Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 95, item 8

8 Natuurbeschermingswet en Flora- en faunawet

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet in verband met uitbreiding van de werkingssfeer van beide wetten naar de exclusieve economische zone (32002).

De voorzitter:

Staatssecretaris, misschien kunt u een indicatie geven van de opbouw van uw antwoord en de spreektijd die u denkt nodig te hebben. Dat zou mij helpen bij de planning.

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. Ik zal eerst ingaan op een aantal kernvragen over aannames die aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggen. Daarna beantwoord ik een reeks inhoudelijke vragen die meer betrekking hebben op de ecologie in de zee. Eerst behandel ik dus het wetsvoorstel en de amendementen: waartoe, waarom, kan het anders? Daarna beantwoord ik de inhoudelijke vragen over ecologie.

De voorzitter:

Dat alles op een kernachtige manier?

Staatssecretaris Bleker:

Ja, in een kwartier.

De voorzitter:

Heel goed. Dat bedoelen wij.

De heer Koopmans (CDA):

Ik heb een klein puntje van orde. Wij willen dit wetsvoorstel graag volledig en gewoon behandelen, zoals wij dat altijd doen.

De voorzitter:

Ja.

De heer Koopmans (CDA):

Er zijn vandaag dan wel heel belangrijke dingen aan de orde ...

De voorzitter:

U bent akkoord gegaan met de agenda. Daar probeer ik u allen aan te houden.

De heer Koopmans (CDA):

Maar wij gaan dit wetsvoorstel gewoon behandelen, zoals wij dat gewend zijn.

De voorzitter:

Ja, maar wel kernachtig.

Het woord is aan de staatssecretaris.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Bleker:

Voorzitter. Klopt de aanname die enkele Kamerleden hebben geponeerd dat er sprake is van een rechtstreekse werking van de Vogel- en Habitatrichtlijn in de gebieden waarover wij spreken, indien wij dit wetsvoorstel niet aannemen en zelfs indien wij uitgaan van de huidige situatie? Die aanname klopt. Dat is bestaande praktijk.

Klopt het dat Nederland vanuit natuuroverwegingen binnen de twaalfmijlszone visserijbeperkende maatregelen kan treffen? Het antwoord daarop is ja. Wie vallen onder die beperkingen? Dat zijn de Nederlandse vissers, tenzij via een adequate notificatieprocedure bij de Europese Commissie ook de werking voor visserijvloten uit andere landen is geformaliseerd. Gaat dat zomaar? Nee. Er zijn nu visserijbeperkende maatregelen binnen de twaalfmijlszone van kracht voor Nederlandse vissers. De notificatieprocedure is in gang gezet. Bijvoorbeeld een land als Frankrijk maakt daar bezwaar tegen. Het zal dus nog enige tijd duren voordat die beperkende maatregelen ook op bijvoorbeeld de Franse vissers van toepassing zijn.

Klopt de interpretatie van de heer Van Gerven van de brief van, ik meen, februari 2010? Die interpretatie klopt niet. De brief dient gelezen te worden in het verband van de brief van mijn ambtsvoorgangster waarin zij uitdrukkelijk vragen stelt aan de Europese Commissie over de visserijbeperkende mogelijkheden binnen de twaalfmijlszone. Daar gaat de brief over. Daar gaat dus ook het antwoord over. Betekent dit dat visserijbeperkende maatregelen buiten de 12 mijlszone naar het oordeel van de Europese Commissie en naar ons oordeel uitsluitend via het gemeenschappelijk visserijbeleid kunnen worden getroffen? Dat klopt. Binnen de 12 mijlszone ligt dat inderdaad anders. Daar hebben we geen verschil van mening over met de Europese Commissie.

Klopt de aanname dat er risico bestaat op Europese boetes als het wetsvoorstel niet wordt aangenomen? Inderdaad, dat risico bestaat. Nederland was immers al eerder in gebreke gesteld, namelijk in 1998 en in 2005. De boete is volgens de informatie die wij hebben ten minste 3,7 mln. Daar ging het echter niet om. De vraag was: is er een risico op boete indien wij geen formele maatregelen treffen? Het antwoord daarop is ja. Dat is de kern van de zaak.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Ik dank de staatssecretaris voor de duidelijkheid over de aannames. Ik wil graag een toelichting op zijn een-na-laatste antwoord. De staatssecretaris verwijst daarbij naar een brief van 16 maart 2011 van de Europese Commissie aan zijn voorganger, mevrouw Verburg. De staatssecretaris zei net dat het gemeenschappelijk visserijbeleid het middel is om buiten de 12 mijlszone maatregelen te treffen. In de brief van de Europese Commissie staat echter dat dit niet mogelijk is voor aspecten van natuurbescherming omdat het gemeenschappelijk visserijbeleid tot doel heeft de economie te reguleren.

Staatssecretaris Bleker:

De brief van de heer Potočnik en mevrouw Damanaki betrof een antwoord op de vraag over de 12 mijlszone. Daar ging het om.

Voorzitter. De Raad van State deelt overigens geheel onze mening dat het gemeenschappelijk visserijbeleid de beste manier en de koninklijke weg is om visserijbeperkende maatregelen te treffen ten behoeve van de ecologie buiten de 12 mijlszone in de aangewezen bieden. De Europese Commissie, de Nederlandse regering en de Raad van State zijn het erover eens dat het gemeenschappelijk visserijbeleid de weg is waarlangs dat het beste gaat en dat het ook langs deze weg behoort te gaan. Daarmee wil ik één misverstand wegnemen, namelijk dat het gemeenschappelijk visserijbeleid alleen maar de regulering van de visserijeconomie zou betreffen. Niet is minder waar. Iedereen die de Visserijraden meemaakt en/of de rapportage daarvan krijgt, weet dat het daar altijd gaat over de sector én het ecosysteem in de zee, duurzame visbestanden enzovoorts. Ook bodemberoering kan daarbij aan de orde komen. Juist de balans tussen de economie en de zee-ecologie is in het gemeenschappelijk visserijbeleid aan de orde.

