Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 97, pagina 6839-6886

Aan de orde is het debat over het eindrapport "Tijd voor Onderwijs" van de commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen (31007, nr. 6) (debat met de regering).

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. Dit is het tweede debat naar aanleiding van het rapport van de commissie-Dijsselbloem. In het eerste debat hebben wij uitgebreid van gedachten gewisseld met de commissie en de commissievoorzitter. Nu mogen wij dat met het kabinet doen, op basis van de kabinetsreactie die de Kamer recent heeft ontvangen. De centrale boodschap die de CDA-fractie in het eerste debat heeft gekozen, is ook de boodschap die zij in de kabinetsreactie in belangrijke mate terug ziet komen. Dit betreft de vraag hoe ervoor kan worden gezorgd dat het herstel van vertrouwen in het onderwijs in belangrijke mate terugkomt. Hoe zorgen wij ervoor dat het vertrouwen herwonnen wordt? Hierover hebben wij het de vorige keer ook gehad. Het kabinet zegt dat het de centrale boodschap is en dé uitdaging waarvoor wij in de komende periode staan.

Tijdens het vorige debat hebben wij ook gediscussieerd over het onderwerp kwaliteit, hoe de kwaliteit van het onderwijs precies gemeten kan worden en hoe bepaald kan worden hoe het er precies mee voorstaat. Uiteindelijk kwamen wij tot de conclusie dat op sommige terreinen de kwaliteit achteruit is gegaan en op andere vooruit, en dat het beeld over de kwaliteit van onderwijs in zijn totaliteit genuanceerd ligt. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat wij het van belang vinden dat er evenwicht komt tussen de aandacht die er is voor vaardigheden en de aandacht die er zou moeten zijn voor kennis. Er moet meer aandacht voor kennis komen. Wat dat betreft, zijn wij blij met de conclusie aan het einde van dat debat.

Centraal voor het onderwijs is voor de CDA-fractie dat het gebeurt voor de leerlingen. De leerling die uiteindelijk een stuk kennis wil halen om op een goede manier actief te kunnen zijn in de samenleving en op de arbeidsmarkt moet centraal staan. Wij doen het dus niet primair voor de managers, wij doen het niet primair voor de docenten, wij doen het primair voor de leerlingen. Leerlingen moeten uitgedaagd worden en op hun talenten kunnen worden aangesproken.

Wij vinden dan ook dat scholen niet gezien moeten worden als uitsluitend kennisoverdrachtfabrieken. Het zijn belangrijke instituten waar vorming kan worden overgebracht op jonge mensen, leerlingen en studenten. Om al deze taken op een goede manier te kunnen vervullen, moeten wij ervoor zorgen dat het vertrouwen in het onderwijs hersteld wordt. Daarmee begon ik mijn betoog zojuist ook. Wat mijn fractie betreft, is dit een van de centrale thema's van het debat van vandaag. Ik wil via een aantal piketpalen langs de vraag lopen hoe het zit met het vertrouwen en met de maatregelen die het kabinet neemt om dat te herstellen.

Allereerst komen wij dan bij de vraag hoe het zit met de medewerkers, de mensen die actief zijn binnen het onderwijs. De Kamerleden hebben de afgelopen periode regelmatig van gedachten gewisseld om ervoor te zorgen dat de positie van docenten verbeterd wordt. Dit is een belangrijk thema. Met name het rapport van de commissie-Rinnooy Kan, maar ook de reactie daarop van het kabinet en het convenant dat de Kamer recent besproken heeft, vormen belangrijke piketpalen op dit punt. Een en ander richtte zich in belangrijke mate op een salarisverbetering voor docenten, maar ook op het beter naar voren brengen van de positie van docenten. Er zijn enkele onderwerpen op dit gebied waarover mijn fractie nog iets wil zeggen.

Er is nu al enkele malen aandacht gevraagd voor de kwaliteitsagenda voor de lerarenopleiding. Mijn fractie zou graag zien dat die voor 1 september hier in de Kamer ligt, zodat wij daar nog voor de derde dinsdag in september met elkaar over van gedachten kunnen wisselen. Het zou kunnen betekenen dat wij misschien nog voorstellen hebben voor een begroting. Om die reden willen wij er met spoed over van gedachten wisselen.

Een ander punt van aandacht betreft de periode na het afstuderen. Als leerlingen een pabo-opleiding of een tweedegraadslerarenopleiding hebben afgerond, zal met hen op een verantwoorde manier moeten worden omgegaan, ook binnen de school. Dat betekent dat zij op een goede manier begeleid moeten worden, want zij weten wel welke instrumenten er bestaan om les te geven, maar zij weten nog lang niet altijd hoe dat in de praktijk ook werkelijk moet gaan gebeuren. Je zou het kunnen vergelijken met het rijbewijs. Op het moment dat je het rijbewijs hebt, weet je wel hoe de auto bestuurd moet worden, maar weet je nog niet precies hoe je moet autorijden. Die aandacht moet zeer nadrukkelijk ook binnen scholen aanwezig zijn. Wij denken dat er ook een belangrijke rol voor pabo's en lerarenopleidingen zou kunnen zijn om jonge docenten op een goede manier te begeleiden. Wij denken dat het SBO ook in belangrijke mate handreikingen zou kunnen doen om daar het een en ander mee te gaan doen.

Een ander belangrijk thema is het management. Het management van de scholen is een belangrijke cultuurbepalende factor die ervoor kan zorgen dat een school goed draait of minder goed draait. Wij hebben op dit moment zorgen over de kwaliteit van het management. Wij zijn van mening dat je heel goed moet nadenken over de vraag op welke manier wij dat management uiteindelijk kunnen verbeteren. Wij vinden dat er in belangrijke mate cursussen ontwikkeld zouden moeten worden voor managers en middlemanagers. Wij zouden ook moeten kijken op welke manier die managers zelf meer tijd en ruimte voor zichzelf kunnen creëren om die managementopleidingen en die opleidingen in zijn algemeenheid te gaan volgen. Waarom? Omdat wij vinden dat er meer onderwijskundig leiderschap binnen die scholen zou moeten komen. Het kan niet zo zijn dat er alleen mensen zijn met financiële verantwoordelijkheden en financiële kennis, want er moeten ook mensen zijn die op dit moment meer kennis hebben op het terrein van onderwijskunde, pedagogiek en didactische vaardigheden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Kan de heer Jan Jacob van Dijk uitleggen wat hij nu precies bedoelt? Bedoelt hij dat managers in het onderwijs een onderwijsbevoegdheid zouden moeten hebben? Ik heb nog een aanvullende vraag. Vindt hij het een goede zaak als managers in het onderwijs over het algemeen ook zelf een paar uur per week voor de klas staan?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ten aanzien van dat laatste denk ik dat dit vooral aan de managers zelf moet worden overgelaten. Wat mij betreft wil ik hier niet het panacee opleggen dat managers ook zelf een aantal uur voor de klas moeten staan. Dat is hun eigen werkindeling en het is aan hen om ervoor te zorgen dat zij feeling blijven houden met hetgeen op de werkvloer gebeurt. Dat kan zijn doordat zij nog deel uitmaken van een vakgroep. Dat kan doordat zij zeggen dat zij nog veel contact hebben met de docenten in zijn algemeenheid. Het kan ook zijn doordat zij zeggen dat zij nog voor die klas gaan staan. Dat moeten zij zelf weten.

Het gaat ons er in belangrijke mate om dat er meer kennis bij hen zou moeten komen. Moet dat precies een onderwijsbevoegdheid zijn? Ik zou niet per se zo ver willen gaan, maar ik vind wel dat zij meer moeten weten van wat er nu precies aan didactische en onderwijskundige kennis binnen zo'n instituut zou moeten zijn, en ook van wat er überhaupt op dit moment in de wetenschap aan dat soort ontwikkelingen plaatsvindt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hoe moet ik dan precies uw voorstel vertalen? Zegt u dat managers echt op de een of andere manier een onderwijsdeskundigheid in huis moeten hebben? Of doet u meer een moreel appel in de trant van "het zou goed zijn als..."

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij hebben op dit moment niet opgenomen in wetgeving waar managers exact aan zouden moeten voldoen en ik zou ook niet zo ver willen gaan dat wij dat hier even exact neerleggen. Ik doe wel een moreel appel op managers om ervoor te zorgen dat zij weten waar de mensen in de klas mee in aanraking komen en dat zij daarvan voldoende kennis hebben.

Het tweede thema gaat over het onderwerp van vertrouwen binnen scholen. Als het gaat om vertrouwen binnen de scholen, moeten wij ervoor zorgen dat docenten de ruimte krijgen om onderling met elkaar over onderwijskundige vraagstukken van gedachten te wisselen. Hoe ziet nu precies het onderwijskundig concept eruit binnen een school? Dat zijn thema's waar docenten buitengewoon veel kennis over hebben, maar waarover zij op dit moment vaak niet met elkaar van gedachten wisselen. In het Plan LeerKracht en het naar aanleiding daarvan gesloten convenant, is het thema van de professionele ruimte naar voren gebracht. Wij denken dat dat een belangrijke aanvulling zou kunnen om dat op een goede manier te kunnen gaan regelen. Het moet dus wel op een vele frequentere basis gebeuren dan het op dit moment gebeurt.

Ten tweede vinden wij dat ook binnen die klas veel meer met elkaar gesproken moet worden over hoe docenten daarin opereren. Ik doel op intervisie, mentorgesprekken en manieren waarop men elkaar een spiegel kan voorhouden om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het lesgeven een stukje opgekrikt wordt. De klas is niet het heilige der heiligen waar alleen die ene docent binnen kan. Daar moet veel meer met elkaar over gesproken worden, met als doel om ervoor te zorgen dat de kwaliteit aanzienlijk verbeterd wordt. Wij vinden dat een belangrijk onderdeel van een modern personeelsbeleid.

De discussie over onderwijskundige concepten moet naar onze mening vakinhoudelijk met name door de docenten worden gevoerd, maar zal uiteindelijk afgerond moeten worden binnen de medezeggenschapsraden. De discussie aldaar mag wat ons betreft wat vaker plaatsvinden en wij vinden ook dat docenten met meer enthousiasme in de medezeggenschapsraden actief zouden moeten participeren. Wij zullen daar in september nog met elkaar over van gedachten wisselen, maar wij hebben wel gezien dat de aandacht en de waardering voor het werk in medezeggenschapsraden nu niet direct heel erg groot is bij de docenten.

Het derde thema is vertrouwen in de onderwijsinstellingen. Wij hebben gezien dat er in het recente verleden van diverse zijden nogal wat kritiek is gekomen op de zogeheten lumpsumfinanciering. Wat ons betreft, moet de lumpsumfinanciering niet ter discussie worden gesteld. Wij vinden dat die gehandhaafd moet blijven zoals die nu is. Het lijkt ons onverstandig om vanuit de Hoftoren precies te gaan bepalen hoe de budgetten er voor iedere school uit moeten komen te zien, hoe daar precies over nagedacht gaat worden en hoe het allemaal besteed moet gaan worden. Dat is ruimte die wij aan de scholen moeten laten, en het is ruimte waar de scholen op een serieuze manier mee om moeten gaan.

Tegelijkertijd constateren wij een behoorlijk groot gestold wantrouwen vanuit de overheid tegenover de scholen. Dat komt onder andere tot uitdrukking in de vele administratieve lasten die wij scholen opleggen. Wij zouden willen voorstellen dat de commissie-"dor hout", die binnen het ministerie van OCW bestaat, voor 1 september met concrete maatregelen komt waarmee de administratieve lasten serieus worden teruggebracht, evenals de gevoelde belasting door die administratieve lasten. Die commissie bestaat nu al een poos en wij denken dat zij nu echt moet gaan leveren. Wij willen voor 1 september een lijst met maatregelen hebben op grond waarvan wij kunnen zeggen dat de administratieve lastendruk echt serieus teruggebracht wordt. Wij zouden die lijst voor 1 september willen hebben en laat het een indrukwekkende lijst zijn van maatregelen die geschrapt zouden kunnen worden, zodat wij in ieder geval dat gestolde wantrouwen wat kunnen wegnemen.

Ik kom straks nog wat uitgebreider terug op de rol van de inspectie. Wat het toezicht betreft, heeft de inspectie de rol, te controleren hoe het nu precies zit met de resultaten die uiteindelijk bereikt worden. Wij gaan dus niet kijken hoe het onderwijs precies wordt gegeven. Dat is een zaak die binnen de school wordt bepaald. Het gaat ons om de vraag wat er uiteindelijk bereikt wordt als resultaat. In dat kader is er nog een interessante opmerking te maken. Bij het bepalen van de toegevoegde waarde van een school wordt er een zwaar accent gelegd op de zogeheten toetsen, ook in het plan dat nu op tafel ligt, terwijl de Onderwijsraad in een reactie juist vraagt of de bewindslieden dat nou wel zouden doen. Is het wel verstandig om die toetsen en de invoering van toetsen te belasten met het element van die toegevoegde waarde? Is het verstandig dat per se erbij te willen hebben? Ik zou graag een reactie willen horen hierop.

Voortbordurend op de rol van de inspectie lopen wij elke keer weer tegen de vraag aan op welk moment je kunt ingrijpen om ervoor te zorgen dat het uiteindelijk goed gaat. Het gaat ons immers om de leerling, die aan het einde van de rit een goede opleiding gehad moet hebben. Een goede opleiding betekent ook dat iemand aan het einde van de rit goede kennis en kennisresultaten mee moet kunnen nemen. Wanneer het niet goed geregeld is op een school, kan de inspectie altijd pas achteraf ingrijpen. Dat brengt wel eens met zich mee dat wij het gevoel hebben dat er pas te laat kan worden ingegrepen. Wij zijn wat dat betreft blij dat wij op dit moment het andere toezicht, de zogenaamde interventieladder, ook voor de inspectie kunnen hebben en wij gaan ervan uit dat wij daarmee sneller en adequater kunnen ingrijpen. Dat hopen wij. Ik zie mevrouw Dijksma al enigszins fronsen en daar vraagtekens bij zetten, maar wat ons betreft is het van belang dat wij met die interventieladder en de risico-inventarisatie sneller en adequater kunnen ingrijpen. Wij weten dat een school die als risicoschool is aangewezen, dan ook de tijd heeft om een verbeterplan op te stellen. Dat is in belangrijke mate een taak van het bevoegd gezag. Wij kunnen ons voorstellen dat de inspectie het een en ander heeft geconstateerd. Wellicht heeft zij ook suggesties gedaan voor een verbeterplan, maar het is voor een school bijzonder lastig om dat plan op een goede manier handen en voeten te geven met de intentie ervoor te zorgen dat zij zich aan de haren uit het moeras kan trekken. Heeft het kabinet suggesties voor bijvoorbeeld scholen over de wijze waarop steun kan worden gegeven? Zijn er manieren om steun te geven bij het opstellen van het verbeterplan en ervoor te zorgen dat de benodigde analyse goed is? Het is belangrijk handreikingen te doen voor het uitvoeren van het verbeterplan.

Mocht een bevoegd gezag uiteindelijk niet tot een verbeterplan komen en evenmin de mogelijkheid hebben om zichzelf aan de haren uit het moeras te trekken, dan moet het ministerie van OCW de rechter kunnen vragen een bewindvoerder aan te stellen om een en ander over te nemen. De laatste stap zou kunnen zijn dat de rechter besluit over te gaan tot het stopzetten van de bekostiging. Wij zijn dus van mening dat de rechter een cruciale rol speelt in plaats van het ministerie.

Tijdens het vorige debat hebben wij uitvoerig van gedachten gewisseld over leerstandaarden en kennis. Wij hebben toen geconcludeerd dat er meer evenwicht moet komen tussen kennis en vaardigheden, zonder de vaardigheden direct teniet te doen. Die balans moet naar ons oordeel wat doorslaan aan kenniszijde. Eerder hebben wij van gedachten gewisseld over de leerstandaarden. Het verbaasde ons dat de Onderwijsraad, direct nadat wij die discussie hadden gevoerd, over dat onderwerp weer een advies heeft uitgebracht. Hij wijkt daarmee af van het standpunt van het kabinet. De raad spreekt over andere soorten niveaus, andere leeftijdscategorieën bij die niveaus en hij pleit ook voor een leerstandaard voor het Engels. Wij zijn van oordeel dat het voor het laatste nog te vroeg is. Ik hoop en ga ervan uit dat het kabinet onze mening deelt.

Tijdens het vorige debat is ook de canon uitvoerig aan de orde geweest. Voor de duidelijkheid merk ik op dat wij geen tegenstanders zijn van canons. Tijdens het debat over de geschiedeniscanon hebben wij gezegd dat het op zichzelf goed is om canons op te stellen. De vraag is echter wat daarmee wordt gedaan: is het een verplichting en worden de kerndoelen letterlijk overgenomen, of is het veel meer een handreiking voor docenten die globaal moeten weten wat zij zouden kunnen doen? Wij leggen het accent op het laatste.

Wij hebben gesproken over de vraag in hoeverre het onderwijs mag worden opgescheept met alle maatschappelijke problemen onder de noemer dat alle jongeren daar bij elkaar komen en dat de school dus het ideale postbusnummer is waaronder jongeren eenvoudig bereikbaar zijn. Wij vinden het belangrijk dat wij die gedachte naast ons neerleggen. Natuurlijk zijn jongeren op scholen gemakkelijk bereikbaar, maar het is niet goed om elk maatschappelijk probleem op hun bordje neer te leggen. Er wordt voorgesteld om het onderwerp "mediawijsheid" toe te voegen aan de kerndoelen van het onderwijs. Wij vinden dat een foute zet. Daarmee zouden wij niet de juiste les leren uit het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Als scholen binnen hun zogeheten vrije ruimte na overleg met de ouders tot de conclusie komen dat het verstandig is om ook dat als vak te doceren, is het aan de school om daarover een besluit te nemen. Wij pleiten er echter voor om het vak niet in de kerndoelen op te nemen en gaan ervan uit dat de ouders een belangrijke rol vervullen in het met de docent bepalen van de vakken in de zogenaamde vrije ruimte.

De aanleverende en de afnemende school moeten precies weten wat er is gedoceerd, wat men mag verwachten en wat de kennis en de vaardigheden van leerlingen zijn. In dit kader spelen leerstandaarden natuurlijk een buitengewoon belangrijke rol. Die leerstandaarden moeten uiteindelijk ook worden getoetst. Daarover hebben wij tijdens het debat met de commissie uitgebreid van gedachten gewisseld. Wij hebben ons afgevraagd hoe moet worden omgegaan met toetsen, eindtoetsen. De belangrijkste conclusie was dat het leerlingvolgsysteem al buitengewoon veel informatie verstrekte en dat het goed was als dat op alle scholen serieus zou worden gehanteerd. Wij hebben echter ook geconstateerd dat het verstandig is om wel een gevalideerde toets aan het einde van de basisschool te hebben, zodat kan worden getoetst in hoeverre de leerstandaarden daadwerkelijk worden behaald, en dat iedereen binnen de klas, binnen de school daaraan deelneemt. Er mag geen deel van worden uitgesloten; iedereen moet daaraan deelnemen. Bovendien hebben wij de conclusie getrokken – ik vind dat een belangrijke conclusie – dat niet alleen aan de hand van de Cito-toets mag worden besloten dat een leerling toegelaten wordt tot een vwo, een havo, vmbo-tl of wat dan ook. Het moet gaan om de informatie die in dat leerlingvolgsysteem zit; de Cito-toets mag niet het enige instrument zijn. Ik heb net al kritische kanttekeningen geplaatst bij de Cito-toets als instrument om de toegevoegde waarde te meten. Ik vraag uw mening, zeker ook op basis van wat de Onderwijsraad naar voren heeft gebracht.

Wij delen de mening van de staatssecretaris dat het onverstandig is om in de derde groep van de basisschool een begintoets af te nemen. Wij denken dat het leerlingvolgsysteem veel meer informatie verschaft dan een begintoets.

Het laatste thema op dit terrein heeft in belangrijke mate te maken met betrouwbare examens. Op veel scholen bestaat er nog steeds een groot verschil tussen het centraal schriftelijk examen en het schoolexamen. De commissie stelt voor om dan maar te eisen dat er zowel op het centraal schriftelijk examen als op het schoolexamen een voldoende wordt gehaald. Dat idee, die gedachte steunt de CDA-fractie niet. Zij ziet wel graag dat de inspectie op dit terrein een belangrijker rol gaat spelen, zodat de verschillen afnemen. Ik wijs in dat kader weer even op de situatie op particuliere scholen. Daar zijn de verschillen echt exorbitant groot. Gisteren of vandaag stond er in de krant dat er ook op andere plekken nog wel het een en ander is. Wij wensen geen dubbele exameneis, maar wel dat er hard gewerkt wordt om de kwaliteit van de schoolexamens aanzienlijk te verbeteren. Wij wisselen graag met u van gedachte over de manier waarop de kwaliteit van schoolexamens kan worden verbeterd.

De Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO) gaat over de kwaliteit van de centraal schriftelijke examens. De schoolexamens wekken bij ons de indruk dat de kunst van toetsen en ontwikkelen van toetsen wel eens wordt onderschat. Het lijkt erop dat men denkt dat dit zo maar even kan worden gedaan. Hoe kan ervoor worden gezorgd dat gemeten wordt wat men wenst te meten?

Dat het vertrouwen van de politiek moet worden herwonnen – vooral de politiek moet deze taak op zich nemen – is een van de kernconclusies van het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Daarin werd aangegeven dat er onzorgvuldig overgegaan is tot grote, majeure onderwijsvernieuwingen en dat men onvoldoende tijd en financiële ruimte heeft geboden om die onderwijsvernieuwingen verantwoord in te voeren. Ik denk dat dit een belangrijke les is. Het kabinet is die mening ook toegedaan. Wij zijn het daar erkentelijk voor.

Wat te doen om te voorkomen dat dit in de komende periode gebeurt? Helder moet worden gemaakt wie waarvoor verantwoordelijk is. De overheid is verantwoordelijk voor het wat en de scholen in belangrijke mate voor het hoe. Dat betekent in onze ogen dat de inspectie zich ook aan dit rijtje moet gaan houden, aan dit onderscheid, en niet dat de inspectie ook nog eens nagaat welke didactische concepten er op scholen zijn om daar behoorlijk wat kritiek op te kunnen geven. Dit mag niet meetellen in het uiteindelijke rapport dat zij uitbrengt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. De inspectie constateert in haar verslag over het afgelopen jaar dat er bijvoorbeeld wel wat zorgen zijn over het activerend leren. De inspectie kijkt daarnaar en gaat de scholen in. Dat lijkt mij bij uitstek een kwestie van het hoe. Vindt de heer Jan Jacob van Dijk dat de inspectie helemaal niet meer moet kijken naar het schoolklimaat en het pedagogisch klimaat op scholen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat is een heel ander verhaal. Wat de heer Jasper van Dijk nu naar voren brengt, gaat over het pedagogisch klimaat en het klimaat binnen de school meer in het algemeen. De inspectie moet ervoor zorgen dat aan het einde van de rit de resultaten worden behaald die moeten worden behaald. Op dat punt heeft de inspectie een belangrijke rol. In dit kader is het ook van belang om te weten hoe het klimaat binnen een school is, omdat dit in belangrijke mate iets zegt over de manier waarop men uiteindelijk de resultaten zal behalen. De inspectie moet echter niet meer in detail inzoomen op vragen naar bijvoorbeeld de methode die wordt gebruikt. Beslissingen hierover moet men aan de school overlaten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Op dit punt kan ik een heel eind met u meegaan. Ik vroeg echter expliciet naar uw mening over het feit dat de inspectie beoordeelt of leraren wel voldoende aandacht geven aan activerend leren. Mag de inspectie dit volgens u binnen een school bekijken?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Eerlijk gezegd vind ik dat de inspectie daarmee over de grens gaat. Mijns inziens is dat in belangrijke mate een zaak van de school. De inspectie controleert of er voldoende resultaten worden behaald. Het is aan de school om te bepalen op welke manier deze resultaten worden behaald.

Mijn volgende onderwerp hangt nauw samen met het vorige. Welke rol spelen de huidige sectorraden, zoals de PO-Raad, de VO-raad, de HBO-raad, de VSNU enzovoorts? In het advies van de Onderwijsraad worden enkele opmerkingen gemaakt over de vraag wat wij wel en niet aan de PO-Raad en de VO-raad zouden kunnen overlaten. Men concludeert dat de rol van de overheid met name bij de PO-Raad en de VO-raad veel zwaarder zal moeten blijven, vergeleken met die rol bij bijvoorbeeld de MBO Raad en de HBO-raad. Dit heeft vooral te maken met de grondwettelijke verplichting die in artikel 23 is neergelegd. Ook vindt de Onderwijsraad dat je bij de eerstgenoemde raden met een heel ander soort sector te maken hebt. Dit betekent dat je ook op een andere manier met elkaar moet discussiëren over de inhoud van kwaliteitsagenda's. Bij de uitvoering moeten zaken op een heel andere manier worden overgelaten aan de PO-Raad en de VO-raad, dan aan andere raden. Hoe denkt het kabinet hierover? De argumenten die door de Onderwijsraad naar voren worden gebracht, worden in belangrijke mate gedeeld door de CDA-fractie. Bij de vraag welke zaken wij overlaten aan bepaalde koepels is volgens ons een gedifferentieerde benadering nodig.

Voorzitter: Cramer

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ook hierin kan ik een heel eind meegaan met de heer Jan Jacob van Dijk. Wat wil hij precies veranderen aan de positie en de bevoegdheden van de PO-Raad en de VO-raad?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Over de bevoegdheden van de PO-Raad weten wij op dit moment nog niet heel veel. In de afgelopen periode zijn met de VO-raad afspraken gemaakt over de kwaliteitsagenda. Daarbij is wellicht over een aantal zaken gezegd: dit zou u kunnen gaan uitvoeren. Het is de vraag of je dit wel volledig aan de VO-raad kunt overlaten. Als de heer Jasper van Dijk mij nu om een paar concrete onderwerpen vraagt, blijf ik even in gebreke. Over de algemene lijn kan ik zeggen dat ik van mening ben dat je aan de HBO-raad en de VSNU meer kunt overlaten dan aan de PO-Raad en de VO-raad. Deze algemene constatering is nieuw en een element dat tot nu toe nog niet in discussie is geweest. Ik vraag hierover een reactie van het kabinet. Ik ben benieuwd welke kant men daarbij opgaat.

Ik kom op de vraag of er nieuwe instellingen zouden moeten komen. In het rapport van de commissie-Dijsselbloem wordt geconstateerd dat met verscheidene groepen eigenlijk geen overleg werd gevoerd. Ik denk daarbij aan overleg met docenten en met ouders over de invoering van grote onderwijsvernieuwingen. Hieruit kwam de suggestie naar voren om met behulp van nieuwe instellingen een nieuwe discussie en een nieuw platform voor overleg te organiseren. Eerlijk gezegd is mijn fractie geen groot voorstander van het naar voren brengen van nieuwe instellingen. Daarbij noem ik één uitzondering, namelijk de zogeheten Stichting voor het Onderwijs. Deze stichting wordt echter door de sociale partners zelf ingericht. Mijn fractie is op dit moment meer voor het beter benutten van bestaande overlegorganen dan voor het naar voren brengen van nieuwe instituties.

De commissie-Dijsselbloem heeft ook een nieuw toetsingskader aangeleverd dat moet worden ingezet als er grote onderwijsvernieuwingen zouden moeten worden ingevoerd. Een van deze toetsingskaders wordt nu toegepast op het competentiegericht onderwijs; daarvan zijn wij al op de hoogte gesteld. Het verbaast ons echter dat de minister in zijn kabinetsreactie op het rapport van de commissie-Dijsselbloem wel heeft aangekondigd dat hij dit ook gaat doen op het terrein van passend onderwijs, terwijl hij dit niet heeft gedaan in de nota die hij recent naar de Kamer heeft gezonden omtrent de voortgang op het terrein van passend onderwijs. Wij gaan ervan uit dat de kabinetsreactie op Dijsselbloem leidend zal zijn, ook op dit terrein.

Het punt vertrouwen van ouders in het onderwijs brengt mij op het thema van de zorgleerlingen, een onderwerp waarover wij ook met elkaar van gedachten hebben gewisseld, met name ten aanzien van de vraag in hoeverre ouders nu wel of niet exact inzicht zouden moeten krijgen in de financiële aspecten en het budget op dit terrein. Wat ons betreft is het van groot belang dat er met ouders van zorgleerlingen uitvoerig overlegd gaat worden wat er nu precies gaat gebeuren en dat er afspraken worden gemaakt om ervoor te zorgen dat het uiterste uit kinderen wordt gehaald, opdat zij uiteindelijk op een goede manier alsnog deze stappen kunnen gaan zetten. Dat men daarbij niet tot op de komma nauwkeurig weet hoeveel geld hiermee gemoeid is, vinden wij eerlijk gezegd wat minder van belang. Het moet ons gaan om de inhoud en niet om de exacte financiën. Wij steunen in dat opzicht de voorstellen zoals de minister deze in zijn brief naar voren heeft gebracht. Hij zegt hierin: de inhoud vind ik belangrijker en over dat andere wil ik wel serieus gaan nadenken, maar ik wil hier later nog eens in overleg met ouders en docenten op terug komen. Het lijkt ons eerlijk gezegd goed om dat op die manier te gaan doen.

Ook voor ouders van kinderen met wie geen problemen zijn, vinden wij het van groot belang dat er op een goede manier informatie wordt overgebracht over de vraag hoe een school precies presteert. Dat zit hem in belangrijke mate ook al in de informatie die de Onderwijsinspectie aanlevert. Ik weet niet of de minister al eens naar de website van de Onderwijsinspectie heeft gekeken, maar je moet echt een afgestudeerd pedagoog zijn om de rapporten echt op een goede manier te kunnen begrijpen. Minister, zorg ervoor dat de inspectie eerst eens leesbare rapporten aanlevert en zorg er ook voor dat er met name bij scholen een bewustzijn gaat ontstaan dat het van belang is om deze rapporten, inclusief de verbeterplannen, bij de ouders onder de aandacht te brengen. Dat zorgt ervoor dat er ook veel meer betrokkenheid gaat komen van ouders bij de scholen.

Dan – ik zie mevrouw Halsema al opgelucht ademhalen – ben ik bijna bij het voorlaatste onderwerp aangekomen, namelijk het onderwerp van de gelijke kansen. Dit onderwerp is wat ons betreft van groot belang om ervoor te zorgen dat iedereen zijn talenten tot ontwikkeling kan laten komen. Wij moeten ervoor zorgen dat niet wat toevallig het opleidingsniveau van je ouders is of hun financiële situatie, bepaalt of je de opleiding krijgt waarop je recht hebt. Wij weten dat niet iedereen een gelijk ontwikkelingsniveau meemaakt. Om die reden ondersteunen wij ook de plannen zoals deze door de commissie-Dijsselbloem naar voren zijn gebracht en volgens welke het mogelijk zou moeten zijn om van vmbo 3 over te stappen naar havo 3. Dat zou de reguliere weg moeten zijn wat de doorstroming betreft van vmbo-tl naar de havo-opleiding. De minister zegt dat hij dit soort belemmeringen nog wil gaan onderzoeken. Wij gaan ervan uit dat dit zonder al te veel belemmeringen heel snel gerealiseerd zou moeten kunnen worden. Volgens ons heeft hij daarvoor dus niet zo heel veel onderzoek nodig.

Een ander element is de vraag of iemand vijf of zes jaar op een vmbo mag zitten. Naar wij begrepen hebben, is op dit moment formeel vijf jaar de regel, maar is met dispensatie zes jaar ook mogelijk. De administratievelastendruk om dit ook voor elkaar te krijgen, is echter ongelooflijk. Kan de minister deze drempels niet gaan verlagen om dit uiteindelijk mogelijk te maken?

Mijn voorlaatste onderwerp betreft het innovatief vermogen van het onderwijs; een onderwerp dat heel weinig aandacht heeft gekregen, maar dat onder andere bij de SLOA-instellingen op dit moment wel volop leeft. Wij zien daar wetenschappelijke ontwikkelingen die een rol zouden kunnen spelen bij onderwijsvernieuwingen. Waar wij op dit moment nog helemaal geen aandacht voor hebben, is de vraag wat innovatie tevens zou kunnen betekenen voor het terrein van de arbeidsmarkt, of wat dit voor consequenties zou kunnen hebben voor ICT. Het lijkt ons van groot belang om aan dit soort elementen meer aandacht te besteden. Wat dat betreft willen wij de minister voorstellen om te komen – ik aarzel over het woord "innovatieplatform" – met een plek waar het onderwerp innovatie een veel centralere rol gaat krijgen en waar mensen vanuit SLOA-instellingen, het sbo en de wetenschap met elkaar om de tafel gaan zitten om ervoor te zorgen dat het innovatief vermogen in scholen echt nadrukkelijk verbeterd gaat worden.

Mevrouw de voorzitter, ik kom tot een afronding.

De voorzitter:

Misschien kunt u beter de term "mijnheer de voorzitter" gebruiken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Sorry. Ik laat dit maar even. Wij zouden hierover mooie opmerkingen kunnen maken, maar de staartjes in uw haar waren mij nog niet opgevallen.

Waar doen wij het allemaal voor? Wij doen het hier niet voor de docenten, niet voor de managers, maar voor de leerlingen. Onderwijs is ervoor bedoeld om leerlingen een goede start te geven op de arbeidsmarkt en een goede start te geven om een actieve burger te kunnen zijn in deze samenleving. Dat moet de centrale boodschap zijn als wij bezig zijn met onderwijsdebatten. Dat moet ook de centrale boodschap zijn voor de toekomstige onderwijsvernieuwingen, die wij hier in de toekomst nog uitgebreid met elkaar zullen bespreken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zou nog even terug willen naar het blokje "lumpsum". De heer Van Dijk heeft daarvoor een voorstel gedaan, of hij heeft aangekondigd om voor een bepaalde termijn voorstellen te doen; ik weet het niet meer precies. Mijn vraag is deze. Wat vindt de heer Van Dijk van de aanbeveling van de heer Dijsselbloem dat scholen in ieder geval inzichtelijk zouden moeten maken waar het geld naartoe gaat? Wij hebben vaak een discussie over de vraag: hoeveel procent gaat er naar overhead en hoeveel procent naar onderwijs? Dat is lastig, dat weet ik. Vindt hij dat wij daartoe een poging zouden moeten doen?

De voorzitter:

Misschien ten overvloede, het is "de commissie-Dijsselbloem" en niet "de heer Dijsselbloem".

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daar hebt u gelijk in.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij hebben nu even met een heel precieze voorzitter te maken.

De voorzitter:

Dat zult u nog wel merken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik ben blij dat ik klaar ben!

De aanbeveling van de commissie Onderwijsvernieuwingen legt in belangrijke mate neer dat scholen inderdaad de transparantie zouden moeten vergroten. Dat vinden wij van belang. Die transparantie zou niet zozeer in de richting van de politiek moeten zijn, maar vooral in de richting van ouders. Aan ouders moet helder worden gemaakt: dit is wat wij gedaan hebben met de financiën. Los van hetgeen in het rapport van de commissie Onderwijsvernieuwingen staat, vonden wij altijd al dat een belangrijke voorwaarde is dat men inzicht moet bieden in wat er precies gedaan wordt met het geld.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb de brief van het kabinet gelezen, en die is op dat punt nogal afwachtend. Daarin staat: er zijn benchmarks in de maak, en dat willen wij eerst afwachten. Ik zou zeggen dat ouders, leerlingen, betrokkenen en ook, lijkt mij, de politiek die openbaarheid, de transparantie over het budget, inderdaad zo snel mogelijk zouden moeten krijgen. Kan ik daarin op de steun van de heer Van Dijk rekenen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Van Dijk haalt twee dingen door elkaar. Benchmarks zijn iets anders dan het verschaffen van inzicht. Benchmarks houden in dat een aantal kenmerken wordt ontwikkeld waaraan moet worden voldaan; als daarvan wordt afgeweken, heeft men een probleem. Dat vind ik een ander verhaal dan dat precies wordt aangegeven wat men met de financiën heeft gedaan. Ik ben voorstander van dat laatste. Het eerste komt wel een keer. Van het laatste ben ik voorstander: zorg ervoor dat ouders kunnen zien waar het geld naartoe gaat.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. "Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering". Zo begint artikel 23 van de Grondwet. Burgers hebben dan ook alle reden om de politiek aan te spreken op de kwaliteit van ons onderwijs. De hoofdconclusie van het rapport Tijd voor onderwijs van de commissie-Dijsselbloem is dat wij juist bij het zeker stellen van de kwaliteit van het onderwijs tekort zijn geschoten. Het is daarom goed dat de bewindspersonen er niet omheen draaien en klip-en-klaar stellen dat de zorgen over de kwaliteit van het onderwijs terecht zijn. Er zijn te veel leerlingen die slecht scoren op taal en rekenen, te veel leerlingen die zonder diploma van school af gaan, en te veel toekomstige docenten die op de pabo zakken voor de begintoets voor taal en rekenen. Dit bevestigt de zorgen van ouders, leerlingen en docenten. Ondanks deze harde conclusie stelt het kabinet terecht dat er in ons land nog steeds goed onderwijs wordt gegeven door de inzet van ouders, leidinggevenden, ondersteunend personeel en vooral door bevlogen docenten. Maar het moet dus wel beter.

Onder het motto "voorwaarts en niet vergeten" gaan het kabinet en de politiek de lessen en de aanbevelingen van de commissie-Dijsselbloem in de praktijk brengen. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat de zorg voor goed onderwijs bij de overheid in goede handen is en blijft. De primaire taak van de overheid is het definiëren van de onderwijsdoelstellingen, het gevleugelde "het wat", en het inzichtelijk maken van de prestaties. De politiek moet dus wel degelijk ambities hebben ten aanzien van het onderwijs, maar niet op de stoel van de professionals gaan zitten.

De politiek gaat over "het wat", de scholen over de manier waarop dit geleerd wordt. Je zou zeggen dat dit een voor de hand liggende taakverdeling is. De overheid heeft zich in de afgelopen jaren te weinig aan deze taakverdeling gehouden. Aan de ene kant is zij zich te veel met het "hoe" gaan bemoeien, met de didactiek. Aan de andere kant heeft de overheid haar kerntaak, het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs, verwaarloosd. Daardoor voelde de leraar zich miskend en maakten ouders en leerlingen zich zorgen over de kwaliteit van het onderwijs. Zij zagen allen een overheid die nauwelijks ingreep als het moest. Het gevolg is een vertrouwensbreuk. Zoals in de brief van de regering staat, moet het vertrouwen hersteld worden. Het gaat dan om het vertrouwen tussen de politiek en het onderwijs. Wij moeten samen staan voor goed onderwijs. Ook gaat het om het vertrouwen tussen docenten en het management, die samen werken aan een goede school en om het vertrouwen van ouders en leerlingen dat de kwaliteit van het onderwijs goed is.

