Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 59, pagina 3330-3335

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de voorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (30568).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Atsma (CDA):

Voorzitter. Ik kan kort zijn. Het is goed dat de tijdelijke regelingen worden vervangen door één wettelijke regeling. De CDA-fractie vindt het bovendien vanuit het oogpunt van overzichtelijkheid prima dat de artikelen uit de Destructiewet worden overgeheveld naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Onze fractie vindt het buitengewoon belangrijk dat de mogelijke nationale kop op de Europese richtlijn, waarover gesproken wordt, er niet komt. Wij hebben ook bij vele andere debatten naar voren gebracht dat wij in alle opzichten hechten aan een gelijk speelveld. De CDA-fractie vindt het ook bij deze wet van groot belang dat er geen kop op het Europese kader komt. Wij horen graag van de minister de toezegging dat daar niet naar wordt gestreefd.

Ik kom op de verrekeningssystematiek. Toen de voorganger van de huidige minister de stukken over dit voorstel naar de Kamer stuurde, werden ongeveer gelijktijdig de destructietarieven voor 2007 bekendgemaakt. Wij zijn blij met de tarieven zoals die door de minister zijn vastgesteld, omdat zij ongewijzigd konden blijven. Voor de primaire sector werden de tarieven voor het laten verwerken van kadavers dus niet verhoogd. De CDA-fractie vindt het belangrijk dat voor de verwerking van kadavers een zo laag mogelijk tarief wordt berekend, omdat daarmee het draagvlak zo groot mogelijk wordt gehouden. Wij zien soms waartoe het kan leiden als de kosten te hoog worden.

Mijn fractie is er dus erg blij mee dat de minister aankondigt dat de rijksbijdrage voorlopig op hetzelfde niveau blijft. Het volgende verbaast ons echter. Het destructiebedrijf Sonac/Rendac is er gelukkig eindelijk in geslaagd om efficiënter te werken, waardoor de totale verwerkingskosten lager zijn geworden. Dit leidt er echter niet toe dat de tarieven voor de aanbieders van kadavers, dus voor de boeren, naar beneden gaan, maar dat er plotseling wordt aangekondigd dat de overheidsbijdrage wordt verlaagd. Dit lijkt ons de omgekeerde weg. De CDA-fractie heeft, samen met andere fracties, stelselmatig aangedrongen op het zo laag mogelijk houden van de eigen bijdrage die de primaire sector moet betalen. Juist daarvoor is de overheidsbijdrage in het leven geroepen. Het feit dat er nu goedkoper verwerkt kan worden, moet er niet toe leiden dat de rijksbijdrage wordt verlaagd, maar moet ertoe leiden dat de boeren minder gaan betalen voor de verwerking van kadavers.

Wij begrijpen uit het Europese werkprogramma dat voor dit jaar is voorzien in de aanpassing van de verordening die betrekking heeft op de gezondheidsvoorschriften voor dierlijke bijproducten. Wij nemen aan dat dit op korte termijn opnieuw zal leiden tot een herziening van waar wij nu over spreken. Had dit niet in één keer gekund? De CDA-fractie vindt deze werkwijze wat raar, maar het zij zo.

Er is een verschil tussen de vanuit de Europese Unie noodzakelijke toestemming en het daaruit voortkomend systeem van nationale vergunningen. Als een nationale vergunning nodig is, lijkt er extra papierwerk te ontstaan. Kan de minister verzekeren dat de handhaving van de regels in geen geval zal leiden tot ongewenste nieuwe administratieve rompslomp? Daarop zit immers niemand te wachten, zeker niet bij dit onderwerp.

De heer Poppe (SP):

Voorzitter. De SP-fractie stemt in met de wetswijziging, omdat het een vrij technisch verhaal is. Het gaat om de behandeling van dierlijke bijproducten die niet voor de menselijke consumptie zijn bestemd, zoals slachtafval en dierlijke vetten.

