Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 95, item 4

4 Schaalgrootte intensieve veehouderij

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 6 juni 2012 over schaalgrootte in de intensieve veehouderij.

De voorzitter:

Iedereen wederom welkom. Het volgende VAO is een kort debat waarin de indieners maximaal twee minuten hebben om te zeggen wat ze op hun lever hebben. Binnen die twee minuten moeten zij ook nog een motie indienen, als zij daaraan behoefte hebben.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. In het AO hebben we uitvoerig gedebatteerd over dit onderwerp. Ik heb toen aangegeven dat onze fractie op zich positief staat ten opzichte van het voornemen van de staatssecretaris om een wettelijke begrenzing in te voeren voor de omvang van veehouderijlocaties, alleen is de grens die hij voorstelt volgens ons aan de ruime kant. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de regering op basis van de gevoerde maatschappelijke discussie over de intensieve veehouderij een ongebreidelde groei van de omvang van veehouderijen niet wenselijk acht en vreest voor het wegvallen van maatschappelijk draagvlak voor de veehouderij in Nederland;

overwegende dat de regering daarom een wetsvoorstel in voorbereiding heeft waarin een norm gesteld wordt voor het maximale aantal dieren dat op een veehouderijlocatie kan worden gehouden;

overwegende dat het stellen van een wettelijke maximumgrens steun verdient;

overwegende dat de hoogte van de grens, zoals thans door de regering voorgesteld, dermate hoog is dat nog steeds onwenselijk grote veehouderijlocaties kunnen worden gevestigd;

overwegende dat uit onderzoek van Alterra (Megastallen in beeld) blijkt dat een grens van circa 300 NGE een goede maatstaf is voor het begrip megastal, en dat er binnen die grens voldoende mogelijkheden blijven voor bedrijfseconomisch noodzakelijke schaalvergroting van gangbare gezinsbedrijven;

overwegende dat de regering eerder uitvoering heeft gegeven aan de motie op stuk nr. 28286 nr. 488, gericht op een tijdelijke stop op de realisatie van megastallen, waarbij eveneens uitgegaan is van een maximumgrootte van circa 300 NGE;

verzoekt de regering, in het wetsvoorstel een maximumomvang van een veehouderijlocatie te stellen op 300 NGE met de volgende aantallen dieren:

  • - 7500 vleesvarkens;

  • - 1200 fokvarkens;

  • - 120.000 leghennen;

  • - 220.000 vleeskuikens;

  • - 250 melkkoeien;

  • - 2500 vleeskalveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Grashoff en Van Dekken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 110 (28973).

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik dien een drietal moties in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat het niet toekomstgericht is om stallen te bouwen die niet voldoen aan de maatschappelijke eisen met betrekking tot dierenwelzijn en dat een veehouderij die voldoet aan maatschappelijke eisen met betrekking tot dierenwelzijn daarentegen wel de toekomst heeft;

verzoekt de regering, wetgeving voor te bereiden om nieuwbouw van stallen die niet voldoen aan de huidige tweesterrencriteria van het Beter Levenkeurmerk van de Dierenbescherming, niet meer toe te staan en contact met de provincies op te nemen om tot die tijd nieuwbouw die niet aan deze criteria voldoet te ontraden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 111 (28973).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, een wettelijke voorziening te treffen om vanuit andere dan ruimtelijke overwegingen, zoals volksgezondheid, sociaaleconomische effecten of ethiek, een grens te kunnen stellen aan de omvang van bedrijven op een locatie en er zorg voor te dragen dat een voorstel hiertoe zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een halfjaar naar de Kamer gezonden wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 112 (28973).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten ten tijde van de Q-koortsepidemie de noodklok luidden omdat zij geen wettelijke gronden hadden om uitbreiding van veehouderij te weigeren op basis van volksgezondheidscriteria;

kennisnemende van de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten d.d. 6 april 2010 waarin de regering wordt gevraagd, zo snel mogelijk met relevante wetgeving te komen voor een helder toetsingskader in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening, opdat de volksgezondheid een toetsingsgrond vormt voor het verlenen van vergunningen of het aanwijzen van bestemmingen;

overwegende de toezegging van minister Klink d.d. 20 april 2010 dat hij bereid is, de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening aan te passen naar aanleiding van de brief van de gemeenten en dat hij een verkenning op zou starten om de mogelijkheden te onderzoeken;

verzoekt de regering, voorbereidingen in gang te zetten en er zorg voor te dragen dat voor het eind van het jaar een relevant wetsvoorstel naar de Kamer gezonden wordt waarmee volksgezondheid een toetsingsgrond gaat vormen voor het verlenen van vergunningen of het aanwijzen van bestemmingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 113 (28973).

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. Wij kunnen eindeloos discussiëren over de schaalgrootte in de veehouderij, maar uiteindelijk draait het allemaal om het punt dat verduurzaming beloond moet worden met een eerlijke prijs voor de boer. Daar schort het nu aan.

Inmiddels wordt ook binnen de Europese Unie onderkend dat de onderhandelingspositie van primaire producenten verbeterd dient te worden. Daarom vestig ik vandaag nogmaals de aandacht op dit onderwerp, ook al weet ik natuurlijk goed dat mijn fractie en andere fracties al meerdere moties hebben ingediend over versterking van de marktmacht van boeren. Ik vraag vandaag nogmaals aan de staatssecretaris hoe het met het onderzoek staat en met de actie die hij beloofd heeft te ondernemen.

