Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 22, pagina 58-66

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten ter implementatie van richtlijn nr. 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PbEU L 133/66) (32339).

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van harte welkom.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. De implementatie van de consumentenkredietrichtlijn in onze wetgeving heeft tot doel de goede werking van de interne markt te verbeteren, de verschillen in wetgeving op dit punt tussen lidstaten weg te werken en de consumenten te beschermen. De VVD-fractie onderschrijft het belang van de bescherming van consumenten tegen onduidelijke, misleidende of gestapelde kredieten. De harmonisering en uniformering van de wetgeving in de EU is daarbij een goede stap vooruit. De verplichte precontractuele informatie, de uniforme contracten en de inzichtelijkheid en maximering van kosten zullen een positief effect op de markt hebben. Misschien zullen de Nederlandse kredietaanbieders hier zelfs hun voordeel mee doen, in concurrentie met de kredietaanbieders uit de andere lidstaten.

De VVD-fractie heeft wel een paar opmerkingen en vragen, allereerst over de administratieve lasten. Het is bekend dat de VVD zeer kritisch is over administratieve lasten die samenhangen met wet- en regelgeving. De VVD betreurt dan ook dat het bedrijfsleven aanzienlijke invoeringskosten zal moeten dragen bij de invoering van deze wet. Volgens de vorige minister werden de eenmalige invoeringskosten begroot op 130 mln. Daarnaast zal sprake zijn van forse jaarlijkse administratieve lasten. De VVD-fractie vraagt de staatssecretaris daarom om in het voorproces in Europa bij andere en soortgelijke richtlijnen nadrukkelijk toe te zien op de administratieve lasten. Die lasten moeten zo laag mogelijk zijn en zo laag mogelijk blijven.

Ik kom nu bij de implementatie. De wetgeving had in juni van dit jaar gereed moeten zijn. Althans, dat draagt de richtlijn ons op. Die termijn is niet gehaald. Wanneer zal de wetgeving uiteindelijk worden ingevoerd? Is nog nadere wetgeving vereist, bovenop wat nu al wordt voorgesteld? Wanneer moeten vervolgens alle aanbieders van kredieten aan deze wetgeving voldoen? De VVD-fractie heeft van de Nederlandse Vereniging van Banken begrepen dat de Nederlandse banken al klaar zijn met de implementatie en dat de wetgeving in feite nu al door de banken wordt uitgevoerd. Daar zit wat dat betreft dus geen enkel invoeringsprobleem. Dat geldt echter niet voor de financieringsmaatschappijen, zoals de VVD-fractie van hen heeft begrepen. Wanneer moeten de financieringsmaatschappijen, die de wetgeving dus nog niet hebben ingevoerd, klaar zijn voor deze wetgeving? Krijgen zij van de staatssecretaris nog de tijd om aan die regels te voldoen?

Dan een aantal vragen over de praktijk die onvoldoende beantwoord zijn in de schriftelijke procedure die aan dit debat vooraf is gegaan. Er zijn twee belangrijke issues. Allereerst het herroepingsrecht van consumenten. Als een financieringsovereenkomst wordt herroepen – in de wetgeving is geregeld dat dit kan binnen een termijn van veertien dagen – geldt die herroeping dan ook voor de onderliggende koopovereenkomst of andere overeenkomst waarvoor die financiering werd gevraagd? De kredietverleners met wie de VVD-fractie heeft gesproken, achten het ter bescherming van de verkopers van goederen of diensten van groot belang dat de onderliggende overeenkomst niet automatisch ontbonden wordt. Dit zou naar hun mening leiden tot een met twee weken uitgestelde levering – dan wacht je namelijk met leveren totdat die termijn van twee weken voorbij is – ofwel tot de situatie dat de geleverde goederen na twee weken gebruik misschien moeten worden teruggeleverd, omdat binnen die termijn van twee weken de herroepingstermijn wordt gebruikt. Een simpel voorbeeld is de aankoop van een auto. Je koopt als consument een auto en je vraagt daarbij financiering, omdat je de auto niet anderszins kunt betalen. Als je binnen de termijn van twee weken de financieringsovereenkomst herroept omdat je ontdekt dat je de maandelijkse last niet kunt voldoen, heb je vervolgens al wel twee weken in die auto gereden. Die situatie is voor de leverancier van die auto buitengewoon onwenselijk.

Consumenten herroepen hun financiering echter natuurlijk niet voor niets. Zij hebben waarschijnlijk inderdaad problemen om aan de verplichtingen van de financiering te voldoen of vinden het bij nader inzien toch helemaal niet verstandig. Als zij dan niet automatisch de koopovereenkomst kunnen herroepen of een andere overeenkomst die aan de financiering ten grondslag ligt, hebben zij wel de auto gekocht, maar zijn zij vervolgens de noodzakelijke financiering voor de betaling daarvan kwijt. Is in dat geval de consumentenbescherming wel voldoende geregeld? De minister heeft hier in het voortraject ook al iets over gezegd, maar vrij omfloerst. Wat is nu de bedoeling? Vervalt na de invoering van deze wet de onderliggende overeenkomst bij de financiering wel of niet, als de consument de financiering herroept?

Het volgende punt vloeit hieruit voort. Je kunt je voorstellen dat de leverancier van de auto waar ik net al over sprak, bepaalt dat de ontbinding van de koopovereenkomst niet kan worden ingeroepen zodra de financieringsovereenkomst wordt herroepen. Een dergelijke contractuele bepaling is denkbaar. De financiers vragen aan de Kamer om aan de staatssecretaris de expliciete uitspraak te ontlokken dat dit mag. Zij willen dus dat zij inderdaad tegen de consumenten mogen zeggen: ook als u de financieringsovereenkomst herroept, blijft deze koopovereenkomst in stand. Dit geeft de zekerheid die de leveranciers van bijvoorbeeld een auto willen hebben. Voor de kredietverleners lost dit het probleem op, maar creëert dit op zijn beurt onzekerheden en risico's voor de consument. Die kan in dat geval helemaal nooit meer van de koopovereenkomst voor bijvoorbeeld de auto af. Kan de staatssecretaris heel helder zijn uitleg van de wetgeving en de richtlijn met betrekking tot deze twee punten geven?

De voorzitter zal met vreugde horen dat ik nu op mijn een-na-laatste punt kom, namelijk de privacy. De richtlijn en dus de voorliggende wet regelen ook de toegang tot de kredietregistratiedatabanken in alle lidstaten. In ons geval is dat het Bureau Krediet Registratie oftewel het BKR. Doordat de kredietaanbieders de mogelijkheid hebben om deze databanken te benaderen, kunnen zij ervoor zorgen dat er geen stapeling van de kredieten plaatsvindt. De VVD kan dit doel onderschrijven, maar vraagt zich daarbij het volgende af. Hoe controleert een kredietaanbieder in de praktijk dat er geen stapeling is? Moet een aanbieder van krediet naar elke individuele kredietregistratiedatabank in elke lidstaat kijken om er zeker van te zijn dat deze ene persoon niet al meerdere kredieten heeft? Ik weet overigens dat het voorstel voor een centrale Europese databank het onder meer om privacy-redenen niet heeft gehaald in het Europees Parlement.

De VVD-fractie wil bovendien graag weten hoe de persoonsgegevens worden beschermd. Wie heeft er toegang tot de persoonsgegevens? Hoe lang kan of mag de informatie door de aanbieders in andere landen worden bewaard? De VVD heeft zich in recente Kamervragen zeer kritisch uitgelaten over de werking van het BKR. De VVD is namelijk van mening dat de consequenties van een registratie te verstrekkend zijn, zeker in die gevallen waarin de registratie betrekking heeft op kleine tekortkomingen in de nakoming van overeenkomsten, zoals het niet betalen van een telefoonrekening. Ziet de staatssecretaris aanleiding in deze implementatie van het beleid om dit bij wetgeving te herzien?

