Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 19, item 10

10 Noten Schriftelijke antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op vragen gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de begroting voor 2012 van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (33000-XIII).

Noot 1 (zie item 7)

PvdA

PvdA 1

Welke bijdrage levert de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan het tegengaan van de negatieve effecten die de economische crisis voor ondernemers en werknemers met zich meebrengt?

Antwoord

De gevolgen van de crisis voor ondernemers en werknemers worden op de voet gevolgd door contacten met ondermeer ondernemers, individuele bedrijven, brancheorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties en door economische diplomatie. Een belangrijk aandachtspunt is uiteraard de kredietverlening aan Nederlandse bedrijven. Het bestaande instrumentarium, dat tijdens de vorige crisis is uitgebreid, heeft zich sindsdien bewezen en is ook nu beschikbaar voor bedrijven om eventuele knelpunten in de ondernemingsfinanciering op te vangen. Daarnaast wordt ook op gebieden als de arbeidsmarkt, regeldruk en exportfinanciering de vinger aan de pols gehouden.

Het nieuwe bedrijfslevenbeleid versterkt van het verdienvermogen van de economie. Door ondernemers de ruimte te geven, zijn ze in staat om nieuwe kansen te benutten en dus sterker uit de crisis te komen. Enkele voorbeelden van maatregelen die daaraan bijdragen zijn het afschaffen van de heffing voor de Kamers van Koophandel, introductie van een fiscale aftrek voor investeringen in R&D, introductie van een Innovatiefonds voor MKB-bedrijven en een verschuiving van onderzoeksbudgetten richting topsectoren.

PvdA 2

Hoeveel duurzamer is onze productie na deze kabinetsperiode?

Antwoord

Het kabinet streeft naar groei die het natuurlijk kapitaal van onze aarde niet uitput en naar versterking van onze economie, oftewel naar groene groei. Groene groei waarborgt dat ook komende generaties in hun behoeften kunnen voorzien en levert bovendien kansen op voor het Nederlandse bedrijfsleven, dat in sectoren als water en voedsel tot de wereldtop behoort. Investeren in groene groei is ook investeren in concurrentiekracht.

In de Duurzaamheidsagenda heeft het kabinet uiteen gezet wat haar visie is en welk beleid daarop de komende jaren wordt gevoerd. Hierbij zijn de verschillende speerpunten gedefinieerd, alsmede de acties die daarbij horen. Ook in de kabinetsreactie op het SER-advies "Tussen Groen en Groei" heeft het kabinet duidelijk gemaakt in het kader van de biobased economy wat haar visie en ambities zijn.

Duurzaamheid en andere maatschappelijke uitdagingen zijn ook een belangrijk onderdeel van de topsectorenaanpak. De topsectoren hebben stevige duurzaamheidambities neergelegd en gaan in de uitwerking daarmee verder aan de slag. In de mandaatbrief aan de boegbeelden is expliciet opgenomen dat ‘Bij de uitwerking en uitvoering van de actieagenda’s de duurzaamheideskaders nadrukkelijk een plek krijgen’. In de innovatiecontracten vormen economische én maatschappelijke innovatiebehoeften het startpunt. Bij het topteam agro&food staat meer produceren met minder beslag op omgeving en milieu hoog op de agenda; tuinbouw zet in op voedselzekerheid, chemie gaat voor Nederland als land van de groene chemie. Duurzaamheid is bovendien een belangrijke cross over tussen de sectoren en in toenemende mate een belangrijke factor voor de concurrentiekracht van bedrijven. De topsectoren hebben een gezamenlijke ambitie op het gebied van de biobased economy geformuleerd, namelijk Nederland in de top 3 van de wereld.

Ook de projecten in de eerste ronde van de Green Deals dragen bij aan een verdere verduurzaming van onze productie. Uit de ruim 50 Green Deals blijkt dat ook bedrijven en maatschappelijke organisaties zich willen verbinden aan de ambitie van het kabinet van groene groei. Hoewel het nu nog lastig is om de uitkomst van de projecten te kwantificeren geven de initiatieven mij het vertrouwen dat  we op de goede weg zijn. Ondernemers, brancheorganisaties en medeoverheden hebben projecten op het gebied van verduurzaming van het gebruik van grondstoffen, energiebesparing en duurzame energieproductie  immers zelf aangedragen. Dit vergroot de slagkracht van het beleid.

PvdA 3

Met welk percentage stijgen de investeringen in research and development nu echt?

Antwoord

De ambitie is om in 2020 onze Nederlandse R&D-inspanningen naar 2,5% van het BBP te brengen. Hoeveel deze zullen stijgen tijdens mijn ministerschap, is sterk afhankelijk van het succes van de innovatiecontracten, waaraan nu hard wordt gewerkt door bedrijfsleven, kennisinstellingen en de overheid. Daarnaast zijn er vele andere onderdelen van het bedrijfslevenbeleid die positieve impulsen geven aan de private R&D-uitgaven in Nederland. Ik wil namelijk doorbreken hetgeen we jarenlang hebben gezien: dat de private R&D-uitgaven structureel op een niveau van rond de 1% van het BBP blijven steken.

PvdA 4

Bereikt Nederland de broodnodige en felbegeerde positie in de top vijf van de kenniseconomieën? Zo ja: hoe dan?

Antwoord

Nederland heeft een goede uitgangspositie en is goed op weg. Nederland staat op plaats 7 van de global competetiveness index, één plaats hoger dan vorig jaar. De vierde plaats in de citatie-dinex geeft aan dat de kwaliteit van het onderzoek al van zeer hoog niveau is. Dit kabinet gaat zorgen dat we deze sterke kennisbasis gaan omzetten in een innovatiever bedrijfsleven. Dit doen we op twee manieren. De eerste is door te zorgen voor een beter ondernemers- en vestigingsklimaat. Minder regels en een aantrekkelijk financieel en fiscaal klimaat gericht op innovatie, met de RDA en het innovatiefonds MKB+. De twee manier is door het topsectorenbeleid. De kern daarvan is integrale aanpak op die sectoren waar we als Nederland het verschil kunnen maken. Een integrale aanpak van onderwijs, exportstimulering, regeldrukvermindering en innovatie.

Op het gebied van innovatie moet beter worden samengewerkt in de gouden driehoek van bedrijfsleven, onderzoek en overheid. Meer vraagsturing, meer publiek private samenwerking en internationale profilering zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Dus ik geef de regie aan het veld.

PvdA 5

Het kabinet onttrekt € 500 miljoen aan wetenschappelijk onderzoek en innovatie en zet daar een belastingvoordeel voor het bedrijfsleven tegenover. Maar staat de effectiviteit van deze regelingen eigenlijk vast? Is de minister bereid om, lerende van wat de Rekenkamer hierover heeft gezegd, strakke doelstellingen te formuleren en die ook controleerbaar te maken voor het parlement?

Antwoord

Het belastingvoordeel is met fiscale R&D-stimulering vormgegeven. Hoe meer bedrijven aan R&D doen, hoe meer ze ervan kunnen profiteren. De in 2007 afgeronde evaluatie van de WBSO gaf aan dat het op deze wijze stimuleren van R&D effectief is. Bovendien zijn de uitvoeringskosten bij de overheid en de administratieve lasten voor bedrijven relatief laag bij fiscale R&D-stimulering. Een voordeel is verder dat het bedrijven op generieke wijze financieel ondersteunt bij R&D-activiteiten. Bedrijven kunnen zelf namelijk het beste bepalen welke R&D-projecten de gunstigste rendementsperspectieven hebben.

Bij het belastingvoordeel van 500 miljoen gaat het om een nieuwe regeling, de RDA. Deze zal op effectiviteit worden getoetst middels een evaluatie, waaraan een nulmeting voorafgaat. In die nulmeting worden doelstellingen opgenomen en indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit. Deze aanpak, die het kabinet reeds voor het verschijnen van het Rekenkamerrapport heeft ingezet, spoort met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer op het terrein van evalueren. De uitkomst van de evaluatie zal naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

PvdA 6

Uit berekeningen van KNAW blijkt dat 3000 promotie en postdoc posities komen te vervallen door dit beleid. Neemt deze minister verantwoordelijkheid voor deze zware ingreep in het fundamenteel onderzoek? Wat wordt Nederland hier nu beter van? Graag een reactie.

Antwoord

Het kabinet doet geen zware ingreep in het fundamenteel onderzoek. Voor onderzoek en innovatie is aan het eind van deze kabinetsperiode (2015) totaal een kleine € 4 miljard beschikbaar. Dat is weliswaar € 400 miljoen minder dan in 2011, maar ruim € 0,7 miljard meer dan in pre-crisisjaar 2008 (€ 3,2 miljard). Dat is een betere vergelijking omdat in 2009/2010 de uitgaven voor kennis en innovatie door het pakket aan crisismaatregelen tijdelijk zijn verhoogd. De uitgaven zullen in 2015 hoger zijn vooral door uitbreiding van het fiscale pakket (WBSO, Innovatiebox, RDA, RDA+). In deze berekeningen is de afbouw van het FES, waar alle partijen, dus ook die van mevrouw Dijksma in het verkiezingsprogramma voor hebben gekozen, verdisconteerd. Het kabinet richt de geldstromen bewust anders om de private investeringen in R&D en publiek-private samenwerking te stimuleren en de uitvoeringskosten te beperken.

Het bedrijfslevenbeleid leidt niet tot een daling van de structurele budgetten voor fundamenteel onderzoek want beslaat niet direct 1e en 2e geldstroom. Overigens laat het kabinet de 1e geldstroom grosso modo ongemoeid. Hiermee is geborgd dat het fundamentele onderzoek in Nederland op het hoge niveau kan blijven waar het nu volgens internationale ranglijsten en citatie indexen op presteert

PvdA 7

Wat is rol van de regio’s in het Topsectorenbeleid? Wat is stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie-Dijksma om overleg met provincies inzake financiering businesscases?

Antwoord

De rol van de regio ligt bij hun verantwoordelijkheid voor regionaal economisch beleid. Wat op regionaal niveau gebeurt levert een belangrijke bijdrage aan het versterken van de topsectoren. De Topteams hebben dan ook opdracht gekregen de regio’s te betrekken in hun adviezen. Dit heeft veel dynamiek teweeggebracht en regio’s hebben hun bijdrage aan de adviezen geleverd.

Na het uitkomen van de adviezen is tussen Rijk en regio overleg gevoerd over de bijdrage van decentrale overheden aan de topsectorenaanpak. In de beantwoording op de vraag van de Tweede Kamer van 29 juni over de uitvoering van de motie-Dijksma is hier ook op ingegaan. Het overleg van deze zomer met decentrale overheden over hun bijdragen aan topsectorenaanpak heeft een uitkomst die helder verwoord staat in de bedrijfslevenbrief: regio’s dragen inalle9+1 sectoren bij aan de aanpak van het bedrijfslevenbeleid. Dit is ook terug te zien in de Amsterdambrief en de kabinetsreactie Brainport 2020.

