33 605 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2012

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 15 mei 2013

Gerealiseerde begrotingsuitgaven 2012 (€ 31.898 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsuitgaven 2012 (€ 31.898 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsontvangsten 2012 (€ 2.103 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde begrotingsontvangsten 2012 (€ 2.103 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-uitgaven 2012 (€ 50.890 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premie-uitgaven 2012 (€ 50.890 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieontvangsten 2012 (€ 299 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieontvangsten 2012 (€ 299 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

Algemeen

5

     

1.

Aanbieding en dechargeverlening

5

2.

Leeswijzer

9

     

B.

Beleidsverslag

11

     

3.

Beleidsprioriteiten

11

4.

Beleidsartikelen

16

 

Artikel 41 Inkomensbeleid

16

 

Artikel 42 Arbeidsparticipatie

20

 

Artikel 43 Arbeidsverhoudingen

26

 

Artikel 44 Gezond en veilig werken

34

 

Artikel 45 Pensioenbeleid

39

 

Artikel 46 Inkomensbescherming met activering

44

 

Artikel 47 Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

62

 

Artikel 48 Sociale werkvoorziening

71

 

Artikel 49 Overige inkomensbescherming

75

 

Artikel 50 Tegemoetkoming specifieke kosten

84

 

Artikel 51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen

90

 

Artikel 52 Kinderopvang

92

5.

Niet-beleidsartikelen

99

 

Artikel 96 Apparaatsuitgaven kerndepartement

99

 

Artikel 97 Aflopende regelingen

101

 

Artikel 98 Algemeen

102

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

105

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

106

     

C.

Jaarrekening

109

     

7.

Verantwoordingsstaat

109

8.

Saldibalans

110

9.

Baten-lastendiensten

118

     

D.

Bijlagen

133

     
 

Bijlage 1: Toezichtrelaties

133

 

Bijlage 2: ZBO’s en RWT’s

135

 

Bijlage 3: Afgerond evaluatie- en overig onderzoek

137

 

Bijlage 4: Inhuur externen

139

 

Bijlage 5: SZA-kader en sociale fondsen

140

 

Bijlage 6: Lijst van gebruikte afkortingen

146

ONDERDEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik, mede namens de staatssecretaris, het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2012 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2012 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieel beheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012;

  • b. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2012 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2012, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2012 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vier onderdelen: Algemeen, Beleidsverslag, Jaarrekening en Bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • 1. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de bereikte resultaten.

  • 2. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW zijn behaald. Tevens is hier de financiële toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen realisatie en begroting.

  • 3. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van de apparaatsuitgaven kerndepartement, de afgesloten regelingen, de algemene uitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, en de onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 4. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • 1. De verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW.

  • 2. De saldibalans, met de bij dit onderdeel behorende financiële toelichting.

  • 3. De jaarverantwoording van de baten-lastendiensten van SZW: het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen.

Bijlagen

Het jaarverslag bevat zes bijlagen:

  • 1. Toezichtrelaties.

  • 2. ZBO’s en RWT’s.

  • 3. Afgerond evaluatie- en overig onderzoek.

  • 4. Inhuur externen.

  • 5. SZA-kader en sociale fondsen.

  • 6. Lijst van gebruikte afkortingen.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Accountantsverklaring en accountantscontrole

De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. Dit geldt ook voor de toelichting bij de budgettaire tabellen die in het beleidsverslag staan. De niet-financiële informatie valt niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole.

De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven vallen evenmin onder de reikwijdte van de accountantsverklaring maar wel onder de accountantscontrole. De zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) leggen verantwoording af over de rechtmatigheid van de premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven.

ESF-middelen

De programma-uitgaven voor ESF en EQUAL afkomstig van de Europese Commissie staan buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De Tweede Kamer wordt via jaarlijkse voortgangsrapportages geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het ESF-programma.

Gegevens oude jaren

In dit jaarverslag worden ook indicatoren en kengetallen gepresenteerd over jaren vóór 2012. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze gegevens kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverslagen werden gepresenteerd.

Verantwoord Begroten

Op 20 april 2011 is de Tweede Kamer akkoord gegaan met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten»1. De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. De begroting 2012 was een overgangsjaar waarin de Rijksbegroting al gedeeltelijk volgens de systematiek van Verantwoord Begroten is opgesteld. Dit jaarverslag is vormgegeven conform de voorschriften van Verantwoord Begroten, voor zover deze in de begroting 2012 al waren doorgevoerd. In de begroting van SZW betrof dit in het bijzonder de splitsing tussen programma- en apparaatsuitgaven. In dit jaarverslag 2012 zijn de apparaatsuitgaven voor de jaren 2008–2011 niet meer in de budgettaire tabellen van de beleidsartikelen opgenomen, maar in artikel 96. Hierdoor wijken de uitgaven en verplichtingen voor deze jaren in de beleidsartikelen af van de uitgaven en verplichtingen zoals vermeld in het jaarverslag 2011.

Door de nieuwe indeling kunnen in sommige tabellen geen gegevens worden opgenomen voor de jaren 2011 en eerder. Daarnaast geldt dat voor indicatoren en kengetallen die niet langer in de begroting 2013 zijn opgenomen, bij de verantwoording in dit jaarverslag wordt volstaan met het opnemen van de realisatiewaarde. Dit geldt ook voor de kengetallen op het terrein van fraude en handhaving, waarvoor in de begroting 2013 nieuwe definities zijn geïntroduceerd.

Norm voor toelichting van verschillen

Bij de budgettaire tabellen in het beleidsverslag wordt het verschil tussen de budgettaire raming uit de begroting 2012 en de realisatie voor het jaar 2012 toegelicht indien de afwijking tussen raming en realisatie groter is dan vijf procent.

Groeiparagraaf

De Algemene Rekenkamer heeft bij het jaarverslag 2011 aangedrongen op het verstrekken van meer inzicht over de netto effectiviteit van re-integratie. In 2012 zijn hiertoe in 7 Nederlandse gemeenten en bij 6 UWV-vestigingen experimenten gestart voor mensen met een WWB- en WW-uitkering. De eerste kwantitatieve resultaten konden nog niet in dit jaarverslag worden opgenomen. Deze resultaten worden in het voorjaar van 2013 verwacht. De eerste integrale rapportage aan de Tweede Kamer is voorzien voor eind 2013.

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

Nederland begon het jaar 2012 met een recessie. Na de geringe economische groei in de eerste twee kwartalen heeft de economie zich in 2012 niet verder weten te herstellen. Sinds eind 2012 bevindt Nederland zich na twee kwartalen krimp formeel opnieuw in een recessie. Over geheel 2012 is dan ook sprake van een krimp van het bbp van 0,9%. Dit ondanks dat de eurocrisis en de financiële markten in de tweede helft van 2012 in rustiger vaarwater zijn terechtgekomen. Deze krimp betreft een significante aanpassing ten opzichte van de raming van het CPB. Bij de opstelling van de begroting voor 2012 werd nog geanticipeerd op economische groei in de tweede helft van 2011 en voortzetting van deze groei in 2012 (1%).

3.2 Arbeidsmarkt in 2012

De stijging van de seizoensgecorrigeerde werkloosheid die in de tweede helft van 2011 begon, heeft zich in 2012 voortgezet. Sinds december 2011 is de werkloosheid volgens het CBS met 115.000 personen gestegen waardoor deze in december 2012 uitkomt op 571.000 personen (7,2%; nationale definitie, seizoengecorrigeerd). In vergelijking met andere Europese landen doet Nederland het – zowel op de werkloosheid in het algemeen als op de jeugdwerkloosheid specifiek – nog steeds relatief goed. De werkloosheid bedraagt ongeveer de helft van het Europees gemiddelde. Alleen Oostenrijk, Luxemburg en Duitsland doen het beter.

Het merendeel van de gestegen werkloosheid sinds midden 2011 is het gevolg van een stijging van het arbeidsaanbod (zie ter illustratie figuur 3.1). Volgens het CPB nam in 2011 en 2012 het arbeidsaanbod vooral toe door de toegenomen participatie van ouderen (55 jaar en ouder) en in mindere mate jongeren (15–24 jaar). De toegenomen participatie van ouderen is te verklaren doordat zij later met pensioen gaan en doordat de participatiestijging van vrouwen uit het verleden vertraagd doorwerkt2.

Dit verslagjaar onderscheidt zich echter van 2011 doordat, naast een gestegen arbeidsaanbod, ook sprake is van een afname van de werkgelegenheid. Gemiddeld waren er in 2012 15.000 minder banen dan in 2011 (totaal 2012: 9.244.000) en viel ook het aantal ontstane vacatures 108.000 lager uit. Ondanks de crisis is er echter nog steeds sprake van dynamiek op de arbeidsmarkt. Zo hebben in 2012 679.000 mensen een nieuwe baan geaccepteerd.

Evenals de raming van de economische groei bleek ook de door het CPB geraamde werkloosheid te positief. Waar werd uitgegaan van een werkloosheid in 2012 van 5¼%, is deze uitgekomen op 6,4%. Naast het extra aanbod op de arbeidsmarkt en de lichte afname van de werkgelegenheid is ook het aantal gewerkte uren in 2012 licht afgenomen.

Figuur 3.1: Ontwikkeling werkloosheid en beroepsbevolking in 2010 tot en met 2012 (aantal personen x 1.000, voor seizoen gecorrigeerd, Nederlandse definitie)

Figuur 3.1: Ontwikkeling werkloosheid en beroepsbevolking in 2010 tot en met 2012 (aantal personen x 1.000, voor seizoen gecorrigeerd, Nederlandse definitie)

Bron: CBS, Statline

3.3 Koopkracht

De ontwikkeling van de statische koopkracht3 viel voor het derde jaar op rij negatief uit. Over 2012 bedraagt de mediane koopkrachtontwikkeling volgens het CPB – 2,5%. Dit wordt voor een deel veroorzaakt door het achterblijven bij de inflatie van de contractloonontwikkeling en de pensioenindexering. Waar de gemiddelde inflatie in 2012 volgens het CBS 2,5% bedraagt, zijn de contractlonen in de marktsector gemiddeld met 1,7% gestegen en zijn de aanvullende pensioenen gemiddeld niet veranderd (0%).

Figuur 3.2 Ontwikkeling inflatie en Cao loonstijging

Figuur 3.2 Ontwikkeling inflatie en Cao loonstijging

In tabel 3.1 zijn voor de meest relevante kerngegevens de prognoses van de begroting (MEV 2012; gepubliceerd september 2011) vergeleken met de realisatie (CEP 2013).

Tabel 3.1 Kerngegevens 2012: verwachting versus realisatie
 

MEV 2012

CEP 2013

Economische groei (%)

1

– 0,9

Contractloon marksector (%)

2

1,7

Consumentenprijsindex (%)

2

2,5

Koopkracht, mediaan, alle huishoudens (%)

– 1

– 2,5

Werkgelegenheid in arbeidsjaren, marktsector (%)

– ¼

– 0,4

Werkloosheid (% van de beroepsbevolking; internationale definitie)

5,3

Werkloosheid (% van de beroepsbevolking; nationale definitie)

6,4

Arbeidsproductiviteit marktsector (%)

– 1,4

EMU–saldo (% van het bbp)

– 2,9

– 4,0

EMU-schuld (% van het bbp)

65,6

71,4

3.4 Beleidsmaatregelen

Een aantal in de begroting 2012 aangekondigde wetsvoorstellen is gerealiseerd. Een belangrijke maatregel die per 1 januari 2012 is ingegaan is het afbouwen van de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon. Deze maatregel voorkomt dat de bijstandsuitkering hoger wordt dan het wettelijk minimumloon. Hierdoor wordt de armoedeval voor bijstandsgerechtigden verkleind.

Andere maatregelen uit de begroting 2012 die volgens het voorgenomen tijdpad zijn getroffen betreffen het niet indexeren van het kindgebonden budget, het niet langer uitzonderen van de MKOB (voorheen AOW-tegemoetkoming) van de middelentoets AIO voor bijstandsgerechtigden met een onvolledige AOW-opbouw, en de wijziging van de ingangsdatum van de AOW-uitkering naar de dag van de verjaardag. Ter ondersteuning van de koopkracht van gezinnen met kinderen en met een (beneden) modaal inkomen heeft een verschuiving plaatsgevonden van middelen van de AKW naar de WKB.

De in de begroting 2012 aangekondigde verscherping van de fraudewet heeft een half jaar vertraging opgelopen. Deze wet levert besparingen op door fraude van burgers en bedrijven steviger aan te pakken.

De maatregelen die werden genomen om de export van uitkeringen te beperken hebben in 2012 er toe geleid dat de Europese Commissie een met redenen omkleed advies heeft uitgebracht met betrekking tot de exporteerbaarheid van de MKOB en de Wtcg.

De twee door het kabinet Rutte/Verhagen op het terrein van SZW benoemde en in de begroting 2012 aangekondigde hervormingsvoorstellen zijn niet volgens planning gerealiseerd. Deze hervormingsvoorstellen betroffen vanwege het fundamentele karakter van de voorstellen de volledige kabinetsperiode 2012–2015 en niet louter het begrotingsjaar 2012 waarop dit jaarverslag terugblikt. De Wet Werken naar Vermogen is na de val van het kabinet Rutte/Verhagen controversieel verklaard. Daardoor bleven de Wajong en Wsw onveranderd. De hiermee gepaard gaande besparingsverliezen werden beperkt door de vrijval van de gereserveerde middelen, van de herstructureringsfaciliteit en van een deel van de mobiliteitsbonussen.

Het tweede hervormingsvoorstel betrof de AOW en het stelsel van aanvullende pensioenen. Ook de maatregelen op dit terrein zijn niet conform verwachting gerealiseerd. Het tussen het toenmalige kabinet en de sociale partners bereikte Pensioenakkoord is tot stand gekomen op een moment dat het kabinet er op kon vertrouwen dat het voorgenomen ombuigingspakket voldoende zou zijn om de overheidsfinanciën weer op orde te brengen en de economie uit de crisis te laten komen. Het is echter begin 2012 duidelijk geworden dat de overheidsfinanciën er slechter voor staan dan werd verwacht en dat aanvullende maatregelen nodig waren.

3.5 Budgettaire ontwikkelingen

Het jaar 2012 is afgesloten met een overschrijding van het uitgavenkader van SZW met € 0,1 miljard. Deze overschrijding is het saldo van een aantal mee- en tegenvallers, enkele ombuigingen en een kasschuif. Tegenvallers zijn opgetreden bij de WW- en de bijstandsuitgaven. Daar staan meevallers tegenover bij onder andere de kinderopvangtoeslag en ZW/WAZO.

Voor meer informatie over de budgettaire ontwikkelingen wordt verwezen naar bijlage 5 van dit jaarverslag.

3.6 Beleidsdoorlichtingen

Tabel 3.2 Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Toelichting

41 Inkomensbeleid

 

X

 

Tweede Kamer, 30 982, nr. 7

         

42 Arbeidsparticipatie

 

X

 

Tweede Kamer, 30 982, nr. 8

         

43 Arbeidsverhoudingen

       
         

44 Gezond en veilig werken

   

X

Tweede Kamer, 25 883, nr. 209

         

45 Pensioenbeleid

       
         

46 Inkomensbescherming met activering

 

X

 

Tweede Kamer, 32 716, nr. 1

         

47 Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

       
         

48 Sociale werkvoorziening

       
         

49 Overige inkomensbescherming

X

   

Tweede Kamer, 30 982, nr. 6

         

50 Tegemoetkoming specifieke kosten

       
         

51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen

       
         

52 Kinderopvang

       

Beleidsdoorlichting pensioenbeleid (artikel 45)

Door de drukte op het gebied van de aanvullende pensioenen is de toezegging van verzending in 2012 niet gehaald. Verzending zal voor de zomer van 2013 plaatsvinden. De beleidsdoorlichting kijkt terug op het beleid dat de afgelopen periode is gevoerd. Ook gaat het onderzoek in op vragen die aan de orde zijn in het licht van de maatschappelijke houdbaarheid van het huidige stelsel.

Beleidsdoorlichting Nabestaanden (onderdeel artikel 49)

De doorlichting zou aanvankelijk, zoals aangekondigd in de begroting 2013, in 2012 naar de Tweede Kamer worden verzonden. Dit is niet gelukt doordat de doorlichting pas in 2012 een definitieve vorm heeft gekregen. De doorlichting is eind februari aan de Tweede Kamer verzonden4.

4. BELEIDSARTIKELEN

41 Inkomensbeleid

Artikel

Zorgdragen voor een activerende en evenwichtige inkomensontwikkeling

Algemene doelstelling

Motivering

Om financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden en te verbeteren en tegelijkertijd een evenwichtige inkomensontwikkeling te bereiken.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De inkomensontwikkeling is over de hele linie negatiever dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2012. Dit wordt voor het grootste deel verklaard door een hogere inflatie en een lagere loonontwikkeling. Ook de nominale premie voor de zorgverzekeringswet is hoger uitgevallen dan waar ten tijde van de begroting mee werd gerekend. De financiële prikkels voor werkaanvaarding zijn nagenoeg gelijk aan de in de begroting geraamde ontwikkeling.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • De financieel-economische situatie en daarmee de mogelijkheden om negatieve effecten te compenseren;

  • Algemene factoren zoals loon- en prijsontwikkeling.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen afzonderlijke prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de indicatoren voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 41.1 Begrotingsuitgaven artikel 41 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

283

715

123

129

90

772

– 682

Uitgaven

169

352

321

205

194

822

– 628

               

Programma uitgaven

169

352

321

205

194

822

– 628

               

Operationele Doelstelling 2

             

Subsidies

12

40

40

9.041

0

5

– 5

Overig

157

312

281

304

194

817

– 623

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De gerealiseerde uitgaven op dit artikel zijn € 0,6 miljoen lager dan in de begroting 2012 is vastgelegd. Deze lagere uitgaven zijn veroorzaakt doordat:

  • De bijdrage van SZW aan het nationaal panel chronisch zieken en gehandicapten (€ 0,25 miljoen) is overgeboekt naar het ministerie van VWS en niet meer op de begroting van SZW wordt verantwoord;

  • De voorziene bijdrage van SZW aan het interdepartementale beleidsonderzoek «Ouderen» van het ministerie van Financiën (€ 0,05 miljoen) niet heeft plaatsgevonden;

  • Er een bedrag aan onderzoekgelden (€ 0,3 miljoen) onbenut is gebleven.

1 Het bereiken van een zo evenwichtig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling

Operationele doelstelling

Motivering

Om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Doelbereiking

De inkomensontwikkeling is over de hele linie negatiever dan in de begroting 2012 geraamd.

  • Generiek koopkrachtbeeld in de vorm van een standaard koopkrachtoverzicht;

  • Specifieke inkomenseffecten van afzonderlijke maatregelen die niet in het generieke koopkrachtbeeld tot uitdrukking komen.

Instrumenten

Activiteiten

In de begroting 2012 zijn de beleidsmaatregelen voor 2012 opgenomen. Na publicatie van de begroting is het bedrag van het kindgebonden budget voor het eerste kind bij nota van wijziging lager (€ 44 per jaar) vastgesteld dan waar tijdens het opstellen van de begroting mee is gerekend. Deze verlaging was nodig om voor het derde kind een bedrag van € 183 per jaar en voor het vierde kind en volgende kinderen een bedrag van € 106 per jaar in te voeren. Hierdoor wordt in het kindgebonden budget ook rekening gehouden met grote gezinnen, conform het amendement van de heer Dijkgraaf5.

Doelgroepen

De verschillende inkomensgroepen met bijzondere aandacht voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Realisatie meetbare gegevens

De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 41.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten-)premies en kinderbijslag.

De standaardgroepen zijn er in 2012 tussen de ¾% en de 3% op achteruit gegaan. Dit is tussen – ½ en – 1¼ procentpunt negatiever dan verwacht bij het opstellen van de begroting.

Deze verslechtering wordt voor het grootste deel verklaard door een hogere inflatie (2½% in plaats van 2% waarmee werd gerekend) en een lagere loonontwikkeling (1¾% in plaats van 2% waarmee werd gerekend). Andere factoren zijn onder meer het lager dan geraamde bedrag van het kindgebonden budget voor het eerste kind, de hogere nominale premie voor de zorgverzekeringswet en de lagere pensioenpremie.

Tabel 41.2 Indicatoren operationele doelstelling 1: koopkrachteffecten (in %)

Actieven

Realisatie 2012

Raming 2012

Alleenverdiener met kinderen

   

modaal

– 2 ½

– 1 ½

2 x modaal

– 3

– 2

Tweeverdieners

   

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

0

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ¾

– ¾

modaal + modaal zonder kinderen

– 1

0

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 2

– 1

Alleenstaande

   

minimumloon

– 1 ¼

– ½

modaal

– 1 ¼

– ¼

2 x modaal

– 2 ½

– 1 ½

Alleenstaande ouder

   

minimumloon

– 1 ¾

– 1

modaal

– 1 ¼

– ¼

Inactieven

Realisatie 2012

Raming 2012

Sociale minima

   

paar met kinderen

– 2 ½

– 1 ½

alleenstaande

– 1 ¾

– 1 ¼

alleenstaande ouder

– 2

– 1 ¼

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

– 1 ¼

– ½

AOW + € 10.000

– 1 ¼

– ¾

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

– 1 ¾

– 1

AOW + € 10.000

– 1 ¾

– 1

Bron: SZW-berekeningen

2 In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding

Operationele doelstelling

Motivering

Bijdragen aan een activerend inkomensbeleid.

Doelbereiking

De realisatie van de armoedeval komt nagenoeg overeen met de geraamde cijfers.

Instrumenten

Zie de instrumenten die genoemd worden onder doelstelling 1.

Activiteiten

In de begroting voor 2012 zijn de beleidsmaatregelen voor 2012 opgenomen die invloed hebben op de financiële prikkels voor werkaanvaarding. Zie verder de beschrijving van de activiteiten die genoemd worden onder doelstelling 1.

