Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2004-2005nr. 77, pagina 4639-4643

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van orde.

Vragen van het lid Bussemaker aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de gevolgen van de herkeuring in de WAO.

Mevrouw Bussemaker (PvdA):

Voorzitter. Het was ondertussen bekend dat de herkeuring van de WAO tot schrijnende situaties leidt. Dat bleek al eerder tijdens een debat met de minister, toen wij voorbeelden gaven van mensen met ernstige ziekteproblemen, zoals zware reuma en auto-immuunziektes, die opeens hun uitkering verliezen. Zij voelen zich in de steek gelaten en vogelvrij verklaard door keuringsartsen. De minister antwoordde toen dat hij niet op individuele gevallen wilde ingaan, maar alleen op het systeem.

Los van het feit dat wij ons volgens mij altijd rekenschap moeten geven van de gevolgen van beleid op individueel niveau is hier iets anders aan de hand. Het gaat niet meer om individuele gevallen, maar om een structureel probleem, een structurele fout. Zembla, het televisieprogramma, liet afgelopen donderdag voorbeelden zien van cliënten die zich slepend naar een keuringsarts lieten vervoeren, en zelfs van iemand die na de keuring zelfmoord had gepleegd. In diezelfde uitzending zei de voorzitter van de Nederlandse vereniging voor verzekeringsgeneeskunde dat het werk van keuringsartsen is uitgehold en verschraald, als gevolg van te verdoorgevoerde regelgeving. Steeds meer keuringsartsen raken in gewetensnood. Ondertussen liet de Nederlandse kankerfederatie weten dat 25% van de kankerpatiënten van volledig arbeidsongeschikt opeens volledig arbeidsgeschikt is verklaard, terwijl ze vaak nog een nabehandeling ondergaan en chronische klachten hebben. Ook ons eigen meldpunt bevestigt dergelijke gegevens.

Ik heb naar aanleiding van deze zeer schrijnende gevallen en zeer ernstige situaties de volgende vragen aan de minister. Wat vindt hij van de gevolgen van zijn eigen beleid, zoals onder andere blijkt uit de Zembla-uitzending en uit het onderzoek van de kankerfederatie? Had hij, toen hij het besluit over de herkeuring nam, deze gevolgen voor ogen? Vindt de minister het verantwoord en getuigen van de door hem zo vaak geroemde menselijke maat dat mensen met kanker na verwijdering van de tumor geacht worden weer voor de volle 100% te werken, ook als ze nog chemo- of radiotherapie ondergaan, en kampen met chronische vermoeidheid en andere naweeën?

Deze mensen zijn al veel kwijt: hun gezondheid, hun werk en een deel van hun inkomen. En dan raken ze ook nog eens hun WAO-uitkering kwijt. Vindt de minister dat een teken van beschaving? Hoe moeten deze mensen aan het werk komen? Van de goedgekeurde kankerpatiënten heeft 10% werk gevonden, en tweederde schat het vinden van werk somber in. Is de minister bereid, de keuringsartsen meer ruimte te geven om hun werk verantwoord uit te oefenen, nu zij zeggen dat "Den Haag" te veel in de spreekkamers van de keuringsartsen is gekomen? Hun professionaliteit staat naar eigen zeggen ter discussie, en zij verkeren in gewetensnood. De adjunct-voorzitter van de raad van bestuur zei in de Zembla-uitzending dat zij niet kon geloven dat er groepen artsen met gewetensproblemen rondlopen. Ik geloof dat wel, na alle signalen die ik van verschillende kanten heb gekregen. Ik vraag de minister dan ook om het UWV een onderzoek te laten doen naar de problemen die keuringsartsen ervaren als gevolg van de herkeuring. Dat lijkt mij toch wel het minste wat wij kunnen doen. Als we deze professionals serieus nemen – dat moeten we – kan er toch niets op tegen zijn om hen te vragen, wat zij van de herkeuring vinden en welke problemen zij daarbij ervaren? Ik vraag de minister dan ook dat onderzoek te verrichten.