Ten slotte nog een kort woord over de hypotheek. Dit wetsvoorstel heeft geen betrekking op hypotheek. Weet de staatssecretaris wanneer een voorstel voor een richtlijn met betrekking tot hypotheek in Europa zal worden behandeld? Neemt hij dan ook het verzoek van de VVD-fractie mee om ervoor te zorgen dat de implementatie van de richtlijn en de wetgeving niet tot hogere lasten zal leiden?

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA):

Voorzitter. Vandaag is een belangrijke richtlijn aan de orde. Deze richtlijn streeft ernaar om consumenten meer bescherming te bieden bij kredietverlening in internationaal verband. Het CDA juicht dit toe. Het doel van deze aanscherping is om meer en betere bescherming te bieden tegen overkreditering. Van de 11,8 miljoen mensen met een krediet heeft momenteel namelijk 6,6% moeite om te voldoen aan de betalingsafspraken. Wij hebben het in dit kader over ruim 750.000 mensen die problemen hebben met de afbetaling van hun schulden. De schuldenproblematiek grijpt diep in levens in; in het dagelijkse leven van mensen. Wij moeten ervoor zorgen dat die problematiek wordt voorkomen en dit heeft voor mijn fractie hoge prioriteit. Het is in dit soort gevallen beter om te voorkomen dan te genezen. Wat je vooraf kunt regelen, moet je vooraf ook regelen. Die verantwoordelijkheid hebben de kredietverstrekkers, die moeten staan voor verantwoord lenen. De consumenten moeten zich goed bewust zijn van de risico's die zij lopen als zij lenen. De overheid moet voor goede wet- en regelgeving zorgen op dit gebied.

De voorliggende richtlijn streeft naar aanscherping en harmonisatie binnen Europees verband. De informatie moet beter. De communicatie moet objectiever en toegankelijker. De toetsing van de kredietwaardigheid kan scherper. Tot slot moeten de contractuele afspraken helder vastgelegd worden. Een van de lessen van de kredietcrisis is toch dat er niet zomaar weer geld geleend moet kunnen worden, ongeacht het bedrag. Deze richtlijn kan dan ook een bijdrage leveren aan het verdere herstel van vertrouwen in de financiële sector. Hieraan hecht het CDA bijzondere waarde. Kan de staatssecretaris nog eens aangeven op welke wijze hij denkt dat deze richtlijn bijdraagt aan herstel van vertrouwen in de financiële sector? Wordt het al bij al wat strenger en kunnen mensen minder of beter krediet krijgen? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Het CDA is voorstander van verdere internationale harmonisatie. Dat moge duidelijk zijn. Wij zijn echter tegen kopwetgeving in het kader van de richtlijnen; kopwetgeving die ons vestigingsklimaat verslechtert, kopwetgeving die meer gaat kosten en die nauwelijks toegevoegde waarde kent. Het tegendeel, een level playing field, is dan nog veel verder weg. Dat is niet wenselijk wat mijn fractie betreft. Voor mijn fractie is niet duidelijk waar kopwetgeving binnen deze richtlijn van toepassing is en wat de toegevoegde waarde daarvan is. Ik bedoel dat de kosten tegen de baten moeten opwegen. Kopwetgeving kan natuurlijk ook liggen in lagere wetgeving. Die kennen wij nog helemaal niet. Graag een toelichting van de staatssecretaris op dit onderdeel.

De richtlijn biedt in artikel 16, vierde lid, de lidstaten de mogelijkheid om bij uitzondering een hogere vergoeding voor rechtstreeks met vervroegde aflossing verband houdende kosten toe te staan. Er is binnen deze richtlijn voor gekozen om dat voor kredieten boven de € 75.000 te doen. De reden die hiervoor gegeven wordt, is dat de kredietverstrekker ook kosten maakt. Ik begrijp de redenering, maar mijn fractie denkt hier ietsje genuanceerder over. Drempels opwerpen bij het extra vervroegd aflossen is, zeker in de huidige tijdgeest, wat mijn fractie betreft niet gewenst. Internationaal wordt gemiddeld 4% afgelost. Wij hier in Nederland lossen nog geen 2% af.

In hoeverre denkt de staatssecretaris dat door deze drempel op te werpen consumenten niet worden gestimuleerd om extra af te lossen? Sterker nog, die worden eigenlijk gehinderd. Is de staatssecretaris het met de CDA-fractie eens dat beleid gevoerd moet worden om dat juist te bevorderen?

De administratieve lasten gemoeid met deze richtlijn zijn fors. De totale eenmalige nalevingskosten zijn maar liefst 130 mln. Dat is een enorm bedrag. Het gaat hierbij voornamelijk om de extra precontractuele informatie. Wie gaat dit betalen? Kunnen deze kosten toch niet wat verder teruggebracht worden? Biedt de richtlijn voldoende toegevoegde waarde om al deze extra kosten te rechtvaardigen? Hoe kijkt de sector hier tegenaan? Heeft die alternatieven aangedragen om de administratieve kosten verder te drukken? Graag een reactie van de staatssecretaris.

Een ander aan dit wetsvoorstel verbonden belangrijk aspect is de vraag wat er gebeurt met de koopovereenkomst van een met krediet gekocht goed als een consument binnen twee weken afziet van de financieringsovereenkomst. De voorgaande spreker heeft er ook over gesproken. De CDA-fractie heeft hierover eerder vragen gesteld aan het kabinet. De antwoorden zijn onvoldoende duidelijk over de gevolgen van de ontbinding. De niet-eenduidige interpretatie van de toenmalige minister zwakt immers het ontbindende karakter van de koopovereenkomst af. Deze onzekerheid is niet gewenst, gezien de belangen van de consumenten en de ondernemingen. Veel goederen, met name duurdere goederen zoals auto's en keukens, worden gefinancierd met consumptief krediet. Ook VNO-NCW en de Vereniging van Financieringsondernemingen stellen vast dat de interpretatie van de toenmalige minister onduidelijk is. Dit leidt tot ongewenste potentiële drempels in het economische verkeer. Is de staatssecretaris het met mij een dat het duidelijker moet zijn dat de invoering van de nieuwe wetgeving niet tot onduidelijkheden moet leiden over de juridische kracht van een koopovereenkomst? In de praktijk kunnen heel rare situaties ontstaan. Denk aan het voorbeeld van een consument die een badkamer koopt, financiert en direct laat plaatsen. De eerdere antwoorden van de minister geven aan dat in dergelijke situaties de koop van de inmiddels geplaatste badkamer teruggedraaid moet worden als de consument afziet van het financieren. Is de staatssecretaris het met mij eens dat de consumenten en detaillisten in de koopovereenkomst rechtsgeldig moeten kunnen overeenkomen dat een eventuele ontbinding van de financieringsovereenkomst niet leidt tot ontbinding van de koopovereenkomst? Kan de staatssecretaris garanderen dat de consumenten en detaillisten vooraf met rechtskracht kunnen afspreken wat er gebeurt met een overeenkomst als de financieringsovereenkomst wordt ontbonden?

De heer Van der Steur (VVD):

Maakt de collega van het CDA de keuze dat de consument op dat punt geen bescherming moet worden gegeven? Dat begrijp ik immers uit haar woorden. Zij kiest duidelijk het standpunt dat de voorkeur moet worden gegeven aan de leveranciers van de producten of de kredietaanbieders.

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA):

Wij huldigen het standpunt dat hierover duidelijkheid moet komen. Er moeten afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden tussen consument en leverancier of detaillist. Ik denk dan vooral aan goederen die verplaatst worden en "custom made" worden zodra zij de winkel verlaten. Er kunnen dan aanvullende afspraken gemaakt worden om beide belangen op evenwichtige wijze een rol te laten spelen in het economische verkeer.