Op welk punt verschilt de Nederlandse regering van mening met de Raad van State? De Raad van State zegt dat het vooruitlopend op visserijbeperkende maatregelen ten behoeve van de ecologie in deze gebieden vanuit het GVB, het gemeenschappelijk visserijbeleid, ook mogelijk is om een en ander zelfstandig te doen, bijvoorbeeld vanuit systemen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Dit geldt alleen maar vooruitlopend op visserijbeperkende maatregelen. Daar hebben wij geen goede ervaringen mee, gelet op het feit dat er binnen de 12 mijlszone alleen maar beperkingen zijn voor de Nederlandse vloot, waardoor er ook sprake is van een beperkt ecologisch effect en er geen level playing field is. De beste manier voor natuur in de zee en voor de economie is om dat via de instrumenten van het gemeenschappelijk visserijbeleid te doen. De Kamer weet ook dat Nederland op dat punt binnen de Europese Commissie een van de voorlopers is om het visserijbeleid duurzaam te laten zijn, waarbij tegelijk de economische sector gezond is. Duurzaamheid en de ecosystemen in de zee dienen daarbij gediend en gerespecteerd te worden.

De heer Van Gerven (SP):

De staatssecretaris zegt dat de brief van Damanaki en Potočnik gaat over de 12 mijlszone naar aanleiding van een eerdere correspondentie. Wij hebben dat er niet in kunnen lezen. Kan de staatssecretaris ons aanvullende informatie verstrekken waaruit dat blijkt? De SP-fractie is dat in ieder geval niet duidelijk. De staatssecretaris heeft het daarnaast over de ingebrekestelling in 1998 en 2005 en over een boete van 3,7 mln. Zouden we daar ook iets van op schrift kunnen krijgen? Dat is ons namelijk ook niet helemaal duidelijk.

Staatssecretaris Bleker:

Dat kan. Het is iets uitgebreider dan ik zo-even heb uitgesproken. De brief van mevrouw Verburg van 10 juni, die beantwoord is op 23 juli, gaat inderdaad over de problematiek en de opstelling van de Commissie ten aanzien van de gebieden binnen de 12 mijlszone. Daarmee staat de reactie van de Commissie ook in verband. We hebben in die brief niet gevraagd naar de problematiek buiten de 12 mijlszone, maar naar die daarbinnen. Zo zien wij dus ook de brief. Over de situatie buiten de 12 mijlszone verschillen wij en de Raad van State niet van mening, namelijk dat het gemeenschappelijk visserijbeleid bij uitstek het voertuig is om, voor zover het visserijbeperkende maatregelen betreft, de ecologie te dienen, nog even los van de wijze waarop de heer Van Gerven tegen deze brief aankijkt, die verschilt met die van mij. Volgens mij heb ik goede redenen voor een valide interpretatie.

De heer Van Gerven (SP):

De ecologische natuurwaarden zijn niet goed in het gemeenschappelijk visserijbeleid verwerkt. Ze moeten in nieuw gemeenschappelijk visserijbeleid worden verwerkt. Wanneer is dat er? Kan de staatssecretaris het tijdsbestek aangeven waarin wij dat gebied, de EEZ, kunnen beschermen?

Staatssecretaris Bleker:

We zijn een eind gevorderd in de Visserijraad ten aanzien van de uitgangspunten van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid. Dat zal binnen twee jaar zijn beslag krijgen. Dan komt het instrumentarium voorhanden.

Voorzitter. Ik kom op een aantal meer inhoudelijke vragen. Er is gevraagd welke gebieden worden beschermd. Deze zijn genoemd: het Friese Front, de Klaverbank en de Doggersbank. De laatste twee zijn op 22 december 2008 bij de Europese Commissie aangemeld. Zes jaar na plaatsing op de lijst moeten deze gebieden definitief worden aangewezen. Daarvoor geldt dezelfde procedure als waaraan mevrouw Lodders en mevrouw Wiegman en anderen hebben gerefereerd, met ook de gemengde gevoelens over Natura 2000-aanwijzingen op het vasteland. Het gaat alleen om instandhoudingsdoelen voor vogels en niet voor andere aanwezige natuurwaarden. Daar heeft de Vogel- en Habitatrichtlijn betrekking op.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe Nederland zich verhoudt tot andere landen wat betreft het aanwijzen van Natura 2000-gebieden. Het aantal mariene gebieden dat wij aanwijzen, beslaat 19% van de oppervlakte waarover ik eerder sprak. Ongeveer 19% van het Nederlandse deel van de Noordzee wordt dus als zodanig aangewezen.

Er is gevraagd welke ecologische onderwerpen onder de werking vallen en welke soorten worden beschermd. Met de uitbreiding van de werkingssfeer van de Flora- en Faunawet worden ook aldaar aanwezige bedreigde soorten beschermd. In de zones waarover wij spreken zijn dat bijvoorbeeld de bruinvis, de gewone en grijze zeehond en een aantal vogelsoorten, zoals de zeekoet en de grote mantelmeeuw. De IMARES-studie naar de instandhoudingsdoelen is van de zomer 2009 en is destijds tot stand gekomen na verschillende externe wetenschappelijke toetsingen, bijvoorbeeld door nationale en internationale zeeonderzoekinstituten. Het rapport is destijds ook voorgelegd aan maatschappelijke partijen voor wetenschappelijk commentaar. Sindsdien is het rapport ook gereviewd in het kader van het FIMPAS-project door ISES-wetenschappers. De best mogelijke kennisbasis voor regulering van activiteiten is aanwezig.

Mevrouw Van Veldhoven heeft gezegd dat in het buitenland op sommige vogels wordt gejaagd, terwijl wij voor deze vogels in bepaalde gebieden eisen stellen wat hun aantal betreft. Zij heeft gevraagd of ik dit wil bespreken met mijn collega's. Het gaat vooral om trekvogels. De noodzaak voor een grensoverschrijdende aanpak is de reden waarom in Europees verband de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt gehanteerd. Het vangen van en jagen op vogels is aan strikte regels gebonden. In sommige landen wordt wel gejaagd, maar dat gebeurt dan wel gereguleerd en beperkt.

Er is gevraagd of de Klaverbank en de Doggersbank echt worden beschermd of dat het om een papieren werkelijkheid gaat. Dit wetsvoorstel maakt de aanwijzing van de Klaverbank en de Doggersbank mogelijk. Vervolgens zal er een beheerplan moeten komen, waarin de Europese doelen effectieve bescherming krijgen. Voor zover er visserijmaatregelen nodig zijn om die doelen te realiseren, worden deze via het gemeenschappelijk visserijbeleid gereguleerd. Wat mij betreft, geldt dat voor vissers uit alle landen en niet alleen voor Nederlandse vissers.

