Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201131490 nr. 55

31 490 Vernieuwing van de rijksdienst

Nr. 55 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 maart 2011

Op 14 februari jl. heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst aan uw Kamer aangeboden1. Een onderdeel daarvan is project 15 «toezichthouders niet-financiële markten». In dat kader heb ik in de Algemene Overleggen over telecommunicatie2 op 15 december 2010 en over ondernemerschap op 10 februari 2011 met de vaste commissie voor Economische Zaken, Landbouw en Innovatie toegezegd om uw Kamer in maart 2011 te informeren over een plan van aanpak voor de samenvoeging van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) en de Consumentenautoriteit (CA). Ik heb aangegeven dat ik daarbij inga op de concreet te nemen stappen, mijn visie op toezicht en de plaats die gedragstoezicht krijgt bij de nieuwe toezichthouder. Ook leg ik uit waarom ik het Agentschap Telecom (AT) niet in de samenvoeging betrek.

Met deze brief geef ik gevolg aan deze toezeggingen. In deel 1 zet ik mijn visie op markttoezicht op de niet-financiële markten uiteen. Daarbij komen mijn visie op het samenvoegen van de NMa, OPTA en CA en de plaats van het gedragstoezicht daarin aan bod. Samenvoeging vergroot de effectiviteit en efficiëntie van het markttoezicht, omdat flexibel en integraal kan worden ingespeeld op marktontwikkelingen en beter gebruik kan worden gemaakt van beschikbare kennis en kunde. Deel 2 gaat in op de nieuwe toezichthouder, waarbij achtereenvolgens doelstelling, werkwijze, vormgeving, besparingen en redenen voor het niet-betrekken van andere toezichthouders aan de orde komen. In deel 3 schets ik het tijdpad van het verdere traject, waarbij ik streef naar feitelijke samenvoeging per 1 januari 2013.

DEEL 1: VISIE OP MARKTTOEZICHT OP DE NIET-FINANCIËLE MARKTEN

In deze visie richt ik mij op het markttoezicht op de niet-financiële markten (hierna kortweg: markttoezicht). Dit is een vorm van nalevingstoezicht die zich richt op de naleving van wet- en regelgeving en tot doel heeft om niet-financiële markten goed te laten werken. Markttoezicht moet worden onderscheiden van de andere vorm van nalevingstoezicht, namelijk het kwaliteits- of inspectietoezicht.

1. Markttoezicht in beweging

In 1998 is de Mededingingswet van kracht geworden. De doelstelling van die wet was om de mededinging te vergroten op markten waar marktwerking mogelijk is, waardoor keuzevrijheid en een betere prijs-kwaliteitverhouding voor de consument worden bewerkstelligd. De NMa is opgericht om toezicht te houden op naleving van de Mededingingswet. Nederland is hierdoor niet langer een kartelparadijs, zoals voorheen. Eerder in de jaren »90 is de liberalisering van sectoren die voorheen werden gekenmerkt door een overheidsmonopolie, zoals post, telecommunicatie, energie en vervoer, in gang gezet. Om nieuwe aanbieders een kans te geven en concurrentie tot stand te brengen, moesten tarieven en toegang tot markten worden gereguleerd. Regulering is stapsgewijs ontwikkeld in sectorspecifieke wetgeving ter implementatie van Europese richtlijnen, zoals de Telecommunicatiewet, Elektriciteitswet 1998, Gaswet en Wet personenvervoer 2000. Om toe te zien op de naleving hiervan, zijn sectorspecifieke toezichthouders opgericht. De OPTA in 1997, de Dienst Uitvoering en Toezicht Energie in 19983 en de Vervoerkamer als directie van de NMa in 20044. Vanaf het begin van deze eeuw groeit de aandacht voor de verhoudingen tussen marktpartijen en consumenten. Bescherming van de consument tegen overtredingen van consumentenrechten door bedrijven wordt een prioriteit en het nationale handhavingsstelsel behoeft aanpassing aan Europese regelgeving. Dit komt onder meer tot uiting in de oprichting van de CA in 2007 voor niet-financiële diensten en activiteiten.

Het rapport «Van schaven naar sturen» van de Werkgroep Heroverweging Bedrijfsvoering uit april 20105, dat zich met het oog op een beter functionerende overheid (departementen en uitvoeringsorganisaties) richt op een efficiëntere bedrijfsvoering en structurele besparingen hierop, vormt aanleiding om opnieuw na te denken over vormgeving en inhoud van het markttoezicht. Het doel hiervan is om de effectiviteit en efficiëntie van het toezicht verder te vergroten. De voorliggende visie is een uitkomst van deze verkenning.

