Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201229544 nr. 398

29 544 Arbeidsmarktbeleid

Nr. 398 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 11 juni 2012

1. Aanleiding evaluatie

Het vorige kabinet Balkenende IV heeft in 2010 in de kabinetsnotitie «Op weg naar herstel» (Kamerstukken II, 2009/10, 29 544, nr. 238) de Tweede Kamer toegezegd te bezien of onderzoek mogelijk is naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de bijzondere werktijdverkortingsregeling (hierna: bijzondere wtv-regeling) en de deeltijd-WW. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft onderzoeksbureau APE gevraagd beide regelingen te evalueren en daarbij de effectiviteit van de maatregelen in beeld te brengen1. In de brief van 6 december 2011 (Kamerstukken II, 2011/12, 29 544, nr. 364) is gemeld dat de evaluatie in het voorjaar van 2012 naar de Tweede Kamer zal worden gestuurd. Met deze brief wordt voldaan aan deze toezegging.

2. Economische context en motivatie

In het derde kwartaal van 2008 brak de zwaarste financiële crisis uit sinds de jaren »30. De relevante wereldhandel nam af met 13,4% in 2009 en het bruto binnenlands product (BBP) kromp datzelfde jaar met 3,5%.2 Het Centraal Planbureau (CPB) verwachtte op basis van deze krimp een werkloosheidsstijging van 3,9% in 2008 naar 8¾% in 2010. Dit zou neerkomen op een stijging van 304 000 naar 675 000 werklozen in twee jaar tijd.3 De effecten van de crisis op de arbeidsmarkt waren echter verrassend gematigd. Dit kwam vooral doordat bedrijven op grote schaal personeel vasthielden waarvoor tijdelijk geen werk beschikbaar was.4 Hierdoor bleef de werkloosheidspiek tijdens de crisis in februari 2010 «slechts» steken op 5,8%, wat neerkomt op 452 000 werklozen. Het belangrijkste motief voor bedrijven om hun personeel niet te ontslaan was de relatief grote krapte op de arbeidsmarkt voorafgaand aan de crisis. In die periode moesten bedrijven grote inspanningen leveren om geschikt personeel te vinden en te behouden. Toen de crisis in 2008 uitbrak waren zij terughoudend met het ontslaan van hun personeel, omdat zij daarmee het risico zouden lopen bij een aantrekkende economie opnieuw veel tijd en geld kwijt te zijn met het werven, bijscholen en inwerken van nieuw personeel. En juist op spoedig economisch herstel werd door veel ondernemers geanticipeerd: de productieverwachtingen door bedrijven waren optimistischer dan de uiteindelijke realisaties aan productieverlies.5

Het kabinet Balkenende IV heeft crisismaatregelen getroffen om in te spelen op de uitzonderlijke economische situatie van eind 2008. Het brede pakket aan maatregelen was gericht op herstel en behoud van vertrouwen in de economie, en de continuïteit van bedrijven. Uit een evaluatie van het Ministerie van Financiën uit 2011 blijkt dat de gerichte stimuleringsmaatregelen samen met de werking van de automatische stabilisatoren6 een scherpe daling van het BBP en een oplopende werkloosheid hebben gedempt, maar gebruikelijk wel gepaard zijn gegaan met een verslechtering van het EMU-saldo.7 Op het terrein van de arbeidsmarkt waren de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW belangrijke maatregelen. De bijzondere wtv-regeling is van 30 november 2008 tot 21 maart 2009 van kracht geweest.8 Het kabinet wilde met de maatregel voorkomen dat werkgevers vanwege de abrupte vraaguitval over zouden gaan tot paniekontslagen en werknemers hun baan onnodig zouden verliezen. Na de eerste schokken werd duidelijk dat het gehele bedrijfsleven door het inzakken van de buitenlandse handel zwaar was getroffen, maar tegelijkertijd werd over de volle breedte van de economie spoedig economisch herstel verwacht. Ook de kredietverlening liep in deze periode sterk terug, zodat veel bedrijven hierop maar beperkt aanspraak konden maken om de vraaguitval te overbruggen. De bijzondere wtv-regeling en daarna de deeltijd-WW boden bedrijven «bedenktijd» om te bezien of de vraaguitval tijdelijk was en zij hun vakkrachten konden behouden.