De fractie van de Partij van de Arbeid is blij dat de regering in haar brief schrijft dat zij het als haar belangrijkste taak ziet dit vertrouwen te herstellen. Dit wil zij doen door aan de ene kant zich niet meer met alle aspecten van het onderwijs te bemoeien en aan de andere kant niet weg te kijken wanneer het om de kerntaak van de overheid gaat, het bewaken van de kwaliteit. Daarbij wil zij wel degelijk alert en duidelijk optreden, door verantwoordelijkheid te nemen en in te grijpen als dat nodig is, in plaats van weg te kijken en het aan een ander over te laten.

Wat moeten de burgers van het onderwijs kunnen verwachten? De Partij van de Arbeid streeft naar onderwijs dat alle kinderen gelijke kansen biedt zich te ontplooien en talenten maximaal te ontwikkelen, om zo volwaardig mee te doen in onze samenleving. Ons ideaal, dat deze kans onafhankelijk is van de afkomst, de achtergrond en het inkomen van een kind heeft nooit aan relevantie ingeboekt. Het is daarom pijnlijk dat de commissie concludeert dat het beoogde doel van de onderwijsvernieuwing, namelijk het verbeteren van de onderwijskansen voor kinderen in kwetsbare posities, niet is bereikt. De regering schrijft: "in een poging alle leerlingen naar een zo hoog mogelijk niveau te tillen, kreeg een flink aantal leerlingen onderwijs aangeboden dat niet bij ze paste". Gelijke kansen aanbieden betekent rekening houden met verschillen tussen kinderen. Tegen die achtergrond vinden wij het van groot belang dat leerlingen het beste uit zichzelf kunnen halen. Het zetten van tussenstappen beschouwen wij daarom als een teken van vooruitgang en niet als een inefficiënte leerweg, zoals het in de jaren negentig is gaan heten. Leerlingen verschillen tenslotte in aanleg, tempo van ontwikkeling en ambities.

Het kabinet neemt de aanbeveling van de commissie-Dijsselbloem over om een analyse te maken van de mogelijkheden van dwarsverbanden en overstapmogelijkheden tussen de verschillende onderwijstypen. Wij krijgen deze analyse begin 2009. Voor de fractie van de Partij van de Arbeid is deze ambitie toch wat te beperkt. Wij willen niet alleen een analyse, maar ook concrete voorstellen. Wij willen expliciet de toezegging dat er niet alleen gekeken wordt naar doorstroom en stapelen, maar ook naar de meerwaarde van het wegwerken van taalachterstand door voorschool, schakelklassen en verlengde schooltijden. Wij willen deze analyse niet pas in 2009 krijgen. Wij willen de voorstellen vóór de begrotingsbehandeling van OCW ontvangen, zodat wij er eventueel meteen gevolg aan kunnen geven.

Ondanks dat het onderzoek nog moet worden gedaan, is de Partij van de Arbeid er al van overtuigd dat de maximale verblijfsduur op het vmbo van vijf jaar moet worden aangepast. Dit sluit aan bij wat de heer Van Dijk van het CDA daar zojuist over zei. Wat ons betreft is daar geen uitgebreid onderzoek meer voor nodig. Ook willen wij meer aandacht voor de omgang met zittenblijvers op scholen. Hoe denkt het kabinet erover dat het huidige toetsingskader van de onderwijsinspectie scholen straft die leerlingen kansen bieden en daardoor meer risico lopen op zittenblijvers en afstromers?

De fractie van de Partij van de Arbeid en het kabinet vinden het van groot belang dat een leerling verkeerde keuzes kan herstellen en zich op zijn eigen manier kan ontwikkelen, ook als daarvoor tussenstappen nodig zijn. Dit heet stapelen. Tegen die achtergrond vinden wij de brief van afgelopen vrijdag over het volwassenenonderwijs toch wat teleurstellend. Het volwassenenonderwijs biedt namelijk ook kansen aan specifieke groepen jongeren die nog geen achttien jaar zijn. De huidige regels snijden mogelijkheden tot stapelen voor deze groep af. Als je zakt voor je havo- of vwo-diploma, kun je bij het volwassenenonderwijs terecht, om alsnog een diploma te halen. Als je al een vmbo- of een havodiploma hebt, en dan zakt voor respectievelijk je havo- of vwo-diploma, mag dat niet meer. Hierdoor lopen jongeren de kans mis om hogerop te komen.

Hetzelfde geldt voor jongeren die een diploma hebben, maar een opleiding willen volgen waarvoor zij eigenlijk geen goed vakkenpakket hebben. Dat heet sprokkelen. Die jongeren moeten wat ons betreft ook een kans krijgen om alsnog een hoger diploma of een aangepast pakket te halen. Dan zijn er nog jongeren boven de achttien die nog steeds op school zitten. Vaak hebben zij, bijvoorbeeld door ziekte, vertraging opgelopen, maar zijn zij hartstikke gemotiveerd. Ook zijn er jongeren in het speciaal onderwijs die eigenlijk havo of vwo aankunnen, maar dit aanbod niet hebben. Die jongeren moeten niet worden uitgesloten van volwassenenonderwijs. Wat ons betreft moeten wij niet wachten tot wij er in januari een onderzoek naar hebben gedaan. Wij moeten er nu gewoon duidelijke uitspraken over doen. Anders zien wij ons genoodzaakt om daarover, gezien de lang durende discussie erover, in tweede termijn een Kameruitspraak te vragen.

Gelijke kansen bied je ook door binnen het vmbo een arbeidsmarktgerichte leerweg mogelijk te maken, voor scholieren die niet of alleen met de grootst mogelijke moeite een startkwalificatie kunnen halen. De regering neemt deze aanbeveling over en gaat onderzoek doen. Wat ons betreft gaat het onderzoek niet meer over de vraag of er een arbeidsmarktgerichte leerweg moet komen, maar over de vraag hoe dat gaat gebeuren. Ook kinderen voor wie een startkwalificatie te hoog gegrepen is verdienen tenslotte een opleiding waarmee zij kansen krijgen op de arbeidsmarkt.

Daarnaast wil de Partij van de Arbeid ruim baan voor experimenten voor vak- en/of ambachtscholen. Het kabinet is een experiment gestart waardoor 5000 leerlingen een geïntegreerde vmbo-mbo-opleiding kunnen volgen. De PvdA vindt dat een zeer goed voorstel. Het verkleint de kans op schooluitval en biedt jongeren meer kansen op een toekomst met een diploma en een baan. Wij moeten de voorstellen van Rotterdam en Utrecht om op vakscholen een geïntegreerde vmbo-mbo-opleiding aan te bieden dus ondersteunen. Dit mag niet belemmerd worden doordat wij toevallig een experiment voor 5000 leerlingen hebben afgesproken. Graag krijg ik de toezegging dat Rotterdam en Utrecht kunnen doorgaan, ook als het nodig is het maximum van 5000 leerlingen voor het experiment te verruimen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

En als daarmee het aantal is opgesoupeerd en Leeuwarden ook een experiment wil? Moet dat dan ook kunnen? Moet iedere aanvraag exact gehonoreerd worden?

De heer Depla (PvdA):

Wij hebben eerst de 5000. Daarnaast zijn er op dit moment in Rotterdam en Utrecht, zoals wij hebben gezien in de brief van gisteren, grote problemen in het onderwijs. Men wil daar stappen zetten, onder andere het aanbieden van een doorlopende school van vmbo naar mbo. Het zou heel slecht zijn als die aanpak geremd werd doordat wij maar een beperkt aantal experimenten mogelijk maken. Wat mij betreft, krijgt Leeuwarden net zoveel kans als iedereen, maar als dadelijk de mogelijkheid tot aanvragen gesloten is en de aanvragen van Rotterdam en Utrecht nog niet zijn gehonoreerd, dan wil ik dat dit alsnog mogelijk wordt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Het maakt dus niet uit welke andere steden er bij zitten, als Rotterdam en Utrecht er maar bij zitten. Is niet een van de lessen in het rapport van de commissie dat men met een aantal experimenten moet beginnen, om daarna na voldoende ervaring te hebben opgedaan de constructie definitief in te voeren? In hoeverre past uw voorstel nog binnen de lessen die door de commissie-Dijsselbloem naar voren zijn gebracht.

De heer Depla (PvdA):

Ik heb al eerder gezegd dat het rapport-Dijsselbloem niet een soort zoektocht van argumenten is om onze eigen ideeën te ondersteunen. Het is bedoeld om kritisch naar de eigen voorstellen te kijken. Ik ben het met u eens dat het niet de bedoeling is in een keer van bovenaf dit nieuwe idee over heel Nederland uit te rollen. In Rotterdam is er wel een urgentie. Er is draagvlak bij scholen, mbo's, werkgevers en ouders om dit van de grond te krijgen. Gelet op de urgentie zou ik het erg jammer vinden om daar niets mee te doen.

De belangrijkste voorwaarde voor gelijke kansen in het onderwijs blijft gewoon goed onderwijs. Het is goed dat het kabinet als hoogste prioriteit kiest voor het versterken van de kwaliteit van het onderwijs. Daarbij moet de balans tussen vaardigheden en basiskennis worden hersteld. De basis moet in orde zijn, want alleen dan kunnen zin en onzin van de informatie die op internet te vinden is worden gescheiden. Er moet ook aandacht zijn voor vaardigheden, want je zult het niet ver schoppen als je vloekend en tierend te laat op je leerbedrijf aankomt.

De doorlopende leerlijnen voor taal en rekenen en het toevoegen van de geschiedeniscanon aan de kerndoelen krijgen tegen die achtergrond onze steun, maar het kerncurriculum bestaat wat de PvdA betreft niet alleen uit rekenen, taal en geschiedenis, ook burgerschap en culturele vorming horen er bij. Op de middelbare scholen moeten vakken als natuurkunde en economie worden vastgelegd. Ik spreek met nadruk over het kerncurriculum. Scholen en docenten moeten daarnaast de ruimte hebben om voldoende keuzes te maken wat zij leerlingen willen aanbieden.

In de beleidsreactie van het kabinet wordt nogal defensief gesteld dat niet op voorhand alle vakinhouden per definitie moeten worden gecanoniseerd. Dat vinden wij natuurlijk ook niet. De sfeer die wordt opgeroepen is echter dat canonisering een uitzondering blijft. Dat vinden wij geen goed idee. Ondertussen krijgen wij boze brieven van vakverenigingen van wiskundedocenten en economiedocenten over vakdossiers en examenprogramma's die een kant uitgaan waar men het niet mee eens is. Leemlagen van SLO- en resonansgroepen dringen de vakdocenten ondertussen wel degelijk een canonisering op, zonder dat er transparante besluitvorming en democratische vastlegging plaatsvinden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik wil even terug naar de opmerking van de heer Depla dat het vakonderwijs op de scholen goed genoeg moet blijven. Ik heb de vraag ook gesteld aan de heer Jan Jacob van Dijk. Wat als de inspectie in de school komt en van mening is dat het niet voldoende aan de orde komt, bijvoorbeeld omdat heel veel met het nieuwe leren wordt gewerkt? Mag de inspectie daarover dan helemaal niets zeggen volgens de PvdA of mag zij er wel een aantekening over geven?

De heer Depla (PvdA):

Een aantekening mag zij overal over geven. Als wij onszelf serieus willen nemen en vinden dat de inspectie sneller en eerder mag ingrijpen dan nu, moeten wij ook precies zijn. Dat is de kern. Het gaat mij niet om het hoe, maar om het wat. Als een school een onderwijsmethodiek kiest die de toevallige inspecteur geen goed idee vindt, zou het geen goede zaak zijn als de inspecteur daar iets mee doet. In de jaren negentig was het probleem dat de inspectie opvattingen had over het nieuwe leren, die impliciet over de scholen zijn uitgerold. Willen wij de inspectie meer bevoegdheden geven, wat ik vind dat moet, dan moeten wij ook scherper zijn. De inspectie mag scherper en eerder ingrijpen, maar – en ik ben het op dat punt nog niet met de brief van de minister eens – dan moeten wij wel in de wet en niet in een ministeriële regeling vastleggen wat de taken en mogelijkheden van de inspectie zijn. Aan de ene kant moet vastliggen waar zij echt kan ingrijpen als toezichthouder en bij wijze van spreken zelfs het bestuur naar huis kan sturen, aan de andere kant waar zij iets van kan vinden maar waar het aan de school is om zich er iets van aan te trekken. In dit geval zou ik zeggen: de inspectie mag er iets van vinden, maar de school hoeft zich er niets van aan te trekken. De inspectie moet hard zijn als de kwaliteit van het onderwijs in het geding is en zich niet uitlaten over de methode.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik deel de mening dat de inspectie in de jaren negentig niet goed bezig was en inderdaad het nieuwe leren en dat soort modes zelf is gaan promoten. Dat was niet goed. Het andere is staatspedagogiek, waar ik ook geen voorstander van ben. Er zit echter nog wel iets tussen. Het is volgens mij een heel normale vraag dat de inspectie toch iets moet kunnen zeggen als zij constateert dat in de school de leerlingen veelvuldig aan hun lot worden overgelaten.

De heer Depla (PvdA):

Het gaat over twee dingen. Er is het wat, waarbij de inspectie erop toeziet dat de kwaliteit van het niveau en het geleverde voldoende is. Daarnaast zijn er een paar ankers van kwaliteit, die te maken hebben met de kwaliteit van docenten en met de leertijd, de uren. Als de inspectie op een school komt waar kinderen bij elkaar zitten zonder dat er iets gebeurt, omdat er geen docent bij is, is dat een aangrijpingspunt. De inspectie mag iets vinden, maar wij moeten oppassen dat wij niet vervallen in de fout van de jaren negentig dat de inspectie opvattingen over pedagogie en didactiek heeft. Soms kunnen er op scholen dan dingen gebeuren waarbij wij denken dat wij ons kind er niet heen zouden sturen, maar wij moeten de inspectie daarop dan niet laten ingrijpen. De inspectie moet ingrijpen als de eindresultaten en de ankers onvoldoende zijn gegarandeerd. Dat is de kern.

Voorzitter. Bij de examens gaat het natuurlijk niet alleen om het vaststellen van wat kinderen moeten kennen en kunnen in de leerstanden en de kerncurricula. Kinderen, ouders, vervolgopleidingen en werkgevers moeten ook zeker kunnen zijn van de waarde van een diploma. Als het verschil tussen de scores bij schoolexamen en centraal examen groot is, daalt de waarde van een diploma. Volgens het kabinet speelt dit op maar weinig scholen. De commissie-Dijsselbloem en de onderwijsinspectie komen echter tot andere conclusies. Volgens de inspectie is bij een derde van de vwo-scholen het gat tussen het schoolexamen en het centraal examen te groot. Hoe komt de minister bij zijn conclusie dat het allemaal wel meevalt? Bij scholen waar het gat te groot is, moeten wij niet alleen het toezicht verscherpen, maar maatregelen treffen, bijvoorbeeld het stellen van de eis van een voldoende voor schoolexamen en centraal examen. Die eis geldt dan niet voor alle scholen, maar als het op een school keer op keer niet goed gaat, zouden dergelijke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden. Zijn de bewindslieden bereid, dergelijke voorstellen te onderzoeken?

Ik voeg eraan toe dat de normering niet zomaar naar beneden moet worden bijgesteld wanneer jongeren in een bepaald jaar een examen slecht maken. Hetzelfde geldt als jongeren een examen te goed hebben gemaakt. Het diploma moet het niveau garanderen. Het moet niet gebeuren, zoals nu vaak gebeurt, dat op het moment dat 66% van de mensen een voldoende moet halen, ook 66% van de mensen het diploma blijft halen zowel wanneer het niveau zakt als wanneer het niveau stijgt. Dat is geen goed idee als men het niveau en de kwaliteit wil garanderen.Depla

In het debat met de commissie-Dijsselbloem hebben wij uitgebreid stilgestaan bij de toetsen. Bijna alle scholen hebben een leerlingvolgsysteem. Het probleem is dat er op twee derde van de scholen te weinig mee wordt gedaan. Daarmee laten scholen kansen liggen om het onderwijs te verbeteren. Het is goed dat de inspectie scholen daarop gaat aanspreken.

Een ander probleem is dat te veel leerlingen worden uitgesloten van deze toetsen. Alle kinderen hebben recht op een objectief beeld van hun leermogelijkheden en vorderingen. De PvdA steunt dan ook het voorstel van het kabinet op grond waarvan kinderen niet meer uitgesloten mogen worden van deze toetsen. In groep 8 wordt van alle kinderen het behaalde eindniveau bepaald.

In het primair onderwijs heeft het leerlingvolgsysteem al goed voet aan de grond gekregen. In het voortgezet onderwijs staat het echter nog in de kinderschoenen. Is de staatssecretaris bereid om het gebruik van het leerlingvolgsysteem in het voortgezet onderwijs te stimuleren?

Wij missen een reactie op de voorstellen van de commissie-Dijsselbloem om de kwaliteit van het stelsel te bewaken. Het gaat over het niveau van het kind en van de school, maar ook over het niveau van het onderwijs in Nederland. De commissie heeft daar allerlei aanbevelingen voor gedaan, maar daar lees ik niets van terug in de kabinetsreactie.

Een van de ankers van de kwaliteit zijn goede docenten. Zonder goede docenten is goed onderwijs niet mogelijk. Met het actieplan leraren is een stap in de goede richting gezet, maar de lerarenopleidingen moeten nog wel beter. Het Onderwijsverslag bevestigt de zorgelijke conclusies van de commissie-Dijsselbloem. Goed dat het kabinet aankondigt dat er gezamenlijke eindtermen en eindtoetsen voor de lerarenopleiding komen en dat het kabinet hiervoor de verantwoordelijkheid neemt en het niet aan de sector alleen overlaat.

Zwakke scholen moeten worden aangepakt. Je kunt als kind moeilijk het beste uit jezelf halen als je school niet goed genoeg is. Kerntaak van de overheid is pal staan voor de kwaliteit. Om die kerntaak goed te vervullen en de opdracht uit artikel 23 van de Grondwet te kunnen waarmaken, moet de inspectie meer instrumenten krijgen om in te grijpen bij zwakke en zeer zwakke scholen. Wij hebben het daarnet gehad over het kunnen benoemen van een bewindvoerder en zelfs het naar huis sturen van het bestuur. Er moet niet gewacht worden totdat er strafrechtelijk iets is misgegaan of de bekostiging moet worden ingetrokken. Dan zijn namelijk al vele generaties kinderen het slachtoffer geworden.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U noemde het even tussen neus en lippen door: het bestuur naar huis toe sturen. Wie doet dat?

De heer Depla (PvdA):

Dat is een verschil tussen ons. Laten wij eerst even kijken waar wij het over eens zijn. Wij zijn het erover eens dat artikel 23 de overheid de taak geeft om voor deugdelijk onderwijs te zorgen en dus de kwaliteit te bewaken. Op basis daarvan moet er ook ingegrepen kunnen worden als de kwaliteit onder de maat is. Daar hebben wij de inspectie voor. Het speelveld voor de inspectie moet preciezer worden gemaakt: waar mag men wel en waar mag men niet iets van vinden? Als de inspectie een zwakke school aantreft, kan zij een advies geven. De volgende stap is uiteindelijk het intrekken van de bekostiging. De ervaringen van de staatssecretaris belast met het primair onderwijs geven aan dat je het wel heel bont moet hebben gemaakt, wil dat kunnen. Als je de bekostiging van een middelbare school en een roc intrekt, wordt het een stuk lastiger, want er zijn vaak geen andere scholen in de buurt. Dan ben je dus eigenlijk veel te laat. Je moet de interventie langzaam kunnen laten oplopen. De heer Van Dijk wil dat de minister of de staatssecretaris naar de rechter moet kunnen stappen met de vraag of hij een besluit wil nemen. Ik zou het ordentelijker vinden als het bestuur een bestuurlijk besluit neemt. Net als bij elk ander bestuurlijk besluit, heeft de school de mogelijkheid om naar de rechter te stappen en te zeggen dat het besluit niet zorgvuldig is genomen. De heer Van Dijk en ik zitten heel dicht bij elkaar. Alleen op dit laatste onderdeel zijn onze meningen andersom. De heer Van Dijk vindt dat de overheid het aan de rechter moet vragen, terwijl ik wil dat de overheid een besluit neemt dat door de rechter getoetst kan worden.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wat is nu ...

De voorzitter:

De heer Van Dijk afrondend.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Bij u is een tweede vraag altijd afrondend.

De voorzitter:

U hebt al uitgebreid gedebatteerd, dus het kan wel.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Maar niet over dit onderwerp.

Is het niet veel zorgvuldiger dat zo'n besluit door de rechter wordt genomen op voorstel van de overheid? Dat is toch veel beter dan dat de overheid zo'n besluit neemt, waarbij de politiek een rol kan spelen?

De heer Depla (PvdA):

Normaal gesproken neemt de overheid bestuurlijke beslissingen en toetst de onafhankelijke rechter. Waarom voor deze beslissing de rollen omgedraaid? Waarom wilt u voor deze situatie de rechter de beslissing laten nemen?

De voorzitter:

Ik begrijp dat dit toch een beetje een patstelling wordt. Ik geef u de gelegenheid om nog een poging te wagen, mijnheer Van Dijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wij zullen hierover ongetwijfeld nog met elkaar van gedachten wisselen bij de indiening van het wetsvoorstel over het onderwijstoezicht.

De voorzitter:

Dat lijkt mij dreigende taal.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik heb nog een informatieve vraag aan de heer Depla. Op welke wettelijke titel baseert hij zijn voorstel voor het openbaar en het bijzonder onderwijs?

De heer Depla (PvdA):

Artikel 23 van de Grondwet.

De heer Van der Vlies (SGP):

Staat daar iets in over een hiërarchie tussen de bekostigende overheid en het schoolbestuur?

De heer Depla (PvdA):

Er staat iets in over de bekostigingsvoorwaarden. Ook staat erin dat de overheid eisen kan stellen aan de deugdelijkheid. Zelfs voordat artikel 23 in 1917 zijn toenmalige vorm heeft gekregen, is verschillende malen gediscussieerd over die eisen van deugdelijkheid. De uitkomst was dat de overheid wetgeving mag maken, waarbij de bekostigingsvoorwaarden een vertaling zijn van de deugdelijkheidseisen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Maar ik ken geen uitwerkingswet waarin de relaties geregeld zijn en waarin op titel van een defect in het beleid inzake de bekostiging een bestuur naar huis kan worden gestuurd. Dat is het punt.

De heer Depla (PvdA):

Als dat al kan, had ik dit nu niet te berde gebracht. In de huidige omstandigheden kan de inspectie een mooi verslag maken. Vervolgens kan men een keer boe roepen en eventueel nog een keer boe roepen. Met dank aan het amendement van toenmalig Kamerlid Dijksma is het tegenwoordig ook mogelijk om een bewindvoerder aan te stellen. Punt is evenwel dat het at the end altijd gaat om het intrekken van de bekostiging. Dat is min of meer een soort doodstraf. En daar houd ik niet van, omdat die meestal niet uitgesproken wordt aangezien de schade dan veel groter is dan de winst. Ik wil dat er kleinere en minder ingrijpende stapjes worden gezet om te voorkomen dat je bekostigt zonder dat kinderen goed onderwijs krijgen. Volgens mij is het een van de onderdelen van artikel 23, namelijk dat de overheid verantwoordelijk is voor deugdelijk onderwijs.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik zie het punt natuurlijk rondom de ultieme daad van het intrekken van de bekostiging. Dan tref je namelijk de leerlingen en de ouders en dat moet je niet willen. Het gaat mij nu om een fundamenteel punt in het verenigingsrecht. Dat bedoelde ik even te markeren.

De heer Depla (PvdA):

Je kan het ook omdraaien in de zin dat je het als voorwaarde voor bekostiging stelt dat je het daaraan onderhevig maakt. Vanuit dezelfde lijn verwacht ik dat de regering het vorm gaat geven in het wetsvoorstel over het toezicht.

Als je de inspectie een zwaardere rol wilt laten spelen in het toezicht moeten wij ophouden bepaalde opdrachten aan de inspectie te geven. Tegenwoordig gebruiken wij de inspectie namelijk als een veredeld onderzoeksbureau waarvoor wij geen offertes behoeven te maken. Als de kwaliteit ons werkelijk aan het hart gaat, moeten wij ervoor zorgen dat de inspectie haar kerntaken ten aanzien van toezicht op de kwaliteit kan vervullen.

Iedereen is het erover eens dat het onderwijs geen onmogelijke opdrachten moet worden gegeven. Herstel van vertrouwen tussen de overheid en het onderwijsveld vergt terughoudendheid van de politiek en dat vraagt nog heel wat van ons, naar ik vrees. Als wij het onderwijs niet met onmogelijke opdrachten willen opzadelen moeten wij ervoor zorgen dat de randvoorwaarden goed zijn. Op die manier zullen wij de uitkomsten van het onderzoek naar de 1040 urennorm beoordelen. De regering concludeert terecht dat ook wanneer wij de scholen niet met maatschappelijke kwesties overladen, de leerlingen hun problemen niet thuislaten. Het gezamenlijk oplossen van deze problemen voordat jongeren de school zonder diploma verlaten, vraagt nog veel inspanning. Ook die opdracht voor scholen moet geen onmogelijke opdracht zijn. In het mbo lijkt het op dit moment wel het geval. Wij wachten het onderzoek naar aanleiding van mijn eigen motie en het onderzoek van de WRR af. Wij zullen kijken hoe vanuit die zorg, sociale zaken en justitie de scholen te hulp zullen schieten.

Verder valt het ons op dat het innovatiebudget voor de helft aan de schoolbesturen wordt gegeven en voor de andere helft aan de instituten en dat de vakvereniging van docenten er bijna geen rol in speelt. Is het, gezien het belang van innovatie en docenten, niet logisch om de vakvereniging meer aan het stuur te zetten bij aanwending van de budgetten? Graag een reactie.

Het competentiegericht onderwijs in het mbo is een van de onderwijsvernieuwingen die op dit moment gaande is. Daarover is uitgebreid gedebatteerd. Vandaag zijn er moties over aangenomen. Het is belangrijk dat de Kamer laat zien geleerd te hebben van de aanbevelingen en conclusies van de commissie-Dijsselbloem. Dat doen wij door er een toetsingskader op los te laten en beetje bij beetje te bekijken of het op een verantwoorde manier gebeurt.

Een ander belangrijk punt is herstel van vertrouwen tussen docenten en management. Docenten en schoolleiding zijn namelijk samen verantwoordelijk voor goed onderwijs. Het wantrouwen tussen docenten en schoolleiding is dan ook een bedreiging voor ons onderwijs. Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van schoolleiders om dit wantrouwen te doorbreken. Het is de verantwoordelijkheid van de docenten om goed onderwijs te verzorgen. De PvdA ziet mogelijkheden om vanuit Den Haag te helpen aan herstel van vertrouwen, door docent en schoolleiding beter in positie te brengen. Dus niet de lumpsum weghalen van de scholen en het in Den Haag regelen. Het gaat om kleine interventies, zodat docenten en schoolleiding er samen uitkomen.

Een eerste punt is groepen vakdocenten een belangrijke stem geven bij beslissingen die hun professionaliteit direct raken. Conform de aanbeveling van de commissie-Dijsselbloem moeten ouders en medewerkers van scholen via de medezeggenschapsraad instemmingsrecht krijgen voor de introductie van nieuw onderwijs, onderwijsinhoud en -methoden. Ik vraag de regering of de huidige medezeggenschapsregeling daarvoor goed genoeg toegerust zijn of dat die aanpassing behoeven.

Een tweede punt is om in het verlengde van de voorstellen van de commissie over de lumpsum de bekostiging van scholen voortaan per vestiging in te richten. Dan is het duidelijk dat stafdienst en bestuur ten dienste staan van het dagelijks onderwijs in plaats van dat onderwijs ten dienste staat van het bestuur. Is de regering bereid, dit door te voeren?

De commissie-Dijsselbloem concludeert dat de schaalvergroting te ver doorgeschoten is. De menselijke maat moet terug in het onderwijs en er moet een pluriform onderwijsaanbod komen. Daarom moeten wij niet alleen schaalvergroting remmen en fusies toetsen, maar ook stappen richting schaalverkleining zetten. Het onderwijsveld moet de taak krijgen om menselijke maat en pluriform onderwijsaanbod te garanderen. Onderwijspersoneel of schoolvestigingen moeten de mogelijkheid krijgen om met meer autonomie of zelfstandig van het schoolbestuur door te gaan. Zij moeten met behoud van gebouwen en middelen de mogelijkheid krijgen om een nieuw onderwijsconcept op te zetten wanneer daar behoefte aan is. Die behoefte aan zelfstandigheid, meer autonomie of een nieuw onderwijsconcept moet voortkomen uit of moet op zijn minst ondersteund worden door de medezeggenschapsraad van ouders en docenten. Ouders en onderwijspersoneel beslissen dus gezamenlijk over de ontwikkeling en de mate van zelfstandigheid van een school. Wanneer menselijke maat of pluriformiteit in het geding zijn, moeten schoolbestuur en overheid meewerken aan een nieuw concept en stappen richting zelfstandigheid.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Depla introduceert een nieuwe figuur, die hij vervolgens wat afzwakt. Hij zegt dat docenten en personeel binnen een school moet kunnen besluiten om met behoud van gebouw uit de vereniging te stappen. Later wordt het verhaal weer iets anders, als hij de ouders er aan toevoegt. Is dit echter wel de juiste manier? In het Plan LeerKracht wordt een stevig pleidooi gehouden voor professionele ruimte en het professioneel statuut. Is dit dan wel de juiste stap? Moet een en ander niet veel meer binnen statuut en ruimte besproken worden? Daar moet toch over een onderwijsconcept gesproken worden? Dat is toch iets anders dan er uit gaan?

De heer Depla (PvdA):

Ik heb het niet zelf bedacht, moet ik bekennen. De Onderwijsraad heeft in 2001 en 2007 in adviezen over dit punt uitgebreid geschreven. De achtergrond daarbij was de situatie van één roc in een regio, die vervolgens maar één onderwijsconcept kiest. In het belang van pluriform onderwijsaanbod kan het dus van belang zijn om nieuw aanbod op te zetten. De andere achtergrond is de menselijke maat en de te ver doorgeschoten fusies in de jaren negentig. Wij kunnen proberen de deksel op de pot te drukken door te zeggen dat wij fusies willen tegengaan en dat er andere dingen moeten gebeuren. Wij kunnen ook proberen om de zaken aan de onderkant gemakkelijker te maken door de boel op te knippen. Daaraan moet voorwaarden verbonden worden om te voorkomen dat de "free riders" met het meest aantrekkelijke onderwijs uitstappen. Als docenten, ouders en een school een en ander concluderen, moet de schoolleiding daarover een oordeel vellen. Daarvan moet alleen goed gemotiveerd afgeweken kunnen worden of er moet een beroepsmogelijkheid komen om het idee alsnog in de praktijk vorm te kunnen geven. Het gaat dus niet om een conflict, maar om de wens naar onderwijs in kleiner verband of de wens een gat in het aanbod te vullen. Dat kun je soms organiseren binnen hetzelfde bestuur, soms zul je het daar buiten moeten of kunnen doen. De Onderwijsraad – toch niet de meest grote revolutionairen van het land – heeft dit al zeven jaar geleden voor het eerst voorgesteld en later uitgewerkt en doet dat dit jaar weer. Het lijkt mij interessant om via een praktijkproef in een bepaalde regio de onderkant de mogelijkheden te geven om te bezien of daar inderdaad behoefte aan bestaat en of het zo werkt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Het interessante dat u nu voorstelt en gisteren ook nadrukkelijk in Metro stond, was dat u docenten de bevoegdheid wil geven om er zelfstandig uit te kunnen stappen. Dat is het nieuwe dat u nu voorstelt en daar ging mijn vraag over. Is dat nu wel de juiste invulling als je meer ruimte wil gaan bieden aan discussies over het didactisch klimaat, over de professionele ruimte die net groter is gemaakt, ook in het convenant, het professioneel statuut? Is dat niet een veel beter begaanbare weg dan dat u direct gaat regelen dat docenten ook het recht moeten hebben om uit die school te kunnen stappen met meenemen van het schoolgebouw?

De heer Depla (PvdA):

Volgens mij schuift u twee dingen in elkaar. Het belang dat docenten meepraten, invloed hebben en eigenlijk aan het stuur zitten als het gaat om nieuwe didactische concepten en de didactiek op school en dit verhaal dat veel meer uitgaat van de menselijke maat en het mogelijk maken van opknippen van organisaties. Als er in een bepaalde regio behoefte bestaat aan nieuwe schoolconcepten, kunnen die zo gemakkelijker tot stand worden gebracht. Het zijn wat mij betreft twee verschillende dingen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Maar u begon uw verhaal met de opmerking dat docenten ontevreden kunnen zijn over het didactisch klimaat en dat je ze dan de ruimte moet geven om dit soort dingen te gaan doen. Nu zegt u dat u een mogelijkheid wil creëren voor defusie. Over zo'n voorstel is al veel meer gesproken, maar daar ligt geen rol voor docenten, maar veel meer voor ouders of besturen. U legt het nu eenzijdig bij docenten neer en daar maak ik ernstig bezwaar tegen.

De heer Depla (PvdA):

Inderdaad leg ik het bij docenten neer maar geef uiteindelijk ook het initiatief bij de medezeggenschapsraad en daar zitten voor zover ik weet ook de ouders in. Het lijkt mij ook dat professionals op een gegeven moment kunnen denken dat daar of daar behoefte aan bestaat en dat zij dat dan in overleg met het schoolbestuur gaan bekijken. Je moet dan wel, zoals de Onderwijsraad ook heeft voorgesteld, nette procedures regelen en condities aangeven waarbinnen men die ruimte wel of niet zou moeten krijgen. Ik zou het interessant vinden om dat voorstel van de Onderwijsraad eens in de praktijk te gaan beproeven.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik moet zeggen dat het mij zeer aanspreekt wat u zegt en dat ik het jammer zou vinden als het alleen maar een proefballonnetje is. Ik ben heel benieuwd wat wij van de PvdA mogen verwachten aan concrete stappen, want ik kan mij nauwelijks voorstellen dat dit budgettair neutraal is. Dit kost natuurlijk geld; deling van scholen, ont- of defusie, zoals het genoemd wordt, extra ondersteunend personeel, noem maar op.

De heer Depla (PvdA):

Hoezo? Dat vind ik nu de omgekeerde wereld. Als dat het effect zou zijn, ben ik er direct op tegen, want dan zouden wij meer moeten fuseren omdat wij dan meer geld overhouden voor personeel, voor docenten. Volgens mij is ook wel eens het idee geopperd dat als je meer aan schaalverkleining doet of minder ver doorgeschoten fusies hebt, dat wel eens tot meer ruimte en meer handjes in de klas leidt dan de overheid geeft. Als wij dit zouden doen, zie ik niet dat dit nu in een keer tot veel meer overhead leidt. Je zou je dan moeten afvragen of wij wel op de goede weg bezig zijn.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

In ieder geval meer gebouwen, meer ondersteunend personeel. Dat zal er in ieder geval moeten zijn. Neem de vergelijking met de pleeghuiszorg waar inderdaad wel over is opgemerkt dat kleinschaligheid niet kostbaar hoeft te zijn. Of dat in dezelfde mate zal opgaan voor het onderwijs, is nog maar te bezien. Ik herinner mij dat de basisvorming als belangrijk motief had om bijvoorbeeld het lbo betaalbaar en beschikbaar te houden. Dat was toen een belangrijke reden en achtergrond voor fusies. Dus zou je ook mogen veronderstellen dat als je kleinschaligheid opnieuw introduceert dat betekent dat het geld gaat kosten. Omdat ik u er graag in zou willen steunen, zou u er op termijn ook geld voor beschikbaar moeten willen stellen. Mijn vraag is dan ook of u daartoe bereid zou zijn, of u die stap zou willen zetten.

De heer Depla (PvdA):

Ik wil graag die discussie met u voeren en natuurlijk zeg ik dan "ja", anders zou ik het niet moeten voorstellen. Het is echter een beetje vreemd. Ik verwacht niet dat het idee van de schaalverkleining van de Onderwijsraad gelijk tot extra kosten leidt. Mijn zorg is eerder dat bijvoorbeeld in roc's de overhead alsmaar toeneemt vanwege de grote schaalvergroting. Het is misschien efficiënter als je voor kleinere eenheden kiest die sommige dingen wel samendoen, maar niet per se een eenheid vormen. Ik wil niet meteen rekensommen erop loslaten. Ik wil het principiële punt afwegen tegen de vraag of je op die manier de pluriformiteit van het onderwijsaanbod in de regio kan garanderen. Ik wil bezien of dit ook een manier is om op een gegeven moment het primaat meer op schoolniveau te leggen dan op bestuursniveau, want dat komt steeds meer van het primaire proces af te leggen. Ik maak die exercitie graag met u. Als dat zo is, dan is dat de consequentie. In mijn eerste gedachte was geld niet het grootste probleem dat ik ben tegengekomen, want volgens mij valt dat wel mee.

De voorzitter:

Mevrouw Halsema, afrondend.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik vind het een beetje gek dat de gedachte dat het mogelijk toch ook budget vereist nog niet bij de heer Depla is opgekomen. Wat stelt hij het kabinet nu concreet voor?

De heer Depla (PvdA):

Dat is heel eenvoudig. In de twee adviezen van de Onderwijsraad waarover wij spreken heb ik het woord "budget" ook niet gelezen. Ik ben dus niet de enige die niet meteen hierover nadenkt. Mijn concrete vraag is of het kabinet bereid is tot een praktijkproef in een bepaalde regio.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Misschien kost het geen geld, misschien kost het wel extra geld. Het punt is dat u streeft naar schaalverkleining en dat vindt mijn partij ook heel belangrijk. Het lijkt mij heel vervelend als dit na verloop van tijd niets meer dan een proefballonnetje blijkt te zijn. Het is goed als u inderdaad zegt: laten wij hiermee een begin maken en open laten of het misschien extra geld kost. Kunt u toezeggen dat de Kamer aan het eind van dit debat, als het kabinet het niet al toezegt, daartoe een voorstel doet?