Mevrouw Lodders heeft gevraagd of er zicht is op de kosten van de beheerplannen. De suggestie van de heer Koopmans om de aanwijzing van de gebieden te koppelen aan de beheerplannen neem ik graag over. Eerst komen de beheerplannen en daarna komt de definitieve aanwijzing, zodat wij inzicht hebben in de kosten en de doelen. Er is geen sprake van extra doelen op internationale verplichtingen. Dat geldt ook voor de aanwijzingsbesluiten voor de Natura 2000-gebieden in de toekomst. Het gaat om de Europese verplichtingen.

Mevrouw Lodders (VVD):

De staatssecretaris is de beantwoording begonnen met te zeggen dat de Natura 2000-richtlijn rechtstreeks van toepassing is op de gebieden. Ik hoor hem nu zeggen dat inzicht in de beheerplannen nog niet kan worden gegeven. Waarom dan nu toch de behandeling van dit wetsvoorstel, terwijl dit al lang bekend is? De richtlijn zou direct doorwerken. Waarom niet eerst meer duidelijkheid alvorens over dit wetsvoorstel te spreken?

Staatssecretaris Bleker:

Het is nu de rechter die zorgt voor de rechtstreekse toetsing aan een Europese richtlijn, zonder dat er beheerplannen, doelstellingen of bestuurlijke afwegingen zijn gemaakt. Europa en de rechter beoordelen welke concrete gevallen aanvaardbaar zijn en welke niet. Dat willen wij gaan reguleren en daarom is er dit wetsvoorstel.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dat begrijp ik. De staatssecretaris heeft tegelijkertijd jaartallen genoemd als 1998 en 2005. Dit wetsvoorstel lag voor het eerst in 2009 voor. Hoe zijn wij dan al die tijd bezig geweest met het op zijn minst inzichtelijk maken van de kosten?

Staatssecretaris Bleker:

Wij hebben risico's gelopen. Wij hebben bij individuele gevallen per casus de consequenties laten bepalen. Nu willen wij een en ander op een beheersmatige en planmatige manier reguleren en organiseren.

Mevrouw Wiegman heeft gevraagd of de aanschrijfbevoegdheid exclusief is uitgesloten voor vissers. Het antwoord is ja. Is het GVB bedoeld ter regulering van natuurgebieden? Het GVB is van belang voor het bereiken en behouden van een gunstige staat van instandhouding. Dat is de doelstelling. Het GVB is niet alleen het beste middel, maar ook het meest geoorloofde en geautoriseerde middel.

De heer Van Gerven heeft gevraagd naar de totstandkoming van de visserijmaatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en de Fisheries Measures in Marine Protected Areas (FIMPAS). Het ging daarbij om de regulering van visserijactiviteiten ter bescherming van de natuurwaarden in plaats van regulering via het GVB en om de Nederlandse voorstellen voor maatregelen aan de Europese Commissie. Om tot een voorstel voor visserijmaatregelen te komen, is in 2009 het FIMPAS-project opgezet. Het voorstel zal naar verwachting in juli 2012 door een internationaal adviescomité worden getoetst. Na dit advies zullen Nederland en de andere betrokken lidstaten de Europese Commissie verzoeken om het voorgestelde maatregelenpakket in de voorstellen voor het GVB te introduceren. Naar verwachting zijn de uitkomsten van het FIMPAS-project in de zomer van 2012 beschikbaar. Het advies volgt in september en dan gaan we het proces in om dit in Europees verband te integreren.

Ik ga in op de vragen van de heer Van Bemmel. Uit onderzoek blijkt dat de gevolgen van activiteiten in de betrokken zones klein zijn. Daarbij gaat het om zandwinning en mijnbouw. Dit onderzoek is gedaan voor het Nationaal Waterplan 2009–2015. Daaruit komt naar voren dat bescherming van de Natura 2000-gebieden in de besproken zones niet in de weg staat van in het Nationaal Waterplan geformuleerd beleid. Dat spoort dus met het Nationaal Waterplan, zoals eerder geformuleerd.

De heer Van Bemmel sprak ook over de gevolgen voor andere sectoren. De aanwijzing van de drie Natura 2000-gebieden zal voor de zandwinning in deze zones geen gevolgen hebben. De drie gebieden liggen zo ver in zee dat zandwinning in of rondom die gebieden niet rendabel is. Windenergie in of rondom deze drie gebieden in de Noordzee is vanwege de locatie, ver op zee, met de huidige technieken nog niet rendabel. In feite had de heer Van Bemmel die analyse ook al grotendeels gemaakt. De ecologische kennis over de effecten van windenergie neemt toe. In de toekomst wordt het dan ook makkelijker om eventuele effecten op mariene gebieden inzichtelijk te maken. Voor de olie- en gaswinning zijn ook studies verricht. De conclusie die uit die studies wordt getrokken, is dat, evenals in het plan-MER van het Nationaal Waterplan, een normale bedrijfsvoering bij olie- en gaswinning niet in gevaar komt. Het grootste gedeelte van de mijnbouwactiviteiten heeft geen schadelijk effect op de beschermde natuurwaarden. De specifieke activiteiten zullen moeten worden beoordeeld. Bij de constructie van het boorplatform gaat het bijvoorbeeld om het geluid onder water.

De scheepvaart wordt grotendeels op grond van de internationale verdragen gereguleerd. De heer Van Bemmel en mevrouw Van Veldhoven hebben daarnaar gevraagd. Het wetsvoorstel en de voorgenomen aanwijzing van de drie gebieden brengen hierin geen verandering. De wet zal na inwerkingtreding alleen gevolgen hebben voor de op- en afritten van het internationaal vaarroutenetwerk. Die zijn een nationale aangelegenheid. Die kunnen we zelf regelen.

Dan een interessant punt: stikstof van schepen op zee. Ik zal hierover met de heer Atsma overleggen.

