36 067 Wijziging van de Pensioenwet, de Wet inkomstenbelasting 2001 en enige andere wetten in verband met herziening van het pensioenstelsel, standaardisering van het nabestaandenpensioen, aanpassing van de fiscale behandeling van pensioen en enige andere wijzigingen ten aanzien van pensioen (Wet toekomst pensioenen)

K NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 20 april 2023

De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen die de leden van de fracties van VVD, CDA, ChristenUnie, PvdA/GroenLinks, PvdD, SGP, SP, PVV, OSF, 50PLUS, Fractie-Nanninga, Fractie-Frentrop en Fractie-Otten hebben gesteld bij het voornoemde voorstel van wet en de opvattingen die de leden over dit voorstel hebben. In deze nadere memorie van antwoord gaat de regering in op de vragen van de leden van de verschillende fracties. De beantwoording houdt de volgorde van de vragen aan. Een aantal keer hebben verschillende fracties dezelfde vraag gesteld. Voor de leesbaarheid is in dat geval het antwoord bij iedere fractie opgenomen, met zo min mogelijk verwijzingen naar andere antwoorden. Wanneer met een enkel antwoord meerdere opeenvolgende vragen zijn beantwoord, zijn de vragen zonder witregel samengevoegd en is in het antwoord aangegeven welke vragen ermee worden beantwoord. De regering kijkt uit naar een voorspoedige verdere behandeling van het wetsvoorstel door uw Kamer.

Vragen van de leden van de VVD-fractie:

1.

Er is niet voorzien in een hoorrecht voor slapers en pensioengerechtigden bij de transitie commissie. Het staat de transitiecommissie vrij deze groepen te betrekken. De VVD-fractie vraagt zich af of dit geen plicht moet zijn omdat het potentieel veel onrust zou wegnemen?

Een wettelijk hoorrecht voor slapers en gepensioneerden bij de transitiecommissie wordt niet passend geacht. De transitiecommissie is immers bedoeld om sociale partners, werkgevers en werknemers te ondersteunen die vastlopen in het onderhandelingsproces over de nieuwe pensioencontracten. Waarbij opgemerkt dient te worden dat in de arbeidsvoorwaardelijke fase ook rekening gehouden dient te worden met de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden. Het is vervolgens aan deze partijen om met behulp van mediation te komen tot een nieuwe pensioenregeling of het bindend advies te verwerken in de pensioenregeling waarna het transitieplan wordt opgesteld.

2.

De VVD heeft er begrip voor dat de adviezen van de landsadvocaat niet openbaar worden gemaakt. In een specifiek aan de orde gestelde en lopende procedure is dat ook goed voorspelbaar onder het mom van «je houdt je kruit droog». Maar in het onderhavige geval is er geen sprake van lopende procedures dus het zou helpen wanneer de regering een reflectie zou gegeven. Een dergelijke reflectie zou heel wat onrust in de samenleving wegnemen, de niet-openbaarmaking voedt de achterdocht en dat moet worden voorkomen.

Er kan geen inhoudelijke reflectie worden gegeven op deze adviezen, maar wel kan worden toegelicht wat er met deze adviezen is gedaan en waaraan deze adviezen hebben bijgedragen.

Het ontstane beeld dat in 2011 volstrekt anders werd gedacht over invaren is niet terecht. Er zijn vanaf 2011 meerdere adviezen uitgebracht over het omzetten van opgebouwd pensioen naar een nieuwe pensioenregeling en de verhouding met het eigendomsrecht. In alle adviezen is het juridisch kader omtrent het Europese eigendomsrecht beoordeeld en getoetst.

Zoals door de landsadvocaat is toegelicht is in de Europese rechtspraak al in 2005 het kader ontwikkeld om te bepalen of een inmenging of beperking op het eigendomsrecht toegestaan kan worden:1

  • 1. De inmenging of beperking moet bij wet zijn voorzien,

  • 2. dient een algemeen rechtvaardig belang, en;

  • 3. is proportioneel (er moet een fair balance zijn tussen het geschonden belang en het met de maatregel gediende algemene belang).

Uit de op dat moment bekende rechtspraak kon al worden afgeleid dat landen een grote vrijheid hebben om het gerechtvaardigd algemeen belang te onderbouwen.2

Voor de toetsing van de proportionaliteit was ook rechtspraak beschikbaar. Bijvoorbeeld de wijziging van de algemene weduwe- en wezenwet naar de Algemene nabestaandenwet waardoor het nabestaandenpensioen verlaagd werd. Uit de Europese jurisprudentie bleek bovendien dat de rechter meeweegt of de inmenging het gevolg is van collectieve onderhandelingen.3

Met in achtneming van elementen uit de rechtspraak kan aangenomen worden dat regulering van het eigendomsrecht op grond van artikel 1 van het eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 1 EP EVRM) gerechtvaardigd kan worden.4

De aanleiding

Naar aanleiding van de rapporten van de Commissie Frijns en de Commissie Goudswaard bereikten de sociale partners in de Stichting van de Arbeid op 10 juni 2010 een Pensioenakkoord. In juni 2011 volgde de uitwerking van de uitgangspunten van het Pensioenakkoord.

De periode 2011–2013

Het Pensioenakkoord 2011 bestond uit afspraken over de toekomstbestendigheid van de AOW en over de hervorming van het arbeidsvoorwaardelijk pensioen. Onderdeel van het Pensioenakkoord 2011 was het omzetten van bestaande pensioenen naar de nieuwe pensioenregeling.

In 2012 wordt door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het rapport «Collectief invaren van pensioenaanspraken en rechten in het reële pensioencontract» opgesteld.5 In dit rapport zijn de ingewonnen juridische adviezen verwerkt.

In 2013 verscheen het concept wetsvoorstel invoering reële ambitieovereenkomst als uitwerking van het Pensioenakkoord 2011. Het wetsvoorstel regelde, onder andere, dat opgebouwde pensioenrechten konden worden gewijzigd en dat bij een collectieve waardeoverdracht geen individueel bezwaarrecht van toepassing was. Ten behoeve van dit wetsvoorstel werd ook juridisch advies ingewonnen. Van 12 juli 2013 tot 6 september 2013 heeft het wetsvoorstel (met daarin een uitgebreide – op de juridische adviezen gebaseerde – onderbouwing van «invaren») «invoering reële ambitieovereenkomst» opengestaan voor internetconsultatie. Er is daarna geen wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.

In de periode tussen 2014 en 2019 treedt wel de Wet aanpassing financieel toetsingskader in werking en worden gesprekken gevoerd in aanloop naar een nieuw pensioenakkoord.

De periode 2019-nu

Het Pensioenakkoord 2019 werd 5 juni 2019 gesloten. De SER sprak de wens uit dat bestaande pensioenopbouw en toekomstige pensioenopbouw zoveel mogelijk bij elkaar blijft. Het Pensioenakkoord 2019 bevatte daarom eveneens het voorstel om in te varen naar de nieuwe pensioenregeling. Ten behoeve van de uitwerking van het Pensioenakkoord in 2020 zijn door het ministerie opgestelde analyses over verschillende vormen van invaren getoetst door de landsadvocaat. Het advies van de landsadvocaat leverde hiermee input voor het wetsvoorstel toekomst pensioenen.6 Delen van de analyse hebben als input gediend voor het juridische hoofdstuk in de memorie van toelichting.

De juridische adviezen zijn, conform de geldende beleidslijn, niet gedeeld met de Tweede Kamer. De strekking van het advies is evenwel kenbaar via de memorie van toelichting en de beantwoording van vragen tijdens het parlementaire proces in de Tweede Kamer.

3.

Uit beantwoording in eerste termijn blijkt dat in het nieuwe pensioenstelsel vermogens gescheiden kunnen worden aangehouden wanneer het de verschillende systemen betreft DB of DC. Als dat zo is dan zou het toch mogelijk moeten zijn voor pensioenfondsen de keuze te maken voor bestaande deelnemers het oorspronkelijke systeem te blijven hanteren en het DC systeem voor toekomstige deelnemers van toepassing te verklaren? Ondanks dat de regering stelt in de beantwoording dat er nadelen aan zijn verbonden, laat de vraag zich stellen waarom een dergelijke beslissing niet overgelaten kan worden aan het pensioenfonds of de deelnemer. Volledigheidshalve hierop nogmaals een nadere reflectie met een schets van de voor- en nadelen.

Het is mogelijk – wanneer wordt besloten af te wijken van het standaard invaarpad – om de bestaande pensioenen niet in te varen. In dat geval bestaan de oude en nieuwe pensioenopbouw en -rechten naast elkaar in het pensioenfonds, zoals de VVD terecht concludeert. Die keuze om in te varen is aan sociale partners en het pensioenfonds. Sociale partners doen in dat geval geen verzoek tot invaren of een pensioenfonds beargumenteert dat het geen uitvoering zal geven aan een ontvangen invaarverzoek. Hierdoor kan bij ieder pensioenfonds een eigen afweging worden gemaakt die het meest recht doet aan de situatie bij dat pensioenfonds. Dat betekent echter alleen dat de bestaande pensioenopbouw en -uitkeringen niet worden ingevaren. Nieuwe pensioenopbouw vindt altijd plaats onder de nieuwe regels voor premieovereenkomsten, waaronder de regels voor fiscale facilitering en de verhoog- en verlaagregels. Ondanks de mogelijkheid om bestaande pensioenen niet in te varen, is de regering, met de partijen die het Pensioenakkoord sloten, van mening dat invaren de voorkeur verdient. Immers, invaren betekent dat de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel – waaronder eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen, een persoonlijker en transparanter pensioen – sneller en vollediger voor alle deelnemers en pensioengerechtigden worden gerealiseerd. Met invaren kunnen risico’s breder gedeeld blijven worden. Bovendien wordt voorkomen dat het beleggingsbeleid conservatiever vormgegeven moet worden, omdat het achterblijvende deelnemersbestand vergrijst.

4.

Bij de verdeling van het pensioenvermogen van een fonds over de deelnemers dient er sprake te zijn van een evenwichtige belangenafweging. Dat spreekt voor zich, en alle betrokken instanties zullen dit onderschrijven, maar een dergelijke algemene term is vrij ongrijpbaar. Kan de Minister duidelijker omschrijven hoe dit begrip wordt geconcretiseerd en wel zo dat het toetsbaar is? Dit lijkt van belang omdat in de beantwoording van eerdere vragen wordt gesteld dat er slechts sprake zal zijn van een marginale toets door DNB.

Beleidsbepalers binnen een pensioenfonds zijn gehouden tot een evenwichtige afweging van de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden, andere aanspraakgerechtigden en de werkgever. Deze evenwichtige belangenafweging is een open norm.7 De open norm heeft een werking in de civielrechtelijke verhouding (deelnemers ten opzichte van het pensioenfonds) en bestuursrechtelijk (toezichthouder ten opzichte van het pensioenfonds).

De open norm is sinds 1988 in de pensioenwetgeving opgenomen om te waarborgen dat afgewogen besluiten worden genomen door het pensioenfondsbestuur. Deze open norm geeft evenwel niet aan hoe de belangen moeten worden gewogen, maar wel dat ze moeten worden afgewogen. Dat geeft ruimte voor maatwerk, zodat de belangenafweging passend is op het niveau van het individuele pensioenfonds, en flexibiliteit, ook bij nieuwe ontwikkelingen kan de norm nog steeds worden toegepast.

Door eisen te stellen aan de besluitvorming in het algemeen en specifiek over de transitie en de nadere voorschriften aan de omrekenmethodes, kan de evenwichtige belangenafweging door het pensioenfondsbestuur worden beoordeeld. De toetsing van een open norm als de evenwichtige belangenafweging door DNB is dan een marginale toetsing. De toezichthouder betrekt de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds en weegt deze omstandigheden mee bij de beoordeling of aan de norm is voldaan. De regering acht het niet wenselijk de norm verder in te kaderen. In het wetsvoorstel is met de derde nota van wijziging wel duidelijk aangegeven binnen welke kwantitatieve grenzen ingevaren mag worden. Daarmee is duidelijker geworden binnen welke kaders een evenwichtige transitie mogelijk is.

Daarnaast is het in dit kader goed om de Handreiking evenwichtige transitie te benoemen, die voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel toekomst pensioenen ter beschikking zal worden gesteld. In deze handreiking wordt nader ingegaan op het wetgevend kader rond de transitie en worden elementen benoemd die een rol spelen in de evenwichtige besluitvorming. Het doel van de handreiking is sociale partners en pensioenfondsbestuurders helpen bij de vormgeving van de evenwichtige belangenafweging en deze te verantwoorden.

5.

Zijn de economische omstandigheden op het moment van invaren, met name het renteniveau, niet van onevenredig grote invloed op de uitkomsten van de verdeling? Heeft een pensioenfonds de keuze, tegen de achtergrond van de economische omstandigheden, voorlopig af te zien van de overgang naar het nieuwe stelsel?

Bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel geldt dat vanaf 1 januari 2027 de nieuwe pensioenopbouw in premieregelingen zal moeten worden opgebouwd. Partijen kunnen hier voor de nieuwe pensioenopbouw niet vanaf zien.

Wel heeft het pensioenfonds de keuze om de bestaande opgebouwde rechten wel of niet in te varen. De financiële positie van pensioenfondsen is gevoelig voor de economische omstandigheden waarin zij verkeren en in het bijzonder voor de rentestand. Dit geldt voor elk moment in de tijd en niet alleen bij het invaren. Naast de invloed die de rente heeft op het vermogen, heeft deze bijvoorbeeld ook een effect op de in te kopen uitkering. Deze twee effecten werken tegen elkaar in. Pensioenfondsen wegen ook af in hoeverre zij renterisico’s afdekken. Het implementatieplan schrijft specifiek voor de transitie voor dat pensioenfondsen bezien welke financiële risico’s er gelden voor de transitie en hoe zij deze zullen beheersen. Om voor het invaren desalniettemin reeds op voorhand rekening te houden met wijzigende economische omstandigheden op het moment van invaren, maken sociale partners afspraken over het kader waarbinnen de transitie – ook bij wijzigende omstandigheden – evenwichtig kan worden uitgevoerd. Pensioenfondsen bezien vervolgens hoe zij het invaarbesluit binnen deze kaders vorm kunnen geven. Zij verkennen daarbij hoe het invaarbesluit eruit komt te zien als de financiële ruimte anders is door andere economische omstandigheden op het moment van invaren dan op het moment dat het besluit wordt genomen. Hoewel pensioenfondsen uiteraard zullen koersen op de optimale invaarsituatie, kan het pensioenfonds zo het invaarbesluit ook bij afwijkende financiële omstandigheden uitvoeren, terwijl recht wordt gedaan aan wat sociale partners evenwichtig vinden.

Op grond van het conceptbesluit toekomst pensioenen zijn sociale partners verplicht ook een concreet en haalbaar plan te maken voor onvoorziene omstandigheden waardoor de transitie niet meer binnen de genoemde kader kan worden uitgevoerd. Dat plan kan bijvoorbeeld inhouden dat in dat geval wordt afgezien van het invaren van bestaande opbouw naar het nieuwe pensioenstelsel.

6.

Het risico van een veel lager nabestaande pensioen vlak voor de AOW-datum, in vergelijking met vlak erna, is onderschat. Kan de Minister nogmaals duidelijk uiteenzetten hoe dit wordt ondervangen?

Het risico dat het partnerpensioen bij overlijden voor pensioendatum fors lager zou zijn dan het partnerpensioen bij overlijden na pensioendatum wordt niet herkend. De dekking voor pensioendatum is op risicobasis en kan tot maximaal 50% van het pensioengevend loon bedragen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een franchise. Aangezien deze dekking diensttijd-onafhankelijk is betekent deze dat deze direct vanaf het moment van aanvang van de deelneming op het gewenste niveau is.

Het is wel zo dat in het huidige wetsvoorstel het kan voorkomen dat er een verschil is in de hoogte van het partnerpensioen dat men ontvangt bij overlijden voor en na pensioendatum. Bij overlijden voor pensioendatum gaat het erom dat de nabestaande geconfronteerd wordt met een weggevallen arbeidsinkomen. De risicodekking biedt daar compensatie voor. Bij overlijden na pensioendatum wordt de nabestaande geconfronteerd met een weggevallen aanvullend pensioen. Dit aanvullend pensioen is al lager dan het arbeidsinkomen vanwege de AOW. Het partnerpensioen vervangt dit weggevallen aanvullend pensioen. De hoogte van het partnerpensioen probeert dus steeds aan te sluiten bij de inkomenssituatie die op moment van overlijden het geval is.

Dat neemt niet weg dat decentrale sociale partners desgewenst dit verschil kunnen verkleinen door voor het risico dat deelnemers overlijden voor pensioendatum een nabestaandenoverbruggingspensioen af te sluiten. Een nabestaandenoverbruggingspensioen geeft een dekking bij overlijden voor pensioendatum tot aan de pensioendatum van de nabestaande. Op die manier kan het niveau van de dekking van het levenslange partnerpensioen lager vastgesteld worden, terwijl er bij overlijden voor pensioendatum afdoende dekking blijft voor het overlijdensrisico. Het verschil in partnerpensioen voor en na pensioendatum neemt dan af. In navolging van de motie van de leden Stoffer en Ceder heb ik sociale partners actief op de hoogte gesteld van deze mogelijkheid.8

7.

Nog een aanvullende vraag over de verzekerde regelingen. De eerder gestelde vraag had de bedoeling een voorafgaand onderzoek te entameren om zicht te krijgen in de effecten van het voorgenomen beleid. De Minister wenst te monitoren maar dat betekent het in beeld krijgen van gemaakte afspraken tussen sociale partners. Afspraken die, nadat ze zijn gemaakt, moeilijk zijn te wijzigen. Als een proactieve aanpak ongewenste effecten weet te voorkomen is de VVD daarvan een voorstander. Is de Minister bereid dit te overwegen? Een inventarisatie kan ook door derde partijen worden uitgevoerd.

De afspraken die werkgevers- en werknemers(organisaties) gaan maken ten aanzien van de transitie en compensatie zijn het resultaat van onderlinge onderhandelingen en keuzes over diverse aspecten van de pensioenregeling. Vooraf te inventariseren welke keuzes werkgevers- en werknemers(organisaties) zullen maken veronderstelt dat de keuzes en de resultaten van de onderhandelingen al bekend zijn. Deze keuzes zijn nu echter nog lastig te maken, aangezien de wet nog niet is aangenomen. Een dergelijke inventarisatie zal dan ook onvoldoende informatie opleveren.

Voor pensioenregelingen met een progressieve premie, of pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij verzekeraars of premiepensioeninstellingen geldt dat het niet mogelijk is om een dubbele transitie uit te voeren. Als gevolg daarvan dreigt een grote groep deelnemers geconfronteerd te worden met een onevenwichtige transitie. Daarom is in lijn met het Pensioenakkoord een overgangsregeling getroffen, die inhoudt dat de mogelijkheid om progressieve premies toe te passen onder bepaalde voorwaarden wordt geëerbiedigd. In de transitieperiode kunnen werkgevers- en werknemers(organisaties) die op dit moment een verzekerde regeling hanteren ook hiervoor kiezen. In de monitoring zal inzicht geboden worden in het gebruik van de overgangsregeling.

8.

Er bestaat weinig twijfel over de ingewikkeldheid van de gehele operatie, waarvan de sector gelukkig zegt dat het doenbaar is. Vraag aan de regering: zijn er op termijn nog vereenvoudigingen denkbaar zoals uit de onderliggende informatie kan worden opgemaakt?

De pensioentransitie is een uitdaging voor de pensioensector. Zoals de leden van de fractie van de VVD aangeven is de sector van mening dat de transitie binnen de gestelde termijnen uitvoerbaar is. In de vormgeving van de transitie is rekening gehouden met uitvoerbaarheid voor sociale partners, pensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties. Daarbij zijn waarborgen gesteld zodat een zorgvuldig proces wordt doorlopen. De voortgang van de transitie zal uitgebreid worden gemonitord, evenals de ervaringen van sociale partners en pensioenuitvoerders gedurende de transitie en de mogelijke knelpunten waar zij tegenaan lopen. De Kamer zal periodiek worden geïnformeerd over de voortgang van de transitie. Naar aanleiding van deze signalen en knelpunten zal gedurende het proces moeten worden bijgestuurd waar nodig. Ook kan op basis hiervan worden bezien of het noodzakelijk is de transitieperiode te verlengen. Tevens is het in dit kader relevant om te melden dat de AFM en DNB samenwerken aan een platform voor de pensioentransitie met diverse pensioenuitvoerders en andere stakeholders. Het platform is bedoeld om tijdig transitieknelpunten inzichtelijk te krijgen en te adresseren. Hierop kan worden geacteerd door op een specifiek onderwerp helderheid over het toezicht te geven, door aanvullende guidance voor de sector te publiceren of door met andere partijen, waaronder de wetgever, te zoeken naar oplossingen.

9.

Kan de regering duidelijk aangeven hoe de operationele kosten die met de invoering samenhangen, en daar kunnen ook juridische kosten onder worden begrepen, worden gefinancierd?

Het pensioenfonds dient een operationele reserve aan te houden om operationele kosten uit te voldoen zoals wijzigingen met terugwerkende kracht, resultaten op risicoverzekeringen en/of juridische kosten. Een bestaande reserve voor operationele kosten in het huidige pensioenstelsel hoeft niet ingevaren te worden en kan een-op-een overgezet worden naar de nieuwe premieregeling. Na het invaren kan deze reserve eventueel nog (verder) gevuld worden uit een premieopslag.

10.

De RTS blijft in het nieuwe systeem een belangrijke rol spelen. Is het niet mogelijk een inzichtelijke afspraak te maken via de vaststelling van een conservatief laag rentepercentage op de lange termijn?

Een andere grondslag dan de RTS voor het beschermingsrendement in de solidaire premieovereenkomst zou leiden tot ex ante herverdeling tussen de persoonlijke pensioenvermogens van deelnemers, waardoor het persoonlijke karakter van de pensioenopbouw verloren gaat en weer discussies over de verdeling van het collectieve vermogen kunnen ontstaan. Daarmee gaat een belangrijke doelstelling van het wetsvoorstel verloren. Bovendien zou een ongelijk speelveld ontstaan met de flexibele premieovereenkomst, waar de persoonlijke pensioenopbouw rechtstreeks is gebaseerd op marktwaardering.

Vragen van de leden van de CDA-fractie:

1.

De WTP is een product van de polder. Werknemers, werkgevers en een overheid overleggen en maken afspraken voor een beter pensioensysteem, een systeem met minder buffers en meer mogelijkheden tot indexatie. De afspraken die zijn gemaakt bevatten vanzelfsprekend compromissen. Maar als een voortschrijdend inzicht dat fondsen en stakeholders nu bij de voorbereiding van de invoering van de wet opdoen uitwijst dat verbeteringen nodig zijn, is de regering dan bereid om daaraan tegemoet te komen? De leden van de CDA-fractie vragen dat omdat uitvoerbaarheid van een dergelijk grote operatie een zware toets moet krijgen in de Eerste Kamer.

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen vloeit voort uit het Pensioenakkoord dat is gesloten met sociale partners, waarbij pensioenuitvoerders nauw betrokken zijn geweest. Dat er een akkoord is gesloten met sociale partners is in dit geval zeer belangrijk aangezien het aanvullend pensioen een arbeidsvoorwaardelijke afspraak betreft. Sociale partners sluiten pensioenregelingen af en zorgen ervoor dat wanneer werknemers met pensioen gaan er een adequate oudedagsvoorziening is geregeld. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen schetst de kaders waarbinnen deze afspraken vormgegeven worden, maar het is niet aan de overheid om de pensioenregeling voor sociale partners in te vullen.

Uiteraard geldt dat het voorliggend wetsvoorstel uitvoerig is getoetst door verschillende instanties. Bij de toetsing door adviseurs van de regering, zoals de Raad van State, is expliciet gekeken naar de kwaliteit van de wetgeving. Ook is het wetsvoorstel getoetst door pensioenuitvoerders middels een internetconsultatie. Daarbij geldt dat de uitwerking van het wetsvoorstel en lagere regelgeving bovendien in nauw overleg gebeurt met sociale partners, pensioenuitvoerders en toezichthouders, zowel in het voortraject als tijdens de periode van parlementaire behandeling. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op die manier gedurende het wetstraject regelmatig gesprekken gevoerd met pensioenuitvoerders om te weten wat er speelt in de sector en om indien nodig, wet- en regelgeving hierop aan te passen. Deze aanpak zal ook gedurende de transitie worden voortgezet. Het is namelijk van groot belang dat pensioenuitvoerders daadwerkelijk aan de slag kunnen met de implementatie van het nieuwe pensioenstelsel. In de gesprekken die het ministerie de afgelopen maanden heeft gevoerd blijkt ook dat de pensioensector voortvarend aan de slag is. Als gedurende de transitie blijkt dat bepaalde uitvoeringstechnische uitdagingen zich voordoen die op voorhand nu nog niet te voorzien zijn, dan zal op dat moment worden bezien hoe deze kunnen worden weggenomen. Het ministerie, maar bijvoorbeeld ook de toezichthouders, stellen zich proactief op om met de sector in gesprek te blijven om op die manier eventuele uitvoeringstechnische knelpunten in een zo vroeg mogelijk stadium te signaleren en weg te nemen.

2.

In het voorlopig verslag is door de leden van de CDA-fractie gewezen op de afnemende appetite in de samenleving voor de WTP. Met name de ouderenbonden vrezen dat hun leden slechter af zijn onder de WTP en daar hebben de leden van de CDA-fractie begrip voor. Tegelijkertijd lijkt de interesse van jongeren voor het onderwerp pensioen nog steeds gering, wat voor deze leden des te meer reden is om ook zorgvuldig hun belangen te wegen. Is de regering het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit mede veroorzaakt wordt door de veelal oneigenlijk geschetste tegenstelling tussen de belangen van jong en oud, onder andere bij het invaren?

3.

Onmiskenbaar veranderen de aan groepen toe te rekenen vermogens met iedere wijziging van de rente, maar wat uiteindelijk telt is welke pensioenuitkering daarmee gerealiseerd kan worden, niet dat vermogen. Daarom is het van groot belang dat invaren in het nieuwe stelsel volgens een evenwichtige verdeelsleutel plaatsvindt en er over de life cycle voldoende risicocapaciteit voor de diverse leeftijdsgroepen overblijft. Is de regering het eens met de leden van de CDA-fractie dat dit vraagt om voldoende flexibiliteit om bij te kunnen sturen?

Hiermee wordt antwoord gegeven op vraag 2 en 3. De leden van de fractie van het CDA wijzen op de zorgen bij ouderen en de geringe interesse die jongeren zouden hebben voor het onderwerp pensioen. Allereerst wil ik hier graag bij opmerken dat ik uiteraard ook de kritische geluiden hoor, ook tijdens de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel, en die ook meeneem in de afwegingen die ik bij dit wetsvoorstel maak. Tegelijkertijd vind ik het ook van belang om te benadrukken dat dit niet de enige geluiden zijn. Bij een groot wetsvoorstel als deze, en bij een belangrijk onderwerp als pensioen is het logisch dat er verschillende meningen zijn, dat hoort bij het maatschappelijk debat.

Voorafgaand aan de totstandkoming van het Pensioenakkoord is al met verschillende organisaties gesproken. Ook nu voer ik zelf nog steeds regelmatig overleg met diverse belanghebbendenpartijen. Zo voer ik constructieve gesprekken met ouderen- en jongerenorganisaties. Het klopt dat er op bepaalde onderdelen belangentegenstellingen zijn, maar dat beeld is zeer genuanceerd. Beide groepen zetten zich in voor een goed en toegankelijk pensioen, waarin risico’s tussen alle generaties kunnen worden gedeeld. Het is daarom ook waar wat de leden van de CDA-fractie constateren: er is veelal een oneigenlijk geschetste tegenstelling. Hierbij dient ook opgemerkt te worden dat het huidige pensioencontract zich kenmerkt door weinig transparantie, bijvoorbeeld in de doorsneesystematiek, waardoor veel pensioendeelnemers geen vertrouwen hebben in de wijze van pensioenopbouw. Dit draagt bij aan de door de leden van de CDA-fractie benoemde geschetste tegenstelling tussen jong en oud. Uiteindelijk is het van belang om gezamenlijk de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel te maken en daar ook samen in op te trekken, zoals dat nu bijvoorbeeld ook al gebeurt bij de totstandkoming van de Handreiking evenwichtige transitie, waar zowel vertegenwoordigers van jongeren- als ouderenorganisaties bij betrokken zijn.

Wat voor alle deelnemers en gepensioneerden uiteindelijk van belang is, is dat sociale partners en het pensioenfonds decentraal kunnen besluiten wat voor hen een evenwichtige transitie is. Een pensioenfonds met een relatief ouder deelnemersbestand zal andere uitdagingen kennen dan een pensioenfonds met een relatief jonger deelnemersbestand. Daarom is in het wetsvoorstel geregeld dat binnen het wettelijk kader bestuurlijke ruimte is voor sociale partners en pensioenfondsen om eigen afwegingen te kunnen maken passend bij hun deelnemersbestand. Zo is er binnen beide invaarmethoden bestuurlijke ruimte voor pensioenfondsen om aan hun taak voor evenwichtige belangenafweging te kunnen voldoen.

4.

Is, zo vragen de leden van de CDA-fractie, de regering het eens met de stelling dat het pensioen geen financieel product is, maar het organiseren van een inkomen na de werkzame periode dat aansluit bij het inkomen dat gedurende die werkzame periode is verdiend?

Die opvatting deel ik met de leden van de CDA-fractie. De Wet op het financieel toezicht geeft de vereisten wat kwalificeert als een financieel product; pensioen voldoet niet aan die kwalificaties. Pensioen is een van de secundaire arbeidsvoorwaarden die sociale partners op decentraal niveau met elkaar overeenkomen, ten behoeve van inkomen na de werkzame periode.

5.

Is de regering het met de leden van deze fractie eens dat door een inpassen van te veel eigenschappen van een financieel product wellicht de uitkomst in nominale termen zekerder kan zijn, maar er onvoldoende ingespeeld kan worden op veranderende omstandigheden?

Het feit dat pensioenen voortaan worden geadministreerd in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens op basis van een premieovereenkomst betekent dat tweede pijlerpensioenen wellicht meer kenmerken krijgen van een financieel product. Echter, zoals ik ook in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven zijn tweedepijler pensioenen in hun aard geen zuiver financiële producten en worden derhalve ook niet gekwalificeerd als financieel product, met het daarbij behorend regelgevend kader. Er blijft ook in de nieuwe pensioencontracten sprake van allerlei vormen van risicodeling, solidariteit en de wettelijke eis dat sprake moet zijn van een levenslange pensioenuitkering blijft van kracht. Omdat het nieuwe pensioenstelsel verschillende instrumenten kent die gericht kunnen worden ingezet om bepaalde risico’s te mitigeren, zoals de solidariteits- en risicodelingsreserve, en bijvoorbeeld een gerichte toedeling van rendementen – passend bij de risico’s die deelnemers kunnen en willen lopen – maakt dat het nieuwe pensioenstelsel naar mijn mening beter met veranderende omstandigheden kan omgaan dan het huidige pensioenstelsel.

6.

Kan de regering garanderen dat met de voorziene adequate interne governance, raad van toezicht, verantwoordingsorgaan en onafhankelijke sleutelhouders, de pensioenfondsbesturen de ruimte houden om bij te sturen om daarmee de afspraken die met sociale partners zijn gemaakt over de pensioenregeling te kunnen waarmaken.

De Pensioenwet stelt regels om adequate governance binnen pensioenfondsen te borgen. Deze regels voorzien onder meer in een zorgvuldig samenspel van bestuur, intern toezicht en verantwoording. Het bestuur van het pensioenfonds is eindverantwoordelijk voor alle handelingen die door of namens het pensioenfonds worden gedaan. In het kader van beheerste en integere bedrijfsvoering worden sleutelfunctiehouders aangesteld die op specifieke gebieden een controlerende of adviserende rol vervullen. Het intern toezicht houdt toezicht op het bestuur. Zowel bestuur als intern toezicht leggen over hun beleid, gemaakte keuzes en bereikte resultaten verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan of aan het belanghebbendenorgaan. Dit samenspel wijzigt met de invoering van het nieuwe pensioenstelsel niet. En ook de taken en bevoegdheden blijven in het nieuwe pensioenstelsel grotendeels gelijk. Er wordt daarom gemeend dat pensioenfondsen dezelfde ruimte houden als momenteel, om te kunnen besturen en bijsturen om te zorgen voor een zo goed mogelijke uitvoering van de pensioenregeling.

7.

De leden van de CDA-fractie houden zorgen over de toezegging van de Minister over «witte vlekken». Waar in de antwoorden gemeld is dat door een kortere wachttijd er meer mensen een pensioen opbouwen, vragen de leden van de CDA-fractie of niet beter vastgesteld had moeten worden dat er meer mensen eerder pensioen opbouwen.

Uit onderzoek van het CBS naar de omvang van het aantal werknemers dat eind 20199 geen pensioen opbouwt in de tweede pijler blijkt dat circa 31% van de werknemers in de uitzendsector geen pensioen opbouwt in de tweede pijler. De door sociale partners overeengekomen verkorting van de wachttijd van 26 naar 8 weken leidt er al toe dat een deel van deze werknemers wel pensioen is gaan opbouwen. Hoeveel werknemers door de verkorting van de wachttijd pensioen gaan opbouwen zal blijken uit het eerstvolgende CBS-onderzoek naar de omvang van de witte vlek (over de cijfers van ultimo 2022) dat naar verwachting eind dit jaar wordt gepubliceerd. Door het afschaffen van de wachttijd zal het aantal werknemers in deze sector dat geen pensioen opbouwt verder afnemen, het leidt er dus ook toe dat meer mensen eerder pensioen zullen gaan opbouwen. Deze maatregel moet echter ook in samenhang gezien worden met de andere acties die worden opgepakt en uitgevoerd door de Stichting van de Arbeid en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het «Aanvalsplan witte vlek». Die acties zijn gericht op bewustwording, hebben betrekking op werkgevers die gebonden zijn aan een verplicht gestelde pensioenregeling (denk aan actualiseren van de werkingssferen) en het stimuleren van het afsluiten van pensioenregelingen (met name bij kleine en startende werkgevers). In 2025 zal een tussenevaluatie plaatsvinden op basis van CBS-cijfers over 2024. Als blijkt dat het behalen van de doelstelling onvoldoende op schema ligt, zullen kabinet en sociale partners een pakket aan aanvullende maatregelen afspreken. Het is te vroeg om op die uitkomsten vooruit te lopen. Los daarvan is het uiteindelijk van belang om er over de gehele linie voor te zorgen dat meer werkgevers pensioenregelingen afsluiten voor hun werknemers.

8.

Bovendien houden de leden van deze fractie moeite met het voorafgaand aan de WTP al in 2024 invoeren van een verplichte pensioendeelname voor 18-jarigen. Wat kost het en wat levert het op, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Is het niet effectiever om deze groep met de transitie op te nemen?

In de Tweede Kamer is een amendement aangenomen dat ervoor zorgt dat de maximale toetredingsleeftijd voor pensioenopbouw wordt verlaagd van 21 jaar naar 18 jaar. Dat betekent niet dat elke 18-jarige pensioen op zal bouwen aangezien er pas pensioenopbouw plaatsvindt als het pensioengevend loon hoger is dan de franchise. Voor werknemers met een wettelijk minimumloon zal dat niet altijd het geval zijn, afhankelijk van de gehanteerde franchise bij de betreffende pensioenuitvoerder. De invoeringsdatum van de uiterste toetredingsleeftijd bij 18 jaar is ook expliciet aan de orde geweest tijdens de Tweede Kamerbehandeling.

Een voordeel van deze inwerkingtredingsdatum is dat jongeren eerder kunnen beginnen met het opbouwen van pensioen. Als er gewacht wordt tot het moment dat het pensioenfonds naar het nieuwe pensioenstelsel is overgaan, bijvoorbeeld per 1 januari 2026, zouden jonge werknemers een aantal jaar aan pensioenopbouw moeten missen.

De exacte kosten zijn niet in te schatten. Enerzijds kan gekeken worden naar de kosten voor de pensioenuitvoerders. Voor pensioenregelingen die worden uitgevoerd door ondernemingspensioenfondsen, niet verplichte bedrijfstakpensioenfondsen, algemeen pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen geldt dat werkgevers- en werknemers(organisaties) deze moeten aanpassen en dat de pensioenuitvoerder deze aanpassingen moet doorvoeren in de statuten, reglementen en administratie. Ten aanzien van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen geldt daarnaast dat, indien in de verplichtstelling een hogere toetredingsleeftijd dan 18 jaar is opgenomen, de verplichtstelling moet worden gewijzigd. De wijziging van de pensioenreglementen, statuten en verplichtstellingen, de implementatie hiervan, en de communicatie hierover brengen kosten met zich mee.

9.

Wat de toetsing en de governance betreft stellen de leden van de CDA-fractie vast dat de antwoorden op de in het voorlopig verslag gestelde vragen nog niet tot tevredenheid leiden. In de antwoorden lezen deze leden dat DNB zijn eigen toezichtregels maakt of guidance opstelt. De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie van de regering op een recent probleem dat zich heeft voorgedaan met de AFM die aan veertien fondsen die gebruik hebben gemaakt van de versoepelde indexatieregels een norm overdragende brief heeft gestuurd. Maakt dit gegeven niet duidelijk dat toezichthouders de neiging hebben om open normen in de wet eigenstandig in te vullen en daarmede de ruimte te beperken die fondsen hebben om te besturen? Is het zo vragen zij, aan de toezichthouders om de open normen in te vullen en daarna te handhaven op deze eigen invulling met als consequentie een negatieve aantekening voor fondsen? Pensioenfondsen kunnen andere keuzes maken mits deze aan de wet voldoen. Is de regering van plan om DNB en ook AFM te verzoeken het toetsingskader in lijn te laten zijn met de wet en daarop ook toe te zien?

De leden van de CDA-fractie hebben gelijk dat het toezicht altijd plaatsvindt in lijn met een wettelijke taak als toezichthouder op grond van wetgeving. De toezichthouder kan dus niet verder gaan dan de wetgeving.

Toezichthouders kunnen alleen nadere regels stellen in geval de wet daartoe expliciet de mogelijkheid biedt. Deze nadere regels kunnen niet verder gaan dan het bestaande wettelijk kader. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen en in het conceptbesluit toekomst pensioenen is dit op drie punten geregeld. In artikel 1h van het conceptbesluit toekomst pensioenen is geregeld dat DNB nadere regels kan stellen voor de wijze waarop de berekeningen voor de evenwichtigheid van de solidariteits- en risicodelingsreserve worden gemaakt en toegelicht, in artikel 46a van het conceptbesluit toekomst pensioenen is geregeld dat de AFM nadere regels kan stellen voor de vormgeving en wijze van leveren van het communicatieplan. In artikel 150m, tweede lid van de Pensioenwet en artikel 145, tweede lid Wvb is geregeld dat DNB een proces inricht voor de melding van de interne collectieve waardeoverdracht en voorschrijft welke stukken daarvoor benodigd zijn. Het feit dat er berekeningen gemaakt moeten worden, het communicatieplan aangeleverd moet worden of een collectieve waardeoverdracht bij DNB moet worden gemeld, is vastgelegd in wet- of regelgeving. Dat bepalen de toezichthouders niet zelf.

Daarnaast geldt dat de huidige concept regelingen van DNB en AFM in een vroegtijdig stadium zijn gedeeld met het ministerie, het ministerie heeft daarbij ook bekeken of en geoordeeld dat de richtlijnen in lijn zijn met de voorgestelde wet- en regelgeving. De concept regelingen zijn ook openbaar geconsulteerd.

Wetgeving kan daarnaast open normen of gesloten normen bevatten. Met open normen kan beter en sneller worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen. Ook onderstrepen open normen de eigen verantwoordelijkheid en beleidsvrijheid van een pensioenfonds. Daarmee kan beter recht gedaan worden aan de diversiteit in de pensioensector. Overigens is het gebruik van open normen niet nieuw en wordt dit ook in andere wetgeving gehanteerd, denk bijvoorbeeld aan de norm voor «goed werkgever- en werknemerschap» in het arbeidsrecht of de norm van beheerste en integere bedrijfsvoering in de Pensioenwet. Het nadeel van open normen is dat er discussie kan ontstaan over de invulling van een open norm. Het voordeel van gesloten normen is de eenvoud en dat er minder ruimte is voor discussie, terwijl het nadeel is dat dergelijke normen geen ruimte bieden voor maatwerk.

Het invullen van een open norm is aan de adressant van een open norm, vaak een pensioenfonds. De toezichthouder kan in de toezichtpraktijk uitvoerders hierbij ondersteunen op verschillende manieren. Veelal gebeurt dit door het geven van guidance, bijvoorbeeld in de vorm van een leidraad, «Good Practice» of een «Q&A». Deze uitingen binden de toezichthouder maar niet de pensioenuitvoerder. Pensioenfondsen kunnen ook andere keuzes maken mits deze aan wet- en regelgeving voldoen (zie ook bijvoorbeeld de leeswijzer van DNB over de status van beleidsuitingen).10 Ook toezichthouders kunnen niet verder kan gaan dan de wetgeving voorschrijft. Overigens geldt dat beleidsuitingen door de toezichthouders vaak opgesteld worden omdat daar een bepaalde behoefte voor bestaat vanuit de sector.

DNB en AFM zijn zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) en maken derhalve geen onderdeel uit van een ministerie, maar voeren zelfstandig openbaar gezag uit. Uiteraard is er sprake van goede samenwerking met ministeries. Op zbo’s is de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van toepassing.

10.

Kan de regering ingaan op het volgende. De strakke toezichtsregels van het FTK hebben in de afgelopen periode de bewegingsvrijheid van pensioenfondsbesturen beknot. Voorbeeld is het verbod om (na een eenmalige vrijstelling) voor fondsen die in herstel waren de risicohouding opwaarts bij te stellen. Door de focus van het FTK op korte termijnrisico’s is veel fondsen daarmee de mogelijkheid ontnomen om bij rentes rond 0% de beleggingen in vastrentende waarden deels af te bouwen om beter gepositioneerd te zijn voor een rentestijging. Dit past bij solvabiliteitstoezicht maar niet bij het karakter van de WTP en dus ook niet bij het transitie-FTK dat is ingericht om daar op vooruit te lopen. Door de meer recente onverwachte stijging van de inflatie zijn vervolgens meer fondsen achterop geraakt. Dit betreft in feite een clash van het risico op korte termijn verliezen te lijden (nominale zekerheid) en het langetermijnrisico dat de strategische doelstellingen niet behaald worden (waardevastheid). Is de regering bereid om in de WTP expliciet op te nemen dat pensioenfondsbesturen de ruimte hebben hun beleggingsbeleid te wijzigen bij gewijzigde omstandigheden zolang er een heldere afweging wordt gemaakt tussen korte en lange termijn en duidelijk kan worden gemaakt dat de ambitie van de pensioenregeling daarmee gediend is? Is de regering bereid dit te regelen om daarmee de positie van pensioenfondsbesturen bij een dispuut te versterken?

Pensioenfondsbesturen hebben de ruimte om binnen het strategische beleggingsbeleid het beleggingsrisico aan te passen zolang het passend blijft bij de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort in termen van maximum beleggingsrisico en minimum rendement.11 Dit betekent dat het feitelijke beleggingsbeleid op korte termijn kan worden aangepast en dat het strategische beleggingsbeleid dat een lange termijn horizon heeft ook gewijzigd kan worden, zodat kan worden ingespeeld op gewijzigde omstandigheden. De risicohouding, zoals uitgewerkt in het conceptbesluit toekomst pensioenen, biedt daar ruimte toe. De toezichtkaders zoals door DNB opgesteld volgen deze wettelijke ruimte.

11.

Kent de regering de terughoudendheid van pensioenfondsbestuurders om in discussie te gaan met DNB omdat deze bestuurders afhankelijk zijn van de DNB bij toetsing van benoeming c.q. herbenoeming?

12.

Zou het verstandig zijn, zo vragen de leden van de CDA-fractie, om met ingang van de WTP de toetsing van pensioenfondsbestuurders en interne toezichthouders door een onafhankelijke derde partij te laten plaatsvinden? Kan de regering haar visie daarop geven?

Hiermee wordt antwoord gegeven op vraag 11 en 12. De regering herkent de signalen niet, maar begrijpt dat de verhouding pensioenuitvoerder en toezichthouder in het algemeen als complex kan worden ervaren gelet op de verschillende rollen en taken. Het is daarom primair van belang dat de taakverdeling tussen partijen duidelijk is. Pensioenfondsbesturen gaan over de uitvoering van de pensioenregeling en zorgen dat zij de keuzes die zij maken kunnen verantwoorden naar de fondsorganen, de deelnemers én de toezichthouders. Toezichthouders houden toezicht op de naleving van wet- en regelgeving. Een goed gesprek over de gemaakte keuzes kan juist positief bijdragen aan de borging dat de juiste keuzes, gegeven de situatie, zijn gemaakt.

De taak van DNB kent verschillende facetten en vormen: het toezicht van DNB richt zich op solide en integere financiële instellingen die hun verplichtingen nakomen. Dit uit zich onder meer in lopend toezicht op individuele pensioenfondsen. Hiernaast heeft DNB de taak om bestuurders – net al bij andere financiële instellingen zoals banken en verzekeraars – vóór benoeming en tussentijds indien er een redelijke aanleiding wordt gezien, op geschiktheid en betrouwbaarheid te toetsen (voorafgaand toezicht). Deze toetsing wordt voor pensioenfondsen uitgevoerd aan de hand van de Pensioenwet en lagere regelgeving en de breder geldende Beleidsregel geschiktheid 2012. De geschiktheidstoetsingen binnen DNB worden door andere personen uitgevoerd dan de toezichthouders die zich richten op het lopend toezicht op individuele pensioenfondsen. De regering acht het derhalve niet nodig om de verschillende vormen van toezicht verder te verdelen onder verschillende instanties.

13.

Hoe denkt de regering over de mogelijkheid om vanuit het rendement aan alle deelnemers prioritair de inflatie toe te kennen en het overrendement volgens de life cycle te verdelen?

14.

Om reëel te kunnen sturen is, zoals door deskundigen gevraagd, meer flexibiliteit nodig. Is de regering bereid de zorgen van deze leden over het ontbreken hiervan weg te nemen?

Hiermee wordt vraag 13 en 14 beantwoord. De wens om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement te geven dat de inflatie bijhoudt, bij ieder niveau van de inflatie, is begrijpelijk en veelvuldig benoemd door deskundigen. Daarmee zou immers de koopkracht van aanvullende pensioenen worden gegarandeerd. Hier is echter een discrepantie met wat in de praktijk mogelijk is. Het probleem zit niet in voldoende flexibiliteit, maar in onvoldoende beschikbaarheid van reële beleggingen. Dit is een probleem waar ieder pensioencontract in de kapitaalgedekte tweede pijler tegenaan zal lopen. Het is hierdoor dus niet mogelijk om alle deelnemers en gepensioneerden een rendement toe te kennen dat in alle omstandigheden de inflatie bijhoudt. Zonder voldoende reële beleggingen betekent dit dat alleen bepaalde groepen binnen een pensioenfonds inflatiebescherming kan worden geboden, die wordt betaald door andere groepen binnen dat pensioenfonds. Dit zorgt dus voor herverdeling tussen generaties wat op gespannen voet staat met het oogmerk van het nieuwe contract dat deelnemers heldere persoonlijke pensioenvermogens opbouwen.

Dat neemt niet weg dat het nieuwe pensioenstelsel beter met inflatie kan omgaan dan het huidige pensioenstelsel, omdat hierin een aantal instrumenten beschikbaar zijn die gericht ingezet kunnen worden om de inflatie zoveel mogelijk bij te houden. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen is op verschillende manieren rekening gehouden met bescherming tegen het risico van inflatie, ook hoge inflatie. Inflatiebescherming kan (gedeeltelijk) geboden worden via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement door een beleggingsportefeuille met inflatiegerelateerde financiële producten, (iii) de solidariteits- en risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement. Decentrale partijen kunnen zelf bepalen in hoeverre ze van deze instrumenten gebruik willen maken.

15.

Kan de regering reageren op een uitspraak van de president van DNB die bij gepensioneerden tot onrust heeft geleid, omdat daarmee gesuggereerd is dat de inzet van de solidariteitsreserve ten faveure van gepensioneerden zou moeten leiden tot het betalen van een premie door gepensioneerden?

De solidariteitsreserve mag niet zo worden ingericht dat de actieven alleen bijdragen aan de vulling van deze reserve en uitsluitend gepensioneerden de baten van deze reserve ontvangen. In dat geval zou sprake zijn van een hernieuwde vorm van omslagfinanciering in het nieuwe pensioenstelsel. Gepensioneerden moeten in dat geval dus ook een bijdrage leveren voor de voordelen die de solidariteitsreserve hen biedt. Dat kan in geval van de solidariteitsreserve ook via maximaal 10% van het behaalde overrendement. Dat is de lijn die de heer Knot hierbij heeft gevolgd.

16.

Kan de regering toezeggen dat het oordeel over de evenwichtigheid van de toepassing van de solidariteitsreserve aan de fondsen wordt overgelaten, omdat het samenspel van sociale partners en interne governance daarvoor voldoende is? Hebben de leden van de CDA-fractie het goed begrepen dat DNB slechts marginaal gaat toetsen? Kan de regering dat bevestigen?

Het oordeel over de evenwichtigheid van de solidariteitsreserve is aan pensioenfondsen. Het pensioenfondsbestuur moet over de gekozen inrichting en vormgeving van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve verantwoording afleggen aan de fondsorganen. Dit geldt ook wanneer sprake is van wijzigingen in de inrichting, vormgeving of doelstellingen van de solidariteits- of risicodelingsreserve. Het belanghebbendenorgaan krijgt een goedkeuringsrecht. Deze inspraak borgt de evenwichtigheid en transparantie van de voorgestelde inrichting.

DNB houdt toezicht op hoe de pensioenuitvoerder de evenwichtigheid van de solidariteits- of risicodelingsreserve kwantitatief inzichtelijk maakt. Ook houdt DNB toezicht op het voorschrift dat in de lagere regelgeving is vastgelegd, waarbij is geregeld dat moet worden voorkomen dat op voorhand een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of uitsluitend lasten heeft van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve.

DNB heeft in de concept guidance nader verduidelijkt welke rekenmethoden gebruikt moeten worden om de evenwichtigheid van de solidariteitsreserve te onderbouwen, maar dat neemt niet weg dat het oordeel over de evenwichtigheid bij de pensioenuitvoerder blijft. De ruimte die pensioenuitvoerders hebben voor een evenwichtige inrichting van een reserve wordt dus niet beperkt.

17.

In de memorie van antwoord zijn de zorgen van de leden van de CDA-fractie over de krappe tijdsspanne tot 1 januari 2027 niet weggenomen. Ziet de regering ook dat steeds meer deskundigen ervoor pleiten dat een vlot verloop van de transitie niet ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid? Is de regering bereid om de uiterste ingangsdatum van de WTP naar achteren te verschuiven naar bijvoorbeeld 1 januari 2030?

Het is begrijpelijk dat er bij een stelselherziening zorgen leven over de haalbaarheid van de transitie en de tijd die daarvoor is ingeruimd. Tijdens de deskundigenbijeenkomst heeft uw Kamer hier ook uitvoerig over gesproken met verschillende deskundigen. Vanuit het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is de haalbaarheid van het tijdpad ook uitvoerig besproken ook met deskundigen bij pensioenuitvoerders, sociale partners en toezichthouders. Gezamenlijk is tot de conclusie gekomen dat de gekozen transitieperiode voldoende zou moeten zijn. Tegelijkertijd is van belang dat deze conclusie getrokken is op basis van de kennis van nu. In de toekomst kunnen omstandigheden wijzigen die heroverweging noodzakelijk maken. Om die reden zal ik gedurende de transitiefase vinger aan de pols houden bij de voortgang van de transitie. Beide Kamers der Staten-Generaal zullen hierover ook periodiek worden geïnformeerd. Doel van de monitoring is om tijdig knelpunten in de transitie te kunnen identificeren en waar nodig aanvullende maatregelen te nemen.

18.

Is de regering bereid om snel invaren door positieve prikkels eerder aantrekkelijk te maken, zoals bijvoorbeeld verruimde mogelijkheden voor inhaalindexatie?

Ik ben het met de leden van de CDA-fractie eens dat de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel eerder en volledig gerealiseerd zouden kunnen worden. Daarbij helpt het als spoedig wordt ingevaren, zolang dat past binnen een zorgvuldig besluitvormingstraject en uitvoerbaar is. Bij het invaren is er ruimte om aanvullende maatregelen met het oog op een evenwichtige transitie te nemen. Een maatregel gericht op het verlenen van inhaalindexatie via het verhogen van de pensioenaanspraken en -rechten kan daar onderdeel van zijn. Beide rekenmethoden bieden daar – mits de financiële positie van het pensioenfonds voldoende is – ruimte voor. Wanneer – zoals de leden van de CDA-fractie aangeven – spoedig ingevaren wordt, kan die maatregel ook eerder getroffen worden.

19.

En specifiek, is de regering bereid om na een besluit tot invaren de mogelijkheden voor inhaalindexatie voor de invaardatum te verruimen? Dit kan zoals eerder aangegeven door de leden van de CDA-fractie de acceptatie van de WTP bij gepensioneerden aanzienlijk vergroten en hoeft niet ten koste te gaan van andere leeftijdscohorten als er op evenwichtigheid wordt getoetst.

Zoals op een eerdere vraag van de fractie van het CDA aangegeven, ben ik het met het CDA eens dat de voordelen van het nieuwe pensioenstelsel eerder en volledig gerealiseerd zouden kunnen worden. Daarbij helpt het als spoedig wordt ingevaren. Bij het invaren is er ruimte om aanvullende maatregelen met het oog op een evenwichtige transitie te nemen. Een maatregel gericht op het verlenen van inhaalindexatie via het verhogen van de pensioenaanspraken en -rechten kan daar onderdeel van zijn. Tijdens de transitieperiode gelden al reeds sterk versoepelde regels voor indexatie voor pensioenfondsen die voornemens zijn in te varen, maar zijn de regels voor inhaalindexatie niet aangepast. Hoewel ik het pleidooi begrijp om ook die regels aan te passen, ben ik van mening dat het passender is om daarvoor ruimte bij het invaren te bieden, zodat de dekkingsgraad voorafgaand aan de transitie niet verder onder druk komt te staan. Voorkomen moet worden dat pensioenfondsen tijdens de transitie op dermate smalle financiële marges gaan sturen, dat bij al kleine afwijkingen in de economische ontwikkelingen zij geen uitvoering kunnen geven aan evenwichtige besluiten. Enige mate van prudentie in het financieel-transitiekader is daarom gewenst.

20.

Het komt de leden van de CDA-fractie voor dat er weinig aandacht is voor de technische punten rondom het invaren. Een evenwichtig geacht besluit omtrent invaren kan door de volatiliteit van de markten op het moment van invaren anders uitpakken dan gedacht. Door rentewijzigingen kunnen de resultaten al gauw met procenten wijzigen. Hoe wil de regering voorkomen dat de pensioenuitkomsten bij invaren door fluctuaties van de RTS significant anders uitkomen dan waar het pensioenfonds rekening mee had gehouden en die reeds gecommuniceerd zijn naar deelnemers en gepensioneerden?

De wet- en regelgeving biedt hiervoor verschillende waarborgen. Sociale partners maken in het transitieplan niet alleen afspraken over de verwachte situatie. Zij maken hiernaast, op grond van het conceptbesluit toekomst pensioenen, afspraken over het kader dat geldt bij afwijkende omstandigheden: zij bepalen welke doelen zij willen behalen, welke doelen voorrang hebben, en de bandbreedte aan uitkomsten die zij evenwichtig vinden. Dit leggen sociale partners vast in het transitieplan. Pensioenfondsen bezien vervolgens hoe zij het invaarbesluit binnen deze kaders vorm kunnen geven. Zij verkennen daarbij hoe het invaarbesluit er uit komt te zien als de financiële ruimte anders is door andere economische omstandigheden op het moment van invaren dan op het moment dat het besluit wordt genomen. Sociale partners verantwoorden in het transitieplan welke situaties zij verkend hebben en de robuustheid van de afspraken die zij hebben gemaakt.

Volledigheidshalve merk ik op dat sociale partners en pensioenfondsen ook afspraken moeten maken over uitzonderlijke financiële en economische omstandigheden waarbij de door hen gemaakte afspraken over doelstellingen, voorrangsregels en maatstaven niet zonder meer toereikend kunnen zijn. Dat kunnen ook procesafspraken zijn, over de te volgen procedure indien een dergelijke situatie zich voordoet. Deze afspraken worden ook opgenomen in het transitieplan, dat overigens ook beschikbaar is voor deelnemers. Mocht op basis van een dergelijke situatie het transitieplan aangepast worden, dan zal deze opnieuw op de website van de pensioenuitvoerder moeten worden geplaatst.

Het transitieplan bevat evenwel informatie op cohortniveau. Om de deelnemer mee te nemen in de transitie ontvangen deelnemers voor de transitie een individuele prognose over de transitie, zo nauwkeurig als mogelijk vastgesteld door de pensioenuitvoerder. Deze informatie moet tijdig worden verstrekt. Hierbij is evenwel sprake van een afruil. Hoe eerder de informatie immers wordt verstrekt, hoe groter de mogelijke marge van onzekerheid door de tijd en te maken berekeningsaannames. Hoe later de informatie wordt verstrekt, hoe nauwkeuriger dat zal zijn. De deelnemer ontvangt daarnaast opnieuw een overzicht met transitie-informatie op het moment dat transitie en invaren definitief zijn afgerond. Eventuele verschillen tussen de prognose en de vastgestelde informatie worden daarbij door de pensioenuitvoerder toelicht.

21.

Ook hebben de leden van de CDA-fractie nog steeds zorgen over de mogelijke gevolgen van juridische stappen die deelnemers van pensioenfondsen kunnen nemen bij ontstentenis van een individueel bezwaarrecht. Hoe zit het met de rechtszekerheid? Gaan er class actions plaatsvinden? En dreigt bij toewijzing van de eisen een nieuwe toeslagenaffaire?

Het collectief omzetten van bestaande pensioenen naar de nieuwe premieovereenkomst door middel van een collectieve waardeoverdracht heeft grote voordelen Zo komen de effecten van de nieuwe premieovereenkomst eerder tot uitdrukking, denk hierbij onder meer aan eerder perspectief op indexatie. Het opnemen van een individueel bezwaarrecht zou met het oog op de transitie naar een nieuw pensioenstelsel onevenredig grote gevolgen hebben voor het collectief en het algemeen belang. Bijvoorbeeld de omstandigheid dat gedurende lange tijd twee verschillende pensioenstelsels naast elkaar bestaan, met bijbehorende complexiteit in de uitvoering, communicatie naar deelnemers en hogere uitvoeringskosten. Ook kunnen in het geval van lange tijd twee separate pensioenstelsels risico’s minder goed worden gedeeld binnen het pensioencollectief en zal het beleggingsbeleid conservatiever vormgegeven moeten worden, omdat het deelnemersbestand in het huidige pensioenstelsel vergrijst zonder nieuwe opbouw. Bij deze collectieve omzetting past besluitvorming op collectief niveau via de sociale partners, pensioenfondsbesturen, medezeggenschapsorganen en het interne en externe toezicht.

De individuele deelnemer behoudt altijd het recht om zijn individuele situatie ter toetsing voor te leggen. De deelnemer kan hiertoe een klacht indienen bij zijn pensioenfonds, een geschil aanhangig maken bij de geschilleninstantie en bij de rechter.

Het is de regering bekend dat er partijen zijn die aangeven (collectieve) rechtszaken voor te bereiden. Deze zorgen van de leden van de CDA-fractie begrijpt de regering heel goed. Een collectieve rechtszaak ligt mogelijk minder voor de hand omdat de belangen van de deelnemers veelal te verschillend zijn. Een individuele procedure ligt dan meer voor de hand. De gevolgen van een individuele procedure voor de transitie – en daarmee voor de rechtszekerheid – worden evenwel beperkt geacht. Enerzijds inhoudelijk omdat het wettelijk kader bij het omzetten van de pensioenaanspraken en -rechten al zoveel mogelijk tracht om onevenredige uitkomsten te voorkomen door voorwaarden bij de omrekenmethoden en anderzijds qua besluitvorming zodat het besluit pas na de benodigde medezeggenschap en toezicht kan worden genomen en uitgevoerd. Voorts is het goed te benoemen dat vanuit het ministerie de transitie gemonitord wordt om zodoende knelpunten vroegtijdig te signaleren en waar nodig aanvullende maatregelen te nemen. Ook wordt de transitie door de Raad voor de rechtspraak gemonitord om zodoende zicht te houden op eventuele procedures.

22.

Is de regering bereid om oplossingen te zoeken voor personen die niet willen invaren in het nieuwe stelsel?

23.

En zou de mogelijkheid om deze personen te laten overgaan naar een collectief Pensioenfonds waarvoor de oude regels gelden dit probleem kunnen oplossen?

Hiermee wordt antwoord gegeven op vraag 22 en 23. Ik begrijp dat de transitie ingrijpend kan voelen onder sommige deelnemers en gepensioneerden en de wens van de fractie van het CDA om hen tegemoet te komen. Ik realiseer me dat het moeilijk is om het negatief sentiment volledig weg te nemen, maar ik ben van mening dat we de goede maatregelen treffen om zorgen weg te kunnen nemen. De regering heeft bijvoorbeeld onderzocht hoe de transitie het beste vormgegeven kan worden, met borging van belangen van alle belanghebbenden. Daarbij is invaren wel het standaardpad, omdat de regering ziet dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen biedt, transparanter en persoonlijker is en beter aansluit op de arbeidsmarkt. Invaren zorgt ervoor dat deze doelen ook voor de bestaande pensioenopbouw of pensioenuitkeringen gerealiseerd worden. Er is evenwel ruimte voor maatwerk, zodat sociale partners of het pensioenfondsbestuur van het standaardpad kunnen afwijken. Mochten de nadelen volgens sociale partners niet opwegen tegen de voordelen, kunnen sociale partners besluiten geen invaarverzoek te doen. Dat is bijvoorbeeld het geval als sprake is van een onevenredig nadeel van een leeftijdsgroep of een onevenredig zware last voor het individu en die nadelen niet gecompenseerd (kunnen) worden. Daarom ben ik van mening dat het aanwijzen van invaren als het standaardpad de voorkeur verdient, maar ook ruimte voor maatwerk biedt.

De gedachte om deelnemers en gepensioneerden die niet willen invaren vrijwillig over te laten gaan naar een collectief pensioenfonds waarin de huidige regels van het financieel toetsingskader voor uitkeringsovereenkomsten blijven gelden, is wellicht een manier om met dat sentiment om te gaan en klinkt daarom als een aantrekkelijk idee, maar ik zie ook nadelen. Vooropgesteld is door de wijziging van het fiscale stelsel de manier waarop pensioen nu wordt opgebouwd in een uitkeringsregeling niet meer mogelijk. Deze overgang naar een collectief pensioenfonds of het achterblijven in een gesloten pensioenfonds heeft dan alleen betrekking op bestaande pensioenopbouw en pensioenuitkeringen. Naast het mislopen van de voordelen die in de voorgaande alinea zijn genoemd, gelden voor hen de volgende nadelen. Doordat niet alle pensioenaanspraken en -rechten bij elkaar worden gehouden, is het minder goed mogelijk risico’s met elkaar te delen. Dat leidt mogelijk tot lagere en onzekerdere pensioenen. Als er in het collectief pensioenfonds geen nieuwe pensioenopbouw plaatsvindt en geen nieuwe deelnemers toetreden tot de pensioenregeling, betekent het ook dat het beleggingsbeleid conservatiever vormgegeven zal worden, aangezien het deelnemersbestand vergrijst. Tot slot is het goed te benadrukken dat het huidige pensioenvermogen collectief tot stand is gekomen waarbij een collectieve omzetting naar de nieuwe premieregelingen de mogelijkheid geeft om het volledige pensioenfondsvermogen, inclusief eventuele buffers, om te zetten ten behoeve van de deelnemers en pensioengerechtigden en ten gunste van die deelnemers en pensioengerechtigden. Alles overwogen, denk ik dat een collectief pensioenfonds wellicht gevoelsmatig een oplossing biedt, maar in de praktijk juist tot ontevredenheid en teleurstellingen kan leiden.

Overigens blijf ik gedurende de transitie monitoren of pensioenfondsen, in het kader van de evenwichtige afweging van belangen, een collectieve overdracht voor een bepaalde deelnemersgroep nodig hebben om de transitie te kunnen maken.

24.

Een van de kritische punten is de toegang tot het recht voor geschillen. Om dat beter te regelen is bij wet nu de oprichting van een externe geschilleninstantie gevraagd. Het voornemen van de Pensioenfederatie lijkt dat er nu gekozen gaat worden voor de oprichting van een buitengerechtelijke geschilbeslechtingsinstantie (ADR) die geheel zelfstandig is en gelieerd is aan en ingericht door de Pensioenfederatie. De leden van de CDA-fractie achten een snelle en adequate voorziening voor deelnemers van een pensioenfonds bij geschillen een prima oplossing, wanneer echter deze ADR-instantie onafhankelijk is en functioneert en is opgericht onder de voorwaarden gesteld door de Minister van Justitie. Voor het nodige vertrouwen in de uitspraken is dit van het grootste belang. Recent is er een rapport uitgebracht door de Commissie Consumentenaangelegenheden (CCA) van de SER. Dit zou wellicht nadere punten ter overweging kunnen geven. Zoals het er nu uitziet zijn de kosten voor de geschilbeslechting voor de pensioenfondsen. Is naast de waarborgen van onafhankelijkheid niet ook het kostenplaatje voor een nieuw op te richten infrastructuur reden genoeg om de voorlopige plannen nader te bezien, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Ik ben het met de leden van de CDA-fractie eens dat onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is voor de geschilleninstantie. Graag ga ik eerst in op het punt van de oprichting van de onafhankelijke geschilleninstantie. Zoals aangegeven in de memorie van antwoord is in bestuurlijk overleg met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars afgesproken om een nieuwe geschilleninstantie voor pensioenfondsen op te zetten.12 Verzekeraars en premiepensioeninstellingen blijven aangesloten bij Kifid, zoals nu ook het geval is. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de verschillen tussen pensioenuitvoerders en de verschillende thematiek waar zij gedurende de transitie mee te maken krijgen (bijvoorbeeld: pensioenfondsen gaan invaren, verzekeraars niet). De Pensioenfederatie heeft – mede gelet op de korte doorlooptijd – het voortouw genomen voor het verrichten van voorbereidende werkzaamheden als «kwartiermaker» voor de nieuwe instantie. Met het oog op de onafhankelijkheid wordt er nadrukkelijk voor gekozen om de geschilleninstantie (in oprichting) op afstand te plaatsen van de Pensioenfederatie. De geschilleninstantie zal dan ook niet gelieerd zijn aan de Pensioenfederatie, zoals deze leden veronderstellen. De inrichting van de geschilleninstantie is aan de instantie zelf en zal worden vastgelegd in het reglement, dat bij de aanwijzing van de geschilleninstantie ook de goedkeuring van de Minister behoeft.13

Met het oog op de onafhankelijkheid zijn voorts diverse waarborgen opgenomen in de voorgestelde wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen schrijft voor dat pensioenuitvoerders aangesloten zijn bij een door de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen aangewezen geschilleninstantie. Daarbij is de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voor zover nodig van overeenkomstige toepassing verklaard, zodat voldaan moet worden aan de vereisten voor deskundigheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid die in de Implementatiewet zijn vastgelegd. Deze eisen gelden ook voor de andere instanties voor buitengerechtelijke geschillenbeslechting (ADR-instanties), zoals Kifid, SGC en SKGZ. Voorts zijn ook in het conceptbesluit toekomst pensioenen bepalingen opgenomen om de onafhankelijkheid te kunnen waarborgen. Zo zijn er bijvoorbeeld regels gesteld over de onafhankelijkheid van bestuursleden en geschilbeslechters.

Voorts stellen de leden van de CDA-fractie vragen over de kosten voor geschilbeslechting en het kostenplaatje voor de nieuwe geschilleninstantie. In het bestuurlijk overleg met de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars is afgesproken dat de (beheersing van de) kosten een belangrijk criterium zijn waarop zal worden getoetst bij de aanwijzing van de geschilleninstantie(s). Pensioenuitvoerders zijn verantwoordelijk voor het inrichten en in stand houden van de geschilleninstantie.14

De leden van de CDA-fractie verwijzen in verband met de kosten ook naar het rapport van de Commissie voor Consumentenaangelegenheden (CCA) van de SER. De CCA geeft aan dat er knelpunten zijn ten aanzien van de voorspelbaarheid en adequaatheid van de overheidsbijdrage. De CCA adviseert een vanuit de overheid structurele en voorspelbare financiering voor de Stichting Geschillencommissie, de Huurcommissie en eventueel nieuw te erkennen ADR-instanties. Deze twee geschilleninstanties worden (deels) gefinancierd door de overheid. De aanbeveling ziet op de geschilleninstanties die deels door de overheid worden gefinancierd. Het Kifid en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) worden gefinancierd door de aangesloten financiële ondernemingen respectievelijk de zorgverzekeraars15. In de memorie van antwoord is toegelicht dat de geschillen van verzekeraars en premiepensioeninstellingen kunnen worden voorgelegd bij de reeds bestaande buitengerechtelijke geschilleninstantie Kifid, zoals nu ook al het geval is. Het Kifid ontvangt geen bijdrage vanuit de overheid. Het ligt dan ook niet in de rede om wel een overheidsbijdrage te geven aan de nieuw op te richten geschilleninstantie voor pensioenfondsen.

25.

De leden van de CDA-fractie hebben in het voorlopig verslag een aantal vragen gesteld over het nabestaandenpensioen, waarbij met name bij overlijden voor de pensioendatum nabestaanden in de problemen kunnen komen. Deze leden hebben gevraagd of de in de Tweede Kamer aangenomen moties tot consequenties moeten leiden voor het aanpassen van de wet. Het spijt de leden van de CDA-fractie dat de regering de aangehaalde problematiek voor zich uitschuift, terwijl dit voor deze leden toch een zeer aangelegen punt is. Ronduit onbegrijpelijk is het antwoord op het verzoek van de leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractie gezamenlijk om het doenvermogen in dit geval nog eens te verduidelijken. Leidt, zo vragen zij, de vrijwilligheid bij voortzetting van de risicodekking tot versterking van de zelfredzaamheid? Kan de regering nog eens op dit antwoord reflecteren?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen regelt dat gewezen deelnemers op verschillende momenten een keuze kan maken om de risicodekking uit de pensioenregeling vrijwillig voort te zetten. Dit is bijvoorbeeld mogelijk na afloop van de standaard uitloopperiode of na afloop van de periode dat iemand een werkloosheids- of Ziektewetuitkering ontvangt. Vanuit de pensioenuitvoerder wordt de gewezen deelnemer hierover tijdig en evenwichtig geïnformeerd, zodat de gewezen deelnemer een keuze kan maken die past bij zijn of haar specifieke situatie. De deelnemer zal hierbij dus ook worden aangezet tot een handeling, onder meer doordat wordt gewezen op het belang van het maken van een keuze. Omdat de vrijwillige voortzetting gefinancierd wordt vanuit het pensioenvermogen van de gewezen deelnemer, acht ik het van belang dat de gewezen deelnemer in eerste instantie zelf een actieve keuze maakt voor de voortzetting. Wanneer een gewezen deelnemer eenmaal ervoor gekozen heeft de risicodekking uit de pensioenregeling voort te zetten, loopt de risicodekking ongewijzigd door tot het moment dat de gewezen deelnemer aangeeft de voortzetting te willen stoppen, bijvoorbeeld omdat de gewezen deelnemer een nieuw dienstverband is aangegaan van waaruit een partnerpensioen met dekking bij overlijden voor pensioendatum wordt aangeboden.

26.

Is de regering bereid, ter voorkoming van ongelukken, het mogelijk te maken om eventueel vanaf een bepaalde leeftijd te kiezen voor een vrijwillige voortzetting als default.

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen kent een aantal maatregelen om het risico op onverzekerd overlijden te voorkomen. De risicodekking uit de pensioenregeling wordt standaard voortgezet bij beëindiging van de dienstbetrekking en daarmee de deelneming in de pensioenregeling. Ook wordt de risicodekking voortgezet wanneer een deelnemer aansluitend op de beëindiging van de dienstbetrekking een werkloosheids- of Ziektewetuitkering ontvangt. Deze automatische voortzettingen gelden ongeacht de leeftijd van de deelnemer. Na afloop van zowel de standaard uitloopperiode als de voortzetting van de risicodekking bij werkloosheid of Ziektewet krijgt de deelnemer de mogelijkheid om de risicodekking vrijwillig voort te zetten. Deze vrijwillige voortzetting is mogelijk voor minimaal 15 jaar na afloop van de automatische voortzettingen. De pensioenuitvoerder informeert de gewezen deelnemer hier tijdig en evenwichtig over, zodat de gewezen deelnemer een voor hem juiste keuze kan maken.

Bij het voorstel van de leden van de CDA-fractie wil ik de volgende zaken beschouwen. Het voorstel is om vanaf een bepaalde leeftijd de vrijwillige voortzetting als standaardkeuze (default) op te nemen, tenzij de deelnemer daar actief van af ziet. Dit kan in de praktijk inderdaad het risico beperken dat gewezen deelnemers onbewust onverzekerd zijn. Aan de andere kant leidt dit ook tot een andere risico, namelijk van oververzekering. Dit ontstaat in de praktijk wanneer de gewezen deelnemer een nieuwe dienstbetrekking is aangegaan waarbij via de nieuwe pensioenregeling al het nabestaandenrisico is verzekerd. Ook kan er geen sprake zijn van een partner of heeft een deelnemer andere financiële middelen om het overlijdensrisico mee op te kunnen vangen. Een default voortzetting van de risicodekking leidt er in die situaties toe dat er sprake is van een overbodige verzekering, waarvoor wel premie wordt onttrokken uit het pensioenkapitaal van de gewezen deelnemer, met een lagere ouderdomspensioenuitkering tot gevolg.

In de afweging tussen enerzijds voorkomen van gewezen deelnemers die onbewust onverzekerd kunnen raken en gewezen deelnemers die onbewust oververzekerd kunnen raken, betrek ik eveneens de rol van keuzebegeleiding. Mijn verwachting is dat met een goede keuzebegeleiding gewezen deelnemers, ongeacht hun leeftijd, een voor hen juiste keuze kunnen maken. Een standaardvoortzetting van de risicodekking na afloop van de automatische voortzetting, zou dan niet nodig zijn.

27.

Hoe kan aan huidige slapers de mogelijkheid gegeven worden om het partnerpensioen voort te zetten om zo de categorie ex-deelnemers te helpen die geen baan hebben of voor korte tijd, al dan niet gedwongen, zzp’er zijn geworden?

Het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen zoals dat in het wetsvoorstel toekomst pensioenen is opgenomen is bedoeld ter bescherming van de partner en toekomstig ex-partner van deelnemers en gewezen deelnemers. Het tot de transitie opgebouwde partnerpensioen van een gewezen deelnemer valt onder het overgangsrecht nabestaandenpensioen zoals vastgelegd in artikel 220g van de Pensioenwet. Die opgebouwde aanspraken blijven dus behouden voor de gewezen deelnemer en komen tot uitkering wanneer de gewezen deelnemer (na transitie) overlijdt voor de pensioendatum.

28.

Is de regering bereid een knip in de hoogte van de levenslange nabestaandenuitkering toe te staan waarin voor de AOW-datum sprake is van vervanging van het arbeidsinkomen conform het wetsvoorstel en na de pensioendatum een uitkering passend bij het daartoe opgebouwde vermogen? Op deze manier kunnen immers grote verschillen in de nabestaandenpensioenuitkering bij overlijden net voor of net na de AOW-datum worden vermeden.

In de brief aan de Tweede Kamer van 17 oktober 2022 is uitgebreid ingegaan op deze zogeheten knipvariant16, waarbij voor pensioendatum er dekking plaatsvindt door een partnerpensioen op risicobasis en na pensioendatum door een kapitaalgedekt partnerpensioen. In deze brief is de conclusie getrokken dat de knipvariant maar in beperkte mate voldoet aan de gestelde doelen van een nabestaandenpensioen dat voor de deelnemers voorspelbaar is, beter aansluit bij life-events en in de praktijk eenduidig is in de uitvoering. Daarnaast is er ook geen voordeel voor de individuele nabestaanden in de knipvariant, aangezien deze leidt tot twee uitkeringsdelen die in hoogte zullen verschillen. Een gelijkblijvende uitkering vanaf het moment dat het overlijden heeft plaatsgevonden, is vanuit het oogpunt van de nabestaande te prefereren. Dat creëert zekerheid en rust én is eenvoudiger te begrijpen. Daarnaast kan de in het wetsvoorstel toekomst pensioenen voorgestelde variant rekenen op breed draagvlak onder sociale partners. Bij de knipvariant is dit niet het geval. Om de hier genoemde redenen ben ik er geen voorstander van de knipvariant wettelijk mogelijk te maken.

Daarnaast is relevant dat er al een andere manier is die wettelijk gezien mogelijk is om het verschil voor en na pensioendatum te verkleinen. Sociale partners kunnen er namelijk voor kiezen naast het levenslange partnerpensioen gelijktijdig een nabestaandenoverbruggingspensioen aan te bieden. Zo’n nabestaandenoverbruggingspensioen geeft een dekking bij overlijden voor pensioendatum tot aan de pensioendatum van de nabestaande partner. Op die manier kan het niveau van de dekking van het levenslange partnerpensioen lager vastgesteld worden, terwijl er bij overlijden voor pensioendatum afdoende dekking blijft voor het overlijdensrisico. Het verschil in partnerpensioen voor en na pensioendatum neemt dan af. In navolging van de motie van de leden Stoffer en Ceder zullen sociale partners actief op de hoogte worden gesteld van deze mogelijkheid.17

29.

Kan de regering nu melden hoe het wezenpensioen kan worden voortgezet? Het zou toch met het onderhavig wetsvoorstel geregeld moeten worden, aldus de leden van de CDA-fractie.

Het vrijwillig voortzetten van het wezenpensioen, zoals dat wel mogelijk is voor het partnerpensioen, is niet opgenomen in onderhavig wetsvoorstel. Er wordt op dit moment samen met de pensioensector onderzocht of ook het wezenpensioen vrijwillig kan worden voortgezet. Hierbij worden de uitvoeringsaspecten meegenomen. De uitwerking hiervan zal meelopen in het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen, dat rond de zomer 2023 in internetconsultatie gaat. Dit wetsvoorstel zal op een later moment behandeld worden in de Eerste Kamer.

De basis voor de wijzigingen van het nabestaandenpensioen en de standaardisering van het nabestaandenpensioen is reeds in het wetsvoorstel toekomst pensioenen opgenomen. Het eventueel later mogelijk maken van vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen is geen onderwerp waarover onderhandeld hoeft te worden in de nieuwe pensioenovereenkomst, en het staat los van het invaren van de opgebouwde aanspraken en rechten. Om deze reden ben ik van mening dat de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen niet uitgewerkt hoeft te zijn in het wetsvoorstel toekomst pensioenen.

30.

Waar de regering in de beantwoording steeds verwijst naar het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen, is het de vraag van de leden van de CDA-fractie wat de regering in dat wetsvoorstel gaat introduceren dat nu niet past in de onderhavige wetgeving.

Met het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen worden twee elementen toegevoegd. Het gaat hierbij om het introduceren van keuzemogelijkheden in het nabestaandenpensioen en het uniformeren van het kindbegrip in het wezenpensioen. Daarnaast wordt bezien de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen (conform de vrijwillige voortzetting van de risicodekking partnerpensioen) als derde element aan dit wetsvoorstel toe te voegen.

Over de onderwerpen die met het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen geregeld worden vindt nog overleg plaats met pensioenuitvoerders, sociale partners en andere ministeries. De uitwerking van het wetsvoorstel is nog niet voldoende om al in het onderhavige wetsvoorstel mee te nemen. Het zijn beoogde nieuwe maatregelen die geïntroduceerd worden met het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen. Deze beoogde maatregelen hebben geen invloed op bestaande aanspraken of rechten op nabestaandenpensioen. Daarbij is het goed op te merken dat de mogelijke voorstellen uit het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen daarmee geen impact hebben op de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven bij de onderdelen uit het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen.

Op dit moment ontvangt een partner bij overlijden van de deelnemer vóór pensioendatum een levenslang partnerpensioen. Dit is veelal een maandelijks vaste uitkering. Verder wordt voorgesteld dat de partner van een overleden deelnemer, die nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt, het recht krijgt een bedrag ineens op te nemen, tot een maximum van 10% van het partnerpensioen. Het resterende partnerpensioen zal levenslang worden uitgekeerd. De reeds bestaande keuzemogelijkheid om in pensioenregelingen ook een hoog-laagconstructie te hanteren voor het partnerpensioen blijft bestaan. Het is aan decentrale sociale partners, werkgevers en werknemers, om te bepalen of zij een hoog-laagconstructie voor het nabestaandenpensioen in de pensioenregeling wensen op te nemen.

Verder wordt met het wetsvoorstel het kindbegrip ten behoeve van het wezenpensioen geüniformeerd. Op dit moment kent elke pensioenregeling een eigen definitie van wie gezien kan worden als kind van de deelnemer. Dit kind kan bij overlijden van de deelnemer aanspraak maken op het wezenpensioen. Doordat de definities tussen pensioenregelingen op dit moment kunnen verschillen kan dit leiden tot de situatie dat een kind in de ene pensioenregeling wel wordt beschouwd als kind van de deelnemer en in een andere pensioenregeling niet. Een geüniformeerd kindbegrip neemt deze ongewenste situatie in belangrijke mate weg.

31.

Hoe moet het antwoord op de vraag 25 van de leden van de CDA-fractie begrepen worden, waarbij conform de motie-Smals het overgangsrecht voor partnerpensioen gestroomlijnd moet worden, waarbij de nieuwe situatie met risicodekking in vergelijking met de oude situatie van opbouwdekking niemand erop achteruit gaat?

Het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen maakt geen onderscheid tussen hoge of lage opgebouwde aanspraken op partnerpensioen. De motie van het lid Smals18 verzoekt de regering om samen met de pensioensector te onderzoeken hoe het overgangsrecht gestroomlijnd kan worden, waardoor uitvoeringskosten beperkt kunnen worden en tegelijkertijd de belangen van de deelnemers en gewezen deelnemers voorop staan. Dit onderzoek is nog gaande, maar het belang van de deelnemers en gewezen deelnemers, feitelijk het belang van hun partners, staat mij scherp op het netvlies. Het beschermen van de belangen van de partner en toekomstig ex-partners is immers ook het doel van het overgangsrecht. In het onderzoek waar de motie toe oproept zal ik proberen de uitvoeringskosten die verband houden met de uitvoering van het overgangsrecht in kaart te brengen, om vervolgens een afweging te maken tussen het belang van de pensioenuitvoering en het belang van de partners en toekomstig ex-partners.

32.

De leden van de CDA-fractie hebben nog een vraag naar de hoogte van de risicoverzekering van het nabestaandenpensioen, op maximaal 50% van het loon, onafhankelijk van diensttijd met een premie die gelijk is over de leeftijdscohorten. Betekent dit, zo vragen deze leden, dat 50% er wel mooi uitziet, maar in de praktijk veel lager gaat worden en zo rond de maximaal 20% gaat uitkomen? Wat betekent dat voor het vertrouwen van deelnemers?

Met de wijzigingen inzake het nabestaandenpensioen is geen versobering, danwel een premieverhoging, in het nabestaandenpensioen beoogd. Het is aan sociale partners om het uiteindelijke niveau van dekking voor partnerpensioen overeen te komen, dat is niet anders dan in het huidige pensioenstelsel. De maximaal toe te zeggen risicodekking bedraagt 50% van het laatstverdiende loon. In de toegezegde monitoring van de Wet toekomst pensioenen wordt ook meegenomen welke afspraken sociale partners maken inzake het nabestaandenpensioen. Pas daarna kan iets gezegd worden over de afspraken die sociale partners hebben gemaakt. Sociale partners geven aan geen versobering ten opzichte van de huidige dekking te beogen. De Pensioenfederatie en het Verbond voor Verzekeraars hebben eerder aangegeven te verwachten dat de dekking voor partnerpensioen in een premieregeling zal variëren tussen de 20 en 25% van het pensioengevend salaris, dat wil zeggen zonder dat er rekening wordt gehouden met de franchise. Dit percentage correspondeert met de huidige gemiddelde dekkingen. De dekking zal echter, net als nu het geval is, afhankelijk zijn van de samenstelling van het deelnemersbestand en de hoogte van de premie die beschikbaar wordt gesteld voor het partnerpensioen.

33.

In het antwoord op vraag 38 over het niet kunnen uitvoeren van het verlofsparen vanwege fiscale problemen, vragen de leden van de CDA-fractie of met het inzetten van bijvoorbeeld een Stichting verlofsparen of een Stichting sociaal fonds die zou optreden als rekeninghouder, het probleem van verschuldigd zijn van loonheffing kan worden ondervangen en dat daarover dan afspraken gemaakt kunnen worden met betreffende inspectie.

De werkgever kan de financiering van de aanspraken op verlof zonder fiscale consequenties extern onderbrengen mits de aanspraak op verlof van de werknemers op de werkgever ongewijzigd blijft. Zoals de leden van de CDA-fractie ook suggereren, kan dit inderdaad in een stichting buiten de risicosfeer van de onderneming zijn waarbij die stichting optreedt als rekeninghouder voor de verlofaanspraken. De exacte vormgeving en uitvoering door de stichting kunnen ter afstemming worden voorgelegd aan de Belastingdienst.

34.

Kan de regering nadere mededeling doen over de in de Tweede Kamer aangenomen motie van de leden Nijboer en Maatoug over een regeling voor mensen met zware beroepen, waarbij de leden van de CDA fractie vragen of de huidige RVU-vrijstelling die loopt tot en met 2025 een goede en ook haalbare mogelijkheid biedt voor werknemers om eerder te stoppen.

De motie19 waar in de vraag aan wordt gerefereerd gaat over de situatie na afloop van de tijdelijke versoepeling van de pseudo-eindheffing op Regelingen voor vervroegde uittreding (RVU); de situatie na 2025. In navolging van deze motie heeft de Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen toegezegd met sociale partners het gesprek aan te gaan over de situatie rond zwaar werk na 2025, wanneer de tijdelijke versoepeling van de RVU-heffing en de subsidieregeling voor duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden aflopen. De Minister zal beide Kamers in de loop van 2023 informeren over de voortgang en uitkomsten van deze gesprekken.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts in te gaan op de op de huidige versoepeling van de RVU-heffing die loopt tot en met 2025. Specifiek vragen zij of het een goede en haalbare mogelijkheid biedt voor werknemers om eerder te stoppen met werken.

Alles bijeen laten de ervaringen met de tijdelijke drempelvrijstelling voor de RVU-heffing een gemengd beeld zien. Afgaand op het gebruik lijken de tijdelijke RVU-regelingen een welkome mogelijkheid te bieden aan werknemers die dat nodig hebben om eerder te stoppen met werken. Het aantal cao’s waarin afspraken worden gemaakt over RVU neemt toe20, evenals het aantal mensen dat met RVU gaat21. Het afspreken van tijdelijke sectorale RVU-regelingen gaat vaak gepaard met extra investeringen in duurzame inzetbaarheid, zodat uiteindelijk zoveel mogelijk werknemers gezond werkend het pensioen kunnen bereiken. De eerdergenoemde subsidieregeling, die het investeren in duurzame inzetbaarheid als voorwaarde stelt voor een tegemoetkoming in de werkgeverslasten van eerder uittreden, speelt hierbij een rol. Anderzijds zijn er ook veel werkgevers die enkel investeren in duurzame inzetbaarheid en geen regeling voor eerder uittreden aanbieden, bijvoorbeeld vanwege personeelskrapte. Daarnaast kunnen werkgever en werknemer gezamenlijk op zoek naar andere mogelijkheden voor werknemers die hun werk zwaar vinden, zoals ontziemaatregelen of vitaliteitspacten.

Bij gesubsidieerde RVU’s ziet tot dusver ongeveer twee-derde van de werknemers die gebruik zouden kunnen maken van die regeling daar van af, bijvoorbeeld uit financiële overwegingen of omdat zij geen behoefte hebben om eerder te stoppen met werken.22 Via jaarlijkse rapportages van SEOR worden de ontwikkelingen gemonitord.23 De inzichten die dit oplevert zullen worden meegenomen in het gesprek met sociale partners over de situatie rond zwaar werk na 2025, als de tijdelijke drempelvrijstelling RVU is afgelopen.

35.

Ook kregen de leden van de CDA-fractie aangedragen dat er een probleem kan ontstaan met werkgevers die vrijgesteld zijn van verplichte deelname aan een bedrijfstak pensioenfonds. De pensioenregeling moet dan ten minste gelijkwaardig zijn. Wettelijk is vastgesteld dat de werkgever een set van reële aannames formuleert op basis waarvan de gelijkwaardigheid wordt aangetoond. Zou het wijs zijn, zo vragen deze leden, dat bij nadere regels geformuleerd wordt dat bij de vrijstelling uitgegaan moet worden van de te bereiken pensioenaanspraken in plaats van de premie-inleg?

In het Vrijstellings- en boetebesluit bij de Wet Bpf 2000 zijn de vrijstellingsgronden vastgelegd op basis waarvan individuele werkgevers een verzoek kunnen doen voor vrijstelling van de verplichte deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds. Voor een aantal van deze vrijstellingen geldt dat aan voorwaarden moet worden voldaan. Voor de voorwaarden waaronder vrijstelling kan of moet worden verleend, is er een aantal berekeningen en procedures die vanwege de Wet toekomst pensioenen worden aangepast. De aanpassingen van de vrijstellingsgronden zijn opgenomen in het voorgestelde Besluit toekomst pensioenen en de technische rekenregels in een ministeriële regeling.

Bij een aantal vrijstellingsgronden is financiële en actuariële gelijkwaardigheid van de regelingen vereist. De regering ziet met de leden van de CDA-fractie het belang van een toets op het te bereiken pensioen. De voorwaarde rond actuariële gelijkwaardigheid ziet dan ook op deze vergelijking van het te verwachten pensioen tussen een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds en de pensioenregeling van de werkgever die vrijstelling wenst. Indien zowel het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds als de werkgever hier overeenstemming over hebben, kunnen zij in gezamenlijkheid besluiten om de toets actuariële gelijkwaardigheid achterwege te laten. De pensioenregeling van de werkgever dient voor deze vrijstellingsgronden te allen tijde ten minste financieel gelijkwaardig te zijn. Bij de toets op de financiële gelijkwaardigheid wordt gekeken naar de (netto) premie-inleg in de pensioenregeling.

36.

Kan de regering iets naders melden over de kosten die met de overgang zijn gemoeid, de kosten van voorbereiding van de fondsen voor de transitie?

Voor pensioenfondsen is de verwachting dat de totale kosten van de transitie gemiddeld € 5 miljoen per pensioenfonds zullen bedragen, dit betreft een geaggregeerd gemiddelde. Grofweg is de helft van dit bedrag benodigd voor het aanpassen van de administratiesystemen, een kwart voor het opstellen van het implementatieplan, waaronder het invaren en het aanpassen van het beleggingsbeleid, een kwart voor het informeren van deelnemers. De daadwerkelijke kosten zullen sterk afhangen van het type pensioenfonds, type pensioenregeling en de bijbehorende karakteristieken en van de keuzes die sociale partners en pensioenfondsen zullen maken in de transitieperiode. Voor een groter pensioenfonds met meer complexe pensioenregelingen zullen de kosten hoger uitvallen dan voor een klein pensioenfonds met een relatief eenvoudige pensioenregeling.

37.

Ook vernemen de leden graag de verwachtingen over het kostenplaatje van straks. Klopt het dat uitvoerders nu al rekening houden met hogere kosten per deelnemer, bijvoorbeeld kosten ten aanzien van extra voorzieningen voor het administreren van de verschillende potten, die straks naast de kosten voor beleggingen (terecht) te zien bij elke deelnemer, wellicht niet tot grotere tevredenheid leiden?

Er bereiken mij geen geluiden uit de sector dat pensioenuitvoerders rekening houden met structureel hogere uitvoeringskosten, bijvoorbeeld vanwege administratie van het persoonlijk voor pensioen gereserveerde vermogen van deelnemers. Een van de uitgangspunten van het nieuwe pensioenstelsel is vereenvoudiging. De overgang naar de nieuwe premieregelingen, zeker wanneer dit gepaard gaat met het invaren van bestaande pensioenregelingen, pakt naar verwachting juist gunstiger uit voor de structurele uitvoeringskosten. Met name omdat op dat moment niet twee systemen naast elkaar in stand gehouden hoeven te worden. Hierbij wordt opgemerkt dat de gevolgen van de stelselherziening in hoge mate afhankelijk zijn van besluiten van sociale partners, zoals de keuze voor en de invulling van het pensioencontract en het eerdergenoemde besluit om bestaande rechten in te varen, als ook de keuzes door pensioenfondsen. Structureel is evenwel de verwachting dat uitvoering eenvoudiger wordt, waardoor kosten bespaard zouden kunnen worden. Daarnaast zorgt de btw-vrijstelling voor een forse kostenbesparing, volgens de Pensioenfederatie zal het in elk geval ten minste gaan om meer dan € 500 mln.24

38.

En worden deelnemers straks goed geïnformeerd over de met hun keuzes verbonden kosten? Meer keuzevrijheid klinkt aantrekkelijk, maar als naar schatting 0,1 tot 0,2% kosten per jaar voor de uitvoering daarvan na 40 jaren een pensioen van ruim 4 tot 8% lager oplevert, ziet een deelnemer wellicht liever af van die mogelijkheden, zo menen de leden van de CDA-fractie. Kan de regering aangeven hoe zij daar qua communicatie mee om wil gaan?

Het is waar dat meer keuzevrijheid pensioenregelingen kan compliceren. Welke kosten exact samenhangen met een keuzeoptie hangt af van de welke keuze mogelijk wordt gemaakt. Hoe dan ook geldt dat wanneer meer keuzes worden toegevoegd er een goede afweging plaats dient te vinden in de aanvullende kosten en de baten die het heeft voor deelnemers en gepensioneerden. Met het wetsvoorstel toekomst pensioenen worden – behalve bij de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen – geen nieuwe keuzes mogelijk gemaakt voor de deelnemer. Het wetsvoorstel introduceert een nieuwe norm voor keuzebegeleiding.