Ik kan mij de discussie in 1996, 1997 en 1998 over de problematiek met de vetsmelters nog goed herinneren. Dierlijk vet en frituurvet werden toen en worden nog gebruikt in de diervoederindustrie. Er werd heel wat afgerommeld. Zoals een handhaver in die tijd tegen mij zei: Mijnheer Poppe, van het beest gaat niks verloren. Alles wordt wel ergens in verwerkt. Eet smakelijk, dacht ik toen. Er werd heel wat afgerommeld dus. Dierlijke vetten bleken besmet met chemicaliën. Vetten voor menselijk gebruik en vetten voor de diervoederindustrie waren in het systeem niet goed gescheiden. Er is toen stevig opgetreden na televisiebeelden die er niet zo smakelijk uitzagen.

Op grond van de implementatie van EU-verordening 1774/2002 heeft de EU afspraken gemaakt, op grond waarvan EU-lidstaten dierlijke bijproducten uit derde landen moeten accepteren en naar derde landen kunnen exporteren. De vraag is of dit wel goed gaat, gezien de ervaringen in het verleden. Nederland is nog steeds een grootverbruiker van diervoeders. Bestaat niet het gevaar dat Nederland het putje gaat worden, waar uit alle hoeken en gaten van de EU dierlijke bijproducten, zoals slachtafval, in terechtkomen? De vraag is of als gevolg van de acceptatieplicht in het grote Europa wel voldoende controle en handhaving blijft bestaan op de invoer en verwerking van niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke producten. Europa is groter geworden, dus het putje kan nog sneller worden gevuld. Blijven de scheidslijnen tussen destructieafval, risicoafval en dierlijke bijproducten die voor de diervoederindustrie zijn bestemd, voldoende gescheiden? Zal de invoer en de toepassing van die dierlijke bijproducten, die niet voor de mens bestemd zijn, gaan toenemen? Hoe staat het met de handhaving wat dat betreft? Zal die dan voldoende zijn?

De heer Atsma sprak over de prijs van destructie, maar die wordt voor een niet onbelangrijk deel bepaald door Rendac. Dat is het enige bedrijf dat slachtafval verwerkt en verbrandt. Als je praat over Rendac, heb je het over de LTO, de land- en tuinbouworganisatie, de boeren zelf dus. De boeren moeten dus vooral bij Rendac zijn als het gaat om de te hoge destructieprijs voor het verwerken van kadavers van beesten die op de boerderij zijn gestorven. Daar moeten ze proberen die prijs naar beneden te krijgen. Ze moeten niet bij de Nederlandse belastingbetaler zijn.

In de huidige situatie kunnen de kosten voor het afgeven en in stand houden van erkenningen en vergunningen inzake dierlijke bijproducten – het gaat om de veevoederindustrie – op grond van de Destructiewet niet worden doorberekend. De gemeenschap betaalt dat dus, de belastingbetaler. Daar zijn wij altijd tegen geweest. Dat is onzin. Het gaat onzes inziens om kosten die de gebruiker moet betalen, dus degene die het spul gebruikt om er bijvoorbeeld diervoer van te maken. Dat moet worden gehandhaafd. Er moet aan allerlei zaken worden voldaan. De kwestie moet worden gecontroleerd en dus ook worden betaald. Het gevolg van het wetsvoorstel is dat de kosten voor het verlenen en in stand houden van vergunningen en erkenningen die nu worden gedragen door de overheid, straks op grond van artikel 94 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren moeten worden gedragen door de aanvrager of de houder van de erkenningen of vergunningen. Dat is de diervoederindustrie. Dat is goed.