2. Typen markttoezicht

In deze visie staan drie typen van markttoezicht centraal die een pijler zijn van de rol van de overheid als «marktmeester» en een sterke samenhang kennen: mededingingstoezicht, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming.

Mededingingstoezicht

Naleving van de mededingingsregels is cruciaal voor het goed functioneren van markten. Het mededingingstoezicht wordt in Nederland uitgevoerd door de NMa, en is erop gericht de concurrentie in alle sectoren waar sprake is van marktwerking te bewaken en te bevorderen. Grotendeels achteraf wordt bezien of marktpartijen algemene mededingingsregels hebben overtreden. Als dat zo is, kan de NMa hoge boetes opleggen aan bedrijven en feitelijk leidinggevenden, omdat overtredingen van het kartelverbod in de regel zeer schadelijk zijn. Hoge boetes hebben ook een preventieve functie. Behalve toezicht achteraf houdt de NMa ook toezicht op fusies, waarbij vooraf invloed kan worden uitgeoefend op de marktstructuur. De Europese context van mededingingstoezicht neemt in belang toe in de vorm van afstemming van regelgeving, best practices en informatie-uitwisseling.

Sectorspecifiek markttoezicht

Regulering door de wetgever is gericht op het vooraf creëren van condities op bepaalde markten waaronder concurrentie kan plaatsvinden. Deze regulering, de uitvoering daarvan en het toezicht hierop worden samen vaak aangeduid als sectorspecifiek markttoezicht. Sectorspecifiek markttoezicht maakt het mogelijk om vooraf in te grijpen in de structuur van de markt en het gedrag van marktpartijen, bijvoorbeeld door het vaststellen van tarieven. Sectorspecifiek markttoezicht kan bijvoorbeeld nodig zijn om in «nieuwe» markten toetreders de kans te geven een nieuwe markt te betreden en het ontstaan van dominante marktpartijen tegen te gaan. Ook andere publieke belangen, zoals toegang tot en de ontwikkeling van netwerken (bijvoorbeeld de monopoloïde energienetwerken), kunnen sectorspecifiek markttoezicht vereisen. Hiermee kunnen investeringen en innovaties in netwerken worden gestimuleerd of kan worden voorkomen dat een nieuw monopolie of duopolie ontstaat. Zowel de OPTA (telecommunicatie en post), als de NMa (energie en vervoer) zijn belast met de uitvoering van en het toezicht op sectorspecifieke regulering. Daarbij wordt ook gelet op de bescherming van consumenten en publieke belangen, zoals leveringszekerheid, toegankelijkheid en de veiligheid van netten.

Consumentenbescherming

Consumentenbescherming is gericht op het bevorderen van eerlijke handel tussen bedrijven en consumenten. De CA kan op basis van de Wet handhaving consumentenbescherming optreden tegen collectieve inbreuken (overtredingen die de belangen van meerdere consumenten kunnen schaden) op consumentenwetgeving, waarbij grensoverschrijdende situaties steeds vaker voorkomen. Daarnaast versterkt zij de zelfredzaamheid van consumenten door het verschaffen van informatie over hun rechten en plichten. Ook de NMa (energie) en OPTA (telecommunicatie en post) hebben op basis van de Elektriciteitswet 1998, de Gaswet en de Telecommunicatiewet taken op het gebied van consumentenbescherming. De uitvoering van de informatiefunctie voor bedrijven en consumenten is neergelegd bij het gezamenlijke loket ConsuWijzer van de CA, OPTA en NMa. Consumentenbescherming gericht op financiële diensten en activiteiten ligt bij de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Gedragstoezicht

Tijdens de Algemene Overleggen over telecommunicatie van 15 december 2010 en ondernemerschap van 10 februari 2011 kwam de wijze waarop gedragstoezicht een plaats krijgt binnen de nieuwe toezichthouder aan de orde. Gedragstoezicht ziet op het gedrag van marktpartijen: het gedrag van ondernemingen onderling en jegens afnemers. Markttoezicht en gedragstoezicht zien dus op hetzelfde en omvatten de bovengenoemde drie typen van toezicht. Bij alle drie toezichthouders speelt dit, zoals hierboven is toegelicht, een belangrijke rol en het zal daarmee ook bij de nieuwe toezichthouder een belangrijke plaats innemen. Omdat de term gedragstoezicht vooral in relatie tot het toezicht van de AFM op de financiële markten wordt gebruikt en markttoezicht duidelijker uitdrukt dat het gaat om toezicht op (het gedrag van) marktpartijen, is hier gekozen voor het begrip markttoezicht, en niet voor gedragstoezicht, als overkoepelende term.