De heer Depla (PvdA):

Mijn voorstel is om in een bepaalde regio een praktijkproef uit te voeren langs de lijnen die de Onderwijsraad heeft voorgesteld. Daarbij kan worden gekeken onder welke condities schaalverkleining nodig is. Vervolgens kunnen wij ertoe besluiten. Laten wij mijn voorstel van een praktijkproef gewoon uitwerken en gaandeweg bezien hoever wij ermee komen. U noemt iets een proefballon terwijl er twee adviezen van de Onderwijsraad aan ten grondslag liggen. De Onderwijsraad is geen club die bekend staat om zijn proefballonnen.

De voorzitter:

De heer Van Dijk. Kunt u het via de voorzitter doen. Dan hebben wij even contact.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Het gaat mij niet zozeer om de Onderwijsraad. Het gaat erom dat uit de proef van de heer Depla kan blijken dat extra budget nodig. Ik hoor in dat geval graag van de PvdA-fractie dat zij dit voorstel ook meent en zegt: dan moeten wij ook boter bij de vis leveren.

De heer Depla (PvdA):

Dat geldt voor meer dingen.

De voorzitter:

De heer Van Dijk is nog niet uitgesproken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hoort hierbij ook het op zich goede voorstel van de heer Depla om de lumpsum naar de scholen over te maken in plaats van naar de schoolbesturen? Dat kan rekenen op onze steun.

De voorzitter:

Dat was dan afrondend.

De heer Depla (PvdA):

Het idee om de lumpsum naar de scholen over te maken, betekent nog steeds dat uiteindelijk het bestuur als geheel erover gaat. Het geld is van de scholen gezamenlijk. Ons voorstel is om elke school per vestiging duidelijk te maken wat het budget is, zodat duidelijk is wat uiteindelijk centraal verdeeld wordt. Zo versterk je de positie van de afzonderlijke scholen en krijgen zij meer het gevoel dat het management er voor hun is in plaats van dat zij er voor het management zijn. Dat is iets anders dan het bestuur in stukjes knippen en het geld naar scholen apart overmaken. Wij willen inzichtelijk maken hoeveel bijvoorbeeld de vestiging aan de Tietjerkstrastraat krijgt, zodat scholen weten over hoeveel geld zij beschikken en hoeveel zij besteden aan het collectief.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ter verduidelijking, moet dat ook in die proef?

De heer Depla (PvdA):

Nee, je moet het leven niet ingewikkelder maken dan het al is; het is al ingewikkeld genoeg. Laten wij aan de ene kant helder tegen elke vestiging zeggen wat zij binnen de lumpsum van het bestuur krijgen en aan de andere kant die praktijkproef uitvoeren. Die lumpsum binnen het bestuur lijkt mij eenvoudig, want het is vooral een soort van transparant maken zonder dat er iets verandert. De praktijkproef is iets ingrijpender. Er moet samen met de Onderwijsraad wat langer op gestudeerd worden om te bezien of daarvan een praktijkproef van te bakken is in een bepaalde regio.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Voorzitter. Als ik de grote geestelijke leider van de PvdA afgelopen weekend goed heb beluisterd, pleit hij voor geloofwaardigheid van de PvdA. Ik wil daarom hom of kuit van de heer Depla. Wil hij in de krant met een leuk ideetje? Dat idee is overigens van de Onderwijsraad afkomstig, dus je zou zeggen dat er goed over is nagedacht. In dat geval moet hij niet in de Kamer poneren dat nog niet bekend is wat het kost en dat het gaat over de kleinschaligheid van de scholen. Dat is me niet niets. Nu oppert hij het hier, zonder te weten wat het kost. Het lijkt mij toch dat bij geloofwaardigheid ook financiële degelijkheid hoort. Kijk maar eens hoe het is afgelopen met de kinderopvang. Die kant moet hij niet op willen.

De heer Depla (PvdA):

Als wij voor de groei net zoveel geld kunnen krijgen als voor de kinderopvang, wil ik graag die kant op met dit idee.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Uw partij zit in de regering. U kunt dat dus regelen. Gaat u dat doen of niet?

De voorzitter:

Dit was uw afrondende interruptie, mevrouw Dezentjé Hamming.

De heer Depla (PvdA):

Als mevrouw Dezentjé Hamming onze partijleider afgelopen zaterdag gehoord heeft, en ik begrijp dat zij aanwezig was, begrijpt zij dat als wij 76 zetels zouden hebben – en dat is na de volgende verkiezingen het geval – zij dat soort vragen een-op-een aan mij zou kunnen stellen. Helaas is dit niet het geval. Wij hebben met coalitiepartners te maken, waarmee wij samen een regering vormen. Ik kan dus niet een-op-een beloven dat alles wat wij willen, morgen praktijk wordt, hoe graag ik dit ook zou willen. Tenzij mevrouw Dezentjé Hamming natuurlijk voortaan per definitie de PvdA steunt; in dat geval kan ik met meer zekerheid zeggen dat de kans groter wordt.

De voorzitter:

Het is balen hè, mijnheer Depla, zo'n meerpartijenstelsel. Gaat u verder met uw betoog.

De heer Depla (PvdA):

Dat zeg ik niet ...

Het onderwijs wordt bestuurd door een kleine kring van beslissers die met telkens andere functies of posities de beslissingen neemt. Dit circuit moet worden opengebroken om het vertrouwen te herstellen en tot gedragen beslissingen te komen. De politiek moet dus niet excessief op deze groep steunen, maar zich richten op mensen die met hun voeten in de modder staan. De regering stelt terecht in haar brief dat voor een zorgvuldig beleidsproces het belangrijk is om leraren, ouders, schoolleiders en leerlingen om hun opvattingen te vragen. Dit moet niet bij goede bedoelingen blijven. De leer is soms namelijk makkelijker dan het leven.

Daarom stelt de PvdA-fractie voor om een soort burgerjury voor het onderwijs in te richten. In deze burgerjury praten leraren, ouders, schoolleiders en leerlingen mee over plannen voor het onderwijs. Deelnemers aan deze jury zijn geen sleutelfiguren in het veld die nu ook al de weg weten te vinden en hun opvattingen kenbaar maken, maar juist gewone docenten, willekeurige ouders en doodgewone pubers die als ervaringsdeskundigen heel wat weten te vertellen over nieuwe plannen voor het onderwijs. Net zoals bij een burgerjury bij rechtszaken in bijvoorbeeld België of de Verenigde Staten, worden de ervaringsdeskundigen opgeroepen om deel te nemen aan de jury. Uiteraard is deelname niet verplicht, maar moet deze wel worden bevorderd. Het is belangrijk dat er regelmatig nieuwe mensen met nieuwe ervaringen en ideeën aan die jury deelnemen. Anders schiet het plan zijn doel voorbij en wordt er weer een gesloten systeem van beslissers gecreëerd. Ik hoor graag de reactie van het kabinet op dit mooie plan dat een manier is om rechtstreeks met docenten, ouders, schoolleiders en leerlingen te praten. Dat was tenslotte een van de beleidsvoornemens.

Tot slot zeg ik nogmaals "tijd voor onderwijs". Leraren moeten in staat woerden gesteld om goed onderwijs te kunnen geven en ouders en leerlingen hebben er recht op dat ieder kind voldoende uitdagend onderwijs krijgt. Zo kunnen zij het beste uit zichzelf halen. Het rapport Tijd voor onderwijs dient daarom niet in een la te verdwijnen. Het is aan de Kamer en regering om te laten zien dat dit niet gebeurt en dat wij lessen kunnen trekken en het vertrouwen kunnen herstellen. Kortom: voorwaarts en niets vergeten!

De voorzitter:

Ik constateer dat u van uw bijdrage deze dag een feestje hebt gemaakt. Ik feliciteer u van harte met uw verjaardag en wens u nog vele jaren toe.

Ik ben voornemens om na de bijdrage van de heer Jasper van Dijk te schorsen voor de dinerpauze. Ik hoor een Kamerlid zeggen dat zij honger heeft, maar dat hebben mensen in Biafra, niet in Nederland.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik krijg om kwart voor negen trek, maar dit terzijde.

Wij spreken over het rapport van de commissie-Dijsselbloem en de reactie daarop van de regering. De commissie heeft indrukwekkend werk afgeleverd, met onthullende conclusies. Enkele conclusies waren: de overheid heeft haar kerntaak verwaarloosd, er was sprake van tunnelvisie, de onderbouwing van de vernieuwingen schoot tekort, politiek draagvlak was belangrijker dan draagvlak in het onderwijs, er zijn risico's genomen met kwetsbare leerlingen, docenten zijn onvoldoende gehoord en financiën waren vaak leidend in plaats van de inhoud. Ik was dan ook zeer benieuwd naar de reactie van de regering. Die is nogal mager: een brief van dertien kantjes. De regering zegt het zelf: het is deels een procedurele reactie, een opsomming van zaken die al in gang zijn gezet. Waar is het gevoel voor urgentie? Het is twee voor twaalf. Er is een lerarentekort. Er is schooluitval. Het onderwijspeil daalt. De werkdruk is hoog en de klassen zijn groot. Zeker in deze tijden van globalisering is onderwijs meer dan ooit van belang. Anders gezegd: als ons aardgas op is, hebben wij alleen onze hersenen nog. Kortom: wat is de visie van het kabinet?

En van wie is het onderwijs? Is het van de leraren, de leerlingen, de ouders, de minister? Of is het van bestuurders, managers en adviseurs? Wie het rapport van de commissie-Dijsselbloem leest, krijgt nogal eens de indruk dat die laatste groep het voor het zeggen heeft. De schimmige tussenlaag van managers die tamelijk ongecontroleerd zijn gang kan gaan. En dat is voor mij een centrale vraag in dit debat. Van wie is het onderwijs? Ik ben voor een stevige heroriëntatie.

De onderwijsvernieuwingen hebben veel onrust en problemen veroorzaakt. Basisvorming, vmbo en tweede fase werden veelal van bovenaf opgelegd. Politiek draagvlak was belangrijker dan draagvlak in het onderwijs. Daarom ontstond na de invoering meestal veel verzet. Scholen, leerlingen en leraren lieten van zich horen en daarna volgden er aanpassingen, zoals bij de tweede fase het geval was. Dat moet anders en het kabinet zegt het daarmee eens te zijn. Maar het is de vraag of dat ook echt zo gaat zijn. Want kijk eens naar de gratis schoolboeken, de 1040 urennorm en het middelbaar beroepsonderwijs. Het zijn misschien andersoortige vernieuwingen, maar zij hebben hoe dan ook veel impact op het onderwijs. U zou daarbij veel beter naar het veld moeten luisteren, want zonder draagvlak bent u nergens.

Het toetsingskader van de commissie-Dijsselbloem kan een nuttig middel zijn om nieuwe fouten te voorkomen. Vooralsnog wordt dit door de Kamer toegepast op de vernieuwing in het mbo: het competentiegericht leren. Ik ga ervan uit dat de staatssecretaris dit onderzoek bloedserieus neemt en dat zij open staat voor alle uitkomsten. Graag een reactie.

De regering gaat het toetsingskader toepassen op het Passend Onderwijs. Dat is het plan om kinderen met een handicap toegang te geven tot de school van hun keuze. Wij hebben daar grote zorgen over en horen ook op scholen dat men daar niet op zit te wachten. Het klinkt prachtig, maar het kan uitlopen op een ongelooflijke taakverzwaring voor het onderwijspersoneel. Kleine klassen en voldoende leraren zijn een absolute voorwaarde, maar wat als die er niet zijn? Dan blijft een goed stelsel van speciaal onderwijs noodzakelijk en dan is het dus misschien beter om ervan af te zien. Kan de regering al meer zeggen over het voornemen om het toetsingskader hierop toe te passen? Wat zijn daarvan de implicaties? Staat het plan voor Passend Onderwijs an sich ter discussie? Wat nu als de toetsing uitwijst dat het echt niet werkt? Is het kabinet dan bereid om het plan in te trekken? Het staat namelijk wel in het regeerakkoord. Wat is belangrijker? Graag een reactie.

Dan over de brief van het kabinet, de procedurele reactie zeg maar. Er staan nogal wat verrassende opmerkingen in. Zoals: ons onderwijs kan beter; het aantal zwakke scholen is zorgwekkend; het moet dus beter. Als je deze dooddoeners leest, zou je bijna denken dat de brief een haastklus is geworden, maar dat kan natuurlijk nooit het geval zijn bij zo'n belangrijk onderwerp. In de brief staat ook: het doel van de vernieuwingen, verbetering van het onderwijs, is niet voldoende bereikt. Wat bedoelt de regering daarmee? Is het niet voldoende bereikt of is het niet bereikt?

En er staat: de overheid begaf zich op het terrein van de didactiek. Dat suggereert dat het nu niet meer gebeurt, maar dat is nog maar de vraag. De inspectie kijkt bijvoorbeeld ook in de klas naar activerende werkvormen, lees ik in het Onderwijsverslag. Hoogleraar Dick Mentink zegt dat ook. De inspectie kijkt in het kader van het schooltoezicht naar schoolklimaat en het pedagogisch-didactisch handelen van docenten. Dat is volgens hem in strijd met artikel 23 van de Grondwet. Als de overheid dat wil controleren, moet zij dat eerst opnemen in de deugdelijkheidseisen. Hij bepleit een herziening van de Wet op het onderwijstoezicht. Ik vind het op zich begrijpelijk dat de inspectie kijkt naar dit soort zaken, zo lang zij maar niet aanzet tot onverantwoord onderwijs waarbij kennisoverdracht verloren gaat of de leerlingen aan hun lot worden overgelaten. Is de regering dat met mij eens? Als een school leerlingen volledig loslaat onder het mom van het nieuwe leren, dan kan de inspectie daar toch wat van zeggen?

De brief behandelt vier punten op basis van de commissie-Dijsselbloem. Ten eerste kom ik op de verhouding overheid-onderwijs. De commissie constateert terecht dat na een periode van centraal gestuurde vernieuwingen sinds tien jaar een periode van autonomie van scholen is aangebroken. Dat is een relevante conclusie die exact het huidige probleem met het onderwijs neerzet. Deze autonomie is mijns inziens doorgeslagen. Schoolbesturen hebben alle touwtjes in handen. Zij gaan over de salarissen, de bevoegdheden en over de didactiek. Alle reden om daar een fundamentele discussie over te voeren. Maar wat doet de regering? Die kiest als antwoord voor goed bestuur, het uiterst vage begrip dat in feite de status quo vastlegt. Is dat het antwoord van de regering op de doorgeslagen autonomie, zoals de commissie-Dijsselbloem die ook ziet? Ik vind dat nogal mager.

Dan kom ik op de kerntaak van de overheid: zij moet beter vastleggen wat leerlingen moeten leren. Daarvoor komen er referentieniveaus, wat op zichzelf goed is. De commissie heeft zorgen over de waarde van de diploma's. Het effect van de examens erodeert. De regering ziet eveneens significante verschillen. Dit heeft ook te maken met de tweede correctie. Leraren krijgen hier geen vaste vergoeding voor, waardoor die tweede correctie niet altijd even zorgvuldig gebeurt. Kan er bezien worden of hier een vaste vergoeding voor gegeven kan worden?

Om het stapelen te verbeteren, komt er een onderzoek naar dwarsverbanden. Het is van groot belang dat leerlingen op alle leeftijden kunnen kiezen voor een hogere opleiding. De basisvorming was een mislukking, maar leerlingen moeten wel de kans krijgen om hogerop te komen. Dat kan binnen het voortgezet onderwijs, maar ook via het volwassenenonderwijs. Ik heb al eerder voorgesteld om daarvoor goede mogelijkheden te creëren. Het vavo moet overeind blijven, zeker in het licht van de grote schooluitval. Wat vinden de bewindslieden van het idee om het vmbo te verlengen, bijvoorbeeld tot zes jaar, de verblijfsduur? Nu mogen leerlingen daar vijf jaar over doen, waardoor leerlingen soms te snel uitvallen of naar een lager niveau moeten. De zogenaamde verblijfsduurregeling was in die zin een bezuiniging. Graag hoor ik of verlenging met een jaar bespreekbaar is. Zeker voor mbo-leerlingen van de niveaus 1 en 2 is dat een goed plan. Valt er al meer te zeggen over de voorstellen om het stapelen te verbeteren?

De commissie-Dijsselbloem adviseert om de definitie van onderwijstijd helder te maken, omdat de huidige definitie tot veel problemen leidt. De regering heeft daarvoor een commissie ingesteld, die eind 2008 met aanbevelingen komt. Die commissie moet echter binnen de financiële kaders blijven. Dat is een absurde eis. Wij hebben daar al een debat over gevoerd. Bekostiging en onderwijstijd zijn niet los van elkaar te zien. Als blijkt dat meer geld nodig is voor de 1040 uren, dan mag de commissie dat niet adviseren. Deelt de minister de mening dat dit merkwaardig is? En gelooft u mij: de 1040 urennorm is nog steeds een knellend keurslijf, zeker nu scholen bezig zijn met de nieuwe roosters voor volgend jaar. Er is nauwelijks ruimte. Projecten en excursies worden uit het rooster geperst. Alles moet wijken voor de 1040 urennorm.

Op pagina 10 van de kabinetsreactie gaat het over representatie en draagvlak. De regering erkent dat de representatie van de achterban moet verbeteren. Maar hoe? Dat weet zij eigenlijk niet goed. Er zal op gevarieerde en flexibele wijze met docenten gepraat worden. De manier waarop, verschilt per onderwerp, staat er. Dat is wel erg vaag. Kunnen de bewindslieden eens wat voorbeelden noemen? Hoe gaan zij dat doen met het competentieonderwijs, met het hoger onderwijs, met het passend onderwijs? Dit is een cruciaal punt waar niet zo makkelijk aan voorbij kan worden gegaan. De inspraak van leraren en andere betrokkenen moet veel beter geregeld worden. Op scholen kan dat via de algemene lerarenvergadering en via een versterking van de medezeggenschap. Buiten de scholen kan het via grondig onderzoek.

Dan kom ik op de lumpsum. De commissie plaatst kanttekeningen bij de autonomie en de lumpsumfinanciering, bijvoorbeeld voor zorgleerlingen. Hierover is een SP-motie aangenomen, om het budget voor zorgleerlingen te oormerken. Graag hoor ik wanneer deze motie wordt uitgevoerd. Uit de brief blijkt enig gedraai; de bewindslieden vinden oormerken eigenlijk geen goed idee. Dat is niet zoals het hoort, want hierover is een motie aangenomen. Met betrekking tot de lumpsum adviseert de commissie de uitgaven van scholen publiekelijk inzichtelijk te maken. Dat is een goed plan, want er is veel irritatie bij leraren over de ondoorzichtigheid van de besteding van het budget. Het moet duidelijk zijn waar het geld naartoe gaat. Welk deel gaat naar het primaire onderwijsproces? Welk deel gaat naar de overhead? En welk deel wordt opgepot? De regering wil eerst afwachten hoe de sector dit zelf doet. Van ons hoeft dat niet. Openbaarheid is wel het minste en die moet er nu komen. Graag hoor ik hierop een reactie.

Het liefst zou mijn partij de lumpsum in zijn geheel afschaffen. Het idee om scholen één pot met geld te geven, heeft een pervers effect. Het veroorzaakt een prikkel om goedkopere leraren aan te stellen. Dat concludeert ook de commissie-Dijsselbloem. Ook is er ergernis onder leraren die niet weten wat er met het geld gebeurt. Er verdwijnt geld in overhead en naar bovenschools management. Er worden miljarden euro's opgepot. Het geldt wordt op de bank gezet of zelfs belegd. Dat geld moet naar het klaslokaal. Salarissen moeten landelijk geregeld worden, zodat het proces van downgrading – kwaliteitsdaling – wordt gestopt. Een eerstegraadsleraar krijgt schaal 12, een tweedegraadsleraar krijgt op zijn minst schaal 10. Dat wil maar niet lukken, omdat het geld er niet is.

De commissie adviseert om de menselijke maat te bewaken, oftewel geen nieuwe fusies. De regering zet in op kleinschalig organiseren binnen grootschalige verbanden. Waarom kiest zij voor die richting? Daarmee kan nog steeds een grote afstand tussen leraar en bestuurder blijven bestaan. Daarom heb ik mijn twijfels over die aanpak. Bovendien verkleint het de keuzemogelijkheden voor de ouders.

De regering besluit met de suggestie om het toetsingskader ook voor andere beleidstrajecten in te zetten. Ik geef enkele tips: de Joint Strike Fighter, de wijkenaanpak van mevrouw Vogelaar, de liberalisering van de postsector, de marktwerking in de zorg. Draagvlak en onderbouwing zijn onmisbaar bij dit soort grote operaties, dus doe er uw voordeel mee.

De regering zet in op gelijke kansen. Ik beschouw dat als een vorm van emancipatie. Daarom schrok ik toen ik laatst een interview met de minister las. Daarin zegt hij: "Onderwijs is een doel op zich, geen middel om groepen te emanciperen." Dit citaat haal ik uit het Schooljournaal van 8 mei 2008. Staat de minister hier werkelijk achter of heeft hij zich versproken? Ik hoor hierop graag zijn reactie. Voor gelijke kansen is het van groot belang dat je elke vorm van tweedeling bestrijdt. Daarom is integratie en het tegengaan van segregatie ook zo belangrijk. Als wij niet zorgen voor een eerlijker verdeling van kansarme en kansrijke leerlingen over de scholen, zijn alle mooie woorden over gelijke kansen een wassen neus, want de segregatie is een tijdbom onder de samenleving. Wij kunnen niet accepteren dat er enerzijds scholen zijn met een opeenstapeling van problemen en anderzijds kleine elitescholen voor een rijke bovenlaag. Die tweedeling moet worden aangepakt. Natuurlijk is dat een kwestie van huisvesting, maar het is zeker ook een zaak van het onderwijs. Er zijn gemengde wijken waar toch zwarte en witte scholen staan. Dat is niet uit te leggen. Ik snap dan ook niet dat de minister zo luchtig kan zeggen dat emancipatie geen doel van het onderwijs is. Dit probleem verdient werkelijk alle aandacht.

U verwijst op dit punt in uw brief naar de heer Winsemius. Dat biedt perspectief, want de heer Winsemius heeft goede ideeën over dit onderwerp. In zijn Kohnstammlezing van 28 maart jongstleden gaat hij in op het probleem van de schooluitval. De titel is veelzeggend: "Niemand houdt van ze". De cijfers zijn bekend. Het gaat om vijftigduizend schooluitvallers per jaar. 28% van de uitvallers op niveau 1 wordt verdacht van een misdrijf, ruim een kwart dus. Alles wat je daartegen onderneemt, levert geld op. Beter onderwijs staat hier vrijwel gelijk aan minder criminaliteit. De groep die de meeste hulp nodig heeft, bestaat uit de zogenoemde overbelasten, jongeren die sociaal en emotioneel veel problemen hebben. De heer Winsemius doet drie aanbevelingen: segregatie beperken, het vmbo verlengen en verbreden en de bestuurskracht vergroten. Over segregatie zegt hij dat een betere menging van achterstandsleerlingen met gewone leerlingen belangrijk is. Als het percentage achterstandsleerlingen in een groep de 30 niet overschrijdt, worden de normale leerlingen niet naar beneden gezogen, maar de achterstandsleerlingen wel naar boven. Ik kijk speciaal naar mevrouw Van Bijsterveldt, want hier gaat het over het voortgezet onderwijs en het mbo. Ik wacht nog steeds op het actieplan Aanpak segregatie.

De heer Winsemius gaat ook in op de vrijheid van schoolkeuze. Hij zegt, ik citeer: "In ons land is na de schoolstrijd een status aparte toegekend aan de vrijheid van schoolkeuze en daarover beginnen is bijna net zo erg als over de hypotheekrenteaftrek. Elites gebruiken hun verstand en zetten hun kinderen op bepaalde scholen. Schoolbesturen, gedreven door de in de onderwijssector vrij ver ingevoerde concurrentiegedachte, spelen in op deze behoefte van hun klanten. Zij lezen hun maatschappelijke succes af aan het aantal inschrijvingen en de behaalde schoolresultaten en worden hierin bevestigd door pervers uitwerkende financiële prikkels van overheidswege." Kan de minister daarop reageren? Doorziet hij dat artikel 23 dit effect heeft? Ik ben mij ervan bewust dat dit een gevoelig onderwerp is, maar ik vraag de minister of hij toch eens hardop wil nadenken over de relatie tussen artikel 23 en gelijke kansen. Ziet hij bijvoorbeeld dat de vrijheid van onderwijs en de autonomie ervoor zorgen dat de scholen vooral met hun eigen leerlingen bezig zijn en de maatschappelijke context uit het oog verliezen? Ziet hij dat de overheid gedwongen aan de zijlijn staat? Vindt hij het aanvaardbaar dat de vrijheid van onderwijs boven alles wordt geplaatst, ook als dat een proces van segregatie veroorzaakt, waarbij de elite haar eigen scholen kiest en er aan de andere kant probleemscholen ontstaan? Vindt hij artikel 23 een verworvenheid of is hij bereid, te erkennen dat dit in de huidige tijd ook voor problemen kan zorgen? Ik weet dat de invoering van artikel 23 de uitkomst was van een lange strijd. De bekostiging van katholieke scholen had destijds zelfs een emancipatoire werking. Bijzondere scholen hoorden bij de verzuiling. Hoort deze grote vrijheid echter ook nog bij onze tijd? Kunnen wij ons deze vrijheid nog wel veroorloven? Wij constateren immers dat er spanningen zijn tussen bevolkingsgroepen. Moeten wij niet veel meer de regie in handen nemen en van de scholen verlangen dat zij betrokken zijn bij de buurt en de omgeving waarin zij staan? Zetten wij in op integratie met gemengde scholen, of sluiten wij ons op in onze eigen school in onze eigen buurt? De SP-fractie is van mening dat artikel 23 niet meer van deze tijd is. Niettemin is het artikel een historische verworvenheid. Daarom zou het rigoureus zijn om het in één klap af te schaffen. Wij moeten echter ook niet koste wat het kost vasthouden aan iets wat niet meer bij deze tijd past. Als de regering werkelijk opkomt voor gelijke kansen en vecht tegen segregatie, dan zou zij ook eens moeten onderzoeken in hoeverre het huidige onderwijssysteem daarbij een belemmering vormt.

De SP-fractie is een groot voorstander van gemengde scholen waar kinderen samen naar school gaan; rijk en arm, zwart en wit, met en zonder achterstand. Hiervoor zijn afspraken nodig tussen scholen en gemeenten. Deze afspraken zijn echter vaak moeizaam te maken, want scholen kunnen ervoor kiezen om niet mee te werken. Elke medewerking is immers vrijwillig en dat maakt de plannen vrijblijvend. Ik citeer in dit verband de heer Winsemius. "Schoolbesturen zijn zeer zelfstandig. De overheid heeft er nauwelijks invloed op, behalve via financiële prikkels. Die maken echter dat het veel voordeliger is om de risico's, veelal de probleemjongeren, te mijden." Kortom, de autonomie van schoolbesturen belemmert de doelstelling om te komen tot gemengde scholen. Wij zien dit om ons heen. Er zijn zwarte en witte scholen en er is sprake van leerlingen die los van elkaar opgroeien.

Ik weet echter dat een aanpassing van artikel 23 moeilijk is zolang er christelijke partijen in de regering zitten. Daarom moeten wij bezien wat er mogelijk is zonder artikel 23 in ogenschouw te nemen. Een mogelijkheid is de invoering van een acceptatieplicht. Een andere mogelijkheid is het maken van afspraken over gemengde scholen door middel van dubbele wachtlijsten, met de voorwaarde dat elke school hieraan meewerkt. Dit laatste is nogal lastig, omdat bijzondere scholen zich hieraan kunnen onttrekken. Daarom vraag ik de regering om te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om hieraan te ontkomen.

De voorzitter:

Mag ik de heer Jasper van Dijk vragen of dit het laatste onderdeel is van zijn betoog dat gaat over artikel 23. Mijns inziens valt dit een beetje buiten de orde van het rapport-Dijsselbloem.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter, in het rapport-Dijsselbloem wordt veel aandacht besteed aan het onderwerp zorgleerlingen en achterstandsleerlingen. In de brief van het kabinet wordt bovendien veel aandacht besteed aan gelijke kansen.

De voorzitter:

Die onderwerpen lijken mij van een fundamenteel andere aard dan de discussie over artikel 23. Gaat u verder met uw betoog.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vraag de regering dus om te onderzoeken welke mogelijkheden er voor scholen zijn om aan zulke afspraken te ontkomen en in hoeverre het streven naar integratie wettelijk kan worden verankerd. Ook de Onderwijsraad adviseert dit in het advies "Vaste grond onder de voeten". Op pagina 78 van dit advies staat het volgende: "Het valt evenwel niet uit te sluiten dat bij een voortschrijdende maatschappelijke fragmentarisering en een verscherping van tegenstellingen langs etnische en religieuze lijnen, op het onderwijs nog meer dan nu het geval is de taak gaat rusten om een zekere sociale cohesie, een minimum aan verdraagzaamheid en een bepaalde mate van burgerschap te realiseren. Een grondwettelijke verankering van dergelijke inhoudelijke doelstellingen kan in dat geval toch raadzaam zijn." De Onderwijsraad signaleerde dit probleem al in 2002. Mijns inziens is de voorspelling uitgekomen. Er is sprake van voortschrijdende maatschappelijke fragmentarisering en een verscherping van maatschappelijke tegenstellingen. Daarom moeten wij ons afvragen wat voor scholen de sociale taak en de cohesiebevorderende taak moet zijn. Wat mij betreft mag dit actief worden ingevuld. In de Wet op het primair onderwijs staat dat scholen aandacht moeten schenken aan integratie. Wellicht kan dit artikel worden aangescherpt. Partijleider Bos van de PvdA noemde integratie de grootste uitdaging voor zijn partij. Dat is misschien een steun in de rug.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

De heer Jasper van Dijk doet mij nu denken aan de minister-president. Die heeft namelijk ook vaak zinnen die niet meer ophouden.

De heer Jasper van Dijk wil artikel 23 afschaffen, maar doet daarvoor geen voorstellen vanwege het grote aantal christelijke partijen. Ik ben van de SP-fractie gewend dat zij duidelijker is. Vervolgens noemt de heer Van Dijk als een van de belangrijkste redenen het feit dat het bijzonder onderwijs in hoge mate verantwoordelijk zou zijn voor de segregatie. Dat onderwijs zou de segregatie zelfs versterken. Waarop baseert hij deze stelling?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik constateer dat mevrouw Halsema twee dingen verkeerd zegt. Ik heb niet gezegd dat wij artikel 23 vandaag moeten afschaffen; ik heb gevraagd of de regering eens wil onderzoeken welke belemmeringen artikel 23 heeft voor de integratie. Daarnaast is het absoluut waar dat bijzondere scholen ook nu al veel allochtone leerlingen opnemen, hoewel het er relatief minder zijn. Laten wij het even scherp stellen. In het Nederlandse onderwijs is tweederde van de scholen bijzonder en een derde openbaar. Deze tweederde bijzondere scholen neemt de helft van de allochtone leerlingen op. Relatief zijn dat er dus minder. Dat is echter niet de kern van het probleem. De kern van het probleem is dat artikel 23 de vrijheid van onderwijs regelt, waardoor de overheid aan de zijlijn staat ten aanzien van afspraken rondom integratie. Dat is wat ik vraag: kunnen wij niet eens bezien of in de wetgeving iets geregeld kan worden waardoor integratie veel actiever wordt nagestreefd in het onderwijs?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Als er al een reden is dat er minder bijvoorbeeld allochtone kinderen in het bijzonder onderwijs zitten, heeft dat veelal te maken met de geografische ligging van scholen. Zeker in de grote steden, nemen bijzondere scholen juist een belangrijk deel van de allochtone kinderen voor hun rekening. GroenLinks heeft altijd gepleit voor een acceptatieplicht, om heel andere redenen. Ik vind de redenering van de heer Van Dijk eerlijk gezegd wel kwestieus. Hij vindt dat het bijzonder onderwijs nu onderzocht moet gaan worden op de bijdrage die het levert aan integratie...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, nee...

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Jawel, dat is wat...

De voorzitter:

Laat u mevrouw Halsema even uitpraten, mijnheer Van Dijk. Gaat u verder met uw vraag, mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Er moet nagegaan worden welke bijdrage het bijzonder onderwijs levert aan de integratie, terwijl de heer Van Dijk tegelijkertijd, in zijn interruptie, met mij erkent dat het bijzonder onderwijs geen problemen oplevert voor de integratie. Dus blijft de vraag over: wat moet er dan onderzocht worden?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik wist niet dat mevrouw Halsema zo'n hartstochtelijk verdediger was van het bijzonder onderwijs, maar goed, daarvan neem ik kennis. Zij moet echt onderscheid maken tussen enerzijds artikel 23 en de vrijheid van onderwijs en anderzijds de bijzondere scholen. Ik ben de eerste om te zeggen dat bijzondere scholen veel allochtone leerlingen opnemen, de helft. Dus dat is een feit. Bijzondere scholen doen ook in grote mate hun best om goed onderwijs te leveren. Ik ben ook de eerste om dat te zeggen. Het gaat mij echter om de vrijheid van onderwijs die artikel 23 inhoudt. Deze geeft scholen, niet in het bijzonder de bijzondere scholen, heel veel vrijheid om autonoom te zijn. Ik citeer nog een keer de heer Winsemius: schoolbesturen zijn zeer zelfstandig; de overheid heeft er nauwelijks invloed op, behalve via financiële prikkels. Nu kan de overheid kwaliteitseisen stellen. De enige vraag die ik stel, is: kunnen wij aan deze kwaliteitseisen ook integratie-eisen toevoegen? Er staat wel wat in de wet, over scholen die iets moeten doen aan integratie en over multicultureel bewustzijn maken. Ik zou dit echter actiever willen maken en ik ben ook groot voorstander van de acceptatieplicht. Wij hebben hiervoor zelfs samen een wetsvoorstel ingediend. Ik maak mij grote zorgen over de segregatie in het onderwijs. Ik zou graag willen dat scholen, zowel openbare als bijzondere, afspraken maken met gemeenten om meer gemengd te worden. Ik zou dus willen zien hoe je dit in de wetgeving kunt opnemen.

De voorzitter:

Nog een laatste interruptie, mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Bijzondere scholen zijn gefundeerd op artikel 23, dus het onderscheid dat u maakt, mijnheer Van Dijk, is kunstmatig. Ten tweede heeft GroenLinks het altijd een verworven recht gevonden dat ouders scholen kunnen stichten van hun eigen denominatie. Weliswaar willen wij daarbij een acceptatieplicht, maar bijzonder onderwijs wordt door ons altijd verdedigd. Ten derde is uw redenering krom, omdat u in interruptie met mij eerst zegt dat er geen segregatieprobleem in het bijzonder onderwijs is, maar dat men het juist voor zijn rekening neemt. Met een bocht komt u weer uit op uw mening dat bijzonder onderwijs een grotere bijdrage moet gaan leveren aan het bestrijden van de segregatie. Dat is een kromme redenering. Naar mijn idee is het probleem hiervan dat je onterecht een maatschappelijk probleem legt op het bordje van scholen. Hiermee voed je een wijdverspreid vooroordeel dat men het niet zou willen, terwijl dat in deze kwestie gewoon niet aan de hand is.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Halsema ziet problemen die er niet zijn.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dat verwijt maakte ik u nu juist. Dat kunt u niet terugkaatsen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik constateer dat er segregatie is in het onderwijs. Als die segregatie een probleem is voor GroenLinks, dan zou ik de vraag terug willen stellen: zullen wij eens proberen om daarop beleid te maken? Zullen wij proberen gemengde scholen te formeren?

Scholen hebben in Nederland een grote autonomie. Zij zijn tot op grote hoogte vrij om zelf te bepalen waaraan zij wel en waaraan zij niet meedoen. Mevrouw Dijksma, de staatssecretaris, is nu bezig met experimenten rondom integratie en gemengde scholen. Heel goed, maar ik maak mij zorgen. Ik denk namelijk dat zij binnen de huidige vrijheid van onderwijs niet ver zal komen, omdat scholen, als puntje bij paaltje komt, zullen zeggen: wij willen over onze eigen leerlingenpopulatie gaan. Ik zou willen dat in de wetgeving iets meer duidelijkheid komt te staan over het verkrijgen van integratie, en dat alle scholen daaraan meewerken.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik heb met stijgende verbazing geluisterd naar de bijdrage van collega Jasper van Dijk op het punt van artikel 23 Grondwet. Ik heb mij zitten afvragen of ik hem door vragen te stellen even zou moeten afremmen. Ik heb dat maar niet gedaan, want op een gegeven moment moet je constateren dat het redelijk hopeloos is. Ik wil de heer Van Dijk wel voorhouden dat hij zich bij de feiten moet houden. Ik koester het moment waarop mevrouw Halsema mijn voorgenomen interruptie voor mij plaatste. Men moet niet doen alsof hiernaar nooit gekeken is. Er liggen diverse rapporten die volstrekt helder maken dat wat zij zei, inderdaad zichtbaar is in de verdeling van de 50% allochtone leerlingen over het land. Een plattelandsschool, ergens in de regio van Friesland, heeft natuurlijk nauwelijks allochtone leerlingen, maar die staan daar ook niet op de stoep. Die staan in Amsterdam en in Hilversum en noem maar op. Dat moet je dus wel verdisconteren. Is de heer Van Dijk nu toch bereid om dat te doen? Wat denkt hij te bereiken door dit proces, waarmee wij behoedzaam bezig zijn en waarin de feiten een genuanceerde benadering afdwingen, te forceren?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb nog eens een interruptiedebat teruggelezen van de heer Van der Vlies met de heer Marijnissen over precies dit onderwerp. Daarin zegt hij tegen de heer Marijnissen: ik erken dat de segregatie in het onderwijs een punt van zorg is, maar dat neemt niet weg dat bijzondere scholen hun aandeel nemen. Dat is in feite wat ik ook vaststel. Ik stel vast – dat heb ik net ook gezegd – dat bijzondere scholen veel verschillende leerlingen aannemen. In die zin zijn zij ook verwaterd en zou ik aan de partij van de heer Van der Vlies terug willen vragen of artikel 23 nog wel zuiver in de leer wordt nageleefd. In principe is het destijds gemaakt om ervoor te zorgen dat katholieke scholen met katholieke kinderen aan de slag zouden gaan, christelijke scholen met christelijke kinderen, maar voor een hoog percentage van de scholen is dat eigenlijk helemaal niet het geval.

Mijn hoofdpunt is dat ik zie dat er segregatie is in het onderwijs. Er zijn zwarte en witte scholen. Er is een tweedeling, en die vind ik zeer onwenselijk en zorgelijk. Ik zou willen dat er heel actief gekeken wordt naar het maken van afspraken over een eerlijker verdeling van achterstandsleerlingen en niet-achterstandsleerlingen. Dat zou je kunnen doen door te kijken naar de wetgeving en te zeggen dat integratie en gemengde scholen een actief deel moeten worden van de onderwijswetgeving.

