Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-2005nr. 77, pagina 4660-4665

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 13 april 2005 over de weerbaarheid van moslims.

Mevrouw Vergeer (SP):

Voorzitter. Het is een merkwaardig VAO. Dat komt omdat het overleg over weerbaarheid van moslimjongeren tegen radicalisering geen tweede termijn had. In het overleg heeft de SP-fractie een aantal voorstellen gedaan om radicalisering te voorkomen. Ik heb die voorstellen neergelegd in een motie, waarin de regering verzocht wordt om bij de uitwerking van het actieprogramma op deze voorstellen terug te komen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de minister voor Vreemdelingenbeleid en Integratie heeft toegezegd dat actieprogramma's zullen worden uitgewerkt die tot doel hebben, moslimjongeren bewust te maken van de gevaren van de radicalisering, hun weerbaarheid tegen radicaliseringsinvloeden te vergroten en personen in hun omgeving zodanig toe te rusten dat zij tijdig kunnen ingrijpen;

overwegende dat de rol van consultatiebureaus versterkt moet worden;

overwegende dat scholen voldoende mogelijkheden moeten hebben om bij leerlingen thuis kennis te maken en de ouders bij het leerproces te betrekken;

overwegende dat sommige ouders niet naar ouderavonden gaan en het nuttig is, te onderzoeken of een verplichting nodig en handhaafbaar is;

Vergeeroverwegende dat uit de resultaten van de Dag van de Leerplicht blijkt dat persoonlijk contact van de leerplichtambtenaar met de spijbelaar en de ouders beter werkt dan het sturen van brieven;

overwegende dat een studie van de Universiteit van Amsterdam in opdracht van de ministeries van OCW en Justitie heeft uitgewezen dat mentorprojecten zorgen voor een vermindering van schooluitval en een verbetering van leerprestaties;

verzoekt de regering, in de uitwerking van de actieprogramma's aandacht te besteden aan de rol van consultatiebureaus, leerplichtambtenaren, leraren, mentoren en ouders in het voorkomen van radicalisering en het vergroten van de weerbaarheid van moslimjongeren en daarbij bovenstaande overwegingen mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Vergeer, Hirsi Ali en Van Heemst. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 137(29800 VI).

Mevrouw Lambrechts (D66):

Voorzitter. Vorige week hebben wij gesproken over het vergroten van de weerbaarheid tegen radicalisering. Een van de punten die wij hebben ingebracht, is dat je jongeren veel meer zelf daarbij moet betrekken. Zij moeten zelf verantwoordelijkheid krijgen en mede het stuur in handen hebben. Over het algemeen zie je dat die verantwoordelijkheid dan ook genomen wordt. Ik heb op televisie gezien dat de minister een interessant debat heeft gevoerd over radicalisering met extreemrechtse jongeren en met Turkse en Marokkaanse jongeren. Duidelijk was dat jongeren van goede wil zijn, zelfs als zij in een bepaald kamp zitten. Ik denk ook dat zij aanspreekbaar zijn op die verantwoordelijkheid. Daar liggen dus kansen.

De minister heeft gezegd dat zij met een uitwerkingsnotitie komt. Daar zien wij vanzelfsprekend met veel belangstelling naar uit. Om dit punt in die notitie terug te kunnen vinden, is het goed om dit in een motie neer te leggen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het nodig is de weerbaarheid van jongeren tegen (moslim)radicalisme te vergroten,

overwegende dat de huidige beleidsvoorstellen geheel over de hoofden van jongeren zelf tot stand zijn gekomen;

van mening dat er een grotere kans van slagen is wanneer jongeren zelf een actieve rol krijgen in het bestrijden van radicalisme;

verzoekt de regering, jongeren – via scholen en/of sportverenigingen – zelf een aantal voorstellen te laten formuleren die integratie bevorderen en radicalisering bestrijden;

verzoekt de regering tevens, de beste voorstellen over te nemen en de uitvoering ervan financieel mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lambrechts, Van Heemst en Azough. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 138(29800 VI).

