Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-201324515 nr. 254

24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting

Nr. 254 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 2 april 2013

In het Algemeen Overleg (AO) op 23 januari jl. 1 heb ik met uw Kamer uitgebreid van gedachten gewisseld over het beleid rond armoedebestrijding en schuldhulpverlening in Nederland. In deze tijd van economische crisis beseft dit kabinet dat mensen meer financiële risico’s lopen. Het is belangrijk dat mensen zich daarvan terdege bewust zijn en dat zij niet meer uitgeven dan er binnenkomt. Ik ben met de leden van uw Kamer die daarover hebben gesproken, van mening dat we te allen tijden moeten voorkomen dat mensen worden buitengesloten. De bestrijding van armoede en schulden is voor dit kabinet een belangrijke prioriteit en ik zal me daarvoor de komende jaren inzetten.

Hierbij informeer ik u, overeenkomstig mijn toezegging tijdens het Algemeen Overleg (AO) armoede- en schuldenbeleid op 23 januari jl. over de uitkomsten van mijn gesprek met de partijen betrokken bij het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS). Daarnaast bied ik u het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers 2012» aan2, waarin de omvang en achtergronden van schuldenproblematiek bij huishoudens in kaart is gebracht. Met deze brief stel ik u tevens op de hoogte van de uitkomsten van mijn overleg met de vertegenwoordigers van het Caribisch gebied. Ook ontvangt u hierbij, mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, een reactie op de voorstellen over het verstrekken van voedsel aan voedselbanken en de samenwerking tussen voedselbanken en het bedrijfsleven. Tot slot ga ik in op de vragen van de heer Van Weyenberg tijdens het Voortgezet Algemeen Overleg (VAO) op 5 februari jl.

De kabinetsreactie op het rapport «Paritas passé» ontvangt u separaat. Zoals toegezegd in het AO zal ik u daarnaast voor 1 juli 2013 informeren over de inzet van de middelen ter intensivering van de armoedebestrijding. Voor 1 januari 2014 zal ik u samen met de minister van Financiën informeren over de resultaten van de pilot budgetwinkels.

1. Uitkomsten van gesprek met LIS-partijen

Zowel tijdens de begrotingsbehandeling SZW 2013 als in antwoord op de Kamervragen van het lid Kuzu (PvdA)3 en tijdens het AO op 23 januari jl. heb ik toegezegd in gesprek te gaan met de bij het Landelijk Informatiesysteem Schulden (LIS) betrokken partijen en gezamenlijk te verkennen of, en zo ja welke mogelijkheden er zijn om tot een systeem van vroegsignalering te komen. Na een reeks voorbereidende bilaterale gesprekken vanuit mijn departement heb ik op 20 maart en 2 april 2013 hierover gesproken met (een delegatie van) de voormalige LIS-partijen. De voormalige LIS-partijen zijn de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), de Vereniging van financieringsondernemingen in Nederland (VFN), de Nederlandse Thuiswinkelorganisatie (NTO), de Nederlandse Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (NVVK), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Leger des Heils, het Bureau Krediet Registratie (BKR), Energie Nederland en Aedes (vereniging van woningcorporaties).

Deze partijen hebben zich de afgelopen jaren ingespannen om hun initiatief om tot een privaat systeem van schuldenregistratie te komen tot een succes te maken. Ik heb hiervoor veel waardering. Dit heeft weliswaar niet tot realisatie van een schuldenregistratie geleid, maar heeft er wel voor gezorgd dat preventie en vroegsignalering blijvende politieke en maatschappelijke aandacht hebben gekregen. Ik informeer u hierbij over de uitkomsten van het gesprek, tot welke inzichten dat heeft geleid en welke vervolgstappen we graag zouden willen zetten.