In de bedrijfslevenbrief is per topsector uitgebreid stilgestaan bij de bijdrage van de decentrale overheden. Goede voorbeelden zijn o.a.

  • - logistiek: (o.a. gemeente Rotterdam (verbeterde havensamenwerking), provincies Gelderland, Overijssel en Limburg (infrastructuur) en Noord-Brabant (campus Dinalog).

  • - chemie: o.a. provincie Limburg (investering in Chemelotcampus), Zuidvleugel Randstad (investering in proeffabriek voor innovaties in biotechnologie met cofinanciering door de provincies Zuid Holland, Rotterdam, Delft en Den Haag).

  • - high tech: o.a. Noord-Brabant: investeringen in campussen en starterscentra (High Tech Campus Eindhoven, Automotive Campus Helmond, Avenue A2) en provincie Overijssel (businessplan high tech Twente).

Zoals ook aangegeven in de beantwoording over de uitvoering van de motie-Dijksma blijven regio’s volop betrokken.

Bij een aantal aspecten van het bedrijfslevenbeleid ligt het voortouw eerder bij de overheid om regionale betrokkenheid te organiseren. Het gaat daarbij onder meer om de bijdrage van de regio’s aan de human capital agenda’s, acquisitie, innovatief inkopen en fysiek-economische randvoorwaarden (bijvoorbeeld internationale scholen, campusvorming, infrastructuur) en om het opstellen van een gezamenlijke strategische reisagenda,. Bij het opstellen en uitwerken daarvan zijn decentrale overheden een belangrijke speler, ook financieel. We zijn hierover met de regio’s in gesprek.

De formele bijdrage van de decentrale overheden krijgt zijn beslag in een actieagenda per landsdeel. Deze actieagenda’s worden in overleg met de topteams opgesteld. De bestuurlijke overleggen zijn gepland in januari 2012. Uiteraard wordt de Tweede Kamer te zijner tijd over de actieagenda’s per landsdeel geïnformeerd.

PvdA 8

De financiering van de TTI’s staat op losse schroeven, M is wel positief over Wetsus. Zou hij dat vandaag ook hier willen doen? En mijn fractie willen verzekeren dat financiering van Wetsus en andere topinstituten ook in de toekomst gegarandeerd blijft?

Antwoord

Het kabinet vindt het van belang dat het succes van de Technologische Top Instituten (TTI’s) zoals Wetsus na 2012 een vervolg krijgt in het kader van de innovatiecontracten. Daarbij is aan de boegbeelden gevraagd om met voorstellen voor Topconsortia voor Kennis en Innovatie te komen. Dat zijn vraaggestuurde samenwerkingsverbanden waarin de kracht van de publieke kennisinstellingen wordt ingezet ten goede van bedrijven. Het gaat daarbij onder andere om de inzet van NWO en TNO en – omdat bedrijven meer dan voorheen aan het roer zitten – om een hogere private bijdrage.

U gaat specifiek in op Wetsus. Wat betreft Wetsus ziet het kabinet uit naar het innovatiecontract van de topsector Water. Daarin stelt de sector een nadere uitwerking op van hoe men met dit TTI verder wil, inclusief commitment van de betrokken bedrijven en kennisinstellingen. Daarop zal worden bezien in hoeverre middelen vanuit het Rijk worden ingezet, waaronder de voor het noorden geoormerkte Zuiderzeelijngelden op de EL&I-begroting

Pvda 9

De PvdA-fractie wil een warm pleidooi houden voor een aanpassing van de Wet collectieve afwikkeling massaschade door deze aan te vullen met een Collectief Consumentenrecht. Op die manier kunnen we door consumenten geleden schade veel makkelijker en sneller verhalen op de daders doordat consumenten zich na een uitspraak niet allemaal individueel hoeven te melden bij de rechter. Ook ontlast dit voorstel de rechtspraak. Graag een reactie van de minister hierop.

Antwoord

Collectief actierecht voor consumenten houdt in dat gedupeerden bij massaschade (groot aantal gelijksoortige schadegevallen) gezamenlijk hun schade kunnen verhalen. Het is inderdaad belangrijk dat consumenten collectief schade kunnen verhalen.

De Wet collectieve afwikkeling massaschade (Wcam) biedt sinds 2005 al de mogelijkheid voor consumenten om schade collectief af te wikkelen. In een Wcam-procedure kunnen een schadeveroorzaker en een organisatie die de belangen van gedupeerde consumenten behartigt een overeenkomst over de schadevergoeding sluiten. Vervolgens kan deze overeenkomst op basis van de Wcam door de rechter algemeen verbindend verklaard worden voor de gehele groep gedupeerde consumenten. De gedupeerde hoeft dan niet meer zelfstandig de gang naar de rechter te maken. Als een gedupeerde geen gebruik wenst te maken van de getroffen overeenkomst staat het deze wel vrij om dit aan te geven bij de rechtbank, de zogenaamde opt-out. Onlangs (2008) is de Wcam geëvalueerd. Uit de evaluatie blijkt dat de Wcam goed functioneert en dat enkele aanpassingen gewenst zijn. Een wetsvoorstel met die aanpassingen van de minister van Veiligheid en Justitie wordt binnenkort aan de Tweede Kamer gezonden. Daarin zit ook een aantal maatregelen die de onderhandelingsbereidheid van partijen om tot een overeenkomst te komen te vergroten.

VVD

VVD 1

Bedrijven die niet zijn aangehaakt aan «Den Haag» (outsiders) moeten óók een kans maken om gebruik te maken van de MKB+ / Innovatiefonds. Hoe gaat de minister dat organiseren? Wanneer kunnen bedrijven zich inschrijven voor het MKB+ / Innovatiefonds?

Antwoord

Het Innovatiefonds MKB+ is voor alle innovatieve MKB-bedrijven en zeker niet alleen voor Haagse insiders. Het fonds bestaat uit drie elementen: het innovatiekrediet, de Seed-capital-regeling voor financiering van technostarters en het Fund-of-funds voor financiering van snelgroeiende innovatieve ondernemingen.

De eerste twee zijn bewezen succesvolle instrumenten. Deze instrumenten worden ook prima benut door bedrijven die daarvoor nog niet bekend waren met het innovatie- en ondernemerschapsbeleid. Dit bereiken we onder meer door breed informatie te verstrekken via voor ondernemingen toegankelijke communicatiekanalen. Het derde element, de Fund-of-funds, is nog in ontwikkeling. Hierbij zal het voorlichten van de doelgroep speciale aandacht krijgen.

Voor wat betreft termijnen van indiening geldt:

  • - Projectvoorstellen voor het Innovatiekrediet worden op volgorde van binnenkomst getoetst op inhoudelijke criteria. Hier is de aanpak dus «wie het eerst komt wie het eerst maalt». Bedrijven kunnen met deze aanpak op ieder moment bij AgentschapNL hun projectvoorstellen indienen.

  • - De Seed-capital-regeling en het Fund-of-funds zijn instrumenten, waarbij de overheid optreedt als co-financier van investeringsfondsen. Bij de gehonoreerde fondsen kunnen ondernemingen op ieder moment hun voorstellen voorleggen.

  • - Fondsvoorstellen voor de Seed-capital-regeling worden via een tender-aanpak gehonoreerd. De eerstvolgende tender start op 1 januari 2012 en sluit op 31 maart 2012.

  • - Fondsvoorstellen voor de Fund-of-funds kunnen naar verwachting in het tweede kwartaal van 2012 worden ingediend. Hier wordt vooralsnog voorzien om de voorstellen te honoreren op basis van kwaliteit en volgorde van binnenkomst.

VVD 2

VVD wil dat ondernemen een verplicht onderdeel wordt in de lesstof van (kunst)studenten. (Bij de behandeling van de begroting van OCW zal VVD hierop verder ingaan.) Graag een reactie van MEL&I.

Antwoord

Dit kabinet gelooft in de kracht van ondernemers. De kiem voor veel vernieuwend en ambitieus ondernemerschap gelegd kan worden in het (hoger) onderwijs. Aandacht voor ondernemerschap in het kunstvakonderwijs is van belang, omdat veel van de studenten van kunstopleidingen ervoor kiezen om in hun werkzame leven als zelfstandig ondernemer aan de slag gaan.

Het kabinet is echter geen voorstander van het verplichten van ondernemerschap. Het kabinet wil onderwijsinstellingen de ruimte geven om zelf te beslissen waarop ze zich willen profileren. Maar onderwijsinstellingen die er voor kiezen om ondernemerschap in de context van het onderwijs te verweven, wil het kabinet alle ruimte geven.

Het kabinet stimuleert aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs onder meer via de centres of entrepreneurship en de ontwikkeling van een «bijzonder kenmerk» voor opleidingen gericht op ondernemerschap. Mede door deze initiatieven komen al veel studenten in aanraking met ondernemerschap tijdens hun studie, ook in kunstvakopleidingen. Bijvoorbeeld bij het Centrum voor Ondernemerschap in de Creatieve Industrie (Hogeschool voor de Kunsten Utrecht en bij ARTEZ (Arnhem).

VVD 3

De VVD-fractie wenst graag een reactie van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie op de brief van ACTAL van 27 oktober. De implementatie en vertaling van regels uit Europa dient volgens de VVD-fractie lastenluw te worden geïmplementeerd.

Antwoord

Ik ben het eens met ACTAL dat regels uit Europa lastenluw moeten worden geïmplementeerd en zal bezien hoe het advies van ACTAL kan worden opgepakt. Ik daartoe een onderzoek starten naar de wijze waarop Europese regelgeving in Nederland wordt geïmplementeerd. Dit onderzoek wordt medio 2012 afgerond. In de daarop volgende voortgangsrapportage regeldruk zal ik uw Kamer hierover informeren. Daarnaast stuur ik samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het kerstreces een reactie op de brief van ACTAL van 27 oktober naar de Tweede Kamer.

VVD 4

De VVD-fractie ziet dat regeldruk voor het MKB ontstaat door decentrale overheden. Ook zijn verschillende eisen in verschillende regio’s. De VVD-fractie ziet daarvoor de volgende oplossingen:

  • - ondernemers moeten zelf problemen aan kunnen kaarten en overheden zorgen voor een oplossing.

  • - Decentrale overheden moeten zelf ook aan de slag.

  • - MEL&I moet decentrale overheden hierop aanspreken (ergo: er moet uniforme toepassing van regels zijn.)

Graag een reactie van de minister.