Op grond daarvan begeleidt de pensioenuitvoerder de deelnemer bij het maken van keuzes binnen de pensioenregeling. Hiermee wordt de deelnemer beter in staat gesteld een passende keuze te maken. Onderdeel van die begeleiding is het inzichtelijk maken van de gevolgen die een keuze heeft. Het kan dan gaan om bepaalde risico’s of het rendement met inachtneming van daarmee gemoeide kosten. Op grond van informatie die deelnemers ontvangen, samen met de keuzebegeleiding door de pensioenuitvoerder, zijn deelnemers beter in staat voor hen passende keuzes te maken.

Vragen van de leden van de fracties van GroenLinks en PvdA gezamenlijk

1.

In haar reactie geeft de regering aan dat de ministeriële regelingen naar verwachting pas in april in concept gereed zijn en gedeeld kunnen worden met zowel de Eerste als de Tweede Kamer. DNB heeft aangegeven haar definitieve beleidsregels te publiceren bij inwerkingtreding van de wet. Het snel bekend worden van de wetgeving, lagere regelgeving en beleidsregels is van groot belang voor een spoedige implementatie van de nieuwe wetgeving. Kan de regering aangeven op welke manier zij inspanningen verricht om de (concept) lagere regelgeving en de beleidsregels van DNB zo snel mogelijk openbaar te maken?

De zienswijze van de leden van de fractie van PvdA/GL, dat het snel bekend worden van lagere regelgeving en beleidsregels van groot belang is voor een spoedige implementatie van de nieuwe wetgeving, wordt gedeeld. Separaat aan de beantwoording van deze vragen, worden zodoende ook de concept-ministeriële regelingen aan de Eerste Kamer toegezonden. Alle conceptbesluiten zijn reeds eerder met de Eerste Kamer gedeeld.25 Op dit moment is DNB bezig met het opstellen van concept-beleidsuitingen. Een eerste set beleidsuitingen is ook al openbaar geconsulteerd.26 DNB is bezig met de verwerking van de consultatiereacties en is voornemens deze beleidsuitingen te publiceren nadat de wetgeving en lagere regelgeving definitief zijn vastgesteld. Deze wet- en regelgeving is immers leidend voor de beleidsuitingen. Op basis van toezichtsignalen en behoeften in de sector zal DNB, zoals gebruikelijk, naar verwachting additionele beleidsuitingen opstellen. De DNB-werkwijze staat beschreven op het Open Boek Toezicht van DNB.27

2.

DNB schrijft veel extra berekeningen voor in aanvulling op lagere regelgeving. Als voorbeeld bij de onderbouwing van de inrichting van de solidariteitsreserve moeten alle deelnemersgroepen en leeftijdscohorten uit de risicohouding worden doorgerekend om de evenwichtigheid van de solidariteitsreserve aan te tonen. Dit kan in plaats van het inzicht te vergroten juist het inzicht en besluit paradoxaal genoeg minder duidelijk maken, dat men door de bomen het bos niet meer ziet. Is het niet beter dit daarom toe toespitsen op de meest waarschijnlijke scenario’s?

De solidariteitsreserve zal naar verwachting vaak ingezet worden vanuit de doelstelling om reeds ingegane uitkeringen te beschermen tegen onverwachte schokken in bijvoorbeeld inflatie en aandelen. Het beperken van de analyses tot de meest waarschijnlijke scenario’s zou de effecten van de vullings- en toedelingsvragen van de solidariteitsreserve voor verschillende generaties niet goed in kaart brengen. Dit komt doordat eventuele schokken zich juist voordoen in de onverwachte scenario’s. Deze zouden dus buiten beeld blijven als enkel naar de meest waarschijnlijke scenario’s zou worden gekeken. Daarbij kan ik begrijpen dat de voorschriften ten aanzien van de onderbouwing van de inrichting van de solidariteitsreserve de indruk kunnen wekken dat deze berekeningen complex zijn door het gebruik van een scenario’s of een eigen ALM analyse. Dergelijke berekeningen zijn echter gebruikelijk in de sector, zo worden bijvoorbeeld voor de reeds bestaande haalbaarheidstoets berekeningen met scenario’s of een eigen ALM analyse gehanteerd.

3.

Daarnaast leidt dit tot onnodige extra werkzaamheden en kosten voor pensioenfondsen. In haar reactie op vraag 23 van het CDA geeft de regering aan dat het haar indruk is dat de beleidsuiting die DNB op dit onderdeel naar buiten heeft gebracht aansluit bij deze regelgeving en vooral bedoeld is om praktische verduidelijking te geven op welke wijze met de wet- en regelgeving moet worden omgegaan. Kan de regering aangegeven hoe zij aankijkt tegen het feit dat de aanvullende doorrekeningen die DNB vraagt, het inzicht en de besluitvorming vertroebelen en leiden tot onnodige werkzaamheden en kosten?

De berekeningen die DNB vraagt aan de pensioenuitvoerder geven inzicht in de verdeling van de baten en lasten van de solidariteitsreserve voor verschillende generaties. Deze berekeningen volgen uit de wet- en regelgeving. Deze berekeningen worden gevraagd om te beoordelen hoeveel een nieuwe deelnemer naar verwachting betaalt aan de reserve ten opzichte van hoeveel deze deelnemer uit de reserve ontvangt voor de horizon tot pensioendatum en voor een horizon die ook de uitkeringsfase meeneemt. De pensioenuitvoerder onderbouwt vervolgens dat deze baten en lasten in lijn zijn met de doelstellingen van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve. De evenwichtigheid van afspraken rond de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve wordt door de pensioenuitvoerder beoordeeld en wordt daarna door de pensioenuitvoerder in de besluitvorming onderbouwd. Gelet op de gewenste borging van evenwichtigheid tussen de generaties, zijn de werkzaamheden en uitvoeringskosten die hiermee gepaard gaan te rechtvaardigen.

4.

De leden van deze fracties hebben ook enkele vragen over het toezicht zelf. De wet kent zogenaamde open normen, zodat pensioenfondsen maximale ruimte hebben om aan de vele knoppen te draaien bij de beleidsbeslissingen. Deze leden hechten hieraan, zeker omdat in de wet juist nieuwe knoppen zijn toegevoegd om meer maatwerk per fonds te kunnen toepassen dan in het oude stelsel, zowel in het beleggingsbeleid als in de realisatie van een koopkrachtig pensioen en evenwichtige verdeling van belangen. Is het juist dat de AFM en DNB derhalve vooral een procedurele toets dienen toe te passen, en niet normgevend mogen interveniëren? En zo nee, welke grenzen dienen de toezichthouders dan strikt te hanteren, zodat de fondsen precies weten waar hun reikwijdte is beperkt, en zo ja welke motivering heeft de regering daar dan voor? En is dan de bevoegdheid van de toezichthouders om nadere onderbouwing te vragen waarna toch het fonds het laatste woord heeft, of kan de toezichthouder ook precieze aanwijzingen en voorschriften geven die zondermeer dienen te worden gevolgd?

Wetgeving kan open normen of gesloten normen bevatten. Met open normen kan sneller worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen. Ook onderstrepen open normen de eigen verantwoordelijkheid en beleidsvrijheid van een pensioenfonds, en bieden ze ruimte voor maatwerk per pensioenfonds. Het gebruik van open normen is niet nieuw en wordt ook in andere wetgeving gehanteerd, denk bijvoorbeeld aan de norm voor «goed werkgever- en werknemerschap» in het arbeidsrecht of de norm van beheerste en integere bedrijfsvoering in de Pensioenwet.

Naast zojuist genoemde voordelen van open normen is er ook een nadeel, bijvoorbeeld dat er discussie kan ontstaan over de invulling. De exacte grenzen zijn immers niet altijd op voorhand duidelijk, dit is inherent aan een open norm. Dat is wel het geval bij een gesloten norm, die biedt dergelijke eenvoud waardoor er minder ruimte is voor discussie, terwijl het nadeel is dat dergelijke normen geen ruimte bieden voor maatwerk.

Het invullen van een open norm is aan de adressant van een open norm, vaak een pensioenfonds. De toezichthouder kan in de toezichtpraktijk uitvoerders hierbij ondersteunen op verschillende manieren. Veelal gebeurt dit door het geven van guidance, bijvoorbeeld in de vorm van een leidraad, «Good Practice» of een «Q&A». Deze uitingen binden de toezichthouder. Pensioenfondsen kunnen ook andere keuzes maken mits deze aan wet- en regelgeving voldoen (zie ook bijvoorbeeld de leeswijzer van DNB over de status van beleidsuitingen).28 Ook toezichthouders kunnen niet verder kan gaan dan de wetgeving voorschrijft. Overigens geldt dat beleidsuitingen door de toezichthouders vaak opgesteld worden omdat daar een bepaalde behoefte voor bestaat vanuit de sector.

Toezichthouders kunnen alleen nadere regels stellen in geval de wet daartoe de mogelijkheid biedt. Deze nadere regels kunnen niet verder gaan dan het bestaande wettelijk kader. In het wetsvoorstel toekomst pensioenen en in het conceptbesluit toekomst pensioenen is dit op drie punten geregeld. In artikel 1h van het conceptbesluit toekomst pensioenen is geregeld dat DNB nadere regels kan stellen voor de wijze waarop de berekeningen voor de evenwichtigheid van de solidariteits- en risicodelingsreserve worden gemaakt en toegelicht, in artikel 46a van het conceptbesluit toekomst pensioenen is geregeld dat de AFM nadere regels kan stellen voor de vormgeving en wijze van leveren van het communicatieplan. In artikel 150m, tweede lid Pensioenwet en artikel 145, tweede lid Wvb is geregeld dat DNB een proces inricht voor de melding van de interne collectieve waardeoverdracht en voorschrijft welke stukken daarvoor benodigd zijn. Het feit dat er berekeningen gemaakt moeten worden, het communicatieplan aangeleverd moet worden of een collectieve waardeoverdracht bij DNB moet worden gemeld, is vastgelegd in wet- of regelgeving. Dat bepalen de toezichthouders niet zelf.

5.

Deze leden vragen ook een reactie op een punt waar de CDA-fractie eerder op heeft gewezen dat DNB niet alleen beleidstoezicht zal houden, maar ook gaat over benoeming en herbenoeming van pensioenbestuurders en toezichthouders, waardoor deze zich in een afhankelijkheidsrelatie kunnen voelen. Acht de regering dit niet een oneigenlijke commutatie van toezichtstaken in één hand, die een open vrije discussie in de weg staat, en zouden deze rollen niet beter volkomen gescheiden kunnen worden?

De regering begrijpt dat de verhouding pensioenuitvoerder en toezichthouder in het algemeen als complex kan worden ervaren gelet op de verschillende rollen en taken. Het is daarom primair van belang dat de taakverdeling tussen partijen duidelijk is. Pensioenfondsbesturen gaan over de uitvoering van de pensioenregeling en zorgen dat zij de keuzes die zij maken kunnen verantwoorden naar de fondsorganen, de deelnemers én de toezichthouders. Toezichthouders houden toezicht. Een goed gesprek over de gemaakte keuzes kan juist positief bijdragen aan de borging dat de juiste keuzes, gegeven de situatie, zijn gemaakt. Daarnaast wordt opgemerkt dat het toezicht van DNB verschillende facetten en vormen kent: het toezicht van DNB richt zich op solide en integere financiële instellingen die hun verplichtingen nakomen. Dit uit zich onder meer in lopend toezicht op individuele pensioenfondsen. Hiernaast heeft DNB de taak om bestuurders – overigens ook bij andere financiële instellingen zoals banken en verzekeraars – vóór benoeming en tussentijds indien er een redelijke aanleiding wordt gezien, op geschiktheid en betrouwbaarheid te toetsen (voorafgaand toezicht). Deze toetsing wordt voor pensioenfondsen uitgevoerd aan de hand van de Pensioenwet en lagere regelgeving en de breder geldende Beleidsregel geschiktheid 2012. De toetsingen binnen DNB worden door andere personen uitgevoerd dan de toezichthouders die zich richten op het lopend toezicht op individuele pensioenfondsen. De regering acht het derhalve niet nodig om de verschillende vormen van toezicht verder te verdelen onder verschillende instanties.

6.

Het valt op dat de regering zeer algemeen reageert op heel specifieke vragen van deze fracties om misverstanden uit de wereld te helpen. Bijvoorbeeld wordt niet hard weersproken dat er sprake zou zijn van een sterk geïndividualiseerd systeem, de noodzaak om beurskoersen te volgen of zelf risico / rendement afwegingen te moeten maken, en wordt niet bevestigd dat het woord «eigen potje» tot verwarring leidt, waardoor burgers het idee kunnen hebben dat het een potje is dat je zelf moet beheren, dat van jou is en waar je ook recht op hebt, bijvoorbeeld bij overlijden. Kan de regering aangeven of er in de communicatiecampagne ook aandacht wordt besteed aan het wegnemen van deze misverstanden?

Ik ben het eens met de leden van de PvdA en GroenLinks-fracties dat het belangrijk is om eventuele misverstanden weg te nemen. Het nieuwe pensioenstelsel is net zoals het huidige pensioenstelsel een collectief systeem waarbij individuele deelnemers en gepensioneerden worden ontzorgd door sociale partners en pensioenuitvoerders. Individuele burgers kunnen dus ook niet met het pensioenvermogen zelf gaan beleggen. Deze aspecten worden ook meegenomen in de publiekscampagne.

De overheid, werknemersorganisaties, werkgevers(organisaties) en pensioenuitvoerders pakken de communicatie over de nieuwe regels voor pensioen gezamenlijk op. Daarbij vindt er ook afstemming plaats over hoe zaken uitgelegd worden, zodat misverstanden in eerste instantie voorkomen kunnen worden of opgelost. De communicatiecampagne bestaat uit twee delen. Naast het informatieplatform voor professionals is er in 2022 ook een platform ontwikkeld voor publiekcommunicatie. Vanaf augustus 2022 is de site onsnieuwepensioen.nl beschikbaar voor het Nederlandse publiek. Op deze plek wordt in heldere taal uitgelegd wat pensioen is, waarom een wijziging van het pensioenstelsel wordt beoogd, wat met de Wet toekomst pensioenen hetzelfde blijft en wat er verandert. Bij de aspecten van het huidige pensioenstelsel die hetzelfde blijven wordt op het informatieplatform bijvoorbeeld duidelijk beschreven dat ons aanvullend pensioen gezamenlijk wordt opgebouwd door inleg van premie door werkgevers en werknemers, die via beleggingen leiden tot pensioenuitkeringen. Ook informatie over het delen van financiële risico’s via buffers en het feit dat pensioenuitkeringen door het pensioenfonds blijven worden uitgekeerd (geen «potje in eigen beheer») zijn daar terug te lezen. De communicatiecampagne besteedt daarnaast aandacht aan aspecten die veranderen. Dat ziet op het eerdere perspectief op pensioenverhoging als de rendementen goed zijn, en pensioenverlaging als de rendementen onvoldoende zijn en de buffers dit niet kunnen opvangen. Het gaat ook over het feit dat duidelijker wordt wat burgers aan pensioen gaan opbouwen. Het opgebouwde pensioen is straks de namens jou ingelegde premie plus het rendement dat daarover gemaakt is. Op het informatieplatform van de communicatiecampagne wordt niet gesproken over een «eigen potje», aangezien daar ook geen sprake van is. Na de inwerkingtreding van de wet zal tevens een publiekscampagne starten om burgers te informeren over het nieuwe pensioenstelsel en pensioenen in het algemeen.

7.

Kan de regering de (mogelijke) risico’s voor de komende tien jaar uiteenzetten? Bijvoorbeeld wat er gebeurt als de rente tot 2% of lager daalt in het huidige stelsel, bij een inflatie van 2%, voor wat betreft de indexatie? En kunnen deze effecten tevens worden afgezet tegen de effecten van het nieuwe stelsel?

Dergelijke inzichten kan de regering alleen in algemene termen geven. Specifieke berekeningen kunnen enkel op het niveau van het pensioenfonds gegeven worden. Pensioenfondsen zullen dit ook inzichtelijk maken op basis van scenarioanalyses. Om inzicht te krijgen in de effecten op pensioenuitkeringen van inflatie en rente maken pensioenfondsen gebruik van scenarioanalyses waarin meerdere scenario’s van rente en inflatie worden bekeken.

Elk kapitaalgedekt pensioenstelsel zal bij hoge inflatie moeite hebben om het perspectief op een koopkrachtig pensioen waar te maken. Als de hoge inflatie gepaard gaat met een stijgende rente zal dit perspectief makkelijker waar te maken zijn dan bij een dalende rente, omdat in het eerste geval de prijs van toekomstige pensioenuitkeringen lager wordt dan in het tweede geval. In de DNB-berekeningen van december is een gevoeligheidsanalyse doorgerekend van de impact van een renteschok van plus en minus 1% punt ten opzichte van de rente en de dekkingsgraad in de basisvariant.29 De kosten voor de afschaffing van de doorsneesystematiek nemen af bij een lagere rente. Dit leidt tot vlakkere uitslagen uitgedrukt in nettoprofijt. Tegelijkertijd geldt dat een lagere rente leidt tot een lagere dekkingsgraad. Hierdoor zal er bij de transitie minder ruimte zijn om bijvoorbeeld de reserves te vullen. In het kader van deze vraag is verder van belang dat in het transitieplan door sociale partners en werkgevers rekening moet worden gehouden met verschillende verwachtingen rond de economische en financiële omstandigheden en moeten ook pensioenfondsen voorbereid zijn op verschillende economische en financiële omstandigheden in het kader van complete besluitvorming.

8.

Bij de toelichting op de aanpassingen naar aanleiding van het advies van de Raad voor de Rechtspraak ontbreekt de nieuwe politieke werkelijkheid, waarbij de politiek stevige waarborgen in de wet heeft opgenomen voor de evenwichtige belangenafweging. Is de verwachting juist dat, omdat de politiek de speelruimte van fondsbesturen bij de transitie fors heeft ingeperkt, er veel minder rechtszaken zijn te verwachten? Hierbij helpt ook dat de standaardmethode als default is aangemerkt. Verwacht de regering dat deze waarborgen voor evenwichtige belangenafweging bijdragen aan het verminderen van het aantal rechtszaken?

De verwachting is inderdaad dat de wijzigingen, die gedurende de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn aangebracht door middel van amendementen en nota’s van wijziging, zullen bijdragen aan het verminderen van het aantal rechtszaken. De website werkenaanonspensioen.nl biedt een overzicht van alle wijzigingen.30

De leden van de fracties van PvdA en GroenLinks refereren al aan het aanmerken van de standaardmethode als default. Daarnaast kunnen in dit verband ook de volgende wijzigingen van belang zijn:

  • De voorwaarden voor het aanwenden van het vermogen van een pensioenfonds zijn voor beide rekenmethoden gelijkgetrokken en er is een minimum percentage opgenomen: in beide gevallen minimaal 95% van de uitkomst van de standaardregel.

  • Er zijn percentages en specifieke doeleinden vastgelegd voor het aanwenden van het vermogen van een pensioenfonds bij invaren. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen lage (onder 105%), gemiddelde (105–110%) en hoge (boven 110%) dekkingsraden. Bijvoorbeeld: in de situatie van een dekkingsgraad onder 105% is een maximum percentage van 5% vastgelegd voor het aanwenden van vermogen in drie specifieke doeleinden (compensatie door extra pensioenaanspraken, solidariteits- of risicodelingsreserve, ontzien van ingegane pensioenuitkeringen).

  • Er is een ondergrens voor invaren vastgelegd in het wetsvoorstel (dekkingsgraad van 90%).

  • De deelnemer ontvangt zowel voor als na de transitie en het invaren een overzicht met transitie informatie. Eventuele verschillen worden door de pensioenuitvoerder toegelicht.

Aanvullend op bovengenoemde wijzigingen kan mogelijk ook de artikelsgewijze behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer een bijdrage leveren aan het verminderen van zaken. Daarbij is onder meer aandacht geweest voor de open normen die het wetsvoorstel bevat (onevenwichtig, onevenredig ongunstig, onevenwichtig nadeel). Op deze punten is een nadere duiding gegeven, die mogelijk behulpzaam kan zijn voor de rechtspraak.31

9.

Als een van de maatregelen die pensioenopbouw onder zzp’ers moeten vergroten, wordt de verruiming van de 3e pijler genoemd. Kan de regering aangeven hoeveel zzp’ers nu fiscaal maximaal pensioen opbouwen?

Het wetsvoorstel toekomst pensioen bevat een nieuw fiscaal kader. Onderdeel hiervan is om te komen met een meer arbeidsvorm neutraal pensioenkader.32 Dit houdt (o.a.) in dat de fiscaal gefaciliteerde premieruimte fors wordt verruimd. Nu is die ruimte gemaximeerd op 13,3% van de premiegrondslag (inkomen minus AOW-drempelbedrag). Voorgesteld wordt dit te verhogen naar 30%, waarmee de ruimte in de derde pijler gelijk wordt aan de ruimte die werknemers hebben in de tweede pijler. Deze maatregel draagt er onder meer aan bij dat pensioensparen door zelfstandigen beter wordt gefaciliteerd. Zelfstandigen die pensioen opbouwen in de derde pijler hebben dan namelijk dezelfde fiscale ruimte voor pensioenopbouw als werknemers in de tweede pijler.

Uit analyse van de aangifte voor de inkomstenbelasting die is gedaan als onderdeel van het voorstel voor een arbeidsvorm neutraal pensioenkader, blijkt dat van degenen die pensioensparen in de derde pijler, circa een derde nagenoeg de maximale fiscaal ruimte benut (90 tot 100% van de berekende maximale jaarruimte).33 Het gaat hier om circa 90.000 personen (op basis van 2018). Het betreft hier zowel ondernemers voor de inkomstenbelasting, werknemers in dienstbetrekking als resultaatgenieters (werkenden met neveninkomsten). Een nadere uitsplitsing naar alleen zelfstandigen is niet gemaakt.

10.

Het wetsvoorstel WTP geeft geen belemmeringen om het wezenpensioen te beperken tot de eerste drie kinderen. Rond deze zomer zal een wetsvoorstel in consultatie gaan waarin een uniformering van het wezenbegrip is opgenomen. Kan de regering toelichten waarom niet in dit nieuwe wetsvoorstel een verbod is opgenomen tot een maximum aantal wezen?

De huidige Pensioenwet en de fiscale wetgeving kent op dit moment geen belemmeringen om het wezenpensioen te beperken tot een maximumaantal kinderen. Met de nieuwe voorstellen voor wezenpensioen in het wetsvoorstel toekomst pensioenen is geen versobering beoogd, vandaar dat er in de voorgestelde wetgeving geen beperking is opgenomen voor het aantal kinderen dat in aanmerking kan komen voor een wezenpensioen. Desalniettemin is mij bekend dat in sommige pensioenregelingen het aantal kinderen dat in aanmerking kan komen beperkt tot een maximum. Sociale partners maken hierover afspraken in de pensioenregeling.

11.

Er zijn franchise-loze pensioenregelingen, die het mogelijk maken dat lagere inkomens toch nog pensioen van enige betekenis opbouwen. Door de leeftijdsverlaging cf. amendement Nijboer/Maatoug en door afschaffing in het nieuwe stelsel van de doorsnee-systematiek is dit ook in de toekomst van groot belang voor de lagere inkomens, omdat de eerste jaren sterker meetellen. Is het juist dat de Belastingdienst uit wil gaan van een standaardaanpak mét franchises, en is de regering met deze leden van mening dat juist nul-franchise-regelingen dienen te worden bevorderd en niet ontmoedigd? Argumenten om nul-franchise-regelingen te bevorderen zijn dat iedereen dan in gelijke mate profiteert van de pensioenpremie tweede pijler, het flexibel pensioen voor lagere inkomens met gemiddeld slechtere gezondheid en kortere levensverwachting beter mogelijk maakt en het qua uitvoering eenvoudiger en minder fraudegevoelig is. Daarenboven heeft de (terechte) verhoging van de bruto-AOW de tweede pijler voor lage inkomens nog kleiner gemaakt, wat voorheen nog werd gecompenseerd door de verhoging van de IOAOW, die inmiddels wordt uitgefaseerd. Graag een reactie van de regering op deze benadering.

De regering deelt met deze leden het uitgangspunt dat het belangrijk is om pensioen op te bouwen. Dat geldt ook voor mensen met een lager inkomen. Daar laten de huidige en toekomstige fiscale begrenzingen ook ruimte voor. Artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 kent twee verlaagde AOW-franchises in combinatie met lagere opbouwpercentages (zijnde een franchise van 13.033 euro bij een opbouwpercentage van maximaal 1,701 procent en een franchise van 14.714 euro met een opbouwpercentage van 1,701 procent tot en met 1,788 procent). Ook in het nieuwe fiscale kader blijven verlaagde franchises in combinatie met een lager premiepercentage onderdeel van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. Los daarvan kan in een pensioenregeling in beginsel ook met een andere franchise of geen franchise worden gewerkt. In die gevallen moet de pensioenregeling zo zijn vormgegeven dat voor elke deelnemer afzonderlijk de pensioenopbouw binnen de fiscale ruimte blijft. Het toepassen van een lagere franchise kan met name gunstig zijn voor werknemers met een lager loon. Tenslotte wordt erop gewezen dat het ook is toegestaan om in een pensioenregeling voor verschillende inkomensgroepen verschillende AOW-franchises en opbouwpercentages te hanteren, zodat voor verschillende inkomensgroepen de fiscale ruimte optimaal wordt benut. In verschillende pensioenregelingen wordt dit ook in de praktijk zo gedaan. De fiscale begrenzingen in het huidige en het toekomstige fiscale kader bieden ruimte voor het opbouwen van een adequaat pensioen gericht op een pensioenambitie van 75% van het gemiddelde loon in 40 jaar inclusief de AOW. Omdat bij de vormgeving van de fiscale ruimte rekening wordt gehouden met de AOW, is pensioenopbouw in de tweede of de derde pijler fiscaal alleen toegestaan indien het loon hoger is dan de AOW-franchise (zijnde 16.322 euro bij een maximum opbouwpercentage van 1,875 procent). In geval van deeltijdwerk worden het pensioengevend loon en de AOW-franchise naar rato verlaagd via de factor pensioengevende diensttijd.

12.

In de eerdere beantwoording meldt de regering dat er aan wordt gewerkt om pensioenuitvoerders de mogelijkheid te geven in de Basisregistratie Personen (BRP) samenwonende partners die een samenlevingsverklaring hebben getekend te volgen, zodat pensioenuitvoerders geautomatiseerd kunnen vaststellen bij samenwonende partners (die niet zijn getrouwd en zonder geregistreerd partnerschap) of sprake is van samenwonen op hetzelfde adres. Deze leden waarderen de inzet om alle samenwoners te registreren bij het pensioenfonds en zien de uniformering van het partnerschap als een stap voorwaarts. Wel zijn er enkele vragen over de effectiviteit van deze aanpak. Zo wijzen pensioenuitvoerders op de bevinding dat in de praktijk veel deelnemers niet zullen aangeven wanneer ze gaan samenwonen (of niet meer samenwonen) wanneer deze registratie op vrijwillige basis is. Is de regering het met de leden eens dat de registratie van samenwonenden enkel nuttig is voor het pensioenfonds wanneer zij informatie hebben van alle deelnemers? Zo ja, zou de regering kunnen toelichten waarom er niet wordt gekozen voor verplichte registratie?

Het staat pensioenuitvoerders inderdaad vrij om de tweezijdige samenlevingsverklaring als instrument te gebruiken. Bij onbepaalde nabestaandenpensioenen is het echter niet per se nodig om vooraf te weten of de deelnemer een partner heeft en wie de partner is van de deelnemer. Dit kan ook worden vastgesteld op het moment van overlijden van de deelnemer. In dat geval kan op basis van dit wetsvoorstel de eenzijdige partnerverklaring worden gebruikt, waarbij de nabestaande partner aannemelijk maakt dat deze de partner was van de overleden deelnemer. Om aan te sluiten bij de huidige praktijk is het werken met de tweezijdige partnerverklaring niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het werken met een tweezijdige samenlevingsverklaring voordelen heeft, bijvoorbeeld dat dit via het BRP pensioenuitvoerders in staat stelt om te bepalen of het feit dat men aangeeft samen te wonen nog actueel is.

13.

Artikel 48a WTP ziet toe op de keuzebegeleiding van de deelnemers door de pensioenuitvoerder. Deze begeleiding moet volgens het artikel op een adequate wijze gebeuren door de deelnemer in staat te stellen om een passende keuze te maken. Pensioenuitvoerders waarschuwen voor uitvoeringsproblematiek omdat zij merendeel van de deelnemers niet kunnen bereiken. Uitvoerders beschikken namelijk niet over alle de emailadressen van alle deelnemers waardoor het lastig wordt om deze deelnemers goed te kunnen informeren. Fondsen proberen deelnemers hierom te «verleiden» om hun emailadres door te geven, met beperkte resultaten en hoge kosten (in 2018 rond de 8,6 miljoen euro +350.000 euro per jaar onderhoud voor 37% meer emailadressen). In het Regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» (2017–2021) staat dat emailadressen zullen worden opgenomen in de Basisregistratie Personen (BRP). Dit initiatief is echter nooit gerealiseerd. Is de regering met deze leden eens dat voor een adequate keuzebegeleiding de pensioenuitvoerder in contact moet kunnen komen met haar deelnemers? Kan de regering uitvoering geven aan het oorspronkelijke initiatief, en welke alternatieven daar voor anders worden ingezet?

Het kunnen bereiken van deelnemers is een aandachtspunt van alle tijden en is breder dan keuzebegeleiding. Dit aandachtspunt zal met het wetsvoorstel toekomst pensioenen niet opgelost worden en het wetsvoorstel ziet ook niet op de uitwerking van dat specifieke element uit het regeerakkoord. Wel worden deelnemers via de website onsnieuwepensioen.nl opgeroepen om hun contactgegevens bij hun pensioenuitvoerder te controleren.

Dat gezegd hebbende, is keuzebegeleiding op diverse manieren vorm te geven. Uiteraard is contact met de deelnemer daarbij belangrijk. Het bereiken van deelnemers kan op verschillende manieren, via digitale keuzeomgevingen, telefonisch contact, informatie op websites of in brieven of via een-op-een-gesprekken. Welke manier of manieren het beste past, hangt af van de keuzes die pensioenuitvoerders maken bij de invulling van deze norm. Veel pensioenuitvoerders zijn al langere tijd bezig met dergelijke manieren van het informeren en begeleiden van hun deelnemers, en kunnen daar dus op voortbouwen. Daarnaast kan (deelnemer)onderzoek of good practices uit de sector helpen om de norm verder in te vullen.

Wat betreft het opnemen van e-mailadressen de Basisregistratie Personen nog het volgende: sinds oktober 2022 worden van niet-ingezetenen contactgegevens (waaronder e-mailadressen) geregistreerd in de BRP. De e-mailadressen worden bij registratie als niet-ingezetene in de BRP (RNI) opgevraagd en geregistreerd in de BRP. Het Ministerie van BZK onderzoekt op het moment of ook voor ingezetenen (inwoners van Nederland) registratie van e-mailadressen en telefoonnummers zal worden ingevoerd. Hierbij zullen de ervaringen met de registratie van contactgegevens van niet-ingezetenen worden betrokken.

14.

In de eerdere beantwoording wordt benoemd dat het wezenpensioen dat voor de transitie is opgebouwd, na de transitie ook beschikbaar blijft als wezenpensioen. Kan de regering toelichten of dit opgebouwde deel na het invaren nog steeds wordt uitgekeerd tot 27 jaar, mits studerend, of dat ook voor deze wezen na het invaren de uniforme leeftijd van 25 jaar geldt? Maakt het daarbij uit of er wel/niet is ingevaren?

In artikel 220g van de Pensioenwet (overgangsrecht nabestaandenpensioen) is in het vijfde lid een overgangsregeling voor wezenpensioen opgenomen. Het overgangsrecht voorziet ook in de bescherming van het opgebouwde, nog niet ingegane, wezenpensioen. Dat betekent dat ook het wezenpensioen dat voor de transitie opgebouwd was, na transitie beschikbaar blijft als wezenpensioen. Concreet betekent dit dat, ongeacht of het wezenpensioen wordt ingevaren, de voorwaarden blijven gelden die golden ten tijde van de opbouw van het wezenpensioen.

15.

Onlangs heeft het gerechtshof in Den Haag geoordeeld dat een pensioenberekening op een UPO juridisch gezien geen toekenning van een pensioenaanspraak voor de deelnemer is. Is de regering van mening dat deze uitspraak, waarin wordt vastgesteld dat een waarde-overzicht van de pensioenwaarde puur administratief is en niet kan worden aangemerkt als rechtshandeling, invloed kan hebben op toekomstige rechtszaken over het mogelijk inbreuk maken op het eigendomsrecht bij het invaren? Waarom wel of niet?

Het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage is in lijn met vaste rechtspraak over de juridische status van het UPO. Aan het UPO kunnen geen rechten worden ontleend. Op basis van het pensioenreglement kan worden vastgesteld wat de deelnemer aan pensioenaanspraken of -rechten heeft opgebouwd. Bij procedures omtrent het eigendomsrecht gaat het erom dat de deelnemer stelt en onderbouwt dat het invaren voor hem tot een onevenredig zware last leidde. Daarbij kunnen diverse documenten worden gebruikt om de vordering te onderbouwen. Daar worden geen eisen aan gesteld.

16.

Als een pensioenwaarde-overzicht enkel wordt gezien als een «administratieve tool» kan dit ook invloed hebben op de rechten bij invaren. Acht de regering mogelijk dat door deze uitspraak deelnemers van pensioenfondsen ook niet in beroep kunnen gaan tegen het eenmalige document dat deelnemers ontvangen voor het invaren met daarin vermeld het pensioenvermogen na het invaren? Kan er in de beantwoording ook worden ingegaan op de mogelijkheid dat de pensioenwaarde na het invaren wordt gewijzigd en dus niet meer overeenkomt met de waarde die is vastgesteld in het document?

De transitie-informatie, het overzicht voor en na, heeft dezelfde (juridische) status als de reguliere Uniforme Pensioenoverzichten (UPO’s). Dat wil zeggen dat deelnemers er geen rechten aan kunnen ontlenen, het is een informatie-document. Het pensioenreglement is leidend; daaruit volgt hoeveel pensioen de deelnemer opgebouwd zou moeten hebben. De deelnemer kan daarom wel rechten ontlenen aan het pensioenreglement. Het doel van de transitie-informatie is de deelnemer te informeren over de gevolgen van de transitie voor de hoogte van het pensioen en geeft het inzicht in de pensioensituatie vlak vóór en na de overstap. Vervolgens ontvangen de belanghebbenden ook het definitieve overzicht op het moment dat de definitieve pensioenbedragen bekend zijn. De pensioenuitvoerder legt daarbij uit waarom er eventuele verschillen zijn opgetreden ten opzichte van het eerdere informatie-moment. Daarnaast geldt bij alle informatie-uitingen dat deze moeten voldoen aan wet- en regelgeving: de informatie dient correct, duidelijk en evenwichtig te zijn en tijdig te worden verstrekt of beschikbaar gesteld. Mocht een deelnemer van mening zijn dat hij/zij benadeeld is bij het invaren, dan kan hij/zij daartoe terecht bij de geschilleninstantie (na het doorlopen van de interne klachtenprocedure) of bij de rechter. In een dergelijke procedure kan de deelnemer de eerder ontvangen overzichten betrekken om zijn vordering te onderbouwen. Uiteindelijk blijft ook hier het pensioenreglement en het wettelijk kader leidend om vast te stellen of het invaren op basis van de juiste bedragen heeft plaatsgevonden.

17.

Heeft de regering kennis genomen van de Brief van de sociale partners in de Rijn- en Binnenvaart? Bij Besluit van 24 augustus 2021 heeft de toenmalige Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid besloten dat de verplichtstelling van het Bedrijfstakpensioenfonds Rijn- & Binnenvaart per 1 januari 2025 wordt ingetrokken vanwege onvoldoende representativiteit. Deze datum is vastgesteld met het oog op dat sociale partners en het fonds nog voldoende tijd zouden hebben om over te gaan tot het nieuwe stelsel. Helaas is de tijd tot 1 januari 2025 te kort gebleken om tot een tijdige en zorgvuldige implementatie van een nieuwe pensioenregeling te komen, met als resultaat dat het pensioenfonds nu per 2025 sluit voor de nieuwe opbouw. Daarbij bestaat de sector Rijn- en Binnenvaart uit een groot aantal kleine ondernemingen. Deze leden vrezen dat door deze omstandigheden een grote witte vlek ontstaat van werknemers die niet alleen geen toekomstig pensioen opbouwen maar ook compensatie voor de afschaffing van de doorsneepremie mislopen. Deelt de regering deze vrees? Waarom wel of niet? Als de werkgever wel een pensioenregeling voor haar deelnemers treft, zal het pensioenfonds een los invaarverzoek voor die ene ondernemer ontvangen. Met het gegeven dat dit bedrijfstakpensioenfonds hoofdzakelijk uit kleine ondernemingen met circa 5 werknemers bestaat, kan het aantal invaarverzoeken al snel oplopen. Is de regering met deze leden eens dat deze situatie uitvoeringstechnisch onwenselijk is? Erkent de regering dat, gezien de twee hiervoor geschetste situaties, het intrekken van de pensioenverplichting midden in het proces van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel een uiterst ongunstig moment is voor dit pensioenfonds en haar werkgevers/ werknemers? Is de regering bereid om hierover met de sociale partners en het Bedrijfstakpensioenfonds Rijn- & Binnenvaart in gesprek te gaan?

Ik heb kennisgenomen van de brief die de sociale partners in de Rijn- en Binnenvaart op 6 april jl. hebben verstuurd ten aanzien van de intrekking van de verplichtstelling van het Bedrijfstakpensioenfonds Rijn- en Binnenvaart per 1 januari 2025. Deze brief wil ik zorgvuldig bestuderen en behandelen. Daar hoort uiteraard bij dat ik hierover in gesprek zal gaan met de sociale partners in de Rijn- en Binnenvaart en het bedrijfstakpensioenfonds. Dat gezegd hebbende wil ik wel opmerken dat de datum van 1 januari 2025 destijds (zomer 2021) in goed overleg met sociale partners en pensioenfonds tot stand is gekomen. Vanaf het moment van inwerkingtreding van het wetsvoorstel toekomst pensioenen kunnen sociale partners ook terecht bij de onafhankelijke transitiecommissie die sociale partners kan ondersteunen bij het onderhandelen over het transitieplan.

18.

In de antwoorden beschrijft de regering bij de vragen 33 en 34 van het CDA op welke manier volgens haar het uitzicht op een koopkrachtig pensioen kan worden geboden. De regering ziet mogelijkheden om de solidariteitsreserve te gebruiken om de pensioenen koopkrachtig te houden. Klopt het dat die mogelijkheid alleen bestaat als de solidariteitsreserve afdoende (ca 8%) initieel gevuld is? Kan de regering onderschrijven dat ook het op niveau houden van de solidariteitsreserve een flinke inspanning vereist, die ten koste gaat van het pensioen van alle deelnemers, nu die vulling uit overrendement en/of premie moet komen?

Het zoveel mogelijk bijhouden van de inflatie kan in het nieuwe pensioenstelsel worden gerealiseerd via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement waarbij inflatiegerelateerde beleggingen kunnen worden aangehouden, (iii) de solidariteits- of risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement. Op de vraag hoeveel initiële vulling van de solidariteitsreserve nodig is, is geen eenduidig antwoord te geven. Dit is afhankelijk van meerdere factoren zoals de aard van de inflatieschok (tijdelijk of permanent), de grootte van de schok en of deze schok plaatsvindt bij een stijgende of dalende rente. Het Cardano-rapport «Inflatierisico en de solidariteitsreserve»34 laat zien dat bij een tijdelijke inflatieschok van 5% rond de 3% solidariteitsreserve nodig is. Bij structurele hogere inflatie zijn naast de initiële vulling de vulregels van de solidariteitsreserve van belang. Zo laat het bovengenoemde rapport zien dat de solidariteitsreserve bij een jaarlijks inflatieniveau van structureel 1%-punt hoger (dan 2% inflatie) toereikend is als deze wordt gevuld uit zowel premies als overrendement, maar dat de reserve niet meer toereikend is als deze slechts wordt gevuld uit één van deze bronnen. Bij nog hogere niveaus van structurele inflatie komen de grenzen van de solidariteitsreserve in zicht.

19.

Is het juist dat daarvoor een invaardekkingsgraad van ruim boven de 110% nodig is, rekening houdend met het verplichte eigen vermogen, een operationele reserve en een eventueel compensatiedepot?

Gelet op de verschillende fondsspecifieke kenmerken en decentrale afspraken is op de vraag enkel een algemeen antwoord mogelijk. In algemene zin kan worden gesteld dat een initiële vulling van de solidariteits- of risicodelingsreserve met 3% van het vermogen ook mogelijk is met een invaardekkingsgraad van onder de 110%. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het realiseren van een dergelijke vulling bij die invaardekkingsgraad, onder meer afhankelijk is van de grootte van het compensatiedepot.

20.

Als pensioenfondsen willen koersen op een dergelijke invaardekkingsgraad, onderkent de regering dat de indexatie-achterstand in de transitieperiode nog verder kan oplopen?

De invaardekkingsgraad is de dekkingsgraad waarbij de invaardoelen gerealiseerd kunnen worden. Overigens kan een invaardoel ook zijn – een deel van – een indexatieachterstand inhalen. Als de huidige dekkingsgraad onder de invaardekkingsgraad ligt, kan het pensioenfonds in het transitie-ftk naar de invaardekkingsgraad toegroeien. Als de huidige dekkingsgraad daarboven ligt, hoeft het pensioenfonds geen maatregelen te nemen. Tijdens de transitieperiode gelden de huidige regels voor het inhalen van een indexatieachterstand.

21.

Is het per saldo niet zo dat de mogelijke inflatiedekking vanuit de solidariteitsreserve bij een gemiddeld fonds feitelijk door de (aanstaand) gepensioneerden zelf wordt betaald, omdat dat vermogen niet wordt toebedeeld aan de persoonlijke pensioenvermogens?

Bij de beantwoording van deze vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen een eventuele initiële vulling van de solidariteitsreserve bij invaren en de structurele situatie, waarbij de solidariteitsreserve wordt gevuld door middel van premies en/of overrendementen. Initiële vulling van de solidariteitsreserve kan inderdaad betekenen dat op het moment van invaren minder vermogen aan de persoonlijke pensioenvermogens wordt toebedeeld. Dat kan een meerwaarde hebben bij onverwachte inflatieschokken, omdat deze met een solidariteits- of risicodelingsreserve opgevangen kunnen worden. Als dit fondsvermogen aan de persoonlijke pensioenvermogens is toebedeeld, is deze optie niet beschikbaar. Het is aan decentrale partijen om hierin een afweging te maken.

22.

De regering noemt verder de mogelijkheid van een afslag op het projectierendement als een remedie om de inflatie bij te houden. Onderkent de regering dat op die manier het startpensioen lager wordt?

Het klopt dat door hantering van een afslag op het projectierendement het startpensioen lager wordt. Er is immers op pensioendatum een bepaald persoonlijk pensioenvermogen beschikbaar dat op verschillende manieren over de uitkeringsperiode kan worden verdeeld via het projectierendement. Het gaat hier dus om de afruil tussen een hoger startpensioen met minder kans op verhogingen in de toekomst en een lager startpensioen met een hogere kans op verhogingen in de toekomst. Het is aan decentrale partijen om hierin een keuze te maken.

23.

Kan de regering aangeven hoe het nominale pensioen bij invaren dan tenminste gelijk blijft als de invaardekkingsgraad onder de 105 blijft, waarbij de eerder genoemde reserves ook nog moeten worden gevuld? Beaamt de regering dat ook deze oplossing de facto door de betrokken gepensioneerden zelf wordt betaald?

Het projectierendement wordt vastgesteld los van de transitie. Of een reserve (initieel) wordt gevuld en of het gelijk blijven van nominale pensioenen een doel bij het invaren is, is afhankelijk van keuzes die door decentrale partners worden gemaakt. Beiden zijn dus geen verplichting. Uit de keuzes die worden gemaakt met betrekking tot voornoemde onderdelen, volgt een invaardekkingsgraad waarmee de keuzes gerealiseerd kunnen worden. Die invaardekkingsgraad kan inderdaad ook hoger (of lager) dan 105% zijn.

24.

De regering stelt in het antwoord op vraag 358 van de fractie van 50Plus dat «inhaalindexatie de financiële positie van het fonds stevig zou uithollen». En verder schrijft zij «dat een zodanige herverdeling kan ontstaan dat dit niet verantwoord is met het oog op een goed, toekomstbestendig pensioen voor alle generaties». Is het de regering bekend dat de lasten van de achterstallige indexatie ongelijk verdeeld zijn over generaties?

Wanneer in het verleden de financiële positie van een pensioenfonds ontoereikend was om over te gaan tot het verlenen van een toeslag, geldt dit voor alle generaties van deelnemers.

25.

Het ABP rapporteert een achterstandsindexatie «tot» een niveau, omdat de achterstand niet voor iedereen hetzelfde bedraagt. Is het dan niet zo dat juist de grote indexatieachterstand heeft geleid tot een herverdeling die niet verantwoord is voor een goed pensioen voor alle generaties?

Wanneer in het verleden de financiële positie van een pensioenfonds ontoereikend was om over te gaan tot het verlenen van een toeslag, geldt dit voor alle generaties van deelnemers. De indexatieregels zijn juist gesteld om een goed pensioen voor alle generaties te borgen. Wanneer een dekkingsgraad te laag is om met voldoende zekerheid alle pensioenen te borgen, ook die pensioenen die in de toekomst worden uitgekeerd, merken alle generaties dit. Wanneer desondanks pensioenen verhoogd zouden worden, leidt dit juist tot een onzekerder pensioen voor toekomstige gepensioneerden.

26.

Eén van de beloften van de regering is om in de transitieperiode de regels van de WTP al zoveel mogelijk toe te passen. Waarom wordt dan wel vastgehouden aan het genoeg=genoeg-principe dat nota bene in de nieuwe stelsels verdwijnt? Is een pensioenbestuur überhaupt niet verplicht om het evenwicht tussen generaties af te wegen, zodat de vrees van de regering niet nodig is?

«Genoeg is genoeg» speelt vooral een rol in simulaties van de toekomstige ontwikkeling van de financiële positie van het pensioenfonds. Het is namelijk het gegeven dat in simulaties waarin pensioenfondsen zeer hoge dekkingsgraden bereiken, indexatie nog steeds begrensd wordt door de fiscale maxima van loon- of prijsinflatie. Door die maxima wordt beperkt hoeveel indexatie in de simulatie daadwerkelijk verleend kan worden. Veel pensioenfondsen worden hier op dit moment niet door beperkt. Hier op een andere manier mee omgaan betekent niet dat voor veel pensioenfondsen ineens op korte termijn ruimte komt om extra te indexeren. Dat zou alleen kunnen gelden voor pensioenfondsen met zeer hoge dekkingsgraden. De meeste pensioenfondsen hebben meer aan de versoepelde indexatieregels die in het transitie-ftk zijn opgenomen. Ook daar moeten pensioenfondsbesturen afwegen of zij het gebruik van die regels evenwichtig achten.

De nieuwe pensioenovereenkomsten kennen een andere vorm van fiscale behandeling omdat de aard van de overeenkomsten wijzigt. Daarom verdwijnt dit «genoeg is genoeg»-effect in het nieuwe pensioenstelsel. In het transitie-ftk is echter nog sprake van uitkeringsovereenkomsten en daarmee van de huidige fiscale spelregels. Het schrappen van de fiscale maxima vereist volgens de begrotingsregels het vinden van financiële dekking elders.

27.

De regering schrijft in antwoord op vraag 365 van de fractie van 50Plus: «De formele uitoefening van het hoorrecht kan pas plaatsvinden indien het concept transitieplan gereed is, maar dient op een zodanig tijdstip te worden gevraagd dat de ingebrachte standpunten van deze verenigingen meegenomen kunnen worden.» Ziet de regering dat deze toetsing achteraf in praktijk niet of nauwelijks tot aanpassingen zal leiden, omdat sociale partners dan al feitelijk een eigen akkoord hebben bereikt? Onderschrijft de regering dat het nodig is om de verenigingen van gepensioneerden en slapers daadwerkelijk bij het transitieplan te betrekken teneinde voldoende draagvlak te creëren?

De regering heeft bezien hoe de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel het best vormgegeven kan worden met borging van de belangen van alle belanghebbenden. De regering heeft gekozen voor een zwaarwichtig gebalanceerd pakket aan collectieve waarborgen. Een hoorrecht voor een vereniging van gewezen deelnemers of voor een vereniging van pensioengerechtigden over het transitieplan in de arbeidsvoorwaardelijke fase maakt onderdeel uit van dit pakket. Dit hoorrecht is geïntroduceerd omdat gewezen deelnemers en gepensioneerden veelal minder betrokken zijn bij de onderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling en zij ook geen formele positie hebben bij de afspraken die sociale partners maken over het voornemen om de bestaande pensioenrechten in te varen in de nieuwe pensioenregeling. Met het hoorrecht worden verenigingen van pensioengerechtigden en verenigingen van gewezen deelnemers in de gelegenheid gehoord te worden over het transitieplan. Aan sociale partners is de oproep gedaan om het hoorrecht al vroegtijdig in het proces te benutten.

Het hoorrecht betekent niet dat de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden niet sowieso al worden meegewogen aan de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingstafel. Sociale partners houden tijdens de onderhandelingen immers ook rekening met de belangen van alle (voormalig) werknemers, dus ook met de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden. Sociale partners moeten immers zorgen voor een evenwichtig transitieplan, waarvoor genoemde verenigingen mogelijk waardevolle inzichten kunnen meegeven. Het is daarbij voorstelbaar dat sociale partners al vroegtijdig contact hebben met de verenigingen die zich hebben gemeld. Het vroegtijdig betrekken van deze verenigingen het draagvlak voor de transitie vergroten. Het is echter aan sociale partners om te besluiten hoe zij hun proces vormgeven. Of het hoorrecht daadwerkelijk leidt tot aanpassingen aan het transitieplan is op voorhand niet te zeggen, dat zal onder andere afhangen van de inbreng van de verenigingen en de afweging die sociale partners vervolgens maken.

28.

In de huidige wet en in de voorstellen voor de WTP geldt voor een pensioenfonds met een premieovereenkomst in alle omstandigheden de MVEV-eis van (in de praktijk ongeveer) 1%. In de regelgeving ten aanzien van PPI's is die eis niet opgenomen, met als argument dat PPI's geen biometrische risico's dekken. Biometrische risico’s worden namelijk buiten de PPI verzekerd door een verzekeraar. Daartoe gaat een werkgever een drie-partijen uitvoeringsovereenkomst aan met zowel de PPI (pensioenopbouw) als de verzekeraar (risicodrager) als ondertekenaars. Onder de WTP is het ook mogelijk dat een werkgever een drie-partijen uitvoeringsovereenkomst aangaat met een pensioenfonds (pensioenopbouw) en een verzekeraar (risicodrager). Dit heeft tot gevolg dat binnen het pensioenfonds zelf geen nabestaanden- en/of arbeidsongeschiktheidsdekking wordt geboden – noch in de opbouwfase, noch in de uitkeringsfase, waarin alleen sprake kan zijn van variabele uitkeringen voor risico van de deelnemers. Het onverkort handhaven van de MVEV-eis voor pensioenfondsen in de hiervoor beschreven situatie heeft een ongelijk speelveld tussen pensioenfondsen en PPI’s tot resultaat. Het is bovendien niet in het belang van de deelnemer. De MVEV-eis werkt namelijk (onnodig) kostenverhogend in de besprekingen tussen sociale partners, OR-en en werknemers over de vaststelling van de hoogte van de pensioenpremie. Bovendien frustreert de MVEV-eis collectieve waardeoverdrachten naar het pensioenfonds; de praktijk wijst namelijk uit dat werkgevers nagenoeg niet bereid zijn om een collectieve waardeoverdracht naar het pensioenfonds aan te vragen omdat de aanvullende kosten van de MVEV-eis over reeds opgebouwde afspraken moet worden betaald. Kan de regering bevestigen dat dit niet de bedoeling kan zijn, en dat waar binnen een pensioenfonds een pensioenregeling wordt aangeboden zonder dekking van biometrische risico's, de MVEV-eis niet van toepassing is?

Het is denkbaar dat een pensioenfonds op grond van de IORP II-richtlijn geen minimaal vereist eigen vermogen hoeft aan te houden. Dat is alleen mogelijk indien het pensioenfonds enkel een variabele ouderdomspensioenuitkering aanbiedt en daarnaast geen nabestaandenpensioen en/of arbeidsongeschiktheidspensioen aanbiedt, ook niet in de opbouwfase. Alleen in dat geval is er geen dekking tegen biometrische risico’s en wordt er geen beleggingsrendement of bepaalde uitkeringshoogte gegarandeerd. Enkel in deze situatie hoeft er door een pensioenfonds geen minimaal vereist eigen vermogen te worden aanhouden.

29.

Is het de regering bekend dat de eis om een MVEV aan te houden voortvloeit uit artikel 15 lid 1 van de Europese IORP-II richtlijn? Is het de regering bekend dat genoemd artikel 15 lid 1 voorschrijft dat alleen dan door permanent een buffer moet worden aangehouden naast de technische voorzieningen als sprake is van:

  • 1. Het verzekeren van een dekking tegen biometrisch risico óf

  • 2. Het garanderen van een beleggingsrendement óf

  • 3. Het garanderen van een bepaalde hoogte van uitkeringen?

Ja, daar ben ik mee bekend

30.

Is het de regering bekend dat artikel 131 Pensioenwet -inzake het aanhouden van de MVEV eis- verder gaat dan de IORP-II richtlijn, omdat het artikel ervan uit gaat dat het dekken van een biometrisch risico bij een pensioenfonds altijd aan de orde is (bij een pensioenfonds is immers nooit sprake van een garantie op rendement of uitkeringshoogte)?

Een pensioenfonds moet een minimaal vereist eigen vermogen aanhouden, onder andere wanneer er sprake is van dekking van een biometrisch risico. Dit volgt uit de IORP II-richtlijn. Op het aanhouden van een minimaal vereist eigen vermogen zijn uitzonderingen mogelijk, namelijk wanneer een pensioenfonds tot volledige overdracht of onderbrenging is overgegaan, en de toezichthouder heeft ingestemd met het feit dat het pensioenfonds daarom niet beschikt over een minimaal vereist eigen vermogen. Dat is wat in artikel 131 van de Pensioenwet is opgenomen. De hoogte van het minimaal vereist eigen vermogen is uitgewerkt in artikel 11 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. In een uitzonderlijke situatie kan het voorkomen dat het aan te houden minimaal vereist eigen vermogen nihil is, namelijk wanneer een pensioenfonds geen biometrische risico’s dekt en enkel variabele uitkeringen heeft. Op dit moment is er in Nederland geen enkel pensioenfonds dat aan die criteria voldoet.

31.

Is de regering het ermee eens dat het laten vervallen van de MVEV-eis in de situatie van een pensioenfonds zonder dekking van enig biometrisch risico niet leidt tot minder zekerheidswaarborgen voor de deelnemer en dus het belang van de deelnemer niet zal schaden? Zo nee, waarom niet?

Uit de Europese pensioenrichtlijn (IORP I en II) volgt dat een Nederlands pensioenfonds een minimaal eigen vermogen moet aanhouden als er drie omstandigheden van toepassing zijn:

  • 1. er is een pensioenregeling overeenkomen;

  • 2. de werkgever of onderneming heeft de pensioenregeling overgedragen aan een pensioenuitvoerder; en

  • 3. de pensioenuitvoerder verzekert een dekking tegen biometrische risico’s of garandeert de hoogte van uitkeringen of beleggingsrendement.

Wanneer deze omstandigheden van toepassing zijn, is er derhalve sprake van een minimaal vereist eigen vermogen dat aangehouden moet worden. Ook in het nieuwe pensioenstelsel zal er in een pensioenregeling dekking van biometrische risico’s geboden worden, waardoor een pensioenfonds een minimaal vereist eigen vermogen zal moeten aanhouden.

Het minimaal vereist eigen vermogen is bedoeld voor solvabiliteit(bescherming) en vormt daarmee de ondergrens van het eigen vermogen. Het minimaal vereist eigen vermogen biedt daarmee deelnemers meer bescherming dat het pensioenfonds ook op langere termijn aan de pensioenverplichtingen kan blijven voldoen. De buffer die volgt uit het minimaal vereist eigen vermogen mag niet gebruikt worden voor de financiering van bijvoorbeeld operationele kosten. Om te voorkomen dat buffers aangehouden worden die op geen enkel moment ten goede van de deelnemers kunnen komen, hanteert het wetsvoorstel alleen het einde van een kalenderjaar als meetmoment voor het minimaal vereist eigen vermogen. Dit betekent dat pensioenfondsen gedurende een kalenderjaar het minimaal vereist vermogen kunnen inzetten om bepaalde risico’s op te vangen.

Het is echter niet aan de Minister om te bepalen of een pensioenfonds een minimaal vereist eigen vermogen moet aanhouden, die verplichting volgt uit de voorwaarden die hiervoor zijn vastgelegd in Europese regelgeving.

Vragen van de leden van de PVV-fractie:

1.

De reden dat in het huidige pensioenstelsel vóór 2023 ca. 14 jaar niet geïndexeerd is, is veroorzaakt door de lage rekenrente. Om toekomstige verplichtingen contant te maken is gekeken naar de Ultimate Forward Rate die gebaseerd is op rentes met looptijden vanaf 30 jaar. Nu is bij pensioenfondsen in werkelijkheid het rendement relevant voor het berekenen van de toekomstige verplichtingen. Dat is echter niet met zekerheid te voorspellen, reden waarom een extreem lage rekenrente als voorzichtige benadering genomen is. Dit alles om te voorkomen dat pensioenen te veel zouden gaan fluctueren. De vraag is nu waarom eerst 14 jaar lang een rekenrente gehanteerd moest worden die significant afwijkt van het werkelijke rendement terwijl in het nieuwe stelsel het fluctueren van de pensioenen geen enkel probleem meer schijnt te zijn, waardoor inmiddels het woord casinopensioen geïntroduceerd is?

De aanname dat in werkelijkheid het rendement relevant is voor het berekenen van de toekomstige pensioenverplichtingen is onjuist. Behaalde rendementen vertalen zich in een toename van het vermogen aan de activazijde van de balans. De pensioenverplichtingen staan aan de passivazijde van de balans. De actuele waarde van deze verplichtingen wordt bepaald door hoogte van de actuele marktrente met een bijbehorende looptijd. Hantering van een hogere rekenrente zou betekenen dat onzeker toekomstig rendement wordt ingerekend dat economisch geen waarde heeft. Dat heeft vervolgens tot gevolg dat de hogere pensioenuitkeringen die het gevolg zijn van een hogere rekenrente, de facto zouden worden gefinancierd uit het bestaande pensioenfondsvermogen, dat nodig is voor de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers. Hierdoor wordt het financiële fundament van het pensioenstelsel op de lange termijn uitgehold en dat is dus geen toekomstbestendige oplossing voor de problemen waar het huidige pensioenstelsel mee kampt.

2.

Het is de leden van de PVV-fractie nog niet geheel duidelijk wat het nieuwe pensioenstelsel voor gevolgen heeft voor het partner- of nabestaanden pensioen. De regering heeft toegezegd dat bestaande rechten op opgebouwd nabestaandenpensioen in stand blijven. Mensen verliezen dus niet hun rechten op een bepaald opgebouwd vermogen. Wat betekent dat, zo vragen de leden van de PVV fractie, voor de volgende voorbeeldsituaties:

  • a. Een reeds gepensioneerd stel. Eén van beide ontvangt thans een pensioen. Vraag: Behoudt de partner, die niet zelf een pensioen heeft, bij het overlijden van de andere partner (die nu pensioen ontvangt) in het ingevaren pensioen nagenoeg het zelfde recht op een partnerpensioen als thans?

Dat is juist. Wel kunnen de opgebouwde aanspraken op partnerpensioen worden ingevaren. Er is dan geen sprake meer van een aanspraak op een vaste uitkering zoals onder het huidige financieel toetsingskader. Het partnerpensioen wordt in het nieuwe pensioenstelsel, net zoals het ouderdomspensioen, afhankelijk van de ontwikkeling van het voor de pensioenuitkering bestemd vermogen of kapitaal.

b.

Een nog niet gepensioneerd stel. Eén van beide heeft al 35 jaar gewerkt en al een behoorlijk pensioen opgebouwd. De andere partner heeft nooit pensioen opgebouwd maar rekent bij overlijden van zijn/haar partner die wel pensioen opbouwde op een redelijk nabestaandenpensioen, dat hij/zij thans kent uit het UPO van zijn/haar partner. Wat gebeurt er met het nabestaandenpensioen als de partner met pensioenopbouw na invaren van zijn pensioen overlijdt:

  • i. als hij overlijdt vóór zijn pensionering?

  • ii. als hij overlijdt ná zijn pensionering?

Na de transitie geldt dat wanneer de deelnemer overlijdt voor pensioendatum de partner recht heeft op het partnerpensioen dat op risicobasis is verzekerd. Dit bedraagt maximaal 50% van het pensioengevend loon. Daarnaast heeft deze partner op basis van het overgangsrecht nog recht op het voor de transitie opgebouwde partnerpensioen dat was bedoeld bij overlijden voor pensioendatum.

In de situatie dat de deelnemer overlijdt na pensioendatum krijgt de partner het partnerpensioen dat door de deelnemer is opgebouwd, concreet betekent dit zowel het partnerpensioen dat voor de transitie is opgebouwd, als het partnerpensioen dat na de transitie is opgebouwd. Doorgaans bedraagt dat 70% van het ouderdomspensioen van de deelnemer.

Vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie:

1.

De regering geeft aan dat er een klein verschil is in de pensioenverwachting als je werknemers met een steil carrièrepatroon vergelijkt met werknemers met een vlak carrièrepatroon, en als je mannen vergelijkt met vrouwen en hoger opgeleiden met lager opgeleiden. Maar er is een veel groter verschil als je werknemers die vanaf jonge leeftijd fulltime werken vergelijkt met werknemers die aan het begin van hun werkzame leven parttime werken of niet deelnemen aan het arbeidsproces en pas later fulltime gaan werken. Ouders die meer tijd met hun kinderen willen doorbrengen dan op de werkvloer worden dus gestraft met een lager pensioen in het nieuwe pensioenstelsel dan in het huidige pensioenstelsel. Bovendien is hun nabestaandenpensioen niet zeker (zie volgende vraag). Wordt hiermee de keuzevrijheid van ouders om zelf voor kinderen te zorgen niet onevenredig beperkt?

Het uiteindelijke pensioenresultaat hangt van veel verschillende factoren af. Het carrièreverloop is daar een belangrijk onderdeel van, dat is zo in het huidige pensioenstelsel en ook zo in het nieuwe pensioenstelsel. Ook het aantal gewerkte uren is belangrijk voor hoeveel pensioen er wordt opgebouwd en wat het uiteindelijke pensioenresultaat is. Het pensioen wordt door de gewijzigde opbouwsystematiek gevoeliger voor arbeidsparticipatie aan het begin van de loopbaan. Als een werkende, bijvoorbeeld als gevolg van studie of jeugdwerkloosheid, aan het begin van zijn loopbaan een aantal opbouwjaren mist, heeft dat meer invloed op zijn pensioenresultaat dan onder de doorsneesystematiek. Onderzoek van het CPB35 op basis van 100 duizend carrières van voorbeelddeelnemers toont echter aan dat ook bij een leeftijdsonafhankelijke premie de werkelijk betaalde premie veelal toeneemt gedurende de levensloop, zowel in euro als in procenten van het brutoloon. Dit is het gevolg van de stijging van het pensioengevende loon gedurende de carrière en het gebruik van een franchise. De feitelijke pensioenopbouw bij een leeftijdsonafhankelijke premie blijkt hierdoor redelijk vlak gespreid over de levensloop. Hierdoor zal de impact van deeltijdwerk aan het begin van de carrière relatief beperkt zijn, waarbij geldt dat de werkelijke effecten zullen afhangen van de persoonlijke situatie. De keuzevrijheid die ouders met kinderen hebben om meer of minder te werken zal daarom naar verwachting slechts beperkt beïnvloed worden door de nieuwe wijze van pensioenopbouw. Andere factoren om meer of minder te werken blijven daarbij belangrijker voor deze afweging.

2.

Ouders die besluiten minder te werken omdat zij voor hun kinderen willen zorgen of partners die door een chronische ziekte of handicap niet of minder kunnen werken, zullen zich via een nabestaandenpensioen willen verzekeren van inkomsten als hun (veel) werkende partner wegvalt. Maar in het nieuwe pensioenstelsel wordt het partnerpensioen op risicobasis vormgegeven, waardoor partners het recht op een partnerpensioen lijken te verliezen na een scheiding. Een partnerpensioen op risicobasis heeft namelijk geen onderliggende waarde die verdeeld kan worden bij een scheiding. Klopt dit? Maakt dit partners die minder werkten om bijvoorbeeld thuis te kunnen blijven bij hun kinderen of partners die niet of verminderd konden werken door een chronische ziekte of handicap niet extra kwetsbaar? Hoe kunnen zij beter beschermd worden in het nieuwe pensioenstelsel?

In het nieuwe pensioenstelsel wordt het partnerpensioen voor pensioendatum verzekerd op risicobasis. Dit biedt voor veel mensen een betere dekking dan in het huidige pensioenstelsel. Zeker voor mensen met lagere inkomens. Het klopt evenwel dat bij een scheiding het risicopartnerpensioen niet verdeeld wordt, het opgebouwd partnerpensioen dat bedoeld is voor overlijden na pensioendatum wordt echter wel verdeeld, evenals het partnerpensioen dat beschermd wordt door het overgangsrecht.

3.

Heeft de nieuwe partner van de werknemer die partnerpensioen opbouwde het recht op dit partnerpensioen overgenomen van de ex-partner als de werknemer en de nieuwe partner minstens zes maanden voor de pensioendatum zijn gaan samenwonen en een gezamenlijk huishouden voeren?

De regering begrijpt deze vraag zo dat de deelnemer na een scheiding gaat samenwonen met een nieuwe partner. Afhankelijk van de afspraken die de deelnemer en de ex-partner met elkaar maken wordt het pensioen verdeeld bij een scheiding, in beginsel heeft de ex-partner recht op het tot de scheidingsdatum opgebouwde partnerpensioen. De nieuwe partner van de deelnemer krijgt bij overlijden van de deelnemer het vanaf de scheiding opgebouwde partnerpensioen. Dit is in het huidige pensioenstelsel zo en zal ook niet veranderen in het nieuwe pensioenstelsel.

4.

Klopt het dat de nieuwe partner van de werknemer wel recht heeft op partnerpensioen bij overlijden van de werknemer voor de pensioendatum en geen recht heeft op partnerpensioen bij overlijden na de pensioendatum als zij pas na de pensioendatum zijn gaan samenwonen?

Dit is juist. Indien een pensioenregeling partnerpensioen biedt dat tot uitkering komt voor pensioendatum, zal dit partnerpensioen op basis van dit wetsvoorstel op risicobasis zijn. Een partner van een deelnemer die nog niet de pensioendatum heeft bereikt, zal recht hebben op het partnerpensioen van de deelnemer mocht die deelnemer komen te overlijden. De situatie op het moment van overlijden is leidend voor het vaststellen van het recht op partnerpensioen. Het recht op partnerpensioen bij overlijden na pensioeningang is op kapitaalbasis. Bij het vaststellen van het recht op partnerpensioen na pensioendatum gaan pensioenuitvoerders uit van de situatie op de pensioendatum. Op pensioendatum bepalen de deelnemer en de eventuele partner hoe het kapitaal wordt aangewend: voor ouderdomspensioen en partnerpensioen of alleen voor (verhoogd) ouderdomspensioen. In het geval er geen partner is, zal de deelnemer kiezen voor het laatste. Krijgt een deelnemer ná de pensioendatum een partner, dan komt die partner niet in aanmerking voor een partnerpensioen. Dit heeft ermee te maken dat er in de opbouwfase van het pensioen al rekening mee is gehouden dat er sprake is van een partner die meedeelt in het inkomen van de deelnemer en dat deze partner in principe ook na pensioendatum moet kunnen blijven meedelen in het inkomen van de partner. Bij partnerschappen die ontstaan na de pensioendatum is er geen sprake van een continuering van het delen van inkomen met een partner in de opbouwfase en de pensioneringsfase.

5.

Op de pensioendatum bepalen deelnemer en evt. partner hoe het kapitaal wordt aangewend: ouderdomspensioen en partnerpensioen of alleen een (verhoogd) ouderdomspensioen. Betekent dit dat het inkomen na de pensioendatum lager zal zijn dan 70–80% van het middenloon als er gekozen zal worden voor ouderdomspensioen plus partnerpensioen?

In het nieuwe pensioenstelsel is er alleen nog een toezegging op de ingelegde premie. In geval van de solidaire premieregeling wordt deze premie afgeleid uit een door sociale partners bepaalde pensioendoelstelling en een door hen bepaalde kans dat die doelstelling wordt gehaald. Binnen de fiscale kaders kan de deelnemer zijn pensioenkapitaal opbouwen. Hoe hoog dit pensioenkapitaal zal uitpakken is mede afhankelijk van bereikte rendementen. Wanneer de deelnemer met instemming van zijn partner besluit het gespaarde pensioenkapitaal in te zetten voor zowel een ouderdomspensioen en een partnerpensioen, zal het ouderdomspensioen lager zijn dan wanneer er geen partnerpensioen is gekozen.

6.

Ook bij vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen voor de ingangsdatum van het pensioen is er slechts één keuzemoment. Vanaf dat keuzemoment wordt de premie voor het nabestaandenpensioen betaald uit het pensioenkapitaal, wat ten koste gaat van het ouderdomspensioen. Hoe kunnen deelnemers jaarlijks expliciet gewezen worden op de afname van hun ouderdomspensioen door het continueren van het nabestaandenpensioen?

De informatieverstrekking over vrijwillige voortzetting wordt geregeld in artikel 10bb van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, opgenomen in het conceptbesluit toekomst pensioenen. In het derde lid gaat het om de jaarlijkse informatie die wordt verstrekt aan de gewezen deelnemer die gebruik maakt van de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting. In dit derde lid wordt onder andere geregeld dat de pensioenuitvoerder informatie geeft over hoeveel pensioenvermogen wordt uitgeruild bij voortzetting in het volgende jaar en hoeveel pensioenvermogen er dan nog resteert. Op basis van onder andere deze informatie kan een deelnemer vervolgens de keuze maken of de voortzetting gecontinueerd moet worden.

7.

Door invoering van de nieuwe pensioenwet zullen de keuzes die sociale partners en pensioenfondsen maken ver uiteen kunnen lopen. Bij pensioenfondsen waar de lonen laag zijn en de werkgevers een machtige positie hebben, zullen de premies waarschijnlijk laag gehouden worden, waardoor de kans op schommelingen in de pensioenuitkeringen toeneemt en het nabestaandenpensioen waarschijnlijk slechter is geregeld. Als werknemers van baan wisselen, zal het hen vaak niet meteen duidelijk zijn hoe dit hun pensioenaanspraken kan beïnvloeden. Hoe kan de communicatie hierover verbeterd worden, zodat nieuwe werknemers niet voor onaangename verrassingen komen te staan?

Pensioenen maken onderdeel uit van het arbeidsvoorwaardenpakket dat aan de werknemer wordt aangeboden. Sociale partners besluiten over de hoogte van de pensioenpremie. Daarbij maken zij een afweging tussen de betaalbaarheid en de invulling (en meerwaarde) van de arbeidsvoorwaarde pensioen. Dat is in het huidige pensioenstelsel zo, en dat is in het voorgestelde nieuwe pensioenstelsel eveneens zo. De ingelegde pensioenpremies bepalen mede de hoogte van de pensioenuitkering, maar deze is bijvoorbeeld ook afhankelijk van de behaalde beleggingsresultaten. De kans op schommelingen in de pensioenuitkering wordt niet bepaald door de ingelegde premie, maar is onder andere afhankelijk van de financiële situatie op de beurzen. Pensioenfondsen kunnen daarbij tevens een zekere mate van demping van schommelingen nastreven, passend bij de karakteristieken van hun deelnemers. Als een werknemer van baan wisselt dan zal hij, net zoals in het huidige pensioenstel het geval is, in het nieuwe pensioenstelsel geïnformeerd worden over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Het wisselen van baan kan immers invloed hebben op het op te bouwen pensioen. De werkgever heeft hier een eigen verantwoordelijkheid in. Om te beginnen ligt het voor de hand dat de werkgever de sollicitant via de vacature en bij het arbeidsvoorwaardengesprek wijst op de pensioenregeling. Daarbij is de werkgever verplicht om de nieuwe werknemer bij indiensttreding te informeren over zijn pensioenregeling. Tot slot kan een potentiële werknemer informatie over de nieuwe pensioenregeling vinden op het openbare deel van de website van zijn toekomstige pensioenuitvoerder. Met het oog op het nieuwe pensioenstelsel zal ik, zoals verzocht met de motie van het lid Van Beukering-Huijbregts (D66), met de werkgeversvertegenwoordigers in gesprek gaan over de wijze waarop sollicitanten, binnen de bestaande wettelijke verplichtingen, zo goed mogelijk geïnformeerd kunnen worden over de pensioenregeling.36 De Tweede Kamer zal voor de zomer geïnformeerd worden over dit gesprek en indien van toepassing de acties die daaruit voortvloeien.

8.

Rendementen lopen enorm uiteen van jaar tot jaar, voor alle pensioenfondsen van 3,8% in 2007 naar -17,3 in 2008 naar 15,6% in 2009. Stel dat deze rendementen bij een pensioenfonds in het nieuwe stelsel gerealiseerd zouden worden in drie opeenvolgende jaren, hoe groot zou een risicoreserve moeten zijn om deze schommelingen zo op te vangen dat de uitkeringen stabiel kunnen blijven?

De risicodelingsreserve in de flexibele premieregeling en de solidariteitsreserve in de solidaire premieregeling kan als doelstelling hebben fluctuaties in rendementen op te vangen voor reeds lopende uitkeringen. De benodigde omvang van deze reserves om aan deze doelstelling te voldoen is afhankelijk van de vergrijzing van het pensioenfonds en van de economische omstandigheden waarin dit pensioenfonds zich bevindt. Als bovengenoemde rendementen bijvoorbeeld worden gerealiseerd bij een stijgende rente dan wordt het effect op de uitkeringen gereduceerd door een stijgend projectierendement en hoeft de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve minder te worden aangesproken. Overigens zijn er meer instrumenten waarmee schokken in rendementen kunnen worden opgevangen naast deze reserves: zo is spreiding van schokken een andere manier om de effecten van fluctuaties in de rendementen op uitkeringen te dempen.

9.

Hoeveel pensioenfondsen zullen door de toepassing van extra indexeringen op basis van het transitie-FTK genoodzaakt zijn om bij uitstel van de invoering van de nieuwe pensioenwet met bijvoorbeeld twee jaar de pensioenaanspraken te korten of de premie te verhogen?

De extra toeslagverleningen van afgelopen jaren zijn genomen onder het huidige financieel toetsingskader. Toeslagverleningen die dankzij deze versoepelde regels hebben plaatsgevonden, hoeven niet te worden teruggevorderd mocht de Wet toekomst pensioenen niet op 1 juli 2023 in werking treden. Doordat de toeslagverlening de dekkingsgraad van een pensioenfonds verlaagt, beperkt het de ruimte voor toeslagverhoging in de toekomst. Dit is ook benoemd in de toelichting bij de indexatie-AMvB. Pensioenfondsen hebben moeten beargumenteren dat toeslagverlening in het belang van hun deelnemers is, waarbij zij ook deze toekomstige ontwikkelingen hebben kunnen betrekken.

10.

De communicatie naar de deelnemers over de nieuwe pensioenwet mag plaatsvinden via de website. Deelnemers moet de mogelijkheid geboden worden om ook via e-mail of brief geïnformeerd te worden. Maar er worden geen eisen gesteld aan telefonische bereikbaarheid. Ook wordt niet gezegd dat pensioenfondsen de vragen die per e-mail of brief binnenkomen binnen een bepaalde termijn moeten beantwoorden. Klopt het dat persoonlijk contact via telefoon of persoonlijke reacties via e-mail of briefpost niet geregeld hoeven te worden door de pensioenfondsen?

Telefonische bereikbaarheid is geen vereiste in de huidige Pensioenwet of met de Wtp, maar wel staande praktijk. Persoonlijke reacties per e-mail of post kunnen van toepassing zijn, indien de deelnemer aangeeft op die manier geïnformeerd te willen worden. Informatie aan deelnemers dient altijd te voldoen aan de vereisten uit artikel 48 Pensioenwet. Dat betekent dat informatie correct, duidelijk en evenwichtig moet zijn. Daarnaast moet informatie ook tijdig zijn. Deze bestaande norm blijft ook met de Wtp van toepassing op alle informatie van pensioenuitvoerders. Zowel in de huidige Pensioenwet als met de Wtp worden geen specifieke termijnen voorgeschreven waarop een pensioenuitvoerder een vraag dient te beantwoorden. Als het een klacht betreft is de gedragslijn «Goed omgaan met klachten» van de Pensioenfederatie voor veel pensioenfondsen de norm. Met het wetsvoorstel toekomst pensioenen en het besluit toekomst pensioenen worden wel termijnen ingeregeld als het gaat om de afhandeling van klachten en geschillen.

11.

Het minimumjeugdloon voor 18- en 19-jarigen ligt onder de franchise voor de pensioenpremie. De regering antwoordt op vragen die de VVD-fractie hierover heeft gesteld dat nu nog niet bekend is wie de premie zal betalen en of dit ten laste zal komen van het loon voor 18-jarigen of van de werkgever. Dat is afhankelijk van de afspraken die hierover gemaakt worden tussen werkgever en werknemer. Kunt u ons inzicht geven in het loongebouw voor 16- tot 21-jarigen na invoering van de nieuwe pensioenwet, waarin al vanaf 18 jaar pensioen wordt opgebouwd? Hierin graag zowel een overzicht verstrekken van de bruto loonkosten voor de werknemer als de loonkosten voor de werkgever, inclusief de werkgeverslasten. Hoe kunnen we voorkomen dat 18- tot 21-jarige werknemers relatief duur worden voor werkgevers en er arbeidsmarktdiscriminatie ontstaat voor 18- en 19-jarigen, zodat het juist moeilijker wordt om vroeg te beginnen met pensioen opbouwen?

In het wetsvoorstel toekomst pensioenen is vastgelegd dat per 1 januari 2024 de pensioenstartleeftijd wordt verlaagd van 21 naar 18 jaar. Deelnemers bouwen pensioen op indien hun pensioengevend loon hoger is dan de AOW-franchise (zijnde standaard 16.322 euro in 2023); onder voorwaarden is geen of een verlaagde AOW-franchise mogelijk). In geval van deeltijdwerk worden het maximum pensioengevend loon en de AOW-franchise naar rato verlaagd via de factor pensioengevende diensttijd (deze is 1 in geval van voltijd en tussen de 0 en 1 in geval van deeltijd). In de situatie dat een deelnemer (uitgaande van een voltijd dienstbetrekking) een lager inkomen heeft dan de AOW-franchise is er geen pensioengrondslag waarover ouderdomspensioen kan worden opgebouwd.

In de onderstaande tabel is een overzicht weergegeven van het minimum (jeugd)loon. Hieruit blijkt dat het minimum jeugdloon voor 18 en 19-jarigen onder de AOW-franchise ligt. Een 18 of 19-jarige die het minimumloon verdient zal dus ook in het nieuwe pensioenstelsel nog geen pensioen opbouwen. In de situatie dat een pensioenregeling uitgaat van een verlaagde AOW-franchise (zijnde 13.033 euro in 2023) kan een 19-jarige die het minimumloon verdient wel pensioen opbouwen. Een 18 of 19-jarige die een salaris heeft boven het minimumloon zal pensioen opbouwen over het deel van het loon dat boven de franchise uitkomt. Op basis hiervan is het beeld dat de verlaging van de toetredingsleeftijd geen of een zeer beperkt kostenverhogend effect zal hebben voor de 18 en 19-jarigen en in beperkte mate voor de 20-jarigen. Hierbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat in 60% van de pensioenregelingen (met 75% van de deelnemers) op dit moment al een lagere toetredingsleeftijd wordt gehanteerd.

Overzicht minimum (jeugd)loon 16 t/m 21 jaar
 

16 jaar

17 jaar

18 jaar

19 jaar

20 jaar

21 jaar en ouder

per maand

€ 667

€ 764

€ 967

€ 1.161

€ 1.548

€ 1.934

per jaar1

€ 8.675

€ 9.933

€ 12.574

€ 15.088

€ 20.118

€ 25.147

X Noot
1

inclusief vakantiegeld.

De vragensteller vraagt ook naar een overzicht van de werkgeverslasten per leeftijdsgroep. Werkgeverslasten bestaan uit premies voor volksverzekeringen, werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Dit zijn de wettelijk verplichte werkgeverslasten, waarvan de hoogte van de werknemersverzekeringen per sector kan verschillen. Hiernaast kan er sprake zijn van aanvullende werkgeverslasten zoals een pensioenregeling, reis- en verblijfkosten en secundaire arbeidsvoorwaarden zoals een 13e maand. De omvang hiervan is afhankelijk van de regels in de cao en/of de individuele arbeidsovereenkomst. Het is dan ook niet mogelijk om een overzicht te geven van de bruto werkgeverslasten.

Ten slotte wordt nog opgemerkt dat de verplichtstelling er juist toe leidt dat er voor de arbeidsvoorwaarde pensioenen geen concurrentie op arbeidsvoorwaarden plaatsvindt. Iedere werknemer die valt onder de reikwijdte van de verplichtstelling bouwt pensioen op, voor zoverre het loon boven de AOW-franchise uitkomt.

12.

De fractie van de ChristenUnie herkent dat het nieuwe pensioenstelsel meer mogelijkheden biedt om te kunnen sturen op uiteindelijke pensioen dan het huidige stelsel. Juist daarom knelt het naar onze mening nog meer dat bij alle keuzes die in de transitieperiode gemaakt kunnen worden de gepensioneerden en ex-werknemers in feite aan de zijlijn staan. Met het hoorrecht dat een afvaardiging van pensioengerechtigden bij het vaststellen van het transitieplan kan uitoefenen en het adviesrecht vanuit het verantwoordingsorgaan is hun directe invloed op de besluitvorming in feite minimaal. Waarom kiest de regering er niet voor om georganiseerde gepensioneerden werkelijke invloed te geven op de keuzes die gemaakt worden bij het invaren?

De regering heeft bezien hoe de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel het best vormgegeven kan worden met borging van de belangen van alle belanghebbenden en meent daar met het wetsvoorstel een adequate invulling aan te geven. Sociale partners onderhandelen in de arbeidsvoorwaardelijke fase over de nieuwe pensioenovereenkomst en besluiten tevens of er al dan niet een verzoek tot invaren aan het pensioenfonds wordt gedaan. Sociale partners houden op basis van hun statutaire doelomschrijving ook rekening met de belangen van de slapers en gepensioneerden. Ondanks dat werknemersorganisaties tijdens de onderhandelingen dus ook de gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden vertegenwoordigen, zijn de aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden mogelijk minder betrokken bij deze onderhandelingen. Om die reden wordt met het wetsvoorstel toekomst pensioenen in de arbeidsvoorwaardelijke fase een hoorrecht gecreëerd voor verenigingen van gewezen deelnemers en voor verenigingen van pensioengerechtigden. Met het hoorrecht worden deze verenigingen in de gelegenheid gesteld om hun visie en oordeel kenbaar te maken. Het hoorrecht dient op een zodanig tijdstip te worden gevraagd dat sociale partners, werkgever of beroepspensioenvereniging bij de belangenafweging de ingebrachte standpunten van deze verenigingen kunnen beoordelen en wegen bij het finaliseren van het transitieplan.

Indien sociale partners uiteindelijk besluiten de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten te willen invaren, doen zij een invaarverzoek aan het pensioenfonds. In dat geval beoordeelt het pensioenfonds of zij het verzoek tot invaren kunnen inwilligen. Het pensioenfonds toetst het verzoek op verschillende gronden. Bij het besluit tot invaren wordt onder andere door het pensioenfonds beoordeeld of invaren evenwichtig wordt geacht. Het pensioenfondsbestuur heeft daarbij als taak om de belangen van alle deelnemers – actieven, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en gepensioneerden- mee te laten wegen in de besluitvormig. In de meeste pensioenfondsbesturen zijn pensioengerechtigden ook vertegenwoordigd. Daarnaast zijn zij vertegenwoordigd in de verantwoordingsorganen en belanghebbendenorganen. Met het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt geregeld dat het verantwoordings- of belanghebbendenorgaan een advies- respectievelijk goedkeuringsrecht krijgt op het besluit van het pensioenfondsbestuur over invaren en de inzet van vermogen. Kortom, deze aanvullende maatregelen en wettelijke bepalingen leiden er toe dat de belangen van alle betrokkenen worden meegenomen en een evenwichtige besluitvorming wordt geborgd.

13.

De veronderstelling van de regering is dat het nieuwe stelsel in zijn algemeenheid positief zal uitpakken voor de hoogte van de pensioenuitkering. Dat zal niet gelden in geval van een langduriger inflatie. In die gevallen zal het life cycle beleggen de situatie van de gepensioneerden verslechteren. Immers alleen de gemaximeerde buffers mogen worden gebruikt om de ontwaarding van de pensioenen enigszins te dempen. Wordt het verschil tussen «actieven» en gepensioneerden in dat geval niet heel schrijnend: Waar de «actieven» naar alle waarschijnlijkheid een hoger loon zullen afdwingen, zal de waarde van het uitbetaalde pensioen behoorlijk achteruit gaan. Is deze zienswijze juist?

Bij langdurige hoge inflatie zal in elk kapitaalgedekt pensioenstelsel het moeilijk zijn om een koopkrachtig pensioen te realiseren. Een reëel stabiel pensioen op basis van gerealiseerde inflatie is alleen mogelijk voor alle deelnemers, slapers en gepensioneerden als er ook reële rendementen kunnen worden behaald. In dat geval neemt het fondsvermogen net zo hard toe als de feitelijke Nederlandse inflatie. De markt voor dergelijke beleggingen is echter veel te beperkt voor alle Nederlandse pensioenuitvoerders. Dat gezegd hebbende kent het nieuwe pensioenstelsel meerdere instrumenten om te zorgen voor een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen. Zo biedt het wetsvoorstel mogelijkheden voor inflatiebescherming voor gepensioneerden via een direct beschermingsrendement, het projectierendement en de solidariteitsreserve. Bovendien kan ook met lifecycle beleggen in enigerlei mate beleggingsrisico worden genomen voor pensioengerechtigden, als dit past bij hun risicohouding. Op deze wijze kunnen overrendementen worden behaald, die leiden tot een stijging van pensioenuitkeringen.

14.

In het Financieel Dagblad waarschuwen Agnes Joseph en Reinout van Tuyll voor de risico’s voor jongeren wanneer bij de solidaire premieregeling gekozen wordt voor het theoretisch beschermingsrendement. Jongeren dragen het risico van een mismatch tussen het theoretische en het werkelijk behaalde beschermingsrendement. Zij spreken van een substantiële ex ante herverdeling die in de wetgeving niet onderkend lijkt. Kan de regering hierop ingaan?

15.

In hetzelfde artikel wordt aangeraden om in het solidaire contract uit te gaan van het werkelijk behaalde rendement. Dat maakt het ook mogelijk om het inflatierisico van ouderen beter te beheersen. Zou de regering ook hier op willen ingaan?

Met dit antwoord wordt zowel vraag 14 als vraag 15 beantwoord.

Bij toepassing van een theoretisch of indirect beschermingsrendement tegen renterisico, waarbij de feitelijke beleggingsportefeuille een afwijkende bescherming tegen renterisico genereert, zal deling van renterisico tussen jong en oud ontstaan. Een deel van de bescherming tegen renterisico zal dan uit het overrendement worden betaald en overrendement zal vooral aan jongeren worden toebedeeld op grond van het lifecycle-principe. In zoverre deel ik de visie van de auteurs. Ik ben het echter niet eens met hun conclusie dat deling van het renterisico tot ex ante herverdeling leidt, laat staan tot een substantiële ex ante herverdeling. Het risico en de risicobeloning slaan immers bij dezelfde deelnemers neer. Als de rente daalt gaat dit ten koste van het overrendement, maar als de rente stijgt, ontstaat hierdoor juist extra overrendement bij dezelfde personen. Aangezien niet op voorhand vast staat of de toekomstige rente zal stijgen of dalen, is geen sprake van ex ante herverdeling. Dat wil zeggen een structureel voordeel voor de ene generatie ten laste van een andere generatie.

Als decentrale partijen de bovengenoemde deling van renterisico als gevolg van het gebruik van een theoretisch of indirect beschermingsrendement tegen renterisico onwenselijk vinden, kunnen zij in de solidaire premieovereenkomst ook gebruik maken van een direct beschermingsrendement. Beide varianten kennen voor- en nadelen. Decentrale partijen kunnen afwegen welke aspecten voor hen het zwaarste wegen bij de keuze tussen een indirect of direct beschermingsrendement tegen renterisico. Eén van de voordelen van een direct beschermingsrendement is dat in de beschermingsportefeuille eventueel ook inflatiegerelateerde beleggingen ten behoeve van bescherming tegen reëel renterisico opgenomen kunnen worden, waarmee gerichte inflatiebescherming voor bijvoorbeeld ouderen kan worden geboden.

16.

Welke mogelijkheden heeft de regering wanneer zou blijken dat een deel van de oudere actieven vanaf zo’n 40 jaar niet in staat is/wordt gesteld om een pensioen op te bouwen in de orde van grootte van zo’n 80% van hun middenloon? Gaat de regering dit monitoren? Zijn er maatregelen die de regering kan treffen om dit recht te trekken?

De hoogte van het opbouwen van pensioen is een arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheid. Dat is de kern van het pensioenstelsel in Nederland. Sociale partners bepalen in het huidige pensioenstelsel de gewenste opbouw (en de bijbehorende premie) en straks de gewenste premie (en de bijbehorende opbouw). Met het fiscaal kader wordt voor iedereen (tot de aftoppingsgrens) een pensioenopbouw gefaciliteerd van 75% middelloon in 40 jaar, wat overeenkomt met 80% middelloon in ruim 42 jaar.

De overstap naar het nieuwe pensioenstelsel heeft tot gevolg dat bepaalde groepen actieve deelnemers nadeel kunnen ondervinden, waarbij compensatie voor afschaffing van de doorsneesystematiek aan de orde kan zijn. Ingeval van onevenredig nadeel dienen deze deelnemers in het kader van een evenwichtige transitie adequaat en kostenneutraal gecompenseerd te worden. Sociale partners dienen de afspraken hierover op te nemen in het transitieplan. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen stelt verschillende randvoorwaarden aan de vormgeving en de financiering van de compensatie. Daarnaast wordt er meerjarig fiscale ruimte geboden om de compensatie financieel te faciliteren.

In het wetsvoorstel toekomst pensioenen is tenslotte vastgelegd dat tijdens de transitieperiode transitiekeuzes worden gemonitord, zoals bijvoorbeeld de premiehoogte, de stabiliteit van de uitkering, de hoogte van de premie voor en dekking van het nabestaandenpensioen en de compensatieregeling. Tevens is opgenomen dat binnen 4 jaar na het einde van de transitieperiode het pensioenkader zal worden geëvalueerd. Daarbij zal ook aandacht geschonken worden aan de gevolgen van het nieuwe pensioenstelsel voor bijvoorbeeld de premie en de bijbehorende pensioendoelstelling.

17.

Onze fractie ontvangt veel brieven van gepensioneerden die zich zorgen maken over hun pensioen. Een deskundige die voorstander van het nieuwe stelsel is, merkte op dat in de toekomst de AOW de vaste basis van het pensioen is en dat het aanvullende pensioen variabel is. Begrijpt de regering dat mensen bij het horen van zulke opmerkingen de schrik om het hart slaat? Zij vragen zich af of zij in de toekomst hun leven zullen moeten inrichten op uitsluitend de AOW omdat het aanvullende pensioen blijkbaar geen enkele zekerheid biedt. Zou de regering willen reageren op deze uitspraak?

Uiteraard is het logisch dat mensen schrikken als hen verteld wordt dat hun pensioen erg onzeker en volatiel zal worden, dat is echter een (schrik)beeld dat niet op de waarheid berust.

In de basis hangt het pensioen in ieder kapitaalgedekt pensioenstelsel altijd af van de ingelegde premies, de behaalde rendementen en de kostprijs van pensioen. Als bijvoorbeeld besloten wordt (zowel in het huidige pensioenstelsel als in het nieuwe pensioenstelsel) minder premie in te leggen zal het pensioen, ceteris paribus, lager worden. Als de ontwikkelingen op de financiële markten zich ongunstig ontwikkelen kan dit een lager pensioen betekenen (zowel in het huidige pensioenstelsel als in het nieuwe pensioenstelsel). Als de kostprijs van pensioen een stuk hoger wordt (denk aan een lage rente) kan dit leiden tot een lager pensioen (zowel in het huidige pensioenstelsel als in het nieuwe pensioenstelsel). Dit zijn ontwikkelingen die zich de afgelopen tien jaar hebben voorgedaan. Daaruit is duidelijk gebleken dat het huidige pensioenstelsel niet goed om kan gaan met deze ontwikkelingen en dat beloftes worden gedaan die niet waargemaakt kunnen worden. Het nieuwe pensioenstelsel biedt meer handvatten om hier mee om te gaan en sluit beter aan bij de werkelijkheid dat pensioenuitkomsten afhankelijk zijn van onzekere economische ontwikkelingen. In het nieuwe pensioenstelsel kan het renterisico bijvoorbeeld gericht worden afgedekt, zodat degenen die het risico kunnen lopen meer risico krijgen toebedeeld dan degenen die dit risico moeilijker kunnen dragen.

De kaders voor het pensioenstelsel bepalen uiteindelijk niet wat financiële markten doen, maar bepalen wel hoe pensioenfondsen hier mee om kunnen gaan. Naast slimmere risicodeling (bijvoorbeeld bij renterisico) biedt het nieuwe pensioenstelsel meer gerichte handvatten om verlagingen te voorkomen. De solidariteitsreserve en risicodelingsreserve zijn bij uitstek instrumenten die ingezet kunnen worden om verlagingen te voorkomen en schommelingen te dempen. Daarnaast mogen pensioenfondsen schokken spreiden over een periode van tien jaar. Tot slot geldt dat hoe ouder een deelnemer wordt hoe minder risico er genomen wordt, juist zodat schokken die zich mogelijk voordoen minder bij groepen neerslaan, die weinig of geen mogelijkheden meer hebben om hun pensioenvermogen nog te herstellen. Al deze elementen zorgen er juist voor dat het aanvullend pensioen eerder perspectief biedt op verhogingen en handvatten biedt om verlagingen te voorkomen en schommelingen te dempen.