De heer Van Heemst (PvdA):

Voorzitter. De nota waar wij twee weken geleden over hebben gesproken, is in mijn ogen in een aantal opzichten misschien wel de belangrijkste nota op de agenda van de Kamer voor de komende vijf jaar. De nota heeft betrekking op de fundamentele vraag hoe moslimjongeren die in ons land opgroeien, weerbaar kunnen worden gemaakt tegen radicalisering. Daar hangt een stukje van de toekomst van ons land vanaf. Het is in ieder geval de vraag of wij die toekomst met vertrouwen tegemoet kunnen zien of juist met angst.

Als wij de balans opmaken van dat debat, blijkt dat er van links tot rechts harde kritiek werd geuit op deze nota. Het oordeel van mevrouw Hirsi Ali was naar mijn mening het scherpst; zij zei dat de nota wel op een PvdA-pamflet lijkt. Dit is ongeveer het hardste oordeel dat je in dit huis over een stuk van een minister kunt vellen. De kritiek van de PvdA "het is een flutstuk" klonk daarbij bijna als een compliment.

De minister keek 's avonds in de camera en zei: "ik ga door". Dit zijn ministers waar de PvdA van houdt. De minister heeft al in het debat aangegeven dat zij met een vervolg komt, waarin een aantal zaken concreter worden uitgewerkt. De Kamer heeft daar grote behoefte aan, want zij wil zien wat er nu concreet zal gebeuren. Zij zal ook aandacht besteden aan het andere verschijnsel dat onze samenleving bedreigt en kan ondermijnen, namelijk het rechts-radicalisme en -extremisme dat op veel grotere schaal onze samenleving bedreigt dan wij misschien tot voor kort dachten.

Ik dien geen moties in. Ik ben het heel erg eens met twee moties die zijn ingediend waar mijn naam ook onder staat.

Ik wil nog een ding tegen de minister zeggen, omdat dit in het debat nog niet goed genoeg naar voren is gebracht. Ik wil geen vervolgnota waarin wij de minister als het ware een blanco cheque geven en haar de boodschap meegeven: geef maar zoveel geld uit als u wilt. Zo zit ik niet in elkaar. Ik vind het echter heel schraal dat wij het voor de preventie, om jongeren weerbaar te maken tegen radicalisering, moeten doen met een budget van twee keer 3 mln, terwijl minister Zalm over de repressieve kant van het beleid heeft gezegd dat geld geen rol speelt. Bij de bestrijding van terrorisme is alles mogelijk. Bij preventie bijna niets. Als de minister kans ziet om over één of twee maanden naar de Kamer terug te komen met goede ideeën die de moeite waard zijn en die niet uit het budget van twee keer 3 mln kunnen worden betaald, kan zij op de steun van de PvdA-fractie rekenen als voor die goede ideeën wat extra geld nodig is.

Mevrouw Sterk (CDA):

Voorzitter. Ook wij vonden het algemeen overleg wat teleurstellend. Het plan dat voorlag was onvoldoende. Ik heb het halfbakken genoemd. Wij gaan er dan ook vanuit dat het plan voor de weerbaarheid van moslimjongeren tegen radicalisme binnenkort in aangescherpte vorm naar de Kamer terugkomt.

De CDA-fractie wil nog eens benadrukken dat de bestrijding van radicalisme en terrorisme hier begint, met het weerbaar maken van in dit geval moslims tegen radicalisme. Daarbij is essentieel dat er draagvlak is juist in die gemeenschap zelf. Daarom gaan wij ervan uit dat bij het nieuwe aangescherpte plan organisaties als Islam en burgerschap, het LOM en het CMO worden betrokken, dat er mannen en vrouwen, jong en oud bij het plan worden betrokken. Juist door hun betrokkenheid kunnen wij een vuist maken tegen het dreigend radicalisme.

Is de minister van mening dat het budget van 6 mln voldoende is om dit probleem aan te pakken?