De wetgeving betreft slechts een deel van de implementatie van de richtlijn in het Nederlandse wet- en regelgevingskader. Naast de wijziging in het Burgerlijk Wetboek zijn ook omvangrijke aanpassingen aangekondigd in het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen, de Wet op consumptief krediet, de Wet financieel toezicht en de lagere regelgeving. Door de vele onduidelijkheden is het voor de sector onmogelijk, zo heb ik begrepen, om de richtlijn in zijn totaliteit op deze wijze te implementeren. Wil de staatssecretaris toezeggen dat er een ruime implementatieperiode zal zijn vanaf het moment dat alle betreffende regelgeving rond deze richtlijn definitief is?

Mogelijk komt er een FIN-NET, een Europees klachtennetwerk. Dit is een aanvulling op ons eigen, bestaande Kifid. Dat is ook een klachtennetwerk, maar dan op nationaal gebied. Is dit nog nuttig? Wat is hier precies de toegevoegde waarde van? Gaan mensen hiervan echt gebruikmaken? Gaan wij klagen in België en de Belgen hier? Graag krijg ik een toelichting van de staatssecretaris. Hoe ziet hij dit?

De heer Plasterk (PvdA):

Voorzitter. Anders dan de vorige twee sprekers ben ik buitengewoon positief en enthousiast over dit wetsvoorstel, dus de regering kan toch nog rekenen op enige steun van de Kamer. Ik vind dit een mooi voorstel, omdat het beoogt een einde te maken aan een hoop oplichterij, waar consumenten last van hebben. Voorbeelden van websites zijn www.beetjemeer.com, www.extraatje.com, www.vliegendgeld.com en www.instantgeld.com. Dit zijn websites waarop je binnen tien minuten een hoop geld kunt krijgen, veel meer dan je je kunt veroorloven. De rente op jaarbasis komt echter uit rond de 50%. Deze websites adverteren bovendien met het feit dat er geen krediettoezicht is, zodat niemand kijkt of je je dit soort leningen kunt veroorloven.

Het wetsvoorstel is aanvankelijk voorbereid door minister Bos van het vorige kabinet en wordt nu door dit kabinet naar de Kamer gebracht. Het betreft de uitvoering van een Europese richtlijn, die niet alleen in Nederland, maar in heel Europa ingevoerd zal worden.

De heer Van der Steur (VVD):

De heer Plasterk zegt net dat je ervoor moet zorgen dat je geen geld uitgeeft als je je dat niet kunt veroorloven. Ik had begrepen dat de PvdA daar juist een groot voorstander van was!

De heer Plasterk (PvdA):

Dit is een categorie jij-bakken waarop ik geen reactie hoef te geven.

Ik ben blij dat dit wetsvoorstel beoogt te voorkomen dat mensen zich nodeloos in de nesten werken. Dat is een serieuze kwestie. Er zijn mensen die hun leven ruïneren doordat zij voor duizenden of tienduizenden euro's leningen aangaan zonder dat iemand kijkt of zij wel kredietwaardig zijn. Ik vind het verstandig dat door dit kabinet een einde wordt gemaakt aan die oplichterij; want dat is het, door de hoge rentes! Vanaf het moment dat deze wet ingaat, zal er toezicht zijn op dit soort flitskredieten en sms-leningen. Ik ga ervan uit dat de sites die dit tot op heden aanbieden, dat vanaf dat moment niet meer kunnen doen. Immers als je niet meer dit soort woekerrentes kunt vragen maar maximaal slechts 15%, is het als kredietverstrekker ook niet meer de moeite waard om dit soort risico's te nemen.

Ik heb nog een paar vragen. Kan de regering garanderen dat die websites uit de lucht gaan op de dag dat dit in het Staatsblad staat? Kan de staatssecretaris garanderen dat de AFM die websites vanaf die dag zal blokkeren? Is het wellicht mogelijk om de websites die hiermee nog bezig zijn, er nu al op te wijzen dat ze daarmee binnenkort moeten stoppen? Kan de staatssecretaris hen nu al te sommeren dat te doen?

Het is goed dat dit een Europese richtlijn is die dus niet alleen in Nederland wordt ingevoerd, maar ook in onze buurlanden. Op welk moment zal dit beleid in werking treden in Duitsland en België? Kunnen wij voorkomen dat mensen via een sms een vergelijkbaar bedrag in België of Duitsland lenen op de dag dat het scherm hier op zwart gaat?

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA):

De heer Plasterk vraagt de staatssecretaris te garanderen dat er niets meer op internet komt van www.nog-wat-en-nog-wat. Wil de heer Plasterk dit in internationaal verband verbieden? Nederland heeft dit als kopwetgeving ingeboekt in deze richtlijn, maar ik zou niet weten hoe hij de staatssecretaris kan opdragen om dit ook in internationaal verband te verbieden.

De heer Plasterk (PvdA):

Dat laatste vraag ik ook niet. Ik heb twee vragen gesteld. Er is een internationale richtlijn, een Europese richtlijn, die ertoe zal leiden dat dit in heel Europa wordt ingevoerd. De staatssecretaris confronteert de Kamer nu met een wet waarin staat dat Nederland uitvoering zal geven aan het Nederlandse deel van die richtlijn door dit in ieder geval in Nederland bij wet te verbieden. Mijn eerste vraag was of de staatssecretaris kan garanderen dat op het moment dat die wet in werking treedt, het in Nederland niet gebeurt. Mijn tweede vraag was natuurlijk niet of de staatssecretaris dit kan bewerkstelligen in België of Duitsland. Het was een informatieve vraag, namelijk of hij weet op welk moment de collega's in België en Duitsland hetzelfde zullen doen om te voorkomen dat er opeens een druk grensverkeer zal ontstaan.

Mevrouw Blanksma-van den Heuvel (CDA):

Het gaat mij om het internet. Hoe kan worden bereikt dat op internet geen reclame meer wordt gemaakt voor www.flitskredieten en dergelijke? Hoe kan dit worden geweerd in ons internetverkeer? Dat was toch de vraag van de heer Plasterk?

De heer Plasterk (PvdA):

Laat ik die vraag ten dele doorgeleiden naar de staatssecretaris. De wet heeft betrekking op het aanbod in Nederland. Ik ga ervan uit dat het erom gaat, de kredietverstrekkers in Nederland door deze wet hiervan te weerhouden. Binnen Europa hebben wij alleen de werking van deze richtlijn. Dus als iemand iets via het internet in bijvoorbeeld Singapore kan bereiken, kunnen wij dat in Nederland niet voorkomen. Dit lijkt mij een vraag voor de staatssecretaris.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog, want wij lopen echt uit de tijd.

De heer Plasterk (PvdA):

Ik heb zelf maar kort gesproken. Ik laat het hierbij.

De voorzitter:

Dank u, dat ga ik meer doen.

De heer Bontes (PVV):

Voorzitter. Voor ons ligt de richtlijn kredietovereenkomsten voor consumenten. De vraag is of Nederland daaraan behoefte heeft. Het lijkt meer op vergaande harmonisatiedrift van de Europese Unie. Feit is en blijft dat de richtlijn geïmplementeerd dient te worden; wij moeten er dus mee aan de gang. De vraag is wel of de interne markt hiermee wordt bevorderd. Dat moet in de praktijk blijken. Aan de andere kant, de richtlijn moet geïmplementeerd worden.

Ik heb hierover een paar vragen. Geeft de richtlijn dezelfde mate van bescherming voor Nederlanders die in het buitenland geld lenen? Is er voldoende toezicht? Je kunt wel zeggen dat er regels worden gesteld en dat die ook gelden in het buitenland, maar is het toezicht ook hetzelfde? Kunnen wij de Nederlandse consument voldoende beschermen?