In de gesprekken die het ministerie regelmatig voert met pensioenuitvoerders blijkt ook dat zij veel belang hechten aan het voorkomen van pensioenverlagingen. In hun voorbereiding op het nieuwe pensioenstelsel kijken zij ook naar de vormgeving van het pensioencontract, daarbij blijkt ook dat veel partijen voornemens zijn om deze instrumenten daartoe in te zetten.

18.

Kunnen de keuzes die gemaakt worden bij het invaren later worden gewijzigd? Bijvoorbeeld de keus voor het solidaire stelsel of de keuze voor een theoretisch beschermingsrendement. Als dat mogelijk is onder welke voorwaarden en op welke termijn kunnen de aanvankelijke keuzes worden gewijzigd?

De werkgever en de werknemer of in het geval van collectieve onderhandelingen de sociale partners zijn en blijven verantwoordelijk voor de besluitvorming inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen. Zij zijn verantwoordelijk voor de pensioenregeling. Indien op enig moment blijkt dat de pensioenregeling niet meer aansluit op de behoeften, kan de pensioenregeling worden gewijzigd. Partijen aan de arbeidsvoorwaardelijke tafel kunnen dan bijvoorbeeld kiezen voor een ander type contract. Om de pensioenregeling te wijzigen, moeten zij dus tot overeenstemming komen. Vervolgens dient de pensioenuitvoerder de opdracht uit te kunnen voeren. In geval van een pensioenfonds zal de nieuwe opdracht aanvaard (en bevestigd) moeten worden.

Pensioenfondsen gaan over de uitvoering van de pensioenregeling, waaronder bijvoorbeeld de besluitvorming over beschermingsrendement. Het pensioenfonds kan conform de daarvoor geldende besluitvormingsprocessen besluiten tot wijzigingen in de uitvoering. Het pensioenfondsbestuur informeert sociale partners indien sprake is van een ingrijpende wijziging in de uitvoering. Indien partijen besluiten tot een wijziging van (de uitvoering van) een pensioenregeling die reeds is ingegaan onder het nieuwe kader, is het nieuwe, reguliere wettelijke kader van toepassing en niet het transitiekader. De overstap naar het nieuwe pensioenstelsel is immers al gemaakt.

Vragen van de leden van de SP-fractie:

1.

De regering heeft een reflectie gegeven op de samenwerking met partijen die aan tafel hebben gezeten bij de totstandkoming van het pensioenakkoord. Hoe zit dat met de kritische organisaties die niet aan deze tafel hebben gezeten? Hoe duidt de regering de kritiek van de verschillende senioren en pensioenorganisaties die zich uitgesproken hebben tegen deze wet?

Zoals in de eerdere beantwoording aangegeven heeft er bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en ook de verdere uitwerking van het wetsvoorstel met veel partijen overleg plaatsgevonden, waaronder periodiek overleg met jongeren- en ouderenorganisaties. Bij deze overleggen zijn meerdere seniorenorganisaties betrokken, zoals de Koepel van gepensioneerden, ANBO, KBO-PCOB en NOOM. Gezamenlijk vertegenwoordigen deze organisaties een hele grote groep gepensioneerden. Gedurende de afgelopen jaren hebben deze partijen zich op sommige momenten en op sommige onderdelen kritisch uitgelaten. Desalniettemin werd van beide kanten van belang gevonden om in gesprek te blijven. Ook bij de verdere uitwerking zal het periodieke overleg met jongeren- en ouderenorganisaties worden voortgezet.

2.

Overweegt de regering, naar aanleiding van de inmiddels geconstateerde mankementen in de voorliggende wetgeving, om via een novelle de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel te verbeteren?

Ik ben van mening dat het huidige wetsvoorstel een evenwichtig geheel vormt, met voldoende waarborgen voor een evenwichtige transitie en klaar is om te worden ingevoerd. Dit is ook het signaal dat ik ontvang vanuit de uitvoeringspartijen. Het wetsvoorstel is uitgebreid getoetst op uitvoerbaarheid en op rechtmatigheid. Er is dan ook geen aanleiding om een novelle in te dienen. Zoals in de eerdere beantwoording aangegeven zal gedurende de transitie de uitvoering van de wet nauwgezet worden gemonitord en zal overleg met betrokken uitvoeringspartijen plaatsvinden om eventuele knelpunten in een vroeg stadium te onderkennen en snel en effectief te kunnen bijsturen. Het ministerie voert ook proactief gesprekken met de partijen uit de sector.

Vragen van de leden van de PvdD-fractie:

1.

De regering schrijft dat de naar rato aftopping van de verplichte en fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw voor deeltijders niet in strijd is met gelijke behandeling. Ze motiveert dit door te stellen dat deeltijders naar rato hetzelfde worden behandeld als voltijders. Maar deeltijders worden anders behandeld dan voltijders met hetzelfde inkomensniveau. Om een voorbeeld te noemen, iemand die met een 0,4 aanstelling € 45.000 verdient bouwt minder tweede pijler pensioen op dan iemand die met een 1,0 aanstelling hetzelfde inkomen verdient. Hoe is dit vanuit gelijke behandeling te verdedigen? Het gaat er toch om dat iemand een pensioen opbouwt in proportie tot het feitelijke loon?

Het pensioengevend loon is voor een voltijds dienstverband gemaximeerd op € 128.810 (bedrag 2023, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd). Boven dit bedrag kan een nettopensioen worden opgebouwd. Bij een deeltijd dienstverband wordt het maximum pensioengevend loon naar rato berekend. Bij een dienstverband van bijvoorbeeld 0,4 geldt derhalve een maximum pensioengevend loon van € 128.810 x 0,4 = € 51.524 (bedrag 2023).

Bij een salaris van € 45.000 en een dienstbetrekking van 0,4 blijft het gehele salaris onder het maximum pensioengevend loon en telt volledig mee voor de pensioenopbouw. Bij een dienstbetrekking van 0,4 en een salaris van meer dan € 51.524 (bedrag 2023) kan over het salaris boven de € 51.524 (bedrag 2023) geen pensioen worden opgebouwd (behoudens nettopensioen). Naast het salaris heeft ook de omvang van de dienstbetrekking invloed op de hoogte van het op te bouwen pensioen. Zo wordt ook de AOW-franchise, het drempelbedrag waarover geen pensioen wordt opgebouwd, verlaagd naar gelang de omvang van de dienstbetrekking kleiner is dan 1,0. Dit leidt tot een grotere pensioengrondslag voor deeltijders waarover pensioen kan worden opgebouwd.

Als de omvang van het dienstverband niet zou worden meegenomen in de fiscale begrenzingen voor pensioenopbouw dan zou dit voor deeltijders met lagere inkomens leiden tot geen of minder pensioenopbouw aangezien de AOW-franchise dan niet meer zou worden gerelateerd aan de omvang van het dienstverband. Voor hogere inkomens in combinatie met meerdere dienstverbanden zou het loslaten van de omvang van de dienstbetrekking in de fiscale begrenzingen ertoe kunnen leiden dat over een salaris boven het maximum pensioengevend loon van € 128.810 pensioen kan worden opgebouwd. Bijvoorbeeld als iemand met een dienstverband van 0,4 een inkomen heeft van € 45.000 en in een ander dienstverband van 0,6 een inkomen geniet van € 100.000. In totaal kan dan over een inkomen van € 145.000 pensioen worden opgebouwd. Dat is meer dan het maximum pensioengevend loon van € 128.810 (bedrag 2023).

Een andere inrichting hiervan waarbij wel getoetst dient te worden op het maximum pensioengevend loon leidt tot uitvoeringscomplexiteit. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat een deelnemer in twee verschillende sectoren werkt en bij twee verschillende pensioenfondsen pensioen opbouwt. Dat impliceert dat ieder pensioenfonds voor een deeltijder met een loon dat naar rato boven het pensioengevend loon uitkomt moet nagaan of deze persoon ook in een andere dienstbetrekking pensioen opbouwt. Dat betekent een negatief effect op de uitvoerbaarheid. In dit verband wil ik ook wijzen op de eerdere gedachtewisseling hierover met Uw Kamer.37 Daarnaast draagt het naar rato toepassen van de deeltijdfactor van de aftopping van het pensioengevend loon naar de mening van de regering juist bij aan een gelijke behandeling tussen deeltijdwerkers en voltijdwerkers. Door toepassing van de deeltijdfactor wordt het fiscaal maximale pensioengevend loon van de deeltijdwerker naar evenredigheid verminderd ten opzichte van het fiscaal maximale pensioengevend loon van de voltijdwerker. Op deze wijze wordt bewerkstelligd dat – binnen eenzelfde sector – het fiscaal maximale pensioengevend loon per contractuur gelijk is voor deeltijdwerkers en voltijdwerkers.

2.

De regering noemt als wetenschappelijk inzicht dat wordt gebruikt voor de bepaling van de risicohouding de lifecycle theorie. Die theorie gaat over de mogelijkheid risico te dragen, maar niet over de risicovoorkeur. Kan de regering meer duidelijkheid geven over hoe de risicovoorkeur gemeten gaat worden? De mogelijkheid risico te dragen is ook volgens de grondleggers van de lifecycletheorie afhankelijk van de risicograad van het menselijk kapitaal. Is de regering bereid mee te geven aan de sociale partners en pensioenfondsbesturen dat de conjunctuurgevoeligheid van een bedrijf of bedrijfstak moet meewegen in de risicomix van de beleggingen?

De risicovoorkeur, de mate waarin deelnemers risico willen dragen, wordt gemeten in het risicopreferentieonderzoek. De wijze waarop dit onderzoek wordt uitgevoerd moet voldoen aan een aantal voorwaarden die zijn weergegeven in artikel 14v van het conceptbesluit toekomst pensioenen. Zo moet bijvoorbeeld het risicopreferentie-onderzoek aansluiten bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van de deelnemers en een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachten uitkering en de te verwachte zekerheid van de pensioenuitkering geven. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op dit onderzoek.

In de risicohouding komt het risico dat deelnemers kunnen en willen dragen tot uitdrukking. Het risicopreferentieonderzoek vormt dus input voor de risicohouding. Deze risicohouding wordt uiteindelijk op basis van de uitkomsten van het risico-preferentieonderzoek, kenmerken van deelnemers en wetenschappelijke inzichten vastgesteld. Hierbij is dus ook ruimte om wetenschappelijke inzichten mee te wegen over de betekenis van de conjunctuurgevoeligheid van een bedrijf of bedrijfstak voor het risico dat deelnemers kunnen dragen.

3.

Momenteel kan het opgebouwde pensioenkapitaal bij overlijden gebruikt worden voor optimalisatie van het nabestaandenpensioen. Dit wordt in de praktijk toegepast onder de term restitutie. Het wetsvoorstel schrijft voor dat het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum op risico-, en ná pensioendatum op opbouwbasis is. De regering lijkt er van uit te gaan dat de momenteel toegepaste hiervoor genoemde optimalisatie van het nabestaandenpensioen (restitutie) op grond van de Wtp niet meer mogelijk is. Immers, in antwoorden op vragen kwalificeert zij restitutie als een kapitaalgedekt nabestaandenpensioen vóór pensioendatum, waarbij het wetsvoorstel het kapitaalgedekte nabestaandenpensioen exclusief reserveert voor nabestaandenpensioen na de pensioendatum. Restitutie is echter kapitaal opgebouwd ten behoeve van ouderdoms- en nabestaandenpensioen ná pensioendatum, dat pas na overlijden een andere bestemming krijgt en kan daarmee geen opgebouwd nabestaandenpensioen vóór pensioendatum zijn. Hoe komt de regering op basis van de voorgestelde wettekst tot haar conclusie? Immers zowel de regering zelf in haar memorie van toelichting, als ook de Stichting van de Arbeid in haar advies over nabestaandenpensioen, stelt vast dat een kapitaalgedekt – of opbouw – nabestaandenpensioen de eigenschap heeft dat er daadwerkelijk telkens een stuk nabestaandenpensioen wordt ingekocht, daar dus voor wordt betaald en daarmee een waarde heeft. Bij restitutie is dat echter niet het geval.

Wanneer bij overlijden voor pensioendatum restitutie mogelijk zou zijn van het pensioenvermogen dat is opgebouwd voor overlijden na pensioendatum dan is er ook sprake van een kapitaalgedekt nabestaandenpensioen bij overlijden voor pensioendatum. Immers, bij de opbouw van het pensioenvermogen dient er dan op het niveau van de pensioenregeling vooraf rekening mee gehouden te worden dat dit opgebouwde pensioenkapitaal ook ingezet zou kunnen worden voor het uitbetalen van een nabestaandenpensioen voor pensioendatum. Met dit wetsvoorstel is vastgelegd dat een dekking voor het overlijdensrisico voor pensioendatum alleen op risicobasis vormgegeven mag worden. Dit brengt eenvoud in het pensioenstelsel en betekent een belangrijke verbetering in de dekking voor met name jonge deelnemers.

4.

Het voorgestelde art. 52 lid 2 bepaalt dat, wanneer een deelnemer een deel van zijn opgebouwde pensioenkapitaal omzet in een gegarandeerde uitkering vanaf pensioendatum, de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen volledig vervalt; dus ook voor het – mogelijk grote – deel van het kapitaal dat tot pensioendatum belegd blijft. Dit lijkt onbegrijpelijk en zou een aanzienlijke beperking zijn ten opzichte van de mogelijkheden onder de huidige wet. Is dit de bedoeling van de regering en zo ja, waarom?

Enkel voor het gedeelte van het kapitaal of de beschikbaar gestelde premie dat wordt aangewend voor een aanspraak op een vastgestelde uitkering vanaf de pensioendatum, is er geen mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen. Voor het restant van het vermogen dat niet wordt omgezet blijft dat echter wel mogelijk.

5.

Het voorgestelde art. 55 lid 2 bepaalt dat na einde deelneming het pensioenkapitaal belegd blijft («... wordt... belegd...»). Dit betekent dat na einde deelneming het niet meer mogelijk is om – een deel van – het pensioenkapitaal om te zetten in een gegarandeerde uitkering: het kapitaal moet immers belegd blijven. Dit zou een aanzienlijke beperking zijn ten opzichte van de mogelijkheden onder de huidige wet. Is dit de bedoeling van de regering en waarom?

Bij de voorgestelde premieregelingen wordt het opgebouwde vermogen of kapitaal in beginsel tot de pensioendatum (of langer) belegd. Bij de flexibele premieovereenkomst komt er een gescheiden opbouw- en uitkeringsfase waarbij op pensioendatum het opgebouwde individuele pensioenkapitaal wordt omgezet in of gebruikt voor een levenslange (vaste of variabele) uitkering. De wijziging van artikel 55 van de Pensioenwet is dus in lijn met het uitgangspunt dat zowel bij de solidaire premieovereenkomst als de flexibele premieovereenkomst in ieder geval tot de pensioendatum het opgebouwde pensioenvermogen of kapitaal wordt belegd.

Naast de solidaire en de flexibele premieovereenkomst is een derde type overeenkomst mogelijk gemaakt, de premie-uitkeringsovereenkomst die aan deelnemers – onder bepaalde voorwaarden – wel de mogelijkheid biedt om het opgebouwde pensioenkapitaal, of de nog door de werkgever in te leggen pensioenpremies, vanaf 15 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd van de deelnemer te gebruiken voor het aankopen van een gegarandeerd vaste uitkering vanaf de pensioendatum. De premie-uitkeringsovereenkomst kan alleen door verzekeraars en premiepensioeninstellingen worden uitgevoerd. Dergelijke individuele keuzes, waarbij het collectieve beleggingsbeleid doorbroken wordt, passen niet goed bij het collectieve karakter van pensioenfondsen.

6.

Het voorgestelde art. 61a lid 1 bepaalt dat uitsluitend ouderdomspensioen omgezet kan worden in een voortgezette risicodekking voor nabestaandenpensioen voor pensioendatum. Het pensioenkapitaal bestaat echter uit ouderdomspensioen plus nabestaandenpensioen, hetgeen betekent dat bij uitruil – door onttrekkingen – tevens een deel van het nabestaandenpensioen na pensioendatum wordt omgezet in nabestaandenpensioen voor pensioendatum. Hoe verklaart de regering de keuze in de wet om alleen het opgebouwde deel voor het ouderdomspensioen uit te kunnen ruilen voor nabestaandenpensioen voorafgaand aan pensioendatum en hoe kan dit in de praktijk werken aangezien er geen gesplitst kapitaal voor ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen na pensioendatum is?

Ik deel de opvatting van de fractie van de PvdD hierin niet. De financiering van de vrijwillige voortzetting van de risicodekking op grond van het voorgestelde artikel 61a vindt plaats door middel van een uitruil van een deel van het pensioenvermogen in een risicopremie. Het pensioenvermogen bestaat in de opbouwfase uit zowel kapitaal ten behoeve van ouderdomspensioen als kapitaal ten behoeve van nabestaandenpensioen na pensioendatum. Pas op de pensioendatum besluit de deelnemer in welke verhouding het pensioenvermogen wordt omgezet in ouderdomspensioen en/of nabestaandenpensioen. Pensioenuitvoerders kunnen in hun administratie weldegelijk onderscheid maken tussen kapitaal dat bedoeld is voor ouderdomspensioen en kapitaal dat bedoeld is voor nabestaandenpensioen. Dit doen ze immers ook bij andere keuzes die een deelnemer kan maken, zoals een individuele waardeoverdracht, waarbij een partner moet instemmen met de overdracht van het partnerpensioen. Om te bepalen of een gewezen deelnemer voldoende pensioenvermogen heeft om te kiezen voor vrijwillige voortzetting, beoordeelt de pensioenuitvoerder of het pensioenvermogen zich na de uitruil nog boven de afkoopgrens voor kleine (ouderdoms)pensioen bevindt.

7.

In het huidige stelsel mogen pensioenen niet worden verhoogd als de dekkingsgraad lager is dan 110 procent. Deze buffer dient ter bescherming van toekomstige pensioenen. In het nieuwe stelsel bewegen de pensioenen meer mee met de ontwikkelingen op financiële markten. Vooruitlopend op het nieuwe stelsel mochten pensioenfondsen in 2022 al besluiten tot verhoging van de pensioenen bij een dekkingsgraad van 105. Hoeveel pensioenfondsen hebben hier gebruik van gemaakt, om welke bedragen en om hoeveel pensioengerechtigden ging het?

In november 2022 heeft de Pensioenfederatie onder de pensioenfondsen een uitvraag gedaan naar de tot dat moment verleende indexaties, waarbij expliciet gevraagd is of pensioenfondsen bij hun indexatiebesluit gebruik hebben gemaakt van de versoepelde indexatieregels op basis van de algemene maatregel van bestuur (indexatie-AMvB 2022) die dit mogelijk maakte. De Pensioenfederatie heeft hiervan een overzicht samengesteld en middels een nieuwsbericht gepubliceerd.38 Pensioenfondsen konden gebruik maken van de versoepelde regels voor indexatiebesluiten genomen tussen 1 juli 2022 en 1 januari 2023.

De definitieve cijfers over toeslagverlening zijn nog niet bekend. Informatie over de hoogte van verleende toeslagen, ook op basis van de versoepelde indexatieregels, dient door pensioenfondsen middels de jaarstaten te worden ingediend. Pensioenfondsen hebben tot uiterlijk 30 juni 2023 de tijd om deze jaarstaten aan te leveren bij DNB.

Overzicht toeslagverlening vijf grootste pensioenfondsen in 2022 en 2023 (Besluit genomen in 2022).
 

Verhoging pensioenen in 2022

Verhoging pensioenen in 2023

A

B

C

D

Fonds

Gepensioneerden

Zonder versoepelde regels

Met versoepelde regels

Zonder versoepelde regels

Met versoepelde regels

ABP

975.000

0%

2,39%

3,80%

11,96%

PFZW

552.100

0%

2,70%

0%

6,00%

PMT

240.000

0%

1,29%

0%

4,20%

Bouw

250.000

1,76%

2,57%

14,52%

14,52%

PME

170.000

0%

1,29%

0%

6,20%

8.

Stel dat het nieuwe stelsel niet op de beoogde datum van 1 juli 2023 wordt ingevoerd. Is de conclusie dan dat deze bedragen achteraf ten onrechte zijn uitgekeerd?

9.

Zijn de uitgekeerde verhogingen die mogelijk waren door een versoepeling vooruitlopend op de verwachte invoering van de wet terug te vorderen of te compenseren door een verlaging, als de wet niet op 1 juli 2023 wordt ingevoerd?

Hiermee wordt vraag 8 en 9 beantwoord. Vooruitlopend op de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel heeft de regering middels de indexatie-AmvB versoepelde toeslagverlening onder voorwaarden toegestaan. Een van die voorwaarden was een gerede verwachting dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel gemaakt zou worden. Ook in het onfortuinlijke geval dat de Wet toekomst pensioenen niet op 1 juli 2023 zou worden ingevoerd, zou het op het moment van besluitvorming nog steeds een gerede verwachting kunnen zijn geweest. Toeslagverleningen die dankzij de versoepelde indexatieregels hebben plaatsgevonden zijn ook in dat geval rechtmatig uitgekeerd. Latere inwerkingtreding van de wet doet daar geen afbreuk aan. De uitgekeerde verhogingen zijn niet terug te vorderen. Wel kan iedere deelnemer die het oneens is met een besluit van het fondsbestuur een (reguliere) bezwaarprocedure starten.

10.

Zijn er andere manieren om te voorkomen dat jongere generaties risico lopen door de tijdelijk lagere toegestane buffers?

Het verlenen van voorwaardelijke toeslag bij een lagere beleidsdekkingsgraad heeft generatie-effecten. Bijvoorbeeld omdat – zoals de vraagsteller aangeeft – toeslagverlening effect heeft op de dekkingsgraad. In de indexatie-AmvB zijn daarvoor waarborgen opgenomen. Een pensioenfonds dat gebruik wil maken van versoepelde indexatie regels, moet onderbouwen waarom het besluit evenwichtig is waarbij generatie-effecten kwantitatief inzichtelijk gemaakt moeten worden.

11.

Kunnen actieve deelnemers en slapers in het geval dat het nieuwe stelsel niet op de beoogde datum van kracht wordt bezwaar maken tegen de uitgekeerde verhogingen die anticipeerden op het nieuwe stelsel?

Vooruitlopend op de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel heeft de regering middels de indexatie-AmvB versoepelde toeslagverlening onder voorwaarden toegestaan. Een van die voorwaarden was een gerede verwachting dat de overstap naar het nieuwe pensioenstelsel gemaakt zou worden. Ook in het onfortuinlijke geval dat de Wet toekomst pensioenen niet op 1 juli 2023 zou worden ingevoerd, zou het op het moment van besluitvorming nog steeds een gerede verwachting kunnen zijn geweest. Toeslagverleningen die dankzij de versoepelde indexatieregels hebben plaatsgevonden zijn ook in dat geval rechtmatig uitgekeerd. Latere inwerkingtreding van de wet doet daar geen afbreuk aan. De uitgekeerde verhogingen zijn niet terug te vorderen. Wel kan iedere deelnemer die het oneens is met een besluit van het fondsbestuur een (reguliere) bezwaarprocedure starten.

12.

Is er bij de vaststelling van de einddatum rekening mee gehouden dat voor een regeling die op 1 januari 2027 ingaat en waarvoor wordt ingevaren een deel van de werkzaamheden nog na de ingangsdatum, en dus in het eerste deel van 2027 en daarmee dus buiten de wettelijke termijn, plaatsvindt?

De datum van 1 januari 2027 houdt in dat na die datum alleen pensioen kan worden opgebouwd in pensioenregelingen die voldoen aan het nieuwe wettelijke kader en het fiscale kader. Concreet betekent dit dat pensioenopbouw in uitkeringsovereenkomsten na 1 januari 2027 niet meer mogelijk is. Indien er na die datum echter nog werkzaamheden zijn zoals aanpassingen van de ICT is dat geen bezwaar, zolang de pensioenregeling zoals die wordt aangeboden voldoet aan de nieuwe wettelijke eisen.

13.

Klopt het dat het afschaffen van de wachttijd bij start dienstverband in werking treedt per 1 juli 2023?

Ja, als het wetsvoorstel toekomst pensioenen per 1 juli 2023 inwerking treedt, treedt dit onderdeel gelijktijdig in werking.

14.

Zo ja, zou er, net als bij de doorvoering van de verlaging van de opnameleeftijd naar 18 jaar, niet ook voor het afschaffen van de wachttijd meer doorlooptijd gegeven moeten worden tot 1 januari 2024 voor verwerking van deze aanpassing in pensioenregelingen en administratie?

Een ruime meerderheid in de Tweede Kamer heeft ingestemd met het amendement dat de wachttijd afschaft. In de toelichting op het amendement is opgenomen dat de indieners beogen dat uitzendkrachten die nog geen pensioen opbouwen bij inwerkingtreding van de wet, vanaf dat moment beginnen met opbouwen van pensioen. Dit is daarmee dus ook een breed gedragen wens van de Tweede Kamer. Het pensioenfonds in de uitzendsector (StiPP) is het enige pensioenfonds dat een wachttijd hanteert. StiPP heeft eerder dit jaar laten weten drie maanden nodig te hebben voor de voorbereiding en uitvoering van de afschaffing van de wachttijd. Zij hebben hierover op 13 februari ook een brief gestuurd naar de Eerste Kamer. Vervolgens heeft het ministerie verschillende gesprekken gevoerd met het pensioenfonds. Daarbij is aangegeven dat zij tijdig kunnen voldoen aan de uitvoering wanneer sociale partners tijdig een nieuwe opdracht verlenen aan het pensioenfonds waarbij geen wachttijd wordt gehanteerd. Sociale partners kunnen ook onder de huidige wetgeving deze opdracht aan het pensioenfonds verlenen. Dit is ook zo met sociale partners besproken.

Op de websites van StiPP en de werkgevers in de uitzendsector (ABU en NBBU) wordt richting hun leden al aangeven dat de wijziging naar verwachting (onder voorbehoud van instemming Eerste Kamer) op 1 juli inwerking treedt. StiPP geeft op de website ook al aan dat het belangrijk is dat werkgevers op tijd hun administratie aanpassen, zodat hun werknemers het juiste pensioen opbouwen. Hiermee lijken zij het initiatief te hebben genomen en de voorbereidingen reeds in gang hebben gezet zodat alle uitzendwerknemers per 1 juli pensioen kunnen opbouwen.

15.

Is het mogelijk dat sociale partners en pensioenuitvoerders het opgebouwd nabestaandenpensioen in de huidige pensioenregeling in mindering brengen op de aanspraak op nabestaandenpensioen op risicobasis?

Nee dit is niet mogelijk en ligt ook niet voor de hand aangezien een deelnemer zowel voor het opgebouwd nabestaandenpensioen als de risicoverzekering premie heeft afgedragen. De nabestaande van de deelnemer heeft daarom bij overlijden van de deelnemer voor pensioendatum recht op beide uitkeringen.

16.

Bij een flexibele premieregeling met beleggingsvrijheid mag een risicodelingsreserve geen beleggingsrisico’s dekken. De wet maakt op dit punt geen onderscheid tussen opbouw- en uitkeringsfase, maar er is alleen beleggingsvrijheid in de opbouwfase. Kan de regering verduidelijken of in een dergelijke regeling bij een collectieve uitkeringsfase het dekken van beleggingsrisico vanuit een risicodelingsreserve is toegestaan?

Bij een collectieve uitkeringsfase is er geen sprake van beleggingsvrijheid. Het dekken van het beleggingsrisico vanuit een risicodelingsreserve is dan toegestaan. Daarbij geldt dat de vormgeving van de risicodelingsreserve als geheel evenwichtig dient te zijn en dat voorkomen moet worden dat uitsluitend één generatie baten of lasten heeft. Er mag bijvoorbeeld geen omslagsysteem ontstaan, waarbij de actieven de premie betalen en uitsluitend de gepensioneerden de baten van de risicodelingsreserve ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld worden voorkomen door gebruik te maken van de mogelijkheid om voor de vulling van de risicodelingsreserve een stukje van het persoonlijk pensioenvermogen vanaf de geleidelijke toetreding tot de collectieve uitkeringsfase – maximaal 10 jaar vóór de pensioendatum – af te romen, ten behoeve van inzet in de uitkeringsfase.

Vragen van de leden van de 50PLUS-fractie, gezamenlijk met de leden van de Fractie-Nanninga, Fractie-Frentrop en Fractie-Otten:

1.

Op 31 maart 2023 heeft de Minister-President een brief naar de Tweede Kamer gestuurd waarin een passage uit het coalitieakkoord wordt herbevestigd: «we werken aan een overheid die betrouwbaar, dienstbaar, dichtbij en rechtvaardig is. We beoordelen wetten op eenvoud, menselijke maat en uitvoering».

a.

Hoe beoordeelt u de nieuwe pensioenwet tegenover deze uitspraak? In uw antwoord op vraag 117 stelt u dat een uitruil heeft plaatsgevonden tussen complexiteit en hogere welvaartswinst en daarmee tot hogere/stabiele pensioenen. Kunt u dit begrip definiëren en kwantitatieve berekeningen tonen, want een kwalitatief antwoord is onvoldoende gegeven deze afweging tussen enorme complexiteit en welvaartswinst?

Kunt u ook de onzekerheidsmarges aangeven van deze welvaartswinst berekeningen. Kunt u deze opmerking nader preciseren: waar vindt de welvaartwinst plaats, wat is de omvang en hoe wordt die over de actieve en post actieve deelnemers verdeeld?

Dit antwoord kan enkel kwalitatief gegeven worden. Met het wetsvoorstel wordt beoogd tegemoet te komen aan de brede wens om in het pensioenstelsel voldoende solidariteit te behouden. Een solidair pensioenstelsel is inherent complexer dan een pensioenstelsel met enkel premieregelingen zonder solidariteits- of risicodelingsreserve. Deze solidaire kenmerken leiden naar verwachting echter tot welvaartswinst en daarmee hogere en/of stabielere pensioenen. In reactie op de vraag over mijn oordeel over de wet in het licht van de genoemde passage «een overheid die betrouwbaar, dienstbaar, dichtbij en rechtvaardig is»: bij het ontwerp van dit wetsvoorstel is er naar gestreefd deze ambitie te eerbiedigen onder andere door voor voldoende draagvlak te creëren bij sociale partners. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen is bovendien uitgebreid getoetst op uitvoerbaarheid en de uitvoeringspartijen zijn frequent betrokken bij het vormgeven van het wetsvoorstel.

b.

Als u WTP vindt passen binnen deze uitspraak van de kabinetsbrief van 31 maart, hoe weegt u dan de waarschuwing van veel experts die aangeven dat deze wet veel te complex is voor de deelnemers en voor de uitvoering? Vindt u een heroverweging van belang?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen kent een lange aanloop, waar vele discussies aan zijn voorafgegaan. In 2019 werd het Pensioenakkoord gesloten. In 2020 kwam de hoofdlijnenbrief, waarin de hoofdlijnen werden neergelegd voor dit wetsvoorstel. Het wetsvoorstel heeft vervolgens alle stappen van het wetgevingsproces doorlopen. Een uitgebreide internetconsultatie, formele toetsen en adviezen en een advies van de Raad van State. Ook is tijdens het wetgevingsproces uitvoerig stilgestaan bij de uitvoeringsaspecten van voorliggend wetsvoorstel, waaronder de mate van complexiteit. Daarbij is relevant te noemen dat er regelmatig overleg is gevoerd met de pensioenkoepels om te bezien of uitvoeringstechnische aspecten vereenvoudigd kunnen worden. Daarnaast geldt dat de Tweede Kamer het wetsvoorstel zeer uitgebreid heeft behandeld. In elke fase van het wetstraject is contact geweest met verschillende experts, ook de Tweede Kamer heeft zich laten bijstaan door experts. Uiteindelijk heeft een ruime meerderheid besloten in te stemmen met het wetsvoorstel. Bovendien geldt dat experts het niet altijd met elkaar eens zijn, en dat hoeft ook niet. Dat stimuleert het debat en kan voor een beter resultaat zorgen.

c.

Veel experts hebben aangegeven dat de achterliggende modellen van de Commissie Parameters een black box zijn die slechts door een enkele technocraat wordt begrepen. Peer reviews ontbreken, met name of toepassing doelmatig is voor de berekening van een fundamentele stelselwijziging. Acht u het (politiek) te verantwoorden met zulke modellen een fundamentele stelselherziening te onderbouwen?

Graag wil ik benadrukken dat de parameters en de scenariosets geen nieuw fenomeen zijn voor pensioendeskundigen, waaronder pensioenfondsbestuurders en de adviseurs die besturen bijstaan. Zo wordt bijvoorbeeld voor de communicatie over toekomstige pensioenuitkeringen en bij de berekeningen van de haalbaarheidstoets al langer gebruik gemaakt van de economische scenarioset (P-scenarioset).

In artikel 144 van de Pensioenwet is voorgeschreven dat de scenariosets en parameters die pensioenuitvoerders dienen te gebruiken bij verschillende berekeningen uiterlijk iedere vijf jaar worden getoetst door een onafhankelijke commissie, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige financieel-economische verwachtingen. Bij die toetsing wordt ook bezien of er aanleiding is het eerdere advies op onderdelen te herzien of aan te passen. Door deze systematiek is er periodiek al sprake van een evaluatie van het advies.

Daarnaast bestaat de Commissie Parameters uit experts die onafhankelijk tot een advies komen, waarbij zij gebruikmaken van relevante wetenschappelijke inzichten. De Commissie Parameters 2022 heeft bij haar onderzoek diverse deskundigen, waaronder het Centraal Planbureau, geraadpleegd. De inbreng van de deskundigen is door de Commissie meegenomen in het advies. Daarnaast gebruikt de Commissie modellen die in de literatuur vaker gebruikt zijn. De Commissie heeft tevens aangegeven dat de door haar gebruikte modelaannames en vergelijkingen door (internationale) experts herkend worden. Ik vertrouw dan ook op het wetenschappelijk onderbouwde advies van de Commissie.

Daarbij merk ik op dat de scenariosets niet gebruikt zijn om de stelselherziening te onderbouwen. Pensioenfondsen moeten voor de transitie en in het nieuwe pensioenstelsel de scenariosets gebruiken bij diverse wettelijke toepassingen. Deze berekeningen zijn ondersteunend aan de besluitvorming van pensioenfondsen en/of sociale partners, over bijvoorbeeld de vaststelling van de hoogte van de pensioenpremies of het inzichtelijk maken van transitie-effecten (zoals nettoprofijteffecten). In het kader van de Wet toekomst pensioenen heeft onder andere DNB daarom voor een voorbeeldfonds dit soort berekeningen gemaakt, zodat een indicatie bekend is van hoe het nieuwe pensioenstelsel kan uitpakken in vergelijking tot de huidige pensioencontracten.

d.

Ook de input van deze modellen geven een specifieke visie van deze commissie op de economie en financiële markten. Deze verhoudt zich slecht tot de historische werkelijkheid (zie grafieken bij vragen 3 en 9). Visies die zich uitstrekken over 100 jaar leiden tot uitkomsten die nooit getoetst kunnen worden. Feitelijke historische cijfers zullen niet de toekomst kunnen uitbeelden, maar kunnen wel de eigenschappen en toekomstvastheid van een nieuw stelsel toetsen, ook onder meer extreme omstandigheden. Wat is uw oordeel daarop en kunt u dit toelichten?

Voor het waarderen van pensioenen en voor andere actuariële toepassingen binnen het pensioenstelsel zijn langetermijnverwachtingen van diverse economische en financiële omstandigheden nodig. Het niet meenemen van langetermijnverwachtingen en beperken tot bijvoorbeeld 20-jaarsvooruitzichten is niet logisch. Er zijn namelijk mensen die naar verwachting nog bijvoorbeeld 100 jaar in het pensioenstelsel kunnen zitten. Daarom moet er ook iets gezegd worden over wat er over 100 jaar zou kunnen gebeuren (het Koninklijk Actuarieel Genootschap publiceert bijvoorbeeld sterftekansen tot en met leeftijd 120 jaar). Projecties over zo’n lange horizon zijn vanzelfsprekend met veel onzekerheid omgeven en ook afhankelijk van onder andere de fondssamenstelling en het fondsbeleid. Er wordt daarom gebruik gemaakt van een groot aantal scenario’s, en niet van slechts één scenario of een paar scenario’s, zodat er een volledig beeld wordt weergegeven en de onzekerheid goed zichtbaar is.

De Commissie Parameters 2022 heeft voor het advies over de parameters gebruik gemaakt van zoveel mogelijk historische data. Zo zijn voor het vaststellen van de parameter voor beursgenoteerde aandelen historische rendementen vanaf het jaartal 1900 meegenomen. Verder heeft de Commissie de scenariosets zodanig gekalibreerd dat deze aansluiten bij de ramingen van het Centraal Planbureau en is het model gefit aan zowel historische data als aan actuele marktprijzen. Ook heeft de Commissie het model zo vormgegeven dat de waarden voor inflatie en het aandelenrendement op lange termijn bewegen naar wetenschappelijk onderbouwde verwachtingen. Bovendien heeft de Commissie plausibiliteitschecks uitgevoerd. De resultaten daarvan laten zien dat de kwalitatieve eigenschappen van de economische scenario’s in lijn zijn met de historische tijdreeksen voor rentes, aandelenrendementen en inflatie.

e.

Realiseert u zich dat, als u de huidige DNB scenario input blijft gebruiken, u de verdenking oproept van cijfermanipulatie om een stelselwijziging hoe dan ook er doorheen te drukken? Argumenten dat het model met laatste wetenschappelijke inzichten is ontwikkeld passen hier niet. Het model is namelijk niet gebacktest over een lange periode, althans daar is geen informatie over. Graag uw oordeel hierover?

De voorgenomen stelselherziening heeft als doel om het pensioenstelsel toekomstbestendig te maken. De talrijke berekeningen die de afgelopen jaren zijn uitgevoerd bieden inzicht in de verwachte effecten van de nieuwe pensioencontracten, ten opzichte van de huidige pensioencontracten. De wettelijk voorgeschreven scenariosets kennen in het nieuwe pensioenstelsel verschillende toepassingen. Omdat het van belang is dat deze sets aansluiten bij realistische verwachtingen, is in artikel 144 van de Pensioenwet voorgeschreven dat de scenariosets en parameters die pensioenuitvoerders dienen te gebruiken bij verschillende berekeningen uiterlijk iedere vijf jaar worden getoetst door een onafhankelijke commissie, rekening houdend met financieel-economische ontwikkelingen in het verleden en realistische inzichten ten aanzien van toekomstige financieel-economische verwachtingen. De in de vraagstelling opgeworpen suggestie van manipulatie mist elke grond.

f.

Risicoprofielen. Er wordt niet alleen leeftijdsdiscriminatie toegepast bij dit onderdeel van de wet, maar deze profielen focussen op de jaarlijkse beleggingsrisico’s. Langere termijn risico’s moeten op een andere wijze worden beoordeeld, maar daar zullen de meeste deelnemers geen kennis van hebben. Bent u het eens dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie? Zo nee, kunt u dit motiveren? Zo ja, hoe wat wilt u doen aan deze discriminatie? Het inflatierisico is niet in beeld bij de risicoprofielen. Hierdoor is de kans zeer groot dat deelnemers op het verkeerde been gezet. Dit kan gemakkelijk leiden tot verkeerde allocatiekeuzes. Wat is uw oordeel hierop en kunt u uw antwoord motiveren?

Binnen de flexibele premieregeling is het mogelijk dat verschillende beleggingsprofielen worden gehanteerd voor deelnemers. Deze beleggingsprofielenkunnen beschikbaar worden gesteld voor alle leeftijden. Daarbij heeft het pensioenfonds de mogelijkheid om beleggingsprofielen te creëren waarbij inflatierisico in meer of mindere mate is afgedekt. Deelnemers hebben de mogelijkheid om te kiezen tussen verschillende profielen. De allocatie over de beleggingscategorieën bij deze profielen ligt vast.

g.

Past WTP niet in het rijtje van maatregelen zoals de toeslagenwet en de stikstofaanpak waarin de achtereenvolgende kabinetten hebben laten zien zich niet te bekommeren om de uitvoering en eenzijdige nadruk leggen op modeluitkomsten. Het blind varen op modellen zonder de modelspecificaties en input te kennen en kritiek negeren, tast het vertrouwen in het overheidsbeleid aan. Wat is uw mening en kunt u die toelichten?

Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven is dit wetsvoorstel uitvoerig behandeld, zowel in het traject voorafgaand aan indiening bij de Tweede Kamer, als door de Tweede Kamer zelf. Ik herken mij dan ook niet in de kwalificatie van het wetsvoorstel zoals deze in de vraag wordt gegeven.

2.

U stelt in het antwoord op vraag 34 en 70 dat hoge inflatie niet bijgehouden kan worden door het ontbreken van voldoende inflatie gerelateerde beleggingen. Deze opvatting kwam recent ook naar voren door leden van de Commissie Parameters in de hoorzitting van de Eerste Kamer. Dit is een nogal beperkte kijk op het instrumentarium van inflatiebescherming onder kapitaaldekking. Inflatie gerelateerde obligaties leveren in veel gevallen een negatief reëel rendement op waardoor ze structureel geen volledige inflatiebescherming bieden. Dit wordt veroorzaakt door de grote vraag naar deze beleggingssoort en relatieve beperkte aanbod. Deze beleggingssoort is daardoor inderdaad in veel gevallen niet aantrekkelijk, mede door het concentratie- en crediteurenrisico. Maar een voldoende hoge blootstelling naar zakelijke waarden en adequate reservevorming biedt betere bescherming tegen inflatie (zie figuur 1, gebaseerd op reële rendementen van een internationale portefeuille tussen 1923 en 2022 uit de database van Òscar Jordà, Katharina Knoll, Dmitry Kuvshinov, Moritz Schularick, Alan M. Taylor, versie 6). Inflatiebescherming wordt in WTP echter tegengewerkt door de life cycle benadering waardoor vanaf middelbare leeftijd (rond 55 jaar) actieve deelnemers en gepensioneerden onvoldoende zakelijke waarden in hun individuele vermogensopbouw krijgen aangevuld met een nominaal beschermingsrendement waardoor inflatiebescherming een utopie wordt.

Figuur 1: Portefeuillerendement.

Figuur 1: Portefeuillerendement.

a.

Bent u het eens dat adequate inflatiebescherming in WTP een utopie is? Kunt u uw antwoord motiveren?

Zoals ik al eerder heb aangegeven, zal niet altijd volledige inflatiebescherming kunnen worden geboden. Dat geldt voor het nieuwe pensioenstelsel, maar ook voor het huidige pensioenstelsel of welk kapitaalgedekt pensioenstelsel dan ook. Er zijn immers onvoldoende reële beleggingen beschikbaar om voor alle Nederlandse pensioenuitvoerders in alle omstandigheden de inflatie bij te houden. Het nieuwe pensioenstelsel kan wel beter omgaan met inflatie dan het huidige pensioenstelsel, omdat behaalde overrendementen eerder kunnen worden uitgedeeld en een aantal gerichte instrumenten kunnen worden ingezet.

b.

Bent u het eens met de opvatting dat structurele inflatiebescherming meer is dan toepassing van inflatie gerelateerde obligaties? Kunt uw opvatting motiveren?

Ja, voor structurele inflatiebescherming kunnen naast reële obligaties ook inflatiegerelateerde swaps of swaptions worden gebruikt.

c.

Krijgen actieve deelnemers inflatiebescherming uit de WTP reserves of is deze voorbehouden aan gepensioneerden?

Hierover worden geen voorschriften gesteld. Naarmate een grotere groep inflatiebescherming wordt geboden, zullen uiteraard wel meer middelen beschikbaar moeten zijn.

d.

Wordt in de opzet van WTP de inflatie structureel gecompenseerd aan gepensioneerden of zijn het eenmalige compensatiebedragen per jaar? Met andere woorden, wordt de compensatie steeds gerelateerd aan het pensioenbedrag bij pensionering, of aan de lopende pensioenuitkering van het jaar voor toekenning van inflatiecompensatie?

Hierover worden geen voorschriften gesteld. Uiteraard zijn voor inflatiebescherming van een gehele uitkeringenstroom meer middelen nodig dan wanneer alleen voor het lopende jaar inflatiebescherming wordt geboden. In dat laatste geval kan uiteraard ieder jaar opnieuw een beoordeling worden gemaakt, waardoor uiteindelijk dezelfde mate van inflatiebescherming wordt geboden.

e.

Juist een goed gediversifieerde portefeuille met zakelijke en vastrentend waarden levert een lange termijn positief reëel rendement op. Noodzakelijk voor deze resultaten is een voldoende hoge zakelijke waarde component en adequate reservevorming over jaren en die ontbreekt in de life cycle benadering. Bent u het eens dat WTP door de life cycle benadering belemmerd wordt in inflatiebescherming voor met name vanaf de middelbare leeftijdsgroepen? Zo nee, kunt u dit motiveren?

De lifecycle benadering gaat uit van een afbouw van risico, maar zegt niet in welke mate dat risico moet worden afgebouwd. Ook binnen de lifecycle benadering kan aan middelbare en oudere leeftijdsgroepen dus nog beleggingsrisico worden toegekend met het oog op de realisatie van een reëel rendement op de lange termijn. Daarbij is binnen de lifecycle benadering tevens oog voor het nominale renterisico dat deze groepen lopen. Het gaat om een goede balans tussen al deze financiële risico’s die deze groepen lopen.

f.

De life cycle benadering focust op de jaarlijkse rendementen en ziet zakelijke waarden als risicovol. Dit is gebaseerd op de hoge jaarlijkse volatiliteit van aandelen (die door de Commissie Parameters is gezet op 20%). Deze volatiliteit is echter al rond 30% lager als een 2-jaars voortschrijdende rendement wordt genomen. Beoordeelt vanuit een langere termijn perspectief levert een collectieve portefeuillebenadering betere rendementen omdat rekening gehouden kan worden met de lagere langere termijn volatiliteit van zakelijke waarden. De life cycle benadering kan zich hier niet aan meten omdat het uitgaat van individuele benadering en korte termijn risico’s accentueert. Dat levert minder pensioen en/ of hogere premies op. Bent u het met deze feiten eens? Zo niet kunt u dit motiveren?

Ik ben het met u eens dat de kans dat het rendement op aandelen lager is dan het risicovrije rendement, afneemt met de beleggingshorizon. Aandelenkoersen stijgen in verwachting immers harder dan het rendement op een risicovrije belegging. Hierdoor lijkt het alsof het risico van aandelen op lange termijn afneemt. Dat is echter een te beperkte benadering van de economische werkelijkheid. Niet alleen de kans op een slechte uitkomst is belangrijk. Hierbij moet ook de omvang van een verlies worden betrokken, gegeven de situatie dat zich een verlies voordoet. Als naar deze risicomaatstaf wordt gekeken dan zijn aandelenbeleggingen juist risicovol op lange termijn. Dit risico neemt toe in de tijd. Juist de oudere deelnemers en gepensioneerden lopen hierbij veel risico, omdat zij nog maar over weinig mogelijkheden beschikken om te kunnen herstellen van negatieve financiële schokken en al veel pensioenkapitaal hebben opgebouwd. De lifecycle theorie houdt ook rekening met deze aspecten en dus ben ik het niet eens met de door u geformuleerde conclusies.

g.

Om meer inzicht in de reële rendementen te krijgen onder life cycle en de 60/40 portefeuille kan gebruik worden gemaakt van historische cijfers. Kunt u de reële portefeuillerendementen geven over een periode van 60 jaar (25ste t/m 85ste levensjaar) van jaargangen geboren in 1897, 1907, 1917, 1927 en 1937 onder zowel het life cycle model als onder de (60/40) portefeuille? Voor een goede beoordeling van de voorgestelde pensioenstelselwijziging is deze informatie van essentieel belang, niet in het minst om een indruk te krijgen van geluk- en pechgeneraties.

Ik beschik niet over deze gegevens. Dat is ook niet nodig, omdat uitgebreide berekeningen zijn gemaakt over de uitkomsten van het nieuwe pensioenstelsel, in vergelijking met het huidige pensioenstelsel. Deze berekeningen zijn gemaakt door verschillende onafhankelijke instellingen, zoals CPB, Ortec, DNB en Netspar.

3.

In antwoord op vraag 70b stelt u dat verdere berekeningen over de effecten van inflatie geen meerwaarde opleveren, omdat de meest recente inflatievarianten zijn opgenomen.

a.

Invoering van een fundamentele verandering van het pensioenstelsel vereist kennis hoe het stelsel opereert onder verschillende inflatiewerelden. Dat voorkomt toekomstige verrassingen. Kunt u toelichten waarom volgens u desondanks een inflatiescenario geen meerwaarde heeft?

Zoals reeds aangegeven heeft DNB op basis van de nieuwe scenariosets van de Commissie Parameters nieuwe berekeningen gemaakt over de impact van de transitie.39 De scenariosets bevatten scenario’s met diverse economische omstandigheden, ook voor de inflatie. Daarnaast zijn voor drie pensioenfondsen de pensioenverwachtingen voor en na transitie naar het nieuwe pensioenstelsel voor diverse dekkingsgraden uitgerekend.40 Ook hierbij is gebruik gemaakt van de nieuwe scenarioset waarin diverse scenario’s voor inflatie zijn meegenomen. Deze berekeningen geven een indicatie van hoe het nieuwe pensioenstelsel onder diverse economische omstandigheden kan uitpakken in vergelijking tot de huidige pensioencontracten. Verdere berekeningen op dit vlak zullen daarmee geen meerwaarde kennen.

b.

Een vergelijking tussen de inflatieprognose van de Commissie Parameters volgens de P-scenarioset DNB van 2023Q1 geeft in combinatie met de feitelijke inflatiecijfers over de laatste 100 jaar het volgende overzicht (figuur 2). Het startjaar van de feitelijke inflatie is 1923.

Figuur 1: Inflatie.

Figuur 1: Inflatie.

c.

Uit deze vergelijking lijkt dat de inflatie referentieperiode van de Commissie Parameters is gebaseerd op de recente 40 jaren van relatief lage inflatie en lage volatiliteit. Het 95% percentiel levert gemiddeld 5,3% inflatie op. In de scenarioset komt 0,4% van het aantal jaren boven deze grens, terwijl voor de feitelijke cijfers in de laatste 100 jaren dit 23% is. Het gemiddelde (meetkundig) feitelijke inflatiecijfer over deze 100 jaar is 3% en de volatiliteit 3,7%, terwijl de Commissie Parameters uitgaat van 2%, resp. 1,8%. De inflatie van 2022 zou een wake up call moeten zijn dat inflatie in de afgelopen decennia niet de maat kan zijn voor een stochastisch inflatieproces dat zich uitstrekt over de komende 100 jaar. De Commissie heeft door zijn aanpak van smalle marges over de inflatie bereikt dat u een hoog inflatiescenario niet nodig vindt om de impact op de WTP te beoordelen. Is dit verantwoord? Als u naar de historische feiten en naar 2022 kijkt is dit struisvogelpolitiek. Blijft u met deze kennis persisteren in de opvatting dat een inflatiescenario geen meerwaarde heeft? Kunt u zich voorstellen dat de deelnemers met uw opvatting weinig vertrouwen krijgen in de robuustheid van het nieuwe stelsel?

In de grafiek die opgenomen is bij de vraag, is te zien dat de historische inflatie de afgelopen 100 jaar fluctueert rond de door de Commissie Parameters 2022 verwachte inflatie. Tevens is te zien dat een groot aantal historische inflatiepercentages binnen de 5%- en 95%-percentielen valt. Het weergeven van deze percentielen betekent niet dat de scenarioset van de Commissie geen uitschieters bevat. Zo komt in de P-scenarioset die gehanteerd is in de berekeningen van december 2022 een scenario voor waarin de (Nederlandse) inflatie gelijk is aan 18,7%. Om zicht te krijgen op de uitkomsten bij verschillende economische en financiële omstandigheden, wordt gebruik gemaakt van een scenarioset met 10.000 scenario’s, zodat er in de scenarioset waarmee wordt gerekend verschillende scenario’s voor de verwachting van de inflatie opgenomen zijn.

De Commissie Parameters 2022 adviseert om het model dat ten grondslag ligt aan de scenariosets te schatten op zowel historische data als actuele marktprijzen voor de Europese inflatie. Aangezien marktprijzen informatie over toekomstige verwachtingen bevatten, waar de scenariosets ook betrekking op hebben, is het model beter geschikt om veranderde omstandigheden mee te nemen. De Commissie adviseert bovendien om naast de Europese inflatie ook de Nederlandse inflatie toe te voegen aan het model. Hierdoor kunnen bij de herijking van de scenariosets de meest recente ramingen voor de Nederlandse inflatie van het Centraal Planbureau meegenomen worden. De Nederlandsche Bank herijkt tenminste ieder kwartaal de scenariosets, zodat tenminste ieder kwartaal de meest recente inschattingen van toekomstige inflatie meegenomen kunnen worden. De scenariosets en daarmee de inflatiescenario’s zijn op die manier telkens zoveel mogelijk consistent met veranderende marktomstandigheden en de nieuwste realisatiecijfers.

De Commissie Parameters bestaat uit experts die onafhankelijk tot een advies komen, waarbij zij gebruikmaken van de relevante wetenschappelijke inzichten. De Commissie sluit aan bij de inflatiedoelstelling van 2% van de ECB. De Commissie wijst daarbij erop dat de ECB streeft naar prijsstabiliteit in de vorm van een inflatie van 2% voor eurolanden en naar mening van de Commissie binnen haar mandaat beschikt over verschillende instrumenten om een langdurige afwijking van de inflatiedoelstelling te bestrijden. Dat is een wezenlijk andere situatie dan de afgelopen 100 jaar het geval was, waardoor het sterk de vraag is of de oudere data van voordat de ECB werd opgericht representatief is voor de toekomst.

d.

Kunt u inzicht geven wat de invloed van 2%-punt meer inflatie is op de reserves binnen WTP die dienen als buffer voor de inflatie?

Het Cardano-rapport «Inflatierisico en de solidariteitsreserve» laat zien dat de invloed van een structureel hogere inflatie van 2%-punt mede afhankelijk is van de ontwikkeling van de reële rente. De solidariteitsreserve kan beter een structurele hogere inflatie aan bij een hoge rente en daarmee een gelijkblijvende reële rente dan bij een lagere reële rente. Daarnaast is de toereikendheid van de reserves bij een structureel hogere inflatie afhankelijk van de vulregels van de reserve, de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve. Als de reserve wordt gevuld uit zowel premies als overrendement zal hij eerder toereikend zijn dan als deze slechts wordt gevuld uit één van deze bronnen.

4.

Uw antwoord op vraag 91 tot en met 93 stelt teleur. U constateert dat grotere diversificatie tot lagere risico’s kan leiden en dat in de WTP geen belemmeringen worden opgeworpen omdat nog steeds sprake is van een collectief beleggingsbeleid waarbinnen dezelfde mogelijkheden tot diversificatie van beleggingen aanwezig blijven als nu het geval is.

a.

U stelt dat de aanname onjuist is dat bij een persoonlijk pensioen minder risico’s gespreid kunnen worden over deelnemers. Kunt u dit toelichten?

De aanname dat bij een persoonlijk pensioen minder risico’s gespreid kunnen worden over deelnemers lijkt mij onjuist, omdat er nog steeds sprake is van een collectief beleggingsbeleid waarbinnen dezelfde mogelijkheden tot diversificatie van beleggingen aanwezig blijven als nu het geval is.

b.

Het feit dat er collectief belegd gaat worden wil niet zeggen dat het collectieve beleggingsbeleid ongewijzigd kan worden voortgezet. Het collectieve beleggingsbeleid onder WTP zal een afspiegeling moeten worden van de individuele risicopreferenties per leeftijdscohort waarbij ex ante risico uitruil tussen cohorten in WTP ongewenst is. Een pensioenfonds zal bij de samenstelling en omvang van de collectieve portefeuilles hiermee dus rekening moeten houden. Collectieve fondsen worden als het ware beleggingsfondsen waar de leeftijdscohorten op verschillende wijze in kunnen participeren. U geeft een verkeerde indruk van WTP. Wilt u dit hierbij corrigeren? Zo nee, kunt u dit motiveren.

Het voorliggende wetsvoorstel schrijft voor dat het collectieve beleggingsbeleid passend zou moeten zijn met de risicohouding van de verschillende leeftijdscohorten. Naast het beleggingsbeleid kent het nieuwe pensioenstelsel toedelingsregels waarbij beschermingsrendementen voor bijvoorbeeld renterisico leiden tot een vorm van risicodeling tussen leeftijdscohorten. Overigens zijn pensioenfondsen geen beleggingsfondsen. Zij keren immers uitkeringen uit en geen vermogen.

5.

U geeft geen concreet antwoord op vraag 119. Kunt u dit alsnog doen?

Zoals reeds aangegeven hangen de antwoorden op deze vragen grotendeels af van de decentrale keuzes die sociale partners en pensioenfondsen maken. Het is dus ook niet mogelijk om een eenduidig antwoord gegeven. Decentrale keuzes waaraan gedacht kan worden betreffen bijvoorbeeld de premiehoogte, het beleggingsbeleid (inclusief toedeelregels) en de wijze van invaren. In het kader van het wetsvoorstel toekomst pensioenen, en eerder in het kader van het pensioenakkoord en de hoofdlijnennotitie uitwerking pensioenakkoord, zijn door verschillende partijen berekeningen gemaakt, zoals door het Centraal Planbureau, De Nederlandsche Bank, Netspar, verschillende pensioenfondsen en verschillende pensioenadviseurs. Al deze berekeningen gezamenlijk bieden zicht op de werking van de nieuwe pensioencontracten ten opzichte van de uitkeringsovereenkomst, waarbij de hoofdlijn is dat de lagere buffereisen ervoor zorgen dat overrendementen eerder tot uiting komen in verhogingen van de pensioenuitkeringen. Bij al deze berekeningen geldt, zoals ook eerder benadrukt, dat de transitie-effecten van het invaren naar het nieuwe pensioenstelsel afhangen van een groot aantal factoren. Ook geldt dat de werkelijke uitkomsten afhankelijk zijn van daadwerkelijke economische ontwikkelingen, zoals ook in het huidige pensioenstelsel het geval is. De startuitkering, de volatiliteit van de uitkering en de kans op nominale kortingen is in enkele van deze studies ook bekeken.41 Met name als het gaat om de kans op een nominale korting, lijkt de vormgeving van de solidariteits- of risicodelingsreserve van belang te zijn. Uit recent onderzoek blijkt dat het mogelijk is om in het nieuwe pensioenstelsel met een relatief kleine buffer de kans op nominale kortingen ten opzichte van de uitkeringsovereenkomst te verlagen.42 Dit komt omdat er in de nieuwe contracten meer ruimte is voor maatwerk.

6.

Op vraag 124 komt u met een onbevredigend antwoord. Het moeten volgen van de ECB inflatiedoelstelling vloeit voort uit de keuze van de Commissie Parameters. Dat heeft consequenties voor invaren en herverdeling van individueel naar individueel vermogen. Kunt u deze vragen opnieuw beantwoorden?

De Commissie Parameters sluit voor de verwachte inflatie op de lange termijn aan bij de inflatiedoelstelling van de ECB. De ECB streeft naar prijsstabiliteit in de vorm van een inflatie van 2% voor eurolanden, en beschikt naar mening van de Commissie binnen haar mandaat over verschillende instrumenten om een langdurige afwijking van de inflatiedoelstelling te bestrijden. De Commissie wijst er daarbij op dat ook kennisinstituten als het CPB en DNB verwachten dat de huidige hoge inflatie tijdelijk zal zijn en voor de komende periode uitgaan van een teruglopende inflatie. Wel ziet de Commissie vanwege onder andere de oorlog in Oekraïne onzekerheden rondom de inflatie komende periode. Mede daarom heeft de Commissie de ingroeipaden verlengd van vier naar acht jaar overeenkomstig de nieuwe ramingstermijn van CPB. Op deze manier spelen actuele ramingen een grotere rol bij berekeningen van de parameters voor loon- en prijsinflatie voor de middellange termijn.

Overigens geldt dat dit een minimale inflatieverwachting is waar pensioenfondsen mee moeten rekenen. Het staat pensioenfondsen bij verschillende wettelijke toepassingen, waarbij de inflatieparameter nodig is, vrij om te rekenen met hogere inflatieverwachtingen. Het is echter niet toegestaan om bij doorrekeningen uit te gaan van een lagere inflatieverwachting. Daarmee hebben pensioenfondsen dus inderdaad ook een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het inschatten van inflatierisico. Het is dan ook niet zo dat het moeten volgen van de ECB-inflatiedoelstelling voor pensioenfondsen grote risico’s met zich kan meebrengen. Tenslotte wordt benadrukt dat de Commissie Parameters bestaat uit experts die onafhankelijk tot een advies komen, waarbij zij gebruikmaken van de relevante wetenschappelijke inzichten.

DNB is een onafhankelijk toezichthouder en houdt toezicht op zowel verzekeraars als pensioenfondsen. Ik hecht eraan om hierbij te vermelden dat de onafhankelijkheid van DNB als toezichthouder voor mij buiten kijf staat.

7.

Vraag 125 levert een onbevredigend antwoord op.

  • a. Kunt u aangeven hoe en waar de stochastische volatiliteitsfactor de uitkomsten van het model beïnvloeden? De onzekerheid van het verleden is niet maatgevend voort de toekomst. Wat is dan wel maatgevend voor de toekomst? Zijn er nieuwe onzekerheden gedefinieerd?

  • b. Kunt u aangeven waarop uw antwoord is gebaseerd dat de kans op verhoogde onzekerheid rondom inflatie nu beter kan worden gemodelleerd? In de P-scenario’s is de gemiddelde inflatie over al die jaren gemiddeld 2% met een zeer beperkte jaarlijkse volatiliteit. Waaruit blijkt die onzekerheid in de nieuwe modellering?

  • c. Welke (wetenschappelijke) argumenten heeft de Commissie om 100 jaar vooruit te kijken en geen historische terugblik van bijvoorbeeld eenzelfde periode van 100 jaar te nemen voor de bepaling van de parameters zoals gemiddelden, volatiliteit en covarianties?

Het rapport van de Commissie Parameters geeft op pagina 57–58 aan wat de effecten van het toevoegen van stochastische volatiliteit zijn. Met de toevoeging van stochastische volatiliteit is het mogelijk om financiële risico’s op de korte termijn te laten verschillen van financiële risico’s op de lange termijn. Daarnaast staat het toe om van symmetrische kansverdelingen af te wijken om beter aan te sluiten bij de empirische data. Bij iedere herkalibratie, tenminste ieder kwartaal uitgevoerd door DNB, van het model worden fluctuaties in de mate van onzekerheid op financiële markten meegenomen. Wanneer uit de ontwikkeling van de markt blijkt dat er meer onzekerheid is, wordt dat conform het advies van de Commissie Parameters door DNB verwerkt in de scenariosets.

De verhoogde onzekerheid rondom inflatie wordt beter gemodelleerd, doordat bij iedere herkalibratie, tenminste ieder kwartaal uitgevoerd door DNB, van het model rekening gehouden wordt met fluctuaties in de kansverdeling van toekomstige inflatie. Het model staat daarbij toe om een grotere spreiding in de kansverdeling bij hoge inflatie en een kleinere spreiding in de kansverdeling bij lage en negatieve inflatie te modelleren. Gemiddeld is de inflatie rond de 2%, maar er sprake van een waaier aan mogelijke waarden voor de inflatie in de scenariosets.

Voor elke looptijd zijn er scenario’s met waarden voor de inflatie van boven de 10%. De mogelijkheid van hoge inflatie zoals gedurende het afgelopen jaar wordt daarmee expliciet gemodelleerd in de P-scenario’s. De exacte kans op deze hoge inflaties hangt af van actuele (markt)gegevens via de CPB-ramingen en de marktprijzen op de kalibratiedatum.

De Commissie Parameters 2022 heeft voor het advies over de parameters gebruik gemaakt van zoveel mogelijk historische data. Zo zijn voor het vaststellen van de parameter voor beursgenoteerde aandelen historische rendementen vanaf het jaartal 1900 meegenomen.

8.

Vraag 128 a en 128b is ontwijkend beantwoord door te verwijzen naar de verantwoordelijkheid van pensioenfondsbesturen. Concrete vraag: welk effect heeft een rentemutatie van 1 en 2 procentpunt op het netto profijt voor enkele leeftijdsgroepen zoals DNB die heeft berekend in het DNB document Transitie effecten, december 2022.

DNB laat in het genoemde document op slides 25 tot en met 28 de resultaten van een gevoeligheidsanalyses zien, waarin de rentetermijnstructuur 1%-punt hoger of lager ligt. Bij een hogere rente nemen de kosten van de afschaffing van de doorsneesystematiek toe en is de uit te delen buffer op moment van invaren groter. Bij een lagere rente is dit omgekeerd het geval. De berekeningen tonen aan dat de exacte generatie-effecten voornamelijk afhangen van de decentrale keuzes die het pensioenfonds en sociale partners maken. Denk hierbij aan het gekozen invaardoel en het wel of niet gebruik maken van een compensatiedepot.

Het verschil in uitkomsten tussen een rentemutatie van 2%-punt en 1%-punt is hierbij naar verwachting grofweg vergelijkbaar met het verschil tussen een rentemutatie van 1%-punt en de basisvariant.

9.

Uw antwoord op vraag 129 gaat niet in op de vraag over de robuustheid van het nieuwe stelsel. De robuustheid van WTP is beperkt omdat sprake is van zeer beperkte buffervorming en intergenerationele risicodeling. De uiteindelijke pensioenuitkomsten kunnen daardoor zeer grote uitslagen geven, met name voor de jongere generaties. Ook eerdere CPB berekeningen lieten dit zien. WTP doet nauwelijks iets aan het mitigeren van deze grote risico’s, met name de inflatie en reële renterisico’s. Om deze risico’s in het vizier te krijgen is informatie nodig hoe het nieuwe stelsel onder verschillende economische en financiële omstandigheden opereert. Zo is voor de berekeningen van het nieuwe stelsel gebruik gemaakt van de scenarioset van DNB, die zijn afgeleid van de parameters van de Commissie Parameters. Slecht- en goedweer scenario’s bieden inzicht in het gedrag van het stelsel onder diverse omstandigheden. Rentes met looptijden tot en met 60 jaar worden over 100 jaar vooruit berekend. Op basis van de P-scenarioset van 2023Q1 is het rendement van een 20-jarige obligatie berekend. Deze looptijd komt ruwweg overeen met de gemiddelde looptijd van pensioenverplichtingen en ook van 55 tot 60-jarigen. Ditzelfde rendement is ook berekend uit de feitelijke rentecijfers over 100 jaar (sinds 1923, zie figuur 3; technische noot: het rendement is berekend door de rente van lang lopende staatsleningen te nemen, de meeste rond 10 jaar looptijd, en toepassing van een duration van 20 jaar). Opvallend is dat in de scenarioset de rente na het eerste jaar alweer fors daalt. Dat verklaart de bewegingen van het rendement in het begin van de periode.

Figuur 2: obligatierendement (20 jaar looptijd).

Figuur 2: obligatierendement (20 jaar looptijd).

a.

De Commissie cijfers wijken fors af van de historische cijfers, ook met het 5 en 95 procent percentiel. Dit is een gevolg van keuzes van de parameters van de Commissie waardoor rentemutaties op langere termijn zeer beperkt zijn en daardoor een gering effect hebben op het obligatierendement. Deze parameters geven daardoor nogal een eenzijdig beeld van de renterisico’s in de toekomst. Bent u het hiermee eens, zo niet wat is dan uw inhoudelijke argumentatie?

Ik ben het niet eens dat de parameters een eenzijdig beeld van de renterisico’s in de toekomst geven.

De onzekerheid in het verleden hoeft niet maatgevend te zijn voor de toekomst. Het monetaire beleid in eerdere jaren is bijvoorbeeld niet vergelijkbaar met het huidige monetaire beleid, waardoor de oudere data niet meer representatief is voor de toekomst. Renterisico (dat wil zeggen de volatiliteit van rente) wordt in de scenarioset deels gebaseerd op geobserveerde marktprijzen. Deze marktprijzen weerspiegelen marktverwachtingen van de volatiliteit van rente in de toekomst, die niet per definitie gelijk is aan de gerealiseerde volatiliteit van rente in het verleden.

Daarnaast heb ik een technische opmerking bij de getoonde berekening. Voor het berekenen van het rendement op obligaties moet rekening gehouden worden met de ontwikkeling van de rente gedurende een jaar. Om tot percentielen van deze rendementen te komen dienen de obligatierendementen hiervoor eerst per scenario te worden berekend. Vervolgens wordt de verdeling van deze rendementen berekend.

Voor de P-scenarioset van 2023Q1 geldt dat, met uitzondering van de eerste jaren, het 5de en 95ste percentiel van de 20-jaars obligatierendementen op respectievelijk ongeveer -20% en +30% liggen. Binnen de scenario’s treden dus renteschokken op die een stuk groter zijn dan wat in de groene en rode lijnen in de figuur is getoond.

b.

Met de uitkomsten van de DNB scenarioset zijn de effecten van het nieuwe stelsel door DNB vergeleken met het oude stelsel. Bent u het eens dat dit soort selectieve uitkomsten geen goed beeld geeft van de gevolgen van het nieuwe pensioenstelsel? Zo nee, kunt u dit motiveren?

Door een vergelijking te maken tussen de nieuwe contracten en de huidige ftk-contracten wordt een goed beeld gegeven van de verwachte uitkomsten in beide pensioenstelsels en is het ook mogelijk om de uitkomsten te beoordelen. Ik kan mij niet vinden in de stelling dat hierbij sprake zou zijn van selectieve uitkomsten. In de verschillende berekeningen van DNB zijn diverse varianten doorgerekend, waaronder de impact van het aanhouden van een compensatiedepot, een renteschok van -1%-punt en +1%-punt en een lagere en hogere invaardekkingsgraad. Daarnaast zijn de uitkomsten van het 5e percentiel gegeven (en bij de pensioenfondsen ook 95e percentiel), zodat ook inzichtelijk is wat er gebeurt in een slechtweerscenario (en goedweerscenario). Ook enkele pensioenfondsen hebben tegelijkertijd met DNB in december 2022 diverse berekeningen uitgevoerd met verschillende aannames. Dit geeft een beeld in uiteenlopende situaties van wat de uitkomsten zouden kunnen zijn in het nieuwe pensioencontract ten opzichte van de uitkomsten in het huidige contract.

c.

U eerdere antwoord dat de risico’s specifieker over de cohorten verdeeld kan worden, verdoezelt het feit dat de overgang naar WTP betekent grotere individuele risico’s en dus achteruitgang van welvaart. Vermengt u hier niet de absolute risico’s met de relatieve risico’s? Graag uw argumenten.

Nee, risico’s kunnen in het nieuwe pensioenstelsel juist beter worden toebedeeld aan individuen, omdat die moeten passen bij de risico’s die een deelnemer kan en wil lopen op basis van diens vastgestelde risicohouding. Omdat de toebedeelde risico’s beter passen bij de vastgestelde risicohouding van een individu wordt welvaartswinst behaald.

d.

Het beschermingsrendement laat fors negatieve en positieve rendementen zien als het stelsel in 1923 zou zijn ingevoerd. Met renteafdekking zal daardoor in sommige jaren een groot voordeel uit de renteswaps worden gerealiseerd en in andere jaren een groot verlies. In extreem negatieve jaren kan het verlies oplopen tot 30% of meer. Worden de kasmiddelen nodig ter compensatie voor de verliezen op de renteswaps, uit de persoonlijke pensioenpot gehaald? Zo ja, dan zullen andere vermogenstitels moeten worden verkocht en dat gaat ten koste van het toekomstige rendement. Kunt u exact aangeven hoe DNB dit soort effecten in de berekeningen over het nieuwe pensioenstelsel heeft meegenomen? Zo niet kunt u dit motiveren?

DNB neemt het effect van rentesprongen op zowel de waarde van obligaties, het projectierendement als het beschermingsrendement mee in haar berekeningen. Het effect op de waarde van obligaties is vergelijkbaar met het effect op de waarde van renteswaps.

Renteafdekking zorgt ervoor dat kapitaalgedekte pensioenen minder gevoelig worden voor renteschokken. Wanneer een neerwaartse renteschok plaatsvindt, zal – bij een gelijk persoonlijk pensioenvermogen – de pensioenuitkering lager uitvallen (en vice versa). Door het afdekken van renterisico wordt dit effect kleiner of tenietgedaan, omdat het rendement op de renteafdekking een tegengesteld effect heeft op het persoonlijk vermogen. Een neerwaartse renteschok leidt immers tot een positief rendement op de renteafdekking (en vice versa).

e.

Hebt u niet de indruk dat deze grote vermogensmutatie op de individuele pensioenpotten kan leiden tot grote onrust bij de deelnemers. Zo nee, kunt u dit motiveren?

Nee, die indruk heb ik niet. Een en ander leidt niet direct tot grote vermogensmutaties. Risico’s kunnen onder het wetsvoorstel toekomst pensioenen juist beter worden toebedeeld aan de verschillende deelnemersgroepen. Het is daarbij het doel van het voorliggende wetsvoorstel om de slepende discussie tussen jongere en oudere generaties achter ons te laten en naar een transparant pensioenstelsel te gaan.

f.

Wat is uw oordeel als u de historische rendementscijfers van obligaties vergelijkt met de cijfers van de Commissie? Deskundigen zouden met dit voortschrijdend inzicht u beslist adviseren om afstand te nemen van het beschermingsrendement. Wat is uw opvatting en kunt u dat motiveren?

De Commissie Parameters 2022 adviseert om het verwachte rendement op obligaties te bepalen op basis van de door DNB gepubliceerde actuele rentetermijnstructuur. Dit is in lijn met het advies van de vorige commissie in 2019. De Commissie parameters 2022 geeft daarbij aan dat de verwachte ontwikkeling van toekomstige rentes afgeleid kan worden uit de huidige door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur. Dat is eveneens conform het advies uit 2019. Hiermee bevestigt de laatste commissie dat historische rentes geen indicatie geven over rentes die in de toekomst verwacht mogen worden. Bij het beschermingsrendement tegen renterisico geldt dat een bepaalde mate van bescherming tegen een daling van de actuele rente kan worden geboden. Ook hier zijn historische gegevens dus niet relevant.

10.

Uit het antwoord op vragen 130 en 131 kan worden opgemaakt dat u onverschillig staat tegenover de grote rentederivaatverliezen. Een opvatting dat links en rechts van de balans grote bedragen tegen elkaar weg te strepen zijn, ontkent het grote risico op langdurige rentestijging.

  • a. Blijft u bij deze opvatting of ziet u bij nader inzien in dat vanuit risicobeheer de achterliggende bewegingen van beide kanten van de balans ook separaat moeten worden beoordeeld? Wat is uw beargumenteerd oordeel?

Uw conclusie dat ik onverschillig zou staan tegenover verliezen op rentederivaten is onjuist en volgt niet uit mijn eerdere antwoorden in de memorie van antwoord. Wel heb ik daarin uitgelegd dat alleen een beoordeling van de activazijde van de balans van pensioenfondsen een te beperkt beeld geeft van hun financiële positie. Daar sta ik nog steeds volledig achter. Daarbij is van het wegstrepen van bedragen geen sprake. Het gaat om de vraag in hoeverre het pensioenvermogen aan de activazijde toereikend is om de pensioenverplichtingen aan de passivazijde na te kunnen komen.

b.

Onder de renteomstandigheden van de jaren tachtig van de vorige eeuw zou het kapitaaldekkingsstelsel onder FTK imploderen. Kunt u zich dat voorstellen? Zo nee, kunt u dat motiveren?

Een hoge marktrente, waarvan sprake was in de jaren ’80, is juist gunstig voor een kapitaaldekkingsstelsel, omdat de kostprijs van kapitaalgedekt pensioen dan laag is. In die periode was dan ook geen sprake van discussies over de financierbaarheid van de tweede pijler van ons pensioenstelsel.

c.

WTP kent ook een grote nominale rentegevoeligheid en de resultaten daarvan komen direct tot uitdrukking in de individuele pensioenpotten. Dit kan betekenen dat in tijden van grote rentevolatiliteit de individuele pensioenvermogenspotten zeer grote fluctuaties laten zien. Dit kan grote onrust bij de actieve deelnemers tot gevolg hebben en opnieuw een discussie oproepen over de toekomstvastheid van het pensioenstelsel. Wat is uw mening hierover?

Inherent aan een kapitaaldekkingsstelsel is dat deze gevoelig is voor renterisico. Dit geldt voor het huidige en voor het nieuwe pensioenstelsel. Het nieuwe pensioenstelsel is echter beter in staat het renterisico te mitigeren.

d.

Pensioenbestuurders volgen de regels van de wet en nadere regelgeving. U kunt deze verantwoordelijkheid niet doorschuiven op het bord van deze bestuurders. Die volgen slechts de regels. De wetgever en toezichthouder stellen de (strikte) regels op, pensioenfondsbesturen hebben weinig ruimte meer naar eigen inzichten het beleggingsbeleid te volgen. Levert dit geen systeemrisico op voor deze sector en politiek risico voor politici? Wat is uw mening?

De stelling dat pensioenfondsbesturen te weinig ruimte zouden hebben om naar eigen inzicht het beleggingsbeleid vorm te geven wordt niet herkend.

e.

Bij forse rentestijging zal liquiditeit beschikbaar moeten zijn voor de compensatie van de verliezen van de rentederivaten. De individuele pensioenpotten zullen daarop aangesproken worden. Of pensioenfondsen zullen collectief veel liquiditeit beschikbaar moeten houden die niet kunnen worden aangewend voor renderende beleggingen. Links- of rechtsom worden de rendementen getroffen. Wat is uw oordeel en hoe beoordeelt u deze risico’s?

Renteswaps kennen bepaalde risico’s, zoals liquiditeitsrisico, maar zijn tegelijkertijd belangrijke instrumenten om renterisico’s te beheersen. Renterisico’s zijn onvermijdelijk verbonden aan een kapitaalgedekt pensioenstelsel. Pensioenfondsen kunnen het liquiditeitsrisico bij renteafdekking goed beheersen, omdat zij over het algemeen over voldoende liquide middelen beschikken. Bovendien hoeft in het nieuwe pensioenstelsel het renterisico met lange looptijden minder te worden afgedekt dan in het huidige pensioenstelsel. Het liquiditeitsrisico neemt dus af.

Het alleen beoordelen van de activazijde van pensioenfondsbalansen geeft bovendien een te beperkte weergave van de risico’s van renteswaps. Ten eerste zijn door de gestegen rente ook de pensioenverplichtingen gedaald, waardoor veel dekkingsgraden per saldo zijn gestegen. In het nieuwe pensioenstelsel is geen sprake meer van dekkingsgraden, maar ook dan geldt dat een rentestijging gunstig is voor de verwachte en ingegane pensioenen. Pensioenfondsen met relatief veel renteafdekking hebben daarvan in de periode 2008–2020 vooral geprofiteerd.

11.

Is het niet zeer noodzakelijk dat worst case scenario’s van tevoren doorgerekend moeten worden waardoor de consequenties ervan kunnen worden overzien? U kunt niet verwijzen dat dit een verantwoordelijk is voor pensioenfondsbesturen. Uit de hier getoonde grafieken 2 en 3 is duidelijk dat de worst case scenario’s niet zijn meegenomen in de DNB berekeningen in december 2022 waardoor een goed oordeel niet kan worden gevormd over de WTP. Bij deze fundamentele stelselwijziging is de Minister verantwoordelijk dat alle noodzakelijke informatie beschikbaar komt; juist worst case situaties zijn van groot belang omdat die het meeste pijn kunnen doen en politiek als een boemerang kunnen terugslaan. Graag uw argumenten.

De berekeningen van DNB en van enkele pensioenfondsen in december 2022 bevatten wel degelijk worst case scenario’s. Bij de berekeningen is een scenarioset (zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022) met 10.000 scenario’s gehanteerd. De scenario’s bevatten diverse economische omstandigheden, waaronder ook worst case omstandigheden. Dit wordt zichtbaar in de uitkomsten van het slechtweerscenario (5% percentiel). Voor wat betreft de pensioenverwachtingen in het nieuwe pensioenstelsel dienen pensioenfondsen naast een mediaan scenario ook een goedweer- en slechtsweerscenario in beeld te brengen (95%- en 5%-percentiel). Uiteraard is het mogelijk om op basis van de scenarioset ook nog specifieke andere scenario’s te laten zien, zoals bijvoorbeeld de uitkomsten in het 1%-percentiel.

Tevens dient opgemerkt te worden dat in het transitieplan door sociale partners en werkgevers ingegaan moet worden op de vormgeving van een evenwichtige transitie. Dan moet ook rekening gehouden worden met de verwachtingen rond de economische en financiële omstandigheden en zullen pensioenfondsen voorbereid moeten zijn op verschillende economische en financiële omstandigheden in het kader van complete besluitvorming.

12.

In de economische scenarioset (de Q-set) loopt de rente in het gemiddelde pad naar 5% over de lange termijn in het gemiddelde scenario. Zie bijvoorbeeld de nieuwsbrief van Sprenkels voor de grafieken in de volgende link. Deze Q-sets zijn belangrijk voor verschillende berekeningen bij het invaren omtrent evenwichtigheid en zijn leidend in het geval invaren plaatsvindt met de Value Based ALM methode. Waarom loopt de rente zo hoog op in de Q-sets? En was is de impact hiervan op de verschillende voorgeschreven berekeningen voor de diverse leeftijdscohorten voor verschillende deelnemersgroepen zoals actieven, slapers en gepensioneerden?

Het doel van de Q-scenario’s is om te komen tot een marktconsistente waardering van toekomstige kasstromen. Bij deze waardering wordt rekening gehouden met het feit dat mensen risico-avers zijn en daarom bereid zijn meer te betalen voor een zekere uitbetaling. De scenario’s in een Q-set zijn zodoende gebaseerd op risico-neutrale kansen. Hierdoor hebben Q-scenario’s geen directe economische interpretatie buiten de waarderingsvraagstukken waar ze voor gebruikt worden.

13.

De regering geeft met betrekking tot afschaffing doorsneesystematiek (antwoord 188) aan dat er geen onevenredig nadeel kan zijn binnen een leeftijdscohort. Maar dit kan volgens experts uit de praktijk wel degelijk. Als een deelnemer in een fonds geen bestaande opbouw heeft dan profiteert zij niet van de extra veronderstelde te behalen rendementen op reeds bestaand vermogen. Dus ze profiteert niet van het invaren en zal geen compensatie kennen voor de afschaffing doorsneesystematiek. Zo iemand is binnen haar leeftijdscohort een «pechsituatie»

Bij 13 is geen vraag geconstateerd en zodoende geen antwoord geformuleerd.

14.

De regering geeft aan (antwoord 200) dat het klopt dat het kan zijn dat een 25 jarige na zijn premie-inleg van 5.000 euro met lege handen kan komen te staan. Wat denkt de regering dat dit doet met het vertrouwen van deelnemers? En met de houdbaarheid van de verplichtstelling als het draagvlak op deze manier ondermijnt wordt?

Zoals reeds in het antwoord op deze vraag in de memorie van antwoord is aangegeven, zal door onder andere diversificatie in het beleggingsbeleid en het toezicht van DNB op het beleggingsbeleid dit in de praktijk niet vaak voorkomen. Mede met het oog op het vertrouwen en draagvlak voor de pensioenregeling zullen pensioenfondsbesturen het contract zo inrichten dat het risico hierop zo klein mogelijk is.

15.

De regering geeft geen antwoord op de vraag hoeveel vragen over bijvoorbeeld invaren een uitvoeringsorganisatie tegelijk aankan op enig moment (antwoord 202). En over hoeveel deelnemers dat gaat. Kan de regering hier alsnog een concreet antwoord op formuleren en hierover in gesprek gaan met alle uitvoeringsorganisaties afzonderlijk.

De vraag hoeveel vragen een uitvoeringsorganisatie tegelijk aankan, is niet concreet te beantwoorden. Dat hangt onder meer af van de capaciteit van de uitvoeringsorganisatie, de wijze waarop op voorhand wordt gecommuniceerd over de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en de manier waarop andere communicatiemiddelen worden ingezet. Om de voorbereiding op het communiceren over de transitie expliciet te maken, is in het wetsvoorstel opgenomen dat pensioenuitvoerders een communicatieplan dienen op te stellen waarbij zij aangeven hoe zij deelnemers en andere belanghebbenden informeren gedurende de transitieperiode. Ik ben in continu overleg met vertegenwoordigers van pensioenuitvoeringsorganisaties, zoals de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Daarnaast hou ik in het kader van monitoring en signalering proactief een vinger aan de pols als het gaat om de uitvoering van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel.

16.

De regering geeft dus aan (antwoord 204) dat veel gepensioneerden die invaren in een flexibele premieregeling wel shoprecht moeten krijgen wettelijk, maar hier vervolgens geen gebruik van kunnen maken. Wat denkt de regering dat dit doet met het vertrouwen van deelnemers? En met de houdbaarheid van de verplichtstelling als het draagvlak op deze manier ondermijnt wordt?

De vraag gaat ervan uit dat veel gepensioneerden wel het recht hebben, maar hier feitelijk geen gebruik van zouden kunnen maken. Deze stelling volgt niet uit het antwoord op de genoemde vraag in de memorie van antwoord. In de memorie van antwoord is aangegeven dat de mogelijkheid van het kunnen invullen van het shoprecht primair afhangt van het resterend pensioenkapitaal van een deelnemer. Bij zeer lage pensioenkapitalen is die markt beperkt beschikbaar. Dat is niet anders dan zoals dat nu is voor net gepensioneerden die een keuze kunnen maken tussen een variabele en vaste pensioenuitkering. Met een beperkt pensioenkapitaal is het niet altijd mogelijk om gebruik te maken van het shoprecht indien daar sprake van is. Daarbij dient opgemerkt te worden dat er op hoge leeftijden een marginaal, of in gevallen geen, verschil is tussen een vaste en variabele uitkering. Naar mijn verwachting zullen er in de praktijk voldoende mogelijkheden voor gepensioneerden zijn om een keuze te kunnen maken voor een vaste of variabele uitkering.

17.

Er is wel degelijk een groot verschil tussen variabele en vaste uitkeringen op hoge leeftijden. Immers bij variabele uitkeringen blijven pensioenfondsen doorbeleggen, bij vaste uitkeringen is dit niet zo (antwoord 203). Veel pensioenfondsen zijn van plan een collectieve uitkeringsfase te bieden waarbij de uitkeringen van jong en oud gepensioneerden op dezelfde manier fluctueren. Ofwel echt iets anders dan een vaste uitkering op oudere leeftijd. Kan de regering hierop reflecteren.

Het eerder gegeven antwoord ging in op de situatie bij een verzekeraar, aangezien expliciet gevraagd werd naar het aanbod van vaste uitkeringen door verzekeraars. Bij verzekeraars is geen sprake van een collectieve uitkeringsfase. De gestelde vergelijking gaat daarom niet op.

18.

De regering geeft aan dat naar hun verwachting er in de praktijk voldoende mogelijkheden voor gepensioneerden zijn om een keuze te kunnen maken tussen vaste en variabele uitkeringen (antwoord 204). Zij verwijst meermaals naar een rapport van WTW uit 2017, maar dit rapport ging alleen over aanbod rond pensioenleeftijd. Kan de regering dan aangeven welke verzekeraars bijvoorbeeld een vaste uitkering aanbieden voor een 85 jarige gepensioneerde?

Op dit moment is het voor reeds gepensioneerden niet mogelijk een uitkering na pensionering te heroverwegen. Er is nu dus geen sprake van een bestaande verzekeringsmarkt. Deze markt zal dus nog moeten ontstaan. Op voorhand is dan ook niet aan te geven welke verzekeraars een vaste uitkering zullen aanbieden.

19.

Kan de regering in euro’s aangeven om hoeveel kosten het gaat (advieskosten en eerste kosten) om een uitkering bij een verzekeraar aan te kopen (antwoord 206). Graag op basis van werkelijke praktijkvoorbeelden.

Op het moment dat een deelnemer een keuze moet maken voor een vaste of variabele uitkering wordt hij door de pensioenuitvoerder geïnformeerd over de kosten, bijvoorbeeld de door de pensioenuitvoerder gemaakte kosten voor de administratie, de uitbetaling van pensioenen en het beheer van de beleggingen. Indien de deelnemer hulp nodig heeft bij het maken van een keuze kan hij contact opnemen met de pensioenuitvoerder of met een financieel adviseur. De financieel adviseur brengt hiervoor kosten in rekening, deze kan de deelnemer vooraf opvragen. De kosten die een deelnemer moet maken, zijn dus van meerdere zaken afhankelijk en op voorhand niet aan te geven. Een deelnemer kan op basis van de offertes, zowel die van de pensioenuitvoerder met het aanbod als die van de pensioenadviseur, beoordelen of de kosten in verhouding zijn tot het resterende pensioenkapitaal. Werkelijke praktijkvoorbeelden zijn niet te geven zonder een offerte op te vragen. Dergelijke informatie verschilt namelijk per deelnemer en per pensioenverzekeraar.

20.

De regering geeft aan (antwoord 208) dat ze geen signalen heeft vanuit de pensioensector dat de keuzebegeleiding voor vaste of variabele uitkeringen tot problemen zal leiden. Echter, mevrouw A. Joseph van Achmea Pensioenservices heeft aangegeven dat dit een probleem is tijdens de deskundigenbijeenkomst op 21 februari jl. Er zijn dus wel degelijk signalen en mogelijke knelpunten. Is de Minister ook met alle uitvoeringsorganisaties afzonderlijk in gesprek geweest?

Ik ben niet met alle uitvoeringsorganisaties afzonderlijk in gesprek, maar ben wel in continu overleg met vertegenwoordigers van pensioenuitvoeringsorganisaties, zoals de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Specifiek voor de keuzebegeleidingsnorm geldt dat ook de Autoriteit Financiële Markten hierbij betrokken is. Met betrekking tot de keuzebegeleiding heeft de regering in de eerdere beantwoording opgemerkt dat de pensioensector al langere tijd bezig is met steeds betere informatievoorziening aan en guidance van deelnemers. Met andere woorden, de pensioensector start niet vanaf nul. Tegelijkertijd geldt dat de specifieke invulling en uitvoering van deze norm nog vorm moet krijgen richting de toekomst, ook als het gaat om de keuzebegeleiding tussen vaste of variabele uitkeringen, en de regering dit proces uitvoerig zal monitoren. Overigens merk ik hierbij op dat ook in het huidige pensioenstelsel al sprake kan zijn voor een keuze tussen deze twee typen uitkering, en de deelnemer daar ook bij ondersteund wordt.

21.

Vanuit de markt is naar voren gekomen dat pensioenuitvoerder APG wel degelijk signalen krijgt dat DNB problemen ziet. Kan de regering hierop reflecteren, ook in relatie tot antwoord op vraag 211?

Uit de sector komt het beeld naar voren dat pensioenuitvoeringsorganisaties de transitie van pensioenfondsen willen spreiden binnen de transitieperiode, om zo voldoende capaciteit vrij te kunnen maken en waarborgen in te bouwen. In beginsel is het aan pensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties om samen af te stemmen wanneer de transitie wordt gemaakt. DNB speelt daar geen rol bij, maar toetst uiteraard wel het invaarbesluit. Dat betekent echter niet dat er in de aanloop daarnaartoe geen enkel contact zal zijn tussen de toezichthouders en de pensioensector. De transitieperiode van 3,5 jaar wordt als voldoende beschouwd door sociale partners en de pensioenkoepels om de pensioenregeling tijdig te kunnen wijzigen. Niettemin zal de komende jaren het verloop van de transitie intensief worden gemonitord, waarover de Kamers ook periodiek geïnformeerd zullen worden.

22.

De regering geeft aan dat gesloten pensioenfondsen zonder achterliggende werkgever danwel rechtsopvolger bestaan en dat zij niet kunnen invaren (antwoord 214). Kan de regering dit bevestigen. Vervolgens geeft de regering aan dat het FTK vastloopt in antwoord op vraag 2015/2016 en dat zij geen aanleiding ziet om het FTK aan te passen. Terwijl er pensioenfondsdeelnemers zullen zijn die gedwongen omdat de wetgeving dat niet mogelijk maakt in het FTK achterblijven. Hoe valt dit met elkaar te rijmen. Graag een reflectie en wat u de deelnemers van pensioenfondsen die niet kunnen invaren gaat aanbieden en tegen hen wil zeggen.

De conclusie van vragensteller klopt voor zover er inderdaad geen werkgever of rechtsopvolger is en de bevoegdheid tot het wijzigen van de pensioenovereenkomst niet is overgedragen aan het pensioenfonds. In dat geval kan de pensioenovereenkomst niet worden gewijzigd en kan er dus niet worden ingevaren. Bij het overgrote deel van de gesloten pensioenfondsen bestaat de werkgever echter nog wel of is er een rechtsopvolger die juridisch valt aan te merken als partij bij de pensioenovereenkomst. Zodat er ingevaren zou kunnen worden. Of er ingevaren zal worden, is afhankelijk van de omstandigheden bij het specifieke pensioenfonds en de keuzes die partijen maken.

Als er niet wordt ingevaren, blijven de bestaande pensioenaanspraken en -rechten behouden onder de regels voor uitkeringsovereenkomsten zoals vastgelegd in het huidige ftk. Het pensioenfonds beoordeelt of gegeven deze situatie de pensioenregeling toekomstbestendig kan blijven worden uitgevoerd. Zo niet, dan kan een pensioenfonds zelfstandig besluiten, of verplicht worden door de toezichthouder, te liquideren en de pensioenaanspraken en -rechten overdragen naar een andere pensioenuitvoerder. Er zijn dus diverse mogelijkheden voor gesloten pensioenfondsen. Welke optie partijen kiezen, is van vele fondsspecifieke factoren afhankelijk.

De regering is niet van mening dat naast invoering van het wetsvoorstel toekomst pensioenen het financieel toetsingskader ook aangepast moet worden voor uitkeringsovereenkomsten. De evaluatie van het huidige financieel toetsingskader alsook de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling geven geen aanleiding om de uitvoering van vaste uitkeringen door pensioenfondsen aan te passen.

23.