Minister Verdonk is de minister van binding. Ik heb tijdens het overleg kritiek geuit op de manier waarop zij die functie gestalte geeft. Ik houd daaraan vast, maar ik wil haar hier prijzen voor het feit dat zij de dag na het overleg een bezoek heeft gebracht aan Venray en heeft geprobeerd daar de minister van binding te zijn. Ik denk dat hiervoor een compliment op zijn plaats is.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Voorzitter. Na het algemeen overleg over weerbaarheid van moslimjongeren en radicalisering keek de minister 's avonds laat in de camera en stelde: ik ga door. Het debat had echter toch wel degelijk tot nadere vragen en tot een zekere zelfreflectie mogen leiden. In hoeverre heeft de minister echt geluisterd tijdens het AO? Een van de breed gedeelde kritiekpunten was dat in de nota weinig blijk werd gegeven van betrokkenheid bij de invulling van het plan van moslimorganisaties, seculiere migrantenorganisaties en vrouwenorganisaties. Nu wil ik best aannemen dat de minister in de komende maanden regelmatig overleg zal hebben met deze organisaties. Ik wil echter zekerstellen dat deze organisaties niet alleen maar aan tafel zitten, maar dat zij daadwerkelijk invloed kunnen uitoefenen op de invulling en straks dus ook op de uitvoering van de plannen. Daartoe dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de voorliggende nota tegen radicalisering en voor weerbaarheid van jongeren onvoldoende aangeeft op welke wijze relevante organisaties betrokken zullen worden;

overwegende dat voor een effectieve en succesvolle aanpak van radicalisering een breed draagvlak noodzakelijk is;

van mening dat migrantenorganisaties, vrouwenorganisaties en islamitische organisaties zoals LOM, CGI en CMO et cetera vanuit hun verantwoordelijkheid en functie in de diverse gemeenschappen bij de opstelling en uitvoering van het plan betrokken dienen te worden;

verzoekt de regering, alvorens zij met een nieuwe nota komt ter bestrijding van radicalisering en vergroting van weerbaarheid, diverse zelforganisaties te betrekken bij invulling en uitvoering van de nieuwe nota,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Azough en Van Heemst. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 139(29800 VI).

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Een van de concrete punten die tijdens het debat naar voren kwamen, was de gebrekkige arbeidsparticipatie van jongeren. Dit is een problematisch punt. Collega Vergeer heeft in haar inbreng al gezegd dat er veel moet gebeuren in het onderwijs. Ik ben van mening dat er ook veel moet gebeuren op de arbeidsmarkt. In onze commissie moet er druk op worden gezet zodat dit ook gebeurt. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat frustratie, gebrek aan mogelijkheden en te veel onbenutte tijd bij jongeren tot een negatieve spiraal en eventueel zelfs tot radicalisering kunnen leiden;

van mening dat ondanks de maatregelen van het kabinet de werkloosheid onder allochtonen, met name jonge Marokkaanse Nederlanders, door sterk stijgende werkloosheidspercentages gekenmerkt wordt;

verwijzend naar het positieve effect op het verminderen van radicalisering van het banenplan voor Moluks-Nederlandse jongeren in de jaren tachtig;

verzoekt de regering, met voorstellen te komen om juist risicojongeren die vatbaar zijn voor radicalisering aan het werk te krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Azough. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 140(29800 VI).

Minister Verdonk:

Voorzitter. Twee weken geleden hebben wij met elkaar gesproken over mijn plannen om radicaliseringstendensen onder – vooral – moslimsjongeren in Nederland tegen te gaan. In dit overleg vroeg de Kamer om een concrete notitie en ik heb toegezegd deze uiterlijk in juni naar de Kamer te sturen. Het was een AO waarin de Kamer een behoorlijk kritische houding aan de dag legde. Tijdens mijn zelfreflectie ben ik tot de overtuiging gekomen dat het een positief kritische houding was en dat ik dus door kon gaan.

Ik ga maar meteen door met de moties. Mevrouw Vergeer, de heer Van Heemst en mevrouw Hirsi Ali verzoeken de regering in de motie op stuk nr. 137 om in de uitwerking van de actieprogramma's aandacht te besteden aan de rol van consultatiebureaus, leerplichtambtenaren, leraren, mentoren en ouders in het voorkomen van radicalisering en het vergroten van de weerbaarheid van moslimjongeren en daarbij de bovenstaande overwegingen mee te nemen. Ik heb al overlegd met de staatssecretaris van VWS over de consultatiebureaus. Wij zijn aan het kijken of wij de consultatiebureaus een rol kunnen geven in dit geheel. De leerplichtambtenaren, de leraren en de mentoren vallen onder de minister van OCW. Ik vind het echter een goede suggestie en ik zal die meenemen naar de minister van OCW. Ik beschouw deze motie dan ook als ondersteuning van het beleid.

