Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2015-2016nr. 83, item 5

5 Vragenuur: Vragen Van Veen

Vragen van het lid Van Veen aan de minister voor Wonen en Rijksdienst, bij afwezigheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over het bericht "1085 vermiste oorlogsvliegers mogelijk nog in Nederlandse bodem". 

De heer Van Veen (VVD):

Voorzitter. In de Tweede Wereldoorlog zijn meer dan 6.000 vliegtuigen boven Nederland gecrasht. Meer dan 17.000 geallieerde vliegers vonden bij die crashes de dood. Nog bijna 1.000 van hen zijn vermist. Dat is al jaren pijnlijk voor familie en nabestaanden. Van bijna alle neergestorte vliegtuigen in Nederland, zeker die op grond, is op basis van onderzoek in de jaren zeventig en tachtig bekend welke typen het betreffen en of er nog piloten in de toestellen zijn achtergebleven. Mijn opa was verslaggever voor het Nieuwsblad van het Noorden. In de jaren tachtig mocht ik met hem aanwezig zijn bij de berging van een jachtvliegtuig in Friesland. Ik herinner mij nog goed dat op de crashlocatie stoffelijke resten en bezittingen van de piloot werden aangetroffen. Die piloot heeft uiteindelijk een gezicht en een graf gekregen. Ik heb dit als indrukwekkend ervaren. 

Ik heb begrepen dat de Nederlandse overheid drie criteria hanteert bij de afweging om wel of niet over te gaan tot het bergen van het wrak en de identificatie van de slachtoffers: herbestemming van de grond, openbare orde en veiligheid en verzoeken van de nabestaanden. Uit berichten van de NOS blijkt echter dat een vierde criterium nu de overhand dreigt te nemen, namelijk de kosten, hoewel hiervoor een apart potje geld beschikbaar is voor gemeenten met een crashlocatie. Klopt het dat de kosten van opgraven zwaarder wegen dan de wens van de nabestaanden? Is de minister met mij van mening dat Nederland een morele verplichting jegens de nabestaanden heeft om alles op alles te zetten om de nu nog vermiste piloten een naam en een graf te geven? 

Minister Blok:

Voorzitter. De heer Van Veen vraagt aandacht voor de stoffelijke overschotten van geallieerde vliegers die in de oorlog het hoogste offer hebben gebracht en van wie de lichamen zich waarschijnlijk nog in de vliegtuigwrakken bevinden. Recent berichtte de NOS hierover. Hij vraagt mij welke criteria nu worden gehanteerd bij het al dan niet bergen van de lichamen van de vliegers. Die criteria zijn vastgelegd in internationale verdragen. Op grond daarvan is de hoofdregel dat een vliegtuigwrak wordt beschouwd als een oorlogsgraf en daarom onberoerd wordt gelaten. De heer Van Veen wijst erop dat er in de praktijk redenen kunnen zijn om een graf en de mogelijke stoffelijke resten toch te bergen, bijvoorbeeld het vermoeden dat er onontplofte munitie aanwezig is, herbestemming of een verzoek van nabestaanden. Terecht wijst de heer Van Veen erop dat de mogelijkheid bestaat om een groot deel van de kosten vergoed te krijgen. Voor de berging zelf stelt het ministerie van Defensie expertise en inzet ter beschikking van de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Luchtmacht. Bij berging van onontplofte explosieven kunnen gemeenten 70% van de kosten vergoed krijgen. 

Ik heb dus geen directe informatie waaruit blijkt dat juist de kosten ertoe zouden leiden dat er minder geborgen zou worden, maar er is wel een afwegingskader dat begint met de hoofdregel dat oorlogsgraven niet worden verstoord. 

De heer Van Veen (VVD):

Het is goed om te horen dat voor gemeenten geld beschikbaar is om die opgraving uit te voeren. Ik ben ook blij dat die solidariteitsgedachte in ieder geval geborgd is. De minister geeft tevens aan dat de wens van de nabestaanden klaarblijkelijk minder zwaar weegt dan het oorlogsgraf, terwijl volgens de uitgangspunten van het Rijk de wens van de nabestaanden wel degelijk van zwaarwegende betekenis is. Kan de minister aangeven in hoeveel gevallen nabestaanden tevergeefs een beroep op een Nederlandse gemeente doen om een wrak te bergen? En kan de minister een overzicht van die gemeenten, met de betreffende locaties, naar de Kamer sturen? 

Minister Blok:

Ik ben graag bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in overleg te treden over hoe gemeenten in de praktijk omgaan met de verzoeken van nabestaanden. Ik weet immers niet zeker of we een dekkend overzicht hebben, maar net als de heer Van Veen ben ik van mening dat we met alle mogelijke respect moeten omgaan met de stoffelijke overschotten van de oorlogsvliegers. Als er een verzoek is van de nabestaanden, kan er dus een reden zijn om af te wijken van de internationale hoofdregel om oorlogsgraven niet te verstoren. Mijn collega van Defensie zal de komende zomer komen met een nieuwe versie van de handreiking voor gemeenten bij het omgaan met vliegtuigwrakken, de zogenaamde circulaire vliegtuigberging. Ik stel voor dat we tegelijkertijd verslag doen van wat het contact met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ons heeft opgeleverd over het wel of niet overgaan tot ruiming en over de mogelijke rol van de kosten daarin. 

De heer Van Veen (VVD):

Ik denk wel dat er werk aan de winkel is. We willen in ieder geval niet dat er een vierde criterium wordt toegevoegd. De kosten mogen niet het meest zwaarwegend zijn. De wens van de nabestaanden, vaak ook na meer dan 75 jaar, moet heel zwaar wegen. Ik vind echt, en ik ben blij dat de minister dat ook beaamt, dat Nederland een ultieme poging moet doen om, 75 jaar na dato, piloten een rustplaats en een naam te geven. 

Minister Blok:

Zoals de heer Van Veen constateert is het kabinet graag bereid om deze zomer in kaart te brengen of de door hem gesignaleerde problemen zich voordoen. We zijn het met elkaar eens dat we zeer zorgvuldig moeten omgaan met de stoffelijke resten van oorlogsvliegers.