De heer Van der Vlies (SGP):

Het is niet onplezierig om op deze dag waarop collega Jan Marijnissen een mededeling heeft gedaan die redelijk bepalend is in zijn leven, te worden herinnerd aan een interruptiedebat met hem. Ik weet niet eens meer wanneer dit was; het kan jaren geleden zijn. Daarin heb ik inderdaad al gezegd, de segregatie een punt van zorg te vinden. Natuurlijk, dat is ook in mijn fractie zo. Nu gaat het erom: hoe lossen wij dat op? Daarmee zijn wij al heel uitdrukkelijk bezig. Ik zou toch de aandacht van de heer Van Dijk willen vragen voor de inzet van lokale besturen en samenwerkingsverbanden van diverse scholen van verschillende signatuur om dit weerbarstige thema of probleem te tackelen. Ik erken dat dit niet zo hard opschiet als wij graag willen. U moet de zaak echter niet forceren.

De heer Jasper Van Dijk (SP):

Ik denk dat wij moeten vaststellen dat het niet zo opschiet met het bereiken van de gemengde scholen, wat mij een lief ding waard is. Er wordt gewerkt, er worden voorstellen gedaan en de staatssecretaris is bezig met pilots en experimenten. Mijn zorg is echter dat als puntje bij paaltje komt, scholen hun hand toch kunnen afhalen van die afspraken en die plannen. Ik steun dus die pilots en experimenten, maar denk dat mevrouw Dijksma over twee of drie jaar zal zeggen dat zij het heeft geprobeerd, maar dat het haar niet is gelukt. Het is een weerbarstig probleem. Ik probeer het probleem voor te leggen en wil bekijken of het werken aan integratie en gemengde scholen actiever in de wetgeving kan worden opgenomen.

De heer Pechtold (D66):

De oppositie, maar vooral de SP, staat altijd voorop om het kabinet te verwijten dat het met symboliek werkt en niet helder is. Door de bijdrage van de heer Van Dijk bekruipt mij een wat ongemakkelijk gevoel. Ik heb dit gevoel de afgelopen tien jaar wel eens vaker bij de SP gehad, toen ik de partij lokaal tegenkwam. Als een menging in de wijken niet bereikt kon worden, klonk al snel de roep om percentages in te voeren. Dat gebeurde ook als het om scholen ging. Dit werd nooit vanuit de blanke kant, maar altijd vanuit de donkere kant benaderd. En nu zegt de heer Van Dijk dat wij eens wat meer zouden moeten doen in de wetgeving. Laat hem dan helder zijn. Ik probeer te peilen of de heer Van Dijk nog aan de goede kant van de scheidslijn zit. Artikel 23 van de Grondwet is toch niet gemaakt om even een klein probleempje op te lossen? Dit zijn langere processen. Wij zeggen eigenlijk dat deze oplossingen generaties moeten meekunnen. De heer Van Dijk suggereert nu dat iets van integratie wel even via zo'n wet gemaakt kan worden. Dan wil ik van de heer Van Dijk toch iets meer duidelijkheid. Hoe ziet hij dit voor zich?

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Van Dijk. Ik vraag hem beknopt te zijn in zijn antwoorden. Dit kan namelijk nog uren duren.

De heer Jasper Van Dijk (SP):

Ik deel de mening van de heer Pechtold niet. Ik deel dan eerder de mening van de heer Van der Vlies. Hij zegt dat wij hiermee al jaren bezig zijn en dat het weerbarstig is. Ik sluit mij aan bij de aanbeveling van de Onderwijsraad die stelt dat er in de wetgeving misschien iets moet worden gedaan om de cohesie en de integratie weer helder als doelstelling vast te leggen. Die kant wil ik op. Ik vraag mij af of D66 ook niet af wil van de segregatie in het onderwijs. De heer Pechtold kan dan wel zeggen dat hij quota en percentages allemaal niks vindt. Ik zie de tweedeling tussen zwarte en witte scholen, rijke en arme scholen als een grote zorg. Ik zou daarover graag duidelijke afspraken maken.

De heer Pechtold (D66):

Ik ben ook tegen armoede en voedseltekorten en ik ben voor wereldvrede. Wij staan hier echter voor oplossingen. Ik zie dat het kabinet hierover verrast is.

De voorzitter:

Houd het even bij het onderwerp. Dat vind ik fijner.

De heer Pechtold (D66):

Als de minister dadelijk een vergelijkbaar antwoord geeft, spoedt de SP zich als eerste naar de microfoon om vragen te stellen als: hoe? Waar? Geld? Noem! U zegt dat u er in de wetgeving iets aan zou moeten doen. Dan mag ik u er ook naar vragen. Dit is geen spoeddebat. Wij zitten maanden tegen het rapport aan te werken. U hebt ook bedacht waarop u zich wilt profileren. Dan kun je niet alleen een vraag aan het kabinet formuleren. Ik herhaal dus mijn vraag: wat wil de SP?

De heer Jasper Van Dijk (SP):

Wij hebben daarover een nota uitgebracht. Die kan ik u aanreiken. Er staat een hele lijst voorstellen in. In ieder geval moeten gemengde scholen een doelstelling zijn van het onderwijsbeleid. Dat kan op allerlei manieren, bijvoorbeeld met dubbele wachtlijsten. De staatssecretaris onderneemt volgens mij een poging met vaste aanmeldmomenten. Je kunt afspraken maken met gemeenten en scholen. Er ligt nu ook al een amendement, waarin staat dat deze minstens een keer per jaar bij elkaar moeten komen. Dat is mij eerlijk gezegd ook wat te vrijblijvend. Ik vind dat integratie een doelstelling mag zijn van het onderwijsbeleid. De mogelijkheden om dit te bereiken, bijvoorbeeld door dubbele wachtlijsten, een heel concreet voorbeeld, zouden daartoe heel goed van dienst kunnen zijn.

De heer Pechtold (D66):

Ik stel vast dat u het kabinetsbeleid voor 90% herhaalt en daar dus geen enkele zaak tegenover zet. De zaken waarmee u komt, neigen allemaal naar percentages. Laat ik maar zeggen dat ik daar tegen ben.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik constateer dat de fractie van de heer Pechtold geen maatregelen wil nemen tegen de segregatie in het onderwijs, die ik een groot probleem vind. Acceptatieplicht is een van onze eerste doelstellingen. Daarnaast wil ik dubbele wachtlijsten.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Mij moet iets van het hart. De heer Van Dijk beëindigde het interruptiedebat met mij met dezelfde dooddoener. Als niet zijn maatregelen, die niet kunnen, worden overgenomen, zouden wij niet op dezelfde manier de segregatie willen bevechten. Laat ik de heer Van Dijk maar één andere vraag stellen. Wat gaat hij doen aan de witte vlucht? Dat is namelijk de andere helft van het probleem, maar daar heb ik hem nog nooit over gehoord.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De witte vlucht is natuurlijk net zo'n essentieel probleem, dat hier inherent aan is. Het gaat mij maar om één ding, om gemengde scholen. Dat betekent ook dat de witte vlucht moet worden bestreden. Wij willen duidelijke afspraken maken, liefst in de wetgeving, over een gelijke verdeling van leerlingen over alle scholen.

De heer Fritsma (PVV):

Ik hoor het nu al een tijdje aan. De heer Van Dijk en de SP vinden segregatie een groot probleem. Daar wordt artikel 23 bij gehaald om het op te lossen. Waarom kijkt de SP niet gewoon naar een beperking van de immigratie? Daar is de segregatie toch een gevolg van? Als je segregatie tegen wilt gaan, moet je de migratie tegengaan of in ieder geval beperken.

Is de SP het daarmee eens? Zo ja, waarom doet de SP dan helemaal niets op het gebied van beperking van de immigratie, bijvoorbeeld van gezinsmigratie? Die heeft altijd de bulk van de instroom gevormd. Zo zijn heel veel Marokkanen en Turken naar Nederland gekomen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat het hierbij blijft.

De heer Fritsma (PVV):

Waarom kijkt de SP daar niet naar?

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, wilt u het kort houden? Volgens mij gaat dit wel buiten de orde van het onderwerp.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik denk niet dat wij ooit kunnen tippen aan de radicaliteit van de voorstellen van de PVV op dat punt. Wij zijn ook voor een zorgvuldig migratiebeleid. Wij nemen helemaal niet zo'n extreem standpunt in. Er is nu een situatie waarin hier migranten zijn. Ik streef naar integratie van die mensen. Daar moet de heer Fritsma ook aan meedoen, of hij moet ze er allemaal uit willen zetten. Dat heb ik ook nog nooit horen zeggen.

De heer Fritsma (PVV):

Wij moeten niet alleen kijken naar de situatie die er nu is, maar ook naar de toekomst. Als duidelijk is dat segregatie, zwarte scholen, een logisch gevolg is van het jarenlang toestaan van massa-immigratie, dan vind ik het vreemd dat de SP daar niet naar kijkt en wel artikel 23 er bij haalt om segregatie tegen te gaan.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik deel die mening niet. Er is een Vreemdelingenwet en er is een migratiebeleid. De immigratie in Nederland is enorm teruggelopen. Dat staat helemaal los van de huidige situatie, van de leerlingen die er nu zijn en van de zwarte en de witte scholen. Ik wil daar een eind aan maken.

De voorzitter:

Ik beëindig de discussie op dit punt. Volgens mij is dit eerder al uitgebreid gewisseld.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik ga door met het vmbo. Ook de heer Winsemius bepleit een vmbo waar je niet alleen maar lessen krijgt, maar wordt voorbereid op maatschappelijke betrokkenheid. Dat spreekt ons zeer aan. Ook wij willen graag toe naar wijkgebonden scholen, waar jongeren veel meer bij de buurt worden betrokken. Winsemius zegt dat het verlengen van het vmbo met een of twee jaar wel geld kost, maar dat dit ook geldt voor de kleinere klassen en voor een hechtere begeleiding, om niet te spreken van de geschetste verbreding van scholen, met inbegrip van de aanpassing van gebouwen die daarvoor vereist is. Daartegenover pakt vrijwel elke maatregel voor de doelgroep in economisch opzicht positief uit. Van verschillende kanten wordt ons ingefluisterd, dat die jongeren als zij op het verkeerde pad komen pas echt duur worden, minimaal zo'n € 40.000 per jaar. Stop dat geld in het vmbo. Je moet de kraan dichtdraaien, dan hoef je later minder te dweilen. Delen de bewindslieden de mening dat investeren in beroepsonderwijs zeer lucratief is? Mevrouw Dezentjé, complimenten voor uw partijgenoot. Hij doorziet precies wat er verkeerd gaat. Doe er uw voordeel mee!

De vernieuwing in het mbo lijkt erg op die van de tweede fase en het studiehuis. Er wordt gezegd dat de vernieuwing van onderop komt, maar het is de vraag of dat klopt. Volgens mij komt zij vooral van vertegenwoordigers van onderwijs en bedrijfsleven. Of er echt draagvlak voor is, is te weinig onderzocht. Daarom is het goed dat de Kamer het toetsingskader hierop gaat toepassen. Eind dit jaar zullen wij met aanbevelingen komen. Wij hopen van harte dat de regering de conclusies serieus neemt.

De kwaliteit van het onderwijs wordt in hoge mate bepaald door de kwaliteit van de leraar. Hoogopgeleide leraren zijn dus van groot belang. Daar zou ingegrepen moeten worden, want de bevoegdheidseisen zijn verregaand losgelaten. Dat komt onder andere door de Wet op de beroepen in het onderwijs en de wet voor de onderbouw. Die hebben een kwalijke invloed op de sector, niet alleen voor de kwaliteit maar ook voor het aanzien van het vak. Een kwart van de leraren heeft niet de juiste papieren. 16% ervan is onbevoegd. Stelt u zich eens voor dat wij piloten onbevoegd zouden laten vliegen. Het land zou te klein zijn! De minister heeft zijn actieplan leraren. Het is de vraag of de leraar daar sterker van wordt. De wettelijke verankering van de professionele ruimte pakt volgens de vereniging Beter Onderwijs Nederland ongunstig uit voor leraren. Zij schrijft dat de leraar expliciet wordt gemaakt tot de ondergeschikte van zijn baas. Ik krijg daarop graag een reactie.

In 2020 komt er een miljard bij. Daarvan is ook nog een groot deel een sigaar uit eigen doos. Zo ongeveer iedereen weet dat, behalve minister Plasterk. Hij houdt stug vol dat het een nieuwe sigaar is. En minister Bos zei het ook: het geld moet binnen de onderwijsbegroting gevonden worden. Afgelopen vrijdag hebben de Leraren in Actie ballonnen opgelaten in het kader van de gemiste kansen. Ik heb hen gezegd dat er een nieuwe begroting komt met nieuwe kansen. Dus wie weet hoe ver wij komen met enig voortschrijdend inzicht. Investeren in onderwijs is in vele opzichten een winstgevende zaak. Jongeren worden hoger opgeleid, de criminaliteit neemt af, de vraag naar gezondheidszorg neemt af, mensen gaan meer verdienen en daardoor neemt ook het nationaal inkomen toe. Iedereen profiteert er dus van. Toch loopt Nederland ver achter in Europees verband. Nederland besteedt 5% van het bruto binnenlands product aan onderwijs, andere landen 6%. In de jaren zeventig gaf Nederland nog 8% uit aan onderwijs. Wat is er gebeurd in de tussentijd? Waarom zijn de uitgaven zo gedaald? Gaat het zo goed met het onderwijs? Dat lijkt mij niet.

Wat de overhead betreft valt er binnen het onderwijs ook veel geld te vinden. De scholen beschikken over grote reserves. De Algemene Onderwijsbond becijferde dat alle scholen tezamen een eigen vermogen hebben van bijna 10 mld. Nu is een deel van dat geld natuurlijk voor bepaalde doelen bestemd, maar een ander deel ligt wel degelijk op de plank of wordt belegd. Dat geld zou naar het klaslokaal moeten en wel zo snel mogelijk. Ook hier is weer de vraag: wie is er de baas? Is dat de minister of zijn dat de scholen?

De heer Depla (PvdA):

Ik vind het een beetje flauwe vraag, maar toch. Stel dat het ons lukt, want ik ben het met u eens, is dat dan ook weer een sigaar uit eigen doos? Geld dat ergens ligt en niet goed wordt gebruikt, maar binnen de begroting nu beter wordt ingezet?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De kwalificatie laat ik aan u. Het zou in ieder geval een heel goede zaak zijn als het geld dat voor onderwijs bestemd is, maximaal in het klaslokaal terechtkomt.

De heer Depla (PvdA):

Misschien is dat voor een deel ook wel een sigaar uit eigen doos. Dat geld dat op de begroting staat, niet wordt gebruikt voor andere zaken en ten behoeve van het onderwijs wordt ingezet, kan misschien ook wel een verbetering worden genoemd in plaats van een sigaar uit eigen doos. Wat dat betreft bent u zo inconsequent als de neten. Als u iets vindt, is het geen sigaar uit eigen doos en als wij vinden dat geld op een verkeerde plek ligt en het willen gebruiken, is het wel een sigaar uit eigen doos.

De voorzitter:

Het is wel een vrij ruige term, mijnheer Depla!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik weet ook niet precies wat ik ermee moet, maar ik constateer in ieder geval dat de heer Depla eerlijk zegt dat het geld uit de onderwijsbegroting afkomstig is.

Ik heb het eerder gezegd, 2008 wordt het jaar van het onderwijs, ook al zijn wij al halverwege en zijn wij bijna toe aan de rust. Cruciaal is de kwaliteit van de leraar. Wij lopen het risico dat alles wordt overgelaten aan schoolbesturen en hun vertegenwoordigers of de vertegenwoordigende instanties. Laten wij dat voorkomen. Ik doe een aantal voorstellen.

Het eerste is om lerarensalarissen landelijk te regelen. Om het proces van kwaliteitsdaling te stoppen, moeten de lerarensalarissen uit de lumpsumfinanciering gehaald worden. Het salaris wordt landelijk geregeld en beloning wordt gekoppeld aan opleiding. Mocht de regering dit voorstel niet overnemen, dan krijgt het idee om het geld uit de lumpsum rechtstreeks naar de scholen over te maken, mijn steun. Het brengt het geld immers dichter naar het klaslokaal en dat is mij al een lief ding waard.

Een kwart van de leraren heeft niet de juiste papieren in het voortgezet onderwijs. Onderwijs moet door bevoegde leraren gegeven worden. Om de werkdruk te verminderen, wordt onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een maximale groepsgrootte en een maximaal aantal lesuren voor leraren.

De leraren moeten ook invloed hebben. Leraren bepalen de visie van de school en de gezamenlijke pedagogisch-didactische koers. Het management wordt tot een minimum beperkt en zorgt voor de randvoorwaarden voor goed onderwijs. Kan zichtbaar worden gemaakt hoeveel managers er precies in het onderwijs werken? Vervolgens kunnen wij bezien hoeveel van deze mensen voor de klas kunnen staan. Delen de bewindslieden ook de mening dat elke schoolleider en manager zelf een aantal uren voor de klas zou moeten staan? Ik hoor graag een reactie.

Ook de overhead moet beter inzichtelijk worden gemaakt. Het moet loepzuiver zijn hoeveel geld er naar de klas gaat en hoeveel er verdwijnt in de overhead. Er zou niet meer dan 15% naar overhead moeten gaan.

Zoals gezegd wil ik graag een onderzoek naar de belemmeringen van ons onderwijsstelsel voor de bestrijding van segregatie.

Het streven naar integratie zou wettelijk verankerd moeten worden. De tweedeling tussen goede en zwakke scholen is een tijdbom onder de samenleving. Op een kwart van de scholen lopen de leerlingen volgens de inspectie risico's. Er gebeurt nu al veel, maar de schoolbesturen hebben veel vrijheid om voor zichzelf te kiezen. Samenwerking is noodzakelijk.

De heer Pechtold (D66):

De heer Van Dijk raffelt zijn tekst wat af, maar hij heeft hier eerder over geschreven. Ik hoor nu dat het streven naar integratie wettelijk verankerd zou moeten worden. Wat voor wetten gaan wij nou maken? Het is een en al symbolische retoriek! Een wet gaat om geld, een wet geeft aan: daar wel, daar niet. Maar wat gaan wij in dit verband doen? De heer Van Dijk staat hier namens de grootste oppositiepartij. Kom op!

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Pechtold stelt dezelfde vraag als daarnet. Ik heb daarnet al gezegd dat wij een nota hebben geschreven met heel veel voorstellen. Lees dat nou! Dubbele wachtlijsten, afspraken over maximale schoolgrootte, bindende afspraken tussen scholen en gemeenten enzovoorts. Het bereiken van gemengd onderwijs moet een doelstelling van het onderwijs zijn. Het is glashelder.

De heer Pechtold (D66):

Als ik met Marijnissen in debat ben, krijg ik te horen dat hij een boek heeft geschreven. U roept nu dat u een nota hebt geschreven. Zo gaat het niet. U benoemt letterlijk de agenda van staatssecretaris Dijksma. U hebt daarin niets controversieels aangewezen. Wat houdt uw wet om integratie te verankeren in? U suggereert dat er een probleem van zwarte scholen is dat wij als wetgever moeten aanpakken, maar u komt met niets. Komt u met een wetsvoorstel?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is een goede suggestie. De staatssecretaris doet experimenten. Zij zal die experimenten evalueren en misschien in 2010 tot de conclusie komen dat er niets gebeurd is. Ik wil dat er echt veel strakkere afspraken worden gemaakt over het bereiken van gemengde scholen. Sterker nog, ik wil dat in wetgeving vastleggen. Via onderzoek moeten wij uitzoeken hoe dat precies moet. Het advies van de Onderwijsraad kan daarin worden meegenomen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dit blijft intrigeren. U zet zich af tegen de rest van de Kamer. Wat u bovenop de commissie-Dijsselbloem en de staatssecretaris wilt, is dat in een wet wordt vastgelegd dat integratie een belangrijke doelstelling van het onderwijs is. Begrijp ik dat goed?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee. Dat is veel te vrijblijvend. Ik wil dat het streven naar qua leerlingen gemengde scholen een hard doel in de onderwijswetgeving wordt. Dat is het nu niet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dus in Wassenaar, Naarden ...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, dat is flauw.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Laat ik dan mijn eigen wijk nemen. Die is zwart, dus daar zal de school niet snel gemengd worden. Wat stelt u zich voor? Moeten wij met bussen gaan rijden? Nogmaals, ik hoor allemaal "flinkse" taal, maar qua maatregelen is het nogal leeg. Wij willen graag weten hoe u het land gaat veranderen. Het is ons volstrekt onduidelijk hoe u dat wilt gaan doen. U wilt het streefdoel van gemengde scholen. Hoe gaat u dat doen?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik zou zeggen: ik ga de nota uitdelen.

Ik vind het flauw dat mevrouw Halsema het heeft over rijden met busjes en over dat zij in een zwarte wijk woont. Dat heeft geen zin. Het gaat erom dat de scholen streven naar een afspiegeling van de omgeving. In een zwarte wijk moet er iets worden gedaan met de huisvesting. Dat heb ik al gezegd. In gemengde wijken vallen goed afspraken te maken over dubbele wachtlijsten.

De voorzitter:

Mevrouw Dezentjé, het lijkt mij dat dit punt redelijk uitgemolken is. Hebt u nog een nieuw punt?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik wil de heer Van Dijk graag uit zijn lijden verlossen. Hij spreekt van een document. Ik vraag hem om daaruit drie maatregelen te noemen hoe de SP de segregatie wil bestrijden. Ik vraag hem ook om zich daarna weer te focussen op het rapport-Dijsselbloem.

De voorzitter:

Met die laatste opmerking ben ik het van harte eens. Ik sta hem dan ook niet toe om drie voorbeelden uit zijn rapport te noemen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

...

De voorzitter:

Nee. U gaat verder met uw betoog.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Onderwijsvernieuwingen worden niet meer van bovenaf opgelegd, maar ingevoerd via experimenten en met behulp van het toetsingskader van de commissie-Dijsselbloem. Wetenschappelijke onderbouwing en draagvlak zijn noodzakelijk voorwaarden voor vernieuwingen.

Ik heb een vraag voor de minister. In diverse interviews erkent hij dat het onderwijspeil is gedaald. De vernieuwingen hebben daaraan bijgedragen. Daarom moeten wij terug naar de basisvaardigheden: rekenen en taal. De minister zegt dat er meer structuur moet komen en dat het allemaal wat schoolser moet worden. Hij verwijst in dat verband weleens naar Theo Thijssen. Ik ben het daarmee eens. Kan de minister voorbeelden geven van hoe hij meer structuur wil aanbrengen en de zaak schoolser wil maken?

Het rapport van de commissie-Dijsselbloem heeft alles in zich om een trendbreuk in het onderwijs te forceren. Mijn partij staat voor een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. De overheid regelt de randvoorwaarden. De leraar is de baas op school. De tussenlaag van managers en bestuurders kan vergaand inkrimpen. Salarissen en bevoegdheden worden landelijk vastgelegd. De uitgaven aan onderwijs moeten voldoen aan de OESO-norm. Dat zou pas dapper zijn. Dan zou deze regering laten zien dat onderwijs bovenaan staat. Met de reactie van het kabinet gaat het echter door op de oude voet. Dat is doodzonde, want onderwijs verdient topprioriteit. Het is tijd voor een trendbreuk. Als wij het nu niet doen, wanneer dan wel?

De voorzitter:

Ik schors de vergadering tot kwart over acht voor de dinerpauze. Dat lijkt lang, maar ik wil daarbij aan de medewerkers denken. Normaal is de dinerpauze anderhalf uur. Nu schorsen wij voor iets meer dan een uur. Het wordt dus kwart over acht, en dan begin ik ook!

De vergadering wordt van 19.05 uur tot 20.15 uur geschorst.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Tijd voor Onderwijs; tijd voor verandering zou ik daaraan willen toevoegen. Meer dan ooit leeft er onder politici en beleidsmakers een gevoel van urgentie om ten strijde te trekken tegen de teloorgang van ons onderwijs. Na eerst het advies van Rinnooy Kan en nu Tijd voor Onderwijs hebben wij de munitie in handen om dat gevecht aan te gaan.

Ik kan niet genoeg benadrukken dat de commissie goed werk heeft geleverd. De analyses laten niets aan duidelijkheid over en er worden gedurfde conclusies getrokken. De analyses zijn bovendien genuanceerd en daaruit blijkt dat veel van de onderwijsvernieuwingen ooit zijn voortgekomen uit oprechte zorg voor het onderwijs; de zorg om kinderen die wij de gelegenheid willen geven om het beste uit zichzelf te halen. Daarvoor is maatwerk in het onderwijs nodig. Ik heb in het debat met de commissie gezegd dat maatwerk leveren juist voor leerlingen die in de puberteit zitten, vaak lastig is. Jongeren zijn in hun puberteit immers hun eigen maten aan het ontdekken en zij verschillen soms per dag, uur of minuut. Dat vergt veel van docenten. Het vergt flexibiliteit, inlevingsvermogen en doortastendheid. Ook zijn er leerlingen die door hun achtergrond niet eraan toekomen zich volledig te ontplooien. Dat politici daarover in het verleden zorgen hadden, is zeer begrijpelijk. Die zorg heeft mijn fractie overigens nog steeds.

Tijdens de verhoren van de commissie-Dijsselbloem vertelde oud-minister Jos van Kemenade over zijn eigen schooltijd. Hij herinnerde zich dat je in die tijd klompenscholen en centenscholen had. De centenschool was bedoeld voor kinderen van ouders die het wat beter hadden en van wie ambitie werd verwacht. De klompenschool was voor de onderklasse, van wie juist niet zoveel werd verwacht. Aan die leerlingen werd niet zo hard getrokken, omdat domweg ervan werd uitgegaan dat zij geen talenten of ambities hadden. De introductie van de Mammoetwet in de jaren zestig, de discussies over de middenschool in de jaren zeventig en de invoering van de basisvorming, de tweede fase en het vmbo waren allemaal pogingen om aan die ongelijkheid iets te doen. De intenties waren daarbij volstrekt legitiem. Sterker nog, het is nog steeds van belang om een vinger aan de pols te houden met betrekking tot gelijke kansen in het onderwijs.

De realiteit van de klompen- en centenschool lijkt iets uit vervlogen tijden, maar helaas zijn er nog steeds grote restanten van over. Uit verschillende onderzoeken van de laatste tijd blijkt immers dat de intelligentie en ambitie van kinderen uit achterstandmilieus, waaronder ook veel allochtone gezinnen, vaak te laag worden ingeschat. Een opvallend hoog percentage krijgt een lager schooladvies mee dan hun intelligentieniveau rechtvaardigt. Hiermee blijft potentieel talent onbenut en dat moet de overheid een zorg zijn. Ik hoorde vanmorgen nog interessante cijfers over de beoordeling van schoolonderzoeken. Bij allochtone leerlingen leeft vaak een gevoel van meer ijver en daardoor krijgen zij weer waardering van de leraar. Naar die cijfers moet de politiek kijken.

Deze cijfers gaan vooral over de cognitieve vermogens van leerlingen, maar ook andersoortige vermogens worden onderschat. De commissie Onderwijsvernieuwingen stelt terecht dat manuele intelligentie – het vermogen om zeer goed met je handen te werken – in Nederland doorgaans als minderwaardig wordt beschouwd. Dat is een groot onrecht. Er is in de ogen van mijn fractie ook een cultureel Nederlands probleem. Leerlingen die goed met hun handen kunnen werken, verdienen een respectabele positie. Op zowel het vmbo als het mbo, het hbo en de technische universiteiten verdienen technische vaardigheden een beter aanzien.

De fractie van D66 constateert met de commissie-Dijsselbloem dat de intenties van de politiek om het onderwijs te hervormen "voorstelbaar" zijn geweest. Helaas moet zij ook constateren dat in de ijver om gevolg te geven aan die zorg, er in de afgelopen twintig jaar nog wel eens wat misging. Tijd voor Onderwijs drukt ons met de neus op de feiten, niet in de laatste plaats over het functioneren van de politiek zelf. Zowel het kabinet als zijn bewindslieden als het parlement, zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer. Onder druk van regeerakkoorden is soms te overhaast tot vernieuwing overgegaan en door bezuinigingswoede zijn docenten niet altijd voldoende ondersteund. Tegelijkertijd bemoeide de overheid zich te vaak met de vorm van lesgeven en was er bemoeienis tot in het klaslokaal. Bij elkaar opgeteld heeft dit alles geleid tot een onderwijsbeleid waarin docenten, maar ook ouders, geen vertrouwen meer hadden. De eerste en meest in het oog springende conclusie in het rapport is meteen de stevigste: de overheid heeft haar kerntaak, het stellen van deugdelijk onderwijs, sterk verwaarloosd. Het is opvallend en misschien zelfs kwalijk dat juist over deze conclusie met geen woord wordt gerept in de beleidsreactie. Waarom is dat? Waarom wordt daar geen reactie op gegeven?

De benadering waarbij eerst de vraag wordt gesteld "wat willen wij?", en daarna pas "wat moet dat kosten?" werd vaak omgedraaid tot "hoeveel mag het kosten en wat kunnen wij daarvoor krijgen?". Beleidskeuzes werden te sterk bepaald door de financiële ruimte. En die ruimte werd, zoals wij allemaal weten, krapper en krapper. Gaat dit kabinet mee in de gedachte dat wij moeten stoppen met het zoeken van beleid bij een bepaald budget en dat wij voortaan de kwaliteit van onderwijs als uitgangspunt moeten nemen? Daar moeten wij dan het budget bij zoeken, in plaats van andersom. Ik mag toch aannemen dat het kabinet hierin meegaat. Waarom zien wij het dan toch meteen weer misgaan? De commissie-Cornielje over de onderwijstijd mag van alles adviseren als het maar binnen het budget blijft. De Kamer heeft er een spoeddebat over gevoerd, maar weeks erna hoor ik dat Cornielje niet de enige is. Ook Cohen, die adviseert over de toekomst van de geesteswetenschappen, is ontboden op het ministerie omdat zijn adviezen wel binnen het budget moeten passen. Dit is de omgekeerde wereld. Het is alsof wij niets geleerd hebben.

Ik vind de constatering van de commissie dat veel van de klachten van het onderwijs wel degelijk tot de Kamer doordrongen opvallend. Veel Kamerleden wisten beter wat er op de werkvloer speelde dan de lobbyorganisaties en vakbonden die zich als belangenvertegenwoordigers opwierpen. Het was meestal vanwege de druk van een regeerakkoord dat Kamerleden uiteindelijk akkoord gingen met gehaaste invoering. Hoe gaat de regering in de toekomst voorkomen dat dit soort akkoorden zulke effecten hebben?

Niet alleen de politiek moet zich achter de oren krabben over haar rol, maar ook de vakbonden. Volgens de commissie speelden zij vaak een twijfelachtige rol. Bij de invoering van de tweede fase speelde de vakbond zelfs een cruciale rol in het breken van het verzet van de Kamer tegen een te gehaaste invoering van een onderwijsvernieuwing. Het is van belang dat de Kamer zich realiseert dat zij een belangrijke, eigenstandige rol moet spelen in dit soort processen en dat zij zich niet afhankelijk moet maken. Zij moet zich niet afhankelijk maken van de polder en niet van de vertegenwoordigers van de vertegenwoordigers die soms losgezongen zijn van hen die werkelijk representatief zijn voor hun achterban. Het is echter ook van belang dat de regering zich dit realiseert. Ik ben daarom zeer geïnteresseerd in de visie van dit kabinet op dit punt.

De commissie pleit voor een nieuwe manier van het verwerven van draagvlak, die voorbijgaat aan het poldermodel in het onderwijs en waarbij de legitimiteit voor een beleidskeuze niet enkel afhangt van draagvlak bij de sectororganisaties, maar ook van harde, empirische gegevens en pilots. Natuurlijk zal er nog steeds overlegd worden met vakbonden en belangenorganisaties, maar ik mag toch hopen dat de regering niet meer sec op hun beoordeling alleen afgaat. Hoe wil de regering met de kennis van de adviezen van de commissie voortaan omgaan met deze officiële organisaties? Welke checks and balances wil de regering inbouwen om te voorkomen dat zij zich te afhankelijk maakt van deze instituties, als ik het zo mag noemen?

In de beleidsreactie wordt de oprichting van het Instituut voor Evidence Based Onderwijs genoemd. Op welke termijn zal dit instituut operationeel zijn? Wat is de status van dit instituut? Betekent de oprichting ervan dat alle onderwijsvernieuwingen getest en getoetst gaan worden, wellicht ook met terugwerkende kracht? Zo kunnen wij alsnog af – daar komt ie weer – van de overbodige gratis schoolboeken en de zinloze maatschappelijke stage van 72 uur. Ik zie dat de staatssecretarissen verheugd ademen dat zij weer even kunnen aanhaken in mijn verhaal ...

In het vorige debat hierover met de Kamer, het debat met de commissie, hebben wij teruggekeken op de onderwijsvernieuwingen. Ook werden daar de nodige zwartepieten uitgedeeld en hebben politieke partijen waaronder D66 rekenschap afgelegd van hun rol in de onderwijsdebatten van de afgelopen decennia. Ik wil dat debat niet overdoen, want wij moeten nu vooral naar de toekomst kijken. De commissie riep ons op om te stoppen met navelstaren. Ik zou zeggen: oké, graag zelfs! Dus vraag ik het kabinet wat wij gaan doen. Wat gaan wij doen, vraag ik hier ook hardop in de Kamer. Bent u bereid dingen anders te gaan doen? Want laten wij wel wezen. De conclusie van de commissie Onderwijsvernieuwingen was een weinig bevreemdende. De conclusie kwam niet uit de lucht vallen. De conclusie was een markering van datgene wat wij al lang wisten. Nu is alleen de vraag: wat gaan wij doen? Ik herhaal het maar weer. Wordt "Tijd voor onderwijs" een bijbel aan de hand waarvan wij voortaan gaan praten over het onderwijs? Of komt er naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen ook echt nieuw beleid? Want in de beleidsreactie lees ik geen groot commitment: wat maatregelen die toch al min of meer op stapel stonden, een onderzoekje hier en daar.

Goede maatregelen, nuttige onderzoeken, maar ik mis de sense of urgency bij dit kabinet die in het rapport van de commissie wel doorklinkt. En ik snap de voorzichtigheid ook niet. Wanneer, anders dan nu, zal het momentum zijn om het roer om te gooien? Dit kabinet heeft wat goede adviezen over onderwijs betreft de wind toch vol in de zeilen? Wanneer, anders dan nu, zal het momentum zijn om deze adviezen ten volle te omarmen? Wanneer zal dat moment groter zijn? Ik vraag dit expliciet omdat de beleidsreactie er te vaag over blijft. Wat is uw agenda?

Het vragen om een parlementair onderzoek was een van de eerste daden van de PvdA in deze coalitie. Maar met welk doel? Wij hebben nog drie jaar te gaan tot de volgende verkiezingen. Zijn de uitkomsten van de onderzoekscommissie aanleiding tot het wijzigen van de koers? Gooit u het roer om? Breekt u desnoods het coalitieakkoord open waar het de onderwijsparagraaf aangaat?

Verandering is nodig, juist in het onderwijs. In het verleden werden onderwijsvernieuwingen nodig gevonden om af te komen van het onderscheid tussen klompen- en centenschool. En die strijd is nog lang niet gestreden. Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje. Helaas vinden wij de bevestiging van deze gouwe ouwe van Louis Davids nog steeds in ons onderwijssysteem. Nogmaals en hoe onaangenaam ook, dat systeem discrimineert naar herkomst. Sociale herkomst is nog steeds een goede voorspeller van de route die wij afleggen in het onderwijs. En dat moet beter en dat kan beter. Landen als Finland en de Verenigde Staten laten dat zien. Ons onderwijs miskent talenten van allochtonen die een taalachterstand moeten inlopen, die bij gelijke Cito-scores een lager schooladvies krijgen en het hoger onderwijs op latere leeftijd bereiken. Dit terwijl bewezen succesroutes zoals de brugklas worden afgeschaft, de moeilijkste leerlingen het kortst in de schoolse omgeving worden gehouden en de overstap van vmbo naar mbo onnodig groot blijft. Wij kunnen ons niet permitteren op deze manier talent te verkwisten. Het is onrechtvaardig en het is fataal. Onrechtvaardig voor diegenen die het aangaat en fataal voor onze ambities als een kenniseconomie. Begrijp mij goed. Ik sta hier niet te pleiten voor nieuwe grootschalige onderwijshervorming, maar binnen de marges van het bestaande kunnen wij veel doen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik vind eerlijk gezegd dat uw betoog een interruptie verdient, dus ik dacht "ik kwijt mij van mijn taak".

De voorzitter:

Dat hoeft niet per se hoor.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik weet dat u daar anders over denkt, maar gelukkig bent u alleen maar de voorzitter.

De voorzitter:

Dat klopt.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

De vraag is de volgende. Ik deel in uw analyse over het gebrek aan sociale rechtvaardigheid in ons onderwijs en het gebrek aan mogelijkheden voor sociale mobiliteit en emancipatie van jongeren. Een heet hangijzer bespreekt u daarbij echter niet en dat is de vroege selectie in ons onderwijs. Wij hikken allemaal aan tegen onderwijsvernieuwingen. Wij hebben allemaal geleerd van het verleden, van de basisvorming, maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de heel vroege selectie in ons onderwijs mede bepalend is voor ons gebrek aan sociale mobiliteit.

De heer Pechtold (D66):

Wij zijn het eens.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

En wat vindt u dat er moet gebeuren?

De heer Pechtold (D66):

Wij zijn het eens. Ik merk dat er, als ik dat wel eens ergens zeg en dan bijvoorbeeld het woord "middenschool" in de mond neem waar twaalf- tot vijftienjarigen heengaan voordat er pas echt wordt gekozen, vanuit het verleden een enorme schaduw vooruit wordt geworpen waardoor discussies stop liggen. Pleiten voor dat woord is dus al op achterstand komen. Maar het zoeken naar de mogelijkheid om met name in die leeftijd niet zo vroeg een keuze te maken of nog een keuze te herstellen, zal een uitdaging zijn. Met name op dat punt vraag ik het kabinet: durf daarover nu eens met de Kamer na te denken. Ik denk dat het essentieel is dat je rond die leeftijd nog eens de kans krijgt om wat langer na te denken of een keuze opnieuw te maken. Daartoe zul je degenen die door willen en dat kunnen, ook de kans moeten geven. Degenen die dat nodig hebben – en ik ben bang dat dit er meer zijn dan wij ons op dit moment realiseren – moeten wij daartoe nog een kans geven. Daar pleit ik voor. Over de vorm daarvan denk ik graag de komende drie jaar hardop na.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik hoor de heer Pechtold zeggen dat allochtone leerlingen een lager schooladvies zouden krijgen. Dat heb ik ook lang geloofd, omdat het steeds werd gezegd. Ik was dan ook heel erg verbaasd om te horen dat met name de onderwijsinspectie dit echt helemaal weerlegt en zegt dat het dus absoluut niet het geval is. Ik wil graag weten van de heer Pechtold waar hij zijn bewering op baseert en hoe hij aan zijn gegevens komt. Ik was juist verbaasd dat het tegendeel het geval was.