De werktijdverkortingsmaatregelen waren – afgezet tegen de arbeidsmarkt als geheel – beperkt in omvang en gebruik. Dit maakt dat de economische effecten op macroniveau niet omvangrijk kunnen zijn geweest. Met de bijzondere wtv en de deeltijd-WW was een budgettair beslag gemoeid van respectievelijk € 100 miljoen en € 360 miljoen. Tijdens het hoogtepunt van de crisis zaten er 40 000 werknemers in de deeltijd-WW. Het CPB heeft berekend dat de deeltijd-WW het gemiddelde werkloosheidspercentage maximaal met 0,1 à 0,2%-punt verlaagd kan hebben. Deze beperkte effecten worden door andere studies bevestigd. Zo heeft de OESO becijferd dat de deeltijd-WW in Nederland in 2009 vijf à zes duizend voltijdsbanen heeft gered.9 De Duitse werktijdsverkortingsregeling – de zogenoemde Kurzarbeit – wordt regelmatig als succes bestempeld.10 De Kurzarbeit is een structurele regeling die tijdens het hoogtepunt van de crisis werd uitgebreid. Er zijn indicaties dat ook in Duitsland werkgevers vooral op eigen kosten de werktijd van werknemers hebben verkort.11 Dit roept de vraag op of de inzet van Kurzarbeit nodig was geweest om in Duitsland werkgelegenheid tijdens de crisis te behouden. Er zijn voor zover bekend geen studies die gekeken hebben naar de netto effectiviteit van de Kurzarbeit. Het is dus mogelijk dat bedrijven door middel van Kurzarbeit onnodig zijn gesubsidieerd. Ook is het maar de vraag of extra banen via werktijdverkorting op de lange termijn behouden blijven. Uit een studie van Calavrezo e.a. (2009) op basis van ervaringen in Frankrijk blijkt dat werktijdverkortingsmaatregelen het aantal gedwongen ontslagen na werktijdverkorting juist vergroten.12 Ook kunnen werktijdverkortingsmaatregelen op de lange termijn schadelijke gevolgen hebben voor een economie, zeker wanneer dergelijke maatregelen te lang worden ingezet of structureel van aard zijn. Werktijdverkorting remt immers de structurele hervorming van de economie bij een teruglopende conjunctuur, waardoor banen in sectoren die te maken hebben met structurele problemen kunstmatig in stand kunnen worden gehouden.13

Bovengenoemde kanttekeningen over de effectiviteit van werktijdverkorting op macroniveau laten onverlet dat bedrijven die zwaar door de crisis werden getroffen op microniveau baat kunnen hebben gehad bij de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW. Werktijdverkorting kan onder de hierboven geschetste uitzonderlijke omstandigheden functioneren als een «loopplank over het ravijn», door bedrijven te ondersteunen om onnodige ontslagen te voorkomen en bij een aantrekkende economie snel de weg omhoog te vinden.14 Hier staat tegenover dat de werktijdverkortingsmaatregelen kunnen zijn ingezet voor werknemers die ook zonder deze maatregelen door bedrijven niet zouden zijn ontslagen. In het evaluatieonderzoek is onderzocht wat de netto resultante is van beide tegengestelde effecten op microniveau.

3. Effectiviteit

In deze paragraaf worden de belangrijkste uitkomsten uit de evaluatiestudie op een rij gezet. Eerst wordt summier de onderzoeksopzet beschreven. Daarna volgen de uitkomsten van de twee hoofdonderdelen van het evaluatieonderzoek: 1) een analyse naar de netto effectiviteit van de regelingen en 2) de beoordeling door gebruikers in een grootschalige enquête.

3.1 Onderzoeksopzet

Het doel van het onderzoek was om de netto effectiviteit in kaart te brengen. Ter inkleuring van deze resultaten is in een enquête onder ruim 700 bedrijven en 1 200 werknemers gevraagd naar de ervaringen met beide regelingen. Ook zijn vijftien face-to-face interviews gehouden met werkgevers, vertegenwoordigers van het personeel en werknemers- en werkgeversorganisaties om de enquêteresultaten nader te kunnen duiden. De uitkomsten van de netto effectiviteitsanalyse vormen echter de kern van het onderzoek, omdat bij het ondervragen van de gebruikers van de regelingen de uitkomsten mogelijk geen objectief beeld geven van de effectiviteit van de regelingen. De gebruikers van de regelingen hebben immers baat gehad bij de regelingen en zouden de effectiviteit bijgevolg – bewust of onbewust – te positief kunnen inschatten.