Antwoord

Ondernemers kunnen hun problemen melden bij de meldpunten die er zijn op rijksniveau en lokaal niveau, zoals Antwoord voor Bedrijven. Knelpunten die vaak terug komen worden meegenomen in het Regeldrukprogramma. Verder maak ik afspraken met decentrale overheden en spreek hen ook aan om de regeldruk te verminderen en de dienstverlening aan bedrijven te verbeteren. Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk en moeten inderdaad zelf aan de slag. Dit is van belang omdat medeoverheden vaak het eerste aanspreekpunt voor bedrijven zijn. Gemeenten zijn zich hier zelf ook van bewust en veel gemeenten zijn hiermee goed aan de slag. Om de uniformiteit tussen gemeenten te vergroten wordt vanuit de VNG het gebruik van modelverordeningen gestimuleerd. Als er verschillen optreden bij gemeenten die niet terug te voeren zijn op lokale verschillen, dan zal ik het gesprek met de gemeenten aangaan om de uniformiteit te vergroten.

VVD 5

Hoe kunnen provincies en gemeenten worden aangesproken op het feit dat zij geen gebruik maken van de mogelijkheid om het bewijs van goede dienst in te voeren?

Antwoord

Gemeenten en provincies zijn zelf verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun dienstverlening. Zij kunnen dit onder andere door toepassing van het Bewijs van Goede Dienst verbeteren. Ik stimuleer provincies en gemeenten door afspraken met hen over dienstverlening (waaronder het Bewijs van Goede Dienst) in bestuursakkoorden en bijbehorende uitvoeringsagenda’s te maken. Met de grote gemeenten (G33 en G4) is een convenant afgesloten, waarin het Bewijs van Goede Dienst is opgenomen.

Daarnaast konden gemeenten tot 1 mei 2011 gebruik maken van de voucherregeling voor het bewijs van goede dienst. Op dit moment evalueer ik de werking van deze voucherregeling, mede op basis van deze evaluatie en in overleg met medeoverheden bezie ik dan welke aanvullende maatregelen nodig en mogelijk zijn om te bereiken dat nog meer gemeenten het Bewijs van Goede Dienst invoeren. In de volgende voortgangsrapportage Regeldruk kom ik hierop terug.

VVD 6

De zelfstandigenaftrek wordt in het belastingplan omgezet in een vaste basisaftrek. Er moet dan wel een oplossing gevonden worden voor de SZW-wetgeving die het urencriterium ook hanteert voor hun regelingen. Is MEL&I bereid om te kijken hoe dit probleem aangepakt kan worden?

Antwoord

Het kabinet is bereid dit punt te onderzoeken. Overigens houden deze SZW-regelingen geen enkel verband met de ontwikkelingen op fiscaal gebied.

SP

SP 1

Stapeling van maatregelen (zorgkosten hoger, griffierechten) voor de kleine ondernemer.

Antwoord

De maatregelen zijn ontwikkelingen waarmee alle burgers in ons land te maken hebben, dus ook ondernemers. Ondanks de diepte en de felheid van de crises is de koopkracht van burgers behoorlijk op peil gebleven de laatste jaren (cumulatief mediane ontwikkeling 2009–2011: -0,7%).

Hiertegenover, staat ook veel beleid waar ondernemers en ook zeker kleine ondernemers van profiteren. Zo komen er extra middelen voor innovatie, worden verschillende kleine belastingen die door het bedrijfsleven als belastend worden ervaren afgeschaft, verdwijnen de heffingen voor de Kamers van Koophandel en verlagen we de AOF-premie. Zo ook de verlaging van administratieve lasten en nalevingskosten voor ondernemers.

SP 2

Hoeveel lenen banken uit aan het MKB?

Antwoord

Vanaf eind 2008 zijn met enige regelmatig in opdracht van het ministerie door EIM onderzoeken uitgevoerd naar de vraag naar bedrijfsfinanciering: monitor bedrijfsfinanciering. Deze onderzoeken zijn telkens naar de Kamer gezonden, laatstelijk als onderdeel van het onderzoek van de expertgroep bedrijfsfinanciering, dat op 20 juni 2011 aan u is toegezonden. Begin 2011 verschijnt de volgende monitor.

Er zijn geen statistieken beschikbaar hoeveel banken aan MKB bedrijven uitlenen. De Nederlandsche Bank heeft wel cijfers over leningen van minder dan € 1 mln. De Taskforce Kredietverlening heeft in 2010 met hulp van de grote banken meer inzicht gegeven in de kredietverlening in het MKB, maar dit betrof een eenmalige actie.

De verbetering van de statistieken over kredietverlening was een van de aanbevelingen van de Taskforce. De Nederlandse Vereniging van Banken en overheid zijn daarover momenteel in overleg. Het is wenselijk om snel de bestaande statistiek van De Nederlandsche Bank over kredietverlening verfijnd met het MKB-segment beschikbaar te krijgen. Dat biedt een structurele mogelijkheid voor een vinger aan de pols en neemt onduidelijkheid over de omvang van kredietverlening weg. Samen met de Nederlandse Verenging van Banken zal contact opgenomen worden met de Nederlandsche Bank

SP 3

Welke voorbereidingen worden getroffen voor als de economische crisis doorzet?

Antwoord

Zie PvdA 1.

SP 4

Is het waar dat deelname aan handelsmissies van de EVD in prijs stijgt van € 500 naar € 900?

Antwoord

De eigen bijdrage voor handelsmissies is in voorjaar van 2011 verhoogd tot € 950 en is hiermee nu gelijk aan de bijdrage voor missies onder leiding van een bewindspersoon. Overigens is de bijdrage nog steeds maar een gering deel van de totale kosten die er met een missie gemoeid zijn.

Door het verhogen van de eigen bijdrage voor ondernemers is het mogelijk om op jaarbasis meer missies te ondersteunen.

SP 5

De vorige staatssecretaris heeft beloofd werk te maken van bedrijven die zich niet aan wettelijke garanties houden. Wat is er op dit terrein gebeurd?

Antwoord

De Consumentenautoriteit houdt toezicht op de naleving van de regels over non-conformiteit. Garanties en non-conformiteit zijn sinds de oprichting van de Consumentenautoriteit ieder jaar een prioritair aandachtsgebied geweest. Signalen bij het loket ConsuWijzer, eigen onderzoeken en suggesties van marktpartijen hebben daartoe aanleiding gegeven. De Consumentenautoriteit is daarom meerdere keren opgetreden tegen bedrijven die zich niet hielden aan de regels over non-conformiteit en garanties.

Recentelijk nog zijn boetes gegeven aan vijf elektronicaketens. Eerder zijn er drie openbare toezeggingen afgedwongen van bedrijven in de computerbranche en is een last onder dwangsom gegeven aan een ander elektronicabedrijf. Over op dit moment al dan niet lopende onderzoeken naar individuele ondernemingen kunnen geen uitspraken worden gedaan.

De Consumentenautoriteit heeft daarnaast in 2010 samen met het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) een training ontwikkeld om ondernemers de kans te bieden hun kennis over garantie te vergroten.

CDA

CDA 1

Hoe kunnen we de goede ervaringen met Crisis en herstelwet verder verzilveren met eenvoudigere regelgeving en kortere procedures?

Antwoord

De crisis- en herstelwet wordt permanent gemaakt door verankering in diverse wetten.

Deze kabinetsperiode dringen we de regeldruk voor ondernemers nog verder terug. De administratieve lasten worden met nog eens 25% verminderd, de nationale inhoudelijke nalevingskosten met netto 200 mln. Daarnaast verbeteren we de (digitale) dienstverlening aan ondernemers, o.a. door invoering van het ondernemingsdossier.

Eind 2012 zijn de administratieve lasten verminderd met 12%, ruimschoots meer dan de doelstelling van 10%. Dit gebeurt o.a. door uniformering loonbegrip, vereenvoudigingen in aanbestedingen en het afschaffen van de rittenregistratie (ondernemers hoeven dan niet meer van iedere rit met de bedrijfswagen bestemming, aantal kilometers etc. vast te leggen).

Een belangrijke maatregel die daarnaast genomen wordt is de fundamentele herziening van het omgevingsrecht. Doel is de besluitvorming te versnellen, regels en procedures te vereenvoudigen en regelgeving flexibeler te maken. Ik verwacht dat dit een aanzienlijke reductie van administratieve lasten en nalevingskosten zal opleveren.

CDA 2

Graag een reactie van de minister op het idee om het voldoen aan de vereisten op het gebied van duurzaamheid, MVO en OESO normen, integraal onderdeel uit te laten maken van de toetsingscriteria om voor overheidsfaciliteiten in aanmerking te komen.

Antwoord

Het kabinet zet onverminderd in op maatschappelijk verantwoord ondernemen en het bevorderen van de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven hierbij. Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven, ongeacht of zij onderdeel uitmaken van de topsectoren aanpak, dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen. Voor internationaal ondernemen vormen de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen daarbij de referentie. Het ministerie vraagt ieder bedrijf dat subsidie aanvraagt expliciet zich in te spannen om de OESO Richtlijnen na te leven. Het ministerie van EL&I heeft dat in de afgelopen jaren aangevuld met resultaatsverplichtingen ten aanzien van kinderarbeid en dwangarbeid.

CDA 3

Kan de Nederlandse overheid meer gebruik maken van de kennis en contacten van allochtone ondernemers en hun ondernemersverenigingen?

Antwoord

Allochtone ondernemers leveren een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie. Denk aan de vele Turkse ondernemers in Nederland. De relaties en contacten die ze hebben met het land van herkomst bieden goede mogelijkheden voor de export. Om die reden worden ze bijvoorbeeld ook regelmatig betrokken bij handelsmissies. Omgekeerd geeft het kabinet regelmatig acte de presence bij bijeenkomsten van allochtone ondernemersverenigingen en worden allochtone ondernemers ook regelmatig betrokken bij beleidsgesprekken en conferenties.

Beleidsmatig kiest het kabinet echter nadrukkelijk voor het scheppen van de juiste generieke randvoorwaarden voor alle ondernemers. Daarbij maakt zij geen onderscheid tussen ondernemers op basis van bijvoorbeeld afkomst, sekse of religie. Deze keuze is gemaakt op basis van ervaringen in het recente verleden waarbij het juist allochtone ondernemers zelf waren die aangaven dat ze eerst en vooral als ondernemers willen worden behandeld.

CDA 4

Welke mogelijkheden ziet de minister om microfinancieringsfaciliteit van de stichting Qredits meer bekendheid te geven bij bedrijven en banken? En wat zijn de mogelijkheden voor kredietunies en een paar lokale pilots? Te financieren met € 25 mln. uit de BMKB. 

