Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 19, pagina 4-6

Vragen van het lid Dibi aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over gemeenten die trouw de Marokkaanse wet uitvoeren als het gaat om de dubbele nationaliteit, ook als dat tegen de zin is van de ouders.

De heer Dibi (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. Er zitten twee vaders in de zaal – de een zit op de publieke tribune, de ander zit voor mij: ik zie hem nu even niet, maar het is mijn gewaardeerde partijgenoot El Fassed – die niet willen dat hun kinderen een Marokkaanse en een Jordanese nationaliteit krijgen. Zowel de Marokkaanse als de Jordanese autoriteiten weten geeneens van het bestaan van deze kinderen. Toch schrijven Nederlandse gemeenten deze kinderen in de gemeentelijke basisadministratie in met een dubbele nationaliteit. Mijn fractie wil niet dat gemeenten roomser zijn dan de paus en de Marokkaanse en Jordanese wetgeving trouw uitvoeren. Wij zijn natuurlijk geen brave schoothondjes. GroenLinks wil dat de keuzevrijheid van ouders en hun kinderen te allen tijde vooropstaat. Is de minister dat met mij eens?

Is de minister bereid om na dit debatje met de Tweede Kamer zo snel mogelijk een einde te maken aan deze rare praktijk, hoe ingewikkeld deze ook moge zijn gelet op de debatten die wij hierover eerder hebben gevoerd? En zo nee, waarom niet?

Is de minister bereid om ook na dit debat een brief te sturen naar alle Nederlandse gemeenten waarin hij zegt dat zij met onmiddellijke ingang moeten stoppen met het registreren van die dubbele nationaliteit, zeker als ouders dat expliciet aangeven?

Ten slotte vraag ik de minister om ervoor te zorgen het voor ouders van kinderen bij wie al een dubbele nationaliteit staat geregistreerd, mogelijk te maken om hiervan met terugwerkende kracht afstand te doen.

Dan maak ik nog een opmerking voor de duidelijkheid. Van GroenLinks mag iedereen een tweede paspoort hebben, maar zij moeten ook allemaal de mogelijkheid hebben om daarvan afstand te doen. Het draait allemaal om keuzevrijheid.

Minister Donner:

Voorzitter. De heer Dibi's betoog berust op een verkeerde vooronderstelling, namelijk dat ambtenaren hier de Marokkaanse wetgeving uitvoeren. Zij voeren de Nederlandse wetgeving uit. Zij zijn ingevolge de wet gehouden om nationaliteit te registreren, ook nationaliteiten die er eventueel naast de Nederlandse zijn. Dat is een bepaling in de wet. De essentie van de gemeentelijke basisadministratie is dat wat daarin wordt geregistreerd, niet ter vrije keuze staat van degene die daarin worden geregistreerd, want dan zouden ook allerlei andere dingen niet worden geregistreerd. Men kan ook zeggen: registreer voor mij niet de Nederlandse nationaliteit, maar een andere nationaliteit, waarvan dan niet nagetrokken kan worden of deze er is.

Kortom, de wetgever heeft de keuze gemaakt of men de nationaliteit wel of niet registreert in de GBA. Als de wetgever dat eist, en dat is de implicatie van de gemeentelijke basisadministratie, dan moet er geregistreerd worden. Daarmee zijn ook alle andere vragen beantwoord, dacht ik, tenzij de heer Dibi op dit punt een nieuw gedoogbeleid wil invoeren; dat de wetgever het ene zegt, maar we de ambtenaren het andere toestaan.

De heer Dibi (GroenLinks):

Als we dan kunnen afspreken dat al die andere gedoogafspraken ook teniet worden gedaan, graag, mevrouw de voorzitter.

Minister Donner:

Ik noteer u voor het drugsbeleid.

De heer Dibi (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. Ondanks alle juridische mist die minister Donner heeft opgeworpen, en daar is hij heel goed in als ex-minister van Justitie, weet hij donders goed waar ik het over heb. Volgens een aantal landen, onder andere Marokko, blijf je tot in de eeuwigheid een Marokkaan, terwijl ouders in Nederland hun kinderen gewoon als Nederlandse staatsburgers willen opvoeden. Ze willen best iets van de Marokkaanse cultuur meegeven, maar ook afstand kunnen doen van de nationaliteit die een staat ze opdringt. De minister weet ook donders goed dat dit debat al heel lang in de Kamer wordt gevoerd en dat dit in de samenleving veel gevoelens oproept. Ik vraag de minister nogmaals of hij bereid is, als het dan wettelijk verankerd is, die wet aan te passen, zodat ouders de keuzevrijheid krijgen om afstand te nemen van de nationaliteit. Is de minister bereid om na dit debat een brief te sturen naar de gemeenten om hier anders mee om te gaan, totdat die wet gewijzigd is?