Gesprekken 20 maart en 2 april 2013

Tijdens de gesprekken is mij nogmaals duidelijk geworden hoe zeer de partijen geloven in de meerwaarde van een systeem van schuldenregistratie. Voor ontwikkeling van het ViP-systeem4 bestaat onvoldoende draagvlak en gebleken is dat dit draagvlak er ook niet zal komen. Partijen waren teruggekeerd naar hun vorige voorstel: een uitbreiding van de kredietregistratie van het BKR met betalingsachterstanden op het terrein van huur en energie en schulden bij de Sociale Dienst. Om het systeem te vervolmaken moeten daaraan ook de schulden bij de Belastingdienst, betalingsachterstanden zorgverzekeringspremie (CVZ) en schulden bij telecombedrijven worden toegevoegd. Partijen zien een dergelijk systeem als de beste oplossing om overkreditering tegen te gaan en problematische schulden te voorkomen. Wetgeving is volgens partijen noodzakelijk om de ontstane patstelling te doorbreken, maar hoe die wetgeving eruit zou moeten zien geven partijen niet aan.

Het tot stand brengen van een systeem van schuldenregistratie is natuurlijk geen doel op zich. Het moet een adequaat instrument zijn dat substantieel bijdraagt aan de oplossing van een probleem en de inbreuk op de privacy van mensen moet daarmee in verhouding staan. Dat principe geldt ook als wetgeving overwogen zou worden. Wetgeving kent ook grenzen en biedt niet automatisch de simpele oplossing om aan de wensen van partijen tegemoet te komen. Een systeem van schuldenregistratie, zoals de voormalige LIS-partijen voorstellen, kent voordelen maar kan voor mensen ook zeer ingrijpende negatieve gevolgen hebben. Ik wil daar niet lichtvaardig aan voorbij gaan en vind dat een serieus punt van aandacht.

Doel van een schuldenregistratie

De afgelopen jaren heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan, die maken dat de nadruk van het belang van een schuldenregistratie steeds meer is komen te liggen op het voorkomen van problematische schulden. Uit het oogpunt van het tegengaan van overkreditering is een systeem van schuldenregistratie in mindere mate nog noodzakelijk. Het is belangrijk bij het doel van een schuldenregistratie stil te staan, omdat het beoogde doel de legitimiteit en de reikwijdte van het instrument bepaalt.

Het tegengaan van overkreditering

Bij aanvang van het LIS-initiatief leek het LIS een belangrijke meerwaarde te hebben voor het tegengaan van overkreditering (bij specifieke groepen) en het versterken van de kredietwaardigheidstoets. Daarom heeft de minister van Financiën toentertijd getracht belemmeringen weg te nemen.

Door de implementatie van de Richtlijn Consumentenkrediet in de Wet op het financieel toezicht en het Burgerlijk Wetboek (BW) in mei 2011 is deze oorspronkelijke behoefte voor het LIS eigenlijk vervallen. Kleine kortlopende kredieten (zoals roodstanden, flitskrediet en kredieten met een korte looptijd) zijn onder de Wet op het financieel toezicht (Wft) gebracht. Verder dienen aanbieders van consumptief krediet volgens de regels van titel 7.2A BW meer informatie over het consumptief krediet te verstrekken aan de consument, zijn de regels voor reclame-uitingen aangescherpt en zijn de rechten van de consument uitgebreid. De consument heeft onder meer het recht een kredietovereenkomst met onbepaalde looptijd kosteloos te beëindigen. Daarnaast heeft de consument het recht een kredietovereenkomst binnen veertien dagen zonder opgaaf van redenen te ontbinden. Ook moeten nu meer aanbieders van krediet zich aansluiten bij het stelsel van kredietregistratie. Hiermee zijn de belangrijkste problemen, die eerder aanleiding waren om het LIS initiatief te ondersteunen, geadresseerd.

In aanvulling hierop kan nog worden opgemerkt dat er mede om overkreditering tegen te gaan maatregelen zijn getroffen om de consument financieel bewuster te maken, onder meer vanuit het platform Wijzer in Geldzaken. De minister van Financiën heeft momenteel geen aanwijzingen dat de kredietwaardigheidtoets niet zou voldoen en dat banken te ruim krediet verstrekken.