Doelgroepen

Huishoudens die door een hogere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 41.3 presenteert indicatoren voor de ontwikkeling van de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval. De werkloosheidsval geeft de inkomensvooruitgang aan bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. De herintredersval is de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk door de niet-werkende partner. De deeltijdval wordt gemeten als de inkomensvooruitgang bij één dag extra werken door de minstverdienende partner.

Tabel 41.3 Indicatoren operationele doelstelling 2 (in %)
 

Realisatie 2012

Raming 2012

Verschil

Werkloosheidsval

     

(inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand) 1

     

Aanvaarden werk op minimumloonniveau

     

Alleenverdiener met kinderen

3

3

0

Alleenstaande

14

14

0

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

– 5

– 5

0

Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau

     

Alleenverdiener met kinderen

4

4

0

Alleenstaande

22

22

0

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

3

4

– 1

Herintredersval

     

(inkomensvooruitgang bij 2½ dag werken door niet-werkende partner) 2

     

Hoofd minimumloon, partner minimumloonniveau

9

9

0

Hoofd 120% minimumloon, partner 120% minimumloonniveau

18

18

0

Deeltijdval minstverdienende partner

     

(inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werken) 2

     

Hoofd minimumloon

     

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

6

6

0

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

5

5

0

Hoofd modaal

     

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

7

8

– 1

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

5

5

0

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk

(120% minimumloonniveau)

7

7

0

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk

(120% minimumloonniveau)

6

7

– 1

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (modaal niveau)

11

11

0

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (modaal niveau)

6

7

– 1

Bron: SZW-berekeningen

X Noot
1

Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld.

X Noot
2

Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar.

42 Arbeidsparticipatie

Artikel

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Motivering

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt, creëert SZW via wet- en regelgeving, ondersteuning van gemeenten, aansturing van uitvoeringsorganisaties en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren. Deze voorwaarden hebben in hun samenhang betrekking op het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie, het verhogen van het scholingsniveau van de beroepsbevolking en het bevorderen van gelijke kansen op arbeidsdeelname.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking 20–64 jaar. Anders dan bij de netto arbeidsparticipatie worden bij de bruto arbeidsparticipatie de werklozen meegeteld. De bruto arbeidsparticipatie is daarmee het arbeidsaanbod.

In 2012 was er sprake van economische krimp en liep de werkloosheid op. De oplopende werkloosheid wordt veroorzaakt door een groei in de beroepsbevolking. De werkzame beroepsbevolking is in 2012 nauwelijks afgenomen ten opzichte van 2011. Een toename van het arbeidsaanbod is opvallend in een tijd van economische krimp. De stijging van het arbeidsaanbod doet zich vooral voor bij ouderen (45–65 jaar) en in mindere mate bij jongeren (15–25 jaar). Mogelijk bieden ouderen zich opnieuw op de arbeidsmarkt aan vanwege de toegenomen onzekerheid.

Externe factoren

Ontwikkelingen op de Nederlandse arbeidsmarkt volgen de ontwikkelingen in de Nederlandse economie, die vervlochten is met de Europese economie. De Nederlandse economie is in 2012 gekrompen.

Realisatie meetbare gegevens

De bruto arbeidsparticipatie van 20–64 jarigen is in 2012 77%. In 2011 was dit nog 76%. Van 2011 op 2012 is er dus sprake van een stijging van het arbeidsaanbod.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Bruto arbeidsparticipatie 20–64 jaar (% > 12 uur werkt of wil werken)1

76

76

77

<>2

Participatie in voltijdsequivalenten (fte)3

61,0

61,4

61,1

<>4

Bronnen:

1 CPB, Centraal Economisch Plan.

2 Streefpercentage 2020 is 80.

3 SZW-berekeningen op basis van gegevens CPB en CBS. De prestatie-indicator geeft het netto participatiecijfer vermenigvuldigd met de Nederlandse deeltijdfactor weer.

4 Streefcijfer 2020 is 62,5 fte.

Tabel 42.2 Kengetallen algemene doelstelling
 

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie

2012

Netto-arbeidsparticipatie 15–64 jaar (%)1

67,1

67,2

67,2

Netto arbeidsparticipatie ouderen (55–64 jaar) (%)1

48,7

51,0

53,4

Netto-arbeidsparticipatie vrouwen (%)1

59,7

60,2

60,6

Netto-arbeidsparticipatie etnische minderheden (%)1

52,8

53,5

53,1

Werkloosheid (%)1

5,4

5,4

6,4

Percentage werkloze niet-schoolgaande jongeren (18–26 jaar) wet WIJ2

8,7

7,6

9,23

Bronnen:

1 CBS, Statline.

2 Berekening SZW op basis van CBS, EBB kernprogramma.

3 Wet WIJ is per 1 januari 2012 opgegaan in de WWB. Het betreft een voorlopig cijfer.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42.3 Begrotingsuitgaven artikel 42 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

9.668

11.176

16.298

10.591

1.599

1.235

364

Uitgaven

7.296

12.822

17.231

7.171

859

1.123

– 264

               

Programma uitgaven

7.296

12.822

17.231

7.171

859

1.123

– 264

               

Operationele Doelstelling 2

             

Scholing en EVC

0

220

1.837

50

656

0

656

               

Operationele Doelstelling 31

             

Stimulering Arbeidsparticipatie

7.296

5.954

5.931

2.386

0

0

0

Jeugdwerkloosheid

0

5.117

7.375

3.340

0

0

0

Overig

0

1.531

2.088

1.395

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 4

             

Subsidies

0

0

0

0

0

678

– 678

Overig

0

0

0

0

203

445

– 242

               

Ontvangsten

28.100

20.624

17.444

20.697

0

0

0

X Noot
1

Operationele doelstelling 3 is met ingang van de begroting 2012 vervallen.

Toelichting

De in het kader van de economische crisis getroffen tijdelijke arbeidsmaatregelen Scholing en EVC zijn eind 2011 beëindigd. In 2012 is nog € 0,7 miljoen uitgegeven aan trajecten die eind 2011 zijn gestart, maar pas in 2012 afgerekend. De onder operationele doelstelling 4 gereserveerde budgetten zijn grotendeels onbenut gebleven. Uit het budget «Overig» is de Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen betaald. In 2012 zijn geen aanvragen voor subsidies gehonoreerd.

Tabel 42.4 Premiegefinancierde uitgaven artikel 42 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Uitgaven

1.136.758

1.207.343

– 70.585

               

Programma uitgaven

1.136.758

1.174.687

– 37.929

               

Operationele Doelstelling 4

             

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitkeringslasten

1.110.398

1.147.501

– 37.103

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitvoeringskosten

26.360

27.186

– 826

               

Nominaal

0

32.656

– 32.656

               

Ontvangsten

0

0

0

De uitkeringslasten voor zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn in 2012 € 37 miljoen lager dan geraamd. Er zijn bijna 6.000 minder uitkeringen verstrekt dan bij begroting geraamd, waardoor de uitkeringslasten lager waren. Dit hangt samen met een lager aantal geboorten in 2012. De gemiddelde uitkering is per saldo op het geraamde bedrag uitgekomen.

Tabel 42.5 Fiscale uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)
 

2008

2009

2010

2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Algemene doelstelling

             

Vitaliteit: doorwerken

746

882

528

519

9

Vitaliteit: mobiliteit

103

197

178

410

– 232

Vitaliteit: loopbaanfaciliteiten

160

160

160

160

0

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

13

2

2

1

1

2

– 1

Premievrijstellling oudere werknemers

1.020

939

807

652

487

487

0

               

Operationele doelstelling 2

             

Afdrachtvermindering onderwijs

291

348

377

389

377

372

5

               

Operationele doelstelling 4

             

Ouderschapsverlofkorting

28

62

61

86

87

63

24

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst

Toelichting

De fiscale uitgaven aan het onderdeel mobiliteit van het vitaliteitspakket zijn lager dan begroot. Door de economische crisis worden er minder oudere uitkeringsgerechtigden in dienst genomen. Hierdoor zijn de fiscale uitgaven aan premiekortingen lager dan begroot.

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Operationele doelstelling

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang.

Doelbereiking

De reële arbeidskosten zijn in 2012 gestegen met 0,5%6. Dit is in vergelijking met de stijging in 2011 (1,8%) een beheerste ontwikkeling.

  • Beheersing van belastingen en premies die ten laste komen van het arbeidsinkomen. Hiermee wordt voorkomen dat belasting- en premiedruk worden afgewenteld en tot hogere arbeidskosten leiden;

  • Bevorderen dat sociale partners goede afspraken maken over een verantwoorde contractloonontwikkeling.

Instrumenten en activiteiten

Doelgroepen

Burgers en bedrijven.

Wig

Realisatie meetbare gegevens

De gemiddelde wig op het arbeidsinkomen (d.w.z. het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon als percentage van de loonkosten) is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De ontwikkeling van de wig hangt samen met veranderingen in het belasting- en premiestelsel. De wig is in 2012 0,3 procentpunt toegenomen tot 43,7%.

Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Ontwikkeling arbeidskosten t.o.v. eurogebied (%)

– 0,6

– 2,3

n.b.1

1,75

Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)

43,0

43,4

43,7

<>

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

X Noot
1

Cijfer niet door CPB gepubliceerd.

Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product industrie

     

Nederland (%)

– 6,9

– 1,9

n.b.1

Euroconcurrenten (%)

– 6,3

0,4

n.b.1

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

X Noot
1

Cijfer niet door CPB gepubliceerd.

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Operationele doelstelling

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen, is het van belang dat meer mensen een startkwalificatie behalen. Een startkwalificatie (MBO-2 of HAVO-VWO) vergroot de kans op duurzaam werk.

Doelbereiking

In 2012 had 78 procent van de beroepsbevolking (25–64 jaar) een startkwalificatie. Dat is gelijk aan 2011.

  • In het kader van duurzame inzetbaarheid is in 2012 gewerkt aan meer bekendheid onder werkgevers met het instrument Erkenning van Verworven Competenties (EVC).

  • De leerwerkloketten adviseerden in 2012 bedrijven en individuen onder meer over mogelijkheden om een startkwalificatie te behalen. Daarbij is ook ingegaan op de mogelijke fiscale tegemoetkoming scholingskosten ten behoeve van werkgevers en werknemers.

Instrumenten en activiteiten

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 42.8 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Aandeel in de beroepsbevolking

(25–64 jaar) met startkwalificatie (%)

79

78

78

<>

Bron: SZW-berekeningen op basis van CBS, EBB kernprogramma. Het cijfer voor 2012 is voorlopig.

4 Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname

Operationele doelstelling

Motivering

Waarborgen dat een ieder gelijke mogelijkheden heeft voor arbeidsdeelname door het wegnemen van praktische belemmeringen bij de combinatie arbeid en zorg en door het bieden van een wettelijk instrumentarium gericht op gelijke behandeling bij arbeid.

Doelbereiking

Het aandeel werknemers dat gezinsactiviteiten verwaarloost vanwege het werk is in 2012 verder gedaald naar 8,6% en bevindt zich onder de streefwaarde van 9,1%. Het doel is dus bereikt.

Het aandeel werknemers dat werk verwaarloost als gevolg van gezinsactiviteiten is in 2012 gestegen ten opzichte van 2011 maar bevindt zich nog onder het niveau van 2010 en tevens beneden de streefwaarde. Ook in dit opzicht is het doel dus bereikt.

  • Wet arbeid en zorg;

  • Wet aanpassing arbeidsduur;

  • Levensloopregeling;

  • Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

  • Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur;

  • Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid;

  • Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers;

  • College voor de Rechten van de Mens;

  • Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen;

  • Het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt door middel van voorlichting, onderzoek en overleg met sociale partners.

Instrumenten en activiteiten

  • Werkgevers, (potentiële) werknemers en hun vertegenwoordigers;

  • Relevante belangenorganisaties en organisaties van professionals;

  • Zelfstandigen (in verband met zwangerschapsuitkering).

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Indicator is het aandeel werknemers dat moeite heeft met de combinatie arbeid en zorg. Deze indicator is samengesteld uit de percentages werkenden die melden vaak of zeer vaak hetzij familie- of gezinsactiviteiten te missen of te verwaarlozen als gevolg van het werk of – omgekeerd – werkzaamheden te missen of te verwaarlozen als gevolg van familie- en gezinsverantwoordelijkheden.

Tabel 42.9 Indicatoren operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Aandeel werknemers met moeite combinatie arbeid-zorg

       

• Verwaarloost gezinsactiviteiten door werk

9,1%

8,7%

8,6%

≤ 9,1%

• Verwaarloost werk door gezinsactiviteiten

2,3%

2,0%

2,1%

≤ 2,3%

Bron: TNO/CBS, Nationale enquête arbeidsomstandigheden

Als kengetal voor de arbeidspositie van vrouwen worden de – ongecorrigeerde – beloningsverschillen gehanteerd. Omdat het onderzoek om het jaar plaatsvindt, zijn er geen actuelere cijfers dan over 2010.

Tabel 42.10 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2008

Realisatie 2010

Ongecorrigeerde beloningsverschillen (%)

   

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 22

– 20

Verschil man-vrouw overheid

– 15

– 13

Bron: CBS, Gelijk loon voor gelijk werk? Banen en lonen bij overheid en bedrijfsleven 2010

De kengetallen over het gebruik van de diverse verlofregelingen betreffen het aantal toekenningen van een uitkering respectievelijk het aantal gebruikers. Het aantal geboorten is in Nederland in 2012 gedaald. Dat is terug te zien in een daling van het aantal zwangerschapsuitkeringen aan werknemers. De stijging van het aantal toekenningen aan zelfstandigen kan gedeeltelijk worden verklaard uit een administratieve achterstand die in 2012 is opgelost. Daarnaast neemt het aantal zelfstandigen in Nederland toe en neemt ook de bekendheid van de regeling toe.

Tabel 42.11 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1.000)

     

Aantal toekenningen werknemers1

137

136

134

Aantal toekenningen zelfstandigen1

7,4

7,6

9,9

Adoptieverlof (x 1.000)

     

Aantal toekenningen werknemers1

1,3

1,2

1,1

Ouderschapsverlof (x 1.000)

     

Aantal werknemers met ouderschapsverlof (betaald en onbetaald)2

160

n.b.

Aantal ontvangers ouderschapsverlofkorting3

72

n.b.

n.b.

Levensloopregeling (x 1.000)

     

Aantal actieve deelnemers4

239

235

n.b.

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag.

2 CBS, EBB module Arbeid en Zorg. In 2012 heeft geen meting plaatsgevonden.

3 Ministerie van Financiën, Belastingdienst. De verwachting is dat in augustus 2013 het beeld voor 2011 bekend is.

4 CBS, EBB module Levensloop. Vanwege het aflopen van deze regeling zal geen meting meer plaatsvinden.

43 Arbeidsverhoudingen

Artikel

Zorgdragen voor een flexibel instrumentarium voor moderne arbeidsverhoudingen en voorwaarden

Algemene doelstelling

Motivering

Om bij te dragen aan evenwichtige arbeidsverhoudingen, waarbij werknemers een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming wordt geboden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkelingen en dat sociale partners voldoende ruimte biedt voor eigen verantwoordelijkheid.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het instrumentarium op het terrein van arbeidsverhoudingen biedt functionerende kaders voor de totstandkoming op verschillende niveaus van moderne arbeidsrelaties tussen (organisaties van) werkgevers en werknemers. Tevens zorgt het instrumentarium voor een niveau van rechtsbescherming dat een adequaat evenwicht vormt tussen de belangen van werkgevers en werknemers en bijdraagt aan de arbeidsparticipatie van zowel degenen die al op de arbeidsmarkt participeren, als voor degenen die de arbeidsmarkt willen betreden.

Externe factoren

De effectiviteit van het stelsel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop het instrumentarium wordt toegepast door de direct betrokken partijen van werkgevers en werknemers, anderzijds door algemene ontwikkelingen, zoals de economische situatie die zijn weerslag heeft op de arbeidsmarkt.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 43 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd en omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 43.1 Begrotingsuitgaven artikel 43 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

5.241

4.558

3.469

1.634

912

4.189

– 3.277

Uitgaven

4.174

4.907

3.806

1.796

1.214

4.189

– 2.975

               

Programma uitgaven

4.174

4.907

3.806

1.796

1.214

4.189

– 2.975

               

Algemene Doelstelling

             

Handhaving

283

487

176

236

175

553

– 378

Overig

816

751

1.924

1.024

786

2.912

– 2.126

               

Operationele Doelstelling 1

             

Subsidies

427

291

307

211

235

515

– 280

Overig

168

26

85

117

1

209

– 208

               

Operationele Doelstelling 2

             

Subsidies

0

0

0

0

17

0

17

Voorlichting

320

0

0

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 31

             

Overig

1.078

2.876

904

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 41

             

Subsidies

818

251

207

0

0

0

0

Overig

264

225

203

208

0

0

0

               

Ontvangsten

711

760

694

614

22.299

21.878

421

X Noot
1

De operationele doelstellingen 3 en 4 zijn met ingang van de begroting 2012 vervallen.

Programma uitgaven

Toelichting

De in de begroting 2012 gereserveerde middelen zijn niet volledig benut. De lagere uitgaven op de algemene doelstelling zijn onder andere ontstaan door het met een jaar uitstellen van een voorlichtingscampagne. Daarnaast hebben enkele activiteiten geen doorgang gevonden en waren anderen goedkoper dan begroot.

De lagere uitgaven op het subsidiebudget van operationele doelstelling 1 hangen samen met het niet tijdig binnenkomen van enkele subsidieaanvragen, waardoor (nog) geen vaststelling heeft plaatsgevonden. Onderuitputting op de post »Overig» hangt samen met vertraging van een ICT–project.

Ontvangsten

De ontvangsten hebben betrekking op de boeteopbrengsten van de WAV, welke met ingang van de begroting 2012 van artikel 42 naar dit artikel zijn overgeheveld.

Op dit ontvangstenartikel is € 2,6 miljoen van het amendement Spekman7 als taakstellende ontvangsten opgenomen. Deze is niet gerealiseerd zoals toegelicht in het jaarverslag SZW 2011 (de boeteopbrengsten waren niet toereikend om de beoogde personele uitbreiding te financieren). Daarnaast zijn de ontvangsten in de Voorjaarsnota met € 1,06 miljoen naar beneden bijgesteld vanwege de vertraagde invoering van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (fraudewet) en in het najaar op basis van de gerealiseerde ontvangsten (vanwege hogere gemiddelde boetes en inning van meer boetes) met € 3 miljoen verhoogd.

Tabel 43.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 43 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Uitgaven

1.000.000

1.122.000

1.112.000

1.148.886

               

Programma uitgaven

1.000.000

1.122.000

1.112.000

1.148.886

               

Operationele Doelstelling 3

             

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitkeringslasten

985.000

1.093.000

1.086.000

1.120.886

Zwangerschaps-, bevallings-, en adoptieverlof uitvoeringskosten

15.000

29.000

26.000

28.000

               

Nominaal

0

0

0

0

               

Ontvangsten

0

0

0

0

Toelichting

De operationele doelstelling 3 is met ingang van de begroting 2012 vervallen in artikel 43 en opgenomen als onderdeel van operationele doelstelling 4 «Zorgdragen voor gelijke mogelijkheden voor arbeidsmarktdeelname» in artikel 42 van deze begroting.

1 Het bevorderen van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen

Operationele doelstelling

Motivering

Stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen bevorderen door:

  • Het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en collectieve arbeidsvoorwaardenvorming te regelen;

  • Het grondwettelijke recht op medezeggenschap door werknemers te regelen, te waarborgen en te bevorderen;

  • Een adequate overlegstructuur tussen het kabinet en sociale partners in stand te houden ten behoeve van onderlinge beleidsafstemming, coördinatie op sociaal en sociaaleconomisch terrein en om zoveel mogelijk draagvlak te verkrijgen voor het kabinetsbeleid.

  • De sociale partners hebben in 2012 veelvuldig gebruik gemaakt van de instrumenten cao en avv. In totaal zijn er 196 bedrijfstakcao’s en 504 ondernemingscao’s afgesloten voor in totaal ongeveer 6 miljoen werknemers.

  • Op 19 december 2012 heeft het kabinet overleg gevoerd met centrale werkgevers- en werknemersorganisaties, vertegenwoordigd in de Stichting van de Arbeid. In dit overleg is gesproken over de huidige economische situatie en de arbeidsmarkt. Daarbij is ingegaan op urgente problemen die om actie van sociale partners en kabinet vragen: de bouwsector, de oudere werklozen en de jeugdwerkloosheid. Tevens is verkennend gesproken over de in het Regeerakkoord Rutte/Asscher opgenomen voornemens voor structurele aanpassingen op het terrein van de arbeidsmarkt: ontslagbescherming, WW, flexibele arbeid, Participatiewet, quotum voor arbeidsgehandicapten en het fiscale kader voor de pensioenen.

Doelbereiking

  • Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), Wet op het Algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en Wet op de loonvorming;

  • Wet op de bedrijfsorganisatie;

  • Wet op de ondernemingsraden (WOR), Wet op de Europese ondernemingsraden en Wet rol werknemers Europese vennootschap;

  • Overleg tussen werkgevers- en werknemersorganisaties en de overheid, waaronder het voor- en najaarsoverleg tussen het kabinet en de Stichting van de Arbeid;

  • Subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen.

Instrumenten

  • In 2012 zijn conform de begroting de ministeriële taken op grond van de Wet cao en de Wet avv, het onderhouden van een adequate overlegstructuur tussen kabinet en sociale partners en de uitvoering subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen uitgevoerd.

  • De Kamer is geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen van de Wet op de ondernemingsraden8. In lijn met het unanieme SER-advies zal de WOR-heffing worden afgeschaft. In 2012 is het wetsvoorstel hiervoor ingediend bij de Tweede Kamer9.

