Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 59, pagina 3323-3327

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 teneinde beleggingsinstellingen de mogelijkheid te bieden om vastgoed te ontwikkelen ten behoeve van de eigen portefeuille (30689).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer De Nerée tot Babberich (CDA):

Voorzitter. Tot genoegen van de CDA-fractie spreken wij vandaag in afrondende zin over de wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Met deze wijziging willen wij beleggingsinstellingen de mogelijkheid bieden om vastgoed te ontwikkelen ten behoeve van de eigen portefeuille. Dit wetsvoorstel komt tegemoet aan de in de praktijk gebleken behoefte bij beleggingsinstellingen om vastgoed dat men reeds in portefeuille heeft te herontwikkelen of nieuw vastgoed voor de eigen portefeuille te ontwikkelen. Mijn fractie is verheugd over deze tegemoetkoming.

Met de uitbreiding van de wetgeving voor beleggingsfondsen en, in dit kader, voor de vastgoedsector, bereikt Nederland een verdere professionalisering van zijn kapitaal- en vastgoedmarkt. Dit zal op haar beurt weer aanleiding geven voor een vergroting van de dienstensector in het algemeen, en meer hoogwaardige financiële dienstverlening in het bijzonder. Ook dit wetsvoorstel zal, naar wij hopen, een competitieve uitgangspositie bieden voor de Nederlandse beleggings- en vastgoedsector.

Mijn fractie heeft de regering, net als bij de behandeling van het wetsvoorstel betreffende vrijgestelde beleggingsinstellingen, in het verslag van dit wetsvoorstel gevraagd naar een schematisch overzicht van de voor- en nadelen van het Nederlandse regime in vergelijking met de regimes in enkele andere lidstaten van de Europese Unie. Wij hebben daarbij gewezen op het rapport van de European Public Real Estate Association uit 2005, waarin een prachtig overzicht is opgenomen. Het door de regering verschafte overzicht in de nota naar aanleiding van het verslag is duidelijk.

Is in de Europese context het voorgestelde vereiste uitzonderlijk dat projectontwikkeling plaats dient te vinden via een normaal belastingplichtige dochtervennootschap? Ziet mijn fractie dit goed? Mogen wij uit het schema opmaken dat buitenlandse regimes een dergelijk vereiste niet kennen? Waarom vindt Nederland dit wél nodig en andere landen blijkbaar niet? Voorts vragen wij de staatssecretaris of hij, gelet op het genoemde overzicht, denkt dat het voorgestelde nieuwe regime gedurende een langere periode aantrekkelijk genoeg zal zijn als alternatief voor andere regimes in de Europese Unie, met name de regimes van Luxemburg en Ierland.

Tijdens het plenaire debat over het wetsvoorstel betreffende vrijgestelde beleggingsinstellingen hebben wij de toenmalige minister gevraagd om twee jaar na de inwerkingtreding van de wet, een geüpdate vergelijking van de regimes naar de Kamer te sturen. De CDA-fractie ziet graag dat hierbij ook de regimes betrokken worden die wij vandaag bespreken.

Mijn fractie heeft gevraagd om een verduidelijking van de begrippen "substantiële zeggenschap" en "substantieel risico". Voor het Nederlandse bedrijfsleven dient immers duidelijk genoeg te zijn, wat verstaan dient te worden onder het ontwikkelen van vastgoed versus beleggen in vastgoed. Wij hebben specifiek gevraagd of er sprake is van projectontwikkeling die niet past bij de status van een beleggingsinstelling, als deze instelling noch direct, noch indirect enig risico loopt, anders dan als afnemer van het project, maar wél substantiële zeggenschap heeft in de ontwikkelingsfase. Wij vragen, gezien het belang van een scherpe afbakening van bovengenoemde begrippen, om een verdere verduidelijking van de staatssecretaris.

Ik wil nog een kanttekening plaatsen van meer theoretische aard, maar toch met praktische betekenis in het licht van de systematiek van de wet. In de fiscale literatuur is gesuggereerd dat voor dividenden ontvangen van de dochtervennootschap die zich bezighoudt met projectontwikkeling de uitdelingsplicht niet hoeft te gelden, aangezien de winst al is belast met vennootschapsbelasting en dit geen resultaat uit belegging is. Kan de staatssecretaris aangeven hoe hij dit ziet?