Minister De Geus:

Voorzitter. De zorg van mevrouw Bussemaker over de zorgvuldigheid van de herbeoordeling deel ik, maar dat geldt niet voor het beeld dat zij schetst. Tijdens de uitzending van Zembla is een aantal beelden getoond. Uiteraard heb ik mij daarover ook met het UWV verstaan en mevrouw Bussemaker kent zijn reactie. Gelukkig is dit niet het representatieve beeld. Wij weten nog niet precies wat dat wel is, maar wij hebben een eerste impressie. Aan de Kamer heb ik toegezegd dat er half mei aanstaande een wat meer bezonken beeld zal ontstaan met onder andere het geaggregeerde niveau van uitkomsten. Natuurlijk is het ons te doen om de uitkomsten voor mensen, maar dat is iets anders dan een individueel schrijnend geval representatief te verklaren.

Het tweede belangrijke punt dat mevrouw Bussemaker aan de orde stelt, is de ruimte voor de keuringsartsen om als professional te werken. Ik heb inderdaad ook gehoord wat de scheidend voorzitter van de NVVG daarover heeft gezegd en de Kamer heeft vernomen wat de reactie van de raad van bestuur van het UWV daarop is geweest. De ruimte voor de keuringsartsen om hun professie uit te oefenen, is bij het UWV aanwezig. Die maakt overigens deel uit van de bedrijfsvoering zoals die binnen het UWV gestalte moet krijgen.

Wij spreken nu over de gevolgen van het Schattingsbesluit. Ik heb de Kamer eerder gemeld dat de resultaten veel verder reiken dan aanvankelijk werd gedacht. Dat had ik niet voorzien, maar de reden daarvan is ook dat de verschillende effecten samenkomen. Ik doel op het effect van het Schattingsbesluit zelf. Daarnaast is er het effect van een herbeoordelingonderzoek met spreekuuronderzoek. Vroeger was er vaak sprake van alleen een herbeoordeling op papier, die per definitie minder nauwkeurig was. In feite is er dus een intensievere claimbeoordeling, ook in het geval van zachte zogenaamd moeilijk objectiveerbare diagnoses. Dat betekent dat in een veel groter aantal gevallen wordt geconcludeerd dat er een weg terug is naar de arbeidsmarkt. Het ingezette spoor vind ik goed en de eerste impressie van de uitkomsten is naar mijn idee hoopgevend.

Ik heb de Kamer toegezegd dat ik, als wij medio mei beschikken over wat meer gedetailleerde gegevens waaruit wij ook wat trends en ontwikkelingen kunnen afleiden, daarover graag met haar van gedachten wissel. Dat betekent dus ook dat ik op dit moment niet zou willen inzetten op nader onderzoek. Het lijkt mij beter eerst het beeld af te wachten zoals dat in bredere zin moet zijn. Ik hecht er echter ook aan vast te stellen dat dit een zeer gevoelige operatie is waaraan zowel door mij als verantwoordelijk bewindspersoon wordt gewerkt als door de betrokken raad van bestuur van het UWV en alle medewerkers van laatstgenoemde organisatie. Dat moet als een paal boven water staan en ik hoop daarover met de Kamer te debatteren op het moment dat ik over meer gegevens beschik.

Mevrouw Bussemaker (PvdA):

De minister geeft antwoord op een wijze zoals wij dat van hem tijdens dit soort discussies gewend zijn. Hij verwijst naar het UWV en zegt dat het allemaal wel meevalt. De minister zegt tevens dat hij de zorgen met mij deelt en dat een en ander zorgvuldig moet gebeuren. Vervolgens geeft hij echter geen antwoord op mijn vraag. Heeft de minister voor ogen gehad wat de gevolgen zouden zijn en wat is zijn mening over het feit dat tegen 20% van de mensen met kanker wordt gezegd dat ze weer aan het werk moeten gaan? Dat is toch geen menselijke maat? Daarvoor is ons systeem van de WAO toch nooit bedoeld geweest?