Het voorkomen van problematische schulden

Hoewel het aandeel overkreditering afneemt, ontstaan er nog steeds schulden die door omstandigheden kunnen leiden tot problematische schulden. Uit het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers 2012» blijkt dat schuldsituaties zelden het gevolg zijn van één oorzaak. Veelvoorkomende oorzaken bij huishoudens met een risico op problematische schulden zijn: gebrekkig financieel beheer, een te hoge levensstandaard of een plotselinge terugval in inkomen door ontslag, echtscheiding, ziekte of arbeidsongeschiktheid. Verder is het belangrijk om op te merken dat de schuldenproblematiek een belangrijke gedragscomponent kent, waar het gaat om het bewust omgaan met geld en het nemen van verantwoorde financiële beslissingen. Deze onderliggende oorzaken worden niet weggenomen door inrichting van een systeem van schuldenregistratie, maar vragen een op het individu toegesneden actie of interventie en dat stelt ook eisen aan een te ontwikkelen instrument.

Om te voorkomen dat problematische schulden ontstaan of verergeren, is tijdige signalering noodzakelijk. Schuldeisers en schuldenaren hebben de gezamenlijke verantwoordelijkheid om tijdige betaling mogelijk te maken en als dat niet mogelijk is om op tijd maatregelen te treffen. Dreigende (nieuwe) schulden moeten tijdig worden onderkend, zodat op een vroeg moment de juiste interventie gepleegd kan worden. Vanuit dat perspectief is het de vraag of een schuldenregistratie volgens de oorspronkelijke opzet van de voormalige LIS-partijen, betalingsachterstanden en schulden tijdig genoeg signaleert. Juist als de huur en/of energierekeningen langere periode niet worden betaald, is er veelal sprake van een problematische schuldensituatie en is het eigenlijk al te laat. Daar komt bij dat in het beoogde systeem het aan de verantwoordelijkheid van de deelnemende partijen wordt overgelaten wie welke actie onderneemt.

Het doel van een systeem van schuldenregistratie bepaalt in hoeverre de overheid verantwoordelijk is. Sinds de invoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) per 1 juli 2012 hebben gemeenten een wettelijke taak om schuldhulpproblematiek via een integrale aanpak op te lossen én te voorkomen. Versterken van vroegsignalering door gemeenten sluit aan bij bewegingen die gemeenten maken in het kader van de voorgenomen decentralisaties om meer accent te leggen op preventie en vroegsignalering in het sociale domein. Gemeenten streven een integrale aanpak na, waarin schuldhulpverlening inclusief vroegsignalering en preventie een belangrijke plaats zal moeten in nemen. De vraag is of gemeenten in dat kader in voldoende mate beschikken over een adequaat instrumentarium.

Bescherming van de privacy

Privacybescherming is een belangrijk dilemma dat bij de totstandkoming van een systeem van schuldenregistratie speelt. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft er meerdere malen op gewezen dat registratie proportioneel moet zijn ten aanzien van het op te lossen probleem. Op basis van de privacywetgeving mogen gegevens alleen worden verwerkt met een duidelijk afgebakend doel en de inbreuk op de privacy moet daarmee in verhouding staan. Het CBP als onafhankelijk toezichthouder beoordeelt in zijn advies over de regelgeving of daarvan sprake is.

Gegevensverwerking van privacygevoelige gegevens, zoals financiële gegevens, brengt ook het risico van oneigenlijk gebruik en misbruik met zich mee. Een registratie mag niet stigmatiserend zijn en het mag mensen in redelijkheid ook niet onnodig lastig of onmogelijk worden gemaakt om bepaalde financiële verplichtingen aan te gaan. De oorspronkelijke opzet van het LIS voldoet volgens het CBP niet aan de privacyeisen. Ik vind het terecht dat de betrokken partijen het oordeel van het CBP serieus hebben genomen en daaraan ook gevolgen hebben verbonden.