Wij hebben in de schriftelijke behandeling gevraagd naar de uitleg van een besluit van enige tijd geleden. In de beantwoording hebben wij voldoende aanknopingspunten gevonden om er nu niet nader op in te gaan.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

Voorzitter. De VVD-fractie gaat ervan uit dat met dit wetsvoorstel een goede impuls wordt gegeven aan de gewenste versterking van de infrastructuur van beleggingsinstellingen in Nederland. Wij zijn daar content mee. Wel rest nog een aantal verbeterpunten, wat mij betreft twee.

Het is niet volledig duidelijk of Nederland zich met dit wetsvoorstel positief onderscheidt op Europees niveau. De heer De Nerée refereerde daar al aan. De positieve punten van het Nederlandse regime zijn in elk geval de beperkte omvang van de uitdelingsverplichting, die niet geldt voor de vermogenswinsten, en de afwezigheid van specifieke beleggingseisen. Toch dient volgens het Nederlandse regime projectontwikkeling plaats te vinden via een normaal belastingplichtige dochtervennootschap. Dit laatste is geen vereiste in enkele buitenlandse regimes. Daarom vraagt de VVD-fractie aan de staatssecretaris waarom dit vereiste niet ook in Nederland kan worden geschrapt.

Verder voorziet de VVD-fractie problemen bij het vaststellen van een zakelijke beloning op projecten die de exclusieve ontwikkelingsdochter uitvoert. De VVD-fractie heeft in het verslag aan de staatssecretaris gevraagd of belastingplichtigen die zich wenden tot de Belastingdienst voor het maken van een winstvaststellingsafspraak erop kunnen vertrouwen dat hierover tijdig voor het vaststellen van de uitdelingsverplichting uitsluitsel kan worden gegeven. De staatssecretaris heeft in het verslag tot op heden hierop nog geen bevestigend antwoord gegeven. Ik krijg die bevestiging hier graag alsnog.

De heer Irrgang (SP):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel maakt het mogelijk voor fiscale beleggingsinstellingen om vastgoed te ontwikkelen door middel van een dochteronderneming. Er is gekozen voor een ander regime dan in omliggende landen. Zo zijn er geen beleggingseisen betreffende het percentage dat in een onroerende zaak mag worden gestoken. In omliggende landen is er een maximum tussen de 15% en 40%. Waarom is hierin geen aansluiting gezocht bij ons omliggende landen?

Volgens de SP-fractie moet worden voorkomen dat fiscale beleggingsinstellingen slechts worden gebruikt om geen vennootschapsbelasting te hoeven betalen bij projectontwikkeling. Zo is het van belang dat winst bij projectontwikkeling in de belaste dochteronderneming wordt verantwoord. Door slechts te stellen dat er sprake moet zijn van een zakelijke beloning bestaat er nog steeds heel veel interpretatievrijheid. Op welke wijze wordt straks nagegaan of beleggingsinstellingen niet te weinig betalen voor projectontwikkeling door een dochteronderneming? Hoe wordt nagegaan dat de beleggingsinstelling niet risico's neerlegt bij de dochteronderneming die normaliter zelf worden gedragen?

Om discussies te voorkomen over de vraag welke investeringen moeten worden beschouwd als projectontwikkeling is in deze wet de zogenaamde "safe haven", de veilige haven, bedacht. Hierdoor wordt een investering of uitbreiding van vastgoed die minder bedraagt dan 30% van de WOZ-waarde niet aangemerkt als projectontwikkeling. De vraag is of dat niet de discussie verplaatst. Tot aan 30% hoeft men nu in ieder geval geen belasting meer te betalen. Of is die zekerheid niet een volledige zekerheid? Is het een zekerheid die echt vaststaat vanaf dat moment of is het een voorlopige zekerheid hoe de Belastingdienst daarmee zal omgaan? Graag krijg ik hierop een reactie van de staatssecretaris. Indien de Belastingdienst vooraf zekerheid geeft dat een projectontwikkeling vrijgesteld blijft van winstbelasting, omdat de projectontwikkelingskosten waarschijnlijk onder die 30% blijven, dan zal die beleggingsinstellingen er alles aan gelegen zijn om het aanvankelijke kostenplaatje zo laag mogelijk te houden. De Belastingdienst moet dan een discussie aangaan over de geschatte kosten van projectontwikkeling. De vraag is wel of de Belastingdienst in zijn huidige staat daarvoor de mensen en de capaciteit heeft. Dat geldt voor dit moment, maar ook voor de langere termijn. Indien beleggingsinstellingen gebruik maken van die veilige haven, geldt dat dan ook voor het volgende jaar of wordt dat opnieuw getoetst? Hoe moeten wij het wetsvoorstel op dat punt interpreteren?