De heer Pechtold (D66):

Ik ben zeer geïnteresseerd in het onderzoek waarin de inspectie dat één op één hard maakt, want mijn ervaring is gewoon dat leerlingen met een dergelijke achtergrond met wie ik spreek, zeggen: ik kreeg toen dat en dat advies. Laat ik eerlijk zeggen dat dit iets is van alle tijden. Ik kom van een plattelandsboerenschooltje en toen ik het advies vwo kreeg, was ik de enige in de klas. Dat was ook alleen omdat mijn ouders het min of meer afdwongen. Het ging toen niet om een allochtone achtergrond, maar om de sociale omgeving van een dorpsschooltje onder de rook van Rotterdam. Een havo-advies geven was gewoon uit den boze. Het woord lyceum kon de schooldirecteur bij ons niet eens schrijven toen mijn moeder zei dat ik daar naartoe ging. Hij moest het invullen op een formulier en hij vroeg: hoe spel je dat.

De voorzitter:

Dat is empirisch bewijs.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ja, ik heb ook een aantal van die voorbeelden, om niet te spreken van mijzelf. Ik weet overigens niet of al die adviezen goed zijn geweest, maar het lijkt mij goed als het kabinet op dit punt helderheid kan geven en als het de actuele stand even kan weergeven.

De heer Pechtold (D66):

Ik ben dat zeer met u eens, want als cijfers anders blijken te zijn of inmiddels anders liggen, dan kijk ik daar graag naar. Nogmaals, mijn ervaring uit het veld is een andere.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Ik ben het eens met het idee om te zoeken naar meer gelijke kansen. Daar hebben wij het net over gehad. Wat gaat de fractie van D66 nu precies doen aan de segregatie? Is dat voor de heer Pechtold een probleem waarvan hij zegt: daar moeten wij eens echt goed naar kijken en maatregelen voor bedenken? Of zegt hij: daar is niets tegen te beginnen?

De heer Pechtold (D66):

Mijn analyse is pagina 1 tot 12; pagina 12 tot 18 is een oplossing, maar die is nog niet volledig.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

18 pagina's?

De voorzitter:

Dat was een grapje. Mijnheer Pechtold, gaat u door!

De heer Pechtold (D66):

Ik wil niet hetzelfde als u, mijnheer Jasper van Dijk. U roept dat u wetgeving wilt, u roept artikel 23, u roept bijzonder onderwijs en dan komt de heer Van der Vlies naar voren en vraagt wat wij nu aan de fiets krijgen hangen. Nee, soms vraag ik mij af of dat allemaal vanuit Den Haag moet gebeuren. Wij kennen allemaal het voorbeeld van die van oorsprong katholieke school in Amsterdam – ik ben er als minister op werkbezoek geweest en neem aan dat inmiddels iedereen wel is geweest – waar die moeders, allemaal met een dikke buik, bij de Albert Heijn op een gegeven moment zeiden: zullen wij er nu eens voor zorgen dat die kinderen naar die school in de buurt gaan? Zij zijn ermee op tv geweest en alles. Wat was de taak van de overheid daarin? Eigenlijk een heel beperkte: het faciliteren van iets wat uit de mensen zelf kwam. Dat werkt in Amsterdam in die buurt zo, en misschien dat het in Rotterdam op een andere manier werkt. De taak voor ons ligt er vooral in, lokale bestuurders de kans te geven om ter plaatse maatwerk te leveren. Ik wil dat niet zoals de heer Jasper van Dijk oplossen met quota. Ik wil dat niet oplossen met zaken die ingaan tegen de vrijheden die wij op dit moment hebben en die mijn fractie hoog acht. Wij hebben creatieve ideeën nodig. Ik ben ooit ook wethouder van onderwijs geweest en ik weet nog heel goed dat ik een basisschool had met 192 leerlingen, die tegen de grens van opheffing aanzat en tien lokalen had leegstaan. Een prachtig mooie school, mooi opgeknapt, want daar ging het geld naartoe. En ik had een andere school, die voor de derde uitbreiding stond, want die zat boven de 900 leerlingen. Dan zeg je een keer: dat breng ik onder één bestuur en ik dwing daardoor ouders min of meer – niet postcodegewijs, maar toch – om te kiezen tussen vestigingen en ik maak er twee goede scholen van. Dat was een lokale oplossing van een wethouder.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U hebt duidelijk gezegd wat u niet wilt. De vraag blijft toch een beetje wat u dan wel wilt. U zegt: creatieve oplossingen lokaal bekijken, maar dat is natuurlijk zeer vrijblijvend. Moet ik constateren dat D66 zegt: als het niet lokaal en niet creatief kan, dan maar niet?

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Dan gaat de SP van een andere premisse uit en dat is – dat klonk ook te veel door in het debat om het zuiver te houden – dat zwarte scholen foute scholen zijn. Ik ken maar twee soorten scholen: goede en foute scholen en die verdeling gaat niet langs de lijn van zwart en wit. De inspectie is ervoor, dat te beoordelen. Een paar jaar geleden hadden wij onder Balkenende II nog 4% zeer zwakke scholen. Minister Van der Hoeven heeft dat teruggebracht tot 2%. Dat is een behoorlijke prestatie, al is dat nog steeds duizenden leerlingen per jaar te veel. Dit kabinet en deze staatssecretarissen en minister hoor ik zeggen dat zij daarop inzetten. Ik hoor ze geen nieuwe systemen over het onderwijsveld heen gooien, ik hoor wel dat ze pilots overeenkomstig de voorstellen van de commissie willen houden. Nu gaan wij ze alleen nog opjutten om daar meer geld voor uit te trekken, meer tijd in te stoppen en wat dies meer zij. Wij gaan, Jasper van Dijk, niet proberen te suggereren dat er rondom integratie van maakbaarheid sprake kan zijn, af te dwingen door wetgeving in de Schoolwet.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Wat u niet wil, wist ik. Dat heb ik al gezegd. U blijft dat steeds maar zeggen, maar het gaat er natuurlijk om wat u wel wilt. Dan komt u met het eerlijk gezegd nogal gedateerde verhaal dat zwarte scholen ook heel goede scholen zijn.

De voorzitter:

U zou het kort houden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik houd het kort. Daar ben ik het zeer mee eens, maar daarmee lost u de segregatie niet op. U moet dat dan ook erkennen door te zeggen: als het mij niet lukt, accepteren wij de zwarte en de witte scholen en doen wij daar niets aan. Dan is dat een duidelijk verhaal.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Omwille van de scherpte van het debat zou ik nog bijna ja zeggen. Als u mij namelijk de keuze voorhoudt tussen het gedwongen verplaatsen van leerlingen vanwege hun huidskleur of het accepteren dat wij scholen hebben waar vanwege een kleur uniforme ideeën zijn, dan zeg ik: die emanciperen zich de komende laatste jaren wel. Dan zijn wij er als overheid om de excessen tegen te gaan en om te zorgen dat er prikkels zijn.

Mijnheer Van Dijk, ik ken te veel SP'ers van het lokale niveau. Ik heb in Leiden te vaak meegemaakt dat zij zeiden: dwing ze maar, haal ze maar weg. Uit die achtergrond komt u voort. Ik zal u daar vanwege uw jeugdige leeftijd niet mee lastigvallen, maar de SP heeft die sentimenten altijd een beetje in de achterhoede.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het gaat erom wat u wel wilt.

De heer Pechtold (D66):

Ik heb zojuist precies aangegeven wat ik wil en dat is precies waar dit kabinet mee bezig is.

De voorzitter:

Nee, nee, nee, mijnheer Pechtold, ik stel voor dat u niet op roepen vanuit de zaal reageert. Dat houdt de tijd lekker kort.

Mevrouw Dezentjé, hebt u nog iets nieuws op dit punt?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nee, ik wilde zelfs nog teruggrijpen op het vorige punt, met uw welnemen.

De voorzitter:

Daar was ik al bang voor.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik wilde het niet hebben over segregatie, maar over het pleidooi van de heer Pechtold voor de middenschool. Hoe verhoudt dit pleidooi voor de middenschool zich tot waar ik D66 ook van ken: individuele talentontplooiing. Wil de heer Pechtold dat even uitleggen?

De heer Pechtold (D66):

Mevrouw Halsema en ik hebben net al samen het gevaar van dat woord onderkend. Nu zegt u al tegen mij dat ik de middenschool wil. Als dat de conclusie is, wordt een oud defaitistisch gevoel op mij afgevuurd: dat wil hij. Nee, dat wil ik niet. Ik zei zelfs in het interruptiedebat met mevrouw Halsema: "en daarmee moeten wij ervoor zorgen dat wij talent en excellentie ook de ruimte geven". Het ging mij even om de andere kant van de formulering. Het gaat mij om diegenen die een keer een foute keuze maken of het nodig hebben om later een keuze te kunnen maken. Dat kan voorkomen door een taalachterstand of doordat zij niet weten wat huiswerk maken is of wat dan ook. Er kan van alles zijn waardoor er een latere keuze moet worden gemaakt. Ik wil bekijken hoe dat te formuleren valt.

De voorzitter:

De heer Depla nog?

De heer Depla (PvdA):

Dit is de eerste keer vandaag. De heer Pechtold heeft een mooi voorbeeld uit zijn wethouderstijd van mevrouwen met dikke buiken op het basisonderwijs aangehaald. Hij weet misschien ook dat er in de grote steden een groot probleem is met de kwaliteit van het vmbo en het beroepsonderwijs.

De heer Pechtold (D66):

Ja.

De heer Depla (PvdA):

Welke suggesties doet de heer Pechtold daarvoor?

De heer Pechtold (D66):

Ik heb nog zo veel mooie tekst!

De heer Depla (PvdA):

Dan houd ik mijn vraag op en dan kom ik daar aan het einde van uw inbreng op terug.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een uitstekend procedurevoorstel. Mijnheer Pechtold, gaat u verder met uw betoog. Dan start ik de tijd weer.

De heer Pechtold (D66):

Volgens mij zit daar niet in wat de heer Depla wil horen, maar dat hoor ik zo dadelijk wel.

De voorzitter:

Ja wel, daar komt u vast wel op.

De heer Pechtold (D66):

Onze kinderen maken hun keuzes op hun twaalfde. Dat kan desastreus zijn voor laatbloeiers en daar zijn er veel van. Zij moeten via het stapelen van diploma's de kans krijgen om alsnog hoger onderwijs te genieten. Afgesneden routes moeten in ere hersteld worden. Ik ben blij dat het kabinet al heeft gezegd, te kijken wat hiervoor aangereikt kan worden. Er is meer. Wie rondom zijn vierde jaar een achterstand in taal heeft opgelopen, loopt deze niet meer in. Het is onacceptabel, leerlingen met een reken- of taalachterstand van school te laten gaan. Wij hebben de verantwoordelijkheid, deze jongeren goed op te leiden en ze niet op te zadelen met een handicap voor het leven. Zo zie ik taalachterstand namelijk. Voorschoolse educatie is daarom van levensbelang. Slechts 50% van hen die het nodig hebben, profiteert daarvan. Dat is veel te weinig. De andere helft zal op achttienjarige leeftijd niet in staat zijn, te overleven op de arbeidsmarkt. 50% moet dus 100% worden. De commissie adviseert om een voldoende verplicht te stellen bij het centraal examen en bij schoolonderzoeken, zodat ook kwaliteit gecontroleerd kan worden. De regering durft hier vooralsnog niet voor te kiezen. Waarom is zij zo angstig om op dit gebied een daad te stellen? Opvoeden voor de prestatiemaatschappij vergt de bereidheid om te presteren. Ik hoor graag een reactie van de regering.

Hetzelfde geldt voor een verplichte begin- en eindtoets. Ik ben blij met de aanbeveling van de commissie op dit punt. Het gevaar van alleen een eindtoets, zoals die in de huidige situatie bestaat, is dat scholen zwakke leerlingen buiten de test houden, of de resultaten op een andere manier vervuilen om een gemiddeld hoge score te behalen. Met een begin- en een eindtoets wordt ook de ontwikkeling van een zwakkere leerling zichtbaar. In die situatie is er geen reden meer om resultaat te vervuilen. Dan krijgt iedere leerling een gedegen advies mee voor een geschikte vervolgopleiding. Ik ben blij dat de commissie hiervoor kiest. Waarom doet de regering dit niet?

De heer Depla (PvdA):

Dezelfde vraag die de heer Pechtold zojuist aan de heer Van Dijk stelde, wil ik nu hem stellen. Hij stelt nu veel zaken voor die ook het kabinet in de verschillende brieven voorstelt. Ik ben blij dat de heer Pechtold het kabinet op die punten steunt. Hetzelfde geldt voor zijn vragen over de toetsen. Wij hebben daarover gisteren een brief van het kabinet gehad. Volgens mij wordt daarin precies voorgesteld wat de heer Pechtold nu ook voorstelt, namelijk dat alle kinderen getoetst moeten worden, omdat zij er recht op hebben om te weten waar zij staan.

De heer Pechtold (D66):

Ik heb een duidelijke koppeling gemaakt tussen voldoendes en een begin- en eindtoets. Als de regering dit in even heldere bewoording overneemt, ben ik dankbaar. Vooralsnog zie ik echter body language in vak K die anders doet vermoeden.

De heer Depla (PvdA):

Ik vermoed echter dat u niet weet wat het kabinet voorstelt. U reageert nu op body language, maar hebt blijkbaar niet de voorstellen gelezen. U hebt blijkbaar ook het debat niet gevolgd dat wij een vorige keer met elkaar hebben gevoerd. Daarin hebben wij gesproken over de vraag hoe je met leerlingvolgsystemen op een andere manier ook kan bereiken wat u nu wilt. Ik moet dus concluderen dat u niets voorstelt wat het kabinet niet ook al heeft voorgesteld. Dit sluit naadloos aan bij uw eigen interruptie tijdens het betoog van de heer Van Dijk.

De heer Pechtold (D66):

Ik houd staande dat het punt van de voldoendes, een zaak die ooit eens door de minister werd gesuggereerd in een interview, vooralsnog geen enkele weerklank vindt in het beleid. Verder houd ik staande dat het leerlingvolgsysteem iets anders is dan een begin- en een eindtoets waarvoor ik zojuist pleitte.

Wij hebben jarenlang de hoeders van ons talent, de docenten, onvoldoende gesteund in hun belangrijkste taak. Het aanzien van het beroep is ernstig gedevalueerd. Je zou bijna zeggen dat de docent is verworden van de notabele in het dorp tot het sukkeltje voor de klas. Hij wordt onderbetaald en te zwaar belast. De besten vallen af en de zwaksten kunnen wij niet missen. Te laat hebben wij gezien dat een groot tekort aan goede leraren onafwendbaar is. Betere beloning helpt, maar is niet genoeg. Als de maatschappij ontevreden is over het onderwijs, hoe kan er dan enige wervende werking uitgaan van het beroep? Leraar zijn, moet weer een goede baan worden en dat blijven. Het moet uitzicht geven op een hoger aanzien dan het vak vandaag de dag heeft.

Ik zei al dat opvoeden voor de prestatiemaatschappij de bereidheid vergt om te presteren. De motivatie om als docent te presteren binnen het vak, komt terug als er maatschappelijke erkenning tegenover staat, zowel in termen van status als in materiële termen. Het moet weer een baan met mogelijkheden worden. Er moet voor de leraar weer loopbaanperspectief komen en ruimte ontstaan voor ontplooiing binnen de eigen professie. Er moeten weer mogelijkheden komen voor het op peil houden van vaktechnische kwalificaties en maatschappelijke ontwikkelingen. Ook de leraar moet terug naar school kunnen, zoals bij alle professionals gebruik is. "Een leven lang leren" geldt voor leraren, leerlingen en niet in de laatste plaats ook voor ouders. Ik hoorde op de radio het verhaal van een Polynesiër. Hij voedde zijn zoon precies op dezelfde manier op als zijn vader hem had opgevoed. Hij leerde hem dezelfde kano van dezelfde boomsoort en met dezelfde techniek bouwen. Hij begeleidde hem op dezelfde wijze bij zijn introductie in de eeuwenoude samenleving en de dorpsrituelen. Zo eenvoudig is het bij ons niet meer. Education permanente wordt in onze maatschappij onmisbaar.

Onderwijs kost geld. Het kost veel meer dan de krappe miljard die de minister uit zijn begroting heeft moeten persen voor de salarisverbetering van de leraar. Minister Plasterk zal nog drie jaar lang nee moeten verkopen. Hij heeft zijn portie gehad en het kabinet laat hem verder financieel in de kou staan. Ook moeten wij oppassen dat de aandacht voor basis- en middelbaar onderwijs niet onevenredig groot wordt ten opzichte van bijvoorbeeld het hoger onderwijs en de wetenschap. Laten wij oppassen dat wij de problemen niet doorschuiven. Hiervoor vraag ik expliciete aandacht van het kabinet. Kan het hierop reageren?

Onze kenniseconomie vertoont achterstallig onderhoud. Willen wij in tien jaar terug naar de top, dan zullen wij onze uitgaven voor kennis fors moeten opvijzelen. Ieder jaar waarin dit niet gebeurt, is een verloren jaar. Wat dit betreft laat het kabinet het nog afweten. D66 heeft in haar verkiezingsprogramma 2,5 mld. gereserveerd voor het onderwijs. Dit betekent dat zij alleen al dit begrotingsjaar 500 mln. meer wil uittrekken voor onderwijs dan het kabinet doet. Wij willen dat er deze en de volgende kabinetsperiode telkens 2,5 mld. extra wordt geïnvesteerd. Daarmee komt Nederland weer in de voorhoede met investeringen in het onderwijs en dat is geen "luchtfietserij". Onze voorstellen zijn financieel onderbouwd en doorgerekend en goedgekeurd door het Centraal Planbureau; het kan dus wel.

Van de parlementaire onderzoekscommissie hebben wij veel geleerd. Laat de politiek zich niet meer bemoeien met de inhoud van ons onderwijs. Als ergens het begrip "subsidiariteit" op van toepassing is, dan is het wel op het onderwijs. De overheid zorgt voor de organisatie van het onderwijs en wij, de politiek, bepalen de kaders. Het vinden van voldoende middelen daarvoor is een plicht. Een plicht waar je de belastingbetaler alleen mee kunt confronteren als deze ervan verzekerd is dat het onderwijs goed is en efficiënt georganiseerd. Durf in het onderwijs de ambitie te hebben. Het is het waard om fors erin te investeren met een visie die niet afhankelijk is van de politieke kleur van het moment, maar een die generaties lang draagvlak heeft bij alle partijen. Wij mogen van het onderwijs geen instrument maken van politieke ideologie. Laten wij de diversiteit in de maatschappij accepteren. Dat is een voorwaarde voor een stabiele organisatie van het onderwijs. Een organisatie die de verscheidenheid in uitdagingen aan kan en zich concentreert op de kerndoelen, zoals het uitbouwen van Nederland tot kennisland.

Wij hebben nog drie jaar te gaan en ik heb geen zin om drie jaar lang flauw te gaan zitten doen in debatten. Ik heb geen zin, de regering bij elk voorstel te vragen of dit wel "Dijsselbloemproof" is. Maar dan verwacht ik voor de komende drie jaar wel een ambitieuze onderwijsagenda. Daarvoor hoeft het coalitieakkoord niet compleet overhoop gegooid te worden. Ik wil van de regering vandaag echter wel een toezegging op essentiële punten. U hebt de sleutel in handen; met tijd voor onderwijs en Rinnooy Kan in de hand kunt u in de komende drie jaar grote verbeteringen bewerkstelligen in het onderwijs. Dat verwacht ik ook van u, want het is uw verantwoordelijkheid. Als u de durf hebt om te kiezen, dan ben ik graag bereid met u mee te denken. Het is tijd voor onderwijs, het is tijd voor verandering.

De heer Depla (PvdA):

Allereerst merk ik op dat de heer Pechtold geen antwoord heeft op de vraag wat er moet gebeuren met de problemen op het vmbo en het mbo in de grote steden. Hij wil niet flauw doen, maar ik hoop dat hij de komende drie jaar zelf met voorstellen hiervoor komt. Dit gezegd hebbende, zijn eerste opmerking triggerde mij meer. Hij zei dat de politiek, dus inclusief Kamerleden, een eigenstandige rol heeft in onderwijsvernieuwingen. Wat is volgens hem dan de eigenstandige rol die wij moeten hebben bij onderwijsvernieuwingen?

De heer Pechtold (D66):

Het is altijd zo zurig bij de PvdA en dat is zo jammer. Je probeert vanuit de oppositie helemaal met het kabinet mee te denken en van alles te doen en dan krijg je te horen: u hebt geen oplossing voor het vmbo. Nee, inderdaad. Ik ben blij dat wij de mavo nog niet categoraal hebben afgeschaft en wij er nog negentien hebben. Ik ben blij dat wij dit onderscheid nog een beetje houden en ik zou het fantastisch vinden als er in het mbo dadelijk ook ondersteunende maatregelen zijn. Ik had vandaag leerlingen van de zeevaartschool op bezoek. Die zeggen dan: goh, waarom hebben wij nog geen ov-jaarkaart? Voor onze specifieke school is het reizen toch ook belangrijk? Dan zeg ik: niet alleen de oppositie, ook de coalitie geeft al aan dat men dit wil, maar het geld alleen nog niet heeft. Dan verdedig ik u helemaal. Dat zijn allemaal dingen waarvan ik zeg: prima, gaan wij doen.

Uw tweede vraag was wat wij als politiek gaan doen. Wat mij betreft gaan wij als politiek wat minder roepen: hup, dit bevalt niet, dus dat gaat om. Ik geloof dat ik een van de laatste fracties was die de staatssecretaris steunde met betrekking tot de 1040 urennorm – staatssecretaris Van Bijsterveldt kan dit bevestigen – en zei: hopla, wij hebben hierover lang nagedacht en dit gaan wij niet na een spoeddebatje aan de kant zetten. Ik heb de staatssecretaris hierin gesteund. Het is de intentie van deze bewindslieden om de komende drie jaar door te gaan. Als dat zo lang moet duren, okay, dan ben ik bereid om gedurende die tijd op die manier te gaan werken. Ik zal een en ander op zijn merites beoordelen. Ik zal niet pleiten voor grote veranderingen, maar ik ga wel pleiten voor meer prioriteiten en meer geld.

De voorzitter:

Dat is een mooie tekst.

De heer Depla (PvdA):

Ik stelde de vraag over het vmbo, omdat de heer Pechtold op eenzelfde manier de SP de maat nam, maar dat terzijde. Het gaat nu om de betrokkenheid van de Kamer. U zegt...

De heer Pechtold (D66):

Niet iets suggereren en dan vervolgens zeggen: laat maar zitten. Wat wilde u mij verwijten met betrekking tot de SP?

De heer Depla (PvdA):

U zegt dat de SP-fractie geen oplossingen heeft, terwijl zij wel iets aanstipt. U doet precies hetzelfde, maar dat vind ik niet erg.

De heer Pechtold (D66):

Nee, nee...

De voorzitter:

Wilt u niet...

De heer Depla (PvdA):

U hoeft daar helemaal geen antwoord op te geven.

De heer Pechtold (D66):

Dat wil ik wel doen.

De heer Depla (PvdA):

Dat mag u dan ook weer doen, dat moet u zelf weten.

De voorzitter:

Daar gaat de voorzitter over.

De heer Depla (PvdA):

Sorry, voorzitter, daar gaat u over en ik zal u adviseren om daar geen antwoord op te laten geven. Mijn punt is het volgende. Mijnheer Pechtold, u hebt het over een eigenstandige rol van de Kamer bij onderwijsvernieuwingen. U geeft daar geen antwoord op. Wat vindt u de eigenstandige rol van de Tweede Kamer, bijvoorbeeld van de fractie van D66, ten aanzien van onderwijsvernieuwingen in het mbo?

De heer Pechtold (D66):

Eerst zal ik antwoorden op deel één, want dit is toch min of meer een beschuldiging.

De voorzitter:

U houdt het wel kort, mijnheer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

Zoals ik zonet heb ik aangegeven, heeft mijn fractie 2,5 mld. voor onderwijs, gedekt en wel, Centraal Planbureauproof en Milieu- en Natuurplanbureauproof. Wij zouden zelfs meer hebben gehad, want wij zouden de 300 mln. inkomenspolitiek en de 150 mln. betutteling in stages niet hebben gedaan; zo hadden wij wel degelijk veel geld gehad om in het onderwijs te steken.

Het tweede deel was: wat wordt mijn rol in de Kamer? Dat heb ik toch helder aangegeven? D66 wil meedenken over onderwijsvernieuwingen, maar dan op de manier waarop wij het nu hebben geleerd, dat wil zeggen pilotgewijs, en zonder in te stemmen met zaken die wij zo over het onderwijs heen schuiven. Ik zal wat kritischer zijn jegens alle mogelijke belangenorganisaties, de vertegenwoordigers van de vertegenwoordigers, zeker als het de vakbonden aangaat. Dat heb ik zojuist allemaal aangegeven. Daarop zal ik de bewindslieden toetsen. Dat is mijn rol in de oppositie. Daarnaast denk ik mee. Ik heb ook nog eigen ideeën. Ik heb ze zojuist gegeven. Wat moet ik nog meer?

De heer Depla (PvdA):

Ik kan niet anders dan concluderen dat dit mooie woorden zijn, maar als het gaat om de onderwijsvernieuwing in het mbo, dan denkt u helemaal niet mee.

De voorzitter:

Mijnheer Depla, u had niet het woord gekregen. Als de voorzitter zegt "nee", dan is het "nee" bij mij. Ik geef ook geen gelegenheid aan de heer Pechtold om daarop te reageren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mag ik van de D66-fractie horen of zij het eens is met het idee om het competentiegericht onderwijs in het mbo in één keer aan alle scholen op te leggen?

De heer Pechtold (D66):

Dit klinkt als iets uit een SP-folder. Was u het zo van plan? Dat denk ik toch niet.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee.

De heer Pechtold (D66):

Dan ben ik het er niet mee eens.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hebt u ook nog zelf een eigen mening?

De voorzitter:

Nee, mijnheer Van Dijk.

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Een favoriete slogan van mijn kinderen op dit moment is "goed verhaal, lekker kort". Ik weet niet of het mij gaat lukken, maar ik zal een poging doen om mijn tekst wat in te dikken, mede gezien het tijdstip van de dag. Er is al heel veel gezegd. Ik kan mij bij een aantal dingen aansluiten.

Laat mij om te beginnen zeggen dat mijn fractie met plezier terugkijkt op het debat dat de Kamer heeft gevoerd met de commissie-Dijsselbloem. Dat was echt een goed debat, zowel van de kant van de Kamer als van de kant van de commissie. Het rapport is met verve verdedigd. Ik denk dat de inhoud van het rapport, waaraan maandenlang is gewerkt, daarin goed tot zijn recht is gekomen. Ik ben blij dat wij nu vrij snel het debat met de regering over dit rapport kunnen voeren en dit allemaal nog voor het zomerreces kunnen afronden.

Een van de grote verdiensten van de commissie-Dijsselbloem vind ik dat zij het onderwijs weer hoog op de politieke agenda heeft gezet. Dat is ook nodig, denk ik. De heer Depla verwees naar de verantwoordelijkheid die de regering ook grondwettelijk gezien draagt voor de zorg die zij aan het onderwijs moet besteden. Wij weten allemaal, ook uit allerlei verslagen die wij hebben gekregen, dat er zorgen zijn over de staat van het onderwijs en over het gebrek van vertrouwen dat in deze tijd wordt ervaren, zowel tussen betrokkenen in het onderwijs zelf alsook tussen het onderwijs en de politiek. Dan is het goed dat wij daaraan met elkaar aandacht schenken en dat wij proberen daarin voor de toekomst de goede dingen te doen.

Het is mij opgevallen dat het rapport niet alleen de politiek heeft uitgedaagd, maar ook buiten de Kamer tot heel wat reacties heeft geleid. Groeperingen zijn op basis van het rapport zelf verder gaan nadenken over de vraag hoe het onderwijs voor de toekomst moet worden ingevuld. Eén recent voorbeeld daarvan kreeg ik vanmiddag overhandigd, een rapport van onze eigen jongerenorganisatie PerspectieF, die mede op basis van Dijsselbloem het een en ander op papier had gezet. Dat is goed, denk ik. Wij dragen met elkaar grote verantwoordelijkheid voor het onderwijs, verantwoordelijkheid niet alleen voor de vele kinderen, groot en klein, die onderwijs volgen, maar ook voor al die professionals in de klas, iedereen op zijn eigen plek, schoolleiders, mensen die lesgeven, klassenassistenten, toa's, conciërges, noem ze allemaal maar op. Zij zijn onze aandacht meer dan waard.

In dat opzicht ben ik ook blij met de open houding waarmee het kabinet het rapport van de commissie heeft ontvangen, zoals blijkt uit de kabinetsreactie. Ik vond dat echt een heel duidelijke reactie, in de zin dat het kabinet geen wegduikgedrag vertoont. Die verleiding heb ik zelf ook wel gevoeld. Bij het lezen van het rapport zat ik toch te denken: het viel eigenlijk wel mee; je probeert weer allerlei nuances te vinden. Het kabinet zegt klip-en-klaar: het doel van de vernieuwingen, verbetering van het onderwijs, is onvoldoende bereikt. Er zijn fouten gemaakt. Daaruit willen wij lessen trekken. Het kabinet wil ook het vertrouwen waarover ik net sprak, en dat toch wat op de tocht staat, herstellen. Dat vind ik ontzettend belangrijk. Het kabinet ziet dat als een heel belangrijke taak voor de komende jaren. Wij steunen dat. De heer Pechtold vraagt wat wij gaan doen. Het kabinet gaat daar dus op inzetten en wil daarbij de leraar centraal zetten. De fractie van de ChristenUnie kan zich hierbij van harte aansluiten.

In de brief gaat het kabinet in op een aantal aanbevelingen. Ik wil er een paar noemen, er kort iets over zeggen en er waar nodig er vragen over stellen. Wij hebben met de commissie stevig gesproken over het onderscheid tussen het "wat" en het "hoe". De commissie heeft dit als denkkader aan de politiek aangereikt, een behulpzaam criterium om te proberen in de toekomst fouten te vermijden die je beter niet kunt maken. De overheid wordt hierdoor opgeroepen om haar primaire verantwoordelijkheid niet uit het oog te verliezen. Het weerhoudt de overheid ervan om van alles te gaan voorschrijven of zelfs mee te ontwikkelen waar de professionals zelf aan de slag zijn.

Toch zit er een spanningsveld tussen het "wat" en het "hoe". Dit hebben wij ook met de commissie besproken. Het loopt soms wat in elkaar over. Het onderscheid is niet altijd even duidelijk. Wat ons betreft is de vraag gerechtvaardigd of de overheid wel gerechtigd is om over de hele linie het "wat" voor de scholen in te vullen. Terugkijkend naar de geschiedenis van de onderwijsvrijheid – het is vandaag een paar keer voorbijgekomen – weten wij dat vanaf het allereerste begin bij de vrijheid van onderwijs het principe van de deugdelijkheidseis is gehanteerd. De vrijheid is dus nooit ongelimiteerd geweest. Iedere keer opnieuw zullen wij met elkaar moeten afvragen waar de begrenzingen liggen. Ik denk dat wij nu weer in zo'n fase zitten.

De fractie van de ChristenUnie vindt dat wij zeker een aantal dingen met elkaar moeten vastleggen. Referentieniveaus voor taal- en rekenvaardigheden zijn prima. Ik zeg in alle openheid dat ik in het verleden daarbij wel wat aarzelingen heb gehad. Ik denk dat het goed is dat wij daarover in duidelijke taal met elkaar spreken. Het is ook van belang voor het onderwijsveld dat wij dit goed vastleggen. Leerlingen en degenen die les moeten geven moeten weten op welke momenten van hun schoolloopbaan welke taal- en rekenvaardigheden beheerst moeten worden. De vraag is wat je hieraan nog gaat toevoegen. Het valt mij op dat het antwoord van de bewindspersonen daarover nog niet helemaal helder is. Het is misschien ook iets waarover wij met elkaar in een proces verder zullen moeten spreken.

Voor mijn fractie is het op voorhand niet vanzelfsprekend dat wij hieraan weer allerlei vakken toevoegen. Ik zeg er gelijk bij dat het voor ons geen enkel probleem is om bij een groot aantal vakken het een en ander op papier te zetten, denk aan de discussie over de canonisering. Wij vinden het wel van belang dat scholen de ruimte krijgen om daarin hun eigen keuzes te maken. Er moet dan wel wat te kiezen zijn. Het is dus uitstekend om het proces van canonisering verder in gang te zetten. Wij moeten echter niet alles van bovenaf opleggen. Bied scholen mogelijkheden. Als scholen keuzes maken, zullen zij zich er uiteraard voor moeten verantwoorden als zij bepaalde dingen niet te doen. Ook zullen zij moeten verantwoorden op welke wijze zij hun keuzes in hun lessen en werk handen en voeten geven.

Wij hebben ook uitvoerig gesproken over de toetsen. Dat is volgens mij terecht. Het is van belang. De commissie heeft scherp neergezet dat wij veel aandacht moeten besteden aan het meten van kwaliteit. De kwaliteit van goed onderwijs wordt uiteindelijk bepaald door de vraag hoever wij leerlingen in hun ontwikkeling kunnen brengen. Je moet je wel afvragen hoe je de kwaliteit gaat meten en op welke momenten je dit zichtbaar wilt maken. Ik heb in het debat met de commissie mijn twijfels geuit over de grote waarde die aan de begin- en eindtoetsen wordt toegekend. Dat was op zich geen nieuws, want ook met de verschillende voorgaande kabinetten hebben wij hierover gedebatteerd.

Ik heb ook aangegeven dat het optimaal benutten van de bestaande leerlingvolgsystemen een uitstekend middel kan zijn. In het debat heeft dit ook verdere steun gekregen. Ik moet zeggen dat ik erg blij was met de brief die de staatssecretaris zeer recent heeft gestuurd. Zij geeft hierin aan dat wij er inderdaad voor moeten oppassen dat wij niet weer allerlei toetsen gaan voorschrijven. Wij moeten ook de toetscultuur die de afgelopen jaren is ontstaan zien te doorbreken. Een van onze grootste bezwaren tegen een verplichte eindtoets was dat de toets misbruikt werd voor het doel waarvoor hij eigenlijk bestemd is. Wij moeten van een afreken- naar een verbetercultuur gaan. Ik denk daarom dat wij het met de brief in de richting van de scholen stevig neerzetten dat zij de opbrengsten en waar zij mee bezig zijn inzichtelijk zullen moeten maken. Zij moeten zich daarvoor verantwoorden. Wij kunnen daarmee een heel eind met elkaar komen. Het heeft dus onze hartelijke steun.

De toegevoegde waarde van scholen kan goed in beeld gebracht worden door de opbrengsten te relateren aan de samenstelling van de leerlingenpopulatie. Ook daarvoor heb ik in het debat met de commissie aandacht gevraagd. Ik las in haar brief dat de staatssecretaris ernaar streeft om dit te verbeteren. Zij wil nog meer rekening houden met verschillen tussen leerlingen en scholen. Het gaat hierbij om factoren die aantoonbare invloed hebben op de eindresultaten van leerlingen, de capaciteiten van het kind, het opleidingsniveau van de ouders en hun sociaaleconomische achtergrond. Ook het aantal zorgleerlingen dat een school opneemt is een factor, net als het totaal aantal leerlingen op een school. Dat sluit heel goed aan het bij het uitgangspunt van mijn fractie: het gaat er niet om dat een school een bepaald minimum aan toegevoegde waarde haalt, maar dat deze onder de voor de leerlingen geldende omstandigheden de maximaal haalbare toegevoegde waarde realiseert. Dat doet ook meer recht aan de prestatie van een school dan alleen het meten van het verschil tussen de uitgangssituatie en de eindsituatie van een leerling. In dat opzicht is een onderzoek toegezegd. Het is ook wel goed dat wij daar natuurlijk wat tijd voor nemen, maar ik ben het met eerdere sprekers eens dat dit niet langer moet duren dan nodig is. Ik hoop dus dat het kabinet hier ook echt goede voortgang wil maken. Wij moeten niet van het ene naar het andere onderzoek hobbelen, maar hier ook echt een slag slaan die – dat zeg ik ook met de kennis opgedaan bij debatten in de afgelopen jaren – nog niet eerder op deze manier gemaakt is.

In het debat met de commissie was er ook veel aandacht voor de verhouding tussen het schriftelijk en het centraal eindexamen; dit punt was een interessant onderdeel van het debat. Ook daar loopt nog een onderzoek. Mijn fractie vindt dat ook daar niet te lang mee gewacht moet worden, want het is gewoon goed dat wij hieromtrent knopen doorhakken. Het is echter wel goed om te kijken naar de weging van het schoolexamen en het centraal examen, zijnde het punt waar het onderzoek zich op richt. Als inderdaad blijkt dat de meest significante verschillen tussen schoolexamens en centraal examen zich niet over de gehele breedte voordoen, maar zich vaak beperken tussen scholen, dan wil mijn fractie met name proberen om de inspectie op die scholen af te sturen, zodat zij zich heel gericht bezig kan houden met de checks and balances binnen die scholen bij resultaten en dergelijke en ervoor kan zorgen dat die verschillen ook niet groter zijn dan wij met elkaar zouden mogen verwachten.

De heer Depla (PvdA):

U zegt dat de verschillen niet zo significant, doch klein zijn. In het verslag van de onderwijsinspectie staat echter dat bij 30% van de vwo-scholen het verschil tussen het schoolexamen en het centraal examen groter is dan de afgesproken norm.