Overigens hechten mensen groot belang aan hun privacy, zeker als het financiële gegevens betreft. Uit het onderzoek van Social Force «Vroegsignalering moet en kan» dat in opdracht van de LIS-partijen is uitgevoerd, blijkt weliswaar dat 70% van de mensen met problematische schulden voor een systeem van vroegsignalering zijn. Dit betekent echter niet dat mensen zonder problematische schulden (maar wel met een of meer betalingsachterstanden) registratie niet als inbreuk op hun privacy zouden ervaren. Het gaat immers bij de regeling van een dergelijke registratie om het bij elkaar brengen van gegevens over schulden/ betalingsachterstanden zonder toestemming van de betrokkene.

Concluderend

De aanpak van de schuldenproblematiek is onverminderd urgent. Preventie en vroegsignalering krijgen daarbij terecht steeds meer de aandacht. Overkreditering is in veel mindere mate een probleem dan bij aanvang van het LIS-initiatief in de jaren 2005/2006. Dit doet in mijn ogen overigens niets af aan de inzet van de voormalige LIS-partijen om tot een systeem van schuldenregistratie te komen met als doel het tegengaan van overkreditering en het voorkomen van problematische schulden. Het zijn echter wel twee verschillende doelstellingen die verschillende benaderingen vragen voor de regeling van de gegevensverwerking in een systeem van schuldenregistratie, met alle (juridische) bezwaren en consequenties van dien. Ik vind het tijd om naar de toekomst te gaan kijken en niet langer te blijven investeren in de ontwikkeling van een systeem van schuldenregistratie waaraan vele (juridische) bezwaren kleven en dat negatieve consequenties voor mensen kan hebben.

Gelet op de gesprekken met partijen en de (recente) maatregelen die zijn getroffen om overkreditering tegen te gaan, kom ik tot de conclusie dat de noodzaak om tot een schuldenregistratie te komen, zich met name voordoet ten aanzien van het voorkomen van problematische schulden. Ik wil mij hierop richten, waarbij mijn inzet is om tot een (juridisch) haalbare en uitvoerbare oplossing te komen om deze problematiek aan te pakken, waarbij de privacy van mensen voldoende gewaarborgd is. De weg moet realistisch zijn en de juiste oplossing bieden voor het juiste probleem. Ik zie daarbij de volgende twee mogelijkheden:

  • Relevante betalingsachterstanden moeten tijdig worden gesignaleerd om problematische schulden te voorkomen. Sinds de invoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening hebben gemeenten een belangrijke rol bij het voorkomen van problematische schulden (vroegsignalering en preventie als onderdeel van schuldhulpverlening). Om deze taak waar te kunnen maken, moeten gemeenten dan wel over een adequaat instrumentarium beschikken. Daarom zal ik op korte termijn met gemeenten en andere betrokken partijen verkennen hoe de rol van gemeenten bij vroegsignalering van problematische schulden kan worden versterkt en vaststellen welke instrumenten zij daarvoor nodig hebben. Daarbij vind ik het belangrijk aan te sluiten bij initiatieven die gemeenten op dit terrein reeds hebben ontwikkeld. Daarom zal ik nagaan welke goede ervaringen met vroegsignalering er in de praktijk reeds zijn en wat er voor nodig is om de (verschillende) aanpakken te versterken en uit te dragen onder andere gemeenten.

  • Daarnaast zal ik aan de minister van Financiën vragen of en zo ja welke mogelijkheden er zijn om de gegevens die zijn opgenomen in de kredietregistratie van het BKR uit te breiden. Daarbij zal ik ook de mogelijkheid betrekken om bepaalde gegevens uit het BKR ter beschikking te stellen aan andere partijen. Zo zouden bijvoorbeeld woningcorporaties baat kunnen hebben bij tijdige signalen van andere woningcorporaties over betalingsachterstanden van mensen. Datzelfde geldt voor energieleveranciers. Daarmee zou kunnen worden voorkomen dat mensen te gemakkelijk kunnen wisselen van sociale huurwoning of energieleverancier.

Ik ben voornemens zo snel mogelijk na de consultatie van gemeenten en andere partijen en na het gesprek met de minister van Financiën voor de zomer met concrete voorstellen te komen. Met de gerealiseerde wetswijzigingen en bovengenoemde actielijnen denk ik dat de problematiek van overkreditering, preventie en vroegsignalering voldoende kan worden aangepakt.