  • Op het terrein van de medezeggenschap werd in overleg met de sociale partners een wetswijziging voorbereid over de financiering van de scholing van ondernemingsraadleden.

  • In 2012 zijn in het Regeerakkoord Rutte/Asscher afspraken gemaakt over het opheffen van het stelsel van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en het onderbrengen van enkele publieke taken bij het ministerie van Economische Zaken vanaf 2014. Om deze reden is de verantwoordelijkheid voor de afbouw van het stelsel neergelegd bij de minister van Economische Zaken.

  • In 2012 heeft het kabinet Rutte/Verhagen een brief10 aan de Tweede Kamer gezonden over het dispensatiebeleid bij het algemeen verbindend verklaren van cao's met een voorstel om de transparantie rondom de dispensatieregels te verbeteren. Daarnaast is de SER om advies gevraagd11 over het draagvlak van cao's.

Activiteiten

  • Sociale partners (werkgevers en werknemers) en hun organisaties;

  • Zelfstandigen zonder personeel;

  • Ondernemingsraden en Europese ondernemingsraden;

  • (Hoofd)product- en (hoofd)bedrijfschappen en de SER.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn, zoals is geconcludeerd in de beleidsdoorlichting Arbeidsverhoudingen12, moeilijk objectief meetbaar. Er zijn daarom geen indicatoren geformuleerd. De gehanteerde kengetallen geven inzicht in de mate waarin de sociale partners gebruik maken van het instrumentarium voor vormgeving van de arbeidsverhoudingen:

  • Het gebruik van de instrumenten van cao en avv varieert door de jaren heen, mede afhankelijk van factoren als het sociaaleconomisch klimaat;

  • Het aandeel ondernemingsraadplichtige ondernemingen met OR.

Het aantal in 2012 geldende cao's ligt met 700 op het niveau van de voorafgaande jaren.

Het aantal door avv gebonden werknemers is in 2012 gedaald tot 501.500. Dit aantal fluctueert door de jaren omdat er periodes zijn waarin er minder cao’s worden afgesloten.

Tabel 43.3 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

cao/avv

     

Aantal bedrijfstak-cao’s

188

185

196

Aantal direct gebonden werknemers

4.954.200

4.869.000

4.951.000

Aantal door avv gebonden werknemers

843.800

728.500

501.500

Aantal ondernemings-cao’s

521

503

504

Aantal gebonden werknemers

574.100

531.000

550.500

Totaal aantal cao’s

709

688

700

Totaal aantal werknemers onder cao’s

6.372.100

6.128.500

6.002.500

Bron: SZW, Voorjaarsrapportage cao-afspraken.

Tabel 43.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Medezeggenschap

     

Percentage OR-plichtige ondernemingen met OR

70

71

n.b.

Bron: Regioplan, Onderzoek naleving WOR. Over 2012 zijn geen realisatiegegevens beschikbaar. Het daarvoor uit te voeren onderzoek wordt eens in de drie jaar verricht.

2 Zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers

Operationele doelstelling

Motivering

De bescherming van werknemers waarborgen, in evenwicht met de belangen van de onderneming en met inachtneming van de eigen rol en verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers.

Doelbereiking

De wettelijke normering van de diverse aspecten van het arbeidsrecht biedt, mede als gevolg van de regelmatige aanpassingen aan zich wijzigende omstandigheden, op hoofdlijnen adequate bescherming van de belangen van de werknemer. Dit binnen de randvoorwaarden die de arbeidsorganisatie daaraan stelt en binnen de internationaal overeengekomen minimum standaarden.

  • Het arbeidsovereenkomstenrecht, inclusief het ontslagrecht;

  • Het Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945 en de daarop gebaseerde regels betreffende ontslag en werktijdverkorting;

  • De Wet melding collectief ontslag;

  • De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en daarop gebaseerde regels betreffende bestuurlijke handhaving van de WML;

  • Het Besluit minimumjeugdloonregeling;

  • Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;

  • Voorlichting.

Instrumenten

  • In 2012 zijn reguliere activiteiten uitgevoerd, zoals het verlenen van ontslagvergunningen door het UWV, het verlenen van tijdelijke ontheffingen van het verbod om de arbeidstijd te verminderen, het verlenen van goedkeuring als bedoeld in de Wet melding collectief ontslag, en het handhaven van de WML door de Inspectie SZW door het opleggen van bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom bij onderbetaling;

  • Op 1 maart 2012 is de wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met het van toepassing verklaren van deze wet op de beëindiging van een dienstbetrekking door middel van een beëindigingsovereenkomst in werking getreden;

  • Op 18 juni 2012 is de hoofdlijnennotitie «Aanpassing ontslagrecht en WW»13 aan de Tweede Kamer gestuurd waarin de afspraken uit het Begrotingsakkoord met betrekking tot ontslag en WW op hoofdlijnen zijn uitgewerkt. Na aantreden van het kabinet Rutte/Asscher is gestart met de uitwerking van de voornemens over ontslag en WW uit het Regeerakkoord.

  • Op 1 maart 2012 is een wijziging van de WML betreffende het rechtsvermoeden van het zijn van werkgever in de zin van deze wet in werking getreden;

  • Op 25 mei 2012 is het wetsvoorstel Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd voor advies aangeboden aan de Raad van State. Op 26 juli heeft de Raad hierover advies uitgebracht;

  • In november 2012 is de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd aangenomen. Op grond van deze wet wordt de leeftijd waarop volgens de AOW recht op ouderdomspensioen ontstaat met ingang van 2013 stapsgewijs verhoogd naar 67 jaar in 2023 en vervolgens gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting;

  • In 2012 is voor een aantal situaties van verminderde bedrijvigheid als gevolg van buitengewone omstandigheden de regeling voor werktijdverkorting opengesteld. Een voorbeeld hiervan is de stremming van het Twentekanaal in januari 2012 ten gevolge van het onklaar raken van de sluis bij Eefde;

  • In 2012 is een aantal maatregelen genomen om de bewustwording voor en de effectiviteit van de opsporing van arbeidsgerelateerde arbeidsuitbuiting te vergroten. Bijgedragen is aan het oplossen van knelpunten die de Inspectie SZW of partners in het kader van de Taskforce Aanpak Mensenhandel tegenkomen. In 2012 is een brief uitgegaan naar de ambassades met informatie over signalering van arbeidsuitbuiting, malafide uitzendbureaus en contactpersonen en organisaties voor het doorgeven van signalen. Eind 2012 is de gesubsidieerde campagne «Goed werkgeverschap voor de land- en tuinbouw» gestart. In 2012 is de pilot bij drie Kamers van Koophandel om signalen te melden van schijnzelfstandigheid en mogelijke uitbuiting voortgezet. Eind 2012 is het besluit genomen om de pilot landelijk uit te rollen.

Activiteiten

  • Werknemers;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Operationele doelstelling 2 kent geen kwantitatieve streefwaarden. De doelstelling van het beleid is te komen tot een transparante regelgeving waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de bescherming van de werknemers en de vereisten van de onderneming. Voor dit evenwicht is geen objectieve indicator te geven.

Tabel 43.5 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Ontslagen

     

Aantal ontslagaanvragen UWV1

40.530

38.539

58.929

– waarvan via collectieve aanvraag (%)

12

12

17

Aantal ontbindingsverzoeken rechtbanken2

22.243

19.795

20.798

Totaal aantal aanvragen en verzoeken

62.773

58.334

79.727

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag.

2 Raad voor de Rechtspraak, ontbindingsverzoeken.

5 Het reguleren en handhaven van arbeidsmigratie

Operationele doelstelling

Motivering

Regulering en handhaving van de toelating van arbeidsmigranten die een bijdrage leveren aan de economie, waarbij sprake is van een selectieve toelating van niet-kennismigranten.

Doelbereiking

Het aantal toegelaten kennismigranten is de laatste jaren gestegen. In lijn met de doelstelling om niet-kennismigranten selectief toe te laten, is het aantal tewerkstellingsvergunningen gedaald.

  • Tewerkstellingsvergunning (TWV) die wordt aangevraagd door en verleend aan een werkgever;

  • Notificatie bij UWV voor grensoverschrijdende dienstverlening met eigen personeel (vrijstelling TWV-plicht);

  • Bestuurlijke boete die de Inspectie SZW kan opleggen aan een werkgever die een of meer vreemdelingen illegaal tewerkstelt (WAV).

Instrumenten

  • Het toelaten van personen van wie verwacht mag worden dat hun werkzaamheden een bijdrage leveren aan de economie;

  • Het beschermen van de nationale arbeidsverhoudingen en het tegengaan van oneerlijke concurrentie door te bewaken dat arbeidsmigranten marktconform worden beloond en ten minste het wettelijk minimumloon ontvangen;

  • Het voorkomen en bestrijden van illegale tewerkstelling;

  • Het (eventueel) beëindigen van de toelating tot de arbeidsmarkt van arbeidsmigranten;

  • In 2012 heeft het kabinet het wetsvoorstel herziening WAV naar de Tweede Kamer gezonden14. In dit wetsvoorstel worden de regels rondom het verstrekken van tewerkstellingsvergunningen aangescherpt;

  • De Tweede Kamer is in 2012 meermalen geïnformeerd over de voortgang van maatregelen om de EU-arbeidsmigratie in goede banen te leiden op de terreinen van werk en handhaving, registratie, voorlichting, huisvesting, inburgering en terugkeer.

Activiteiten

  • Werkgevers;

  • Arbeidsmigranten (kennismigranten en niet-kennismigranten).

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Operationele doelstelling 5 kent geen kwantitatieve streefwaarden. De doelstelling van het beleid is regulering en handhaving van arbeidmigratie. Hiervoor zijn geen streefwaarden vast te stellen.

De Inspectie SZW is meer risicogericht gaan inspecteren. Onder andere hierdoor is het aantal inspecties gedaald. Het percentage inspecties waar bij een overtreding is aangetroffen is vanwege de risicogerichte aanpak gestegen.

Tabel 43.6 Kengetallen operationele doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Aantal verleende tewerkstellingsvergunningen1

13.759

11.975

10.502

Aantal notificaties1

2.242

2.490

2.299

Aantal kennismigranten2

6.570

Aantal inspecties (WAV en WML) door Inspectie SZW3

9.987

9.225

7.028

Percentage inspecties waarbij overtreding WAV en/of WML is vastgesteld3

18

17

20

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag.

2 IND. Vanwege een nieuw registratiesysteem zijn de cijfers na 2010 niet beschikbaar.

3 Inspectie SZW administratie.

44 Gezond en veilig werken

Artikel

Bevorderen van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Algemene doelstelling

Motivering

Om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen en arbeidsuitval te voorkomen is een goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid noodzakelijk. Dit is van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en de arbeidsproductiviteit. Door het beperken van arbeidsuitval kan het stelsel van sociale zekerheid geborgd blijven. Het is tevens van belang bij het beperken van het beroep op de gezondheidszorg door ziekte en letsel ontstaan door of op het werk. Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden dragen verder bij aan het voorkomen van arbeidsongevallen en arbeidsgerelateerde ziekten, evenals aan het inperken van (bedrijfs-)risico’s met ingrijpende effecten op de samenleving, bijvoorbeeld bij bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

De daadwerkelijke uitvoering van goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. SZW stimuleert en bevordert dat zij vorm en uitvoering geven aan veilige en gezonde werkomstandigheden en ziet erop toe dat ondermeer de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet worden nageleefd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2012 was het verzuimpercentage 4,0. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden (NEA) blijkt dat 90% van de werknemers positief is over de eigen gezondheid en dat circa 3 op de 4 werknemers tevreden is over hun arbeidsomstandigheden.

Externe factoren

Werkgevers en werknemers in vele sectoren zetten zich in voor het opstellen van arbocatalogi om daarmee in bedrijven maatwerk mogelijk te maken. In de arbocatalogus is door werkgevers en werknemers uitgeschreven hoe aan de wettelijke voorschriften kan worden voldaan. Deze arbocatalogi worden door de Inspectie SZW marginaal getoetst. De Inspectie gebruikt de arbocatalogi die na positieve toetsing worden opgenomen in een beleidsregel, als referentiekader bij de handhaving.

Realisatie meetbare gegevens

Het percentage ziekteverzuim (het aandeel van de verzuimde dagen in het totaal aantal dagen in een jaar) is al enkele jaren stabiel. In 2012 is circa 47% van de verzuimdagen (gedeeltelijk) door het werk veroorzaakt. Ook het percentage werknemers dat te maken heeft gehad met een arbeidsongeval met verzuim is de laatste jaren stabiel.

Tabel 44.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Percentage ziekteverzuim1

4,2

4,2

4,0

4,3

Percentage arbeidsongevallen onder werknemers

(met verzuim tot gevolg)2

3,2

2,9

3,0

3,1

Bronnen:

1 CBS, Kwartaalenquête ziekteverzuim.

2 TNO/CBS, Nationale enquête arbeidsomstandigheden.

In 2012 waren er drie incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Deze incidenten betroffen het vrijkomen van een gevaarlijk stof bij bedrijven die grondstoffen produceren. Dit kengetal betreft een EU-verplichting over het melden van ongevallen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven die vallen onder de Europese richtlijn Seveso II. Hoewel de reeks een stijgende trend lijkt te vertonen, schommelt het aantal in de afgelopen jaren tussen de 0 en 3.

Tabel 44.2 Kengetal algemene doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen

1

2

3

Bron: Inspectie SZW administratie

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 44.3 Begrotingsuitgaven artikel 44 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

18.626

20.221

22.850

8.971

12.765

18.057

– 5.292

Uitgaven

19.728

19.503

19.331

14.674

12.633

18.057

– 5.424

               

Programma uitgaven

19.728

19.503

19.331

14.674

12.633

18.057

– 5.424

               

Operationele Doelstelling 1

             

Handhaving

325

317

269

8

95

0

95

Overig

4.725

6.822

8.961

9.164

9.041

10.071

– 1.030

Subsidies

14.678

12.364

10.101

5.502

3.497

7.986

– 4.489

               

Ontvangsten

8.207

11.978

8.445

7.585

7.124

9.962

– 2.838

Programma uitgaven

Toelichting

De programma-uitgaven zijn in 2012 € 5,4 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Dit wordt voor een deel veroorzaakt door budgetoverboekingen bij Voorjaarsnota en Najaarsnota naar andere departementen. Op het budget subsidies is € 1,2 miljoen niet tot besteding gekomen en op het budget overig € 0,8 miljoen. Voor het budget subsidies wordt dit verklaard doordat verwachte subsidieaanvragen niet zijn ingediend, lagere subsidies zijn verleend dan aanvankelijk werd verwacht en/of de bevoorschotting of de eindafrekening is doorgeschoven naar 2013. Voor het budget overig zijn de redenen hiervan dat geplande bijdragen aan andere departementen niet doorgingen, dat projecten goedkoper waren dan aanvankelijk voorzien en dat projecten zijn doorgeschoven naar 2013.

Ontvangsten

In 2012 is voor de boeteontvangsten van de Inspectie SZW € 10,0 miljoen begroot. Er is € 7,1 miljoen ontvangen. De € 1,3 miljoen van het amendement Spekman15 is niet gerealiseerd, zoals toegelicht in het jaarverslag SZW 2011 (de boeteopbrengsten waren niet toereikend om de beoogde personele uitbreiding te financieren). Daarnaast zijn de ontvangsten in de Voorjaarsnota met € 0,851 miljoen naar beneden bijgesteld vanwege de vertraagde invoering van de Wet aanscherping Handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (fraudewet). Het resterende verschil is te verklaren door de hoger dan verwachte terugbetalingen op grond van uitspraken in bezwaar/beroep.

1 Bevorderen dat werkgevers en werknemers in bedrijven, branches en sectoren een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid voeren

Operationele doelstelling

Motivering

Het is in het belang van zowel werkgevers als werknemers dat in bedrijven een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid wordt gevoerd. Werkgevers zien zich dan minder geconfronteerd met verzuim en werkenden kunnen gezond en vitaal aan het arbeidsproces deelnemen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Met de herziene Arbeidsomstandighedenwet die sinds 1 januari 2007 van kracht is, hebben werkgevers en werknemers de ruimte gekregen om, gegeven de wettelijke doelstellingen, arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid af te stemmen op de eigen onderneming (maatwerk).

In 2012 is het Arbeidsomstandighedenbesluit aangepast. Uitgangspunt hiervan is dat voor iedereen die werkt de arbeidsomstandigheden en het beschermingsniveau gelijk moeten zijn. Zelfstandigen die werken op een arbeidsplaats waar ook anderen werken, moet maatregelen treffen om zich te beschermen tegen arbeidsrisico’s.

Doelbereiking

In 2012 zijn de evaluatie van de herziene Arbeidsomstandighedenwet en de op grond van de Comptabiliteitswet verplichte doorlichting van begrotingsartikel 44 Gezond en veilig werken afgerond. De uitkomsten daarvan zijn gebundeld in het rapport «Verantwoordelijk werken»16. Uit deze onderzoeken blijkt dat de met de herziene Arbeidsomstandighedenwet in gang gezette koers van meer marktwerking, een sterkere rol voor sociale partners en gericht toezicht, succesvol is.

Op basis van deze evaluatie en doorlichting van het begrotingsartikel, en tevens ingegeven door veranderingen op de arbeidsmarkt en de noodzaak tot langer doorwerken, is in 2012 een toekomstvisie op het stelsel voor veilig en gezond werken opgesteld en aan de Tweede Kamer aangeboden17. De SER heeft over de toekomstvisie op het stelsel eind 2012 een advies aan de minister van SZW uitgebracht.

Op 30 maart 2012 is de evaluatie van de vereenvoudigde Arbeidstijdenwet naar de Tweede Kamer gezonden18. Het doel van de vereenvoudiging is werkgevers en werknemers meer ruimte te geven om in gezamenlijk overleg en op een verantwoorde wijze tot maatwerkafspraken over arbeidstijden te komen. Het evaluatieonderzoek wijst uit dat werkgevers en werknemers van mening zijn dat de vereenvoudigde Arbeidstijdenwet voldoende ruimte biedt voor maatwerkafspraken.

Bij de concretisering van het beleid speelt de (niet wettelijk verplichte) arbocatalogus een grote rol. De totstandkoming ervan is de verantwoordelijkheid van sociale partners. De arbocatalogi zijn opgenomen in de beleidsregel Arbocatalogi 2012. De Inspectie SZW gebruikt deze als referentiekader bij de handhaving. In 2012 zijn 5 nieuwe arbocatalogi in branches tot stand gekomen en er zijn 57 arbocatalogi aangevuld met deelcatalogi over risico’s die nog niet in de arbocatalogus vermeld stonden. Alle arbo(deel)catalogi zijn in genoemde beleidsregel opgenomen.

  • De Arbeidsomstandighedenwet en -regelgeving;

  • De Arbeidstijdenwet en -regelgeving;

  • Het standpunt van Nederland met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor de invulling van de arbeidsomstandigheden wordt ingebracht bij de Europese Unie en de ILO;

  • De uitwerking van de toekomstvisie zoals boven genoemd. Het ondersteunen van bedrijven en sectoren bij de aanpak van de belangrijkste arbeidsgerelateerde risico’s die de inzetbaarheid op de langere termijn ondermijnen (fysieke belasting en psychosociale belasting) en het bevorderen van een gezonde leefstijl met het actieplan «Gezond bedrijf»;

  • In 2012 is de «Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving» door de Tweede Kamer vastgesteld. Ter voorbereiding op de invoering per 1 januari 2013 is het sanctieregime van de Arbeidsomstandighedenwetgeving aangepast;

  • Het monitoren en onderzoeken van maatschappelijke trends, ontwikkelingen, blootstelling aan arbeidsrisico’s, effecten van arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid en naleving van wet- en regelgeving;

  • Communicatie en voorlichting; gekoppeld aan de fraudewet, de nieuwe regels voor zzp’ers en het Arboportaal;

  • Subsidieverlening: in 2012 is aan de Stichting van de Arbeid een eenmalige subsidie verstrekt voor een project van anderhalf jaar ten behoeve van de bevordering van de implementatie van de arbocatalogi op de werkvloer. Ook zal de Stichting van de Arbeid in dit project bevorderen dat er nieuwe arbocatalogi tot stand komen;

  • 2012 was het laatste jaar van het Actieplan Arbeidsveiligheid, dat is gericht op ongevalreductie door gedrag- en cultuurinterventies. Onderzoek van Regioplan19 laat een ongevalreductie van 14% zien bij de deelnemende bedrijven, tegen een reductie van 3% bij niet-deelnemende bedrijven;

  • In april 2012 is het project duurzame inzetbaarheid gestart. Het doel is meer werkgevers en werknemers te bewegen aan de slag te gaan met duurzame inzetbaarheid, om te bevorderen dat medewerkers goed, gemotiveerd en gezond aan het werk kunnen blijven tot aan het pensioen. In het project wordt het thema op de agenda gezet en worden werkgevers en werknemers gestimuleerd en gefaciliteerd maatregelen toe te passen op de werkvloer. Tijdens een bijeenkomst van het project Duurzame Inzetbaarheid op 10 oktober 2012 hebben 100 bedrijven die nu al veel werk maken van duurzame inzetbaarheid een manifest gepresenteerd waarin zij vanuit hun praktijkervaring de 5 succesfactoren voor goed investeren in duurzame inzetbaarheid identificeren;

  • Andere activiteiten die zijn ondernomen: organiseren van bijeenkomsten om kennis en inspiratie over te dragen (o.a. samen met MKB Nederland via Elke Dag Beter), een communicatiecampagne gericht op werkgevers, en directe ondersteuning van MKB-bedrijven door Syntens (Actieplan Gezond Bedrijf);

  • Arbo certificaat. Het certificatiestelsel is in de voorbije jaren verduidelijkt en aangescherpt. De realisatie van deze wijzigingen is in 2012 afgerond.

Instrumenten en activiteiten

  • Werkgevers;

  • Werknemers;

  • Arboprofessionals (zoals preventiemedewerkers, bedrijfsartsen en veiligheidsdeskundigen).