De staatssecretaris stelt voor om via een wettelijke voorziening normen te stellen voor de maximale omvang van de veehouderij. De ChristenUnie voelt er niets voor om op basis van cijfers te sturen en een landelijke grens voor schaalgrootte vast te leggen. Daardoor ontstaat namelijk het risico dat getallen leidend worden in de discussie over duurzame veehouderij, terwijl het om kwaliteit, gezondheid en dierenwelzijn moet gaan. Vandaar de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering van plan is om een wettelijke voorziening te treffen waarmee bij AMvB een norm kan worden gesteld voor het maximale aantal dieren dat op een veehouderijlocatie kan worden gehouden;

constaterende dat de regering zich bij de onderbouwing van de bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties vooral baseert op economische factoren en niet op argumenten in relatie tot ruimtelijke inpassing, volksgezondheid, dierenwelzijn en milieu;

overwegende dat het onderzoek van de Gezondheidsraad naar de gezondheidsrisico's voor de bevolking van de blootstelling aan schadelijke micro-organismen uit de veehouderij nog niet is afgerond en dus ook niet is meegenomen bij het vaststellen van de bandbreedtes;

overwegende dat provincies zelf voldoende ruimtelijke mogelijkheden en bevoegdheden hebben om ongewenste ontwikkelingen in de intensieve veehouderij tegen te gaan en dit in de praktijk ook doen;

verzoekt de regering om af te zien van landelijke bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties;

verzoekt de regering voorts om de resultaten van het onderzoek van de Gezondheidsraad af te wachten, alvorens op landelijk niveau voorzieningen te treffen voor de schaalgrootte van de intensieve veehouderij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Wiegman-van Meppelen Scheppink en Koopmans. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 114 (28973).

De heer Koopmans (CDA):

Voorzitter. Dit is een belangrijk debat, omdat in dit debat waarschijnlijk een einde wordt gemaakt aan de discussie in deze kabinetsperiode over de megastallen.

Er ligt een brij aan moties van linkse partijen voor, partijen die een einde willen maken aan de veehouderij in Nederland. Zij proberen dat bovendien op een harde en pijnlijke manier via de Kamer voor het hele land te regelen. De CDA-fractie is trots op onze veehouderij en wij vinden dat er bovendien volop wordt geïnvesteerd in de verbetering van dierenwelzijn en milieukwaliteit. Daarom hebben wij met overtuiging de motie van mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink gesteund, waarin uitdrukkelijk staat dat de regering en de Kamer regels kunnen of zelfs wel moeten gaan stellen, indien de volksgezondheid aan de orde is. Of dat speelt weten we pas als het advies van de Gezondheidsraad aan de regering gestuurd is, op basis waarvan dan conclusies getrokken kunnen worden. Dit debat is dus van groot belang en ik roep de heer Graus van de PVV op om met onze boeren mee te denken. De PVV zal immers op dit punt de meerderheid brengen of ze zal dat laten.

De heer Graus (PVV):

Ik heb een korte vraag. Ik hoor de heer Koopmans spreken over volksgezondheid. Dat is ook een van onze criteria: dierenwelzijn, volksgezondheid en maatschappelijk draagvlak. Ik hoor de heer Koopmans niet over het dierenwelzijn en over de kleine gezins- of familiebedrijven. Al die grote stallen nekken kleine gezins- of familiebedrijven. En voor die bedrijven staat het CDA, dat heb ik in het verkiezingsprogramma van het CDA kunnen lezen.

De heer Koopmans (CDA):

Voorzitter. Dank aan collega Graus voor die vraag. Het is een belangrijke vraag. Wij staan daar ook voor. Daarom schrijft mevrouw Wiegman terecht in haar motie, die mede door mij ondertekend is, dat het van groot belang is dat ondernemers zelf keuzes kunnen maken en dat er sprake is van vrijheid voor de provincies en gemeentebesturen. Dat heeft de partij van de heer Graus in deze Kamer ook altijd gesteld. Op grond daarvan kunnen zij regels stellen met betrekking tot alle ruimtelijke aspecten en milieuaspecten. In de regelgeving die wij in Nederland hebben gemaakt met betrekking tot het dierenwelzijn – daarin lopen wij in Europees verband volstrekt voorop, ik noem het legkippenbesluit en het varkensbesluit – vinden wij voldoende reden om te zeggen dat vooral nieuw te bouwen stallen en bestaande stallen die nu niet aan de regels voldoen, op 1 januari 2013 wel zullen moeten voldoen aan de strenge internationale regels en aan de strenge Nederlandse regels. Daar staan wij voor en daar zullen dus ook de bedrijven in Nederland aan gehouden moeten worden.

Mijn slotopmerking gaat over ethiek. De staatssecretaris heeft de belofte gestand gedaan die hij in het algemeen overleg gedaan heeft, tenminste voor de helft. Hij heeft opgeschreven dat ethiek in ruimtelijke zin geen afwegingskader kan en zal zijn. Ik had nog specifiek gevraagd om een brief van de minister van Infrastructuur en Millieu. Ik wil van de staatssecretaris horen of hij een en ander toch even heeft kortgesloten, want de CDA-fractie blijft van mening dat het ethische afwegingskader in de Wet dieren er een is waarin je buitengewoon terughoudend moet zijn. Ook daar moeten wetenschappelijke adviezen aan ten grondslag liggen en niet zomaar wat links of rechts gevonden argumenten.

De heer Van Dekken (PvdA):

Voorzitter. Ik dien een tweetal constructieve moties in, want wij werken graag constructief mee aan duurzame oplossingen op het gebied van de veehouderij.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de intensieve veehouderij toe moet naar een toekomst die innovatief en duurzaam is;

verzoekt de regering, voor 1 januari 2013 een keurmerk te ontwikkelen gebaseerd op een sterrensysteem van dierenwelzijnsmaatregelen, milieumaatregelen, landschappelijke inpassing en toenemende ruimte voor uitloop, waarbij één ster het minimum is en drie sterren het hoogst haalbare;

verzoekt de regering voorts, vanaf 1 januari 2013 veehouderijen slechts toe te staan indien zij beschikken over minimaal een ster in dit bovengenoemd sterrensysteem en nieuwe veehouderijen slechts toe te laten indien zij over drie sterren beschikken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dekken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 115 (28973).

