Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 49, item 4

4 Vragenuur: Vragen Helder

Vragen van het lid Helder aan de minister van Veiligheid en Justitie over het bericht "Kleinere misdaad neemt hoge vlucht".

Mevrouw Helder (PVV):

Voorzitter. Uit een inventarisatie van politiecijfers is gebleken dat de kleinere misdaad fors is toegenomen. Twee voorbeelden. In Amsterdam is het zakkenrollen met maar liefst 29% toegenomen en in Zeeland is er in de eerste helft van 2013 maar liefst 223 keer ingebroken. De term "kleinere misdaad" is wat de PVV betreft misplaatst, want voor de burger is dat helemaal geen kleine en onbelangrijke criminaliteit. Ook deze misdrijven hebben impact op de burger, en niet zo'n klein beetje ook. Mijn eerste vraag aan de minister is of hij dat met ons eens is.

Voor de PVV is het verder ook onacceptabel dat dit allemaal toeneemt onder het bewind van deze minister. Over de toename van de autodiefstallen vroeg ik hier vorige week ook al opheldering. Mijn tweede vraag is dan ook wat de minister gaat doen om deze misdrijven aan te pakken. Mijn derde vraag: gaat de minister gehoor geven aan het verzoek van zijn eigen burgemeesters om het leger in te zetten, althans de technische hulpmiddelen daarvan, om deze misdaad de kop in te drukken?

De minister laat geen gelegenheid onbenut om te zeggen dat de high-impact crimes — te weten straatroof, woninginbraak en overvallen — in de grote steden zijn gedaald, maar dat is vanwege de extra inzet van de politie. Daarom mijn vierde vraag aan de minister. Deelt hij de mening van de Amsterdamse politiechef Aalbersberg dat de extra inzet niet vol te houden is? Een laatste vraag. In het bericht wordt de conclusie getrokken dat de reden voor de toename van de kleinere criminaliteit is gelegen in het feit dat mensen in crisistijd hun toevlucht tot dit soort misdrijven zoeken. We kunnen echter ook lezen dat de daders vaak jonge veelplegers zijn, die hun hoofd nog helemaal niet boven water hoeven te houden. Zij wonen gewoon thuis en zijn vaak minderjarig. De isd-maatregel bleek succesvol, volgens informatie die de minister vorige week naar de Kamer heeft gestuurd. Is de minister bereid om isd ook in te voeren voor jeugdigen vanaf 12 jaar?

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef opnieuw het woord aan de minister voor zijn beantwoording van deze vijf vragen.

Minister Opstelten:

Voorzitter. Dank aan mevrouw Helder voor haar vragen. Een: ook de kleinere misdaad moet bestreden worden. Dat is duidelijk en serieus. Twee: wat ga ik doen? Mevrouw Helder heeft de rapportage ook gehoord. Wat mij betreft, ligt de landelijke prioriteit bij de high-impact crimes. Straatroven gaan naar beneden, overvallen gaan naar beneden, inbraken gaan langzaam naar beneden. Hier is sprake van punten waar het lokaal, per stad, groot of klein, goed gaat, maar ook van punten waar het minder goed gaat. Dat zal men lokaal moeten bestrijden.

Vraag drie: kan het leger worden ingezet? Er is een heel intensieve civiel-militaire samenwerking tussen mevrouw Hennis, mijn collega Hennis en mij. We hebben dat vorige week nog een keer bevestigd en de burgemeester van Amsterdam heeft daar inderdaad ook het nodige over gezegd. Dat is ook weer de verantwoordelijkheid van de civiele, lokale autoriteiten. Ik zal hen daarin ondersteunen. De vierde vraag betrof de korpsleiding van de regio-eenheid Amsterdam. Toen ik dat las, dacht ik: dat is een afweging die Amsterdam zelf moet maken, gelet op de lokale prioriteiten. Mij lijkt de prioriteit op de high-impact crimes een prioriteit die vastgehouden moet worden, want als we hem loslaten, zakt het in elkaar.

Het vijfde punt ging over de isd-maatregel. Het isd-regime dat ik heb beschreven in de brief die ik naar de Kamer heb gestuurd en die we in het algemeen overleg vorige week hebben besproken, is inderdaad niet van toepassing op de jongen die mevrouw Helder beschreef. Het is echter wel een succes. Dat wilde ik haar antwoorden op haar vijfde vraag.

Mevrouw Helder (PVV):

Dank aan de minister voor zijn antwoorden. Ik spits dit deel maar even toe op twee vragen. Ik heb de minister horen zeggen dat de kleinere criminaliteit lokaal bestreden moet worden en dus de verantwoordelijkheid is van de lokale autoriteiten, maar dat hij hen zal ondersteunen. Dat zei hij in antwoord op de vraag of hij tegemoet zou komen aan het verzoek van de burgemeesters om het leger in te zetten. Als de minister zegt dat hij dat zal ondersteunen, is de vraag natuurlijk hoe hij dat wil doen. Ik vind dat namelijk strijdig met zijn uitspraak dat ze het eigenlijk lokaal maar moeten uitzoeken. Ik wil ook graag antwoord op de vraag of het er dan niet op lijkt dat de politie het niet meer aankan. Wat vindt de minister daarvan? Een laatste vraag: de high-impact crimes ziet hij als prioriteit die vastgehouden moet worden. Dat vind ik prima, maar mijn vraag is hoe de minister dat dan gaat doen. De politiechef, de heer Aalbersberg, heeft immers gezegd dat dit niet vol te houden is.