Voor de start van de evaluatie is advies bij het CPB ingewonnen over de methodologie van het onderzoek. Op basis hiervan is in de evaluatie gekeken of het gevoerde beleid tijdens de crisis heeft gezorgd voor extra werkgelegenheidsbehoud of een sterker herstel van de omzet bij deelnemende bedrijven (doelgroep) ten opzichte van niet-deelnemende bedrijven (controlegroep). Een voorwaarde om deze vergelijking te kunnen maken, is dat een controlegroep kan worden samengesteld die geen gebruik heeft gemaakt van de regelingen, maar toch vergelijkbaar is met de deelnemers aan de regelingen. Idealiter zijn we op zoek naar bedrijven die identiek zijn aan de deelnemende bedrijven, maar die (toch) niet aan de maatregelen hebben deelgenomen. Er zijn econometrische methodes om bedrijven in de doel- en controlegroep zoveel mogelijk vergelijkbaar te maken. Van deze methodes is in het evaluatieonderzoek gebruik gemaakt.

3.2 Netto effectiviteit

Verschillen tussen de controle- en doelgroep

Via de netto effectiviteitsanalyse is getracht om een objectief beeld te krijgen van de effecten van de regelingen op de omzet- en werkgelegenheidsontwikkeling van de gebruikers ten opzichte van de niet-gebruikers. Zoals gemeld is een voorwaarde om de netto effectiviteit goed te kunnen meten dat de groep deelnemende bedrijven wordt vergeleken met een groep soortgelijke bedrijven die niet deel hebben genomen aan de regelingen. Uit analyses blijkt dat de groep deelnemende bedrijven aan de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW sterker zijn geraakt door de crisis dan de niet-deelnemende bedrijven. Beide groepen hebben dan ook verschillende kenmerken. Zo blijkt dat de deelnemers aan de crisismaatregelen oververtegenwoordigd zijn in industriële sectoren, waarvan bekend is dat deze harder door de crisis zijn geraakt dan dienstensectoren. Het feit dat de deelnemers sterker werden getroffen door de crisis vergeleken met de niet-deelnemers betekent dat de crisismaatregelen doelmatig zijn ingezet voor de zwaarst getroffen bedrijven. Hiervoor waren de regelingen ook bedoeld: bedrijven die in de kern gezond zijn – maar niet voldoende middelen hebben om de tijdelijke forse vraaguitval zelf op te vangen – onder voorwaarden ondersteuning bieden om onmisbaar geacht personeel te behouden. De beperkte vergelijkbaarheid tussen de doel- en controlegroep compliceert echter wel de effectmeting.

Geen robuuste significante effecten

Het onderzoeksbureau heeft verschillende econometrische methodes toegepast om de doel- en controlegroep bij de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW zo goed mogelijk vergelijkbaar te maken. Na het toepassen van deze methodes is er nog nauwelijks sprake van significante verschillen in waargenomen kenmerken van bedrijven in de doel- en controlegroep. Bij deze kenmerken is onder andere gecontroleerd voor sector, grootteklasse, de genomen crisismaatregelen door het bedrijf zelf (bijvoorbeeld interen op reserves, vermindering zzp-inhuur, niet uitkeren overuren) en de stand van de omzet voor aanvang van de crisis. Uit de vervolganalyse blijkt dat er geen robuuste significante effecten van beide regelingen op de omzet en het behoud van werkgelegenheid kunnen worden aangetoond bij de deelnemende bedrijven vergeleken met de niet-deelnemende bedrijven. Er zijn dus geen duidelijke aanwijzingen voor negatieve of (grote) positieve effecten.

Een kanttekening bij de hierboven genoemde resultaten is dat mogelijk sprake is van statistische vertekening. Zo zouden de deelnemende en niet-deelnemende bedrijven nog kunnen verschillen op kenmerken die niet zijn gemeten, zoals de verwachte orderportefeuille. Als gevolg hiervan kunnen de deelnemende bedrijven een negatievere ontwikkeling van de omzet en werkgelegenheid hebben gehad – ook nog tijdens deelname aan de maatregelen. Wel verdwijnen zo goed als alle negatieve effecten op de omzet en het personeelsbestand wanneer wordt gecorrigeerd op gemeten kenmerken, maar is het onzeker of de vertekening helemaal wordt weggenomen. Hierdoor zijn de uitkomsten uit de netto effectiviteitsanalyse met de nodige onzekerheid omgeven.