Alhoewel een toename van vastgoedontwikkeling wenselijk is, zien wij ook dat de mogelijkheid bestaat dat er een verschuiving plaatsvindt van de vastgoedontwikkeling van de belaste vastgoedontwikkelaars naar de vrijgestelde beleggingsinstellingen, vooral vanwege de 30%-regeling. Op welke wijze gaat de staatssecretaris na in hoeverre dat risico ook in de praktijk zal optreden?

Gezien al deze zorgen van de SP-fractie vraag ik de staatssecretaris in ieder geval om de uitvoeringspraktijk van dit wetsvoorstel nadrukkelijk te volgen en om te bekijken of alles wat wij met deze wet bedoelen in de praktijk zo uitwerkt. Dan denk ik niet alleen aan de praktijk, maar ook aan de budgettaire uitvoeringspraktijk. Ik zie namelijk dat de geraamde belastingopbrengst 5 mln. is, maar er zijn volgens mij ook budgettaire risico's. Ook die praktijk moeten wij nauwgezet volgen.

De heer Tony van Dijck (PVV):

Voorzitter. Hoewel ik niet op de sprekerslijst sta, zou ik graag ook nog enkele opmerkingen over dit wetsvoorstel maken.

Dit wetsvoorstel beoogt beleggingsinstellingen van vastgoed de mogelijkheid te bieden om vastgoed te herontwikkelen zonder de doelstelling te raken van het beleggen van vermogen. De voorwaarde is wel dat de feitelijke ontwikkelactiviteiten plaatsvinden in een normale belastingplichtige dochtervennootschap en dat de vergoeding voor ontwikkelactiviteiten plaatsvindt op zakelijke voorwaarden zoals die door onafhankelijke partijen zullen worden vastgelegd. Hoe denkt de staatssecretaris die zakelijke voorwaarden te controleren? Daar zien wij een valkuil. In hoeverre kan benchmarking daarin een rol spelen?

De fractie van de Partij voor de Vrijheid kan met dit wetsvoorstel leven daar het de starheid van de oude wet wegneemt en de mogelijkheid voor beleggingsinstellingen verruimt om in onroerend goed te beleggen. Hierdoor zullen beleggingsinstellingen eerder geneigd zijn om in onroerende zaken te beleggen terwijl dit niet ten koste gaat van de mogelijkheid om vastgoed te ontwikkelen.

Hoe denkt de staatssecretaris de naleving van de scheiding tussen ontwikkelen van vastgoed en beleggen in vastgoed te controleren teneinde oneigenlijk gebruik van een beleggingsinstelling en/of concurrentievervalsing tegen te gaan? Ook vragen wij ons af hoe de winst uit ontwikkeling van vastgoed zich onderscheidt van beleggingswinst uit vastgoed. Is hier een stringente scheiding aan te brengen? Ten slotte vragen wij ons met het oog op mogelijke belangenverstrengeling af of het wenselijk is dat een beleggingsinstelling belangen heeft in een belaste ontwikkelingsvennootschap.

De voorzitter:

Ik verzoek de leden nogmaals om zich tijdig aan te melden en de sprekerslijst te checken. Anders wordt het moeilijk om de vergadering te plannen.

De vergadering wordt van 15.55 uur tot 16.10 uur geschorst.