Als een ppi en een pensioenfonds dezelfde regeling bieden en beiden geen biometrische risico’s dekken dan stelt de regering dat pensioenfondsen wel dood geld in de vorm van een minimaal vereist eigen vermogen moeten aanhouden en ppi’s niet (antwoord 217). Mijn vraag was of de regering het belang van dit minimaal vereist eigen vermogen bij een pensioenfonds voor de deelnemer kan onderbouwen. Hier heeft de regering nog niet op geantwoord.

Het minimaal vereist eigen vermogen, wat volgt uit de IORP II-richtlijn, is bedoeld voor solvabiliteit(bescherming) en vormt daarmee de ondergrens van het eigen vermogen. Het minimaal vereist eigen vermogen biedt daarmee deelnemers meer bescherming dat de pensioenuitvoerder ook op langere termijn aan de pensioenverplichtingen kan blijven voldoen. De buffer die volgt uit het minimaal vereist eigen vermogen mag niet gebruikt worden voor de financiering van bijvoorbeeld operationele kosten. Om te voorkomen dat buffers aangehouden worden die op geen enkel moment ten goede van de deelnemers kunnen komen, hanteert het wetsvoorstel alleen het einde van een kalenderjaar als meetmoment voor het minimaal vereist eigen vermogen. Dit betekent dat pensioenfondsen gedurende een kalenderjaar het minimaal vereist vermogen kunnen inzetten om bepaalde risico’s op te vangen.

24.

De indexaties in het huidige stelsel waren ook geen beloftes (antwoord 220), maar zo kwam het wel degelijk over op de deelnemers, ook gezien alle media aandacht hiervoor. Kan de regering hierop reflecteren. Is zij het met mij eens dat de nieuw gecommuniceerde pensioenbedragen ook verwachtingen zullen wekken bij deelnemers, en het teleurstellingen zal oproepen als die verwachtingen niet waargemaakt worden.

Het is juist dat ook het nieuwe pensioenstelsel gevoelig is voor ontwikkelingen op financiële markten. De hoogte van kapitaalgedekte pensioenen is immers afhankelijk van – onder meer – beleggingsresultaten en renteontwikkelingen. Echter bieden de nieuwe pensioencontracten betere mogelijkheden om hiermee om te gaan, door een meer gerichte toedeling van het beleggings- en het renterisico. Door in de informatie en communicatie gebruik te maken van onder meer de navigatiemetafoor, wordt kenbaar gemaakt dat uitkomsten kunnen fluctueren. Dat kan bijdragen aan het (betere) beeld van deelnemers over hun pensioen. Dat gebeurt ook door de nadruk in het pensioenstelsel te leggen op de ingelegde premie en niet op een gegarandeerde uitkering. Tegelijkertijd hebben deelnemers op diverse manieren toegang tot (actuele) informatie over hun pensioen, bijvoorbeeld via de mijnomgeving van de pensioenuitvoerder of op mijnpensioenoverzicht.nl. Al deze aspecten dragen bij aan een realistisch beeld over het pensioen. Samen met de hele sector zijn wij verantwoordelijk voor het eerlijke verhaal over het pensioenstelsel. Ik ben ervan overtuigd dat daarmee deelnemers een goed beeld kunnen krijgen van hun pensioen.

25.

Het antwoord op deze vraag (antwoord 222) betekent dus dat deelnemers lagere pensioenopbouw krijgen door de afschaffing doorsneesystematiek, maar hier niets extra’s voor krijgen, ofwel er is helemaal geen compensatie afschaffing doorsneesystematiek. Dit betekent ook dat deelnemers die nog geen pensioenopbouw hebben bij het fonds maar net zijn gaan deelnemen, gewoon een veel lager verwacht pensioen krijgen als zij zeg rond de 45 zijn. Kan de regering hierop reflecteren.

Het antwoord op vraag 222 uit de eerste vragenronde betekent dat het nadeel dat deelnemers zouden leiden door de afschaffing van de doorsneesystematiek worden verkleind, omdat er gelijktijdig wordt overgestapt op een contract waarvoor minder buffers nodig zijn. Dit wordt de «dubbele transitie» genoemd. Doordat huidige generaties onder een nieuw pensioencontract minder buffers hoeven op te bouwen, dragen zij minder vermogen over aan toekomstige generaties. Een «dubbele transitie» leidt tot een tegengestelde beweging in de verdeling tussen generaties. Uit berekeningen van het CPB en 13 verschillende pensioenfondsen blijkt dat er – gegeven de huidige omstandigheden – voor de huidige deelnemers in veel gevallen geen nadeel, maar een voordeel is. De negatieve effecten als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek worden veelal opgeheven door de (positieve) effecten van andere verdeelregels in het nieuwe pensioencontract. Hierbij speelt mee dat er in het nieuwe contract veelal lagere buffereisen gelden, waardoor overrendement eerder kan worden uitgekeerd. Ook speelt hierbij mee dat pensioenverhogingen in het nieuwe pensioenstelsel niet meer fiscaal zijn gemaximeerd.

Voor deelnemers die pas na de transitie gaan deelnemen aan het pensioenfonds, geldt dat zij geen nadeel ondervinden van de overstap op een degressieve opbouw. Zij hebben immers geen opbouw bij dit pensioenfonds op basis van het vorige systeem.

26.

Veel mensen kijken niet naar hun pensioen en veel mensen kiezen voor de default (antwoord 225). Bij een default van vrijwillige voortzetting nabestaandendekking gaat deze situatie zich dus wel degelijk voordoen en kan het zijn dat iemand met dubbele dekkingen van nabestaandenpensioen zit en geen ouderdomspensioen meer over houdt. Klopt dit? Graag een antwoord in de vorm van «ja» of «nee».

Nee, dit klopt niet. De gewezen deelnemer moet namelijk altijd een initiële keuze maken voor de vrijwillige voortzetting van de risicodekking uit de pensioenregeling.

27.

De regering geeft aan (antwoord 226) dat de vaststelling van de risicohouding gaat op basis van eigen ALM scenario’s van het pensioenfonds. Maar dit is niet zo: de risicohouding is gebaseerd op de scenariosets van DNB wettelijk verplicht. En als je door die risicohouding zakt dan moet je volgens de lagere regelgeving het beleggingsbeleid aanpassen. De scenariosets zijn dus wel degelijk bepalend voor het beleggingsbeleid. Kan de regering hier nogmaals op reflecteren.

Ik begrijp uw verwarring en het punt is subtiel. De toetsing van het beleggingsbeleid aan de risicohouding is gebaseerd op de scenariosets van de Commissie Parameters. Het pensioenfonds heeft dus ruimte om de risicohouding vanuit zijn eigen ALM-scenario’s te vertalen naar de maatstaven van de risicohouding die gebaseerd zijn op de scenariosets van de Commissie Parameters. Deze ruimte maakt dat het gebruik van de scenariosets van de commissie parameters niet bepalend is voor het beleggingsbeleid.

28.

De publicatie van WTW is uit 2017 en bekijkt variabele uitkeringen die aangeboden worden door verzekeraars op pensioenleeftijd. De variabele uitkeringen die pensioenfondsen aanbieden zijn wezenlijk anders dan de variabele uitkeringen van verzekeraars. Zo blijven pensioenfondsen vaak doorbeleggen met pensioen waar verzekeraars risico’s afbouwen met de leeftijd. Er is dus wel degelijk een groot verschil tussen variabele uitkeringen bij pensioenfondsen en vaste uitkeringen bij verzekeraars (antwoord 229). Kan de regering hier nogmaals op reflecteren. Bovendien ging de publicatie van WTW alleen over aanbod rond pensioenleeftijd. Verzekeraars bieden geen producten voor oudere gepensioneerden omdat die nooit konden kiezen in het verleden. Het ligt volgens de praktijk ook niet in de lijn der verwachting dat die producten op individueel niveau aangeboden gaan worden. Zoals de Minister al aangeeft vanwege de kleinere kapitalen, maar ook vanwege de uitgebreide productontwikkelprocessen, hoge eerste kosten/advieskosten, en uitgebreide informatieverplichtingen. Kan de regering hier op reflecteren? Bovendien is het voor het vertrouwen van deelnemers van belang dat als zij een wettelijk keuzerecht krijgen zij hier ook gebruik van kunnen maken. Kan de regering hierop reflecteren?

In genoemde publicatie van WTW is een vergelijking gemaakt tussen vaste- en variabele uitkeringen bij een verzekeraar. Ook voor pensioenfondsen zal waarschijnlijk gelden dat naarmate gepensioneerden ouder worden het beleggingsrisico zal afnemen. Pensioenfondsen stellen hun beleggingsbeleid vast, aansluitend bij de vastgestelde risicohouding voor verschillende leeftijdscohorten. De risicohouding volgt uit de uitkomsten van het risicopreferentieonderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten, zoals de life cycle theorie. In algemene zin leidt dat ertoe dat jongere generaties meer beleggingsrisico dragen dan oudere generaties.

Op het tweede en derde punt is al uitgebreid gereflecteerd in antwoord 229 van de memorie van antwoord.

29.

Op vraag 76 en 77 en 81 en 85 en 90 en 94 en 95 en 96 en 97 van 50Plus heeft de regering wel een reactie, maar geen antwoord gegeven. Wil de regering deze vragen alsnog beantwoorden?

Aanvullend op de eerdere beantwoording, zal hieronder nader worden ingegaan op de gestelde vragen. Voor de vragen 76 en 77 geldt aanvullend op de reeds gegeven beantwoording dat na het invaren ook gepensioneerden een persoonlijker en transparanter pensioen zullen hebben. Dit is echter minder eenduidig voor hen aangezien een persoonlijker en transparanter pensioen vooral in de opbouwfase zichtbaar is (het is beter herleidbaar waar de ingelegde premie naartoe gaat).

Voor vraag 81 geldt dat een negatief beschermingsrendement (als gevolg van een gestegen rente), mits ex ante toebedeeld in enigerlei mate, leidt tot een daling van het persoonlijke pensioenvermogen. Echter, niet tot een daling van de toekomstige of ingegane pensioenuitkeringen, omdat de kostprijs van deze uitkeringen door de gestegen rente is gedaald. Uiteindelijk zullen gepensioneerden voornamelijk vertrouwen putten uit de daadwerkelijke pensioenuitkering die zij ontvangen. Welke onderliggende factoren of instrumenten daartoe leiden zal in beginsel ondergeschikt zijn voor het vertrouwen.

Voor vraag 85 geldt dat in de vraagstelling wordt aangenomen dat inflatie leidt tot een nominale daling van het pensioen. Dat is op voorhand echter niet te stellen. Of pensioenen zullen dalen hangt af van meerdere macro-economische factoren, ontwikkelingen op financiële markten, de financiële positie van het pensioenfonds en de vul- en uitdeelregels van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve.

Voor vraag 90 geldt dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen. Dit heeft naar verwachting positieve gevolgen voor het vertrouwen van gepensioneerden. In het eerdere antwoord is ook ingegaan op de suggestie dat gepensioneerden een schommelend inkomen zouden krijgen.

Voor vraag 94, 95, 96 en 97 wordt verwezen naar het eerdere antwoord.

30.

In antwoord op vraag 78 van 50Plus geeft u aan, dat de deelnemer het recht heeft om informatie op te vragen. Waarom krijgt de deelnemer deze informatie niet spontaan?

De regering is van mening dat de deelnemer door de combinatie van persoonlijke informatie over zijn pensioenaanspraken voor transitie en de te verwachten pensioenuitkering na transitie, al dan niet in combinatie met op verzoek informatie over de gemaakte berekeningen van de effecten van herverdeling en compensatie (op cohortniveau), voldoende is geïnformeerd over de individuele gevolgen die de transitie zal hebben.

31.

In antwoord op vraag 84 van 50Plus geeft u aan, dat uit het Confident rapport over de eerste helft van 2022 geen conclusies getrokken kunnen worden hoe het stelsel zich in vergelijkbare omstandigheden zal gedragen.

  • a. Betekent dit, dat u de aannames van Confident omtrent de uitgangspositie van de solidariteitsreserve, de vulregels van de solidariteitsreserve en het beleggingsbeleid van het pensioenfonds onrealistisch acht? Zo ja, welke aannames en waarom?

  • b. Kunt u een voorbeeld geven van andere aannames die leiden tot een significant andere uitkomst en voorrekenen wat er dan uitkomt?

  • c. Waarom acht u de aannames als bedoeld onder b) realistisch?

In dit navolgend antwoord zijn de drie deelvragen tezamen beantwoord. Uit het Confident onderzoek kunnen moeilijk algemene conclusies worden getrokken. Daarvoor zijn gevoeligheidsanalyses nodig met betrekking tot verschillende aannames over bijvoorbeeld de uitgangspositie van de solidariteitsreserve, de vulregels van de solidariteitsreserve en het beleggingsbeleid van het pensioenfonds. Deze gevoeligheidsanalyses ontbreken in het rapport.

32.

Bij de beantwoording van vraag 89 bent u niet ingegaan op de argumenten van de auteurs. Wilt u dit alsnog doen?

De vraag is reeds beantwoord door aan te geven welke doelstellingen het wetsvoorstel kent en hoe die doelstellingen worden waargemaakt. Zoals in het antwoord aangegeven wordt de visie van de auteurs dat het wetsvoorstel toekomst pensioenen deze doelen niet kan waarmaken, niet gedeeld.

33.

Bij de beantwoording van vraag 89 refereert u aan rapporten van CPB, DNB en Netspar. Op welke rapporten doelt u?

Het Centraal Planbureau heeft in 2019 en 2020 verschillende berekeningen gemaakt waarin de effecten van de overgang op nieuwe pensioencontracten inzichtelijk zijn gemaakt. Zie onder meer de CPB-notitie Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en een overgang naar een vlak premiepercentages (2020; bijlagen bij Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). In het Netspar rapport «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract» (2022) zijn berekeningen gemaakt die de inkomenseffecten inzichtelijk maken van de overstap op het nieuwe pensioenstelsel op het moment van invaren en op de langere termijn. DNB heeft meerdere berekeningen uitgevoerd. De meest recente berekeningen zijn in december met de Eerste Kamer gedeeld.43

34.

In antwoord op vraag 98 geeft u aan, dat de gegevens over deze periode niet beschikbaar zijn.

  • a. Over welke periode zijn deze gegevens wel beschikbaar? Wilt u de vraag dan over die periode beantwoorden?

  • b. Hoe kan het, dat de gegevens niet beschikbaar zijn? Enkele jaren geleden zijn kortingen van pensioenen van nog geen tien procent uitgebreid uitgemeten en hebben deze geleid tot grote maatschappelijke ophef. Daarbij zouden gegevens van failliete verzekeraars tot in detail in de archieven van De Nederlandsche bank terug te vinden moeten zijn.

Er is gevraagd naar een overzicht van alle kortingen van 25% of meer van de afgelopen vijftig jaar. Dat overzicht is niet beschikbaar bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Nederlandsche Bank publiceert vanaf 2014 de gegevens van individuele pensioenfondsen. Sinds die tijd is de grootste korting bij één van de 25 grootste pensioenfondsen naar totale deelnemersaantal de korting van pensioenfonds Wonen van 3,6% in 2014 geweest.44

35.

In antwoord op vraag 99 geeft de regering aan, dat een daling met 67% extreem onwaarschijnlijk is.

  • a. Hoeveel is de AEX gedaald tussen 4 september 2000 en 10 maart 2003?

  • b. Geeft het antwoord op vraag a) u aanleiding om uw eerdere antwoord te herzien?

In de aangegeven periode was sprake van een daling met inderdaad circa 67% van de AEX. Daarbij is gezocht naar de meest maximale daling die binnen de AEX ooit heeft plaatsgevonden. In werkelijkheid zal de koers altijd op peildata worden beoordeeld, dus bijvoorbeeld op 31–12 van een kalenderjaar ten opzichte van 31–12 in een ander kalenderjaar. Verder beleggen pensioenfondsen in veel meer dan alleen in AEX-fondsen en ook niet alleen in aandelen.

Een ander belangrijk element is dat de inleg van nieuwe premies bij de allerjongste deelnemers een sterke invloed heeft op het voorkomen van negatieve persoonlijke pensioenvermogens. Die premies zijn immers een substantieel onderdeel van hun (beperkte) pensioenvermogen, omdat zij hoogstens nog maar enkele jaren deelnemen aan een pensioenregeling. Tegelijkertijd kan zelfs een beperkte opheffing van de leenrestrictie tot 150% blootstelling aan zakelijk waardenrisico tot aanzienlijk hogere pensioenresultaten leiden. Nu de opheffing van de leenrestrictie is beperkt tot 150% wordt daarmee een goede balans geboden tussen het risico op een negatief pensioenvermogen en de kans op een substantieel hoger pensioenresultaat.

36.

In antwoord op vraag 100 geeft u aan, dat DNB met een hefboomwerking van 1600% DNB gerekend had om voor de invulling van de toedeelregels aan te sluiten bij de academische literatuur.

  • a. Welke academische literatuur is hier gebruikt?

  • b. Waarom heeft DNB uit alle beschikbare academische literatuur juist gekozen voor die literatuur die heeft geleid tot een hefboomwerking van 1600%?

  • c. Hoe kan het, dat de hefboomwerking van 1600% bij DNB niet heeft geleid tot zelfcensuur en herziening van de keuze van de te gebruiken literatuur?

In dit navolgend antwoord zijn de drie deelvragen tezamen beantwoord. Er is gebruik gemaakt van Muns en Werker (2019)45, omdat in deze studie het collectieve overrendement in de doorrekening zo wordt toebedeeld dat het effect op het te bereiken pensioen voor alle deelnemers gelijk is.

37.

De 55 miljard die de regering noemt (antwoord 75) moet een wat achterhaald bedrag zijn. Met de huidige rentestand moet het een stuk hoger zijn. Klopt dat?

De publicatie van CPB waar in antwoord 75 naar verwezen wordt, laat zien dat de rentestand van invloed is op de totale waarde van de verminderde pensioenopbouw voor bestaande deelnemers, die ontstaat bij het afschaffen van de doorsneesystematiek.46 Deze invloed van de rente is niet lineair maar neemt eerst toe met een stijgende rente (bezien vanaf een rentestand van nul) tot een maximum van 63 miljard euro bij een rentestand van 3%. Bij een nog verder stijgende rente neemt de totale waarde van de verminderde pensioenopbouw (weer) af. In de vorige beantwoording is ook al benoemd dat dit bedrag van de verminderde pensioenopbouw geen rekening houdt met de gevolgen van de overstap op een ander contracttype met lagere buffers en daardoor eerdere verhogingen en hogere pensioenaanspraken en ook niet met eventuele compensatie.

38.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 29 gemeld dat compensatie vanwege de effecten van de dubbele transitie in veel gevallen niet nodig zal zijn. De modellen van de dubbele transitie zijn gemaakt voor de huidige regelingen tot stand kwamen, ofwel, de leeftijdsafhankelijke rendementstoedeling. Is de stelling dat compensatie in veel gevallen niet nodig zal zijn, ook getoetst bij overgang naar de huidige regelingen, waarbij jongeren veelal aan meer risico blootgesteld zullen worden en daarom ook een hoger rendement mogen verwachten dan hun collega’s van bijvoorbeeld 60 jaar en ouder?

  • a. Is er een inschatting gemaakt hoe vaak compensatie wel nodig zal zijn?

In het transitieplan worden alle keuzes, overwegingen en berekeningen over de nieuwe pensioenregeling, compensatieafspraken en de afweging om een verzoek tot invaren te doen, vastgelegd. Pensioenuitvoerders zijn op basis van artikel 150e van de Pensioenwet verplicht om de transitie-effecten in beeld te brengen. Dit betreft zowel een vergelijking van de pensioenverwachtingen onder het huidige en het nieuwe pensioencontract, als de verwachte nettoprofijteffecten van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Bij het nieuwe contract gelden ook de nieuwe toedeelregels. Indien uit de doorrekeningen blijkt dat er sprake is van een onevenredig nadeel voor bepaalde partijen, zijn zij verplicht hierover adequate compensatieafspraken te maken. In hoeverre voor bepaalde groepen deelnemers compensatie aan de orde is zal mede afhankelijk zijn van fondsspecifieke omstandigheden. Daarom zal dit ook op fondsniveau in beeld gebracht moeten worden en in het transitieplan moeten worden vastgelegd hoe hiermee wordt omgegaan.

39.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 33 gezegd: Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) kunnen ook andere afspraken maken met betrekking tot de transitie, die ertoe kunnen leiden dat de transitie tot minder generatie-effecten leidt. Waar wordt dan aan gedacht?

In de transitieperiode nemen sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) meerdere beslissingen die betrekking hebben op de effecten van en tussen generaties binnen het pensioenfonds, bijvoorbeeld om bepaalde verschillen in effecten te verkleinen. In de vorige antwoorden werd als voorbeeld de besluitvorming met betrekking tot invaren gegeven. Een ander voorbeeld is de inhoud van de toekomstige pensioenregeling, waaronder de afspraken over de vulling van de solidariteits- of risicodelingsreserve en de voorwaarden waaronder uitkering uit de reserves plaatsvindt.

40.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 75 gesteld dat de waarde van de verminderde pensioenopbouw voor bestaande deelnemers niet in te schatten is. De impact van het afschaffen van de doorsneesystematiek zal het grootst zijn voor de deelnemers rond middelbare leeftijd, zeg tussen 35 en 50 jaar, oplopend tot 5% van het aanvullend pensioen. Is de impact van het afschaffen niet afhankelijk van de samenstelling (deelnemers) van een fonds als het gaat om de leeftijdsgroep? Zouden ook oudere deelnemers nog geconfronteerd kunnen worden met de gevolgen van de afschaffing van de doorsneesystematiek? Genoemde 5% zal ongeveer het maximale effect zijn van de afschaf van de doorsneesystematiek, zonder rekening te houden met de voordelen van het nieuwe stelsel (enkelvoudige transitie)?

De impact van het afschaffen van de doorsneesystematiek is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de leeftijd van de deelnemers van het pensioenfonds, de huidige pensioenregeling, de toekomstige pensioenregeling en de besluiten die werkgevers- en werknemersorganisaties ten aanzien van de transitie. Bij de uitwerking van het Pensioenakkoord hebben het CPB47 en 13 pensioenfondsen48 in 2020 de gevolgen van de integrale aanpassing van het pensioenstelsel doorgerekend. Hieruit blijkt dat de leeftijdsgroep tussen de 35 en 50 jaar nadeel kan ondervinden van de afschaffing van de doorsneesystematiek. Uit de berekeningen blijkt ook dat de oudere deelnemers niet worden geraakt.

41.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 108 gesteld dat in het Regeerakkoord budgettaire ruimte gereserveerd is voor de fiscale facilitering van compensatie. Er kan gedurende 10 jaar € 1 miljard meer premie per jaar worden ingelegd. In antwoord op vraag 75 werd vanuit een rapport uit 2017 gesteld dat de waarde van de verminderde pensioenopbouw voor bestaande deelnemers circa 55 miljard euro zou bedragen. Luidt dan de logische conclusie dat alle benodigde compensatie boven de 10 miljard uit het eigen vermogen van een fonds betaald moet worden?

Deze conclusie is onjuist. De compensatie kan gefinancierd worden door een opslag op de premie of door het onttrekken van bedragen uit een compensatiedepot. Voor de compensatie die wordt gefinancierd door een opslag op de premie geldt dat hier een fiscale facilitering voor wordt getroffen. Hiervoor is budgettaire ruimte gereserveerd. Het compensatiedepot kan op twee manieren gevuld worden. De ene manier is door bij het invaren een deel van het fondsvermogen naar het compensatiedepot over te maken. Daarnaast kunnen partijen besluiten om te financieren uit een opslag op de premie. Een mengvorm is ook mogelijk.

42.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 152–154 gesteld dat fondsen de vrijheid hebben om het geconstateerde nadeel te compenseren via een bedrag dan wel een percentage. Binnen een cohort kunnen bij grote fondsen grote verschillen in salaris zijn, waardoor een zelfde compensatie zeer verschillend zal uitpakken voor een individu. Is dit dan adequate compensatie? Kan er ook sprake zijn van onevenredig voordeel in dat geval?

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is.

43.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 155 niet ingegaan op het verschil in hoogtes van salarissen, maar wordt er verondersteld dat enkel lengtes van carrièrepaden kunnen verschillen. Echter als onder eenzelfde fonds zowel hoogleraren als administratief medewerkers vallen, dan hebben zij verschillende salarissen. Indien de compensatie op leeftijd plaats vindt, ontvangt de 48-jarige administratief medewerker mogelijk te veel en de 48-jarige professor te weinig. Is dit adequaat volgens de regering?

In het antwoord op vraag 155 is ingegaan op wat de mogelijke gevolgen van de overstap op een degressieve opbouw zouden zijn voor deelnemers met een steiler carrièrepad, vergeleken met de gevolgen voor deelnemers met een gemiddeld carrièrepad. Bij een steiler carrièrepad zal men later in de loopbaan een hoger loon ontvangen en daarmee over een groter gedeelte van het loon pensioen opbouwen. Zoals eerder aangegeven is niet op voorhand te voorspellen welke deelnemers een steiler carrièrepad zullen doorlopen.

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is.

44.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 156 gemeld dat er geen vaste regels zijn om de onevenredige benadeling te onderbouwen. De toetsing of sprake is van een onevenredig zware last kan alleen plaatsvinden in een individueel geval. Ook in het advies van de Raad voor de Rechtspraak werd gevraagd om nadere onderbouwing. De regering schrijft in de memorie van toelichting dat maatstaven niet op individueel niveau, maar op cohortniveau toegepast worden. Uit andere antwoorden blijkt dat verschillen in een cohort zeer groot kunnen zijn. Nu het een open norm is èn er alleen op cohortniveau getoetst wordt, dient de deelnemer dus zelf een procedure aan te spannen om de rechter te laten oordelen of hij of zij onevenredig benadeeld wordt?

Indien een deelnemer door de rechter wil laten oordelen of hij of zij onevenredig benadeeld wordt, dient daarvoor een procedure te worden aangespannen. Het klopt dat de maatstaven voor compensatie van gemiste toekomstige pensioenopbouw op cohortniveau worden toegepast. In de memorie van toelichting is dit als volgt onderbouwd. In de compensatieregeling wordt gewerkt met leeftijdscohorten, waarbij alle deelnemers binnen een leeftijdscohort dezelfde mate van compensatie toegekend krijgen. Het zou een bijzonder grote uitvoeringslast voor de pensioenuitvoerder met zich brengen als de compensatie per individuele actieve deelnemer berekend zou moeten worden, en alle gevolgen inzichtelijk moeten worden gemaakt op individueel niveau. Dit zou tevens het maken van heldere afspraken in de arbeidsvoorwaardelijke fase bemoeilijken.

45.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 158 geen antwoord gegeven op de vraag: Leidt het afschaffen van het individueel bezwaarrecht tot extra kosten voor pensioenfondsen? Bedoeld wordt extra kosten vanwege het nu geringe beroep dat gedaan wordt op de interne bezwaarprocedures en de mogelijke hausse aan klachten cq. extra individuele informatiebehoefte.

Dat is op voorhand niet met zekerheid te stellen omdat er geen financiële vergelijking met een eerdere/andere situatie te maken is. Waar het specifiek gaat om kosten voor de interne klachtenprocedure en informatiebehoefte van deelnemers: deze zullen mogelijk toenemen als een pensioenfonds overgaat tot invaren. De omvang van deze kosten is afhankelijk van diverse factoren, zoals het aantal klachten, de inhoud van de klachten en de informatievoorziening vooraf door het pensioenfonds.

46.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 160–161 gemeld dat de juridische keten extra ondersteund zal worden met 10 miljoen Euro. Er wordt echter niet ingegaan op de vraag naar additionele middelen voor de fondsen?

Het kabinet stelt geen aanvullende middelen beschikbaar voor pensioenfondsen.

47.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 162 gesteld dat als uiterste middel de pensioenvermogens van deelnemers worden aangesproken. Hoe moet dit uitgelegd worden? Worden bij veel procedures en mogelijke schadevergoedingen de overige deelnemers dan geconfronteerd met een verlaging?

Zoals in het antwoord aangegeven zal een pensioenfonds net als in het huidige pensioenstelsel straks een toereikende reserve voor operationele kosten moeten aanhouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met eventuele (lopende) rechtszaken. Op die manier komen kosten voor juridische procedures niet direct voor rekening van de deelnemers. In het uiterste geval, als de reserve ontoereikend is, kunnen de aanspraken en rechten van de deelnemers wel verlaagd worden. Pensioenfondsen kunnen in het huidige pensioenstelsel ook geconfronteerd worden met procedures en mogelijke verplichtingen om schadevergoedingen te betalen. Ook dan worden de kosten door het pensioenfonds gedragen en hebben dan uiteindelijk ook gevolgen voor de pensioenen van de deelnemers en gepensioneerden.

48.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 178 gesteld dat er geen aparte afspraken omtrent compensatie in het kader van het nabestaandenpensioen nodig zijn. Het overgangsrecht voorziet erin dat opgebouwde rechten op nabestaandenpensioen dat bedoeld is vóór pensioendatum behouden blijven. Worden genoemde opgebouwde rechten apart inzichtelijk gemaakt op het UPO? Het nabestaandenpensioen voor na pensioendatum loopt mee in de transitie van het ouderdomspensioen. Daar kan compensatie aan de orde zijn. Kan de regering aangeven hoe en in welke mate deze compensatie vorm zal krijgen cq. bepaald wordt? Is dit ook inzichtelijk voor een individuele deelnemer?

Het huidige artikel 38 van de Pensioenwet regelt dat het UPO een overzicht geeft van onder andere de verworven pensioenaanspraken. Daaronder wordt begrepen de aanspraken die volgen uit het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen. De hoogte van de aanspraak is derhalve zichtbaar op het jaarlijkse pensioenoverzicht dat een deelnemer krijgt.

Decentrale sociale partners, werkgevers en werknemers, of de beroepsgenoten bekijken in de transitie wat de effecten zijn van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen. Als hieruit blijkt dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden, bepalen ze wat er nodig is om het nadeel te beperken, en hoe ze dit willen financieren. Deze afspraken zijn samen «adequate compensatie». Decentrale partijen besluiten dus zelf wat in hun specifieke geval adequaat is. De afspraken kunnen dus ook verschillen per sector, werkgever of beroepsgroep. De afspraken omtrent compensatie dienen opgenomen te worden in het transitieplan. Ook indien decentrale partners van mening zijn dat het niet noodzakelijk is om een compensatieregeling te treffen dienen zij aan te geven waarom zij tot die conclusie zijn gekomen.

Om de transitie goed te kunnen beoordelen krijgt een deelnemer in aanvulling daarop informatie over de wijziging van de pensioenregeling op de manier zoals dat in het implementatieplan (incl. communicatieplan) staat. Dit plan wordt actief aan de deelnemer verstrekt en staat op de website van de pensioenuitvoerder. Het implementatieplan bevat ook de afspraken over overeengekomen compensatieregeling en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Deelnemers krijgen daarnaast het recht informatie op te vragen over gemaakte berekeningen van de effecten van herverdeling en compensatie op het cohort waartoe zij behoren. Ook stelt de pensioenuitvoerder op de website een kwalitatieve toelichting op de transitie-effecten beschikbaar. Tot slot krijgt de deelnemer persoonlijke informatie over zijn pensioenaanspraken voor transitie en de te verwachten pensioenuitkering na transitie.

49.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 188 gesteld dat er geen sprake kan zijn van onevenredig nadeel binnen een leeftijdscohort, met betrekking tot compensatie. Hoe worden verschillen binnen een leeftijdscohort dan ondervangen? Wanneer binnen een leeftijdscohort zowel de conciërge als de rechter valt, dan zijn er verschillen in salaris die zeer waarschijnlijk ook in de toekomst zullen bestaan. Ligt het niet in de rede daar dan al rekening mee te houden bij de toe te kennen compensatie? Als dat niet nu al gebeurt gaat dit dan niet leiden tot enorm veel procedures bij de civiel rechter?

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is. Of de afspraken omtrent de compensatieregelingen zullen leiden tot veel procedures bij de civiele rechter is vooraf niet te bepalen.

50.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 112 gemeld dat DNB toezicht houdt op of de premie toereikend is voor de toezegging. De premie is een afgeleide van de ambitie en de mate van zekerheid zal van invloed zijn op het toereikend. Mag ieder fonds voor zich bepalen met welke zekerheidsmaat wordt gerekend?

In het antwoord op vraag 112, waarnaar verwezen wordt, gaat het om een beschrijving van de vaststelling van premies voor uitkeringsovereenkomsten, dus in het huidige pensioenstelsel. In dat geval moet een kostendekkende premie worden bepaald op basis van de jaarlijkse pensioenopbouw die is toegezegd. Voor uitkeringsovereenkomsten geldt een wettelijke zekerheidsmaat van 97,5%. In het nieuwe pensioenstelsel is de premie de pensioentoezegging. In een premieovereenkomst is geen zekerheidsmaat meer van toepassing. De uitkomst wordt bepaald door de behaalde rendementen en actuele rentestanden bij de omzetting van vermogen in pensioenuitkeringen. Wel geldt dat bij de vaststelling van de premie in de solidaire premieovereenkomst door decentrale sociale partners gekeken moet worden naar de pensioendoelstelling die sociale partners eveneens hebben. Sociale partners moeten bij de premievaststelling bepalen met welke kans de pensioendoelstelling behaald wordt.

51.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 132 gesteld dat er geen sprake is van een harde knip tussen de dag vóór en de dag na invaren. Echter, de waarde die aan een persoonlijke aanspraak wordt toegekend zal toch bepaald worden met de rentestand van dat moment? Dat vermogen zal vervolgens procentueel verhoogd (of verlaagd) worden. In euro’s betekent dat dan toch meer geld voor een gepensioneerde na een verhoging, bij een hoger toegekend vermogen?

Het klopt dat de waarde van het (collectieve of persoonlijke) vermogen mede bepaald worden door de rentestand. Maar zoals ook in het antwoord waarnaar wordt verwezen is aangegeven, moet niet alleen naar het effect op het vermogen gekeken worden, maar juist naar het effect op de uitkering. Een rente-effect op het vermogen hoeft namelijk niet eenzelfde effect te hebben op de (verwachte) uitkering. Bij bijvoorbeeld een relatief hoge rente zal de waarde van de pensioenaanspraken in het huidige pensioenstelsel relatief laag zijn, en zal dus ook het persoonlijke pensioenvermogen dat bij invaren wordt meegegeven, relatief laag zijn. Met dat persoonlijke vermogen kan echter in het nieuwe pensioenstelsel een hoger verwacht pensioen verkregen worden dan bij een relatief lage rente. In die zin werken de financieel-economische mechanismes in het nieuwe pensioenstelsel niet anders dan in het oude pensioenstelsel.

52.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 144 gesproken over de datakwaliteit. Hoeveel vertrouwen kan een deelnemer van ABP hebben in de datakwaliteit als anno 2023 het nabestaandenpensioen nog steeds niet voor elke deelnemer op het UPO na te kijken is? Pensioenuitvoerders moeten er voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Hoe verhoudt deze opmerking zich tot hetgeen Prof. Knoef in de uitzending van Kassa van 1 april jl. uitlegde, namelijk dat eenmaal de pot met geld verdeeld is er dan achteraf niks meer te herstellen valt, omdat je dan geld bij andere deelnemers zou moeten weghalen?

Het is voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, net zoals voor de huidige, lopende pensioenuitvoering van groot belang dat de gegevens in de administraties juist zijn. Mede in het kader van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel zullen pensioenuitvoerders de kwaliteit van de data onder de loep nemen en waar nodig correcties doorvoeren. De verplichtingen die de pensioenuitvoerder daarbij heeft en de rol die externe partijen daarbij vervullen, is in de memorie van antwoord uitgebreid toegelicht. Dat betekent niet dat, ondanks alle waarborgen om de datakwaliteit te borgen, gegarandeerd kan worden dat alle administraties geheel foutloos zijn. Pensioenuitvoerders moeten er daarom voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Zo dient het pensioenfonds een operationele kostenreserve aan te houden voor bijvoorbeeld wijzigingen met terugwerkende kracht. Een deelnemer moet uiteindelijk immers krijgen waar hij recht op heeft op grond van de pensioenregeling.

53.

In de memorie van antwoord wordt bij de vragen 148–151 ingegaan op het afschaffen van overgangsregelingen. Genoemde overgangsmaatregelen van ABP vormen overgangsrecht dat ontstaan is bij de privatisering. Nu het individueel bezwaarrecht buiten werking wordt gezet, zou het fonds het moment kunnen benutten om dit ingewikkelde overgangsrecht meteen af te schaffen zonder dat individuele deelnemers in bezwaar kunnen?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen heeft niet als doel om onderdelen van het pensioenreglement, de pensioenregeling of -overeenkomst af te schaffen. Sociale partners kunnen er voor kiezen overgangsregelingen, zo nodig aangepast naar het nieuwe wettelijk kader, voor nieuwe opbouw te behouden.

Als sociale partners de wijziging van de pensioenregeling willen benutten om ook overgangsregelingen te wijzigen, is dat ook mogelijk. De partijen die de gewijzigde pensioenregeling zijn overeengekomen, zijn verplicht een transitieplan op te stellen. In het transitieplan worden alle keuzes, overwegingen en berekeningen over de nieuwe pensioenregeling (inclusief het al dan niet behouden van overgangsregelingen), compensatieafspraken en de afweging om een verzoek tot invaren te doen, vastgelegd. Vervolgens wordt het pensioenfonds de opdracht verleend om de nieuwe pensioenregeling uit te voeren en kunnen sociale partners het pensioenfonds verzoeken om de bestaande pensioenopbouw om te zetten naar pensioenaanspraken en -rechten onder de nieuwe pensioenregeling. Het pensioenfonds kan, met inachtneming van de wettelijke kaders en de governance binnen het pensioenfonds, daartoe besluiten. Zonder verzoek van sociale partners kan het pensioenfonds echter niet besluiten om de (overgangs)regeling te wijzigen of in te varen in de nieuwe pensioenregeling.

54.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 78 gesteld dat de deelnemer het recht krijgt op het opvragen van informatie. Houdt dat in dat informatie voor de individuele deelnemer alleen beschikbaar wordt gemaakt indien er bezwaar wordt gemaakt? Of komt er een tussenvorm waarbij deelnemers eerst aanvullende informatie kunnen opvragen?

In de Pensioenwet is geregeld dat een deelnemer om informatie kan verzoeken (informatie op verzoek). Dit is een recht, dat los staat van het al dan niet maken van bezwaar.

55.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 320 en 321 uitgelegd dat de compensatie evengoed ook door extra premiebetaling door de werkgever kan worden gefinancierd. De mogelijke bronnen zijn derhalve een deel van het vermogen van het pensioenfonds, waarbij vermogen kan vrijvallen door invaren, en compensatie vanuit de premie. Kan de regering aangeven welk bedrag zij in haar rol als werkgever voornemens is als extra premie bij te dragen?

Op voorhand kan niet worden aangegeven of er aanleiding bestaat tot compensatie en zo ja, of de regering, in haar rol als werkgever, voornemens is extra bij te dragen aan een eventuele premie ten behoeve van compensatie. Dit maakt immers onderdeel uit van de onderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling en de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven heeft de regering vanuit haar rol als overheid- en zorgwerkgever wel tijdelijk extra middelen gereserveerd voor een eventuele tijdelijke premieverhoging ten behoeve van compensatie, mocht dit aan de orde zijn. Het gaat hierbij om een gereserveerd bedrag van € 200 miljoen per jaar vanaf de overstap naar de nieuwe pensioenregeling. Dit jaarlijkse bedrag wordt zolang de tijdelijke verruiming van de fiscale ruimte ten behoeve van compensatie van toepassing is (tot en met 2036), beschikbaar gesteld. Daarbij kan op het moment van overstap naar de nieuwe pensioenregeling, aan de hand van de daarbij behorende relevante parameters, besloten worden of de gereserveerde bedragen benodigd dan wel toereikend zijn voor de beoogde compensatie.

56.

Er zal een harde knip komen in de hoogte van het nabestaandenpensioen voor actieve deelnemers en gepensioneerden. Zal dit niet leiden tot zeer schrijnende situaties waarin mensen vanwege financiële consequenties zichzelf over euthanasievraagstukken gaan buigen?

De regering verwerpt de suggestie dat het wetsvoorstel dergelijke zeer ingrijpende persoonlijke afwegingen zou beïnvloeden. Of er een verschil zal bestaan tussen het partnerpensioen dat de nabestaande zal ontvangen bij overlijden voor dan wel na pensioendatum is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. In het algemeen kan het verschil ontstaan doordat er bij overlijden voor pensioendatum een dekking is op risicobasis van een vastgesteld percentage van het pensioengevend loon. Dit kan hoger zijn dan het partnerpensioen dat men zou krijgen bij overlijden na pensioendatum dat op kapitaalbasis is opgebouwd. De ratio hierachter is dat de dekking bij overlijden voor pensioendatum is bedoeld ter compensatie van het wegvallende arbeidsinkomen van de deelnemer en bij overlijden na pensioendatum gaat het over het wegvallende pensioeninkomen van de deelnemer. Wanneer sociale partners het verschil tussen beide partnerpensioenen niet wenselijk achten, kunnen zij dit verkleinen door naast een lager partnerpensioen op risicobasis ook gelijktijdig een nabestaandenoverbruggingspensioen aan te bieden. Zo’n nabestaandenoverbruggingspensioen geeft een dekking bij overlijden voor pensioendatum tot aan de pensioendatum van de nabestaande. Op die manier kan het niveau van de dekking van het levenslange partnerpensioen lager vastgesteld worden, terwijl er bij overlijden voor pensioendatum afdoende dekking blijft voor het overlijdensrisico. Het verschil in partnerpensioen voor en na pensioendatum neemt dan af. In navolging van de motie van de leden Stoffer en Ceder heb ik sociale partners op de hoogte worden gesteld van deze mogelijkheid49.

57.

Bij cursussen die aan verantwoordingsorganen worden gegeven wordt ervan uitgegaan dat het beschermingsrendement niet negatief kan zijn en dat dit een keuze is van het pensioenfonds. Kunt u uitleggen hoe het beschermingsrendement in die gevallen werkt?

  • a. Als het waar is dat een beschermingsrendement sterk negatief kan zijn bij een grotere positieve rentesprong dan zal, bij een ferme daling van het totale rendement het overrendement desalniettemin positief kunnen zijn. Klopt dat en leidt dat dan niet tot grote verwarring bij de deelnemers: het rendement is negatief maar mijn vermogen neemt toch toe?

Het beschermingsrendement wordt gebaseerd op de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB. Deze rentetermijnstructuur (rts) kan negatief zijn over specifieke looptijden. Aangezien het overrendement het verschil is tussen rendement en beschermingsrendement kan deze zowel positief als negatief zijn, afhankelijk van de hoogte van het rendement.

b.

Is het juist dat er in feite vier soorten beschermingsrendement zijn? Wordt het beschermingsrendement ook gebruikt voor aanpassingen aan het micro- en macro-langleven risico?

Het beschermingsrendement kan bescherming bieden tegen renterisico, micro- en macro-langleven risico.

58.

In de antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden van de Eerste Kamer beschrijft de regering bij de vragen 33 en 34 van het CDA op welke manier volgens haar het uitzicht op een koopkrachtig pensioen kan worden geboden.

  • a. De regering ziet mogelijkheden om de solidariteitsreserve te gebruiken om de pensioenen koopkrachtig te houden. Klopt het dat die mogelijkheid alleen bestaat als de solidariteitsreserve afdoende (ca 8 procent) initieel gevuld is?

Het zoveel mogelijk bijhouden van de inflatie kan in het nieuwe pensioenstelsel worden gerealiseerd via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement waarbij inflatiegerelateerde beleggingen kunnen worden aangehouden, (iii) de solidariteits- of risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement. Op de vraag hoeveel initiële vulling van de solidariteitsreserve nodig is, is geen eenduidig antwoord te geven. Dit is afhankelijk van meerdere factoren zoals de aard van de inflatieschok (tijdelijk of permanent), de grootte van de schok en of deze schok plaatsvindt bij een stijgende of dalende rente. het Cardano-rapport «Inflatierisico en de solidariteitsreserve»50 laat zien dat bij een tijdelijke inflatieschok van 5% rond de 3% solidariteitsreserve nodig is. Bij structurele hogere inflatie zijn naast de initiële vulling de vulregels van de solidariteitsreserve van belang. Zo laat het bovengenoemde rapport zien dat de solidariteitsreserve bij een jaarlijks inflatieniveau van structureel 1%-punt hoger (dan 2% inflatie) toereikend is als deze wordt gevuld uit zowel premies als overrendement, maar dat de reserve niet meer toereikend is als deze slechts wordt gevuld uit één van deze bronnen. Bij nog hogere niveaus van structurele inflatie komen de grenzen van de solidariteitsreserve in zicht.

b.

Is het juist dat daarvoor een invaardekkingsgraad van ruim boven de 110 procent nodig is, rekening houdend met het verplichte eigen vermogen, een operationele reserve en een eventueel compensatiedepot?

Gelet op de verschillende fondsspecifieke kenmerken en decentrale afspraken is op de vraag enkel een algemeen antwoord mogelijk. In algemene zin kan worden gesteld dat een initiële vulling van de solidariteits- of risicodelingsreserve met 3% van het vermogen ook mogelijk is met een invaardekkingsgraad van onder de 110%. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het realiseren van een dergelijke vulling bij die invaardekkingsgraad, onder meer afhankelijk is van de grootte van het compensatiedepot.

c.

Kan de regering onderschrijven dat ook het op niveau houden van de solidariteitsreserve een flinke inspanning vereist, die ten koste gaat van het pensioen van alle deelnemers, nu die vulling uit overrendement en/of premie moet komen?

Het zoveel mogelijk bijhouden van de inflatie kan in het nieuwe pensioenstelsel worden gerealiseerd via (i) blootstelling aan overrendement, (ii) een direct beschermingsrendement waarbij inflatiegerelateerde beleggingen kunnen worden aangehouden, (iii) de solidariteits- of risicodelingsreserve en (iv) een afslag op het projectierendement. Op de vraag hoeveel initiële vulling van de solidariteitsreserve nodig is, is geen eenduidig antwoord te geven. Dit is afhankelijk van meerdere factoren zoals de aard van de inflatieschok (tijdelijk of permanent), de grootte van de schok en of deze schok plaatsvindt bij een stijgende of dalende rente. het Cardano-rapport «Inflatierisico en de solidariteitsreserve»51 laat zien dat bij een tijdelijke inflatieschok van 5% rond de 3% solidariteitsreserve nodig is. Bij structurele hogere inflatie zijn naast de initiële vulling de vulregels van de solidariteitsreserve van belang. Zo laat het bovengenoemde rapport zien dat de solidariteitsreserve bij een jaarlijks inflatieniveau van structureel 1%-punt hoger (dan 2% inflatie) toereikend is als deze wordt gevuld uit zowel premies als overrendement, maar dat de reserve niet meer toereikend is als deze slechts wordt gevuld uit één van deze bronnen. Bij nog hogere niveaus van structurele inflatie komen de grenzen van de solidariteitsreserve in zicht.

d.

Als pensioenfondsen willen koersen op een dergelijke invaardekkingsgraad, onderkent de regering dat de indexatie-achterstand in de transitieperiode nog verder kan oplopen?

De invaardekkingsgraad is de dekkingsgraad waarbij de invaardoelen gerealiseerd kunnen worden (een invaardoel kan overigens ook zijn – een deel van – een indexatieachterstand in te halen). Als de huidige dekkingsgraad onder de invaardekkingsgraad ligt, kan het pensioenfonds in het transitie-ftk ernaartoe groeien. Als de huidige dekkingsgraad daarboven ligt, hoeft het pensioenfonds geen maatregelen te nemen. Tijdens de transitieperiode gelden de huidige regels voor het inhalen van een indexatieachterstand. Als de huidige dekkingsgraad daarvoor onvoldoende is, kan het inderdaad zo zijn dat een indexatieachterstand in de transitieperiode verder oploopt.

e.

Is het per saldo niet zo dat de mogelijke inflatiedekking vanuit de solidariteitsreserve bij een gemiddeld fonds feitelijk door de (aanstaand) gepensioneerden zelf wordt betaald, omdat dat vermogen niet wordt toebedeeld aan de persoonlijke pensioenvermogens?

Bij de beantwoording van deze vraag moet een onderscheid worden gemaakt tussen een eventuele initiële vulling van de solidariteitsreserve bij invaren en de structurele situatie, waarbij de solidariteitsreserve wordt gevuld door middel van premies en/of overrendementen. Initiële vulling van de reserve kan inderdaad betekenen dat op het moment van invaren minder vermogen aan de persoonlijke pensioenvermogens wordt toebedeeld. Dat kan een meerwaarde hebben bij onverwachte inflatieschokken, omdat deze met een solidariteits- of risicodelingsreserve opgevangen kunnen worden. Als dit fondsvermogen aan de persoonlijke pensioenvermogens is toebedeeld, is deze optie niet beschikbaar. Het is aan decentrale partijen om hierin een afweging te maken.

f.

Kan de regering toelichten hoe de koopkracht voor huidige en aanstaande gepensioneerden uitvalt als verhoging van persoonlijke pensioenvermogens wordt afgezet tegen inflatiebescherming vanuit de solidariteitsreserve?

Het is niet duidelijk wat wordt bedoeld met verhoging van persoonlijke pensioenvermogens afzetten tegen inflatiebescherming vanuit de solidariteitsreserve. In geval wordt gevraagd om te reflecteren op het verhogen van pensioenuitkeringen vanuit opgebouwde persoonlijke pensioenvermogens van actieven, geldt dat dit niet is toegestaan. Welke bescherming de solidariteitsreserve biedt voor inflatie is afhankelijk van de vul- en uitdeelregels van de solidariteitsreserve, deze kunnen verschillend worden vastgesteld door elk pensioenfonds.

g.

Is het correct dat oudere cohorten van gepensioneerden, die in de afgelopen vijftien jaar een enorme indexatie-achterstand hebben opgelopen, beter af zijn met hogere pensioenvermogens, zeker omdat de levensverwachting boven de 80 jaar laag is?

Het is niet zonder meer te zeggen of gepensioneerden meer voor- of nadeel zullen hebben van een initiële vulling van de solidariteitsreserve voor inflatiebescherming of toevoeging aan hun persoonlijke vermogens bij het invaren. Dit is onder andere afhankelijk van de vulregels en toedelingsregels die een pensioenfonds heeft voor de solidariteitsreserve, de regels die zijn afgesproken voor inflatiebescherming. Deze regels kunnen voor elk pensioenfonds verschillen. De meerwaarde van de vulling van de solidariteitsreserve ten behoeve van bescherming tegen onverwachte inflatieschokken hangt uiteraard (ook) af van de vraag in hoeverre die schokken zich in de toekomst voordoen en het gewicht dat een partij aan dit risico toekent.

h.

De regering noemt verder mogelijkheid van een afslag op het projectierendement als een remedie om de inflatie bij te houden. Onderkent de regering dat op die manier het startpensioen lager wordt?

Het klopt dat door hantering van een afslag op het projectierendement het startpensioen lager wordt. Er is immers op pensioendatum een bepaald persoonlijk pensioenvermogen beschikbaar dat op verschillende manieren over de uitkeringsperiode kan worden verdeeld via het projectierendement. Het gaat hier dus om de afruil tussen een hoger startpensioen met minder kans op verhogingen in de toekomst en een lager startpensioen met een hogere kans op verhogingen in de toekomst. Het is aan decentrale partijen om hierin een keuze te maken.

i.

Kan de regering aangeven hoe het nominale pensioen bij invaren dan tenminste gelijk blijft als de invaardekkingsgraad onder de 105 blijft, waarbij de eerder genoemde reserves ook nog moeten worden gevuld?

j.

Beaamt de regering dat ook deze oplossing de facto door de betrokken gepensioneerden zelf wordt betaald?

Hiermee wordt antwoord gegeven op vraag 58i en 58j. Het projectierendement wordt vastgesteld los van de transitie. Of een reserve (initieel) wordt gevuld en of het gelijk blijven van nominale pensioenen een doel bij het invaren is, is afhankelijk van keuzes die door decentrale partners worden gemaakt. Beiden zijn dus geen verplichting. Uit de keuzes die worden gemaakt met betrekking tot voornoemde onderdelen, volgt een invaardekkingsgraad waarmee de keuzes gerealiseerd kunnen worden. Die invaardekkingsgraad kan inderdaad ook hoger (of lager) dan 105% kan zijn.

59.

De regering stelt in het antwoord op vraag 358 van de fractie van 50PLUS dat «inhaalindexatie de financiële positie van het fonds stevig zou uithollen». En verder schrijft zij «dat een zodanige herverdeling kan ontstaan dat dit niet verantwoord is met het oog op een goed, toekomstbestendig pensioen voor alle generaties».

a.

Is het de regering bekend dat de lasten van de achterstallige indexatie ongelijk verdeeld is over generaties? Het ABP rapporteert daarom een achterstandsindexatie «tot» een niveau, omdat de achterstand niet voor iedereen hetzelfde bedraagt.

Wanneer in het verleden de financiële positie van een pensioenfonds ontoereikend was om over te gaan tot het verlenen van een toeslag, geldt dit voor alle generaties van deelnemers. Ik ben het wel met de vraagstellers eens dat gepensioneerden directer geraakt zijn dan nog opbouwende deelnemers.

b.

Is het dan niet zo dat juist de grote indexatieachterstand heeft geleid tot een herverdeling die niet verantwoord is voor een goed pensioen voor alle generaties?

Wanneer in het verleden de financiële positie van een pensioenfonds ontoereikend was om over te gaan tot het verlenen van een toeslag, geldt dit voor alle generaties van deelnemers. De indexatieregels zijn juist gesteld om een goed pensioen voor alle generaties te borgen. Wanneer een dekkingsgraad te laag is om met voldoende zekerheid alle pensioenen te borgen, ook die pensioenen die in de toekomst worden uitgekeerd, merken alle generaties dit. Wanneer desondanks pensioenen verhoogd zouden worden, leidt dit juist tot een onzekerder pensioen voor toekomstige gepensioneerden.

c.

Eén van de beloften van de regering is om in de transitieperiode de regels van de WTP al zoveel mogelijk toe te passen. Waarom wordt dan wel vastgehouden aan het genoeg=genoeg-principe dat nota bene in de nieuwe stelsels verdwijnt?

d.

Is een pensioenbestuur überhaupt niet verplicht om het evenwicht tussen generaties af te wegen, zodat de vrees van de regering niet nodig is?

Met dit antwoord worden sub vraag c en d van vraag 59 beantwoord.

«Genoeg is genoeg» speelt vooral een rol in simulaties van de toekomstige ontwikkeling van de financiële positie van het pensioenfonds. Het is namelijk het gegeven dat in simulaties waarin pensioenfondsen zeer hoge dekkingsgraden bereiken, indexatie nog steeds begrensd wordt door de fiscale maxima van loon- of prijsinflatie. Door die maxima wordt beperkt hoeveel indexatie in de simulatie daadwerkelijk verleend kan worden. Veel pensioenfondsen worden hier op dit moment niet door beperkt. Hier op een andere manier mee omgaan betekent niet dat voor veel pensioenfondsen ineens op korte termijn ruimte komt om extra te indexeren. Dat zou alleen kunnen gelden voor pensioenfondsen met zeer hoge dekkingsgraden. De meeste pensioenfondsen hebben meer aan de versoepelde indexatieregels die in het transitie-ftk zijn opgenomen. Ook daar moeten pensioenfondsbesturen afwegen of zij het gebruik van die regels evenwichtig achten.

De nieuwe pensioenovereenkomsten kennen een andere vorm van fiscale behandeling omdat de aard van de overeenkomsten wijzigen. Daarom verdwijnt dit «genoeg is genoeg»-effect in het nieuwe pensioenstelsel. In het transitie-ftk is echter nog sprake van uitkeringsovereenkomsten en daarmee van de huidige fiscale spelregels. Het schrappen van de fiscale maxima vereist volgens de begrotingsregels het vinden van financiële dekking elders.

60.

De regering schrijft in antwoord op vraag 365 van de fractie van 50Plus: «De formele uitoefening van het hoorrecht kan pas plaatsvinden indien het concept transitieplan gereed is, maar dient op een zodanig tijdstip te worden gevraagd dat de ingebrachte standpunten van deze verenigingen meegenomen kunnen worden.»

  • a. Ziet de regering dat deze toetsing achteraf in praktijk niet of nauwelijks tot aanpassingen zal leiden, omdat sociale partners dan al feitelijk een eigen akkoord hebben bereikt?

  • b. Onderschrijft de regering dat het nodig is om de verenigingen van gepensioneerden en slapers daadwerkelijk bij het transitieplan te betrekken teneinde voldoende draagvlak te creëren?

De regering heeft bezien hoe de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel het best vormgegeven kan worden met borging van de belangen van alle belanghebbenden. De regering heeft gekozen voor een zwaarwichtig gebalanceerd pakket aan collectieve waarborgen. Een hoorrecht voor een vereniging van gewezen deelnemers of voor een vereniging van pensioengerechtigden maakt onderdeel uit van dit pakket. Het hoorrecht voor gewezen deelnemers en pensioengerechtigden in de arbeidsvoorwaardelijke fase over het transitieplan is geïntroduceerd omdat gewezen deelnemers en gepensioneerden veelal minder betrokken zijn bij de onderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling en zij dan ook geen formele positie hebben bij de afspraken die sociale partners maken over het voornemen om de bestaande pensioenrechten in te varen in de nieuwe pensioenregeling. Met het hoorrecht worden verenigingen van pensioengerechtigden en verenigingen van gewezen deelnemers in de gelegenheid gehoord te worden over het transitieplan. Aan sociale partners is de oproep gedaan om het hoorrecht al vroegtijdig in het proces te benutten.

Het hoorrecht betekent niet dat de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden niet sowieso al worden meegewogen aan de arbeidsvoorwaardelijke onderhandelingstafel. Sociale partners houden tijdens de onderhandelingen immers ook rekening met de belangen van alle (voormalig) werknemers, dus ook met de belangen van gewezen deelnemers en gepensioneerden. Het is daarbij voorstelbaar dat sociale partners al vroegtijdig contact hebben met de verenigingen die zich hebben gemeld. Sociale partners moeten immers zorgen voor een evenwichtig transitieplan, waarvoor genoemde verenigingen mogelijk waardevolle inzichten kunnen meegeven. Daarnaast kan het vroegtijdig betrekken van deze verenigingen het draagvlak voor de transitie vergroten. Het is echter aan sociale partners om te besluiten hoe zij hun proces vormgeven. Of het hoorrecht daadwerkelijk leidt tot aanpassingen aan het transitieplan is op voorhand niet te zeggen, dat zal onder andere afhangen van de inbreng van de verenigingen en de afweging die sociale partners vervolgens maken.

61.

Antwoord op vraag 7 pagina 11. In dit antwoord geeft u aan dat de deelnemers een offerte krijgen op grond van waarvan zij kunnen besluiten om wel of geen in gang te zetten. Nieuw is dat er bij de solidaire regeling een solidariteitsreserve is die invloed zal hebben op de uitkering van de deelnemer. Kunt u aangeven hoe u deze effecten zowel in de oude regeling als in de nieuwe regeling expliciet duidelijk wil maken voor de deelnemer? Kunt u dat ook doen voor het kort- en het langlevenrisico?

De ontvangende pensioenuitvoerder verstrekt de (voorlopige) opgave aan de deelnemer waarmee de deelnemer inzicht wordt gegeven in de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende pensioenuitvoerder, zullen worden behandeld. Zowel de ontvangende als de uitgaande pensioenuitvoerder hoeft daarbij geen informatie te verstrekken over de financiële positie van het pensioenfonds, over bepaalde vermogensbestanddelen (zoals een solidariteitsreserve) of de wijze waarop met risico’s wordt omgegaan (zoals het kort- en langlevenrisico). De deelnemer dient, net zoals nu, zelf te bepalen of waardeoverdracht gunstig is, waarbij ook de financiële positie van het pensioenfonds (en daarmee hoogte van de reserves) een rol kunnen spelen. De pensioenuitvoerder kan de deelnemer hier uiteraard op wijzen. Als de deelnemer nadere informatie wenst om zijn keuze te kunnen maken, kan hij bijvoorbeeld de website van de pensioenuitvoerder raadplegen of zijn jaarlijkse pensioenoverzicht met informatie over zijn pensioenregeling. Waar, indien van toepassing, tevens informatie te vinden is over de solidariteits- of risicodelingsreserve.

62.

Antwoord op vraag 24 pagina 19. Naar aanleiding van de vraag en het antwoord. Inhaalindexatie kan gezien worden als een optie. Bij een hoge dekkingsgraad heeft deze optie een hogere waarde dan bij een lage dekkingsgraad. Is het op grond van de wet toegestaan dat uitdeling uit de solidariteitsreserve eerst naar degene met een indexatieachterstand uit het verleden gaat, zodat deze achterstand alsnog ingehaald kan worden?

Het pensioenfonds bepaalt zelf aan welke groep deelnemers, slapers en gepensioneerden bescherming via de solidariteitsreserve wordt gegeven. Wel dient van te voren vast te staan dat de uitdeel- en vullingsregels evenwichtig zijn en dient voorkomen te worden dat een bepaalde groep deelnemers alleen uit de solidariteitsreserve krijgt uitgedeeld maar geen bijdrage levert bij de vulling van de betreffende reserve.

63.

Antwoord op vraag 32 pagina 21. In uw antwoord schrijft u: «Na ingang van het pensioen zou het gemiddeld de inflatie moeten kunnen worden bijgehouden.» Kunt u aangeven vanaf welke beleggingsmix u een koopkrachtig pensioen verwacht en welke risico’s de gepensioneerden hierbij lopen. Dat wil zeggen hoeveel koopkracht verlies treedt er gemiddeld op in een jaar met een lager dan verwacht rendement en hoeveel koopkrachtverlies er in één jaar ontstaat in een voor dat jaar pessimistisch scenario? De vraag heeft dus niet betrekking op cumulatieve resultaten, maar op de resultaten in één jaar. Eerder is door Confident berekend wat dit voor gepensioneerden zou betekenen. Heeft u redenen om aan te nemen dat dezelfde berekeningen nu tot betere resultaten zouden leiden? Zo ja, welke resultaten zijn dit dan en vindt u dat deze resultaten werkelijk aan gepensioneerden aangeboden kunnen worden.

In mijn brief van 6 oktober 2022 aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het wetgevingsoverleg Wet toekomst pensioenen52 heb ik over de benodigde beleggingsmix voor het bijhouden van de verwachte inflatie op de lange termijn een rekenvoorbeeld gegeven. Daarbij heb ik toen ook een aantal nuances geplaatst. Ten eerste, dat er sprake is van een sterke vereenvoudiging van de werkelijkheid. Daarbij is ervan uitgegaan dat de nominale rente en ook het verwachte aandelenrendement niet verandert als de inflatie hoog is. Dat is een extreme veronderstelling. In de praktijk zal een hogere inflatie ook doorwerken op de rente en het aandelenrendement, waarmee een heel ander beeld ontstaat. Bij een hogere rente worden pensioenen goedkoper en kunnen dus hogere pensioenen uit het persoonlijk pensioenvermogen worden onttrokken. Dat effect komt in deze tabel echter niet terug, omdat de rente en het aandelenrendement in dit rekenvoorbeeld constant is verondersteld.

Ook heb ik toen aangegeven dat in de bestaande uitkeringsregelingen de mate waarin de inflatie kan worden bijgehouden eveneens afhankelijk is van het gemaakte overrendement. Bij een (hele) lage rente met een hoge inflatie is een reëel pensioen duur. Dit is onafhankelijk van het contract waarin wordt deelgenomen. In die zin kan gesteld worden dat de uitkomsten van de bovengenoemde berekeningen ook van toepassing zijn op de bestaande uitkeringsregelingen.

Inflatie speelt op termijn een vergelijkbare rol in de huidige uitkeringsregelingen als in de nieuwe contracten. Doordat het nieuwe contract eerder perspectief biedt op pensioenverhogingen, biedt het evenwel meer zicht op een koopkrachtiger pensioen, in vergelijking tot het huidige ftk-contract. Uit Netspar-berekeningen komt het beeld naar voren dat de uitkering in de solidaire premieregeling met grote kans hoger is dan die in de uitkeringsovereenkomst, doordat in het nieuwe pensioencontract eerder toeslagen worden gegeven. In deze berekeningen is uitgegaan van een beleggingsmix met 35% aandelen in de uitkeringsfase van het nieuwe contract.

De vraag hoeveel koopkrachtverlies er in één jaar ontstaat in een voor dat jaar pessimistisch scenario is niet in algemene zin te beantwoorden. Dat hangt bijvoorbeeld af van de vraag hoe pessimistisch dit economische scenario is, waarbij niet alleen rendementen op zakelijke waarden een rol spelen, maar bijvoorbeeld ook de renteontwikkeling van invloed is. Bovenstaande resultaten zijn nog steeds van toepassing.

64.

Antwoord op vraag 33 pagina 22. Zou u de tweede vraag «of de risicocapaciteit van de gepensioneerden voldoende is om het gewenste koopkrachtig pensioen te bewerkstelligen» alsnog willen beantwoorden?

De mogelijkheden van gepensioneerden om risico te dragen wordt door elk pensioenfonds bepaald. Deze mogelijkheden zullen dus ook verschillen tussen pensioenfondsen. Of het beleggingsrisico dat gepensioneerden voldoende is voor een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen zal verder afhankelijk zijn van de wijze waarop het pensioenfonds de instrumenten zoals een direct beschermingsrendement, de solidariteitsreserve en het projectierendement inzetten maar ook van de economische omstandigheden zoals de inflatie en de rente.

65.

Antwoord op vraag 34 pagina 22. In dit antwoord geeft u aan dat het bijhouden van inflatie alleen mogelijk is als voldoende in inflatie gerelateerde producten wordt belegd. Anders ontstaat volgens uw antwoord een ongewenste herverdeling. Gepensioneerden zouden natuurlijk een overrendement toegekend kunnen krijgen gelijk aan de gerealiseerde inflatie van het afgelopen jaar. Kunt u aangeven hoe dit idee afwijkt van het toekennen van een beschermingsrendement voor het verstrijken van de tijd. Ook hiervoor wordt immers niet 100% in veilige vastrentende waarden belegd.

Het overrendement bestaat uit het totaal behaalde rendement in een bepaald jaar minus het in totaliteit toebedeelde beschermingsrendement. Het overrendement kan dus ook negatief zijn in een bepaald jaar en is dus niet geschikt om altijd de inflatie bij te houden. Inflatiegerelateerde beleggingen doen dat wel. Het beschermingsrendement voor het/ verstrijken van de tijd bestaat uit een risicovrije rentevergoeding en is dus gebaseerd op een veilige, vastrentende belegging.

66.

Antwoord op vraag 35 pagina 23. In dit antwoord schrijft u «In algemene zin sta ik positief tegenover mogelijkheden om de stabiliteit en de kans op waardevastheid van uitkeringen te vergroten.». Bedoeld u met stabiliteit nominale stabiliteit en niet reële stabiliteit? Bent u het ermee eens dat nominale stabiliteit eigenlijk schijnzekerheid is? Bent u het ermee eens dat een nominale stabiele uitkering niet nodig is als reële stabiliteit in voldoende mate geboden wordt? Kunt u aangeven welke mate van reële stabiliteit hiervoor nodig is?

Nominale stabiliteit en het streven naar een pensioen dat zo waardevast mogelijk is, hoeven elkaar niet uit te sluiten. Enerzijds kan via nominale beschermingsrendementen in verschillende gradaties nominale stabiliteit worden geboden, terwijl anderzijds via de toedeling van overrendementen perspectief op pensioenverhogingen kan worden geboden. Uiteraard is volledige reële stabiliteit voor alle deelnemers en pensioengerechtigden en in alle omstandigheden het mooiste, maar om dit te kunnen bieden zijn voldoende reële beleggingen noodzakelijk en die zijn helaas niet beschikbaar.

67.

Antwoord op vraag 3 pagina 30. In dit antwoord schrijft u: «Vanwege deze veranderingen zal het beleggingsrisico per pensioenuitvoerder mogelijk iets veranderen ten opzichte van het huidige pensioenstelsel, maar grosso modo zal dit op macro niveau naar verwachting vergelijkbaar blijven. Op dit moment is de gemiddelde beleggingsmix ongeveer 50/50 aandelen/vastrentende waarden. Voor jongere wilt u toestaan tot 150% in zakelijke waarden te beleggen. Voor gepensioneerden is ongeveer 50% in zakelijke waarden nodig voor een koopkrachtig pensioen. Kunt u aangeven hoe u dit voor zich ziet? Verwacht u dat voor gepensioneerden minder dan 50% in zakelijke waarden belegd zal worden? Zo ja welk effect op de koopkracht verwacht u hiervan?

In het ontwerpbesluit toekomst pensioenen wordt aangegeven dat het beleggingsrisico tot pensioendatum moet afnemen. De mate waarin dit beleggingsrisico afneemt naarmate de pensioendatum nadert is een beslissing van het pensioenfonds. Het pensioenfonds zal een afweging maken tussen het belang van een zeker pensioen ten opzichte van het belang van eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen op het moment dat zij een beslissing hierover neemt. Daarbij zal zij ook de economische omstandigheden in ogenschouw nemen, waaronder de rente en dat zij meerdere instrumenten voor inflatiebescherming tot haar beschikking heeft. Dit alles zal mede bepalen welk percentage zakelijke waarden zal worden gehanteerd voor gepensioneerden.

68.

Antwoord op vraag 11 pagina 34. Mensen met een hogere opleiding hebben vaak een grote inkomen en leven ook vaak langer. Dit is een vorm van ongewenste solidariteit. Is het toegestaan om in een pensioen fonds de sterftekansen in de uitkeringsfase afhankelijk te maken van de hoogte van de uitkeringen, zodat deze vorm van ongewenste solidariteit beperkt of ongedaan gemaakt kan worden?

Ik ga er vanuit dat bedoeld is of het toegestaan is de hoogte van de uitkering afhankelijk te maken van de sterftekansen binnen een leeftijdscohort. Dit is niet toegestaan bij pensioenregelingen van verplichtgestelde pensioenfondsen. Bij niet-verplichtgestelde pensioenregeling bepalen de sociale partners of de werkgever de pensioenregeling en daarmee de mate van solidariteit tussen verschillende deelnemersgroepen. In algemene zin geldt dat met een groter risicodraagvlak langlevenrisico’s beter gedragen kunnen worden.

69.

Antwoord op vraag 26 pagina 40. In uw antwoord verwijst u naar berekeningen van Ortec. Kunt u aangeven welke berekeningen u bedoelt? In uw antwoord geeft u aan dat los van renteafdekking de zakelijke waarden met 67% moeten dalen om tot een negatief vermogen te komen. Kunt u ook aangeven hoeveel procent dit is bij een renteverandering van 1% in geval van 100% en 0% renteafdekking?

De berekeningen waar naar wordt gevraagd zijn opgenomen in het openbaar toegankelijke Ortec-paper «Opheffen leenrestrictie binnen het Nieuwe Pensioencontract lijkt free lunch» van augustus 2021.53 Wat betreft de invloed van een renteverandering op het pensioenvermogen, geldt dat deze gevoeligheid afhankelijk is van de looptijd. Hierover zijn dus geen algemene uitspraken te doen. De leenrestrictie kan eventueel worden opgeheven bij de jongste deelnemers. Juist voor die groep is niet erg aannemelijk dat het renterisico zal worden afgedekt. Het is dus niet vreemd om bij de opheffing van de leenrestrictie alleen naar het risico op een daling van zakelijke waarden te kijken.

70.

Antwoord op vraag 13 pagina 52. Uw antwoord op deze vraag onderbouwt u met een tabel uit Netspar Design paper 203. Klopt het dat bij deze berekeningen is uitgegaan van de KNW(1,5%) scenarioset? Klopt het dat in deze scenarioset een inflatie wordt veronderstelt die langzaam toegroeit naar 1,3%? Klopt het dat deze inflatie beduidend lager is dan de inflatie in Nederland in de periode 1997–2020, waarin de inflatie al bijzonder laag was? Klopt het dat als van een realistischere, maar nog steeds lage inflatieverwachting van 2% zou zijn uitgegaan dat de cijfers in het voordeel van het huidige contract zouden veranderen?

  • a. Klopt het dat in deze berekeningen is rekening gehouden met de toen geldende lage dekkingsgraad van pensioenfondsen en dat de kans op korting in het eerste jaar daarmee ongeveer 50% was?

  • b. Klopt het dat als uitgegaan zou zijn van de huidige dekkingsgraden en dus nauwelijks kans op een korting in de eerste 5 jaar, dat de uitkomsten in het voordeel van het huidige contract zouden veranderen?

  • c. Klopt het dat in de berekeningen is uitgegaan van de premiedekkingsgraad van 100%?

  • d. Klopt het dat de werkelijke premiedekkingsgraad in de laatste drie jaar ongeveer 70% was?

  • e. Klopt het dat als in de berekeningen rekening was gehouden met de werkelijke premiedekkingsgraad van ongeveer 70% dat de uitkomsten in het voordeel van het huidige contract zouden veranderen?

Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 71 beantwoord. In Netspar Design paper 203 wordt het huidige FTK-contract vergeleken met de solidaire premieregeling. Hierbij is van belang dat met betrekking tot economische variabelen, hoogte van premies en uitgangspositie van het pensioenfonds dezelfde veronderstellingen worden gemaakt. Dat is in deze studie het geval. Daarbij is ook gekeken naar de gevoeligheid van de uitkomsten voor een dekkingsgraad onder de 100%. Dit veranderde de hoofdconclusies niet.

71.

Antwoord op vraag 15 pagina 53. In uw antwoord gaat u er van uit dat reële of koopkrachtgerichte sturing betrekking heeft op de inflatieverwachting. Je kan een koopkrachtgerichte sturing echter ook richten op de gerealiseerde inflatie. Het voordeel hiervan is dat de gerealiseerde inflatie niet afhankelijk is van marktverwachtingen, maar gewoon objectief door het CBS wordt vastgesteld. Als u voor koopkrachtgerichte sturing de gerealiseerde inflatie als uitgangspunt neemt, welke mogelijkheden ziet u dan voor koopkrachtgerichte sturing?

In het eerdere antwoord waarnaar de vragensteller verwijst, is er reeds vanuit gegaan dat jaarlijkse de gerealiseerde inflatie in ogenschouw wordt genomen, waartoe vragensteller verzoekt. Om in het voorstel van de vragensteller tot een faire verdeling voor alle generaties binnen het pensioenfonds te komen, moet deze gerealiseerde inflatie worden afgezet tegen een evenwichtsprijs voor inflatie. Is de gerealiseerde inflatie hoger dan deze evenwichtsprijs, dan krijgen de pensioengerechtigden een inflatievergoeding, is de gerealiseerde inflatie lager dan betalen de gepensioneerden een vergoeding aan de actieve deelnemers voor hun bescherming bij hoge inflatie.

Er gaan dan dus extra geldstromen tussen de persoonlijke pensioenvermogens ontstaan. Dat komt de transparantie en uitlegbaarheid van het pensioenstelsel niet ten goede. Bovendien is een objectieve evenwichtsprijs niet goed vast te stellen, omdat de markt beperkt is. Het is dus maar de vraag of de prijsvorming in deze markt een goed beeld geeft van de risico’s en de gewenste beloning hiervan. In ieder geval wordt opnieuw een technische verdeelsleutel van het collectieve fondsvermogen geïntroduceerd – vergelijkbaar met de rekenrente in het huidige pensioencontract – die tot een hernieuwd generatiedebat over de verdeling van het collectieve fondsvermogen kan leiden.

72.

Antwoord op vraag 1 pagina 56. In uw antwoord geeft u aan dat het nieuwe pensioencontract het mogelijk maakt een ende te maken aan de spagaat tussen het streven naar nominale zekerheid en een koopkrachtig pensioen. Kunt u aangeven op welke punten de uitkering in de WTP beïnvloed wordt door nominale gerichte wetgeving en op welke punten de uitkering beïnvloed wordt door koopkrachtgerichte wetgeving? Is hiermee in uw ogen het streven naar nominale zekerheid in voldoende mate beperkt om een koopkrachtig pensioen mogelijk te maken?

In het nieuwe pensioenstelsel wordt er geen nominale toezegging gedaan zoals dat in het huidige pensioenstelsel het geval is. In het bestaande pensioenstelsel worden daardoor behaalde overrendementen langer vastgehouden in buffers. In het nieuwe pensioenstelsel zijn de buffers kleiner en worden overrendementen eerder toebedeeld aan deelnemers en gepensioneerden. Er had ook gekozen kunnen worden om geen buffers te hanteren, dan konden er waarschijnlijk vaker verhogingen plaatsvinden in het nieuwe pensioenstelsel. Tegelijkertijd geldt dat de solidariteitsreserve meer zekerheid kan bieden wanneer resultaten tegenvallen en kan door risicodeling een beter resultaat worden behaald. Er is daarom gekozen dat de reserves een omvang hebben van maximaal 15% van het pensioenfondsvermogen. Daarmee is er voldoende mogelijk gemaakt om eerder perspectief te bieden op een koopkrachtig pensioen.

73.

In uw antwoord verwijst u ook naar onderzoeken van CPB, Netspar en DNB. Kunt u aangeven welke onderzoeken u bedoelt, zonder daarbij gebruik te verwijzen naar onderzoeken die gebaseerd zijn op de KNW(1,5%) scenarioset of op de APG Marker implied scenarioset?

Het Centraal Planbureau heeft in 2019 en 2020 verschillende berekeningen gemaakt waarin de effecten van de overgang op nieuwe pensioencontracten inzichtelijk zijn gemaakt. Zie onder meer de CPB-notitie Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en een overgang naar een vlak premiepercentages (2020; bijlagen bij Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). Bij deze berekeningen is gebruik gemaakt van genoemde scenariosets, het is echter niet duidelijk waarom hier niet verwezen naar zou kunnen worden. In het Netspar rapport «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract» (2022) zijn berekeningen gemaakt die de inkomenseffecten inzichtelijk maken van de overstap op het nieuwe pensioenstelsel op het moment van invaren en op de langere termijn. DNB heeft meerdere berekeningen uitgevoerd.54 Deze berekeningen zijn ook onderdeel van de documenten behorend bij Kamerstuknummer 36067.

74.

Antwoord op vraag 2 pagina 56. Kunt u globaal aangeven hoeveel koopkrachtiger het pensioen gemiddeld in de komende 10 jaar gaat worden? Kunt u dit antwoord geven voor de situatie met en zonder het effect van invaren?

De werkelijke uitkomsten van pensioencontracten zijn afhankelijk van de economische ontwikkelingen. Dat geldt zowel voor de bestaande uitkeringsovereenkomst, als voor de pensioencontracten die in het wetsvoorstel zijn opgenomen. Wel kunnen doorrekeningen helpen om globaal zicht te krijgen op de verwachte effecten. In het Netsparrapport «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract» zijn berekeningen gemaakt die de inkomenseffecten inzichtelijk maken van de overstap op het nieuwe pensioenstelsel op het moment van invaren en op de langere termijn. De tabel hieronder, waarbij is uitgegaan van een dekkingsgraad van 100% op het moment van invaren naar het nieuwe pensioenstelsel, laat zien dat in veruit de meeste gevallen de uitkeringen hoger zijn dan in het huidige ftk-contract. De analyse is gemaakt met een solidaire premieovereenkomst. In de jaren na invaren blijkt dat de uitkering in de solidaire premieovereenkomst meestal hoger ligt dan die op basis van de uitkeringsovereenkomst, ongeacht de horizon waarnaar gekeken wordt. Na vijf jaar is de kans op een hogere uitkering in de solidaire premieovereenkomst bijvoorbeeld 73 procent. Dit is het gevolg van het eerder indexeren in de solidaire premieovereenkomst en het feit dat geen nieuwe buffer wordt opgebouwd. Op een termijn van tien jaar of meer kunnen de verschillen in pensioenuitkomsten aanzienlijk zijn, de kans is 87% dat de uitkering hoger is dan onder het huidige pensioenstelsel, en 64% dat de uitkering meer dan 2,5% hoger dan is onder het huidige pensioenstelsel. De kans dat de uitkering aanzienlijk lager is, is veel kleiner. In het bestaande pensioenstelsel worden behaalde overrendementen langer vastgehouden in buffers. Bij hoge dekkingsgraden kan er als gevolg hiervan in één keer meer vermogen beschikbaar zijn voor indexatie, maar dat is een gevolg van het langer vasthouden van vermogen in buffers in de jaren daarvóór.

75.

Antwoord op vraag 5 pagina 57. In uw antwoord geeft u aan dat pensioenen eerder omhoog kunnen in het nieuwe stelsel. Klopt dit antwoord ook als pensioenfondsen een dekkingsgraad hebben die boven de grans van het vereist vermogen liggen? Weegt het eerdere kunnen verhogen bij een lage dekkingsgraad op lange termijn op tegen het lagere rendement dat in de pensioenfase wordt toegekend?

Zoals ook in het antwoord op de bovenstaande vraag uiteen is gezet biedt het nieuwe pensioenstelsel naar verwachting eerder zicht op een koopkrachtig pensioen. Dat effect is het grootst bij lagere dekkingsgraden, omdat er in het huidige pensioenstelsel pas geïndexeerd kan worden vanaf een dekkingsgraad van 110%, terwijl deze begrenzing in het nieuwe pensioenstelsel niet geldt. Bij hele hoge dekkingsgraden biedt het nieuwe pensioenstelsel ook meer ruimte voor pensioenverhogingen, omdat er geen sprake meer is van een fiscale begrenzing op de maximale indexatie (het zogenoemde «genoeg-is-genoeg» principe wordt losgelaten).

76.

Antwoord op vraag 8 pagina 59. Krijgen de deelnemers ook inzicht in de verwachte verhoging en daarmee in de verwachte mate van koopkrachtbehoud na pensionering? Zo niet, kan dit dan toegevoegd worden?

Deelnemers krijgen in het nieuwe pensioenstelsel meer inzicht in de ingelegde premie, het opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Door de communicatie over het persoonlijk (voor de uitkering gereserveerde) vermogen wordt inzichtelijker hoe de pensioenopbouw tot stand is gekomen. Deelnemers krijgen daarnaast (net als nu) inzicht in de verwachte pensioenuitkering tijdens pensionering, in drie scenario’s. Daarnaast biedt de transitie-informatie inzicht in de (verwachte) pensioensituatie voor en na de transitie. Op deze wijze hebben deelnemers inzicht in hun toekomstige pensioensituatie. Het eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen volgt (daarnaast) uit de keuze voor en inrichting van de pensioencontracten. Sociale partners maken keuzes en de uitwerking daarvan is, al dan niet via de pensioenuitvoerder, in bijvoorbeeld fondsdocumenten, plannen of informatie-uitingen inzichtelijk voor deelnemers.

77.

Antwoord op vraag 6 pagina 65 en antwoorden pagina 75. In uw antwoord geeft u aan dat ook gevraagd kan worden naar het belang dat deelnemers hechten aan een nominaal stabiel of koopkrachtig pensioen. Betekent dit voor deze categorieën dan ook aparte cohorten gemaakt mogen worden met een eigen rendementstoerekening? Betekent dit dat in het extreme geval er een rendementstoedeling op individueel niveau mogelijk is?

In het ontwerpbesluit toekomst pensioenen wordt aangegeven dat de risicohouding per leeftijdscohort moet worden vastgesteld. Bij de solidaire premieregeling betekent dit dat voor elk leeftijdscohort rekening kan worden gehouden met de mate waarin deelnemers hechten aan een nominaal stabiel of eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen. Bij de flexibele premieregeling is het mogelijk om verschillende profielen te formuleren waar de mate waarin deelnemers hechten aan een nominaal stabiel pensioen of een koopkrachtig pensioen tot uitdrukking kunnen worden gebracht. Het pensioenfonds heeft dan de mogelijkheid om deelnemers op individueel niveau te laten kiezen tussen deze profielen in de opbouwfase. Die mogelijkheid is er niet bij de solidaire premieregeling.

78.

Antwoord op vraag 70 pagina 108. De vraag is niet goed beantwoord. De vraag was of de lagere rendementstoerekening na pensionering naar verwachting voldoende is voor een koopkrachtig pensioen. Kunt u deze vraag alsnog beantwoorden?

De mogelijkheden van gepensioneerden om risico te dragen wordt door elk pensioenfonds bepaald. Deze mogelijkheden zullen dus ook verschillen tussen pensioenfondsen. Of het beleggingsrisico van gepensioneerden voldoende is voor een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen zal verder afhankelijk zijn van de wijze waarop het pensioenfonds de instrumenten zoals een direct beschermingsrendement, de solidariteitsreserve en het projectierendement inzetten maar ook van de economische omstandigheden zoals de inflatie en de rente.

79.

Antwoord op vraag 74 pagina 111. De vraag ging over de vertegenwoordiging van de werkgever, terwijl het antwoord over de vertegenwoordiging van de gepensioneerden gaat. Kunt u de vraag alsnog beantwoorden?

Vraag 74 was zo begrepen of de regering voornemens was een grotere vertegenwoordiging van gepensioneerden te regelen. De regering meent dat door een goede balans van alle vertegenwoordigers in het pensioenfondsbestuur, het bestuur in staat is om alle belangen evenwichtig af te wegen. Daar waar het gaat om de vertegenwoordiging van de werkgever in het bestuur van het pensioenfonds ziet de regering geen aanleiding om wettelijk te regelen dat de werkgever een beperktere of zelfs geen rol meer heeft in het pensioenfondsbestuur. Overigens zal conform de hiertoe aangenomen motie55, nader onderzocht worden of na de invoering van de Wet toekomst pensioenen de vertegenwoordiging door de belanghebbenden in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming binnen het nieuwe pensioenstelsel. Tot slot kan het pensioenfonds er ook voor kiezen om het bestuursmodel met het oog op het nieuwe pensioenstelsel te wijzigen.

80.

Antwoord op vraag 82, 84 en 86 pagina 114 en 115. Bij vraag 82 geeft u aan dat u het rapport van Actuarieel Adviesbureau «Het pensioenakkoord in de eerste helft van 2022» kent. Bij uw antwoord op vraag 86 geeft u aan dat «Degene die meer risico draagt heeft bij een jaar met goede resultaten meer profijt en bij een jaar zonder goede resultaten meer nadeel.» De essentie van het rapport is juist dat dit niet altijd zo uitpakt en dat het ook mogelijk is dat de groep die het meeste risico draagt het minste rendement krijgt, dat het mogelijk is dat de (verwachte) uitkering voor de ene groep stijgt en voor de andere groept daalt en dat het mogelijk is dat de solidariteitsreserve, zoals ingericht in de Memorie van Toelichting, averechts werkt. Wilt u vraag 84 hiermee alsnog beantwoorden?

De uitkomsten uit het aangehaalde rapport, zijn sterk afhankelijk van de gehanteerde aannames, bijvoorbeeld ten aanzien van de ex ante toedeling van beschermings- en overrendementen aan verschillende groepen en aan de solidariteitsreserve. Het negatieve resultaat op het persoonlijke pensioenvermogen van de pensioengerechtigden wordt in deze berekeningen in hoge mate verklaard door het negatieve beschermingsrendement. Dat is een gevolg van de stijging van de rente in de eerste helft van 2022. Juist bij pensioengerechtigden gaat het niet om het vermogen, maar om de uitkeringen die zij ontvangen. Bij een rentestijging wordt de kostprijs van deze uitkeringen lager. Dit compenseert voor het negatieve beschermingsrendement dat bij een rentestijging ontstaat, waardoor uitkeringen stabiel blijven, ongeacht de ontwikkeling van de rente. Dit is ook zo beoogd, omdat hiermee bij een rentedaling bescherming wordt geboden tegen een daling van de uitkeringen.

81.

Antwoord op vraag 88 en 89 pagina 115. Kunt u aangeven welke rapporten van CPB, DNB en Netspar u aan het begin van de tweede alinea van uw antwoord bedoelt, zonder gebruik te maken van rapporten die gebaseerd zijn op de KNW(1,5%)-scenarioset en de APG Market Implied Scenarioset?

Het Centraal Planbureau heeft in 2019 en 2020 verschillende berekeningen gemaakt waarin de effecten van de overgang op nieuwe pensioencontracten inzichtelijk zijn gemaakt. Zie onder meer de CPB-notitie Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en een overgang naar een vlak premiepercentages (2020; bijlagen bij Kamerstukken II 2019/20, 32 043, nr. 519). Bij deze berekeningen is gebruik gemaakt van genoemde scenariosets, het is echter niet duidelijk waarom hier niet verwezen naar zou kunnen worden. In het Netspar rapport «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract» (2022) zijn berekeningen gemaakt die de inkomenseffecten inzichtelijk maken van de overstap op het nieuwe pensioenstelsel op het moment van invaren en op de langere termijn. DNB heeft meerdere berekeningen uitgevoerd.56 Deze berekeningen zijn ook onderdeel van de documenten behorend bij Kamerstuknummer 36067.

82.

Antwoord op vraag 96 pagina 116. Kunt u aangeven welk rapport van Ortec u bedoeld?

Dit betreft het rapport «Opheffen leenrestrictie binnen het Nieuwe Pensioencontract lijkt free lunch», van augustus 2021.57

83.

Antwoord op vraag 97 pagina 117. Kunt u aangeven hoe de aanvulling van het negatief persoonlijk vermogen plaats vindt als de solidariteitsreserve hiervoor onvoldoende ruimte biedt? Komt deze verrekening dan niet automatisch in het overrendement terecht en daarmee bij de overige (gewezen) deelnemers en gepensioneerden?

Het pensioenfonds moet voldoende vermogen beschikbaar hebben om de aanvulling van het negatief persoonlijk vermogen te kunnen uitvoeren. Aanvullingen van negatief vermogen vanuit (over)rendementen kan dus niet.

84.

Antwoord op vraag 98 pagina 117. Kunt u dan aangeven wat de maximale korting is geweest bij de 10 of 25 grootste pensioenfondsen in deze eeuw?

De Nederlandsche Bank publiceert vanaf 2014 de gegevens van individuele pensioenfondsen. Sinds die tijd is de grootste korting bij één van de 25 grootste pensioenfondsen naar totale deelnemersaantal de korting van pensioenfonds Wonen van 3,6% in 2014 geweest.58

85.

Antwoord op vraag 100 pagina 117. U geeft aan dat DNB voor de bepaling van de 1600% heeft aangesloten bij de academische literatuur. Klopt het dat als DNB had aangesloten bij de enige methode die staat genoemd in de Memorie van Toelichting, dat DNB dan tot dezelfde 1600% was gekomen? Is het niet vreemd dat deze methode in de Memorie van Toelichting (zie Lc(i)-formule) ook tot deze resultaten leidt?

Er is inderdaad gebruik gemaakt van Muns en Werker59, omdat in deze studie het collectieve overrendement in de doorrekening zo wordt toebedeeld dat het effect op het te bereiken pensioen voor alle deelnemers gelijk is. Dit uitgangspunt wordt ook in het wetsvoorstel gehanteerd, want dit is de grondslag voor beleggen conform het lifecycle-principe, maar hoeft minder strikt toegepast te worden. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit het feit dat de opheffing van de leenrestrictie is gemaximeerd op 150% zakelijk waardenrisico en het beleggingsbeleid gebaseerd moet worden op de risicohouding, die afhangt van de vraag welke risico’s deelnemers en pensioengerechtigden in een specifieke pensioenregeling kunnen en willen lopen. De door u genoemde formule herken ik niet.

86.

Antwoord op vraag 120 pagina 123. In uw antwoord geeft u aan dat pensioenfondsen op grond van de pensioenwet niet meer mogen indexeren dan de loon- of prijsinflatie. Kunt u aangeven in welk artikel van de Pensioenwet dit vermeld staat? In uw antwoord geeft u ook aan dat er in het nieuwe pensioenstelsel geen fiscale bovengrens op pensioenverhogingen is. Dit is logisch, omdat de premie de toezegging is. Kunt u aangeven met welke maximale inflatie er in de fiscale wetgeving rekening is gehouden bij het vaststellen van de maximale fiscale premie?

In de Pensioenwet is beschreven onder welke voorwaarden toeslagverlening (indexering) kan worden toegekend. De begrenzing op het indexeren met de loon- of prijsinflatie volgt echter niet uit de Pensioenwet, maar is een fiscale begrenzing die volgt uit artikel 18d, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964. Zoals opgemerkt is er in het nieuwe pensioenstelsel geen fiscale bovengrens op pensioenverhogingen. Bij het vaststellen van de maximale fiscale premie in het wetsvoorstel is niet gekeken naar de inflatie, maar is uitgegaan van een reëel rendement van tenminste 1,5% dat behaald dient te worden om de pensioenambitie van 75% van het middelloon in reële termen te kunnen bereiken (zie ook de toelichting in paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel). Voor het aanpassingsmechanisme waarin de premiegrens bijgesteld wordt als de rendementsverwachtingen veranderen, is bij indiening van het wetsvoorstel gerekend met de toen meest actuele scenarioset (derde kwartaal 2021) van DNB op basis van het toen geldende advies van de Commissie Parameters. Een reëel rendement van 1,5% voor de modelportefeuille lag op dat moment bij het 27e percentiel. De maximale inflatie in die scenarioset lag bij 5,5%. Inmiddels is er een nieuw advies van de Commissie Parameters en nieuwe scenariosets op basis daarvan. In die scenariosets wordt uitgegaan van een grotere spreiding in de inflatie met uitschieters naar hogere waarden.60 Er is berekend wat het effect is van de nieuwe scenarioset op de maximale fiscale premie zoals berekend met de in het wetsvoorstel beschreven premiebegrenzing. Ook bij de nieuwe rendementsverwachtingen ligt het 27e percentiel van het reële rendement van de modelportefeuille binnen de bandbreedte die het wetsvoorstel aangeeft en hoeft de fiscale premiegrens niet aangepast te worden.61

87.

Antwoord op vraag 254 pagina 166. Bij uw antwoord op de vragen onder a, b, en c gaat u wel in op de doelstellingen, maar niet op de normen en maatstaven per doelstelling en ook niet op de uitkomsten van uw beoordeling en hoe die zich verhouden tot de norm. Wilt u deze vragen alsnog beantwoorden?