Mevrouw Van Veldhoven heeft gevraagd naar de maatregelen die mogelijk zijn in de 12 mijlszone. Zij heeft mij gevraagd of ik wil onderzoeken of de Visserijwet kan worden aangepast en of op de middellange termijn alleen duurzame visserij kan worden toegestaan. De verduurzaming van de visserij is een essentieel punt, dat niet alleen in nationaal verband, maar ook in EU-verband moet worden opgepakt. Net als bij het landbouwbeleid is gebleken dat ook visserijbeleid succesvol Europees beleid kan zijn. In dat verband is het een goede zaak dat de verduurzaming van de visserij een centraal thema vormt in het nieuwe GVB. In de brief van 1 juni jongstleden heb ik de Kamer een actualisatie gegeven van de Brusselse onderhandelingen op dat punt. Ik verwacht dat het hervormde GVB voldoende kansen biedt om de visserij afdoende te verduurzamen, niet alleen binnen de 12 mijlszone, maar ook daarbuiten. Om die reden zie ik geen aanleiding om op dit punt nu al eenzijdig nationale maatregelen te nemen. Verder let ik daarbij ook op de goede mogelijkheden die er op Europees niveau al zijn en op het mogelijk houden van een level playing field.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik dank staatssecretaris Bleker voor zijn toezegging om samen met staatssecretaris Atsma te kijken naar de stikstof. Kan de Kamer daarover een brief ontvangen als hij daarover heeft gesproken?

Mijn volgende vraag heeft te maken met de mogelijkheden om de eigen vloot en andere vloten aan maatregelen te binden. Zegt de staatssecretaris dat de Raad van State nu stelt dat lidstaten buiten de 12 mijlszone alleen bevoegd zouden zijn voor de eigen vloot? Ik las in het advies van de Raad van State niet zo snel terug dat hij expliciet stelt dat dit alleen voor de eigen vloot kan. Misschien heeft de Raad dit niet zo benoemd, maar is dit wel het geval. Ik krijg hierop graag een antwoord van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Bleker:

Het antwoord op de eerste vraag is ja.

Het antwoord op de tweede vraag is dat de Raad van State onze mening deelt dat het gemeenschappelijk visserijbeleid de beste weg is om het buiten de 12 mijlszone te doen. Wij kunnen andere vloten ook daaraan binden; dat moeten wij via de notificatie doen. Dat is de procedure die moet worden gevolgd en die kan complicaties met zich brengen. Ik zeg nogmaals dat het gemeenschappelijk visserijbeleid er mede voor is bedoeld. Het wordt door de Raad van State, door Europa en door ons als het meest geëigende instrument gezien. Daarom zeg ik dat wij geen verschil van mening hebben. Laten wij die route dan kiezen. Het gelijke speelveld is de beste, eenvoudigste en eerlijkste manier.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Er is ook een gelijk speelveld als alle schepen aan dezelfde voorwaarden worden verbonden die Nederland eraan zou willen verbinden om onze natuur ook op de Noordzee effectief te beschermen. Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord dat het dus wel mogelijk is. De Raad van State stelt inderdaad dat het GVB op termijn het beste is, maar de lidstaat heeft in de tussentijd ook bevoegdheden. Het is dus een politieke keuze. Het is dus wel mogelijk en ik begrijp de voorkeur van de staatssecretaris voor een level playing field.

Staatssecretaris Bleker:

Ja, en ik wil de grote toegevoegde waarde die Europa op dit punt kan hebben, niet tijdelijk in de weg staan door vooruit te lopen op …

Aan het OSPAR-Verdrag wordt uitvoering gegeven via Natura 2000 en de Vogel- en Habitatrichtlijn. Op die manier is dit type verdragen Europees verankerd.

De heer Van Gerven heeft gevraagd naar de bescherming van het Caraïbisch gebied. Die verloopt via de Wet grondslagen natuurbeheer en bescherming BES, niet via de MB-wetten en de flora- en faunawetten.

In antwoord op zijn vraag over de motie-Polderman verwijs ik naar de brief van mijn collega van I en M van 15 juni 2011 waarin wordt geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te werken aan een rijksbestemmingsplan voor de Noordzee. Die motie is dus afgewikkeld.

Mevrouw Lodders (VVD):

De staatssecretaris is in zijn antwoord op een aantal sectoren ingegaan. Volgens mij heb ik echter wat steviger vragen gesteld over het feit dat de economische activiteiten ondergeschikt worden gemaakt aan de bescherming van deze gebieden. Misschien wil hij daarop ingaan?

Hij heeft gezegd dat gewone bedrijfsactiviteiten geen probleem zouden zijn op zee. Waarop baseert hij zich dan? Ik maak dan nog eens nadrukkelijk de vergelijking met de activiteiten op land. Zelfs daar zijn bestaand gebruik, externe werking en de gevolgen voor de omgeving niet zo eenvoudig te regelen.

Staatssecretaris Bleker:

Ik heb zowel in antwoord op vragen van mevrouw Lodders als van de heer Van Gerven een reeks van activiteiten genoemd die op zee plaatsvinden of kunnen plaatsvinden. Die hebben met de mijnbouw te maken en met de gas- en oliewinning, met de normale scheepvaart en windmolenparken. Ik heb per onderwerp aangegeven dat uit de ecologische doelen voor die gebieden geen beperkingen voortvloeien. Ik heb gezegd dat het voor de scheepvaart wordt geregeld via een aantal internationale verdragen. De voorgenomen aanwijzing van de Natura 2000-gebieden heeft daarop geen uitwerking. Over de olie- en gaswinning heb ik gezegd dat het zich toespitst op eventuele tijdelijke maatregelen in bijzonder in verband met bouwwerkzaamheden. Met betrekking tot de windenergie gaat het om gebieden die niet explorabel zijn voor windenergie. Ik heb aangegeven dat het voor de zandwinning geen gevolgen zal hebben, want de gebieden liggen buiten de interessante zandwinningsgebieden. De visserij, een belangrijke economische sector, regelen wij via het gemeenschappelijke visserijbeleid en niet via het systeem van de natuurbescherming Natura 2000. Dat lijkt mij een heel verstandige route omdat wij in het gemeenschappelijke visserijbeleid al een traditie hebben van een verstandige afweging tussen economische belangen en de ecosysteembelangen van de zee.

Mevrouw Lodders (VVD):

Dat verhaal hoorde ik de staatssecretaris zo-even ook al houden. Ik heb meerdere voorbeelden genoemd over de ondergrondse leidingen en telecomkabels die daar liggen. De vraag die ik in de eerste fase van deze interruptie stelde, was waar de staatssecretaris de vergelijking met Natura 2000 op land op baseert. Wij zijn niet in staat om de vergunningen voor ondernemers op een fatsoenlijke manier vlot te trekken waar het gaat om de externe werking en andere verlammende factoren voor die ondernemers. Kan de staatssecretaris daar nog eens op ingaan?