Antwoord

Sinds de start van Qredits in januari 2009 heeft Qredits ruim 1.900 kredieten verstrekt. Dit aantal groeit fors; in 2011 is het aantal verstrekte kredieten verdubbeld ten opzichte van 2010. Qredits heeft afspraken gemaakt met de banken over het doorverwijzen van ondernemers. Ongeveer één vijfde van de aanvragen komt via de banken binnen. Doorverwijzing door banken is -naast internet- juist het belangrijkste toeleveringskanaal voor Qredits. Via de Ondernemerspleinen wordt de toegeleiding van ondernemers naar Qredits verbeterd.

De betrokkenheid van de banken uit zich daarnaast in de bijdrage in de funding van Qredits en de zitting in de Raad van Toezicht van de Stichting Qredits. Dit geeft een goede basis om de aansluiting van Qredits met het bankwezen verder te versterken. De verhoging van het kredietplafond voor microfinanciering tot 50.000 euro zal naar verwachting ook leiden tot meer doorverwijzingen en zal voor ondernemers meer financieringsmogelijkheden bieden.

Zoals in de Bedrijfslevenbrief aangegeven is het kabinet bereid om te onderzoeken of middels een garantieregeling initiatieven gericht op het verbreden en verdiepen van MKB financiering ondersteund kunnen worden. Hierbij neem ik de kredietunies mee. Eerst vindt nog een onderzoek plaats naar kredietunies door prof. Duffhues van de Universiteit van Tilburg. Afhankelijk van de resultaten van dat onderzoek kan bepaald worden of het wenselijk is om voor kredietunies specifieke acties te ondernemen zoals t.a.v regelgeving.

CDA 5

Graag aandacht voor ondernemerschap in het onderwijs. Is de balans opgemaakt van wat echt succesvol is?

Antwoord:

Recentelijk hebben we de balans opgemaakt van het gevoerde beleid om vast te stellen wat succesvol is.1Om de voortgang van het actieprogramma Onderwijs en Ondernemen, waarmee de overheid het leren ondernemen via het onderwijs stimuleert, te kunnen meten is er een nulmeting uitgevoerd. Vervolgens is er halverwege het programma een 1-meting gedaan en wordt na afloop van het programma de 2-meting gedaan. Daarnaast zijn er specifieke evaluaties op instrumentniveau naar de effectiviteit van de ingezette instrumenten, zoals de centres of entrepreneurship, de ondernemerschapsprojecten in het funderend onderwijs en de docententraining. Hiermee wordt er gekeken naar het succes van het gevoerde beleid.

De voortgang is bemoedigend; er is vastgesteld dat steeds meer scholen en docenten aandacht besteden aan ondernemen. Een paar cijfers:

  • 32% van alle onderwijsinstellingen – van basisschool tot universiteit – hebben ondernemerschap en of ondernemend gedrag verankerd in de missie of visie van hun onderwijsinstelling;

  • 22% van alle onderwijsinstellingen hebben ondernemerschap of ondernemend gedrag verankerd in het curriculum;

  • 80% van alle universiteiten, hogescholen en ROC’s heeft een ondernemerschapsprogramma en of biedt ondernemerschapsfaciliteiten aan;

Met het actieprogramma Onderwijs en Ondernemen worden onder meer samenwerkingsverbanden – van onder andere scholen en ondernemers – gestimuleerd zodat onderwijsinstellingen van elkaar kunnen leren. Juist om succesvolle projecten op te schalen stelt het kabinet eenmalig € 2 mln. euro beschikbaar voor verankeringsprojecten in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs en de lerarenopleidingen. Hiermee kunnen onderwijsinstellingen reeds ontwikkelde en aantoonbaar effectieve ondernemerschapsprojecten voor andere onderwijsinstellingen bruikbaar, overdraagbaar en gemakkelijk toepasbaar maken.

CDA 6

Graag aandacht voor de positie van krimpregio’s. 

Antwoord

De krimpregio’s in Nederland zijn verschillend van karakter. Een aantal regio’s zal profijt kunnen trekken door aansluiting op ontwikkelingen voor topsectoren. Voorbeelden daarvan zijn de kanaalzone in Zeeuws Vlaanderen en Energyport Delfzijl. Voor sommige andere krimpgebieden is deze aansluiting minder sterk. Dat neemt niet weg dat ook daar ondernemerschap ruimte moet houden. Daarvoor is, mede op verzoek van de Tweede Kamer, in 2010 de handreiking «Ondernemend met krimp» opgesteld, over het stimuleren van ondernemerschap in gebieden met bevolkingskrimp (TK 31757, nr. 22). Ook is tijdens het AO Toerisme door de staatssecretaris toegezegd dat hij wil kijken naar de mogelijkheid van een ‘regelluwe zone’ in een krimpgebied.

De mogelijkheden verschillen per gebied en zijn regionaal van aard. Dat vraagt om maatwerk en daarom is het van belang dat de aanpak primair op regionaal niveau wordt opgepakt. Dit komt ook naar voren in het SER-advies over krimp dat voor de zomer verscheen. De reactie van het kabinet daarop is als onderdeel van de voortgangsrapportage actieplan bevolkingsdaling deze zomer naar de Tweede Kamer toegezonden (TK 31757, nr. 31). Het rijk speelt hierbij een faciliterende rol, waarbij de minister van BZK de rijksinzet coördineert.

CDA 7

Wat betreft zeggenschap en beheer van de Europese EFRO-middelen voor de periode 2014–2020 vinden wij dat het beheer en het management van lokale en regionale programma’s ook voor de komende periode moet blijven liggen bij de vier regionale managementautoriteiten. Kan de minister ons dat toezeggen?

Antwoord

Gezien het standpunt van het kabinet dat cohesiebeleid idealiter beperkt zou moeten blijven tot de armste regio’s in de armste lidstaten, is de invulling van EFRO in Nederland in de nieuwe periode 2014–2020 alleen aan de orde voor dat deel waarvan het kabinet voorstander is: de grensoverschrijdende samenwerking.

Het is nog te vroeg om hierop vooruit te lopen. Komende maand wordt bestuurlijk overleg gevoerd met decentrale overheden over de manier waarop rijk en regio zich kunnen prepareren op een eventuele nieuwe programmaperiode en de keuzes die daarvoor gemaakt moeten worden.

D66

D66 1

Wil de minister kijken hoe fiscale maatregelen ingezet kunnen worden voor matching voor Europese innovatieprogramma’s? Is hij bereid meer geld vrij te maken als de mogelijkheden hiervan beperkt blijken?

Antwoord

Nederlandse deelname aan Europese innovatieprogramma’s is van belang, om die reden heb ik de boegbeelden gevraagd om internationale kansen op te nemen in de innovatiecontracten.

Huidige Europese innovatieprogramma’s die lopen tot 2014, waarbij sprake is van matching, gaan uit van matching in de vorm van subsidie. Ten behoeve van de Nederlandse deelname aan Joint Technology Initiatives (JTI’s) in 2012 zijn reeds cofinancieringsmiddelen gereserveerd op de EL&I begroting (€ 20 mln.).

Tegelijkertijd beginnen nu al de besprekingen met de Europese Commissie over deelname van de lidstaten in 2013, waarvoor ook om cofinanciering wordt gevraagd. Deelname aan de JTI’s en andere internationale programma’s zie ik zoals gezegd als een onderdeel van de innovatiecontracten.

Voor de nieuwe innovatieprogramma’s vanaf 2014 –het nieuwe «Horizon 2020»- is de inzet van het kabinet erop gericht om meer flexibiliteit aan te brengen in de structuur van de programma’s, zodanig dat voor deelname het niet langer verplicht is dat een land via subsidies het programma cofinanciert. De inzet is dat landen zelf bepalen hoe bedrijven, kennisinstellingen en de overheid hun financiële inzet ten behoeve van deelname aan Europese innovatieprogramma’s realiseren. De inzet van fiscale maatregelen als matching voor Europese programma’s acht het kabinet niet wenselijk. Dit zou een fundamentele verandering zijn ten opzichte van de huidige Nederlandse inzet, dat EU-regelgeving niet van invloed mag zijn op de Nederlandse fiscale regelgeving en vice versa.

D66 2

Klopt het dat privaat-privaat consortia geen toegang krijgen tot RDA+? Gaat de minister dit rechtzetten?

Antwoord

Ja dat klopt. De RDA+ richt zich niet op privaat-privaat consortia. Dat is doelbewust, omdat de RDA+ bedoeld is om bedrijven uit te dagen om meer te investeren in gebundelde initiatieven van publiek-privaat samenwerking binnen het Topconsortia voor Kennis en Innovatie met als doel meer concentratie en bundeling van onderzoeks- en innovatieactiviteiten en meer verbinding in de keten van kennis, kunde naar kassa door vraagsturing.

Het kabinet zet in dit verband in op meer valorisatie van publieke kennis. Nederlandse bedrijven profiteren nu te weinig van het onderzoek dat in publieke kennisinstellingen wordt ontwikkeld. Valorisatie van publieke kennis biedt daarbij grotere spillovers dan samenwerkingsverbanden privaat-privaat. Gegeven de schaarste aan middelen wil het kabinet elke euro zo effectief mogelijk inzetten. Privaat-privaat consortia onder de RDA+ dient niet direct het doel van valorisatie van publieke kennis en zou bovendien aanzienlijk meer budget vragen dan beschikbaar.

D66 3

Subsidiegeld wordt vaak niet goed getoetst. We kunnen leren van systemen zoals in de V.S.

Bijvoorbeeld van de vrijwillige registratiewebsite: www.recovery.gov. Gaat de minister hiervan gebruik maken?

Antwoord

Dit kabinet is van mening dat subsidies hun effectiviteit moeten bewijzen en anders moeten worden afgeschaft. Ik zet mij daarom in voor een adequate periodieke toetsing van subsidieregelingen en het tijdig en volledig informeren van de Kamer hierover. Daarom steun ik de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer in het recente rapport «Leren van subsidie-evaluaties» en zal gaarne gebruik maken van de door hen opgestelde handreiking effectevaluaties subsidies. Daarnaast heb ik gezorgd dat de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie een volledig, actueel en consistent subsidieoverzicht bevat. Hiermee is al een grote stap gezet richting betere informatievoorziening.

In het kader van het bedrijfslevenbeleid zet ik nog een extra stap door te zorgen voor een monitoringssystematiek op basis waarvan de Kamer periodiek wordt geïnformeerd. Dit moet vooral inzicht verschaffen in de voortgang ten aanzien van de doelen en streefwaarden die de topsectoren zelf benoemen, aangevuld met een set indicatoren die elk jaar een beeld geven van de concurrentiekracht en innovatievermogen van de topsector. Voor het bijhouden van de kennis- en innovatiethema’s waar de topsectoren op inzetten, wordt gebruik gemaakt van het reeds bestaande online hulpmiddel Meerjaren Innovatie en Kennis Kompas (MIKK).