De heer Van Dekken (PvdA):

Mijn tweede motie betreft het moratorium dat er nu ligt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het onderzoek van IRAS, NIVEL en het RIVM van juni 2011, getiteld "Mogelijke effecten van intensieve veehouderij op de gezondheid van omwonenden", is gebleken dat in de omgeving van (concentraties van) intensieve veehouderijen meer fijnstof en endotoxines voorkomen dan elders;

constaterende dat de landelijke GGD heeft opgeroepen tot regelgeving die uitgaat van een minimale afstand van 250 meter tussen intensieve veehouderij en woonbebouwing en dat een verplicht gezondheidsadvies onderdeel moet zijn van de vergunningverlening voor bouwplannen tussen 250 en 1000 meter;

overwegende dat de Gezondheidsraad op verzoek van de regering werkt aan de opstelling van een beoordelingskader voor de gezondheidsrisico's van intensieve veehouderijbedrijven dat eind 2012 klaar zal zijn;

verzoekt de regering, het moratorium op de bouw van megastallen en gigastallen streng te handhaven en juridisch te borgen via een voorbereidingsbesluit rijksinpassingsplan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dekken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 116 (28973).

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Voorzitter. Vorige week hebben wij met de staatssecretaris een gedachtewisseling gehad over grootschalige veehouderijbedrijven. Ook gisteren bleek weer uit cijfers dat onze land- en tuinbouw nog steeds staan voor een geweldig groot economisch draagvlak in Nederland. Deze sector zorgt ervoor dat er revenuen binnenkomen. Mijn fractie deelt dan ook de zin die staat op de eerste pagina van de brief van de staatsecretaris: Gegeven het economisch belang, het level playing field en ondernemerschap moeten normale bedrijfsontwikkeling en schaalvergroting in de veehouderij vanzelfsprekend mogelijk blijven. Daar staat ook de VVD fractie voor. De VVD-fractie voelt echter niets voor wat er op de laatste pagina staat, namelijk dat vanuit andere dan ruimtelijke overwegingen, zoals volksgezondheid of ethiek, een grens moet kunnen worden gesteld. De staatssecretaris herhaalt daarmee nog eens wat hij vorige week heeft geschreven. Mijn fractie gaat ervan uit dat bedrijven die voldoen aan wetgeving op het gebied van dierenwelzijn en milieu en die voldoen aan ruimtelijke aspecten, een kans moeten krijgen. Daarvoor moet maatwerk worden geleverd op regionaal niveau. Daarvoor staan provincies aan de lat. De staatssecretaris heeft vorige week in het algemeen overleg toegezegd dat hij zou wachten op het rapport van de Gezondheidsraad alvorens met voorstellen te komen. Ik ben dan ook zeer verbaasd dat hij nu reeds aangeeft dat hij alvast aan de slag gaat met de voorbereiding van een wetsvoorstel. Mijn fractie deelt dat op geen enkele wijze.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. D66 is voor het stellen van grenzen en normen voor de veehouderij in Nederland, omdat er nu eenmaal grenzen zijn aan wat kan in een dichtbevolkt land. Wij willen echter wel dat die grenzen worden gebaseerd op een duidelijke onderbouwing en op de werkelijke problemen. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, te onderzoeken of in verband met effecten op volksgezondheid, milieu of dierenwelzijn, aanvullende bevoegdheden nodig en mogelijk zijn om grenzen te kunnen stellen aan de intensieve veehouderij,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 117 (28973).

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Verder is er wat ons betreft nog verdere discussie nodig over de "getallen van Bleker" om het zo maar even uit te noemen. Die discussie voeren wij graag na het advies van de Gezondheidsraad. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Gezondheidsraad de effecten van de intensieve veehouderij onderzoekt, alsmede de eventuele instelling van een minimumafstand tussen concentraties dieren en concentraties mensen;

overwegende dat niet kan worden uitgesloten dat het voorkomen van volksgezondheidseffecten gerelateerd wordt aan een bepaalde omvang van de veestapel op één locatie;

overwegende dat de bouw van nieuwe grote megastallen onwenselijk is tot de resultaten van het onderzoek bekend zijn;

verzoekt de regering, de uitkomsten van het onderzoek van de Gezondheidsraad te verwerken in het wetsvoorstel over de grens aan de bedrijfsomvang en er tot die tijd bij de provincies op aan te dringen dat nieuwe bouwplannen worden aangehouden tot de uitkomsten van het rapport van de Gezondheidsraad bekend zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 118 (28973).

De heer Grashoff (GroenLinks):

Hoe verhouden de insteek van mevrouw Van Veldhoven en de motie die zij zojuist heeft ingediend zich tot de eerder door ons gezamenlijk ingediende motie, waarin een duidelijke grens werd gesteld van 300 NGE?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

De motie waarin die grens werd gesteld, was er een waarin werd opgeroepen om de effecten hiervan te bezien. In zijn voorstel probeert de staatssecretaris een antwoord te geven op de maatschappelijke onrust die is ontstaan. De getallen die daarin worden genoemd, gaan hier ver buiten. Ik geef de staatssecretaris in overweging dat wij op basis van de werkelijke effecten uiteindelijk tot die getallen moeten komen, als de desbetreffende relatie al is aan te tonen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Mag ik hieruit opmaken dat het standpunt van D66, dat eerder uitging van een duidelijke begrenzing, nu is vervaagd tot een algemeen streven, in algemene bewoordingen, naar verder weinig precieze kenmerken?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het moratorium ging heel duidelijk uit van die grens. Dat moratorium zit ook in de motie die ik zojuist heb ingediend. Sterker nog, ik vraag de staatssecretaris nogmaals om erop aan te dringen het rapport van de Gezondheidsraad af te wachten en aan de provincies nogmaals het signaal te geven dat we er heel voorzichtig mee moeten omgaan. In het wetsvoorstel van de staatssecretaris waarover wij het AO hebben gevoerd, worden andere getallen genoemd dan de 300 nge. In het AO heb ik mij daarover ook kritisch uitgelaten. Ik houd echter vast aan het standpunt dat, als we een beperking invoeren voor een bedrijfstak in Nederland, we dat moeten doen op basis van een werkelijk aangetoond verband tussen het effect op de volksgezondheid, het milieu of dierenwelzijn en de omvang van de stal. De GroenLinks-fractie baseert dat misschien liever op een getal, maar ik baseer het liever op effecten. Mijn moties en mijn inbreng in het AO sluiten daarbij aan.