Mevrouw Vergeer (SP):

Dat vind ik natuurlijk heel fijn, maar er is natuurlijk al beleid op dat gebied en ik dien de motie niet voor niets in. Het is wel de bedoeling dat het huidige beleid wordt versterkt en dat er meer middelen komen. Misschien moeten er ook wel meer juridische mogelijkheden komen als dat nodig mocht blijken. Wat bijvoorbeeld te doen met ouders die niet naar de ouderavond komen, maar gewoon wegblijven, zich niet om hun kind bekommeren en niet met de school meeleven? Kan ik van de minister verwachten dat haar gesprek met de andere ministers inderdaad een meerwaarde oplevert ten opzichte van het bestaande beleid?

Minister Verdonk:

Ik wil en durf daar "ja" op te zeggen. Er zijn allerlei spelers in het veld als je praat over het verhogen van de weerbaarheid van moslimjongeren. Er moet worden gekeken naar de hele keten van het jeugdbeleid, maar je moet ook durven kijken naar de positie van de ouders. Ik heb de Kamer toegezegd dat ik in juni met een concreet plan van aanpak kom. Ik begrijp de bedoeling van mevrouw Vergeer en ik ga met een positieve houding naar de minister van OCW om dit met haar te bespreken.

Vervolgens kom ik te spreken over de motie van mevrouw Lambrechts, de heer Van Heemst en mevrouw Azough op stuk nr. 138 waarin zij het kabinet verzoeken om jongeren via scholen en/of sportverenigingen zelf een aantal voorstellen te laten formuleren die de integratie bevorderen en radicalisering bestrijden. Zij verzoeken de regering tevens de beste voorstellen over te nemen en de uitvoering ervan financieel mogelijk te maken. Wat lijkt het mij prachtig om eens minister te zijn in een tijd waarin er ontzettend veel geld is en waarin je de plannen die je hebt, allemaal kunt uitvoeren zonder ieder dubbeltje om te hoeven keren. Zo is het niet, maar toch kijk ik heel positief naar deze motie. Bij het actieplan waarmee ik binnenkort zal komen en dat is gemaakt door Forum, zijn al veel jongeren betrokken. Bij mijn gesprek met de minister van OCW kan ik dit ook meenemen. Datzelfde geldt voor mijn gesprek met de minister van VWS als het gaat om sportverenigingen. Ik beschouw deze motie als ondersteuning van mijn beleid en ik ga hiermee door.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Dat ik hoor ik graag. Ik verzoek u om jongeren uit te dagen en niet alleen maar via Forum te horen wat jongeren vinden. Ik wil dat jongeren worden uitgedaagd om met heel goede creatieve originele voorstellen te komen die uitvoerbaar zijn. Dat kan op een heel leuke manier door er bijvoorbeeld een prijs aan te koppelen. Het is de bedoeling dat de beste voorstellen echt worden uitgevoerd. Waar verantwoordelijkheid wordt gegeven, wordt die ook vaak genomen.

Minister Verdonk:

Tegen dat laatste kan ik niets inbrengen. Als mensen verantwoordelijk worden gemaakt, zullen de betrokkenheid en de binding groter worden. Ik zal bekijken op welke manieren deze jongeren kunnen worden geprikkeld. Ik kan nog niet precies zeggen hoe dat kan gebeuren, maar dat zal zeker in het actieprogramma tot uiting komen. Ik dank de heer Van Heemst voor zijn steun. Ik hoop dat ik binnenkort hier zulke goede ideeën kan presenteren dat ik daarvoor op de steun van de PvdA-fractie kan rekenen.

