Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 59, pagina 3314-3316

Vragen van het lid Tony van Dijck aan de staatssecretaris van Financiën over het bericht dat de Hoge Raad de Inspecteur der Belastingen gelijk heeft gegeven in een geschil over de waardering van de eigen woning.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Voorzitter. Afgelopen zaterdag stond in De Telegraaf dat de Hoge Raad een opmerkelijke uitspraak heeft gedaan: een vonnis over de toepassing van successierechten, dat voor veel mensen verschrikkelijke gevolgen zal hebben. Successiebelasting is al een zeer onrechtvaardige belasting: na de dood moet men belasting betalen over zaken waarover reeds belasting is betaald. Maar dit vonnis maakt het alleen nog maar erger. Weduwen en weduwnaars met een koopwoning moeten direct na overlijden van hun partner fors meer gaan betalen aan successierechten.

Wat is het geval? De Belastingdienst gaat uit van de huidige marktwaarde van de woning in vrij opleverbare staat bij het bepalen van de successierechten, en hoeft niet uit te gaan van de waarde van de woning in bewoonde staat. Dit verhoogt de aanslag al snel met zo'n 40%. Mede door de exorbitante stijging van de huizenprijzen komen de successierechten extreem hoog uit. Nu wordt de langstlevende partner hiervan veelal gevrijwaard, doordat deze een vrijstelling heeft van ruim vijf ton. Echter, de kinderen moeten ook successiebelasting betalen, en daar zit het grote pijnpunt. Vaak wordt per testament geregeld dat deze vordering door de langstlevende echtgenoot wordt voorgeschoten, voor de kinderen. Linksom of rechtsom, de successierechten moeten worden betaald. Dit kan oplopen tot een flink bedrag, waardoor het huis of andere bezittingen alsnog moeten worden verkocht. Dat kan nooit de bedoeling zijn. De Partij voor de Vrijheid vindt dit onacceptabel.

Vindt de staatssecretaris het met mij niet kunnen dat bij het overlijden de overgebleven partner niet langer in de woning kan blijven wonen? Vindt de staatssecretaris het met mij ongewenst dat kinderen door deze uitspraak veel hogere bedragen moeten afrekenen, en dit terwijl zij niet eens aanspraak kunnen maken op hun erfdeel? Vindt de staatssecretaris het met mij onwenselijk dat de Staat van mensen verwacht dat zij een lening aangaan en huis en haard verkopen om aan de successiebelasting te kunnen voldoen? Vindt de staatssecretaris het met mij onwenselijk dat kinderen worden onterfd, om maar niet aan deze successieverplichting te hoeven voldoen? Is de staatssecretaris bereid de wet zodanig aan te passen, dat de uitspraak van de Hoge Raad teniet wordt gedaan?

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. De heer Van Dijck heeft gevraagd om een reactie op een arrest van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag. Hij noemde dat arrest zelfs opmerkelijk. Het is goed de totstandkoming van de wet naar voren te halen. De procedure ging over de vraag, op welke manier een eigen woning voor de Successiewet moet worden gewaardeerd. De Hoge Raad heeft beslist dat moet worden uitgegaan van de normale marktwaarde van de woning, dat wil zeggen de waarde in vrije staat. Deze waarderingsmethode is al ingevoerd bij het Belastingplan 2002, waarbij uitvoerig met de Kamer van gedachten is gewisseld dat dit ook de bedoeling was van die wetswijziging. Het arrest van de Hoge Raad is geheel in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever. Er wordt door de Hoge Raad ook uitdrukkelijk op de wetsgeschiedenis gewezen, in het bijzonder op het nader rapport. De Hoge Raad citeert daarbij de volgende passages: "Uit de systematiek van de waardering van een vruchtgebruik en de daarmee corresponderende bloot eigendom vloeit voort dat in totaal de volledige waarde in vrije staat van een woning in de heffing wordt betrokken.", en even verder: "Dit betekent dat uit het oogpunt van fiscale consistentie de eigen woning moet worden gewaardeerd naar de waarde in vrije opleverbare staat."

Hoewel de uitleg van de Hoge Raad in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever, was deze niet voor alle gerechtshoven voldoende duidelijk. Om die reden heeft mijn voorganger in het Belastingplan 2006 de bedoeling van de wetgever nog eens expliciet verduidelijkt. Ook dit is dus in de Tweede Kamer en de Eerste Kamer aanvaard. Wat dat betreft, wijs ik ook op de toelichting bij de vierde nota van wijziging. Daarin is het volgende opgemerkt: "Met de wetswijziging per 1 januari 2002 is beoogd om bij de waardebepaling van een krachtens schenking of vererving verkregen eigen woning voortaan uit te gaan van de waarde in vrij opleverbare staat." Even verderop staat: "Ik stel thans voor in de wettekst een uitdrukkelijke bepaling op te nemen die erop neerkomt dat bij eigen bewoning daaraan geen waardedrukkend effect mag worden toegekend. Er wordt geen rekening gehouden met een waardedrukkend effect als de erflater of schenker in de woning woont. Ook een bewoning door de verkrijger zelf wordt niet als waardedrukkende factor in aanmerking genomen."