3. Uitgangspunten van goed markttoezicht

De algemene uitgangspunten van goed (effectief en efficiënt) toezicht zijn neergelegd in de Kaderstellende visie op toezicht6. Deze visie gaat ervan uit dat naleving van regels niet alleen van goed toezicht afhankelijk is, en dat de risico’s van niet-naleving door goed toezicht niet tot nul kunnen worden gereduceerd. De samenleving heeft ook een eigen verantwoordelijkheid. De zogenoemde «high trust benadering» van toezicht, die de afgelopen jaren door de NMa, OPTA en CA is toegepast – waarbij de toezichthouder zijn middelen selectief inzet en hard optreedt als de regels worden overtreden –, is gebaseerd op dit uitgangspunt.

Voor goed toezicht gelden volgens de huidige Kaderstellende visie op toezicht de volgende principes: onafhankelijkheid (van ondertoezichtgestelden, politiek en andere belanghebbenden), transparantie, professionaliteit, selectiviteit (op basis van risicoanalyse), slagvaardigheid en samenwerking. Deze gelden uiteraard ook voor markttoezicht. In aanvulling hierop moet effectief en efficiënt markttoezicht in mijn ogen tevens consistent, voorspelbaar en zorgvuldig zijn en dient naar marktpartijen, consumenten en eindgebruikers geluisterd te worden om de kwaliteit van het toezicht verder te kunnen verbeteren (responsiviteit). Deze principes vormen dan ook de basis van de evaluaties naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de OPTA in 20097, van de NMa in 20108 en van de CA, die nu wordt uitgevoerd en medio 2011 naar uw Kamer zal worden gezonden.

4. Samenvoeging NMa, OPTA en CA

Bij brief van 21 december 20097 heeft de toenmalige staatssecretaris van Economische Zaken uw Kamer geïnformeerd over de noodzaak van herinrichting van het toezicht op de markten voor elektronische communicatie en media. Hij achtte op dat moment herinrichting als anticipatie of reactie op de convergentie van deze markten niet nodig, maar gaf aan dat herinrichting in de toekomst niet uit de weg moet worden gegaan als ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. Voor het niet-financiële markttoezicht doen dergelijke ontwikkelingen zich voor. De overheid staat voor de ambitie om kleiner en slagvaardiger te worden. Tegelijkertijd stelt de samenleving hoge eisen aan het toezicht. De noodzaak van afstemming en samenwerking tussen de toezichthouders is groot. Alle zijn belast met markttoezicht op deels dezelfde (deel)markten; zij maken ieder op hun eigen taakgebied marktanalyses en hebben een juridische dienst of -discipline. Toenemende internationalisering en (technologische) ontwikkelingen maken het met elkaar delen van deze kennis en de toezichtstrategie steeds belangrijker. Ook ontwikkelen bepaalde markten in transitie (bijvoorbeeld post en telecommunicatie) zich verder tot concurrerende markten, waardoor markttoezicht op termijn wellicht meer achteraf kan plaatsvinden. De overheid kan daar minder als marktmaker en meer als marktmeester optreden. Dit laat onverlet dat vanwege de specifieke netwerkkenmerken een bepaalde mate van sectorspecifieke regulering nodig blijft om concurrentie in netwerksectoren te waarborgen.

Door samenvoeging van de NMa, OPTA en CA kan flexibel en integraal worden ingespeeld op zulke ontwikkelingen. In één nieuwe toezichthouder kan beter dan nu het geval is op basis van samenwerkingsprotocollen gebruik worden gemaakt van elkaars kennis en kunde. Dat komt de effectiviteit van het toezicht ten goede. De praktijk bij de NMa, die zowel mededingings- als sectorspecifiek markttoezicht op de energie- en vervoermarkten uitoefent, wijst uit dat er synergievoordelen te behalen zijn bij een samenvoeging van meerdere vormen van toezicht10. De drie vormen van markttoezicht hangen immers nauw samen. Synergiewinst tussen de verschillende vormen van markttoezicht vormt dan ook een randvoorwaarde voor de vormgeving van de nieuwe toezichthouder.