Doelgroepen

Naleving zorgplicht Arbowet

Realisatie meetbare gegevens

Naleving van de Arbowet wordt aangeduid door een percentage bedrijven en werknemers dat aangeeft in hoeverre de in de wet genoemde systeemelementen aanwezig zijn (zie tabel 44.4). Grote bedrijven (met veel werknemers) beschikken vaker dan kleine bedrijven over deze systeemelementen, waardoor het percentage voor werknemers hoger uitvalt dan het percentage bedrijven.

Tabel 44.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Naleving zorgplicht Arbowet1

       

– percentage bedrijven

58

56

57

59

– percentage werknemers

88

83

88

88

Percentage bedrijven dat bij hercontrole voldoet aan de Arbowet2

98

94

94

98

Bronnen:

1 SZW financiële administratie.

2 Inspectie SZW administratie.

Inspectie en onderzoek

In 2012 zijn in totaal 15.966 actieve inspecties (inspectieprojecten en monitoronderzoeken) verricht in het kader van Arbo-projecten. De raming 2012 was 15.574. De planning en het begrote handhavingpercentage zijn gerealiseerd. Het aantal ongevalsonderzoeken is ongeveer gelijk gebleven, waarbij de afhandeling van het ongeval in de Grolsch Veste voor een behoorlijk capaciteitsbeslag heeft gezorgd.

De begrote beschikbare capaciteit (inspecteurs) komt overeen met de realisatie. De Arbomonitor 2012 is volledig uitgevoerd en is lijn met de begroting 2012.

Tabel 44.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Percentage banen dat onder de werking van een Arbocatalogus valt1

51

51

53

Inspectie en onderzoek:2

     

– Inspectieprojecten

15.884

11.998

14.209

– Monitoronderzoeken

2.657

2.640

1.757

– Ongevalonderzoeken

2.111

2.094

2.026

– Klachtenonderzoeken

1.263

1.400

1.373

– Overige meldingen

804

349

331

Totaal

22.719

18.481

19.696

Bronnen:

1 SZW financiële administratie.

2 Inspectie SZW administratie.

45 Pensioenbeleid

Artikel

Bevorderen en beschermen van arbeidspensioenen

Algemene doelstelling

Motivering

Werkgevers en werknemers stimuleren om afspraken te maken voor aanvullend pensioen en een waarborg te scheppen dat een pensioentoezegging van de werkgever aan zijn werknemer na pensionering gestand wordt gedaan. Ervoor zorgen dat werknemers zich een realistisch beeld van hun aanvullend pensioen kunnen vormen.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

2012 stond geheel in het teken van de nadere uitwerking en invulling van het Pensioenakkoord van 4 juni 2010 en het uitwerkingsmemorandum van 9 juni 201120. De juridische aspecten die samenhangen met de invoering van een nieuw pensioencontract vragen om een zorgvuldige voorbereiding en kosten meer tijd dan aanvankelijk werd gedacht. Dit heeft te maken met de complexiteit van het onderwerp en de wens om alle belanghebbenden in het proces mee te nemen. In december is een externe commissie met onafhankelijke deskundigen ingesteld, die advies uitbrengt over de Ultimate Forward Rate (UFR). Parallel daaraan is met de pensioensector gestart met een pilot «invaren van oude pensioenrechten in het nieuwe pensioencontract». De uitkomsten van deze pilot zijn van belang voor pensioenfondsen om uiteindelijk een beslissing te kunnen nemen over een mogelijke overstap naar het nieuwe pensioencontract.

Het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen21 is ingediend bij de Tweede Kamer.

Externe factoren

Door de verdieping van de financiële crisis in 2011 heeft met ingang van 1 april 2012 een tiental pensioenfondsen een verlaging van de pensioenen en pensioenaanspraken moeten doorvoeren om binnen de wettelijke hersteltermijn tijdig de minimaal vereiste dekkingsgraad van 105% te bereiken. De in de brief over het septemberpakket22 aangekondigde mogelijkheid om pensioenverlagingen in 2013 te spreiden om tegemoet te komen aan de onzekerheid over mogelijke inkomenseffecten voor gepensioneerden en deelnemers is uitgewerkt in een wijziging van de regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

De commissie UFR moet bij haar werkzaamheden rekening houden met de activiteiten die de European Insurance and Occupational Pensioens Authority (EIOPA) met betrekking tot de UFR ontwikkelt. In de hoofdlijnennota FTK23 is erop gewezen dat EIOPA het definitieve niveau van de UFR ten behoeve van Solvency II zal vaststellen voordat dit raamwerk in werking treedt. Vervolgens bepaalt het ook de methode die antwoord geeft op de vraag of en wanneer het niveau van de UFR aanpassing behoeft.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 45 kent geen indicatoren omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd en omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 45.1 Begrotingsuitgaven artikel 45 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

1.135

369

685

170

326

820

– 494

Uitgaven

943

437

727

263

304

820

– 516

               

Programma uitgaven

943

437

727

263

304

820

– 516

               

Operationele Doelstelling 1

             

Uitvoeringskosten Toezicht

0

0

0

0

0

510

– 510

Overig

15

138

655

216

304

250

54

               

Operationele Doelstelling 2

 

 

 

 

 

 

 

Subsidies

928

299

72

47

0

60

– 60

               

Ontvangsten

13.661

11

79

0

0

0

0

Toelichting

De uitgaven zijn in 2012 € 0,5 miljoen lager uitgekomen dan begroot. Dit is vooral toe te schrijven aan de overboeking van het budget voor de uitvoering van het stelseltoezicht naar het overeenkomstige beleidsbudget van het ministerie van Financiën.

De overschrijding van het budget overig wordt veroorzaakt door activiteiten die zijn verricht in het kader van het uitwerken van het Pensioenakkoord. In het bijzonder hebben activiteiten op het terrein van de pensioencommunicatie en de problematiek met betrekking tot doorsneepremies tot hogere uitgaven geleid. Ook naar aanleiding van Kamervragen over het terugstorten van pensioenpremies in de periode 1985–2005 zijn kosten gemaakt.

In 2012 zijn er geen aanvragen voor subsidies ingediend.

1 Waarborgen van de toekomstbestendigheid en het bereik van het aanvullend pensioenstelsel

Operationele doelstelling

Motivering

Mogelijk maken dat zoveel mogelijk werknemers op collectieve en solidaire wijze een aanvulling op de AOW krijgen, waarmee zij na pensionering hun levensstandaard zo goed mogelijk kunnen handhaven.

Doelbereiking

Het Pensioenakkoord bevat afspraken over de hervorming van het pensioenstelsel. In het akkoord laten alle partijen zien dat zij zo goed mogelijke randvoorwaarden willen creëren voor een toekomstbestendig pensioenstelsel, weerbaar tegen financiële schokken en de stijgende levensverwachting. In maart is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken van de uitwerking van de afspraken met betrekking tot het tweede pijler pensioen, zoals die in het Pensioenakkoord zijn opgenomen24. In mei is de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassingen van het financieel toetsingskader die het kabinet voor ogen heeft om het pensioenstelsel weer toekomstbestendig te maken25. In juni is de Tweede Kamer geïnformeerd over de stand van zaken en planning van een wetsvoorstel tot introductie van een Algemene Pensioeninstelling26. In oktober is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voornemens en plannen in Europa en de acties die vanuit het kabinet worden ondernomen om de belangen van Nederland op pensioengebied zeker te stellen27. In november is de Tweede Kamer geïnformeerd over de prioriteiten op het gebied van de aanvullende pensioenen: de uitwerking van het financieel toetsingskader, de versterking van de governance van pensioenfondsen en het intensief volgen van Europese ontwikkelingen op het terrein van aanvullende pensioenen28.

  • Pensioenwet;

  • Wet verplichte Beroepspensioenregeling;

  • Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

  • Fiscale faciliteiten voor de opbouw van aanvullende pensioenen (Witteveenkader); materieel en prudentieel toezicht door DNB op pensioenfondsen en pensioenverzekeraars; overleg met sociale partners over de inrichting van het pensioenstelsel.

Instrumenten

  • Uitoefening van toezicht door DNB en de AFM op de pensioenfondsen en de verzekeraars;

  • Modernisering van de mogelijkheden om pensioenregelingen uit te voeren (Algemene Pensioeninstelling);

  • Uitwerking van de voorgestelde maatregelen in het kader van de brede aanpak van de pensioenproblematiek;

  • De ontwikkeling van een nieuw type pensioeninstelling dat de kansen van Nederland op de Europese pensioenmarkt kan vergroten en verbetering van de samenwerkingsmogelijkheden tussen pensioenfondsen;

  • Het volgen van de ontwikkelingen en het uitdragen van het Nederlandse standpunt in de Europese Commissie.

Activiteiten

  • Werkgevers;

  • Werknemers;

  • Pensioenuitvoerders;

  • Gepensioneerden.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De focus van deze doelstelling ligt op de prudentiële en materiële aspecten van het pensioenbeleid, dat wil zeggen op de financiële gezondheid van pensioenfondsen en de rechten van deelnemers. Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor het realiseren van de prestaties op deze terreinen. De overheid zorgt voor ondersteuning door middel van het bieden van een wettelijk kader voor afspraken over de pensioenvoorziening. De mate waarin dit wettelijk kader bijdraagt aan het bereiken van de operationele doelstelling is niet op een betekenisvolle manier in een indicator te vatten.

Aantal fondsen met een reservetekort

Een dekkingsgraad van 100% geeft aan dat een fonds precies genoeg vermogen heeft om de nominale verplichtingen na te komen. De Pensioenwet schrijft echter een buffer voor, waardoor pensioenfondsen doorgaans een dekkingsgraad van ten minste 105% moeten hebben. Ultimo 2012 kon ruim de helft van het aantal fondsen niet aan deze eis voldoen29.

Een pensioenfonds heeft een reservetekort als het vermogen van het fonds lager is dan het vereiste eigen vermogen dat op de lange termijn aangehouden moet worden. Dat vermogen dient om met een zekerheid van 97,5% te voorkomen dat de dekkingsgraad van een pensioenfonds binnen één jaar onder de 100% uitkomt. Een gemiddeld pensioenfonds heeft geen reservetekort als de dekkingsgraad hoger is dan circa 120%. Dit percentage kan variëren tussen 110 en 130%, afhankelijk van het risicoprofiel van het fonds. Veel fondsen kampen momenteel met een reservetekort. Fondsen met een dekkingstekort hebben vanzelfsprekend ook een reservetekort. Daarnaast heeft nog eens ongeveer 30% van de pensioenfondsen alleen een reservetekort. In vergelijking met 2011 lijkt er in 2012 overigens sprake van een lichte verbetering. Zo is de gemiddelde dekkingsgraad van pensioenfondsen ultimo 2012 bijna 4 procentpunten hoger dan die van ultimo 2011.

Tabel 45.2 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Aantal fondsen met een reservetekort

     

Aantal fondsen

341

311

291

Aantal deelnemers betrokken bij deze fondsen

5.464.805

5.481.295

5.420.799

Aantal actieve deelnemers (%)

     

Uitkeringsovereenkomst op basis van eindloon

1

1

1

Uitkeringsovereenkomst op basis van middelloon

90

91

91

Beschikbare premieregeling

5

5

5

Overig

4

3

3

Indexatiebeleid naar aandeel actieve deelnemers (%)

     

Geen indexatietoezegging

0,2

0,1

0,0

Geen indexatiebeleid

5,1

6,0

6,4

Voorwaardelijke toezegging niet gekoppeld aan maatstaf

0,5

0,2

0,3

Voorwaardelijke toezegging wel gekoppeld aan maatstaf

91,8

91,3

91,1

Onvoorwaardelijke toezegging

2,0

2,0

1,8

Combinatie voorwaardelijk en onvoorwaardelijk

0,4

0,4

0,4

Bron: DNB, website, Statistiek toezicht pensioenfondsen

2 Bevorderen van de betrokkenheid van deelnemers bij hun pensioenvoorziening

Operationele doelstelling

Motivering

Deelnemers stimuleren kennis te nemen van hun pensioenregelingen en hun verantwoordelijkheid voor aanvullend pensioen te nemen en het bevorderen van de kwaliteit van het bestuurs- en beleidsproces van pensioenfondsen.

Doelbereiking

In een tijd waarin een deel van de pensioenen door de onzekere economische situatie verlaagd moet worden, is het noodzakelijk stappen te zetten richting een beter pensioeninzicht en -overzicht voor pensioendeelnemers, zodat zij in de toekomst in één oogopslag kunnen zien welke uitkering men kan verwachten, wat de risico’s zijn en wat iemand zelf kan doen als dat nodig is. De voorbereidingen om de communicatiebepalingen in de Pensioenwet te herzien zijn gaande. Deze zijn erop gericht de verplichte informatievoorziening te verbeteren. Op 26 juni is het rapport «pensioen in duidelijke taal» toegezonden aan de Tweede Kamer. De activiteiten richten zich op de uitwerking van de aanbevelingen uit dit rapport.

De demissionaire status van het vorige kabinet en de formatie van het huidige kabinet hebben een vertragend effect gehad op de voortgang van het wetgevingstraject van het wetsvoorstel versterking bestuur pensioenfondsen, waardoor de streefdatum van 1 januari 2013 voor de inwerkingtreding niet is gehaald.

De doelstelling van «Wijzer in geldzaken» om het aantal Nederlanders dat volledig pensioenonbewust is terug te brengen van 69% in 2011 naar 60% in 2012 bleek te ambitieus. Minder mensen maken een realistische inschatting van hun pensioen. De groep die het pensioeninkomen overschat is groter geworden. Dat zijn de redenen waarom de groep volledig pensioenonbewusten is toegenomen tot 75%.

  • Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met name de bepalingen over voorlichting aan deelnemers en de bepalingen over medezeggenschap en de governance bij pensioenuitvoerders;

  • Gedragstoezicht door AFM op pensioenfondsen en verzekeraars;

  • Overleg met sociale partners over de verbetering van de kwaliteit van besturen van pensioenfondsen en pensioenuitvoerders;

  • Toetsing deskundigheid bestuurders door DNB.

Instrumenten

  • Het aanpassen van de communicatie- en informatiebepalingen in de pensioenwetgeving;

  • Uitwerking van de voorgestelde maatregelen in het kader van de verbetering van de governance:

    • * verhogen van de eisen aan de (financiële) deskundigheid van pensioenfondsbestuurders;

    • * zorgen dat een betere vertegenwoordiging van de belangen van deelnemers en gepensioneerden in of ten aanzien van het pensioenfondsbestuur mogelijk wordt;

    • * stroomlijning van de wettelijke taken van de verschillende organen in het pensioenfonds (deelnemersraad, verantwoordingsorgaan, e.d.).

  • Ondersteunen van projecten van «Wijzer in geldzaken», en andere activiteiten ter bevordering van het pensioenbewustzijn.

Activiteiten

  • Deelnemers;

  • Gewezen deelnemers;

  • Gepensioneerden.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het primaat voor het maken van afspraken over het bevorderen van een doeltreffende informatievoorziening over pensioenvoorzieningen ligt bij sociale partners. De mate waarin deze doelstelling wordt bereikt valt niet uit te drukken in een indicator waarop de overheid kan sturen.

Tabel 45.3 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Realisatie 2012

Mate van pensioenonbewustzijn (%)1

72

69

75

Bezoek aan website www.mijnpensioenoverzicht.nl 2

     

Totaal aantal bezoekers

3.211.984

2. 211. 229

Totaal aantal pensioenen dat is getoond

5.854.727

4.461.278

Totaal aantal ontvangen e-mails, telefoon en post

20.436

16.543

Bronnen:

1 TNO/NIPO, De pensioenbewustzijnmeter.

2 Stichting Pensioenregister: cijfermatige rapportage.

46 Inkomensbescherming met activering

Artikel

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen financiële risico’s bij inkomensverlies

Algemene doelstelling

Motivering

Om personen te beschermen tegen de financiële risico’s als gevolg van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt hen een inspanningsverplichting opgelegd om betaalde arbeid te verkrijgen, dan wel maatschappelijk te participeren of een opleiding te volgen. Aan werkgevers, andere private partijen of gemeenten worden prikkels gegeven die aan preventie en activering bijdragen.

SZW creëert de voorwaarden voor het verlenen van de uitkeringen. Dit gebeurt door de uitkeringsvoorwaarden vast te leggen in wet- en regelgeving en zorg te dragen voor de uitvoering door het verstrekken of het laten verstrekken van uitkeringen door UWV, gemeenten of private partijen. Daarnaast richt SZW het juridische en financiële regelgevend kader in, zodat private arrangementen mogelijk en rechtszeker zijn.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

In 2012 is de werkloosheid verder opgelopen als gevolg van de tegenvallende economische conjunctuur. Dit werd weerspiegeld in het aantal mensen met een WW-uitkering. Het gemiddelde WW-volume lag in 2012 bijna 17% hoger dan in 2011. Waar 2011 zich kenmerkte door een langzaam stijgende werkloosheid, met in totaal bijna 60.000 personen, steeg de werkloosheid in 2012 sneller, met in totaal 115.000 personen.

De WWB reageert met vertraging en minder sterk op de economische crisis, aangezien werknemers eerst in de WW terechtkomen en een deel van de werknemers vanuit de WW weer een baan vindt en niet alle werknemers voor de WWB in aanmerking komen vanwege overige inkomsten binnen het huishouden of vermogen. Toch is ook het aantal WWB uitkeringen in 2012 gestegen ten opzichte van 2011.

De totale omvang van de WAO en WIA is in 2012 gedaald. Dat komt doordat de uitstroom uit de WAO hoger is dan de instroom in de WIA. De totale omvang van de Wajong is in 2012 gestegen. De uitstroom ligt op een lager niveau dan de instroom omdat het Wajong-bestand nog relatief jong is: weinig personen stromen uit vanwege het bereiken van de AOW-leeftijd.

In 2012 is een aantal onderzoeken en evaluaties verschenen op terrein van de Wajong en de WW.

  • Participatiemonitor (voortgang Wajongmonitor): de monitor arbeidsparticipatie 2012 van UWV geeft aan dat de afgelopen jaren, ondanks de crisis, meer Wajonggerechtigden aan het werk zijn gekomen en dat inmiddels meer Wajonggerechtigden werken bij een reguliere werkgever dan in de sociale werkvoorziening. Positief is dat meer werkgevers Wajonggerechtigden in dienst nemen. De algemene conclusie is echter dat er nog veel werk te doen is om mensen met een arbeidsbeperking kansen te bieden op de arbeidsmarkt.

  • Werkhervattingskansen vanuit de WW: onderzoek van CBS naar factoren die van invloed zijn op de werkhervattingskansen vanuit de WW toont aan dat naarmate een persoon ouder wordt de werkhervatting na instroom in de WW afneemt. De relatieve instroom van ouderen in de WW is echter ook lager. Daarnaast toont het onderzoek aan dat veel andere factoren, zoals demografische kenmerken, beroepsniveau, reden van ontslag, sector, flexibele arbeid en conjunctuur, ook van invloed zijn op de werkhervattingskansen vanuit de WW.

  • Evaluatie deeltijd-WW/WTV: op basis van een netto-effectiviteitsanalyse kan niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een sterker herstel van de omzet of meer behoud van werkgelegenheid onder deelnemers aan de deeltijd-WW of aan de WTV. Hierbij kan wel sprake zijn van een statistische vertekening vanwege een sterk selectie-effect. Uit de enquêtes blijkt echter wel dat werkgevers en werknemers denken dat er zonder de maatregel meer mensen waren ontslagen. Wat betreft de gevolgen voor omzetverlies zijn de meningen verdeeld. Ongeveer de helft van de werkgevers dacht niet dat de crisismaatregelen een effect hebben gehad, maar de andere helft gaf aan dat toen de conjunctuur weer aantrok zij geen opdrachten hoefden te weigeren omdat ze hun personeel in dienst hebben kunnen houden. In 2011 is de deeltijd-WW geëindigd: per 1 juli 2011 zijn de laatste mensen uit de deeltijd-WW gestroomd.

Externe factoren

De economische conjunctuur is een belangrijke factor in de volumeontwikkeling en daarmee het budgettaire beslag van een aantal wetten binnen deze algemene doelstelling. Daar waar dat van toepassing is wordt hier bij de operationele doelstelling op ingegaan. Het behalen van de algemene doelstelling is mogelijk gemaakt door:

  • Een effectieve uitvoering van de wetten door UWV, gemeenten en private partijen;

  • De mate van naleving van de verplichtingen uit wet- en regelgeving door uitkeringsgerechtigden;

  • De inspanning gericht op het verkrijgen van betaald werk van de uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen afzonderlijke prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de indicatoren en kengetallen voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46.1 Begrotingsuitgaven artikel 46 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

6.432.815

7.502.430

7.130.410

7.946.748

8.178.424

6.935.504

1.242.920

Uitgaven

6.427.209

6.759.259

7.057.515

7.575.909

7.531.530

6.936.031

595.499

               

Programma uitgaven

6.427.209

6.759.259

7.057.515

7.575.909

7.531.530

6.936.031

595.499

               

Operationele Doelstelling 1

             

IOW uitkeringslasten

0

0

1.741

4.800

7.000

6.042

958

IOW uitvoeringskosten

0

0

1.566

250

250

250

0

               

Operationele Doelstelling 3

             

Wajong uitkeringslasten

2.153.830

2.425.710

2.642.160

3.138.036

2.313.856

2.158.249

155.607

Wajong uitvoeringskosten

83.979

102.527

125.194

132.542

118.435

137.837

– 19.402

               

Operationele Doelstelling 41

             

BIA uitkeringslasten

4.179

3.887

3.597

0

0

0

0

BIA uitvoeringskosten

281

220

287

0

0

0

0

Tri uitkeringslasten

20.464

7.444

693

0

0

0

0

Tri uitvoeringskosten

4.054

500

212

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 5

             

BUIG

3.855.307

3.863.053

4.056.157

4.042.887

4.855.064

4.379.535

475.529

IOAW

103.733

133.013

4.845

0

0

0

0

IOAZ

34.164

30.683

2.730

0

0

0

0

Bijstand buitenland

2.760

2.787

2.500

2.381

2.273

2.600

– 327

Bijstand zelfstandigen

117.364

120.905

118.077

146.118

92.048

113.338

– 21.290

WWIK uitkeringslasten

22.698

20.582

3.590

55

17.061

0

17.061

WWIK uitvoeringskosten

4.734

4.964

2.678

3.674

3.851

0

3.851

Vazalo

39

142

70

71

0

0

0

Handhaving

7.827

7.892

7.334

6.310

6.486

6.033

453

Bijstand overig

11.796

34.950

84.084

96.368

112.138

129.243

– 17.105

               

Operationele doelstelling 6

             

Uitkeringen Caribisch Nederland

0

0

0

2.417

3.068

2.904

164

               

Ontvangsten

59.864

57.268

48.236

16.827

74.762

0

74.762

X Noot
1

Operationele doelstelling 4 is met ingang van begroting 2012 vervallen.

Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW)

Toelichting

De IOW is een tijdelijke vervolguitkering op de WW. Instroom is mogelijk voor mensen die werkloos zijn geraakt terwijl zij zestig jaar of ouder zijn. De uitgaven aan IOW vallen € 1 miljoen hoger uit dan begroot. Oorzaak hiervan is de tegenvallende economische situatie waardoor meer ouderen de maximumduur in de WW bereiken en doorstromen naar de IOW.

Wet Werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)

De Wajong vormt de inkomensvoorziening voor jonggehandicapten. Het belangrijkste doel van de Wajong is om jongeren met een beperking te ondersteunen bij het vinden en behouden van een baan bij een reguliere werkgever.

De uitkeringslasten Wajong over 2012 zijn € 156 miljoen hoger dan begroot. Dit verschil heeft primair een technische oorzaak, namelijk een kasschuif van 2013 naar 2012 van € 200 miljoen. Deze kasschuif buiten beschouwing latend, zouden de uitkeringslasten € 44 miljoen lager zijn uitgevallen dan begroot. Dit ondanks de nominale ontwikkeling, die zorgt voor een stijging van de uitkeringslasten met € 32 miljoen. De gemiddelde uitkering is desondanks lager uitgekomen dan geraamd, onder andere als gevolg van een toename van het aantal mensen in de studieregeling, waarin een lagere uitkeringshoogte geldt.

De uitvoeringskosten Wajong zijn ruim € 19 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit wordt verklaard door het aanhouden van de Wet Werken naar Vermogen en de vrijval van de hiermee samenhangende middelen.

Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten (BUIG)

Met de Wet BUIG zijn vanaf 2010 de gemeentelijke middelen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zover dat betrekking heeft op algemene bijstand aan startende ondernemers, gebundeld met het inkomensdeel van de WWB. Hiermee krijgen gemeenten één gebundeld budget voor de bekostiging van de uitkeringen op grond van de genoemde wetten.

Voor de uitvoeringskosten ontvangen gemeenten middelen via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

De uitgaven van de gebundelde uitkering zijn € 476 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van een opwaartse bijstelling van de werkloosheidsraming van het CPB en de gewijzigde doorwerking daarvan op de bijstand (€ 392 miljoen). Daarnaast is er een aantal beleidsmatige mutaties geweest die in 2012 effect hadden op de uitgaven. Deze betroffen het intrekken van de huishoudinkomenstoets (€ 27 miljoen), actualisatie van de toegekende IAU/MAU-uitkeringen aan gemeenten (€ 17 miljoen), de latere invoering van strengere fraudewetgeving (€ 12 miljoen), het niet doorgaan van de opheffing van de specifieke ontheffingsmogelijkheid van de arbeidsverplichting voor de alleenstaande ouders met kinderen tot vijf jaar (€ 5 miljoen) en de overgangstermijn voor de WWIK (– € 10 miljoen). Verwerking van realisatiegegevens over 2011 heeft geleid tot een opwaartse bijstelling (€ 11 miljoen). De uitgaven zijn als gevolg van de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling toegenomen (€ 21 miljoen).

Uit voorlopige opgaven van gemeenten over hun bestedingen en baten in 2012, zoals weergegeven in «Beelden van de Uitvoering 2012», blijkt dat het saldo van bestedingen en baten over 2012 landelijk € 4.874 miljoen bedraagt. Dit is € 82 miljoen minder dan het totale bedrag dat gemeenten in 2012 hebben ontvangen. Van dit bedrag is € 101 miljoen gebruikt voor de in 2012 uitgekeerde incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen over 2010. Daarmee rekening houdend hebben gemeenten op het gebundelde budget voor 2012 € 19 miljoen meer uitgegeven dan zij hebben ontvangen.

Bijstand buitenland

Voor bijstandsverlening aan Nederlanders in het buitenland was er de regeling Bijstand buitenland. Deze regeling verviel in 1996 met de invoering van de Algemene bijstandswet, waardoor er sindsdien geen nieuwe gevallen tot deze regeling zijn toegelaten. De uitgaven aan uitkeringslasten en uitvoeringskosten in 2012 zijn lager dan begroot als gevolg van het krimpen van het bestand. Deze krimp was nog niet in de meerjarenraming verwerkt.

Bijstand zelfstandigen

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële bijstand een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Sinds 2010 zijn de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers onderdeel van de gebundelde uitkering voor inkomensvoorzieningen. Voor de kosten van levensonderhoud voor gevestigde zelfstandigen en de verstrekking van bedrijfskapitaal ontvangen gemeenten een afzonderlijke specifieke uitkering. In 2012 is de realisatie over de niet met het inkomensdeel WWB gebundelde middelen € 21 miljoen lager dan begroot. Deze daling wordt veroorzaakt door een gemiddeld lagere kredietverlening dan was voorzien.

Wet Werk en Inkomen Kunstenaars (WWIK)

De WWIK gaf kunstenaars tijdelijk recht op een inkomensaanvulling als zij met hun werk te weinig verdienden om in hun levensonderhoud te voorzien. Sinds 2010 waren de middelen voor de uitkeringslasten WWIK onderdeel van de gebundelde uitkering BUIG, en werden de middelen voor de gemeentelijke uitvoeringskosten via het Gemeentefonds aan de twintig centrumgemeenten uitgekeerd. De WWIK is per 1 januari 2012 afgeschaft, waardoor er in 2012 geen middelen voor de WWIK waren voorzien. De rechter oordeelde dat er een overgangsregeling moest komen voor kunstenaars die al voor 1 januari 2012 recht hadden op een WWIK-uitkering. Dit heeft geresulteerd in een overgangsregeling met een looptijd van 1 januari 2012 tot 1 juli 2012. De bruto kosten van deze overgangsregeling, geen onderdeel van BUIG, bedroegen € 17 miljoen aan uitkeringslasten WWIK en € 4 miljoen aan uitvoeringskosten.

Handhaving

Bij het stellen van voorwaarden behoort tevens de controle op de handhaving daarvan. De WWB biedt aan gemeenten een financiële prikkel die bevordert dat zij zich inspannen voor handhaving. Daarnaast stimuleert en ondersteunt SZW de handhaving door gemeenten. De middelen hebben voornamelijk betrekking op de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau en de middelen voor het Handhavingsprogramma 2011–2014. De in 2012 gerealiseerde uitgaven wijken nauwelijks af van de begrote uitgaven.

Bijstand overig

De overige bijstandsuitgaven hebben betrekking op de incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU en MAU) voor gemeenten die tekort komen op hun budget Inkomensdeel WWB, de doorontwikkeling van de WWB (inclusief het onderhoud van het verdeelmodel WWB), de uitvoeringskosten van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen voor wat betreft de inning van partneralimentatie, en middelen voor implementatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening per 1 juli 2012. De gerealiseerde uitgaven zijn € 17 miljoen lager dan begroot. Dit wordt verklaard door het groter dan verwachte aantal afwijzingen voor de IAU- en MAU-uitkeringen.

Uitkeringen Caribisch Nederland

De regelingen van SZW voor Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) op het terrein van inkomensbescherming betreffen een drietal werknemersverzekeringen (de Cessantiawet, de Ongevallenverzekering en de Ziekteverzekering) en de Onderstand. De uitgaven aan deze regelingen zijn € 0,2 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit is het gevolg van nabetalingen in het kader van de Ziekteverzekering.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn € 75 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit betreft voornamelijk terugontvangsten Bbz (€ 40 miljoen) en Wajong (€ 34 miljoen). Van de Wajong-ontvangsten is € 31 miljoen afkomstig uit de uitkeringslasten van UWV. Dit betreft een nadere afrekening over het jaar 2011. In 2011 heeft UWV € 31 miljoen te veel aan uitkeringslasten ontvangen van het Rijk en dit bedrag is in 2012 terugbetaald.

Tabel 46.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 46 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Uitgaven

14.062.154

16.269.030

17.021.276

16.442.510

17.056.659

16.513.747

542.912

               

Programma uitgaven

14.062.154

16.269.030

17.021.276

16.442.510

17.056.659

16.161.882

894.777

Operationele Doelstelling 1

 

 

 

 

 

 

 

WW uitkeringslasten

2.470.965

4.374.000

4.996.618

4.501.000

5.310.000

4.470.963

839.037

WW uitvoeringskosten

377.870

515.790

400.665

406.360

491.972

525.464

– 33.492

               

Operationele Doelstelling 2

             

WAO uitkeringslasten

8.042.000

7.883.187

7.465.814

6.930.000

6.294.000

6.111.406

182.594

WAO uitvoeringskosten

375.770

272.450

202.225

168.205

134.896

116.630

18.266

IVA uitkeringslasten

208.000

330.000

474.202

631.000

789.000

898.434

– 109.434

IVA uitvoeringskosten

44.995

41.392

49.596

55.418

67.720

54.849

12.871

WGA uitkeringslasten

562.194

807.444

1.124.932

1.461.000

1.639.219

1.727.078

– 87.859

WGA uitvoeringskosten

206.985

147.177

173.789

163.241

220.520

160.349

60.171

ZW uitkeringslasten

1.061.995

1.222.000

1.511.604

1.551.000

1.594.000

1.541.373

52.627

ZW uitvoeringskosten

300.380

302.590

285.825

284.275

259.332

292.400

– 33.068

WAZ uitkeringslasten

378.000

358.000

323.006

283.011

252.000

253.596

– 1.596

WAZ uitvoeringskosten

33.000

15.000

13.000

8.000

4.000

9.340

– 5.340

               

Nominaal

0

0

0

0

0

351.865

– 351.865

               

Ontvangsten

144.000

170.253

203.000

260.000

299.004

287.163

11.841

Werkloosheidswet (WW)

Toelichting

De WW verzekert werknemers die werkloos worden tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode opgevangen worden met een WW-uitkering. De lengte van een WW-uitkering hangt af van het arbeidsverleden voor werkloosheid en duurt minimaal 3 en maximaal 38 maanden. Daarnaast voorziet de WW in het overnemen van salarisbetaling door UWV bij faillissement van bedrijven.

Ten opzichte van de begroting 2012 zijn de uitgaven aan de WW € 839 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit hangt hoofdzakelijk samen met het hoger dan verwachte beroep op de WW (€ 716 miljoen), als gevolg van de tegenvallende economische situatie en de oplopende werkloosheid. De lagere gemiddelde WW-uitkering beperkte dit jaar de uitkeringslasten (– € 117 miljoen). Daarnaast zijn de overgenomen verplichtingen van UWV toegenomen (€ 109 miljoen). De uitgaven zijn als gevolg van de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling toegenomen (€ 131 miljoen).

De uitvoeringskosten WW zijn € 33 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit betreft het saldo tussen enerzijds hogere uitvoeringskosten in verband met de oploop van de WW-volumes en anderzijds lagere uitvoeringskosten als gevolg van een (budgetneutrale) herschikking naar aanleiding van een nieuwe toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg van dit laatste zijn uitvoeringskosten die waren geraamd voor de WW gedurende 2012 toegerekend aan uitvoeringskosten re-integratie WW en uitvoeringskosten IVA en WGA (zie ook de toelichtingen bij de uitvoeringskosten IVA en WGA hieronder en bij tabel 47.2).

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

WAO-gerechtigden zijn personen die vóór 1 januari 2004 ziek en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt zijn geworden. Door de invoering van de Wet WIA worden geen nieuwe WAO-uitkeringen meer verstrekt, wel zijn er herlevingen op basis van oud recht. De WAO kent zodoende vrijwel alleen nog uitstroom. De uitkeringslasten en uitvoeringskosten laten daarom een daling zien.

De uitkeringslasten in 2012 zijn € 183 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. De jaarlijkse indexatie van de uitkeringen verhoogt de uitkeringslasten met € 93 miljoen. De overige € 90 miljoen wordt veroorzaakt door een hoger dan verwachte gemiddelde uitkeringshoogte. De uitvoeringskosten in 2012 zijn € 18 miljoen hoger dan het begrote bedrag. De eerder veronderstelde lineaire afloop van de uitvoeringskosten met het uitkeringsvolume laat sinds 2011 een afvlakkend verloop zien.

Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA)

In de WIA staat werk voorop, ligt het accent op wat mensen kunnen en is er tegelijkertijd inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer kunnen werken. De WIA bestaat uit twee regelingen: de IVA en de WGA.

Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA)

De IVA verzorgt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De uitkeringslasten in 2012 zijn € 109 miljoen lager uitgekomen dan was begroot. De jaarlijkse indexatie van de uitkeringen verhoogt de uitkeringslasten met € 12 miljoen. Door nieuwe uitvoeringsinformatie zijn de lasten met € 121 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit is vooral het gevolg van een lager dan verwachte doorstroom vanuit de WGA (€ 60 miljoen) en een meevallende instroom (€ 50 miljoen).

De uitvoeringskosten IVA zijn € 13 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit is het gevolg van een herschikking naar aanleiding van een nieuwe toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn uitvoeringskosten WW toegerekend aan uitvoeringskosten IVA (zie ook toelichting uitvoeringskosten WW). De herschikking leidt per saldo niet tot een wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsongeschikten (WGA)

De WGA verzorgt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, of een minimumuitkering als zij niet werken of minder werken dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit.

De uitkeringslasten in 2012 zijn € 88 miljoen lager uitgekomen dan was begroot. De jaarlijkse indexatie van de uitkeringen verhoogt de uitkeringslasten met € 31 miljoen. Door nieuwe uitvoeringsinformatie zijn de lasten met € 119 miljoen naar beneden bijgesteld. Dit is het saldo van een meevallende instroom en een lager dan verwachte gemiddelde uitkeringshoogte, die de uitkeringslasten hebben verlaagd, en een lager dan verwachte doorstroom naar de IVA, die de uitkeringslasten heeft verhoogd.

De gerealiseerde uitvoeringskosten WGA zijn € 60 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt verklaard door een herschikking naar aanleiding van een nieuwe toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn uitvoeringskosten WW gedurende 2012 toegerekend aan uitvoeringskosten WGA (zie ook toelichting uitvoeringskosten WW). De herschikking leidt per saldo niet tot een wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

Ziektewet (ZW)

De ZW verzekert het ziekterisico voor bepaalde groepen werknemers. Het ZW-vangnet verzekert diegenen die geen werkgever met een loondoorbetalingsplicht meer hebben, zoals WW’ers, uitzendkrachten en tijdelijke werknemers na het einde van het dienstverband. Daarnaast geldt de ZW voor een beperkte groep werknemers die in dienst is van een werkgever. Werknemers ontvangen ook een uitkering op grond van de ZW als ze ongeschikt zijn tot het verrichten van arbeid als gevolg van zwangerschap of bevalling, orgaandonatie of wanneer ze aanspraak hebben op een no-riskpolis.

De uitkeringslasten in 2012 zijn € 53 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit is het gevolg van de jaarlijkse indexatie die de lasten met € 37 miljoen heeft verhoogd en een hoger dan verwachte gemiddelde uitkeringshoogte.

De uitvoeringskosten ZW zijn bijna € 33 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit is het gevolg van een herschikking naar aanleiding van een nieuwe toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn de geraamde uitvoeringskosten ZW toegerekend aan andere regelingen. De herschikking leidt per saldo niet tot een wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ)

De toegang voor zelfstandige ondernemers tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd. De uitgaven aan de WAZ vertonen daarom een daling.

De uitgaven aan uitkeringslasten in 2012 zijn nagenoeg gelijk aan wat was begroot.

De uitvoeringskosten WAZ vallen ruim € 5 miljoen lager uit dan begroot. Dit is het gevolg van een herschikking naar aanleiding van een nieuwe toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn de geraamde uitvoeringskosten WAZ toegerekend aan andere regelingen. De herschikking leidt per saldo niet tot een wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

1 Zorgdragen dat werknemers bij werkloosheid een tijdelijk loonvervangend inkomen ontvangen én tot werkhervatting worden gestimuleerd

Operationele doelstelling

Motivering

Om de tijdelijke inkomensbescherming van werknemers bij werkloosheid te waarborgen en hen te activeren tot werkhervatting.

Doelbereiking

Het gemiddelde WW-volume lag in 2012 bijna 17% hoger dan in 2011. De instroom in de WW was 21% hoger dan in 2011 en de uitstroom uit de WW is met 5% toegenomen ten opzichte van 2011. Waar 2011 zich kenmerkte door een langzaam stijgende werkloosheid, met in totaal bijna 60.000 personen, steeg de werkloosheid in 2012 sneller, met in totaal 115.000 personen. Een groot deel van de toename in het aantal werklozen stroomt de WW in.

  • Werkloosheidswet (WW);

  • Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW);

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende wettelijke verzekering tegen werkloosheid;

  • Aansturen van en toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting.

Activiteiten van UWV:

  • Uitvoering van de wettelijke verzekering;

  • Handhaving.

  • Verzekerden (werknemers);

  • WW-gerechtigden;

  • IOW-gerechtigden;

  • Premiebetalers (werkgevers).

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 46.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 55 en ouder t.o.v. de gemiddelde instroomkans (%)1

86

86

89

≤86

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden (%)2

45

47

45

48

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden die bij instroom 55 jaar of ouder waren (%)2

31

26

26

32

Nalevingsniveau van opgave inkomen uit arbeid (%)3

90

89

90

91

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag.

2 UWV, Administratie.

3 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie.

Volume ontslagwerkloosheid

In 2012 is het WW-volume ten opzichte van 2011 fors gestegen. Waar het jaar 2011 werd gekenmerkt door een langzaam stijgende werkloosheid, werd 2012 gekenmerkt door een sneller stijgende werkloosheid. In 2012 waren zowel instroom als uitstroom uit de WW hoger dan in 2011.

Tabel 46.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Volume ontslagwerkloosheid (x 1.000 uitkeringsjaren)

234

225

262

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1.000)

415

414

502

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1.000)

421

408

432

Aantal lopende uitkeringen (volume) IOW (x 1.000)

0,4

0,7

1,2

Bron: UWV, Jaarverslag

Tabel 46.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Handhaving

     

Kennis van de verplichtingen WW (%)

931

982

Aantal geconstateerde overtredingen WW (x 1.000)3

22

34

32

Totaal fraudebedrag WW (x € 1 mln)3

29,7

44,5

34,9

Afdoening WW (%)3

100

100

100

Bronnen:

1 Onderzoek TNS NIPO UWV Handhaving rechten en plichten.

2 Ipsos Synovate, Onderzoek Kennis Verplichtingen en Pakkans; Negen wetten onder de loep.

3 UWV, Jaarverslag.

2 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening en werkhervatting voor arbeidsongeschikte en zieke werknemers

Operationele doelstelling

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van inkomensverlies als gevolg van arbeidsongeschiktheid en ziekte.

Doelbereiking

Het totaal aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor werknemers laat een dalende trend zien. Dit komt doordat de uitstroom uit vooral de WAO op een hoger niveau ligt dan de instroom in vooral de WIA. In 2012 stroomden er in totaal bijna 55.000 personen uit de WAO/WIA terwijl er bijna 40.000 personen de WAO/WIA instroomden.

  • Loondoorbetaling bij ziekte;

  • Ziektewet (ZW);

  • Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regeling;

  • Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO);

  • Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ);

  • De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (met een WIA/WAO/WAZ uitkering die meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn) volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg);

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende inkomensvoorziening bij ziekte en arbeidsongeschiktheid;

  • Aansturen van en toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting;

  • Financiële prikkels voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers om aan het werk te blijven dan wel het werk te hervatten;

  • Financiële prikkels voor werkgevers om zieke of arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden of nemen;

  • Vereenvoudiging van regelgeving.

Activiteiten van UWV:

  • Uitvoering van de wettelijke verzekering;

  • Handhaving.

  • Werknemers;

  • Zelfstandigen die voor 1 augustus 2005 arbeidsongeschikt zijn geworden;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 46.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Aandeel werkende WGA-ers met resterende verdiencapaciteit (%)1

50

48,1

45,9

≥50

Aandeel WGA-ers met resterende verdiencapaciteit in de vervolgfase dat in voldoende mate werkt (%)1

52

52,2

49,5

≥50

Nalevingsniveau van opgave inkomen uit arbeid (%)2

96

96

96

96

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag.

2 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie.

WAO/WIA

De totale omvang van het bestand WAO en WIA is in 2012 verder gedaald. Dat komt doordat het WAO-bestand sneller daalt dan dat het WIA-bestand stijgt. Het WAO-volume daalt omdat de WAO een aflopende regeling is. De instroom in de WAO is beperkt tot herlevingen op basis van oud recht. Daar staat een veel grotere uitstroom tegenover, vooral als gevolg van het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

De instroom in de WIA is in 2012 nagenoeg gelijk aan de instroom in 2011. De uitstroom uit de WIA is in 2012 gestegen naar een niveau van ongeveer 12.000 uitkeringen en de doorstroom van WGA naar IVA is verder gestegen naar 3.800 uitkeringen. De groei van uitstroom en doorstroom loopt gelijk op met de groei van het WIA-bestand, dat nog vele jaren in een opbouwfase zit.