3.3 Ervaringen werkgevers en werknemers

In deze paragraaf worden de belangrijkste resultaten uit de telefonische en internetenquêtes beschreven. In de enquêtes is onder andere gevraagd naar het type bedrijven en werknemers dat heeft deelgenomen aan de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW, hoe scholing en detachering zijn ingezet en hoe bedrijven en werknemers de regelingen hebben ervaren, alsmede de voorwaarden die daaraan verbonden waren. Ook zijn de niet-deelnemende bedrijven ondervraagd, die – net als de deelnemende bedrijven – met een aanzienlijke vraaguitval tijdens de crisis zijn geconfronteerd.

Beschrijving van de gebruikers

In totaal hebben 926 bedrijven gebruik gemaakt van de bijzondere wtv-regeling en 7 836 werkgevers van de deeltijd-WW. In beide regelingen waren bedrijven uit de industrie oververtegenwoordigd.15 De industrie is relatief zwaar getroffen door de crisis. Er is voor 44 460 werknemers bijzondere wtv ingezet en voor 77 430 werknemers deeltijd-WW. Dat is respectievelijk 0,57% en 0,99% van de werkzame beroepsbevolking. De bijzondere wtv is voor 60% ingezet voor werknemers in een uitvoerende functie. Bij de deeltijd-WW was dit percentage 70%.

Motivatie van de gebruikers

Volgens de gebruikers was het behouden van kennis en ervaring voor het bedrijf de belangrijkste reden om personeel vast te houden waarvoor geen werk beschikbaar was. Een andere belangrijke reden was de verwachting dat spoedig betere tijden zouden aanbreken. Werkgevers hebben vakkrachten in dienst gehouden om redenen die samenhangen met de doelstelling van de maatregelen: het voorkomen van kapitaalvernietiging op de korte termijn. Of werkgevers vakkrachten niet in dienst hadden gehouden zonder de maatregelen, is op basis van de enquêteresultaten niet vast te stellen. Naast de deeltijd-WW werden door de ondervraagde bedrijven ook andere maatregelen ingezet om de crisis het hoofd te bieden, zoals het uitstellen van investeringen en het snijden in niet-personele kosten. Ook heeft een beperkt deel van de bedrijven mensen gedwongen moeten ontslaan, wat aangeeft dat bedrijven die deelnamen aan deeltijd-WW óók herstructureringsmaatregelen hebben genomen.

Effectiviteit volgens de gebruikers

Bij de bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de bijzondere wtv-regeling denkt 74% dat zij zonder de regeling meer mensen ontslagen zouden hebben. Bij de bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de deeltijd-WW is dit 78%. Van werknemers waarvoor de wtv-regeling en deeltijd-WW zijn ingezet denkt een aanzienlijk lager percentage (34%) dat zij zonder de regeling hun baan niet hadden behouden. Opmerkelijk is dat omgekeerd 35% van de werknemers die deelnamen aan de bijzondere wtv en 28% van de werknemers die deelnamen aan de deeltijd-WW het hier (geheel) mee oneens was. Dit suggereert dat de regelingen in deze gevallen niet hebben bijgedragen aan de doelstelling om werkgelegenheid te behouden. De inschatting van de werkgevers en de werknemers over het behoud van werkgelegenheid is duidelijk verschillend. Dit kan komen doordat een werkgever de consequenties van de crisis voor de totale organisatie overziet, terwijl een werknemer vooral zal hebben gedacht aan behoud van zijn eigen functie. Ook de mate waarin de partijen baat hebben gehad bij de regelingen zou de discrepantie in het oordeel deels kunnen verklaren.