Ik vind het onbegrijpelijk dat de minister zegt dat hij geen onderzoek wil laten uitvoeren. Waar vreest hij voor? Als het UWV een geëngageerde, professionele organisatie is, zoals de minister zegt, dan kunnen wij de keuringsartsen toch rustig naar hun ervaringen vragen? De voorzitter van de verzekeringsartsen zegt dat men de grenzen van het arts-zijn heeft bereikt. Het zou een uitdaging voor de minister moeten zijn om daar een antwoord op te geven.

De minister spreekt over zorgvuldigheid, maar zegt dat een en ander anders uitpakt dan werd verwacht. Hoe lang duurt het nog voordat hij aangeeft dat er inderdaad schrijnende gevallen ontstaan als gevolg van deze operatie? Bij de eerste resultaten stond de minister te juichen. Ik krijg brieven van mensen die de herkeuring een nachtmerrie vinden. Wat heeft de minister die mensen te zeggen?

De minister zegt dat een combinatie van factoren ertoe leidt dat de effecten sterker zijn dan werd verwacht. Wij hebben de discussie over de WIA, de nieuwe WAO, voor de boeg. Wij hebben zojuist een brief ontvangen van dezelfde vereniging van geneeskundigen. Zij heeft uitgerekend dat er op grond van de schattingen van haar leden, die ook klopten bij de herkeuringen, straks nog 8000 nieuwe mensen een beroep moeten doen op de IVA. Per saldo wordt de gehele verzekering afgeschaft voor mensen die tijdelijk of langer niet kunnen werken vanwege ziekte. Graag een reactie van de minister.

Mijn conclusie is dat wij niet langer door kunnen gaan met deze herkeuringen. Als wij een fatsoenlijk systeem willen handhaven, kan dit doorgeslagen beleid gebaseerd op individuele verantwoordelijkheid en op hol geslagen computerprogramma's niet worden voortgezet. Mensen voelen zich in de steek gelaten. Mensen die daadwerkelijk ziek zijn, worden voor het blok gezet en zonder reïntegratie en zonder verantwoordelijkheid van de overheid aan hun lot overgelaten.

Minister De Geus:

Voorzitter. De laatste brief waarop mevrouw Bussemaker wijst, heb ik nog niet ontvangen. Ik kan daar dus nog niet op reageren. Wat betreft de aantallen mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn, ga ik uit van de gedachte dat het ook voor de Kamer hoopvol is als zo min mogelijk mensen definitief invalide zijn en dat het mooiste resultaat een laag aantal is. Met de anderen kan het pad terug naar de arbeidsmarkt nog worden opgegaan, maar wel onder de condities van zorgvuldigheid.

Half mei hebben wij de gegevens op tafel. Dan weten wij hoe het is gegaan, wat het heeft opgeleverd en wat het voor betrokkenen heeft betekend. Ik ga niet tussentijds in op impressies. Het zal overigens niet de laatste keer zijn dat er in de media positieve of negatieve verhalen naar boven komen. Gelukkig zijn er ook positieve verhalen van mensen die mij schrijven dat hun herkeuring geen dag te vroeg is gekomen. Door intensief met artsen te praten en door actief op de reïntegratie in te gaan, konden mensen een eigen bedrijf beginnen of konden zij op zoek naar parttime werk. Mensen uit het onderwijs zijn weer aan de slag gekomen. Ik krijg graag de erkenning dat er een beweging gaande is die positieve kanten heeft. Op het grote aantal is het mogelijk dat er situaties zijn die voor betrokkenen pijnlijk zijn. Ik heb in het algemeen overleg met u afgesproken, mevrouw Bussemaker, dat, als er situaties zijn die de moeite waard zijn om te bespreken, dit primair gebeurt binnen de vertrouwelijkheid van de gegevens. Ik en ook het UWV hebben u een- en andermaal uitgenodigd om klachten of eventuele impressies uit te wisselen. Ik vraag u om in die lijn verder te werken, zodat wij niet keer op keer in een plenair debat met elkaar de individuele casuïstiek uit hoeven te zoeken.