Staatssecretaris Bleker:

Ik denk dat er wel degelijk een groot verschil is tussen land en zee in de intensiteit van de verschillende functies en de claims en effecten op de gebieden. Er is wel degelijk een verschil en daarover moeten we duidelijk zijn. Het is een belangrijke vraag en ik geef er ook antwoord op door te wijzen naar de onderzoeken die zijn gedaan. Het volgende punt is echter welke consequenties je moet verbinden aan het antwoord. Ik heb in mijn inleiding al gezegd dat er nu al sprake is van rechtstreekse werking van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Met dit wetsvoorstel en met de beheerplannen reguleren wij dit, in plaats van het per geval over te laten aan hoe Europa en de rechter erover denken. Dat is toch een veel betere route, zelfs als die effecten beperkt zijn?

De heer Van Gerven (SP):

Ik heb nog twee vragen aan de staatssecretaris. Allereerst een vraag over het dreigement van de ingebrekestelling en de boete van 3,7 mln. Ik heb in de eerste termijn gevraagd of wij die brieven vanuit Europa op schrift konden krijgen, zodat wij ons zelf een oordeel kunnen vormen over de dreiging die daar al dan niet van uitgaat. Vervolgens zegt de staatssecretaris dat de Raad van State en hij het eens zijn, maar de Raad van State heeft gezegd dat het, waar het gaat om milieuaspecten, niet uitputtend geregeld is. De wet moet op die aspecten worden aangepast. Dat advies neemt de staatssecretaris niet over.

Staatssecretaris Bleker:

Om de doodeenvoudige reden dat wij via het gemeenschappelijke visserijbeleid in staat zijn om datgene te doen wat voor de ecologie nodig is in die gebieden. Punt. Dat is waar het in de kern om draait. Dat kan. Wij hebben ook geen behoefte aan nationale koppen. Dat is twee.

De heer Van Gerven (SP):

U bent nog een antwoord schuldig op mijn eerste vraag over de boetes en dergelijke. De SP heeft een amendement in voorbereiding dat de leemte oplost die nu door de Raad van State geconstateerd wordt. Iedereen is het erover eens dat ook de milieuaspecten in het kader van Natura 2000 voor de exclusieve economische zones geregeld moeten worden. Daar zit nu een leemte. Je kunt wel zeggen dat we nu wachten op een gemeenschappelijk visserijbeleid, maar dan zijn we al snel twee jaar verder. We hebben nu deze wetten voorliggen, dus laten wij dat voor nu regelen in een amendement dat naadloos aansluit op het toekomstige gemeenschappelijke visserijbeleid. Wat wij nationaal kunnen regelen, moeten wij ook nationaal regelen. De SP is daar altijd voorstander van. Eigen baas in eigen zee, zou ik willen zeggen.

Staatssecretaris Bleker:

Het is wel "eigen baas", maar met meer regels. Voor visserijbeperkende maatregelen ten behoeve van de ecologie vinden wij het gemeenschappelijke visserijbeleid het geëigende instrumentarium. Wij zijn het daarover eens met Europa en met de Raad van State. Laten we dat nu formeel mogelijk maken.

Ik zou nu graag op de amendementen ingaan.

De heer Van Gerven (SP):

Wat is uw antwoord op mijn eerste vraag? Kan de Kamer de brieven krijgen over de ingebrekestelling en de boetes van 3,7 mln.?

Staatssecretaris Bleker:

Ja, hoor. Ik heb hier een aantal data. De Kamer krijgt de correspondentie, dan wel de mededelingen hierover.

De heer Van Gerven (SP):

Ik neem aan voordat de tweede termijn aanvangt? Maar ik denk dat wij het daarover nog moeten hebben.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Voorzitter. De beantwoording van de staatssecretaris was op zich helder, maar wel compact en vooral heel erg ja en nee op afzonderlijke vragen. Nu even het eindplaatje. Ik heb mijn zorgen geuit, bijvoorbeeld dat we een juridisch moeras zullen veroorzaken. Deelt de staatssecretaris deze zorg? De staatssecretaris zegt dat we de gunstige staat en instandhouding regelen via het gvb. Ik heb in mijn bijdrage echter gezegd dat de Raad van State in een eerder advies heeft aangegeven dat het huidige gemeenschappelijke visserijbeleid de natuur en het milieu onvoldoende beschermt. De Europese Commissie heeft ook weleens gezegd dat het gvb niet geschikt is voor het reguleren van de visserij als doel binnen de reguliere natuurbescherming. Hoe zit dat nu precies?Hoe moet ik dit duiden, is het nu wel of niet zo?

Staatssecretaris Bleker:

Een van de kernpunten van het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid is een zwaarder accent op duurzaamheid en ecosystemen. Daar zijn we volop mee bezig, dat is de beste route, dat geldt voor alles. Je kunt daarmee adequate maatregelen nemen voor die sector, in een goede balans met innovatie en de economische mogelijkheden.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik herinner aan mijn zorgen en mijn vraag over wat de Raad van State zou gaan zeggen. Garandeert dit dat dit risico voorgoed van de baan is, of blijf je het risico houden? We hebben het gvb en dat is allemaal heel netjes, maar als iemand besluit om te gaan procederen aan de hand van de regels van de natuurbeschermingswet kan het anders uitpakken dan wij nu verwachten, door de werking van het gvb.

Staatssecretaris Bleker:

Je kunt natuurlijk nooit voorspellen hoe sluitend een systeem is, maar als we dit wetsvoorstel op deze manier volgen en het gvb introduceren zoals dat nu in ontwikkeling is, en als de Europese Commissie en de Nederlandse staat zeggen dat dit ook het voertuig is, vind ik dat we de maximale zekerheden creëren die je in dit domein kunt bereiken. Ik loop met deze reactie op uw interventie nu wat vooruit op mijn beoordeling van de amendementen, maar ik vind dat enkele amendementen een verbetering van dit wetsvoorstel inhouden. Die gaan in de richting van wat u wenst.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Voorzitter. In de loop van het debat wordt het mij eerder minder helder dan helderder. Ik ga proberen om het toch scherp te krijgen, daarbij de redenering van de staatssecretaris volgend. Als ik hem goed begrijp, zegt de staatssecretaris het volgende. Als wij de werking van de natuurbeschermingswet uitbreiden tot de zee, dan geeft ons dat de mogelijkheid om beschermde gebieden aan te wijzen. Daar kunnen allerlei voorwaarden en beperkingen aan worden gesteld, maar niet aan de visserij, want dat gebeurt via het gvb. In dat geval is mijn vraag: betekent dit dat het huidige gvb, dus zoals het nu is, de minister de mogelijkheden geeft om stevige beperkingen aan de visserij in die beschermde gebieden aan te brengen, zodat hij kan zeggen: in dit gebied vist u niet, of in ieder geval niet op bepaalde soorten met bepaalde technieken? Of moet daarvoor het gvb worden aangepast, in de discussie over het vernieuwde gvb, en moeten wij dus afwachten of dat vernieuwde gvb uiteindelijk die instrumenten zal bieden?