Bij het uitwerken van deze aanpak zal ik bezien welke elementen van de Amerikaanse aanpak nuttig kunnen zijn. Mijn eerste indruk is echter dat de genoemde website geen informatie verschaft over de effectiviteit van subsidies, maar zichtbaar maakt waar de uitgaven uit het Amerikaanse stimuleringspakket terecht komen.

D66 4

Beloften als het sneller betalen of minder vergunningen wankelen, want gemeenten gaan deze beloften uit het torentje niet waarmaken. Of wijzen de nog steeds niet ontvangen Vijf van Verhagen anders uit?

Antwoord

In de Bedrijfslevenbrief heb ik u aangegeven dat als invulling van mijn toezegging om te komen tot een "Vijf van Verhagen" MKB-Nederland het initiatief zou nemen voor een MKB-groeibarometer als graadmeter van het ondernemingsklimaat in Nederland voor het MKB. Ik heb hierbij met MKB-Nederland afgesproken dat ook de belangrijke punten uit de "Vijf van Verhagen" een nadrukkelijke plek zouden krijgen. Tijdens het jaarcongres van MKB-Nederland op 7 november a.s. zou de MKB-groeibarometer aan mij worden gepresenteerd, waarna ik deze met een appreciatie mijnerzijds aan uw Kamer zou hebben aangeboden. Helaas is het de organisatie die deze opdracht zou uitvoeren (EIM) echter niet gelukt om de opdracht tijdig uit te voeren mede omdat het lastig blijkt om bijvoorbeeld de vergunningverlening van alle 418 gemeentes in Nederland goed te monitoren. Ik ben nu in overleg met MKB-Nederland op welke wijze we een MKB-barometer toch kunnen ontwikkelen.

D66 5

Het CDA wil een regelvrije zone voor toerisme in een van de krimpregio’s. Is de minister bereid tot zo’n zone in een grootstedelijk gebied, bijvoorbeeld in Rotterdam-Zuid, ter stimulering van economische initiatieven in oude stadswijken?

Antwoord

Het kabinet vergroot de ruimte voor ondernemers, onder meer door het verminderen van de regeldruk. Het verminderen van regeldruk in specifieke gebieden of zones past daar in. Een aantal gemeenten wil experimenteren met een dergelijke aanpak. Momenteel wordt samen met gemeenten en provincies onderzocht of regelarme zones kunnen worden geïntroduceerd. Indien de gemeente Rotterdam hierbij wil aansluiten dan is dat mogelijk.

D66 6

Wil de minister werk maken van overstapgemak voor consumenten? Is hij bereid om een overstapbrief te sturen met een historische en internationale vergelijking van aantallen overstappers tussen banken, energieleveranciers en telecombedrijven, en met op basis hiervan prioriteiten voor de ACM?

Antwoord

Zoals in de brieven aan de Tweede Kamer van 28 maart en 8 juli 2011 (Kamerstukken II 2010/11, 31 490, nrs. 55 en 69) is aangegeven, zal het consumentenbelang centraal staan bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). De clustering per 1 januari 2013 van het markttoezicht bij de ACM zal ertoe leiden dat het consumentenbelang nog effectiever en slagvaardiger wordt gediend.

Overstapgemak is daarbij, in lijn met de wens van het lid Verhoeven (D66), een belangrijke prioriteit. Denk bijvoorbeeld aan regels voor (prijs-)transparantie, tijdig informeren over wijziging van contractvoorwaarden, opzegrecht of nummerportabiliteit. Op telecomgebied is bijvoorbeeld door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie, de OPTA en internetproviders gewerkt aan het wegnemen van overstapdrempels. De afspraak tussen de internetaanbieders is dat 95% van de overstappen op de afgesproken dag geregeld moet zijn. Klanten mogen daarbij niet langer dan 24 uur zonder internet zitten.

De ACM zal het sectorspecifieke toezicht op dergelijke regels in de energie- en telecomtoezicht gaan uitoefenen en waar nodig handhavend optreden. In de financiële sector zijn dat de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten. De ACM kan voor die sector wel rapportages uitbrengen waarin zij mededingingsrisico’s, waaronder overstapbelemmeringen, onder de aandacht brengt. Zo heeft de NMa onlangs een rapportage uitgebracht over productkoppeling en overstapdrempels bij bancaire dienstverlening aan het MKB, waarin wordt gewezen op initiatieven in de sector zoals de Overstapservice. Ook heeft de NMa onderzoek verricht naar de hypotheekmarkt en aanbevelingen gedaan om overstapdrempels te verlagen. De minister van Financiën beziet momenteel hoe hieraan gevolg zal worden gegeven.

Wat betreft de feitelijke overstapcijfers publiceert de Europese Commissie jaarlijks het Consumer Markets Scoreboard, waarvan onlangs de zesde editie is verschenen. In dit scorebord is voor alle lidstaten van de Europese Unie te lezen hoe het staat met het overstappen op twaalf gebieden, onder andere bankrekeningen, elektriciteit, gas, internet, energie en mobiele telefoon. Zo stapte in 2011 in Nederland bij mobiele telefonie 15%, bij elektriciteit 15%, bij gas 8% en bij bankrekeningen 8% over van aanbieder. Daarmee loopt Nederland in de pas met het Europese gemiddelde. Een aanvullende overstapbrief heeft ten opzichte van het scorebord geen toegevoegde waarde.

PVV

PVV 1

Kan de Europese Commissie kan een boete opleggen van 0,1% van het bbp per jaar als de arbeidskosten per eenheid product bij Nederlandse bedrijven niet kloppen of de private kredietgroei niet naar de zin van Brussel is? Zijn dit factoren die deze minister kan bijsturen? Kan de minister aangeven hoe hij de dekking voor een dergelijke boete gaat vinden op de begroting van EZ?

Antwoord

De fundamenten van de Nederlandse economie zijn gezond. Het kabinet acht de kans dan ook klein dat Nederland in de nabije toekomst in een situatie zal belanden waarbij Nederland een boete zal krijgen. Het vinden van een dekking voor mogelijke boetes in de begroting is dan ook niet aan de orde.

De macro-onevenwichtighedenprocedure procedure is een versterking van de economic governance in Europa. De procedure is erop gericht om tijdelijk onevenwichtigheden te signaleren en als lidstaat te voorkomen dat deze onhoudbaar worden. Versterken van het concurrentievermogen in de EU is hierbij het uitgangspunt. Pas in het uiterste geval, bij zeer schadelijke onevenwichtigheden zijn bindende aanbevelingen en boetes mogelijk. Denkt u bijvoorbeeld aan de recente ontwikkelingen op de huizen- en financiële markten in Spanje en Ierland. Jarenlange verslechtering van concurrentieposities, hoge lopende rekening tekorten, excessieve private schuldopbouw en structureel hoge werkloosheid zijn ontwikkelingen die op lange termijn onhoudbaar zijn voor de landen zelf, maar ook risico’s met zich mee brengen voor andere landen die wel een solide economisch beleid voeren. Deze negatieve grensoverschrijdende effecten rechtvaardigen ingrijpen op EU niveau.

Het kabinet acht een vroegtijdige en strikte aanpak van dergelijke problemen van groot belang. Het resultaat moet hierbij centraal staan. Het gaat niet om het voorschrijven van concrete beleidsmaatregelen. De lidstaat gaat zelf over de maatregelen die invulling geven aan hun economische beleid en kan zelf kiezen hoe dergelijke ontwikkelingen bij te sturen.

PVV 2

Klopt het dat zowel de loonkosten als de externe inhuur bij het AgenschapNL stijgen?

Antwoord

Er is geen sprake van een stijging van de loonkosten noch van de inhuuruitgaven bij Agentschap NL. De totale geraamde personele kosten dalen ten opzichte van 2011 met € 17,2 miljoen; van € 180,3 mln in 2011 naar € 163,1 mln in 2012 (zie tabel Begroting van baten en lasten pagina 170). De externe inhuur wordt sterk verminderd. Zoals aangegeven op pagina 172 daalt de totale bezetting van 2235 fte in 2011 naar 1959 fte in 2012, waarvan -49 fte ambtelijk en -227 fte inhuur.

PVV 3

Kan de minister de zeescheepsbouw een impuls geven via de bestaande Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw (SIZ)?

Antwoord

Het kabinet zet in op beleid waar ondernemers meer ruimte krijgen om te ondernemen, minder subsidies en de topsectoren aanpak. De Subsidieregeling Innovatieve Zeescheepsbouw was een tijdelijke regeling en past niet in deze nieuwe aanpak. De maritieme sector – waar de Nederlandse scheepsbouw deel vanuit maakt – is echter actief betrokken bij de uitwerking van de plannen van de Topsector Water. Belangrijk onderdeel hiervan zijn de zogenaamde Innovatie contracten. Langs deze weg kan de sector samen met betrokken stakeholders, waaronder de kennisinstellingen, invulling geven aan de innovatiebehoefte die aanwezig is. Hiermee wordt dus binnen de nieuwe beleidskaders recht gedaan aan het verzoek van de PVV om een impuls voor de sector.

PVV 4

Wat is nu de stand van zaken t.a.v. kredietverlening aan MKB?

Antwoord

Er zijn geen statistieken beschikbaar hoeveel banken aan MKB bedrijven uitlenen. De Taskforce Kredietverlening heeft in 2010 met hulp van de grote banken meer inzicht gegeven in de kredietverlening in het MKB, maar dit betrof een eenmalige actie. De verbetering van de statistieken over kredietverlening was daarom een van de aanbevelingen van de Taskforce. De Nederlandse Vereniging van Banken en de overheid zijn daarover momenteel in overleg. Het is wenselijk om snel de bestaande statistiek van De Nederlandsche Bank over kredietverlening verfijnd met het MKB-segment beschikbaar te krijgen. Dat biedt een structurele mogelijkheid voor een vinger aan de pols en neemt onduidelijkheid over de omvang van kredietverlening weg.

PVV 5

Kan de minister de voorwaarden voor veiling aanpassen teneinde mobiel bellen en internet goedkoper te maken?

Antwoord

Met de uitbreiding van de reservering voor nieuwkomers met een vergunning in de 900 MHz band, zoals in de brief aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2011 (24095, nr. 290) is aangegeven, zijn er goede kansen op het toetreden van nieuwkomers, waaronder eventueel een prijsvechter. Het kabinet vertrouwt er op dat door toetreding van nieuwkomers de dynamiek op de markt wordt vergroot en de effectieve concurrentie op de markt wordt bevorderd ten behoeve van de consument.

PVV 6

Wil de minister een naming and shaming-register opstellen inzake exorbitante vertrekpremies bij ontslag?

Antwoord

De door het kabinet benoemde Monitoring Commissie Corporate Governance Code controleert jaarlijks de naleving door Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen van de bepalingen in de corporate governance code. Bepaling II.2.8 heeft betrekking op de maximale vergoeding bij ontslag. De Commissie heeft in haar rapport van 2010 aangekondigd ondernemingen te kunnen benaderen om op individueel niveau te spreken over naleving.