2. Huishoudens in de rode cijfers 2012

Het onderzoek «Huishoudens in de rode cijfers 2012. Omvang en achtergronden van schuldenproblematiek bij huishoudens» is de vervolgmeting van het onderzoek dat u op 5 oktober 2009 heeft ontvangen.5 Het onderzoek geeft handvatten voor gemeenten om hun beleid rond schuldhulpverlening in te richten rond risicogroepen. De meting heeft betrekking op de periode september 2011 tot en met september 2012. In 2014 zal een derde meting worden verricht.

Naar de mening van het kabinet blijft de urgentie voor schuldenproblematiek onverminderd belangrijk. Uit het nu voorliggende onderzoek blijkt dat iets meer dan één op de zes Nederlandse huishoudens (17,2%) een risico loopt op problematische schulden, problematische schulden heeft of in een schuldhulpverleningstraject zit. Het grootste deel van deze huishoudens (tussen 719.000 en 961.000 huishoudens) loopt een risico op problematische schulden. Tussen de 373.000 en 531.000 huishoudens hebben problematische schulden. In vergelijking met het eerdere onderzoek is het aantal huishoudens met (een risico op) problematische schulden gestegen. Het onderzoek uit 2009 schatte het aantal risicohuishoudens op 788.000 tot 999.000. In 2012 komt de schatting uit op 1.125.000 tot 1.294.000. Het beeld van een groeiend aantal huishoudens in een risicosituatie komt overeen met het beeld dat andere recente cijfers en onderzoeken laten zien.6 Het kabinet acht het voorkomen en aanpakken van de schuldenproblematiek daarom van groot belang.

De verantwoordelijkheid voor het voorkomen en oplossen van problematische schulden ligt bij meerdere partijen. Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de financiële beslissingen die zij nemen en hebben een eigen verantwoordelijkheid bij het voorkomen en oplossen van problematische schulden. Maar ook het bedrijfsleven, schuldeisers en incassobureaus hebben een verantwoordelijkheid. Voor mensen die niet in staat zijn om zelfstandig uit de schulden te komen, kan de overheid ondersteuning bieden. Gemeenten zijn op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verantwoordelijk voor preventieve en integrale schuldhulpverlening. Preventie en het ondersteunen van mensen met beperkte financiële zelfredzaamheid, en als gevolg daarvan gebrekkig financieel beheer, zijn bij schuldhulpverlening van essentieel belang. Mensen moeten in staat worden gesteld om hun financieel beheer te verbeteren en vaardigheden te verwerven om terugval in inkomen op te vangen.

Het kabinet zal blijft de komende periode inzetten op het versterken van de zelfredzaamheid van burgers door gerichte voorlichting en het vergroten van het financiële bewustzijn van jongeren. Ook zal het kabinet doelgroepen (bedrijfsleven, marktpartijen, werkgevers, schuldeisers en incassobureaus) actief blijven aanspreken op hun verantwoordelijkheid. Verder ondersteunt het kabinet gemeenten bij een kwalitatieve en effectieve uitvoering van integrale schuldhulpverlening. De Wgs en het ondersteuningsprogramma «op weg naar effectieve schuldhulp» dragen daartoe bij. Het kabinet realiseert zich dat wanneer iemand in de schulden zit, dat heel vervelend en ingrijpend kan zijn.

3. Uitkomsten overleg vertegenwoordigers Caribisch Nederland

Ik heb op 13 maart jl. gesproken met de bestuurscolleges van Bonaire, Saba en Sint Eustatius gezamenlijk. In het AO op 23 januari jl. heb ik toegezegd om u schriftelijk te informeren over de uitkomsten van dit overleg.

Ik wil dit onderwerp graag in de context plaatsen van de afspraken die op 10 oktober 2010 zijn gemaakt. In het bestuurlijk overleg van april 2010 is een streven uitgesproken om de uitkeringen in de toekomst verder te verbeteren binnen de randvoorwaarden van onder meer economische draagkracht en evenwichtige sociale verhoudingen. De rijksoverheid streeft daarbij naar een voorzieningenniveau dat passend is in de regio, recht doet aan de integratie van de drie eilanden in het Nederlands staatsbestel en verantwoord is richting de burgers van Caribisch Nederland.