Voorheen moest de consument op voorhand de voorlichting opvragen. Nu wordt de voorlichting vooraf standaard verstrekt. Is dat niet "overdone"? Welke kosten zijn daarmee gemoeid? Is dit niet een extra lastenverzwaring, ook voor de financieringskantoren en de banken?

Een ander punt is de periode van twee weken onzekerheid, die al een paar keer is aangestipt. De financieringsovereenkomst kan in die periode worden herroepen. Dit heeft gevolgen voor de koopovereenkomst. Kan er een uitgebalanceerde, duidelijke regeling komen waarin zowel de belangen van de consument als van de detailhandel worden meegenomen? Kan de staatssecretaris garanderen dat er sprake is van een gelijk speelveld, een level playing field, bij de implementatie? Het kan niet zo zijn dat het in Nederland al voor elkaar is, terwijl men in het buitenland nog moet beginnen met de implementatie. Wij moeten wat dat betreft onze financieringskantoren en banken niet op achterstand zetten. Een en ander moet tegelijk worden ingevoerd in de hele EU.

De heer Plasterk (PvdA):

Ik heb een korte vraag aan de heer Bontes. Ik krijg langzamerhand de indruk dat ik de enige ben die positief is over dit voorstel. Ik wil daarom via u, voorzitter, de heer Bontes vragen: vindt u het goed dat de regering de situatie probeert te voorkomen dat een consument met een flitskrediet of een sms-lening € 10.000 of € 20.000 schuld op zich neemt, door dergelijke zaken onder het financieel toezicht te brengen? Of zegt u: wij zijn van de vrijheid, en als iemand € 20.000 wil lenen, moet hij dat zelf weten?

De heer Bontes (PVV):

De primaire verantwoordelijkheid voor het lenen van geld ligt natuurlijk bij de consument. Laat dat glashelder zijn. Agressieve reclame en de mogelijkheid om te gemakkelijk geld te lenen zijn natuurlijk niet goed. In Nederland is de zaak redelijk op orde, maar hoe weten wij nu dat hetzelfde niveau van toepassing is op Nederlandse consumenten die in het buitenland geld lenen? Daar ben ik niet positief over.

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt; dat hebt u zojuist al gedaan. Dat kan ik mij goed herinneren.

Het woord is aan mevrouw Karabulut.

Mevrouw Karabulut (SP):

Voorzitter. Er wordt jaarlijks voor meer dan 10 mld. aan consumentenkrediet verstrekt in de vorm van leningen en uitstel van betaling. Met honderdduizenden mensen gaat het helaas niet goed, want zij lenen te veel en komen er niet meer uit. Daarom is het zo belangrijk dat mensen beschermd worden tegen foute leningen. Naast de eigen verantwoordelijkheid die deze mensen uiteraard hebben, hebben kredietverstrekkers ook een zorgplicht. De overheid is er om dit alles te reguleren en te handhaven.

De EU-richtlijn die wij vandaag bespreken en die in de Nederlandse wet wordt verwerkt, beoogt naast de interne marktwerking ook mensen te beschermen bij het sluiten van kredietovereenkomsten. Dat is goed. Het probleem voor een Tweede Kamerlid met een richtlijn is alleen dat je er altijd beperkt iets over te zeggen hebt. Een lidstaat is verplicht een richtlijn in te voeren. Er is maar heel beperkte ruimte om iets in te brengen. Deze richtlijn gaat daarin heel ver. De richtlijn schrijft namelijk volledige harmonisatie voor. Dit betekent dat lidstaten de mensen niet een hoger niveau van consumentenbescherming mogen bieden dan in deze richtlijn is bepaald. De wetten op dit terrein moeten in alle lidstaten hetzelfde zijn. Dat vindt de SP-fractie een slechte zaak. Natuurlijk is het goed dat er regels gaan gelden voor het verstrekken van kredieten aan consumenten in andere EU-lidstaten, maar het ontgaat mij waarom er per se sprake moet zijn van volledige harmonisatie.

Wanneer wij als belangrijkste uitgangspunt van deze regels de bescherming van de mensen voorop zouden stellen, zou Nederland voortaan in Europa moeten pleiten voor minimumharmonisatie. In elke lidstaat gelden dan dezelfde minimumgrenzen voor consumentenbescherming, waarbij het wordt toegestaan om meer bescherming te bieden. Mijn vraag aan de staatssecretaris is, waarom Nederland daar niet voor kiest als het gaat om consumentenbescherming. Welke mogelijkheden heeft Nederland om in de toekomst tenminste te pleiten voor regels voor consumentenbescherming die ieder land minimaal moet invoeren, waarbij Nederland, maar ook de andere lidstaten, de bevoegdheid houden om af te wijken en bijvoorbeeld meer bescherming te bieden? Ik vrees dat ik het antwoord op deze vraag ook wel weet: het belangrijkste doel van deze richtlijn is niet het beschermen van de consument, maar het bevorderen van de werking van de interne markt, want zo kennen wij Europa ook wel weer. Het gaat om concurrentie tussen bedrijven – kredietverstrekkers in dit geval – die het handig vinden wanneer in Europa dezelfde regels gelden.

Nu begrijp ik dat in dit geval de richtlijn geen verslechtering is van de bescherming die consumenten in Nederland nu al genieten. Dat is voor nu goed. Maar wat gebeurt er als de Europese Commissie straks initiatieven gaat nemen die wel ten koste gaan van de consumentenbescherming in Nederland? Kan Nederland dan nog zeggen: dat willen wij niet? Ik vrees van niet en ik zou zeggen: staatssecretaris, verzin een list.

Er zitten ook positieve kanten aan deze richtlijn. De SP vindt het goed dat kredietverstrekkers voortaan verplicht zijn veel betere en vollediger informatie te geven in kredietreclames. Ook wordt de informatieverstrekking voorafgaand aan het sluiten van het contract verzekerd. De consument krijgt het recht om een kredietovereenkomst voor onbepaalde tijd kosteloos te beëindigen en het recht om deze zelfde overeenkomst binnen veertien dagen te herroepen. Dat zijn allemaal positieve elementen, maar ik heb nog wel een paar kritische vragen over onderdelen van de richtlijn.

Ik kom aan het onderwerp kredietregistratie. De SP vindt het heel belangrijk dat mensen zichzelf niet diep in de schulden steken. Dat is niet goed voor de mensen zelf, maar uiteindelijk is het ook niet goed voor de maatschappij, omdat de kosten daarvan op ons allemaal worden afgewenteld. Kredietverstrekkers hebben niet voor niets een zorgplicht wat betreft overkreditering en moeten een kredietwaardigheidstoets uitvoeren. Dat betekent dat zij iemand moeten toetsen op zijn inkomen en op de vraag of hij de lening uiteindelijk wel kan terugbetalen.

Wanneer je de mogelijkheden om in andere landen te gaan lenen uitbreidt, is het de vraag hoe dit zich verhoudt tot de Nederlandse zorgplicht. Hoe houd je in de gaten dat diverse leningen van een consument in verschillende landen, alles bij elkaar opgeteld, misschien onverantwoord hoog zijn? Het is dus belangrijk dat de zorgplicht met de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument in alle landen gaat gelden. De richtlijn schrijft ook voor dat dat moet: alle lidstaten moeten in de wet opnemen dat aanbieders van krediet verplicht zijn om, alvorens een krediet te verstrekken, te toetsen of het past bij de financiële positie. Dus in Polen gaat het bedrijf dat mij geldt leent, beoordelen of dat verantwoord is. Dat gebeurt ook in Griekenland en Finland.