Minister Opstelten:

De eerste vraag is helder. Dat regelen wij in de wet. Het lokaal gezag bepaalt wat nodig is en vraagt bijstand aan van Defensie. Dat verzoek wordt dan gehonoreerd. Dat is mijn bijdrage aan de bijstand in die gevallen. Ik maak het dus mogelijk via harde afspraken met mijn collega Hennis. Ik zeg nogmaals dat wij die afspraken vorige week hebben geïntensiveerd. Dat past ook in deze tijd. Zoals mevrouw Hennis altijd zegt: als we Opstelten gehad hebben, dan kom ik. Dat is een uiting van goede ondersteuning. Zo werkt het dus ook in de praktijk. Als u dat beeld wilt vasthouden, dan hoeft u deze vraag niet meer te stellen.

Ik heb met het gezag, dus het Openbaar Ministerie en de regioburgemeester, afspraken gemaakt over de prioriteiten. Wij zijn die prioriteiten opnieuw aan het bekijken. Na de raadsverkiezingen zal dat zijn afgerond. De bestrijding van high-impact crime is een prioriteit en naar mijn mening blijft dit een prioriteit. De politie moet erop blijven inzetten. Men kan daar lokaal van afwijken, bijvoorbeeld als men inbraken minder belangrijk vindt dan zakkenrollen. Dan kan men daarvoor kiezen. Ik denk dat de politie het zeker aankan, zeker in Amsterdam.

De voorzitter:

Daar waar de minister het eerder had over collega of mevrouw Hennis, refereerde hij aan de minister van Defensie.

Minister Opstelten:

Dat was ik even vergeten. Ik zal het nooit meer doen.

Mevrouw Helder (PVV):

Ik zal het even met deze antwoorden moeten doen. We zullen de minister er wel op controleren. Ik heb de minister van Defensie natuurlijk hoog zitten, maar mag het natuurlijk niet zo zijn dat wij, wanneer de minister van Veiligheid en Justitie het er niet meer onder krijgt, naar de minister van Defensie moeten gaan.

De minister zegt dat de politie het aankan, zeker de politie in Amsterdam. We zullen het scherp in de gaten houden.

Minister Opstelten:

Ik heb geen vraag gehoord, maar wel een statement. Ik wil nog even bevestigen dat uiteindelijk het civiele gezag in ons land beslist over de eventuele inzet van Defensie, dus het lokaal gezag en ik als minister van Veiligheid en Justitie.

Mevrouw Berndsen-Jansen (D66):

Vorige week hadden wij een algemeen overleg over de politie. Daarbij hebben wij uitvoerig gesproken over cijfers die niet altijd even betrouwbaar zijn. Ik constateer dat de minister de cijfers ofwel flatteert als het hem goed uitkomt ofwel bagatelliseert als het hem niet goed uitkomt.

Nu gaat het over de lokale prioriteiten. De minister zegt dat de lokale driehoek daarover gaat. Tegelijkertijd zijn er zo veel landelijke prioriteiten en zet de minister zo veel capaciteit in, bijvoorbeeld voor het oprollen van wietplantages, dat er veel te weinig lokale capaciteit overblijft. Hoe wil de minister ervoor zorgen dat een politiechef zoals Aalbersberg kan zeggen: wij pakken alle criminaliteit aan en niet alleen de high-impact crime, want ook kleine criminaliteit is voor de burgers buitengewoon vervelend?

Minister Opstelten:

Het laatste ben ik geheel met mevrouw Berndsen eens, maar het eerste niet. Er zijn niet zoveel prioriteiten. Er zijn vier of vijf gefocuste prioriteiten. Mevrouw Berndsen kent ze. Ze zijn de hele periode dat ik aan het bewind ben, samen met de bestuurders, het lokaal gezag en het OM vastgesteld. High-impact crime is daar een van. Wij hebben met elkaar ervoor gekozen dat het beheer van de politie bij mij ligt. Ik bepaal wat er is en het lokaal gezag bepaalt wat de politie doet. Zo gaat het ook in Amsterdam. Een voorbeeld daarvan is dat men daar zegt: we gaan iets meer doen op het gebied zakkenrollen. Dat vind ik prima. Daar hoort het thuis. Dat is geen bagatelliseren maar het gezag bloedserieus nemen.

De voorzitter:

Dank u wel voor uw antwoorden en voor uw komst naar de Kamer.