Het kabinet ziet geen aanleiding om op dit moment een register in het leven te roepen waarin naming and shaming bij naleving van de code wordt opgenomen. De Commissie besteedt dit jaar speciale aandacht aan de naleving van bepaling II.2.8. Het kabinet wacht de resultaten, die in december door de Commissie worden gepresenteerd, met belangstelling af.

PVV 7

Zijn er mogelijkheden om wachttijden bij 0900–nummers niet in rekening brengen?

Antwoord

Uw Kamer wordt hier binnenkort, uiterlijk binnen twee weken, over geïnformeerd.

GroenLinks

GroenLinks 1

Wanneer worden plannen van het Topsectorenbeleid en de financiële invulling daarvan duidelijk?

Antwoord

De boegbeelden zijn gestart met de uitvoering van de agenda voor de Topsectoren in overeenstemming met de lijn van de kabinetsreactie «Naar de Top; Het bedrijvenbeleid in actie(s)» van 13 september 2011. De voorstellen voor de innovatiecontracten en de human capitalagenda’s worden op 31 december aan mij aangeboden. De voorstellen bevatten tevens een financieringsvoorstel. Het kabinet en de deelnemende overheden, bedrijven, kennisinstellingen en financiers nemen uiterlijk in het voorjaar van 2012 een definitief besluit over de eigen inzet in de innovatiecontracten. Hierover zal de Kamer worden geïnformeerd. Over de voortgang van de uitvoering van de integrale agenda zal de Kamer jaarlijks worden geïnformeerd.

GroenLinks 2

Is er voldoende toezicht op de telecomsector?

Antwoord

Uitgangspunt voor het toezicht op de telecomsector is het Europese regelgevende kader. Die richtlijnen worden periodiek herzien. Recentelijk is het wetsvoorstel ter implementatie van de nieuwe telecomrichtlijnen in uw Kamer besproken. Hiermee ligt er een stevig wettelijk fundament op basis waarvan OPTA (en Agentschap Telecom) toezicht houden op de telecomsector. Dit houdt onder andere in dat OPTA iedere drie jaar marktanalyses maakt en waar nodig verplichtingen oplegt. Met het nieuwe pakket is de bescherming van de consument verder verstevigt, onder andere met aangescherpte transparantie-eisen voor telecombedrijven.

De doeltreffendheid van het functioneren van OPTA is door Berenschot, Kwink en TNO positief beoordeeld in het rapport «Evaluatie OPTA 2009». Dit is nog eens onderstreept door de eerste plaats voor Nederland in de ECTA (European Competitive Telecommunications Association) ranglijst 2010 van effectiviteit van telecomregelgeving en -toezicht in de verschillende Europese landen.

Daarnaast houdt de NMa op basis van de Mededingingswet toezicht op de telecomsector. Concurrentie en eindgebruikerbelangen zijn op deze wijze goed gewaarborgd. Met name bij markten met een beperkt aantal spelers, zoals de mobiele telefoniemarkt, is het van belang hier extra alert op te zijn. Met de fusie van de toezichthouders in de Autoriteit Consument en Markt (ACM) wordt dit toezicht verder verstevigd. In de nieuwe ACM-organisatie krijgt het telecomtoezicht een stevige en herkenbare plaats.

GroenLinks 3

Welke invulling wordt gegeven aan gedragstoezicht en wanneer? Graag hierover een brief voor het Kerstreces.

Antwoord

Eerder (Kamerstukken II 2010/11, 31490, nrs. 55 en 69) is toegelicht dat gedragstoezicht en consumentenbescherming een stevige plek krijgen binnen de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Alle consumententaken van de NMa, OPTA en Consumentenautoriteit (CA), ook op het gebied van energie, telecom, post en ConsuWijzer, worden in één sterke directie ondergebracht.

Gedragstoezicht is stevig in wetgeving verankerd. Consumenten moeten op basis van transparantie rond essentiële kenmerken, waaronder ook de prijs, hun keuze kunnen maken. Indien ondernemers consumenten misleiden of agressief bejegenen, kan sprake zijn van een oneerlijke handelspraktijk waartegen de CA handhavend kan optreden. Daarnaast zijn ondernemers op grond van het Besluit prijsaanduiding producten verplicht de prijs te vermelden, zodat consumenten prijzen van producten met elkaar kunnen vergelijken. Ook hierop houdt de CA toezicht. Vanaf 1 januari 2013 kan de ACM door de bundeling van consumentenbescherming nog effectiever en slagvaardiger optreden.

In de genoemde kamerbrieven is toegezegd dat wordt bezien of de effectiviteit van het toezicht, waaronder gedragstoezicht, nog verder kan worden verbeterd door stroomlijning en vereenvoudiging van procedures. Dit materiële wetsvoorstel wordt nu voorbereid en in 2012 aan de Tweede Kamer aangeboden. Daarin wordt ook het voornemen meegenomen om het duale stelsel van handhaving af te schaffen en over te gaan tot alleen bestuursrechtelijke handhaving, waarover de Tweede Kamer onlangs in de brief over de evaluatie van de CA geïnformeerd. Dit vergroot de afschrikkende werking. Tot slot wordt in 2012 een wetsvoorstel naar aanleiding van de evaluatie van de Elektriciteits- en de Gaswet aangeboden. Ook hierin neemt gedragstoezicht een belangrijke plaats in. Omdat deze wetsvoorstellen pas in 2012 concreet worden, is het niet mogelijk vooruitlopend daarop nog voor het Kerstreces een afzonderlijke brief aan de Tweede Kamer te sturen.

GroenLinks 4

Gaat u bezien hoe inkopers zich binnen mededingingsregels beter kunnen organiseren tegen macht van aanbieders? Is de minister bereid tot een horizonbepaling?

Antwoord

Op grond van de huidige bagatelvrijstelling zijn kartelafspraken tussen ondernemingen toegestaan als hun gezamenlijke marktaandeel niet meer dan 5% is en de gezamenlijke omzet niet meer dan € 40 miljoen. Op grond van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Ten Hoopen, Aptroot en Vos wordt het marktaandeel verhoogd naar 10% en komt de omzetgrens te vervallen. Ondernemers krijgen dus meer ruimte om kartelafspraken te maken. Het streven is het wetsvoorstel nog dit jaar in werking te laten treden.

Tijdens de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Ten Hoopen, Aptroot en Vos heeft de toenmalige minister van Economische Zaken aangegeven dat het initiatiefwetsvoorstel zal worden geëvalueerd. Ze heeft aangegeven dit snel na aanname van het wetsvoorstel te willen doen. De bagatelbepaling zal dan ook na twee jaar worden geëvalueerd.

Bij brief van 17 december 2009 (Kamerstukken II 2009–2010, 32123, nr. 46) is uw Kamer geïnformeerd over de verhouding tussen inkoopmacht en de Mededingingswet. Daarin is geconcludeerd dat indien de afnemer de bij inkoop behaalde voordelen doorgeeft aan de consument in de vorm van lagere verkoopprijzen er vanuit mededingingsrechtelijk oogpunt geen probleem is. Wel is toegezegd (zie ook brief van 7 oktober 2010, Kamerstukken II 2010–2011, 35531, K) dat het ministerie van EL&I graag een faciliterende rol vervult bij het tot stand brengen van een gedragscode die daadwerkelijke problemen rond inkoopmacht – zoals het eenzijdig wijzigen van contractsvoorwaarden – oplost. Momenteel brengt het onderzoeksbureau TISCO de mogelijkheden om te komen tot een gedragscode eerlijke handelspraktijken in kaart. Over de uitkomsten van dit onderzoek wordt uw Kamer begin volgend jaar geïnformeerd.

GroenLinks 5

Wat doet deze minister (naast de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan werkgelegenheid en het verdwijnen van banen?

Antwoord

De minister van EL&I schept de juiste randvoorwaarden voor duurzame economische groei. Dat betekent onder andere de zorg voor een gelijk speelveld voor bedrijven, het bestrijden van kartel-vorming, het verminderen van administratieve lasten en nalevingskosten en het internationaal verzilveren van economische kansen via handelsmissies. Op die manier schept de minister van EL&I-beleid ruimte voor ondernemerschap. Ook het Topsectorenbeleid draagt bij aan het verbeteren van de concurrentiekracht van ons land. Innovatie is de motor van de economische groei. Innovatie leidt tot nieuwe producten, maakt productieprocessen efficiënter en houdt ons land concurrerend ten opzichte van andere landen. Dat alles creëert nieuwe banen voor onze burgers.

Innovatie zal verder gestimuleerd worden door het samenbrengen van kennis op universiteiten en het bedrijfsleven dat die kennis kan benutten. Zo ontlokt dit kabinet innovatie in de sectoren waarin Nederland wereldwijd sterk is, zodat die sectoren wereldwijd nog sterker worden. Ook met behulp van de Research & Development Aftrek (RDA) wordt onderzoek en ontwikkeling bij bedrijven gestimuleerd .

Daarnaast creëert het departement van EL&I via de Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) nieuwe banen bij buitenlandse investeerders en onderhoudt het kabinet contact met grote Nederlandse en buitenlandse bedrijven met het oog op verankering en behoud van banen.

GroenLinks 6

Is de minister samen met de MSZW bereidt zich in te zetten voor afschaffing van overeenkomst van opdracht (OVO)?

Antwoord

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft dit jaar een kwantitatief onderzoek uit laten voeren naar het gebruik van de overeenkomst van opdracht (OVO). Dit najaar zal het onderzoek inclusief reactie naar de Kamer worden gestuurd.

GroenLinks 7

Steunt de minister het amendement ter afschaffing van het urencriterium voor ZZP’ers? Is de minister bereid iets te doen richting de staatssecretaris van Financiën?

Antwoord

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de ondernemersfaciliteiten in een breder perspectief te bezien en de mogelijkheden van een winstbox te onderzoeken. Daarbij worden faciliteiten omgezet in een lager en meer proportioneel tarief voor ondernemers. Eén van de voordelen daarvan is dat geen toegangsdrempels meer nodig zijn. In dat geval kan ook het urencriterium verdwijnen. De verkenning naar de winstbox zal in 2012 aan uw Kamer worden aangeboden.

GroenLinks 8

Hoe gaat de minister zorgen voor een gelijk speelveld op het gebied van duurzaamheid?

Antwoord

Er is een gelijk speelveld voor duurzame energie. Immers, met de SDE+ financieren we de onrendabele top, oftewel het verschil in kostprijs tussen duurzame energie en fossiele energie. Hierdoor kan duurzame energie concurrerend worden aangeboden. De grote animo voor de SDE+ in 2011 onderstreept dat ook. Voor vele verschillende technologieën, zon wind en biomassa, is SDE+ aangevraagd. Dit onderstreept het bestaan van een gelijk speelveld.