Maar hoe gaat dat gebeuren en gaat dat goed gebeuren? De richtlijn zelf stelt namelijk weinig inhoudelijke eisen aan de kredietwaardigheidsbeoordeling. Klopt het dat de beoordeling van de kredietwaardigheid met daarbij gehanteerde normen een nationale bevoegdheid blijft en dat de eisen wel degelijk per lidstaat kunnen verschillen?

In de memorie van toelichting op pagina vijf staat dat de exacte inhoud van de informatieverplichtingen en de uitvoeringsvoorschriften nader zullen worden uitgewerkt in een besluit. Zullen die normen afwijken van de huidig geldende kredietwaardigheidsnormen en, zo ja, hoe? Kan de staatssecretaris ons daarover informeren? Is het denkbaar dat met de onderhavige richtlijn wij in de toekomst de bindende kredietwaardigheidsnormen strenger gaan maken? Mag dat in de toekomst nog wel? Is de staatssecretaris bereid ons vooraf te informeren over de uitwerking van de normen, zodat wij zo nodig kunnen meedenken en meehelpen?

Is het overigens mogelijk dat consumenten die hier worden afgewezen omdat ze onvoldoende draagkracht hebben om leningen terug te betalen, straks elders wel krediet krijgen? Moeten buitenlandse kredietverstrekkers in Nederland zich houden aan de Nederlandse zorgplicht en kredietwaardigheidsnormen? Of worden Nederlandse consumenten die bij buitenlandse aanbieders in Nederland aankloppen, beoordeeld volgens de regels die in dat land gelden? Houd de AFM ook toezicht op naleving van deze regels door buitenlandse kredietverstrekkers?

Ik kom nu aan de flitskredieten. De heer Plasterk van de PvdA had het daar ook al over. Door deze richtlijn worden ook flitskredieten onder de wet gebracht. Komt daar ook toezicht op? Hoe werken die flitskredieten? Je stuurt een sms'je en binnen een paar minuten heb je € 500 op je rekening staan, maar je betaalt wel een woekerrente van zo'n 600% per jaar. Daar gaat een einde aan komen. Die rentes worden overigens anders benoemd, bijvoorbeeld als leenkosten of transactiekosten of nog andere creatieve termen. Ik heb herhaaldelijk vragen hierover gesteld. De vorige minister had al gezegd dit in de richtlijn te gaan regelen. Maar gaan echt alle onderdelen van de maximale kredietvergoeding en alles wat dit soort verstrekkers aan transactiekosten of wat voor termen ze ook bedenken, onder de regeling vallen? Op tv hebben ze al aangekondigd dat ze de richtlijn gaan ontduiken en dat er mazen in de wet zitten. Kan de staatssecretaris dat uitsluiten? Is de maximumkredietvergoeding niet nog altijd veel te hoog als het gaat om dit type leningen?

Ik kom aan het laatste punt. Mijn fractie heeft gevraagd naar de gevolgen van de richtlijn voor een mogelijk verbod op leenreclames. Wij weten allemaal dat het probleem van de irritante leenreclames van Frisia, waarin werd gezegd dat je lekker een keukentje kon nemen voor weinig, zichzelf heeft opgelost door het DSB-debacle. Wij hadden echter wel degelijk een punt te pakken. Begrijp ik goed dat deze richtlijn een verbod niet in de weg staat? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen het initiatiefwetsvoorstel dat mevrouw Blanksma en de heer Spekman hebben aangeboden aan de Kamer? Wij hebben dat nog niet behandeld. Aan mevrouw Blanksma en de heer Spekman vraag ik of wij die wet snel gaan behandelen.

De voorzitter:

Ik ben een beetje streng met de spreektijden omdat tot gisteren alleen de heer Van der Steur zich had aangemeld. Op basis van de aanmeldingen maak ik een agenda. Daarom zijn de spreektijden kort. Ik verzoek iedereen dat serieus te nemen, want om 21.00 uur staat een ander debat geagendeerd.

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik heb heel erg mijn best gedaan, voorzitter.

De voorzitter:

Ik prijs u zo, mevrouw Karabulut. Ik kom daar nog op terug, ik denk voor het kerstreces.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Er zijn heel veel vragen gesteld door de Kamer, in een hoog tempo. Ik hoop dat mijn medewerkers in dat hoge tempo een aantal van die vragen kunnen uitwerken. Ik ben er verheugd over dat wij hier vandaag kunnen spreken over het wetsvoorstel waarmee de richtlijn over kredietovereenkomsten voor consumenten wordt geïmplementeerd. Ik deel de vreugde die de heer Plasterk daarover uitsprak. Hiermee wordt naar mijn oordeel een belangrijke stap gezet om consumenten beter te beschermen als zij geld willen lenen. Ik zou er in het bijzonder drie verbeteringen uit willen lichten.

Het wetsvoorstel leidt ertoe dat de consumentenbescherming bij kortlopende kredieten, zoals flitskredieten, wordt verbeterd. In reactie op opmerkingen van de heer Plasterk en mevrouw Karabulut zeg ik dat de implementatie van de richtlijn er inderdaad toe leidt dat alle wetgeving gaat gelden voor flitskredieten.

De regels voor kredietreclame en de verstrekking van informatie over de kredietvoorwaarden en de kosten worden uitgebreid. De consument hoort deze informatie tijdig voor het sluiten van de kredietovereenkomst te ontvangen. Dit stelt de consument naar mijn oordeel in staat om aanbiedingen van verschillende kredietgevers te vergelijken om weloverwogen te kiezen of hij geld gaat lenen of niet en, zo ja, bij wie, in Nederland of in het buitenland. Ik kom hier op terug bij de beantwoording van de vragen.

De regels in de Wet op het consumentenkrediet over de vorm en inhoud van de kredietovereenkomst worden vervangen door een bredere regeling in het Burgerlijk Wetboek. Een aanvulling op de huidige regels is bijvoorbeeld dat de consument het recht heeft om de kredietovereenkomst binnen veertien dagen te herroepen. Een consument die na het sluiten van de krediet­overeenkomst spijt krijgt, kan zich straks dus nog bedenken. Dat heeft een aantal complicaties waarop ik nader zal ingaan bij de beantwoording van de vragen.

Het gevolg van de richtlijn is dat in de hele Europese Unie dezelfde regels zullen gelden voor kredietgevers en voor consumenten. Voor de Nederlandse kredietgevers wordt het daarmee makkelijker om ook aan consumenten uit andere EU-landen een lening aan te bieden. Zo kan een Nederlandse kredietgever ervan uitgaan dat hij de precontractuele informatie die hij in Nederland gebruikt ook kan gebruiken in andere EU-landen. Hij zal deze precontractuele informatie slechts hoeven te vertalen in de taal van het land waar hij dat krediet wil aanbieden.

De consument kan er tegelijkertijd op vertrouwen dat hij overal in de Europese Unie dezelfde bescherming geniet. Ook wordt het voor hem eenvoudiger om aanbiedingen van verschillende kredietverstrekkers uit eigen land of uit andere EU-landen met elkaar te vergelijken en de voor hem meest gunstige aanbieding te kiezen. De richtlijn en het wetsvoorstel – dat is echt een voordeel, ik deel het optimisme op dit punt van de heer Plasterk – brengen dus voordelen met zich mee voor zowel de consument als de handelaar. Dat wil echter niet zeggen dat er totaal geen problemen zijn.