De voorzitter:

Ik stel voor dat mevrouw Van Veldhoven haar betoog vervolgt. Ze heeft nog 25 seconden over.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dat gaat gemakkelijk lukken.

We willen dus dat er op een duidelijke basis grenzen worden gesteld aan de veehouderij en dan niet zomaar op basis van getallen. We willen daarnaast dat alle stallen, groot of klein, duurzamer en diervriendelijker worden. Het kan niet zo zijn dat we in Nederland nog vergunningen geven voor de uitbreiding van stallen waarbij niet de laatste stand van de techniek wordt toegepast. Ik heb daarover eerder al een motie ingediend en die motie wil ik vandaag in aangepaste vorm ronddelen aan de collega's zodat zij kunnen zien op welke wijze deze straks ook via de mail wordt verspreid.

De heer Van Dekken (PvdA):

Is mevrouw Van Veldhoven voornemens om de zojuist ingediende motie van de GroenLinks-fractie te steunen?

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik zal alle moties die zojuist door de collega's zijn ingediend goed bekijken en bezien of we die steunen, zoals we dat altijd doen met moties van collega's.

De heer Van Dekken (PvdA):

Dat vroeg ik niet.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Maar dat is wel mijn antwoord. Er zijn net heel veel moties ingediend en ik zal elke ingediende motie heel zorgvuldig bekijken en op basis daarvan ons stemgedrag bepalen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik dien een motie in mede namens mevrouw Thieme, die ook het debat hierover heeft gevoerd. De staatssecretaris heeft na de val van het kabinet gezegd dat hij nog maanden hard zou werken en dat hij er erg veel plezier in had. Hij heeft ook beloofd om de wettelijke voorziening aan de Kamer te sturen die het mogelijk maakt een grens te stellen aan het aantal te houden dieren. Het ging nog niet eens om de letterlijke invulling ervan, maar slechts om een en ander mogelijk te maken. Hij heeft daar toch niet meer zo'n zin in. Je werkt hard of je zegt het niet, zeg ik met mijn calvinistische achtergrond. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de staatssecretaris van Economische zaken, Landbouw en Innovatie meerdere malen heeft toegezegd voor 15 juni 2012 een wettelijke voorziening aan de Kamer te sturen om een verbod op megastallen in te stellen;

constaterende dat hij dit tot nu toe nog niet gedaan heeft;

verzoekt de regering, voor het einde van de week het toegezegde wetsvoorstel aan de Kamer te sturen waarmee het mogelijk wordt, een grens te stellen aan het aantal te houden dieren per bedrijfslocatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Ouwehand en Thieme. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 119 (28973).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Verder wil ik de staatssecretaris graag nog herinneren aan zijn mediaoptreden bij Pauw & Witteman. Ik vond dat een prachtig moment. Er zat daar nog een andere Henk, ik geloof dat dat iemand is die de wereld overzeilt, en hij kon zijn verbazing niet voor zich houden. Hij woont in Flevoland en vroeg waarover de staatssecretaris het heeft als hij spreekt over gezins- of familiebedrijven die 350.000 kippen nodig hebben om een gezin te voeden. Dan doe je toch iets verkeerd? Kan de staatssecretaris met die gedachte alsnog zijn toezeggingen nakomen?

De voorzitter:

Ik kijk even naar de staatssecretaris. Ik stel een korte schorsing voor.

De vergadering wordt van 11.08 uur tot 11.15 uur geschorst.

De voorzitter:

Ik herinner de leden eraan dat zij uiteraard de staatssecretaris bij zijn beantwoording mogen interrumperen, maar alleen als hij spreekt over een motie die het lid dat interrumpeert heeft ingediend.

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. De heer Koopmans heeft een vraag gesteld over het ruimtelijkeordeningsinstrumentarium en ethische overwegingen. De zin die daarover in de brief staat, is meen ik glashelder. In die zin wordt het glasheldere standpunt van de regering verwoord.

Mevrouw Wiegman vroeg hoe het staat met het onderzoek naar de verduurzaming. Dat onderzoek staat op de agenda van de partners Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij. Er loopt nu een onderzoek naar de volledig duurzame stal van 2020. Wij proberen als het ware te schetsen hoe die stal eruit ziet, aan welke voorwaarden die voldoet en welke eisen aan de inrichting moeten worden gesteld. Dit onderzoek helpt ons om vast te stellen hoe de marsroute vanaf 2013 eruit moet zien. In de loop van dit jaar zal dat onderzoek worden afgerond. Dan hebben wij zicht op alle eisen die aan duurzame stallen in 2020 moeten worden gesteld. Wij hebben dan ook zicht op de wijze waarop wij die stallen vanaf 2013 stapsgewijs kunnen implementeren.

Er is een aantal moties ingediend. De motie op stuk nr. 110 ontraad ik. Ik heb al gezegd dat het creëren van een wettelijke mogelijkheid om een grens te stellen aan het aantal te houden dieren per locatie, is bedoeld om excessieve schaalvergroting en excessieve vormen van industrialisatie van de veehouderij tegen te gaan. Dat is de ene kant van de medaille. De andere kant is dat ik grenzen wil die ook het komende decennium voor het Nederlandse gezins- en familiebedrijf, klein, middelgroot en groot, normale groei en schaalvergroting mogelijk maken. Daarover had ook de heer Graus het al. Juist daarom wijs ik de grenzen af die de heer Grashoff in zijn motie noemt. Bij die aantallen zouden namelijk heel veel bedrijven al heel snel aan hun grens uitkomen. Dat zou niet goed zijn. De aantallen die ik heb genoemd, bieden voor meer dan 95% van de bedrijven in de komende tien jaar nog volop ontwikkelruimte.