De heer Slob (ChristenUnie):

Als je verder kijkt naar de cijfers, dan zijn er natuurlijk ook niet overal enorme kloven. Je zult dus eigenlijk heel gericht per school en soms zelfs per vak moeten kijken, teneinde een heel realistisch beeld te kunnen krijgen over de vraag hoe groot die verschillen zijn. Als je het dan hebt over een algeheel percentage van 30, dan betekent dat natuurlijk wel dat bij 70% van de scholen het verschil niet groter is. Dat rechtvaardigt natuurlijk de vraag dat als je op andere manieren, bijvoorbeeld door het inzetten van de inspectie, ervoor kunt zorgen dat het percentage van 30 verlaagd wordt, waarom je dan tot een generieke maatregel zou overgaan met als doel om beide examens met een voldoende af te sluiten. Ik heb in het debat met de commissie ook gewaarschuwd dat dit ook nog wel eens effecten zouden kunnen hebben die wij met elkaar helemaal niet beogen.

Vele sprekers voor mij hebben de discussie over stapelen en doorstromen genoemd. Ook op dit punt loopt een onderzoek, waarbij ik mijn opmerking bij eerdere onderdelen herhaal: laat dat onderzoek niet langer duren dan nodig is, maar er moet natuurlijk wel een zorgvuldig besluit genomen worden. Ik heb de indruk dat het thans uitgezette onderzoek een stuk beperkter is dan de aanbevelingen van de commissie. Het nieuwe onderzoek richt zich vooral op eventuele belemmeringen bij stapelen en doorstromen, terwijl de commissie dat breder trekt en nadrukkelijk de kansen wil vergroten. Dat is volgens mij toch een diepere dimensie en dat zou voor mijn fractie ook de insteek moeten zijn. Ik hoop dat het kabinet snel komt met de uitkomsten van het onderzoek, zodat wij op dat punt ook gericht met elkaar besluiten kunnen nemen. Ik zie hier enorm veel mogelijkheden, met name voor leerlingen die het niet allemaal in één keer op het allerhoogste niveau kunnen, om verder te komen dan nu – helaas door de structuren en mogelijkheden die er bij het stapelen en doorstromen zijn– mogelijk is.

Wij zullen komende maandag uitgebreid met elkaar spreken over passend onderwijs; collega Jan Jacob van Dijk heeft dat onderwerp ook al genoemd. Ik vind het wel goed dat in de brief op dit punt wordt gereageerd op de bevindingen van de commissie-Dijsselbloem, dat ook nadrukkelijk wordt aangegeven dat er geen onomkeerbare stappen worden gezet en dat de methode van experimenten gaandeweg – zoals wij bij andere onderwerpen ook hebben geleerd te doen – een goede is om tot besluitvorming te komen. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan de lumpsum in het primair onderwijs. Ik zal maandag mijn oordeel wel geven over de situatie van dit moment. Er is nog een hele weg te gaan. In het coalitieakkoord zijn al restricties opgenomen waaraan moet worden voldaan willen wij daadwerkelijk tot invoering overgaan. De zorgvuldigheid waar Dijsselbloem om vraagt, ook met zijn toetsingskader, wordt hier volop waargemaakt. Dat blijven wij uiteraard volgen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Slob wil geen onomkeerbare stappen op dit punt. Ik lees in de brief dat de regering het toetsingskader gaat toepassen. Mocht daar uit komen dat het plan niet goed uitvoerbaar is, zegt de ChristenUnie dan ook dat het plan heroverwogen moet worden?

De heer Slob (ChristenUnie):

Net zoals in de tweede termijn van het debat met de commissie verwees ik naar het coalitieakkoord, waar restricties in staan. Heel nadrukkelijk staat daar dat bij de uitwerking van het plan rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van scholen om leerlingen met een zorgvraag een plaats binnen de school te geven. Als blijkt dat dit niet lukt, moet je het niet doen, want wij gaan niet experimenteren met leerlingen. Wij willen het beste uit de leerlingen halen. Wij willen ze een goede plek geven. Als het niet kan moet je het gewoon niet doen.

Er is ook aangegeven dat de school, tot aan de stenen toe, toegerust moeten zijn om de leerlingen hun plek te geven. Kan dat niet, dan moet je je ernstig afvragen of je ze binnen die school een plek moet geven. Kortom, het coalitieakkoord was voordat er nog maar sprake was van een toetsingskader van de commissie-Dijsselbloem al heel zorgvuldig. Met dat toetsingskader erbij, afgezet tegen wat nu al loopt met alle experimenten, leidt dat mij tot de overtuiging dat de zorgvuldigheid echt bovenaan staat. Dat is wat de mensen in het land, de ouders met kinderen met een zorgvraag en ook de scholen van ons mogen verwachten.

Over de maatschappelijke opdracht van de school kan ik kort zijn. In de brief staan daar mooie teksten over. Het past ons niet via het onderwijs allerlei maatschappelijke dromen te realiseren enzovoorts enzovoorts. Ik ben het daar helemaal mee eens. Wij moeten terughoudend zijn, maar wij moeten ons ook realiseren dat met de kindervoeten – om mevrouw Netelenbos maar weer te citeren – ook heel veel problemen de school binnenkomen. Ik dacht dat het mevrouw Netelenbos was en ik zie de heer Jan Jacob van Dijk knikken. Hoe het ook zij, wij kunnen onze ogen daar niet voor sluiten. Ik vind het wel van belang dat scholen ruimte krijgen om naar aanleiding van de problemen waarmee zij geconfronteerd worden keuzes te maken. Wij moeten ook het principe hanteren dat als er een onsje bij komt er ook weer een onsje af moet. Wij moeten ze niet zwaarder belasten dan nodig is. Ik ga ervan uit dat wij het zo zullen doen. Ik herinner mij nog een motie van de heer Van der Vlies, een paar jaar geleden ingediend bij de onderwijsbegroting, waarin de Kamer dat heeft uitgesproken, ook als een soort dictaat voor haar zelf. Let bij allerlei voorstellen op dit punt.

De positie van docenten en schoolleiders is van heel groot belang. Daar moet in geïnvesteerd worden, vooral ook bij de basis, in de lerarenopleidingen, de vakinhoud die zij mee krijgen en de vaardigheden die zij moeten leren. De heer Depla zei terecht dat bij innovatie de vakverenigingen, vooral voor de verschillende vakken in het voortgezet onderwijs, in een bepaalde positie moeten worden gebracht, omdat daar veel kwaliteit bij elkaar kan komen. Het kan uitdagend voor docenten werken als hun vakorganisatie hen in positie probeert te brengen voor het ontwikkelen van lesmateriaal. Kortom, ik verwacht dat de regering die noties zal meenemen.

Ik vraag ook uitdrukkelijk aandacht voor de positie van schoolleiders. Niet alleen in het voortgezet onderwijs, maar ook in het primair onderwijs zijn zij van wezenlijk belang. Wij hebben zorgen of er altijd voldoende kwaliteit aanwezig is. Wij zullen alles moeten proberen om de schoolleiders in een positie te brengen waarin zij de kwaliteiten hebben om hun zware beroep uit te oefenen. De nieuwe generatie toont dat al aan. Zij zijn vaak de katalysator voor de docenten in de school. Er wordt veel goed werk verricht, maar soms is het toch wat te vrijblijvend. Ik vraag de verantwoordelijke staatssecretaris om daar rekening mee te houden, waar het kan de schoolleiders te ondersteunen en de bijscholing over het hele land uit te spreiden en in ieder schoolgebouw te laten neerdalen.

Ik kom langzamerhand tot een slot. In de beleidsreactie wordt terecht opgemerkt dat het voor een zorgvuldig beleidsproces van belang is om te weten hoe leraren, schoolleiders, ouders en leerlingen tegenover het voorgenomen beleid staan. Het was de heer Jan Jacob van Dijk die zei – en het rapport van de commissie-Dijsselbloem heeft dat ook scherp aangetoond – dat wij vanuit het verleden weten dat degenen die zeiden het onderwijs te vertegenwoordigen, soms onvoldoende voeling en draagvlak hadden bij de mensen die daadwerkelijk in de klas uitvoering moesten geven aan allerlei vernieuwingen. Dat risico is niet alleen van gisteren, dat kan er vandaag ook zijn. Sterker nog, ik durf wel te zeggen dat wij er in de afgelopen maanden toch ook een paar voorbeelden van hebben gezien. Ik vraag daar aandacht voor. Laten wij proberen te voorkomen dat in de toekomst deze situatie zich blijft voordoen. Het is dus van belang dat wij zo dicht mogelijk bij de school komen, bij de docenten die uiteindelijk voor de klas het werk moeten doen. Van hen moeten wij weten hoe zij tegenover zaken staan, zonder dat wij hen in een positie brengen die afbreuk doet aan andere verantwoordelijk­heden die binnen een school worden gedragen.

Ik zeg dit ook in de richting van de heer Depla, die stelde dat docenten en ook wel ouders zelfs mogelijkheden zouden moeten hebben om uit een groter geheel te stappen. Ik ben daar niet voor. Dat wil niet zeggen dat ik niet vind dat de docenten in die vestigingen ook een nadrukkelijke stem moeten hebben in het beleid dat wordt gevoerd. Als het bevoegd gezag van een grote scholengemeenschap keuzes maakt, kan dat wel eens knarsen bij de een of bij de ander. Dat is echter een verantwoordelijkheid die het bevoegd gezag draagt en die het samen met ouders en leerlingen zal moeten invullen. Als die op onderdelen een zodanige positie krijgen dat zij zelfs uit een groter geheel kunnen stappen, lijkt mij dat ook in strijd met de Grondwet. Ik zou dat wel eens uitgezocht willen hebben. Ik kan mij niet voorstellen, maar ik zal het nog nazoeken, dat de Onderwijsraad dat op deze wijze geadviseerd heeft. Dat wij hen moeten zien, naar ze moeten luisteren en ze ook een plek moeten geven, in relatie tot de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die een bevoegd gezag draagt, ook in financieel opzicht, is een punt dat ik oppak. Ik hoop dat de regering dit ook oppakt, want wij moeten daar recht aan doen. Wij moeten mensen niet uit elkaar spelen, maar wel bij elkaar houden.

De heer Depla (PvdA):

Waarom denkt u dat het in strijd met de Grondwet is? Ik zie dat niet meteen.

Wij moeten eerst de essentie vaststellen. Wat is de reden? Wij zien problemen met de schaalvergroting. Wij proberen daarom met fusietoetsen de deksel op de pan te hebben. Je kunt het ook omdraaien. Als je nieuwe toetreders en opsplitsen makkelijker maakt, heb je ook minder problemen met fusies en kun je toch het van onderaf organiseren en sterker maken een kans geven.

De heer Slob (ChristenUnie):

De drager van de onderwijsvrijheid is het bevoegd gezag. Dat zijn dus de besturen. Als je docenten in een positie brengt dat zij het bevoegd gezag, dat de verantwoordelijkheid draagt voor de school en het beheer van de school, kunnen overrulen als zij eruit willen stappen terwijl het bevoegd gezag het niet wil, raakt dit echt de verantwoordelijkheden en de positie van het bevoegd gezag, die een grondwettelijke borging heeft. Daarom ben ik heel erg benieuwd. Ik heb nog geen tijd gehad om uit te zoeken wat de Onderwijsraad daarover heeft geadviseerd. Ik kan mij bijna niet voorstellen dat het advies zo ver is gegaan. Ik vind ook dat wij moeten oppassen dat wij niet te veel in zo'n discussie blijven hangen. Uw punt is wel duidelijk: probeer de kloof te dichten, ook bij zo'n heel grote scholengemeenschap, bij de roc's die zo groot zijn, maar ook bij de vo-scholen die zo uitgedijd zijn, waar vestigingen soms kilometers uit elkaar liggen en waar men van de nevenvestiging 20 km verderop de mensen van de hoofdvestiging nauwelijks kent en misschien een of twee keer per jaar de grote baas van de school ziet langskomen. En probeer ervoor zorg te dragen dat docenten in zo'n vestiging serieus worden genomen, dat hun positie versterkt wordt zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheden die echt op een ander niveau liggen. Volgens mij kan dat ook niet zomaar veranderd worden.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U schetst het probleem, u signaleert het en dan eindigt u, eerlijk gezegd, met de dooddoener dat de huidige constructie niet in gevaar mag worden gebracht. U ziet echter het probleem: schaalvergroting en leraren staan op grote afstand van het bestuur. Dan is het toch prima om te kijken of je dat op een bepaalde manier kunt oplossen?

De heer Slob (ChristenUnie):

Laten wij er reëel in zijn dat deze problemen zich niet overal voordoen. Wij moeten niet het beeld schetsen dat dit bij alle grote scholengemeenschappen speelt. Het hangt er zeer van af hoe men het georganiseerd heeft. In die grootschaligheid kun je heel goed kleinschaligheid organiseren en volledig recht doen aan de mensen die in die kleinschaligheid moeten functioneren. Als dat niet gebeurt, is het de vraag of je de voorgestelde maatregel moet nemen. Ik heb vraagtekens bij de uitvoerbaarheid geplaatst, ook vanuit de Grondwet bezien. Hier geldt vooral dat een cultuurverandering moet worden doorgevoerd. Van schoolleiders mag je het besef verwachten dat zij niet zonder de mensen op de werkvloer kunnen. Als zij dat besef nu nog niet hebben, hoop ik dat het vrij snel alsnog doordringt. De schoolleiders zullen de mensen op de werkvloer serieus moeten nemen. Als structureel geen rekening wordt gehouden met de problemen waartegen docenten, bijvoorbeeld in nevenvestigingen van grote scholengemeenschappen aanlopen, loop je het risico dat langzaam maar zeker de kwaliteit van zo'n school gaat verdwijnen. Dan zullen namelijk ook die docenten uit de school gaan verdwijnen. Zeker bij een heel krappe arbeidsmarkt hebben zij mogelijkheden genoeg om naar een school te gaan waar zij wél serieus worden genomen. Die cultuurverandering moet echt worden doorgevoerd. Waar de overheid daar duwtjes bij kan geven, zeg ik: prima, laat dat niet na. Maak afspraken met de brancheorganisaties, want zij kunnen juist hierin een mooi intermediair en instrument zijn.Slob

In de onderwijsvernieuwingen is een aantal dingen niet goed gegaan, maar wij moeten niet doen alsof alle scholen in de vernieuwingen eenheidsworsten zijn geweest. Wij moeten niet doen alsof de scholen willoze slachtoffers waren van een ongebreidelde vernieuwingsdrift vanwege de overheid. Dat zou een te zwart-wit beeld zijn. Het is ook een illusie om te denken dat de politiek de onderwijspraktijk op deze manier zou kunnen regisseren. Dat kon vroeger niet en zal ook in de toekomst niet kunnen. Als wij recht willen doen aan de feiten – ik heb waardering voor de commissie, die dit heeft gedaan – moeten wij dit met elkaar vaststellen. De scholen hadden, hebben en houden een eigen verantwoordelijkheid, ook in de uitvoering van onderwijsvernieuwingen. Misschien is dat wel de voornaamste les die uit het onderzoek van de commissie-Dijsselbloem manifest is geworden. Als het erop aankomt, vinden grootschalige vernieuwingen en veranderingen niet op die Haagse tekentafel plaats, hoe graag wij dat misschien ook zouden willen en hoe belangrijk wij onszelf daarin ook vinden. Het gebeurt uiteindelijk met kleinere of grotere stappen in de praktijk, waar die mannen en vrouwen voor de klas bepalend in zijn. Laten wij hun recht doen. Als wij deze wijze les van Dijsselbloem de komende jaren met ons meenemen, dat hoeven wij elkaar niet voortdurend de vraag te stellen wat wij nu eigenlijk doen. Nee, ik ben ervan overtuigd dat dat een enorme impuls zal zijn voor het Nederlandse onderwijs, waarvan de kwaliteit goed is en waarvan de kwaliteit nog veel beter moet worden.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Voorzitter. Het valt niet mee om met de eerste helft van Oranje-Roemenië te concurreren wat de aandacht betreft. Dat blijkt ook uit de lege tribune. Toch heeft onderwijs voor ons de hoogste prioriteit.

De voorzitter:

De tribune is niet geheel leeg.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

U hebt gelijk.

Wat gebeurt er met een land als er lang wordt geroepen dat het onderwijs beter moet, terwijl er in werkelijkheid niets verbetert? Wat doet het met onderwijsbestuurders die onze plannen steeds veranderen, terwijl niemand uitlegt waarom? Wat betekent het voor een docent wanneer hij meer politieagent dan inspirator is geworden? Hoe is het voor een kind om keer op keer het gevoel te hebben niet zichzelf maar een norm te moeten zijn? Hoe is het voor een kind om geen extra uitdaging te krijgen bij een taal- of rekenvoorsprong, of juist rijtjes te moeten stampen terwijl hij met zijn handen wil werken? Zoals het rapport ons leert: wij moeten niet proberen gelijk te maken wat niet gelijk is. Doe je dit wel, dan krijg je Nederland anno 2008: een land dat alle records dreigt te breken op het onderdeel "nationale talentverspilling", een land waar docenten cynisch zijn geworden over politiek, een jeugd die verveeld is geraakt. Zelf leerlingen vragen tegenwoordig om les. Dan weet je dat er echt iets aan de hand is. Ik spreek regelmatig verontruste ouders die bijvoorbeeld de werkstukken van hun kinderen terugkrijgen vol foute verbeteringen. Het kind moet dan naar de private huiswerkklas om meer op niveau te komen. Dat deze instellingen als paddenstoelen uit de grond schieten, zegt genoeg. Dat is een gevaarlijke ontwikkeling, omdat het een tweedeling in de samenleving kan veroorzaken.

Ook bedrijven zien zich steeds meer genoodzaakt personeel dat nota bene Nederlands onderwijs heeft genoten bij te spijkeren op het gebied van taalvaardigheid. Daarvoor moet vaak een leerkracht ingehuurd worden. Leraren raken hun lol in het vak kwijt en zoeken een andere baan. Een lerarentekort is het gevolg. Tot overmaat van ramp is er de zorg om de nieuwe lichting docenten. Als een pabostudent het niveau van groep acht van de basisschool voor taal en rekenen niet overstijgt, hoe gaan wij onze leerlingen dan uitdagen om het beste uit zichzelf te halen?

Wij hebben jaren van mislukt beleid achter ons. Dat hebben wij in het vorige debat uitgebreid besproken. Dat beleid was ingegeven door linkse idealisten en was gericht op gelijkheid. Alle kinderen moesten op hetzelfde niveau meekomen. Als een soort SP-eenheidsworsten kwamen die van de lopende band bij de school. Te lang heeft links ervoor gepleit ongelijke kinderen gelijk te behandelen. De SP houdt tot op de dag van vandaag vast aan de maoïstische traditie van gelijkheid. Als wij niet uitkijken, pleit de SP straks voor grijzemuizenjasjes als schooluniform. Gelukkig heeft de PvdA wel het licht gezien, dankzij de commissie-Dijsselbloem. Talent mag eindelijk kansen krijgen. Verschil mag er zijn. Dat is een compliment waard.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vraag mij af waar de SP alle eer aan heeft verdiend. Het lijkt alsof de SP het beleid heeft vormgegeven. Maar volgens mij zat juist de VVD in het kabinet. Ik hoor mevrouw Dezentjé echter een pleidooi houden om de tweedeling in het onderwijs te bestrijden. Dat is een verfrissend geluid. Heeft dat te maken met extra investeringen? Dat horen wij immers niet elke dag van de VVD. Of is dat vanaf vandaag anders?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

In antwoord op deze vragen kan ik hier een avondvullend programma verzorgen. De SP krijgt nog steeds rode vlekken in de nek van toetsen. Wat mij betreft leidt dat echter alleen tot het gelijk behandelen van ongelijke kinderen. Dat willen wij per se niet. Ik heb gesproken over een tweedeling in relatie tot de huiswerkklassen die als paddenstoelen uit de grond schieten. Kennelijk is het onderwijs niet in staat om de kinderen onderwijs van kwaliteit te leveren. Het gevolg is dat ouders die het kunnen betalen hun kinderen in een huiswerkklas laten bijspijkeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het van belastinggeld betaalde onderwijs moet van hoge kwaliteit zijn. Bijspijkeren moet niet nodig zijn. Als ouders het alsnog willen, is het prima. Daarop heb ik niets tegen. Het moet echter niet nodig zijn als gevolg van de kwaliteit van onderwijs.

Vandaag is de Kamer op een historisch punt aangekomen. Wij hebben de kans en de verantwoordelijkheid om vandaag niet alleen te roepen dat het onderwijs beter moet, maar om het onderwijs echt te verbeteren. Met het rapport van de commissie-Dijsselbloem in de hand, hebben wij die kans. Het is nu echt tijd voor onderwijs. Die kans gaat niet om onderwijsvernieuwingen, maar om overheidsvernieuwingen. Vandaag is voor de VVD dan ook de belangrijkste politieke vraag of de Kamer, coalitie en oppositie, gezamenlijk de schouders wil zetten onder een nieuwe koers die geheel past bij de aanbevelingen van Dijsselbloem. Ik noem deze koers: de kunst van het loslaten.

Met de kunst van het loslaten, doel ik op een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden, waarbij de overheid het vertrouwen teruggeeft aan de scholen, waarbij leraren hun vak terugkrijgen, schoolleiders de dialoog aangaan met een schoolteam en docenten de boeken kunnen kiezen waaruit zij les geven. Het gaat om een overheid die los durft te laten zonder afwezig te zijn. Ik waarschuw maar vast voor het Dijsselbloemspook, waarbij de overheid zo bang is zich te veel te bemoeien dat zij taken over de schutting gooit. Een goed regisseur laat het acteren over aan professionals, maar heeft zelf een visie op het eindplaatje. Die schept randvoorwaarden en bindt mensen met elkaar, zodat die in vertrouwen aan de slag gaan. Ik vraag om zo'n overheid. Een overheid die haar grip niet verliest, maar verandert, net zoals je water niet in je handen vasthoudt door te knijpen, maar door los te laten en van je handen een kommetje te maken. Alleen dan blijft het water staan, anders sijpelt het weg. Veel leerlingen in Nederland glippen nu op die manier door onze vingers. Zij spijbelen, vervelen zich of blijven jaar na jaar zitten. De leesprestaties van Nederlandse leerlingen blijven achter bij die uit landen als Italië en Hongarije en nemen bovendien af. Nog triester is dat wij op dit moment te maken hebben – ik las het zojuist nog in het onderwijsverslag – met 166 zeer zwakke scholen. Dat betekent dat tienduizenden leerlingen de dupe zijn. Dan zijn er nog leerlingen die ondanks een universitaire opleiding blijken te worstelen met het verschil tussen d's en t's en kennen en kunnen.

Dit is de toestand van ons onderwijs. Het onderwijs waarvan onze toekomst afhangt. Om met Rinnooy Kan te spreken: een sterke kenniseconomie vraagt erom alle beschikbare individuele talenten maximaal maatschappelijk in te zetten. De verbetering van onderwijs is om die reden één van de topprioriteiten van dit kabinet. Dat is nodig voor meer arbeidsparticipatie, innovatie en technologische vooruitgang. Het onderwijs levert het blauw op straat, de handen aan het bed, de docent voor de klas, en ja, zelfs de minister. In deze context weet ik het woord "excellentie" opeens wel te waarderen.

Om die reden moet de overheid nu haar stevige grip loslaten om al het talent te kunnen vasthouden. Dat is "de kunst van het loslaten". Het rapport van de commissie-Dijsselbloem mag niet en nooit achter de rododendrons verdwijnen. Gelukkig heeft dit kabinet aangegeven het rapport te omarmen. Laat het van omarmen echter geen doodknuffelen maken. Na het uitstekende rapport van Dijsselbloem wordt de Kamer met een wirwar van plannen, strategische agenda's, nota's en onderzoeken om de oren geslagen. Wij hebben Actieplan LeerKracht, doorlopende leerlijnen, passend onderwijs, Koers BVE, een onderzoek naar het stapelen van diploma's, naar onderwijstijd, naar indicatiestelling en naar het leerlingvolgsysteem, en dat allemaal in de verschillende onderwijssectoren. Mening schoolleider die überhaupt de tijd heeft alle nota's te lezen, duizelt het behoorlijk en ons hier in de Kamer ook zo langzamerhand. Wat verandert er nu in de toekomst voor de scholen? Daar komt sinds kort nog het rapport van de commissie-Bakker bij met diverse voorstellen op het gebied van beroepsonderwijs. De VVD-fractie vraagt dit kabinet met klem of het een samenhangende visie op onderwijs kan geven en of het deze op een heldere manier kan presenteren. Kunnen de bewindspersonen bovendien alle strategische agenda's samenvoegen in één plan van aanpak met meetbare en heldere doelstellingen aan het eind van deze kabinetsperiode?

Niet alleen ontstaat er nu een wirwar aan plannen, ook zijn sommige kabinetsplannen strijdig met de aanbevelingen. Hoe serieus neemt dit kabinet de conclusies van Dijsselbloem eigenlijk? Als ik kijk naar de houding van dit kabinet bij de invoering van – daar gaan wij weer – de gratis schoolboeken, dan heb ik daarin natuurlijk geen vertrouwen. Niemand wil die gratis schoolboeken, maar zij moeten en zullen er komen, want het staat in het regeerakkoord. Zelfs minister Donner maakt zich inmiddels druk erover, want ik las gisteren in de krant dat hij heeft gezegd: straks hebben wij gratis schoolboeken en geen leraren voor de klas. Dat waren ook mijn woorden in het debat. De hele oppositie was tegen. Inmiddels heeft de coalitie 56 zetels in de peilingen en de oppositie 94. Dit is weliswaar virtueel, maar ik zou zeggen dat deze oppositie zo langzamerhand echt recht van spreken heeft. Het is een typisch geval van de bestuurlijke arrogantie die dit kabinet helaas zo kenmerkt. Laat ons ook even het debat van vorige week in herinnering roepen, waarin de coalitie weigerde om de discussie aan te gaan over het falende jeugdzorgbeleid van minister Rouvoet en de oplopende wachtlijsten, en zojuist werd bij de regeling van werkzaamheden ook nog krampachtig geprobeerd allerlei zaken tegen te houden. Laat ons hopen dat deze struisvogelhouding het onderwijsterrein verder bespaard blijft.

Met het doodknuffelen van het rapport-Dijsselbloem bedoelt mijn fractie: toejuichen zonder samenhangende actie. Dat betekent ook terughoudendheid van een doorgeslagen overheid; het eerder genoemde "Dijsselbloemspook". Een schoolleider zei laatst dat de overheid zich dankzij Dijsselbloem niet langer zal bemoeien met didactiek. Het schoolbord hoeft niet langer groen te zijn. Scholen vragen: maar welke kleur dan wel? Ik vraag de regering toch regisseur te blijven. Kijk naar passend onderwijs, dat nu bottom-up tot stand moet komen. In principe is dit een goed idee, maar regio's en ministerie wachten momenteel op elkaar. Dat schiet dus niet op. Zo is over bijvoorbeeld de budgetfinanciering nog heel veel onduidelijk. Het rapport-Dijsselbloem mag geen excuus worden om taken onverantwoord over de schutting te gooien.

De heer Depla (PvdA):

Begrijp ik mevrouw Dezentjé Hamming goed? Vindt zij dat het ministerie richtlijnen en brieven naar de scholen moet sturen om te vertellen welke kleur schoolborden zij moeten hebben?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik ga ervan uit dat de heer Depla zijn fantasie weet te gebruiken. Ik heb dit als voorbeeld gebruikt om duidelijk te maken dat het geen zaak is om onverantwoord dingen over de schutting te gooien. Er moet een heel goede balans zijn. Kijk bijvoorbeeld naar het nieuwe leren. Ik vroeg mij eerder al af of wij daarmee een sluipmoordenaar naar binnen hebben gehaald. Je kunt het niet nu invoeren en vervolgens niet thuis geven als het niet goed gaat. Het onderwijs en de kwaliteit daarvan is een heel belangrijke overheidstaak. Daarin moeten wij een balans weten te vinden.

De heer Depla (PvdA):

Wij moeten daarin heel precies zijn. Anders gaat het ministerie zich toch weer met de didactiek of de kleur van het schoolbord bemoeien, terwijl het er juist is om het "wat" te bepalen en de kwaliteit te bewaken. Mevrouw Dezentjé Hamming moet preciezer zijn over wat zij los wil laten en wat juist niet. De voorbeelden van schoolborden en het nieuwe leren zijn precies de verkeerde.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Het hele rapport-Dijsselbloem gaat over het wat en hoe. Ik kan heel helder zijn: dat onderschrijft mijn fractie natuurlijk. Het "wat" bepalen wij als overheid, het "hoe" wordt door de scholen ingericht. In het vorige debat is ook het "hoe" heel goed aan de orde gekomen. Neem bijvoorbeeld de kwalificatiestructuren. Het lijkt mij niet de bedoeling dat je die zo dichtregelt dat weliswaar het "wat " wordt bepaald, maar uiteindelijk tegelijkertijd ook het "hoe". Ik denk dat de goede balans gezocht moet worden. In goede samenspraak moet dat kunnen. Zoals ik zojuist al zei, wil ik wel een samenhangend plan horen. Nu zijn er allemaal versnipperde beleidsplannen en daar moeten wij wel op enig moment een touw aan vast kunnen knopen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ergens in haar verhaal is mevrouw Dezentjé Hamming mij kwijtgeraakt. Het eerste deel van haar betoog bestond eruit dat wij moeten leren loslaten. Nu zakt zij in een SP-groef. Die fractie krijgt rode vlekken van het toetsen, zoals zij dat zelf zo beeldend zegt. Ik snap het niet. Zij vindt dat wij de autonomie van scholen moeten erkennen en op grotere afstand moeten plaatsen. Vervolgens vindt zij eigenlijk dat wij een oordeel moeten vellen over de kleur van een schoolbord. Als ik haar goed begrijp uit het voorgaande interruptiedebat, wil zij eigenlijk de autonomie ad hoc, per keer, per onderwerp regelen. Klopt dat?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nee, dat lijkt mij onmogelijk. Het is ook precies wat ik hier niet heb betoogd. De opmerking over de kleur van het schoolbord is figuurlijk bedoeld. Het is natuurlijk niet wat ik hier betoog. Wij hebben nu het rapport-Dijsselbloem. Dat kan ertoe leiden dat er een soort pendulewerking komt: eerst bepaalde de overheid alles, nu wordt alles aan de scholen overgelaten. Vanaf het begin heb ik gepleit voor verantwoord loslaten. De kunst van het loslaten is ook verantwoord loslaten. Daarop doe ik een beroep bij dit kabinet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Als je spreekt over verantwoord loslaten, dan mag je ook wel enige helderheid geven over de koers die je daarop zelf vaart. Het enige wat ik kan destilleren uit het betoog van mevrouw Dezentjé Hamming is dat zij eigenlijk zelf niet goed weet op welke momenten wij wel of niet iets moeten doen. Zij wil het per keer beoordelen. Dat vind ik nogal kwetsbaar voor de toekomstige onderwijspolitiek.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Dat is bepaald niet wat ik hier betoog. Het gaat veel te ver om hier in detail te gaan inregelen wat wel en wat niet moet gebeuren. Wat mij betreft, staat bovenaan dat het "wat" hier bepaald wordt en het "hoe" aan de scholen is. Ik pleit er slechts voor, als waarschuwing aan dit kabinet, om geen zaken over de schutting te gooien maar verantwoord op te treden. Het lijkt mij dat zowel het kabinet als de scholen met hun autonomie dat uitstekend kunnen.

De voorzitter:

Ik verzoek u uw betoog te vervolgen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

De VVD vraagt om een duidelijk doel voor het onderwijs in Nederland. Dat zeg ik even naar aanleiding van mijn pleidooi voor het voorschotelen van een meer samenhangend beleid. Ik wil ook graag weten waarop wij het kabinet aan het einde van deze periode nu eigenlijk kunnen afrekenen. Ik heb daarom een aantal specifieke vragen. Het kabinet gaat 115 mln. uitgeven aan herstelwerkzaamheden rond de basisvaardigheden taal en rekenen. Taal en rekenen verdienen inderdaad prioriteit, maar de vraag is wel even waar dit geld nu precies naartoe gaat. Tot nu toe zijn er plannen in het kader van doorlopende leerlijnen om referentieniveaus op te stellen. Het is ten eerste de vraag of met deze eindtermen de lat wel hoog genoeg wordt gelegd als het gaat om wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Die eindtermen op zich gaan geen geld kosten. Op welke manier gaat het geld naar verbetering van taal- en rekenonderwijs zelf? Zit het in de lumpsumfinanciering van scholen en, zo ja, vraagt de regering dan om een transparante verantwoording van de scholen over dit specifieke budget?

Als het aan de VVD ligt komt er naast herstel op basisvaardigheden ook natuurlijk herstel voor basiskennis. Plaatsnamen als Hoogezand-Sappemeer, wie kent ze niet? Tafels, gewoon rijtjes stampen. Wij zijn er allemaal mee opgegroeid. In die zin is het vreemd dat een goed initiatief als de canon van Nederland waarmee kinderen weer historisch besef moeten krijgen, totaal geen navolging krijgt van de scholen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Bent u hier nu aan het opsommen wat leerlingen precies moeten leren? Ik vind dat toch een beetje gek eerlijk gezegd. Als kinderen uit huis gaan, weet ik dat het ongelooflijk moeilijk is om los te laten. Maar als je nu zelf pleit voor loslaten, dan moet je er ook mee beginnen.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik weet niet waar u uw vraag nu aan vastknoopt.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

U wilde plaatsen stampen en tafels uit uw hoofd leren. U bent hier precies aan het dicteren wat er in de klas gedoceerd moet gaan worden. Dat is toch een beetje een gek verhaal voor een liberaal.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik heb het over de basiskennis en die moeten wij natuurlijk vastleggen in de kerndoelen. Dat is duidelijk. Daarover heb ik het en nergens anders over. Dat lijkt mij ook een heel normale zaak.

Hoe gaan wij die kennis en vaardigheden uiteindelijk toetsen? Dijsselbloem leerde ons: scholen moeten toetsen. De VVD zegt: scholen moeten niet meer toetsen, maar beter toetsen. Dat betekent dat een docent een toets als instrument gebruikt om zelf een diagnose te stellen. Ook betekent dit dat schoolexamens niet te makkelijk mogen zijn. De VVD is er voorstander van dat onvoldoendes op het centraal examen niet gecompenseerd worden door een voldoende op het schoolexamen. Zo gaan scholen volgens ons vanzelf strenger toetsen op het schoolexamen. Graag ook een opvatting van de regering hierover.

De voorzitter:

De heer Van Dijk, kort graag.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U zegt: de VVD wil niet meer toetsen, maar beter toetsen. Maar u wilt er toch een kleutertoets bij. Dat is toch meer toetsen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Dat is ook beter toetsen, want hoe eerder je achterstanden, met name taalachterstanden, kunt detecteren, des te beter het is. U weet als geen ander dat achterstanden die tussen nul en vier jaar zijn opgelopen, niet meer ingehaald kunnen worden.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

De regering heeft aangegeven niet alleen voorstander te zijn van toetsen van het onderwijs, maar ook voor het onderwijs. De VVD vindt het goed dat de regering werkt aan meer zelfevaluatie en verantwoording van de opbrengsten door de scholen. Dat is ook ruimschoots aan de orde gesteld door mevrouw Roeters, de inspecteur-generaal, die daar krachtig voor heeft gepleit. Er wordt veel getoetst, maar met die toetsen wordt niets gedaan en al helemaal geen zelfevaluatie. Zo kunnen scholen goed het eigen proces beoordelen. Er moet echter wel kritisch gekeken worden naar de werking van bijvoorbeeld een leerlingvolgsysteem om zodoende de toegevoegde waarde van een school te bepalen. Je loopt de kans op perverse prikkels, zoals teaching to the test. Ik wil ook graag weten hoe het kabinet hier tegenover staat.

En dan nog iets geks. In de brief die staatssecretaris Dijksma gisteren naar de Kamer stuurde, schrijft zij helemaal niets te zien in een verplichte begintoets voor het bepalen van de toegevoegde waarde van scholen. Kennis en vaardigheden van vier- en twaalfjarige leerlingen van taal en rekenen zouden niet altijd vergelijkbaar zijn en leerlingen zouden vaak verhuizen. Al zou dat allemaal waar zijn, dan nog zou de VVD-fractie voor een begintoets zijn, misschien niet om de toegevoegde waarde van de school te bepalen, maar wel in het belang van de leerling. Het is cruciaal dat scholen weten op welk niveau een leerling zit als hij binnenkomt. Zo kunnen wij vroegtijdig een taalachterstand signaleren. Doe je dat niet, dan heb je een mooi referentieniveau, maar helemaal geen uitgangspositie. Dan heb je een finish, zonder te weten waar je aan de start verschijnt. Zou staatssecretaris Dijksma alsnog een begintoets voor taalvaardigheid willen overwegen? De VVD-fractie wil deze – zoals verwoord in de motie-Rutte – het liefst al op peuterniveau, zodat wij er vroeg bij zijn en de voorschoolse educatie een kruiwagentje kan vormen.

Naast taalachterstanden hebben wij ook te maken met taalvoorsprongen en hoogbegaafdheid. Wij leven in een land waar één op de tien kinderen hoogbegaafd is, terwijl 80% van de leraren aangeeft, niet te weten wat zij met die kinderen aan moeten. Er zijn genoeg voorbeelden van hoogbegaafden die met gymnasiumhersens verveeld en gefrustreerd op een vmbo-school terechtkomen. Die talentverspilling kunnen wij ons niet permitteren. Als ik het over talent heb, dan bedoel ik dat in de meest brede zin van het woord. Ik heb genoeg leerlingen gezien die met hun handen de meest mooie en technische dingen kunnen maken en ook dat is natuurlijk talent. Handen zijn net zo belangrijk als hersens. Vakmanschap is lange tijd te veel onderschat en doeners moesten denkers worden. Juist doordat leerlingen niet op de juiste plek zitten, krijg je vooral op het vmbo spijbelgedrag en schooluitval. Wat is het kabinet nu eigenlijk van plan voor deze groep doeners te gaan doen? De VVD-fractie zou er in ieder geval voor pleiten om het al op jonge leeftijd mogelijk te maken om te gaan werken en bij te leren.

Over het vmbo gesproken: het aantal zorgleerlingen op het vmbo is zorgwekkend te noemen. Hoe komt dat? Waarom groeit deze groep? De regering heeft al aangegeven naar de wijze van indiceren te zullen kijken, maar kijk ook eens naar het onderwijs zelf. Is het vmbo ook niet een te grote eenheidsworst geworden? Heel veel verschillende leerlingen op één grote hoop en vaak ook zonder duidelijk perspectief. Ik vraag het kabinet, meer te investeren in praktijkstages voor vmbo en mbo. Leerlingen moeten echt gemotiveerd blijven door te zien wat zij later met hun opleiding kunnen doen. Het bedrijfsleven betrekken bij het onderwijs is ontzettend belangrijk, zo nodig met financiële prikkels. Daaraan, vinden wij, is ons belastinggeld beter besteed dan aan die belachelijke verplichte maatschappelijke stage waar dit kabinet zo'n 120 mln. voor uittrekt.