Een maatregel om een verbod op honden- en kattenbont in te stellen, juichen wij van harte toe. Wij vragen ons af of het niet mogelijk is om verboden op meerdere soorten bont alvast in de wettelijke basis op te nemen, bijvoorbeeld vossen- en chinchillabont. De houderijen waar dat bont nu wordt geproduceerd, zijn vanaf 2008 niet meer toegestaan in Nederland. Het zou goed zijn om een verbod op deze soorten bont nu al in de wet op te nemen, vooruitlopend op Europese ontwikkelingen. Ik vraag speciaal aandacht van de minister voor bont dat is verkregen uit bepaalde soorten wildklemmen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik luister met stijgende verbazing. Volgens mij hebben wij het over voor consumptie geschikte bijproducten. Bont kun je in ieder geval niet eten. Kan de heer Poppe de relevantie van zijn vragen aangeven?

De heer Poppe (SP):

Ik heb begrepen dat het in het voorstel staat. Daarom heb ik het over het voorstel en past het erbij. Lees het dus nog eens. Een daadwerkelijk Europees verbod is er nog niet, maar het kan sneller worden geregeld als je er nu al op inschiet. Overigens is het een nadere wijziging van de wet. Die heeft u toch ook gekregen? Daar staat het namelijk in. Ik heb het wel degelijk over een stuk dat wij vanavond bespreken.

De voorzitter:

U heeft gelijk. Het staat in een nota van wijziging.

De heer Poppe (SP):

Ik heb het stuk hier bij mij, de nota van wijziging van 9 maart 2007. Leest u het even na.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Ik vind het prima als wij elkaar de oren wassen, omdat wij de stukken wel of niet hebben gelezen. Maar het is wat min als u mij daarom als een kind behandelt.

De heer Poppe (SP):

Sorry hoor, maar u probeert mij een beetje de les te lezen. Ik zeg dat ik het heb gelezen. Ik doe helemaal niet lelijk tegen u. Wees daar maar niet bang voor.

De voorzitter:

Wij gaan nu weer naar de inhoud.

De heer Poppe (SP):

Goed, voorzitter.

Is de minister bereid de wettelijke basis voor het verbod op honden- en kattenbont te verbreden naar toekomstige ongewenste ontwikkelingen? Ik denk aan het verbod van 2008. Met dat wetgevingstraject zou het hierna makkelijker kunnen lopen, als dat verbod er toch komt.

Hiermee ben ik aan het eind van mijn verhaal. Nogmaals, sorry. Het was helemaal niet mijn bedoeling om lullig te doen tegen de heer Cramer. Ik zeg gewoon dat ik het wel over de stukken heb.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Het is begrepen!

De heer Poppe (SP):

Oké, dan zijn wij weer klaar.

De voorzitter:

Dat gaat ook snel.

De heer Waalkens (PvdA):

Voorzitter. Het is goed dat in het verlengde van Europese regelgeving ook de Nederlandse wetgeving wordt aangepast en dat er één wettelijke regeling komt, ondergebracht in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Het is ook noodzakelijk dat er op het terrein van dit soort stoffen heel scherpe regelgeving komt, ook in internationaal verband. Er zijn veel incidenten geweest met veevoeder. Daarom is het van belang om dit goed te regelen. Ik zie uit naar de informatie die het kabinet zal geven over de herziening van het destructiebestel. Wij hebben er eerder brieven over gekregen, maar in het heel brede kader van het destructiebestel en de herziening ervan hebben wij onder het vorige kabinet de eerste stappen gezet om er met elkaar over te discussiëren. Nogmaals, het is van belang om dat in de Europese context te doen.

De PvdA blijft verklaard tegenstander van het weer opnemen van diermeel in de grondstofstromen. Er wordt te veel risico mee gelopen en wij zijn nog lang niet zo ver met de acceptatieplicht dat wij dit zomaar weer kunnen toestaan op het Europese territoir. Ik herinner mij een bezoek aan een veevoederfabriek in Sint Petersburg; collega Atsma was daar ook bij. Schepen voeren af en aan met grondstofstromen. In een fabriek werd zowel pet food gemaakt als veevoeder voor koeien en paarden. Het liep allemaal van de ene naar de andere band. Ik kan mij niet voorstellen dat het daar gescheiden is.