De doelstellingen van de stelselherziening zoals vastgelegd in het pensioenakkoord zijn kwalitatieve doelstellingen, waarbij geen kwantitatieve normen zijn afgesproken. Zoals in het eerdere antwoord was aangegeven kan niet iedere doelstelling met (kwantitatieve) maatstaven worden getoetst. Dit zal per doelstelling kort worden toegelicht. Voor de doelstelling Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen geldt dat vormgeving van de nieuwe pensioencontracten er toe leidt dat gerealiseerde rendementen eerder beschikbaar voor het verhogen van de pensioenen en de opgebouwde pensioenkapitalen. De mate waarin dit gebeurt is echter afhankelijk van de economische ontwikkelingen. De doelstelling Een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel wordt bereikt doordat deelnemers in het nieuwe pensioenstelsel meer inzicht krijgen in de ingelegde premie, het door hen opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Dit is in zichzelf een kwalitatieve doelstelling. Hetzelfde geldt voor de doelstelling Betere aansluiting bij ontwikkelingen in de samenleving en op de arbeidsmarkt. Hierbij geldt dat de nieuwe vormgeving van het pensioenstelsel ertoe leidt dat baanwisselingen of wisselingen tussen werknemerschap en ondernemerschap minder (onvoorziene) gevolgen heeft voor de pensioenopbouw, doordat de manier waarop pensioen wordt opgebouwd niet meer afhankelijk van de arbeidsrelatie. In artikel XIV van de Wet toekomst pensioenen (monitoring en evaluatie) is opgenomen dat de Minister periodiek de Staten-Generaal informeert over de voortgang van de drie doelstellingen. Dit is expliciet toegevoegd aan de evaluatiebepaling op verzoek van de Tweede Kamer.62

88.

Antwoord op vraag 255 pagina 253. Het antwoord van de regering is geen antwoord op de gestelde vraag. Wilt u de vraag alsnog beantwoorden?

In de vraag waar naar wordt verwezen werd gevraagd welke scenarioset of scenariosets zijn gebruikt bij de beoordeling van de doelstellingen. In reactie hierop is aangegeven dat er de afgelopen jaren op verschillende momenten door verschillende instanties berekeningen zijn gemaakt van de effecten van de overgang op de nieuwe pensioencontracten. Hierbij zijn verschillende scenariosets gehanteerd, zoals de KNW-set zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2019, de KNW(1,5%)-set, de APG-market implied set en de scenarioset van de Commissie Parameters 2022 zoals gekalibreerd op 1 juni 2022. Er is met verschillende scenariosets gerekend, omdat in de loop van de tijd nieuwe scenariosets worden ontwikkeld of bestaande scenariosets opnieuw worden gekalibreerd. Het is van belang om te beseffen dat het bij al deze berekeningen gaat om de pensioenuitkomsten van de nieuwe pensioencontracten, afgezet tegen de pensioenuitkomsten van de bestaande uitkeringsovereenkomst. Voor beide contracten wordt dus gerekend met dezelfde scenarioset. Uit al deze berekeningen komt grosso modo hetzelfde beeld naar voren. Doordat er in de nieuwe pensioencontracten wordt gewerkt met lagere buffereisen, heeft dat een positief effect op de verwachte pensioenuitkeringen voor de bestaande deelnemers. Juist het feit dat dit beeld met verschillende scenariosets wordt bevestigd, lijken deze uitkomsten robuust te zijn.

89.

Antwoord op vraag 256 pagina 253. Het antwoord van de regering is geen antwoord op de gestelde vraag. Wilt u de vraag alsnog beantwoorden?

In de vraag waar naar wordt verwezen wordt gevraagd dat indien bij de beoordelingen van de doelstellingen gebruik is gemaakt van de KNW (1,5%)-scenarioset of de APG-scenarioset, ook kan worden aangeven wat de uitkomsten zouden zijn geweest bij gebruik van een meer realistische scenarioset. Zoals aangegeven is in eerdere doorrekeningen van het Centraal Planbureau inderdaad met deze scenariosets gerekend. Ook is aangegeven dat bij de meest recente berekeningen van DNB en van enkele pensioenfondsen is gerekend met de P- en Q-sets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters. Zoals in de vorige vraag ook is aangegeven komt uit al deze berekeningen grosso modo hetzelfde beeld naar voren. Doordat er in de nieuwe pensioencontracten wordt gewerkt met lagere buffereisen, heeft dat een positief effect op de verwachte pensioenuitkeringen voor de bestaande deelnemers.

90.

Antwoord op vraag 258 pagina 168. In uw antwoord gaat u vooral in op de maatregelen die zijn genomen om het nominale pensioen te beschermen. In hetzelfde antwoord geeft u aan dat in het huidige stelsel gehinkt wordt op twee gedachten (nominale bescherming vs reële amibitie). Wordt door het toevoegen van nominale zekerheid het hinken op twee gedachten niet in stand gehouden of juist versterkt? Wilt u alsnog antwoord geven op de gestelde vraag of eerder nog wel van toepassing is bij de huidige dekkingsgraden?

Het nieuwe pensioenstelsel maakt eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen mogelijk door de vereisten voor nominale zekerheid los te laten. In de verschillende doorrekeningen die zijn gemaakt en waar op diverse plekken in de beantwoording naar is verwezen zijn de verwachte uitkomsten in de nieuwe pensioencontracten vergeleken met de verwachte uitkomsten onder het ftk-contract. Deze berekeningen staven dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen. Ook bij de huidige dekkingsgraden is dat het geval omdat onder reguliere ftk-regels maar beperkte indexaties kunnen plaatsvinden. De (hoge) indexaties die in 2022 en 2023 door diverse pensioenfondsen zijn toegekend, zijn grotendeels mogelijk omdat de regels voor indexatie zijn versoepeld in aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel. De versoepelde regels zouden niet gelden zonder het nieuwe pensioenstelsel. In dat geval was de ruimte voor indexatie het afgelopen jaar aanzienlijk beperkter geweest.

91.

Antwoord op vraag 260 en 261 pagina 169. In het antwoord staat dat een beschermingsrendement op basis van de gerealiseerde inflatie niet kan, omdat hiervoor geen objectieve verdeelsleutel beschikbaar is. De gerealiseerde inflatie wordt natuurlijk objectief vastgesteld via de publicaties van het CBS. Kan de regering aangeven wat zij bedoeld met dat er over de gerealiseerde inflatie geen objectieve (markt)informatie beschikbaar is?

In het door u aangehaalde antwoord geef ik aan dat beschermingsrendement dat vooraf bescherming biedt voor onverwachte inflatie niet mogelijk is. Dit is niet mogelijk omdat er (op voorhand) geen objectieve informatie beschikbaar is voor een objectieve verdeelsleutel op basis waarvan het risico op inflatie kan worden gedeeld tussen verschillende leeftijdscohorten. Deze informatie zou af te leiden moeten zijn uit marktinformatie voor inflatiegerelateerde obligaties of inflatieswaps. Hiervoor geldt wel de voorwaarde dat deze voldoende liquide zijn en er voldoende wordt gehandeld in deze waardepapieren. Met name voor looptijden boven de 10 jaar bij inflatieswaps is dit niet het geval.63

92.

Antwoord op vraag 262 en 263 pagina 169. Het antwoord van de regering is geen antwoord op de gestelde vraag. Wilt u de vraag alsnog beantwoorden? In uw antwoord geeft u aan de er inflatiebescherming geboden mag worden tegen onverwachte inflatie. Mag er dan ook inflatiebescherming geboden worden tegen verwachte inflatie?

De eerdere vraag was of bij artikel 10d, derde lid, Pensioenwet toegevoegd kan worden dat stabielere of hogere uitkering niet alleen nominaal, maar ook reëel beoordeeld mag worden. Het genoemde artikel in het huidige wetsvoorstel biedt ruimte om ook in reële termen de collectieve deling van mee-en tegenvallers te beoordelen. Aangezien in de rentevergoeding op staatsobligaties reeds een vergoeding besloten ligt van de verwachte inflatie, biedt het beschermingsrendement voor renterisico reeds bescherming tegen verwachte inflatie. Inflatie bestaat uit een verwacht en onverwachte component. De rentevergoeding biedt geen bescherming tegen onverwachte inflatie. Deze bescherming kan bijvoorbeeld worden geboden via inflatieswaps en inflatiegerelateerde obligaties.

93.

Antwoord op vraag 265 pagina 170. In uw antwoord gaat u in op het te bereiken pensioen voor (gewezen) deelnemers op de pensioendatum. De vraag heeft echter betrekking op de ontwikkeling van het pensioen na de pensioendatum. Wilt u de vraag alsnog beantwoorden?

Het is inderdaad van belang dat mensen weten in welke mate hun toekomstig pensioen koopkracht behoudt. Voor actieve en gewezen deelnemers wordt vooruit gekeken tot de pensioendatum. Voor pensioengerechtigden, met een reeds ingegaan pensioen, wordt tien jaar vooruit gekeken, zolang de pensioengerechtigde niet ouder is dan 95 jaar.

Het behoud van de koopkracht wordt getoond met drie bedragen: het verwacht pensioen op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. Bij de berekening van de bedragen wordt ook rekening gehouden met de inflatieverwachting en met de mogelijkheden die de pensioenuitvoerder heeft om het pensioen in de toekomst te verhogen; het laat dus zien hoe de koopkracht van het pensioen zich ontwikkelt.

De mate van onzekerheid in deze berekeningen wordt groter naarmate verder in de toekomst gerekend moet worden. Om die reden is bij de vooruitblik voor bovengenoemde horizon gekozen. Deze rekenmethode is voorgeschreven zodat de verwachte pensioenbedragen, die een deelnemer of pensioengerechtigde mogelijk heeft bij verschillende pensioenuitvoerders, op een correcte wijze opgeteld kunnen worden.

94.

Antwoord op vraag 275 en 276 pagina 172. In het rapport van de Commissie Parameters wordt een risicopremie op aandelen vermeld. Om op het rendement op aandelen uit te komen moet deze risicopremie bij een rente opgeteld worden. De vragen hadden betrekking op deze rente. Welke rente wordt hiermee bedoeld? Wilt u bij de beantwoording zowel een omschrijving als concrete verifieerbare getallen vermelden?

De Commissie Parameters 2022 adviseert, conform het advies in 2019, om een vaste parameter te hanteren voor het aandelenrendement. De parameter voor het aandelenrendement wordt dus niet afgeleid uit de (risicovrije) rente plus een vaste risico-opslag (de risicopremie op aandelen).

95.

Antwoord op vraag 277 pagina 172. Betekent uw antwoord dat toekomstige gepensioneerden dan straks een andere projectierendement krijgen dan de huidige gepensioneerden?

Toekomstige gepensioneerden kunnen inderdaad bijvoorbeeld op pensioendatum een ander projectierendement krijgen dan de huidige gepensioneerden. Immers het projectierendement is afhankelijk van de dan geldende rentetermijnstructuur. Deze varieert door de tijd.

96.

Antwoord op vraag 278 pagina 172. Het antwoord van de regering is geen antwoord op de gestelde vraag. Wil de regering de vraag alsnog beantwoorden?

De vraag was: Betekent een verhoging van het projectierendement om tot gelijke aanpassingen te komen dat nieuwe gepensioneerden een hogere uitkering krijgen met minder verhogingen in de toekomst? Hoe moet een pensioenfonds hierover communiceren? In welk artikel is dit geregeld?

Bij verhogingen van het projectierendement uit hoofde van gelijke aanpassingen wordt elk jaar het projectierendement aangepast, waardoor niet zonder meer kan worden gezegd of in het volgende jaar de uitkering lager is of hoger ten opzichte van het voorgaande jaar, wel dat iedereen dezelfde procentuele verhoging of verlaging van pensioen heeft. De hoogte van het projectierendement maakt onderdeel uit van de inhoud van de pensioenregeling, in dit geval de solidaire premieovereenkomst. De pensioenuitvoerder dient hierover informatie te verstrekken op zijn website op grond van artikel 46a Pensioenwet.

97.

Antwoord op vraag 279 pagina 172. Artikel 1d van het Besluit toekomst pensioenen handelt over informatie over het opheffen van de leenrestrictie. Kan de regering aangeven hoe dit bij deze vraag betrekking heeft op de informatievoorziening richting gepensioneerden?

Artikel 1d heeft niet specifiek betrekking op de leenrestrictie, maar definieert herverdeling en gaat over gelijke aanpassingen in de collectieve uitkeringsfase. Dit heeft geen betrekking op de informatievoorziening aan gepensioneerden.

98.

Antwoord op vraag 280 pagina 173. Het antwoord van de regering is geen antwoord op de gestelde vraag. Wil de regering de vraag alsnog beantwoorden?

Uw vraag was of op zijn minst de mate waarin na pensioeningang een koopkrachtig pensioen kan worden geboden als doelstelling en als onderdeel van de opdrachtaanvaarding opgenomen moet worden en of dit in de wet kon worden opgenomen.

Dat kan niet, met een dergelijke toevoeging worden weer beloftes gedaan over het toekomstig pensioen. Beloftes van pensioen zullen met een bepaalde mate van zekerheid geboden worden waardoor pensioenfondsen weer hoge buffers moeten aanhouden. Daarmee kunnen de doelen van het wetsvoorstel niet bereikt worden.

99.

Antwoord op vraag 281 pagina 173. Klopt het dat op grond van het antwoord op deze vraag de conclusie getrokken moet worden dat over het afleggen van verantwoording door het bestuur nog niet nagedacht is, dan wel nog geen conclusies vastgelegd zijn?

In vraag 281 wordt gesteld dat het door de risicoprofielen en resultaten per leeftijdscohort moeilijker wordt voor een verantwoordingsorgaan om een oordeel te geven over het handelen van het bestuur. Er wordt gevraagd op welke manier in deze wet rekening wordt gehouden met de extra informatievoorziening die het verantwoordingsorgaan nodig heeft. Met het antwoord is beoogd aan te geven dat wel nagedacht is over de informatievoorziening en verantwoording door het bestuur, maar dat de bestaande bevoegdheden voldoende worden geacht. Immers, op grond van de bestaande wet verstrekt het pensioenfonds desgevraagd aan de fondsorganen tijdig alle inlichtingen en gegevens, die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft. De inlichtingen worden desgevraagd schriftelijk verstrekt. Bij een verzoek tot advies of goedkeuring aan de fondsorganen wordt een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het besluit en van de gevolgen die het besluit naar verwachting voor belanghebbenden zal hebben. Deze bepalingen uit de bestaande wet gelden ook in het nieuwe pensioenstelsel. Het ligt wel in de rede dat de organen nu andere informatie krijgen dan in het huidige pensioenstelsel, omdat zij over andere zaken moeten oordelen als een pensioenfonds overstapt op de uitvoering van een premieregeling, die gepaard gaat met risicoprofielen en resultaten per leeftijdscohort.

100.

Antwoord op vraag 283 pagina 174. Kan de regering aangeven waaruit blijkt dat de artikelen 128, 130 en 130a straks voor pensioenfondsen met een oude regeling nog van toepassing zijn?

In het nieuwe pensioenstelsel kan alleen nog pensioen worden opgebouwd in premieovereenkomsten. De kostendekkende premie speelt in dat type overeenkomst geen rol, aangezien er geen sprake meer is van toegezegde pensioenaanspraken op basis van een uitkeringsovereenkomst, waaruit de hoogte van de kostendekkende premie wordt afgeleid. Het is dus niet zo dat de genoemde artikelen voor pensioenfondsen met een oude pensioenregeling nog van toepassing zijn. Deze artikelen vervallen op het moment dat de overstap naar de nieuwe premieovereenkomsten is gemaakt. Tot die tijd, als er sprake is van uitkeringsovereenkomsten, moet uiteraard wel voldaan worden aan de voorwaarden bij de kostendekkende premie (dit wordt geregeld in het overgangsrecht van artikel 220i van de Pensioenwet). Vanaf 1 januari 2027 kan echter geen sprake meer zijn een uitkeringsovereenkomst waar nog een premie voor verschuldigd is.

101.

Antwoord op vraag 287 pagina 174. Het voordeel van statenverslag is bijvoorbeeld dat de begrippen veel beter gestandaardiseerd zijn dan het jaarverslag, bovendien bevat het meer informatie. Kan de regering anders in ieder geval het statenverslag voor zover het geen vertrouwelijke informatie bevat openbaar laten maken?

De statenverslagen zijn een expliciet instrument voor de toezichthouder, zie ook artikel 147 van de Pensioenwet. Dit betreft dan ook toezichtvertrouwelijke informatie. Informatie die niet toezichtvertrouwelijk is zal ook al te raadplegen zijn via andere bronnen zoals de pensioenovereenkomst, het pensioenreglement, het uniform pensioenoverzicht, de pensioen 1-2-3, maar ook bijvoorbeeld het jaarverslag van het pensioenfonds. Daarom ben ik niet bereid om aparte statenverslagen op te laten stellen met enkel niet toezichtvertrouwelijke informatie. Dat zou onnodig belastend zijn voor de uitvoering.

102.

Antwoord op vraag 290 pagina 175. Zou de regering dezelfde vraag willen beantwoorden, maar dan uitgaande van een neerwaarts risico van 100% in plaats van 50%?

In de DNB-berekeningen van december 2022 is – in lijn met de wetgeving – de risicoblootstelling aan zakelijke waarden gemaximeerd op 150%. In het kader van de vaststelling van de risicohouding wordt bepaald hoeveel beleggingsrisico een bepaalde groep deelnemers kan en wil dragen. De risicohouding bepaalt dus of voor een bepaalde deelnemer sprake is van een passend risico. Daarbij geldt in relatieve zin dat jongere deelnemers economisch meer risico kunnen dragen dan oudere deelnemers. Om te voorkomen dat pensioenvermogens negatief kunnen worden, heeft DNB met de aanname gewerkt dat van leeftijdscohorten met negatieve overrendementen van meer dan 50% het resultaat onder -50% gedragen wordt door het collectief. Het besluit toekomst pensioenen biedt ruimte om in deze uitzonderlijke gevallen de solidariteitsreserve aan te wenden. Indien als aanname zou worden gehanteerd dat alleen bij negatieve overrendementen van meer dan 100% het negatieve resultaat wordt gedragen door het collectief, dan zal dat er mogelijk toe leiden dat de persoonlijke vermogens van jongere deelnemers in zeer uitzonderlijke situaties negatief kunnen worden.

Zoals ook in de eerdere antwoorden is aangegeven, maakt een opheffing van de leenrestrictie tot maximaal 150% blootstelling aan zakelijke waarden, in combinatie met een gediversifieerde beleggingsportefeuille die moet worden aangehouden op grond van de prudent person-regel (artikel 135 Pensioenwet), de kans op een negatief pensioenvermogen in de eerste opbouwjaren vrijwel nihil. Daarnaast is de impact van het beschermingsmechanisme op de uiteindelijke pensioenuitkering voor jonge deelnemers in vergelijking met die van oudere generaties zeer beperkt, omdat voor jongeren de kans op een negatief vermogen zeer klein is en zij nog weinig vermogen hebben opgebouwd. Ook omdat eventuele negatieve vermogensmoeten worden aangevuld vanuit de reserves.

103.

Antwoord op vraag 291 pagina 175. Stikt genomen heeft de regering gelijk als ze stelt dat een blootstelling van meer dan 100% niet hetzelfde is als beleggen met geleend geld. De overeenkomst is echter dat je in beide gevallen belegt met een hefboomwerking en dat je voor beide producten door AFM (en DNB) gewaarschuwd wordt.

  • a. De vraag was of dit een verstandige manier is om jongeren te laten kennismaken met financiële producten en of je de promotie door derden voor producten waarin belegd wordt met een hefboomwerking niet extra moeilijk maakt voor de AFM als je jonge deelnemers hier via het pensioenfonds toe verplicht. Graag een reflectie van de regering op deze vraag.

  • b. Kan de regering ook aangeven wat de bron is van de genoemde 5% tot 7%?

Hier wordt zowel onderdeel a als b van vraag 103 beantwoord. Het gaat bij deze vraag om een afruil tussen de kans op een negatief persoonlijk pensioenvermogen en de kans op een hoger toekomstige pensioenresultaat. Naar mijn mening is hierin een goede balans gevonden met een begrenzing op de opheffing van de leenrestrictie op 150% van het zakelijke waardenrisico. Berekeningen van Aegon Asset Management64 en Ortec65 Finance laten zien dat ondanks deze begrenzing het pensioenresultaat zo met 5% tot 7% omhoog kan gaan.

104.

Antwoord 524 op vraag pagina 238. In het antwoord schrijft de regering «Doordat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen, is het nieuwe pensioenstelsel ten opzichte van het huidige pensioenstelsel koopkrachtiger.» Is dit antwoord niet te kort door de bocht, omdat bijvoorbeeld in de huidige pensioenregelingen ook al geïndexeerd kan worden en omdat er in de uitspraak geen rekening gehouden wordt met de lagere rendementstoerekening voor gepensioneerden?

In de verschillende doorrekeningen die zijn gemaakt en waar op diverse plekken in de beantwoording naar is verwezen zijn de verwachte uitkomsten in de nieuwe pensioencontracten vergeleken met de verwachte uitkomsten onder het ftk-contract. Daarbij is dus ook verondersteld dat onder het ftk-contract de pensioenen verhoogd worden indien de dekkingsgraad dat toelaat en ook dat er bij hele hoge dekkingsgraden inhaalindexatie kan worden verleend. Overigens zijn de (hoge) indexaties die in 2022 en 2023 door diverse pensioenfondsen zijn toegekend, grotendeels mogelijk omdat de regels voor indexatie zijn versoepeld in aanloop naar het nieuwe pensioenstelsel. De versoepelde regels zouden niet gelden zonder het nieuwe pensioenstelsel. In dat geval was de ruimte voor indexatie het afgelopen jaar aanzienlijk beperkter geweest.

105.

Inwerkingtreding. De wet heeft als beoogde datum van inwerkingtreding 1 juli 2023. Dit betekent dat bedrijven die overwegen om voor hun bestaande medewerkers straks over willen stappen op een beschikbare premieregeling daar als de Eerste Kamer hier op 15 mei over stemt, minder dan 6 weken hebben om een regeling te kiezen, de ondernemingsraad om instemming te vragen, de medewerkers in te laten stemmen en de regeling bij een verzekeraar te implementeren. Alleen de instemmingsprocedure van de ondernemingsraad kan al zes weken duren. Kan de regering de datum waarop op een beschikbare premieregeling moet zijn overgegaan verlengen van 1 juli 2023 naar 1 januari 2024?

De datum van 1 juli 2023 is al langere tijd bekend. Werkgevers hebben daarmee voldoende tijd gehad om die overstap te maken, indien zij dat wenselijk achten in het licht van het nieuwe pensioenstelsel. Ik zie geen aanleiding die datum op te schuiven.

106.

Risicohouding. In het nieuwe pensioenstelsel speelt de risicohouding een belangrijke rol. De deel van de risicohouding is de mate waarin een deelnemer risico kan lopen. Hoe kan echter een risicohouding bepaald worden als het pensioen geen doel heeft? Risico is immers geen absoluut begrip, maar gerelateerd aan een doel. Kan de regering haar zienswijze op dit punt geven?

Voor het risicopreferentie-onderzoek geldt dat deze aansluit bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en dat deze in de uitvraag een realistisch beeld geeft van de hoogte van de te verwachten pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering. Op basis van de uitkomsten van het risicopreferentieonderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten wordt een risicohouding per leeftijdscohort vastgesteld in termen van het minimum rendement en het maximum risico dat deelnemers kunnen en willen dragen.

107.

Antwoord 380. Het nut van persoonlijke pensioenvermogens in de uitkeringsfase. De regering heeft geantwoord dat het gebruik van individuele potjes in de uitkeringsfase er voor zorgt dat transparanter is welke risico’s worden gedeeld omdat er geen herverdeling achteraf van de persoonlijke vermogens kan plaatsvinden. Bij vraag 27 van GL en PvdA heeft de regering aangegeven te verwachten dat veel fondsen gebruik zullen maken van de mogelijkheid om jaarlijks achteraf de persoonlijke vermogens te herverdelen om gelijke aanpassing van de uitkering mogelijk te maken. Volgens dit zelfde antwoord gaat de regering er van uit dat de verzekeraars vaker zullen kiezen voor de flexibele regeling zonder individuele potjes.

  • a. Kan de regering nogmaals uitleggen wat het voordeel van de individuele potjes is als zij er van uitgaat dat de meeste fondsen zullen kiezen voor een collectieve regeling zonder individuele potjes dan wel voor het jaarlijks herverdelen van de individuele potjes? Kan de regering uitleggen waarom zij verwacht dat de meeste fondsen zullen kiezen voor een collectieve regeling terwijl zij zelf denkt dat individuele potjes beter zijn?

  • b. Kan de regering uitleggen waarom verzekeraars, die nu doorgaans collectieve regelingen in de uitkeringsfase gebruiken zouden kiezen voor individuele pensioenvermogens in de uitkeringsfase. Volgens diverse pensioenuitvoerders zijn individuele pensioenvermogens in de uitkeringsfase ingewikkelder in de uitvoering dan een collectieve regeling.

Het voordeel van een persoonlijk pensioenvermogen is bijvoorbeeld dat deelnemers er zeker van zijn dat het vermogen dat zij voor hun eigen pensioenvoorziening hebben opgebouwd ook bestemd wordt voor hun eigen pensioen. Uiteraard vindt risicodeling plaats ten aanzien van ten minste het micro-langlevenrisico, omdat pensioenen levenslang uitgekeerd moeten worden. Dat is echter geen ex ante herverdeling van pensioenvermogen, omdat bepaalde generaties niet op voorhand structureel bevoordeeld worden ten opzichte van andere generaties.

Het gebruik van persoonlijk pensioenvermogen in de uitkeringsfase brengt het praktische probleem met zich dat gelijke aanpassingen van alle pensioenuitkeringen lastig is te realiseren. Om die reden is via een amendement het wetsvoorstel aangepast. Daarmee mogen pensioenfondsen ook een collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst hanteren, waarbij de uitkeringen voorop worden gezet. Dat betekent dat enige mate van ex ante herverdeling kan ontstaan. Die mag echter niet groter zijn dan strikt noodzakelijk is om het doel gelijke aanpassingen van uitkeringen te realiseren. Wat betreft verzekeraars geldt dat zij naar verwachting zullen opteren voor de uitvoering van flexibele premieovereenkomsten. Daarbij wordt het opgebouwde kapitaal op pensioendatum omgezet in een vaste of variabele uitkeringenstroom. Van voortzetting van persoonlijke pensioenvermogens in de uitkeringsfase zal naar verwachting bij verzekeraars dus geen sprake zijn.

108.

Antwoord 381 Waarom wordt een systeem van individuele pensioenrekeningen in de uitkeringsfase in het buitenland vrijwel nergens toegepast? De vraag is niet correct beantwoord. Als het individuele vermogen op pensioendatum in een annuïteit wordt omgezet, is er in de uitkeringsfase geen individueel vermogen meer. Het lang-leven risico en het beleggingsrisico ligt dan weer bij de pensioenuitvoerder.

  • a. Waarom neemt de regering niet de moeite om de vragen correct te beantwoorden?

  • b. Waarom denkt de regering dat dit een goed systeem is als het verder vrijwel nergens wordt toegepast en de regering ook zelf aangeeft dat de meeste fondsen en deelnemers de voorkeur geven aan een collectieve uitkeringsfase?

Het wetsvoorstel laat pensioenuitvoerders de ruimte om een collectieve uitkeringsfase te hanteren, zowel in de solidaire als de flexibele premieovereenkomst, als dit hun voorkeur geniet.

109.

Vraag 382 Collectieve uitkeringsfase. Het amendement Palland definieert geen collectieve uitkeringsfase maar een jaarlijkse herverdeling van de individuele potjes van de gepensioneerden. Dit is een wezenlijk ander systeem dan een uitkeringscollectief in de flexibele regeling. Het vereist ook een heel andere administratieve opzet en communicatie met de deelnemers.

  • a. waarom spreekt de regering van een collectieve uitkeringsfase in het solidaire contract terwijl het dat niet is?

  • b. waarom is niet gekozen voor een collectieve uitkeringsfase op dezelfde manier als ook in het flexibele contract mogelijk is?

  • c. Antwoord 384. De zin van individuele vermogens. Via het beschermingsrendement zullen de individuele vermogens in de uitkeringsfase sterk variëren bij renteverandering zonder dat dit gevolgen heeft voor de uitkering. Het is te verwachten dat gepensioneerden zonder actuariële scholing de relatie tussen het persoonlijke vermogen en de uitkering niet zullen begrijpen. Waarom denkt de regering dat communicatie in de uitkeringsfase over het vermogen transparanter is dan communicatie over de uitkering?

Met het amendement Palland is een collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst mogelijk gemaakt. De consequentie daarvan is dat een beperkte mate van ex ante herverdeling kan optreden, omdat gelijke aanpassingen van uitkeringen – en niet langer de persoonlijke pensioenvermogens – als uitgangspunt gehanteerd kunnen worden. Hiermee kan de collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst hetzelfde werken als in de flexibele premieovereenkomst. Ik ben het met u eens dat naarmate de uitkeringsfase nadert of reeds is ingegaan, het belang van communicatie in uitkeringstermen toeneemt. Dat betekent niet dat communicatie over persoonlijke vermogens volledig irrelevant is geworden.

110.

Vraag 385 Indelen van gepensioneerden in leeftijdscohorten. Als uit het risicopreferentie onderzoek blijkt dat de risicohouding van de gepensioneerden varieert met de leeftijd, kan er dan toch een jaarlijkse herverdeling van de individuele vermogens plaatsvinden om tot gelijke aanpassing van de uitkeringen te komen? Volgens de WTP moet bij het spreiden van schokken rekening gehouden worden met de resterende levensverwachting van de deelnemer. Dit heeft tot gevolg dat ook bij gelijke risicohouding er een ongelijke toedeling van rendementen volgt. Vervolgens wordt de ongelijke verdeling die hier uit voortkomt weer gelijk getrokken via het amendement Palland.

  • a. Is de regering van mening dat dit de transparantie ten goede komt?

  • b. Wat is het nut van deze complexe rekenwijze?

  • c. Kan het wetsartikel waarin de spreiding van schokken over de resterende levensduur niet beter geschrapt worden als een fonds een collectieve uitkeringsfase (flexibel contract) of een jaarlijkse herverdeling van de individuele vermogens (solidair contract) gebruikt?

Voor de vaststelling van de risicohouding is het risicopreferentieonderzoek slechts één van de onderdelen. Er moet ook gekeken worden naar deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. Het totaal van deze elementen bepaalt de risicohouding. Die kan gelijk zijn voor alle pensioengerechtigden. Bij een collectieve uitkeringsfase op grond van het amendement Palland mag een gelijke spreiding voor alle gepensioneerden worden gehanteerd, omdat dit leidt tot gelijke aanpassingen van alle pensioenuitkeringen. Deze rekenwijze is dus niet complexer. Met het amendement kan een collectieve uitkeringsfase in de solidaire premieovereenkomst worden gehanteerd waarbinnen ook het risico van spreiding collectief wordt gedragen. Het voorschrift dat bij spreiding rekening moet worden gehouden met de resterende levensverwachting is van toepassing bij een individuele uitkeringsfase.

111.

Vraag 386 Afscheiden vermogen gepensioneerden. Er is gesteld dat het solidaire contract meer solidair is omdat het vermogen van de gepensioneerden niet wordt afgescheiden van de actieven. Nu blijkt dat bij een collectieve uitkeringsfase (flexibel contract) of een jaarlijkse herverdeling van de individuele vermogens (solidair contract) het vermogen van de gepensioneerden toch afgescheiden moet worden.

  • a. Wordt het solidaire contract hierdoor minder solidair? zo ja, kan de regering uitleggen waarom een regeling waarbij alle gepensioneerden dezelfde pensioenaanpassing krijgen, minder solidair is dan een regeling waarbij er per leeftijdscohort een verschillende aanpassing is?

  • b. Is er op dit aspect nu nog verschil tussen het solidaire en het flexibele contract?

  • c. Wordt er bij het flexibele contract ook collectief belegd? Zo ja, wat is hier dan het verschil met het solidaire contract? Zo nee, hoe wordt er dan belegd? Worden er individuele beleggingsrekeningen per deelnemer geopend?

Conceptueel is een contract met één collectief belegd vermogen in de opbouw- en uitkeringsfase meer solidair. Praktisch is de betekenis daarvan beperkt en zal de mogelijkheid om alle pensioenuitkeringen in gelijke mate aan te passen ook als een solidair element van een contract worden gezien. Op dit aspect zie ik geen verschillen tussen het solidaire en flexibele contract. Bij de flexibele premieovereenkomst is ook sprake van collectief beleggen, maar wordt per leeftijdscohort een andere beleggingsmix gehanteerd op basis van het lifecycle-principe. In de solidaire premieovereenkomst wordt daarentegen gewerkt met de toedeling van beschermings- en overrendementen vanuit een collectief, uniform beleggingsbeleid op fondsniveau. Hier is dus sprake van een verschil tussen het solidaire en flexibele contract.

112.

Vraag 387 Risico deling over het hele collectief. Vraag 387 is niet beantwoord. Door de risico’s te delen over alle deelnemers is er een groter risico draagvlak dan bij individuele potjes. Dat grotere risicodraagvlak maakt een hoger rendement voor alle deelnemers mogelijk. Het antwoord van de regering gaat er al van uit dat er individuele potjes zin met een verschillend risicodraagvlak per deelnemer. Kan de regering de vraag als nog beantwoorden?

113.

Vraag 388 verkleining van het risicodraagvlak door individualisering. De vraag was niet wat er in de WTP staat over het opdelen in individuele vermogens maar waarom er gekozen wordt voor het verkleinen van het risicodraagvlak door de individualisering. Kan de regering deze vraag alsnog beantwoorden?

Met dit antwoord wordt zowel vraag 112 als 113 beantwoord. In het nieuwe pensioenstelsel worden risico’s nog steeds collectief gedragen. Van een verkleining van het risicodraagvlak is dan ook geen sprake. Het feit dat de pensioenopbouw voortaan plaatsvindt in de vorm van persoonlijke pensioenvermogens doet daar niets aan af. Daarbij worden de collectief behaalde rendementen volgens het lifecycle-beginsel over deze vermogens verdeeld, passend bij de risicohouding van deelnemers en pensioengerechtigden, zodat een zo optimaal mogelijke risicotoedeling wordt bereikt.

114.

Wat is het verschil tussen het collectief beleggen in de WTP en het collectief beleggen bij een commercieel beleggingsfonds als b.v. Robeco? In commerciële beleggingsfondsen wordt het beleggingsrisico toch ook collectief gedeeld?

Een fundamenteel verschil is dat pensioenuitvoerders beleggen ten behoeve van een levenslange pensioenuitkering en beleggingsfondsen niet. Daarom moeten pensioenuitvoerders ook rekening houden met de kostprijs van pensioen, die wordt bepaald door de stand van marktrentes. Het managen van het renterisico is daarom een belangrijke taak van pensioenuitvoerders.

115.

Wat is het verschil tussen het collectief delen van het nabestaanden risico in de WTP en een commerciële verzekering?

Net als in het huidige pensioenstelsel kan het zogenoemde kortlevenrisico (oftewel het nabestaandenrisico) collectief gedeeld worden ten behoeve van de toezegging van een nabestaandenpensioen in de pensioenregeling. Een nabestaandenpensioendekking in de tweede pijler biedt deelnemers het voordeel dat er geen sprake is van medische keuringen, daar staat tegenover dat er veelal geen individuele keuzes te maken zijn. De premie wordt collectief bepaald, wat betekent dat deelnemers in een pensioenregeling solidair met elkaar zijn. Binnen de grenzen van de taakafbakening is het niet mogelijk dat pensioenfondsen een commerciële individuele verzekering aanbieden ter dekking van het nabestaandenrisico. Verzekeraars kunnen een dergelijk product uiteraard wel aanbieden. Afhankelijk van het te verzekeren bedrag vragen verzekeraars om medische waarborgen of een medische keuring van een individu. De premie wordt afgestemd op de kenmerken van het individu.

116.

Vraag 389 Marktwaarde pensioenaanspraken. De regering heeft geantwoord dat de marktwaarde van een pensioen gelijk is aan de interbancaire swaprente en niet de waarde die een verzekeraar die een pensioenfonds overneemt er aan toekent.

  • a. Is de regering van mening dat een renteswap hetzelfde is als een pensioen?

  • b. Indien een renteswap iets anders is dan een pensioen, waarom wordt dat de prijs van een renteswap gebruikt om de waarde van een pensioen te bepalen?

  • c. Kan de regering uitleggen waarom de prijs die een verzekeraar in een vrije markt vrijwillig toekent aan de pensioenportefeuille van een overgenomen pensioenfonds niet de marktprijs is?

  • d. Verzekeraars hebben een ander disconto dan pensioenfondsen. Volgens de regering staat de waarde van een toekomstige pensioenuitkering los van de juridische vormgeving van het pensioencontract. Kan de regering uitleggen waarom verzekeraars dan een ander disconto hebben dan pensioenfondsen?

  • e. Als de kostprijs bepaald wordt door de risicovrije rente, waarom wordt de premie van het pensioen dan niet gebaseerd op de risico vrije rente? Betekent dit dat de premie geen relatie heeft met de kostprijs van pensioen?

Een renteswap is niet hetzelfde als een pensioen, maar de interbancaire swapmarkt is één van de meest liquide markten ten behoeve van de bepaling van marktrentes met verschillende looptijden. Daarom is deze markt goed geschikt om de actuele waarde van toegezegde pensioenaanspraken te bepalen. Verzekeraars gebruiken voor de waardering van pensioenverplichtingen ook een marktwaarde, maar die heeft een andere grondslag. Bovendien zal de dekkingsgraad van een pensioenfonds een rol spelen in de waardering die verzekeraars aan de portefeuille van een pensioenfonds zullen geven. Verzekeraars dienen bij uitkeringsovereenkomsten een hogere zekerheidsmaat te hanteren dan pensioenfondsen, met bovendien veel kortere hersteltermijnen als tijdelijk niet aan die zekerheidsmaat wordt voldaan. Het pensioencontract is dus niet hetzelfde, maar dat neemt niet weg dat voor de waardering van pensioenaanspraken – zowel in het geval deze bij pensioenfondsen als bij verzekeraars zijn ondergebracht – een marktrente moet worden gebruikt zonder een risico-opslag. Bij uitkeringsovereenkomsten moet de hoogte van de premie altijd worden afgeleid uit de jaarlijkse pensioenaanspraken die zijn toegezegd. Daarom wordt gesproken van een kostendekkende premie. Uitgangspunt daarbij is hantering van de risicovrije rente, maar deze premie mag worden gedempt met een gemaximeerd verwacht rendement op basis van de fondsspecifieke beleggingsportefeuille.

117.

Vragen 390, 391 Rendementstoedeling en kruiskoppeling tussen leeftijdscohorten. De Minister heeft geantwoord: «Het beleggingsrendement wordt ongelijk verdeeld over deelnemers, omdat er rekening wordt gehouden met verschillen in de mate waarin een deelnemer beleggingsrisico kan en wil dragen.»

  • a. Is het de regering bekend dat in het solidaire contract de individuele deelnemer geen enkele zeggenschap heeft over de risico- en rendementstoedeling? Heeft dit niet tot gevolg dat er in het solidaire contract juist geen rekening wordt gehouden met de mate waarin een deelnemer beleggingsrisico kan en wil dragen?

In het solidaire en flexibele contract wordt rekening gehouden met het risico dat een deelnemer wil dragen op basis van de uitkomsten van een verplicht voorgeschreven risicopreferentieonderzoek, als onderdeel van de vaststelling van de risicohouding per leeftijdscohort. Vervolgens moet het beleggingsrisico hierop afgestemd worden. Op deze wijze wordt rekening gehouden met het beleggingsrisico dat een deelnemer kan en wil dragen.

b.

In de Kamerbrief impactberekeningen Commissie Parameters 2022 door DNB en pensioenfondsen, staat het effect van rentesprongen op de rendementstoedeling per leeftijdscohort niet uitgewerkt. Kan de regering hier alsnog voorbeeld berekeningen voor geven?

Rentesprongen hebben impact op de rendementstoedeling. Een geïsoleerde parallelle opwaartse renteschok leidt in de regel tot een negatieve rendementstoedeling voor alle leeftijdscohorten (en vice versa). De exacte toedeling hangt sterk af van zowel de toedelingsregels die een pensioenfonds hanteert als de grootte van de renteschok voor verschillende looptijden. De berekeningen van DNB nemen renteschokken in de verschillende periodes van de verschillende scenario’s mee.

Het effect van een renteschok op de rendementstoedeling laat niet het totale effect zien. Renteafdekking zorgt ervoor dat kapitaalgedekte pensioenen minder gevoelig worden voor renteschokken. Wanneer een neerwaartse renteschok plaatsvindt, zal – bij een gelijk persoonlijk vermogen – de pensioenuitkering lager uitvallen (en vice versa). Bij het afdekken van renterisico wordt dit effect kleiner of tenietgedaan, omdat het rendement op de renteafdekking een tegengesteld effect heeft op het persoonlijk vermogen. Een neerwaartse renteschok leidt namelijk tot een positief rendement op de renteafdekking (en vice versa).

118.

Bij vraag 391 heeft de regering heeft geantwoord: «De risicohouding wordt per leeftijdscohort vastgesteld en vertaald naar toedelingsregels en het beleggingsbeleid. Dit betekent dat de risicoblootstellingen op basis van de beleggingsportefeuille en de toedelingsregels allebei binnen de vastgestelde bandbreedtes voor de vastgestelde risicohoudingen moeten passen.»

  • a. Betekent dit dat een pensioenfonds wordt geacht het volledige vermogen dat onder de noemer van beschermingsrendement valt in een beschermingsportefeuille met looptijden gematched aan de toekomstige uitkeringen moet beleggen? Indien het fonds dit niet doet wordt het renterisico van de ene deelnemers groep verhaald op het overrendement van andere leeftijdscohorten en komt het werkelijke risicoprofiel van die andere groepen niet overeen met de ingestelde risicohouding.

  • b. Welke maatregelen moet het pensioenfonds nemen om dit te voorkomen?

Hiermee wordt zowel onderdeel a als b van vraag 118 beantwoord. Bij een indirect beschermingsrendement tegen renterisico binnen de solidaire premieovereenkomst kan de feitelijke beleggingsportefeuille die bescherming tegen renterisico biedt inderdaad enigszins afwijken van dit beschermingsrendement. Die afwijking slaat dan neer in het overrendement. Dat is op zich niet bezwaarlijk, maar pensioenuitvoerders moeten zich hier wel bewust van zijn. Daarom zijn hiertoe in de lagere regelgeving bepalingen opgenomen. Bij de vaststelling van de risicohouding moeten pensioenuitvoerders zowel kijken naar de inrichting van het beleggingsbeleid als van de toedelingsregels. De risicoblootstellingen op basis van de beleggingsportefeuille en de toedelingsregels moeten allebei binnen de vastgestelde bandbreedtes voor de vastgestelde risicohoudingen passen. Als dit niet het geval is zal een pensioenfonds maatregelen moeten nemen om dit alsnog te bewerkstelligen zoals bijvoorbeeld de toedelingsregels aanpassen voor een betere matching.

119.

De opzet van de WTP is dat herverdelingseffecten via de solidariteits- of risicodelingsreserve transparant gemaakt moeten worden. Betekent dit dat het delen van het renterisico over de generaties via deze reserves moet lopen? Zo nee, is het dan wel transparant? Hoe kan het renterisico via de vul- en verdeelregels van de reserves over de generaties gedeeld worden?

Nee, want deling van renterisico leidt niet tot ex ante herverdeling. Zowel de baten van een hogere rente als de lasten van een lagere rente komen in dezelfde mate bij dezelfde personen terecht. Er is dus geen aanleiding om deling van renterisico via de vul- en verdeelregels van de reserves te laten lopen.

120.

Vragen 392, 393, 394 Rentegevoeligheid bij invaren. De vraag die hier gesteld werd is naar de rentegevoeligheid van het vermogen dat de deelnemer ontvangt bij het invaren. Het antwoord van de Minister gaat echter over het verwachte pensioen. De bijgevoegde tabel bij vraag 393 gaat over «reële gemiddelde uitkering» In de WTP gaat zeker in de opbouw fase de communicatie met de deelnemer over het opgebouwde vermogen. Het te verwachten pensioen is niet meer dan een indicatie. Het vermogen is waar de deelnemer recht op heeft.

  • a. Kan de regering de vraag alsnog beantwoorden zoals die bedoeld was, namelijk over de rentegevoeligheid van het te toe te kennen vermogen bij invaren?

  • b. De vraag was of 1% renteverandering leidt tot 40% meer of minder pensioenvermogen bij invaren voor een 35 jarige. In de tabel bij vraag 393 wordt een effect van 37% op het verwachte pensioen genoemd. Bevestigt de regering hiermee dat 40% een redelijke schatting was van de rentegevoeligheid?

  • c. De extreme rentegevoeligheid van de pensioenen is een gevolg van de keuze van de overheid om de pensioenen op basis van de dagrente te waarderen. Kan de regering uitleggen waarom de pensioenverplichtingen van verzekeraars minder rentegevoelig zijn dan de pensioenverplichtingen van pensioenfondsen?

Het is belangrijk om ook in het nieuwe pensioenstelsel te blijven denken in termen van verwachte en ingegane pensioenen, en niet louter in termen van de hoogte van persoonlijke pensioenvermogens die bij invaren worden meegegeven. Die persoonlijke vermogens zijn bedoeld om pensioenuitkeringen te financieren. Bij bijvoorbeeld een relatief hoge rente zal de waarde van de pensioenaanspraken in het huidige pensioenstelsel relatief laag zijn, en zal dus ook het persoonlijke pensioenvermogen dat bij invaren wordt meegegeven, relatief laag zijn. Met dat persoonlijke vermogen kan echter in het nieuwe pensioenstelsel een hoger verwacht pensioen verkregen worden dan bij een relatief lage rente. De percentages die in de tabel zijn weergegeven, is de mutatie in de (verwachte) reële uitkering na invaren ten opzichte van die uitkering voor invaren. Ze zijn dus niet te lezen als het effect van een renteschok op het vermogen. Dat is ook logisch gegeven de redenering aan het begin van dit antwoord: niet de schok of het vermogen an sich is van belang, maar de (verwachte) uitkering die daarbij hoort.

Tot slot wordt gevraagd waarom pensioenverplichtingen van verzekeraars minder rentegevoelig dan die van pensioenfondsen zouden zijn. Pensioenverplichtingen van verzekeraars zijn niet minder rentegevoelig dan die van pensioenfondsen. Als met de vraag wordt gedoeld op het verschil in berekeningswijze tussen de rekenrente voor pensioenfondsen en verzekeraars, kan het volgende worden aangegeven. Zowel pensioenfondsen als verzekeraars moeten werken met marktwaardering aan beide zijden van hun balans. Alleen voor rentes met lange looptijden wordt een verschillende Ultimate Forward Rate (UFR)-systematiek gehanteerd. De UFR voor verzekeraars wordt door EIOPA vastgesteld, terwijl de UFR voor pensioenfondsen door DNB wordt bepaald na advies van de Commissie Parameters. Dit verschil hangt samen met het feit dat er voor verzekeraars een geharmoniseerd toezichtkader is op Europees niveau (Solvency II) en voor pensioenfondsen niet. In Solvency II zitten ook elementen die juist strenger zijn dan de toezichtregels voor verzekeraars, zoals een zekerheidsmaat van 99,5% in plaats van 97,5% in het Financieel Toetsingskader voor pensioenfondsen.

121.

Vraag 395 herstel van fouten bij invaren. Welke reserve verwacht de regering dat de pensioenfondsen aan zullen moeten houden om fouten bij het invaren te kunnen herstellen?

De juistheid van de pensioenadministraties en het omzetten van bestaande aanspraken en rechten is de verantwoordelijkheid van de pensioenfondsen. Pensioenfondsen moeten er voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Hiervoor dient het pensioenfonds een operationele reserve aan te houden zodat wijzigingen met terugwerkende kracht kunnen worden doorgevoerd of fouten kunnen worden hersteld.

122.

Vraag 397 Koopkrachtiger pensioen? De regering heeft geantwoord dat «Uit doorrekeningen van onder andere het CPB en DNB blijkt dat de nieuwe pensioenregelingen naar verwachting leiden tot een koopkrachtiger pensioen dan het huidige pensioenstelsel «. Kan de regering uitleggen hoe dit mogelijk is als zij tegelijkertijd heeft gesteld dat er voor het pensioenfonds als geheel niet anders belegd zal worden dan in het huidige stelsel en er ook niet meer premie betaald zal worden? Waar komt de extra opbrengst dan vandaan? Het antwoord dat dit kan omdat de buffers worden uitgedeeld is onjuist omdat het verdelen van de buffers een éénmalige actie is die geen structureel hogere opbrengst voor alle toekomstige generaties kan opleveren. Zou de regering zo vriendelijk willen zijn deze dooddoener dit keer achterwege te laten en een serieus antwoord te geven?

Het toedelen van de buffer is inderdaad zoals de 50PLUS-fractie stelt een eenmalige actie. Maar het feit dat in de nieuwe pensioenregelingen geen nieuwe, hoge buffers hoeven worden opgebouwd, aangehouden en eventueel weer aangezuiverd is geen eenmalige actie. Daarom kunnen rendementen eerder tot uitkering komen.

123.

Bij vraag 397 d heeft de regering geantwoord: «Aangenomen dat met «financiering van het nieuwe pensioenstelsel» bedoeld wordt dat het invaren kan helpen om de compensatie van de afschaffing van de doorsneesystematiek te vergemakkelijken, wordt opgemerkt dat het invaren daarvoor niet nódig is, maar het de compensatie-opgave wel kleiner maakt». Wordt hiermee bedoeld dat de premies die betaald zijn om de pensioenen uit het oude stelsel te financieren nu gebruikt worden om gratis extra pensioenrechten aan een beperkte groep deelnemers toe te kennen ten koste van de indexatie van de pensioenen van alle deelnemers?

Dat wordt hiermee niet bedoeld. Met het antwoord wordt bedoeld dat door bestaande pensioenopbouw in te varen deze opbouw direct profiteert van de voordelen van de nieuwe pensioenregeling. Daarmee wordt het nadeel dat ontstaat door de overstap op een andere manier van pensioenopbouw (eventueel gedeeltelijk) al gecompenseerd. Dit wordt ook wel de «dubbele transitie» genoemd.

124.

Vraag 399 Compensatie. De Minister heeft hier geantwoord dat de compensatie is bedoeld voor de deelnemers jonger dan 45 jaar. In andere publicaties worden juist de deelnemers boven de 40 jaar genoemd als ontvangers van de compensatie. Kan de regering dit nader toelichten? Heeft een deelnemer van 18 jaar (dus jonger dan 45 jaar) die zijn hele werkzame leven in het nieuwe systeem zal deelnemen nu ook nadeel van het afschaffen van het doorsnee systeem en derhalve recht op compensatie?

Uit de nettoprofijtplaatjes kan blijken dat jongere deelnemers nadeel ondervinden door de afschaffing van de doorsneesystematiek. Uit de berekeningen van de CPB blijkt dat het niet aannemelijk is dat dit de heel jongere deelnemers zal betreffen, maar dat het zwaartepunt naar verwachting bij de deelnemers tussen de 35–50 jaar zal liggen. Het is aan sociale partners om te komen tot een evenwichtige transitie en waar dat noodzakelijk is adequate compensatie te bieden.

Voor deelnemers van 18 jaar die voor het eerst gaan deelnemen na de transitie geldt dat zij geen enkele negatief effect zullen hebben van het afschaffen van de doorsneesystematiek, zij zullen hun pensioenopbouw volledig realiseren in het nieuwe pensioenstelsel.

125.

Vraag 399b Hier heeft de regering geantwoord: «Sociale partners, of werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers) besluiten hoe de toekomstige pensioenregeling eruit komt te zien, hoe zij de transitie vormgeven en wat zij hierin evenwichtig vinden.» Bij het pensioen zijn 3 partijen betrokken, de werkgever, de actieven en de gepensioneerden. De beoordeling van wat evenwichtig is wordt blijkbaar overgelaten aan 2 van deze 3 partijen. Waarom denkt de regering dat als er 3 partijen een financieel belang hebben bij een beslissing, de beoordeling of iets evenwichtig is kan worden overgelaten aan 2 van die partijen met uitsluiting van de 3e partij? De regering stelt: «Compensatie uit het vermogen betekent overigens niet persé dat het pensioenperspectief van gepensioneerden minder wordt. Zij profiteren immers van de lagere buffereisen en de snellere indexatie.» De buffers waren bedoeld om de zekerheid van het pensioen te vergroten, afschaffen van de buffers benadeeld dus de deelnemers omdat de mate van zekerheid, die ook waarde heeft, wordt verlaagd. Verder antwoordt de regering «Overigens is hier geen sprake van het verstrekken van «gratis» pensioenrechten. Alleen deelnemers waarvan verwacht wordt dat zij nadeel ondervinden van de afschaffing van de doorsneesystematiek komen in aanmerking voor compensatie.»

  • a. De vraag of er wel of niet gratis extra rechten worden verstrekt staat los van de vraag of deelnemers nadeel ondervinden van het afschaffen van het doorsnee systeem. Is de Minister het er mee eens dat deelnemers bij de compensatie extra pensioenrechten krijgen toegekend?

  • b. Is de regering het er mee eens dat deze extra rechten bij compensatie uit het pensioenvermogen niet worden betaald door deze deelnemers of door de werkgever?

  • c. Is de regering het er mee eens dat deze extra rechten dus voor deze deelnemers en hun werkgever gratis zijn?

  • d. Is de regering het er mee eens dat als deze extra rechten niet door de betrokken deelnemers zelf of door hun werkgever worden betaald, het blijkbaar de andere deelnemers zijn die het betalen?

Met dit antwoord worden alle deelvragen van vraag 125 beantwoord. Compensatie is niet gratis en wordt niet betaald door de andere deelnemers. De regering acht het van groot belang dat de compensatie op een robuuste wijze gefinancierd wordt. Daarom wordt in het wetsvoorstel vastgelegd dat er een financieringsplan voor de compensatie moet zijn. Het financieringsplan maakt deel uit van het transitieplan. De compensatie kan gefinancierd worden door een opslag op de premie of door het onttrekken van bedragen uit een compensatiedepot. Voor de compensatie die wordt gefinancierd door een opslag op de premie geldt dat hier een fiscale facilitering voor wordt getroffen. Hiervoor is budgettaire ruimte gereserveerd. Het compensatiedepot kan op twee manieren gevuld worden. De ene manier is door bij het invaren een deel van het fondsvermogen naar het compensatiedepot over te maken. Daarnaast kunnen partijen besluiten om te financieren uit een opslag op de premie. Een mengvorm is ook mogelijk.

126.

Bij vraag 400. Vindt de Minister het rechtvaardig dat in een situatie waarin de pensioenen zijn gekort en er een grote indexatie achterstand is, pensioen vermogen wordt gebruikt om compensatie te betalen aan personen die ten tijde van de transitie niet eens deelnemer waren in het pensioenfonds?

Adequate compensatie zoals bedoeld in het Wetsvoorstel toekomst pensioenen ziet op toekomstige gemiste opbouw. Indien er voor een pensioenregeling compensatie wordt afgesproken, geldt deze ook voor nieuwe werknemers. Voorkomen moet worden dat werknemers zich laten weerhouden van een stap naar een nieuwe baan omdat zij daardoor de compensatieregeling die zij hebben in hun huidige dienstbetrekking kwijtraken en niet in aanmerking zouden komen voor de compensatieregeling bij de nieuwe dienstbetrekking. Om die reden is in het wetsvoorstel vastgelegd dat werknemers die overstappen naar een nieuwe baan aanspraak krijgen op de daar geldende compensatieregeling. Op die manier worden ongewenste arbeidsmarkeffecten voorkomen.

127.

Bij vraag 401. Kan de regering uitleggen waarom er wel compensatie geboden moet worden voor het afschaffen van het doorsnee systeem maar niet voor andere onevenwichtigheden in de WTP zoals b.v. een lager verwacht toekomstig rendement op het vermogen van de gepensioneerden? Vindt de regering het rechtvaardig dat andere compensaties uitgesloten worden?

Wanneer er in dit wetsvoorstel en in de memorie van toelichting gesproken wordt over compensatie heeft dit steeds betrekking op compensatie die gegeven kan worden aan deelnemers die nadeel ondervinden als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en de overstap naar het pensioenstelsel met leeftijdsonafhankelijke premies in combinatie met een degressieve opbouw. Compensatie die om andere redenen wordt toegekend geldt niet als compensatie in de zin van dit wetsvoorstel. Sociale partners zien er op toe dat het totaal aan afspraken met betrekking tot de transitie evenwichtig is voor de gehele fondspopulatie.

128.

Beleggingsbeleid. Bij vraag 410 wordt voor de inflatiebescherming met inflation linked bonds gesproken over het directe beschermingsrendement. Is de regering het er mee eens dat ingeval het beschermingsrendement niet uit een beschermingsportefeuille maar uit de rentetermijnstructuur wordt afgeleid, inflation linked bonds niet werken als bescherming van lopende pensioenen tegen de inflatie?

Een indirect beschermingsrendement is gebaseerd op de nominale rentetermijnstructuur. Via dit beschermingsrendement kan dus geen inflatiebescherming worden geboden. Dat sluit niet uit om inflation linked bonds in de collectieve beleggingsportefeuille op te nemen, maar de rendementen daarvan zullen dan in het overrendement terecht komen. Waarschijnlijk zal dan vooral aan groepen inflatiebescherming worden geboden, die niet beoogd zijn. Mede daarom is in het wetsvoorstel ook de mogelijkheid opgenomen om een directe beschermingsportefeuille in de solidaire premieovereenkomst te hanteren, waar dit probleem zich niet voordoet. In de flexibele premieovereenkomst is altijd sprake van directe rendementen.

129.

Verschil tussen solidaire en flexibele contract. De stelling in vraag 411 is dat iedere rendementstoedeling in het solidaire contract ook bereikt kan worden met een beleggingsmix in het flexibele contract. De regering is het hier blijkens het antwoord in hoofdlijn mee eens en noemt alleen het verschil tussen de verandering van de rentetermijnstructuur en de werkelijke beleggingen in het flexibele contract als bron van verschillen. Die verschillen zouden dan niet groter zijn dan die tussen het solidaire contract met RTS en het solidaire contract met een directe beschermingsportefeuille. Overigens kan ook in het flexibele voor contract een rente afdekking via renteswaps overeenkomstig de RTS gekozen worden. Bij vragen 423 en 424 heeft de Minister over het renterisico in het solidaire contract geantwoord: «Er is dus geen sprake van een risicodeling tussen jongere en oudere deelnemers, maar van marktinstrumenten.». Vervolgens gaat het antwoord van de regering verder met: «Voorts dient te worden opgemerkt dat beide contracten verschillende karakteristieken hebben en daardoor aansluiten bij verschillende preferenties. Hoewel er in theorie configuraties denkbaar zijn waarin de verschillen tussen beide contracten klein zijn, zullen de verschillen in de praktijk groter zijn, gelet op de diversiteit in voorkeuren.«

  • a. Kan de regering aangeven wat dan die verschillende karakteristieken en preferenties zijn als het flexibele contract zo ingericht kan worden dat het voor alle deelnemers onder alle omstandigheden de zelfde uitkomst heeft als het solidaire contract?

  • b. Is het solidaire contract niet gelijk aan het flexibele contract zonder keuze vrijheid voor een beleggingsprofiel?

  • c. Waarom wordt de wet nodeloos gecompliceerd gemaakt door 2 contracten in te voeren die uiteindelijk hetzelfde doen?

Het flexibele contract kent bijvoorbeeld de mogelijkheid om verschillende beleggingsprofielen aan deelnemers aan te bieden voor de opbouw- en/of uitkeringsfase. Ook moet in dit contract op pensioendatum een keuze worden geboden tussen een vaste en variabele uitkering. Dat laatste geldt ook als geen keuze uit beleggingsprofielen wordt aangeboden. Omdat in de solidaire premieovereenkomst met één collectieve, uniforme beleggingsportefeuille wordt gewerkt, kunnen daarin mogelijk makkelijker bepaalde beleggingscategorieën worden opgenomen, bijvoorbeeld minder liquide beleggingen. De twee contracten zijn dus niet hetzelfde. Daarmee wordt decentrale sociale partners de mogelijkheid geboden om een contract te hanteren dat het beste past bij de kenmerken van hun sector en van hun deelnemers. Die keuzevrijheid is er in het huidige pensioenstelsel overigens ook al.

130.

Besteding pensioenvermogen. Bij vraag 412 en 413 heeft de regering geantwoord dat volgens art 10 van de wet, vanaf pensioendatum het vermogen uitsluitend gebruikt mag worden voor de financiering van een vaste of variabele uitkering. Volgens de WTP mag het vermogen van de gepensioneerden echter ook gebruikt worden voor de financiering van extra pensioenrechten voor andere deelnemers via de compensatie.

  • a. Kan de regering uitleggen waarom deze aanwending van het pensioenvermogen in strijd met art 10 van de wet is toegestaan?

  • b. Wordt met artikel 10 bedoeld dat het vermogen van een deelnemer uitsluitend voor een pensioenuitkering mag worden gebruikt maar dat het ook is toegestaan deze uitkering aan een andere deelnemer te geven?

De artikelen 10a, 10b en 10c in het wetsvoorstel toekomst pensioenen beschrijven de werking van de nieuwe contracten en stellen daaraan voorwaarden direct vanaf het moment na de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Dit staat los van de verdeling van het bestaande collectieve fondsvermogen op het moment van invaren naar het nieuwe pensioenstelsel, waarnaar deze vraag verwijst. Het persoonlijke pensioenvermogen in de nieuwe pensioencontracten is bestemd voor de eigen pensioenvoorziening.

131.

Vastgestelde uitkering. Bij vraag 415 heeft de regering geantwoord dat bij een vastgestelde uitkering er op pensioendatum een nominaal vastgestelde uitkering wordt aangekocht en er verder niet meer wordt belegd. Handelen verzekeraars die het pensioengeld beleggen in strijd met de wet? Als verzekeraars het geld niet mogen beleggen, wat moeten zij er dan mee doen? Er is geantwoord dat vastgestelde uitkeringen van verzekeraars geen perspectief op indexatie bieden. Handelen verzekeraars die een vaste indexatie bieden dan in strijd met de wet?

Indien een deelnemer kiest voor een vastgestelde nominale uitkering bij een verzekeraar betekent dat in de praktijk dat deze deelnemer geen beleggingsrisico meer loopt, zoals in geval van een variabele uitkering waarbij sprake is van doorbeleggen met een bepaalde mate van beleggingsrisico. In het geval de keuze wordt gemaakt voor de nominaal vastgestelde uitkering dan neemt de verzekeraar het rendementsrisico van de deelnemer dus over. Naast een gelijkblijvende nominale uitkering kunnen verzekeraars ook een uitkering aanbieden die jaarlijks met een vast percentage geïndexeerd wordt. De inflatie wordt dan in feite meeverzekerd. Aangezien het totaal beschikbare pensioenvermogen niet veranderd, zal de uitkering op pensioenleeftijd lager worden vastgesteld waarna deze dus jaarlijks wordt geïndexeerd. Verzekeraars kunnen dus naast een vastgestelde nominale uitkering ook een geïndexeerde vaste uitkering aanbieden binnen het wettelijke kader.

132.

Meer dan 100% beschermings- en overrendement. Er is in vraag 416 gevraagd of het mogelijk is om een groep deelnemers over meer dan 100% van hun vermogen rendement toe te kennen. Bijvoorbeeld 100% beschermingsrendement en 100% over rendement. Er kan niet meer rendement uitgedeeld worden dan het fonds als geheel heeft behaald. Maar meer dan 100% rendement voor de ene groep deelnemers en minder dan 100% voor een andere groep deelnemers kan daaraan voldaan worden. De vraag is nu of dat onder de WTP is toegestaan? Deze vraag kan met ja of nee beantwoord worden, maar er is geen antwoord op deze vraag gegeven. Kan de Minister deze vraag alsnog beantwoorden? Zo nee, kan de Minister aangeven waarom zij deze vraag niet wil beantwoorden?

Het is mogelijk om een groep een volledig beschermingsrendement te geven en daarnaast een bepaald deel van het collectief behaalde overrendement. Uiteraard kan op collectief niveau niet meer aan beschermings- en overrendementen worden toebedeeld dan op collectief niveau in totaal aan rendementen is behaald. Bij de toedeling moet rekening worden gehouden met de risicohouding en bijvoorbeeld de prudent person-regel. De in de vraag gesuggereerde verdeling is daarom uiterst onwaarschijnlijk.

133.

Verplichtstelling. Bij vraag 417 is gevraagd naar de wettelijke basis voor de verplichtstelling. Er moet daarbij een onderscheid gemaakt worden tussen verplichte deelname aan de regeling en verplichte deelname aan een sector pensioenfonds. De gang van zaken bij de zorgverzekering laat zien dat een verplichte regeling met acceptatie plicht goed kan samengaan met een vrije keuze voor een uitvoerder. Bij een individueel premiestelsel zoals in de WTP is de leeftijd van de deelnemer niet meer van belang en is er dus geen verschil tussen werkgevers met een jong of juist een oud deelnemersbestand. Kan de Minister uitleggen waarom verplichtstelling van de regeling niet voldoende is en ook verplichtstelling van de uitvoerder noodzakelijk is?

Het «verhangen» van de verplichtstelling naar de regeling betekent een majeure ingreep op de marktordening. Er zou dan immers een wijziging (in de vormgeving) van de verplichtstelling moeten plaatsvinden. Het wordt niet opportuun geacht om een dergelijke wijziging, met mogelijk ingrijpende consequenties – bijvoorbeeld vanwege Europeesrechtelijke mededingingsregels – nu door te voeren zonder eerst een fundamentele discussie over de verplichtstelling te hebben gevoerd met alle betrokken belanghebbenden.

134.

De Minister heeft geantwoord:» Pensioenregelingen zijn in de kern solidaire overeenkomsten, zo kennen de meeste pensioenregelingen dekking voor nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheid. Het verschil is dat een pensioenfonds renterisico heeft door zijn verplichtingen en een beleggingsfonds niet, ook in de opbouwfase.« Verzekeraars bieden ook nabestaanden en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan. Bij de in het pensioenakkoord beloofde arbeidsongeschiktheidsverzekering voor ZZP-ers wordt ook uitgegaan van uitvoering door private partijen. In de WTP liggen alle risico’s bij de deelnemers en niet meer bij het fonds. Het fonds hoeft dan ook niet meer dan 1% eigen vermogen aan te houden. Dit is volstrekt onvoldoende voor het renterisico van de deelnemers.

  • a. Kan de Minister uitleggen waarom de nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen volgens haar niet door andere partijen kunnen worden uitgevoerd terwijl dat voor b.v. ZZP-ers wel kan?

De bewering in de vragenstelling dat de nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als onderdeel van een pensioenregeling enkel door pensioenfondsen kunnen worden aangeboden is onjuist en heb ik ook niet gedaan. Ook verzekeraars kunnen nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als onderdeel van een pensioenregeling aanbieden.

b.

Kan de Minister uitleggen hoe het pensioenfonds in de WTP regeling renterisico loopt als volgens de WTP alle risico’s bij de deelnemers liggen? Hoeveel vermogen moet het pensioenfonds aanhouden ter dekking van dit renterisico?

In het wetsvoorstel wordt niet voorgeschreven hoeveel vermogen pensioenfondsen moeten aanhouden ter dekking van het renterisico. De suggestie dat al het risico met in het wetsvoorstel bij de deelnemers ligt terwijl dat in het huidige pensioenstelsel niet zo zou zijn, klopt daarnaast niet. In het huidige pensioenstelsel kunnen deelnemers en gepensioneerden immers gekort worden als de financiële positie van het pensioenfonds niet toereikend is. In de premieregelingen van het nieuwe pensioenstelsel is alleen sprake van toezegging van de premie, niet meer van de uitkering. Dat neemt niet weg dat risico’s zoals bijvoorbeeld renterisico kan worden afgedekt met bijvoorbeeld rentederivaten. Hoeveel vermogen hiervoor gereserveerd wordt is mede afhankelijk van de mate van renteafdekking.

135.

Hoger pensioen door reserve? Vraag 419: volgens het antwoord van de Minister op eerdere vragen wordt er door het pensioenfonds als geheel niet anders belegd dan nu. Er is dan ook geen structureel hogere opbrengst van de beleggingen te verwachten. Toch zou er volgens het CPB een hoger pensioenresultaat voor iedereen uit moeten komen. Dit kan niet door het uitdelen van de huidige reserves want dat is een éénmalige actie. Waarom leveren de reserves volgens het CPB en de Minister een structureel hoger pensioen voor alle deelnemers?

Het toedelen van de buffer is inderdaad zoals de 50Plus-fractie stelt een eenmalige actie. Maar het feit dat in de nieuwe pensioenregelingen geen nieuwe, hoge buffers hoeven worden opgebouwd, aangehouden en eventueel weer aangezuiverd is geen eenmalige actie. Daarom kunnen rendementen eerder tot uitkering komen.

136.

Shoprecht. Bij de vragen 420, 421 en 422 ging het er niet om of er shoprecht is, dat kan ik zelf ook wel lezen in de wet, maar waarom het er niet is. De WTP had o.a. als doel om meer keuzevrijheid en maatwerk te kunnen bieden. Shoprecht zodat de deelnemer een pensioen kan krijgen dat het beste bij zijn behoeften past is hier een middel voor.

  • a. Waarom krijgen de pensioendeelnemers niet ongeacht de regeling het recht om op pensioendatum over te stappen naar een aanbieder naar keuze?

  • b. Wordt er iemand benadeeld door dit keuze recht? Zo ja, wie en waarom?

  • c. Wat kan een deelnemer in het solidaire contract die niet tevreden is met het pensioen dat het fonds hem in ruil voor het vermogen aanbiedt daar aan doen?

  • d. Waarom zou een pensioenfonds de deelnemers een concurrerend pensioenaanbod doen als de deelnemer toch niet weg kan?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen heeft niet als doel om meer keuzevrijheid en maatwerk te bieden. Een shoprecht binnen de solidaire premieregeling is niet overwogen en zou kunnen leiden tot een verschuiving van de markt van pensioenfondsen naar verzekeraars. Een dergelijke ordeningsvraag staat los van het wetsvoorstel toekomst pensioenen.

Deelnemers met een uitkeringsovereenkomst kennen nu geen shoprecht en kennen dat straks in de solidaire premieregeling ook niet. In dat opzicht is er geen sprake van een wijziging en daarom ook geen benadeling.

Een pensioenfonds heeft als doel om zo hoog mogelijke en stabiele levenslange pensioenen te realiseren, zij kennen geen winstoogmerk en concurreren ook niet met andere pensioenfondsen. Het idee dat concurrentie tot betere pensioenen leidt gaat hier daarom ook niet op.

137.

Beschermings- en overrendement bij gesloten fondsen. Zie vraag 426. Wat wordt bedoeld met «Bovendien kan het totaal behaalde rendement afwijken van de toebedeelde rendementen, waardoor (positieve of negatieve) overrendementen ontstaan.» Als het totaal behaalde rendement afwijkt van de toebedeelde rendementen, waar komt dan het verschil vandaan of waar gaat dat naar toe? Stel dat een gesloten fonds met alleen gepensioneerde deelnemers de individuele vermogens jaarlijks herverdeeld om tot gelijke aanpassingen van de uitkeringen te komen. Maakt het dan nog iets uit hoeveel beschermings- en over rendement iedere deelnemer toebedeeld krijgt?

Met toebedeelde rendementen in het antwoord op vraag 426 worden beschermingsrendementen bedoeld. Deze kunnen afwijken van de rentebescherming die de daadwerkelijke beleggingsportefeuille genereert. Dat eventuele verschil loopt in het overrendement. Uiteraard kan niet meer aan beschermings- en overrendementen worden toebedeeld dan totaal in werkelijkheid aan rendementen is behaald. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om in de uitkeringsfase alle uitkeringen gelijk aan te passen, waarbij de uitkeringen voorop worden gezet, is het inderdaad niet nodig om in de uitkeringsfase beschermings- en overrendementen te onderscheiden, hoewel ook dan zowel het renterisico als het risico op zakelijke waarden een economische realiteit blijft.

138.

Rente risico. Bij vraag 424 is geantwoord: «Als een bepaalde mate van renteafdekking voor een bepaalde leeftijd wenselijk en noodzakelijk is, zal dit via de beleggingen vorm worden gegeven. Er is dus geen sprake van een risicodeling tussen jongere en oudere deelnemers, maar van marktinstrumenten.»

Bij vraag 427 is geantwoord: «Het is een misvatting dat de renterisico’s van oudere deelnemers en gepensioneerden door de jongere deelnemers binnen hetzelfde pensioenfonds worden gedragen. Deze risico’s worden afgedekt via marktinstrumenten in de beleggingsportefeuille, zoals matchende obligaties of renteswaps. «

Bij vraag 429 is geantwoord: «Afdekking van het renterisico moet primair worden vormgegeven door beleggingen die bescherming tegen rentedalingen geven. Bij de toepassing van een indirect beschermingsrendement tegen renterisico in de solidaire premieovereenkomst kan enige afwijking ontstaan tussen de toebedeelde beschermingsrendementen en de rendementen die bescherming tegen renterisico bieden, zoals die voortvloeien uit de collectieve beleggingsportefeuille.»

Bij vraag 431 was het antwoord: «Nee, eerst moet de risicohouding voor alle leeftijdscohorten worden bepaald. Op basis daarvan moet het beleggingsbeleid worden ingericht, passend bij de vastgestelde risicohouding van deze cohorten. Onderdeel van dat beleggingsbeleid is het renteafdekkingsbeleid.»

Vervolgens is bij vraag 434 het antwoord: «. In het concept-besluit toekomst pensioenen is opgenomen dat pensioenuitvoerders in het nieuwe pensioenstelsel renterisico kunnen en mogen blijven delen.» en «Op deze wijze laten pensioenuitvoerders zien dat ze bewust collectieve renterisicodeling in hun regeling opnemen,»

  • a. Er wordt dus (zie boven) eerst 4 keer geantwoord dat het rente risico niet gedeeld mag worden maar moet worden afgedekt d.m.v. beleggingen en vervolgens staat er in het concept besluit dat het renterisico wel gedeeld mag worden. Is het nu wel of niet de bedoeling dat het renterisico tussen jongere en oudere deelnemers gedeeld wordt?

  • b. Moet het pensioenfonds de doelstelling hebben het rente risico d.m.v. beleggingen af te dekken? Mag er meer rente risico gedeeld worden dan het onbedoelde verschil dat ontstaat tussen de RTS en de werkelijke beleggingsportefeuille?

Hiermee wordt zowel onderdeel a als b van vraag 138 beantwoord. Uitgangspunt is dat de totale bescherming over alle leeftijdscohorten tegen renterisico via het zogenaamde indirecte beschermingsrendement overeenkomt met het totale afgedekte renterisico in de beleggingsportefeuille bijvoorbeeld via staatsobligaties. Dit afgedekte renterisico wordt gedeeld tussen verschillende leeftijdscohorten op basis van de rentetermijnstructuur van DNB.

Overigens mag er een verschil bestaan tussen de totale bescherming vanuit het indirecte beschermingsrendement en het afgedekte renterisico in de werkelijke portefeuille. In het conceptbesluit toekomst pensioenen is geregeld dat het pensioenfonds dit verschil inzichtelijk maakt.

139.

35% grens. Bij vraag 436 was de vraag niet naar de wetstekst maar waarom er voor hetzelfde doel totaal verschillende wetsteksten voor de solidaire en de flexibele regeling zijn. Uit de voorgaande vragen is al gebleken dat de verschillen tussen de solidaire en de flexibele regeling marginaal zijn. Waarom is niet gekozen voor een vereenvoudiging met gelijke artikelen voor de 2 contracten?

Uitgangspunt van de solidaire premieovereenkomst is dat er persoonlijke pensioenvermogens in de opbouw- en uitkeringsfase worden gehanteerd. In de uitkeringsfase kan dit persoonlijke pensioenvermogen anders over die fase worden verdeeld door een ander projectierendement dan de nominale rentetermijnstructuur, zonder dat ex ante herverdeling tussen deze vermogens ontstaat. Om te voorkomen dat teveel vermogen in de tijd naar voren wordt gehaald, geldt de begrenzing van 35% aandelenrisico. Een vaste daling ten opzichte van de nominale rentetermijnstructuur heeft hetzelfde effect als een hoger projectierendement, maar voorkomt dat bij gebruik van een collectief toedelingsmechanisme in de uitkeringsfase van de flexibele premieovereenkomst onnodige ex ante herverdeling tussen persoonlijke pensioenvermogens gaat ontstaan. Ook dan geldt een grens van 35%. Er is dus een rationele verklaring voor de in deze vraag genoemde overeenkomsten en verschillen.

140.

NP-premie. Op basis van de overlevingstafels van het AG blijkt dat bij een NP van 50% bij overlijden voor pensioendatum ongeveer 20% van de totale premiesom nodig is voor alleen de dekking van het risico op vroeg overlijden. Volgens de WTP mag ook 10% van de premie in de solidariteitsreserve worden gestort. Volgens de ORTEC methode wordt de solidariteitsreserve alleen gebruikt voor het stabiliseren van de uitkeringen. Dit heeft bij elkaar tot gevolg dat voor jonge alleenstaanden, 30% van hun pensioenpremie niet aan hun persoonlijke pensioenvermogen wordt toegevoegd maar wordt afgeroomd ten behoeve van andere deelnemers. De WTP had tot doel om tot een persoonlijker pensioen te komen en herverdeling tussen generaties en deelnemers te voorkomen. Is de Minister van mening dat deze 30% herverdeling in overeenstemming is met de doelstellingen van de WTP?

De bewering in de vraagstelling is niet juist. Bij het nabestaandenpensioen wordt de premie voor elk leeftijdscohort op risicobasis vastgesteld. Hierbij is geen sprake van herverdeling tussen cohorten. Bij de solidariteitsreserve kan inderdaad sprake zijn van herverdeling, waarbij geldt dat de solidariteitsreserve is begrensd op maximaal 15% van het totale vermogen van het pensioenfonds.

141.

Compensatie. In art 150 van de WTP wordt de compensatie beschreven. In dit artikel wordt niet aangegeven wat de doelen van de compensatie zijn. In de MvT wordt alleen compensatie voor het afschaffen van het doorsnee systeem genoemd. Kan de compensatie faciliteit ook voor het compenseren van andere onevenwichtigheden gebruikt worden? Zo nee waarom is de compensatie uitsluitend voor de doorsnee premie bedoeld en niet voor andere onevenwichtigheden?

Wanneer er in dit wetsvoorstel en in de memorie van toelichting gesproken wordt over compensatie heeft dit steeds betrekking op compensatie die gegeven kan worden aan deelnemers die nadeel ondervinden als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en de overstap naar het pensioenstelsel met leeftijdsonafhankelijke premies in combinatie met een degressieve opbouw. Compensatie die om andere redenen wordt toegekend geldt niet als compensatie in de zin van dit wetsvoorstel. Sociale partners zien er op toe dat het totaal aan afspraken met betrekking tot de transitie evenwichtig is voor de gehele fondspopulatie.

142.

Volgens artikel 150L wordt er niet ingevaren als dit onevenredig ongunstig is voor bepaalde groepen deelnemers, pensioengerechtigden of de werkgever. Als compensatie alleen gebruikt mag worden voor het afschaffen van het doorsnee systeem, heeft dit dan tot gevolg dat bij andere onevenwichtigheden het fonds moet kiezen voor niet invaren in plaats van het compenseren van de onevenwichtigheden?

Of sprake is van evenwichtigheid is in de eerste plaats aan de sociale partners. Die beoordeling is breder dan alleen of sprake is van voldoende compensatie voor de nadelige gevolgen van de afschaffing van de doorsneesystematiek. Als zij vervolgens besluiten dat de transitie evenwichtig vormgegeven kan worden, doen zij een invaarverzoek. Het pensioenfondsbestuur doet vervolgens een eigen beoordeling of de opdracht, uitvoerbaar is, niet in strijd met de wet is en niet leidt tot onevenwichtig nadeel. Het bestuur neemt daarbij een evenwichtige afweging van belangen in acht. Met compensatie wordt in het wetsvoorstel bedoeld compensatie voor de nadelige gevolgen van de afschaffing van de doorsneesystematiek. Er kan ook met andere effecten rekening gehouden worden bij de transitie en in beide invaarmethoden is daarvoor ruimte.

143.

Pensioen ambitie en zekerheid. Bij vraag 3 van de VVD is gevraagd naar andere methoden om tot een betere balans tussen ambitie en zekerheid te komen. De Minister heeft hierop geantwoord: «In elk kapitaalgedekt pensioenstelsel hangt het gerealiseerde pensioen af van de premies, rendementen en kosten die worden gemaakt. Het garanderen van een zeker pensioen kan in theorie alleen als deze instrumenten ook daartoe worden ingezet. Door de stijgende levensverwachting, de vergrijzing van het deelnemersbestand van pensioenfondsen en de daling van de rente waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen moeten verdisconteren, is de kostprijs van pensioen sterk toegenomen.» Hiermee wordt in één antwoord gezegd dat het pensioen zowel van het rendement als van de rente afhangt.

  • a. Is het de Minister bekend dat de rente en het rendement twee verschillende grootheden zijn?

  • b. Waarom wordt voor de geschatte kostprijs van een onzeker pensioen niet uitgegaan van het rendement?

  • c. Heeft de pensioenpremie enige relatie met de kostprijs van het pensioen? Zo nee, wat is dan de betekenis van de term «kostendekkende premie» in de huidige wet?

  • d. Waarom is deze kostendekkende premie gebaseerd op het verwachte rendement en niet op de rente als volgens de Minister de kostprijs van pensioen van de rente afhangt?

  • e. Als de kostprijs van nieuwe pensioenopbouw afhangt van het verwacht rendement, waarom hangt de prijs van bestaande pensioenopbouw dan af van de huidige risico vrije rente?

Hiermee worden alle subonderdelen van vraag 143 beantwoord. Het is mij bekend dat rente en (risicodragend) rendement twee verschillende grootheden zijn. De kostprijs van een euro uit te keren pensioen is niet anders in een zeker of een onzeker contract. In het huidige pensioenstelsel, waarbij de premie wordt afgeleid uit de toegezegde jaarlijkse pensioenaanspraak, is er een relatie met de kostprijs van deze aanspraak. Om die reden wordt ook gesproken van een kostendekkende premie. Uitgangspunt bij vaststelling van deze kostendekkende premie is waardering op basis van de risicovrije rente, maar vanuit het oogpunt van premiestabilisatie mag deze premie worden gedempt met een gemaximeerd verwacht rendement op basis van de beleggingsportefeuille van het pensioenfonds. De kostprijs blijft echter de contante waarde van de toegezegde pensioenaanspraak op basis van de risicovrije rente.

144.

Verder stelt de Minister: «Het huidige pensioenstelsel is daarom minder zeker dan het lijkt en ook in het huidige pensioenstelsel zijn pensioenkortingen niet uitgesloten.» In de huidige pensioenwet staat expliciet dat de pensioenen verlaagd kunnen worden en dus niet gegarandeerd zijn. In de wet staat ook volgens welke procedure die pensioenverlaging moet worden uitgevoerd. Kan de Minister toelichten waarom het huidige pensioenstelsel minder zeker is dan het lijkt terwijl expliciet in de wet staat dat het pensioen niet zeker en niet gegarandeerd is?

Inherent aan de huidige uitkeringsovereenkomsten is dat er een bepaalde mate van zekerheid wordt nagestreefd. Om deze ambitie hoog te houden, kent het huidige pensioenstelsel buffereisen, de huidige wettelijke bepalingen over pensioenverlagingen ten spijt. Echter, het garanderen van een zeker pensioen kan in theorie alleen als deze instrumenten ook daartoe worden ingezet. Door de stijgende levensverwachting, de vergrijzing van het deelnemersbestand van pensioenfondsen en de daling van de rente waarmee pensioenfondsen hun verplichtingen moeten verdisconteren, is de kostprijs van pensioen sterk toegenomen. De afgelopen 15 jaar heeft dat al geleid tot een toename van de pensioenpremies omdat de kostprijs van pensioen alsmaar toenam. Doordat de impact van de premie op de actuele financiële positie van het pensioenfonds beperkt is (in deze context wordt ook wel gezegd dat het premie-instrument bot is geworden), is het huidige pensioenstelsel al primair afhankelijk van de rendementen die pensioenfondsen kunnen behalen. Het huidige pensioenstelsel is daarom minder zeker dan het lijkt en ook in het huidige pensioenstelsel zijn pensioenkortingen niet uitgesloten.

145.

De Minister geeft ook aan: «In theorie is het denkbaar om het huidige pensioenstelsel aan te passen door de huidige uitkeringsovereenkomsten minder zeker te maken. Dat zou kunnen worden vormgegeven door de buffereisen te verlagen. Hierbij moet echter in ogenschouw worden genomen dat het verlagen van de buffereisen gevolgen heeft voor de zekerheidsmaat. Daarmee is er feitelijk ook sprake van invaren naar een nieuw contract, wat ook gepaard gaat met juridische en procedurele waarborgen voor evenwichtigheid.» In 2015 zijn de buffereisen verhoogd met het verhogen van de indexatiedrempel van 105% naar 110% en de invoering van het toekomst bestendig indexeren.

  • a. Was er toen ook feitelijk sprake van invaren in een nieuw contract? zo nee, waarom niet?

  • b. Was deze wijziging die het doel had om indexatie moeilijker te maken wel evenwichtig?

  • c. Is er toen wel compensatie geboden voor deelnemers die door deze wijzigingen werden benadeeld?

De veranderingen op het gebied van indexatie die door de vraagsteller worden genoemd, waren onderdeel van een bredere herziening, waarbij bijvoorbeeld ook de regels omtrent pensioenkortingen zijn gewijzigd. De betreffende aanpassingen waren onderdeel van de Wet aanpassing financieel toetsingskader.66 Net als bij andere wetsvoorstellen is het wetsvoorstel juridisch getoetst door de Raad van State. Daarna is het wetsvoorstel behandeld en aangenomen in de Staten-Generaal. Daar heeft een afweging van alle voor- en nadelen van de wetgeving plaatsgehad.

146.

Pensioenfondsen moeten de kostprijs van pensioen berekenen op basis van de risico vrije rente. Betekent de term «risico vrije rente» dat deze rente iets met risico te maken heeft?

  • a. Zo ja, waarom wordt dan alleen het wijzigen van de buffers en niet ook de disconto rente genoemd als methode om de zekerheidsmaat van de pensioenen aan te passen? Kan de overheid de disconto rente aanpassen?

  • b. Zo nee, hoe is het dan mogelijk dat in 2007 de disconto rente voor pensioenfondsen is gewijzigd van 4% naar de risico vrije rente?

Om het opgebouwde persoonlijke vermogen te kunnen verdelen over de tijd wordt gebruik gemaakt van een projectierendement. In de pensioenwet en de lagere regelgeving wordt bepaald dat dit projectierendement wordt gebaseerd op de rentetermijnstructuur zoals gepubliceerd door DNB met eventueel een op- of een afslag. Om deze rentetermijnstructuur te bepalen maakt DNB gebruik van marktinformatie.

147.

Keuzevrijheid en verplichtstelling. Bij vraag 4 van de VVD heeft de Minister geantwoord: «De pensioenopbouw in het nieuwe pensioenstelsel is echter wel degelijk persoonlijker en transparanter. Dit komt doordat deelnemers in het nieuwe pensioenstelsel meer inzicht krijgen in de ingelegde premie, het opgebouwde pensioenvermogen en de behaalde rendementen. Ook is er sprake van een directe relatie tussen de ingelegde premie en het opgebouwde pensioen, als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek.»

  • a. Bij vraag 7 van de VVD is echter geantwoord: «het premieniveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s.»

  • b. Kan de Minister uitleggen hoe het kan dat er een directe relatie tussen de ingelegde premie en het opgebouwde pensioen is, maar dat tegelijkertijd het premie niveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s?

In antwoord op vraag 7 van de VVD is gesteld dat «Er geldt een acceptatieplicht: een pensioenfonds dat onder de verplichtstelling valt mag «slechte risico’s» (individuen of bedrijven) niet weigeren om toe te treden tot de pensioenregeling. Er wordt geen verschillende premie in rekening gebracht: het premieniveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s.»

Met risico’s wordt hier bedoeld: risico’s waar van tevoren duidelijk is dat zij kostbaar zijn, zoals bedrijven met een hoog langleven risico waarvan duidelijk is dat zij zeer gezonde deelnemers hebben. Voor dit bedrijf en zijn werknemers wordt geen hogere premie gevraagd dan voor een bedrijf met minder gezonde werknemers. Vandaar dat wordt gesteld dat de premie ontkoppeld is van de risico’s die in het pensioenfonds worden gedekt zoals langleven risico.

148.

Voor de zorgverzekering is er wel individuele keuzevrijheid voor een uitvoerder. Bij de ziekte verzekering is er ook sprake van collectief gedragen risico’s en acceptatie plicht. Blijkbaar is verzekeringsplicht goed te combineren met vrije keuze voor een uitvoerder. Ook nu zijn er al bedrijven die vrijstelling hebben van deelname aan een verplicht bedrijfstak fonds omdat zij de verplichte pensioenregeling zelfstandig uitvoeren.

  • a. Waarom is niet gekozen voor een bij CAO verplichte inhoud van de pensioenregeling, maar verder vrije keuze op bedrijfs- of individueel niveau voor de uitvoerder?

  • b. Is de verplichtstelling wel houdbaar als uit de casus van de zorgverzekering blijkt dat de voordelen van een verplichte regeling goed te combineren zijn met een vrije keuze van de uitvoerder?

  • c. Is de analyse van de verplichtstelling die de overheid heeft uitgevoerd gebaseerd op een verplichte regeling of op een verplichte uitvoerder? Kan de Minister dat nader toelichten?

De verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds is sinds 1949 wettelijk geregeld. Deze verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds is door de Europese rechter toelaatbaar geacht en een toegestane inmenging op de Europese mededingingsregels. Zoals in antwoord op eerdere vragen is aangegeven is de verwachting dat ook de nieuwe premieregelingen deze toets kunnen doorstaan. Uitgangspunt bij de vernieuwing van het pensioenstelsel was immers een zodanige vormgeving dat de verplichtstelling van pensioen houdbaar blijft gelet op het Europese mededingingsrecht (VWEU art. 102).

Ten aanzien van de vragen sub a en b wordt het volgende overwogen. Het «verhangen» van de verplichtstelling naar de regeling betekent een majeure ingreep op de marktordening. Er zou dan immers een wijziging (in de vormgeving) van de verplichtstelling moeten plaatsvinden. Het wordt niet opportuun geacht om een dergelijke wijziging, met mogelijk ingrijpende consequenties – bijvoorbeeld vanwege Europeesrechtelijke mededingingsregels – nu door te voeren zonder eerst een fundamentele discussie over de verplichtstelling te hebben gevoerd met alle betrokken belanghebbenden.

149.

Voor verplichte regelingen is een solidariteits- of risicodelingsreserve verplicht. Er staat niets in de wet over de minimale omvang van deze reserves, de vulling of de doelen. Is aan de wettelijke eisen voldaan met een reserve van b.v. 1 euro per deelnemer? Zo nee, wat is dan de minimale omvang voor de reserves om aan de wet te voldoen?

Van te voren moeten doelen en vul- en uitdeelregels voor de solidariteitsreserve en de risicodelingsreserve worden vastgesteld. Hieruit volgt de omvang van deze reserves die het pensioenfonds hier minimaal voor nodig acht te moeten hebben. De maximale omvang is 15% van het pensioenfondsvermogen (zie ook artikel 10d, eerste lid en artikel 10e, eerste lid).

150.

Rendement van 9%. Bij vraag 10 van de VVD kwam aan de orde dat er in de economische scenario’s set is uitgegaan van een mediaan aandelen rendement van 9%.

  • a. Is het de Minister bekend dat dit aanzienlijk hoger is dan het historisch gemiddelde van 6% rendement op aandelen?

Er wordt in de vraag gesproken over twee verschillende statistieken. In de betreffende scenarioset is het mediane aandelenrendement inderdaad gelijk aan circa 9%. Dit is niet gelijk aan het gemiddelde aandelenrendement en kan dus niet vergeleken worden met een historisch gemiddelde.

In de betreffende scenarioset is het rekenkundige gemiddelde aandelenrendement gelijk aan circa 7%. Het meetkundige gemiddelde aandelenrendement is gelijk aan circa 5%. Het in de vraag genoemde historische gemiddelde ligt tussen deze twee percentages in.

b.

Welke rol speelt dit rendement van 9% in de analyse en doorrekeningen van de WTP?

De Commissie Parameters 2022 heeft, in lijn met het advies van de Commissie Parameters in 2019, in het model onderliggend aan de scenariosets a priori een aantal parameters voor de lange termijn vastgelegd. Dat geldt ook voor de parameter voor het aandelenrendement. De Commissie verwacht dat het meetkundige gemiddelde rendement op beursgenoteerde aandelen op de lange termijn gelijk is aan circa 5%. Dit komt overeen met een mediaan aandelenrendement van circa 9%. De P-scenarioset met onder andere deze eigenschap is gebruikt om de gemiddelde uitkering inzichtelijk te maken bij de doorrekeningen van DNB en enkele pensioenfondsen in december 2022. De P-scenarioset wordt tevens gebruikt bij diverse andere wettelijke toepassingen. Dit betreft de communicatie over toekomstige pensioenuitkeringen (in zowel het huidige als het nieuwe pensioenstelsel, alsmede de transitie), de haalbaarheidstoets in het huidige pensioenstelsel en het bepalen van de fiscale premiegrens, het in beeld brengen van de balans tussen de pensioendoelstelling en de premie en het toetsen van de aansluiting van het beleggingsbeleid en toedelingsregels op de risicohouding in het nieuwe pensioenstelsel.

c.

Hoe kan het dat deze mediaan zoveel afwijkt van het meetkundig gemiddelde van 5,2% dat de cie parameters heeft voorgesteld?

Door de scheefheid van de kansverdeling naar links is het rekenkundige gemiddelde rendement op aandelen, namelijk circa 7%, lager dan de mediaan, namelijk circa 9%. Het rekenkundig gemiddelde van circa 7% komt overeen met een meetkundig gemiddelde van circa 5%, welke in de vraag genoemd wordt.

d.

Is de Minister bereid de analyses opnieuw te doen met de waarden van de cie parameters?

e.

Zo nee, waarom niet? Wat is het nut van de cie parameters als er vervolgens heel andere waarden voor de parameters worden gebruikt dan door de cie is geadviseerd?

Hiermee wordt zowel onderdeel d als e van vraag 150 beantwoord. DNB en enkele pensioenfondsen hebben reeds (in december 2022) doorrekeningen gemaakt met de nieuwe scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022.

151.

Buffer verplichtingen in FTK. Bij vraag 4 van het CDA heeft de Minister geantwoord dat door de FTK regels en de hoge buffer verplichtingen er de afgelopen jaren niet geïndexeerd kon worden. De FTK regels waar het hier om gaat zijn:

  • De invoering van de risicovrije rente als discontovoet in 2007

  • De verhoging van de indexatie grens naar 110% in 2015

  • De verhoging van de grens voor volledige indexatie via het Toekomst Bestendig Indexeren in 2015

De problemen van het FTK zijn dus niet eigen aan het FTK systeem maar een gevolg van de wijzigingen in het FTK na 2007.