Ook vraag ik de regering om vaart te maken met het onderzoek naar het stapelen van diploma's – het is hier al een paar keer aan de orde geweest en ontzettend belangrijk – en dit ook te betrekken op volwassenenonderwijs en de bekostiging daarvan. Zeker als je het hebt over een leven lang leren, waar ook de commissie-Bakker zo'n groot voorstander van is. De VVD-fractie kan dat deel in ieder geval van harte onderschrijven. Een leven lang leren draagt bij aan talentontwikkeling en biedt opnieuw een perspectief voor vooruitgang, ook voor de laatbloeiers. Wanneer kunnen wij concrete plannen op dit punt verwachten?

Voorzitter. Dan nog iets wat mij verbaasde. De commissie-Dijsselbloem adviseerde het kabinet om de rol van de inspectie te bezien en ook de inspectie zelf gaf in haar rapport aan, graag een rol te spelen waarbij meer prioriteit mogelijk is voor het controleren van zeer zwakke scholen, terwijl scholen waar het goed mee gaat, meer los kunnen worden gelaten. Is het kabinet hier ook een voorstander van? En waarom is er dan toch niet voor gekozen om eens nader te kijken naar de rol van de inspectie in het algemeen? Juist nu de regering een andere verantwoordelijkheidsverdeling nastreeft, waarbij de overheid terughoudender is, is de inspectie essentieel voor de kwaliteitsbewaking. Waarom is het advies van de commissie-Dijsselbloem om eens nader naar de inspectie te kijken, zo makkelijk in de wind geslagen? Graag een reactie daarop.

Voorzitter. Ik rond af. Het is duidelijk wat de VVD-fractie wil met het onderwijs.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij heeft dit kabinet in oktober een plan op tafel gelegd omtrent een andere wijze van toezicht. Bent u daar een tegenstander van?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik heb in het laatste gesprek met de inspecteur-generaal Roeters, waar het CDA geloof ik ook bij aanwezig was, heel nadrukkelijk gehoord dat de inspecteur-generaal het over een andere boeg wilde gooien en veel meer aandacht wilde besteden aan de begeleiding en de inspectie van de zeer zwakke scholen. Dat is iets wat ik eigenlijk van harte kan ondersteunen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Voorzitter. De inspectie is ervoor om te zorgen dat er toezicht is. Dit kabinet heeft nu juist in oktober van het afgelopen jaar een plan op tafel gelegd waarin het zegt, meer aandacht te gaan besteden aan zwakke en zeer zwakke scholen en zelfs ook aan risicoscholen. Steunt u dat voornemen of vindt u dat dat het toch niet is en wilt u iets totaal anders?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nee, nee, nee, dat plan kan ik van harte ondersteunen. Ik zou er alleen iets ambitieuzer in willen zijn, zeker als een inspectie aan deze Kamer vertelt dat zij dat toezicht wil intensiveren. Ik denk dat wij veel korter aan de bal moeten zijn bij de zeer zwakke scholen. Laten wij eerlijk zijn: er zijn vaak toch heel lange trajecten. Scholen krijgen de ruimte om de tijd te nemen om te veranderen. Die kunnen ook niet zo maar een knop omzetten. Intussen zitten daar alleen wel tienduizenden leerlingen op die school. Dat halen zij in ieder geval nooit meer in, dus ik wil echt dat de inspectie daar zo kort mogelijk op de bal zit. Als zij suggesties in die richting doet, omarm ik die.

De voorzitter:

Afrondend, mijnheer Van Dijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dank u, voorzitter. Ik heb het gevoel dat u in belangrijke mate de plannen ondersteunt die het kabinet op tafel heeft gelegd. Daarom verbaast mij uw vraag waarom het kabinet niet ingaat op de suggestie van de commissie-Dijsselbloem. Als het dat al doet, waarom zou het daar dan extra op in moeten gaan?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Omdat ik vind dat het wel een tandje steviger mag. Ik vind dat wij daar wat ambitieuzer in mogen zijn. Ik vind het aantal van 166 zeer zwakke scholen veel te hoog. Aan de betiteling "zeer zwak" gaat ook een traject vooraf. Dat moet u niet vergeten. Ik vind dat wij veel strakker op dat traject moeten zitten.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Voorzitter. Ik was aan het afronden. Het is duidelijk wat de VVD met het onderwijs wil: weg met de gelijkheidsdrift en alle kansen voor ieder talent. Gewoon het vertrouwen terug, leraren het vak terug, terug naar basiskennis en -vaardigheden zoals taal en rekenen. Wat wil het kabinet? Dat heeft het advies omarmd, maar ik heb nog geen visie op het onderwijs gezien. Het kabinet is zoekende en onderzoekende, maar de echte regie op het "overall" plan ontbreekt. Na vandaag zullen er nog veel debatten over de afzonderlijke plannen volgen, zoals duidelijk zal zijn. Ik vraag deze regering alleen nu al om pal voor het onderwijs te gaan staan. Ik wens geen nummertjes voor de bühne zoals de gratis schoolboeken meer, maar echte investeringen en plannen voor de kwaliteit van onderwijs. Als het kabinet daarvoor staat, moet het daar ook transparant over kunnen zijn en zich laten afrekenen. Durft het kabinet het aan om een beleidsplan voor het gehele onderwijsbeleid aan de Kamer te sturen, om zijn eigen rol te specificeren in de nieuwe opstelling van de kunst van het loslaten en om meetbare doelstellingen te formuleren? Zo ja, dan wordt "Tijd voor onderwijs" ook echt prioriteit voor onderwijs, met een lange "ij". Laat dit kabinet daarin dan ook leidend zijn, met "ei".

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Bij een stand van zes-drie heropen ik de vergadering. Ik heb het niet over de voetbalwedstrijd Nederland-Roemenië die op dit moment gaande is, maar over het verloop van dit debat. Er zijn zes sprekers geweest en wij hebben er nog drie te gaan.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter. Alweer enige decennia geleden werd in China een ambitieus en socialistisch vijfjarenplan aangekondigd onder de titel "De grote sprong voorwaarts". Onze minister van Onderwijs sloot recent een interview in Het Parool af met de leuze "vrolijk voorwaarts". Hij staat voor de belangrijke taak om de rust en de kwaliteit in het onderwijs te herstellen nu geconstateerd is dat de onderwijsvernieuwingen hierop een forse aanslag hebben gepleegd. Zijn enthousiasme bij het maken van deze sprong is in ieder geval aanstekelijk. Hetzelfde geldt voor het enthousiasme bij de optredens van de staatssecretarissen. De SGP-fractie heeft het rapport van de commissie-Dijsselbloem zeer gewaardeerd. Na het debat met deze commissie wacht ons vandaag een debat over de ambitie die dit kabinet heeft geformuleerd naar aanleiding van het rapport. Door mijn collega's is al gezegd dat het belangrijkste punt in dit rapport het herstel van vertrouwen is. Dit herstel van vertrouwen heeft hoge prioriteit.

De SGP-fractie heeft waardering voor het feit dat het kabinet het hart van het onderwijs accentueert, namelijk het ontwikkelen van basisvaardigheden. De minister verwoordde dit kernachtig in de NRC. Ik citeer hem. "Als je je wilt kunnen redden in de samenleving moet je kunnen rekenen en schrijven. Dat kun je nergens mee compenseren." Vaardigheden zijn belangrijk, maar mogen deze basis niet verdringen. Het gaat om de leerlingen en hun voorbereiding op een verantwoordelijke taak in onze samenleving. Onderwijs is onwijs mooi, maar kan niet altijd en alleen leuk zijn. Het is bovendien goed dat het eigen karakter van het onderwijs door de bewindslieden wordt benadrukt. Voorlichting over het smelten van de ijskappen of over obesitas behoort in essentie niet tot de primaire taak van het onderwijs.

Er is waardering voor de kabinetsreactie, maar er is ook reden om alert te zijn. Het gaat hierbij vooral om de invloeden op het onderwijs en het onderwijsbeleid. Bovendien ligt de vraag voor, wat de ambitie van ons onderwijs moet zijn en wat de kansen in het onderwijs zijn voor leerlingen die extra zorg nodig hebben. Zulke leerlingen zullen er altijd blijven. De nadruk op gelijke kansen – wie zal daarop tegen zijn? – mag niet opnieuw een valkuil worden.

Het kabinet pakt het door de commissie voorgestelde onderscheid tussen het "wat" en het "hoe" op. Gelukkig wordt daarbij rekenschap gegeven van het besef dat dit onderscheid niet altijd even helder is als het klinkt. Het onderscheid kan functioneren als een behulpzaam criterium om fouten te voorkomen. De SGP-fractie steunt de stelling van het kabinet dat bij onderwijsvernieuwingen meer onderbouwd moet worden stilgestaan bij de rolverdeling tussen scholen en overheid. Daarin is vooral van belang dat scholen invulling geven aan hun didactiek. In de praktijk is echter direct gebleken dat het nut van het voorgestelde onderscheid tussen het "wat" en het "hoe" beperkt is. Het onderscheid werkt en is nuttig, maar het nut is beperkt. Zo is het competentiegerichte onderwijs een belangrijke casus. Er bestaat in dit verband echter verwarring over de vraag wat nu precies het karakter is van de onderwijsvernieuwing. Voorstanders spannen zich in om duidelijk te maken dat zij zich enkel richten op de inhoud van het onderwijs. Ook in de brief van het kabinet hierover wordt betoogd dat enkel het"wat" wordt geraakt. Wie de competenties beziet, ontdekt echter dat vooral processuele vaardigheden worden beschreven die worden verkregen in bepaalde lesvormen. De Onderwijsraad concludeerde daarom dat het competentiegericht onderwijs sterk op een didactische vernieuwing lijkt. Een concretere afbakening in het onderscheid tussen "wat" en"hoe" lijkt dus, als het maar even mogelijk is, nastrevenswaard en zelfs noodzakelijk. Deze afbakening is zeker wenselijk wanneer wij zien dat de invulling van het kabinet ten aanzien van het "wat" binnen het cgo en de doorlopende leerlijnen lijkt te verschillen. De eerste heeft de neiging om algemeen te blijven, terwijl de laatste juist specifieker wordt.

De spanning tussen inhoud en didactiek bepaalt ons bij de terughoudende rol van de overheid ten aanzien van het onderwijs. Zelfs met betrekking tot de kwaliteit is een zekere voorzichtigheid gepast. Een citaat van de heer Verbrugge vond ik hierbij toepasselijk: "Politiek moet gaan over het deugdelijk inrichten van de weerbarstige werkelijkheid en niet over abstracte idealen (zoals eens: zelfontplooiing in het studiehuis) of abstracte doelstellingen (zoals nu: kwaliteit!)". De overheid heeft voornamelijk tot taak om scholen voldoende mogelijkheden te bieden, de inrichting van het onderwijs op goede wijze vorm te kunnen geven. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het vergroten van ruimte voor het primaire proces en het verzorgen van een verantwoorde bekostigingssystematiek.

De commissie heeft aandacht gevraagd voor de menselijke maat binnen het onderwijs. De vorming van brede scholengemeenschappen is doorgeschoten, zo is de conclusie. Scholen zouden daarom de ultieme mogelijkheid moeten hebben om op te delen. Ook de Onderwijsraad is van mening dat de overheid aan redelijke voorstellen hiertoe zou moeten meewerken. Voorstellen voor het vergroten van de menselijke maat genieten onze sympathie, maar bij de invoering moeten wij ook wel weer maat weten te houden. Het is een goede gedachte om scholen mogelijkheden te bieden, maar van enige drang kan, wat mijn fractie betreft, geen sprake zijn.

Naast de menselijke maat in het onderwijs is de natuurlijke leeromgeving mijns inziens echter van minstens even groot belang. Daarbij gaat het erom dat de verwachtingen en lastendruk voor leraren en leerlingen op een realistisch niveau gebracht worden. Uiteraard willen wij het beste uit onze leerlingen halen en zij moeten hiertoe in staat worden gesteld, maar de verwachtingen van het onderwijs mogen niet overspannen raken. Ambities moeten reëel zijn, waarvan ook de erkenning deel uitmaakt dat niet alle leerlingen het gewenste niveau zullen halen. Daarbij komt dat de belasting die door ambities ontstaat, voor leraren werkbaar moet blijven. De positie van docenten kwam onlangs breed in discussie. Ik ga deze uiteraard niet herhalen. De prioriteit en de urgentie van deze problematiek zijn duidelijk.

De belangrijkste bedreiging voor een gezond en natuurlijk leerklimaat is een overwaardering van het gebruik van risico's. Die aandacht is overigens op veel meer terreinen in onze samenleving waar te nemen. Het achterstandenbeleid in het basisonderwijs is de meest aansprekende vorm van deze ontwikkeling. Zelfs kleuters worden getoetst en voorschoolse educatie wordt uitgebouwd. Het ongedwongen klimaat van de peuterspeelzaal wordt in de nieuwste plannen geïntegreerd met voorschoolse educatie. Die vroegtijdige educatie en toetsing kan juist averechts werken. De orthopedagoog Goorhuis signaleert een strijd om de kleuter die als een keurslijf werkt voor kinderen en juffen. Zien de bewindslieden de bezwaren die aan deze ontwikkeling kleven en, zo ja, wat is dan hun reactie hierop?

In het algemeen overleg over bewegingsonderwijs kwam een soortgelijk fenomeen aan bod. Aan de orde was de specialisatie van vakdocenten voor bewegingsonderwijs. De staatssecretaris leek sympathiek te staan tegenover uitbreiding van deze specialisatie naar andere vakken. Ook voor rekenen en taal zouden er gespecialiseerde docenten kunnen komen. Nog los van de problemen met de organisatie van een en ander dringt zich de vraag naar de wenselijkheid hiervan op. Zijn docenten in het basisonderwijs immers niet bij uitstek generalisten? Hebben wij niet te hoge ambities als wij specialisten in het basisonderwijs inzetten? Wat betekent deze specialisering voor de rust in de klas, voor binding, zeker bij jongere kinderen?

Het leerlingvolgsysteem wordt door het kabinet beschouwd als een uitstekende methode ter verantwoording van onderwijsopbrengsten. Daarom worden de mogelijkheden onderzocht om dit systeem in andere onderwijssectoren in te zetten. Ongetwijfeld bevat dit systeem voordelen. De noodzakelijkheid ervan is echter niet aangetoond. Was het onderwijs in de situatie zonder dit systeem bijvoorbeeld beduidend slechter? Daarnaast moet de belasting voor docenten worden meegewogen. Wat heeft het eigenlijk te zeggen als leraren in het basisonderwijs hun baan opzeggen, het onderwijs uitgaan, vanwege hun doorleefde ongenoegen over de rompslomp van alle verantwoordingslasten? Het klimaat binnen de school lijkt door dit systeem om te slaan van vertrouwen in de docent als grondregel en uitgangspunt naar afrekening op opbrengsten. Dat zou ik diep betreuren. Graag zou ik een reactie ontvangen op de geschetste ontwikkelingen en het verweer daartegen.

Onze reserve ten opzichte van de vermaatschappelijking van het onderwijs heb ik in vele eerdere bijdragen duidelijk gemaakt. Het is onwenselijk dat de inhoud van het onderwijs wordt gedicteerd door maatschappelijke behoeften, hoe wezenlijk die ook kunnen zijn. Natuurlijk, zo heb ik destijds uit het rapport geciteerd, "dat betekent niet dat de school niet moet inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen, integendeel, maar dat is heel wat anders dan dat de inhoud van onderwijs zou worden gedicteerd door sociaaleconomische ontwikkelingen". De school heeft een relatieve zelfstandigheid die door de overheid moet worden geëerbiedigd. Projecten als de maatschappelijke stage kunnen dan ook niet met een verregaand verplichtend karakter worden opgelegd. Laat zo veel mogelijk aan de scholen zelf over. Dat geldt trouwens meer algemeen.

Naast de invloed van de maatschappij binnen het onderwijs is echter nog veel wezenlijker en ingrijpender dat de school als instituut kan worden gebruikt voor maatschappelijke en economische doeleinden. Het kabinet stelt dat forse investeringen in de brede school plaatsvinden omdat scholen een duidelijke rol in de maatschappij vervullen. Het gisteren gepresenteerde rapport van de commissie-Bakker wekt een nog verdergaande suggestie: "Veel vrouwen werken in deeltijd vanwege de zorg voor kinderen. Zolang dit een vrijwillige keuze is, is er niets mis mee. Maar een oorzaak is ook dat werken en zorg niet altijd te combineren zijn. In dit geval moeten er oplossingen worden gezocht. De brede school met openingstijden van 7.00 uur tot 19.00 uur speelt hierop in." Hierbij lijkt de brede school toch ingezet te worden als arbeidsmarktinstrument. Hoewel het op zich al kwestieus is dat scholen betrokken worden bij de organisatie van privéactiviteiten, is deze economische drijfveer voor mijn fractie nauwelijks acceptabel, om niet te zeggen onacceptabel. Wij vinden dat een vermenging van taken, die in reductie komt op de spankracht van de primaire missie in het onderwijs. Graag ontvang ik een reactie hierop.

Een lastig vraagstuk ten aanzien van de verhouding tussen school en maatschappij is de positie van zorgleerlingen in het onderwijs. Van het gelijkheidsdenken neemt het kabinet net als de commissie afstand. Ondertussen wordt gesteld dat de ambitie van gelijke kansen recht overeind staat, nu juist door recht te doen aan individuele verschillen. Het is een debat waard – en dat moeten wij ook maar eens voeren – of deze insteek niet de oude ideologie in een nieuwe jasje is. Het gevolg daarvan is dat leerlingen koste wat het kost in een reguliere klas zullen blijven. Zo begrijp ik het. Daardoor worden ongelijke gevallen gelijk behandeld en komt de gewone leerling minder tot zijn recht.

Toenemende integratie van zorgleerlingen in het regulier onderwijs legt onmiskenbaar een beslag op de leraar en op de groep. Wanneer bijvoorbeeld een vijfde van de klas aangepast onderwijs behoeft, komt de aandacht voor de klas als geheel sterk onder druk te staan. Het verdient wellicht aanbeveling om het beleid op dit punt opnieuw te bezien. Daarbij moet niet per definitie gedacht worden aan een uitbreiding van het speciaal onderwijs. Dat moet er zelfstandig ook zijn. Dit hebben wij lang geleden al geconcludeerd. In Finland zijn er bijvoorbeeld binnen het reguliere onderwijs aparte klassen voor zorgleerlingen. Het percentage speciale scholen is daar bijzonder klein. In dergelijke trajecten wordt toch ook recht gedaan aan het belang en de waarde van het reguliere onderwijs enerzijds, en aan de positie en het perspectief van de zorgleerling anderzijds.

In mijn vorige bijdrage signaleerde ik een vertechnisering van het onderwijs. De invulling van het onderwijs lijkt in veel gevallen overgelaten te worden aan de wetenschap. Voordat wij als Kamer iets zinnigs zouden kunnen zeggen, moeten er eerst pilots ontwikkeld worden. Dat is opmerkelijk, aangezien onderwijs zo algemeen menselijk is dat elk normaal denkend mens daar wel zinnige gedachten over moet kunnen formuleren. Zeker wanneer wij beseffen dat de politiek slechts de kaders van het onderwijsbeleid heeft te bepalen, is enige scepsis ten opzichte van de vertechnisering gerechtvaardigd. Wanneer wij niet zonder het wetenschappelijk onderzoek kunnen, betekent het wellicht dat wij te veel op detail willen regelen.

Onderzoek dat met harde gegevens praktijkervaring vaststelt, is in het onderwijs de laatste jaren sterk in opkomst. Dit onderzoek komt op uit dieperliggende maatschappelijke trends. De OECD-publicatie Evidence in education noemt bijvoorbeeld de toegenomen nadruk op prestaties en de vraag naar effectieve besteding van publiek geld. De vraag dringt zich aan mij op wat de invloed van deze trends is op het onderwijs. De effectiviteitsprincipes van het marktdenken werden doorgaans met argwaan ontvangen in het onderwijs. Een commercialisering van het onderwijs is niet wenselijk. Het stelt vragen bij de rol van het bedrijfsleven in het middelbaar beroepsonderwijs en de negatieve effecten die ontstaan in het systeem van lumpsumbekostiging.

Ondanks deze wezenlijke vragen zet ook het kabinet sterk in op het belang van wetenschappelijke resultaten. Ik poets dat belang natuurlijk ook niet weg. Je moet niet doorslaan naar de andere kant. Voor het doorvoeren van veranderingen in het onderwijs is onderzoek gebaseerd op praktijkervaring onmisbaar. Tegelijk realiseert men zich de beperkingen van dit onderzoek. Bewijs voor effectiviteit van onderwijsmethoden is vaak moeilijk te verkrijgen. Bovendien is het de vraag wat de representativiteit is van de projecten uit de testfase. Ook zijn er vragen over de uitwerking. Wanneer gesteld wordt dat ook docenten worden gestimuleerd om meer op vastgestelde praktijkervaringen te werken, rijst de vraag hoe dit concreet gestalte kan krijgen.

De derde aanbeveling van de Onderwijsraad in dit verband spreekt mij erg aan. De Onderwijsraad dringt namelijk aan op het maken van heldere keuzes door scholen. Het gaat daarbij om het maken van de keuze op zich, niet zozeer om de inhoud ervan. Scholen moeten bewuste keuzes maken voor bepaalde doelen en werkwijzen. Het gaat daarbij om betrokkenheid bij en steun voor alle betrokkenen bij de school, teamwork dus. De verantwoording hierover moet helder zijn. De suggestie van het aanscherpen van de bestaande inspanningsverplichting en de controle daarop door de inspectie verdient overweging.

Voor een goede doordenking van het onderwijsbeleid is de academische discipline onderwijsrecht van grote waarde. De juridische onderbouwing vraagt om gedegen studie en kennis; de grondwettelijke verankering van ons onderwijsbestel staat immers regelmatig ter discussie, en soms zelfs op het spel. Tot voor kort waren er in Nederland drie bijzondere leerstoelen onderwijsrecht: in Amsterdam, in Rotterdam en in Tilburg. Van deze drie is er wegens gebrek aan financiering eigenlijk nog maar één over. De leerstoelen van de hoogleraren Vermeulen en Mentink zijn na hun vertrek vrijwel tot niets gereduceerd. Mentink maakte hierover bij zijn afscheid zijn ongenoegen kenbaar. Volgens hem moet de overheid bijspringen omdat zij daar belang bij heeft. Het deelrapport "Tijd voor onderwijs" van de hoogleraren toont dit belang inderdaad concreet aan. De SGP-fractie spreekt daarom de hoop uit dat aanvullende ondersteuning van de discipline onderwijsrecht een vrucht zal zijn van dit parlementair onderzoek.

Vakkundige docenten zijn de spil van een goed functionerend onderwijssysteem. Het is daarom een goede ontwikkeling dat de vereisten van de docentenopleiding worden aangescherpt. Wij moeten er echter voor waken dat de eisen voor bepaalde groepen studenten niet al te rigide uitpakken. Daarmee lopen wij potentiële docenten met enthousiasme voor het vak mis; zeker met het oog op het lerarentekort is dat niet handig. Kan de minister daarom onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor differentiatie binnen de pabo? In Pedagogische Studiën werd gepleit voor een specialisatie voor de bovenbouw met harde vakinhoudelijke eisen en een specialisatie gericht op de eerste klassen. Door deze tweede specialisatie kan ook het talent van studenten zonder die typische wiskundeknobbel worden benut. Bovendien kan de pabo door de bovenbouwspecialisatie aantrekkelijker worden gemaakt. Alle partijen in het onderwijs zijn bij deze specialisaties gebaat. Ik hoor graag een concrete reactie, want wij spraken hierover immers in het verleden al vele malen. Een enkele bijstelling daargelaten kwam het niet tot het herstructureren van dit stuk van de opleiding. Volgens mij is dat zeer het overwegen waard.

Aan het slot van mijn bijdrage mag de vraag hoe wij van dit onderzoek kunnen leren niet ontbreken. Het invoeren van onderwijsbeleid brengt een aantal complicaties met zich mee; de kabinetsbrief gaat daarop mager in. De hoogleraren stellen terecht dat het parlement in zekere zin machteloos is bij de invoering van onderwijswetgeving. Wanneer een beleidstraject eenmaal in gang is gezet, blijken haalbaarheid en innerlijke consistentie moeilijk te toetsen te zijn. Het streven naar betere beheersing van beleidsprocessen door de Kamer is zeer noodzakelijk, maar ook de rol van het kabinet moet worden belicht.

Voor optimale controle zijn heldere principebesluiten ten aanzien van de voorgestelde onderwijsvernieuwing van wezenlijk belang. Beleidsvoornemens kunnen niet al vaststaan, pilots kunnen daaraan niet slechts de eerste uitwerking geven en wij kunnen vervolgens niet daardoor voor voldongen feiten staan. Het is goed om helder onderscheid te maken tussen de beleidsambitie en de pilots, zodat duidelijk wordt dat pilots in principe nog geen consequenties hebben voor de rest van het desbetreffende onderwijsveld. Ten aanzien van de maatschappelijke stage en het competentiegericht onderwijs blijkt er onduidelijkheid te kunnen bestaan, doordat de pilots een al te dwingend karakter lijken te hebben. Het gebruik maken van experimenten geniet wellicht de voorkeur, omdat daardoor, vanuit wetgeving en beleidsontwikkeling geredeneerd, het karakter meer vrijblijvend is, zich met minder implicaties kan voltrekken en tot een conclusie kan worden gebracht.

De factor tijd speelt een uiterst complexe rol in het proces van onderwijsvernieuwing, zo heb ik in al die jaren ervaren. Misschien mag ik dat een keer zeggen. De periode die is onderzocht heb ik helemaal meegemaakt. De tijd zorgt ervoor dat er een wig kan ontstaan tussen onderwijs en politiek en binnen het onderwijs zelf. De hoogleraren constateren dat op verschillende momenten uitstel kon worden bedongen, maar dat de Kamer daar vanwege de haast geen behoefte aan voelde. Het is daarom wenselijk om in het beleidstraject van tevoren diverse momenten van bezinning in te bouwen. In het verleden waren er inderdaad diverse momenten waarop de vraag "go or no go" indringend aan de orde was, maar doorgaans aan het einde van het traject. Dat moet dus ten eerste vaker, ten tweede eerder en ten derde van tevoren gepland.

De conclusie als zou de regering het onderwijs hebben verwaarloosd in zijn kerntaak van kwaliteit – ik zei het al in het debat met de commissie – gaat de fractie van de SGP te ver. Trouwens, als wij dat zeggen: de Kamer is er ook steeds bij geweest. Wij hebben het in die zin ook laten gebeuren. Ik heb begrip voor de tracering van diverse tekortkomingen, die ik ook als zodanig herken. Maar kom niet met dit verwijt, al zeker niet eenzijdig. Liever trekken wij leerpunten uit de geschiedenis en het onderzoek ernaar van de commissie-Dijsselbloem. Het gaat erom dat de politiek in de pas blijft bij draagbare ontwikkelingen in het onderwijs. Veranderingen moeten aansluiten op de bestaande situatie. De stuurmanskunst van de politiek moet zich ertoe beperken het schip van het onderwijs slechts door voorzichtige correcties op de juiste koers te brengen en te houden. Geleidelijkheid dus, geen schoksgewijze veranderingen, noch te veel tegelijk! Het was collega Slob, die al zo vriendelijk was te refereren aan de motie die ik daarover drie jaar terug indiende en door de Kamer aanvaard kreeg. Die ging daar precies over, maar heeft daarna een beetje een ongelukkig leven geleid. Daar is door allerlei relevante politieke omstandigheden niet echt wat mee gebeurd. Misschien is dat nog een idee om te verwerken in de aanstaande beleidsontwikkeling.

Voorzitter. Ik meen hiermee de belangrijkste politieke kwesties de revue te hebben laten passeren.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Halsema. Ik zou het waarderen als de collega's ook deze laatste loodjes met ons allen wilden delen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. Ik begrijp ze wel.

De voorzitter:

Maar ik niet.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Goedenavond voorzitter. Ik ga u allen een groot plezier doen, want ik houd het lekker kort.

De voorzitter:

Dank u wel.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Het duurt toch iets langer!

De voorzitter:

Het was een inkoppertje!

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Wij vieren vanavond de afsluiting van de commissie-Dijsselbloem. Het beste nieuws is natuurlijk dat vrijwel alle belangrijke conclusies en aanbevelingen overgenomen zijn door de regering. Dat betekent dat het aantal discussiepunten met de regering aanzienlijk beperkt is.

Over de commissie-Dijsselbloem heb ik namens mijn fractie tijdens het eerdere debat opgemerkt dat dit het beste werk is dat de Kamer kan leveren. Wij hebben ons er volledig achter geschaard. Het doet mij dan ook deugd dat de regering eigenlijk dezelfde conclusie trekt. Bovendien veronderstel ik dat de regering de Handelingen heeft gespeld. Dat betekent dat ik mijzelf niet uitbundig hoef te herhalen. Ik heb ook begrepen dat de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zo'n dertig uur per week vergadert, waarbij ook de meeste separate onderwerpen uitgebreid opnieuw aan de orde komen.

Ik begon mijn betoog in de discussie met de commissie met de opmerking dat politiek ook de kunst van terugkijken is. Zeker voor het onderwijsbeleid geldt dat het management by mistake is. Dat hebben wij de afgelopen jaren wel geleerd. Ik moet zeggen dat ik daar wel teleurgesteld over ben. Als je naar het oordeel van de commissie kijkt, over verwaarlozing van kerntaken, het nemen van risico's met kwetsbare leerlingen en het invoeren van grote vernieuwingen zonder draagvlak en zonder goede invoeringstermijnen, dan is dat vernietigend geweest. Ik vind dat de regering daar wel heel summier bij stilstaat; om precies te zijn in één zin, namelijk: er zijn duidelijk fouten gemaakt. Zoals ook de commissie concludeert, kunnen daarmee uit de invoering van grote onderwijsvernieuwingen lessen worden getrokken. Ga door! Wij moeten doorgaan.

Politiek is ook de kunst van het terugkijken. Er moet ook politieke verantwoording worden afgelegd, in de eerste plaats over de inhoud. Welke fouten zijn er gemaakt? Hoe interpreteert de regering terugkijkend het ontstaan van die fouten? Ik zeg het nog even in het bijzonder, omdat hier een staatssecretaris aanwezig is die als Kamerlid het laatste staartje daarvan echt nog wel en heel indringend heeft meegemaakt. Ik herinner mij ook een conflict, toen wij net aangetreden waren, met de toenmalige minister van Onderwijs, mevrouw Netelenbos. Ik wil graag dat het kabinet met een inhoudelijke beoordeling komt wat er nu eigenlijk is gebeurd.

Voor mij is een van de meest schokkende onderdelen uit het rapport wel dat eigenlijk alle onderwijsvernieuwingen en het onderwijsbeleid in de jaren negentig zijn uitbesteed geweest aan zelfstandig opererend procesmanagement. Overigens waren de oudgedienden van het procesmanagement ook de eersten die retrospectief in de kranten de commissie-Dijsselbloem neersabelden. Het waren allemaal heren – en misschien ook enkele dames, dat sluit ik ook niet uit – die in de jaren negentig ook behoorlijk rijk waren geworden van het procesmanagement. Ik haal het procesmanagement nadrukkelijk naar voren, omdat wij er naar mijn idee niet van af zijn. Ten dele begrijp ik het. Bureaucratie functioneert buitengewoon ingewikkeld. Wanneer je wilt nadenken over de toekomst van onderwijsbeleid, is het soms handig om mensen van buiten erbij te halen.

Tegelijkertijd moet met grote scepsis en zekere achterdocht, gezien ervaringen uit het verleden, daarmee omgegaan worden. Het verontrust mij dat competentiegericht onderwijs in het mbo weer begeleid wordt door procesmanagement. Ik wil van de regering weten welke voorwaarden zij daar precies aan stelt, hier in het bijzonder maar ook meer in het algemeen. Kan zij in kwantitatieve zin en anders in kwalitatieve zin een grens aangeven voor het procesmanagement? Daar hoort nog een vraag bij. Zelfs al krijgt het procesmanagement minder invloed en minder macht, dan nog vraag ik mij af of je af en toe niet zeer bezorgd moet zijn over de toenemende invloed en macht van de sectorraden. In taken is het wellicht niet vergelijkbaar, maar in machtspositie, oncontroleerbaarheid, zeggenschap is er wel grote gelijkenis. Met de kennis van de afgelopen vijftien jaar zou daar ook een zekere voorzichtigheid mogen zijn. Ik hoor daarover graag een oordeel.

Terugkijken betekent ook terugkijken op het functioneren van de ministers. De commissie-Dijsselbloem velt natuurlijk heel harde oordelen over het functioneren van de verschillende ministers. Er werd niet geluisterd naar adviezen, de eigen wensen werden doorgedrukt, centrale delen van het beleid werden uitbesteed en men leed aan een tunnelvisie. Een mooi verhaal is verteld aan de commissie-Dijsselbloem van een hoofdinspecteur van onderwijs. Hij kwam voor het eerst bij minister Netelenbos om te vertellen dat het helemaal niet goed ging met de toetsen in de basisvorming. De man is vervolgens met de grond gelijk gemaakt. Dat is de geschiedenis ingegaan als zijn ontgroening. Dat is niet zoals het moet.

Ik verbaas mij ook over het apolitieke karakter van het debat tot dusverre. Laat ik er duidelijk over zijn: ik ben niet van plan om een huidige minister of staatssecretaris naar huis te sturen vanwege het gedrag van de voorgangers. In de politiek bestaat er geen erfzonde. Dat neemt niet weg dat de Kamer niemand anders dan de zittende minister ter verantwoording kan roepen voor het gedrag van zijn voorgangers. Ik zou daar prijs op stellen. Misschien deinst men terug voor een harde veroordeling, maar ik heb wel behoefte aan in ieder geval een oordeel over de stijl van leidinggeven, de wijze van politiek bedrijven en besturen.

In de media en even in het debat dat wij hadden, werd de commissie-Dijsselbloem getypeerd als dé afrekening met het gelijkheidsdenken. Ik heb daarover een interessant debat gehad met de heer Van der Vlies. Ik wil er even op terugkomen, omdat ik merk dat het unheimisch maakt. Van mij mag inderdaad definitief afgerekend worden met de gedachte dat onderwijs gelijke uitkomsten moet creëren, dat onderwijs ertoe moet leiden dat kinderen eigenlijk in een mal worden gepropt en als uniforme mensjes eruit komen. Dat kan nooit de bedoeling zijn. De bedoeling van onderwijs is juist een zo groot mogelijke variatie in talent zichtbaar te maken en aan te kweken. Die stijl van gelijkheidsdenken – gelijkheid in uitkomsten – is wat mij betreft inderdaad passé.

Dat geldt niet voor het denken in termen van gelijke kansen. Dat is een drijvende kracht geweest achter veel van de onderwijsvernieuwingen. En inderdaad, veel onderwijsvernieuwingen hebben verkeerd uitgepakt. Dat wil niet zeggen dat de gedachte erachter ook per definitie de verkeerde was. Eerlijk gezegd vind ik dat Nederland het niet zo goed doet. Ik vind dat onderwijs een belangrijk kanaal van sociale mobiliteit moet zijn, een emancipatiemachine. Kinderen ongeacht etnische herkomst en klasse moeten in staat zijn om door te dringen tot de hoogste niveaus, waarbij alleen de talenten beslissend zijn. Nederland loopt achter. Nederland kent weinig sociale mobiliteit, zeker in vergelijking met andere landen. Het is niet allemaal slecht, maar wij kennen weinig sociale mobiliteit.

Ik noem opnieuw het hete hangijzer: het grote en ook door de commissie-Dijsselbloem onopgeloste probleem van de heel vroege selectie. Ik ben het eens met alle reparatievoorstellen: de nadruk op doorstroming, meer mogelijkheden voor zittenblijven, aanpassing van de verblijfsduur in het vmbo enzovoorts. Ik sta er vanzelfsprekend achter, maar ik vraag mij af of het voldoende is, zeker als je kijkt naar de traditie in andere landen, naar de wijze waarop daar met kinderen in de kwetsbare puberleeftijd wordt omgegaan. De heer Pechtold zei het terecht: de middenschool is taboe verklaard. Daar hebben wij een te pijnlijke en beladen geschiedenis mee. In het WRR-rapport in het midden van de jaren tachtig werd de gedachte voor het eerst geopperd, met allerlei voorwaarden en zorgvuldigheid omkleed. Er werd wel degelijk gedacht aan niveauverschillen, afhankelijk van de talenten van kinderen, met desalniettemin een soort algemene vorming van kinderen tot op hogere leeftijd. Dat was zo gek nog niet. Ik vraag het kabinet hoe het met dit probleem wil omgaan. De commissie-Dijsselbloem heeft wat mij betreft terecht gezegd dat haar werk niet mag betekenen dat er een taboe komt te liggen op onderwijsvernieuwing. Daar ben ik het mee eens. Dat betekent dat wij bereid moeten zijn om na te denken over onderwijsvernieuwingen, ook al zijn ze gezien ons verleden pijnlijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik deel die overpeinzingen rondom het zoeken naar meer gelijke kansen. Wij hebben daar net een debatje over gevoerd. Wat mij betreft moeten wij ons sterk maken voor de bestrijding van segregatie. U hebt laten weten dat u niet zoveel voelt voor mijn voorstellen. U wil geloof ik wel een acceptatieplicht, maar ik denk niet dat wij er daarmee komen. Is voor GroenLinks de bestrijding van segregatie, de bestrijding van het bestaan van zwarte en witte scholen, een issue? Of zegt u: daar moeten wij mee leren leven?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Het zou mij dierbaar zijn als klassen optimaal gemengd kunnen zijn: etnisch, religieus, sociaaleconomisch. Maar ik ben ook een realist en ik verzet mij ten diepste tegen de permanente suggestie van de SP dat zwarte scholen slechte scholen zijn. Dat is gewoon pertinent niet waar. Ik woon in Amsterdam in de Transvaalwijk. Het is een fictie om te denken dat je overal een optimaal gemengde school krijgt. Of je moet buitengewoon rigoureuze maatregelen nemen, zoals verplaatsing van kinderen of gedwongen verhuizing. De SP flirt wel vaak met dit idee, maar als het echt op dwang neerkomt, trekt de partij zich altijd op het laatste moment terug. GroenLinks is altijd voorstander van een acceptatieplicht geweest, maar om een andere reden. Het bijzonder onderwijs is ons dierbaar. Het bijzonder onderwijs rust voor ons op de gedachte dat ouders de mogelijkheid hebben om voor hun kinderen een school van hun eigen denominatie te kiezen of te stichten. Het bijzonder onderwijs heeft niet de bedoeling om kinderen van een andere denominatie te weigeren. Daarmee heb ik een probleem. Daarbij is enige beheersing op zijn plek. Voor ons is het echter geen instrument voor het oplossen van integratieproblemen. Wij steunen het kabinet op de genomen maatregelen. Dat doet de SP ook. Die voegt er immers niets aan toe. Ik geloof niet in het idee dat in het onderwijs ingewikkelde samenlevingsverhoudingen gerepareerd kunnen worden. Dan zadelen wij het onderwijs op met een onmogelijke taak. Wij moeten ervoor zorgen dat oneigenlijke achterstanden in het onderwijs zo veel mogelijk weggewerkt worden. Kinderen mogen vanwege hun postcode geen slechter onderwijs of minder kansen krijgen. Wat precies de kleur van de school is, is wat mij betreft vers twee.