Ik zal nu ingaan op de gestelde vragen. Er is een groot aantal vragen gesteld. Ik zal daar met de nodige voortvarendheid doorheen gaan. De heer Van der Steur vroeg of ik in het voorproces in Europa bij andere richtlijnen nadrukkelijk wil toezien op de administratieve lasten ervan. Mevrouw Blanksma heeft daar ook een aantal opmerkingen over gemaakt. Ik vind dat in wetgeving op het terrein van consumentenrecht steeds sprake moet zijn van een juist evenwicht tussen het belang van de consument bij een hoog niveau van consumentenbescherming en het belang van het bedrijfsleven bij het voorkomen van onnodige regeldruk. Tussen die twee belangen moet steeds een evenwicht gevonden worden. Nederland heeft hier bij de onderhandelingen in Europa ook steeds aandacht voor gevraagd. Nu gebeurt dit, om een voorbeeld te noemen, ook bij de onderhandelingen over de nieuwe richtlijn betreffende consumentenrechten.

Een tweede vraag van de heer Van der Steur is wanneer de nieuwe wetgeving in werking zal treden. Worden daarnaast – zo heb ik de vraag althans begrepen – vaste verandermomenten in acht genomen? De implementatietermijn van de richtlijn is al verstreken. Daarom is het belangrijk – een aantal woordvoerders heeft dit ook opgemerkt – dat de nieuwe regeling zo spoedig mogelijk na de afronding van het wetgevingstraject in werking kan treden. De bij de Wft behorende lagere regelgeving zal binnenkort ter advisering aan de Raad van State worden toegezonden. Mevrouw Blanksma stelde hierover een vraag. Deze regelgeving zal gelijktijdig met de nieuwe wetgeving in werking treden. Er zal dus niet worden aangesloten bij vaste verandermomenten; dat hoeft ook niet bij implementatiewetsvoorstellen.

Om de branche de gelegenheid te geven om al in een vroeg stadium op de nieuwe wetgeving te anticiperen, is in de voorbereidende fase uitvoerig overlegd met de praktijk. Naar het oordeel van beide departementen – ik spreek ook namens de minister van Financiën – is men er klaar voor om met de nieuwe regelgeving te gaan werken.

De heer Van der Steur heeft gevraagd wat de nalevingskosten, de lasten, zijn die verbonden zijn aan het wetsvoorstel. Wordt de branche een overgangstermijn gegund? Hoe verhoudt zich dit met de inmiddels verstreken implementatietermijn? Dat knelt inderdaad, zoals de eerste spreker terecht opmerkte. De richtlijn brengt mee dat de regels voor kredietreclame en de verstrekking van informatie over de kredietvoorwaarden en de kosten worden uitgebreid en dat de regels over de vorm en inhoud van de kredietovereenkomst worden vervangen door een bredere regeling in het Burgerlijk Wetboek. Kredietgevers en bemiddelaars in financiële diensten en producten zullen dus een eenmalige investering moeten doen om bedrijfsprocessen hierop aan te passen. Ja, de banken zijn hier inderdaad ver mee. Een aantal sprekers sprak hierover. Bij de financieringsmaatschappijen is echter nog wel een slagje – ik wil niet zeggen: een slag – te maken. Daarnaast brengt de nieuwe regelgeving ook structurele nalevingskosten mee, omdat kredietgevers op basis van de nieuwe regelgeving vaker informatie zullen moeten verstrekken die, meer dan nu het geval is, toegesneden moet zijn op de voorkeuren van de consument. Mevrouw Karabulut sprak hier ook over in haar termijn. Dat betekent dus dat de consument maximaal bediend moet worden als het om dat soort zaken gaat; een en ander moet op maat gesneden zijn.

In de voorbereidende fase is uitvoerig overleg gevoerd met de branche, en niet alleen met de banken. Naar het oordeel van het kabinet is dan wel invoering van de nieuwe regelgeving op korte termijn nodig. Gelet hierop is het niet nodig om de branche nog een extra overgangstermijn te geven waarin men kan wennen aan de nieuwe wetgeving. Ik denk overigens dat dit ook in Europa niet uit te leggen zal zijn. Immers, de implementatietermijn van de richtlijn is inmiddels verstreken, dus Nederland staat al een beetje op oranje, om het zo maar te zeggen.

Stel dat een zaak wordt gekocht met een consumentenkrediet. Wat gebeurt er dan als de consument het krediet binnen veertien dagen herroept? Komt er nog nadere wetgeving? De heer Van der Steur sprak hierover, net als mevrouw Blanksma-van den Heuvel. Als de consument de koop van een product financiert met een consumentenkrediet, dan is sprake van een zogenaamde gelieerde kredietovereenkomst. De vraag naar de gevolgen van deze koopovereenkomst bij herroeping van de daarmee gelieerde kredietovereenkomst laat de richtlijn aan de lidstaten.

Nu is daar wel wat rechtspraak over van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat als twee overeenkomsten zo nauw met elkaar zijn verbonden, dit met zich kan brengen dat de ontbinding van de ene overeenkomst noodzakelijkerwijs leidt tot ontbinding van de andere. Ik moet weliswaar toegeven dat het in de genoemde rechtspraak gaat om een geval waarin de koop wordt ontbonden, waarmee de kredietovereenkomst eindigt. Dat is dus de omgekeerde situatie. Ik zie mevrouw Blanksma knikken. De rechtspraak is echter zo algemeen geformuleerd als je kijkt naar deze arresten, dat het omgekeerde naar mijn oordeel hier ook onder valt. In de situatie waarin de kredietovereenkomst binnen veertien dagen wordt herroepen, zal het zo zijn dat ook de koopovereenkomst wordt ontbonden. De herroeping van het krediet leidt dan dus tot ontbinding van de koopovereenkomst. Dat is ook in overeenstemming met de strekking van de richtlijn.

De gedachte dat ondanks herroeping van de krediet­overeenkomst de daarmee verbonden koopovereenkomst in stand zou kunnen blijven, komt bovendien in strijd met de strekking van het in de richtlijn aan de consument toegekende herroepingsrecht. Als je er anders over denkt, zou je de hele richtlijn overhoop gooien.

Stel, de consument kan niet contant een bepaalde aankoop doen. Hij heeft daarvoor krediet nodig. Bedenkt hij zich, dan zou hij een contante koopovereenkomst overhouden die hij niet kan financieren, zoals het lid Van der Steur terecht signaleert. Dit is dan ook inderdaad niet de bedoeling van de richtlijn. Een aantal leden heeft gevraagd hoe dit dan moet; het handelsverkeer wordt dan immers belemmerd. Mevrouw Blanksma-van den Heuvel en de heer Van der Steur hebben hierover opmerkingen gemaakt. Daarop kun je het volgende zeggen. Als je het goed dat je wilt kopen, snel uit de winkel of uit de showroom wilt hebben, moet je het contant kopen. Dan heb je dit soort problemen allemaal niet. Als je er als consument echter voor kiest om te financieren, en als je weet dat er een herroepingstermijn is, dan weet ook de verkoper dat, en dan moet daarmee in het handelsverkeer rekening worden gehouden.

Ik wil nadrukkelijk nog hierop wijzen: de regeling is van dwingend recht, zoals ook blijkt uit artikel 7.73/artikel 22 van de richtlijn. Met de consument kan dan ook niet in de onderliggende koopovereenkomst worden afgesproken dat in geval van herroeping van de kredietovereenkomst de koopovereenkomst in stand blijft. Dat kan dus niet bij afzonderlijk recht worden afgesproken; het is doodeenvoudig dwingend recht. De richtlijn laat ook niet toe dat ik op dit punt met nadere nationale regelgeving kom, zo zeg ik mede in antwoord op andere vragen van een aantal leden. Het is dit of het is niets. Daar zitten wij een beetje mee. De heer Plasterk heeft dat terecht al aangegeven.

Hoe eindigt de koopovereenkomst, zo vroeg de heer Van der Steur. De koopovereenkomst eindigt doordat de consument de koopovereenkomst ontbindt. Dit kan eenvoudig door een schriftelijke verklaring. Dat volgt uit het algemene verbintenissenrecht.