Is de Minister het er mee eens dat bij terugkeer naar een vaste rekenrente het probleem van het niet indexeren ondanks een excessieve toename van het pensioenvermogen ook opgelost had kunnen worden.

De tot voor kort sterke toename van het pensioenvermogen is in belangrijke mate het gevolg geweest van de daling van rentes. Die twee elementen zijn dus nauw met elkaar verbonden. Een vaste rekenrente doorbreekt deze economische relatie. Bovendien leidt een daling van werkelijke rentes tot een stijging van de kostprijs van kapitaalgedekt pensioen. Met een vaste rekenrente wordt deze economische realiteit weggedefinieerd, maar deze verdwijnt daardoor niet. Het gevolg hiervan is dat hogere pensioenuitkeringen die het gevolg zijn van een hogere vaste rekenrente niet voortkomen uit een lagere kostprijs van pensioen, maar moeten worden betaald uit het bestaande pensioenvermogen dat bestemd is voor de dekking van het toekomstige pensioen van jongere deelnemers. Hierdoor wordt het financiële draagvlak van de tweede pijler uitgehold, maar dit blijft verborgen achter een onvermijdelijk subjectief gekozen vaste rekenrente, die los staat van de economische realiteit. Dat is geen toekomstbestendige oplossing voor de huidige problemen van ons pensioenstelsel.

152.

Pensioen ZZP. In vraag 5 heeft het CDA zorgen geuit over pensioendeelname van ZZP’ers. De Minister heeft geantwoord dat dit beter wordt door de verruiming van de 3e pijler tot 30%. Waarom denkt de Minister dat verruiming van de 3e pijler tot 30% tot meer deelname van ZZP’ers aan het pensioen systeem zal leiden als nu de ruimte van 13% al niet gebruikt wordt? Daarnaast komen er experimenten met vrijwillige voortzetting bij een pensioenfonds. Waarom zou vrijwillige deelname voor ZZP’ers aantrekkelijk is? In het WTP hebben zij immers geen enkele eigen zeggenschap over het beleggingsprofiel en geen vrije keuze om wel of niet een nabestaanden pensioen te verzekeren. De 3e pijler biedt deze mogelijkheden wel en zal dus voor velen aantrekkelijker zijn.

Het wetsvoorstel toekomst pensioen bevat een nieuw fiscaal kader. Onderdeel hiervan is om te komen met een meer arbeidsvorm neutraal pensioenkader. Dit houdt (o.a.) in dat de fiscaal gefaciliteerde premieruimte fors wordt verruimd. Nu is die ruimte gemaximeerd op 13,3% van de premiegrondslag (inkomen minus AOW-drempelbedrag). Voorgesteld wordt dit te verhogen naar 30%, waarmee de ruimte in de derde pijler gelijk wordt aan de ruimte die werknemers hebben in de tweede pijler. Deze maatregel draagt er onder meer aan bij dat pensioensparen door zelfstandigen beter wordt gefaciliteerd. Zelfstandigen die pensioen opbouwen in de derde pijler hebben dan namelijk dezelfde fiscale ruimte voor pensioenopbouw als werknemers in de tweede pijler. Overigens dient opgemerkt te worden dat van degenen die pensioensparen in de derde pijler (waaronder zelfstandigen), circa een derde nagenoeg de maximale fiscaal ruimte benut (90 tot 100% van de berekende maximale jaarruimte).

Zelfstandigen hebben diverse mogelijkheden om te sparen voor hun oudedagsvoorziening. De praktijk leert evenwel dat daarvan slechts beperkt gebruik wordt gemaakt. Hierdoor loopt een grote groep zelfstandigen het risico van een grote inkomensterugval bij pensionering. In het licht hiervan zijn in het Pensioenakkoord afspraken gemaakt over pensioensparen door zelfstandigen. De regering acht het wenselijk om te bezien hoe de pensioenopbouw onder zelfstandigen kan worden gestimuleerd.

Eén van de oplossingsrichtingen die wordt verkend is het – via experimenten – (breder) mogelijk maken van pensioenopbouw in de tweede pijler voor zelfstandigen. Zelfstandigen hebben naar huidig recht slechts zeer beperkt toegang tot de tweede pijler. Om experimenten in de tweede pijler te faciliteren wordt met dit wetsvoorstel experimenteerruimte in de tweede pijler mogelijk gemaakt.

Op basis van de experimenteerwetgeving kan – zoals is toegelicht in hoofdstuk 12 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel67 – proefondervindelijk worden bekeken of en op welke wijze bredere en toegankelijkere mogelijkheden in de tweede pijler kunnen worden gecreëerd voor zelfstandigen om tot een betere pensioenopbouw te komen, waardoor de inkomensterugval bij pensionering voor deze groep wordt verkleind. Specifiek is gekozen voor experimenten in de tweede pijler. Zelfstandigen kunnen op deze manier profiteren van het collectieve karakter van tweedepijlerpensioenregelingen en de (solidariteits)voordelen die daarmee samenhangen, zoals de voordelen van risicodeling tussen deelnemers(groepen). Dit kan aantrekkelijk zijn voor hen. Bovendien kan het voor zelfstandigen die deels in loondienst werkzaam zijn, aantrekkelijk zijn als zij over hun gehele inkomen pensioen kunnen opbouwen bij dezelfde pensioenuitvoerder. Ook kan het aantrekkelijk zijn voor zelfstandigen om pensioen op te bouwen bij het pensioenfonds van de sector of onderneming waar(in) ze werken wanneer zij een sterke mate van binding ervaren met die sector of onderneming. Daarnaast kan het voor zelfstandigen die in het verleden enige pensioenaanspraken hebben opgebouwd in de sector waar ze werkzaam zijn en zich vertrouwd mee voelen, aantrekkelijk zijn opnieuw aan te sluiten bij de pensioenregeling. De experimenteerwetgeving biedt deze mogelijkheden.

Het is tot slot goed te benadrukken dat zelfstandigen die zich niet vrijwillig willen aansluiten bij een pensioenregeling in de tweede pijler omdat dit voor hen niet aantrekkelijk is, ook de mogelijkheid hebben om een regeling te treffen in de derde pijler.

153.

Verplicht invaren. Bij vraag 13 heeft het CDA twijfels over de noodzaak en rechtvaardigheid van het verplichte invaren. Het WTP pensioen is in de opbouwfase een beleggingsfonds. Dit is een wezenlijk ander product dan een pensioenuitkering. Dat het pensioenvermogen mogelijk dezelfde financiële waarde heeft als de uitkering betekent nog niet dat de omzetting zonder instemming van de deelnemer gerechtvaardigd is. De waarde die de deelnemer persoonlijk toekent aan het pensioen, kan een heel andere zijn dan de waarde die de actuaris er aan toekent. De noodzaak van invaren is niet aangetoond. In het flexibele contract krijgen alle deelnemers met lopende pensioenen de keuze om te vertrekken naar een andere aanbieder. Dit had in het solidaire contract ook gekund. Tenzij het bestaande pensioenvermogen nodig is om knelpunten of tekorten in de WTP op te lossen. Maar is er dan niet sprake van een herverdeling die de WTP juist probeert te voorkomen?

In het nieuwe pensioenstelsel kunnen partijen kiezen uit drie contractvormen, te weten de solidaire premieovereenkomst, de flexibele premieovereenkomst en voor verzekeraars de premie-uitkeringsovereenkomst. Sociale partners zullen een keuze maken naar gelang wat het beste past bij de specifieke kenmerken en omstandigheden in een bepaalde bedrijfstak of onderneming. Voorts bepalen sociale partners of een verzoek tot invaren zal worden gedaan. Het pensioenfonds heeft vervolgens een eigen verplichting, op grond van artikel 150l lid 4 van de Pensioenwet, om het invaarverzoek te beoordelen op diverse aspecten zoals uitvoerbaarheid en naleving van wettelijke voorschriften. Het pensioenfonds besluit zelfstandig nadat de fondsorganen op de juiste wijze zijn geraadpleegd of het zal invaren.

154.

Niet invaren. Bij vraag 14, 15 van het CDA over de gevolgen van niet invaren heeft de Minister geantwoord:

  • Dat alleen in de nieuwe regeling rendement eerder beschikbaar komt voor uitkering als pensioen. Dit is geen natuurwet. De overheid zou ook kunnen besluiten om de versoepelde regels uit 2022 en 2023 te handhaven. De blokkade op indexering is ontstaan door de wijzigingen in hef FTK die de overheid na 2007 heeft ingevoerd. Met de FTK regels van voor 2007 hadden de pensioenfondsen wel kunnen indexeren.

  • Dat in een gesloten fonds er defensiever belegd moet worden naarmate de deelnemers ouder worden. Dit argument is niet ter zake omdat volgens het WTP-Life Cycle beleggingsprincipe er voor dezelfde deelnemers ook na invaren defensiever belegd moet worden naarmate ze ouder worden. Door de individualisering in de WTP is dit effect sterker dan onder het FTK waarin risico’s collectief gedragen worden.

  • Twee gescheiden regelingen is complexer en minder inzichtelijk voor de deelnemer. Dit is waar maar niet onoverkomelijk. Heel veel pensioenfondsen die van DB naar DC zijn overgestapt beheren een gesloten DB fonds naast een DC fonds voor de actieven. Dat blijkt geen probleem te zijn. Veel deelnemers hebben op grond van hun arbeidsverleden al pensioenrechten in meerdere fondsen. Zij zijn dus al aan de situatie van meerder fondsen gewend.

  • Minder risico deling door 2 gescheiden fondsen. Binnen het WTP systeem worden risico’s niet tussen deelnemers gedeeld omdat iedereen zijn eigen individuele vermogen krijgt. Het WTP pensioen is in de opbouwfase een beleggingsfonds. Ook dit argument is dus onjuist.

  • In het antwoord stelt de Minister: «De keuze van de ene individuele deelnemer heeft gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemer.»

a.

Kan de Minister dit toelichten, de kern van de WTP is toch een systeem van individuele vermogensopbouw zonder herverdeling. Hoe kan dan de keuze van de ene deelnemer gevolgen hebben voor het pensioenperspectief van andere deelnemers?

Als voor de transitie naar het nieuwe pensioencontract een individueel bezwaarrecht zou bestaan, heeft de keuze van de ene deelnemer gevolgen voor andere deelnemers omdat de volledige omzetting van het vermogen behorende bij de pensioenaanspraken en -rechten van alle deelnemers dan niet mogelijk is. Hierbij wil ik opmerken dat -in tegenstelling tot wat vraagsteller suggereert- het nieuwe pensioenstelsel geen individueel systeem is. In het nieuwe pensioenstelsel blijven de sterke collectieve en solidaire elementen van ons pensioenstelsel behouden.

b.

Deelnemers kunnen ook uit het fonds vertrekken door te kiezen voor een andere werkgever. Heeft dit ook gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemers? Zo ja, wat wordt daar dan aan of tegen gedaan?

Een individuele deelnemer kan zijn pensioen laten overdragen bij een wisseling van baan waardoor hij in een andere pensioenregeling pensioen gaat opbouwen. Er is dan sprake van een individuele waardeoverdracht waarbij de deelnemer de actuariële waarde meekrijgt. Bij een situatie van onderdekking wordt de individuele waardeoverdracht opgeschort. Mocht de pensioenregelingen een overschot hebben, dan heeft de individuele deelnemer geen recht op een deel van dit overschot. In die zin heeft een individuele waardeoverdracht geen gevolgen voor het pensioenperspectief van andere deelnemers.

c.

Als niet invaren alleen maar nadelen heeft zoals de Minister hier suggereert, zullen alle deelnemers wel willen invaren. Maar ongetwijfeld heeft het handhaven van het systeem met een uitkeringsrecht i.p.v. een pensioenvermogen ook voordelen voor de deelnemer. Waarom vertrouwd de overheid het niet aan de burgers toe om zelf een keuze te maken die bij hun voorkeur past?

De regering heeft bezien hoe deze transitie naar het nieuwe pensioenstelsel het best vormgegeven kan worden met borging van belangen van alle belanghebbenden. De regering heeft daarbij naar verschillende alternatieven gekeken, waarbij uiteindelijk is gekozen voor een zwaarwichtig gebalanceerd pakket aan collectieve waarborgen. De regering is van mening dat bij een inhoudelijke collectieve beoordeling of het invaren evenwichtig is, de belangen van eenieder het best geborgd zijn. Uit gedragswetenschappelijk onderzoek is bekend dat een keuze met betrekking tot een gebeurtenis die eenmalig is, financiële implicaties heeft en waarvan de gevolgen zich kunnen uitstrekken over de (zeer) lange termijn een grote mentale belasting vormen voor de deelnemer. De deelnemer moet immers in staat zijn de informatie te begrijpen en te bepalen welke acties moeten worden ondernomen. Een systeem waarbij de deelnemer expliciet zou moeten instemmen met de collectieve waardeoverdracht acht de regering daarom een vergaande belasting voor het individu. Bovendien blijft deze deelnemer, bij de individuele keuze om niet in te varen, achter in het huidige financieel toetsingskader waar de strengere buffereisen gelden en minder perspectief op een koopkrachtig pensioen bestaat. Doordat actieve deelnemers in dat geval geen onderdeel meer zijn van de collectiviteit moeten alle uitkeringen, voorwaardelijke toeslagen en maar ook tegenvallers worden gefinancierd uit de beleggingsopbrengsten. De vraag is of het individu de gevolgen van zijn bezwaar kan overzien.

De regering heeft in aanloop naar het wetsvoorstel toekomst pensioenen alternatieven onderzocht waarbij de individuele deelnemer meer zeggenschap krijgt over de omzetting. Hoewel de regering onderkent dat begeleiding van deelnemers het doenvermogen van individuen kan vergroten, blijft het de vraag of het individu de uiteindelijke gevolgen van zijn keuze kan overzien. Ook biedt een dergelijk systeem niet de voordelen die collectief wel behaald kunnen worden: als alle deelnemers overgaan kan het volledige pensioenvermogen worden omgezet naar de nieuwe premieregelingen. De keuze van de ene individuele deelnemer heeft gevolgen voor het pensioenperspectief van de andere deelnemer. Het vermogen is collectief opgebouwd en door nu collectief over te gaan naar de nieuwe premieregelingen kunnen risico’s blijvend worden gedeeld en kan het effect van de nieuwe premieregelingen eerder en volledig worden gevoeld door alle deelnemers in het pensioenfonds. De beslissing om al dan niet in te varen wordt per individueel pensioenfonds genomen. Op die manier kan het beste recht worden gedaan aan de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers en kan rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds.

155.

Adviesrecht per geleding. Blijkens vraag 16 wijst CDA de Minister een adviesrecht per geleding in het VO af. Er is echter een belangentegenstelling tussen de werkgever en de actieven enerzijds en de gepensioneerden anderzijds. De werkgever en de actieven kunnen beslissen over de inrichting van het stelsel en het invaren en de rekening daarvoor bij de gepensioneerden leggen. Die hebben geen enkele zeggenschap en nooit meer dan 1/3 deel van de zetels in het VO. Waarom verwacht de Minister dat hier toch een evenwichtig advies wordt opgesteld als de meerderheid er belang bij heeft om dat juist niet te doen?

Sociale partners doen weliswaar een verzoek tot invaren, maar pensioenfondsbesturen zijn uiteindelijk verantwoordelijk voor het invaarbesluit. Zij bepalen of zij het verzoek kunnen inwilligen en op welke wijze zij het invaarbesluit vormgeven. Zij doen dit met inachtneming van evenwichtige belangenafweging. Het wetsvoorstel stelt hierbij enkele aanvullende eisen om te borgen dat alle belangen meegewogen worden. Dit betreft onder meer het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan op het invaarbesluit. In het verantwoordingsorgaan zijn in ieder geval deelnemers en pensioengerechtigden vertegenwoordigd, dit evenredig op basis van onderlinge getalsverhoudingen. Dit is wettelijk niet gekoppeld aan een maximum, zoals 1/3e van het aantal zetels. Het verantwoordingsorgaan beoordeelt of het pensioenfondsbestuur de verschillende belangen evenwichtig heeft meegewogen en baseert het gezamenlijke advies hierop. Het antwoord op vraag 16 van het CDA in de memorie van antwoord ging in op het feit dat niet iedere geleding binnen het verantwoordingsorgaan de mogelijkheid heeft om de gang naar de Ondernemingskamer te maken. Die mogelijkheid bestaat alleen voor het verantwoordingsorgaan als geheel. Dat neemt niet weg dat de verschillende geledingen binnen het verantwoordingsorgaan verschillend kunnen oordelen over het voorgenomen besluit tot invaren. Het is daarbij belangrijk dat sociale partners op de hoogte worden gebracht van de bevindingen van het verantwoordingsorgaan. Het wetsvoorstel toekomst pensioenen regelt dan ook dat het pensioenfonds de werkgever of sociale partners hierover informeert. Zodoende kunnen zij hun invaarverzoek heroverwegen en aan de hand van deze bevindingen het verzoek zo nodig actualiseren.

Naast de plicht van het pensioenfondsbestuur om belangen evenwichtig af te wegen en het adviesrecht van het verantwoordingsorgaan, worden in het wetsvoorstel enkele andere waarborgen voorgesteld om een evenwichtig besluit door het pensioenfonds te borgen. Zo heeft het intern toezicht nadrukkelijk een rol. Ook wordt het invaarbesluit getoetst door de toezichthouder.

156.

Restitutie mogelijkheid NP. Bij vraag 25 en 26 CDA over de mogelijkheid van een restitutie systeem bij overlijden voor pensioendatum heeft de Minister gezegd de kamer uiterlijk 1 juni 2023 te informeren over de uitkomsten van het onderzoek.

  • a. Is de Minister het er mee eens dat een restitutie systeem tot een wezenlijk andere kostenstructuur voor het pensioen leidt?

  • b. Publicatie van het onderzoek in juni 2023 betekent dat een eventuele wetswijziging op zijn vroegst laat in het najaar van 2023 komt. Hoe moeten pensioenfondsen het nieuwe contract doorrekenen als niet bekend is hoe het NP geregeld wordt?

Restitutie leidt inderdaad tot een wezenlijk andere kostenstructuur. Restitutie gaat namelijk uit van kapitaaldekking terwijl in het huidige wetsvoorstel wordt uitgegaan van risicodekking. Het onderzoek waar in de vraag op wordt gedoeld, richt zich op een variant van restitutiemogelijkheid die naast de vrijwillige voortzetting van het nabestaandenpensioen zou worden geïntroduceerd. Toegezegd is om dit onderzoek voor 1 juni aan de Tweede Kamer te sturen. Deze planning is zodanig om het mogelijk te maken dat een eventuele restitutieregeling, indien een dergelijk variant wenselijk wordt geacht, toegevoegd zou kunnen worden aan het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen. Streven is dat dit wetsvoorstel rond de zomer van 2023 in internetconsultatie zal gaan. Het eventueel toevoegen van restitutie naast de vrijwillige voortzetting in het nabestaandenpensioen heeft geen effect op de transitie. Een restitutieregeling zou namelijk pas gaan gelden vanaf het moment van de transitie. Restitutie is niet met terugwerkende kracht mogelijk en heeft daarmee geen effect op het reeds (tot het moment van de transitie) gespaarde pensioenvermogen. Het speelt daarmee ook geen rol in de transitie of het overgangsrecht.

157.

Premie nabestaandenpensioen bij vrijwillige voortzetting. Vraag 27, 28 CDA

Verwacht de Minister dat pensioenfondsen bij de vrijwillige voortzetting van het NP een leeftijdsonafhankelijke doorsnee premie zullen hanteren?

a.

Zo ja, leidt dit dan niet tot oneerlijke concurrentie met verzekeraars die een actuarieel kostendekkende premie moeten gebruiken?

De verplichting voor verplichtgestelde pensioenfondsen om voor een risicopensioen een gelijke premie te heffen (conform het voorgestelde artikel 17, tweede lid) geldt enkel voor het reguliere risicopartnerpensioen. De voortzetting van de risicodekking na het beëindigen van de dienstbetrekking is een vrijwillige keuze voor de deelnemer. Pensioenfondsen zullen voor die vrijwillige voortzetting, net als verzekeraars, een leeftijdsafhankelijke premie heffen.

b.

Als de fondsen een actuarieel neutrale premie gebruiken voor de vrijwillige voortzetting, hoe hoog wordt de premie dan op basis van leeftijd en dekkingspercentage voor het NP?

Pensioenfondsen zullen de premie voor de vrijwillige voortzetting van de risicodekking leeftijdsafhankelijk vaststellen.

c.

Als een deelnemer overstapt van een fonds met nabestaanden pensioen naar een fonds zonder nabestaanden pensioen, heeft dat dan tot gevolg dat er, ongeacht de hoogte van het persoonlijke pensioenvermogen, geen NP dekking meer is?

d.

Kan een deelnemer die over gaat naar een werkgever zonder NP, het NP bij een vorige werkgever vrijwillig voort zetten?

Een gewezen deelnemer kan bij beëindiging van het dienstverband en daarmee het einde van deelnemerschap in de pensioenregeling na afloop van de uitloopperiode ervoor kiezen om de risicodekking uit de pensioenregeling vrijwillig voort te zetten. Bij een aansluitend dienstverband, waarbij dus geen sprake is van een uitloopperiode van drie (of zes) maanden, bestaat niet de mogelijkheid van vrijwillige voortzetting van de risicodekking. De beslissing om een nieuwe dienstbetrekking aan te gaan, met alle arbeidsvoorwaarden die daarbij horen (waaronder ook afspraken over (partner)pensioen), ligt bij de werknemer. Het is niet passend om het nabestaandenrisico in dat geval wel door het oude collectief te laten delen.

e.

Er zijn nu pensioenfondsen waarbij de NP dekking op vrijwillige basis is. Blijft dit ook in de WTP mogelijk?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen geeft geen verplichting om een nabestaandenpensioen aan te bieden. Een nabestaandenpensioendekking op vrijwillige basis is derhalve nog steeds mogelijk, mits de kaders die in het wetsvoorstel zijn vastgelegd nageleefd worden.

158.

Premie NP voor jonge en alleenstaande deelnemers. Vraag 29 CDA. Hoe hoog wordt de NP premie voor de dekking van het risico op overlijden voor pensioendatum bij een NP van 50% of van 25%?

  • a. Klopt het dat deze premie bij een NP van 50% in de orde van 1/5 deel van de totale pensioen premie zal liggen?

De hoogte van de premie voor het nabestaandenpensioen is naast de hoogte van het dekkingspercentage afhankelijk van bijvoorbeeld de samenstelling van het deelnemersbestand en de hoogte van het pensioengevend salaris. Er is dan ook geen algemeen antwoord te geven op deze vraag.

b.

Vindt de Minister het acceptabel dat in een stelsel waarin er geen herverdeling tussen deelnemersgroepen zou zijn, een zo groot deel van de premie van alleenstaande deelnemers wordt afgenomen ten gunste van de gehuwde / samenwonende deelnemers?

Er bestaat een verschil tussen het heffen van een gelijke premie voor de opbouw van ouderdomspensioen, dat het langleven risico verzekert, en het heffen van een gelijke premie voor de verzekering van het risico op overlijden, het kortleven risico. Voor langleven hoef je elkaar niet per definitie te subsidiëren, maar kun je bepaalde risico’s wel delen met elkaar. Voor kortleven wil je de risico’s juist wel delen met elkaar, omdat je die risico’s niet alleen kunt dragen. Over de gehele carrière gezien betaalt een werknemer bij een leeftijdsonafhankelijke premie evenveel premie als bij een leeftijdsafhankelijke premie om verzekerd te zijn voor het kortlevenrisico. Daarnaast is het uitvoeringstechnisch eenvoudiger één premiepercentage te hanteren.

159.

Koopkrachtig pensioen. Op vraag 3 van PvdA en GL heeft de Minister geantwoord te verwachten dat voor het fonds als geheel de beleggingsmix niet zal veranderen. Tegelijkertijd wordt verwacht dat volgens het life cycle beleggen er voor de jongere deelnemers meer in aandelen met een hoger verwacht rendement zal worden belegd. Dit heeft als gevolg dat er voor de oudere en gepensioneerde deelnemers minder in aandelen en dus met een lager verwacht rendement wordt belegd. Blijkbaar is het concept van de WTP om in de opbouwfase met veel risico een hoog kapitaal op de bouwen dat in de pensioenfase risicoloos belegd kan of moet worden. Voor de huidige generatie gepensioneerden heeft dat tot gevolg dat zij de periode met verhoogde opbouw door een hoger rendement hebben gemist, maar wel de uitkeringsperiode met een verlaagd rendement krijgen. Zou het niet evenwichtiger zijn als de huidige generatie gepensioneerden compensatie krijgt voor dit lagere rendement op hun pensioenvermogen?

Of en in welke mate gepensioneerden minder beleggingsrisico toebedeeld krijgen dan in de huidige situatie, is een beslissing van het pensioenfonds en zal per pensioenfonds verschillen. Uiteindelijk gaat het om de vraag of gepensioneerden naar verwachting een lagere pensioenuitkering zullen krijgen dan in het huidige pensioenstelsel. Uit berekeningen van Netspar blijkt dat de kans daarop gering is.68

160.

De leden van het CDA hebben in vragen 32, 33, 34 en 35 ook gevraagd of het WTP systeem wel voldoende koopkracht biedt in tijden van hoge inflatie.

  • a. In het antwoord van de Minister ontbreekt een cijfermatige onderbouwing van de stelling dat het WTP pensioen behoud van koopkracht kan bieden. Kan de Minister die onderbouwing alsnog leveren?

Dat het nieuwe pensioenstelsel eerder perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen blijkt uit de cijfermatige onderbouwing in het Netspar-rapport Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract.69

b.

De Minister noemt inflatie gerelateerde beleggingen als oplossing. Volgens de economische theorie bieden aandelen en vastgoed inflatie bescherming. Kunnen aandelen en vastgoed daarmee gebruikt worden als inflatie gerelateerde belegging?

Aandelen en vastgoed kunnen (op voorhand) geen volledige bescherming tegen inflatie bieden, omdat hun ontwikkeling niet volledig gecorreleerd is met inflatie. Inflatiegerelateerde obligaties en inflatie swaps bieden wel een directe bescherming tegen inflatie.

c.

Verder wordt een afslag op het projectierendement genoemd. Is het de Minister bekend dat die afslag leidt tot een lager pensioen?

Een lager (afslag) projectierendement verlaagt de initiële pensioenuitkering zodat deze in de toekomst beter de inflatie kan bijhouden.

d.

Is de Minister het er mee eens dat 1% afslag leidt tot een ongeveer 10% lager pensioen? Is de Minister het er mee eens dat 2% afslag voor inflatie dus tot ongeveer 20% lagere pensioenen leidt?

Het effect van een afslag op het projectierendement is mede afhankelijk van de hoogte van de risicovrije rente die gebaseerd is op de rentetermijnstructuur van DNB.

e.

De Minister noemt ook de solidariteits- of risico delingsreserve als inflatie compensatie. Is de Minister van mening dat inflatie compensatie voor alle deelnemers noodzakelijk is of zijn deze reserves alleen voor de inflatie compensatie van de gepensioneerden bedoeld?

Het pensioenfonds bepaalt zelf of zij inflatiebescherming wil bieden en voor welke groep deelnemers, slapers en gepensioneerden zij deze bescherming wil geven.

f.

Als de reserves voor inflatie compensatie voor alle deelnemers gebruikt worden, heeft dit tot effect dat de deelnemers eerst vanuit premie of rendement geld in de reserves storten en dat vervolgens weer terug krijgen. Wat is het nut van dit heen en weer schuiven van geld tussen de reserve en het individuele vermogen?

De bijdrage die de solidariteitsreserve kan bieden voor verschillende gepensioneerden, slapers en deelnemers is afhankelijk van de vul- en toedeelregels die het pensioenfonds afspreekt. Het doel van de solidariteitsreserve is dat dit tot betere resultaten leidt voor deelnemers en gepensioneerden.

g.

Als de inflatie compensatie alleen voor de gepensioneerden is, is het dan redelijk dat de actieve deelnemers de inflatie zelf niet gecompenseerd krijgen maar wel moeten betalen voor de compensatie van de gepensioneerden? Wordt hiermee niet een omslagstelsel in de pensioenen gebracht waarbij de premie van de jongeren wordt gebruikt voor de pensioenuitkeringen van de ouderen?

De solidariteitsreserve biedt inderdaad mogelijkheden tot solidariteit tussen generaties, waarbij het wel zo moet zijn dat bij de inrichting van de reserve op voorhand wordt voorkomen dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten heeft van de reserve.

h.

Welke mogelijkheden heeft een pensioenfonds in het WTP systeem om de pensioenaanpassingen niet te koppelen aan het beleggingsrendement maar aan de prijsindex?

In het nieuwe pensioenstelsel is het mogelijk om de pensioenaanpassingen te koppelen aan de inflatie als er voldoende marktinstrumenten zoals inflatieswaps beschikbaar zijn om het inflatierisico af te dekken. Door de beperkte beschikbaarheid van deze marktinstrumenten zal dit echter niet voor elk pensioenfonds tot de mogelijkheden behoren.

161.

Wijziging met terugwerkende kracht. De leden van het CDA (vraag 48) hebben gevraagd naar de toepassing van art 19 pensioenwet. Het huidige pensioenvermogen is opgebouwd onder artikel 19 en 20 van de pensioenwet waarin stond dat de werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig kan aanpassen maar dat die aanpassingen dan alleen gelden voor de nieuwe opbouw. De oude opbouw blijft ongewijzigd. Nu worden deze artikelen gewijzigd zodat zonder instemming van de deelnemer de oude aanspraken kunnen worden omgezet. Is hier nu niet sprake van wetswijziging met terugwerkende kracht? Indien nee waarom niet?

Artikel 19 van de Pensioenwet heeft betrekking op de wijziging van een pensioenovereenkomst. Artikel 20 van de Pensioenwet regelt dat reeds opgebouwde aanspraken en rechten niet worden gewijzigd behoudens specifieke uitzonderingen. Een van de in dat artikel genoemde uitzonderingen is de collectieve waardeoverdracht. In geval van een collectieve waardeoverdracht kunnen opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten wijzigen. Er is geen sprake van een wetswijziging met terugwerkende kracht.

162.

Nadeel van afschaffen doorsnee systeem voor vrouwen en deelnemers die pas op latere leeftijd gaan werken. Bij vragen 34 en 35 hebben GL en PvdA gevraagd naar het nadeel van het afschaffen van het doorsnee systeem voor vrouwen die enige tijd korter of niet in loondienst werken en in het algemeen voor mensen die pas op latere leeftijd aan het pensioen deelnemen. Volgens het antwoord van de Minister is het effect op het uiteindelijke pensioenresultaat verwaarloosbaar. Nu is het nadeel voor de late toetreders het zelfde als het voordeel voor de vroege uittreders. Voor de deelnemers die hun hele leven in het pensioensysteem blijven deelnemen heeft het doorsnee systeem immers geen voor- of nadeel. Het WTP voorstel is in belangrijke mate gemotiveerd met het idee dat het systeem niet eerlijk is voor diegenen die op latere leeftijd niet meer deelnemen. Als het effect van het afschaffen van het doorsnee systeem uiteindelijk verwaarloosbaar is, waarom doen we dat dan?

Het feit dat in de doorsneesystematiek de economische waarde van de pensioenopbouw op vrijwel elk moment anders is dan de premie die er voor ingelegd wordt, is niet transparant. Dat heeft ongunstige gevolgen, en het doel is om die weg te nemen. Ter illustratie de volgende ongunstige gevolgen. Ten eerste, onder de doorsneesystematiek zien jongere deelnemers dat de economische waarde van hun pensioenopbouw minder is dan de premie die ze er voor betalen en dat dat omgekeerd is bij hun oudere collega’s. Dat leidt tot ongewenste tegenstellingen en sentimenten tussen jongere en oudere pensioendeelnemers. Ook zijn werknemers die vroeg beginnen met werken relatief slechter af ten opzichte van werknemers die op late leeftijd carrière maken. Dit komt bovenop de discussie in relatie tot de rekenrente – en een (schijnbaar) conflict tussen generaties doet afbreuk aan het vertrouwen dat deelnemers hebben in het pensioenstelsel. Het is belangrijk om dit te voorkomen. Ten tweede heeft de doorsneesystematiek duidelijk ongunstige pensioengevolgen voor een groeiende groep werknemers die rond de leeftijd 45 tot 50 jaar voor het zelfstandig ondernemerschap kiezen. Dat is niet voor iedereen duidelijk en niet transparant; de ongunstige pensioengevolgen worden niet meegewogen bij de beslissing om zelfstandige te worden. Maar die nadelige pensioengevolgen zijn er jaren later wél. Die voorzienbare teleurstelling willen we ook voorkomen.

163.

Compensatie. In art 150 van de WTP wordt de compensatie beschreven. In dit artikel wordt niet aangegeven wat de doelen van de compensatie zijn. In de MvT wordt alleen compensatie voor het afschaffen van het doorsnee systeem genoemd. Kan de compensatie faciliteit ook voor het compenseren van andere onevenwichtigheden gebruikt worden?

Wanneer er in dit wetsvoorstel en in de memorie van toelichting gesproken wordt over compensatie heeft dit steeds betrekking op compensatie die gegeven kan worden aan deelnemers die nadeel ondervinden als gevolg van de afschaffing van de doorsneesystematiek en de overstap naar het pensioenstelsel met leeftijdsonafhankelijke premies in combinatie met een degressieve opbouw. Compensatie die om andere redenen wordt toegekend geldt niet als compensatie in de zin van dit wetsvoorstel. Sociale partners zien er op toe dat het totaal aan afspraken met betrekking tot de transitie evenwichtig is voor de gehele fondspopulatie.

164.

Er wordt geen antwoord gegeven op vraag 40. Kunt u ingaan op de kritiek van de experts op het seminar in Utrecht?

Ik heb kennis genomen van het verslag over het seminar in Utrecht. Diverse experts hebben hun visie op de grote verplichtstelling, de verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds, gegeven. Uit het verslag blijken de diverse invalshoeken van de experts maar er wordt geen algehele conclusie getrokken. In de memorie van antwoord is reeds op gereageerd op een aantal van deze invalshoeken.

Voor het wetsvoorstel toekomst pensioenen is van belang dat de verplichtstelling van pensioen houdbaar blijft gelet op het Europese mededingingsrecht (VWEU art. 102). Uit vaste rechtspraak van het Europese Hof blijkt dat de verplichtstelling een toelaatbare beperking van het mededingingsrecht vormt omdat de verplichtstelling wordt beschouwd als noodzakelijk voor de vervulling van de aan het pensioenfonds opgedragen bijzondere sociale taak van algemeen belang, die bij vrije mededinging niet kan worden bereikt tegen aanvaardbare kosten zodat verplichtstelling nodig is om dit doel te bereiken.70 De rechtvaardiging hiervoor vindt het Hof in de hoge mate van solidariteit in de pensioenregelingen. In het nieuwe pensioenstelsel zijn voldoende solidariteitskenmerken aanwezig. Risico’s worden collectief gedragen, zowel in de opbouw- als de uitkeringsfase. Er geldt een acceptatieplicht: een pensioenfonds dat onder de verplichtstelling valt mag «slechte risico’s» (individuen of bedrijven) niet weigeren om toe te treden tot de pensioenregeling. Er wordt geen verschillende premie in rekening gebracht: het premieniveau is ontkoppeld van de gedekte risico’s. Achterstallige pensioenpremies bij faillissement van de werkgever worden overgenomen door het collectief zodat een individuele deelnemer daar geen nadeel door ondervindt.

De regering heeft in aanloop naar het wetsvoorstel juridisch advies ingewonnen. Bovendien heeft ook de Raad van State de Europeesrechtelijke houdbaarheid van de verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds beoordeeld in het licht van het wetsvoorstel toekomst pensioenen. De analyse van de houdbaarheid van de verplichtstelling in relatie tot de twee voorgestelde nieuwe pensioenregelingen is beschreven in paragraaf 10.2.9 van de memorie van toelichting. De conclusie van de verschillende analyses is dat de verplichtstelling van pensioen bij de beide nieuwe contracten houdbaar is.

165.

Antwoord op vraag 44 geeft geen antwoord op de vraag. Het gaat nu om de situatie als de regeling gewijzigd wordt. Niet in het algemeen of de verplichtstelling in strijd is met artikel 56 VWEU. Graag een nieuwe poging tot een antwoord van de regering.

In de beantwoording is aangegeven dat de verwachting niet is dat het transparantiebeginsel van toepassing is bij een wijziging van de pensioenregeling uitgevoerd door een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds. Ook in de literatuur worden hiervoor enkele argumenten aangevoerd. Een argument is dat er geen sprake is van een situatie waarbij buitenlandse aanbieders anders behandeld worden: bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds wordt immers de mededinging voor zowel Nederlandse als buitenlandse aanbieders uitgesloten. Een ander argument is dat schending van het transparantiebeginsel gerechtvaardigd is omdat een bedrijfstakpensioenfonds een dienst van algemeen economisch belang uitvoert.71

166.

Geen antwoord op vraag 48. Artikel 14–16 IORP II zien helemaal niet op een pensioenhervorming. De regering gebruikt deze artikelen volstrekt ten onrechte. Kan de regering een andere argumentatie bedenken?

Aangegeven is dat Europese wet- en regelgeving ruimte laat voor een aangepast financieel toetsingskader als dat vanuit prudentieel oogpunt gerechtvaardigd is. Een overweging bij deze richtlijn is bijvoorbeeld dat de prudentiële regels in de richtlijn bedoeld zijn voor alle toekomstige gepensioneerden door strenge toezichtnormen en een hoge mate van zekerheid te bieden en tegelijkertijd een gezond, prudent en efficiënt beheer van de pensioenregelingen mogelijk te maken.72 Dit geeft ruimte voor maatwerk in de wetgeving vanwege de transitie naar een nieuw pensioenstelsel. De combinatie van de noodzakelijkheid van deze aanpassingen in het kader van de stelselherziening, het vereiste om te herstellen tot de dekkingsgraad benodigd voor de overstap én het vereiste dat als het pensioenfonds de bestaande pensioenen alsnog niet invaart het bij het eerstvolgende meetmoment moet voldoen aan de (M)VEV-eisen, zorgt ervoor dat nog steeds voldaan wordt aan het doel en de strekking van de artikelen 14 tot en met 16 van de IORP II richtlijn.

167.

Geen antwoord op vraag 48 a-c. De vraag is: waarom noemen we het een uitkeringsovereenkomst als alle risico’s bij de deelnemer liggen? Graag een nieuwe poging tot een antwoord van de regering.

Zoals in de vorige beantwoording ook al is aangegeven geeft de Pensioenwet aan welk karakter een pensioenovereenkomst kan hebben, namelijk een uitkeringsovereenkomst, kapitaalovereenkomst of een premieovereenkomst. Kenmerk van een uitkeringsovereenkomst is dat het een vastgestelde pensioenuitkering betreft. Een premieovereenkomst betreft een overeenkomst waar de premie is vastgesteld die op pensioendatum wordt omgezet in een vastgestelde of variabele uitkering.

168.

Vraag 54. De regering schrijft: De Wet op het financieel toezicht geeft de vereisten wat kwalificeert als een financieel product; pensioen voldoet niet aan die kwalificaties». Bij vraag 47) antwoord de regering:» in de financiële dienstensector (Vo 2019/2088) wordt een pensioenproduct inderdaad aangemerkt als een financieel product.» EU recht gaat voor op nationaal recht. Dus EU rechtelijk is pensioen wel een financieel product. Waarom is de regering het hiermee oneens?

In het eerdere antwoord is aangegeven dat in de betreffende richtlijn en voor het doel van die betreffende richtlijn, pensioen wordt aangemerkt als financieel product. Het informatievoorschrift over, onder andere, duurzaamheidsrisico’s is daarmee ook van toepassing op pensioenproducten. Daarmee is niet gezegd dat pensioen te allen tijde als financieel product conform de Wet op het financieel toezicht kan worden aangemerkt.

169.

Vraag 61. Erkent de regering dat invaren in strijd is (met de geest achter) artikel 20 PW? Waarom is hier anders een uitzondering op gemaakt?

Dat is niet het geval. Artikel 20 van de Pensioenwet regelt dat reeds opgebouwde aanspraken en rechten niet worden gewijzigd behoudens specifieke uitzonderingen. Een van de in dat artikel genoemde uitzonderingen is de collectieve waardeoverdracht. In geval van een collectieve waardeoverdracht kunnen opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten wijzigen. Deze uitzondering op artikel 20 van de Pensioenwet is geen nieuwe wetgeving, maar al geruime tijd onderdeel van de pensioenwetgeving.

170.

Vraag 7. Het betoog waarom sommigen adviezen van de landsadvocaat wel, en sommigen niet gedeeld worden, overtuigt niet. Het advies inzake het Awb belanghebbende begrip werd wel gedeeld. Dit is toch ook een advies dat tegen de Staat kon worden gebruikt. Graag een heldere toelichting dit keer.

Met ingang van 1 juli 2021 is Rijksbreed afgesproken dat een onderscheid wordt gemaakt tussen een algemeen juridisch beleidsadvies en een procesadvies van de landsadvocaat. Hier is de Kamer over geïnformeerd in de voortgangsbrief POK van 29 juni 2021.73 Uit deze Rijksbrede beleidslijn vloeit voort dat een beleidsadvies van de landsadvocaat opgesteld na 1 juli 2021 actief openbaar wordt gemaakt. Aan deze afspraak is voldaan door bij de aanbieding van het wetsvoorstel het advies van de landsadvocaat over het belanghebbendenbegrip openbaar te maken, nu dit heeft geleid tot een voorstel voor wetsaanpassing; namelijk de opname van enkele wetsartikelen in bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht.74 Voor de goede orde wordt herhaald dat adviezen van de landsadvocaat van voor 1 juli 2021 buiten deze beleidslijn vallen en daarom niet openbaar gemaakt worden.

171.

Vraag 7. De houdbaarheid van de verplichtstelling is door prof. Lutjens onderzocht, schrijft de regering. Prof. Lutjens is geen mededinging jurist maar wel advocaat van grote pensioenfondsen en adviseur van de regering. Bent u bereid deze materie eens door een onafhankelijk ter zake kundig jurist te laten bekijken?

De regering ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en onafhankelijkheid van prof. Lutjens. Voor de goede orde zij bovendien herhaald dat naast prof. Lutjens eveneens de Raad van State de Europeesrechtelijke houdbaarheid van het wetsvoorstel heeft beoordeeld.

172.

De «EU Pilot», de klacht die bij de EC is ingediend is veel breder, deze ziet namelijk wel op de houdbaarheid van de verplichtstelling, zo begrepen deze leden van de indiener. Waarom verkleint de Minister de reikwijdte van de klacht? Het antwoord van de regering is verder gewoonweg zwak. Het gaat hier om 1500 miljard euro. Dan kunnen we niet volstaan met wat Lutjens en enkele ambtenaren vinden.

In de memorie van antwoord is de procedure en de inhoud van de EU Pilot toegelicht. De regering heeft daar niets aan toe te voegen.

173.

Antwoord vraag 13. Juridisch kunnen de regelingen toch niet gescheiden worden? Dus de kruissubsidiering blijft bestaan. Overigens is dit antwoord een strijd met het antwoord op vraag 47: een tekort bij de ene regeling kan JUIST wel worden aangezuiverd door overschotten van een andere regeling. Dat is de kern van de eis van 1 financieel geheel. Kunt u dit toelichten?

De betreffende vragen waarnaar verwezen wordt kunnen niet worden geplaatst. In algemene zin geldt dat de eis van een financieel geheel bij de uitvoering van meerdere pensioenregelingen een belangrijke voorwaarde voor de taakafbakening bij pensioenfondsen is. De eis van een financieel geheel leidt ertoe dat een tekort in de ene pensioenregeling niet kan worden verwerkt als in een andere pensioenregeling bij hetzelfde pensioenfonds een overschot aanwezig is. Als de situatie zich voordoet zullen de reserves als eerste worden aangesproken. Op deze regel bestaat een uitzondering met de overgang naar de nieuwe premieregelingen. Een pensioenfonds dat de opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten niet omzet naar aanspraken en rechten in de nieuwe premieregeling houdt de reeds opgebouwde aanspraken en rechten aan in een te onderscheiden financieel geheel.75

174.

Vraag 47. De regering meldt dat de informatievertrekking correct en duidelijk moet zijn en dat pensioenfondsen hier op grond van artikel 48 PW reeds aan moeten voldoen. Daarmee wordt de zaak NN/Van Leeuwen niet goed gelezen of begrepen. Het EU Hof overwoog namelijk ook dat: «de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt». Kan de regering ook die laatste elementen duiden. Bovendien: de reflexwerking duidt erop dat ook in het pensioenrecht aanvullende eisen dan welke uit artikel 48 PW voortvloeien kan worden verlangd. Erkent de regering dit?

Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 176. Zoals ook in dat antwoord wordt betoogd had NN/Van Leeuwen betrekking op een levensverzekeringsproduct in de derde pijler. In die casus werd een aanvullende informatieplicht aangenomen. De regering is van mening dat de informatiebepalingen in de Pensioenwet, betrekking hebbende op de tweede pijler, reeds ruim voldoende regelen dat deelnemers op meerdere momenten essentiële informatie ontvangen over hun pensioenregeling. Voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel worden in onderhavig wetsvoorstel specifiek nog enkele aanvullende informatiebepalingen opgenomen ten opzichte van de bepalingen die al op grond van de huidige Pensioenwet gelden (bijvoorbeeld met betrekking tot het transitieplan en het communicatieplan).

175.

Verderop antwoordt de regering bij vraag 52 dat de uitzondering om de deelnemers niet te informeren van kracht blijft. Maar de vraag gaat ook om regelingen die het risico’s bij de deelnemers neerleggen. Daarvan is nu toch al sprake?

De betreffende vraag was of de uitzondering op artikel 37 IORP-2 van toepassing blijft gedurende het transitie-ftk. Daarop is geantwoord dat dat het geval is. Deze uitzondering blijft van kracht zolang sprake is van pensioenovereenkomsten waar deelnemers geen beleggingsbeslissingen kunnen nemen. Zolang het transitie-ftk van toepassing is, voor het specifieke pensioenfonds, geldt dat nog steeds pensioenopbouw plaatsvindt in een pensioenovereenkomst waar deelnemers geen beleggingsbeslissingen nemen. Derhalve blijft de uitzondering van kracht zolang het transitie-ftk geldt.

176.

Wel degelijk wordt de essentie miskent van het woeker-polis arrest van het EU Hof. Het bovenstaande zegt eigenlijk «u mag wel alle risico’s dragen, beslissingen kunt u niet nemen en we informeren u ook niet». Is deze samenvatting juist?

De leden van de fractie van 50PLUS vragen naar de essentie van het «woeker-polis arrest» van het EU Hof. De regering deelt de door deze leden gegeven samenvatting niet. Het woeker-polis arrest betreft het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 29 april 2015 in zaak C-51/13, Nationale Nederlanden Levensverzekering Mij N.V. /H.W. van Leeuwen. In het arrest is in essentie geoordeeld dat levensverzekeraars kunnen worden verplicht meer informatie te verstrekken aan consumenten dan de EU-richtlijn inzake levensverzekeringen voorschrijft als dit noodzakelijk is voor een goed begrip van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis. Die plicht kan, zoals in Nederland, in algemene termen geformuleerd zijn. Maar de verzekeraar moet wel met een voldoende mate van voorspelbaarheid kunnen vaststellen welke aanvullende informatie hij dient te verstrekken. Voor de volledigheid wijst de regering er op dat dit arrest betrekking had op een levensverzekeringsproduct in de derde pijler. Voor de goede orde wordt herhaald dat, in de tweede pijler, deelnemers op meerdere momenten reeds essentiële informatie ontvangen over hun pensioenregeling. Specifiek voor de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel worden in onderhavig wetsvoorstel enkele aanvullende informatiebepalingen opgenomen ten opzichte van de bepalingen die al op grond van de huidige Pensioenwet gelden (bijvoorbeeld met betrekking tot het transitieplan en het communicatieplan).

177.

Deze leden hebben nog vragen over de verplichtstellingsbesluiten. De Minister heeft toegezegd dat «ellende» – want zo ervaren veel werkgevers dit – m.b.t. de onduidelijkheid van verplichtstellingsbesluiten aan te pakken. Soms vallen werkgevers – zonder dat ze het weten – onder meerdere pensioenfondsen, althans dat vinden zelf de pensioenfondsen.

Geen vraag.

178.

Deze besluiten zijn wetgeving in materiele zin en de handhaving ervan wordt door het pensioenfonds gedaan. Handhaving van compleet onleesbare en onduidelijke wetgeving kan toch niet gedelegeerd worden aan een pensioenfonds? Dat is toch in strijd met 6 EVRM en het Lex Certa beginsel?

Het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds handelt als privaatrechtelijke rechtspersoon, indien er een besluit moet worden genomen over de vraag of een werkgever al dan niet onder de verplichtstelling valt. Bij verplichte bedrijfstakpensioenfondsen ontstaan de aanspraken op pensioen van rechtswege als een deelnemer onder de werkingssfeer valt en het pensioenreglement (dus) van toepassing wordt. Hier geldt de regel «geen premie, wel recht». Dit maakt ook dat deze pensioenfondsen gerechtigd en verplicht zijn ten opzichte van de andere deelnemers in het pensioenfonds om de verschuldigde premie te innen bij de werkgever.

Er is dan geen strijd met het legaliteitsbeginsel, omdat het handelen van het pensioenfonds gebaseerd is op de wet. Ook staat het handhaven door pensioenfondsen er niet aan in de weg dat de werkgever naar de rechter kan gaan. Hierdoor is er ook geen strijd met het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6 EVRM.

179.

De praktijk is dat veel werkgevers een brief krijgen of ze even bij een pensioenfonds willen aansluiten. Of ze met terugwerkende kracht even tonnen aan premies willen betalen. Deze besluiten zijn nauwelijks leesbaar. Maar het is wel wetgeving!

  • a. Dit is toch een bizar verdienmodel voor (adviseurs van) pensioenfondsen? Commerciële bureau beleven hieraan gouden tijden, terwijl veel bedrijven failliet gaan. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

  • b. Is dit redelijk? Is dit houdbaar? Is dit niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel? Wil de regering dit in de WTP alsnog aanpakken? Wat is de waarde nog van een UPO in de WTP?

De problematiek waarbij, met name kleine, werkgevers geconfronteerd worden met het bestaan van een verplichte deelname in een bedrijfstakpensioenfonds terwijl deze werkgevers onbekend waren met het bestaan van deze verplichting, is mij bekend. Deze werkgevers kunnen als gevolg daarvan worden geconfronteerd met premiefacturen van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen terwijl zij er oprecht en na ingewonnen advies vanuit gingen zich bij een andere pensioenuitvoerder te kunnen aansluiten. De pensioensector heeft stappen gezet waardoor het eenvoudiger wordt voor een werkgever om vast te stellen of een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds van toepassing is. Zo is er een speciale website76 die werkgevers kunnen raadplegen en heeft de Stichting van de Arbeid sociale partners opgeroepen om de werkingssferen uiterlijk in 2024 te actualiseren. De werkingssfeer van een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds moet immers duidelijk zijn. Voor de goede orde, op het moment dat een werkgever onder de werkingssfeer valt, is de werkgever verplicht tot naleving van de statuten en reglementen van het pensioenfonds. Het pensioenfondsen is gerechtigd en verplicht om de werkgever aan te schrijven en premie in rekening te brengen.

Een verplichtstellingsbesluit wordt gepubliceerd in de Staatscourant en heeft te gelden als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Daardoor kan een persoon die van oordeel is dat een verplichtstellingsbesluit onvoldoende helder is, dit ter toetsing voorleggen aan de rechter.

Het UPO is en blijft een middel om te informeren over diverse aspecten van de pensioenregeling, waaronder opgebouwd kapitaal en te verwachten uitkering. Het UPO biedt een vast format waarmee aan deelnemers jaarlijks op een uniforme en toegankelijke manier informatie wordt verstrekt. De vaste rubrieken en volgorde van informatie die het UPO bevat draagt bij aan de begrijpelijkheid en vergelijkbaarheid van pensioenregelingen. Het UPO is samen met de informatie op mijnpensioenoverzicht.nl een belangrijke bron voor deelnemers om inzicht te verkrijgen in hun pensioen(verwachtingen).

180.

Een deelnemer kan geen rechten ontlenen aan een UPO en het pensioenreglement is vaak onleesbaar. Hoe moet dan – behalve via vrij tandeloze weg zoals via het Verantwoordingsorgaan of de Ombudsman (door de pensioensector gefinancierd)- de rechten geëffectueerd worden? Dit is toch ook een serieuze lacune is de rechtsbescherming? Is de regering bereid dit in de WTP aan te pakken?

Het is juist dat een deelnemer geen rechten kan ontlenen aan het UPO. Het UPO is een informatie-document, uiteindelijk is het pensioenreglement als juridisch document leidend.

Op het moment dat een deelnemer een vraag heeft of er zijn onduidelijkheden over zijn pensioen(informatie), dan kan hij die vraag stellen aan de pensioenuitvoerder. Als het antwoord niet bevredigen is kan een (gewezen) deelnemer, aanspraakgerechtigde en pensioengerechtigde allereerst een klacht indienen bij het betreffende pensioenfonds. Indien de klacht niet naar tevredenheid wordt opgelost bestaat (na het doorlopen van de interne klachtenprocedure) voor de (gewezen) deelnemer, aanspraakgerechtigde en pensioengerechtigde de mogelijkheid om het geschil voor te leggen aan de ombudsman pensioenen en na introductie van onderhavige wet ook aan geschilleninstantie voor bemiddeling of bindend advies. Een (gewezen) deelnemer, aanspraakgerechtigde en pensioengerechtigde kan er echter ook voor kiezen om – zonder eerst de interne en/of externe klachten- en geschillenprocedure te hebben doorlopen – direct naar de rechter te stappen. Op deze manier is er naar mijn mening geen sprake van een lacune in de rechtsbescherming, maar is er juist sprake van een duidelijke route voor de deelnemer om zijn vragen of klachten voor te leggen. Deze route is ook niet anders dan in andere branches waar je eerst bij de betrokken partij te raden gaat en vervolgens, indien nodig, naar instanties die klachten of juridische geschillen afhandelen.

181.

In het verleden zijn kritische Verantwoordingsleden ontslagen door het bestuur. Trouw besteedde daar zelfs aandacht aan: «Vakbonden hebben veel invloed in bestuur pensioenfondsen, én in orgaan dat bestuur controleert», aldus Trouw. In dit artikel zegt de CNV dat pensioenfondsen ook nog een onafhankelijke Raad van Toezicht hebben. Maar dat is onjuist. De leden hiervan worden immers voorgedragen door het verantwoordingsorgaan dat bijna volledig door vakbonden gedomineerd en gecontroleerd wordt. De regering zou dit aanpakken. Waarom is dit bij de WTP niet gebeurd? Gaat dit alsnog gebeuren? Zo nee, waarom niet?

Het artikel in Trouw gaat in op de vertegenwoordiging van werknemersverenigingen in het bestuur en het verantwoordingsorgaan. Het stelt dat vakbonden veel invloed hebben op zowel het bestuur van pensioenfondsen als in de organen die het bestuur controleren. Het pensioenfonds legt verantwoording af over haar handelen, het uitgevoerde beleid en beleidskeuzes voor de toekomst aan het verantwoordingsorgaan dan wel belanghebbendenorgaan. Deze organen hebben tevens enkele specifieke adviesrechten en/of goedkeuringsrechten. Deze organen borgen onder meer dat het bestuur nog beter gevoed wordt met informatie vanuit de verschillende achterbannen, zodat zij dit in hun handelen mee kunnen wegen. De rol en taak van de verantwoordingsorganen en belanghebbendenorganen is echter geen toezichthoudende functie. Het intern toezicht wordt uitgevoerd door een raad van toezicht, een visitatiecommissie of niet-uitvoerende bestuursleden. Indien het (uitvoerend) bestuur wordt uitgeoefend door vertegenwoordigers van belanghebbenden, is het intern toezicht onafhankelijk vormgegeven.

Anders dan het artikel gaat de vraag ook in op de procedures voor benoeming en ontslag binnen pensioenfondsen. In 2018 speelden er enkele incidenten waarbij leden van het verantwoordingsorgaan zijn ontslagen. Naar aanleiding hiervan zijn er, zoals aangekondigd77, regels met betrekking tot benoeming en ontslag van leden van pensioenfondsorganen opgenomen in de Code Pensioenfondsen 201878. Hierbij is opgenomen dat het uitvoerend bestuur niet eenzijdig kan besluiten tot ontslag van leden van het verantwoordingsorgaan. De regering heeft geen aanleiding dit aanvullend in de wet te regelen.

182.

Vraag 48. De IORP maakt wel degelijk een onderscheid tussen DB en DC. Premieovereenkomsten zijn DC en uitkeringsovereenkomsten zijn DB. De laatste vallen wel onder artikel 15 IORP II, de eerste niet. Dit wordt overigens wel erkend in de PPI wet. Hoe ziet de regering dit?

De IORP II-richtlijn schrijft in artikel 13 en 15 voor dat een pensioenfonds dat pensioenregelingen uitvoert en een dekking verzekert tegen biometrische risico’s of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert, toereikende voorzieningen moet vaststellen met betrekking tot het geheel van dergelijke pensioenregelingen en een permanente aanvullende buffer moet aanhouden naast de technische voorzieningen. De IORP II-richtlijn maakt daarbij geen onderscheid naar premieovereenkomsten of uitkeringsovereenkomsten, dat is een onderscheid wat Nederland zelf in de Pensioenwet heeft gemaakt.

183.

Lans Bovenberg, een van de architecten van de nieuwe regeling, zegt in Pensionpro (23-3-2023) «Er worden garanties beloofd, maar als er een tekort is, dan is er niemand die kan bijstorten, behalve de deelnemers zelf.» Maar dan is artikel 15 IORP gewoonweg niet goed geïmplementeerd. Want ons «DB» is dus toch gewoon (een zeer slecht) DC?

De IORP II-richtlijn schrijft in artikel (13 en) 15 voor dat een pensioenfonds dat pensioenregelingen uitvoert en een dekking verzekert tegen biometrische risico’s of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garandeert, toereikende voorzieningen moet vaststellen met betrekking tot het geheel van dergelijke pensioenregelingen en een permanente aanvullende buffer moet aanhouden naast de technische voorzieningen. Deze vereisten zijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.

184.

Het interview met Bovenberg bevat vele opmerkelijke passages, zoals: «Het huidige systeem is doodziek». Opmerkelijk omdat wij in de lijst van Mercer steevast nummer 1 of 2 scoren van beste stelsels. Opmerkelijk ook omdat o.a. Bovenberg een groot voorstander was van het systeem waar we nu vanaf willen. Hoe verklaart de regering dit?

De regering kan niet spreken voor dhr. Bovenberg. De regering kan wel toelichten dat de beoordeling van het Nederlandse pensioenstelsel door Mercer een integrale beoordeling omvat van het pensioenstelsel. Het feit dat Nederland een basispensioenvoorziening kent voor al haar inwoners (de AOW) draagt voor een belangrijke mate bij aan de Nederlandse score. Dit wetsvoorstel doet geen voorstellen om de AOW te wijzigen. Daarbij is een belangrijk uitgangspunt van voorliggend wetsvoorstel om de sterke elementen van de huidige tweede pijler, zoals het collectief delen van risico’s, te behouden.

Ook zegt hij: «Dit is een perverse vorm van solidariteit». Maar dit werd altijd ontkent door de regering. Klopt dat? Zo ja, dan zijn de huidige regelingen toch allemaal pervers?

De regering kan niet spreken voor dhr. Bovenberg. In het algemeen kan worden opgemerkt dat een van de doelstelling van het voorliggende wetsvoorstel is om de slepende discussie tussen jongere en oudere generaties achter ons te laten en naar een transparant pensioenstelsel te gaan.

185.

Vraag 40. De regering miskent de fundamenten van het EU recht. Sinds aloude rechtspraak is directe en indirecte discriminatie verboden. De EU Hof rechtspraak verbiedt de facto discriminatie als het verboden of onmogelijk gemaakt wordt vanuit een andere lidstaat diensten te kunnen aanbieden. «Richt maar een stichting naar Nederlands recht op» is van een niveau dat je zelfs een eerstejaars rechtenstudent niet hoort zeggen. Kan de regering dit intrekken en met een fatsoenlijk antwoord komen?

In de memorie van antwoord is toegelicht dat het wetsvoorstel toekomst pensioenen geen wijziging voorstelt ten aanzien van de stichting als rechtsvorm voor pensioenfondsen in het algemeen noch voor bedrijfstakpensioenfondsen in het bijzonder. En daarnaast dat geïnteresseerde (Europese) organisaties er niets aan in de weg staat een stichting naar Nederlands recht op te richten en hun diensten op de Nederlandse pensioenuitvoeringsmarkt aan te bieden. De stichting is immers een essentiële entiteit om als pensioenfonds een pensioenregeling uit te voeren.

186.

Een PEPP kan ook de vakbonden opgericht worden. Zo kan een sociale, non-commerciële oplossing voor de witte vlekken eenvoudig worden bereikt. Waarom ziet de WTP op geen enkele manier op deze mogelijkheid, maar bedenkt in plaats daarvan allerlei ingewikkelde experimenten? Wil de regering alsnog op de mogelijkheden van de PEPP wijzen?

Een PEPP is een persoonlijk pensioenproduct dat kan worden uitgevoerd door bepaalde financiële aanbieders, zoals een verzekeraar of bank. Een vakbond kan de uitvoering dus niet rechtstreeks voor zijn rekening nemen. Een PEPP kan daarmee alleen oplossingen bieden voor pensioenopbouw in de derde pijler. Het staat aanbieders in de derde pijler vrij om een PEPP aan te bieden, waarvan op dit moment overigens nog geen sprake is op de Nederlandse pensioenmarkt. Daar is een aanpassing van de Wet toekomst pensioenen of een attendering vanuit de regering niet voor nodig. Om het aantal werknemers dat geen pensioen opbouwt te reduceren, hebben sociale partners een aangescherpt aanvalsplan opgesteld waarin oplossingen staan die hieraan bijdragen. Aan dit (aangescherpte) plan wordt sinds 2020 uitvoering gegeven.

187.

De aansprakelijkheid van de toezichthouders op pensioen, is begrensd door artikel 1:25d Wft, dat, voor zover relevant, luidt: «De Nederlandsche Bank, de leden van haar directie en raad van commissarissen en haar werknemers zijn niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij deze schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld.»

Dat geldt ook voor de Autoriteit Financiële Markten, volgens het tweede lid van dit artikel.

Het is de vraag of EU rechtelijk deze vorm van uitsluiting van aansprakelijkheid houdbaar is. Busch en Keunen schrijven:

«Dit heeft tot gevolg dat de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 1:25d Wft mogelijk buitenspel komt te staan indien de AFM of DNB bij de uitoefening van hun toezichttaken een Europese norm hebben overtreden.»

Volgens EU recht kunnen lidstaten (waaronder dus toezichthouders) aansprakelijk worden gesteld voor schendingen van EU recht. Kan de regeling ingaan op de vorm van uitsluiting van aansprakelijkheid? Want deze geldt ook bij invaren.

Sinds 1 juli 2012 is de aansprakelijkheid van de AFM en DNB wettelijk beperkt tot gevallen waarin schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of grove schuld bij de toezichthouder. Bij de invoering van de maatregel had de wetgever als voornaamste doel om het zogenaamde toezichthouderdilemma te verzachten.79 Zonder beperking riskeert de toezichthouder niet alleen aansprakelijk te worden gesteld bij (te vroege) handhaving maar ook bij het uitblijven daarvan. In het eerste geval zal de claim veelal worden ingediend door de benadeelde marktpartij, in het tweede geval door gedupeerden. De aansprakelijkheidsbeperking beoogt dus om het ingrijpen door de toezichthouder minder afhankelijk te maken van de mogelijkheid van claims. Het is aan de toezichthouder om in een voorliggend geval de voor- en nadelen van handhaving te wegen; de beperking van de aansprakelijkheid moet ervoor zorgen dat de vrees voor claims in die afweging een minder grote rol speelt.

Vanuit de wetenschap is wel betoogd dat de wettelijke aansprakelijkheidsbeperking, neergelegd in artikel 1:25d Wft, haar werking mist als de AFM of DNB in strijd handelt met Europees recht. Uit het arrest Kantarev van het Hof van Justitie van de Europese Unie zou volgen dat de AFM en DNB ook buiten opzet of grove schuld aansprakelijk kunnen zijn voor hun handelen.80 De leden van de fractie van 50PLUS refereren hier in de vraag aan. Die stellingname behoeft naar mijn oordeel nuancering.81 Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt dat een nationale norm die louter aansprakelijkheid op basis van opzet mogelijk maakt, niet in lijn is met Europees recht. De norm van artikel 1:25d Wft kan evenwel ook tot aansprakelijkheid leiden in geval van grove schuld. Het begrip grove schuld moet mede worden uitgelegd in het licht van Kantarev.82 Of daarvan sprake is, zal de rechter van geval tot geval beoordelen. Bovendien is goed om voor ogen te houden dat Kantarev alleen betekenis kan hebben als de AFM en DNB handelen op basis van een nationale norm die implementatie van een Europese richtlijn behelst. En dat is bij het invaren niet aan de orde.

188.

De regering stelt in antwoord op vraag 63): «Dit is echter nog niet als zodanig komen vast te staan voor artikel 17 van het Europees Handvest. Dat is onjuist gezien de uitspraak van de rechter in Den Haag. Kan de regering dit intrekken? Erkent de regering dat hiermee de deur naar massale procedures is opengezet?

Uit rechtsoverweging 4.4 van de betreffende uitspraak blijkt dat partijen twisten over de connexiteit en dat voor het doel van de procedure door de kantonrechter de toepasselijkheid van artikel 17 van het Europees Handvest wordt aangenomen. Er wordt evenwel geoordeeld dat er geen Europese jurisprudentie of wetgeving is op basis waarvan schending van artikel 17 van het Europees Handvest kan worden aangenomen.

189.

Niet alleen PME Pensioenfonds maar ook Pensioenfonds Zorg & Welzijn (PFZW) is getroffen door een data-lek waardoor gegevens van deelnemers op straat liggen. Deze leden maken zich al ernstig zorgen om de data kwaliteit bij Pensioenfondsen. De regering kan toch moeilijk volhouden dat de borging van de juiste gegevens bij invaren wel goed zal gaan?

Om te beginnen is het uitermate vervelend wanneer een pensioenuitvoerder wordt getroffen door een data-lek. De algemene verordening gegevensbescherming (AVG) biedt het kader op welke wijze persoonsgegevens beschermt dienen te worden en hoe met een dergelijk lek omgegaan dient te worden. Los daarvan is het voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, net zoals voor de huidige, lopende pensioenuitvoering van groot belang dat de gegevens in de administraties juist zijn. De regering is het met de fractie van 50PLUS eens dat, gelet op het belang van datakwaliteit tijdens de transitie, we er niet zo maar van uit mogen gaan dat de borging van gegevens bij invaren «wel goed zal gaan». Daarom worden via het besluit toekomst pensioenen specifieke eisen gesteld aan het implementatieplan om de datakwaliteit voor, tijdens en na de transitie te borgen. Voor de volledigheid worden deze waarborgen hieronder nog eens herhaald.

Van pensioenuitvoerders wordt gevraagd om in het implementatieplan een analyse op te nemen over de beschikbaarheid en kwaliteit van de data voor, tijdens en na de transitie. Ook geeft de pensioenuitvoerder aan welke maatregelen worden genomen om risico’s te beheersen. In het implementatieplan geeft het pensioenfonds aan welke werkzaamheden hiertoe in het transitieproces door een externe accountant of externe IT-auditor worden uitgevoerd. Het pensioenfonds zal de externe accountant of externe IT-auditor al in een vroeg stadium betrekken bij de activiteiten in het kader van datakwaliteit. Zij kunnen dan de benodigde werkzaamheden verrichten waarmee het pensioenfondsbestuur in staat wordt gesteld een oordeel te vormen over de juistheid en volledigheid van de relevante pensioendata benodigd voor de transitie. Vervolgens dient de wijze waarop eventuele bevindingen zijn opgevolgd en de oordeelsvorming van het pensioenfonds opgenomen te worden in het implementatieplan of meegestuurd te worden bij indiening van het implementatieplan bij DNB. DNB betrekt het implementatieplan vervolgens in haar reguliere toezicht op de transitie. Na de transitie wordt de externe accountant de opdracht gegeven een oordeel te vellen over de juistheid en volledigheid van de transitie, waaronder tenminste de berekeningen die ten grondslag liggen aan de verdeling van vermogens en, indien van toepassing, het compensatiedepot, de solidariteitsreserve of de risicodelingsreserve bij invaren.

190.

De regering zegt in meerdere antwoorden dat de verplichtstelling gerechtvaardigd kan worden omdat dit leidt tot «economisch aanvaardbare kosten». Kan de regering nu eens precies aangeven wat dit zijn: economisch aanvaardbare kosten? Kunnen andere marktspelers, waaronder de PPI, dit ook niet?

In de eerdere beantwoording is uitgelegd hoe het Europeesrechtelijk kader luidt en waarom een verplichte deelname in de pensioenregeling van een bedrijfstakpensioenfonds een toelaatbare beperking op het mededingingsrecht is. Waar het om gaat is dat er door de verplichtstelling solidariteit ontstaat tussen alle werknemers in die bedrijfstak waardoor er voor alle werknemers eenzelfde premie geldt. Door de schaalvoordelen die hiermee ontstaan, kan de pensioenregeling door het bedrijfstakpensioenfonds ten behoeve van alle werknemers tegen economisch aanvaardbare kosten worden uitgevoerd. Daardoor is de inmenging in het mededingingsrecht toegestaan. Dit resultaat, een pensioenregeling voor alle werknemers tegen voor alle werkgevers aanvaardbare kosten, kan niet worden bereikt worden als de marktspelers op een open markt de concurrentie met elkaar aangaan.

191.

Vraag 103: Het is nadrukkelijk de bedoeling van de SER destijds geweest dat een reële d.w.z. koopkrachtige ambitie aan het af te spreken premieniveau ten grondslag zou liggen. Nominale zekerheid was men bereid in te ruilen voor onzekerheid, maar dan wel onzekerheid van een reëel pensioen. Dit is echter niet gebeurd. Waarom niet? Is de regering bereid deze reële pensioenambitie als nog in de wet op te nemen?

Bij de uitwerking van het wetsvoorstel is uitgegaan van de doelen van het pensioenakkoord, zoals geformuleerd in de hoofdlijnennotitie van het pensioenakkoord. Eén van deze doelen was: Het nieuwe pensioenstelsel moet eerder perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen. Een reëel pensioen is niet genoemd, omdat hiermee verwachtingen worden gewekt die niet kunnen worden waargemaakt, in welk kapitaalgedekt stelsel dan ook. Daarom is ook geen reële pensioenambitie in het wetsvoorstel opgenomen. Het hanteren van een reële pensioenambitie als uitgangspunt betekent dat in de pensioentoezegging de pensioenuitkomst weer voorop zou komen te staan, terwijl met de stelselherziening wordt beoogd om een overstap naar premieovereenkomsten te maken.

Vervolgvraag: van een perspectief kun je niet eten. Is de Minister het met de vragenstellers eens dat een wettelijke vastlegging van een reële pensioenambitie veel zorgen van de oudere werknemers en de gepensioneerden kan wegnemen? Het zal werkgevers immers «dwingen» tot een voor een reële pensioenambitie noodzakelijke premie, waardoor deze ambitie minder afhankelijk is van het (over-) rendement.

Ik begrijp de voorkeur voor een reëel pensioen dat in alle gevallen de inflatie bijhoudt. Dit is alleen op een economisch verantwoorde wijze te financieren via reële beleggingen. Die zijn echter in onvoldoende mate beschikbaar voor alle pensioenuitvoerders. De realiteit is dus dat het streven naar een zo koopkrachtig mogelijk pensioen voornamelijk via andere instrumenten geregeld zal moeten worden. Die instrumenten zijn in het nieuwe pensioenstelsel in grotere mate beschikbaar dan in het huidige pensioenstelsel.

192.

Vraag 104: Waarom is er sprake van een (nominaal) beschermingsrendement? Is de regering bereid het verplichten van het beschermingsrendement los te laten? Antwoord: Beschermingsrendementen zijn instrumenten om in de solidaire premieovereenkomst een aantal onvermijdelijke risico’s van een kapitaalgedekt pensioencontract te kunnen beheersen, namelijk micro-en macro-langlevenrisico en renterisico. Het loslaten hiervan zou bijvoorbeeld betekenen dat deelnemers niet langer verzekerd kunnen zijn van een levenslang pensioen of dat pensioenen volledig bloot staan aan een mogelijke daling van de rente. Dergelijke risico’s zijn zeer onwenselijk.

Vervolgvraag: In deze redeneertrant past dan een reëel beschermingsrendement. Immers, gepensioneerden hebben niets aan een nominaal pensioen. Het is van tweeën een: óf een reëel beschermingsrendement, dus met het inrekenen van inflatie, óf we doen het zonder beschermingsrendement. In dat geval delen gepensioneerden deze risico’s met de jongere deelnemers. Is de Minister alsnog bereid een inflatiecomponent toe te voegen aan het beschermingsrendement? Zo nee, is de Minister dan bereid het maximum percentage voor de solidariteitsreserve los te laten om het delen van het inflatierisico echt mogelijk te maken?

Het toevoegen van een inflatiecomponent aan het beschermingsrendement acht ik niet verstandig. De argumenten daarvoor heb ik hierboven en ook bij eerdere gelegenheden in het parlement reeds uitvoerig toegelicht. Ook het loslaten van het maximum percentage voor de solidariteitsreserve vind ik geen verstandige maatregel. Een structureel grotere solidariteitsreserve gaat immers ten koste van de persoonlijke pensioenvermogens, waardoor de doelstellingen van het nieuwe pensioenstelsel – zoals een meer persoonlijke en transparante pensioenopbouw, zonder discussies over de verdeling van het collectieve vermogen tussen generaties – verloren gaan. Overigens mogen pensioenfondsen die invaren met een hoge dekkingsgraad nog jarenlang een reserve boven 15% van het totale fondsvermogen aanhouden. Ik vind het dan ook niet verstandig om het door Confident voorgestelde model te hanteren, omdat daarin wordt uitgegaan van deling van inflatierisico tussen generaties, zonder dat duidelijk is of deze deling op een voor alle generaties evenwichtige wijze verloopt.

193.

Vraag 105: Waarom is er zoveel dichtgeregeld in de wet: vul- en onttrekregels solidariteitsreserve, maximale omvang solidariteitsreserve, life cycle beleggen? Is de regering alsnog bereid pensioenfondsbestuurders hun verantwoordelijkheid terug te geven en hen meer invullingsruimte te geven? Antwoord: Het beeld dat veel is dichtgeregeld in de wet, wordt niet herkend. De vul- en onttrekkingsregels moeten ex ante worden vastgelegd, maar de inhoudelijke invulling van die regels is aan decentrale sociale partners en pensioenuitvoerders. De omvang van de solidariteits- en risicodelingsreserve is gemaximeerd op 15% van het totale vermogen om het meer persoonlijke karakter van het nieuwe pensioenstelsel voldoende invulling te geven. Ook daarbinnen bestaat nog veel handelingsvrijheid voor decentrale partijen. Fondsen met buffers boven genoemd percentage mogen na het invaren in het nieuwe contract nog geruime tijd een hogere reserve aanhouden. Ook ten aanzien van het principe van lifecycle beleggen worden verder geen kwantitatieve restricties opgelegd. De mate van afbouw van risico wordt vrijgelaten, waarbij ook in de uitkeringsfase risico genomen kan blijven worden, als dit voortvloeit uit de risicohouding.

Vervolgvraag: de vragenstellers doelen in het bijzonder op de discretionaire ruimte voor fondsbesturen om af te wijken van de ex-ante regels. Om zodoende te doen waar zij verantwoordelijk voor geacht worden te zijn, te weten sturen (op uitzonderlijke gebeurtenissen) als dat goed is voor de belanghebbenden. Is de Minister alsnog bereid nadrukkelijk aan pensioenfondsbesturen discretionaire ruimte te bieden en daarvan dan wel vast te leggen dat het pensioenfondsbestuur over het hanteren van die discretionaire ruimte verantwoording aflegt aan het verantwoordingsorgaan?

De regering heeft bewust gekozen voor dat regels, bijvoorbeeld ten aanzien van de vul- en verdeelregels van de solidariteitsreserve en de toedelingsregels, ex ante worden vastgesteld. De regering vindt het van belang dat vooraf keuzes worden vastgelegd, omdat zo de belangen van verschillende belanghebbenden, voor de korte termijn en voor de lange termijn het beste evenwichtig kunnen worden afgewogen. Bestuurlijke en politieke risico’s worden zo verkleind en er wordt voorkomen dat achteraf andere keuzes kunnen worden gemaakt met de bestemming van middelen in de solidariteitsreserve dan vooraf werd beoogd.

194.

Vraag 106: Is het bijvoorbeeld niet mogelijk om deelnemers de keuze te geven om een deel van hun pensioenpot te verzekeren bij een verzekeraar zodat deelnemers voor dat deel een gegarandeerd defined benefit pensioen kunnen behouden? En is het bijvoorbeeld niet verstandig om dit voor 90+ deelnemers sowieso te regelen? Antwoord: Een carve-out doorbreekt de solidariteit tussen deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden. In het geval van een carve-out is een groep niet langer onderdeel van het collectief en worden de perspectieven op een koopkrachtig pensioen voor deze groep en van de groep die niet meegaat niet per se beter. Daarom wordt een carve-out niet in het belang van de deelnemers geacht en om die reden niet gefaciliteerd. Wel zal tijdens de transitieperiode – als gevolg van de aangenomen motie van het lid Smals (VVD) – gemonitord worden of er pensioenuitvoerders zijn die aangeven een carve-out nodig te hebben om aan hun wettelijke taak voor evenwichtige belangenafweging tussen verschillende deelnemersgroepen te voldoen.

Vervolgvraag: Vragenstellers doelen niet op een carve-out. Wat zij bedoelen is dit: de ruimte voor deelnemers om (een deel van) hun pensioen te verzekeren bij een verzekeraar. Zij krijgen dan voor dat deel van hun pensioen een nominale vaste uitkering. Dit kan door het fonds bij een verzekeraar telkenjare een collectieve eenjarige risicoverzekering af te laten sluiten voor deelnemers die hiervoor kiezen. Belangrijk voordeel van deze optie is dat zo voor deelnemers ook de prijs van zekerheid zichtbaar wordt. De deelnemers die voor deze optie kiezen, blijven dus gewoon deelnemer in het fonds. En het jaar daarop kunnen zij weer opnieuw de keuze maken. Zeker als de rentestand hoog is op het moment van invaren, kan dit voor het draagvlak een belangrijke plus zijn. Is de Minister bereid deelnemers deze optie te bieden?

Als gekozen zou worden voor het voorstel zoals genoemd in de vraag dan zou in alle premieregelingen een extra jaarlijkse keuze-optie moeten worden geïntroduceerd waarbij deelnemers jaarlijks kunnen kiezen voor een vaste uitkering. Dit zou aanvullend vragen om zeer strike keuzebegeleidingsnormen omdat een jaarlijkse keuze voor het type pensioenuitkering zeer ingrijpend kan zijn voor deelnemers en gepensioneerden. Een dergelijke keuze is namelijk niet eenvoudig gemaakt. De Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid (WRR) heeft in 2017 een rapport (Weten is nog geen doen, een realistisch perspectief op redzaamheid) gepubliceerd over het doenvermogen van burgers. Het genoemde voorstel, waarbij jaarlijks een keuze over de uitkering gemaakt moet worden, is naar mijn mening te ingrijpend voor burgers. Een dergelijke keuzemogelijkheid bestaat ook in het huidige pensioenstelsel niet. Daarnaast is het maar de vraag of burgers tot betere keuzes en resultaten zouden komen dan de pensioenuitvoerder. Vanwege deze redenen ben ik ook niet bereid om deelnemers deze optie te bieden.

In het huidige en het nieuwe pensioenstelsel is er binnen de flexibele premieregeling de mogelijkheid voor deelnemers om te kiezen tussen een vaste en variabele uitkering. De deelnemer hoeft dan slechts eenmalig de keuze te maken.

195.

Vraag 107: Is de regering bereid de doorsneepremie te vervangen door een met de leeftijd oplopende premie? Antwoord: In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt ter vervanging van het zogenaamde doorsneesysteem een systeem van degressieve opbouw voorgesteld, met een vlakke premie en een degressieve pensioenopbouw. Het zou ook mogelijk zijn om voor premies en opbouw een ander systeem te kiezen, namelijk met progressieve premies – stijgend met de leeftijd van de deelnemer. Daarvoor is niet gekozen omdat het systeem met degressieve opbouw zorgt voor stabielere premies, en omdat een keuze voor progressieve premies zou betekenen dat de arbeidskosten van betreffende werknemers op een directe manier toenemen met hun leeftijd. Onderzoek laat zien dat dit nadelige gevolgen heeft voor de arbeidsmarktpositie van oudere werknemers. Ten slotte, kan opgemerkt worden dat een systeem met vlakke premies beter aansluit op de premiesystematiek in de derde pijler en ook op de gangbare praktijk in omringende landen.

Vervolgvraag: Dit standpunt is vragenstellers bekend en het is ook juist. Toch vinden zij dat ook het argument valide is van jongeren die aan het begin staan van hun carrière. Vaak volgen zij nog een aanvullende opleiding, kopen zij een huis en starten zij een gezin. Zij bevinden zich, zoals dat heet, in het spitsuur van het leven. Met pensioen zijn zij nog niet bezig en zij kunnen hun geld in deze fase beter besteden dan aan hun pensioen. Is de Minister bereid te overwegen om te kiezen voor de volgende variant: een vlakke premie voor de werkgever en een met de leeftijd oplopende premie voor de werkenden? (Het voordeel voor werkgevers van een stabiele premie blijft zo behouden. En de werkenden worden ontzien in het spitsuur van het leven. Bijkomend voordeel is dat langer doorwerken loont met een hoger pensioen. Dit laatste is helemaal verdwenen bij de nu voorliggende wetsteksten).

De variant die de fractie van 50PLUS voorstelt gaat over de verdeling van de premie tussen werknemers en werkgevers. De wetgever stelt geen voorwaarden over deze verdeling, maar kiest voor een leeftijdsonafhankelijke pensioenpremie met daarbij een degressieve opbouw – uitgaande van positieve rendementen. Het is vervolgens aan werkgevers en werknemers hoe deze premie eventueel wordt opgesplitst in een werkgeversdeel en een werknemersdeel. Bij de beoordeling van het voorstel van vraagstellers dient wel rekening gehouden te worden met gelijke behandeling van werknemers. Onderscheid op grond van leeftijd dient objectief gerechtvaardigd te worden.

Overigens hecht ik eraan in te gaan op de stelling dat langer doorwerken in het nieuwe pensioenstelsel niet tot een hoger pensioen zou leiden. Dat is niet zo. Zolang wordt doorgewerkt en pensioenpremie verschuldigd is, zal ook in de nieuwe contractvormen bij langer doorwerken nog steeds een deel van het inkomen aangewend worden voor de opbouw van pensioen.

196.

Vraag 108: Eigenlijk zit niemand in de pensioensector te wachten op de afschaffing van de doorsneesystematiek, zeker ook vanwege het compensatievraagstuk. De compensatie is niet in de wet geregeld. Daarmee dreigt de compensatie niet gegeven te worden. Veel te snel is geroepen dat het pensioenfonds voor de compensatie moet betalen. Terwijl de overheid degene is die de doorsneesystematiek wil afschaffen. Het pensioenfonds heeft daaraan part noch deel. Bovendien zal dat dan ten koste gaan van de indexatiewens van gepensioneerden. Het is alleszins redelijk dat de overheid een bijdrage levert aan de financiering van de compensatie. Waarom geeft de overheid pensioenfondsen geen financiële bijdrage voor de compensatie? Is de regering bereid een financiële bijdrage te leveren aan de compensatie?

Antwoord: In het Regeerakkoord is budgettaire ruimte gereserveerd voor de fiscale facilitering van compensatie. Er kan gedurende 10 jaar € 1 miljard meer premie per jaar worden ingelegd. De € 1 miljard biedt extra ruimte om tot 2036 de fiscale premiegrens te verhogen met 3%-punt.

Vervolgvraag. De vragenstellers zijn niet overtuigd. Zij vinden het te vrijblijvend met het risico dat naast jong en oud ook de middengroep ontevreden is. Is de Minister dan bereid om in de wet vast te leggen dat er afdoende wordt gecompenseerd en dat dit niet ten koste gaat van de ruimte in het pensioenfonds om gepensioneerden te kunnen indexeren, ook ten aanzien van het verleden?

Nee, ik ben niet bereid om adequate compensatie wettelijk voor te schrijven. Decentrale sociale partners, werkgevers en werknemers, of de beroepsgenoten bekijken in de transitie wat de effecten zijn van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen en in het bijzonder de afschaffing van de doorsneesystematiek. Als hieruit blijkt dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden, bepalen ze wat er nodig is om het nadeel te beperken, en hoe ze dit willen financieren. Dit kan uit de premie, maar ook uit het vermogen van het pensioenfonds. Decentrale partijen besluiten dus zelf wat in hun specifieke geval adequate compensatie is. De afspraken kunnen dus ook verschillen per sector, werkgever of beroepsgroep. Dat kan ook niet anders. De effecten van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen, de financieringsmogelijkheden voor compensatie en wat mensen bereid zijn om voor elkaar te betalen verschillen per sector, werkgever of beroep. Maatwerk is dus noodzakelijk.

Dat de verantwoordelijkheid voor adequate compensatie bij sociale partners ligt wil niet zeggen dat de regering niets doet. Zo is er extra fiscale premieruimte en is het mogelijk compensatie uit het pensioenfondsvermogen te financieren. Daarnaast zijn er voorschriften gesteld zodat er zo min mogelijk onbedoelde arbeidsmarkteffecten ontstaan. Ook zijn er eisen gesteld om het het proces naar adequate compensatie zo transparant mogelijk te maken, onder meer door voor te schrijven hoe decentrale partijen in kaart moeten brengen wat de effecten van de overstap zijn. Tevens dienen afspraken over compensatie te worden vastgelegd in het transitieplan, ook wanneer compensatie (deels) buiten het pensioendomein plaatsvindt. Het geheel overziend ben ik ervan overtuigd dat alle instrumenten voorhanden zijn om adequate compensatie mogelijk te maken.

197.

Gepensioneerdenorganisaties zijn in diverse fasen betrokken in het proces dat is voorafgegaan aan de totstandkoming van het voorliggende wetsontwerp. Echter dat is meer informerend geweest dan dat zij echt mochten meepraten. Zij voelen zich niet gehoord. En dat betekent dat zij zich massaal tegen de wet verzetten, terwijl zij in aanvang juist voor de nieuwe wet waren! Zij begrepen namelijk dat de zekerheid van defined benefit niet meer is vol te houden. Maar wat komt er voor het loslaten van die zekerheid terug? Voor (bijna) gepensioneerden dreigt bijvoorbeeld een regelrecht drama. Het pleidooi om juist voor hen minder risico te nemen en fors in nominaal risicovrije beleggingen te beleggen, betekent dat zij indexatie op hun buik kunnen schrijven. Terwijl indexatieperspectief min of meer als lokaas wordt voorgehouden aan gepensioneerden. Het wetsontwerp schiet hier in duidelijkheid en eerlijkheid schromelijk te kort. Terwijl «iedereen» weet dat deze dreiging zeer reëel is!

De leden van de 50PLUS-fractie vinden het van hoogmoed getuigen dat de organisaties van gepensioneerden die terecht aandacht vragen voor dit grote risico daarin maar niet serieus worden genomen. Ook het invaren geeft heel veel vragen voor (bijna) gepensioneerden. Waarom zijn gepensioneerdenorganisaties niet nader betrokken bij de uitwerking van de concept wet? Is de regering bereid ouderenorganisaties alsnog écht te betrekken bij de uitwerking van de WTP?

Antwoord: Bij de onderhandelingen van het Pensioenakkoord zijn de belangen van alle generaties in ogenschouw genomen. Zowel het kabinet als sociale partners vertegenwoordigen in beginsel alle huidige (en toekomstige) deelnemers. Dit heeft ook zijn weerslag gekregen in het wetsvoorstel, waarbij het uitgangspunt is een goed pensioen voor alle generaties. Ook bij de waarborgen voor een evenwichtige transitie is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. Daarnaast is tijdens de uitwerking van het pensioenakkoord, tijdens de totstandkoming van de wetgeving en gedurende de wetsbehandeling periodiek overleg met vertegenwoordigers van jongeren- en ouderenorganisaties. Ook gedurende de transitie zal dit voortgezet worden. Met het wetsvoorstel zijn evenwichtige uitkomsten mogelijk voor alle generaties, zowel bij de vormgeving van de nieuwe pensioenovereenkomsten als gedurende de transitie.

Vervolgvraag: Hoe kan het dan dat de ouderenorganisaties het niet als zodanig ervaren en uitdragen dat zij niet echt gehoord zijn?

Het opstellen en uitwerken van het wetsvoorstel is een proces waarbij verschillende belangen samenkomen. Vaak is het belang niet tegenstrijdig, maar op punten kan dat wel het geval zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om invaren en op welke wijze evenwichtig invaren ingevuld kan worden. In de gesprekken die zijn gevoerd met vertegenwoordigers van jongeren- en ouderenorganisaties is de sfeer constructief. Zoals in het eerdere antwoord is aangegeven is er in het wetsvoorstel voldoende ruimte voor evenwichtige uitkomsten voor alle generaties. Naar mijn mening staan zij ook positief tegenover het feit dat deze ruimte open is gelaten voor decentrale invulling.

198.

Vraag: Waarom vindt de transitie plaats in één grote «big bang»? Waarom pleegt u de verbouwing niet in enkele beheerste stappen in plaats van in één grote big bang?

Antwoord: Bij de overweging om het invaren te spreiden over de tijd, dient meegewogen te worden dat macroeconomische ontwikkelingen vaak langdurig en bovendien onzeker zijn, waardoor spreiding van het invaarmoment niet per definitie tot een beter pensioenresultaat zal leiden. Er is op voorhand bovendien geen ideaal transitiemoment aan te wijzen. Daarnaast roept het spreiden over de tijd ook uitvoeringstechnische en juridische vragen op. Als aanspraken namelijk geleidelijk ingevaren worden in het nieuwe pensioenstelsel, zal dat administratief extra eisen stellen aan uitvoerders. Ook worden groepen deelnemers mogelijk ongelijk behandeld. Daarnaast is het voor deelnemers niet transparant wat er gebeurt als bijvoorbeeld sprake zou zijn van overlijden tijdens een gespreide transitie en geldt bovendien dat er twee verschillende wettelijke kaders van toepassing kunnen zijn op dezelfde pensioenaanspraken. De regering is daarom voorstander van het invaren op één moment.

Reactie en vervolgvragen: Dit is niet wat de vragenstellers hebben bedoeld! Is de Minister bekend met het artikel van Jan Tamerus in PensioenPro van 19 september 2022 getiteld «Verbouw pensioenstelsel in drie stappen»? Daarin pleit hij ervoor de drie stappen die nu tegelijk worden gezet – het loslaten van de nominale zekerheid, het afschaffen van de doorsneesystematiek en het overgaan op persoonlijke pensioenpotjes – in drieën te zetten. Dus eerst het loslaten van de nominale zekerheid en het invaren van de db-pensioenrechten in een systeem met reële ambitiepensioenen. Daarna wordt de doorsneesystematiek afgeschaft. En ten slotte vindt de opdeling van het collectieve vermogen plaats in persoonlijke pensioenpotjes. Volgtijdelijk dus in plaats van tegelijkertijd. Dat geeft vooral tijd. Tijd om te wennen aan het noodzakelijke afscheid van de nominale zekerheid en te wennen aan een reëel ambitiepensioen. Tijd om de db-rechten in te varen in het onzekere pensioen. Deze stap zal al moeilijk genoeg zijn. Is de Minister bereid in overweging te nemen om de drie stappen volgtijdelijk te zetten in plaats van in een grote big bang?

De suggestie om de transitie in de drie genoemde stappen te zetten raakt aan een fundamenteel aspect van het SER-advies uit 2019 en aan het Pensioenakkoord zelf. Namelijk, dat de drie stappen gezamenlijk onderdeel zijn van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Ik vind ook dat zij niet los van elkaar gezien kunnen worden. De overstap naar een andere manier van pensioenopbouw zorgt er weliswaar voor dat die opbouw beter aansluit bij de leeftijd van de deelnemers en bij de veranderde arbeidsmarkt, maar levert ook een nadeel op voor bepaalde generaties. Wanneer tegelijkertijd wordt overgestapt naar een van de nieuwe premieovereenkomsten, profiteren die generaties daarvan en compenseert dit in veel gevallen het genoemde nadeel van de afschaffing van de doorsneesystematiek («de dubbele transitie»). Ook de opbouw van pensioen in voor de uitkering gereserveerde persoonlijke vermogens kan niet los gezien worden van de overstap op de nieuwe premieovereenkomsten en de gewijzigde manier van pensioenopbouw. De nieuwe premieovereenkomsten bieden de mogelijkheid gerichter risico’s en rendementen te delen en daarvoor zijn persoonlijkere vermogens en persoonlijkere opbouw nodig. Daarenboven is de gesuggereerde route ook juridisch kwetsbaar, omdat het – zonder waarborgen – de huidige uitkeringsovereenkomsten onzekerder maakt. Ik vind het vanzelfsprekend dat deze drie stappen gezamenlijk gezet worden. Juist het gezamenlijk zetten van stappen zorgt er ook voor dat de evenwichtigheid van het geheel beoordeeld kan worden.

199.

Kunt u aangeven welke rapporten/berekeningen, die gebruikt zijn voor de onderbouwing van de WTP, gebaseerd zijn op de KNW (1,5%) scenarioset en de Market implied scenarioset van APG?

