9

672,2

672,3

996,3

539,3

374,3

165,0

bol prestatiebeurs

– 126,2

– 151,4

– 170,0

– 174,3

– 200,4

– 190,7

– 9,7

bol omzettingen

31,1

72,4

106,3

118,0

129,7

141,2

– 11,5

ho prestatiebeurs

– 408,2

– 435,9

– 477,5

– 482,0

– 543,3

– 507,6

– 35,7

ho omzettingen

230,9

265,9

300,1

325,7

343,9

359,0

– 15,2

RBS en overig

15,9

17,4

19,5

19,5

23,7

20,3

3,4

Totaal reisvoorziening

596,5

440,6

450,8

803,2

292,9

196,6

96,4

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De realisatie 2012 van de uitgaven reisvoorziening is per saldo € 96,4 miljoen hoger dan begroot. Bij de betaling aan vervoersbedrijven is het verschil tussen begroting en realisatie 2012 per saldo € 165,0 miljoen. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door kasschuiven van 2012 naar 2011 en van 2013 naar 2012. In december 2012 is € 221,5 miljoen van de voorlopige vergoeding 2013 aan de OV-bedrijven vooruit betaald, waarmee een bijdrage is geleverd aan de optimalisatie van het kasritme van de Staat.

De reisvoorziening is voor de meeste studerenden onderdeel van de prestatiebeurs. Er is in 2012 € 45,4 miljoen minder reisvoorziening als prestatiebeurs toegekend (bol – € 9,7 miljoen; ho – € 35,7 miljoen).

Hoewel er een stijging is ten opzichte 2011, zijn de omzettingen naar gift in 2012 € 26,6 miljoen lager dan de raming voor 2012 (bol – € 11,5 miljoen, ho – € 15,1 miljoen).

Er is in 2012 € 3,4 miljoen minder aan reisvergoeding voor studerenden in het buitenland betaald dan geraamd.

Tabel 11.10 Niet-relevante uitgaven leenfaciliteit (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Rentedragende lening

1.122,9

1.135,1

1.131,5

1.169,1

1.212,8

1.181,7

31,1

Omzettingen prestatiebeurs naar rentedragende lening

51,9

52,8

76,0

83,4

87,9

96,0

– 8,1

collegegeldkrediet

44,6

67,1

86,6

101,9

122,7

185,8

– 63,1

Totaal

1.219,3

1.255,0

1.294,1

1.354,4

1.423,4

1.463,5

– 40,1

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Per saldo is er in 2012 € 40,1 miljoen minder uitbetaald aan studieleningen dan geraamd. De uitgaven aan de reguliere studielening zijn in 2012 € 31,1 miljoen hoger dan geraamd. Bij het collegegeldkrediet is de realisatie lager uitgevallen, vooral omdat met het vervallen van de langstudeerdersregeling er geen langstudeerderskrediet nodig is geweest. Net als bij de omzetting van basis- en aanvullende prestatiebeurs en OV-prestatiebeurs in gift (zie voorgaande tabellen) is er in 2012 ook minder prestatiebeurs omgezet in een rentedragende lening.

Tabel 11.11 Terugbetaling studieleningen (langlopende vorderingen) (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Hoofdsom (NR)

226,9

276,1

337,6

360,6

384,3

414,0

– 29,7

Relevante rentedragende lening

21,9

17,2

12,3

8,5

5,5

6,6

– 1,1

Rente ontvangsten

143,6

175,4

206,4

227,5

223,8

266,9

– 43,1

Renteloos voorschot

5,2

5,5

5,1

4,9

5,1

3,9

1,2

Totaal ontvangsten

397,6

474,2

561,4

601,4

618,8

691,4

– 72,6

Bron: realisatiegegevens DUO

Tabel 11.12 Ontvangsten op kortlopende vorderingen (bedragen x € 1 miljoen)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Achterstallig Lager Recht (ALR)

60,3

48,6

47,6

45,2

48,1

58,1

– 10,0

Reisvergoeding

14,5

18,8

19,6

16,1

16,9

5,6

11,3

Overig

0,5

0,3

0,4

0,2

11,2

0,4

10,8

Totaal Kortlopende vorderingen

75,4

67,7

67,6

61,5

76,2

64,1

12,1

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

In vergelijking met de raming is er in 2012 minder terugbetaald: € 43,1 miljoen aan rente en € 29,7 miljoen aan hoofdsom studielening. Vooral de extra aflossingen, die naast de verplichte aflossingen worden gedaan, zijn lager dan geraamd. Dit laatste valt lastig te ramen.