De voorzitter:

Ik zie dat mevrouw Snijder wil interrumperen. Wij hebben zojuist afgesproken dat leden alleen interrumperen als de staatssecretaris reageert op een eigen motie. Ik zie echter aan mevrouw Snijder dat de kwestie waarop zij wil reageren hoogst dringend is.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Ja, voorzitter. Ik heb nog niet geïnterrumpeerd en ik heb geen moties ingediend, dus ik verzoek u echt om mij mijn vraag te laten stellen. De staatssecretaris ontraadt de Kamer het aannemen van deze motie. Is hij met mij van mening dat hij dan eigenlijk ook de brief aan de provincies over het moratorium zou moeten terughalen? Vindt hij eigenlijk dat hij dan ook het moratorium dat voor provincies geldt, in zou moeten trekken?

Staatssecretaris Bleker:

Nee, dat vind ik niet. In de brief aan de provincies verwijzen wij namelijk naar het advies van de Gezondheidsraad dat in de loop van de tweede helft van dit jaar uitkomt. Alle provincies en gemeenten hebben er trouwens heel veel begrip voor dat wij even een pas op de plaats maken nu wij weten dat in het derde of vierde kwartaal van 2012 het advies van de Gezondheidsraad zal verschijnen.

Ook de motie van de heer Van Gerven op stuk nr. 111 ontraad ik. Ik heb zo-even in antwoord op een vraag van mevrouw Wiegman gesteld dat wij bezig zijn met het opstellen van eisen aan duurzame stallen voor 2020. Die eisen worden nu goed geformuleerd. In de motie op stuk nr. 111 wordt als het ware één stalsysteem voorgesteld, namelijk het tweesterrensysteem. Dat is me wat te simpel, hoewel ik dat uiteraard niet mag zeggen over een motie van een Kamerlid. Ik ontraad de Kamer dus het aannemen van deze motie. Er is ongetwijfeld goed over de motie nagedacht, maar de uitkomst is me wat te eenzijdig en te beperkt.

In de motie op stuk nr. 112 wordt de regering verzocht een wettelijke voorziening te treffen om vanuit andere dan ruimtelijke overwegingen, zoals overwegingen op het vlak van volksgezondheid, sociaaleconomische effecten of ethiek, een grens te kunnen stellen aan de omvang van bedrijven op één locatie. Ook wordt de regering verzocht, er zorg voor te dragen dat een voorstel hiertoe zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een halljaar, naar de Kamer wordt gezonden. Ik bereid zo'n wetsvoorstel voor. Ik heb aangegeven dat ik, gelet op de demissionaire status van het kabinet, de indiening van het wetsvoorstel overlaat aan het kabinet. Of dat allemaal binnen een halfjaar lukt, wordt mede bepaald door de formatie. Ik ga in ieder geval de komende maanden de voorwaarden creëren: in technische zin wordt het wetsvoorstel voorbereid. Daarom laat ik het oordeel over aan de Kamer.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter, ik heb een vraag.

De voorzitter:

Dat is het nadeel als je een keer afwijkt van de regel. Maar dan moet u wel heel moeilijk kijken en een heel korte, indringende en belangrijke vraag stellen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Ik heb een heel korte vraag. De staatssecretaris zegt nu dat hij niet zeker weet of zijn wetsvoorstel er binnen een halfjaar komt maar zijn oorspronkelijke planning was dat hij in juni met dit voorstel zou komen. Dat heeft hij onlangs ook nog aangekondigd. Ik ben daarom wat verbaasd over deze beantwoording.

Staatssecretaris Bleker:

We hebben hier al een algemeen overleg in de Kamer over gevoerd. Ik heb daar, en ook in de recente brief, aangegeven wat de opvatting van het kabinet is. Tegelijkertijd geef ik aan dat het nu indienen van het wetsvoorstel, gelet op de demissionaire status, door mij niet passend wordt geacht. In technische zin zal het voorstel wel worden voorbereid. Zodra er een nieuwe Kamer en een nieuw kabinet zijn, kan het proces snel worden vervolgd. Maar ik laat het oordeel aan de Kamer.

De heer Van Gerven (SP):

Ik heb dat goed gehoord van de staatssecretaris. Maar heb ik het goed begrepen dat hij zegt dat hij zijn ambtenaren aan het werk zet om tot een wetsvoorstel te komen? In de eerdere discussies was namelijk ook sprake van mogelijk een convenant en andere zaken. In deze motie wordt echter nadrukkelijk gepleit voor een wetsvoorstel. De criteria hiervoor zijn in de motie verwoord.

Staatssecretaris Bleker:

Er zal ambtelijk-technisch gewerkt worden aan een wetsvoorstel. Het is aan het volgende kabinet en de volgende Kamer om te bepalen of het proces wordt vervolgd of dat we langs de route van een convenant gaan werken. Deze twee opties heb ik aangegeven. In technische zin bereid ik het voor: dat is wat nu kan.

De heer Van Gerven (SP):

Dan houd ik de motie aan.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Gerven stel ik voor, zijn motie (28973, nr. 112) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Bleker:

Nu de heer Van Gerven het aanhouden heeft geïntroduceerd in dit debat, zou ik hem in overweging willen geven om dat ook met de motie op stuknummer 28973-113 te doen. De vraag of in de ruimtelijke ordeningswetgeving, dus bij vergunning en aanwijzing van bestemmingen een toetsingsgrond voor gezondheid geïntroduceerd moet worden, moet met name ook beoordeeld worden aan de hand van het advies van de Gezondheidsraad. Het lijkt me wijs – dat geldt ook voor het afstandscriterium, daar hebben we eerder met elkaar over gesproken – om de motie aan te houden tot het advies van de Gezondheidsraad beschikbaar is.