Tabel 46.7 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

WAO + IVA + WGA

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)

596,4

582,3

567,9

– waarvan WAO

486,3

443,9

406,2

– waarvan IVA

28,2

36,0

42,9

– waarvan WGA

81,9

102,4

118,9

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,3

8,3

8,0

       

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

39,9

41,0

38,9

– waarvan WAO

4,3

3,1

2,31

– waarvan IVA

7,3

7,8

7,31

– waarvan WGA

28,4

30,1

29,31

Instroomkans WIA/WAO (%)

0,55

0,59

0,51

       

Uitstroom in uitkeringen (x 1.000)

48,2

55,3

54,9

– waarvan WAO

39,7

45,5

43,41

– waarvan IVA

2,1

3,1

3,71

– waarvan WGA

6,4

6,7

7,81

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1.000)

3,0

3,2

3,8

       

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

7,5

8,7

8,81

Uitstroomkans WGA naar werk UWV (%)

51

25

41

Uitstroomkans WGA naar werk eigenrisicodragers (%)

58

47

n.b.2

Aandeel werkende WAO’ers (%)

n.b.3

20

21

Aandeel werkende IVA’ers (%)

n.b.3

5

4

Aandeel werkende WGA’ers (%)

n.b.3

21

20,5

Aandeel instroom WIA uit ZW (%)

50

51

52

       

WAZ

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)

30,4

26,0

22,5

       

ZW

     

Bestand in uitkeringen (gemiddeld, x 1.000)

98,4

100,1

99,6

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

281,2

273,4

260,4

Uitstroom in uitkeringen (x 1.000)

371,6

372,7

347,1

Bron: UWV, Jaarverslag

X Noot
1

Dit is het berekende 12-maandscijfer. In het UWV-Jaarverslag is een 11,5 maandcijfer opgenomen.

X Noot
2

Het UWV doet nader onderzoek naar dit cijfer. Daarom is hier geen realisatie 2012 opgenomen.

X Noot
3

Deze cijfers worden door UWV sinds 2011 geleverd.

Tabel 46.8 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Handhaving WAO + IVA + WGA

Kennis van verplichtingen WAO (%)

911

952

Kennis van verplichtingen WGA (%)

901

872

Aantal geconstateerde overtredingen WAO/WIA (x 1000)3

3

3

3

Totaal fraudebedrag (x € 1 mln)3

6

8

9

Afdoening inlichtingenplicht (%)3

99

99

99

       

Handhaving ZW

     

Aantal geconstateerde overtredingen ZW (x 1000)3

3

3

2

Totaal fraudebedrag ZW (x € 1 mln)3

2

3

2

Afdoening inlichtingenplicht ZW (%)3

100

99

99

Bronnen:

1 Onderzoek TNS NIPO UWV Handhaving rechten en plichten.

2 Ipsos Synovate, Onderzoek Kennis Verplichtingen en Pakkans; Negen wetten onder de loep.

3 UWV, Jaarverslag.

3 Zorgdragen voor arbeidsondersteuning en inkomensvoorziening voor jonggehandicapten

Operationele doelstelling

Motivering

Om de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te bevorderen en jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

De instroom in en de uitstroom uit de Wajong zijn beide licht gestegen. De uitstroom wordt vooral veroorzaakt door uitstroom uit de Wajong zoals deze tot 2010 bestond. In de tot 2010 geldende Wajong is het aandeel werkenden ongeveer gelijk gebleven. Het aandeel werkenden in de werkregeling van de sinds 2010 geldende Wajong is gedaald van 23% naar 19%. De uitstroom uit de sinds 2010 geldende Wajong vanwege werk is gestegen van 17% naar 32%.

  • De Wet Werk en Arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong);

  • De Wajong geldend voor jonggehandicapten die voor 1 januari 2010 een aanvraag indienden;

  • De tegemoetkoming voor Wajonggerechtigden volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg);

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van toekomstbestendige en activerende wettelijke instrumenten en voorzieningen voor jonggehandicapten;

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting;

  • Uitwerking aanpak «Werk voor Wajongers» inclusief vraaggerichte werkgeversbenadering;

  • Stimuleren van een soepele overgang van school naar werk.

Activiteiten UWV:

  • Uitvoering van de wettelijke voorziening.

  • Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

  • Jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt worden.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 46.9 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Het percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig een participatieplan is opgesteld (%)

66

89

93

100

Bron: UWV, Jaarverslag

Het totale aantal Wajong-gerechtigden is in 2012 opnieuw gestegen. Dit komt doordat de instroom in de Wajong aanzienlijk hoger is dan de uitstroom. De uitstroom ligt op een lager niveau omdat het bestand Wajong-gerechtigden nog relatief jong is, waardoor nog weinig van hen de 65-jarige leeftijd bereiken. De Wajong tot 2010 kent nog steeds instroom in 2012, dit is het gevolg van herleefde Wajongrechten. Deze mensen hebben al voor 2010 recht op Wajong gehad.

Voor de nieuwe Wajong geldt dat zowel voor de instroom als voor het bestand in uitkeringen het aandeel mensen in de werkregeling met een participatieoordeel «reguliere arbeid» is gedaald. Daarentegen is het aandeel met een participatieoordeel «tijdelijk geen mogelijkheden» aanzienlijk gestegen. Dit heeft te maken met een nieuwe indeling waar UWV in 2012 naar is overgestapt.

Tabel 46.10 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Wajong Totaal

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)

205,1

216,2

226,5

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

17,8

16,3

16,41

Uitstroom in uitkeringen (x 1.000)

4,6

5,1

5,41

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

1,9

1,8

1,8

       

waarvan Wajong tot 2010

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)

195,4

192,4

189,6

waarvan volledig arbeidsongeschikt (%)

98,1

98,1

98,1

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

8,0

1,8

1,61

Uitstroom in uitkeringen (x 1.000)

4,5

4,7

4,61

Aandeel werkende Wajong’ers (%)

25

25

252

           

waarvan nieuwe Wajong (met ingang van 2010)

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1.000)

9,7

23,8

36,9

waarvan Werkregeling (%)3

58

62

67

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

35

33

24

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

3

4

5

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

24

22

39

waarvan Studieregeling (%)

29

28

23

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

13

10

9

       

Instroom in uitkeringen (x 1.000)

9,8

14,5

14,81

waarvan Werkregeling (%)3

54

51

554

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

48

34

214

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

6

5

54

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

37

26

434

waarvan Studieregeling (%)

34

41

374

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

13

8

74

       

Uitstroom in uitkeringen (x 1.000)

0,1

0,4

0,85

waarvan uitstroom wegens werk (%)

16,7

31,8

       

Aandeel werkende Wajong’ers binnen werkregeling (%)6

21

23

19

waarvan werkzaam bij reguliere werkgever (%)

93

91

89

 

waarvan met inkomensondersteuning (%)

76

83

85

 

waarvan zonder inkomensondersteuning (%)

24

17

15

waarvan werkzaam bij beschut werk (%)

7

9

11

Bron: UWV, Jaarverslag

X Noot
1

Dit is het berekende 12-maandscijfer. In het UWV-Jaarverslag is een 11,5 maandcijfer opgenomen.

X Noot
2

Cijfer betreft gegevens t/m augustus 2012.

X Noot
3

De drie participatieoordelen tellen niet op tot 100%, omdat er ook nog een categorie «overig of niet bekend» is.

X Noot
4

Onderverdeling is gebaseerd op 11,5 maandcijfer in het UWV-Jaarverslag.

X Noot
5

Berekende 12-maandscijfer is hetzelfde als het 11,5 maandcijfer in het UWV-Jaarverslag.

X Noot
6

Peildatum ultimo augustus 2012. Dit zijn de lopende nWajong-uitkeringen in de werkregeling met een dienstverband in Polis.

5 Zorgdragen voor een stelsel dat gemeenten prikkelt tot activering en inkomensondersteuning van mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud

Operationele doelstelling

  • Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociaal minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien;

  • Om het gemeenten mogelijk te maken burgers financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Motivering

Doelbereiking

De daling van het aantal WWB-uitkeringen is vanaf 2009, als gevolg van de economische crisis, tot stilstand gekomen. Het totaal aan WWB-uitkeringen is in 2012 gestegen ten opzichte van 2011.

  • Wet werk en bijstand (WWB), het inkomensdeel van de WWB;

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) 2004;

  • Inlichtingenbureau gemeenten;

  • Participatiebudget (wordt toegelicht bij artikel 47);

  • Middelen voor bijzondere bijstand via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds;

  • Koppeling van het sociaal minimum aan het wettelijk minimumloon;

  • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: met het inwerking treden van deze wet per 1 juli 2012 wordt bemiddeling schuldhulpverlening een wettelijke taak van gemeenten en legt de wet een «bodem» in de gemeentelijke schuldhulpverlening.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van de wet- en regelgeving;

  • Ramen macrobudget gebundelde gemeentelijke uitkeringen inkomensvoorzieningen en onderhouden verdelingsystematiek;

  • Het bepalen van het wettelijk kader voor bijzondere bijstandsverlening;

  • Monitoren ambities en afspraken Bestuursakkoord met gemeenten;

  • Verder optimaliseren van het systeem en de werking van de WWB door:

    • * Beslissen op aanvragen voor een meerjarige of incidentele aanvullende uitkering WWB inkomensdeel;

    • * Stimuleren aanpak harde kern;

    • * Ondersteunen van de gemeenteraad/griffie bij het waarmaken van hun kaderstellende en controlerende rol;

    • * Gevolgen van EU-beleid en ervaringen voor nationaal beleid en uitvoering verwerken.

Activiteiten SZW op het terrein van armoede en schuldhulpverlening;

  • Bestrijden van armoede en sociale uitsluiting;

  • Het bevorderen dat kinderen die opgroeien in gezinnen op of rond het sociaal minimum kunnen (blijven) meedoen;

  • Tegengaan van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen;

  • Het vergroten van het bereik en het versterken van de minnelijke schuldhulpverlening;

  • Het minimaliseren van de wachtlijsten schuldhulpverlening;

  • Voorbereiding van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op basis waarvan de minnelijke schuldhulpverlening een wettelijke taak van gemeenten wordt;

  • Extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis:

    • * Extra aandacht voor preventie door goede voorlichting en actieve verwijzing naar schuldhulpverlening op de werkpleinen;

    • * Het opvangen van het extra beroep op de schuldhulpverlening;

    • * Extra aandacht voor het verbeteren van de effectiviteit van de schuldhulpverlening.

Activiteiten gemeenten:

  • Uitvoeren van wet- en regelgeving;

  • Handhaving.

  • Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of opleiding volgen;

  • Mensen van 27 tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 49);

  • Mensen met een langdurig minimuminkomen en/ of grote afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Mensen in armoede of met een risico op armoede;

  • Mensen met risico op problematische schulden;

  • Alleenstaande ouders;

  • Oudere werkloze werknemers die na het 50ste jaar werkloos zijn geworden en die na het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van de werkloosheidswet over onvoldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

  • Oudere gewezen zelfstandigen die na het 55ste jaar het bedrijf of beroep hebben beëindigd en niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

  • Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud en academieverlaters kunstvakopleidingen;

  • Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 46.11 Indicatoren operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Aantal personen (0 t/m 64 jaar) in een huishouden met een lage werkintensiteit (jobless household, 1.000)1

1.595

1.678

n.b.

<>2

Nalevingniveau opgave van inkomsten (%)3

93

92

92

94

Bronnen:

1 CBS, Huishoudens met een laag inkomen. Cijfers 2012 komen in 2014 beschikbaar.

2 Streven 2020 is 1.030.

3 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie.

Volume WWB

Het volume van de WWB is onder invloed van de economische crisis verder opgelopen. In 2012 is de WIJ komen te vervallen en maken jongeren onder de 27 jaar weer deel uit van de WWB.

Volume IOAW, IOAZ, Bbz

Het gebruik van de IOAW, IOAZ en Bbz bleef in 2012 vrijwel gelijk aan dat van 2011.

Uitgaven gemeenten aan bijzondere bijstand

Dit cijfer betreft de uitgaven van gemeenten aan bijzondere bijstand voor zowel reguliere als categoriale bijzondere bijstand, inclusief langdurigheidstoeslag en exclusief projectmatige verstrekkingen.

In de begroting 2012 en het jaarverslag 2011 is per abuis geen langdurigheidstoeslag meegenomen in de jaartotalen voor 2010 en 2011. De reeks in dit jaarverslag is inclusief de definitieve langdurigheidstoeslag.

Tabel 46.12 Kengetallen operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Volume WWB thuiswonenden, periodiek < 65 jaar (x 1.000)1

275

279

3192

Inkomensvoorzieningen WIJ (x 1.000)1

22

36

Volume IOAW (x 1.000)1

9

10

10

Volume IOAZ (x 1.000)1

1

1

1

Volume bijstand buitenland (x 1.000)3

0,3

0,2

0,2

Volume Bbz (x 1.000)3

4

4

4

Volume WWIK (x 1.000)1

3

3

2

Uitgaven gemeenten aan bijzondere bijstand (x 1 mln)4

317

309

279

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringsstatistiek.

2 Vanaf 2012 is dit cijfer inclusief inkomensvoorzieningen voor jongeren tot 27 jaar (voorheen de WIJ).

3 SVB, Jaarverslag.

4 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek (jaartotalen). Dit bedrag is inclusief voorlopige uitgaven langdurigheidstoeslag.

Tabel 46.13 Kengetallen operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Handhaving

     

Nalevingniveau melden samenwoning (%)1

99

99

992

Aantal geconstateerde fraudegevallen1

11.100

12.571

15.1222

Totaal fraudebedrag (x € 1 mln)1

53

67

642

Incassoratio (%)3

11

12

11

Bronnen:

1 SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie.

2 Berekend op basis van voorlopige cijfers.

3 CBS, Bijstandsdebiteurenstatistiek.

6 Zorgdragen voor adequate werknemersverzekeringen en onderstand aan inwoners van Caribisch Nederland

Operationele doelstelling

Motivering

Om inwoners van Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba) in geval van werkloosheid, ongeval of ziekte of inwoners die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud een inkomensvoorziening op maat te bieden. Daarbij wordt de ontwikkeling van de uitkeringen op de eilanden gekoppeld aan de ontwikkeling van het prijsniveau per eiland.

Doelbereiking

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze inwoners van Caribisch Nederland die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud ontvangen een inkomensvoorziening op maat.

Instrumenten

De regelingen van SZW voor Caribisch Nederland op het terrein van inkomensbescherming met activering betreffen een drietal werknemersverzekeringen en de Onderstand.

De werknemersverzekeringen voor Caribisch Nederland zijn:

  • De Cessantiawet. Dit betreft een verplichte ontslagvergoeding aan werknemers bij ontslag buiten zijn of haar toedoen, te betalen door de werkgever. In geval van faillissement of surseance van betaling neemt de overheid deze verplichting over;

  • De Ongevallenverzekering. Dit betreft een uitkering (ongevallengeld) aan werknemers die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt;

  • De Ziekteverzekering. Dit betreft een uitkering (ziekengeld) aan werknemers die door ziekte arbeidsongeschikt zijn.

De Onderstand betreft een uitkering aan inwoners die niet in staat zijn om over voldoende middelen van bestaan te

beschikken.

De SZW-unit bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regelingen in Caribisch Nederland. De bijdrage in de uitvoeringskosten aan de RCN wordt verantwoord op artikel 98.

  • Onderhouden van wet- en regelgeving;

  • Uitkeringsverzorging;

  • Handhaving.

Activiteiten

Doelgroepen

Uitkeringsgerechtigden in Caribisch Nederland.

Realisatie meetbare gegevens

Gegeven het geringe aantal gerechtigden zijn geen indicatoren geformuleerd.

Tabel 46.14 Kengetallen operationele doelstelling 6
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Volume uitkeringen Caribisch Nederland (x 1.000)

<0,5

0,5

0,5

Bron: SZW-unit RCN

47 Aan het Werk: Bemiddeling en Re-integratie

Artikel

Arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen

Algemene doelstelling

Motivering

SZW schept de voorwaarden waarbinnen UWV en gemeenten personen met een sociale zekerheidsuitkering en niet-uitkeringsgerechtigden kunnen ondersteunen op hun weg naar reguliere arbeid. Niet alleen voor de mensen zelf, maar ook voor de vergroting van arbeidsparticipatie en de vermindering van uitkeringsafhankelijkheid.

Bij de intake op de werkpleinen bepalen UWV en gemeenten wie ondersteuning nodig heeft en welk instrument effectief is. De werkpleinen bieden basisdienstverlening voor iedereen. Voor personen met een afstand tot regulier werk kan re-integratieondersteuning worden ingezet.

Het doel van re-integratie is (uiteindelijk) arbeidsinpassing in regulier werk. Door re-integratieondersteuning wordt de afstand tot regulier werk verkleind, opdat de kans op het verkrijgen van regulier werk wordt vergroot.

De inzet van re-integratiemiddelen dient selectief en vraaggericht te gebeuren. Selectiviteit vraagt van gemeenten en UWV om goed zichtbaar te maken welke re-integratiemiddelen en -instrumenten zij inzetten, mede opdat zij ook van elkaar kunnen leren. Het gaat dan over wat, voor wie, wanneer wordt ingezet, hoe het werkt en welke resultaten worden bereikt. In het vergroten van de vraaggerichtheid spelen de werkpleinen een belangrijke rol. Werkpleinen verlenen diensten op maat, die door één aanspreekpunt worden geregisseerd (geïntegreerde dienstverlening), voor werkzoekenden om arbeidsinschakeling te bevorderen en voor werkgevers om vacatures te vervullen.

  • In 2012 was er sprake van een afnemende vraag naar personeel. Het aantal vacatures dat werkgevers bij het UWV WERKbedrijf hebben ingediend daalde in 2012 met 39% ten opzichte van 2011.

  • De instroom van het aantal niet-werkende werkzoekenden bij het UWV WERKbedrijf steeg in 2012 fors naar 622.000. Daarmee waren er in 2011 22% meer niet-werkende werkzoekenden dan in 2012.

  • In de eerste zes maanden van 2012 zijn 48.000 uitkeringsgerechtigden die bij UWV WERKbedrijf stonden ingeschreven in een baan gestart, nadat zij in de zes maanden daarvoor re-integratieondersteuning hadden ontvangen. Dit is 19% van alle voormalig werkloze uitkeringsontvangers en niet-uitkeringsgerechtigden die in de eerste zes maanden van 2012 in een baan zijn gestart.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Europees Sociaal Fonds (ESF)

Met het programma ESF 2007–2013 wil Nederland de economische groei vergroten. Het ESF wordt ingezet op geconstateerde zwakten van de arbeidsmarkt, zoals de beperkte arbeidsparticipatie van ouderen (55+) en mensen met een arbeidsbelemmering. Sinds september 2009 wordt het ESF ook ingezet voor de bestrijding van jeugdwerkloosheid. Tevens stimuleert het ESF sociale innovatie en duurzame arbeidsinzet in bedrijven. Daarnaast investeert het ESF in de scholing van lager opgeleide werkenden en in de arbeidstoeleiding van gedetineerden en van leerlingen in het Praktijkonderwijs en Voortgezet speciaal onderwijs.

In de eerste jaren van de uitvoering van het ESF-programma lag de nadruk op het tijdig genereren en starten van projecten. De resterende jaren ligt de nadruk op het voorkomen dat aan het einde van de programmaperiode Europese Subsidie onbenut is gebleven of dat (bij overschrijding) deze ten laste van de begroting moet worden betaald. Het beschikbare subsidiebudget bedraagt € 830 miljoen.

De Tweede Kamer ontvangt jaarlijks in juni een voortgangsverslag over de uitvoering van het ESF. Tevens voert de Auditdienst Rijk van het ministerie van Financiën jaarlijks een systeemaudit uit betreffende de effectieve werking van het beheers- en controlesysteem ESF. Op 4 april 2012 is een positief oordeel afgegeven (systeem functioneert, enkele verbeteringen nodig).

Externe factoren

De economische omstandigheden, die van doorslaggevende invloed zijn op de situatie op de arbeidsmarkt en daarmee op de vraag naar arbeid, hadden in 2012 een remmende invloed op de arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen.

Realisatie meetbare gegevens

Ten aanzien van het realiseren van de algemene doelstelling worden in de begroting geen afzonderlijke indicatoren geformuleerd, omdat de uitstroom naar werk te zeer afhankelijk is van de conjunctuur.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 47.1 Begrotingsuitgaven artikel 47 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

534.488

4.061.845

2.340.508

1.502.616

1.269.061

1.466.003

– 196.942

Uitgaven

2.090.809

2.224.182

2.480.756

2.210.589

1.410.931

1.466.065

– 55.134

               

Programma uitgaven

2.090.809

2.224.182

2.480.756

2.210.589

1.410.931

1.466.065

– 55.134

               

Operationele Doelstelling 1

             

Basisdienstverlening UWV

315.119

331.866

377.828

293.280

188.956

181.875

7.081

BKWI

10.198

11.000

9.832

9.890

9.300

8.547

753

Ketensamenwerking

15.000

2.623

0

0

0

0

0

               

Operationele Doelstelling 2

             

Participatiebudget

1.580.789

1.758.438

1.895.596

1.698.565

994.553

992.520

2.033

RWI

5.977

5.952

5.782

5.352

2.633

2.633

0

Re-integratie Wajong

81.353

71.093

155.061

174.010

151.590

192.345

– 40.755

Re-integratie Wajong Uitvoeringskosten

3.320

19.830

17.300

11.598

33.923

44.852

– 10.929

Subsidies

4.497

2.916

2.091

1.039

1.286

2.440

– 1.154

Beleidsondersteunende uitgaven

4.041

5.156

5.662

2.323

14.088

28.780

– 14.692

Re-integratie Caribisch Nederland

0

0

0

249

411

260

151

Stimuleringsregeling ID-banen

2.333

346

1.260

0

0

0

0

Risicovoorziening ESF 3

58.900

3.673

0

0

0

0

0

Vergoeding uitvoering ESF (AGSZW)

9.282

11.289

10.344

14.283

14.191

11.813

2.378

               

Ontvangsten

87.076

290.344

512.243

523.839

300.467

270.860

29.607

BKWI

Toelichting

De uitgaven aan BKWI zijn € 0,8 miljoen hoger dan begroot. Dat is hoofdzakelijk het gevolg van extra toegekende middelen voor handhavingactiviteiten.