Mevrouw Bussemaker (PvdA):

Ik geef de minister die informatie met alle plezier, maar hij moet op de cijfers ingaan. Ik noem hier de cijfers van de Nederlandse kankerfederatie, van de PvdA-meldpunten en de andere meldpunten. Ook andere partijen hebben meldpunten. Die cijfers wijzen steeds duidelijker uit dat de helft van de mensen opeens volledig arbeidsgeschikt wordt verklaard. Uit de cijfers van ons meldpunt blijkt dat van die mensen ook nog eens 30% geen reïntegratietraject krijgt aangeboden. Het is fantastisch als het goed gaat met mensen, maar de minister is echt op de verkeerde weg als hij de cijfers die wij van zoveel verschillende kanten krijgen, miskent door niet in te gaan op de situatie van mensen met schrijnende ervaringen, mensen die zich in de steek gelaten voelen. Tegen hen wordt gezegd dat zij maar moeten gaan werken, terwijl ze zeer ernstige gezondheidsproblemen hebben.

Minister De Geus:

In het algemeen overleg hebben wij besproken dat een bepaald ziektebeeld niet synoniem is aan arbeidsongeschiktheid. Gelukkig niet. Er zijn mensen met een zwaar letsel die toch een plek kunnen vinden op de arbeidsmarkt. Dat is voor die mensen mooi, maar ook voor de samenleving. Ik distantieer mij van de relatie tussen een bepaald ziektebeeld en arbeidsongeschiktheid. Dat heb ik een- en andermaal betoogd en dat blijkt ook uit de beantwoording van de vragen die recentelijk door de heer Vendrik zijn gesteld.

Ik heb meermaals gezegd dat ik graag met de Kamer debatteer over het beeld dat ontstaat. Dat beeld is half mei beschikbaar. Op dat moment kan ik daar een meer bezonken oordeel over hebben en daarover met de Kamer debatteren.

De heer Van der Vlies (SGP):

De minister zei dat het gaat om uitkomsten voor mensen. De herkeuring steunt op een onbevangen toepassing en op de deskundigheid van de keuringsarts. Die moet onbetwist zijn. Als de sector het signaal geeft dat de grenzen zijn bereikt, moet dat signaal serieus genomen worden. Ik vraag de minister daarom zijn reactie op die signalen toe te voegen aan het complete beeld dat hij in mei aan de Kamer kenbaar maakt en een antwoord te vinden op de vraag welke rol het medische dossier van betrokkenen speelt bij de toetsing van de bevindingen door de keuringsarts bij de herkeuring. Natuurlijk moet die onafhankelijk van het verleden plaatsvinden, maar als er voor de betrokkene een te betwisten punt is en het medische dossier wordt aangeleverd, moet dat naar mijn mening bij de toetsing een rol spelen. Hoe denkt de minister daarover?

Minister De Geus:

Het medisch dossier van betrokkene speelt in feite altijd een rol. Het is niet uitgesloten dat er op individueel niveau sprake is van een voortgezette behandeling of van een aandoening, soms zelfs een ernstige aandoening, die het op zichzelf niet onmogelijk maakt om te werken of die geen arbeidskundige gevolgen heeft. Ook door die bril wordt naar het dossier gekeken: heeft het gevolgen voor de capaciteiten van mensen om te werken? Dat is een andere bril dan de bril waardoor de behandelend arts kijkt. In principe worden de gegevens van de behandelende artsen, dus het medisch dossier van betrokkene, altijd serieus meegewogen.