De voorzitter:

We gaan eens kijken of de heer Van Gerven dat ook wijs vindt.

De heer Van Gerven (SP):

Ik krijg een déjà vu bij deze opmerking van de staatssecretaris. Een van zijn illustere voorgangers, minister Klink, heeft namelijk twee jaar gelden toen ik een soortgelijke motie indiende, verzocht om deze aan te houden. Er zou immers onmiddellijk werk van gemaakt worden. Dat is twee jaar geleden. In hoeverre heb ik nu de garantie dat de gemeente danwel de provincie instrumentarium krijgt om op grond van gezondheidseffecten te kunnen ingrijpen of te kunnen bijsturen?

Staatssecretaris Bleker:

Het zal straks blijken of en hoe dat moet worden geïmplementeerd in de ruimtelijke ordeningswetgeving en eventueel bij de milieuwetgeving. Het is overigens altijd mooi om als bewindspersoon consistent te zijn met een voormalige minister van VWS, de heer Klink.

De heer Van Gerven (SP):

Ik zal er even over nadenken, maar ik ben toch bang dat hier de versneller aangezet moet worden.

Staatssecretaris Bleker:

Motie 5 verzoekt de regering om de resultaten van het onderzoek van de Gezondheidsraad af te wachten alvorens op landelijk niveau voorzieningen te treffen voor de schaalgrootte van de intensieve veehouderij. Ik heb aangegeven, ook in het algemeen overleg, dat ik de zaken voorbereid maar dat zowel de vraag of als de vraag hoe dat wordt gedaan, wordt ingevuld op basis van het advies van de Gezondheidsraad. Op dat punt zie ik de motie als ondersteuning van beleid. Daarvoor staat: "verzoekt de regering, af te zien van landelijke bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties". Dat is een beetje inconsequent. Mogelijk blijkt uit het advies van de Gezondheidsraad dat dit wel het geval moet zijn. Ik weet niet wat ik met een inconsequente motie moet. De motie is niet simpel maar wel inconsequent.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik kom het uitleggen. Het is goed om het verzoek te zien in relatie tot de constateringen en overwegingen. Dan is de motie zeer consistent. Misschien helpt het als ik het als volgt formuleer: verzoekt de regering om nu af te zien van die bandbreedtes. Per slot van rekening wachten wij op de resultaten van het onderzoek van de Gezondheidsraad. De motie is dan niet simpel maar wel consistent.

De voorzitter:

Ik zie de staatssecretaris jaknikken.

Staatssecretaris Bleker:

Eigenlijk heb ik de behoefte om zelf de motie aan te houden om goed te kunnen nadenken over wat mevrouw Wiegman beoogt. "Verzoekt de regering om nu af te zien van de bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties." Dat doe ik al, want ik bereid een wetsvoorstel voor. Ik heb ook al aangegeven dat ik het onderzoek van de Gezondheidsraad afwacht waar het gaat om "het definitieve besluit tot". De motie heeft dan een indrukwekkend overbodig karakter.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Dat ben ik dan weer niet met de staatssecretaris eens. Waarom kom ik met deze motie? Als het inderdaad een kwestie zou zijn van "wacht rustig af, ik bereid wat dingen voor en ondertussen wachten wij op het onderzoek van de Gezondheidsraad en daarna kom ik met voorstellen" ... Wij hebben echter juist vorige week uitvoerig gesproken over een uitgebreide brief van de staatssecretaris met allerlei getallen en bandbreedtes waarvoor onderbouwingen zouden zijn. Die onderbouwingen hebben wij, denk ik, behoorlijk kunnen doorprikken. Vandaar dat deze motie op dit moment heel duidelijk een signaal is in de zin van "ja, wij kunnen ons voorstellen dat er naar aanleiding van het onderzoek van de Gezondheidsraad, bandbreedtes opgesteld worden". Maar daar is nu nog geen sprake van. Met deze motie zeggen wij het volgende. Die cijfers van de staatssecretaris moeten van tafel. Wij wachten het onderzoek van de Gezondheidsraad af en het is prima als er ondertussen technische voorbereidingen plaatsvinden voor een wetsvoorstel. Vervolgens zien wij wel verder, dan gaan wij kijken welke bandbreedtes er eventueel nodig zijn.

Staatssecretaris Bleker:

Mij is altijd geleerd dat het heel belangrijk is om een motie te beoordelen aan de hand van de toelichting door de indiener. De intentie van de indiener is mij duidelijk. Om die reden ontraad ik de motie. Deze staat immers op te gespannen voet met de brief die ik geschreven heb.

De voorzitter:

Het oordeel is helder. Dan gaan wij naar de motie op stuk nr. 115.

Staatssecretaris Bleker:

Mijn inhoudelijke reactie op deze motie is conform mijn reactie op de motie op stuk nr. 111. Ik ontraad de motie.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 116. Deze motie is ook een herhaling van zetten. Wij hebben contact met de provincies die het met name betreft. Er is bereidheid om pas op de plaats te maken voor bijzondere gevallen, gelet op het advies van de Gezondheidsraad dat aanstaande is. Het voorstel in deze motie gaat veel verder en is juridisch ook heel kwetsbaar. Je moet dan immers eerst het nationaal belang definiëren, vervolgens een structuurvisie formuleren en pas dan kun je een voorbereidingsbesluit nemen. Ik ontraad deze motie.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik heb een korte mededeling, namelijk dat ik het woordje "nu" ga toevoegen aan mijn motie. Het dictum luidt dan: "Verzoekt de regering om nu af te zien van landelijke bandbreedtes".