De voorzitter:

Mijnheer Van Dijk, uw laatste statement was behoorlijk bondig. Dat waardeer ik.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is een groot misverstand dat de SP zwarte scholen niet goed vindt. Dat is niet waar. Ik heb dat nooit beweerd. Zwarte en witte scholen kunnen uitstekend zijn als het gaat om onderwijskwaliteit. De vraag is nu niet naar kwaliteit, maar naar integratie. Moet daar niet naar gekeken worden, zeker als te zien is dat bevolkingsroepen uit elkaar groeien als er spanningen zijn? Mevrouw Halsema komt aan met het voorbeeld van Amsterdam en de grote steden. Mijn punt is dat ik gemengde wijken in middelgrote steden zie waar toch zwarte en witte scholen zijn. Daar kunnen volgens mij heel goed bindende afspraken gemaakt worden om scholen een afspiegeling te laten vormen van de wijk. Ik zou het zeer betreuren als GroenLinks daarin niet meegaat.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dit is een symbooldebat. De heer Van Dijk is almaar aan het bewijzen dat hij toch gelijk had in zijn eigen termijn. Daarbij worden alle andere woordvoerders tot pionnen gemaakt. Natuurlijk vind ik een grote mate van afspiegeling belangrijk. Natuurlijk ben ik een voorstander van afspraken daarover. Mevrouw Dijksma kan ervan getuigen dat Tofik Dibi daarop hamert in alle onderwijsdebatten. De heer Van Dijk is daar ook bij. Hij moet dus niet doen alsof wij dat debat voor het eerst voeren. Het debat eerder op de avond is ontstaan omdat de uitspraken van de heer Van Dijk over de ernst van het probleem in geen enkele verhouding staan tot zijn oplossingen. Daarop kreeg hij de Kamer over zich heen. Dat probeert hij nu te repareren door ons tot rigoureuze oplossingen te verleiden. Ik weiger dat.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik hoor mevrouw Halsema praten over gelijke kansen. Ik stel vast dat wij een totaal andere opvatting hebben over die gelijke kansen. Mevrouw Halsema beoordeelt het veel meer vanuit de achterstandsituatie. Wat mij betreft betekent het verschillen erkennen. Ik hoor mevrouw Halsema echter pleiten voor een middenschool en dus voor ongelijke gevallen gelijk behandelen. Zij erkent de verschillen niet en gaat niet uit van de voorsprong van mensen. Zij wil slechts de achterstand van mensen een beetje optrekken. Dit riekt een beetje naar ongelijke gevallen gelijk behandelen, waarover geschreven is door de commissie-Dijsselbloem, en het riekt ook een beetje naar een zesjescultuur.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Het is al wat laat. Ik word dan ook af en toe een tikkie kortademig. Misschien zat mevrouw Dezentjé naar het voetbal te kijken of misschien heeft zij slecht geluisterd. Ik heb in mijn betoog echter eerst afgerekend met de vorm van gelijkheidsdenken die gaat over gelijke uitkomsten. Ik heb letterlijk gezegd dat het erom gaat dat onderwijs mensen opleidt tot een zo groot mogelijke onderlinge variatie. Lees het maar na in de Handelingen. Mensen moeten hun talenten en hun uniciteit zo veel mogelijk laten bloeien. Onderwijs moet echter wel gelijke kansen aan kinderen geven, ongeacht hun herkomst. Daar sta ik voor. Dat gelijkheidsideaal mag niet verwateren.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Daarover zijn wij het roerend eens. Ik hoor mevrouw Halsema echter pleiten voor een middenschool. Als dat betekent dat keuzes uitgesteld worden en kinderen zo lang mogelijk hetzelfde onderwijs moeten volgen, zijn wij het echter oneens.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik heb verwezen naar een WRR-rapport van midden jaren tachtig. Ik heb daarbij nadrukkelijk aangegeven dat het grote onderscheid tussen dat rapport en wat er later gebeurde, was dat in dat rapport wel niveauverschillen werden erkend. De gedachte die men daarin echter centraal had staan en die ik toch niet gemakkelijk loslaat, is een Bildungsideaal. Dat betekent dat kinderen van elk niveau in hun leven een periode moeten hebben waarin zij algemeen gevormd worden, veel kansen krijgen en in aanraking komen met kunst en bètavakken, ongeacht hun niveau. Natuurlijk zijn er kinderen die dat nooit zullen kunnen. Die moet je direct laten doorstromen naar een vorm van praktijkonderwijs waarin zij een vak leren. Ik ben echter het ideaal nog niet kwijt dat kinderen van verschillende niveaus, net zoals in alle andere Europese landen en in de Verenigde Staten, in staat worden gesteld om een periode van hun leven algemeen gevormd te worden.

De voorzitter:

Volgens mij moet u zich niet bij de minister begeven, mijnheer Jasper van Dijk. Daarvoor hebben wij briefjes en bodes.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Begrijp ik goed dat mevrouw Halsema eigenlijk wil bezien of het WRR-rapport uit de jaren tachtig geactualiseerd kan worden naar de huidige tijd, omdat zij constateert – ik denk dat zij wel een punt heeft – dat met name de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs nog wel eens problemen kent? Er worden bijvoorbeeld adviezen gegeven en na twee, drie jaar blijkt dat nog maar tweederde van de kinderen op dat gewenste niveau zit. Probeert zij die boodschap neer te leggen?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik durfde vanwege de gevoeligheid van het onderwerp niet eens zo ver te gaan. Ik ken de geschiedenis en ik zal dus niet direct pleiten voor het alsnog ten uitvoer brengen van een WRR-rapport. Ik heb echter nadrukkelijk gestipuleerd dat er geen taboe mag komen te liggen op onderwijsvernieuwingen. Dat zegt de commissie-Dijsselbloem ook. Het zou aardig zijn als, wellicht hier in het debat of misschien later, de regering nog eens nagaat wat eigenlijk de portee van dat rapport was. In dat rapport werd natuurlijk ook aansluiting gezocht bij de praktijk in andere landen, waar de ervaringen gewoon veel beter zijn.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Tegelijkertijd kun je daar weer tegenin brengen dat in veel andere landen de resultaten uiteindelijk slechter waren dan die in Nederland. Er zijn dus wel wat kanttekeningen bij te plaatsen. Ik begrijp dat u zegt dat de suggestie die op tafel werd gelegd, nooit serieus in beleid is omgezet. U vraagt zich af of het niet aardig zou zijn om datgene wat daarin doordacht is, nog eens te overdenken, om daarop nog een reactie te krijgen of om het misschien nog eens te actualiseren, zonder dat u definitief een standpunt inneemt over waartoe dat moet leiden?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Is mijn indruk correct dat u via mij een vraag aan de minister stelt?

De voorzitter:

Nee, geen wedervragen. Geeft u gewoon antwoord op de gestelde vraag. Dit was een retorische vraag mijnheer Van Dijk.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik ben daar anders graag toe bereid.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Het gaat mij om de interpretatie.

De voorzitter:

Nee, het was een retorische vraag.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Maar de heer Van Dijk mag best even knikken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee, helaas. Ik heb nu toch twee woorden nodig. Het gaat mij om de vraag of ik de woorden van mevrouw Halsema juist heb verstaan.

De voorzitter:

Dan was dit uw laatste interruptie.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik hoor graag van de regering een beschouwing op de hele vroege selectie die in Nederland plaatsvindt en op de manier waarop daarmee moet worden omgegaan.

De heer Depla (PvdA):

Voorzitter. Ik heb er moeite mee dat mevrouw Halsema zegt dat het onderwerp zo beladen is dat zij er niet over durfde te praten. Volgens mij is dat niet de kwestie. De situatie waarop het rapport van de WRR uit 1985 – intussen zijn wij 20 jaar verder – betrekking heeft en de praktijk in andere landen waar uitstel van de keuze wel mogelijk is, zijn beduidend anders dan de situatie in Nederland op dit moment, met die heel diverse populatie van kinderen. Is het niet verstandiger om het ideaal op de been te houden en niet te kiezen voor een eendimensionale oplossing, maar juist te gaan voor maatwerk? Dan kan aan die verschillende kinderen passend onderwijs worden aangeboden. In plaats van het niet ter discussie durven stellen, kunnen scherp de vragen op tafel worden gelegd: hoe zorgen wij dat wij goed onderwijs bieden aan kinderen die wij niet meteen op hun twaalfde in een malletje van een bepaald beroep willen duwen zodat zij hun keuze zo lang mogelijk mogen kunnen uitstellen, en hoe kunnen wij onderwijs aanbieden aan kinderen die beter met hun handen dan met hun hoofd kunnen leren en die niet heel lang met het algemeen vormend onderwijs moeten worden lastig gevallen? Die vragen zijn eerder aan de orde dan terugkijken naar een situatie waarvan de omstandigheden zo veranderd zijn dat die niet meer heel interessant is.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik ben het direct met de heer Depla eens dat een 25 jaar oud rapport niet zomaar naar het heden kan worden vertaald. Dat zou een tikje onzinnig zijn. De achterliggende gedachte is echter niet vanzelfsprekend waardeloos geworden. Daar kan wel degelijk nog aandacht aan worden besteed. Vervolgens schetst hij eigenlijk de huidige onderwijspraktijk als een beter alternatief. Ten dele kan ik dit met hem eens zijn, maar ik wijs er nu juist op dat het ook tekortschiet, omdat de sociale mobiliteit van jongeren in Nederland kleiner is dan in andere landen. Ik kan daar niet geheel tevreden mee zijn.

De heer Depla (PvdA):

Ik ben er ook niet tevreden mee. Wat ik net beschrijf, is echter niet de huidige onderwijspraktijk. Integendeel, ongelijke kinderen worden nog te vaak op dezelfde manier in het onderwijs gestopt. Zo geven wij juist laatbloeiers niet de kans om door te groeien en vallen wij soms te lang kinderen die beter met hun handen kunnen leren dan met hun hoofd lastig met onderwijs dat niet bij hen past.

De voorzitter:

Wat is uw vraag?

De heer Depla (PvdA):

Ik kreeg de opmerking van mijn geachte collega mevrouw Halsema dat ik iets in het huidige onderwijs beschreef. Dat moest ik weerleggen, omdat het niet klopte. Mijn punt is dat wat zij zei, niet klopt. Wij moeten juist op zoek gaan naar onderwijs dat aan beide soorten kinderen iets biedt, in plaats van te proberen om alles in één oplossing voor iedereen te vatten.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan reageert mevrouw Halsema nu op uw opmerking en daarna vervolgt zij haar betoog.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik wil er één opmerking bij maken. Wat de heer Depla stelt, komt sterk overeen met de wensen van de commissie-Dijsselbloem. Die wensen worden ook door mijn fractie ondersteund, zoals mijn fractie alle voorstellen ondersteunt om bijvoorbeeld de doorstroming te verbeteren en zittenblijven beter mogelijk te maken. Wij zijn het eens met alle maatregelen waardoor kinderen meer rust en ruimte krijgen in het onderwijs, er beter wordt gekeken naar de onderwijstypen waarin zij thuishoren en er daarin meer variatie komt. Dan nog blijft de vraag of het genoeg is. Die vraag leg ik voor aan het kabinet want ik heb er zo mijn twijfels over.

Voorzitter. Bij vorige bewindslieden was er vaak sprake van een teveel aan bevlogenheid. Soms was er ook technocratische blindheid waarbij mensen zich opsloten in hun eigen oplossingen waar zij niet meer overheen wilden kijken. Maar bijvoorbeeld bij de heer Van Kemenade is nog steeds sprake van een grote mate van bevlogenheid over hoe het onderwijs ingericht moet worden. Daar hoort een vraag bij. Wij hebben gezien dat een teveel aan bevlogenheid niet goed is. Een gebrek aan bevlogenheid is echter ook niet goed. Ik ben het op veel punten eens met de regering. Ik vraag mij echter wel af of af en toe de ambitie zich niet iets te veel beperkt tot het passen op de winkel. Ik citeer de minister: "Te lang is er bij de scholen van alles over de schutting gegooid, van voorlichting over het smelten van de poolkappen tot verplichte lesprogramma's over obesitas en homoseksualiteit. Ook belangrijk hoor, maar kinderen zitten in de eerste plaats op school om rekenen en taal te leren, en daarvan is het niveau de afgelopen jaren gedaald."

Dat laatste is een feit. Ik ben het ermee eens dat je daar iets aan moet doen. Scholen hebben echter ook tot doel kinderen voor te bereiden op participatie, hen toe te leiden naar de arbeidsmarkt, maar ook en vooral kritisch en weerbaar burgerschap te ontwikkelen. Daar hoort wel degelijk een zich aan de tijd aanpassend onderwijsprogramma bij. Dat betekent dat je open moet staan. De fractie van GroenLinks heeft het voorstel van media-educatie gedaan, waarover op een ander moment wordt gepraat. Ik weet dat het omstreden is. Dat kan ik mij van een bepaalde kant wel voorstellen, maar het komt niet uit de lucht vallen. Wij leven in een mediacratie en daarbij is weerbaarheid in de omgang ermee een eerste vereiste. Zo is er veel meer. Ik zal de vraag anders stellen. Ik noemde zojuist het Bildungsideal. In de opvattingen van de regering tot dusver mis ik een idee over waartoe het onderwijs moet opleiden. Tot wat voor soort van burgerschap moet het onderwijs opleiden en wat verlangt dat van kinderen om te leren, buiten de basisvaardigheden waarvan iedereen vindt dat zij ze moeten beheersen? Het zou aardig zijn als de regering hierover iets wil zeggen. Dit is er denk ik het debat voor.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Is dat iets wat de overheid moet vastleggen?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Zo lang het om het "wat" gaat wel, maar niet als het om het "hoe" gaat.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Tot hoe ver moet dat "wat" dan gaan?

De voorzitter:

Ik stel voor dat er niet al te cryptische vragen worden gesteld. Komt u concreet met een vraag, mijnheer Van Dijk, dan kan mevrouw Halsema concreet antwoorden en kan ik het helder regelen. Wij gaan hier geen vraag-en-antwoordspel spelen. Het is geen quiz.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee, maar het antwoord kwam ook iets sneller dan ik had verwacht.

De voorzitter:

Ja, ze was mij ook te snel af. Dat geef ik toe, maar het gaat niet weer gebeuren.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik wacht rustig af. Mevrouw Halsema stelt hier het Bildungsideal. Wij hebben zelf ook aangegeven dat de school een vormende taak heeft. Mevrouw Halsema gebruikt daar een Duits woord voor, maar daar zit het verschil niet in. De vraag is of je vanuit de centrale overheid helemaal vast moet leggen wat er in moet zitten. Of is het zo dat er bepaalde onderdelen zijn waarvan wij vinden dat wij dat als centrale overheid moeten zeggen, bijvoorbeeld rekenen, taal en de kerndoelen zoals die verder vastgesteld zijn, en dat er daarnaast in overleg met ouders wordt gekozen voor een bepaald profiel? Je zou je kunnen voorstellen dat de ene school iets meer aan kunst doet, een andere iets meer doet aan mediawijsheid, een derde iets gaat doen op het terrein van obesitas en zo kun je meer voorbeelden bedenken. Uw suggestie is dat je dat als overheid centraal zou moeten vastleggen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik ben ook heel erg van het loslaten. Althans, ik probeer het ook. Je moet niet alles tot in detail vastleggen en daar moet ook zeker variatie in zijn. Het kerncurriculum omvat meer dan taal en rekenen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat ben ik direct met u eens.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dat bent u ook met mij eens. Eigenlijk heb ik een andere zorg. Ik vind dat in het onderwijs heel sterk het nuttigheidsdenken overheerst. Je leidt kinderen op tot de arbeidsmarkt. Dat is ook belangrijk. Zij moeten ook de vaardigheden hebben om de arbeidsmarkt te kunnen betreden. Dat is ook een eerste vereiste, maar niet het enige. Ik vind het toch ook even belangrijk dat er een periode is in een mensenleven, een beetje ongeacht je niveau, waarin je kennis wordt bijgebracht die vooral je leven verrijkt. Voor veel mensen kan dat alleen op school. Ik vind het van belang dat wij daaraan blijven denken. Cultuureducatie zit bijvoorbeeld al jarenlang in de verdrukking. Met name op de kwetsbare onderwijstypen, namelijk de lagere onderwijstypen, zit dat echt in de verdrukking. Ik vind dat eigenlijk slecht. Ik vind dat ook eigenlijk armoedig. Dat is niet hoe mijn partij aankijkt tegen de vormende kracht die het onderwijs zou moeten hebben.

De voorzitter:

Misschien kunt u de volgende keer iets bondiger antwoorden op een interruptie. Mijnheer Van Dijk, u hebt hier denk ik niets meer op te vragen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij kan ik constateren dat er alleen een verschil van mening bestaat over de vraag in hoeverre je dat centraal moet vastleggen en in hoeverre je ruimte aan scholen moet laten. Daar zit een verschil van mening tussen u en mij. Misschien is het ook nog wel een gradueel verschil. Ik denk dat daar het enige verschil zit.

De voorzitter:

Dank u. U hebt nu drie keer gezegd dat dit het verschil is, dus het lijkt mij helder.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik ben blij dat de voorzitter vandaag concludeert. Dat is belangrijk.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Met die opmerking erbij dat wij ook vinden dat de autonomie in het onderwijs vergroot moet worden. Wij zitten op hetzelfde spoor. De vraag is of wij ook op hetzelfde moment afbuigen.

De voorzitter:

Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik wil nog even langs een paar punten lopen van de commissie-Dijsselbloem, namelijk punten waarop zij kritisch is en waarop ik iets meer duidelijkheid van de regering zou willen hebben. Als je terugkijkt op de afgelopen vijftien jaar, dan was een van de punten de aanhoudende dominantie van regeerakkoorden. Bij alle problemen die er waren bij de onderwijsvernieuwingen, was dit wel een extra probleem. Als er al tekorten in een onderwijsvernieuwing werden vastgesteld, dan mocht er eigenlijk niet openlijk over gedebatteerd worden, want het stond in het regeerakkoord.

Het lijkt mij heel belangrijk dat dit ook anders wordt. Dan vind ik het toch wel pijnlijk om te moeten vaststellen dat de grote onderwijsvernieuwingen uit deze periode allemaal in het regeerakkoord staan en ook eigenlijk met name om die reden snel doorgevoerd worden. De regeling met betrekking tot gratis schoolboeken – ik zal er verder niet over uitweiden – is natuurlijk een inkomenspolitieke maatregel die weinig met onderwijs te maken heeft, maar die wel gevolgen heeft voor het onderwijs. Ten tweede noem ik het competentiegericht onderwijs. Ik zie de bewindslieden "nee" schudden. Bij mijn weten liggen daar coalitieafspraken op. Niet? Of ik ken het akkoord beter dan de bewindslieden.

De voorzitter:

De regering heeft haar eigen termijn, mevrouw Halsema.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dan noem ik het derde voorbeeld en dat zijn de maatschappelijke stages. Met de maatschappelijke stages wordt zo maar een maatschappelijk vraagstuk op het bordje van de scholen neergelegd. De maatschappelijke stage heeft nadrukkelijk niet het doel om vaardigheden en competenties op te doen voor een later beroep, maar is bedoeld om jongeren te laten kennismaken met anderen. De vraag is of je daar op dit moment zoveel voorrang aan zou moeten geven. Mijn fractie is daar niet zo erg enthousiast over. Bovendien is de vraag in hoeverre hier nog een open debat over mogelijk is. Dat is natuurlijk toch een heel sterke aanbeveling van de commissie-Dijsselbloem. Ik wil weten hoeveel ruimte het regeerakkoord laat.

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik weet niet hoe het komt, maar als ik in deze periode het woordje "regeerakkoord" hoor, dan moet ik ineens opstaan. Het competentiegerichte leren staat dus niet in het regeerakkoord. Dat is dé onderwijsvernieuwing. Gratis schoolboeken is geen onderwijsvernieuwing, maar een andere wijze van financieren. Wat de maatschappelijke stage betreft, zal het mevrouw Halsema toch opgevallen zijn en deugd doen dat de regering na overleg met het onderwijsveld gezegd heeft: wat in het akkoord stond – drie maanden – dat moeten wij niet doen. Het is gewoon aangepast. Dat laat volgens mij heel goed zien – er zijn meer voorbeelden te geven – dat de onderwijsparagraaf in het regeerakkoord niet in beton gegoten is. Ik zou zeggen: pak hem op, conform Dijsselbloem. Er wordt volgens mij heel goed mee gewerkt. Dat doet mij persoonlijk ook deugd.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Dat het regeerakkoord vloeibaar is, doet u deugd?

De heer Slob (ChristenUnie):

Nee, het doet mij deugd om te merken dat als er een afspraak gemaakt is en in het onderwijsveld blijken daar problemen mee te zijn – dat geldt ook voor de voorgestelde twee aanmeldmomenten voor het basisonderwijs – dat de regering dan zegt: dan gaan wij dat dus niet op die manier doen en dan gaan wij dus een andere invalshoek kiezen.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Weet u, ik doe mijn voordeel met wat u zegt. Ik leer ook. En ik houd u er ook aan.

De voorzitter:

Wat een heerlijke avond, wij leren allemaal. Gaat u verder met uw betoog.

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Voorzitter. De commissie-Dijsselbloem stelt de leraren centraal. Ik denk dat wij het daar Kamerbreed over eens zijn. De kwaliteit van de leraren moet omhoog, zij moeten beter betaald worden, er moet betere erkenning en waardering zijn voor hun beroep. Ik vind het jammer dat de regering niet tegelijkertijd ook de aanbeveling van Rinnoy Kan heeft overgenomen om de beloning van leraren te koppelen aan het opleidingsniveau van de docent. De toename van het aantal onbevoegde leraren en de afname van het aantal eerstegraadsdocenten baart natuurlijk grote zorgen. Ik zou daar graag nog een reactie op willen.

Versterking van het gezag en van de zeggenschap van de leraren en de scholen betekent ook dat er opnieuw nagedacht moet worden over de onderlinge verhoudingen tussen bestuur, school en leraren. Er is al het een en ander gezegd over de ontwikkeling van een professioneel statuut. Ik hoop dat de minister of de staatssecretaris daarover meer duidelijkheid zal geven.

Ik ben er heel blij mee dat de sterke verticale verantwoordingsstructuren die er waren in het onderwijs, ietsje minder gaan worden, waardoor ook de druk op scholen en leraren vermindert om zich permanent te verantwoorden. Het zou goed zijn als daarvoor in de plaats horizontale verantwoordingsstructuren zouden worden ontwikkeld, waarbij nagegaan wordt wat de mogelijkheden zijn van leraren en scholen om met elkaar in debat te gaan en elkaar ook enigszins bij de les te houden. Uit het wetenschappelijk onderwijs kennen wij de lange traditie van de visitatiecommissies. Ik weet niet precies wat de stand is in het middelbare onderwijs bijvoorbeeld, maar ik zou willen kijken of daar niet eens over nagedacht zou kunnen worden, of dat uitgebreid zou kunnen worden. Daarmee zou je ook de weerbaarheid in het onderwijs versterken en het vermogen om kritiek op elkaar te uiten en met elkaar in debat te gaan.

Dan wil ik nog een opmerking maken over het voorstel van de heer Depla om de schaalverkleining van onderop te motiveren en te bezien of er een mogelijkheid is dat leraren en ouders hun eigen scholen stichten, soms vanuit een ander, groter verband. Ik moet zeggen dat ik dat heel aardig vind, ook het verzoek om met een regionaal experiment te starten. Ik verleen daar graag steun aan en ben heel benieuwd naar de reactie van de regering daarop.

De commissie-Dijsselbloem heeft ook uitspraken gedaan over de budgettaire kaders. Zij heeft gewaarschuwd dat het onderwijs eronder lijdt als de budgettaire kaders bepalend zijn voor de inhoud van het onderwijsbeleid. Dan is het toch zorgwekkend dat de commissie-Cornielje – ik geloof dat de heer Pechtold daar ook al over sprak – nu de onderwijstijd mag gaan onderzoeken, terwijl zij niet de bekostiging tegen het licht mag gaan houden. Dat betekent dus dat weer de budgettaire kaders bepalend zijn voor wat de commissie wel of niet kan gaan vaststellen en welke conclusies daaraan verbonden worden. Ik wil daar graag een oordeel van de regering over, in het licht van de commissie-Dijsselbloem.

Ik maak nog een opmerking tot slot en dan ben ik er doorheen. Een van de interessantere opmerkingen van de minister – al ligt die enigszins buiten het bestek van deze avond, maar hij is kort, dus ik permitteer het mij toch – is dat het toetsingskader van de commissie, wellicht met enkele aanpassingen, niet alleen geschikt is voor de onderwijsvernieuwingen. Dit ben ik nu eens van harte met de minister eens. Mijns inziens zouden wij moeten bezien of dit toetsingskader ook voor andere grote hervormingen gebruikt kan worden. Ik denk bijvoorbeeld aan het rekeningrijden, de Wajong en de veranderingen in de AWBZ. Ik ben benieuwd welke beleidsterreinen de minister op het oog had toen hij deze opmerking maakte.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik wil mijn inbreng beginnen met het namens de fractie van de PVV nogmaals complimenteren van de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen. Zij heeft goed werk verricht en ervoor gezorgd dat het onderwijs lang het nieuws heeft gedomineerd. Dat is hard nodig en terecht, want goed onderwijs is van cruciaal belang voor onze samenleving. Goed onderwijs is de laatste decennia echter ook zeldzamer geworden. Wij zien onbevoegde leraren voor de klas staan, grote leerfabrieken waar leerlingen niet meer dan een nummer zijn, tal van bezuinigingen, mislukte onderwijsvernieuwingen en natuurlijk de alles-moet-leukcultuur. Het belang van goed onderwijs is te lang vergeten. Als leerlingen de scholen verlaten, kunnen zij prima zoeken op Google. Hun parate kennis laat echter vaak te wensen over.

De commissie heeft het onderwijs dus weer op de kaart gezet. Zullen de hoofdlijnen van het rapport echter ook daadwerkelijk worden uitgevoerd, of zullen de vele aanbevelingen een schone dood sterven? Is er inderdaad lering getrokken uit het verleden, of maken wij dezelfde fouten? De fractie van de PVV heeft er niet alle vertrouwen in. Zo gaat de invoering van het competentiegericht onderwijs in het mbo gewoon door. Dit onderwijssysteem moet in 2010 op alle mbo-scholen zijn ingevoerd. Het competentiegericht onderwijs is volgens de heer Dijsselbloem niet los te zien van het nieuwe leren. Wie wij het ook gevraagd hebben, niemand kan duidelijke definities geven van zowel het nieuwe leren als het competentiegericht onderwijs. Is deze invoering van het competentiegericht onderwijs een onderwijsvernieuwing? Is het een didactische vernieuwing? Gaat het alleen over competenties of toch om vakinhoud? De deskundigen zijn hierover verdeeld. Ik vraag dan ook wat wij eigenlijk aan het invoeren zijn. Als de leider van het procesmanagement stelt dat dit de grootste onderwijsvernieuwing is sinds de invoering van de Mammoetwet, moet er over de antwoorden op deze vragen toch honderd procent duidelijkheid zijn? Als die duidelijkheid er niet is, moeten wij het niet doen. Ik vraag het kabinet daarom, deze duidelijkheid te bieden.

Niet alleen de PVV zet haar vraagtekens bij het competentiegericht onderwijs, maar ook vanuit het veld komen vele berichten dat competentiegericht onderwijs een verarming voor ons onderwijs zal zijn. Leerlingen van 16 tot 20 jaar dienen aan de hand van een leervraag hun onderwijs gestalte te geven. Vanuit het veld worden zorgen geuit over de vertheoretisering van de niveaus 1 en 2 binnen het mbo. Toch kent juist het mbo veel kwetsbare leerlingen. Zij kunnen hun gebrekkige onderwijs vaak niet compenseren met aandacht van ouders en met een stimulerende omgeving. Een half miljoen leerlingen bezoekt het mbo. Dit onderwijs kent veel problemen rond integratie. Competentiegericht onderwijs is juist voor dit type leerling niet geschikt.

De commissie stelt terecht dat het onderwijs eenzijdig verantwoordelijk werd gemaakt voor maatschappelijke problemen. De fractie van de PVV wil, net als de commissie, terughoudendheid betrachten bij het toekennen van nieuwe opdrachten aan het onderwijs. Die nieuwe opdrachten hebben vaak te maken met maatschappelijke problemen. De politiek kent deze nieuwe opdrachten steeds toe aan het onderwijs. Ik noem als voorbeelden seksuele voorlichting, het tegengaan van radicalisering, lessen over te dikke kinderen en over homo's. Zo kunnen wij nog wel even doorgaan. Wij moeten de onderwijstijd verschonen van dit soort zaken. Op school leer je vooral rekenen en schrijven. Ik hoor graag de garantie van de regering dat zij juist dit zal bewerkstelligen.

De fractie van de PVV blijft niet hangen in vaagheid. Daarom staat mijn partij voor heldere eindtermen in het onderwijs. Hiervoor heeft ook de commissie gepleit. Het is nu de grote vraag of deze eindtermen daadwerkelijk zullen worden ingevoerd. Worden wij eindelijk verlost van de vage kerndoelen waaraan geen enkele docent zich lijkt te houden? Het is van het grootste belang dat aan het einde van het schooljaar bekend is wat kinderen moeten kennen en kunnen en dat kinderen daar ook op afgerekend worden. Te vaak gaan kinderen nu over naar een volgende klas zonder het gewenste niveau te bezitten. Aan deze "altijd-maar-leukcultuur", waarin het op scholen niet langer gaat om kennis, maar om het naar je zin hebben, dient een einde te worden gemaakt.

Eindtermen moeten er zijn over de hele linie. De PVV wil dat havo- en vwo-leerlingen die naar het hoger onderwijs gaan, deze stap alleen kunnen zetten, als zij bij hun eindexamen minimaal een zes hebben gehaald voor de vakken Nederlands, Engels en wiskunde. Deze kernvakken moeten binnen het mbo en het hbo ook centraal geëxamineerd worden.

De PVV wil ook af van verbetertrajecten voor zeer zwakke scholen. Immers, kinderen krijgen zulke verbetertrajecten ook niet. Krijgen artsen verbetertrajecten, als zij verkeerd opereren? Of zijn er piloten die een verbetertraject krijgen, als zij met hun vliegtuig crashen?

De kwaliteit van goed onderwijs moet voor onze jeugd een keiharde garantie zijn. Eerder vandaag sprak de heer Depla hierover. Wij vernemen graag van de staatssecretaris hoe zij de interventiepiramide verder gaat aanscherpen om ervoor te zorgen dat de overheid een veel verfijnder instrumentarium krijgt om in te grijpen.

Het AD van 6 april jongstleden berichtte dat verouderd lesaanbod een van de redenen is voor het ontstaan van zwakke of zeer zwakke scholen. Ik neem aan dat het kabinet bekend is met het TNS NIPO-onderzoek van juni 2005 waarvan de uitkomst laat zien dat in ruim de helft van de basisschoolboeken in Nederland wordt gewerkt met lesmateriaal van maar liefst elf jaar en ouder. Dit betekent dat kinderen nog leren uit boeken met daarin begrippen als de "DDR" en de "gulden". Hoe kan zoiets? Graag een reactie van het kabinet.

De PVV-fractie heeft de commissie enige tijd geleden verzocht om het plan van staatssecretaris Dijksma voor een vast aanmeldmoment op basisscholen af te keuren. De staatssecretaris geeft zelf toe dat dit idee ontstaan is door de houding van allochtone ouders die hun kinderen veel later dan autochtone ouders inschrijven op een basisschool. Zo'n vast aanmeldmoment is een aantasting van de mogelijkheid om rond te shoppen met je kind, een aantasting dus van vrije schoolkeuze, die zo cruciaal is voor de kwaliteit van het onderwijs. Concurrentie houdt scholen immers scherp.

Om concurrentie tussen scholen nog verder te verbeteren, dringt de PVV ook aan op het afschaffen van de enorme leerfabrieken. Het hebben van meer kleinere scholen stelt ouders in staat om beter te kiezen. Immers, alleen als ouders meer scholen in hun omgeving hebben, kleinere scholen dus, is er sprake van keuzemogelijkheden en daarmee van concurrentie. Een ander voordeel van kleinere scholen is natuurlijk het gegeven dat leerlingen niet langer een nummer zijn, maar individuen die recht hebben persoonlijke begeleiding.

De commissie pleit voor het invoeren van een reguliere arbeidsgerichte leerweg met vakdiploma. De PVV wil het beestje gewoon duidelijk bij de naam noemen en pleit voor de terugkeer van de aloude ambachtsschool, waar praktisch ingestelde leerlingen niet langer lastig gevallen worden met bergen theorie, terwijl zij willen doen waar zij goed in zijn: aan de slag met hun handen.

De commissie heeft ervoor gepleit dat scholen geen onmogelijke opdrachten meer mogen krijgen en dat het budget moet meegroeien met de problematiek van leerlingen. De PVV wil duidelijkheid van het kabinet over de vraag hoe de plannen rondom de invoering van passend onderwijs in verhouding staan met de aanbevelingen van de commissie. Kunnen scholen straks bij een nieuwe wet passend onderwijs die al in 2011 ingevoerd moet worden, wettelijk verplicht worden om iedere leerling die zich aanmeldt, aan extra zorg te helpen? Is passend onderwijs niet een mooi begrip voor het wegbezuinigen van het speciaal onderwijs oude stijl?

De PVV heeft er in een vorig debat met de commissie-Dijsselbloem al op gewezen dat de gevolgen van de massa-immigratie met betrekking tot het onderwijs in het rapport onderbelicht zijn gebleven. De vorige keer hebben wij de problematiek aan de orde proberen te stellen door de gebeurtenissen te beschrijven op de François Vatelschool, een zwarte vmbo-school hier in Den Haag. Een school, waar de multiculturele samenleving keihard heeft toegeslagen. Leraren zeggen bedreigd en uitgescholden te worden. Wapenvondsten zijn aan de orde van de dag en ga zo maar door.

Een totaalbeeld van de gevolgen van de massa-immigratie op het onderwijs en de kwaliteit daarvan ontbreekt dus. Welke invloed heeft het naar Nederland halen van honderdduizenden vaak analfabete immigranten voor onze kinderen? Is de kwaliteit van het onderwijs erdoor gestegen? Hoe is de veiligheid erdoor beïnvloed? Er komen steeds meer berichten over etnische conflicten op scholen. Wat zijn de gevolgen daarvan? Ik vraag het kabinet dus om een totaalanalyse te maken van alle gevolgen van immigratie voor het onderwijs. Je kunt problemen per slot van rekening pas oplossen als je weet hoe ze ontstaan.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Fritsma beschrijft een school waar veel geweld en onveiligheid heersen. Op die school zitten leerlingen die in Nederland wonen en leven. Wat stelt hij voor om op die school te gaan doen om daar de problemen aan te pakken?

De heer Fritsma (PVV):

De PVV heeft in het verleden maar liefst tien punten gepresenteerd om de veiligheid op scholen te verbeteren. Het gaat dan bijvoorbeeld om het aanpakken van alle vormen van buitensporig geweld: pestgedrag, bedreigingen, afpersingen die op scholen plaatsvinden, intimidaties, wapenbezit, drugsbezit en ga zo maar door; fysiek geweld. Als je begint met het aanpakken van die misstanden, het keihard aanpakken als het aan de PVV ligt, maak je daarmee een begin.

In het verlengde van wat ik zonet heb aangevoerd, heeft de commissie-Dijsselbloem zich terecht afgezet tegen ideologie in het onderwijs. De middenschool was indertijd een voorstel van de socialistische ideologie, die onze scholen binnenkwam. Dat moeten wij nooit meer hebben. Het gaat om ons onderwijs; het gaat om onze kinderen. Vanmiddag heeft de heer Aboutaleb zich aangesloten bij de heer Marcouch. Beide PvdA'ers willen meer aandacht voor de islam op de openbare school. Op die manier moet ervoor worden gezorgd dat er niet meer islamieten naar een islamitische school gaan. Onzin natuurlijk! De islam zal best eens voorbijkomen op school, maar het verankeren van de islam in het openbaar onderwijs is voor mijn fractie volledig uit den boze. Mijn vraag is dus: hoe staat het kabinet hierin? Zet het kabinet de deur van onze scholen open voor islamisering, voor een welkom aan de islamitische gedachte, voor het einde van het seculiere karakter van het openbaar onderwijs, en krijgen Aboutaleb en Marcouch hun zin, of neemt het kabinet duidelijk stelling tegen deze waanzin?

Mevrouw Halsema (GroenLinks):

Ik wil één vraag stellen naar aanleiding van het vorige debat. Overigens ben ik het met de heer Fritsma eens dat de heer Aboutaleb en de heer Marcouch hierin niet erg verstandig opereren. Tijdens het vorige debat vond de heer Fritsma eigenlijk dat islamitische kinderen niet thuishoren in het openbaar onderwijs en stelde hij de vraag, ook aan de commissie, of het nu wel wijs is dat islamitische kinderen op openbare scholen zitten. Is hij die mening nog toegedaan?

De heer Fritsma (PVV):

Dit heb ik niet gezegd. De vorige keer probeerde mevrouw Halsema, meen ik, of anderen, mij de woorden in de mond te leggen dat wij voor aparte scholen zouden zijn, voor islamitische en andere leerlingen. Dat is natuurlijk onzin. Dat is de vorige keer ook niet gezegd. Men kan de Handelingen erop nalezen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij gekomen aan het eind van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Wij zullen dit debat morgen voortzetten, zoals het er nu naar uitziet om 14.00 uur. Dan zult u tot het bittere einde door moeten gaan.

Sluiting 23.15 uur