Re-integratie Wajong

Aan re-integratie Wajong is € 41 miljoen minder uitgegeven dan begroot. De uitgaven zijn in 2012 behoedzaam verplicht om overschrijdingen van het budget te voorkomen. In vergelijking met 2011 is in 2012 echter een hoger aantal trajecten gestart, vooral in de tweede helft van het jaar. Deze trajecten leiden voor een deel pas in 2013 tot uitgaven en daarmee tot minder uitgaven in 2012.

Re-integratie Wajong uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten zijn € 11 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit wordt verklaard door het niet doorgaan van de Wet Werken naar Vermogen en de vrijval van de hiermee samenhangende middelen.

Subsidies

Aan subsidies is bijna € 1,2 miljoen minder uitgegeven dan begroot. Dit is vooral het gevolg van de vertraging van de integrale aanpak Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

Beleidsondersteunende uitgaven

Aan beleidsondersteunende uitgaven is de helft minder uitgegeven dan begroot. Een belangrijk deel van deze middelen was gereserveerd voor implementatie van de Wet Werken naar Vermogen. Met het niet doorgaan van deze wet is een belangrijk deel van de hiervoor gereserveerde middelen vrijgevallen.

Re-integratie Caribisch Nederland

De uitgaven aan re-integratie op Caribisch Nederland zijn € 0,15 miljoen hoger uitgevallen dan begroot. Dit is het gevolg van een met de eilanden overeengekomen intensivering van de integrale aanpak. De extra middelen zijn specifiek bedoeld voor kinderopvang.

Vergoeding uitvoering ESF

De vergoeding voor de uitvoering van de ESF-regelingen aan het Agentschap SZW zijn € 2,4 miljoen hoger dan begroot. Dit heeft vooral te maken met extra uitvoeringskosten door het openstellen van nieuwe aanvraagtijdvakken en extra activiteiten ten behoeve van de Stichting Opleidingfonds Groothandel. De subsidie van de EC voor uitvoeringskosten in de programmaperiode 2007–2013 is volledig benut, zodat deze extra kosten nu volledig ten laste van de SZW-begroting komen.

Ontvangsten

De ontvangsten blijken € 30 miljoen hoger uit te vallen dan begroot. Deze budgettaire meevaller is vooral veroorzaakt door een afrekening met UWV van re-integratie Wajong 2011 (€ 20 miljoen) en terugvorderingen Participatiebudget (€ 7,5 miljoen) omdat te veel middelen niet of onrechtmatig zijn besteed.

Tabel 47.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 47 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Uitgaven

499.000

579.514

559.252

486.025

285.000

251.672

33.328

               

Programma uitgaven

499.000

579.514

559.252

486.025

285.000

245.427

39.573

               

Operationele Doelstelling 2

             

Re-integratie WAZ/WAO/WIA

188.000

183.514

110.252

99.021

94.000

93.275

725

Re-integratie WW

118.000

151.000

218.000

128.004

4.000

2.571

1.429

Re-integratie WAZ/WAO/WIA uitvoeringskosten

95.000

71.000

33.000

26.000

36.000

26.071

9.929

Re-integratie WW uitvoeringskosten

98.000

174.000

198.000

233.000

151.000

123.510

27.490

               

Nominaal

0

0

0

0

0

6.245

– 6.245

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Re-integratie WW

Toelichting

Voor de re-integratie van WW-gerechtigden worden vanaf 1 januari 2012 geen middelen meer beschikbaar gesteld. Er is echter nog wel sprake van voor die datum aangegane verplichtingen. Hier is in de begroting 2012 onvoldoende rekening mee gehouden, waardoor de uiteindelijke kosten € 1,5 miljoen hoger uitvallen dan voorzien.

Uitvoeringskosten re-integratie WAZ/WAO/WIA/WW

De uitvoeringkosten WAZ/WAO/WIA zijn € 10 miljoen hoger uitgevallen dan begroot en de uitvoeringskosten WW € 27,5 miljoen. Dit is voor beide het gevolg van een herschikking in de toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn uitvoeringskosten WW toegerekend aan re-integratie WW (zie ook toelichting uitvoeringskosten WW bij tabel 46.2). De herschikking leidt per saldo niet tot een wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

1 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk voor die uitkeringsgerechtigden en werklozen die op eigen kracht werk kunnen vinden

Operationele doelstelling

Motivering

Niet iedereen heeft re-integratieondersteuning nodig. Een groot deel van de uitkeringsgerechtigden en werklozen komt op eigen kracht weer aan de slag. De basisdienstverlening van UWV WERKbedrijf is ondersteunend.

Doelbereiking

Ruim 202.000 uitkeringsontvangers en bij het UWV WERKbedrijf ingeschreven niet uitkeringsgerechtigden hebben in de eerste zes maanden van 2012 zonder re-integratieondersteuning werk gevonden. Het grootste gedeelte (70%) van deze groep bestaat uit personen met een WW-uitkering.

  • Basisdienstverlening UWV WERKbedrijf: In principe digitale informatie en advies over werk, vooral digitale bemiddeling en begeleiding bij het zoeken naar werk (cv plaatsen op www.werk.nl , hulp werkcoach), digitaal inschrijven voor werk en een uitkering aanvragen;

  • Leerwerkloketten: samenwerkingsverbanden van onderwijs, UWV en gemeenten bieden op regionaal niveau informatie en advies over scholing aan werkzoekenden en werkgevers.

Instrumenten

Activiteiten SZW:

Activiteiten

  • Bevorderen van de ontwikkeling van digitale dienstverlening door UWV en gemeenten aan zowel werkzoekenden als werkgevers;

  • Aansturen van en toezicht houden op UWV en daarmee samenhangend beleid en regelgeving tot stand brengen.

Activiteiten ketenpartners:

  • UWV transformeert de dienstverlening naar digitale dienstverlening. UWV en gemeenten maken afspraken over de digitale dienstverlening aan WWB-gerechtigden;

  • UWV en gemeenten ontwikkelen regionaal arbeidsmarktbeleid en regionale diensten voor werkgevers. Zij zorgen ervoor dat er in iedere regio 1 aanspreekpunt is voor werkgevers. Daarnaast zorgen zij voor een landelijk aanspreekpunt voor werkgevers;

  • UWV heeft een eigen planning- en controlcyclus, waarover aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd. Deze rapportages bevatten gegevens over de voortgang van de uitvoering.

Activiteiten Van werk naar werk:

  • De experimenten van-werk-naar-werk zijn gemonitord. Het eindrapport is eind december 2012 verschenen en is op 17 januari aan de Tweede Kamer aangeboden30. Alle projecten samen hadden zich ten doel gesteld 785 deelnemers te bereiken en 670 van-werk-naar-werk transities te realiseren. De projecten hebben vanaf 1 december 2010 in totaal 680 deelnemers bereikt. Voor 404 mensen (60%) is dit succesvol geweest, omdat zij ander (vaak tijdelijk) werk hebben gevonden of geplaatst zijn op een leer-werk-traject. Van 58 deelnemers is het traject nog niet afgerond. Een deel daarvan vindt mogelijk nog ander werk.

    In de brief aan de Tweede Kamer zijn de volgende succesfactoren genoemd:

    • * Voortbouwen op traditionele instituties (sociale partners, sectorfondsen, scholingsinstituten, kenniscentra);

    • * Actieve deelname van vakbonden;

    • * Draagvlak bij individuele werkgevers (en werknemers);

    • * Formaliseren van afspraken.

    De succesfactoren worden als onderdeel van het project duurzame inzetbaarheid actief verspreid onder bedrijven en organisaties die hier werk van willen maken (onder andere via regio- en sectormeetings).

    Sociale partners is gevraagd sectorplannen op te stellen, waarin van-werk-naar-werk activiteiten kunnen worden opgenomen. Het kabinet zal deze plannen, onder voorwaarden, middels cofinanciering faciliteren.

  • Bij UWV WERKbedrijf ingeschreven werkzoekenden die op eigen kracht weer aan de slag kunnen komen;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De indicatoren in tabel 47.3 geven aan dat werkgevers en werkzoekenden in 2010 en 2011 tevreden waren over de klantgerichtheid van de aangeboden integrale dienstverlening.

Tabel 47.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Klanttevredenheid werkgevers

7,2

7,1

n.b.1

voldoende

Klanttevredenheid werkzoekenden

6,8

6,3

n.b.1

voldoende

Bron: UWV, Jaarverslag

X Noot
1

Vanaf 2012 is geen sprake meer van integrale, maar van aanvullende dienstverlening. Daarom zijn deze cijfers voor 2012 niet meer beschikbaar .

Tabel 47.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Aantal niet-werkende werkzoekenden per 1 januari (x 1.000)

508

490

473

Instroom niet-werkende werkzoekenden (x 1.000)

564

511

622

Aantal geregistreerde vacatures per 1 januari (x 1.000)

40

39

20

Bij UWV Werkbedrijf ingediende vacatures (x 1.000)

268

177

111

Door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures (x 1.000)

108

64

39

Bron: UWV, Jaarverslag

Tabel 47.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Totaal

Wajong WIA/WAZ WAO

WW

Bijstand/WIJ

Nug

In 2010 zonder re-integratie-ondersteuning in een baan gestarte voormalig werklozen (x 1.000)

274

57

166

20

31

In 2011 zonder re-integratie-ondersteuning in een baan gestarte voormalig werklozen (x 1.000)

333

44

232

23

35

In het eerste halfjaar van 2012 zonder re-integratie-ondersteuning in een baan gestarte voormalig werklozen (x 1.000)

202

26

142

13

21

Bron: CBS, Uitstroomonderzoeken Re-integratie

2 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk voor die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Operationele doelstelling

Motivering

Het re-integratiebeleid is gericht op uitstroom uit werkloosheid naar regulier werk van werkzoekenden met een grote afstand tot regulier werk. Het re-integratiebeleid zet niet in op personen die op eigen kracht regulier werk kunnen verkrijgen. Gemeenten en UWV hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om via maatwerk een passende re-integratieondersteuning aan te bieden. Met re-integratieondersteuning wordt bedoeld trajecten, waaronder ook inburgeringstrajecten, extra ondersteuning van de casemanager bij gemeenten en de werkcoach bij UWV. Deze trajecten dienen vraaggericht en selectief te worden ingezet, zoals geformuleerd in het «Plan van Aanpak re-integratie»31.

Doelbereiking

In de eerste zes maanden van 2012 zijn 48.000 uitkeringsontvangers (van UWV en gemeenten) en bij UWV WERKbedrijf ingeschreven niet-uitkeringsgerechtigden in een baan gestart met inzet van re-integratieondersteuning. Dit is 19% van alle uitkeringsontvangers (van UWV en gemeenten) en bij UWV WERKbedrijf ingeschreven niet-uitkeringsgerechtigden die in de eerste zes maanden in een baan zijn gestart.

Voor bijstandsontvangers was dit aandeel aanzienlijk groter (69 procent): 29.000 bijstandsontvangers zijn na re-integratieondersteuning in een baan gestart.

  • Het participatiebudget gemeenten; dit budget maakt een integrale aanpak van gemeenten mogelijk door bundeling van de middelen voor re-integratie, volwasseneneducatie en inburgering. Hiermee bevorderen gemeenten dat WWB-gerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden zelfstandig in hun bestaan kunnen voorzien;

  • Bijdrage aan re-integratiebudgetten van UWV ten behoeve van Wajong en WIA;

  • Het re-integratiebudget Caribisch Nederland.

Instrumenten

  • Beschikbaar stellen van instrumenten aan UWV en gemeenten ten behoeve van werkgevers, uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden, zoals re-integratietrajecten, premiekorting, no-riskpolis, loonkostensubsidie, werkgevers- en werknemersvoorzieningen;

  • Bevorderen van de ontwikkeling van digitale dienstverlening en fysieke dienstverlening voor een kleine groep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Bevorderen dat UWV en gemeenten regionale diensten voor werkgevers ontwikkelen. Gemeenten en UWV dienen ervoor te zorgen dat er in iedere regio 1 aanspreekpunt is voor werkgevers. Daarnaast zorgen zij voor een landelijk aanspreekpunt voor werkgevers;

  • Verrichten van onderzoek en het verspreiden van de resultaten hiervan;

  • Ontsluiten van goede praktijkvoorbeelden via onder andere www.interventiesnaarwerk.nl ;

  • Aansturen van en toezicht houden op UWV;

  • UWV heeft een eigen planning- en controlcyclus, waarover aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd. Deze rapportages bevatten gegevens over de voortgang van de uitvoering.

Activiteiten

Vergroten inzicht in netto-effectiviteit van re-integratie

In 2012 zijn in 7 Nederlandse gemeenten en bij 6 UWV-vestigingen experimenten gestart voor mensen met een WWB- en WW-uitkering, die beogen meer inzicht te krijgen in de netto effectiviteit van re-integratie32. Via a-selectieve toewijzing aan behandel- en controlegroepen wordt beoogd in kaart te brengen wat werkt en voor wie. Interventies die bij gemeenten worden onderzocht zijn het effect van screening en diagnose, toepassing zoekperiode, begeleiding naar werk en werkstage. In de experimenten bij UWV waarbij WW-gerechtigden betrokken zijn, gaat het om de netto effectiviteit van elektronische versus face-to-face dienstverlening en het passend werkaanbod. De eerste kwantitatieve resultaten worden in het voorjaar van 2013 verwacht. De eerste integrale rapportage aan de Tweede Kamer is voorzien voor eind 2013.

Monitoren inspanningen gemeenten

Het aantal gemeentelijke trajecten wordt beschreven in de Statistiek Re-integratie door Gemeenten (SRG) van het CBS, een statistiek met een frequentie van twee maal per jaar. De meest recente gegevens betreffen het eerste halfjaar van 2012 en geven het onderstaand beeld:

  • Eind juni 2012 verstrekten gemeenten ruim 8.000 tijdelijke loonkostensubsidies en waren er nog ruim 5.000 ID/WIW-banen. Tevens waren ruim 10.000 bijstandontvanger actief op een participatieplaats;

  • In de eerste zes maanden van 2012 werden 50.000 nieuwe trajecten gestart en 53.000 beëindigd. Eind juni 2012 volgden 215.000 mensen een re-integratietraject, waarvan 155.000 een bijstandsuitkering ontvingen;

  • Gemiddeld neemt de helft van de bijstandontvangers deel aan een re-integratietraject. Er zijn meerdere redenen waarom mensen geen traject volgen dat is betaald uit de re-integratiegelden. Een deel kan zichzelf redden en heeft dus geen hulp nodig. Een ander deel heeft bijvoorbeeld (op dat moment) geen groeipotentieel en een investering heeft dan geen meerwaarde. Tot slot is er een groep mensen die ondersteuning ontvangt, die betaald wordt uit andere middelen dan de re-integratiegelden (zoals Wmo-middelen). Die ondersteuning is in de cijfers niet zichtbaar.

Monitoren resultaten re-integratie

In december 2012 heeft het CBS de jaarlijkse meting uitstroom naar werk gepubliceerd onder de titel «Aan het werk met re-integratieondersteuning». In de begroting 2013 waren de eerste uitkomsten van dit onderzoek al opgenomen als kengetallen.

In de publicatie zijn deze uitkomsten nader gespecificeerd naar achtergrondkenmerken als bijvoorbeeld duurzaamheid van de gevonden baan en duur van de uitkering bij start van het re-integratietraject. Hierin wordt het beeld bevestigd dat re-integratie door gemeenten wordt ingezet voor mensen die langdurig een bijstandsuitkering ontvangen (25% heeft een uitkeringsduur van langer dan drie jaar bij aanvang van het traject, 40% een uitkeringsduur tussen de één en drie jaar), en mensen met basisonderwijs of vmbo.

De eerste resultaten van de vijfde meting zijn opgenomen in tabellen 47.6 en 47.7

Impuls Effectiviteit en Vakmanschap (voorheen: Impuls Professionalisering)

In 2012 heeft de Impuls Effectiviteit en Vakmanschap met ondersteuning van Divosa en VNG, en mede gefinancierd door SZW, de volgende producten en activiteiten opgeleverd:

  • Vier werkwijzers voor klantmanagers: groepsgerichte benadering, omgaan met belemmeringen, debiteurenbeheer (Bbz), en selectiviteit (Bbz). De werkwijzers beogen de effectiviteit van de re-integratie te verhogen. De werkwijzers zijn digitaal beschikbaar, o.a. via de website, nieuwsbrieven, sociale media. Op basis van de werkwijzers is tevens een aantal workshops verzorgd op regionale vakdagen voor klantmanagers en leidinggevenden;

  • Screeningsinstrument WWB: de pilotfase is afgerond. In 2013 wordt het instrument verder gevalideerd;

  • Twee regionale vakdagen voor klantmanagers en leidinggevenden bij gemeenten, in Zutphen en Eindhoven. In workshops worden specifieke thema’s belicht, worden ervaringen en kennis uitgewisseld. Dit bevordert het kennis- en expertiseniveau, de transparantie en het lerend vermogen van de sector;

  • Twee clinics «Diagnose en screening»: de clinics zijn uitgebreide workshops gericht op het bevorderen van effectieve manieren om diagnoses te stellen en klanten te screenen op basis van de vrij uitgebreide kennis hierover;

  • Zelfscan Vakmanschap. Met deze digitale scan kunnen gemeenten inzicht krijgen in de stand van zaken van het vakmanschap in de gemeente. De scan kan online worden ingevuld op de website van Divosa.

Beroepsvereniging Klantmanagers

De Beroepsvereniging voor Klantmanagers is opgericht. Deze vereniging heeft als doel kennisuitwisseling te bevorderen tussen klantmanagers, expertisebevordering, en het opzetten van een kwaliteitsregister voor klantmanagers.

  • Bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Niet-uitkeringsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Anw-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Gedeeltelijk arbeids(on)geschikten (WAZ, Wajong, WAO, WIA) met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • WW-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het doel van de indicatoren is om inzicht te geven in de resultaten van re-integratieondersteuning.

Het realiseren van het in de begroting 2012 geformuleerde kwalitatieve doel is negatief beïnvloed door de tegenvallende conjunctuur.

Tabel 47.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie halfjaar 2012

Streven 2012

Uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk

50%

61%

60%

toename

Bron: CBS, Uitstroomonderzoeken Re-integratie

Tabel 47.7 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Totaal

Wajong WIA/WAZ WAO/ZW

WW

Bijstand/WIJ

Nug/Anw

In 2011 in een baan gestarte voormalig werklozen (na voorliggende re-integratieondersteuning) (x 1.000)

106

11

26

59

9

– waarvan met loonkostensubsidie (x 1.000)

5

0

0

4

0

Aandeel voormalig werklozen dat na 6 maanden nog werkt in loondienst

71%

73%

79%

68%

67%

– waarvan met loonkostensubsidie 2011

80%

81%

74%

In het eerste halfjaar van 2012 in een baan gestarte voormalig werklozen (na voorliggende re-integratieondersteuning) (x 1.000)

48

5

11

29

4

– waarvan met loonkostensubsidie (x 1.000)

1

0

0

1

0

Bron: CBS, Uitstroomonderzoeken Re-integratie

48 Sociale werkvoorziening

Artikel

Het faciliteren van de arbeidsparticipatie van personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn

Algemene doelstelling

Motivering

Om arbeidsparticipatie voor personen uit de doelgroep mogelijk te maken, wordt aangepaste arbeid aangeboden. Dit betreft arbeid die past bij hun capaciteiten en mogelijkheden en die tevens een bijdrage levert aan het behouden en bevorderen van hun arbeidsbekwaamheid.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

Uit de realisatiecijfers van 2012 blijkt dat de problemen voortbestaan die aanleiding waren voor het instellen van de Commissie Fundamentele herbezinning Wsw, zoals lange wachtlijsten en het niet naar vermogen participeren van de doelgroep. Mede naar aanleiding van het advies van deze commissie wil het kabinet met de Participatiewet zoveel mogelijk mensen laten participeren bij voorkeur via een reguliere baan. In de contourenbrief over de Participatiewet33 zijn de uitgangspunten van de hervorming nader uitgewerkt.

Externe factoren

De volgende factoren hebben het behalen van de doelstelling beïnvloed:

  • De mate waarin personen een beroep doen op de Wsw;

  • Beschikbaarheid van aangepaste arbeid die bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de arbeidsbekwaamheid van personen uit de doelgroep.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen afzonderlijke indicatoren geformuleerd. Verwezen wordt naar de indicatoren bij de operationele doelstelling, die grotendeels overeenkomt met de algemene doelstelling.

Het kengetal in tabel 48.1 geeft aan in welke mate de algemene doelstelling wordt gerealiseerd. De realisaties worden toegelicht bij tabel 48.4.