De uitkeringsniveaus zijn op 10 oktober 2010 verhoogd. Bij de onderstand is een inhaalslag gemaakt ter correctie van de nagelaten aanpassing aan de prijsontwikkeling in de daaraan voorafgaande jaren. Bij het wettelijk ouderdomspensioen is per 1 januari 2011 een beleidsmatige verhoging (bovenop de inflatiecorrectie) van circa 17% gerealiseerd. Per 1 januari 2012 zijn de uitkeringen verhoogd gelijk aan het inflatiecijfer, waarbij er per eiland afzonderlijk is gecorrigeerd. Per 1 januari 2013 is dit wederom gebeurd.

De toenmalige minister van SZW heeft in mei 2012 een verkenning naar de armoede op Caribisch Nederland laten uitvoeren. Naar aanleiding van deze verkenning is in oktober jl. een aantal verbetermaatregelen afgesproken met de eilanden. Deze maatregelen zijn deels rijksbreed: bijdrage vanuit Europees Nederland voor hoge kosten nutsvoorzieningen, «social return» bij bouwprojecten van het Rijk in Caribisch Nederland, oprichten «E-team» per eiland om economische ontwikkeling te stimuleren, uitbreiding van het nultarief algemene bestedingsbelasting voor «basis» voedingsproducten en verlaging van de accijns op benzine. Voor een ander deel zijn de verbetermaatregelen SZW-specifiek. Het gaat hierbij om de verbreding van de bijzondere onderstand en de verhoging van de toeslag voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (beide geëffectueerd per 1 januari 2013).

Tegen deze achtergrond heb ik op 13 maart gesproken met de bestuurscolleges. In het gesprek hebben we veel aandacht besteed aan de armoedeproblematiek en, samenhangend daarmee, het voorzieningenniveau op de eilanden.

Het gesprek over het voorzieningenniveau spitste zich voornamelijk toe op de hoogte van het minimumloon. Verhoging van het minimumloon leidt tot een hogere levensstandaard voor de werkenden en is een voorwaarde voor een eventuele verhoging van de uitkeringen (werk moet lonen). Momenteel onderzoeken de eilanden of een verhoging van het minimumloon haalbaar en wenselijk is. Ik ben in gesprek met het CBS om te bezien of kwantitatieve informatie kan worden geleverd met betrekking tot de sociaaleconomische situatie om op basis daarvan beter de sociaaleconomische situatie en de ontwikkeling van de niveaus van uitkeringen en minimumloon te kunnen vaststellen. Het bestuurscollege van Saba heeft aangegeven dat uit overleg met werkgevers op het eiland is gebleken dat een verhoging van het wettelijk minimumloon haalbaar en wenselijk is. Ik zal mij de komende tijd beraden op de suggestie van Saba om het wettelijk minimumloon alleen voor Saba te verhogen.

Tijdens het werkbezoek dat ik dit jaar aan de eilanden zal brengen, wil ik samen met de bestuurscolleges in gesprek met betrokken partijen, met name werkgevers en werknemers om een sociaaleconomisch groeimodel (inclusief de ontwikkeling van het minimumloon) op gang te krijgen en partijen op dit punt een «sense of urgency» mee te geven. De bestuurscolleges hebben aangegeven dat werknemers in veel gevallen geen periodieke loonsverhoging krijgen, waardoor het minimumloon in de praktijk het eindloon is. Het doorbreken van die situatie is belangrijk om het perspectief van werknemers te verbeteren. Ten behoeve van de gesprekken zal ik me inzetten om de relevante cijfers over bijvoorbeeld inkomensniveaus en inkomensverdeling tijdig beschikbaar te hebben.