Tabel 11.13 Bedrag aan uitstaande leningen (bedragen x € 1 miljoen)
 

2008

2009

2010

2011

2012

Renteloze voorschotten t/m 1986

37,3

33,2

30,2

28,2

27,5

Rentedragende leningen verstrekt voor 1992

82,5

59,8

44,4

33,1

25,7

Rentedragende leningen verstrekt na 1992

7.760,9

8.744,9

9.703,4

10.645,4

11.598,0

Collegegeldkrediet

55,8

124,9

208,2

296,7

397,7

Totaal

7.936,5

8.962,8

9.986,2

11.003,4

12.048,9

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De tabel geeft de vorderingstanden aan het einde van het jaar. Het betreft de vorderingen op oud-studenten en op actieve studenten exclusief de prestatiebeursleningen.

Artikel

12: Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

Artikel

Algemene doelstelling

De tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten zorgt ervoor dat (ouders van) leerlingen in het voortgezet onderwijs, deelnemers in de beroepsopleidende leerweg (tot 18 jaar) en studenten aan een lerarenopleiding de financiële mogelijkheden hebben om onderwijs te volgen.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor de toegankelijkheid van het onderwijs in Nederland. OCW waarborgt met de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) de toegankelijkheid van en de deelname aan het onderwijs door de financiële belemmeringen van deelname weg te nemen voor de volgende doelgroepen:

  • ouders van deelnemers aan de beroepsopleidende leerweg (bol) in het mbo tot 18 jaar, van minderjarige leerlingen aan het niet-volledig en rechtstreeks bekostigd voortgezet onderwijs (vo) en van minderjarigen in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) (TS17-);

  • scholieren in het voortgezet onderwijs van 18 jaar en ouder (VO18+);

  • leerlingen (ook deeltijd) in het voortgezet algemeen volwassenenonderwijs of (voortgezet) speciaal onderwijs (TS 18+ vavo en (v)so);

  • studenten aan de lerarenopleiding die geen recht (meer) hebben op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 (TS 18+, tlo).

Ouders zijn ervoor verantwoordelijk dat hun minderjarige kind onderwijs volgt. Daar waar ouders gezien hun inkomen niet draagkrachtig genoeg zijn om de kosten van hun schoolgaande minderjarige kinderen alleen te dragen, voorziet de overheid in een (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Vanaf 18 jaar ligt de verantwoordelijkheid voor het volgen van onderwijs primair bij de leerling/student zelf. Hij/zij kan dan zelf in aanmerking komen voor een tegemoetkoming.

Beleidsconclusies

De afschaffing van het lesgeld in het voortgezet onderwijs en het cursusgeld voor minderjarige leerlingen in het middelbaar beroepsonderwijs, de invoering van de gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs en de ophoging van het kindgebonden budget heeft effect gehad op de WTOS-tegemoetkomingen. Die werden voor deze groepen verlaagd of geheel afgeschaft. Met actieve communicatie is eind 2011 getracht om de WTOS-regelingen bij de resterende doelgroepen beter onder de aandacht te brengen. Dit heeft in 2012 effect gehad.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 12.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 12 (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

271.660

162.639

119.358

111.158

107.389

129.624

– 22.235

Waarvan garantieverplichtingen

             