Wat dat betreft zitten de wetgever tot twee keer toe en de Hoge Raad op één lijn en is het dus zo klaar als een klontje.

De volgende vraag van de heer Van Dijck is of wijziging van de wet niet in de rede ligt. Ik wijs erop dat in 2002 en 2006 uitvoerig over deze kwestie van gedachten is gewisseld en dat ook de Hoge Raad inmiddels een uitspraak heeft gedaan. Steeds is daarbij uitgegaan ven de marktwaarde van de woning. Gelet op de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever en de uitspraak van de Hoge Raad lijkt mij dat geen onredelijk uitgangspunt. Als bij vererving een woning wordt verkregen staat die ook ter vrije beschikking van degenen die ze heeft verkregen. De situatie zoals beschreven door de heer Van Dijck waarin sprake is van gedwongen verkoop, zal zich niet snel voordoen. Immers, over het deel dat eventueel belast zou zijn met een hypotheek wordt geen successierecht geheven en voor de overwaarde van de woning is sprake van een vrijstelling voor de partner van € 500.000. Dus het gaat om echt zeer hoge bedragen. Mij zijn dan ook geen gevallen bekend waarin gedwongen verkoop noodzakelijk is geweest.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Voorzitter. Ik vind het onbegrijpelijk dat de staatssecretaris niet wil toezeggen om de wet te wijzigen. Het kan mijns inziens nooit de bedoeling zijn geweest in 2002 dat er woningen verkocht worden omdat mensen in de problemen komen als gevolg van uitvoering van deze wet. Ons komt wel degelijk ter ore dat mensen in de problemen komen. Dat geldt niet zozeer vanwege de langstlevende partner, gelet op de vijf ton respijt, als wel vanwege het kindsdeel dat moet worden afgerekend. Ik vraag de staatssecretaris nogmaals om zijn mening te herzien waardoor veel menselijk leed wordt bespaard.

De successiebelasting is al een doorn in het oog van elke Nederlander, maar laten wij het niet gekker maken dan het al is.

Staatssecretaris De Jager:

Voorzitter. De meest gebruikelijke situatie bij een nalatenschap is de volgende. Vader overlijdt waarbij de moeder en de kinderen de erfgenamen zijn. Het huis gaat dan naar de moeder en de kinderen krijgen een vordering, opeisbaar bij overlijden van de moeder. Dat komt ook overeen met de casus van het desbetreffende arrest. Bij de moeder wordt dan de volle waarde van de woning belast, verminderd met de waarde van de vorderingen van de kinderen. Samen wordt dus altijd precies 100% van de waarde in de heffing betrokken. Er is dus geen sprake van een dubbele heffing. Als bijvoorbeeld het vruchtgebruik bij de partner blijft, wordt voor dat gebruik een deel belast en bij de kinderen wordt slechts het zogenaamde blote eigendom belast, te weten de waarde in het economisch verkeer minus de waarde van het vruchtgebruik. De kinderen behoeven dat ook niet direct af te rekenen. Het moet worden gezien als een vordering op de langstlevende partner ten aanzien waarvan de successie verrekend zal worden. Mij zijn geen gevallen bekend waaruit blijkt dat dit tot grote problemen heeft geleid.

In antwoord op de vraag van de geachte afgevaardigde Van Dijck waarom de wet niet wordt aangepast, heb ik reeds heel duidelijk gewezen op de wetsgeschiedenis en de bedoelingen van de wetgeving ter zake. Dat is reeds in 2002 uitvoerig aan de orde gekomen in de Tweede Kamer en vervolgens in 2006. Zelfs de Hoge Raad heeft op basis van de wetgeving in 2002 dezelfde conclusie getrokken. Ik zie dan ook geen aanleiding om op dit punt de wet te wijzigen.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

De VVD vindt de successierechten in Nederland veel te hoog. De voorganger van deze staatssecretaris vindt dat gelukkig ook. Van de VVD mag het percentage van de successierechten gehalveerd worden. De vorige minister van Economische Zaken, de heer Wijn, vindt dat ook.

Inmiddels is bekend geworden dat ook Zweden de successierechten heeft afgeschaft. De vorige staatssecretaris heeft de Kamer toegezegd om aan de Kamer te rapporteren wat de internationale verschillen zijn op het gebied van successierechten. Wanneer kunnen wij dat rapport tegemoet zien? Zal deze staatssecretaris ervoor zorgen dat de toezegging van zijn voorganger om de successierechten te halveren, wordt nagekomen?

Staatssecretaris De Jager:

Ik zal nog eens de bedoelingen van mijn voorganger nagaan. Ik wist niet van het halveren, maar een verlaging was mij wel bekend. Ik weet ook dat de Kamer zich regelmatig heeft afgevraagd of het toptarief van de successierechten van 68%, dat nog stamt uit de tijd van 72% inkomstenbelasting, nog wel van deze tijd is en of dat niet te hoog is. Daar wil ik best een keer naar kijken, maar een verlaging zal een budgettair beslag hebben en daar is op dit moment weinig ruimte voor.

Voor het zomerreces zullen wij de Kamer een internationale vergelijking van de successierechten geven.