Mevrouw Sterk stelde een vraag over het draagvlak. Zij vroeg of ik Islam en Burgerschap en andere organisaties en overlegorganen wil betrekken. Dat is natuurlijk het geval. Ik zal in ieder geval binnen het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) spreken over deze notitie en ik zal ook afstemmen met de moslimgemeenschap. Ik heb regelmatig contact de heer Sini van Islam en Burgerschap. Wij spreken dan over allerlei onderwerpen. Ik zal ervoor zorgen dat deze nota ook aan de orde komt. Ik wil erop wijzen dat voor het LOM voor de komende drie jaar 3 mln is gereserveerd voor gesprekken met hun achterban over initiatieven op het gebied maatschappelijke binding. Dat komt er dus nog extra bij.

In de motie van mevrouw Azough wordt de regering verzocht om met voorstellen te komen om juist risicojongeren die vatbaar zijn voor radicalisering aan het werk te krijgen. Ik ben het met haar eens dat een heel belangrijke manier om jongeren weerbaar te maken is om hen aan het werk te krijgen en hen mee te laten doen in de samenleving. De uitvoering van deze motie vergt nader overleg met de minister van SZW en de Taskforce Jeugdwerkloosheid. Ik beschouw deze motie als een ondersteuning van het beleid en zal dus die gesprekken aangaan. In de motie-Azough/van Heemst wordt gevraagd om de zelforganisaties te betrekken bij de invulling en uitvoering van de nota. Ik voer structureel overleg over de activiteiten op het gebied van het voorkomen van radicalisering. Uiteraard spreken wij daarin ook over de uitvoering en kijken wij naar mogelijkheden om invulling te geven aan deze nota. Het CMO is in gesprek met Forum over de beoogde leergang islam en moderniteit. Ik overleg dus al met al deze organisaties. Ik beschouw deze motie als een ondersteuning van het beleid.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Dit is een heel positief VAO, want alle moties worden beschouwd als ondersteuning van het beleid. Ik heb nog wel een paar vragen. In hoeverre is er contact gezocht met het LOM, jongerenorganisaties en het CMO voordat het algemeen overleg werd gehouden over een plan waarin vooral Forum een rol speelde? In hoeverre is deze organisaties gevraagd om ook invulling te geven aan deze nota? Dat is volgens mij de eerste keer niet uitvoerig gebeurd.

Minister Verdonk:

Wij hadden in de Kamer een debat over de nota over weerbaarheid tegen radicalisering van moslimjongeren, die over preventie gaat. Het was onzeker voor mij hoe de Kamer daarover zou denken, dus ik heb ervoor gekozen om eerst deze nota aan de Kamer te presenteren. Ik heb u toegezegd om in juni met het actieprogramma te komen. Intussen zal er natuurlijk volop overleg zijn met de organisaties die u bedoelt.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Dat betekent dus dat er niet alleen maar overleg zal zijn, maar dat deze organisaties ook invloed zullen kunnen uitoefenen op de invulling van het plan dat in juni aan de Kamer zal worden gestuurd?

Minister Verdonk:

Ja, natuurlijk.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

U stelde dat er 3 mln euro voor het LOM komt. Is dat dan uitvoering van het beleid uit de nota zoals die er lag, of zal men zelf voorstellen kunnen doen? Kan men zelf bij voorbeeld een nieuw plan van aanpak opstellen?

Minister Verdonk:

Ja, men zal daarvoor zelf met voorstellen moeten komen. De bedoeling van dat geld is dat het de binding in de samenleving bevordert. Twee weken geleden heb ik daarover ook met het LOM gesproken en zijn er ideeën naar voren gekomen die men nu verder gaat uitwerken.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Het klinkt allemaal alsof het inderdaad een ondersteuning van eigen beleid is, maar ik wil toch even de signalen uit het veld afwachten. Daarna zal ik beslissen of ik mijn motie aanhoud, intrek of toch in stemming breng.

Mevrouw Sterk (CDA):

Dit betekent dat er 3 mln euro is voor het eigen plan van aanpak van de minister, en 3 mln euro voor het LOM, specifiek voor de plannen in het kader van de weerbaarheid.

Minister Verdonk:

Ja, voor drie jaar – 1 mln euro per jaar – om de binding te bevorderen bij het LOM. Wij kunnen ook kijken naar het onderwerp weerbaarheid daarbinnen. De organisaties binnen het LOM zijn nu bezig daarvoor inderdaad plannen te ontwikkelen.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik hoorde iets vreemds. De plannen voor binding stonden niet op de agenda voor dit AO. Het ging daarbij om de plannen van de minister voor de weerbaarheid. Dat is in mijn ogen een beperkter onderwerp dan binding in het algemeen. Is die 3 mln euro – waarvan de invulling wat mij betreft ook nog verder kan worden bediscussieerd – om de weerbaarheid van moslimjongeren aan te pakken?