DEEL 2: DE NIEUWE MARKTTOEZICHTHOUDER

1. Uitgangspunten, doelstelling, taken en werkwijze

De samenvoeging van de NMa, OPTA en CA moet de beste elementen van hun toezicht verenigen. De uitgangspunten voor goed toezicht, zoals eerder in deze brief beschreven, gelden ook voor de nieuwe toezichthouder. Deze uitgangspunten vormen het fundament waarop het toezicht wordt gebouwd en de criteria waarop het functioneren van de toezichthouder wordt beoordeeld.

De doelstelling voor de nieuwe toezichthouder is het vergroten van de welvaart (op korte en langere termijn) door het bevorderen van het concurrentievermogen van het bedrijfsleven en het versterken van de positie van de consument. Dit gebeurt onder meer door het vergroten van keuzevrijheid en transparantie, een betere prijs-kwaliteitverhouding en innovatie. Daartoe moet de nieuwe toezichthouder erop toezien dat marktpartijen met elkaar concurreren om de gunst van de afnemer, en hij moet handhavend optreden als dat niet het geval is. Hij dient consumenten en marktpartijen te stimuleren om hun rol in de markt te vervullen en consumenten in staat te stellen het gedrag van marktpartijen te disciplineren door ze te informeren en waar nodig te beschermen. Bij gereguleerde markten dient de nieuwe toezichthouder bovendien een zo goed mogelijke afweging te maken tussen belangen op korte en lange termijn en ruimte voor nieuwe toetreders te waarborgen, zonder dat de consumentenbelangen daardoor in het gedrang komen. Het takenpakket omvat de taken van de huidige toezichthouders (zie bijlage 1). Het ministerie van Infrastructuur en Milieu blijft, zoals dat nu ook het geval is, beleidsverantwoordelijk voor de wet- en regelgeving waarin de ordening in de diverse vervoersectoren wordt geregeld. In deze wet- en regelgeving zijn ook de kaders voor het toezicht door de toezichthouder opgenomen.

De nieuwe toezichthouder zal als compacte en slagvaardige organisatie missiegedreven en programmatisch werken. Een high trust benadering is leidend en hij dient zijn inzet van middelen te prioriteren op basis van risicoanalyse. Ten aanzien van de bescherming van consumentenrechten is het private fundament uitgangspunt11. De nieuwe toezichthouder grijpt in als de markt concurrentie- of consumentenproblemen niet kan oplossen. Hij heeft in netwerksectoren een taak om waar nodig toegang tot netwerken te garanderen en de ontwikkeling en innovatie te stimuleren. Per geval wordt – binnen de wettelijke kaders – gekeken welke mix van instrumenten het meest effectief is. De nieuwe toezichthouder doet in zijn optreden recht aan de bescherming van consumenten en de verschillende publieke belangen samenhangend met zijn wettelijk verankerde toezichtstaken.

2. Vormgeving nieuwe toezichthouder

Bij het samenvoegen van de drie organisaties moet voor een juridische vorm worden gekozen. Het Europese recht stelt op het gebied van telecommunicatie, energie en spoor onafhankelijkheidseisen ten aanzien van het toezicht. Bij de NMa is dit gedaan door het instellen van een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO); de raad van bestuur is een publiekrechtelijk ZBO zonder rechtspersoonlijkheid en eigen personeel («klein ZBO»). Bij de OPTA is gekozen voor een publiekrechtelijk ZBO mét rechtspersoonlijkheid en eigen personeel. De CA is een ambtelijke dienst van mijn departement. Bij beide ZBO-vormen is de onafhankelijke taakuitvoering geborgd. Ik kies voor een klein ZBO vanwege aspecten van bedrijfsvoering, zoals het personeelsbeleid van mijn departement. Ik ben van mening dat er op dit moment geen doorslaggevende argumenten zijn om te kiezen voor een publiekrechtelijk ZBO met eigen rechtspersoonlijkheid en personeel.