GroenLinks 9

De Groene Zaak tekent de koepelovereenkomst voor groene innovatie niet; hoe gaat de minister dit rechttrekken?

Antwoord

De Green Deal helpt burgers, bedrijven, mede-overheden en andere organisaties plannen voor verduurzaming tot uitvoering te brengen. De Green Deals zijn afgesloten op basis van initiatieven van partijen zelf. De Green Deal koepelovereenkomst «groene groei» was een initiatief van VNO-NCW, MKB-NL, LTO-Nederland, Stichting Natuur en Milieu, Stichting Natuur en Milieufederaties en MVO-Nederland. De Groene Zaak is geen initiatiefnemer en ondertekenaar van deze deal, maar heeft zelf een aparte Green Deal afgesloten op basis van een eigen initiatief. Het is aan partijen zelf om hier een keuze te maken.

ChristenUnie

ChristenUnie 1

Waarom is de BTW in de bouw weer 19%?

Antwoord

Als onderdeel van het Belastingplan 2011 verlaagde het kabinet vorig jaar het btw-tarief voor renovatie- en herstelwerkzaamheden van woningen van 19% naar 6%. Aanvankelijk zou de crisismaatregel al op 1 juli van dit jaar stoppen. Later is de maatregel mede op verzoek van de bouwbranche verlengd naar 1 oktober 2011 voor werkzaamheden die reeds zijn gestart voor 1 juli 2011. Het kabinet ziet geen aanleiding om de besluitvorming, die met instemming van een meerderheid van de Tweede Kamer tot stand is gekomen, terug te draaien. Verder wil ik u verwijzen naar de beantwoording van de staatssecretaris van Financiën d.d. 5 oktober (2011Z17354) op vragen van het lid-Schouten over dit onderwerp.

Christenunie 2

Kan de maatregel van willekeurige afschrijving verlengd worden?

Antwoord

Het Kabinet heeft bij het opstellen van het belastingplan 2012 binnen de budgettaire kaders een keuze moeten maken tussen een aantal instrumenten. Alles afwegende is niet gekozen voor voortzetting van de willekeurige afschrijving.

Vooral ook omdat daartoe de middelen niet voorhanden zijn en omdat verlenging van de willekeurige afschrijving in vergelijk met het benodigde budget een relatief forse impact zou hebben op het EMU saldo.

Het Kabinet heeft daarbij gekozen voor een afgewogen pakket maatregelen dat onder andere is gericht op het stimuleren van investeringen in speur en ontwikkelingwerk en het ontwikkelen van ondernemerschap.

ChristenUnie 3

Gaat de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie zich in Europees verband ervoor inzetten dat oneerlijke concurrentie in de scheepsbouwsector wordt aangepakt?

Antwoord

Tijdens het Wetgevingsoverleg eerder dit jaar heb ik u toegezegd te interveniëren bij de Europese Commissie indien deze nog geen stappen had ondernomen richting Spanje inzake de zogenaamde Tax Lease regeling. De Europese Commissie heeft inmiddels de officiële procedure geopend en heeft in haar voorlopige conclusies geconcludeerd dat de Spaanse Tax Lease ongeoorloofde steun is. Tijdens een dergelijke procedure is er sprake van een zogenaamd stand still principe hetgeen betekent dat er geen Spaanse Tax Lease mag worden aangeboden. Daarbij heeft de Europese Commissie ook aangegeven dat eventueel ongeoorloofde steun kan worden teruggevorderd. De Spaanse overheid krijgt nu de mogelijkheid om aan tonen dat de Europese Commissie ongelijk heeft. Dit dossier heeft dus de volle aandacht van de Europese Commissie. Die heeft ook het recht tot terugvordering van ongeoorloofde steun. Dit recht hebben lidstaten niet. Ik blijf waar het gaat om verstoring van het level playing field goed de vinger aan de pols houden, zowel in Brussel als bij de sector.

ChristenUnie 4

Onderkent de minister het belang van Bètatechniek? Hoe kan het dat Bètatechniek meer dan de helft kwijt raakt? Kan minister voldoende geld garanderen in Bètatechniek?

Antwoord

Het belang van bètatechniek wordt onderkend. Bètatechniek is van essentieel belang voor (technologische) innovatie en daarom een cruciale factor om onze ambitie met betrekking tot de kenniseconomie zeker te stellen.

De afgelopen tien jaar heeft de overheid veel geïnvesteerd in het bètatechnisch onderwijs en in het onderwijs dat toeleverend is voor deze opleidingen. Deze investeringen gebeurden grotendeels via het Deltaplan Bètatechniek (2004–2010). De investeringen in bètatechniek zijn ook na 2010 op hetzelfde niveau gebleven. Op dit moment wordt ondermeer in bèta techniek geïnvesteerd via de programma’s ‘Samen Sterk’ in het primair onderwijs en ‘Het Manifest’ in het voortgezet onderwijs. Maar ook via de sectorplannen Schei- en natuurkunde, het 3TU-plan en de Centres of Expertise en Centra voor Innovatief Vakmanschap in het beroepsonderwijs.

De ministers van OCW, SZW en EL&I hebben de handen ineen geslagen voor een gezamenlijk offensief tegen de verwachte tekorten aan technici, vooral op mbo-niveau. Begin 2012 wordt hiervoor een Masterplan Techniek gepresenteerd, dat door de topsectoren wordt opgesteld.

ChristenUnie 5

Hoe gaat de minister «paal en perk» stellen aan de uitbreiding van het aantal koopzondagen?

Antwoord

De Winkeltijdenwet gaat uit van verplichte sluiting van de winkels op zondag. Op

dit uitgangspunt zijn slechts een beperkt aantal uitzonderingen mogelijk. Het is aan gemeenten om te bepalen of zij gebruik willen en kunnen maken van deze uitzonderingen. Gemeenten zijn het beste in staat om te beoordelen of zondagsopening in de gemeente mogelijk en gewenst is, omdat zij zicht hebben op de specifieke lokale omstandigheden. Gemeenten moeten de wet naleven, en een zorgvuldige en bewuste afweging maken ten aanzien van winkelopening op zondag. Indien gemeenten de Winkeltijdenwet niet naleven, kunnen belanghebbenden hiertegen bezwaar en beroep instellen. Daarnaast is op 1 januari 2011 de wetswijziging in werking getreden, die tot doel heeft het oneigenlijk gebruik van de toerismebepaling uit de Winkeltijdenwet tegen te gaan. Hiertoe is de toerismebepaling aangescherpt. Door de wetswijziging hebben gemeenten meer houvast bij de beslissing of, en zo ja, op welke wijze zij gebruik kunnen maken van de toerismebepaling. Tevens wordt beoogd dat de besluitvorming zorgvuldiger zal geschieden. Zo dienen gemeenten op grond van deze wetswijziging het belang van de werkgelegenheid en economische bedrijvigheid in de gemeente, waaronder mede wordt begrepen het belang van winkeliers met weinig of geen personeel en van winkelpersoneel, mee te wegen, indien zij op grond van de toerismebepaling meer dan 12 koopzondagen aanwijzen.

SGP

SGP 1

Wat is de visie van de minister op de (internationale) economische ontwikkelingen en de rol van het Nederlandse bedrijfsleven?

Antwoord

De economische ontwikkelingen zijn minder gunstig dan waar we een half jaar geleden vanuit gingen. Het sentiment van huishoudens, ondernemers en financiële markten is in veel westerse landen gedaald. Deze internationale ontwikkelingen domineren de vooruitzichten voor de Nederlandse economie, vanwege onze openheid voor in- en uitvoer van goederen en dienst alsmede de openheid voor investeringsstromen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook het vertrouwen in de Nederlandse economie een knauw heeft gekregen. Als consumenten minder bereid zijn om aankopen te doen, raakt dit direct het Nederlandse bedrijfsleven. Als Nederlandse bedrijven uit het buitenland minder orders krijgen, zullen ook zij hun verwachtingen bijstellen. Mogelijk gevolg is dat bedrijven investeringen uitstellen. Dat druk dan direct de economische groei. Daarmee kan het sentiment verder dalen. Het is daarom zaak om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Het Nederlandse bedrijfsleven kan hieraan bijdragen, door de kansen voor groei te grijpen waar deze voorhanden zijn. Buiten het Eurogebied bijvoorbeeld zijn er nog steeds landen die stevige economische groei doormaken. Nederland heeft bedrijven die in de top acteren. Zij kunnen producten en diensten leveren waar opkomende landen om staan te springen, hun kennis en kunde te gelde maken. De bedrijven kunnen daarmee positief bijdragen aan de Nederlandse economie. Het kabinet vertrouwt op de vindingrijkheid en het doorzettingsvermogen van Nederlandse ondernemers. Dit kabinet geeft ondernemers daarom de ruimte. Juist in een periode waarin het wat minder voor de wind gaat is het van groot belang dat het bedrijfsleven vertrouwen gegeven wordt.

SGP 2

Is de minister het met de SGP-fractie eens dat het de komende jaren essentieel is om ook initiatieven van Nederlandse bedrijven de ruimte te bieden?

Antwoord

Kern van mijn bedrijvenbeleid is om ondernemers de ruimte te geven om te ondernemen, te innoveren en te exporteren. Dit kabinet zet ondernemers (en onderzoekers) hiervoor nadrukkelijk aan het stuur, omdat zij zelf het beste weten waar de knelpunten en kansen in hun sector zitten. Taak van de overheid is om de juiste randvoorwaarden te scheppen (o.a. door de regeldruk te verlagen, te zorgen voor een adequaat financieringsinstrumentarium, fiscale lastenverlichting (o.a. WBSO en RDA) en door een laagdrempelige voorlichtings- en adviesstructuur.

SGP 3

Hoe gaat de minister bundeling van kennis in de Topsector Water stimuleren?

Antwoord

De topsector Water biedt inderdaad veel potentie. Dit blijkt uit de ambitieuze agenda die door de betrokken stakeholders is opgesteld. Belangrijk onderdeel daarvan betreft het realiseren van zogenaamde Innovatie Contracten. Via deze contracten wordt de focus en bundeling van kennisontwikkeling gewaarborgd.

SGP 4

Op basis van welke analyse denkt de minister dat zijn beleid wel effectief is? wat is de onderbouwing daarvan?

Antwoord

Zie het antwoord op vraag 3 van D66.

SGP 5

Wil de minister de kritiek van de Algemene Rekenkamer oppakken en alsnog een beleidsdoorlichting uitvoeren?

Antwoord

Dit kabinet zal het nieuwe bedrijfslevenbeleid integraal doorlichten, maar pas als het een aantal jaren draait. In artikel 12 van de EL&I begroting – in de internetbijlage om precies te zijn – is vermeld dat deze beleidsdoorlichting zal starten in 2014 en wordt afgerond in 2015.