We hebben ook gesproken over het niveau van de uitkeringen, met name van de algemene ouderdomsverzekering (AOV). In de tweede helft van dit jaar zal ik een besluit nemen over het niveau van de AOV voor alleenstaanden in 2014. Daarnaast is de armoedeproblematiek aan de orde geweest. In dit verband brengt Bonaire de verschillende doelgroepen in kaart, waarbij per doelgroep een overzicht wordt gegeven van beschikbare instrumenten om de armoedeproblematiek aan te pakken. Als dit overzicht klaar is wordt het verder besproken met Sint Eustatius en Saba en ook met SZW.

We streven gezamenlijk naar een verbetering van de sociaaleconomische situatie in Caribisch Nederland. De openbare lichamen en de rijksoverheid doen dat ieder vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Alles overziend constateer ik dat in de korte periode na de transitie al veel is bereikt. Dat is bemoedigend, maar verdere verbeteringen zijn nodig. Ik wil me daarvoor inzetten middels de concrete afspraken die ik in mijn overleg met de bestuurscolleges heb gemaakt.

4. Het verstrekken van voedsel via voedselbanken en de samenwerking tussen voedselbanken en het bedrijfsleven

Tijdens het AO hebben we ook gesproken over de stijging van het aantal klanten bij de voedselbanken en de tekorten waarmee de voedselbanken kampen. Ik heb daar ook over gesproken met Stichting Voedselbanken Nederland. Volgens Voedselbanken Nederland hebben de tekorten bij de voedselbanken niet te maken met een gebrek aan voedsel in Nederland maar met de verspilling ervan. Ik heb daarom toegezegd om mijn collega van Economische Zaken, die gaat over voedselverspilling, te betrekken in het gesprek over de tekorten waar de voedselbank last van heeft om te bezien of hier wettelijke belemmeringen aan de orde zijn.

Staatssecretaris Dijksma zet zich in om voedselverspilling in 2015 met 20% te reduceren. Daarbij richt zij zich op bewustwording, ketensamenwerking en innovatie in de hele voedselketen, van producent tot consument. De Alliantie Verduurzaming Voedsel (waarin de supermarktbranche en levensmiddelenindustrie samenwerken) zetten de werkgroep «Optimalisatie Reststromen en Voedselverspilling» voort. Partners uit het bedrijfsleven zijn in deze werkgroep bezig een agenda samen te stellen om zo de verspilling in de voedselketen terug te dringen. Het ministerie van EZ heeft in deze werkgroep de interesse voor samenwerking met de voedselbanken besproken. Aangegeven is dat een samenwerking met de voedselbanken geen doel op zichzelf is. Bedrijven maken hun eigen afweging of zij overschotten die toch ontstaan doneren aan de Voedselbanken. Om partijen bij elkaar te brengen zijn staatssecretaris Dijksma en ik bereid een gesprek te faciliteren tussen de Stichting voedselbanken Nederland en de Alliantie verduurzaming voedsel. De voedselbanken werken veelal lokaal. Daar komen dergelijke samenwerkingsverbanden dan ook het best tot hun recht zodat ook regionale wensen en verschillen – bij het bedrijfsleven en de doelgroep – in acht kunnen worden genomen. In veel gemeenten zijn al succesvolle samenwerkingsverbanden tot stand gebracht. Gemeenten spelen bij de totstandkoming van dergelijke samenwerking vaak een belangrijke rol. Daarom zal ik in de verzamelbrief gemeenten oproepen hier aandacht aan te besteden.

5. Ondersteuning van mensen die niet worden toegelaten tot de schuldregeling en de combinatie WWB-uitkering en het hebben van schulden

De heer Van Weyenberg heeft in het Voortgezet Algemeen Overleg armoede- en schuldenbeleid van 5 februari jl. gevraagd hoeveel mensen een beroep doen op schuldhulpverlening, maar niet in een traject komen, hoe lang zij moeten wachten en welke steun zij krijgen. Ook heeft de heer Van Weyenberg gevraagd hoe gemeenten in de praktijk de combinatie van het hebben van een bijstandsuitkering en schulden oplossen. Ik heb toegezegd deze vragen voor te leggen aan de VNG en hierop terug te komen in deze brief.