Gelet op de omvang van het takenpakket zal de raad van bestuur bestaan uit drie tot vijf personen. Gedurende de eerste jaren is wellicht tijdelijk een grotere omvang verstandig. Bij de portefeuilleverdeling zal de herkenbaarheid en positionering van de deelterreinen mededinging, sectorspecifiek markttoezicht en consumentenbescherming naar de buitenwereld (waaronder Europa) worden gewaarborgd. Om samenwerking en synergie te bevorderen, zullen de takenpakketten van de drie huidige toezichthouders niet één op één over de bestuurders worden verdeeld. Personele invulling van de raad van bestuur vindt pas plaats zodra de organisatie van de nieuwe toezichthouder verder is uitgewerkt. Deze uitwerking, waarbij synergiewinst tussen de verschillende vormen van markttoezicht randvoorwaarde is, kan mijns inziens het beste gebeuren door een stuurgroep – bestaande uit de huidige bestuurders van de drie organisaties onder leiding van een onafhankelijk voorzitter – daarvoor voorstellen te laten doen. Deze stuurgroep zal tevens voorstellen doen voor een portefeuilleverdeling en een financieringsmodel en zal inzicht bieden in de met de samenvoeging samenhangende incidentele en structurele kosten. Vanzelfsprekend worden de medezeggenschapsorganen van de toezichthouders conform de Wet op de ondernemingsraden bij de verschillende stappen van de samenvoeging betrokken.

3. Besparingen

De Werkgroep Heroverweging Bedrijfsvoering noemt een mogelijke besparing van 9% door clustering van het niet-financiële markttoezicht. Dat komt neer op een besparing van circa € 7 miljoen ultimo 2015 door clustering van NMa, OPTA en CA. De door de Werkgroep genoemde besparing is niet het bedrag dat volgt uit de taakstelling uit het Regeerakkoord. Dat bedrag wordt momenteel voor deze drie toezichthouders nog nader bepaald.

Besparingen zijn mijns inziens in ieder geval mogelijk op de volgende punten:

  • Vermindering van het aantal bestuurders: Het aantal bestuurders daalt ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou ook de bestuursondersteuning (advisering/strategie) kunnen worden teruggebracht.

  • Efficiëntere inzet van medewerkers: Bij de toezichthouders werken medewerkers met vergelijkbare kennis en taken, zoals juristen, economen, communicatiemedewerkers en voorlichters. Door samenvoeging zijn zij inzetbaar op een breder werkveld. Zo kan beter worden omgegaan met piek- en dalbelasting en kan inhuur worden verminderd.

  • Samenvoeging van de backoffices van ConsuWijzer: Er is efficiencywinst haalbaar door samenvoeging van de backoffices die nu nog verspreid zijn over NMa, OPTA en CA.

  • Verdere samenvoeging van de bedrijfsvoering: De toezichthouders werken op onderdelen van de bedrijfsvoering al samen en de bedrijfsvoering van de CA is vanaf haar oprichting bij de NMa ondergebracht. Verdere samenvoeging levert efficiencywinsten op, bijvoorbeeld op het punt van facilitaire diensten, salarisadministratie, ICT-diensten.

  • Vermindering van onderlinge afstemming: Er is geen afstemming tussen aparte toezichthouders nodig en samenwerkingsprotocollen kunnen vervallen.

Afgezien van het precieze bedrag waarop de taakstelling wordt vastgesteld, is het niet aannemelijk dat een besparing van € 7 miljoen ultimo 2015 enkel door samenvoeging haalbaar is. Een ambtelijke werkgroep zal daarom de komende periode bezien in hoeverre besparingen bovenop de hiervoor opgesomde punten kunnen worden gerealiseerd in de taken van de drie toezichthouders. Omdat het overgrote deel daarvan voortvloeit uit Europese regelgeving, dienen besparingen met name te worden gezocht in efficiëntere invulling van bestaande taken, onder andere via wetswijziging. Ik denk daarbij aan stroomlijning en vereenvoudiging van procedures en de intensiteit van toezicht. Waar mogelijk kan dit, behalve tot een budgettaire besparing, op termijn eveneens tot een vermindering van de toezicht- en/of administratieve lasten voor het bedrijfsleven leiden.

4. Andere toezichthouders

Een ambtelijke werkgroep van de Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie verkent de taakafbakening tussen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de bestaande toezichthouders. Conform het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst zal, afhankelijk van de bevindingen, worden besloten of er taken van de NZa in de rol van «marktmeester» bij de nieuwe toezichthouder worden gevoegd. Randvoorwaarde daarvoor is dat dit tot een besparing leidt.