SGP 6

Hoe gaat de minister effectieve monitoring van het bedrijfslevenbeleid vormgeven?

Antwoord

In paragraaf 4.3 van de bedrijfslevenbrief staat op welke manier aan de monitoring en effectmeting van het nieuwe bedrijvenbeleid vormgeven wordt (het innovatiebeleid maakt hier deel van uit). Daarin wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het monitoren van resultaten van de topsectorenaanpak en anderzijds het meten van effecten van individuele beleidsinstrumenten. Over de algehele voortgang van de topsectorenaanpak ontvangt de Kamer jaarlijks een brief.

SGP 7

Is de minister het eens dat als de ontwikkelingen mee gaan zitten en er meer financiële ruimte komt, het goed zou zijn als meer geïnvesteerd kan worden in kennis en innovatie?

Antwoord

Als die situatie zich voordoet, bekijkt het kabinet altijd de samenstelling van budget en economische kaders. Op dit moment ben ik er vooral trots op dat dit kabinet in een tijd waarin met 18 miljard op de overheidsfinanciën moet worden bezuinigd, de investeringen in onderzoek en innovatie in 2012 met 700 mln. per jaar toenemen ten opzichte van 2008.

In totaal investeert het kabinet in 2015 bijna 4 miljard euro in kennis en innovatie. Dat is 700 miljoen euro meer dan in 2008, de laatste begroting vóór de crisis. Oftewel een stijging ruim 20 procent!

SGP 8

Vindt de minister dat er genoeg harde afspraken zijn mbt valorisatie?

Antwoord

Ja. De uitdaging is dat valorisatie een meer leidend principe wordt in het onderzoeks- en innovatiebeleid. Dat betekent dat wij de excellente kennis bij onze universiteiten, hogescholen en kennisinstituten meer ten gelde maken en maatschappelijk benutten. Zowel door deze kennis beter beschikbaar te maken voor het bestaande bedrijfsleven, zoals het MKB, door te bevorderen dat kennis in publieke sectoren wordt benut, als door het stimuleren van het opzetten van bedrijven met deze kennis. 

Het kabinet bevordert de verankering van valorisatie in het kennisbestel. Zo is het kabinet volgend uit de Valorisatieagenda en het huidig regeerakkoord eind 2010 gestart met het Valorisatieprogramma. Het streven is dat vanaf 2016 2,5% of meer van de publieke onderzoeksmiddelen specifiek zal worden ingezet ten behoeve van het omzetten van kennis in innovaties. Dat wordt bijvoorbeeld ondersteund door het hoofdlijnenakkoord van de Staatssecretaris van OCW met de VSNU. Ook worden over valorisatie prestatieafspraken met de universiteiten gemaakt. Met de kennisinstellingen worden indicatoren ontwikkeld waarmee valorisatie in kaart kan worden gebracht.

Naast wetenschappelijke excellentie ook kennisbenutting over de volle breedte van NWO meegewogen bij de honorering van onderzoeksvoorstellen. Kennisbenutting / impact is een volwaardig, maar niet doorslaggevend criterium. En wordt de TNO SBIR waar mogelijk ook bij andere toegepaste instituten ingevoerd.

Valorisatie vormt ook een wezenlijk onderdeel van de innovatiecontracten, die door de topteams eind dit jaar worden aangeboden. Door werk te maken van valorisatie en vraagsturing krijgt het excellente onderzoek meer impact. Dit moet worden verzilverd via een vervolgaanpak waarmee de keten van kennis naar kunde naar kassa structureel wordt gesloten. Het gaat erom voor iedere topsector te komen tot een evenwichtige, op de behoeften van de markt toegesneden mix van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en valorisatie die aansluit op de Europese agenda.

Samengevat zijn de doelstellingen valorisatie voor deze kabinetsperiode:

  • inzet van 2,5% publieke onderzoeksmiddelen ten behoeve van valorisatie per 2016.

  • ontwikkelen van indicatoren voor valorisatie.

  • valorisatie verankeren via de hoofdlijnenakkoorden van OCW met VSNU en in prestatieafspraken met universiteiten over valorisatie.

  • valorisatie naast excellentie als criterium over de volle breedte van NWO.

  • concrete acties rondom valorisatie in de innovatiecontracten van de topsectoren.

SGP 9

Waarom is bij het innovatiefonds de ondergrens voor projectkosten zo hoog gelegd?

Antwoord

Het Innovatiefonds MKB+ bouwt onder meer voort op twee bewezen succesvolle instrumenten, zoals het Innovatiekrediet en de Seed capital-regeling. Dit betreft respectievelijk financiering in de vorm van projectfinanciering en ondernemingsfinanciering. De ondergrenzen zijn tot stand gekomen op basis van de behoeften vanuit de markt, het ingrijpen op marktsegmenten waar marktfalen aan de orde is en de doelmatige inzet van de middelen. Uit de praktijk blijkt dat bij het Innovatiekrediet de gemiddelde kredietomvang circa € 1,7 mln is, bij een ondergrens van € 0,1 mln. Dit lijkt afdoende, maar in de komende evaluatie zal ik specifieke aandacht schenken aan de hoogte van de ondergrens van de projectkosten.

SGP 10

Is de minister het eens dat product innovatie zeer gebaat is bij stelsel innovatie (denk aan onderwijs, veiligheid, pensioenen, sociale zekerheid)? Borgt de minister dat sociale innovatie voldoende ruimte krijgt? Kan minister de genoemde punten expliciet op te nemen in de jaarlijkse voortgangsrapportages?

Antwoord

Sociale innovatie draagt bij aan het groei- en innovatievermogen van bedrijven, door verhoging van de arbeidsproductiviteit en het rendement uit R&D. Het kabinet zet daarom in op het vergroten van de bewustwording, met name in het MKB. Via Syntens en KvK’s/Ondernemerspleinen, TNO zullen bedrijven bewust gemaakt worden van het belang van sociale innovatie. De opgebouwde kennisinfrastructuur rond sociale innovatie wordt voortgezet via TNO, NWO, hogescholen, universiteiten en Syntens. Daarnaast zullen ook de topsectoren sociale innovatie, waaronder de noodzakelijke wisselwerking tussen sociale en technologische innovatie, opnemen in hun innovatiecontracten en Human Capital Agenda's. De expertise van TNO, NWO en Syntens op het terrein van sociale innovatie staat de topsectoren daarbij ten dienste. Ook op Europees niveau worden ervaringen en best practices rond sociale innovatie uitgewisseld tussen lidstaten. Het kabinet zal jaarlijks rapporteren over de voortgang van het bedrijfslevenbeleid, waarin deze aspecten ook aan de orde komen.

SGP 11

Productschappen spelen een belangrijke rol bij innovatie in ondermeer de topsector AgroFood. Het gaat om veel kleine bedrijven die niet zomaar zelf investeren in onderzoek en innovatie. Via de productschapheffingen komt dat wel van de grond. Het kabinet moet daarom niet doorslaan bij het snijden in takenpakket. Graag reactie.

Antwoord

In de AgroFood-sector zijn de laatste jaren diverse innovatietrajecten opgestart, waarbij overheid en bedrijfsleven samen zijn opgetrokken. Wanneer er sprake was van subsidiering van kennis- en innovatieprojecten werd dit door de productschappen geregeld.

Zoals ook is aangegeven in het kabinetsstandpunt dat op 5 oktober jl. naar de Tweede Kamer is gestuurd, wil dit kabinet overgaan tot afslanking van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). Heffingen voor ondernemers zullen dalen doordat schappen voortaan uitsluitend taken uitvoeren met publiek belang. Overige taken komen in beginsel te vervallen, tenzij aan strikte criteria wordt voldaan.

Of de rol van product- en bedrijfsschappen bij innovatieprojecten aan deze criteria voldoet, kan nu nog niet worden beoordeeld. Dit neemt niet weg dat het kabinet groot belang hecht aan innovatie in de AgroFood sector. Uitgangpunt blijft dat bedrijfsleven en overheid hierin samen zullen optrekken.

SGP12

Is de minister bereid ervoor te zorgen dat niet alleen de letter, maar ook de geest van de winkeltijdenwet gehandhaafd worden? en dat eventuele tekortkomingen in wetgeving gerepareerd worden?

Antwoord:

De Winkeltijdenwet gaat uit van verplichte sluiting van de winkels op zondag. Op dit uitgangspunt zijn slechts een beperkt aantal uitzonderingen mogelijk. Het is aan gemeenten om te bepalen of zij gebruik willen en kunnen maken van deze uitzonderingen. Gemeenten zijn het beste in staat om te beoordelen of zondagsopening in de gemeente mogelijk en gewenst is, omdat zij zicht hebben op de specifieke lokale omstandigheden. Gemeenten moeten de wet naleven, en een zorgvuldige en bewuste afweging maken ten aanzien van winkelopening op zondag. Indien gemeenten de Winkeltijdenwet niet naleven, is het aan belanghebbenden hiertegen bezwaar en beroep in te stellen. Dit hebben bijvoorbeeld belanghebbenden in de gemeente Zoetermeer gedaan. Alleen als er sprake is van strijd met het recht of het algemeen belang en er geen bezwaar of beroep door belanghebbenden is ingesteld, heeft de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in het uiterste geval de bevoegdheid om samen met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten van gemeenten voor vernietiging voor te dragen aan de Kroon. In de gemeente Zoetermeer moet een uitspraak van de rechter worden afgewacht voordat een eventuele uitspraak over de vernietiging van het besluit kan worden genomen. Dit stelsel biedt voldoende waarborgen voor een goede naleving van de Winkeltijdenwet ook naar de geest. Er zijn dan ook geen tekortkomingen in de Winkeltijdenwet die reparatie behoeven. Daarnaast is op 1 januari 2011 de wetswijziging in werking getreden, die tot doel heeft het oneigenlijk gebruik van de toerismebepaling uit de Winkeltijdenwet tegen te gaan. Hiertoe is de toerismebepaling aangescherpt. Door de wetswijziging hebben gemeenten meer houvast bij de beslissing of, en zo ja, op welke wijze zij gebruik kunnen maken van de toerismebepaling. Ook hiermee wordt beoogd dat de besluitvorming zorgvuldiger zal geschieden.

Daarnaast wijst de SGP-fractie op het feit dat werknemers onder druk worden gezet om op zondag te werken. Werknemers die onder druk worden gezet om op zondag te werken, kunnen zich beroepen op de Arbeidstijdenwet. De Arbeidstijdenwet dient te worden nageleefd. De werknemer die van mening is dat zijn werkgever in strijd met de Arbeidstijdenwet handelt, kan dit voorleggen aan de rechter.


X Noot
1

Kamerstuk 32637, nr. 16.