Staatssecretaris Bleker:

Er zijn nu instrumenten en het nieuwe GVB zal meer instrumenten bieden. Denkt u alleen al aan de introductie van nieuwe technieken, zoals de pulskorvisserij. Dat is een van de moderne technieken waarmee de bodemberoering wordt beperkt. Het huidige en het toekomstige GVB bieden mogelijkheden voor visserijbeperkende maatregelen in de breedste zin van het woord. Het wel of niet vissen, de aard van de visserij, periodisering van de visserij, techniek van de visserij, sluitingsperioden en al dat soort zaken meer kunnen wij gaan regelen. De maatregelen zijn dan van toepassing op vloten uit alle landen.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Nog een keer, voor alle scherpte: de staatssecretaris zegt dat het huidige GVB een instrumentarium biedt. Gaat dit instrumentarium zo ver dat wij binnen de stippellijn van een door de staatssecretaris aan te wijzen beschermd gebied voor de vissersvloten kunnen vaststellen dat zij daar niet mogen vissen, of alleen met heel strikte beperkingen?

Staatssecretaris Bleker:

Wij hebben die mogelijkheden nu. Zij worden verder uitgebreid met doelstellingen.

De heer Koopmans (CDA):

De laatste opmerking van de staatssecretaris heeft toch niets te maken met wat nu in dit wetsvoorstel staat?

Staatssecretaris Bleker:

Helemaal niets.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Er ontstond onder ons nog een discussie over wat de staatssecretaris nu precies zei. Dit is zo'n cruciaal punt, dat ik graag een korte toelichting zou willen vragen. De staatssecretaris zei dat het huidige GVB de mogelijkheid biedt om in de zeereservaten beperkingen op te leggen. In antwoord op mijn vraag zei de staatssecretaris zojuist dat het huidige wettelijke stelsel, dat bestaat uit het GVB, de natuurwetgeving en de analyse van de Raad van State, het toelaat om in de desbetreffende zones nationale maatregelen te nemen die ook van toepassing zijn op de buitenlandse vloten, en die genotificeerd zijn in Brussel. Dat is nog iets anders dan dat het via het huidige GVB mogelijk is.

Staatssecretaris Bleker:

Dat ben ik met u eens.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Dus het zit niet in het huidige GVB, maar in de huidige juridische constellatie, met de natuurwetgeving?

Staatssecretaris Bleker:

En vervolgens via het GVB. Het nieuwe GVB zal wat mij betreft op dat punt dus meer mogelijkheden moeten bieden.

Dan kom ik nu op de bespreking van de amendementen. Ik begin met het amendement op stuk nr. 14, van mevrouw Ouwehand. Ik ontraad de aanneming ervan. Het is in strijd met het Europees recht. Ten aanzien van de visserij heeft de Europese Commissie bijzondere bevoegdheid voor de gebieden waar het om gaat. Ik heb de argumenten gegeven waarom ik het huidige, en ook het toekomstige, GVB-instrumentarium goed vind; het is goed voor de ecologie, goed voor een level playing field en goed voor de juiste balans tussen economie en ecologie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik was hier al een beetje bang voor. De staatssecretaris schetste zojuist dat het op dit moment al mogelijk is om die gebieden naar de geest van de Natuurbeschermingswet en de Vogel- en Habitatrichtlijn te beschermen. De Raad van State zegt dat ook. Ik zie dat er in het amendement nog wel iets kan worden gespecificeerd over de bevoegdheid, zodat er geen strijdigheid ontstaat. Ik ben met de Raad van State ervan overtuigd dat dit amendement nodig is om te realiseren wat de staatssecretaris zojuist voor de Kamer schetste, namelijk om daadwerkelijk, ook al is het nieuwe GVB nog niet van kracht, al wel de maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Zonder dit amendement kan dit niet.

Staatssecretaris Bleker:

Het huidige GVB biedt nu de mogelijkheid tot regulering van de visserij, ten behoeve van ecologische doelen. Daar is nu een basis voor, maar dat vergt wel de aanwijzing van deze gebieden. Het aanwijzen van de gebieden is de hefboom waarmee de ecologische doelen, waarover wij het mogelijk gedeeltelijk eens zijn, via het GVB kunnen worden gediend. Dat is de systematiek. De voorgestelde maatregelen vloeien dan voort uit, bijvoorbeeld, het FIIMPAS-project, waarover we het eerder hebben gehad. Het gaat dan over de gebieden buiten de 12-mijlszone. Voor de gebieden binnen de 12-mijlszone volstaat notificatie bij de Europese Commissie. Zo werkt het. Daarnaast heeft het nog een aantal andere voordelen. Zo kent het gemeenschappelijk visserijbeleid een aantal effectieve en efficiënte controlemechanismen, zoals satellietvolgsystemen. Het is dus niet alleen bestuurlijk een effectief instrument. Het is verder ook effectief om de handhaving via het GVB te doen. Deze wet biedt de mogelijkheid om die gebieden aan te wijzen en daarmee kan het effectieve instrumentarium in werking worden gesteld. Dat is de kern van het verhaal en daarom draagt dit amendement waarschijnlijk niet bij aan wat mevrouw Ouwehand wil bereiken. Bovendien is het een veel minder effectief instrument.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De staatssecretaris moet wel specifieker zijn, want hij heeft het over het herziene GVB waarvan we nog niet weten hoe dat eruit komt te zien. Wij kunnen wel vinden dat er een integratie moet plaatsvinden met de Vogel- en Habitatrichtlijn en dat er meer ruimte moet komen om daaraan te voldoen, maar binnen het huidige GVB zijn die mogelijkheden er, ook volgens de Raad van State, niet. De staatssecretaris moet daar dus helder in zijn. Als we wet aannemen en de gebieden aanwijzen, die overigens eind 2010 al aangewezen hadden moeten zijn, dan is het nog steeds de vraag of het toekomstige GVB de mogelijkheid biedt om effectief te beschermen. Dat is de interpretatie van de Raad van State en die interpretatie deel ik.