De heer Van der Steur vroeg verder – ook anderen hebben daarvoor aandacht gevraagd – hoe de persoonsgegevens bij het BKR worden beschermd. Het BKR is een onafhankelijke stichting en de gegevens die bij het BKR worden geregistreerd zijn alleen in te zien door degenen over wie de gegevens gaan, de partijen die registreren. Zoals men weet, hanteert het BKR de normale bewaartermijn van vijf jaar. De Wet bescherming persoonsgegevens regelt de privacybescherming in Nederland en komt dus ook op voor de regeling van deze privacy. Op registratie bij Bureau Krediet Registratie is deze wet, met alle waarborgen die er al gelden in het Nederlands recht, van toepassing. Betrokkenen kunnen zich bij klachten over de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens dus bijvoorbeeld richten tot het College bescherming persoonsgegevens.

De heer Van der Steur vroeg voorts wanneer er in Europa regelgeving met betrekking tot hypotheken wordt behandeld. Daarover heeft hij ook een opmerking gemaakt. De Europese Commissie is inderdaad een traject gestart dat "Responsible Lending and Borrowing" heet. Dit traject gaat met name over hypotheken. De Europese Commissie is bezig zich voor te bereiden op dit onderwerp, maar het is op dit moment nog niet duidelijk wanneer de Commissie komt met een concreet voorstel voor een richtlijn. Wij hebben dit even nagetrokken; het kan mogelijk al begin volgend jaar zijn. Verdere behandeling is dan aan het voorzitterschap van de Raad. Vanaf januari zal dat Hongarije zijn. De Kamer wordt uiteraard op tijd geïnformeerd over dat BNC-fiche.

Wat zijn de totale nalevingskosten? Dat was ook een vraag van de heer Van der Steur. Eenmalig bedraagt het totaal ongeveer 131 mln. Men kan dat vinden op de pagina's 5 tot en met 8 van de memorie van toelichting. Jaarlijks is het ongeveer € 23.000; dat valt eigenlijk nog wel mee.

Mevrouw Blanksma heeft gevraagd hoe dit kan bijdragen aan het herstel van vertrouwen in de financiële sector. Deze vragen liggen eigenlijk meer op het gebied liggen van de minister van Financiën, zo zeg ik tot mevrouw Blanksma. Het kabinet deelt de zorg van de CDA-fractie met betrekking tot overkreditering. Door deze richtlijn kunnen consumenten juist beter beschermd worden. Ik noemde een aantal voorbeelden: het belang van de kredietwaardigheidstoets, de opmerkingen die in de richtlijn zijn gemaakt over de reclameregels en zeker ook het onder toezicht en maximum kredietvergoeding brengen van de zogenaamde flitskredieten. De heer Plasterk vroeg aandacht voor deze vorm van krediet met een korte looptijd via sms of internet.

Mevrouw Blanksma vroeg of het wetsvoorstel nationale koppen bevat en of dat allemaal wel nodig is. Een nationale kop is naar het oordeel van het kabinet aan de orde als bij de implementatie van de richtlijnen beleidsmatige toevoegingen of uitbreidingen worden opgenomen die niet direct voortvloeien uit de richtlijn. Dit wetsvoorstel bevat geen nationale koppen. Wel is in een aantal gevallen, mevrouw Karabulut sprak daar ook over, gebruik gemaakt van de uitdrukkelijk in de richtlijn toegestane beleidsruimte, maar daarbij is geen sprake van een nationale kop. Zo is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een aantal kredietovereenkomsten, zoals kredieten boven de € 75.000 die in artikel 2 van de richtlijn zijn uitgesloten, wel onder het toepassingsbereik van de regeling van consumentenkrediet te brengen. Ook is de ruimte die de richtlijn biedt, benut om nadere regels te stellen ten aanzien van vergoedingen die in rekening kunnen worden gebracht bij vervroegde aflossing van kredieten boven de € 75.000. Mevrouw Blanksma vroeg waarom voor die uitbreiding gekozen is. Ze sprak ook over de vervroegde aflossing. Bij kredieten boven de € 75.000 moeten banken het krediet veelal eerst zelf aantrekken bij een andere financiële instelling. Als de consument het krediet aflost, brengt dit extra kosten met zich mee voor de bank. Daarom acht het kabinet die vergoeding wel redelijk.

De heer Van der Steur en mevrouw Blanksma hebben nadrukkelijk stilgestaan bij de vraag wat er met een koopovereenkomst gebeurt als je een auto koopt met een consumentenkrediet. Die wordt meteen ontbonden, maar dat kan in de praktijk wel leiden tot belemmering van het handelsverkeer. De autobranche heeft daar ook aandacht voor gevraagd. De heer Plasterk is daar overigens wat minder bang voor. Je zou het ook zo kunnen bekijken. Een nieuwe auto moet eerst rijklaar worden gemaakt. Als je even wacht met het afleveren van de auto en hem veertien dagen laat staan, is het probleem van de herroepingstermijn getackeld. Bij een tweedehands auto of een ander goed zou je het zo kunnen zien. Als zo'n auto de showroom uitrijdt, daalt hij op dat moment al in waarde. Het lijkt niet helemaal reëel om die waardedaling volstrekt ten laste te laten komen van de verkoper. Die verkoper kan echter ook rekening houden met de implementatie van deze richtlijn. Als hij denkt dat het risico te groot is en er niet contant betaald wordt, doet hij er verstandig aan te anticiperen op die herroepingstermijn. Dat is de lijn die het kabinet hierin zou willen volgen. We willen het handelsverkeer niet belemmeren, maar wel de nodige voorzichtigheid aan de kant van de verkoper bepleiten. Mevrouw Blanksma weet inmiddels al dat dit dwingend recht is en dat we dat dus niet anders kunnen regelen. Partijen kunnen het niet anders afspreken.

Mevrouw Blanksma vroeg of FIN-NET nuttig is. Kifid is aangesloten bij FIN-NET. FIN-NET biedt coördinatie bij grensoverschrijdende geschillen. De kans daarop is natuurlijk wel groter door internationale kredieten. We denken dat FIN-NET inderdaad wel nut heeft naast de andere regelingen.

De heer Plasterk vroeg uitgebreid aandacht voor de flitskredieten. Kan na inwerkingtreding van de wet geen flitskrediet meer worden aangeboden in Nederland? Hij heeft eigenlijk zelf het antwoord gegeven. Flitskredieten moeten aan dezelfde regels voldoen als andere kredieten. Ze worden dus niet verboden en worden ook niet van de site gehaald. Bedrijven die flitskredieten willen aanbieden op de Nederlandse markt, zullen hun producten en bedrijfsvoering moeten aanpassen aan de straks geldende regels. Daaruit volgt automatisch dat ze vanzelf van de markt zullen verdwijnen. Volgens mij is de heer Plasterk met dit antwoord ook tevreden.

De aanbieders hebben tot de inwerkingtreding van de wet nog tijd voor aanpassingen. Overigens is de aanpassing van de regels op het flitskrediet al aangekondigd in augustus 2009, dus de aanbieders hebben voldoende tijd gehad voor de aanpassingen. De AFM is klaar voor toezicht zodra de wet in werking treedt. Aanbieders op de Nederlandse markt zijn goed vindbaar, aangezien zij zelf hun best doen om te worden gevonden. Volgens mij kan de AFM ze dan ook makkelijk vinden. Misschien is dat op zichzelf al een reden, zo zeg ik tegen de heer Plasterk, waarom die aanbieders vanzelf van die sites verdwijnen. Dan hebben wij het probleem opgelost.