Minister Verdonk:

De 3 mln euro voor het LOM voor de komende drie jaar – 1 mln euro per jaar – is er om de achterban te betrekken bij de voorstellen tot maatschappelijke binding in het algemeen, en voor het tegengaan van radicalisering. Een van de mogelijkheden daartoe is het verhogen van de weerbaarheid van moslimjongeren. Ik ben het met mevrouw Azough eens dat binding veel breder is dan het verhogen van de weerbaarheid van moslimjongeren, maar beide komen aan de orde bij de besteding van dit geld.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Het gaat om een beperkte som geld van 3 mln euro. Als je dat ook moet besteden aan alfabetisering en aan allerlei projecten in het onderwijs in het kader van taalachterstanden, gaat het niet specifiek om het versterken van de weerbaarheid van risicojongeren. Ik spreek mijn bezorgdheid uit dat dit onvoldoende zal kunnen worden ingevuld en uitgevoerd.

Minister Verdonk:

Aan de ene kant spreken wij over 3 mln voor Forum, aan de andere kant over 3 mln voor het LOM, verdeeld over drie jaar en bedoeld om de achterban te betrekken bij het versterken van de maatschappelijke binding – als het grootste punt – en om daarbinnen voorstellen te doen om radicalisering tegen te gaan. Een van die voorstellen zou kunnen zijn het verhogen van weerbaarheid, het preventief bezig zijn met het tegengaan van radicalisering.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Dit is nieuwe informatie. In het AO ging het om de weerbaarheid van moslimjongeren en om 3 mln euro voor het LOM specifiek daarvoor. Nu komt er 3 mln euro voor maatschappelijke binding. Dat is een veel breder thema. Daarvoor kunnen dus veel meer projecten worden bedacht. Dit betekent dat de minister in de uitwerking richting juni toch moet komen met nadere voorstellen hoe dat geldbedrag specifiek voor weerbaarheid van moslimjongeren eruit zal zien. Dan gaat het dus niet om 3 mln euro voor maatschappelijke binding, maar om een specifiek bedrag alleen voor weerbaarheid van moslimjongeren.

Minister Verdonk:

Daarmee ben Verdonkik het eens. Dat zal ik ook doen in de junibrief. Het gaat om die 3 mln euro. Het enige wat ik hier wilde doen, is u enigszins geruststellen met de mededeling dat er meer geld beschikbaar is dan die 3 mln euro. Het bedrag van 3 mln voor het LOM stond in de terrorismebrief. Dat is dus niet nieuw; dit is al eerder aan de orde geweest.

Mevrouw Lambrechts (D66):

Wij hebben in de aanzet tot het actieplan gezien dat er heel veel in zit wat commitment en misschien ook financiering vraagt vanuit andere beleidsterreinen en wat van andere ministers of staatssecretarissen echt een inzet vraagt. Ik mag hopen dat het actieplan dat wij straks krijgen niet alleen gaat over het beleggen van het geld, van twee keer 3 mln, maar ook echt commitment, verantwoordelijkheid en inzet laat zien van de andere bewindslieden en dat het laat zien wat zij op hun beleidsterrein kunnen doen.

Minister Verdonk:

Ja, natuurlijk en zeker naar aanleiding van wat ik hiervoor heb gezegd. Ik zal zo snel mogelijk met de andere bewindslieden om de tafel gaan zitten. U zult het commitment ook terugzien in het actieprogramma.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, aanstaande donderdag over de ingediende moties te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Omdat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die betrokken is bij het volgende agendapunt, het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Hamer c.s., pas om 20.00 uur hier kan zijn in verband met verplichtingen elders in het land en wij dat tijdstip voor het debat al eerder hadden aangegeven, schors ik de vergadering tot 20.00 uur.

De vergadering wordt van 17.05 uur tot 20.00 uur geschorst.

Voorzitter: Cornielje