Het CPB heeft bij doorrekeningen die in de zomer van 2020 zijn gepubliceerd scenariosets gebruikt die (i) gekalibreerd zijn op de rentestanden van december 2019 en (ii) verder aansluiten bij de aannames in het KNW(1,5%)-model of het APG-ALM model. De KNW(1.5%)-set vertegenwoordigt globaal de situatie begin 2017 en de Market Implied scenarioset van APG sluit zo goed als mogelijk aan bij de marktprijzen ultimo december 2019. DNB heeft scenariosets gebruikt die (i) gekalibreerd zijn op de rentestanden van augustus 2020, maart 2022 en juni 2022 en (ii) verder aansluiten bij de aannames van de Commissie Parameters (2019) en (2022).

200.

Klopt het dat deze scenariosets inflaties kennen die na tientallen jaren toegroeien naar 1,3% respectievelijk 1,1% en daar in de eerste 10 jaar onder zitten?

In de Market Implied scenarioset (P-scenarioset) van APG is de gemiddelde prijsinflatie op lange termijn 1,1%, 90% van de scenario’s in de scenarioset heeft een prijsinflatie tussen -0,5% en 3%. In de KNW(1,5%)-scenarioset is de gemiddelde prijsinflatie op lange termijn 1,3%, 90% van de scenario’s zit tussen 0,7% en 1,8%. Zoals in een rapport van het CPB opgenomen83, is in de Market Implied scenarioset (P-scenarioset) van APG het uitgangspunt dat voor de toekomst zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de marktprijzen van ultimo december 2019. De KNW(1,5%)-scenarioset representeert globaal de situatie van begin 2017.

201.

Kunt u aangeven hoe hoog de rekenkundig gemiddelde en mediane aandelenrendementen in deze scenariosets in de eerste 10 jaar zijn?

Het verwachte mediane aandelenrendement op de lange termijn in de KNW(1,5%)-scenarioset is gelijk aan 4,4%. Hierbij geldt dat de gemiddelde waarde vrijwel gelijk is aan deze mediane waarde. Het gemiddelde jaarlijks cumulatief aandelenrendement op de lange termijn in de Market Implied scenarioset (P-scenarioset) van APG is gelijk aan 5,6% (mediaan is 5,7%).84 In onderstaande figuur zijn voor de KNW(1,5%)-set de aandelenrendementen voor de toentertijd komende tachtig jaar inzichtelijk gemaakt, voor zowel het 5%-, 50% en 95%-percentiel.85

202.

Klopt het dat de gebruikte aandelenrendementen in deze scenariosets in de eerste 10 jaar ruim boven de 4,33% liggen?

Zoals in antwoord 201 is aangegeven is het verwachte aandelenrendement op de lange termijn in de KNW(1,5%)-scenarioset gelijk is aan 4,4%. Hierbij geldt dat de gemiddelde waarde vrijwel gelijk is aan deze mediane waarde. Het gemiddelde jaarlijks cumulatief aandelenrendement op de lange termijn in de Market Implied scenarioset (P-scenarioset) van APG is gelijk aan 5,6% (mediaan is 5,7%). Dit impliceert dat in deze scenariosets in de meerderheid van de scenario’s het verwachte aandelenrendement boven de 4,33% ligt, maar ook voor een aanzienlijk deel eronder, zoals ook is te zien in de bovenstaande figuur.

203.

Klopt het dat u bij de beschrijving van de foute tabel op pagina 30 van de nota naar aanleiding van het naderverslag van 1-7-2000 het nader verslag heeft aangegeven dat op grond van het ECB-beleid een inflatie op lange termijn verwacht mag worden van 2%?

In de nota naar aanleiding van het nader verslag van 9 juni 2022 is opgemerkt dat een langdurige inflatie van 4% of 6% gegeven de Europese inflatiedoelstelling van rond de 2% uitzonderlijk en niet te verwachten is. Dit is ook in lijn met het recente advies van de Commissie Parameters.

204.

Zou u voor het juiste inzicht de berekeningen uit vraag 1 geheel of gedeelte opnieuw willen maken op basis van een realistische scenarioset, waarbij de gemiddelde inflatie niet onder de 1,9% ligt, het rekenkundig gemiddelde aandelenrendement niet hoger ligt dan 4.33% boven de risicovrije rente en premiedekkingsgraad op basis van de gemiddelde premiedekkingsgraad van 2022 wordt gesteld? (Eigenlijk zou ik de nieuwe berekeningen en uitgangspunten heel graag controleren voordat ze gepubliceerd worden, maar dat is waarschijnlijk teveel gevraagd.)

In de doorrekeningen van DNB en enkele pensioenfondsen in december 2022 is gebruik gemaakt van de nieuwe scenariosets die volgen uit het advies van de Commissie Parameters 2022. In de scenariosets wordt gerekend met realistische aannames voor onder andere de inflatie en het aandelenrendement. DNB heeft tevens enkele gevoeligheidsanalyses uitgevoerd, waaronder twee renteschokken (-1%-punt en +1%-punt) en diverse invaardekkingsgraden. Hieruit blijkt dat de resultaten in eerste instantie hoofdzakelijk afhangen van keuzes die pensioenfondsen zelf moeten maken, zoals rondom de invaardoelen en de reserves en/of compensatiedepot. De gemaakte doorrekeningen geven voldoende inzicht van hoe het nieuwe pensioenstelsel kan uitpakken onder diverse omstandigheden. Ik ben van mening dat de extra doorrekeningen die in de vraag genoemd worden geen extra inzicht geven ten opzichte van wat door DNB is doorgerekend.

205.

Op pagina 11 van het nader verslag geeft u aan dat de regering beoogt om meer ruimte te geven om te sturen op een koopkrachtig pensioen. In de deskundigenbijeenkomst van 21 februari van de Eerste Kamer is door meerdere deskundigen, waaronder ook twee expliciete voorstanders aangegeven dat een meer koopkrachtgerichte sturing gewenst is. Bent u bereidt om hier een verdere invulling aan te geven?

206.

Overweegt u om bijvoorbeeld het door Confident voorgestelde model hierin mee te nemen? Zo nee, waarom niet?

Met dit antwoord wordt vraag 205 en 206 beantwoord. Het toevoegen van een inflatiecomponent aan het beschermingsrendement acht ik niet verstandig. De argumenten daarvoor heb ik hierboven en ook bij eerdere gelegenheden in het parlement reeds uitvoerig toegelicht. Ook het loslaten van het maximum percentage voor de solidariteitsreserve vind ik geen verstandige maatregel. Een structureel grotere solidariteitsreserve gaat immers ten koste van de persoonlijke pensioenvermogens, waardoor de doelstellingen van het nieuwe pensioenstelsel – zoals een meer persoonlijke en transparante pensioenopbouw, zonder discussies over de verdeling van het collectieve vermogen tussen generaties – verloren gaan. Overigens mogen pensioenfondsen die invaren met een hoge dekkingsgraad nog jarenlang een reserve boven 15% van het totale fondsvermogen aanhouden. Ik vind het dan ook niet verstandig om het door Confident voorgestelde model te hanteren, omdat daarin wordt uitgegaan van deling van inflatierisico tussen generaties, zonder dat duidelijk is of deze deling op een voor alle generaties evenwichtige wijze verloopt.

207.

Voor het vertrouwen van (gewezen) deelnemers en gepensioneerden is het belangrijk dat zij de gevolgen van invaren en de geboden compensatie kunnen (laten) narekenen. Hiervoor is het belangrijk dat pensioenfondsen transparant zijn over hun beleid en de te verwachten pensioenresultaten. Bij een groot aantal pensioenfondsen ontbreekt die transparantie, doordat zij het herstelplan, de resultaten van de haalbaarheidstoets, de ABTN en het statenverslag (jaarstaten) niet op hun website publiceren. Bent u bereidt om pensioenfondsen te verplichten om deze documenten, ontdaan van door de toezichthouder als vertrouwelijke bestempelde informatie, op hun website te laten publiceren?

In artikel 46a van de Pensioenwet is geregeld dat de pensioenuitvoerder bepaalde, niet persoonsgebonden, informatie beschikbaar stelt op de website. Daarbij gaat het om algemene informatie over de pensioenregeling, uitvoeringskosten of het bestuursverslag die openbaar kan zijn maar in ieder geval toegankelijk voor (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden. De pensioenuitvoerder stelt andere, meer bedrijfstechnische informatie over de pensioenuitvoerder, zoals de uitvoeringsovereenkomst, het herstelplan of de actuariële en bedrijfstechnische nota beschikbaar op de besloten pagina’s van de website, die alleen toegankelijk zijn voor (gewezen) deelnemers, gewezen partners en pensioengerechtigden.

De statenverslagen betreffen informatie ten behoeve van het toezicht dat door De Nederlandsche Bank wordt uitgeoefend op pensioenfondsen. De betreffende informatie is toezichtsvertrouwelijk en is in veel gevallen zeer technisch van aard. De relevante informatie voor deelnemers en gepensioneerden, zoals de pensioenovereenkomst, het pensioenreglement, het uniform pensioenoverzicht, maar ook bijvoorbeeld het jaarverslag van het pensioenfonds, is zoals hierboven aangegeven al beschikbaar.

208.

In de WTP wordt gesproken over een pensioenambitie. Deze ambitie is een pensioen op de pensioendatum, zonder invulling van de verhoging daarna. Bent u het ermee eens dat de huidige ambitie uit de WTP geen invulling geeft aan het begrip koopkrachtbehoud na de pensioendatum?

In het wetsvoorstel toekomst pensioenen wordt gesproken van een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen. Pensioen heeft ook betrekking op de uitkeringsfase, dus de genoemde doelstelling heeft daar ook betrekking op.

209.

Bent u het ermee eens dat het voor de deelnemer van belang is om te weten in welke mate zij koopkrachtbehoud kunnen verwachten na hun pensioeningang en welke risico’s daarbij horen?

Het is inderdaad van belang dat mensen weten in welke mate hun toekomstig pensioen koopkracht behoudt. Dat is in het huidige pensioenstelsel zo en dat is in het nieuwe pensioenstelsel niet anders. Voor actieve en gewezen deelnemers wordt vooruit gekeken tot de pensioendatum. Voor pensioengerechtigden, met een reeds ingegaan pensioen, wordt tien jaar vooruit gekeken, zolang de pensioengerechtigde niet ouder is dan 95 jaar.

Het verwachtte behoud van de koopkracht wordt zowel in het huidige als in het nieuwe pensioenstelsel getoond met drie scenariobedragen: het verwacht pensioen op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario. Bij de berekening van de bedragen wordt ook rekening gehouden met de inflatieverwachting en met de mogelijkheden die de pensioenuitvoerder heeft om het pensioen in de toekomst te verhogen; het laat dus zien hoe de koopkracht van het pensioen zich naar verwachting ontwikkelt.

De mate van onzekerheid in deze berekeningen wordt groter naarmate verder in de toekomst gerekend moet worden. Om die reden is bij de vooruitblik voor bovengenoemde horizon gekozen. Deze rekenmethode die pensioenuitvoerders hiervoor gebruiken is voorgeschreven zodat de verwachte pensioenbedragen, die een deelnemer of pensioengerechtigde mogelijk heeft bij verschillende pensioenuitvoerders, op een correcte wijze opgeteld kunnen worden.

210.

Kunt u ook hiervoor in de wet opnemen dat pensioenfondsen hun ambitie ten aanzien van koopkrachtbehoud na pensioeningang moeten definiëren en deze met de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden moeten communiceren, zodat deze weten wat ze kunnen verwachten en kunnen beoordelen of een pensioenfonds haardoelstellingen heeft gehaald?

Bij de solidaire premieovereenkomst is er sprake van een bepaalde pensioendoelstelling. De pensioenuitvoerder moet met een scenarioanalyse berekenen of het naar verwachting lukt om deze verwachtingen waar te maken. De pensioenuitvoerder informeert hierover de sociale partners die de pensioenregelingen zijn overeengekomen. De sociale partners, dat zijn de vertegenwoordigers van werkgevers en van werknemers, bepalen vervolgens of het een aanvaardbare inschatting is dat de doelstelling gehaald wordt, óf dat het nodig is om de premie te heroverwegen de pensioendoelstelling. Dit is in het wetsvoorstel opgenomen.

211.

Met de komst van de WTP wordt overgestapt van een uitkeringsstelsel naar een premiestelsel. Dat heeft tot gevolg dat niet langer een nominale pensioentuitkering en een voorwaardelijke indexatie als doelstelling en ambitie geldt, maar slechts een premie zoals overeengekomen tussen sociale partners als doelstelling resteert. Zonder wettelijk een in de WTP of in Besluiten te formuleren uitkeringsambitieniveau is het risico groot dat pensioenpremies in het overleg van Sociale Partners gradueel zullen worden geminimaliseerd ten gunste van de loonruimte, waardoor de toereikendheid van de Nederlandse pensioenen op termijn onder druk kan komen te staan, met alle maatschappelijk ongewenste gevolgen van dien.

  • a. Hoe kijkt de Minister tegen dit is risico

  • b. Is de Minister bereid om dit risico wettelijk te beteugelen, dan wel aangeven (alla de aansluiting op de arbeidsmarkt) hoe zij dit risico gaat bewaken?

Met dit antwoord wordt vraag 210 en 211 beantwoord.

De hoogte van de arbeidsvoorwaarde pensioen is aan sociale partners. De overstap van een uitkeringsovereenkomst naar een premieovereenkomst betekent niet dat de hoogte van de premies per definitie gradueel zullen worden geminimaliseerd, zoals wordt aangegeven. Ook blijft er sprake van een koppeling tussen de hoogte van de premie en de pensioendoelstelling. Op basis van een vóóraf geformuleerde pensioendoelstelling moeten decentrale sociale partners beoordelen welke premie zij wenselijk vinden op basis van de kans dat die doelstelling wordt behaald. Hiertoe moet het pensioenfonds scenarioberekeningen aanleveren bij sociale partners. In het nieuwe pensioenstelsel zal door sociale partners periodiek worden getoetst of de premiestelling en de pensioendoelstelling nog in evenwicht zijn, op die manier is er reeds een wettelijke waarborg voor de pensioendoelstelling.

212.

Ontbreken van een concreet zicht op premiepercentages en verwachte pensioenuitkomsten.

Hoewel nergens expliciet uitgesproken, lijkt een norm van 80% middelloon in 42 opbouwjaren, een (fiscaal) haalbaar uitgangspunt voor het invullen van de nieuwe premieregeling. Wat dit qua hoogte van premiepercentage betekent, en hoe dit premiepercentage zich verhoudt tot het huidig premiepercentage, blijft onduidelijk in tot nu toe gepubliceerde onderzoeken. Hoewel vaststelling daarvan vanzelfsprekend een zaak is tussen sociale partners, is het ter beoordeling van de kwaliteit van de nieuwe wet van groot belang om een goed beeld te krijgen van welk premiepercentage o.b.v. een gangbare life-cycle nodig is om bij 42 opbouwjaren een nominaal, dan wel een reëel pensioen te bereiken van 80% middelloon.

  • a. Kan de Minister een dergelijk premie-inzicht verschaffen en kan zij daarbij aangeven wat voor een startende deelnemer (aan het begin van 42 opbouwjaren) niet alleen naar verwachting (mediaan) aan nominaal of reëel pensioen kan worden bereikt, maar ook wat die pensioenuitkomsten zullen bedragen in een goed- en slecht weer scenario?

  • b. Mocht de Minister onverhoopt van oordeel zijn dat het onder (a) gevraagde te fonds-specifiek is, kan de Minister dan aangeven welke premiepercentages en pensioenuitkomsten zijn gebruikt in de laatste DNB-simulatie?

  • c. Heeft de Minister een oordeel over de informatiewaarde van de diverse mediane, goed en slecht weer uitkomsten, voor een deelnemer? Zo ja, welk oordeel?

  • d. Is de Minister zich er van bewust dat door de jaarlijkse volatiliteit van aandelen, alleen de mediane uitkomst van jaar tot jaar voor een jongere al kan verdubbelen of halveren? Welk effect zal dat hebben op het vertrouwen dat jonge deelnemers hebben in het nieuwe stelsel?

Met dit antwoord worden alle subonderdelen van vraag 212 beantwoord. In alle DNB-berekeningen die de laatste jaren zijn opgesteld is gerekend met een premie voor het ouderdomspensioen van 20%. Dit sluit grosso modo aan bij de gemiddelde premie-inleg voor het ouderdomspensioen. Omdat in deze transitieberekeningen telkens wordt gekeken hoe het nieuwe contract uitvalt ten opzichte van het bestaande ftk-contract is het voor de vergelijking vooral van belang dat in beide contracten met dezelfde premie-inleg wordt gerekend, zodat geen appels en peren worden vergeleken.

In het nieuwe fiscale kader worden het ouderdomspensioen en het partnerpensioen bij overlijden op of na pensioendatum, fiscaal enkel nog begrensd op de premie en niet langer op de opbouw van een uitkering. Uitgangspunten bij het bepalen van de premiegrens waren het adequaat faciliteren van dezelfde pensioenopbouw als in het huidige pensioenstelsel en de randvoorwaarde van budgettaire neutraliteit. Met de voorgestelde maximale premiegrens van 30% wordt hieraan voldaan. Bij een premieruimte van 30% kan met een reëel rendement van 1,5% in veertig jaar een pensioen van 75% van het middelloon opgebouwd worden (wat overeenkomt met 80% in ruim 42 jaar). Het uiteindelijke pensioenresultaat is – net als in het huidige pensioenstelsel – afhankelijk van de economische ontwikkelingen. Deelnemers worden jaarlijks geïnformeerd over hun verwachte pensioen aan de hand van drie scenario’s. Naarmate deelnemers ouders worden hebben zij reeds meer pensioen opgebouwd en zal de spreiding van de scenario’s kleiner worden.

213.

Zijn mediane verwachtingswaarden wel geschikt als «verwacht» te bereiken pensioen?

Verwachte pensioenuitkeringen worden niet alleen weergegeven via een mediaan scenario, maar ook via een slechtweer- en goedweerscenario. Om inzicht te krijgen in de verwachte pensioenuitkering en de onzekerheid daarvan, moeten alle drie de scenario’s in ogenschouw genomen worden.

a.

Is de Minister en zijn toezichthouders DNB en AFM van mening dat, gegeven de aangepaste modellen waarbij rekening is gehouden met asymmetrische verdelingen o.b.v. de adviezen van de commissie parameters, de zogenoemde «mediane verwachtingswaarde» nog steeds een goede maatstaf is om als verwachte waarde te gebruiken in pensioenoverzichten?

Zoals in het antwoord hierboven genoemd, moet niet alleen gekeken worden naar het mediane scenario, maar ook naar het slechtweer- en goedweerscenario. Hierdoor wordt rekening gehouden met de asymmetrische verdeling van bepaalde economische grootheden zoals het aandelenrendement.

b.

Voor de goede orde attenderen we de Minister er bij haar te formuleren antwoord op dat in het huidig stelsel m.b.t. pensioenverwachtingen met een zekerheidsmaatstaf van 97,5% wordt gewerkt, en dat – ook al werd die maatstaf van 97,5% niet altijd volledig bereikt – die maatstaf in het nieuwe stelsel dus feitelijk daalt naar 50%. Klopt dit? Zo nee, waarom niet?

c.

Is deze daling niet erg groot? En is een dergelijke lage (50%) maatstaf nog wel als prudent en/of representatief te kwalificeren als het er om gaat om een vertrouwenwekkende verwachting uit te spreken?

In het nieuwe pensioenstelsel stellen sociale partners voor een vóóraf afgesproken periode een passende premie vast in verhouding tot de tevens door hen afgesproken pensioendoelstelling. De vaststelling van de consistentie tussen premie en pensioendoelstelling is een verantwoordelijkheid van sociale partners. Bij het vaststellen van consistentie tussen premie en pensioendoelstelling spelen twee aspecten een rol: het beoogde niveau van toekomstige pensioenuitkeringen en de kans dat deze afgesproken pensioendoelstelling wordt gehaald. Om deze aspecten in samenhang te kunnen bezien is een scenario-analyse nodig, waarin de uitkomsten op basis van een bepaalde premie in meerdere scenario’s door sociale partners gewogen kunnen worden. Het is aan sociale partners om aan de hand van de verschillende scenario’s te bepalen bij welke premie sprake is van een evenwichtige balans tussen premie, de beoogde pensioendoelstelling en een aanvaardbare kans dat deze doelstelling wordt gehaald. Het is dus niet zo dat in het nieuwe pensioenstelsel de zekerheidsmaat feitelijk daalt van 97,5% naar 50%.

214.

Toezichtkader voor fondsen die niet invaren. De president van Toezichthouder DNB, Klaas Knot, heeft meerdere malen te kennen heeft gegeven dat «het huidige stelsel zijn houdbaarheidsdatum voorbij is».

  • a. Getuigt het dan niet van onzorgvuldig beleid om pensioenen die noodgedwongen achter moeten blijven in het huidige stelsel, of fondsen waarvan aantoonbaar kan worden vastgesteld dat zij beter af zijn in het huidig stelsel, toch te blijven confronteren met een toezichtkader dat ongewenste effecten heeft?

  • b. Zou voor achterblijvende regelingen in het huidig stelsel het ftk niet zodanig aangepast moeten worden dat het meer in lijn met het nieuwe stelsel kan functioneren?

Het nieuwe pensioenstelsel adresseert de problemen van het huidige pensioenstelsel, door bijvoorbeeld een nieuwe manier van pensioenopbouw en nieuwe premieovereenkomsten te introduceren. Daarom is het invaren van de huidige pensioenaanspraken en -rechten ook het standaardpad in het wetsvoorstel toekomst pensioenen. Dat neemt niet weg dat het financieel toetsingskader het geschikte toezichtkader voor de huidige uitkeringsovereenkomsten kan zijn. De (wijziging van de) pensioenovereenkomst moet hier los gezien worden van het soort toezicht dat daarop wordt uitgeoefend. De maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen op het gebied van kortingen en indexatie zijn genomen vanwege de uitzonderlijke economische omstandigheden of vanwege de aanstaande invoering van het nieuwe pensioenstelsel. Voor dat laatste geldt dat de maatregelen alleen gebruikt konden worden door pensioenfondsen die naar verwachting zouden invaren naar een van de nieuwe premieovereenkomsten.

215.

Een evenwichtige bepaling van de invaarwaarde is een complex en zwaar discutabel vraagstuk. Het begrip evenwichtigheid heeft voor ieder van de verschillende deelnemersgroepen bovendien een andere betekenis. DNB signaleert dat bij hogere dekkingsgraden de standaardmethode op gespannen voet komt te staan met het begrip evenwichtigheid bij toetsing volgens de netto-profijt methode. Is het überhaupt wel mogelijk om 1400 miljard euro evenwichtig te verdelen, zonder de inzet van financiële experts en advocaten bij alle stakeholders, en zonder juridische procedures?

  • a. Als de Minister onverhoopt van oordeel blijft dat er standaard moet worden ingevaren, en dat het ook geen optie is om na invoering van een nieuw stelsel individueel per deelnemer in te varen middels een waardeoverdracht, is de Minister dan wel bereid de verdelingsmethode in ieder geval sterk te vereenvoudigen en te objectiveren en daarbij af te zien van discutabele en voor deelnemers moeilijk te doorgronden toetsingsmethodes zoals netto-profijt?

Voor het invaren moet het huidige collectieve vermogen toegedeeld worden. Daarvoor staan twee rekenmethodes ter beschikking, waarbij de relatief eenvoudige standaardmethode in principe wordt gebruikt. Beide methodes zijn meerdere malen doorgerekend om potentiële invaarsituaties in beeld te brengen, waarbij onder andere aandacht is geweest voor verschillende leeftijdscohorten, voor verschillende financiële situaties van het pensioenfonds en situaties waarin een reserve en/of depot gevuld moest worden. Beide methodes zijn daarvoor geschikt bevonden en ik zie dus ook geen reden een andere methode te ontwikkelen. Bij beide methodes is ruimte om de uitkomsten bij te sturen als dat vanuit het oogpunt van evenwichtigheid noodzakelijk wordt geacht. Decentrale partijen gebruiken om de evenwichtigheid te beoordelen in ieder geval het netto profijt en de verwachte pensioenen. Daarbij hebben zij vrijheid in de beoordeling en er hoeft niet op bepaalde uitkomsten van deze maatstaven gestuurd te worden. Ik ben er van overtuigd dat we de juiste voorwaarden hebben geschapen zodat die transitie op een evenwichtige manier voltooid kan worden.

b.

Dat laatste zou bijvoorbeeld kunnen door de basis-invaarwaarde, en daarmee het persoonlijk pensioenvermogen, vast op de waarde gelijk aan de voorziening voor een individuele deelnemer en dat pensioenvermogen enkel nog te corrigeren door het Eigen Vermogen van het fonds (na aftrek van verplicht eigen vermogen en solidariteitsreserve) pro rata (o.b.v. de waarde van het individueel pensioenvermogen) om te slaan over het persoonlijk pensioenvermogen van deelnemers en gepensioneerden. Een eventuele compensatie voor afschaffing van de doorsneesystematiek uit het vermogen kan vervolgens voor zover het persoonlijk vermogen dat toelaat, daaruit gefinancierd worden. Is de Minister bereid om de methodiek van invaarwaardebepaling verder te vereenvoudigen en te objectiveren, zodat het risico op claims daarmee beperkt wordt?

Voor het invaren staat reeds de relatief eenvoudige standaardmethode ter beschikking. Als een pensioenfonds daarvoor kiest en het onderbouwt, kan ook met de vba-methode ingevaren worden. Beide methodes zijn meerdere malen doorgerekend om potentiële invaarsituaties in beeld te brengen, waarbij onder andere aandacht is geweest voor verschillende leeftijdscohorten, voor verschillende financiële situaties van het pensioenfonds en situaties waarin een reserve en/of depot gevuld moest worden. Met deze invaarmethoden kunnen sociale partners en pensioenfondsen uit de voeten en ze zijn hen inmiddels bekend. Ik zie daarom geen reden nog een andere invaarmethode te ontwikkelen.

216.

Een van de uitgangspunten van de nieuwe pensioenwet is «uitzicht op een koopkrachtig pensioen». In het huidig wetsvoorstel is sturing op koopkracht niet expliciet geregeld. In de commissie SZW van de Eerste Kamer d.d. 21 februari 2023 hebben meerdere deskundigen, waaronder professor Nijman, gepleit voor het wettelijk mogelijk maken van een koopkrachtig pensioen. Sturing op koopkracht zou bijvoorbeeld mogelijk zijn door

  • het mogen hanteren een reëel beschermingsrendement, zoals professor Nijman aangaf, dan wel een «beschermingsrendement voor inflatie» zoals eerder aangegeven door professor Pelsser.e.a.

  • het, ten laste van het overrendement, aan alle deelnemers en gepensioneerden evenwichtig toekennen van een aan de CPI gerelateerd inflatierendement, zoals andere deskundigen aangaven

  • het inzetten van inflatiebescherming beleggingsinstrumenten waarvan Professor Pelsser in de commissievergadering van 21 maart 2023 aangaf dat die in meer dan voldoende mate beschikbaar zijn

  • een combinatie van bovenstaande methoden en instrumenten, eventueel ondersteund door een methodiek van toevoegingen en onttrekkingen aan de solidariteitsreserve ter stabilisatie van de (verwachte) uitkeringen.

    • a. Kan de Minister bevestigen dat bovengenoemde methoden en instrumenten, mits onderbouwd evenwichtig, onderdeel kunnen en mogen zijn van het zoveel als mogelijk sturen op een koopkrachtig pensioen, gegeven en passend binnen het huidig wetsvoorstel?

Een reëel beschermingsrendement of het ten laste brengen van het overrendement aan alle deelnemers en gepensioneerden evenwichtig toekennen van een aan de CPI gerelateerd inflatierendement zijn niet passend binnen het huidige wetsvoorstel. Het inzetten van inflatiebescherming beleggingsinstrumenten ten behoeve van een direct beschermingsrendement tegen inflatie is binnen het wetsvoorstel evenwel toegestaan. Binnen de solidariteitsreserve is het mogelijk inflatie af te dekken. Daarmee is een methodiek van toevoegingen en onttrekkingen aan de solidariteitsreserve ter stabilisatie van de reële (verwachte) uitkeringen binnen het wetsvoorstel mogelijk, waarbij als voorwaarde geldt dat vooraf opgenomen wordt in de regels tegen welke inflatie inflatierisico wordt afgedekt.

b.

Voor zover de methoden en instrumenten zoals genoemd onder A t/m D nog niet vallen onder dit wetsvoorstel WTP, is de Minister bereid dit alsnog toe te staan, dan wel de wet of besluiten aangaande de WTP hier op aan te passen?

Nee, zoals eerder aangegeven is leidt een indirect beschermingsrendement tot herverdeling door het ontbreken van een objectieve maatstaf om de inflatierisico’s te delen tussen generaties.

217.

Uit diverse wetenschappelijk onderzoeken, o.a. «Pension risk preferences» blijkt dat de risicobereidheid en risicocapaciteit niet significant gecorreleerd zijn met leeftijd, of leeftijdscohorten. In het onderzoek van Van der Lecq blijkt dat de risicovoorkeuren afhankelijk van inkomen, leeftijd, opleiding en andere sociaal-demografische kenmerken slechts 5,6% van de variatie verklaren, zodat het modelleren van risicovoorkeuren met waarneembare sociaal-demografische informatie (zoals leeftijd) het meten van risicovoorkeuren niet kan vervangen.

Ook actuele risicopreferentieonderzoeken laten zien dat de risicopreferentie binnen een leeftijdscohort niet homogeen is, en dat deelnemers dus ingedeeld worden in leeftijdscohorten die niet bij hun individuele risicopreferentie passen.

Het desondanks toch geforceerd indelen van deelnemers in leeftijdscohorten o.b.v. een gemiddeld waargenomen risicohouding (of welke andere norm dan ook), zal tot gevolg hebben dat vrijwel geen enkele deelnemer een risicohouding krijgt aangemeten die (binnen een redelijke bandbreedte) past bij zijn geuite voorkeur. De wettelijke mogelijkheid om de waargenomen risicohouding verder aan te passen op grond van deelnemers-kenmerken of wetenschappelijke inzichten, zal deze afwijking tussen het leeftijdscohort- en de individuele-risicohouding nog verder vergroten. Het gevolg hiervan zal zijn dat deelnemers in de praktijk vermogens- en uitkeringsfluctuaties gaan ervaren die niet overeenstemmen met de door hun gemaakte keuzes op grond van het risicopreferentieonderzoek.

Dit kan ernstige gevolgen hebben in het vertrouwen dat deelnemers en gepensioneerden zullen ervaren in uitvoerders en het pensioenstelsel als geheel. Ook kan en zal het waarschijnlijk het leiden tot aansprakelijkheidsstellingen van het pensioenfondsbestuur dat besloten heeft om zodanig grootte bandbreedtes toe te staan in de risicopreferentie per leeftijdscohort, dat die niet meer in redelijke mate aansluiten op de individueel gemeten risicopreferentie. Aangezien de deelnemer in het solidaire contract geen handelingsperspectief heeft, kan en mag het toch niet zo zijn dat er naar zijn risicopreferentie wordt gevraagd en daar vervolgens onvoldoende mee wordt rekening gehouden?

  • a. deelt de Minister de conclusies van bovengenoemd wetenschappelijk onderzoek en de ongewenste gevolgen en aansprakelijkheidsstellingen die het indelen van deelnemers o.b.v. leeftijdscohorten kan hebben? Een oplossing zou mogelijk zijn om deelnemers de keuze te bieden uit drie type beleggingsfondsen met verschillende risicoprofielen, waaronder bijvoorbeeld een beleggingsfonds dat gericht is op behoud van koopkracht, en bijvoorbeeld een fonds waarin maximaal rendement worden nagestreefd.

  • b. Is de Minister bereid om deelnemers daadwerkelijk handelingsperspectief te bieden, door naast leeftijdscohorten ook andere risicoklasse-indelingen of beleggingsfondsen (zoals hierboven omschreven) toe te staan?

Vraag 217 a en b worden met navolgend antwoord gezamenlijk beantwoord. Als decentrale sociale partners het van belang vinden om deelnemers een keuze te bieden uit verschillende beleggingsprofielen, zoals bijvoorbeeld genoemd in deze vraag, biedt het wetsvoorstel hen de ruimte om te kiezen voor de flexibele premieovereenkomst. Op basis van deze pensioenovereenkomst kan deze keuzevrijheid worden geboden.

218.

Het onderwerp communicatie is wellicht een van de belangrijkste maar meest onderbelichte onderwerpen uit de WTP. Het herstel van vertrouwen van deelnemers kan alleen hersteld worden als het nieuwe stelsel en de transitie zo uitgelegd kunnen worden dat deelnemers het ook echt begrijpen. Een pensioenwet die inherent complex is, voor deelnemers en zelfs deskundigen moeilijk te begrijpen is, en die bovendien niet representatief is getest op communiceerbaarheid en begrijpelijkheid, is kwalitatief zeer onder de maat en houdt een groot risico van volledige mislukking in. Voor het «geloof» in de pensioensector en bij communicatiedeskundigen dat het qua communicatie in de WTP wel gaat lukken, ontbreekt iedere deugdelijke onderbouwing en heeft het verleden anders heeft aangetoond. Is de Minister bereid om standaard communicatieformats die op een representatieve wijze naar tevredenheid zijn getoetst o.b.v. een duidelijk criterium te laten ontwikkelen en die op te nemen het Besluit van de wet?

Het klopt dat informatie belangrijk is voor deelnemers. Door middel van die informatie kunnen deelnemers zich namelijk een beeld vormen van hun pensioensituatie of inzicht krijgen in hun keuzemogelijkheden. De huidige Pensioenwet kent reeds een standaard communicatieformat, namelijk het Uniform Pensioenoverzicht (UPO). Het UPO blijft in het nieuwe pensioenstelsel gehandhaafd. Op die manier ontvangen deelnemers jaarlijks een persoonlijk overzicht met de belangrijkste elementen van hun pensioenregeling. Daarnaast kent het wetsvoorstel het vereiste voor pensioenuitvoerders om een communicatieplan op te stellen, met bij wet en besluit bepaalde elementen. De betrokken toezichthouder, de AFM, heeft een (voorlopige) leidraad gepubliceerd om de pensioenuitvoerders handvatten te geven bij het opstellen van de plannen. Beide zijn voorbeelden van formats die gebruikt worden voor informatieverstrekking. Tot slot bevat de Pensioenwet en het wetsvoorstel diverse informatie-bepalingen, waaronder ook open normen. Open normen bieden pensioenuitvoerders de ruimte om in het belang van hun deelnemerspopulatie maatwerk te bieden in hun informatievoorziening. Daar werken formats juist niet of minder, juist omdat de invulling per pensioenuitvoerder kan verschillen zodat betere aansluiting bij de behoeften van de doelgroep mogelijk is. Alles bij elkaar beidt het huidige en voorgestelde toekomstige kader een pallet aan voorgeschreven en vormvrije elementen, waarbij er op dit moment geen aanleiding is verdere vormvereisten voor te schrijven. Na de inwerkingtreding van de wet zal tevens een publiekscampagne starten om burgers te informeren over het nieuwe pensioenstelsel en pensioenen in het algemeen. Hierbij wordt samengewerkt met de pensioensector zodat de informatie vanuit de Rijksoverheid en vanuit de pensioensector goed op elkaar is afgestemd.

219.

Invoering van het nieuwe nabestaandenpensioen (NBP) lijkt eenvoudig, maar werkt in de praktijk erg complex uit en zal voor veel deelnemers tot een onder- of overdekking leiden. Netspar heeft hier onderzoek naar gedaan en verbeteringsvoorstellen geformuleerd.

  • a. Kan de Minister bevestigen dat de aanbevelingen en verbeteringsvoorstellen van Netspar alsnog in het Wetsvoorstel WTP zullen worden verwerkt?

Nee, dat kan ik niet bevestigen. Over de voorstellen uit het genoemde paper heb ik eerder geflecteerd waarom deze niet of in onvoldoende mate aansluiten bij de geformuleerde doelen voor het nabestaandenpensioen. De wijzigingen die voor het nabestaandenpensioen worden voorgesteld komen voort uit het advies van de Stichting van de Arbeid inzake de wenselijkheid van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler. De wijzigingen in het wetsvoorstel toekomst pensioenen kunnen dan ook op een breed draagvlak onder sociale partners rekenen.

b.

Kan de Minister bevestigen dat pensioenuitvoerders de wettelijke mogelijkheid krijgen om opbouw-nabestaandenpensioen samen met opbouw-ouderdomspensioen te administreren en eventueel ook met restitutie bij overlijden van de deelnemer voor de pensioendatum te werken?

Nee, dat kan ik niet bevestigen. Op verzoek van de Tweede Kamer wordt er een onderzoek gedaan naar de mogelijke uitvoering van restitutie naast de reeds in het wetsvoorstel opgenomen mogelijkheden van vrijwillige voortzetting. Eventuele wijzigingen die voorvloeien uit dit onderzoek naar restitutie lopen mee in het wetsvoorstel keuzemogelijkheden nabestaandenpensioen wat rond de zomer van 2023 in internetconsultatie zal gaan.

c.

Zo, nee, welk voordeel wordt beoogd om een dergelijke complexe en kostenverhogende administratieve uitvoering te eisen.

De wijzigingen inzake het nabestaandenpensioen zoals voorgesteld in het wetsvoorstel toekomst pensioenen zijn veelvuldig afgestemd met pensioenuitvoerders en zijn zodanig opgesteld dat ze uitvoerbaar zijn door pensioenuitvoerders.

220.

Vraag 230. U schrijft dat er monitoring plaatsvindt, maar ik heb begrepen dat er nu al pensioenfondsen zijn die hier wel behoefte aan hebben die in 2024 al willen invaren. Die behoeften zijn ook al aangegeven bij de AFM en DNB. Ofwel dit moet nu heel snel geregeld worden. Kan de Minister hierop reflecteren?

De regering gaat er in dit antwoord van uit dat de leden hier de aangenomen motie van het lid Smals (VVD) rond de monitoring van de carve-out bedoelen. In die motie wordt opgeroepen om tijdens de transitieperiode te monitoren of er pensioenuitvoerders zijn die aangeven een carve-out nodig te hebben om aan hun wettelijke taak voor evenwichtige belangenafweging tussen verschillende deelnemersgroepen te voldoen. Voor zover bekend hebben de pensioenfondsen die vroegtijdig willen invaren geen behoefte aan een carve-out ten behoeve van evenwichtig invaren. Ik heb daarnaast ook geen signalen ontvangen dat pensioenfondsen de carve-out als absolute voorwaarde zien om de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel op een evenwichtige wijze te kunnen maken. Naast de eerder genoemde monitoring heb ik ook geregeld overleg met vertegenwoordigers van beide toezichthouders; ook daar kwam dit signaal niet ter sprake.

221.

Vraag 231. Volgens artikel 63a lid 3 mag voor het projectierendement ten hoogste uitgegaan worden van een risicopremie die 35% bedraagt van het verschil tussen de parameter voor aandelenrendement en de risicovrije rente op de ingangsdatum van het pensioen. Bij de implementatie van gelijke aanpassingen met spreiding met geheugen kan dit volgens Balter en Werker door gebruik te maken van een dynamisch projectierendement. Ofwel een projectierendement dat afhangt van verleden overrendementen (naast de afhankelijkheid van de rentetermijnstructuur). In het paper spreken de auteurs over «een (nog niet beantwoorde) beleidsvraag: is de in het wetsvoorstel genoemde begrenzing van het projectierendement inclusief of exclusief het effect van spreiden?» Ofwel als het projectierendement begrenst is dan is deze methodiek van het creeren van gelijke aanpassingen van uitkeringen in de praktijk toch niet mogelijk, ondanks dat de Memorie van toelichting en de beantwoording op de vragen van de tweede en Eerste Kamer dit toch doen vermoeden.

  • a. Daarom nogmaals de vraag: is de in het wetsvoorstel genoemde begrenzing van het projectierendement inclusief of exclusief het effect van spreiding?

  • b. Is de methodiek van gelijke aanpassingen van de uitkeringen met spreiden van schokken zoals Balter/Werker dat voorstellen nu wettelijk mogelijk zonder randvoorwaarden of niet? Balter/Werker dat voorstellen nu wettelijk mogelijk zonder randvoorwaarden of niet?

Ten behoeve van gelijke aanpassingen van uitkeringen, in combinatie met het spreiden van schokken, volgens de methode die door Balter en Werker is voorgesteld, is in artikel 63a lid 8 van de Pensioenwet opgenomen dat bij het spreiden van de verwerking van het financiële resultaat het projectierendement kan worden aangepast indien en voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen van de pensioenuitkeringen te realiseren.

222.

Daarnaast staat er in de memorie van toelichting dat het projectierendement «zodanig [moet worden] vormgegeven dat de mediane uitkering in nominale termen niet dalend is met de leeftijd.» (blz 30 MvT). Dit staat ook in de concept beleidsuitingen van DNB weer aangehaald. Maar om gelijke aanpassingen van de uitkeringen voor alle gepensioneerden te bewerkstellingen zullen er situaties voorkomen dat de mediane uitkering in nominale termen wel zal dalen met de leeftijd. Namelijk de periode waarin nog «kortingen» die gespreid zijn in de tijd op de lat staan. Dit geldt niet alleen in de Balter/Werker methode, maar ook als je gelijke aanpassing van de uitkeringen bewerkstelligt met een collectieve uitkeringsfase zoals benoemd in artikel 10a lid 5. Ofwel er staan beperkingen in de memorie van toelichting waardoor gelijke aanpassing van de uitkeringen niet altijd mogelijk is. Kan de Minister aangeven of in verband met een gelijke aanpassing van de uitkering er uitzondering gemaakt kan worden op de zinnen van de MvT op bladzijde 30 dat de mediane uitkering in nominale termen niet dalend mag zijn met de leeftijd? En zo niet: dan is er een inconsistentie in de wetgeving. Kan de Minister hierop reflecteren

In de memorie van toelichting bij de Wet toekomst pensioenen staat dat een vaste daling, respectievelijk het projectierendement, zodanig moet zijn vormgegeven dat de mediane uitkering in nominale termen niet dalend is met de leeftijd, waarbij de vaste daling, respectievelijk de opslag op de rentetermijnstructuur in het projectierendement, niet groter mag zijn dan 35% van de risicopremie op aandelen. Het gaat hier om een verwachting vóóraf dat de mediane uitkering niet daalt. Dat sluit niet uit dat in de werkelijkheid in een bepaald scenario wel een daling optreedt. Er is dus geen sprake van een inconsistentie in de wetgeving.

223.

U schrijft bij vraag 231 ook dat een pensioenfonds dat niet zowel een vaste als variabele uitkering aanbiedt in een flexibele premieregeling, gepensioneerden kan wijzen op mogelijke handelingsopties in verband met het shoprecht dat zij hebben. Maar zoals u zelf ook eerder aangeeft in de beantwoording is er voor individuele oudere gepensioneerden helemaal geen markt ontwikkeld. Ik heb vanuit de praktijk begrepen dat dit ook niet te verwachten is. Ofwel gepensioneerden zullen een brief krijgen met de mededeling dat zij shoprecht hebben en daartoe naar een andere uitvoerder moeten gaan. Maar vervolgens kunnen veel van die gepensioneerden waarschijnlijk nergens terecht omdat zij te oud zijn of te weinig kapitaal hebben. Ofwel het wetsvoorstel bevat elementen die niet uitvoerbaar zijn. Kan u hierop reflecteren op het punt van uitvoering? Wat denkt u dat dit met het vertrouwen doet van deze gepensioneerden?

Kernelement van de flexibele premieovereenkomst is dat deelnemers op pensioenleeftijd een keuze kunnen maken tussen een vaste en variabele uitkering. Reeds gepensioneerden in een uitkeringsovereenkomst die invaren naar een flexibele premieovereenkomst hebben in dat geval nooit een keuze kunnen maken tussen welke uitkering zij wensen te ontvangen. Daarom is ervoor gekozen om hen eenmalig de keuze te laten bieden, net zoals zij die keuze zouden hebben gehad op pensioendatum. Het shoprecht ontstaat vervolgens alleen voor die gepensioneerden waarvan de pensioenuitvoerder niet zowel een variabele als een vaste uitkering aanbiedt. Op dit moment is het voor reeds gepensioneerden niet mogelijk een uitkering na pensionering te heroverwegen, deze verzekeringsmarkt bestaat dan nu ook nog niet. Of en op welke wijze deze markt zich de komende jaren gaat ontwikkelen, is op voorhand niet te zeggen. In hoeverre de gepensioneerde uiteindelijk gebruik kan maken van het shoprecht is afhankelijk van de situatie bij het pensioenfonds en van het beschikbare pensioenkapitaal. Dat is niet anders dan zoals dat nu is voor net gepensioneerden die een keuze kunnen maken tussen een variabele en vaste uitkering. Met een beperkt pensioenkapitaal is het niet altijd mogelijk om gebruik te maken van het shoprecht indien daar sprake van is.

224.

Vraag 232. Hebben de Minister of haar ambtenaren overwogen om eens aan mevrouw A. Joseph te vragen welke inconsistenties en belemmeringen in de wetgeving zij ziet?

Specifiek met betrekking tot de recente inbreng van mevrouw Joseph geldt dat in de memorie van antwoord uitgebreid is gereflecteerd op haar inbreng. Gedurende het wetgevingsproces is verder met vele partijen gesproken, waaronder met mevrouw Joseph. Ook is door veel partijen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gedurende de consultatiefase inbreng te leveren. Daarnaast zijn er verschillende instanties die formele toetsen en adviezen hebben uitgebracht. Al deze inbreng is zorgvuldig gewogen en heeft ook tot diverse aanpassingen in het wetsvoorstel geleid. Gedurende de parlementaire behandeling hebben zowel de Tweede als de Eerste Kamer zich ook uitgebreid laten informeren door een divers scala van pensioendeskundigen. In al deze stadia heeft ook mevrouw Joseph haar inbreng geleverd. Mede door deze inbreng is de regering met meerdere nota’s van wijziging gekomen en heeft de Kamer de nodige amendementen aangenomen. Ik ben van mening dat het wetsvoorstel zoals dat nu voorligt een evenwichtig geheel vormt, met voldoende waarborgen voor een evenwichtige transitie en klaar is om te worden ingevoerd. Dit is ook het signaal dat ik ontvang vanuit de uitvoering. Zoals in de eerdere beantwoording aangegeven zal gedurende de transitie de uitvoering van de wet nauwgezet worden gemonitord en zal veelvuldig overleg met betrokken uitvoeringspartijen plaatsvinden om eventuele knelpunten in een vroeg stadium te onderkennen en snel en effectief te kunnen bijsturen.

225.

Ten aanzien van de vraag over de modernisering van het FTK. U geeft aan dat het FTK geldig blijft en dat de evaluatie van het FTK geen aanleiding geeft om in het huidige pensioenstelsel de uitvoering van vaste uitkeringen door pensioenfondsen aan te passen. Is het niet zo dat de Wet toekomst pensioenen juist is bedacht omdat het FTK vastloopt? Zijn er bovendien voor de periode tot invoering van de Wtp niet allerlei aanpassingen zoals verlening van hersteltermijnen, opschortingen van de termijnen voor MVEV kortingen en het versoepelen van indexatieregels voorgesteld omdat het FTK vastloopt? Hoe kan de Minister dit rijmen met haar eigen antwoord? Er zijn pensioenfondsen die noodgedwongen in het FTK zullen blijven, deze deelnemers zitten met wetgeving opgescheept die de Minister niet meer geschikt vindt en die straks ook niet meer mogelijk is voor nieuwe pensioenopbouw. Kan de Minister hierop reflecteren?

Het nieuwe pensioenstelsel adresseert de problemen van het huidige pensioenstelsel, door bijvoorbeeld een nieuwe manier van pensioenopbouw en nieuwe premieovereenkomsten te introduceren. Daarom is het invaren van de huidige pensioenaanspraken en -rechten ook het standaardpad in het wetsvoorstel toekomst pensioenen. Dat neemt niet weg dat het financieel toetsingskader het geschikte toezichtkader voor de huidige uitkeringsovereenkomsten kan zijn. De (wijziging van de) pensioenovereenkomst moet hier los gezien worden van het soort toezicht dat daarop wordt uitgeoefend. De maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen op het gebied van kortingen en indexatie zijn genomen vanwege de uitzonderlijke economische omstandigheden of vanwege de aanstaande invoering van het nieuwe pensioenstelsel. Voor dat laatste geldt dat de maatregelen alleen gebruikt konden worden door pensioenfondsen die naar verwachting zouden invaren naar een van de nieuwe premieovereenkomsten.

226.

Vragen 233/234. U geeft aan dat de transitieperiode als voldoende wordt beschouwd door sociale partners en de pensioenkoepels. En dat monitoring plaatsvindt. Inmiddels heeft DNB al meerdere keren een uitvraag gedaan. Eerst wilde 30% van de pensioenfondsen die wilden invaren en een invaarjaar in gedachten hadden invaren in 2024. Inmiddels zijn er nog maar 2 pensioenfondsen die aangeven in te willen varen in 2024. De piek van het invaren ligt overduidelijk op 2026. Bovendien heeft DNB al meerdere keren laten weten dat het gezien de capaciteit bij uitvoerders en de toezichthouder zelf van groot belang is dat pensioenfondsen gespreid overstappen naar het nieuwe stelsel. Maar die spreiding lijkt nu volledig uit het beeld te verdwijnen.

  • a. Kan de Minister reflecteren op deze uitkomst in relatie tot de vraag of 1/1/2027 als uiterste datum echt nog wel haalbaar is?

  • b. Wat zegt dit over de uitvoerbaarheid? Wat zegt dit over de tijdslijnen?

Deze berichtgeving is bekend. Uit de sector komt het beeld naar voren dat pensioenuitvoeringsorganisaties de transitie van pensioenfondsen willen spreiden binnen de transitieperiode, om zo voldoende capaciteit vrij te kunnen maken en waarborgen in te bouwen. In beginsel is het aan pensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties te bepalen wanneer de transitie wordt gemaakt. DNB speelt daar formeel geen rol bij, maar toetst uiteraard wel het invaarbesluit. Het artikel over de invaarpiek laat inderdaad zien dat er pieken zijn in de transitiemomenten, maar wanneer je kijkt naar het verwachte indienmoment van de implementatieplannen bij de DNB is er juist sprake is van een meer gespreid beeld. De piek in transitiemomenten leidt daarmee dus niet één-op-één tot een piek in de belasting van het toezicht. Dat de toezichthouder gesprekken heeft met de sector over de planning lijkt me ook wenselijk. Uiteindelijk moeten we het samen doen. Het laatste artikel waar de vraagsteller naar verwijst bevat ook een oproep vanuit DNB aan de sector om serieus werk te maken van de voorbereidingen. En dat is ook verstandig. De transitieperiode van 3,5 jaar wordt als voldoende beschouwd door sociale partners en de pensioenkoepels om de pensioenregeling tijdig te kunnen wijzigen. Niettemin zal de komende jaren het verloop van de transitie intensief worden gemonitord, waarover de Kamers ook periodiek geïnformeerd zullen worden. Ik zie daarom vooralsnog geen aanleiding de afgesproken einddatum van 1 januari 2027 aan te passen.

227.

Vragen 235/236. In de uitkomsten van de berekeningen voor voorbeeldfondsen gemaakt in december 2022 zie ik in tabel 2 dat de verwachte pensioenen op de uniforme pensioenoverzichten voor jonge deelnemers er voor de 5 voorbeeldpensioenfondsen er respectievelijk 25%, 19%, 52%, 49% en 52% op vooruit gaan?

Dat klopt voor het mediane scenario van een deelnemer van 25 jaar, onder andere op basis van fondsspecifieke keuzes rondom invaren en het invaardoel, fondsspecifiek beleid en de financiële positie. Deze zaken hebben invloed op de uiteindelijke resultaten. Deze berekeningen zijn dan ook een indicatie zijn van hoe het nieuwe pensioenstelsel kan uitpakken.

Kan de Minister bevestigen dat de verwachte pensioenen die aan jonge deelnemers getoond worden in deze voorbeelden dus flink omhoog gaan? Is de Minister het met mij eens dat hiermee dus hogere verwachtingen worden gewekt in het nieuwe pensioenstelsel?

In de berekeningen van DNB en van pensioenfondsen in december 2022 is inderdaad te zien dat de verwachte pensioenuitkering van jongere deelnemers in het nieuwe pensioenstelsel hoger ligt dan in het huidige ftk. In het nieuwe pensioenstelsel kunnen pensioenen namelijk sneller en meer worden verhoogd omdat er minder buffers aangehouden hoeven te worden en omdat de ruimte voor pensioenverhogingen niet fiscaal is begrensd (loslaten van het zogenoemde «genoeg-is-genoeg» principe). Dit geldt in sterkere mate voor jongere deelnemers, omdat zij nog een langere beleggingshorizon hebben en dus langer profiteren van de voordelen van het nieuwe contract. Hierbij geldt echter ook dat de werkelijke resultaten afhankelijk zullen zijn van fondsspecifiek beleid inzake de premiehoogte, het beleggingsbeleid en in het bijzonder ook de economische omstandigheden. Ik ben het er echter niet mee eens dat in het nieuwe pensioenstelsel hogere verwachtingen worden gewekt. Tegenover bovenstaande staat namelijk dat de verwachte pensioenuitkering in het nieuwe pensioenstelsel meer onzekerheid kent dan in het huidige ftk. Uit de genoemde berekeningen komt naar voren dat de spreiding tussen het slechtweer scenario en het mediane scenario toeneemt naarmate de leeftijdsgroep jonger is, als gevolg van de lagere buffervorming.

228.

Ten aanzien van het niet of nauwelijks compenseren voor afschaffing doorsneesystematiek geeft u zelf aan bij de beantwoording van vraag 29 in het memorie van antwoord wetsvoorstel toekomst pensioenen op bladzijde 41/42 geeft u aan. «Compensatie is vanwege de effecten van de dubbele transitie in veel gevallen echter niet nodig.» Hiermee bevestigt u dus zelf dat er een grote kans is dat er in verwachting niet of nauwelijks gecompenseerd zal worden voor de afschaffing van de doorsneesystematiek. Kunt u hier nogmaals op reflecteren?

In deze vraag wordt terugverwezen naar het antwoord op vraag 29 van de fracties PvdA/GL. In deze vraag wordt de situatie geschetst waarin een werknemer eerst via de werkgever deelnam aan een pensioenregeling waarin compensatie is opgenomen, en gedurende de compensatieperiode overstapt naar een werkgever met een pensioenregeling waarin sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) hebben afgesproken om in één keer te compenseren. Deze werknemer zou dan compensatie mislopen.

In het gegeven voorbeeld is het inderdaad zo dat de compensatieregeling waar deze werknemer recht op had bij zijn oude werkgever stopt op het moment hij een andere baan neemt en daardoor geen deelnemer meer is. Bij zijn/haar nieuwe werkgever die aangesloten is bij een ander pensioenfonds krijgt deze werknemer op het moment van in dienst treden de compensatieregeling die daar van toepassing is. Indien compensatie op het moment van transitie volledig is toegekend zou dit inderdaad betekenen dat de werknemer op het moment van in dienst treden geen compensatie meer krijgt.

Hiermee kan niet geconcludeerd worden dat er een grote kans zal zijn dat er nauwelijks gecompenseerd zal worden. In deze vraag werd immers gerefereerd aan een specifieke casus. Daarnaast geldt dat compensatie niet altijd nodig zal zijn. De generatie-effecten van het afschaffen van de doorsneesystematiek worden gemitigeerd door de gelijktijdige invoering van de nieuwe pensioenregelingen. Tot slot geldt dat een evenwichtige transitie in voorkomende gevallen zal vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is.

229.

U schrijft: «Ik ben het niet eens met de aangehaalde opmerking dat nominale rekenrentes nog steeds een belangrijke rol in het nieuwe pensioenstelsel zouden spelen.» Hoe denkt de Minister dat een persoonlijk pensioenvermogen wordt omgezet in een uitkering voor een reeds gepensioneerde?

Voor de omzetting van persoonlijk pensioenvermogen in uitkeringen wordt een projectierendement gehanteerd. Met een rekenrente wordt in het voorliggende wetsvoorstel de wijze bedoeld waarop de contante waarde van een toegezegde pensioenaanspraak in de huidige uitkeringsovereenkomst moet worden berekend en die leidt tot pensioenverplichtingen aan de passivazijde van de balans.

230.

Volgens de wetgeving kan de variabele uitkeringsfase met collectief toedelingsmechanisme alleen rekenen met de risicovrije rente. Kunt u dit bevestigen.

In de flexibele premieovereenkomst met een collectief toedelingsmechanisme in de uitkeringsfase hanteert men in principe de risicovrije rente. Wel is het mogelijk een hogere uitkering bij aanvang te krijgen door een vaste daling te hanteren ten opzichte van de risicovrije rente.

231.

Er zijn heel veel experts geweest die oproepen dat de uitkeringsfase te nominaal is ingestoken, zoals Dhr. Sluimers, de heer Nijman, Dhr. Bets. Of bijvoorbeeld Dhr. Bovenberg die ook oproept dat inflatiebescherming beter moet. Hoe kunt u dit verklaren?

Ik begrijp de wens van een uitkering met volledige inflatiebescherming. Hiervoor heb ik in antwoord op vraag 216 reeds aangegeven waarom dit niet mogelijk is, zonder de herintroductie van fundamentele nadelen uit het huidige pensioenstelsel te voorkomen.

232.

Denkt de Minister oprecht dat een reserve van 3% tot 5% van het totale vermogen deelnemers meer nominale zekerheid kan worden geboden dan het huidige FTK? Kan de Minister zich nog herinneren dat de dekkingsgraden in 2007 voor vrijwel alle pensioenfondsen boven de 130% was en in 2008 voor vrijwel alle pensioenfondsen onder de 105%? Ofwel dat zij meer dan 25% buffer zijn verloren in 1 jaar. Aangezien de uitkeringsfase in het nieuwe stelsel weer nominaal is ingericht, hoe waarschijnlijk is het dat een pensioenfonds met 3% tot 5% buffer straks nominale kortingen kan voorkomen? Kan de Minister hier passend op reflecteren?

In het nieuwe contract kunnen met de solidariteits- of risicodelingsreserve gericht uitkeringen in een bepaalde mate worden gestabiliseerd. Ortec heeft laten zien dat dit al met een relatief kleine reserve effectief mogelijk is.86 Met de solvabiliteitsbuffer in het huidige contract is dat niet mogelijk. Bovendien moet het beleggingsrisico in het nieuwe pensioenstelsel worden afgebouwd met het toenemen van de leeftijd, waardoor negatieve aandelen- en renteschokken minder zullen neerslaan bij pensioengerechtigden. In uitkeringsovereenkomsten raken financiële schokken pensioengerechtigden relatief zwaar, omdat deze worden verwerkt via een uniforme dekkingsgraad en pensioengerechtigden het meeste vermogen hebben opgebouwd.

233.

De Minister schrijft dat een deterministisch scenario kiezen subjectief is. Een stochastische scenario is volgens de Minister minder subjectief. Beiden zijn aannames. Hoe kan het zijn dat de ene subjectiever is dan de andere?

Het nadeel van deterministische doorrekeningen is dat slechts één of een aantal scenario’s wordt gekozen om de economische toekomst te voorspellen. De keuze daarvan is dan subjectief, wat eveneens kan leiden tot te lage (of hoge) premiestellingen en dergelijke. Welke scenario’s gunstig of ongunstig uitpakken voor deelnemers, en in welke mate, kan immers verschillen per pensioenfonds, omdat dit onder andere afhangt van het beleggingsbeleid, de leeftijdsopbouw en keuzes zoals de inrichting van de solidariteits- of risicodelingsreserve.

Een stochastische doorrekening kent dit nadeel niet, omdat duizenden mogelijke scenario’s worden meegewogen, waaronder ook slechtweerscenario’s. Dit geeft een veel completer beeld van een inherent onzekere toekomst. Hierdoor ontstaat namelijk een waaier aan uitkomsten waarin diverse risico’s en economische situaties verwerkt zijn. Pensioenfondsen dienen de gehele waaier aan uitkomsten mee te wegen in de besluitvorming voor diverse wettelijke toepassingen. Met deterministische doorrekeningen gaat dit complete beeld verloren. Dat acht ik onwenselijk, omdat de berekeningen ondersteunend zijn aan besluitvorming over bijvoorbeeld de vaststelling van de hoogte van pensioenpremies of het inzichtelijk maken van transitie-effecten (zoals nettoprofijteffecten), ter ondersteuning van de beoordeling van evenwichtigheid bij invaren.

Volledigheidshalve merk ik op dat ook bij huidige toepassingen al gebruik wordt gemaakt van stochastische doorrekeningen, bijvoorbeeld bij de haalbaarheidstoets, ALM-studies en pensioencommunicatie richting de deelnemer via de uniforme rekenmethodiek.

234.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 29 gemeld dat compensatie vanwege de effecten van de dubbele transitie in veel gevallen niet nodig zal zijn. De modellen van de dubbele transitie zijn gemaakt voor de huidige regelingen tot stand kwamen, ofwel, de leeftijdsafhankelijke rendementstoedeling. Is de stelling dat compensatie in veel gevallen niet nodig zal zijn, ook getoetst bij overgang naar de huidige regelingen, waarbij jongeren veelal aan meer risico blootgesteld zullen worden en daarom ook een hoger rendement mogen verwachten dan hun collega’s van bijvoorbeeld 60 jaar en ouder?

In het transitieplan worden alle keuzes, overwegingen en berekeningen over de nieuwe pensioenregeling, compensatieafspraken en de afweging om een verzoek tot invaren te doen, vastgelegd. Pensioenuitvoerders zijn op basis van artikel 150e verplicht om de transitie-effecten in beeld te brengen. Dit betreft zowel een vergelijking van de pensioenverwachtingen onder het huidige en het nieuwe pensioencontract, als de verwachte nettoprofijteffecten van de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Bij het nieuwe contract gelden ook de nieuwe toedeelregels. Indien uit de doorrekeningen blijkt dat er sprake is van een onevenredig nadeel voor bepaalde partijen, zijn zij verplicht hierover adequate compensatieafspraken te maken.

235.

Is er een inschatting gemaakt hoe vaak compensatie wel nodig zal zijn?

Het is lastig om een inschatting te maken van hoe vaak compensatie in de praktijk nodig zal zijn, omdat nog niet duidelijk is hoe de pensioenregelingen in sectoren en ondernemingen er onder het nieuwe pensioenstelsel uit komen te zien. Ook is op dit moment onduidelijk welke besluiten werkgevers- en werknemers(organisaties) in het kader van de transitie zullen nemen. Afhankelijk daarvan, en afhankelijk van wat decentrale werkgevers- en werknemers(organisaties) als een evenwichtige transitie beschouwen, zal worden overgegaan tot compensatie. Naar aanleiding van de aangenomen motie Smals/Stoffer87 zal tijdens de transitie gemonitord worden welke afspraken omtrent compensatie worden gemaakt.

236.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 33 gezegd: Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) kunnen ook andere afspraken maken met betrekking tot de transitie, die ertoe kunnen leiden dat de transitie tot minder generatie-effecten leidt. Waar wordt dan aan gedacht?

In de transitieperiode nemen sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) meerdere beslissingen die betrekking hebben op de effecten van en tussen generaties binnen het pensioenfonds, bijvoorbeeld om bepaalde verschillen in effecten te verkleinen. In de vorige antwoorden werd als voorbeeld de besluitvorming met betrekking tot invaren gegeven. Een ander voorbeeld is de inhoud van de toekomstige pensioenregeling, waaronder de afspraken over de vulling van de solidariteits- of risicodelingsreserve en de voorwaarden waaronder uitkering uit de reserves plaatsvindt.

237.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 75 gesteld dat de waarde van de verminderde pensioenopbouw voor bestaande deelnemers niet in te schatten is. De impact van het afschaffen van de doorsneesystematiek zal het grootst zijn voor de deelnemers rond middelbare leeftijd, zeg tussen 35 en 50 jaar, oplopend tot 5% van het aanvullend pensioen. Is de impact van het afschaffen niet afhankelijk van de samenstelling (deelnemers) van een fonds als het gaat om de leeftijdsgroep? Zouden ook oudere deelnemers nog geconfronteerd kunnen worden met de gevolgen van de afschaffing van de doorsneesystematiek? Genoemde 5% zal ongeveer het maximale effect zijn van de afschaf van de doorsneesystematiek, zonder rekening te houden met de voordelen van het nieuwe stelsel (enkelvoudige transitie)?

De impact van het afschaffen van de doorsneesystematiek is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de leeftijd van de deelnemers van het pensioenfonds, de huidige pensioenregeling, de toekomstige pensioenregeling en de besluiten die werkgevers- en werknemersorganisaties ten aanzien van de transitie. Bij de uitwerking van het Pensioenakkoord hebben het CPB88 en 13 pensioenfondsen89 in 2020 de gevolgen van de integrale aanpassing van het pensioenstelsel doorgerekend. Hieruit blijkt dat de leeftijdsgroep tussen de 35 en 50 jaar nadeel kan ondervinden van de afschaffing van de doorsneesystematiek. Uit de berekeningen blijkt ook dat de oudere deelnemers niet worden geraakt.

238.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 108 gesteld dat in het Regeerakkoord budgettaire ruimte gereserveerd is voor de fiscale facilitering van compensatie. Er kan gedurende 10 jaar € 1 miljard meer premie per jaar worden ingelegd. In antwoord op vraag 75 werd vanuit een rapport uit 2017 gesteld dat de waarde van de verminderde pensioenopbouw voor bestaande deelnemers circa 55 miljard euro zou bedragen. Luidt dan de logische conclusie dat alle benodigde compensatie boven de 10 miljard uit het eigen vermogen van een fonds betaald moet worden?

Deze conclusie is onjuist. De compensatie kan gefinancierd worden door een opslag op de premie of door het onttrekken van bedragen uit een compensatiedepot. Voor de compensatie die wordt gefinancierd door een opslag op de premie geldt dat hier een fiscale facilitering voor wordt getroffen. Hiervoor is budgettaire ruimte gereserveerd. Het compensatiedepot kan op twee manieren gevuld worden. De ene manier is door bij het invaren een deel van het fondsvermogen naar het compensatiedepot over te maken. Daarnaast kunnen partijen besluiten om te financieren uit een opslag op de premie. Een mengvorm is ook mogelijk.

239.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 152–154 gesteld dat fondsen de vrijheid hebben om het geconstateerde nadeel te compenseren via een bedrag dan wel een percentage. Binnen een cohort kunnen bij grote fondsen grote verschillen in salaris zijn, waardoor een zelfde compensatie zeer verschillend zal uitpakken voor een individu. Is dit dan adequate compensatie? Kan er ook sprake zijn van onevenredig voordeel in dat geval?

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is.

240.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 155 niet ingegaan op het verschil in hoogtes van salarissen, maar wordt er verondersteld dat enkel lengtes van carrièrepaden kunnen verschillen. Echter als onder eenzelfde fonds zowel hoogleraren als administratief medewerkers vallen, dan hebben zij verschillende salarissen. Indien de compensatie op leeftijd plaats vindt, ontvangt de 48-jarige administratief medewerker mogelijk te veel en de 48-jarige hoogleraar te weinig. Is dit adequaat volgens de regering?

In het antwoord op vraag 155 is ingegaan op wat de mogelijke gevolgen van de overstap op een degressieve opbouw zouden zijn voor deelnemers met een steiler carrièrepad, vergeleken met de gevolgen voor deelnemers met een gemiddeld carrièrepad. Bij een steiler carrièrepad zal men later in de loopbaan een hoger loon ontvangen en daarmee over een groter gedeelte van het loon pensioen opbouwen. Zoals eerder aangegeven is niet op voorhand te voorspellen welke deelnemers een steiler carrièrepad zullen doorlopen.

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is.

241.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 156 gemeld dat er geen vaste regels zijn om de onevenredige benadeling te onderbouwen. De toetsing of sprake is van een onevenredig zware last kan alleen plaatsvinden in een individueel geval. Ook in het advies van de Raad voor de Rechtspraak werd gevraagd om nadere onderbouwing. De regering schrijft in de memorie van toelichting dat maatstaven niet op individueel niveau, maar op cohortniveau toegepast worden. Uit andere antwoorden blijkt dat verschillen in een cohort zeer groot kunnen zijn. Nu het een open norm is èn er alleen op cohortniveau getoetst wordt, dient de deelnemer dus zelf een procedure aan te spannen om de rechter te laten oordelen of hij of zij onevenredig benadeeld wordt?

Indien een deelnemer door de rechter wil laten oordelen of hij of zij onevenredig benadeeld wordt, dient daarvoor een procedure te worden aangespannen. Het klopt dat de maatstaven voor compensatie van gemiste toekomstige pensioenopbouw op cohortniveau worden toegepast. In de memorie van toelichting is dit als volgt onderbouwd. In de compensatieregeling wordt gewerkt met leeftijdscohorten, waarbij alle deelnemers binnen een leeftijdscohort dezelfde mate van compensatie toegekend krijgen. Het zou een bijzonder grote uitvoeringslast voor de pensioenuitvoerder met zich brengen als de compensatie per individuele actieve deelnemer berekend zou moeten worden, en alle gevolgen inzichtelijk moeten worden gemaakt op individueel niveau. Dit zou tevens het maken van heldere afspraken in de arbeidsvoorwaardelijke fase bemoeilijken.

242.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 158 geen antwoord gegeven op de vraag: Leidt het afschaffen van het individueel bezwaarrecht tot extra kosten voor pensioenfondsen? Bedoeld wordt extra kosten vanwege het nu geringe beroep dat gedaan wordt op de interne bezwaarprocedures en de mogelijke hausse aan klachten cq. extra individuele informatiebehoefte.

Dat is op voorhand niet met zekerheid te stellen omdat er geen financiële vergelijking met een eerdere/andere situatie te maken is. Waar het specifiek gaat om kosten voor de interne klachtenprocedure en informatiebehoefte van deelnemers: deze zullen mogelijk toenemen als een pensioenfonds overgaat tot invaren. De omvang van deze kosten is afhankelijk van diverse factoren, zoals het aantal klachten, de inhoud van de klachten en de informatievoorziening vooraf door het pensioenfonds.

243.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 160–161 gemeld dat de juridische keten extra ondersteund zal worden met 10 miljoen Euro. Er wordt echter niet ingegaan op de vraag naar additionele middelen voor de fondsen?

De regering stelt geen aanvullende middelen beschikbaar voor pensioenfondsen.

244.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 162 gesteld dat als uiterste middel de pensioenvermogens van deelnemers worden aangesproken. Hoe moet dit uitgelegd worden? Worden bij veel procedures en mogelijke schadevergoedingen de overige deelnemers dan geconfronteerd met een verlaging?

Zoals in het antwoord aangegeven zal een pensioenfonds net als in het huidige pensioenstelsel straks een toereikende reserve voor operationele kosten moeten aanhouden. Daarbij dient rekening te worden gehouden met eventuele (lopende) rechtszaken. Op die manier komen kosten voor juridische procedures niet direct voor rekening van de deelnemers. In het uiterste geval, als de reserve ontoereikend is, kunnen de aanspraken en rechten van de deelnemers wel verlaagd worden. Pensioenfondsen kunnen in het huidige pensioenstelsel ook geconfronteerd worden met procedures en mogelijke verplichtingen om schadevergoedingen te betalen. Ook dan worden de kosten door het pensioenfonds gedragen en hebben dan uiteindelijk ook gevolgen voor de pensioenen van de deelnemers en gepensioneerden.

245.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 178 gesteld dat er geen aparte afspraken omtrent compensatie in het kader van het nabestaandenpensioen nodig zijn. Het overgangsrecht voorziet erin dat opgebouwde rechten op nabestaandenpensioen dat bedoeld is vóór pensioendatum behouden blijven. Worden genoemde opgebouwde rechten apart inzichtelijk gemaakt op het UPO? Het nabestaandenpensioen voor na pensioendatum loopt mee in de transitie van het ouderdomspensioen. Daar kan compensatie aan de orde zijn. Kan de regering aangeven hoe en in welke mate deze compensatie vorm zal krijgen cq. bepaald wordt? Is dit ook inzichtelijk voor een individuele deelnemer?

Het huidige artikel 38 van de Pensioenwet regelt dat het UPO een overzicht geeft van onder andere de verworven pensioenaanspraken. Daaronder wordt begrepen de aanspraken die volgen uit het overgangsrecht voor nabestaandenpensioen. De hoogte van de aanspraak is derhalve zichtbaar op het jaarlijkse pensioenoverzicht dat een deelnemer krijgt.

Decentrale sociale partners, werkgevers en werknemers, of de beroepsgenoten bekijken in de transitie wat de effecten zijn van de overstap op de nieuwe pensioenregelingen. Als hieruit blijkt dat bepaalde groepen onevenredig nadeel ondervinden, bepalen ze wat er nodig is om het nadeel te beperken, en hoe ze dit willen financieren. Deze afspraken zijn samen «adequate compensatie». Decentrale partijen besluiten dus zelf wat in hun specifieke geval adequaat is. De afspraken kunnen dus ook verschillen per sector, werkgever of beroepsgroep. De afspraken omtrent compensatie dienen opgenomen te worden in het transitieplan. Ook indien decentrale partners van mening zijn dat het niet noodzakelijk is om een compensatieregeling te treffen dienen zij aan te geven waarom zij tot die conclusie zijn gekomen.

Om de transitie goed te kunnen beoordelen krijgt een deelnemer in aanvulling daarop informatie over de wijziging van de pensioenregeling op de manier zoals dat in het implementatieplan (incl. communicatieplan) staat. Dit plan wordt actief aan de deelnemer verstrekt en staat op de website van de pensioenuitvoerder. Het implementatieplan bevat ook de afspraken over overeengekomen compensatieregeling en de wijze waarop deze wordt gefinancierd. Deelnemers krijgen daarnaast het recht informatie op te vragen over gemaakte berekeningen van de effecten van herverdeling en compensatie op het cohort waartoe zij behoren. Ook stelt de pensioenuitvoerder op de website een kwalitatieve toelichting op de transitie-effecten beschikbaar. Tot slot krijgt de deelnemer persoonlijke informatie over zijn pensioenaanspraken voor transitie en de te verwachten pensioenuitkering na transitie.

246.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 188 gesteld dat er geen sprake kan zijn van onevenredig nadeel binnen een leeftijdscohort, met betrekking tot compensatie. Hoe worden verschillen binnen een leeftijdscohort dan ondervangen? Wanneer binnen een leeftijdscohort zowel de conciërge als de rechter valt, dan zijn er verschillen in salaris die zeer waarschijnlijk ook in de toekomst zullen bestaan. Ligt het niet in de rede daar dan al rekening mee te houden bij de toe te kennen compensatie? Als dat niet nu al gebeurt gaat dit dan niet leiden tot enorm veel procedures bij de civiel rechter?

Een evenwichtige transitie zal in voorkomende gevallen vergen dat actieve deelnemers die een onevenredig nadeel ondervinden van de overstap op een premieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Sociale partners, of werkgevers- en werknemers(organisaties) beoordelen of er sprake is van een evenwichtige overstap. De specifieke omstandigheden binnen het pensioenfonds kunnen bepalend zijn voor welke keuze de sociale partners maken ten aanzien van de wijze waarop compensatie wordt geboden. Het is aan werkgevers- en werknemers(organisaties) om te bepalen of de gekozen wijze van compensatie doel treft en daarmee adequaat is. Of de afspraken omtrent de compensatieregelingen zullen leiden tot veel procedures bij de civiele rechter is vooraf niet te bepalen.

247.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 112 gemeld dat DNB toezicht houdt op of de premie toereikend is voor de toezegging. De premie is een afgeleide van de ambitie en de mate van zekerheid zal van invloed zijn op het toereikend. Mag ieder fonds voor zich bepalen met welke zekerheidsmaat wordt gerekend?

In het antwoord op vraag 112, waarnaar verwezen wordt, gaat het om een beschrijving van de vaststelling van premies voor uitkeringsovereenkomsten, dus in het huidige pensioenstelsel. In dat geval moet een kostendekkende premie worden bepaald op basis van de jaarlijkse pensioenopbouw die is toegezegd. Voor uitkeringsovereenkomsten geldt een wettelijke zekerheidsmaat van 97,5%. In het nieuwe pensioenstelsel is de premie de pensioentoezegging. In een premieovereenkomst is geen zekerheidsmaat meer van toepassing. De uitkomst wordt bepaald door de behaalde rendementen en actuele rentestanden bij de omzetting van vermogen in pensioenuitkeringen. Wel geldt dat bij de vaststelling van de premie in de solidaire premieovereenkomst door decentrale sociale partners gekeken moet worden naar de pendoelstelling die sociale partners eveneens hebben. Sociale partners moeten bij de premievaststelling bepalen met welke kans de pensioendoelstelling behaald wordt.

248.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 132 gesteld dat er geen sprake is van een harde knip tussen de dag vóór en de dag na invaren. Echter, de waarde die aan een persoonlijke aanspraak wordt toegekend zal toch bepaald worden met de rentestand van dat moment? Dat vermogen zal vervolgens procentueel verhoogd (of verlaagd) worden. In euro’s betekent dat dan toch meer geld voor een gepensioneerde na een verhoging, bij een hoger toegekend vermogen?

Het klopt dat de waarde van het (collectieve of persoonlijke) vermogen mede bepaald worden door de rentestand. Maar zoals ook in het antwoord waarnaar wordt verwezen is aangegeven, moet niet alleen naar het effect op het vermogen gekeken worden, maar juist naar het effect op de uitkering. Een rente-effect op het vermogen hoeft namelijk niet eenzelfde effect te hebben op de (verwachte) uitkering. Bij bijvoorbeeld een relatief hoge rente zal de waarde van de pensioenaanspraken in het huidige pensioenstelsel relatief laag zijn, en zal dus ook het persoonlijke pensioenvermogen dat bij invaren wordt meegegeven, relatief laag zijn. Met dat persoonlijke vermogen kan echter in het nieuwe pensioenstelsel een hoger verwacht pensioen verkregen worden dan bij een relatief lage rente. In die zin werken de financieel-economische mechanismes in het nieuwe pensioenstelsel niet anders dan in het oude pensioenstelsel.

249.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 144 gesproken over de datakwaliteit. Hoeveel vertrouwen kan een deelnemer van ABP hebben in de datakwaliteit als anno 2023 het nabestaandenpensioen nog steeds niet voor elke deelnemer op het UPO na te kijken is? Pensioenuitvoerders moeten er voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Hoe verhoudt deze opmerking zich tot hetgeen Prof. Knoef in de uitzending van Kassa van 1 april jl. uitlegde, namelijk dat eenmaal de pot met geld verdeeld is er dan achteraf niks meer te herstellen valt, omdat je dan geld bij andere deelnemers zou moeten weghalen?

Het is voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, net zoals voor de huidige, lopende pensioenuitvoering van groot belang dat de gegevens in de administraties juist zijn. Mede in het kader van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel zullen pensioenuitvoerders de kwaliteit van de data onder de loep nemen en waar nodig correcties doorvoeren. De verplichtingen die de pensioenuitvoerder daarbij heeft en de rol die externe partijen daarbij vervullen, is in de memorie van antwoord uitgebreid toegelicht. Dat betekent niet dat, ondanks alle waarborgen om de datakwaliteit te borgen, gegarandeerd kan worden dat alle administraties geheel foutloos zijn. Pensioenuitvoerders moeten er daarom voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen. Zo dient het pensioenfonds een operationele kostenreserve aan te houden voor bijvoorbeeld wijzigingen met terugwerkende kracht. Een deelnemer moet uiteindelijk immers krijgen waar hij recht op heeft op grond van de pensioenregeling.

250.

In de memorie van antwoord wordt bij de vragen 148–151 ingegaan op het afschaffen van overgangsregelingen. Genoemde overgangsmaatregelen van ABP vormen overgangsrecht dat ontstaan is bij de privatisering. Nu het individueel bezwaarrecht buiten werking wordt gezet, zou het fonds het moment kunnen benutten om dit ingewikkelde overgangsrecht meteen af te schaffen zonder dat individuele deelnemers in bezwaar kunnen?

Het wetsvoorstel toekomst pensioenen heeft niet als doel om onderdelen van het pensioenreglement, de pensioenregeling of -overeenkomst af te schaffen. Sociale partners kunnen er voor kiezen overgangsregelingen, zo nodig aangepast naar het nieuwe wettelijk kader, voor nieuwe opbouw te behouden.

Als sociale partners de wijziging van de pensioenregeling willen benutten om ook overgangsregelingen te wijzigen, is dat ook mogelijk. De partijen die de gewijzigde pensioenregeling zijn overeengekomen, zijn verplicht een transitieplan op te stellen. In het transitieplan worden alle keuzes, overwegingen en berekeningen over de nieuwe pensioenregeling (inclusief het al dan niet behouden van overgangsregelingen), compensatieafspraken en de afweging om een verzoek tot invaren te doen, vastgelegd. Vervolgens wordt het pensioenfonds de opdracht verleend om de nieuwe pensioenregeling uit te voeren en kunnen sociale partners het pensioenfonds verzoeken om de bestaande pensioenopbouw om te zetten naar pensioenaanspraken en -rechten onder de nieuwe pensioenregeling. Het pensioenfonds kan, met inachtneming van de wettelijke kaders en de governance binnen het pensioenfonds, daartoe besluiten. Zonder verzoek van sociale partners kan het pensioenfonds echter niet besluiten om de (overgangs)regeling te wijzigen of in te varen in de nieuwe pensioenregeling.

251.

In de memorie van antwoord wordt bij vraag 78 gesteld dat de deelnemer het recht krijgt op het opvragen van informatie. Houdt dat in dat informatie voor de individuele deelnemer alleen beschikbaar wordt gemaakt indien er bezwaar wordt gemaakt? Of komt er een tussenvorm waarbij deelnemers eerst aanvullende informatie kunnen opvragen?

In de Pensioenwet is geregeld dat een deelnemer om informatie kan verzoeken (informatie op verzoek). Dit is een recht, dat los staat van het al dan niet maken van bezwaar.

252.

In de memorie van antwoord wordt bij vragen 320 en 321 uitgelegd dat de compensatie evengoed ook door extra premiebetaling door de werkgever kan worden gefinancierd. De mogelijke bronnen zijn derhalve een deel van het vermogen van het pensioenfonds, waarbij vermogen kan vrijvallen door invaren, en compensatie vanuit de premie. Kan de regering aangeven welk bedrag zij in haar rol als werkgever voornemens is als extra premie bij te dragen?

Op voorhand kan niet worden aangegeven of er aanleiding bestaat tot compensatie en zo ja, of de regering, in haar rol als werkgever, voornemens is extra bij te dragen aan een eventuele premie ten behoeve van compensatie. Dit maakt immers onderdeel uit van de onderhandelingen over de nieuwe pensioenregeling en de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven heeft de regering vanuit haar rol als overheid- en zorgwerkgever wel tijdelijk extra middelen gereserveerd voor een eventuele tijdelijke premieverhoging ten behoeve van compensatie, mocht dit aan de orde zijn. Het gaat hierbij om een gereserveerd bedrag van € 200 miljoen per jaar vanaf de overstap naar de nieuwe pensioenregeling. Dit jaarlijkse bedrag wordt zolang de tijdelijke verruiming van de fiscale ruimte ten behoeve van compensatie van toepassing is (tot en met 2036), beschikbaar gesteld. Daarbij kan op het moment van overstap naar de nieuwe pensioenregeling, aan de hand van de daarbij behorende relevante parameters, besloten worden of de gereserveerde bedragen benodigd dan wel toereikend zijn voor de beoogde compensatie.

253.

Er zal een harde knip komen in de hoogte van het nabestaandenpensioen voor actieve deelnemers en gepensioneerden. Zal dit niet leiden tot zeer schrijnende situaties waarin mensen vanwege financiële consequenties zichzelf over euthanasievraagstukken gaan buigen?

De regering verwerpt de suggestie dat het wetsvoorstel dergelijke zeer ingrijpende persoonlijke afwegingen zou beïnvloeden. Of er een verschil zal bestaan tussen het partnerpensioen dat de nabestaande zal ontvangen bij overlijden voor dan wel na pensioendatum is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden. In het algemeen kan het verschil ontstaan doordat er bij overlijden voor pensioendatum een dekking is op risicobasis van een vastgesteld percentage van het pensioengevend loon. Dit kan hoger zijn dan het partnerpensioen dat men zou krijgen bij overlijden na pensioendatum dat op kapitaalbasis is opgebouwd. De ratio hierachter is dat de dekking bij overlijden voor pensioendatum is bedoeld ter compensatie van het wegvallende arbeidsinkomen van de deelnemer en bij overlijden na pensioendatum gaat het over het wegvallende pensioeninkomen van de deelnemer. Wanneer sociale partners het verschil tussen beide partnerpensioenen niet wenselijk achten, kunnen zij dit verkleinen door naast een lager partnerpensioen op risicobasis ook gelijktijdig een nabestaandenoverbruggingspensioen aan te bieden. Zo’n nabestaandenoverbruggingspensioen geeft een dekking bij overlijden voor pensioendatum tot aan de pensioendatum van de nabestaande. Op die manier kan het niveau van de dekking van het levenslange partnerpensioen lager vastgesteld worden, terwijl er bij overlijden voor pensioendatum afdoende dekking blijft voor het overlijdensrisico. Het verschil in partnerpensioen voor en na pensioendatum neemt dan af. In navolging van de motie van de leden Stoffer en Ceder heb ik sociale partners op de hoogte worden gesteld van deze mogelijkheid90.

254.

Naar aanleiding van antwoord 260/261. In de beantwoording van de Minister wordt aangegeven dat het beschermingsrendement geen bescherming biedt voor inflatie. Volgens het antwoord van de Minister zou dat leiden tot hernieuwde rekenrentediscussies tussen jong en oud. Het ontgaat deze leden hoe een fatsoenlijke bescherming tegen inflatie zou leiden tot een dergelijke discussie. Deze leden krijgen de indruk dat de Minister te pas en vooral te onpas met dit argument schermt. Zou de Minister kunnen uitleggen hoe de redenering loopt? En betekent dit dat de Minister vindt dat iedere bescherming tegen inflatie tot hernieuwde rekenrente discussies aanleiding zou geven? Dit zou wel een heel nieuw politiek argument zijn. Anders gezegd: het nieuwe pensioenstelsel kan geen bescherming bieden tegen inflatie omdat dan de rekenrente discussie weer oplaait. Meent de Minister dit nu werkelijk serieus?

In mijn eerdere beantwoording heb ik aangegeven dat in het nieuwe pensioenstelsel op verschillende manieren inflatiebescherming kan worden geboden. Via de solidariteits- of risicodelingsreserve, via opname van reële beleggingen in een directe beschermingsportefeuille en via een indexatie-afslag in het projectierendement. Daarnaast kunnen overrendementen worden toebedeeld, eventueel ook in de uitkeringsfase. Het argument dat het risico bestaat op een hernieuwde discussie over de verdeling van het beschikbare fondsvermogen, die in het huidige pensioenstelsel wordt gevoerd via de rekenrentediscussie, geldt specifiek voor een indirect beschermingsrendement waaraan een inflatiecomponent wordt toegevoegd. In dat geval is een verdeelsleutel voor inflatie nodig om dit systeem eerlijk voor alle bestaande generaties binnen een pensioenfonds te laten functioneren. Die verdeelsleutel is niet goed objectief vast te stellen, omdat de markt voor inflatiegerelateerde rentes veel beperkter is dan voor nominale rentes. Zelfs met een veel meer liquide markt voor nominale rentes bestaat desondanks al jaren discussie over de hoogte van de nominale rekenrente.

255.

Kan de Minister aangeven op welke wijze zij denkt wél bescherming tegen de inflatie te kunnen bieden. En dan wel in structurele zin en niet via een eenmalige reserve, waarover separaat besloten moet worden. Heeft de Minister enig idee hoe dit via het vermogensbeheer zou kunnen lopen? En zou de Minister daar gevolg aan willen geven door meer ruimte te bieden om in zakelijke waarden te beleggen?

Voor elk kapitaalgedekt pensioenstelsel geldt dat deze moeilijk volkomen bescherming kan bieden tegen structurele inflatie. Via beleggingen van het vermogen in inflatiegerelateerde obligaties en inflatieswaps is het mogelijk direct inflatiebescherming te verkrijgen. De wetgeving biedt voldoende ruimte om in deze beleggingsinstrumenten te beleggen. De markten hiervoor zijn echter onvoldoende omvangrijk om alle pensioenfondsen in Nederland met deze instrumenten deze bescherming te bieden.

Naar aanleiding van antwoord 280. Nadat de Minister heeft aangegeven dat het beschermingsrendement géén bescherming biedt tegen inflatie, door de regering almaar «onverwachte inflatie» genoemd, maar dat komt op hetzelfde neer, betoogt de Minister bij de beantwoording dat het directe» beschermingsrendement dat wel doet. «Kan de Minister aangegeven tot hoever deze bescherming zou gaan? Kan ook aangegeven worden hoe het projectierendement kan bijdragen tot inflatiebescherming? Door het projectierendement hoger in te zetten, wordt er meer bescherming geboden tegen inflatie? Dat lijkt deze leden een louter hypothetische bescherming.

Zoals eerder in de memorie van antwoord is aangegeven kan volledige bescherming tegen inflatie worden geboden met een direct beschermingsrendement tegen inflatie gebaseerd op bijvoorbeeld inflatiegerelateerde obligaties en inflatieswaps. In dat geval neemt het fondsvermogen net zo hard toe als de feitelijke Nederlandse inflatie. De markt voor dergelijke beleggingen is te beperkt voor alle Nederlandse pensioenuitvoerders.

Het projectierendement kan bescherming bieden tegen structurele inflatie door deze te verlagen waardoor de uitkering in de toekomst makkelijker inflatie kan bijhouden door een hoger overrendement.

256.

Naar aanleiding van antwoord 296. Dat de toekomstige renteontwikkeling zeer moeilijk te voorspellen is, was deze leden ook al opgevallen. Meer mensen, zelfs centrale bankiers, hebben hier problemen mee. De vraag was echter of historisch gezien de huidige rente hoog is. Wie echter kijkt naar langjarige rente gemiddeldes, ziet dat de huidige rente nog steeds relatief laag is. Wat is hier de opvatting van de Minister? Naast de nominale waarde van de rente is er ook nog zoiets als de reële rentestand. Wellicht is het opgevallen dat deze reële rente momenteel extreem laag is, waardoor de huidige nominale rente nu niet als bijzonder laag kan worden beschouwd. Eerder mag verwacht worden dat bij de huidige inflatie de nominale rente gaat stijgen. Graag een inhoudelijk oordeel van de Minister.

Zoals ik al eerder heb aangegeven, is de ontwikkeling van de toekomstige rente zeer moeilijk te voorspellen. Ik doe dan ook geen voorspellingen hierover. Het is belangrijk dat de tweede pijler van ons pensioenstelsel met alle financieel-economische omstandigheden kan omgaan. Het nieuwe pensioenstelsel kan dat beter dan het huidige pensioenstelsel.

257.

Naar aanleiding van antwoord 298. Is de Minister bekend met het actuariële gegeven dat de rekenrente vooral een maatstaf is om een evenwichtige verdeling tussen generaties te bewerkstelligen. En dat derhalve een bijzonder lage rekenrente vooral te koste gaat van ouderen. Net zozeer als een hoge rekenrente vooral jongeren benadeelt. En dat het dus vooral gaat om een redelijk niveau van de rekenrente en niet om een aanpak die pensioenverplichtingen tegen executiewaarde waardeert.

Ik ben bekend met het begrip rekenrente en dat het dient om verplichtingen op marktwaarde te waarderen.

258.

n.a.v. antwoord 303. Zou de regering kunnen aangeven hoeveel pensioen in het algemeen nog moet worden verdient op het moment van pensionering? Is de regering bekend met berekeningen dat dit veelal meer dan 50% is? En dat dus een terughoudende wijze van beleggen juist voor de oudere generatie zeer nadelig zal uitpakken?

Na ingaan van de pensioendatum wordt inderdaad doorbelegd. De bijdrage die van deze doorbelegging kan worden verwacht, is afhankelijk van het moment van pensionering, de verwachte levensverwachting na pensionering en de risicohouding die het pensioenfonds heeft vastgesteld voor de leeftijdscohorten na pensioendatum. Deze zullen verschillend zijn per pensioenfonds. Het voorliggende wetsvoorstel geeft alleen aan dat het beleggingsrisico moet worden verminderd naarmate de pensioendatum nadert en stelt geen kwantitatieve eisen hieraan.

259.

Naar aanleiding van antwoord 305. Is het bekend dat de uitspraak dat kapitaal gedekte pensioenen duur zijn als de rente laag is, alleen maar voortvloeit uit het feit dat in het FTK de pensioenverplichtingen tegen marktrente worden gewaardeerd? Als dat niet zou gebeuren en er zou met een prudente, vaste rekenrente worden gewerkt, zou dit argument totaal niet spelen. Is de Minister bekend dat een pensioenstelsel een spaarregeling is en dat de uitkomst alleen maar afhangt van de hoogte van de ingelegde premie en het rendement dat op het gespaarde vermogen wordt gemaakt. En dat rekenrentes daar geen invloed op hebben, maar alleen relevant zijn voor de verdeling. Dat daarmee ook de stelling dat het nieuwe pensioenstelsel een betere bescherming tegen renterisico’s biedt, weinig te maken heeft met de realiteit, maar veel meer op wensdenken van de regering.

Ik verwijs u naar antwoord op vraag 298 van de memorie van antwoord. Verder is de pensioenregeling geen spaarregeling. Er wordt immers een pensioenuitkering uitgekeerd en niet een pensioenvermogen.

260.

  • a. Naar aanleiding van antwoord 312. Waarom kan de informatie over het pensioenfonds van DNB niet worden gegeven? Zeker nu de president van de DNB heeft aangegeven dat bij een oplopende rente DNB met zeer grote verliezen zou worden geconfronteerd. Die uiteindelijk door de Nederlandse belastingbetaler zullen moeten worden opgebracht. In welke mate wordt de Nederlandse burger zo dadelijk verplicht om de verliezen uit het pensioenfonds van DNB te compenseren? Deze leden vinden dit een vraag die verder gaat dan het standaard antwoord dat dit een zaak voor de pensioenfondsen zelf is, omdat door de president van DNB de Staat als (enige) aandeelhouder van DNB is aangesproken. In die context is de financiële positie van het pensioenfonds van DNB wel degelijk relevant.

De uitspraak van de president van DNB over verliezen bij DNB bij een oplopende rente gaat niet over het pensioenfonds van DNB. Er wordt hier dus een koppeling in de vraag gelegd die niet terecht is. Renteafdekkingsbeleid is de decentrale verantwoordelijkheid van pensioenuitvoerders. Zij leggen hierover verantwoording af in het jaarverslag van het pensioenfonds.

b.