Tabel 48.1 Kengetal algemene doelstelling
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Aantal personen in Wsw-werknemersbestand tegenover de totale doelgroep (%)

83

83

87

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 48.2 Begrotingsuitgaven artikel 48 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

2.510.809

2.577.387

2.376.073

2.366.878

2.415.828

2.404.122

11.706

Uitgaven

2.425.209

2.502.838

2.495.192

2.367.225

2.401.062

2.404.122

– 3.060

               

Programma uitgaven

2.425.209

2.502.838

2.495.192

2.367.225

2.401.062

2.404.122

– 3.060

               

Operationele Doelstelling 1

             

Wet sociale werkvoorziening (Wsw)

2.399.909

2.478.238

2.476.792

2.342.626

2.372.529

2.361.199

11.330

Wsw indicatiestelling uitvoeringskosten

25.300

24.600

18.400

24.599

28.533

32.923

– 4.390

Herstructureringsfaciliteit

0

0

0

0

0

10.000

– 10.000

               

Ontvangsten

488.720

509.690

528.372

506.733

64

0

64

Wet sociale werkvoorziening (Wsw)

Toelichting

In 2012 is aan de Wsw € 11 miljoen meer uitgegeven dan begroot. Dit is het gevolg van de toegekende loon- en prijsbijstelling (€ 16,6 miljoen), onderuitputting op het budget voor de pilots Werken naar Vermogen (– € 2,3 miljoen) en onderuitputting op het budget voor bonus begeleid werken (– € 2,1 miljoen). De onderuitputting op het budget voor de pilots Werken naar Vermogen heeft als oorzaak dat er minder projecten van start zijn gegaan, en voor lagere bedragen dan oorspronkelijk was begroot. Dit kwam omdat deze projecten niet of niet geheel voldeden aan het toetsingskader dat voor de subsidieverlening is opgesteld en omdat een aantal projecten door de val van het vorige kabinet niet verder is doorontwikkeld. De onderuitputting op het budget voor de bonus begeleid werken wordt veroorzaakt door het feit dat het aantal gerealiseerde werkplekken minder is dan geraamd. Tot slot heeft er een budgettair neutrale herschikking plaatsgevonden binnen de SZW-begroting ten behoeve van voorlichtingscampagnes (– € 0,7 miljoen).

Wsw indicatiestelling uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten indicatiestelling door het UWV laat ten opzichte van de begroting 2012 circa € 4,4 miljoen minder uitgaven zien. Hiervan houdt € 2 miljoen verband met het controversieel verklaren van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen. Hierdoor hoeft het UWV geen herindicaties WSW uit te voeren. Verder heeft een herijking van het ramingsmodel van de uitvoeringskosten van het UWV gezorgd voor een budgettair neutrale herschikking binnen de totale uitvoeringskosten van het UWV (– € 2,4 miljoen).

Herstructureringsfaciliteit

Voor de herstructureringsfaciliteit geldt dat in verband met het controversieel verklaren van het wetsvoorstel Werken naar Vermogen de middelen ten behoeve van de herstructureringsfaciliteit niet zijn uitgegeven (– € 10 miljoen).

1 Het realiseren van aangepaste arbeid voor personen met een Wsw-indicatie, waar mogelijk in een zo regulier mogelijke werkomgeving

Operationele doelstelling

Motivering

Om arbeidsgehandicapten die willen deelnemen aan het arbeidsproces de mogelijkheid van arbeidsparticipatie te bieden, wordt voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid gerealiseerd waar mogelijk in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving.

Doelbereiking

In overeenstemming met artikel 46 van de Wsw is het verslag over de wijzigingen van de Wsw in 2008 in 2012 naar de Tweede Kamer gezonden34. De destijds beschikbare cijfers komen uit 2011. Belangrijkste conclusie van deze evaluatie was dat het belangrijkste doel, namelijk het bevorderen van werken in een zo regulier mogelijke omgeving, nog onvoldoende gerealiseerd is. Veel meer mensen met een functiebeperking kunnen en willen aan het werk in een reguliere omgeving. Ook de commissie Westerlaken concludeerde in 2012 «het kan en moet beter»35. In 2011 (en 2012) werkte ongeveer 6% van de totale groep begeleid bij een reguliere werkgever terwijl circa de helft van de mensen met een (nieuwe) Wsw-indicatie een advies begeleid werken krijgt. Dit betekent dat er een kloof zit tussen het aantal mensen dat begeleid kan werken en het aantal mensen dat daadwerkelijk begeleid werkt.

  • Subsidie aan gemeenten voor het realiseren van Wsw-plaatsen;

  • Overdracht taakstelling Wsw (mogelijkheid voor gemeenten om de te realiseren arbeidsplaatsen in een jaar onderling over te dragen, welk verzoek wordt voorgelegd aan de minister);

  • Stimuleringsuitkering, de bonus voor het aantal gerealiseerde begeleid werkenplekken.

Instrumenten

  • Uitvoering pilots n.a.v. commissie-De Vries;

  • Het realiseren van meer werkplekken bij werkgevers;

  • Het stimuleren van de omslag van sw-bedrijven naar arbeidsontwikkelbedrijven;

  • Het vormgeven van een integrale dienstverlening op de werkpleinen;

  • Het toetsen van een nieuwe systematiek, waarbij de inzet van het instrument loondispensatie centraal staat.

Activiteiten

Pilot loondispensatie

De vierde voortgangsrapportage van de pilot loondispensatie is aan de Tweede Kamer toegezonden36. De pilot is nog niet afgerond waardoor de conclusies nog voorlopig zijn. Uit de pilot blijkt dat loondispensatie een aanvullend re-integratie-instrument is dat mogelijkheden biedt voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, die andere instrumenten niet hebben. Het biedt hun kansen, doordat perspectief op regulier werk ontstaat. Er kan van het instrument een prikkel uitgaan tot langdurige, duurzame dienstverbanden waarin ruimte is voor groei en ontwikkeling van de werknemer. Met de ervaringen uit de pilot wordt rekening gehouden bij de invulling en maatvoering van het instrument loondispensatie in de Participatiewet.

Doelgroepen

Personen met lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperkingen, die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn en hiervoor een Wsw-indicatie hebben gekregen.

Realisatie meetbare gegevens

Het bereiken van de operationele doelstelling in 2012 wordt aan de hand van twee indicatoren weergegeven. De eerste indicator toont de realisatie van Wsw-plaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (90.804 arbeidsjaren). Uit tabel 48.3 blijkt dat het aantal Wsw-plaatsen waarvoor subsidie is verstrekt, volledig is gerealiseerd. De tweede indicator geeft inzicht in het bereiken van de doelstelling van de Wsw, namelijk zoveel mogelijk werken in een zo regulier mogelijke arbeidsomgeving. De vorm begeleid werken is de meest reguliere vorm van werken voor de doelgroep. In 2012 is de realisatie van het aantal plaatsen in begeleid werken in 2012 gelijk gebleven ten opzichte van 2011.

Tabel 48.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streefwaarde 2012

Realisatie van arbeidsplaatsen in relatie tot het aantal waarvoor subsidie is toegekend (%)

101

100

100

100

Aantal gerealiseerde plaatsen in begeleid werken als percentage van het totaal aantal arbeidsplaatsen (jaargemiddelde in %)

5,6

6,1

6,1

10

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

Zoals in tabel 48.4 is te zien is de omvang van de wachtlijst in 2012 gedaald. Reden hiervoor is dat er veel minder 1e indicaties zijn afgegeven dan verwacht. Vermoedelijk komt dit doordat verwijzers en werkzoekenden anticiperen op de voorgenomen wijzigingen in de Wsw. Het aantal detacheringen bij een reguliere werkgever is met 3,5%-punt toegenomen. Daarmee wordt in vergelijking met vorig jaar beter voldaan aan de doelstelling om voor Wsw-geïndiceerden aangepaste arbeid te realiseren. Wel neemt de tijd die Wsw-geïndiceerden op de wachtlijst staan toe. De gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst was in 2012 ruim 22 maanden.

Tabel 48.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Werknemersbestand (personen, ultimostand)

102.800

102.000

102.400

Wachtlijst (personen, ultimostand)

21.700

21.200

15.600

Gemiddelde verblijfsduur op de wachtlijst (maanden)

15,3

18,4

22,4

Aantal detacheringen als percentage van het totaal aantal

arbeidsplaatsen (%)

25

25,1

28,6

Bron: Research voor Beleid, Wsw-monitor

49 Overige inkomensbescherming

Artikel

Zorgdragen voor adequate bescherming zonder activerende voorwaarden tegen de financiële risico’s bij inkomensverlies

Algemene doelstelling

Motivering

Om inkomensbescherming op minimumniveau te bieden. SZW creëert de voorwaarden voor de toekenning van een uitkering of toeslag. SVB en UWV zijn verantwoordelijk voor de uitvoering hiervan in Nederland. Voor de uitvoering in Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba) is de minister van SZW verantwoordelijk.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Mensen vanaf 65 jaar en nabestaanden ontvangen een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) respectievelijk een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), gerelateerd aan het minimumloon.

Als een 65-plusser een AOW-uitkering ontvangt waarop een korting is toegepast in verband met niet-verzekerde jaren, kan een beroep worden gedaan op de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO) indien het inkomen onder het sociaal minimum komt en het vermogen onder de gestelde grens blijft.

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers ontvangen een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) tot het relevante sociaal minimum als de betrokkene daar met het gezinsinkomen onder blijft.

Externe factoren

Het behalen van de algemene doelstelling is mogelijk gemaakt door:

  • Een effectieve uitvoering van de wetten door SVB en UWV;

  • Het naleven van de verplichtingen van de wet- en regelgeving door de uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen afzonderlijke indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 49.1 Begrotingsuitgaven artikel 49 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Verplichtingen

366.255

385.403

636.710

676.897

728.058

632.673

95.385

Uitgaven

366.255

385.403

636.710

676.897

728.058

632.673

95.385

               

Programma uitgaven

366.255

385.403

636.710

676.897

728.058

632.673

95.385

               

Operationele Doelstelling 2

 

 

 

 

 

 

 

AIO (WWB 65+) uitkeringslasten

0

0

205.231

222.916

213.000

227.238

– 14.238

AIO (WWB 65+) uitvoeringskosten

0

2.500

12.585

14.673

15.827

12.443

3.384

               

Operationele Doelstelling 3

             

Toeslagenwet uitkeringslasten

366.255

382.903

418.894

425.875

482.882

375.235

107.647

               

Operationele Doelstelling 4

             

Uitkeringen Caribisch Nederland

0

0

0

13.433

16.349

17.757

– 1.408

               

Ontvangsten

2.955

2.410

288

3.801

16.374

0

16.374

Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)

De AIO betreft de algemene bijstand voor ouderen van wie het inkomen onder de bijstandsnorm ligt en die geen of weinig vermogen hebben. De gerealiseerde uitkeringlasten kwam in 2012 € 14 miljoen lager uit dan begroot. Deze bijstelling komt grotendeels voort uit de doorwerking van de realisatie over 2011, die eveneens lager lag dan begroot. Oorzaak is de lagere gemiddelde uitkering.

De gerealiseerde uitvoeringskosten AIO zijn € 3 miljoen hoger dan begroot. De hogere uitvoeringskosten zijn onder meer veroorzaakt door kosten van implementatie van de (inmiddels ingetrokken) huishoudinkomenstoets. Daarnaast is dit het gevolg van een budgetneutrale herschikking in de toerekening van uitvoeringskosten van de door de SVB uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn in 2012 AOW-middelen toegerekend aan de AIO (zie ook toelichting bij de uitvoeringskosten AOW). Deze herschikking leidt per saldo niet tot wijziging van de uitvoeringskosten SVB.

Toeslagenwet (TW)

Op grond van de TW ontvangen uitkeringsgerechtigden die met hun uitkering en het eventuele partnerinkomen niet tot het relevante sociaal minimum komen een toeslag op de uitkering van de zogeheten moederwetten. De gerealiseerde uitgaven in de TW komen in 2012 € 108 miljoen hoger uit dan begroot. Allereerst vond er een stijging plaats van de uitkeringslasten TW door volumeontwikkelingen in de onderliggende moederwetten, vooral de WW en de WAO/WIA. Als gevolg hiervan zijn de TW-uitgaven € 86 miljoen hoger uitgekomen dan in de begroting geraamd. Aanvullingen vanuit de WW namen toe door het sterk gestegen WW-volume. Aanvullingen vanuit WAO/WIA namen toe omdat het aandeel mensen in de WIA in plaats van in de WAO stijgt. WIA-gerechtigden komen vaker in aanmerking voor de TW dan WAO-gerechtigden. De toename van de uitkeringslasten door indexatie van de uitkeringen bedroeg € 6 miljoen. Verder vond er in 2012 een nabetaling plaats over 2011 van € 16 miljoen.

Uitkeringen Caribisch Nederland

De regelingen van SZW voor Caribisch Nederland op het terrein van dit artikel betreffen de Algemene ouderdomsverzekering (AOV) en de Algemene Weduwen- en Wezenverzekering (AWW). De uitgaven aan deze regelingen zijn € 1,4 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Ten tijde van het vaststellen van de begroting 2012 was het eerste volledige jaar van uitvoering op de eilanden (2011) nog lopend, waardoor er nog onvoldoende informatie beschikbaar was om een nauwkeurige raming te kunnen opstellen.

Ontvangsten

In 2012 is ruim € 16 miljoen aan ontvangsten AIO gerealiseerd. Een deel hiervan (€ 5,9 miljoen) is het gevolg van de nadere afrekening 2011 in 2012: de gerealiseerde kasuitgaven waren lager dan de door SZW verstrekte voorschotten waardoor in 2012 een terugontvangst heeft plaatsgevonden. Daarnaast is in 2012 een technische correctie uitgevoerd op de afrekening 2010 (€ 10,5 miljoen).

Tabel 49.2 Premiegefinancierde uitgaven artikel 49 (x € 1.000)

artikelonderdeel

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Begroting 2012

Verschil 2012

Uitgaven

28.297.062

30.094.970

31.029.216

31.614.026

32.411.679

32.501.669

– 89.990

               

Programma uitgaven

28.297.062

30.094.970

31.029.216

31.614.026

32.411.679

32.126.042

285.637

               

Operationele Doelstelling 1

             

Anw uitkeringslasten

1.203.536

1.147.398

1.064.744

968.000

843.342

841.856

1.486

Anw tegemoetkoming

21.560

22.671

20.953

17.433

15.689

15.402

287

Anw uitvoeringskosten

23.801

19.973

24.195

22.160

19.071

19.866

– 795

               

Operationele Doelstelling 2

             

AOW uitkeringslasten

26.446.126

27.580.144

28.617.668

29.995.000

31.415.000

31.110.897

304.103

AOW tegemoetkoming

483.094

1.217.152

1.177.722

484.000

0

0

0

AOW uitvoeringskosten

118.945

107.632

123.934

127.433

118.577

138.021

– 19.444

               

Nominaal

0

0

0

0

0

375.627

– 375.627

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Algemene nabestaandenwet (Anw)

De gerealiseerde uitkeringslasten Anw laten een tegenvaller van € 1 miljoen zien. Het budget is via de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling verhoogd (€ 9 miljoen). Per saldo was het gerealiseerde volume lager dan verwacht (€ 8 miljoen). De tegemoetkoming Anw kwam nagenoeg overeen met de begrote uitkeringslasten.

Algemene Ouderdomswet (AOW)

De gerealiseerde uitkeringslasten AOW komen in 2012 € 304 miljoen hoger uit dan in de begroting 2012 geraamd. Dit verschil wordt grotendeels verklaard door de indexatie van de AOW-uitkeringen in 2012. Daarnaast is het wetsvoorstel AOW-verjaardag van kracht geworden op 1 april 2012 in plaats van op 1 januari 2012. Dit uitstel heeft geleid tot een besparingsverlies van € 16 miljoen.

De gerealiseerde uitvoeringskosten zijn ruim € 19 miljoen lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door een gewijzigde (budgetneutrale) toerekening van de uitvoeringskosten van de door de SVB uitgevoerde regelingen. Bij de AIO, AKW en de TOG zijn de uitvoeringskosten daarom hoger dan geraamd (zie artikel 50 voor de AKW en de TOG). Daarnaast is een deel van het uitvoeringsbudget vrijgespeeld ten behoeve van het activeren van intellectueel eigendom vanuit het ICT-programma SVB Tien. Deze middelen worden in latere jaren afgeschreven.

1 Zorgdragen dat inkomen op ten minste minimumniveau wordt verstrekt aan alleenstaande nabestaanden; tevens het verstrekken van een uitkering ten behoeve van wezen of halfwezen

Operationele doelstelling

Motivering

Om personen die geconfronteerd zijn met het overlijden van een partner of ouders en die vanwege leeftijd, de zorg voor een jong kind of arbeidsongeschiktheid niet (volledig) een eigen inkomen kunnen verwerven, te voorzien van een minimuminkomen en/of een compensatie.

Doelbereiking

Nabestaanden ontvangen een inkomensafhankelijke nabestaandenuitkering ter hoogte van maximaal 70% van het netto minimumloon. De nabestaande kan ook aanspraak maken op een halfwezenuikering van 20% van het minimumloon voor een halfwees van jonger dan 18 jaar die tot het huishouden behoort. Wezen kunnen aanspraak maken op een wezenuitkering. De wezenuitkering bedraagt een leeftijdsafhankelijk percentage van de nabestaandenuitkering. De halfwezen- en wezenuitkering zijn onafhankelijk van het inkomen. Naast de nabestaanden-, halfwezen-, of wezenuitkering ontvangen nabestaanden of wezen een inkomensonafhankelijke tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming bedroeg in 2012 € 15,88 per maand.

  • Uitkeringen op grond van de Anw;

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan de SVB.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van beleid en wet- en regelgeving;

  • Twee maal per jaar aanpassen van het niveau van de Anw in verband met wijzigingen van het minimumloon;

  • Aansturen van en toezicht houden op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering door de SVB.

Activiteiten SVB:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;

  • Handhaven van wet- en regelgeving.

  • Nabestaanden geboren vóór 1950, nabestaanden met een kind onder de 18 jaar, nabestaanden die ten minste 45% arbeidsongeschikt zijn;

  • Verzorgers van halfwezen;

  • Wezen.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 49.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Streven 2012

Nalevingsniveau opgave inkomsten uit arbeid (%)

94

95

95

95

Bron: SZW-berekeningen op basis van SVB- en CBS-informatie

Volume Anw

Het volume van de Anw nam in 2012 met ongeveer 9.000 uitkeringsjaren af. Deze daling is vrijwel geheel toe te schrijven aan het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van mensen met een nabestaandenuitkering. Een groot deel van de nabestaandenuitkeringen behoort toe aan mensen die voor 1950 zijn geboren en die nu de AOW-gerechtigde leeftijd bereiken. In 1996 zijn bovendien de toetredingsvoorwaarden van de Anw aangescherpt. Het Anw-bestand wordt ook om die reden steeds kleiner.

Tabel 49.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Nabestaanden uitkeringsjaren (x 1.000)

     

Volume: Ingang recht voor 1 juli 1996

23

20

16

• waarvan nabestaanden- en halfwezenuitkering

1

0,3

0,2

• waarvan alleen nabestaandenuitkering

22

19

16

Volume: Ingang recht na 1 juli 1996

61

56

50

• waarvan nabestaanden- en halfwezenuitkering

9

9

9

• waarvan alleen nabestaandenuitkering

37

33

27

• waarvan alleen halfwezenuitkering

14

14

14

Wezenuitkering

1

1

1

       

Totaal volume uitkeringsjaren (x 1.000 uitkeringsjaren)

85

77

68

Totaal aantal uitkeringsgerechtigden (x 1.000 personen)

102

93

81

Bron: SVB, Jaarverslag

Tabel 49.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Handhaving

     

Nalevingsniveau melden samenwoning (%)1

99

95

98

Bekendheid met regels samenwonen (%)2

85

89

92

Bekendheid met regels inkomen (%)2

94

93

97

Aantal onderzochte fraudesignalen3

967

666

n.b.4

Totaal schadebedrag fraude (x € 1 mln)3

2,5

3,0

1,8

Incassoratio (%)3

93

90

87

Bronnen:

1 SZW-berekeningen op basis van SVB-informatie.

2 Ipsos Synovate, Onderzoek Kennis Verplichtingen en Pakkans; Negen wetten onder de loep.

3 SVB, Jaarverslag.

4 Niet beschikbaar vanwege wijziging administratie SVB per mei 2012.

2 Zorgdragen dat een minimuminkomen wordt verstrekt aan personen van 65 jaar en ouder

Operationele doelstelling

Motivering

Om personen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt inkomensbescherming te bieden.

Doelbereiking

65-plussers ontvangen een uitkering gerelateerd aan het minimumloon. De hoogte ervan is afhankelijk van leefsituatie 50%, 70% of 90%. Onder bepaalde voorwaarden wordt bij een (vanwege een onvoldoende opbouw) gekort AOW-pensioen een aanvulling vanuit de algemene bijstand (AIO) verstrekt. Naast de AOW-uitkering ontvangt een AOW-gerechtigde een maandelijkse inkomensonafhankelijke tegemoetkoming van bruto € 33,65. Sinds 1 juni 2011 geldt hierbij als voorwaarde dat de AOW-gerechtigde over ten minste 90% van het eigen inkomen belasting in Nederland betaalt (zie hiervoor de passages over de MKOB in artikel 50). AOW-gerechtigden met een partner die nog geen 65 is, hebben daarnaast recht op een inkomensafhankelijke toeslag van maximaal 50% van het minimumloon. De feitelijke hoogte hangt af van de eventuele inkomsten van de jongere partner. Sinds 1 augustus 2011 wordt deze toeslag in beginsel met 10% gekort als het totale gezinsinkomen hoger is dan 162% WML (circa € 30.000 bruto per jaar).

  • Ouderdomspensioen op grond van de AOW;

  • AOW-toeslag ten behoeve van de partner jonger dan 65 jaar aan personen die een ouderdomspensioen op grond van de AOW ontvangen;

  • Bijstandsuitkering aanvullend tot de bijstandsnorm op grond van de AIO indien geen toereikende middelen aanwezig zijn;

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan de SVB.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van beleid en wet- en regelgeving;

  • Tweemaal per jaar aanpassen van het niveau van de uitkeringen AOW en AIO aan de minimumloonontwikkeling;

  • Aansturen van en toezicht houden op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende uitvoering door de SVB.

Activiteiten SVB:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;