De voorzitter:

De motie-Wiegman-van Meppelen Scheppink/Koopmans (28973, nr. 114) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering van plan is om een wettelijke voorziening te treffen waarmee bij AMvB een norm kan worden gesteld voor het maximale aantal dieren dat op een veehouderijlocatie kan worden gehouden;

constaterende dat de regering zich bij de onderbouwing van de bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties vooral baseert op economische factoren en niet op argumenten in relatie tot ruimtelijke inpassing, volksgezondheid, dierenwelzijn en milieu;

overwegende dat het onderzoek van de Gezondheidsraad naar de gezondheidsrisico's voor de bevolking van de blootstelling aan schadelijke micro-organismen uit de veehouderij nog niet is afgerond en dus ook niet is meegenomen bij het vaststellen van de bandbreedtes;

overwegende dat provincies zelf voldoende ruimtelijke mogelijkheden en bevoegdheden hebben om ongewenste ontwikkelingen in de intensieve veehouderij tegen te gaan en dit in de praktijk ook doen;

verzoekt de regering om nu af te zien van landelijke bandbreedtes voor de omvang van veehouderijlocaties;

verzoekt de regering voorts om de resultaten van het onderzoek van de Gezondheidsraad af te wachten, alvorens op landelijk niveau voorzieningen te treffen voor de schaalgrootte van de intensieve veehouderij,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 120 (28973).

De heer Van Dekken heeft nog een opmerking over het oordeel over de motie op stuk nr. 116.

De heer Van Dekken (PvdA):

Vindt de staatssecretaris volksgezondheid een kwestie van nationaal belang? Waarom zou een voorbereidingsbesluit zo ongelooflijk ingewikkeld moeten zijn? Volgens mij kan dit vrij snel uitgevoerd worden. Sommige gemeenten en provincies zeggen dat het moratorium te slap is. De Tweede Kamer zou haar werk niet goed gedaan hebben en de staatssecretaris al helemaal niet. Daarom vraag ik om een versteviging van het moratorium.

Staatssecretaris Bleker:

In de eerste plaats zie ik er geen aanleiding toe. Ik vind namelijk dat de afspraken en het overleg met de provincies en gemeenten voldoende vertrouwenwekkend zijn. In de tweede plaats moet het advies van de Gezondheidsraad straks uitwijzen of er sprake is van datgene waar de heer Van Dekken op doelt. Wij hebben deze discussie al twee of drie keer eerder gevoerd. Via het overleg en via de correspondentie met de provincies en de gemeenten hebben wij een duidelijke lijn te pakken. Daar houdt men zich ook aan, voor zover dat mogelijk is. Lopende procedures kun je niet zomaar stopzetten. Het is een onnodig ingewikkeld en kwetsbaar juridisch instrument. Daarom ontraad ik de motie-Van Dekken op stuk nr. 116.

De heer Van Dekken (PvdA):

Er zijn natuurlijk situaties waarin er sprake is van lopende vergunningen. Tegelijkertijd is er ontzettend veel zorg over de volksgezondheid en wordt er ontzettend veel geprotesteerd. Waarom wil de staatssecretaris niet luisteren naar dat soort gefundeerde kritiek van mensen die echt als de dood zijn voor verdere uitbreiding van de intensieve veehouderij?

Staatssecretaris Bleker:

Daar luister ik ook naar. Daarom hebben wij de Gezondheidsraad om advies gevraagd en zijn we bezig met het in technische zin voorbereiden van een wetsvoorstel. Wij gaan ook aan de gang met een convenant. Er wordt dus volop gehoor gegeven aan die gevoelens. Dat kan op basis van het advies van de Gezondheidsraad tot verdere stappen leiden.

De voorzitter:

De motie-Van Veldhoven (28973, nr. 102) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat "geen enkele verstandige ondememer" in de komende twee jaar een stal zou moeten willen bouwen die niet voldoet aan de criteria van de SMK Maatlat Duurzame Veehouderij voor nieuwbouw van stallen in de veehouderij;

van mening dat de aanleg tussen nu en 2015 van stallen die niet aan de SMK Maatlat voldoen de beoogde inzet zoals omschreven in het verbond van Den Bosch en het rapport-Alders kan remmen;

verzoekt de regering:

  • - de bouw van duurzame stallen te stimuleren door per 1 januari 2013 duurzaamheidseisen te stellen aan de bouw van nieuwe veestallen, bijvoorbeeld op basis van de SMK Maatlat Duurzame Veehouderij, welke oplopen voor grotere stallen;

  • - de relevante garantie-, subsidie- en investeringsregelingen waar nodig hiermee in lijn te brengen;

  • - in overleg te treden met de landbouwsector en maatschappelijke organisaties op vlak van milieu en dierenwelzijn over de invulling van de minimumeis voor het aantal punten en de actualisering van de SMK Maatlat Duurzame Veehouderij in de toekomst,

en gaat over tot de orde van de dag.

Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 121 (28973).

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. Ik kom op de motie-Van Veldhoven op stuk nr. 117. Op een gegeven moment houdt het onderzoeken op. We hebben het debat voldoende gevolgd. Het enige waar wij afspraken over hebben gemaakt, is dat we het advies van de Gezondheidsraad nauwgezet zullen betrekken bij het definitief beantwoorden van de vraag of en hoe. Voor de rest is het aan de politiek om hom of kuit te geven inzake datgene wat is gedaan. Ik noem bijvoorbeeld de onderzoeken van de commissie-Alders en de commissie-Van Doorn. Het is aan de politiek om te bepalen of er ook een kwantitatieve grens gesteld moet kunnen worden, ook vanuit de landelijke politiek, aan de groei van het aantal dieren op één locatie. Daarom ontraad ik de motie. Er moet geen nieuw onderzoek komen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het gaat erom dat we willen bekijken of we niet alleen op basis van volksgezondheid, waar we het uitgebreid over hebben gehad, maar ook op basis van een echte effectmeting die het milieu aangaat, de provincie de mogelijkheid hiertoe geven. Overigens hebben provincies bij ruimtelijke ordening al een soortgelijke mogelijkheid. Er is onduidelijkheid over welke mogelijkheden er zijn bij ruimtelijke ordening. Daar hebben we daar in het AO over gesproken. Ik zou graag meer duidelijkheid willen hebben over de vraag of er aanvullende bevoegdheden op provinciaal niveau nodig zijn om op andere gronden dan ruimtelijke ordening, bijvoorbeeld op basis van volksgezondheid of milieu, grenzen te kunnen stellen. Daar gaat het om.