De PvdA is er een warm voorstander van om de Voedsel en Waren Autoriteit centraal in het pakket te zetten van de controle en van de handhaving van deze regelgeving. Natuurlijk moet het in overleg met de Algemene Inspectiedienst gebeuren, maar de Voedsel en Waren Autoriteit moet de spil zijn in het geheel van controle, toezicht en handhaving.

De heer Poppe (SP):

Ik ben blij met de woorden van de heer Waalkens. Begrijp ik goed dat hij enige zorgen heeft over de goede scheiding van de afvalstromen tussen humaan en niet-humaan, destructie en hergebruik voor diervoeders?

De heer Atsma (CDA):

Dat hebben wij allemaal.

De heer Poppe (SP):

Ik heb dat in zijn inbreng niet zo gehoord, vandaar mijn nadere vraag. Als dat niet alleen mijn zorg is, dan moeten wij daar scherper op letten.

De heer Waalkens (PvdA):

Dierlijke bijproducten die niet voor menselijke consumptie geschikt zijn, moet je apart houden. Als een reep vet uit een varkenskarkas wordt gesneden, dan heb je aan de linkerkant het vlees en aan de rechterkant het vet. Dat kun je allebei goed gebruiken, maar je moet wel secuur die risicostromen scheiden. Wij zijn er niet voor om die risicostromen op te nemen als grondstof voor diervoeders, op dit moment als diermeel.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Voorzitter. Het is goed dat wij de niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten goed regelen, maar het moet wel op Europees niveau. In de beantwoording noemt de minister de nationale koppen. Zij stelt dat het kabinetsbeleid is om nationaal geen aanvullende voorschriften te stellen, maar zij acht het wel zinvol om daarvoor een basis te leggen in het wetsvoorstel. Op zich vinden wij dat wat vreemd. Wij horen graag nadrukkelijker van de minister hoe het kabinet daar werkelijk over denkt.

Ik volg de stelling van de minister dat de tarieven worden vastgesteld op grond van de kosten die met de controles samenhangen. De hoogte van deze tarieven zullen afhankelijk zijn van de complexiteit van de controle. Weet de minister dat op dit moment nog niet? Wij weten toch hoe wij zaken controleren. Wij zouden daarover dus meer duidelijkheid willen hebben. Dat staat in nauwe relatie met het kostenplaatje dat wij bij het bedrijfsleven neerleggen. De minister stelt niet voor niets in haar beantwoording dat er een verschuiving plaatsvindt van een lastenverlichting voor de overheid naar een lastenverzwaring voor het bedrijfsleven. In die zin sluit ik mij aan bij de strekking van dat verhaal van de CDA-fractie.

Wij lezen dat Nederland gaat voor erkenning en vergunningen, maar dat een aantal andere lidstaten het alleen heeft over erkenning en toestemming. Met alleen toestemming gaat het sneller en hebben wij minder zaken nodig. In die zin sluiten wij niet helemaal aan bij de manier waarop een aantal andere landen deze implementatie leest.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Verburg:

Voorzitter. Ik dank de leden van de Kamer voor hun inbreng in eerste termijn. Het wetsvoorstel dat vandaag aan de orde is, gaat over een aantal wijzigingen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en over de intrekking van de Destructiewet. Het gaat over regels voor dierlijke bijproducten, ook wel destructiemateriaal genoemd. De voorschriften voor destructiemateriaal zijn grotendeels Europees bepaald, en de Europese regels zijn nu nog opgenomen in de Destructiewet.

Het doel van het wetsvoorstel is tweeledig: modernisering en deregulering. Het wetsvoorstel beoogt niet om inhoudelijke veranderingen aan te brengen in het huidige destructiebestel. De herziening van dit bestel, waarover mijn voorganger met de Kamer heeft gesproken, is een afzonderlijk traject. Het wetsvoorstel heeft dan ook geen consequenties voor de inrichting van het destructiebestel in Nederland.