Zoals ik in het Algemeen Overleg over telecommunicatie op 15 december jl. aangaf, betrek ik AT niet in de samenvoeging. Ten eerste is AT geen markttoezichthouder maar een technische telecomtoezichthouder, met een afwijkend takenpakket dat tevens diverse uitvoeringstaken omvat en niet aansluit bij de primaire processen van de nieuwe toezichthouder. Denk bijvoorbeeld aan het voorkomen en opsporen van storingen, toezicht op radio- en randapparatuur en elektrische apparaten en inbreng van technische expertise in internationale frequentieonderhandelingen. Mogelijkheden voor synergiewinst door AT bij de samenvoeging te betrekken zijn zeer beperkt. Ten tweede is het verschil in juridische status van belang. De nieuwe toezichthouder krijgt een onafhankelijke positie (klein ZBO). In mijn brief van 23 februari 201112 heb ik reeds aangegeven dat sprake is van een nauwe interactie tussen beleid en uitvoering op het gebied van frequenties. Ook hecht uw Kamer, zoals aan de orde gekomen bij de schriftelijke behandeling13 van het wetsvoorstel ter wijziging van de Telecommunicatiewet in verband met de Nota Frequentiebeleid 2005, aan goede parlementaire betrokkenheid bij frequentieverdelingen. Ik acht het daarom niet wenselijk de taken van AT onder te brengen bij de nieuwe toezichthouder en daarmee dus op grotere afstand van de politiek te plaatsen.

Ook bij het Commissariaat voor de Media (CvdM), het College van Toezicht Auteursrechten, de Nederlandse Emissieautoriteit, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en de nieuwe Voedsel en Waren Autoriteit is geen sprake van markttoezicht. Zij worden dan ook niet in de samenvoeging betrokken. Zoals mijn ambtsvoorganger aangaf14, vereist convergentie in de markten voor elektronische communicatie en media wel goede samenwerking tussen OPTA, CvdM en AT waar deze organisaties raakvlakken hebben. De huidige goede samenwerking wordt vanzelfsprekend met de nieuwe toezichthouder voortgezet. Convergentie vereist in de eerste plaats een goede afstemming tussen het telecombeleid en het mediabeleid van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

DEEL 3: TIJDPAD

Ik streef ernaar de feitelijke samenvoeging uiterlijk per 1 januari 2013 te realiseren. Dan moet het juridische traject, dat voor de samenvoeging noodzakelijk is, zijn afgerond. Aanpassing van de wetgeving zal ik daarom spoedig na de zomer aanbieden aan de Ministerraad.

Zo spoedig mogelijk na 1 juni a.s. informeer ik uw Kamer over de resultaten van de stuurgroep die kijkt naar de inrichting van de nieuwe organisatie, de portefeuilleverdeling en het financieringsmodel. Tegelijkertijd informeer ik u over de resultaten van de ambtelijke werkgroep die de wenselijkheid van het betrekken van «marktmeestertaken» van de NZa bij de nieuwe toezichthouder beziet en de ambtelijke werkgroep die de mogelijkheden van stroomlijning van de primaire processen onderzoekt. Implementatie van de nieuwe organisatie, voor zover daarvoor geen aanpassing van wetgeving nodig is, kan vervolgens stapsgewijs vanaf het derde kwartaal van 2011 plaatsvinden. Daarbij dient prioriteit te worden gegeven aan de bedrijfsvoering en de backoffice van ConsuWijzer.

Aanpassing van wet- en regelgeving om inhoudelijke aanpassingen in het primaire proces aan te brengen, wordt parallel opgestart. Dit zal naar verwachting meer tijd vergen, daarom wordt deze wetgeving in een later stadium aan de Ministerraad aangeboden. Bij deze aanpassing zullen waar mogelijk en opportuun de aanbevelingen uit de evaluaties van de OPTA in 2009, de NMa in 2010 en de CA en de Elektriciteitswet 1998 en Gaswet in 2011 (waarbij efficiënt toezicht en vermindering van toezichtlasten centraal staat) worden meegenomen, voor zover dat nog niet in eerdere wetswijzigingen is gebeurd.