Totale uitgaven

271.660

162.639

119.358

111.158

107.389

129.624

– 22.235

TS 17-

180.352

70.983

24.681

23.142

20.866

32.134

– 11.268

TS 18+

12.238

11.037

9.143

6.752

6.248

8.975

– 2.727

VO 18+

61.423

63.445

66.586

67.135

66.210

71.106

– 4.896

Waarvan relevante uitgaven

58.922

61.813

65.034

65.276

64.900

69.470

– 4.570

Waarvan niet-relevante uitgaven

2.501

1.632

1.552

1.859

1.310

1.636

– 326

               

Programma-uitgaven overig

             

Dienst Uitvoering Onderwijs

17.647

17.174

18.948

14.129

14.065

17.409

– 3.344

Totaal ontvangsten

17.906

15.525

14.188

16.273

4.644

13.847

– 9.203

TS 17–

8.266

5.295

2.158

1.604

1.110

1.470

– 360

TS 18+

1.215

782

1.041

935

574

1.388

– 814

VO 18+

8.425

9.448

10.989

13.734

2.960

10.989

– 8.029

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

Uitgaven

De uitgaven bij elk van de drie WTOS-regelingen is in 2012 lager dan begroot. Bij de regeling TS17- zijn de uitgaven in 2012 lager dan begroot, ondanks de hiervoor vermelde actieve communicatie eind 2011 over het gebruik van de regeling.

De uitgaven van de Dienst Uitvoering Onderwijs op dit beleidsartikel houden verband met de kosten in 2012 voor de uitvoering van de diverse WTOS-regelingen.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op terugbetalingen van teveel of onterecht verstrekte WTOS-uitkeringen. Het verschil van – € 8,0 miljoen bij de ontvangsten VO 18+ houdt verband met een onjuiste raming 2012, omdat op dit artikelonderdeel abusievelijk ook bepaalde WSF-ontvangsten (artikel 11) waren geraamd.

Toelichting op de instrumenten

Tabel 12.2 Aantal gebruikers per regeling
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Aantal gebruikers TS 17-

299.773

235.855

35.858

42.294

36.032

47.300

– 11.268

Aantal gebruikers TS 18+

10.876

10.306

8.459

6.585

6.331

8.500

– 2.169

Aantal gebruikers VO 18+

31.889

33.664

34.337

35.943

35.758

36.900

– 1.142

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De daling van de aantallen gebruikers per WTOS-regeling in 2012 ligt in lijn met de daling van de uitgaven zoals in tabel 12.1 vermeld.

Artikel

13: Lesgeld

Artikel

Algemene doelstelling

Het genereren van inkomsten voor de financiering van het onderwijs.

Rol en verantwoordelijkheid

De minister is verantwoordelijk voor het dragen van een groot deel van de kosten voor het volgen van kwalitatief goed onderwijs, omdat de maatschappij baat heeft bij geschoolde burgers. Burgers hebben echter ook profijt van scholing. Daarom vraagt de overheid een bijdrage in de kosten van het onderwijs in de vorm van lesgeld aan de deelnemers in de bol en het vavo die op 1 augustus van het schooljaar 18 jaar of ouder zijn.

Beleidsconclusies

Er is geen directe aanleiding om de Les- en cursusgeldwet aan te passen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 13.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 13 (bedragen x € 1.000)
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

6.200

6.297

7.204

5.708

5.670

6.837

– 1.167

Waarvan garantieverplichtingen

             

Totale uitgaven

6.200

6.297

7.204

5.708

5.670

6.837

– 1.167

Dienst Uitvoering Onderwijs

6.200

6.297

7.204

5.708

5.670

6.837

– 1.167

Ontvangsten lesgeld

179.854

187.195

202.553

207.146

221.726

225.549

– 3.823

Bron: realisatiegegevens DUO

Toelichting:

De lesgeldontvangsten zijn in 2012 € 3,8 miljoen lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door een lager gerealiseerd aantal lesgeldplichtigen in 2012 dan begroot (zie tabel 13.2) in combinatie met een ander betaalritme van het verschuldigde lesgeld.

Tabel 13.2 Aantal lesgeldplichtigen
         

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

 

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Aantal lesgeldplichtigen

188.532

197.262

204.842

209.473

215.376

227.700

– 12.324

Bron: realisatiegegevens DUO

Uitgaven

Toelichting op de instrumenten

De uitgaven op dit beleidsartikel hangen samen met de kosten van de Dienst Uitvoering Onderwijs in 2012 voor de uitvoering van inning van de lesgelden.