De bovenstaande vragen zijn bij de VNG aan de orde gesteld. De VNG geeft aan, en dat is ook mijn indruk uit de contacten die ik met gemeenten heb, dat gemeenten mensen waar nodig ondersteunen en helpen. Mensen die nog niet klaar zijn voor een schuldregeling, kunnen wel voor andere hulpverlening in aanmerking komen. Dat kan bijvoorbeeld stabilisering van de schulden zijn, het aanbieden van een re-integratietraject of advisering. De VNG en ook het kabinet beschikken niet over cijfers hoeveel mensen een beroep doen op schuldhulpverlening, maar (nog) niet in een traject komen.

Een problematische schuld kan een belemmerende factor zijn voor (volwaardige) participatie. Voor een uitkeringsgerechtigde, die recht heeft op een uitkering op basis waarvan een verplichting tot re-integratie geldt, bestaat de mogelijkheid een sanctie op te leggen indien de uitkeringsgerechtigde niet of niet meer meewerkt aan schuldhulpverlening en als gevolg daarvan de re-integratie belemmert. Naast negatieve prikkels is het ook mogelijk dat de gemeenten schuldenaren, die gebruik maken van de gemeentelijke schuldhulpverlening en de daaraan verbonden verplichtingen goed nakomen, belonen in de vorm van positieve prikkels. De gemeenten kunnen daarin een eigen beleid voeren. Een positieve prikkel die gemeenten vaak toepassen is om schuldenaren, die in een schuldregeling zitten, in aanmerking te laten komen voor het gemeentelijk armoedebeleid. Het hebben van schulden kan een dermate zware psychische last opleveren voor iemand, dat het kan zijn dat een uitkeringsgerechtigde met problematische schulden tijdelijk niet aan zijn sollicitatieplicht kan voldoen. De gemeente heeft de beleidsvrijheid om in deze individuele gevallen maatwerk te leveren en een uitkeringsgerechtigde tijdelijk te ontheffen van de sollicitatieplicht.

Uit het onderzoek naar de besteding van de tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009–2011 komt naar voren dat de wachtlijsten in 2010 en 2011 zijn teruggelopen, dan wel niet verder zijn opgelopen. Gemeenten verwachten zelf dat de positieve effecten op de wachtlijsten duurzaam zullen zijn. Op dit moment is hierover geen actuelere informatie beschikbaar.

Preventieve en integrale schuldhulpverlening is met ingang van 1 juli 2012 een wettelijke taak van gemeenten. Het is nog te kort na de invoering van de Wgs om te kunnen zeggen hoe gemeenten in hun algemeenheid in hun uitvoering met bepaalde groepen omgaan en over de effecten van de Wgs op onder andere de wacht- en doorlooptijden. De Inspectie doet in 2014 een eerste onderzoek naar de uitvoering van de Wgs door gemeenten. De evaluatie van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is voorzien voor 1 juli 2016.

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma


X Noot
1

Kamerstukken 2012–2013, 24 515, nr. 253.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer

X Noot
3

TK, 2012/2013, Aanhangsel, 1072

X Noot
4

Vroegsignalering index Probleemschulden (ViP): een «verwijsindex» die noodzakelijke gegevens ophaalt bij andere bronbestanden. Registratie vindt plaats aan de hand van vooraf vastgestelde registratiecriteria. Raadpleging vindt plaats door de consument of door aangesloten organisatie met toestemming van de consument. Bij raadpleging volgt een indicatie over de financiële positie van een consument (groen/ oranje/rood). Alleen de schuldhulpverlening krijgt concrete bedragen te zien.

X Noot
5

Huishoudens in de rode cijfers 2009, Kamerstukken II, 2009–2010, 24 515, nr. 161.

X Noot
6

Zie o.a. F. Westhof,, M. Tom en P. Vroonhof, Monitor betalingsachterstanden 2011, Panteia, Zoetermeer, december 2011. BKR, BKR Kredietbarometer, juli 2012. T. Madern, D. van der Burg, Geldzaken in de praktijk, NIBUD, juni 2012.