Allereerst de modernisering. De Destructiewet stamt uit de jaren vijftig van de vorige eeuw en sluit – ik zou bijna willen zeggen: dus – niet goed aan bij de inmiddels ontstane Europese kaders. De terminologie is verouderd en de rechtsbasis voor de uitvoering en implementatie van de EU-regelgeving voldoet niet meer aan de eisen die daaraan in de huidige regels voor wetgevingstechniek worden gesteld. Zo maakt het wetsvoorstel het bijvoorbeeld mogelijk om aan EU-verordeningen en -beschikkingen uitvoering te geven bij ministeriële regeling. Verder wordt een aantal nationale bepalingen uit de Destructiewet geschrapt die strijdig zijn met de Europese voorschriften. Het zijn bepalingen die overigens via lagere regelgeving al buiten werking waren gesteld.

Dan de deregulering. De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren is het kader voor het handelen met dieren en dierlijke bijproducten. De wet heeft betrekking op een groot deel van de dierlijke productieketen. Dierlijke bijproducten vormen het sluitstuk van de keten. Het is een logische stap om de voorschriften uit de Destructiewet over te hevelen naar de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Dat maakt dat de Destructiewet kan worden ingetrokken. Het gevolg daarvan is dat de regelgeving overzichtelijker, beter toegankelijk en daardoor eenvoudiger voor iedereen wordt.

De heer Atsma vroeg of er nog regels bovenop de Europese regels zijn gesteld, kortom, of er een kop op de Europese voorschriften wordt gezet. Dat is niet het geval. Het enige dat is toegevoegd, is artikel 81d, dat ik wil omschrijven als een noodremprocedure. Deze procedure kan alleen in het uiterste geval worden benut en wordt in de vertaling van de Europese regelgeving de laatste tijd vrijwel standaard op advies van Justitie toegevoegd. Het artikel kan slechts zeer beperkt gebruikt worden. Het biedt alleen een basis om ten aanzien van onderwerpen waarvoor Europese regels zijn gesteld, nadere voorschriften te stellen die nodig zijn voor een goede tenuitvoerlegging. Ik benadruk: geen kop op de Europese voorschriften, maar soms is het nodig om nadere voorschriften te stellen in uiterste situaties. De nationale ruimte om voorschriften te stellen is zeer beperkt. De Europese voorschriften inzake dierlijke bijproducten hebben veelal totale harmonisatie tot doel. In die gevallen zal het stellen van nadere nationale voorschriften niet of uiterst zelden aan de orde zijn.

Uit de cijfers die ten grondslag liggen aan de tarieven voor het jaar 2007 blijkt volgens de heer Atsma dat Rendac goedkoper ging werken. Hij heeft gevraagd waarom dat niet leidt tot daling van de tarieven. Het antwoord op die vraag is dat de hoogte van de tarieven van Rendac sinds 2003 ongewijzigd is gebleven. Dat heeft te maken met het feit dat de overheidsbijdrage de afgelopen jaren werd ingezet om te bewerkstelligen dat de hoogte van de tarieven gelijk bleef, ondanks dat de kosten van Rendac steeds fluctueerden. Ook voor 2007 is dat de systematiek: de hoogte van de tarieven zal gelijk blijven aan die van de tarieven van 2006. De overheidsbijdrage zal als buffer worden ingezet om de tarieven gelijk te houden.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff heeft gevraagd naar de doorberekening van kosten voor erkenningen en vergunningen.

De heer Atsma (CDA):

Ik dank de minister voor de toelichting. Houdt dat in dat de tarieven op middellange termijn kunnen worden gehandhaafd? Ik doel dan op de bedragen die door de boeren moeten worden betaald voor het aanleveren van kadavers.