Staatssecretaris Bleker:

Het huidige GVB kent de toepassingsmogelijkheden zoals ik die zojuist in een kort debat met mevrouw Van Veldhoven heb verduidelijkt. Het nieuwe GVB zal in ieder geval op het punt van duurzaamheid hogere ambities hebben dan nu het geval is. Wat mij betreft zal het ook meer instrumenten bevatten. Verder gaat het niet alleen om wat je wilt bereiken; het gaat er ook om dat je kunt handhaven. Het GVB is in vergelijking met de Natura 2000-richtlijn en de Vogel- en Habitatrichtlijn eerder een sterker instrument om te handhaven, want je kunt boten gewoon aanpakken. Dat is geen blabla-verhaal, maar dat is het instrumentarium dat in het gemeenschappelijk visserijbeleid zit. Dat is rechttoe rechtaan-werk. Ik word er steeds enthousiaster over.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vind het een cruciaal punt en ik heb me ook maar beperkt tot een interruptie.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, u hebt een aantal mogelijkheden en ik tel gewoon door; dat is helemaal geen probleem.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het kan niet allebei waar zijn. Het GVB biedt of nu al zoveel ruimte dat, als deze wet wordt aangenomen, in die gebieden die bescherming behoeven al precies gedaan kan worden wat nodig is, of het GVB is op dit moment nog niet genoeg gericht op de bescherming en heeft herziening nodig. Volgens mij is dat laatste aan de hand en daar spreken we nu over. De conclusie is dan dat het huidige GVB onvoldoende mogelijkheden biedt om beschermde gebieden ook echt te beschermen, bijvoorbeeld door vissersvloten uit die gebieden te weren. Het is dus een van de twee.

Staatssecretaris Bleker:

Het gebeurt niet vaak, maar beide zijn waar. We kunnen met het huidige gemeenschappelijke visserijbeleid en met de instrumenten die daarin zijn verwoord, na aanwijzing van die gebieden, visserijbeperkende maatregelen nemen. Tegelijkertijd zijn er in het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid hogere ambities voor duurzaamheid. Wij zullen dus in het kader van het FIMPAS-project voor deze gebieden ontwikkelde voorstellen aan de Europese Commissie voorleggen. De maatregelen worden vastgesteld via besluitvorming tussen de Raad van landbouwministers en het Europees Parlement. Dan hebben wij het effectieve en passende beleids- en handhavingsinstrumentarium voorhanden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voor de tweede termijn ontvang ik van de staatssecretaris graag een schriftelijke onderbouwing van de maatregelen die de betreffende gebieden vragen. Kan hij die maatregelen op nationaal niveau nemen via deze route? De staatssecretaris wil immers dat de Kamer dit wetsvoorstel aanneemt, maar hij wil niet dat zij het amendement aanneemt. Kan in die onderbouwing ook duidelijk worden gemaakt of een en ander zo ver kan gaan dat visserij wordt geweerd uit die gebieden als dat nodig is? Is die mogelijkheid er in dat geval? Ik wil graag dat dit wordt onderbouwd. Ik heb namelijk sterk het vermoeden dat de argumentatie van de staatssecretaris heel wat gaten vertoont.

Staatssecretaris Bleker:

Dit is vrij eenvoudig. Ik heb zojuist gesteld dat in de loop van deze zomer de voorstellen van het FIMPAS-project voor deze gebieden beschikbaar zullen zijn. Er komt een internationale board. Daarin hebben allerlei ecologen, biologen en mensen met verstand van visserij zitting. Zij zullen een advies uitbrengen. Zij zullen ons adviseren welke maatregelen in deze gebieden nodig zijn, gelet op de doelstellingen. Vervolgens gaan wij die maatregelen via het instrumentarium van het GVB aan de Europese Commissie voorleggen. Die voorstellen zullen daarna via besluitvorming in de Landbouwraad en het Europees Parlement worden bekrachtigd. Dat is de systematiek hiervoor. Wij kunnen niet twee dingen doen. Wij kunnen niet zeggen dat het enerzijds gaat via het Europees gemeenschappelijk visserijbeleid en dus via het visserijinstrumentarium, en dat het anderzijds ook helemaal zelf moet worden bepaald. Gemeenschappelijk visserijbeleid is wel Europees beleid. Dat is volgens sommigen een zegen. Ik vind ook dat op het vlak van landbouwbeleid en visserijbeleid Europa een goed instrument is, juist omdat dit beleid voor alle landen en voor alle vloten geldt. Meer heb ik hieraan niet toe te voegen. Ik zou niet weten waarom er nog een verhaal moet worden geschreven over dit amendement. Ik ontraad de Kamer het aannemen van dit amendement. Klaar.

Het oordeel over het amendement op stuk nr. 15 laat ik over aan de Kamer. Ik zie het als een verbetering.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Het lijkt erop dat wij aan de behandeling van dit wetsvoorstel flink wat tijd spenderen – volgens sommigen spenderen wij er te veel tijd aan – terwijl het vervolgens nog in een Koninklijk Besluit moet worden gegoten. Dat Koninklijk Besluit zal opnieuw naar de Kamer komen. Wij zullen dan opnieuw naar dit wetsvoorstel moeten kijken. Wat voegt dat toe aan de huidige behandeling? En stel dat dit Koninklijk Besluit niet door de Kamer komt. Blijft het dan hangen? Zou dat volgens de Raad van State en de Europese Commissie dan een reële en correcte implementatie van de Europese richtlijnen zijn? Wordt Nederland dan niet langer in gebreke gesteld?

Staatssecretaris Bleker:

Mevrouw Wiegman en anderen stelden dat zij ook lessen wilden leren uit het verleden. Bij velen leeft de vraag of het hele proces van aanwijzing en bepaling van doelen wel voldoende zorgvuldig is, wat je ook vindt van de Natura 2000-gebieden. Worden bij dat proces van aanwijzing alle consequenties wel overzien? Hier wordt nu eigenlijk gezegd: over enige tijd hebben we wat meer informatie, bijvoorbeeld door de uitkomsten van het FIMPAS-project. Hier wordt voorgesteld: laten wij het definitieve invoeringsbesluit pas nemen als die informatie beschikbaar is. Dat lijkt mij een procedure die bestuurlijk zorgvuldig en verstandig is, gelet op de ervaringen uit het verleden. Ik kan mij voorstellen dat de wetgever dit zou besluiten. Voor de Europese Commissie zal het bovendien volstrekt duidelijk zijn dat wij voortgang boeken. Er ligt een wetsvoorstel en op enig moment wordt het tijdstip van inwerkingtreding bepaald. Bovendien zijn wij bezig met de doelen via het FIMPAS-project. Men kan dus niet zeggen dat Nederland dit na 2005 maar op zijn beloop laat.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

In welke zin is wat de staatssecretaris nu schetst anders dan het uitstellen van de afsluiting van de behandeling van het wetsvoorstel totdat er helderheid is? Die helderheid is volgens de staatssecretaris blijkbaar nodig om hierover een besluit te kunnen nemen.