Staatssecretaris De Jager:

Mevrouw de voorzitter. De heer De Nerée tot Babberich heeft gevraagd of het overzicht van regimes voor beleggingsinstellingen in andere EU-landen, dat is opgenomen in de nota naar aanleiding van het verslag, om de twee jaar kan worden geactualiseerd. Ik ben het met hem eens dat het goed is om in de gaten te houden hoe het Nederlandse regime zich verhoudt tot de regimes in de omringende landen. In de praktijk blijkt dat de branche daarbij vaak over meer informatie beschikt dan de overheid. Het schema dat is opgenomen in de nota naar aanleiding van het verslag, is gebaseerd op het rapport van the European Public Real Estate Association. Wij weten niet zeker of regelmatig updaten tot de mogelijkheden behoort. Als er echter signalen zijn uit de branche als gevolg van bepaalde ontwikkelingen in het buitenland die erop wijzen dat het Nederlandse regime minder concurrerend wordt, sta ik uiteraard open voor overleg over de vraag wat ons te doen staat. Dan zal de Kamer daarover ook informatie ontvangen.

De heer De Nerée tot Babberich heeft vervolgens gevraagd of Nederland het enige land is dat die projectontwikkeling in de heffing betrekt. Mevrouw Dezentjé Hamming heeft die vraag ook gesteld. Het Nederlandse regime voor beleggingsinstellingen is gebaseerd op het onderscheid tussen beleggen en ondernemen. Beleggingsactiviteiten blijven onbelast, terwijl ondernemingsactiviteiten in de heffing worden betrokken. In Nederland wordt projectontwikkeling als een ondernemingsactiviteit beschouwd. De winst is daarom belast. Dat is altijd al het geval geweest. In Duitsland is projectontwikkeling onder het huidige IF-regime niet toegestaan. In Luxemburg is een beleggingsinstelling transparant. Daardoor worden alle winsten, inclusief de projectontwikkelingswinsten, rechtstreeks bij de achterliggende aandeelhouder belast. In die landen is de behandeling van projectontwikkeling dus niet gunstiger dan in Nederland. België en Frankrijk stellen projectontwikkeling vrij van belasting. Dat regime is gunstiger dan het Nederlandse. Daar staat echter wel tegenover dat het regime voor de beleggingsinstellingen in die landen als zodanig ongunstiger is, omdat de uitdelingsverplichting aldaar ook ziet op de vermogenswinsten van de FBI's. Vermogenswinsten worden in die landen dus direct belast bij de aandeelhouders. Dat is anders dan in Nederland. Alleen in Engeland is projectontwikkeling onbelast. Daar hoeven de vermogenswinsten niet te worden uitgedeeld, evenmin als in Nederland. Wij kunnen concluderen dat het Nederlandse regime niet slecht uitpakt ten opzichte van de zojuist genoemde landen. Met de sector is uitvoerig overleg gevoerd over het voorliggende wetsvoorstel. Een aantal mensen uit die sector heeft mij gemeld dat het aan dit wetsvoorstel veel waarde hecht.

De heer De Nerée tot Babberich heeft gevraagd wat substantiële zeggenschap en substantieel risico inhouden. Er is sprake van het ontwikkelen van vastgoed indien in ieder geval is voldaan aan de voorwaarde dat een lichaam in de ontwikkelingsfase substantiële zeggenschap heeft over de vormgeving van het project, of als een lichaam met de realisatie dan wel de waarde van een project substantieel risico loopt. In de memorie van toelichting zijn ter verduidelijking diverse voorbeelden gegeven van zeggenschap en risico's die al dan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van projectontwikkeling. Verwacht mag worden dat het voor vastgoeddeskundigen die werkzaam zijn bij project-bv's doorgaans niet moeilijk zal zijn om vast te stellen, of sprake is van projectontwikkeling. Dat is immers hun vak. Ook bij het Vastgoedkenniscentrum van de Belastingdienst is op dit gebied veel deskundigheid aanwezig, en zal het naar verwachting niet moeilijk zijn om dit te onderscheiden. Bij eventuele grensgevallen kunnen belastingplichtigen altijd vooraf zekerheid vragen bij de Belastingdienst of de voorgenomen investering niet of juist wel als projectontwikkeling wordt aangemerkt. Een verdere algemene formulering van de begrippen zal naar verwachting alleen maar meer gaan wringen, en het lijkt ons beter om dit ook aan de praktijk over te laten, en een verfijning daarvan af te wachten.