Minister Verburg:

Dat is een behoorlijk voorschot op de toekomst. Ik stel vast dat de overheidsbijdrage vanaf 2003 als buffer is gebruikt. Dat gebeurt in 2007 dus al voor de vierde keer. Uiteraard kan ik niet in de toekomst kijken. Een en ander hangt onder andere af van de kostenontwikkeling van Rendac. Het gaat mij dan ook te ver om nu te zeggen dat de tarieven tot in lengte van jaren gelijk zullen blijven. Ik vind dat wij die tarieven van jaar tot jaar zorgvuldig onder de loep moeten nemen.

De heer Atsma (CDA):

De Tweede Kamer heeft gezegd dat zij de tarieven de komende vier tot vijf jaar wil handhaven. Nu constateert zij echter dat de totale kosten in de keten zijn gedaald. Het was misschien dus ook mogelijk geweest om de tarieven voor de boeren te verlagen.

Minister Verburg:

Ik heb zojuist gezegd dat de tarieven van Rendac fluctueren. Door de overheidsbijdrage als buffer te gebruiken, wordt geprobeerd om het kostenniveau neutraal te houden. Wij kunnen ervoor kiezen om die buffer weg te nemen. Dat zal tot gevolg hebben dat de tarieven fluctueren. Ik meen echter dat de Tweede Kamer op dat punt graag zekerheid wil inbouwen. Vandaar dat wij ervoor hebben gekozen om die overheidsbuffer te laten bestaan. Er zijn dus twee mogelijkheden: de tarieven fluctueren mee, of de overheidsbijdrage wordt iets lager op het moment dat de tarieven wat lager uitvallen.

De heer Poppe (SP):

Mag ik uit de woorden van de minister concluderen dat Rendac zijn tarieven slechts berekent aan de hand van de kostprijs? Of zit er ook een winstmarge op die tarieven?

Minister Verburg:

Die ligt zo dicht mogelijk bij de kostprijs. Ieder jaar wordt daarnaar heel strak gekeken en daarop wordt ook toegezien. Daarvoor ben ik verantwoordelijk, dus daarop kan ik worden aangesproken.

De heer Poppe (SP):

Begrijp ik het goed dat de minister de Kamer informeert zodra Rendac streeft naar een winstmarge? Dat zou immers ten koste van de boeren gaan.

Minister Verburg:

Ik vermoed dat de Kamer dat niet van mij zal vernemen. Er is immers sprake van een zorgvuldig langjarig overleg dat onder andere betrekking heeft op de vaststelling van de tarieven. Ik meen dat ik ieder jaar mijn handtekening onder die vaststelling moet zetten. Ik zie er dus nadrukkelijk op toe en heb geen enkele aanwijzing dat Rendac voornemens is om plotseling winstmarges in te boeken of te vergroten.

De heer Poppe (SP):

Ik kan mij nog herinneren dat de boeren de prijs te hoog vonden, waarna hier de verhalen kwamen dat dode kalfjes zouden worden begraven in de moestuin. Dat moeten wij natuurlijk niet hebben. De boeren klagen zelf, maar het is hun eigen organisatie. Dan is het toch niet zo gek als ik aan u vraag om daar goed op toe te zien en de Kamer daarover zo nodig te informeren?

Minister Verburg:

Ik heb die toezegging gedaan.

Mevrouw Snijder vroeg naar een doorberekening van de kosten voor erkenningen en vergunningen. De vraag is of dat een lastenverzwaring is voor het bedrijfsleven en zo ja, of dat nader kan worden toegelicht. Op grond van artikel 94 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren kunnen de kosten die de overheid maakt voor het verlenen en in stand houden van erkenningen en vergunningen worden doorberekend aan de aanvrager. Nu de bepalingen van de Destructiewet worden opgenomen in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, staat die mogelijk ook open voor vergunningen die zijn afgegeven in het kader van de dierlijke bijproducten. Achtergrond van deze doorberekening is dat deze activiteiten, zoals een erkenningverlening van de overheid, kunnen leiden tot individueel profijt bij de ontvanger van die erkenning. Doorberekenen is dus overeenkomstig het beleid van eerdere kabinetten. Voor bedrijven die reeds een vergunning hebben, heeft de verandering slechts een beperkt effect. Deze bedrijven zullen alleen te maken krijgen met de kosten voor de instandhouding van de vergunning, of de kosten van inspecties of audits. De hoogte van deze kosten is afhankelijk van soort en omvang van de diverse onderzoeken.