Ontvangsten

De lesgeldontvangsten hangen samen met het aantal lesgeldplichtigen. Dit aantal is een afgeleide van demografische ontwikkelingen en van de opleidingskeuze van studerenden/leerlingen. Er zijn geen basis- en streefwaarden vastgesteld.

Artikel

14: Cultuur

Artikel

Algemene doelstelling

Een sterke cultuursector, die ondernemend en innovatief is en goed zorgt voor ons erfgoed.

Rol en verantwoordelijkheid

De rijksoverheid is verantwoordelijk voor een culturele Basisinfrastructuur (BIS) met kwaliteit. Educatie, spreiding en behoud en beheer van erfgoed, vernieuwing en talent zijn belangrijk. Het rijk stimuleert instellingen en kunstenaars om zich in te zetten op ondernemerschap en mecenaat. Publiek en private partijen moeten directer bij cultuur worden betrokken. Het cultuurbeleid van OCW omvat stelsels van onderling samenhangende wetten en regels, geldstromen en publieke voorzieningen. Die wetten bestrijken de sectoren archieven, archeologie, monumenten, musea, kunsten, letteren en bibliotheken. Daarbij zijn ook verplichtingen uit internationale wetten en verdragen van belang.

De minister is verantwoordelijk voor het scheppen van voorwaarden voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden van cultuuruitingen. Overwegingen van kwaliteit en verscheidenheid zijn hierbij leidend. Het kabinet stelt zich tevens tot doel het cultureel erfgoed zo goed mogelijk te behouden, te beheren en te ontsluiten. Het grootste gedeelte van het cultuuraanbod komt ongesubsidieerd en door particulier initiatief tot stand. De overheid staat waar mogelijk op afstand en is pas betrokken wanneer de publieke belangen onder druk staan.

Kengetallen

Indicatoren rondom de doelen en functies van het cultuurstelsel worden in woord, beeld en cijfers gepresenteerd op www.trendsinbeeld.minocw.nl en www.rijksoverheid.nl/cultuurinbeeld .

Beleidsconclusies

Het kabinet heeft in 2012 de nieuwe basisinfrastructuur vormgegeven (Kamerstuk 32 820, nr. 65). Dit is gebeurd op basis van het advies Slagen in Cultuur van de Raad voor Cultuur. Het kabinet wilde een omslag in het cultuurbeleid: minder subsidieafhankelijkheid en een scherpe selectie van te financieren instellingen. Hiermee is ook uitvoering gegeven aan de ombuiging van € 200 miljoen. De overheid biedt financiële ondersteuning voor eventuele frictie- en transitiekosten van instellingen die gedurende een lange periode publiek gefinancierd zijn. De nieuwe basisinfrastructuur start vanaf januari 2013.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 14.1 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 14 (bedragen x € 1.000)
           

Realisatie

Vastgestelde begroting

Verschil

   

2008

2009

2010

2011

2012

2012

2012

Verplichtingen

2.779.161

918.594

1.130.082

846.543

2.945.919

2.782.771

163.148

Waarvan garantieverplichtingen

253.465

432.305

767.539

513.001

608.000

634.000

26.000

Totale uitgaven

946.945

934.749

991.219

931.207

943.170

895.631

47.539

                 

Programma-uitgaven

887.290

866.190

928.913

866.972

890.988

855.516

35.472

waarvan Cultuursubsidies 2009–2012

474.186

567.272

571.272

573.119

561.851

562.337

– 486

                 

Kunsten

418.538

438.893

449.325

445.477

484.652

434.096

50.556

Cultuursubsidies 2009–2012

341.356

390.534

390.002

391.604

382.380

382.813

– 433

4-jarig

0

93.334

87.472

90.559

86.789

85.740

1.049

producerend

 

71.980

67.072

70.107

66.731

65.836

895

niet producerend

 

21.354