De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Bijlage Overzicht wettelijke taken NMa, OPTA en CA

De NMa houdt toezicht op naleving van:

  • 1. de Mededingingswet, o.b.v. artikel 5 van die wet;

  • 2. het EG Verdrag o.b.v. verordeningen 1/2003 en 139/2004, o.b.v. artikel 88 van de Mededingingswet;

  • 3. de Elektriciteitswet 1998 en verordening nr. 1228/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 juni 2003, betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit (PbEG L 176), o.b.v. artikel 5 van de Elektriciteitswet 1998;

  • 4. de Gaswet en verordening (EG) nr. 1775/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 september 2005 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (PbEU L 289), o.b.v. artikel 59 van de Gaswet;

  • 5. de Wet personenvervoer 2000, o.b.v. artikel 87, vierde lid, van die wet;

  • 6. de Spoorwegwet, o.b.v. artikel 70 van die wet;

  • 7. de Wet luchtvaart, o.b.v. Titel 8.4 van die wet;

  • 8. de Loodsenwet, o.b.v. artikel 45b van die wet;

  • 9. de Scheepvaartverkeerswet o.b.v. de artikelen 14a en 15b van die wet;

  • 10. de Wet implementatie rechtsbeschermingsrichtlijnen aanbesteden, o.b.v. de artikelen 13 t/m 16 van die wet;

  • 11. de Wet op het financieel toezicht op o.b.v. artikel 5:88 van die wet.

De OPTA houdt krachtens de Wet Onafhankelijke Post en Telecommuncatie Autoriteit toezicht op naleving van:

  • 1. de Postwet, o.b.v. artikel 37 van die wet;

  • 2. de Telecommunicatiewet, o.b.v. artikel 15.1, derde lid, van die wet;

  • 3. verordening (EG) nr. 2887/2000 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 december 2000 inzake ontbundelde toegang tot het aansluitnetwerk (PbEG L 336/4);

  • 4. verordening nr. 717/2007 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 juni 2007 betreffende roaming op openbare mobiele telefoonnetwerken binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten (PbEU L 171).

De Consumentenautoriteit is belast met:

  • 1. handhaving van de wettelijke bepalingen bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage bij de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc);

  • 2. optreden als Verbindingsbureau in Nederland, als bedoeld in artikel 3 onderdeel d van verordening 2006/2004;

  • 3. optreden als bevoegde autoriteit bij intracommunautaire inbreuken op een van de wettelijke bepalingen, bedoeld in de onderdelen a en b van de bijlage van de Whc;

  • 4. coördinatie van activiteiten van communautair belang, administratieve samenwerking en verslaglegging, artikelen 16, 17 en 21 van verordening 2006/2004;

  • 5. informatieloket consumentenrecht voor consumenten én bedrijven.


X Noot
1

Kamerstukken II, 2010–2011, 31 490, nr. 54.

X Noot
2

Kamerstukken II, 2010–2011, 24 095, nr. 268.

X Noot
3

Directie Toezicht Energie (later Energiekamer) is vanaf 2005 een directie van de NMa.

X Noot
4

Per 1 oktober 2009 zijn de Energiekamer en de Vervoerkamer samengegaan tot de Directie Regulering Energie en Vervoer (DREV).

X Noot
5

Kamerstukken II, 2009–2010, bijlage 19 bij Kamerstuk 32 359, nr. 1.

X Noot
6

Kamerstukken II, 2005–2006, 27 831, nr. 15. De Kaderstellende visie op toezicht wordt in 2011 geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd in 2012.

X Noot
7

Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 XIII, nr. 47.

X Noot
8

Kamerstukken II, 2010–2011, 24 036, nr. 377.

X Noot
10

Evaluatie van de NMa 2010 (Kamerstukken II, 2010–2011, 24 036, nr. 377).

X Noot
11

Het privaat fundament duidt op checks and balances op het gebied van consumentenbescherming buiten het publieke consumententoezicht. Denk daarbij aan consumentenbelangenorganisaties en acties die zij ondernemen, zelfregulering en initiatieven vanuit het bedrijfsleven, geschillencommissies en ook civielrechtelijke acties geïnitieerd door consumenten, individueel of collectief.

X Noot
12

Kamerstukken II, 2010–2011, 24 095, nr. 270.

X Noot
13

Kamerstukken II, 2010–2011, 31 412, nrs. 27 en 28; 2008–2009, 31 412, nrs. 10 en 11.

X Noot
14

Kamerstukken II, 2009–2010, 32 123 XIII, nr. 47; 2008–2009, 24 095, nr. 235.