De heer Atsma heeft gevraagd of ik op de hoogte ben van de komende wijziging van de EU-verordening dierlijke bijproducten. Het antwoord is: ja. Het wetsvoorstel biedt in artikel 81a ook voor toekomstige verordeningen inzake dierlijke bijproducten of wijzigingen daarvan de basis om uitvoeringsvoorschriften te stellen.

De heer Atsma en mevrouw Snijder hebben gevraagd, EU-toestemming niet zomaar om te zetten in een vergunning. Ik sluit mij bij hen aan. Ook ik ben er voorstander van om zo min mogelijk administratieve lasten te veroorzaken, en ik wil zoveel mogelijk administratieve lasten schrappen of voorkomen. Dat geldt zeker voor nieuwe wetgeving. Europese toestemming kan dan ook generiek werken, en daarmee algemeen geldend zijn en zal dus niet worden omgezet in een individuele vergunning. In bijzondere situaties kan sprake zijn van een noodzaak om een Europese toestemming individueel te verlenen. Die noodzaak wordt bepaald door de vraag of een individuele afweging de bescherming van belangen van dier- of volksgezondheid dient. Pas dan wordt in de vorm van een vergunning de toestemming individueel verleend.

De heer Poppe heeft gevraagd of de basis niet moet worden verbreed, waarbij hij het had over honden- en kattenbont. Dat kan niet. Er komt wetgeving aan inzake honden- en kattenbont, waar wij op inspelen, maar voor andere soorten bont, van welke dieren dan ook, is aparte besluitvorming nodig. Dat heeft te maken met Europese onderhandelingen en met WTO-onderhandelingen. Het is niet mogelijk dit er zomaar bij op te tellen.

De heer Poppe (SP):

Er zijn al besluiten genomen: in 2008 is het fokken van chinchilla's en vossen alleen voor bont niet meer toegestaan in Nederland. Daar zou je op vooruit kunnen lopen, opdat ook de handelaren dat weten. Anders moet de overheid weer een schadeloosstelling uitkeren.

Minister Verburg:

Met een nota van wijziging anticiperen wij op het verbod op handel in honden- en kattenbont. Ik wijs erop dat wij daarmee zeer voortvarend zijn. Deze gehele regelgeving ziet op Europese harmonisatie, zodat wij er onderling geen problemen over hebben. Ik zie dan ook niet zomaar de mogelijkheid om andere soorten bont aan de desbetreffende lijst toe te voegen. Ik vind het ook niet gewenst om dat op dit moment te doen. In Europees verband en in WTO-kader zal daarover nog nader moeten worden onderhandeld.

De heer Poppe (SP):

U zegt twee dingen: het zou niet kunnen en ik vind het ook niet gewenst. Wat is het nou? U vindt het niet gewenst of het kan niet. Volgens mij kan het namelijk wel. Je kunt namelijk vooruitlopen richting 2008, met name om de sector een seintje te geven in de trant van "pas op, het komt eraan". Wat ik nu zeg komt in de Handelingen die ook onderdeel uitmaken van de wet, dus de sector is al gewaarschuwd, maar het zou nóg beter kunnen worden geregeld.