Voorwaarden en uitvoerbaarheid

Een van de voorwaarden bij de regelingen was het maken van afspraken over scholing. Scholing is bij de bijzondere wtv ingezet bij 70% van de bedrijven en bij de deeltijd-WW bij 82% van de bedrijven. Het ging hier met name om korte bedrijfs- of functiegerelateerde trainingen. 73% van de werknemers met bijzondere wtv vond scholing nuttig. Bij de deeltijd-WW is dit 76%. Slechts 5% van de werknemers is bij zowel de bijzondere wtv als de deeltijd-WW gedetacheerd geweest. Een van de door bedrijven genoemde redenen is dat werk niet beschikbaar was bij werkgevers in de omgeving. De meerderheid van de werkgevers beoordeelt de uitvoerbaarheid van de voorwaarden bij zowel de bijzondere wtv als de deeltijd-WW als goed tot zeer goed (zie figuren in bijlage 1)1. Bij de deeltijd-WW scoort de voorwaarde om van tevoren in te schatten voor welk deel van het personeel en voor hoe lang deeltijd-WW zal worden ingezet relatief het laagst, maar nog steeds beoordeelt 60% deze voorwaarde als goed tot zeer goed uitvoerbaar. Deze voorwaarde was overigens, in combinatie met de andere voorwaarden, bedoeld om ongericht gebruik van deeltijd-WW te voorkomen.

Rol van de werkgevers- en werknemersorganisaties

Een belangrijke reden waardoor de regelingen zorgvuldig en gericht zijn ingezet, is dat er op ondernemingsniveau een overeenkomst met vakbonden moest worden gesloten. In situaties waar geen zicht was op een toekomstige economisch gezonde bedrijfsvoering werd ervoor gezorgd dat er ook geen beroep gedaan werd op de regelingen. Ook de koppeling met het uitvoeren van scholingsprojecten ten tijde van de regelingen is in hoge mate dankzij samenwerking en afspraken tussen de sociale partners tot stand gekomen.

4. Conclusie

De bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW zijn maatregelen die zijn genomen in een economisch uitzonderlijke tijd. De exceptioneel scherpe vraaguitval was reden om de bijzondere wtv-regeling in het leven te roepen en zo een overreactie op de arbeidsmarkt te voorkomen. Verder waren het zicht op spoedig herstel, de krapte op de arbeidsmarkt voorafgaand aan de crisis en het teruglopen van de kredietverlening redenen om gezonde bedrijven via deeltijd-WW van voldoende liquide middelen te voorzien om hun onmisbaar geachte personeel te kunnen vasthouden en transactiekosten voor de gehele economie te kunnen besparen. Op macroniveau was al bekend dat de concrete effecten van de bijzondere wtv-regeling en deeltijd-WW niet groot zijn: het CPB heeft uitgerekend dat de deeltijd-WW de werkloosheidsoploop met maximaal 0,1%- tot 0,2%-punt heeft verminderd. Dit laat onverlet dat de regelingen individuele bedrijven kunnen hebben ondersteund tijdens de crisis en werknemers meer zekerheid kunnen hebben geboden over het voortbestaan van hun baan. Hier staat tegenover dat de regelingen kunnen zijn ingezet voor werknemers die zonder het gebruik hiervan ook hun baan zouden hebben behouden. Met de evaluatiestudie is getracht meer zicht te krijgen op de additionele effecten van de regelingen voor individuele bedrijven.

Om de netto effectiviteit van de bijzondere wtv-regeling en deeltijd-WW te onderzoeken is de ontwikkeling van de omzet en van het personeelsbestand vergeleken tussen de deelnemers (de doelgroep) en de niet-deelnemers (de controlegroep). In de analyse worden geen robuuste significante effecten gevonden van de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW op het behoud van werkgelegenheid en het herstel van omzet. Er zijn dus geen duidelijke aanwijzingen voor negatieve of (grote) positieve effecten van de regelingen. Een kanttekening bij deze uitkomsten is dat mogelijk sprake is van negatieve statistische vertekening van de resultaten. Hierdoor moeten de resultaten uit de netto effectiviteitsanalyse met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.

Op basis van de netto effectiviteitsanalyse en de enquêteresultaten onder werkgevers blijkt dat de maatregelen doelmatig zijn ingezet: bedrijven die gebruik hebben gemaakt van de regelingen zijn harder door de crisis geraakt dan de niet-gebruikers. Ook hebben de maatregelen in de ogen van de werkgevers bijgedragen aan het doel van de regelingen: namelijk behouden van werkgelegenheid. Ongeveer driekwart van de ondervraagde bedrijven aan de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW denkt dat het bedrijf zonder de maatregelen meer mensen had ontslagen dan uiteindelijk nodig was. Het ondervragen van de werknemers levert een minder eenduidig beeld op bij het behoud van werkgelegenheid: 34% van de werknemers denkt dat zij zonder de maatregelen werkloos zouden zijn geworden, terwijl 35% van de deelnemers aan de bijzondere wtv en 28% van de deelnemers aan de deeltijd-WW denkt dat ze ook zonder werktijdverkorting hun baan zouden hebben behouden. Daarnaast is tijdens de deelname aan de regeling geïnvesteerd in (verplicht gestelde) scholing die als nuttig werd ervaren. De uitvoerbaarheid van de regelingen wordt door werkgevers als (zeer) goed beoordeeld.