Naar aanleiding van antwoord 399 b. Zou het niet veel redelijker zijn om gepensioneerden geheel uit te sluiten van het meebetalen aan het afschaffen van de doorsnee premie? Immers zoals het woord het al zegt, gaat het hier om een premiebetaling. En gepensioneerden betalen geen premie. Het hele idee dat gepensioneerden alsnog met terugwerkende kracht aan deze compensatie moeten meebetalen, doet zeer gekunsteld aan. Immers de huidige gepensioneerden hebben indertijd zowel de voordelen als de nadelen van dit stelsel al ondervonden. Waarom moeten zij nu voor de tweede keer de nadelen ondervinden?

Sociale partners, of werkgevers en werknemers(vertegenwoordigers) besluiten hoe de toekomstige pensioenregeling eruit komt te zien, hoe zij de transitie vormgeven en wat zij hierin evenwichtig vinden. Bij de beoordeling of de transitie evenwichtig is, kijken sociale partners, of werkgevers en werknemers, naar de generatie-effecten van het totaal aan afspraken met betrekking tot de transitie, op het totaal van de fondspopulatie. Op die manier wordt ook de wijze van het financieren van compensatie, en de effecten hiervan op de verschillende leeftijdscohorten, meegenomen in de beoordeling of de transitie evenwichtig is.

261.

Naar aanleiding van antwoord 410. Kan de Minister enig inzicht verschaffen of, en in welke mate, inflation linked bonds een oplossing kunnen bieden voor het gebrek aan inflatiebescherming? Door meerdere deskundigen wordt hier hoog van opgegeven, maar deze leden hebben de indruk dat het aanbod van deze financiële producten veel te beperkt is voor de omvang van het Nederlandse pensioenstelsel en dat over het algemeen de kwaliteit van deze producten niet bijster goed is.

Zoals eerder in de memorie van antwoord is aangegeven kan volledige bescherming tegen inflatie worden geboden met een direct beschermingsrendement tegen inflatie gebaseerd op bijvoorbeeld inflatiegerelateerde obligaties en inflatieswaps. In dat geval neemt het fondsvermogen net zo hard toe als de feitelijke Nederlandse inflatie. De markt voor dergelijke beleggingen is echter te beperkt voor alle Nederlandse pensioenuitvoerders.

262.

Naar aanleiding van antwoord 428. Is het de Minister bekend dat ondanks eerdere winsten op renteswaps, de huidige stand van zaken een groot verlies laat zien. Van zeker meer dan 100 miljard euro. Dat dit geld gewoon weg is. Dat het verhaal dat dit niet erg is omdat de pensioenverplichtingen evenzeer zijn gedaald, actuarieel simpelweg niet klopt. Omdat de pensioenverplichtingen helemaal niet stijgen of dalen als de rente muteert. Dat alleen de boekhoudkundige waarde van de pensioenverplichtingen muteert wanneer deze verplichtingen tegen marktrente worden gewaardeerd. En dat vervolgens deze boekhoudkundige «winst» op de pensioenverplichtingen, in latere jaren moet worden terug betaald uit het rendement omdat daar allereerst de oprenting uit moet worden gefinancierd. Hetgeen betekent dat de verliezen op renteswaps zeer reëel zijn, en ook direct moeten worden afgerekend, terwijl de zogenaamde «winsten» alleen maar naar voren gehaalde boekhoudkundige winsten zijn die later allemaal weer moeten worden terugbetaald.

Ik ben bekend met het fenomeen dat met renteswaps zowel winst als verlies kan worden geleden en dat dit afhankelijk is van de beleggingsstrategie van het pensioenfonds en de ontwikkeling van de rente.

263.

Naar aanleiding van antwoord 428. Is het de Minister bekend dat in Engeland een onderzoek wordt gestart naar Liability Driven Investment. Omdat dit aan de basis stond (en nog steeds staat) van mogelijke enorme verliezen van de Engelse pensioenfondsen. Juist door de te grote rente afdekking. Kan de Minister daar commentaar op geven?

De situatie in het VK is niet vergelijkbaar met Nederland. Britse pensioenfondsen kwamen in de problemen, omdat ze niet snel genoeg voldoende liquiditeiten konden vrijmaken om aan hun margeverplichtingen te voldoen. Nederlandse pensioenfondsen dekken in de regel minder renterisico af dan Britse fondsen. Daardoor hebben ze relatief minder behoefte aan extra onderpand bij rentestijgingen. Nederlandse pensioenfondsen, die opereren in het Eurogebied, zijn bovendien minder dominant op de lokale rentemarkt dan Britse pensioenfondsen. Daarnaast dekken Nederlandse pensioenfondsen vooral langere looptijden minder af. Omdat afdekking van renterisico in het nieuwe pensioenstelsel naar leeftijden kan worden gedifferentieerd, zal renteafdekking voor lange looptijden in de nieuwe pensioencontracten naar verwachting nog minder plaatsvinden.

264.

De antwoorden op vragen 437, 438 en 439 wekken verwarring over hoe het projectie rendement wordt vastgesteld en hoe variabel het is. Volgens het antwoord op vraag 438 mag het pensioenfonds voor verschillende leeftijdsgroepen een ander projectierendement gebruiken. Een ander projectierendement leidt tot een andere uitkeringshoogte.

  • a. Hebben gepensioneerden enige invloed op het voor hen gebruikte leeftijdsafhankelijke projectierendement? Welke redenen mag het pensioenfonds gebruiken om ongelijke projectierendementen in te stellen? Bij vraag 438 is geantwoord: «Het projectierendement moet gebaseerd worden op de risicovrije rente, waarbij eventueel een op- en/of afslag kan worden toegepast. Dit projectierendement geldt in beginsel voor de gehele uitkeringsperiode. De risicovrije rente is uiteraard niet constant, maar de gekozen hoogte van het projectierendement moet vóóraf zijn bepaald, dus al dan niet met een op- of afslag op de risicovrije rente. Wijzigingen zijn alleen mogelijk als de parameter voor aandelenrendement zou wijzigen, de prijsinflatie verandert als een inflatiegerelateerde afslag wordt gehanteerd of de risicohouding wijzigt.»

Het pensioenfonds bepaalt het projectierendement en of zij eventueel voor vóóraf afgebakende groepen gepensioneerden verschillende projectierendementen wil vaststellen. Het pensioenfonds mag hierbij bepalen op welke gronden deelnemers in verschillende groepen vooraf worden ingedeeld bij het projectierendement, bijvoorbeeld vanwege verschillen in risicohouding tussen deze groepen. Gepensioneerden hebben invloed op deze beslissingen via het verantwoordingsorgaan van het pensioenfonds.

b.

Wijziging van de risicovrije rente staat niet in het lijstje van 3 gronden voor een verandering van het projectierendement. Is het nu wel of niet de bedoeling dat het projectierendement jaarlijks (of maandelijks) wordt aangepast aan de risicovrije rente?

De risicovrijrente wordt gebaseerd op de rentetermijnstructuur zoals deze gepubliceerd wordt door DNB. Deze wordt periodiek aangepast en daarmee wordt dus ook het projectierendement periodiek aangepast. Het pensioenfonds bepaalt zelf de periodiciteit van de aanpassingen van de pensioenuitkering richting de deelnemer.

c.

De prijsinflatie verandert maandelijks, is het nu de bedoeling dat het projectierendement maandelijks of jaarlijks wordt aangepast aan de prijsinflatie? Als het niet de bedoeling is om het projectierendement jaarlijks (of maandelijks) aan te passen, voor hoe een lange periode staat het dan vast?

Het pensioenfonds heeft de mogelijkheid om het projectierendement aan te passen bijvoorbeeld op basis van inflatieverwachtingen. Zij bepaalt daarbij zelf de periodiciteit.

d.

In artikel 63a lid 3 staat: «Voor het projectierendement mag ten hoogste worden uitgegaan van een risicopremie die 35% bedraagt van het verschil tussen de parameter voor aandelenrendement en de risicovrije rente op de ingangsdatum van het pensioen.» De risicovrije rente varieert dagelijks. De parameter voor aandelenrendement wordt telkens voor 5 jaar vastgesteld. De grenswaarde voor het projectierendement varieert dus ook van dag tot dag. Is het de bedoeling dat deze grenswaarde dagelijks varieert en dus voor iedere gepensioneerde afhankelijk van de pensioendatum een andere waarde heeft? Hoe moet een pensioenfonds hier mee omgaan?

Het toepassen van het projectierendement wordt per pensioenregeling, uiterlijk op de ingangsdatum van het pensioen, vastgesteld en is van toepassing op alle pensioengerechtigden.

e.

Volgens vraag 439 heeft een wijziging van het projectierendement meteen invloed op de uitkering. Welke mogelijkheden hebben pensioenfondsen om deze extra volatiliteit op de uitkeringen te dempen?

Een wijziging van het projectierendement heeft meteen invloed op de uitkering, maar het pensioenfonds bepaalt zelf of deze aanpassing bijvoorbeeld maandelijks of jaarlijks wordt doorgevoerd.

265.

Vraag 440, volgens de WTP moet bij de spreiding van het financieel resultaat rekening gehouden worden met de verwachte resterende levensduur. Dit heeft tot gevolg dat ook bij een gelijke risicohouding de pensioenaanpassing leeftijdsafhankelijk wordt. Volgens het amendement Palland mogen de individuele vermogens herverdeeld worden om weer tot een gelijke aanpassing voor alle gepensioneerde deelnemers ongeacht de leeftijd te komen. Kan de Minister uitleggen waarom voor deze zinloos gecompliceerde methode wordt gekozen? Wat is het nut van ongelijke leeftijdsafhankelijke spreidingsperiodes als het gevolg daarvan weer ongedaan gemaakt wordt door het amendement Palland?

Bij een collectieve uitkeringsfase op grond van het amendement Palland mag direct een gelijke spreiding voor alle gepensioneerden worden gehanteerd over de uitkeringen, omdat dit leidt tot gelijke aanpassingen van alle pensioenuitkeringen. Deze rekenwijze is dus niet complexer.

266.

In het antwoord op vraag 445 wordt gesproken over een «dynamisch projectie rendement».

  • a. De term «dynamisch projectie rendement» komt in de WTP niet voor. Wat wordt hiermee bedoeld? Hoe wordt het vastgesteld?

Bij toepassing van toedelingsregels in de solidaire premieovereenkomst wordt het financiële resultaat ten minste een maal per jaar vastgesteld en verwerkt, waarbij een spreidingsperiode kan worden gehanteerd van maximaal tien jaar in het voor de pensioenuitkering bestemd vermogen. Bij het spreiden van de verwerking van het financiële resultaat kan het projectierendement worden aangepast indien en voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen van de pensioenuitkeringen te realiseren. Deze aanpassing van het projectierendement kan worden geduid als een dynamisch projectierendement waarbij de periodiciteit ten minste eenmaal per jaar is.

b.

In de WTP staat dat parameters en toedelingsregels voor langere tijd moeten worden vastgesteld. Houdt de term «dynamisch» nu in dat deze parameter niet voor langere tijd is vastgesteld? Bij vraag 445 is geantwoord: «In combinatie met geschikt gekozen beschermingsrendementen en toedeling van overrendementen leidt dit tot gelijke uitkeringsaanpassingen voor alle gepensioneerden, ongeacht de leeftijd.»

In het uitzonderlijke geval waarbij gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen middels aanpassing van het projectierendement worden beoogd, is het mogelijk vanuit het doel van gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen het projectierendement periodiek aan te passen.

c.

Kan de Minister aangeven hoe je met vaste verdeelregels en een leeftijdsafhankelijkespreidingsperiode voor schokken kan komen tot gelijke uitkeringsaanpassingen voor alle leeftijden ongeacht de jaarlijks wisselende rendementen op aandelen, variaties in de rentestand etc, zonder dat dit leidt tot herverdeling?

Voor een uitvoerige beschrijving van de methode van gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen met vaste verdeelregels en een leeftijdsafhankelijke spreidingsperiode voor schokken verwijs ik naar Balter en Werker (2021)91. Overigens is er ook een andere methode om gelijke aanpassingen van uitkeringen te bewerkstelligen in de solidaire premieovereenkomst, die in het wetsvoorstel is gekomen met een amendement van het Tweede Kamerlid Palland.92

d.

Waarin verschilt dit van het amendement Palland waarin wel herverdeling nodig is om tot gelijke aanpassingen te komen?

Bij de verwerking van het financiële resultaat kunnen in de methode beschreven onder C het projectierendement worden aangepast, terwijl in de methode van het amendement Palland de toedeling van rendementen wordt aangepast om gelijke aanpassingen van de pensioenuitkeringen te realiseren.

e.

Als het nodig is om de toedelingsregels en projectierendemente jaarlijks aan te passen om tot gelijke aanpassingen van de uitkeringen te komen, is er dan niet toch sprake van herverdeling?

Zoals aangegeven in antwoord op vraag 445 in de memorie van antwoord leidt de methode waarbij het projectierendement wordt aangepast niet tot herverdeling, want projectierendement heeft betrekking op het persoonlijk pensioenvermogen en aanpassing hiervan leidt alleen tot een aanpassing van de uitkeringsstroom uit dit persoonlijk vermogen. Aanpassing van de toedelingsregels van rendementen tussen verschillende persoonlijke pensioenvermogens van gepensioneerden leidt wel tot herverdeling tussen gepensioneerden.

f.

Wat is het verschil tussen het jaarlijks aanpassen van beschermings- en overrendement en de toedelingsregels, en het jaarlijks herverdelen van het vermogen?

Met het amendement Palland kunnen de toedelingsregels met betrekking tot het rendement alleen worden aangepast uit hoofde van gelijke aanpassingen van gepensioneerden en leidt dit tot herverdeling tussen gepensioneerden.

267.

Bij vraag 444 en 447 heeft de Minister geantwoord dat een te laag projectie rendement niet tot herverdeling leidt.

  • a. Is de Minister het er mee eens dat een lager projectie rendement leidt tot een lagere pensioenuitkering?

Een lager projectierendement leidt tot een lagere initiële uitkering op pensioendatum, maar een grotere kans op een stijging van de pensioenuitkering daarna. Hetzelfde beschikbare persoonlijke pensioenvermogen op pensioendatum wordt immers alleen op een andere wijze verdeeld over de tijd.

b.

Is de Minister het er mee eens dat een lagere pensioenuitkering niet leidt tot een langere levensduur?

De hoogte van de pensioenuitkering staat inderdaad los van het langlevenrisico.

c.

Is de Minister het er mee eens dat een lagere pensioenuitkering bij een gelijke levensduur er toe leidt dat er totaal minder pensioen wordt uitgekeerd?

Een lagere pensioenuitkering over de gehele uitkeringsperiode betekent dat in totaliteit minder pensioen wordt uitgekeerd ten opzichte van een hogere pensioenuitkering. Dat kan het gevolg zijn van bijvoorbeeld een lagere pensioengrondslag, maar niet van een lager projectierendement.

d.

Is de Minister het er mee eens dat als er als gevolg van een lager projectierendement over de hele levensduur minder pensioen wordt uitgekeerd, er sprake is van herverdeling van vermogen?

De aanname dat er als gevolg van een lager projectierendement minder pensioen wordt uitgekeerd is onjuist. Er is dus ook geen sprake van herverdeling van vermogen.

e.

Naar wie gaat het pensioenvermogen dat overblijft bij overlijden van een gepensioneerde deelnemer?

In het nieuwe pensioenstelsel blijft sprake van collectieve risicodeling bij overlijden, dus vrijvallend pensioenvermogen komt ten goede aan de overige deelnemers of nabestaanden.

268.

Bij vraag 449 is geantwoord dat inflatiebescherming mogelijk is via de solidariteitsreserve. Nu wordt die reserve gevoed uit premie en rendement van de deelnemers zelf.

  • a. Kan de Minister uitleggen hoe de solidariteitsreserve die door de deelnemers zelf gevuld wordt tot een betere inflatiebescherming kan leiden dan het gebruik van premie en rendement voor de individuele pensioenvermogens van de deelnemers zelf?

  • b. Is het de bedoeling dat de solidariteitsreserve alleen wordt gebruikt voor de inflatiebescherming van de gepensioneerden? Zo ja, is er dan geen sprake van ex-ante herverdeling als deze reserve wordt gevuld vanuit de premie en vanuit het rendement op het vermogen van alle deelnemers?

Hierbij wordt antwoord gegeven op 268a en 268b. Het pensioenfonds bepaalt voor welke groepen zij inflatiebescherming wil bieden via de solidariteitsreserve. Hoe groter deze groep is, hoe geringer de mogelijkheden om langdurig bescherming te bieden tegen inflatierisico. Herverdeling via de solidariteitsreserve is daarbij toegestaan.

c.

Vraag 450, Bij een directe beschermingsportefeuille is het mogelijk inflatiebescherming in de beleggingen in te bouwen. Bij beschermingsrendement op basis van de RTS levert het beschermingsrendement een nominaal constant pensioen zonder inflatie compensatie. Is de Minister het er mee eens dat beschermingsrendement op basis van de RTS geen inflatiebescherming oplevert?

Het indirecte beschermingsrendement op basis van de rentetermijnstructuur geeft bescherming tegen renterisico, niet tegen inflatierisico.

d.

Bij vraag 451 heeft de Minister geantwoord: «Bij een oplopende inflatie kan het verstandig zijn om een inflatie-afslag op het projectierendement toe te passen. Dat leidt tot een lager projectierendement. Hierdoor ontstaat een in verwachting stijgend uitkeringenpatroon, waardoor de toekomstig verwacht inflatie beter bijgehouden kan worden.» Bij vraag 439 heeft de Minister aangegeven dat een lager projectierendement ook meteen tot een lagere uitkering leidt. Is de Minister inderdaad van mening dat bij oplopende inflatie het projectierendement moet worden verlaagd zodat ook meteen de uitkeringen worden verlaagd?

e.

Hoe moet een pensioenfondsbestuur aan de deelnemers uitleggen dat bij oplopende inflatie de uitkeringen niet worden verhoogd maar juist worden verlaagd?

Met dit antwoord wordt onderdeel d en e van vraag 268 beantwoord. Bij het vaststellen van de pensioenuitkering op pensioendatum kan een pensioenfonds ervoor kiezen een afslag te hanteren op het projectierendement zodat in de toekomst de inflatie beter kan worden bijgehouden met (over)rendementen. Daarbij heeft het pensioenfonds ook andere instrumenten tot zijn beschikking om het inflatierisico (op de korte termijn) te mitigeren zoals de solidariteitsreserve.

269.

Zie vraag 453, 454 en 455

De Minister heeft geantwoord dat het pensioenfonds geen geld leent en dat er ook niet van andere deelnemers wordt geleend. Wel kan een deelnemer rendement krijgen over 150% van zijn eigen pensioenvermogen.

  • a. Waar komt die 50% extra rendement vandaan als er niet extern wordt geleend en er ook niet van de andere deelnemers wordt geleend?

Het collectief behaalde overrendement wordt op een zodanig wijze toebedeeld over alle deelnemers en pensioengerechtigden dat de jongste deelnemers bloot staan aan maximaal 150% zakelijke waardenrisico. De collectieve beleggingsportefeuille kan hierop worden ingericht, zodat er niet geleend hoeft te worden.

b.

Heeft deze constructie niet tot gevolg dat de ene deelnemer het rendement krijgt dat op het vermogen van de andere deelnemer is gemaakt?

Nee, ex ante wordt een toedeling van rendementen afgesproken. Hierdoor hoeft er ex post niet meer met toebedeelde rendementen tussen deelnemers geschoven te worden.

c.

Is het toedelen van het rendement op het vermogen van de ene deelnemer aan een andere deelnemer niet hetzelfde als beleggen met geld dat geleend wordt door de ene deelnemer aan de andere? Kan de Minister de uitleg met een rekenvoorbeeld verduidelijken?

Om meer dan 100% van het persoonlijke pensioenvermogen te beleggen in zakelijke waarden, hoeft niet geleend te worden van andere deelnemers. Dit is mogelijk door voor meer dan 100% bloot te staan aan zakelijk waardenrisico. Hier kan in de samenstelling van de collectieve beleggingsportefeuille rekening mee worden gehouden, zolang de totale exposure van het pensioenfonds niet boven 100% beleggen in zakelijke waarden uitkomt.

d.

Er wordt telkens gesteld dat het beleggen met geleend geld extra rendement oplevert. Is dit niet vooral een gevolg van het feit dat met deze constructie het rendement van de andere deelnemers afgeroomd wordt?

Opheffing van de leenrestrictie zorgt ervoor dat er over een lange beleggingshorizon in de meeste scenario’s meer rendement wordt gehaald. Dit zorgt uiteindelijk voor een hoger pensioenresultaat voor het collectief.

e.

De risicodelings- of solidariteitsreserve moet door alle deelnemers gevuld worden en heeft meerdere doelen die met elkaar concurreren. Besteding aan het ene doel gaat altijd ten koste van andere doelen. Is de Minister het er mee eens dat het antwoord dat het beleggen met geleend geld de andere deelnemers niet schaad daarmee onjuist is?

Opheffing van de leenrestrictie is iets anders dan het vullen van de solidariteits- of risicodelingsreserve. Overigens is het niet juist dat deze reserves altijd door het gehele deelnemersbestand gevuld hoeven te worden. Bij bijvoorbeeld vulling uit premie van de solidariteitsreserve zullen alleen de actieve bijdragen.

270.

Bij vraag 456 was het antwoord: «Het idee achter de opheffing van de leenrestrictie is niet dat voor meer dan 100% belegd gaat worden in aandelen, bijvoorbeeld via opties, maar om meer dan 100% blootstelling te creëren naar een breed gespreide overrendementsportefeuille.» Er zijn niet alleen opties op aandelen mogelijk maar ook op breed gespreide indexen zoals de AEX, S&P500 en de Dow Jones.

  • a. Kan de Minister uitleggen wat het verschil is tussen een breed gespreide overrendementsportefeuille en een breed gespreide aandelen index?

  • b. Het kopen van een optie brengt wel kosten met zich mee maar geen risico, omdat de optiekoper zelf beslist of de optie wel of niet wordt uitgeoefend. Geeft het feit dat er voor een optie betaald moet worden niet aan dat de constructie van de WTP met gratis lenen, neer komt op een structurele, ex-ante subsidie van oud naar jong?

271.

Op vraag 457 is geantwoord: » In de solidaire premieovereenkomst is nog steeds sprake van een collectief beleggingsbeleid op fondsniveau. Op dit niveau kan het totale beleggingsrisico gelijk blijven, maar kan door een andere toedeling van rendementen de leenrestrictie voor de jongste leeftijdsgroepen eventueel worden opgeheven.»

  • a. Betekent dit antwoord niet dat er bij het opheffen van de leenrestrictie alleen maar sprake is van een andere verdeling van het totale rendement waarbij de jongere deelnemers meer krijgen en bijgevolg de andere deelnemers minder?

  • b. Kan de Minister, indien zij het hier niet mee eens is, met een rekenvoorbeeld laten zien hoe het werkt?

Met dit antwoord wordt vraag 270 en 271 beantwoord.

Nee, het idee achter de opheffing van de leenrestrictie is dat meer dan 100% van het beleggingsrisico wordt toegedeeld aan een leeftijdscohort. Daarbij geldt dat zij niet alleen het risico krijgen toebedeeld, maar daarbij ook het bij behorende rendement. Er is dus geen sprake van een ex-ante subsidie want diegene die het rendement krijgt, draagt ook het risico. Voor een berekening van de effect van opheffing van de leenrestrictie verwijs ik naar Van Hoogdalem en Van Nes (2021).93

272.

Vraag 458, volgens de Minister kan de leenrestrictie in het flexibele contract opgeheven worden met marktproducten.

  • a. Wat voor marktproducten zijn dit?

  • b. Wordt er voor deze producten een prijs betaald?

  • c. Als er voor deze producten een prijs wordt betaald, waarom hoeft dat dan in het solidaire contract niet?

11.

Zoals aangegeven in antwoord op vraag 458 in memorie van antwoord: in de flexibele premieovereenkomst wordt gewerkt met expliciete lifecycle beleggingen per leeftijdscohort. In theorie kan de leenrestrictie dan worden opgeheven door via marktproducten meer dan 100% exposure aan zakelijke waarden te creëren. In de praktijk verwacht ik niet dat hiervan veel gebruik gemaakt zal worden. Dit zijn bijvoorbeeld producten waarbij een aandelenindex wordt gevolgd, maar de aandelen ook geleveraged zijn. Dergelijke producten hebben transactiekosten bij het afsluiten ervan. Deze transactiekosten bestaan niet in een solidaire premieregeling waarbij de leenrestrictie is opgeheven.

273.

Vraag 459, voor het fonds als geheel kan er niet meer dan 100% belegd worden. Als een groep deelnemers over meer dan 100% van het eigen ingelegde vermogen rendement krijgt, dan moet er dus een andere groep deelnemers zijn die over minder dan 100% van het ingelegde vermogen rendement ontvangen.

  • a. Is de Minister het hier mee eens?

  • b. Zo nee, kan de Minister dit met een rekenvoorbeeld toelichten?

  • c. Waarom vond de Minister het niet nodig deze vraag concreet, correct en volledig te beantwoorden?

Ja, in geval van de solidaire premieovereenkomst zal er gesaldeerd voor niet meer dan 100% van het beschikbare collectieve vermogen in obligaties en/of aandelen worden belegd. Als in de solidaire premieovereenkomst een groep deelnemers over meer dan 100% van het eigen ingelegde vermogen rendement krijgt en over meer dan 100% bijbehorend beleggingsrisico loopt, dan moet er dus een andere groep deelnemers zijn die over minder dan 100% van het ingelegde vermogen rendement ontvangen en over minder dan 100% bijbehorend beleggingsrisico loopt.

274.

Met betrekking tot vraag 460, 462. De uitkomsten van het RPO moeten door het pensioenfonds vertaald worden in een beleggingsbeleid. De RPO-onderzoeken die ik tot nu toe heb gezien leggen de nadruk op het beleggingsrisico en negeren het inflatie risico. Volgens de Minister wordt er in de vraag stelling wel rekening gehouden met het inflatie risico. Echter bij vraag 462 was het antwoord: «De risicohouding geeft aan het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen dragen.» Hier wordt dus weer geen rekening gehouden met het inflatie risico.

  • a. Mag een pensioenfonds bij het vaststellen van de risico houding rekening houden met het inflatie risico?

  • b. Betekent dit dat een pensioenfonds dat risico aversie vertaald in een beleggingsbeleid met veel aandelen en inflation linked bonds om zo het inflatie risico te beperken een correcte interpretatie van risico aversie heeft? Zo niet, waarom is dit dan niet correct?

Bij het vaststellen van de risicohouding houdt een pensioenfonds rekening met inflatierisico. Daarom wordt ook in de maatstaven van de risicohouding gesproken over scenario’s met uitkomsten in reële uitkeringen, zie conceptbesluit toekomst pensioenen artikel 14u, eerste lid.

275.

Bij vraag 463 is geantwoord dat bij het indirecte beschermingsrendement in het solidaire contract. de jonge deelnemers niet het renterisico van de oudere deelnemers dragen.

  • a. Is de Minister het er mee eens dat dit alleen het geval is als het deel van het vermogen dat onder beschermingsrendement valt ook is belegd in looptijd gematchte staatsleningen en renteswaps?

Bij een mismatch tussen de beleggingsportefeuille en het indirecte beschermingsrendement zal deling van renterisico ontstaan. Het grootste deel van dit beschermingsrendement zal gedekt moeten zijn door beleggingen die op de markt bescherming tegen renterisico geven. Deze mismatch zal dus relatief beperkt zijn.

b.

Zonder deze gematchte beleggingen wordt het rente risico van de ouderen toch via het overrendement op de jongere deelnemers verhaald?

Voor zover sprake is van een mismatch zal dit inderdaad in het overrendement neerslaan. Afhankelijk van de renteontwikkeling gaat dit ten koste van het overrendement of leidt dit tot extra overrendement bij dezelfde deelnemers. Er is dus geen sprake van ex ante herverdeling.

276.

Volgens het antwoord op vraag 464 a kan iemand die uit dienst is gegaan en nu werkt als ZZP-er de pensioenregeling vrijwillig voortzetten, ook als hij/zij naast het ondernemerschap ook nog een (part time) loondienst betrekking heeft. Maar weer niet als aan die dienstbetrekking een pensioenregeling is verbonden.

  • a. Geldt dat verbod op vrijwillige voortzetting alleen voor het parttime percentage van de dienstbetrekking of volledig? Zou een dienstbetrekking van b.v. 4 uur per week betekenen dat er in het geheel geen recht op vrijwillige voortzetting is?

Deze vraag gaat over de situatie waarin een gewezen deelnemer zelfstandige is geworden en bij beëindiging van de dienstbetrekking heeft gekozen voor vrijwillige voortzetting, en naast het ondernemerschap ook in deeltijd in loondienst gaat werken bij een andere werkgever. Stel bijvoorbeeld dat iemand voor de vrijwillige voortzetting fulltime werkte, en nu als ondernemer werkt en daarnaast nog een dag bij een nieuwe werkgever. In deze situatie kan de betreffende persoon zowel pensioen opbouwen via de pensioenregeling die vrijwillig wordt voortgezet, als via de pensioenregeling van de werkgever waar de persoon in loondienst werkt. De pensioenregeling die vrijwillig wordt voortgezet dient in deze situatie aangepast te worden naar rato van de tijd waarin inkomen als ondernemer wordt verdiend. Het pensioengevend inkomen van de pensioenregeling die de persoon vrijwillig voortzet zal dus met 20% naar beneden worden bijgesteld.94 In aanvulling hierop bouwt de persoon dan over die ene dag pensioen op via de pensioenregeling van de nieuwe werkgever.

b.

Een actuarieel neutrale leeftijdsafhankelijke premie (zie vraag 466) is alleen mogelijk als premie wordt gesplitst in een OP en een NP premie. Bij vraag b wordt gesteld dat bij vrijwillige voortzetting de normale premie als percentage van het inkomen betaald moet worden. Moet dit niet zijn de premie als percentage van het inkomen boven de franchise voor het ouderdomspensioen en een premie als percentage van het totale inkomen voor het nabestaanden pensioen?

Dit is correct. Bij vrijwillige voortzetting op grond van artikel 54 van de Pensioenwet betaalt de deelnemer voor de opbouw van ouderdomspensioen de premie als percentage van het inkomen boven de franchise van het ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen na pensioendatum; voor de voortzetting van het nabestaandenpensioen ten behoeve van overlijden voor pensioendatum betaalt de deelnemer een percentage van het totale inkomen zonder rekening te houden met een franchise.

c.

Klopt het dat art 54 gaat over de situatie van vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling waarbij de deelnemer premie betaald en art 61a over de situatie dat alleen de NP dekking wordt voortgezet ten laste van het opgebouwde pensioenvermogen waarbij de ex-deelnemer dus geen premie betaald?

Dat klopt, in zoverre dat de premie die benodigd is voor de voortzetting van het partnerpensioen op grond van artikel 61a van de Pensioenwet via een uitruil van een deel van het pensioenvermogen wordt gefinancierd.

d.

Kan een alleenstaande deelnemer er voor kiezen bij de vrijwillige voortzetting op grond van art 54 alleen premie te betalen voor de opbouw van het ouderdomspensioen zonder premie te betalen voor de NP-risico verzekering?

Nee dat is niet mogelijk, voortzetting op grond van artikel 54 van de Pensioenwet is alleen mogelijk voor de gehele pensioenregeling.

Mag een pensioenfonds deze optie aan de ex-deelnemer aanbieden. (zie vraag 465). Deze vraag is ook gesteld bij vraag 467 maar daar niet beantwoord.

Zoals in het antwoord hierboven reeds is aangegeven, is het niet mogelijk om op grond van artikel 54 van de Pensioenwet alleen premie te betalen voor de opbouw van het ouderdomspensioen zonder premie te betalen voor het nabestaandenpensioen, als deze onderdeel is van de pensioenregeling. Voortzetting op grond van artikel 54 van de Pensioenwet is alleen mogelijk voor de gehele pensioenregeling.

e.

Bij de vraag of een regeling die alleen aantrekkelijk is voor gehuwden geen (indirecte) discriminatie is heeft de Minister geantwoord dat de deelnemer er zelf voor kan kiezen om de pensioenopbouw wel of niet voort te zetten. Stel dat een pensioenfonds een bepaalde regeling alleen openstelt voor vrouwen en stelt dat dit geen discriminatie inhoudt omdat iedereen er vrijwillig voor kan kiezen wel of niet van geslacht te veranderen. Is dit dan toegestaan?

Dit lijkt mij een theoretische vraag die in de praktijk niet zal voorkomen.

f.

Vraag 466. Bij de voortzetting van de NP risico dekking wordt een actuarieel neutrale premie geheven. Wordt hierbij rekening gehouden met de leeftijd van de potentiële nabestaande?

In de vaststelling van de actuarieel neutrale premie wordt rekening gehouden met de kenmerken van de deelnemer (leeftijd, pensioengevend salaris, hoogte van de dekking), daarnaast wordt er in de meeste pensioenregelingen gerekend met een standaard leeftijdsverschil tussen partners van drie jaar. In een pensioenregeling waarin een onbepaald partnerbegrip gehanteerd wordt is immers op voorhand niet duidelijk wat de werkelijke leeftijd van de partner is. In geval van een bepaald partnerbegrip kan wel rekening worden gehouden met de werkelijke leeftijd van de partner.

277.

Bij vraag 468, kan de Minister uitwerken waarom niet is gekozen voor het verplicht stellen van de regeling maar met vrije keuze voor de uitvoerder, bij de zorgverzekering is hier ook voor gekozen? Het WTP pensioen is in de opbouwfase vooral een beleggingsfonds. Het is niet helder waarom die dienst niet in concurrentie door verschillende aanbieders geboden kan worden. Een monopolie voor één uitvoerder lijkt derhalve niet noodzakelijk voor het behalen van de sociale doelstelling.

Het «verhangen» van de verplichtstelling naar de regeling betekent een majeure ingreep op de marktordening. Er zou dan immers een wijziging (in de vormgeving) van de verplichtstelling moeten plaatsvinden. Het wordt niet opportuun geacht om een dergelijke wijziging, met mogelijk ingrijpende consequenties – bijvoorbeeld vanwege Europeesrechtelijke mededingingsregels – nu door te voeren zonder eerst een fundamentele discussie over de verplichtstelling te hebben gevoerd met alle betrokken belanghebbenden.

278.

De antwoorden op vraag 470 zijn inconsistent en warrig. Volgens art 18b wet op de loonbelasting is de grondslag voor het OP het loon onder aftrek van de franchise en voor de NP risico verzekering het laatstverdiende loon. Art 17 WTP moet er voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen een voor alle deelnemers een gelijk percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen geheven worden.

  • a. Is de Minister het er mee eens dat alleen aan deze eisen voldaan kan worden als de pensioenpremie wordt gesplitst is in OP-premie over het loon boven de franchise en een NP premie over het totale loon? (zie ook het antwoord op vraag 471)

Ja, dat ben ik met de vragensteller eens.

b.

Is de Minister het er mee eens dat de som van NP en OP premie als percentage nu afhangt van het inkomen? Zo niet, kan de Minister dan met rekenvoorbeelden aangeven welke premies er geheven worden?

Ja, dat is niet anders dan in het huidige pensioenstelsel het geval is.

c.

Wat wordt er bij het antwoord op vraag 470 b bedoeld met een « progressieve» premie? Wordt hiermee een leeftijdsafhankelijke premie bedoeld?

Ja.

d.

Kan bij vraag 470 d en e is gevraagd om uit te rekenen hoe hoog de NP premie moet worden voor een 50% NP. Kan de Minister dit uit (laten) rekenen voor een pensioenfonds met gelijke aantallen deelnemers en gelijke aantallen mannen en vrouwen en gelijke inkomens in alle leeftijden? Als dit niet mogelijk is, waarom verwacht de Minister dan dat de pensioenfondsen in staat zijn een NP premie vast te stellen?

Pensioenfondsen kunnen deze berekening uiteraard maken. Het antwoord gaf aan dat de benodigde risicopremie afhankelijk is van verschillende factoren en dat er daardoor in algemene zin geen uitspraken over gedaan kunnen worden.

e.

Bij vraag 470 g is gevraagd naar de subsidie van jong naar oud ten gevolge van het heffen van een doorsnee premie voor het NP. Het antwoord is een niet ter zake doende verhaal over inflatie bescherming. Kan de Minister uitleggen wat het antwoord met de vraag te maken heeft? En indien het antwoord niets met de vraag te maken heeft, deze vraag alsnog beantwoorden?

De vragensteller heeft hierin gelijk, het antwoord bij vraag 470 g is daar abusievelijk geplaatst. De vragensteller had willen weten hoe groot de subsidie van jongere en alleenstaande deelnemers is aan de oudere en gehuwde deelnemers wanneer een pensioenfonds voor de NP-risicoverzekering een doorsneepremie hanteert. Het is inderdaad zo dat er bij een leeftijdsonafhankelijke risicopremie sprake is van solidariteit van jong naar oud, omdat een jongere deelnemer in principe veel minder zou hoeven te betalen voor het toegezegde partnerpensioen dan een oudere deelnemer. Het berekenen van die solidariteit is echter niet eenduidig en hangt van veel factoren af. Waarbij met name de specifieke fondssamenstelling (man/vrouw, jong/oud) behoorlijk bepalend is de overdracht van jong naar oud. In algemene zin is deze vraag derhalve niet te beantwoorden.

f.

Volgens het antwoord op vraag 470 h is de solidariteits- of risicodelingsreserve bedoeld om intergenerationele risico’s met elkaar te kunnen delen. Volgens art 10 WTP is het doel van deze reserves « gemiddeld stabielere of hogere toekomstige en al ingegane pensioenuitkeringen voor alle generaties » Is dit hetzelfde? en zo ja, waarom wordt dan niet de tekst van art 10 gebruikt?

De solidariteits- of risicodelingsreserve biedt mogelijkheden om intergenerationele risico’s te delen zoals ook in de memorie van toelichting aangegeven op pagina 39. Kortlevenrisico waarvan sprake is in vraag 470 h behoort hier niet toe.

279.

Bij vraag 471 a is geantwoord dat de deelnemer niet op de UPO te zien krijgt hoeveel van de premie is gebruikt voor de NP-risico verzekering.

  • a. Waarom wordt dit niet vermeld? De WTP was toch bedoeld om meer transparantie te bieden?

  • b. Volgens art 38 wordt op het UPO wel vermeld hoeveel premie er is ingelegd door de werknemer en de werkgever, het beleggingsrendement en de verworven pensioenaanspraken. Uit deze gegevens kan de deelnemer zien dat een behoorlijk deel van de premie niet aan zijn persoonlijke pensioenvermogen is toegevoegd. Hoe moet het pensioenfonds dit uitleggen? Zou het niet veel eenvoudiger zijn om te vermelden hoeveel premie er nodig was voor de NP-risico verzekering?

Het voornaamste doel van het UPO is om deelnemers inzicht te geven in het pensioen dat ze hebben opgebouwd, waaronder de aanspraak op nabestaandenpensioen. Inzicht in de hoogte van de pensioenaanspraken geeft de deelnemer handelingsperspectief. Eveneens geeft het UPO inzicht in de hoeveelheid premie die wordt ingelegd door de werknemer en de werkgever. De informatie over het premiepercentage dat ten goede komt aan het nabestaandenpensioen is wel beschikbaar voor de deelnemer, namelijk in de pensioenovereenkomst. Meer informatie op het UPO, bijvoorbeeld over de verdeling van de ingelegde premie over ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen na pensioendatum dan wel nabestaandenpensioen voor pensioendatum leidt niet automatisch tot meer inzicht bij de deelnemer en zijn partner.

c.

Bij vraag 471 b was de vraag of dit een premieverhoging betekent voor mensen met lage inkomens. Dit is een feitelijke vraag die beantwoord wordt met een waarde oordeel over het nut van een NP verzekering. Dat waarde oordeel valt te betwisten omdat het hierbij vaak gaat om jonge mensen zonder partner en met een laag inkomen die nu premie moeten betalen voor een risico verzekering die ze niet nodig hebben. Kan de Minister de feitelijke vraag alsnog beantwoorden?

De hoogte van de leeftijdsonafhankelijke risicopremie die voor het nabestaandenpensioen geheven zal worden is afhankelijk van verschillende factoren, onder andere de samenstelling en leeftijd van het deelnemersbestand, de hoogte van het pensioengevend salaris waarover de dekking wordt berekend en de hoogte van de dekking die in de pensioenregeling wordt afgesproken. Of dit uiteindelijk een premiehoogte voor mensen met lage inkomens betekent is op voorhand en in algemene zin niet te zeggen. Daarnaast is bij onbepaalde nabestaandenpensioenen ook nu al het geval dat deelnemers zonder partner bijdragen aan de dekking van deelnemers met partners. Hierin ligt een deel van de solidariteit van het nabestaandenpensioen besloten.

d.

Bij vraag 472a over de hoogte van de NP risico premie heeft de Minister geantwoord dat de premie afhankelijk is van de pensioengrondslag en dat daar dus geen zinvolle uitspraak over gedaan kan worden. Volgens art 18b van de wet loonbelasting is de pensioengrondslag voor de NP risicoverzekering het hele salaris. Kan de Minister deze vraag alsnog beantwoorden nu de pensioengrondslag duidelijk is?

Nee, de hoogte van de risicopremie is afhankelijk van verschillende factoren, onder andere de samenstelling en leeftijd van het deelnemersbestand, de hoogte van het pensioengevend salaris waarover de dekking wordt berekend en de hoogte van de dekking die in de pensioenregeling wordt afgesproken. In algemene bewoordingen is daarom op voorhand niets te zeggen over de hoogte van de risicopremie.

e.

Bij vraag 472b is gevraagd naar de totaal benodigde risicopremie voor een fonds met gelijke aantallen deelnemers in alle leeftijdsgroepen. Het antwoord was dat het resultaat afhangt van de verhouding jong/oud. Kan de Minister uitleggen waarom dit niet uitgerekend kan worden zelfs als gegeven is dat er gelijke aantallen deelnemers in alle leeftijdsgroepen zijn? Kan de Minister dit uit laten rekenen voor een fonds met gelijke aantallen mannen en vrouwen in iedere leeftijdsklasse en gelijke salarissen voor alle deelnemers? Kan de Minister uitleggen waarom zij dit soort berekeningen niet wil uitvoeren? Kan de Minister uitleggen wat zij hier te verbergen heeft?

Zoals eerder uiteengezet is er in algemene zin geen uitspraak te doen over de hoogte van de benodigde risicopremie voor het nabestaandenpensioen, daar deze van verschillende fondsspecifieke factoren afhankelijk is.

f.

Bij vraag 472 c over het feit dat alleenstaanden wel moeten mee betalen aan de risicoverzekering voor gehuwden is een niet ter zake doende antwoord gegeven dat bij een doorsnee premie de deelnemer gemiddeld over de hele carrière evenveel betaald als bij een leeftijdsafhankelijke premie. De vraag was echter naar de mate van herverdeling tussen alleenstaanden en gehuwden. Zou de Minister deze eenvoudige vraag alsnog correct en ter zake willen beantwoorden?

Het is inderdaad zo dat er bij onbepaalde nabestaandenpensioenen op risicobasis er sprake is van solidariteit van alleenstaanden naar gehuwden. Het berekenen van die solidariteit is echter niet heel eenvoudig en hangt af van de specifieke fondssamenstelling (verhouding man/vrouw, jong/oud en hoe vaak de deelnemers een partner hebben). In algemene zin is deze vraag derhalve niet te beantwoorden.

g.

Kan de Minister vraag 472 d alsnog beantwoorden onder de aanname van een fonds met gelijke aantallen mannen en vrouwen in iedere leeftijdsklasse en gelijke salarissen voor alle deelnemers?

Zoals eerder uiteengezet is er in algemene zin geen uitspraak te doen over de hoogte van de benodigde risicopremie voor het nabestaandenpensioen, daar deze van verschillende fondsspecifieke factoren afhankelijk is.

h.

Kan de Minister uitleggen waarom zij de feitelijke en zakelijke vragen over de kosten van de NP risico dekking niet wil beantwoorden?

Zoals eerder uiteengezet is er in algemene zin geen uitspraak te doen over de hoogte van de benodigde risicopremie voor het nabestaandenpensioen, daar deze van verschillende fondsspecifieke factoren afhankelijk is.

280.

Zie vraag 474, 475, 476. Veel pensioenfondsen hebben nu een regeling van NP met opbouw en een risico verzekering voor de ontbrekende opbouw. Een dergelijk NP systeem is veel goedkoper dan het voorgestelde WTP systeem omdat voor oudere actieve deelnemers met de grootste overlijdenskans het NP grotendeels uit de opgebouwde OP dekking betaald kan worden. Het is eerlijker voor alleenstaanden omdat die het hogere opgebouwde NP voor een hoger OP kunnen gebruiken. En het sluit goed aan op de al opgebouwde NP rechten zodat er veel minder overgangsproblemen zijn. Waarom is niet gekozen voor een bovengenoemd systeem? Waarom is gekozen voor een totaal afwijkende oplossing die niet aansluit op de bestaande situatie, veel duurder is en die veel overgangsproblemen met zich mee brengt?

De wijzigingen die voor het nabestaandenpensioen worden voorgesteld komen voort uit het advies van de Stichting van de Arbeid inzake de wenselijkheid van het nabestaandenpensioen in de tweede pijler. De wijzigingen in het wetsvoorstel toekomst pensioenen kunnen dan ook op een breed draagvlak onder sociale partners rekenen, wat een belangrijk gegeven is aangezien pensioen een arbeidsvoorwaarde is waar sociale partners afspraken over maken in de pensioenovereenkomst. De veronderstellingen in de vraag dat de huidige voorstellen duurder zouden zijn, complexer en niet aansluiten bij de bestaande praktijk worden niet herkend. Zowel in het advies van de Stichting van de Arbeid als in de memorie van toelichting van de Wtp is dit uitgebreid onderbouwd.

281.

Met betrekking tot vraag 480, 481, 482, 484, 485,486, 487. Het WTP pensioen zou eenvoudiger en transparanter moeten zijn. Vermelding van het risicoprofiel en verwacht rendement is een goede maatregel om de deelnemer tot handelen aan te zetten t.a.v. wijziging van het risico profiel of bijsparen in de 3e pijler.

  • a. Waarom wordt dan niet op het UPO vermeld welk risico profiel, verwacht rendement en volatiliteit de deelnemer heeft?

  • b. Wat heeft een pensioenfonds hier te verbergen?

Met dit antwoord wordt sub vraag a en b beantwoord. Het UPO bevat bij wet- en regelgeving voorgeschreven informatie. Het risicoprofiel, het verwacht rendement en de volatiliteit vallen daar niet onder. Deze informatie is wel beschikbaar bijvoorbeeld via fondsdocumenten of op verzoek via de pensioenuitvoerder. Er is op dit moment geen aanleiding deze elementen verplicht op te laten nemen op het UPO. Overigens staat het pensioenuitvoerders vrij aanvullende informatie te verschaffen en kan de sector in onderling overleg bekijken of de UPO-modellen aanpassing behoeven. Daarbij geldt wel dat meer informatie op het UPO niet (per definitie) leidt tot beter inzicht of begrip. Ten overvloede merk ik hier nog op dat een en ander niets te maken heeft met pensioenfondsen die iets te verbergen zouden hebben.

c.

Waarom heeft de Minister er bezwaar tegen om op de UPO te vermelden hoeveel van de premie er gebruikt is voor her NP risico pensioen? Dat voorkomt veel vragen omdat de deelnemer toch kan zien dat het bedrag aan ingelegde premie niet overeen komt met de toename van het pensioenvermogen.

d.

Waarom wordt het kosten niveau wel op het UPO vermeld maar de veel hogere NP premie niet (zie vraag 484 en 485)

e.

Waarom wordt de hoogte van de NP dekking wel op het UPO vermeld maar mogen de deelnemers niet weten wat deze dekking kost (zie vraag 486 en 487)

Voor de beantwoording van de vragen onder sub c, d en e wordt verwezen naar de beantwoording bij vraag 279a en b.

282.

Met betrekking tot vraag 483

  • a. Kan de Minister uitleggen wat de betekenis is van de uitspraak: «Ik ben het eens dat de exposure naar zakelijke en vastrentende waarden over de leeftijden of op basis van andere deelnemerskenmerken vóóraf helder moet zijn vastgelegd.»

  • b. Wat moet een pensioenfonds doen om aan deze eis te voldoen?

  • c. Hoe kan de deelnemer zien of aan die eis is voldaan en wat zijn exposure naar zakelijke en vastrentende waarden is?

Deze uitspraak betekent dat een pensioenfonds vooraf moet vastleggen in het pensioenreglement welke toedelingsregels zij hanteert met betrekking tot toedelen van risico en rendement aan cohorten, zie memorie van toelichting pagina 125. Hier kan de deelnemer ook zien welke toedelingsregel vooraf is vastgelegd voor zijn cohort.

283.

Bij vraag 488 is geantwoord: »Uit de berekeningen komt dan ook naar voren dat de pensioenuitkomsten in het slechtweerscenario negatiever worden ten opzichte van het ftk-contract naarmate de leeftijdsgroep jonger is, als gevolg van de lagere buffervorming.»

  • a. Nu is telkens gezegd dat in het WTP systeem de pensioenen hoger worden omdat er geen geld meer in de buffers verdwijnt. Juist bij lage rendementen in de negatieve scenario’s zou je dan een beter resultaat dan onder het FTK verwachten als er geen geld meer in de buffers verdwijnt. Hoe kan het dan dat er nu een slechter resultaat uit komt bij lagere buffers?

Uit berekeningen van een aantal pensioenfondsen in december 2022 volgt inderdaad dat, onder bepaalde fondsspecifieke aannames en gebruikmakend van de scenariosets zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, een 25-jarige in het nieuwe pensioenstelsel er in het slechtweer scenario op achteruit gaat ten opzichte van het huidige pensioenstelsel. Dit komt omdat het nieuwe pensioenstelsel meer onzekerheid kent dan het huidige pensioenstelsel. Uit berekeningen van DNB, voor een voorbeeldfonds, van december 2022 volgt juist dat jongeren in het nieuwe pensioenstelsel er in zowel het slechtweerscenario als het mediane scenario op vooruit gaan ten opzichte van de verwachte uitkomsten onder het huidige pensioenstelsel. Hieruit blijkt dat de daadwerkelijke effecten afhankelijk zijn van fondsspecifieke keuzes rondom het invaren en het fondsbeleid en de financiële positie van het pensioenfonds.

b.

In het antwoord is aangegeven: «In de nieuwe scenariosets wordt tevens meegenomen dat onzekerheid gemiddeld toeneemt bij negatieve rendementen en gemiddeld afneemt bij positieve rendementen.» Waarom neemt de onzekerheid toe bij negatieve rendementen en af bij positieve rendementen? Wordt hier niet de pensioenhoogte verward met de zekerheid?

De Commissie Parameters 2022 heeft aan het model dat ten grondslag ligt aan de nieuwe scenariosets een extra toestandsvariabele toegevoegd, namelijk stochastische volatiliteit. Hierdoor kan de door normale verdelingen geïmpliceerde symmetrie in de verdelingen van bepaalde economische grootheden worden losgelaten. Hierdoor wordt in de nieuwe scenarioset meegenomen dat onzekerheid gemiddeld toeneemt bij negatieve aandelenrendementen en gemiddeld afneemt bij positieve aandelenrendementen (asymmetrische verdeling). Deze kwalitatieve eigenschappen zijn in lijn met de historische tijdreeksen voor aandelenrendementen, er is meer spreiding in de kansverdeling voor negatieve aandelenrendementen en minder spreiding voor positieve aandelenrendementen.

c.

De oorspronkelijke vraag was of het vertrouwen in het pensioensysteem niet wordt geschaad door het grote verschil tussen het goed weer en het slecht weer scenario. Zou de Minister die vraag alsnog willen beantwoorden.

In het algemeen is te zeggen dat in het nieuwe pensioenstelsel voor alle leeftijdsgroepen de mediane uitkering naar verwachting toeneemt ten opzichte van het huidige ftk. In het nieuwe pensioenstelsel kunnen pensioenen namelijk sneller en meer worden verhoogd omdat er minder buffers aangehouden hoeven te worden en omdat de ruimte voor pensioenverhogingen niet fiscaal is begrensd (loslaten van het zogenoemde «genoeg-is-genoeg» principe). Hierdoor kan het vertrouwen in het pensioenstelsel juist toenemen.

Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat daar tegenover staat dat de verwachte pensioenuitkering in het nieuwe pensioenstelsel meer onzekerheid kent dan in het huidige ftk. Dit is te zien in de spreiding tussen het slechtweerscenario en het mediane scenario, deze neemt toe in het nieuwe pensioenstelsel. Het is daarom ook belangrijk om naast het mediane scenario ook een goed- en slechtweerscenario te blijven communiceren, zodat deelnemers inzicht hebben in het complete beeld en zich bewust blijven van de toename van de onzekerheid in het nieuwe pensioestelsel. Hierbij geldt wel dat naarmate deelnemers ouder worden en meer pensioen hebben opgebouwd en zij minder risico toebedeeld krijgen, de spreiding in uitkomsten kleiner zal worden.

284.

Volgens vraag 489 worden de deelnemers in de flexibele regeling wel geïnformeerd over de te bereiken hoogte van het kapitaal, maar in de solidaire regeling niet. Alle beslissingen in de solidaire regeling zijn echter gebaseerd op de hoogte van het persoonlijke pensioenvermogen. Transparantie zou dan vereisen dat deelnemers hierover geïnformeerd worden zodat zij ook zelf kunnen beoordelen hoe hun pensioen tot stand komt. Wat heeft men hier te verbergen? Waarom wordt die informatie niet op transparante wijze verstrekt?

In het eerdere antwoord is aangegeven dat deze informatie specifiek ziet op het feit dat een deelnemer op pensioendatum kan kiezen voor een vaste of variabele uitkering of als hij kan shoppen en met het kapitaal bij een andere pensioenuitvoerder een pensioenuitkering kan aankopen. Bij de solidaire premieovereenkomst kan dat niet. Er valt niets te verbergen, maar het van toepassing verklaren van artikel 46, tweede lid, op de solidaire premieovereenkomst zou enkel leiden tot het verstrekken van niet-relevante informatie, want er is geen handelingsperspectief. Het zou daarmee voor onduidelijkheid zorgen.

Vragen van de leden van de SGP-fractie:

1.

Allereerst over de solidariteitsreserve. Uit de beantwoording blijkt dat dit bij een hogere inflatie, eventueel gekoppeld aan een hogere rente, niet te dragen is. Wat is volgens de regering het scenario dat in werking zal treden in een dergelijk onverhoopt geval?

Bij langdurige hoge inflatie zal in elk kapitaalgedekt pensioenstelsel het moeilijk zijn om een koopkrachtig pensioen te realiseren. Een reëel stabiel pensioen op basis van gerealiseerde inflatie is alleen mogelijk voor alle deelnemers, slapers en gepensioneerden als er ook reële rendementen kunnen worden behaald. In dat geval neemt het fondsvermogen net zo hard toe als de feitelijke Nederlandse inflatie. De markt voor dergelijke beleggingen is echter veel te beperkt voor alle Nederlandse pensioenuitvoerders. Dat gezegd hebbende kent het nieuwe pensioenstelsel naast de solidariteitsreserve ook bijvoorbeeld het directe beschermingsrendement om te zorgen voor een eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen.

2.

Ten aanzien van het invaren wordt in de beantwoording duidelijk dat er twee systemen naast elkaar kunnen bestaan. Dat heeft consequenties voor de positie van het pensioenfonds voor het geval dit niet WIL of niet KAN invaren en voor de individuele pensioenspaarder voor het geval hij niet KAN en WIL invaren. Op welke wijze zijn deze posities beschermd door de wetgever of door de rechterlijke macht?

Sociale partners kunnen de nieuwe premieregeling onderbrengen bij het pensioenfonds. Daarnaast kunnen sociale partners het pensioenfonds verzoeken om de reeds opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten om te zetten naar de nieuwe premieregeling. Door de omzetting kunnen de effecten van de nieuwe premieregeling eerder en volledig worden benut, worden de risico’s blijvend tussen alle deelnemers gedeeld en is het niet nodig twee verschillende pensioenregelingen uit te voeren.

Omdat beide systemen evenwel naast elkaar kunnen worden uitgevoerd heeft de keuze om niet in te varen niet direct gevolgen voor de continuïteit van de pensioenuitvoering door een pensioenfonds. Het pensioenfondsbestuur kan het invaarverzoek van sociale partners daardoor op alle aspecten beoordelen en met in achtneming van alle voor- en nadelen een besluit nemen.

Gevraagd is naar de situaties dat een pensioenfonds niet wil of kan invaren. Er is sprake van niet kunnen invaren als er geen invaarverzoek door sociale partners wordt gedaan. Sociale partners kunnen van mening zijn dat invaren niet noodzakelijk is voor een evenwichtige transitie. Als geen invaarverzoek wordt gedaan motiveren sociale partners deze keuze. Een pensioenfondsbestuur kan dan niet zelfstandig besluiten tot invaren.

De vraag naar de situatie dat een pensioenfonds niet wil invaren wordt voor de beantwoording opgevat als de situatie waarbij het pensioenfondsbestuur wel de bevoegdheid heeft om in te varen, want er is een invaarverzoek gedaan, doch besluit om niet in te varen. Een pensioenfonds heeft immers een eigen verplichting, op grond van artikel 150l lid 4, om het invaarverzoek te beoordelen op diverse aspecten zoals uitvoerbaarheid en naleving van wettelijke voorschriften. Het pensioenfonds besluit zelfstandig nadat de fondsorganen op de juiste wijze zijn geraadpleegd of het zal invaren.

De deelnemer volgt de besluitvorming door het pensioenfonds. Al het pensioenfonds niet invaart, blijft de huidige pensioenopbouw van de deelnemer in een te onderscheiden financieel geheel waarop het huidige ftk-regime van toepassing blijft. Alle aanspraken en rechten die worden opgebouwd in de nieuwe premieregeling vallen onder het financiële kader voor premieregelingen.

Als het pensioenfonds wel besluit tot invaren worden de opgebouwde aanspraken en rechten van alle deelnemers omgezet. Een individuele deelnemer volgt deze besluitvorming maar kan indien hij bezwaar heeft tegen de uitvoering van de interne collectieve waardeoverdracht ten behoeve van het invaren, bij de eigen pensioenuitvoerder de klachtenprocedure doorlopen.

Indien een klacht of bezwaar over de uitvoering van het pensioenreglement niet naar tevredenheid door de pensioenuitvoerder kan worden afgewikkeld zal de gang naar een externe geschilleninstantie open staan. De externe geschilleninstantie wordt ingericht en in stand gehouden door pensioenuitvoerders. Ook kan de deelnemer zijn individuele casus voorleggen aan de civiele rechter.

3.

De geschilleninstantie kan uitspraken doen, die voor de pensioenfondsen leiden tot extra uitvoeringstechnische problemen. Zijn de pensioenfondsen voldoende voorbereid op de veelheid aan uitvoeringsmogelijkheden die ontstaan door wel/niet invaren, en door toewijzingen van de geschillencommissie?

4.

Heeft de onafhankelijke geschillencommissie voldoende doorzettingsmacht oftewel wat is de zeggenschap van de geschillencommissie na een gedane uitspraak?

Met dit antwoord wordt zowel vraag 3 als 4 beantwoord. Vanzelfsprekend zullen er bij een grote stelselwijziging, die veel werkenden en gepensioneerden betreft, burgers zijn die het niet eens zijn met de uitvoering ervan. Zij hebben de mogelijkheid om een geschil met een pensioenuitvoerder over de uitvoering van het pensioenreglement voor te leggen bij een externe geschilleninstantie. Voor de volledigheid wordt hierbij opgemerkt dat geschillen over het besluit van sociale partners om wel of niet in te varen, niet aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd. Indien een pensioenfonds zelf besluit om niet over te gaan tot invaren, zal het pensioenfonds daarvan de gevolgen en de uitvoeringsmogelijkheden in kaart brengen. Voorts wordt opgemerkt dat eerst de interne klachtenprocedure bij een pensioenuitvoerder moet worden doorlopen alvorens een geschil bij de onafhankelijke geschilleninstantie aanhangig kan worden gemaakt. Dat is vastgelegd in het conceptbesluit toekomst pensioenen. Een pensioenuitvoerder heeft op die manier al zicht op het aantal en soort klachten dat uiteindelijk bij de geschilleninstantie terecht kan komen en kan zich daarop voorbereiden.

De redenen voor en onderbouwing van individuele vorderingen van (gewezen) deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden kunnen divers zijn.95 Het kan bijvoorbeeld gaan om een schadevergoeding of het nakomen van een verplichting uit de pensioenovereenkomst. De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn advies aangegeven dat de toepasselijke remedie bij een invaargeschil en de vaststelling dat er sprake is van onevenredig nadeel, helder moet zijn.96 De geschilleninstantie zal dit in het reglement vastleggen. De regering heeft tot op heden geen signalen van pensioenfondsen ontvangen dat zij niet voldoende voorbereid zullen zijn op de uitkomst van mogelijke geschillen en de gevolgen ervan. Gedurende de transitieperiode zal de regering hier vinger aan de pols houden.

De leden van de fractie van de SGP vragen voorts naar de zeggenschap van de geschilleninstantie. Conform het conceptbesluit toekomst pensioenen dient de geschilleninstantie bij haar oprichting in het reglement op te nemen hoe wordt omgegaan met bindende en niet-bindende adviezen. Daarbij is opgemerkt dat de beslechting van een geschil slechts resulteert in een bindend advies indien zowel de pensioenuitvoerder als de deelnemer daar vooraf uitdrukkelijk mee heeft ingestemd. Pensioenuitvoerders geven op het moment van aansluiting bij de geschilleninstantie aan of wordt ingestemd met bindend advies, zodat dit op voorhand duidelijk is voor deelnemers. In het reglement zal ook duidelijk worden gemaakt op welke manier deelnemers de keuze voor bindend of niet bindend advies kunnen maken. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is nader ingegaan op de gevolgen van een bindend advies. In het geval van een bindend advies kan het laatste woord aan een rechter zijn. Een van de partijen kan het advies als een vordering tot nakoming voorleggen aan de rechter en op deze wijze een executoriale titel verkrijgen. Dat wil zeggen het recht om het advies uit te voeren. Dat kan een van de partijen doen als de ander het advies niet wil opvolgen. Deze weg naar de rechter wordt in het geval van een bindend advies niet afgesloten.97

Vragen van het lid van de OSF-fractie:

1.

Door het niet openbaar maken van de procesadviezen is de Eerste Kamer niet volledig geïnformeerd aangaande de WTP. Dat is in strijd met de beginselen van fatsoenlijk bestuur, omdat men nu door niet volledig geïnformeerd te zijn een afgewogen besluit kan nemen. Is de regering dat met de fractie van OSF eens?

Dat ben ik niet met u eens. Over een aantal juridische aspecten van de overgang naar het nieuwe pensioencontract (o.a. onderhandelings- en keuzevrijheid van partijen, bescherming van eigendomsrechten, gelijke behandeling) is medio 2020 advies gevraagd aan de landsadvocaat.

Bij procesadviezen is actieve openbaarmaking niet aan de orde. De Staat heeft namelijk het recht om zich voor bijstand en advies vertrouwelijk tot een advocaat te wenden. Adviezen van een advocaat hebben meestal betrekking op de sterke en zwakke kanten van de juridische (proces)positie van de Staat. Hierbij kan het gaan om een advies dat direct betrekking heeft op een (gerechtelijke) procedure. Het kan ook gaan om adviezen die de procespositie in toekomstige zaken kunnen raken.

2.

Indien een beroep wordt gedaan op de wet Open Overheid worden de procesadviezen dan aan de aanvrager beschikbaar gesteld? Zo nee, wat is daarvan de in de wet vastgelegde reden?

Voor procesadviezen geldt dat deze niet beschikbaar zouden worden gesteld omdat het belang van het goed functioneren van de Staat daarbij zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Deze grondslag is opgenomen in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo (Wet open overheid).

In reactie op onze vragen 5 en 6 aangaande de juistheid van data en het compenseren door de regering. Hierbij wordt gesteld dat gedurende de transitieperiode de voortgang wordt gemonitord en beide kamers worden geïnformeerd over deze voortgang. Om zodoende knelpunten te identificeren en waar nodig aanvullende maatregelen te kunnen treffen. Verder wordt gesteld dat de regering geen fouten of nadelige gevolgen voor deelnemers en gepensioneerde direct gaat compenseren vanuit overheidsmiddelen. Hier ontstaat een tegenstelling.

Tijdens de deskundigenbijeenkomst van 21 februari 2023 heeft mevr. Knoef, hoogleraar economie aan de universiteit van Tilburg en tevens directeur van Netspar, meer dan duidelijk uiteengezet dat zeker na het «invaren» er geen «algemeen» geld meer is bij de fondsen. Dit omdat dan de gelden zijn toegewezen aan de individuele deelnemers en de fondsen geen eigenaar meer zijn. Daarom de volgende aanvullende vragen.

3.

Wat is het nut van het monitoringsproces van beide Kamers als er geen financiële middelen zijn om aanvullende maatregelen te kunnen nemen als de gang van zaken daarom vraagt?

4.

Is om toch in te kunnen grijpen als de beide Kamers dat noodzakelijk achten het ministerie voornemens een schadepot in het leven te roepen van zegge 1% van het uitstaande pensioenvermogen a 1500 miljard is 15 miljard, zodat ook ingegrepen kan worden? (Een en ander gelet op de lessen van de toeslagenaffaire de aardbevingsschade in Groningen en de overstromingsschade in Limburg.)

Het antwoord in de memorie van antwoord bij vraag 5 van de OSF-fractie, gaat in op de oproep van APG om gelet op de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van de transitie, de implementatie te monitoren. Hierop is aangegeven dat dit zal worden gedaan. Het doel van deze monitoring is om tijdig knelpunten in de transitie te kunnen identificeren en waar nodig aanvullende maatregelen te kunnen nemen. De monitoring zal zich hiertoe richten op de voortgang van de besluitvorming en implementatie, op transitiekeuzes die worden gemaakt en op de ervaringen met de transitie en het nieuwe pensioenstelsel. De monitoring zal zich niet richten op de datakwaliteit bij individuele pensioenuitvoerders. Datakwaliteit is wel een aandachtspunt in de transitie. Om de datakwaliteit te borgen stelt het wetsvoorstel verschillende waarborgen. Hierop houden DNB en AFM toezicht.

De regering is niet voornemens een schadepot in het leven te roepen, omdat de juistheid van de pensioenadministraties en het omzetten van bestaande aanspraken en rechten de verantwoordelijkheid is van de pensioenfondsen. Pensioenuitvoerders moeten er voor zorgen dat zij fouten ook na de transitie nog (financieel) kunnen herstellen, bijvoorbeeld vanuit hun operationele reserve.

Ten aanzien van de stelling dat er geen algemeen geld meer is bij pensioenfondsen en pensioenfondsen geen eigenaar meer zouden zijn, wordt nog het volgende opgemerkt. Het pensioenfonds is juridisch eigenaar van het collectieve vermogen dat het belegt en beheert ten behoeve van de deelnemers en pensioengerechtigden bij het pensioenfonds. Voor de deelnemer/pensioengerechtigde wordt na het invaren duidelijker welk aandeel hij/zij heeft in het collectieve pensioenvermogen doordat inzichtelijk is welk deel het voor zijn/haar pensioen gereserveerde vermogen betreft. De eigendomsstructuur verandert hier evenwel niet door.

Bij invaren wordt overigens niet het hele fondsvermogen omgezet naar persoonlijke pensioenvermogens. Zo wordt bijvoorbeeld het minimum vereist eigen vermogen afgezonderd. Verder dient het pensioenfonds een operationele reserve aan te houden voor wijzigingen met terugwerkende kracht, resultaten op risicoverzekeringen of zoals hierboven aangegeven het herstellen van fouten. Voorts kan een pensioenfonds een solidariteitsreserve of risicodelingsreserve en/of een compensatiedepot initieel vullen.

In reactie op onze vragen onder 7 tot en met 11 wordt nadrukkelijk op de rol/rollen van CPB Netspar DBN en later ook de AFM ingegaan. Tendens van de reactie door het ministerie: deze instituten zijn gerenommeerd en betrouwbaar en vertrouw op hun bevindingen.

De fractie van de OSF moet echter het volgende constateren. Het rapport van Netspar waaraan gerefereerd wordt is gepubliceerd voor de grootschalige inflatie begin 2022.

In hun boek het worst bank scenario gaan publicisten Hester Bais en Wink Sabée in op de rol die DNB en de AFM hebben gespeeld in najaar 2009 waar twee nieuwe entiteiten in het leven werden geroepen door de kort daarvoor opgerichte uitvoeringsorganisaties APG van ambtenaren pensioenfonds ABP en PGGM van pensioenfonds Zorg en Welzijn nl. de treasury Centers.

Het hoofdstuk «De geheime pensioen-CCP’s» (CCP staat voor center counter party oftewel centrale tegenpartij. De CCP neemt het tegenpartijrisico bijv. wanbetaling over en waarborgt de marktwaardekoers van het financieel instrument) geeft aan hoe via het oprichten van de treasury Centers de pensioenfondsen ABP en PGGM jarenlang de treasury functie van de bank-verzekeraars hebben overgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat de toezichthouders AFM en DNB hier een twijfelachtige rol hebben gespeeld. Dit omdat deze pensioen CCP’s in zeer korte tijd vergunning hebben gekregen van de AFM, terwijl in het algemeen de vergunning verlening voor een CCP erg lang duurt. Daarbij zijn op dat moment DNB en AFM toezichthouders van pensioenfondsen en hun pensioenuitvoerders. Dus zowel DNB als AFM zijn vanaf 2009 intensief bij het doen en laten van pensioenfondsen betrokken en hebben hen (al dan niet verplicht) tot acties aangezet waarvan de vraag kan worden gesteld of deze in het belang waren van de pensioenfondsen dan wel de commerciële financiële wereld (2008 bankencrisis en dreigend failliet van met name ABN Amro en ING). Voor de fractie van OSF is het maar de vraag of vanaf dat moment (2009) de beide instanties als onafhankelijk en integer handelen richting pensioenfondsen of hun eigen handelen trachten te verdedigen. Daarom stelt het OSF-lid de volgende vragen:

5.

Waarom acht de regering zowel DNB als de AFM integer en betrouwbaar om te adviseren in de WTP gelet op hun discutabele rol bij het oprichten van de CCP’s en hun blijvende verbinding met de pensioenfondsen daarna?

De suggestie dat DNB en AFM niet integer, onafhankelijk en onbetrouwbaar zouden zijn werp ik verre van mij. Dit sentiment is schadelijk voor het vertrouwen dat Nederlanders moeten kunnen hebben in publieke instanties. Over de financiële crisis is uitgebreid onderzoek gedaan door de Tweede Kamer in het parlementair onderzoek financieel stelsel en in de parlementaire enquête naar het financieel stelsel, daarbij is ook uitgebreid ingegaan op de rol van DNB en AFM. Ook het kabinet is hier destijds uitvoerig op ingegaan.98 Er zijn naar aanleiding van het onderzoek diverse veranderingen doorgevoerd in de financiële sector en bij de toezichthouders, waardoor het functioneren en de onafhankelijkheid nog sterker geborgd zijn. De onafhankelijkheid van DNB en AFM is bovendien geborgd in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. Daarnaast voer ik regelmatig overleg met DNB en AFM, allen vanuit hun eigen professionele positie. Daarbij staat voor mij vast dat zij kundig, integer en betrouwbaar zijn. In het kader van het wetsvoorstel toekomst pensioenen vervullen zij ook een belangrijke toezichthoudende taak.

6.

Was de gang van zaken over het participeren in de CCP’s van de pensioenfondsen bekend binnen dit ministerie of andere ministeries? Is vastgelegd en door wie, dat de pensioenfondsen geen nadelige gevolgen hebben gehad van het participeren in de CCP’s?

Ja, hierover is in jaarverslagen door betrokken partijen openlijk gecommuniceerd. Overigens zijn deze treasury centers door deze partijen toen zelf opgericht voor bijvoorbeeld het liquiditeitenbeheer en de aan- en verkoop van derivaten.

7.

Hoe is de integriteit en objectiviteit van DBN en de AMF getoetst bij het opstarten van de WTP en hoe zijn de beide kamers daarover geïnformeerd?

Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 5 van OSF.

8.

Constaterende dat het rapport van Netspar waarin gesteld wordt dat met de nieuwe pensioencontracten beter resultaten worden gehaald van voor de hoge inflatieperiode is ontstaat de vraag wordt dit rapport nog getoetst vanuit de gegevens zeker aangaande de inflatie die nu van toepassing zijn?

Het Netspar-rapport «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract» laat zien dat in de solidaire premieovereenkomst onder het nieuwe pensioenstelsel uitkeringen voor huidige deelnemers met grote kans hoger zijn dan die in de huidige uitkeringsovereenkomst, doordat eerder toeslagen kunnen worden gegeven. Dat effect is van toepassing, onafhankelijk van de mate van de feitelijke inflatie van dat moment, omdat overrendementen niet meer eerst in hoge buffers vastgehouden hoeven te worden. Een nieuwe toetsing levert dus geen meerwaarde op.

9.

Kan de regering gelet op de vragen van de OSF fractie aangaande de onafhankelijkheid van DNB en de AFM tezamen met de achterhaalde gegevens in het rapport van Netspar nog staande houden dat de WTP nog de zelfde garanties aangaande koopkracht bevat als op basis van parameters is voorspeld terwijl deze ook parameters op geen enkel wijze rekening hebben gehouden met de huidige inflatiepercentages?

Door DNB zijn diverse berekeningen gemaakt over de uitkomsten van het nieuwe pensioenstelsel, waaronder ook berekeningen die gebaseerd zijn op de nieuwe parameters. Deze nieuwe parameters en scenariosets zijn vastgesteld door een onafhankelijke commissie, die rekening heeft gehouden met de hoge inflatie, omdat deze die zich op dat moment al volop manifesteerde.

10.

Een van de redenen dat het huidige pensioencontract onvoldoende functioneert en dat het vertrouwen van deelnemers sterk is gedaald is gelegen in het «incomplete» karakter van de pensioenregeling en het kader dat beschrijft hoe er gehandeld wordt bij tekorten. Die incompleetheid maakt(e) het mogelijk dat belangengroepen via een lobby bij de besturen van pensioenfondsen hun welgevallige(r) besluiten afdwongen. De bedoeling van de pensioenhervorming was mede het «completeren» van het pensioencontract, zodat een dergelijke lobby niet meer effectief zou zijn. In de WTP kunnen bestuur en sociale partners regels opstellen voor bijvoorbeeld het vullen van en onttrekken aan de solidariteitsreserve. Die regels kunnen zij ook weer aanpassen. Hoe garandeert u dat de lobby van belangengroepen om deze regels in hun voordeel aan te passen vanaf nu niet meer effectief zal zijn?

Uw conclusie dat lobbygroepen binnen pensioenfondsen hun welgevallige besluiten hebben afgedwongen, herken ik niet. Dat neemt niet weg dat de huidige uitkeringsovereenkomst inderdaad meer mogelijkheden biedt om met geld tussen generaties te schuiven dan de nieuwe pensioencontracten. In het nieuwe pensioenstelsel is sprake van persoonlijke pensioenvermogens, met daarnaast een gemaximeerde solidariteitsreserve of (eventueel) een risicodelingsreserve van 15% van het totale pensioenvermogen. De regels voor het vullen en onttrekken van middelen aan deze reserves moeten voor langere tijd worden vastgelegd en kunnen dus niet naar believen worden aangepast. Dit is wettelijk geborgd.

11.

Is de regering bekend met het recente financiële debacle, bekend als de woekerpolisaffaire, met producten zoals LegioLease, die gebruik maakten van beleggen met geleend geld?

Ja, hiermee ben ik bekend. Dat is overigens iets anders dan het opheffen van de leenrestrictie, waarbij alleen sprake is van een blootstelling aan zakelijk waardenrisico van meer dan 100%, gemaximeerd op 150%.

12.

Hoe garandeert de regering dat indien een pensioenfonds zijn deelnemers opzadelt met een beleggingsbeleid waarbij die beleggen met geleend geld (door het opheffen van de leenrestrictie) die deelnemers niet een virtueel negatief vermogen kunnen krijgen?

Opheffing van de leenrestrictie kan een aanzienlijk hoger pensioen opleveren, zoals bijvoorbeeld berekeningen van Ortec hebben aangetoond. Door de blootstelling aan zakelijk waardenrisico te maximeren op 150% is kans op een negatief persoonlijk pensioenvermogen in de praktijk uitgesloten bij gebruik van een gediversifieerde beleggingsportefeuille. Zeker als daarbij ook rekening wordt gehouden met nieuwe premie-instroom. Ter volledigheid dient te worden opgemerkt dat het opheffen van de leenrestrictie iets anders is dan beleggen met geleend geld.

13.

Is de regering bereid om het opheffen van de leenrestrictie te verbieden dan wel de deelnemer er een persoonlijk veto over te verlenen?

Nee, zoals gezegd kan opheffing van de leenrestrictie in het belang van deelnemers zijn en is door de gemaximeerde blootstelling aan zakelijk waardenrisico de kans op een negatief persoonlijk pensioenvermogen nihil.

14.

Pensioenfondsen, met verplichtingen die vaak vele decennia duren, zijn verplicht tot een evenwichtige belangenafweging. Beslissingen van pensioenfondsbesturen kunnen nog vele decennia de pensioenpremies en -uitkeringen beïnvloeden. Is de regering het ermee eens, dat het voor een evenwichtige belangenafweging niet volstaat om alleen naar de toekomst te kijken?

De vraag die de leden van de fractie van OSF kan niet in zijn algemeenheid beantwoord worden. De plicht om bij de besluitvorming belangen evenwichtig af te wegen ligt bij het pensioenfonds(bestuur). De evenwichtige belangenafweging is een open norm waaraan het pensioenfonds in de concrete situatie invulling geeft. Zo heeft het pensioenfonds de ruimte om tot de beste afweging van belangen te komen gelet op de concrete situatie en specifieke omstandigheden. Het pensioenfonds selecteert de relevante omstandigheden en betrekt die bij de besluitvorming. De handreiking evenwichtige transitie kan pensioenfondsen helpen bij het selecteren van de omstandigheden die meegenomen kunnen worden in de belangenafweging. Pensioenfondsen zullen aan DNB moeten kunnen onderbouwen op welke wijze is voldaan aan de verplichting tot evenwichtige belangenafweging. DNB toetst bijvoorbeeld het besluitvormingsproces en de daarbij gebruikte informatie. Juist door de toepasselijkheid van een open norm wordt ruimte gelaten aan het pensioenfonds om hieraan invulling te geven.

15.

We hebben nu een DB stelsel, daarin worden harde beloftes gedaan. Die zekerheid vertaalt zich in een benodigde buffer op dat deel van de toezeggingen dat beschermd wordt (nl. 100% in een DB stelsel) van ca. 25%. Die is bedoeld om voldoende te zijn tegen volatiele beurzen. De WTP behelst overgang naar een DC stelsel. Om moverende redenen is daar een solidariteitsreserve (SR) bij gekomen. Die SR in de vorm nu voorligt bij veel pensioenfondsen (de «Ortecvariant») is expliciet uitsluitend bedoeld voor het opvangen van schommelingen in de uitkeringen van enig jaar. De beoogde omvang van de SR is in die variant ca. 5% van het vermogen van het fonds. Die buffer is in de grootte-orde oplopend van ruim boven de 100% tot zelfs 300% op dat deel van de toezeggingen dat beschermd wordt (nl. alleen de uitkeringen in enig jaar). Anders gezegd, bij de overgang naar een DC-stelsel wordt een bescherming van gepensioneerden ingebouwd die vele malen hoger is dan in het huidige stelsel. Hoe beoordeelt de regering dat?

De verplicht voorgeschreven buffers in het huidige pensioenstelsel zijn solvabiliteitsbuffers. Die betreffen inderdaad een buffer over de totale pensioenverplichtingen, dus alle pensioenen die nu en in de toekomst moeten worden uitgekeerd op basis van gedane pensioentoezeggingen. De solidariteits- of risicodelingsreserve in het nieuwe pensioenstelsel kan veel gerichter worden ingezet om specifieke tegenvallers op te vangen, waarbij inderdaad niet de gehele uitkeringenstroom beschermd hoeft te worden, maar ook alleen de uitkeringen in het betreffende jaar in een bepaalde mate gecorrigeerd kunnen worden. Hierdoor kan een relatief kleine reserve al relatief zeer effectief zijn om uitkeringen te stabiliseren. Dat beoordeel ik uiteraard als positief.

16.

Voor de privatisering ABP in 1996 was indexatie onvoorwaardelijk. Dit was een wettelijk recht.

  • a. Deelt de regering dat? Zo nee, waarom niet?

  • b. Vindt de regering niet dat die toezegging ook in de jaren na 1996 moet plaatsvinden, dus indexatie over het opgebouwde deel tot 1996? Zo nee, waarom niet?

  • c. Had het ABP er niet beter voorgestaan als onder de regering Lubbers bij de Grote Herijking geen ABP geld (van de deelnemers) was afgeroomd? Zo nee, waarom niet?

  • d. Wil de regering dit in de WTP alsnog repareren?

Met dit antwoord worden alle subvragen van vraag 16 beantwoord.

Voor de privatisering van het ABP was er inderdaad sprake van onvoorwaardelijke indexatie. Met de privatisering van het ABP zijn betrokken partijen overeengekomen de onvoorwaardelijke indexatie te vervangen door voorwaardelijke indexatie.99

Het ABP maakte tot 1996 onderdeel uit van de Rijksoverheid. In 1996 is het ABP geprivatiseerd. De privatisering had de instemming van de sociale partners en is door de Tweede Kamer bekrachtigd. Het proces tot privatisering is getoetst door de Algemene Rekenkamer en ordelijk en controleerbaar bevonden. Met de privatisering is de onvoorwaardelijke indexatie omgezet in voorwaardelijke indexatie. Er is dan ook geen reden waarom onvoorwaardelijke indexatie ook na 1996 zou moeten plaatsvinden.

Daarnaast is er in de jaren ’80 en ’90 geen geld van het pensioenfonds ABP afgeroomd, maar is de premie verlaagd. Dit is mede gedaan tegen de achtergrond van de goede vermogenspositie van het ABP. Deze premieverlaging is wettelijk vastgelegd en heeft de instemming gekregen het parlement. Het ABP was destijds nog onderdeel van de Rijksoverheid. Of het ABP er beter voor had gestaan zonder die premieverlaging, is van zoveel factoren afhankelijk dat dit niet kan worden gesteld. Daarvoor moeten immers allerlei aannames gemaakt worden over premieniveaus, rendementen en de invloed daarvan op latere beslissingen van het pensioenfonds. Wel wil ik opmerken dat de premieverlaging destijds is doorgevoerd tegen de achtergrond van de economische situatie op dat moment. In de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw was de vermogenspositie van pensioenfondsen heel goed. Ook met die lagere premies, bleef de positie van het pensioenfonds in die periode volgens de toen geldende maatstaven gezond. Daarbij komt dat de gepensioneerden van nu, die destijds werkenden waren, ook profijt hebben gehad van die lagere premies. Kortom, er is destijds volgens de op dat moment geldende regels een premieverlaging doorgevoerd en er is dan ook geen aanleiding voor compensatie.

17.

De OSF is van mening dat het stopzetten van de indexering van de pensioenen in de periode 2009–2022 onrechtvaardig is. Door niet te indexeren over deze vele jaren is de koopkracht van pensioengerechtigden met meer dan 25% gedaald en werd de pensioengerechtigden groot onrecht ongedaan. Immers zij werden pas na hun werkzame leven geconfronteerd met deze koopkrachtvermindering en waren daardoor niet meer in staat zich tegen deze financiële teruggang te kunnen verweren, terwijl zij tijdens hun werkzame leven steeds de mededeling hebben gekregen dat zij zouden kunnen beschikken over een waardevast pensioen. Met andere woorden: na de wedstrijd veranderde de overheid de regels van het spel zonder daarvoor een adequate tegemoetkoming te verstrekken. De OSF ziet het als een morele plicht van de pensioenfondsen en ook van de overheid om nu bij het invaren eenmalig de gemiste pensioenindexeringen over genoemde periode alsnog ineens uit te betalen. Naar schatting betreft het een achterstallig bedrag van 50 miljard euro. Uit de technische toelichting bleek dat herindexering mogelijk zou kunnen zijn indien na invaren alsnog financiële middelen resteren uit de te verdelen pensioenfondsen. Ambtenaren gaven tijdens deze technische voorlichting aan dat sociale partners in dat geval een bestemming voor dit restant kunnen aanwijzen. Is de regering bereid deze keuzemogelijkheid voor de sociale partners om te zetten in een verplichting om bij invaren een restant eerst in te zetten voor een eenmalige compensatie van gemiste pensioenindexeringen over de periode 2009–2022 ten gunste van de pensioengerechtigden en hiervoor via een novelle aanpassing van de wetgeving te initiëren?

De regering is van mening dat deze overwegingen het beste op decentraal niveau gemaakt kunnen worden. Op dat niveau kan goed rekening gehouden worden met de verschillen tussen pensioenfondsen, hun financiële situaties en eventuele indexatie-achterstanden. Zij hebben ook in beide rekenmethoden ruimte om met de specifieke situatie rekening te houden.

De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen, C.J. Schouten


X Noot
1

EHRM 6 juli 2005 (Stec e.a./Verenigd Koninkrijk), rechtsoverweging 54.

X Noot
2

EHRM 15 september 2009, EHRC 2009/120 (Moskal/Polen), EHRM 8 december 2009, RSV 2010/73 (Wieczorek/Polen), EHRM 30 september 2010 nr 20844/09 (Hasani/Kroatië) en EHRM 31 mei 2011, nr. 46286/09 (Maggio e.a./Italië).

X Noot
3

EHRM 2 februari 2010, EHRC 2010/44 (Aizpurua Ortiz e.a./Spanje).

X Noot
4

Zulks geldt ook voor de bescherming van het eigendomsrecht op grond van artikel 17 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. In de memorie van toelichting is wordt ook specifiek ingegaan op dit EU-handvest en de verhouding met artikel 1 EP EVRM.

X Noot
6

Zie ook Kamerstukken II, 36 067, nr. 7, p. 133.

X Noot
7

Artikel 105 lid 2 van de Pensioenwet.

X Noot
8

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 161.

X Noot
11

Dit is geregeld in artikel 14t van het conceptbesluit toekomst pensioenen.

X Noot
12

Kamerstukken I 2022/23, 36 067, H, blz. 27.

X Noot
13

Dit is vastgelegd in het conceptbesluit toekomst pensioenen, voorgesteld artikel 14p.

X Noot
14

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3, blz. 191.

X Noot
15

Het Ministerie van VWS financiert alleen de bij het SKGZ ondergebrachte zorgverzekeringslijn die is gericht op het terugdringen van het aantal mensen zonder zorgverzekering en het terugdringen van betalingsachterstanden middels het geven van informatie en doorverwijzing.

X Noot
16

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 41.

X Noot
17

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 161.

X Noot
18

Kamerstuk 36 067, nr. 119.

X Noot
19

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 140.

X Noot
23

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 25 883, nr. 446.

X Noot
25

Wet toekomst pensioenen (36.067); brief van de Minister voor APP ter aanbieding van ontwerpbesluiten bij het wetsvoorstel toekomst pensioenen (EK, G).

X Noot
29

Kamerstukken II 2022/23, 32 043, nr. 597.

X Noot
31

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 89.

X Noot
32

Kamerstukken II 2018/2019, 32 043, nr. 457.

X Noot
33

Dit komt ook overeen met de cijfers van de Algemene Rekenkamer in het verantwoordingsonderzoek 2020 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2021/05/19/resultaten-verantwoordingsonderzoek-2020-ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid).

X Noot
35

CPB-notitie, Pensioenresultaat bij degressieve opbouw en progressieve premie, 2016.

X Noot
36

Kamerstukken II 2022/23, 36 067, nr. 128.

X Noot
37

Zie Aanhangsel Handelingen I 2015/16, nr. 2, Kamerstukken I 2016/17, 33 610, N, Kamerstukken I 2016/17, 33 610, O, Kamerstukken I 2016/17, 33 610, P, en Kamerstukken I 2018/19, 33 182, M.

X Noot
39

Kamerstukken II 2022/23, 32 043, nr. 597.

X Noot
40

Impactberekeningen Commissie Parameters 2022 door DNB en pensioenfondsen – 2022Z24922.

X Noot
41

Zie onder meer de CPB-notitie Het doorontwikkelde contract: beschrijving transitie, 2020.

X Noot
42

Onderzoek van pensioenfonds Zorg en Welzijn, zie het artikel PFZW: «Sommen wijzen erop dat nieuwe pensioen beter» werkt in het Financieel Dagblad.

X Noot
43

Impactberekeningen Commissie Parameters 2022 door DNB en pensioenfondsen (Kamerstukken I, 2023–23, 32.043, 597).

X Noot
45

Bas Werker en Sander Muns (2019), «Baten van slimme toedeling, rendementen overstijgen die van intergenerationele risicodeling», Netspar Occasional paper 2019/05.

X Noot
46

CPB-notitie, 21 juni 2017, Overgangseffecten bij afschaffing van de doorsneesystematiek.

X Noot
47

CPB-notitie, Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en

een overgang naar een vlak premiepercentage, juni 2020.

X Noot
48

Kamerstukken II 2019/20, 34 043, nr. 519.

X Noot
49

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 161.

X Noot
52

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 30.

X Noot
54

De meest recente berekeningen zijn hier te vinden: https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20221223/brief_van_de_minister_voor_app/info.

X Noot
55

Kamerstukken II, 2022–23, 36 067, nr.149.

X Noot
56

De meest recente berekeningen zijn hier te vinden: https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20221223/brief_van_de_minister_voor_app/info.

X Noot
59

Bas Werker en Sander Muns (2019), «Baten van slimme toedeling, rendementen overstijgen die van intergenerationele risicodeling», Netspar Occasional paper 2019/05.

X Noot
60

Rapport Advies Commissie Parameters, 2022, zie pagina 76.

X Noot
61

Zie ook Kamerstukken II, 2022–2023, 32 043, nr. 597, pagina 7.

X Noot
62

Amendement van leden Palland en Ceder, Kamerstukken II, 2022–23, 36 067, nr. 77.

X Noot
63

European Securities and Markets Authority (2014). Consultation Paper MiFID II/MiFIR. ESMA/2014/1570.

X Noot
64

Aegon Asset management, Pensioenakkoord uitgelegd Deel 5: Beleggingsbeleid in de nieuwe regelingen, april 2021.

X Noot
65

Ortec Finance, Opheffen leenrestrictie binnen het Nieuwe Pensioencontract lijkt free lunch, augustus 2021.

X Noot
66

Kamerstuk 33 972.

X Noot
67

Kamerstukken II,2021–2022, 36 067, nr. 3.

X Noot
68

Netspar Design paper 203 (Muns, Werker en Nijman), 2022, «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract.

X Noot
69

Netspar Design paper 203 (Muns, Werker en Nijman), 2022, «Inkomenseffecten bij en na invaren in het nieuwe pensioencontract.

X Noot
70

HvJEU 21 september 1999 (Albany); HvJEU 21 september 1999 (Brentjens); HvJEU 21 september 1999 (Drijvende Bokken).

X Noot
71

Zie bijvoorbeeld Asser-Lutjens 7-XI 2019/312, Kluwer en M. Heemskerk, Pensioenrecht, paragrafen 7.5.3.2. en 7.5.3.3, Den Haag, Boom juridisch 2020.

X Noot
72

Zie bijvoorbeeld overweging 17 bij de Richtlijn 2016/2341.

X Noot
73

Kamerstukken II, 2020/2021, 35 510, nr. 60.

X Noot
74

Kamerstukken II, 36 067, nr. 8 (bijlage bij nota van wijziging).

X Noot
75

Artikel 150l lid 7 wetsvoorstel toekomst pensioenen.

X Noot
77

Kamerstukken I, 2017/2018, 33 182, nr. L.

X Noot
79

Kamerstukken II 2022/12, 33 058, nr. 3, p. 1–2.

X Noot
80

HvJ EU 4 oktober 2018, zaak C-571/16, ECLI:EU:C:2018:807 (Kantarev).

X Noot
81

Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 25 268, nr. 202, p. 5.

X Noot
82

Uit Kantarev volgt dat een nationale norm waarin sprake is van een schuldbegrip alleen is toegestaan als dat schuldbegrip niet verder gaat dan een «voldoende kwalificeerde schending» (d.w.z. een «kennelijke en ernstige miskenning van de discretionaire bevoegdheid»), dat onderdeel is van het leerstuk van de lidstaataansprakelijkheid zoals geïntroduceerd in HvJ EG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90, ECLI:EU:C:1991:428 (Francovich) en HvJ EG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, ECLI:EU:C:1996:79 (Brasserie du Pêcheur).

X Noot
83

Centraal Planbureau, Het doorontwikkelde contract: beschrijving transitie, juni 2020.

X Noot
84

Premieovereenkomsten: van 3%- en 1,5%-staffel naar een vlakke premie, Centraal Planbureau, juni 2020.

X Noot
85

Pensioenberekeningen voor drie scenariosets, Centraal Planbureau, januari 2020.

X Noot
86

Ortec, Hogere en stabielere pensioenen dankzij solidariteitsreserve, Maart 2022, Chantal de Groot en Martin Bakker.

X Noot
87

Vergaderstukken II, 2022–2023, 36 067 nr. 120.

X Noot
88

CPB-notitie, Nieuwe pensioenregels: effecten en opties van het doorontwikkelde contract en

een overgang naar een vlak premiepercentage, juni 2020.

X Noot
89

Kamerstukken II 2019/20, 34 043, nr. 519.

X Noot
90

Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 067, nr. 161.

X Noot
91

Balter, A. en B. Werker (2021) Toedeling van rendementen met spreiding, Netspar Design paper 192.

X Noot
92

Kamerstukken II, 36 067, nr. 175.

X Noot
93

Van Hoogdalem, S. en P. van Nes (2021), Opheffen leenrestrictie binnen het Nieuwe Pensioencontract lijkt free lunch, Ortec Finance.

X Noot
94

Met ingang van het vierde kalenderjaar van vrijwillige voortzetting zal het inkomen zoals vastgesteld in het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het desbetreffende kalenderjaar gelden als het fiscaal gemaximeerde loon.

X Noot
95

Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 2, p. 192 en Kamerstukken II 2022/23, 36 067, nr. 54, p. 2.

X Noot
96

Advies Raad voor de rechtspraak, 14 juli 2022, p. 5.

X Noot
97

Zie ook Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3, blz. 119 (in verband met bindend advies van de transitiecommissie).

X Noot
99

Kamerstukken II 1994/95, 24 205, nr. 3.

Naar boven