Ik doe graag de toezegging om bij de rapportage in mei een reactie te geven op de signalen van de deskundigen. Daarbij maak ik wel een onderscheid. Er kan een individuele gewetensnood zijn, die altijd in de context moet worden bekeken: wat is de positie van de keuringsarts op dat moment, is er in die context iets aan de hand, heeft hij misschien ruzie met zijn baas of niet? Op die dingen verlaat ik mij liever niet. Dat is iets anders dan signalen vanuit de professionaliteit van beroepsgroepen. Ik vind het de verantwoordelijkheid van mij en van een instituut zoals de raad van bestuur van een UWV om dat soort zaken mee te wegen.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik hoop dat wij niet de enigen zijn, maar voor de fractie van GroenLinks gaat de WAO niet over cijfers, maar over mensen. De mensen die wij in de Zembla-documentaire hebben gezien, bleven na de uitkomst van hun herkeuring verbijsterd, wanhopig en verdrietig achter. Zij bleven klachten houden, ze waren nog steeds ziek, maar ze moesten aan het werk. Dan is het ook aan deze minister om in dit korte debat duidelijk te maken wat hij tegen die mensen zou willen zeggen, want zij begrijpen het niet. Ik vraag deze minister dus om iets tegen die mensen te zeggen. Hoe kunnen zij aan het werk terwijl zij klachten houden, nog steeds ziek zijn en echt niet begrijpen – want dat was het beeld uit de Zembla-documentaire – waarom zij ineens goedgekeurd zijn?

Mijn tweede vraag wil ik met zeer grote terughoudendheid stellen; ik hoop dat de minister dat ook zo opvat. Ik ben geschrokken van de mededeling in Zembla dat enkele dagen na een herkeuring iemand die in de WAO zat, suïcide heeft gepleegd. Ik wil daarover maar één vraag aan de minister stellen, want ik heb hier verder geen oordeel over, behalve dat het bericht dat tot mij is gekomen, mij raakt. Is dit voor de minister aanleiding, is dit voor hem al aanleiding geweest of wordt dit voor hem aanleiding om daar nadere vragen over te stellen en wellicht zijn inspectie daarvoor een opdracht te geven? Dit is, zoals het lijkt, immers heel ernstig.

Minister De Geus:

Het laatste punt heeft mij geraakt. Dat is voor mij aanleiding geweest om mij nader te laten informeren over een aantal feitelijkheden en om mij te vergewissen van de uiterste zorgvuldigheid die in dit geval betracht is door het UWV. Tussen het gesprek waaraan gerefereerd werd en de datum van suïcide zat ruim anderhalve maand. Na de suïcide heeft het UWV in uiterste zorgvuldigheid contact gehad met de familie. Ik heb mij daarover laten informeren. De situatie heeft mij geen aanleiding gegeven voor een nader onderzoek.

U hebt ook gezegd dat er mensen zijn die in een individuele situatie met vragen blijven zitten. Laten wij in dit huis en in deze Kamer niet de discussie voeren over individuele gevallen en laten wij geen mensen aanspreken in individuele gevallen. Ik heb mij ervan vergewist dat het UWV rondom de herbeoordelingen, ook als mensen met vragen – van welke aard dan ook – blijven zitten, aanspreekbaar is. Ik hecht eraan dat de communicatie tussen de uitvoerende instantie en de betrokkenen, die soms geconfronteerd worden met ongunstige beslissingen, zeer zorgvuldig verloopt. Ik ben blij met de situatie dat in het overgrote gedeelte van die gevallen zowel de communicatie als de uitkomst de weg voor de betrokkenen vanuit de uitkering naar de arbeidsmarkt en – laten wij dat niet vergeten – naar het herstel open zet.

De heer De Wit (SP):

De minister sprak bij de presentatie van de eerste resultaten van de herkeuringen, alweer een tijd geleden, van "droomcijfers". Uit de klachten die de SP-fractie zelf op onze meldpunten binnen heeft gekregen, maar ook uit deze dramatische uitzending van Zembla, blijkt echter dat wij te maken hebben met radeloze mensen die van de ene op de andere dag arbeidsgeschikt worden verklaard. Als je van de huidige cijfers uitgaat, zou je kunnen concluderen dat de helft van het aantal mensen dat aan herkeuring wordt onderworpen, de uitkering ofwel helemaal ofwel gedeeltelijk verliest. In die uitzending riep iemand de minister ertoe op om eens te komen praten met degenen die dagelijks met WAO'ers te maken hebben, spreekuren houden voor WAO'ers en weten welke effecten deze herkeuring op deze mensen heeft. Mijn vraag is of de minister bereid is om niet alleen met het UWV te praten, maar ook met deze mensen, belangenorganisaties en spreekuurhouders die weten wat er gebeurt en die u dus in ieder geval een compleet beeld zouden geven.