Concluderend kan worden gesteld dat de evaluatie niet heeft uitgewezen dat de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW een significant positieve bijdrage hebben geleverd aan het behouden van extra werkgelegenheid of een sneller herstel van de omzet tijdens de vorige crisis. Momenteel is nog onduidelijk wat de verstorende effecten van dergelijke maatregelen voor de arbeidsmarkt op de langere termijn zouden kunnen zijn. Het CPB en de OESO hebben eerder geconcludeerd dat de concrete effecten van de deeltijd-WW op het beperken van de werkloosheidsstijging tijdens de vorige crisis maximaal zeer beperkt zijn geweest. Dit alles noopt tot een zorgvuldige afweging voor de eventuele inzet van vergelijkbare maatregelen in toekomstige extreme conjuncturele neergangen.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

CPB (2012), Centraal Economisch Plan 2012, Den Haag.

X Noot
3

Zie CPB (2009), Centraal Economisch Plan 2009, Den Haag.

X Noot
4

Zie Ende, M. van der, H. Erken en M. Streefkerk (2010), Lage werkloosheidsgroei ten tijde van crisis, ESB, 95(4589), blz. 442–444.

X Noot
5

CPB (2011), Lage werkloosheid tijdens de crisis. Bedrijven hamsteren arbeid, Den Haag.

X Noot
6

Automatische stabilisatie betekent dat de conjunctuur automatisch wordt gedempt, doordat geen maatregelen worden genomen om het effect van de conjunctuur op het begrotingstekort te neutraliseren.

X Noot
7

Ministerie van Financiën (2011), Evaluatie stimuleringsmaatregelen, Den Haag.

X Noot
8

In het evaluatierapport in bijlage 2 wordt in box 4.1 een overzicht gegeven van de voorwaarden van de bijzondere wtv-regeling en in box 5.1 van de deeltijd-WW.

X Noot
9

Hijzen, A. en D. Venn, 2011, The Role of Short-Time Work Schemes during the 2008–2009 Recession, OECD Social, Employment and Migration Working Papers, No. 115, Parijs.

X Noot
10

Deutsche Bank Research (2010), Germany’s job miracle, Frankfurt. OESO (2010), Employment Outlook 2010, Parijs.

X Noot
11

The Economist (2010), Hoard instinct. The nature of the recession, not government schemes, may explain why some countries lost so few jobs, London.

X Noot
12

Calavrezo, O., Duhautois, R. en E. Walkowiak (2009), The short-time compensation program in France: an efficient measure against redundancies?, Centre for Employment Studies, Working paper 114, Noisy le Grand.

X Noot
13

Eichhorst, W. en P. Marx, Kurzarbeit: Sinnvoller Konjunkturpuffer oder verlängetes Arbeitslosengeld?, IZA, Institute for the Study of Labour, Bonn; Crimmann, A. en F. Wiessner (2009), Verschnaufpause dank Kurzarbeit, IAB-Kurzbericht 14/2009, Nürnberg.

X Noot
14

Het is zelfs denkbaar dat de bijzondere wtv-regeling en de deeltijd-WW de onzekerheid bij bedrijven tijdens de crisis deels heeft weggenomen, wat ook een positief effect kan hebben gehad op de werkgelegenheid bij niet-gebruikers van de regelingen. Deze indirecte vertrouwenseffecten – zo onderkent ook het CPB – zouden positieve effecten kunnen hebben gehad voor het economische herstel, maar zijn niet goed kwantitatief te onderzoeken.

X Noot
15

Van de 926 bedrijven die deelnamen aan de bijzondere wtv-regeling kwam 64% uit de industrie, terwijl dit aandeel landelijk 5% betreft. Ook bij de deeltijd-WW kwam 41% van de deelnemers uit de industrie.