Staatssecretaris Bleker:

Dat betekent dat je het hele inhoudelijke debat nog zou willen voeren. Daar hebben de indieners van het amendement volgens mij geen behoefte aan. Het gaat om de vraag of we de juiste informatie voorhanden hebben. We moeten niet de discussie over het wetsvoorstel opnieuw aangaan maar ons afvragen of de inwerkingtreding op dat moment verantwoord is. Dat is de vraag en dat vind ik verstandig.

De voorzitter:

Dit was het tot slot?

Staatssecretaris Bleker:

Amendement nummer 16 laat ik over aan het oordeel van de Kamer. Ik heb begrip voor het amendement. Het verzekert dat de natuurtoets bij projecten altijd plaatsvindt, maar tegelijkertijd behoedt het voor bureaucratie. Als er al een natuurtoets heeft plaatsgevonden, is geen aparte procedure meer nodig dus dat scheelt administratieve lasten. Mevrouw Lodders noemde dit ook al.

Het amendement van de heer Van Gerven ontraad ik. Het nummer van het amendement is SP 01, anticipeert dat op een verkiezingsuitslag, wat is de bedoeling hiervan?

De heer Van Gerven (SP):

We kunnen niet in een glazen bol kijken maar ik heb nog geen amendement definitief ingediend. Ik maak wel van de gelegenheid gebruik om het amendement aan te kondigen en verzoek de staatssecretaris om een reactie erop in tweede termijn.

De voorzitter:

Dan zijn we gekomen aan het eind van de eerste termijn van de staatssecretaris. Nu kijken de Kamerleden een beetje knorrig naar mij, maar ik begreep dat er nu een ander debat gepland staat. Ik zie u denken: die mevrouw jaagt ons op. U moet even met mij bespreken hoe u verder wilt gaan met de tweede termijn van dit debat. Ik begrijp dat u wilt schorsen, maar ik wil graag een ordevoorstel want ik wil het netjes afhandelen.

De heer Koopmans (CDA):

Ik heb er geen moeite mee dat we het debat schorsen maar dan moeten we er volgende week wel kort de tijd voor nemen. Ik denk ook niet dat het nog heel lang hoeft te duren.

De voorzitter:

U volgt het nieuws ook een beetje, denk ik. Het wordt een drukke week, als ik een understatement mag gebruiken.

De heer Koopmans (CDA):

U spreekt hier met een oud-koeienboer en veertien uur werken op een dag is voor ons geen punt.

De voorzitter:

Maar meer dan 24 uur wordt wel lastig.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):

Ik zie graag volgende week een korte voortzetting en afronding. Ik hoop dat mijn collega-woordvoerders zorg iets minder spreektijd willen gebruiken. Ik zal het in ieder geval doen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik sluit me graag aan bij mevrouw Wiegman. Mijn opmerking had overigens te maken met een opmerking die de PVV in eerste termijn maakte.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het lijkt ons goed om het debat volgende week voort te zetten.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Volgende week en dan snel afronden wat mij betreft.

De heer Van Gerven (SP):

Mij lijkt volgende week inderdaad lastig, gezien de komende agenda. Voor het reces is wat ons betreft snel genoeg. Ik geloof dat het wetsvoorstel er al zes jaar ligt, dus een paar weken kan er nog wel bij. Ik verwacht nog de nodige antwoorden en brieven van de staatssecretaris dus dan heeft hij wat extra tijd en gaat het extra goed.

De heer Grashoff (GroenLinks):

Bij voorkeur voortzetting volgende week. Ik heb het gevoel dat sommige andere onderwerpen wat te ruim bemeten lijken te raken in de plenaire agenda. Misschien zit daar nog wat ruimte.

Mevrouw Lodders (VVD):

Volgens mij is er een meerderheid voor om de tweede termijn volgende week te houden. De VVD-fractie heeft niet veel tijd nodig. Het mag ook de week erna als we de agenda daarmee ontlasten.

De heer Van Bemmel (PVV):

Wat de PVV betreft is volgende week in orde. Dan kunnen we ongetwijfeld een gaatje vinden. Als het één week later wordt, kan dat wat ons betreft ook nog.

De voorzitter:

Volgende week wordt een gecompliceerde agenda, zo lees ik in de berichten. Daar moeten wij mee leven; zo gaan die dingen soms. Iedereen doet weleens van dit soort dingen. Wij moeten dit gewoon een beetje uitzitten. Ik ga mijn best doen om een gaatje te vinden. Het is goed om te horen dat het voor u geen probleem is. Eén uur staat zwart-op-wit? Heel goed. Ik zie nu alweer mensen zuchten en steunen. Het kan niet allemaal. Dit is heel belangrijk, maar die andere dingen ook.

De heer Van Gerven (SP):

Zeker. Het hangt ook een beetje af van de antwoorden van de staatssecretaris. Het gaat om een wetsvoorstel en daarvoor moet altijd voldoende tijd zijn. Eén uur is een inschatting.

De voorzitter:

Ik ga u helpen zich te houden aan uw eigen afspraken. Deze worden bij meerderheid genomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik denk dat anderhalf uur iets reëler is.

De voorzitter:

Heel goed dat u dit zegt. Wij gaan hiervan goede nota nemen. Ik doe mijn best. Wij zullen kijken hoever wij komen. Ik dank de staatssecretaris voor zijn bijdrage in eerste termijn. Dezelfde leden – u bent nu helemaal op elkaar ingespeeld – gaan op een andere plek het debat voortzetten. Ik zie u morgenochtend terug om 10.15 uur voor een VAO over de Landbouw- en Visserijraad.

Staatssecretaris Bleker:

In vrolijke stemming, hoop ik.

De voorzitter:

Daar reken ik op.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.