De heer Bontes heeft gevraagd hoe het staat met de implementatie van de richtlijn in andere landen. Wij moeten rekening houden met het level playing field. Het kan toch niet zo zijn dat het in Nederland allemaal goed gebeurt en in andere landen niet? Volgens de laatste informatie, afkomstig van de Europese Commissie, hebben enkele lidstaten de implementatie van de richtlijn nog niet voltooid. Ook Polen, Cyprus, Luxemburg en Zweden hebben vertraging opgelopen, net als Nederland. Maar dan hebben alle lidstaten op dezelfde manier de implementatie geregeld.

De heer Bontes maakte nog een opmerking over een goede regeling voor het consumentenkrediet. Dat is niet alleen in het voordeel van de consument, maar ook in het voordeel van de verkoper van bijvoorbeeld een auto. De verkoper krijgt zo de kans om een auto te verkopen. Heeft de consument geen geld, dan betaalt hij niet. Daarom is het in het belang van de verkoper, in het belang van de handel en in het belang van de maatschappij dat de consument niet achterblijft met de koopovereenkomst omdat hij die niet kan nakomen wegens geldgebrek. Ik heb er al over gesproken: ontbinden en herroepen van de kredietovereenkomst betekent automatisch ook dat de koopovereenkomst zal worden ontbonden.

Mevrouw Karabulut heeft een aantal opmerkingen gemaakt die ik zo heb opgevat – zo zullen ze niet zijn bedoeld – dat zij niet zo enthousiast is over richtlijnen. Wij zitten er alleen wel mee. Er is over gesproken en wij gaan ze wel invoeren. Sommige leden van uw Kamer zijn er blij mee en andere niet, maar wij moeten het wel doen. Dat is een gegeven.

Mevrouw Karabulut heeft gevraagd of volledige harmonisatie hier nog nodig is. De richtlijn gaat uit van een volledige harmonisatie, waardoor in de hele EU dezelfde regels zullen gelden voor het consumentenkrediet. Voor een Nederlandse kredietgever wordt het daardoor makkelijker om ook aan consumenten uit andere EU-landen een lening aan te bieden, omdat die zich slechts aan één set regels behoeft te houden in plaats van de 27 rechtssystemen waarmee hij nu te maken heeft. Het wordt dus eenvoudiger voor de aanbieder en tegelijkertijd krijgt de consument overal dezelfde bescherming. Volledige harmonisatie heeft natuurlijk wel een keerzijde, want op de terreinen die volledig zijn geharmoniseerd mogen de lidstaten geen verdergaande maatregelen handhaven of introduceren. Het is daarom belangrijk dat steeds een goede afweging wordt gemaakt tussen de noodzaak en wenselijkheid van volledige harmonisatie en de behoefte om nog nationale beleidsruimte te behouden. In dit geval heeft volledige harmonisatie vooral belangrijke voordelen voor zowel de consument als de handelaar. Daarom vind ik volledige harmonisatie op het terrein van consumentenkrediet in beginsel heel passend. Verder vind ik het van belang dat er in de richtlijn op belangrijke punten beleidsruimte voor de lidstaten is gelaten. Zo mogen lidstaten bijvoorbeeld nog steeds zelf beslissen of zij de kredietvergoeding willen maximeren. Gezien de implementatietrajecten in de 27 lidstaten, maken zij daar in de praktijk ook gebruik van.

Mevrouw Karabulut heeft gevraagd of de kredietwaardigheidstoets ook internationaal zou moeten zijn. Gaat de lagere regelgeving dan afwijken van de huidige en welke normen moeten worden gehanteerd in die kredietwaardigheidstoets? Dat schrijft de richtlijn voor. Ook buitenlandse aanbieders moeten die toets uitvoeren. Een kredietwaardigheidstoets in het buitenland geldt ook voor producten die zijn verstrekt op de Nederlandse markt en ook voor buitenlandse aanbieders. Dus als buitenlandse aanbieders op de Nederlandse markt opereren, gelden diezelfde normen. Lagere regelgeving met betrekking tot kredietwaardigheid wordt dus in lijn gebracht met de huidige regels. Het grootste deel van die bescherming wordt op dit moment al ingevuld door de gedragscode van banken, want ook banken vragen daar aandacht voor.

De voorzitter:

Dan gaan wij naar een afronding.

Mevrouw Karabulut (SP):

De toets op de kredietwaardigheid, dus of iemand een lening terug kan betalen, is iets anders dan de norm. Ik begrijp van de staatssecretaris dat de normen die wij hanteren om die toets uit te voeren in heel Europa hetzelfde zijn en dat dus alle ondernemingen, zowel Nederlandse als buitenlandse, daaraan gehouden zijn. Is dit juist?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, ik heb geprobeerd uit te leggen – blijkbaar ben ik daar niet duidelijk in geweest – dat de kredietwaardigheidstoets voor producten op de Nederlandse markt geldt. Of dat dan Nederlandse of buitenlandse aanbieders zijn die producten op de Nederlandse markt aanbieden, maakt niet uit. Het gebeurt in Nederland overal op dezelfde wijze. Dat heb ik erover gezegd. U breidt die vraag echter uit naar het buitenland. U zult begrijpen dat, als wij nog 4 landen te gaan hebben en er al 23 hebben gehad, die normen inderdaad niet in alle landen hetzelfde zullen zijn. Het is ook feitelijk onmogelijk om dat te bewerkstelligen.

De voorzitter:

Ik verzoek de staatssecretaris zijn betoog af te ronden.

Staatssecretaris Teeven:

Mevrouw Karabulut heeft nog gevraagd wat ik vind van het initiatiefwetsvoorstel van de leden Blanksma en Spekman over het gedeeltelijk verbod op kredietreclames. De vaste commissie voor Financiën heeft op 20 november van het vorig jaar verslag uitgebracht over dit wetsvoorstel. Sindsdien ligt de behandeling stil; daartoe kijk ik even naar mevrouw Blanksma. Het kabinet is benieuwd naar de beantwoording door de indieners. Dat wachten wij dus graag af. Tijdens de verdere parlementaire behandeling van het initiatiefwetsvoorstel zal het kabinet zijn mening daarover geven, maar de beurt is nu eerst aan de indieners.

Voorzitter. Ik denk dat ik hiermee alle vragen van de leden heb beantwoord.

De voorzitter:

Ik heb grote bewondering voor uw snelheid en voor die van de leden. Nu kijk ik rond en hoop ik heel erg dat er geen behoefte is aan een tweede termijn.

Mevrouw Karabulut (SP):

...

De voorzitter:

Ik help u wel herinneren aan het moment waarop u zich voor dit debat hebt aangemeld. Dat was vanmiddag!

Mevrouw Karabulut (SP):

Ik zal met u meewerken, want daar hebt u inderdaad een punt. Over dat heel belangrijke punt van zojuist heb ik nog een vraag aan de staatssecretaris.

De voorzitter:

Oké, een belangrijk punt voor de staatssecretaris.

Mevrouw Karabulut (SP):

Dank u wel, voorzitter! Kan de staatssecretaris de kredietwaardigheidsnormen zoals hij die nu in het besluit daarover aan het uitwerken is, naar de Kamer sturen? Bovendien wil ik weten of buitenlandse ondernemingen in Nederland een vergunning moeten hebben of niet. Als zij geen vergunning nodig hebben om krediet te verstrekken, moeten zij zich dan nog altijd aan die kredietwaardigheidsnormen en -toets houden?

Staatssecretaris Teeven:

De tweede vraag kan ik in die zin bevestigend beantwoorden dat buitenlandse aanbieders op de Nederlandse markt zich aan dezelfde normen moeten houden als Nederlandse aanbieders op de Nederlandse markt. Wat de eerste vraag betreft: als wij die zaken hebben uitgewerkt, zal ik de Kamer daarover nader informeren.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.