Minister Verburg:

Het kan niet en het is niet gewenst. Wij spreken hierover in Europees verband én in WTO-verband. In deze hele wet- en regelgeving streef ik op Europees niveau harmonisatie na. Ik kan mij dus niet vinden in een voorstel om hier eigenhandig en eigen­standig als één lidstaat bepaalde regels aan toe te voegen.Verburg

De heer Poppe heeft verder gesproken over vetsmelters en diervoeders, waarbij hij heeft gevraagd of er voldoende controle en handhaving is op in- en uitvoer en scheiding tussen destructie en diervoeder. De voorschriften voor de invoer van dierlijke bijproducten zijn geheel ingegeven door de Europese bepalingen. Als Europa bepaalt dat de invoer is toegestaan, dan is dat ook voor deze wet het uitgangspunt. Op de naleving van deze voorschriften wordt naar mijn oordeel in voldoende mate toegezien. Overigens ben ik bezig met programmatisch handhaven, hetgeen erop neerkomt dat je de grootste overtredingsrisico's het snelst en het scherpst in beeld hebt zodat je twee dingen kunt doen, te weten investeren in vertrouwen, waarvoor dit kabinet staat, en streng handhaven waar nodig zodat je de grootste boeven pakt en je ze stevige boetes kunt opleggen.

De heer Poppe (SP):

Dank voor deze toezegging. Het is niet het slechtste beleid om zo te handelen. Punt is echter dat er grotere stromen zijn waarin ook bepaalde bijstromen ontstaan. Dan zit je dus met die Tedjes van Es die een grijpstuiver willen bijverdienen of die meer willen verdienen dan normaal zou kunnen. Vandaar mijn vraag of wij niet het putje worden van een groter gebied, zodat de handhaving echt aangescherpt moet worden om ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. Europa stelt de regels maar controleert ze niet. De lidstaten moeten handhaven. Heeft u mensen genoeg voor adequate handhaving als de stroom groter wordt?

Minister Verburg:

Dat is een als-danvraag die altijd uitermate lastig is te beantwoorden. Ik waag mij daar dan ook niet aan, ook omdat het anders bijna uitlokking zou zijn. Ik stel vast dat hierover op Europees niveau afspraken zijn gemaakt. Op Europees niveau zijn bepaalde bepalingen vastgesteld. Ik meen dat net als in andere lidstaten ook in Nederland in voldoende mate kan worden toegezien op de desbetreffende regels. Als het anders komt te liggen, dan is dat natuurlijk ook weer onderwerp van overleg op Europees niveau. Wat dat betreft staat ook het denken niet stil.

De heer Waalkens heeft gevraagd om de Voedsel en Waren Autoriteit het voortouw te geven bij de handhaving. Op dit moment heeft de Algemene Inspectiedienst het voortouw bij de handhaving. Dat gebeurt op basis van een praktische werkverdeling tussen de Voedsel en Waren Autoriteit en de Algemene Inspectiedienst. De Voedsel en Waren Autoriteit doet de verwerking. De AID doet de primaire bedrijven. Het is bekend dat ik op dit moment bekijk of de drie inspectiediensten – de Voedsel en Waren Autoriteit, de Plantenziektenkundige Dienst en de Algemene Inspectiedienst – niet beter, effectiever en slagvaardiger met elkaar kunnen samenwerken. Daarbij zal ik ook kijken naar de handhaving van deze wetgeving.

De heer Waalkens (PvdA):

De AID is meer bij de strafrechtelijke kant betrokken; bij risicoanalyses zal de AID gaan kijken. Het is echter van eminent belang dat de Voedsel en Waren Autoriteit zicht houdt op het proces van de productie van diervoeders, waar deze producten in stromen. Ik wil de Voedsel en Waren Autoriteit daarin zeker een voorname rol geven. Het gaat immers niet alleen om de strafrechtelijke kant, maar ook om de begeleiding van het toezicht en de deskundigheidsontwikkeling.

Minister Verburg:

Ik begrijp deze vraag. Op dit moment is er sprake van een taakverdeling tussen de AID en de VWA. De AID doet de primaire bedrijven en de Voedsel en Waren Autoriteit volgt de hele keten van verwerking en heeft daarin dus al een nadrukkelijke rol. Bij de vormgeving van de verdere samenwerking en de mogelijkheden daarbij zal ik dit punt meewegen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

De stemming zal volgende week dinsdag plaatsvinden.