Mijn tweede vraag betreft de keuringsartsen. Artsen in dit land merken op dat zij vanuit medisch oogpunt een onverantwoorde opdracht krijgen en dat voor hen de grens is bereikt van wat nog verantwoord is en niet. Zal de minister het UWV opdracht geven om dat te onderzoeken of laat hij een meer onafhankelijke instantie spreken met deze artsen, bijvoorbeeld de Inspectie voor de Gezondheidszorg, zodat er een onderzoek komt dat op afstand staat van de directe lijn UWV-keuringsarts?

Minister De Geus:

Het is niet mijn ambitie om via onafhankelijke onderzoeken te interveniëren in een uitvoeringspraktijk die onder verantwoordelijkheid staat van capabele mensen, waarin vele professionals al jarenlang werken. Natuurlijk is de vraag of het beroep naar eer en geweten kan worden uitgevoerd binnen de mogelijkheden van de professionaliteit van groot belang. Tijdens mijn gesprekken met degenen die dit beroep uitoefenen, hoor ik ook dat de herbeoordeling, de tijd die ervoor is en de mogelijkheden die er nu zijn om mensen op het spoor naar werk te zetten, juist met zich brengen dat vele professionals zich pas nu volledig professioneel erkend voelen. Wat zij het liefste doen, is mensen vanuit een uitkeringssituatie weer op een positief spoor zetten. Vroeger werd daaraan veel te weinig gedaan en nu gebeurt er veel meer. Dat is ook een kant van deze zaak. Ik heb de heer Van der Vlies toegezegd dat ik, als de informatie in mei beschikbaar komt, zal bezien welke ruimte de professionals daarin hebben. In eerste instantie moet die afweging echter worden gemaakt door het zelfstandig bestuursorgaan dat de wettelijke opdracht heeft om dit goed te doen. Ik zal dat volgen vanuit mijn politieke verantwoordelijkheid en in dier voege standpunt bepalen.

De heer De Wit (SP):

Is de minister bereid met belangenorganisaties te spreken?

Minister De Geus:

Ik zal niet rechtstreeks met hen spreken. Het gaat om de uitvoering van wettelijke taken en het is dan ook in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur van het UWV om daarover met de eigen mensen te spreken. Als ik werkbezoeken afleg, spreek ik graag met mensen die op de werkvloer bezig zijn. Bij mijn eerstvolgende werkbezoeken in dit kader spreek ik, overigens net zoals ik dat tot nu toe heb gedaan, bijvoorbeeld graag met vertegenwoordigingen van cliëntenraden. Vaak doe ik dat zonder dat er leidinggevenden van het UWV bij zijn, zodat ik kan horen waar de kritische noten zitten. De mensen die ik spreek, verzorgen vaak de spreekuren. Ik leg daar dus ook mijn oor te luisteren.

Mevrouw Verburg (CDA):

De uitzending van Zembla van afgelopen donderdagavond was zeer emotioneel. Wij moeten ons als volksvertegenwoordiging afvragen of het beeld dat werd geschetst van de herbeoordelingsoperatie, een getrouw beeld is van de werkelijkheid. Ik heb de indruk dat dat niet het geval is. Ik ben blij dat de minister heeft toegezegd dat hij, op het moment dat er een meer reëel en overzichtelijk beeld is van de praktijk, dit aan de Kamer zal toesturen. Kan de minister nu al zeggen dat datgene waarop de Kamer een- en andermaal heeft aangedrongen ook gebeurt, namelijk dat de mensen goed worden bejegend door de medewerkers van het UWV en door andere betrokkenen? Ik bedoel hiermee het volgende. Zijn de mensen die worden opgeroepen voor de herbeoordeling, van tevoren goed geïnformeerd over datgene wat hen te wachten staat? Kan de minister nu al aangeven dat er in de hele procedure na de herbeoordeling sprake is van een ketenaanpak, dus van een gesprek met een arbeidskundige, een reïntegratievisie en een reïntegratietraject, zodat de mensen om wie het gaat werkelijk perspectief krijgen?