Mevrouw Dezentjé Hamming heeft gevraagd of de Belastingdienst tijdig uitsluitsel kan geven over de omvang van de projectontwikkelingswinst. Dat is des te meer van belang, omdat de FBI de informatie van die projectontwikkelingswinst moet hebben om te weten, welke verplichtingen er bestaan. Ik erken het belang van die vraag dus volledig. Belastingplichtigen kunnen altijd in overleg treden met de inspecteur om vooraf zekerheid te krijgen omtrent de winstvaststelling. Daarbij zal de inspecteur er rekening mee houden dat de belastingplichtige binnen een redelijke termijn zekerheid wil krijgen, gelet op het bijzondere karakter van deze situatie. In die zaken waarin dat mogelijk is, zal tijdig uitsluitsel worden gegeven. Uiteraard hangt dat natuurlijk ook af van de informatie die de belastingplichtige tijdig zal verstrekken.

Mevrouw Dezentjé Hamming (VVD):

"Tijdig" is een wat rekbaar begrip. Kunt u dat iets meer specificeren?

Staatssecretaris De Jager:

Het hangt ervan af of de betreffende belastingplichtige tijdig zijn winst in kaart kan brengen. Wij denken aan een termijn van binnen acht maanden na afloop van het boekjaar. Nogmaals, de betreffende bv moet zijn winst rapporteren, waar een belangrijk deel van de uitvoering om zal gaan. De Belastingdienst kan vrij snel nadat er zekerheid is over de winst, zekerheid geven over de projectontwikkelingswinst.

Tegen de heer Irrgang zeg ik dat sommige buitenlandse regimes de eis kennen dat maximaal 15% tot 20% in onroerende zaken mag worden gehouden. In Nederland zou dat betekenen dat één belegger nooit een heel winkelcentrum als belegging kan hebben. Dit wetsvoorstel beoogt niet de beleggingseisen van het FBI-regime aan te passen. Het wetsvoorstel is nu alleen maar gericht op het mogelijk maken van projectontwikkeling, en niet op andere onderdelen van het regime, zoals spreiding of aandeelhouderseisen. Wij hebben het altijd al op deze manier gedaan: materiële toetsing, geen formele toetsing. Het laatste is ook nog niet de wens van de Kamer geweest. Wij denken dus niet dat daar problemen bij zullen ontstaan.

De heer Irrgang stelde nog een vraag over de overschrijding van de 30% safe haven als een beleg­gingsinstelling een investering in vastgoed doet waarvan wordt verwacht dat die beneden de 30% van de WOZ-waarde blijft, terwijl achteraf blijkt dat die 30% toch is overschreden. Belangrijk om vast te stellen is dat die 30% zekerheid geeft. Onder die 30% neemt de Belastingdienst automatisch aan dat het om onderhoud gaat, en niet om projectontwikkeling. Het is aan de beleggingsinstellingen om te kijken of zij in de buurt van de 30% komen. Als een investering die 30% nadert, zal de kans dat die 30% wordt overschreden uiteraard ook groter worden. Echter, ook als een investering de 30% overschrijdt, hoeft nog niet per se sprake te zijn van projectontwikkeling. Die vraag zal elke keer zelfstandig moeten worden beantwoord. Een beleggingsinstelling die mogelijk de 30%-grens overschrijdt, kan desgewenst vooraf in overleg treden met de inspecteur om zodoende af te stemmen dat de uitgaven als belegging worden gekwalificeerd. De safe haven bestaat dan weliswaar niet, maar er is dan wel de vraag of het materieel vereiste aan de orde is, namelijk of sprake is van een belegging of van projectontwikkeling.

De heer Irrgang (SP):

Ik begrijp wat de staatssecretaris zegt, maar het is hem ongetwijfeld ook bekend dat de kosten voor projectontwikkeling nog wel eens hoger uitvallen dan oorspronkelijk geraamd. Als er oorspronkelijk is geschat dat het minder dan 30% zal zijn, maar uiteindelijk achteraf blijkt dat het meer dan 30% is, vindt dan nog de materiële toetsing plaats?