Staatssecretaris Bleker:

Het aspect van de gezondheid komt in het advies van de Gezondheidsraad aan de orde. Er is trouwens ook direct een relatie met het milieu, want het gaat om stoffen enzovoorts die in de lucht zitten en om mensen die daar in de buurt wonen. We hebben gedaan en doen wat er hier gevraagd wordt. Extra onderzoek is overbodig. Daarom ontraad ik de motie.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik bestrijd dat gezondheid en milieu onder dezelfde noemer vallen, anders zouden we er geen twee ministeries voor hebben. Ik zal bekijken of ik de motie nog wat kan verduidelijken voor de stemmingen.

Staatssecretaris Bleker:

Ik kom op de motie-Van Veldhoven op stuk nr. 118, waarin de regering wordt verzocht om onder andere de uitkomsten van het onderzoek van de Gezondheidsraad te verwerken in het wetsvoorstel over de grens aan de bedrijfsomvang. Die motie zie ik als ondersteuning van beleid. Ik ga er wel van uit dat er grenzen aan de bedrijfsomvang kunnen worden gesteld, althans, dat er hiervoor een wetsvoorstel moet worden opgesteld. In de motie wordt verzocht het advies van de Gezondheidsraad hierbij te betrekken. Dat vind ik ondersteuning van beleid.

Mevrouw Van Veldhoven heeft ook een motie ingediend over de duurzame stallen per 1 januari 2013. Deze motie zie ik als ondersteuning van beleid.

In de motie-Ouwehand/Thieme op stuk nr. 119 wordt de regering verzocht om hard te blijven werken. Ik heb gezegd dat het wetsvoorstel in technische zin wordt voorbereid. Nog één ding ter afsluiting. Het stellen van een grens aan de maximale omvang van het aantal dieren op één locatie kan door verschillende overwegingen worden ingegeven. Het heeft ook iets te maken met het maatschappelijk draagvlak voor de veehouderij in het algemeen en ook met de wijze waarop je vanuit ethische oogpunten aankijkt tegen onbegrensde industrialisatie en schaalgrootte van de dierhouderij. Dat zijn de overwegingen. Het voorstel dat er ligt met de richting die ik nu heb geduid, gaat ervan uit dat het overgrote deel van het Nederlandse gezins- en familiebedrijf juist volop door kan groeien en niet "belast" wordt met de schaduw die uit zou kunnen gaan van extreem doorgeïndustrialiseerde en extreem grote bedrijven die er zouden kunnen komen. Het is juist bedoeld om excessen te voorkomen teneinde normale gezins- en familiebedrijven draagvlak en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden.

De voorzitter:

Het oordeel over de motie-Ouwehand/Thieme op stuk nr. 119 is mij niet helemaal helder.

Staatssecretaris Bleker:

Deze motie ontraad ik.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Hier was ik al bang voor. Ik heb een vraag over de technische voorbereidingen van de voorziening die de staatssecretaris heeft aangekondigd. Hij heeft gezegd: ik stel mij bescheiden op; dit is niet aan een demissionair kabinet. Bescheidenheid siert de mens – beter laat dan nooit – maar uitgerekend bij dit onderwerp vind ik het wel een beetje jammer. Stel dat de Kamer het initiatief zou willen oppakken, wat ik niet uitsluit. Kan de staatssecretaris dan hier in deze zaal toezeggen dat hij zijn ambtenaren beschikbaar zal stellen om de Kamer te helpen om deze voorziening zo snel mogelijk te behandelen en in te dienen?

Staatssecretaris Bleker:

Als er zo'n verzoek komt van een of meer parlementariërs, wordt het op de gebruikelijke wijze beoordeeld. Dat heeft niet met de inhoud van de zaak te maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat begrijp ik, maar ik hoor hier graag een intentie van de staatssecretaris. Hij kan er misschien niet zo veel aan doen, maar onder zijn voorgangers is het ministerie van Landbouw niet altijd bereidwillig geweest om initiatieven van de Kamer te ondersteunen met de technische inbreng en de knowhow van de ambtenaren. Ik zou hier graag horen dat de staatssecretaris natuurlijk bereid is om de kennis en kunde op het ministerie beschikbaar te stellen voor initiatieven van de Kamer.

Staatssecretaris Bleker:

Mevrouw Ouwehand heeft het gelukkig over de voorgangers. In de afgelopen periode is daar volgens mij geen sprake van geweest. Initiatiefvoorstellen vind ik in het algemeen fantastisch.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dus het antwoord is ja?

Staatssecretaris Bleker:

Er wordt op een normale, loyale manier aan meegewerkt. Er wordt volgens mij nu ook gewerkt aan bijvoorbeeld een soort alternatief voor het wetsvoorstel Wet natuur. Je moet de democratie laten werken. Daar hoort ook een dienstbare houding van het ministerie bij. Het lijkt mij echt zo geweldig om als Kamerlid een initiatiefvoorstel als wet in het Staatsblad te zien verschijnen. Ik kan mij Kamerleden uit de jaren tachtig herinneren die heel mooie belastingwetten hebben geïntroduceerd. Dat is fantastisch en het hoogste goed dat een parlementariër kan bereiken. Wij dienen daar als ministerie dienstbaar aan te zijn.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dit lijkt mij een fantastische afsluiting van dit debat. Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording en zijn beoordeling van de moties. De moties komen aanstaande dinsdag in stemming. Een enkel lid zal zijn of haar motie nog wijzigen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.