Minister De Geus:

Het antwoord op de eerste vraag is "ja". Er is zeer veel aandacht besteed aan tijdige informatie vooraf. In die megaoperatie zijn er wel een paar incidenten geweest, maar die zijn direct hersteld. Daar hebben wij ook over gesproken.

Ik bevestig nogmaals dat de nazorg en de menselijke bejegening in de spreekkamer en rondom het directe contact een kritische factor is, waar goede afspraken over zijn gemaakt. In het natraject vindt er altijd een gesprek plaats om te komen tot een reïntegratievisie. Soms heeft dat een reïntegratietraject tot gevolg, maar niet altijd. Soms is de conclusie dat een reïntegratietraject niet hoeft te geschieden. Die reïntegratievisie wordt dus met iedereen besproken.

Mevrouw Koser Kaya (D66):

Het grootste pijnpunt bij deze keuringen is volgens mij de functionele mogelijkhedenlijst die door de verzekeringsarts gebruikt wordt. Neemt u die mee in de evaluatie? Bent u bereid om te bezien of die lijst gedetailleerder moet worden? Wordt überhaupt gekeken naar de invulling van deze lijst bij het bepalen van de verdiencapaciteit?

Een veel gehoorde klacht is dat mensen zich niet serieus genomen voelen. Hoe kun je dat gat dichten? Wordt dat ook meegenomen in de evaluatie?

Minister De Geus:

De functionele mogelijkhedenlijst vindt onder andere een vertaling in de toepassing van het CBBS. Wij hebben daar in november of december tijdens een AO uitgebreid over van gedachten gewisseld, onder andere naar aanleiding van de kritiek van de centrale raad van beroep op de onderbouwing van bepaalde uitspraken. Ook op dat punt heb ik toezeggingen gedaan.

Ik heb die functionele mogelijkhedenlijst in mijn tas, omdat ik wil weten hoe het zit. Ik heb die lijst dus bij me ter informatie. Je kunt er als leek best een paar vragen over stellen, maar de lijst werkt goed en heeft als zodanig een toegevoegde waarde. Het is onvermijdelijk dat mensen teleurgesteld achterblijven. Juist voor die mensen moet het pad naar reïntegratie een goed gevolg hebben. Voor mensen met onbeantwoorde vragen, bijvoorbeeld op medisch gebied, staat altijd de mogelijkheid open van bezwaar en beroep. Ook daar wordt gebruik van gemaakt.

De heer Varela (LPF):

In de uitzending van Zembla bleek dat 50% van de mensen arbeidsgeschikt werd verklaard, maar van die 50% kreeg slechts 30% een reïntegratietraject aangeboden. Kloppen deze cijfers? Zo ja, wat gaat de minister eraan doen om dat percentage van 30 wat op te krikken? Ik vind 30% wel heel erg laag.

Minister De Geus:

Ik heb niet precies paraat hoe het in Zembla gesteld is. Ik weet wel dat voor de mensen bij wie een vermeerderde arbeidsgeschiktheid wordt geconcludeerd als regel ook een reïntegratietraject wordt ingezet. Dat het niet bij iedereen gebeurt – bij 30% niet, zeg ik uit mijn hoofd – heeft te maken met het feit dat er wel een reïntegratievisie wordt vastgesteld maar dat er geen noodzaak is om ook een traject van een bureau in te kopen. Dat kan bijvoorbeeld komen doordat mensen al een baan hebben. Dan is het beter om samen met betrokkene en werkgever te kijken naar het vermeerderen van de uren.

De heer Varela (LPF):

Zijn de kansrijken eerst aan de beurt?

Minister De Geus:

Bij de herbeoordeling is dit in zekere zin wel het geval voor zover er een correlatie is tussen leeftijd en kans.