Staatssecretaris De Jager:

Ja, als de 30%-grens wordt overschreden, is er geen sprake meer van een safe haven, dus van de automatische zekerheid zonder dat er iets aangetoond behoeft te worden. Het betekent dat men alsnog in materiële zin moet aantonen dat sprake is van een belegging en niet van projectontwikkeling.

Verder heeft de heer Irrgang gevraagd of de overheveling van risico's van de FBI naar de projectontwikkelingsdochter ertoe kan leiden dat de winst van de projectontwikkelingsdochter lager uitvalt; een lagere winst betekent dat deze dochter minder belasting zou behoeven te betalen, terwijl thans deze risico's bij de FBI blijven. Welnu, FBI's konden en kunnen nog steeds geen projectontwikkelingsrisico's dragen omdat ze anders zouden ondernemen in plaats van beleggen. FBI's mogen dus alleen beleggingsrisico's dragen. Dat is zo en dat was zo. Overheveling van projectontwikkelingsrisico's van een FBI naar een projectontwikkelingsdochter zal zich dan ook niet kunnen voordoen, omdat het twee verschillende soorten risico's betreft. De FBI's moeten een zakelijke vergoeding aan de ontwikkelingsdochter betalen. De hoogte van die vergoeding is afhankelijk van de mate van risico die de projectontwikkelingsdochter loopt. Hoe hoger het projectontwikkelingsrisico, hoe hoger de vergoeding.

De heer Van Dijck heeft specifiek gevraagd hoe wordt getoetst of de projectontwikkeling op zakelijke voorwaarden plaatsvindt. Elke transactie tussen gelieerde vennootschappen dient plaats te vinden op zakelijke voorwaarden. Daarin brengt dit wetsvoorstel geen verandering. De Belastingdienst heeft voldoende ervaring en deskundigheid om dat te toetsen. De dienst toetst regelmatig transacties die binnenconcern zijn, om te zien of ze wel of niet zakelijk zijn. De dienst heeft er ook ruimschoots ervaring mee. Ook in dit geval zal langs die lijnen de toetsing plaatsvinden. Gevraagd is of de uitdelingsverplichting geldt voor dividenden afkomstig van een belaste projectontwikkelingsdochter. De uitdelingsverplichting voorkomt dat de beleggingsinstelling dankzij het nultarief onbelast dividenden kan oppotten. De beleggingsinstelling is verplicht om alle dividenden die zij ontvangt door te stoten naar de aandeelhouders. Dat kunnen zowel dividenden op de portfolioaandelen zijn als dividenden die ontvangen worden van een 100% projectontwikkelingsdochter.

Feitelijk worden de dividenden dus niet bij de beleggingsinstelling, maar bij haar aandeelhouders belast. Daarbij is het normaal dat de ontvangen dividenden die de beleggingsinstelling doorstoot, afkomstig zijn uit belaste winst. Te denken valt aan dividenden die een beleggingsinstelling ontvangt van beursgenoteerde vennootschappen. De dividenden van een projectontwikkelingsdochter zijn ook afkomstig uit belaste winst. Dat is dus geen reden om hen buiten de uitdelingsverplichting te houden. Voor hen geldt dus de fiscale systematiek die wij al langer kennen.

De heer De Nerée tot Babberich (CDA):

Het antwoord van de staatssecretaris over substantiële risico's en substantiële zeggenschap is gelijk aan hetgeen in de nota naar aanleiding van het verslag staat, maar ik begrijp wel dat hierover van tevoren zekerheid kan worden verkregen. Dat zullen wij afwachten. Als zich in de praktijk problemen voordoen, zullen wij zeker niet nalaten aan de bel te trekken.

Ik heb verder begrepen dat de staatssecretaris zal ingrijpen als blijkt dat de concurrentiekracht van de sector terugloopt. De Kamer krijgt dan bericht van hetgeen moet worden veranderd. Dat geldt zonder meer als het wetgeving betreft, maar dat kan ook betrekking hebben op de uitvoeringspraktijk.

Staatssecretaris De Jager:

Beide punten kan ik de heer De Nerée tot Babberich toezeggen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande dinsdag over het wetsvoorstel te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 16.26 uur tot 19.00 uur geschorst.