Minister Donner:

Mevrouw de voorzitter. De heer Dibi krijgt in zoverre de gelegenheid voor dit punt dat er een voorstel wordt voorbereid voor een Wet basisregistratie personen als wijziging van de Wet GBA. Ik wijs erop dat dit niet een onderdeel is waarbij men ervoor kan kiezen om een nationaliteit die men niet wenst, niet te laten registreren. Bij de basisadministratie is de vraag of wat er geregistreerd wordt, ter keuze is van de betrokkene of niet. Dat is de vraag die voorligt. Dat geldt niet alleen voor de nationaliteit, maar voor alles wat men erin wil hebben. De enige keuze die de wetgever op dat punt heeft, is om te bepalen dat nationaliteit niet geregistreerd wordt in de GBA. Die keuze is aan de orde geweest bij de behandeling van de GBA. Ik zie geen aanleiding om de wet op dat punt te wijzigen. Zoals gezegd, de Kamer krijgt de gelegenheid om hierover te spreken wanneer dat voorstel er ligt. Laten we wel wezen, ook als we het niet registreren, blijft het kind de Marokkaanse nationaliteit hebben. Registratie verandert daar niets aan. Het is net als een spelletje dat ik weleens met mijn kleinkinderen speel; dat als ik mijn ogen dicht doe, zij niet meer bestaan, maar zo is het niet. Ook als wij het niet registreren, houdt het kind de Marokkaanse nationaliteit en blijft dat gewoon een feit. Uiteraard kan men ook afstand doen van een paspoort, maar men kan geen afstand doen van de nationaliteit. Daar kan de Nederlandse wetgever niets aan veranderen, maar dat is het gevolg van wat een buitenlandse wetgever doet.

Mevrouw Hennis-Plasschaert (VVD):

Voorzitter. Ik ben blij dat de VVD GroenLinks hier volledig vindt, als het gaat om de keuzevrijheid van de ouders, want die staat ook voor ons voorop. Eerlijk gezegd vind ik dat de minister inderdaad een beetje juridische mist optrekt. Ik vraag nog een keer of hij bereid is de Nederlandse wettelijke bepalingen te wijzigen en dus het ambtshalve toepassen van het nationaliteitsrecht van het betrokken land per direct te stoppen. Dat is waar het om gaat. Ik ga er ook vanuit dat de minister de gesprekken met de Marokkaanse regering voortzet over het afstand kunnen doen van een tweede nationaliteit. Is de minister het met ons eens dat het volstrekt onacceptabel is dat afdelingen burgerzaken in de praktijk de Marokkaanse nationaliteit, of welke andere dan ook, automatisch toekennen in de gemeentelijke basisadministratie? Symptoombestrijding of niet, ik verwacht dat de Nederlandse wet ouders keuzevrijheid geeft als het gaat om het registreren van een tweede nationaliteit.

Minister Donner:

Ik wil enige afstand nemen van wat nu voor de tweede maal wordt gezegd, namelijk dat ik juridische mist optrek, terwijl ik hier als minister van de Kroon de wet uitleg. Als men in de rechtsstaat zo wenst om te gaan met de regels die hier zijn vastgesteld, moet u niet vreemd opkijken als de mensen hierbuiten zich daar helemaal niets meer van aantrekken. De wet is de wet. Hier spreekt niet een oud-minister van Justitie, maar gewoon een minister. Als u wilt dat de rechtsstaat voorop staat – dat is hier ook een- en andermaal vastgelegd – houdt dat in dat de ministers in eerste instantie worden geacht om de wet toe te passen. Dat is op dit moment de wet.

Ten aanzien van de registratie geldt dat de wetgever heeft beslist dat de nationaliteit geregistreerd wordt. De wetgever heeft evenzeer het uitgangspunt vastgesteld dat datgene wat geregistreerd wordt, niet ter vrije keuze staat van de geregistreerde. Dat zijn de twee beginselen. Het gaat niet om het automatisch toepassen van de Marokkaanse wet of iets anders. Het gaat hier om gegevens over een kind dat geboren is. Volgens de bestaande verdragen en wetten heeft dat kind de status van Marokkaans onderdaan. We kunnen onszelf beperken door dat niet te registreren en door net te doen alsof wij het niet weten, maar het kind blijft die nationaliteit hebben. Daar veranderen wij niets aan. Het enige wat u hier aan de orde wilt stellen, is dus het beginsel of wij een gemeenschappelijke basisadministratie willen hebben waarin geregistreerden zelf mogen beslissen wat daarin geregistreerd wordt. Dat geldt dan immers niet voor één onderdeel, maar voor alle onderdelen. Dat zal niet het voorstel zijn van het kabinet, maar ik geef aan dat er een voorstel naar de Kamer komt. Dan kan de Kamer daarover spreken en dan kan de Kamer beslissen wat wijsheid is.

De heer Schouw (D66):

De ambtsvoorganger van deze minister heeft over deze kwestie op 24 november 2009 een brief naar de Kamer gestuurd. Ik zou de minister willen vragen om die brief te herzien op basis van twee nieuwe feiten. Het eerste nieuwe feit is dat een coalitiegenoot van deze regering het beleid gewijzigd wil hebben. Ik vraag de minister om daarop in te gaan. Het tweede nieuwe feit is een opmerking uit het regeerakkoord over denaturalisatie als mensen met een dubbel paspoort zich schuldig maken aan criminele activiteiten. Ik vraag de minister wat dit betekent voor het beleid dat zijn ambtsvoorganger uiteen heeft gezet in de brief van 24 november 2009.

Minister Donner:

In de befaamde roman 1984 van Orwell was het gebruikelijk om stukken uit het verleden aan te passen aan het heden, maar ik zie niet in dat het feit dat er nu een regeringscoalitie zit waarvan één van de partijen een standpunt inneemt, ertoe moet leiden dat de brief van 24 november herschreven moet worden. Dat is punt één.

Ik heb gezien dat ook in de kranten voornemens in het regeerakkoord en deze problematiek van de inschrijving van pasgeboren baby's in de gemeenschappelijke basisadministratie door elkaar worden gehaald. Ik kan u verzekeren dat er geen conflict is, tenzij het zojuist ingeschreven kind voor het bereiken van het vijfde levensjaar een misdrijf begaat waarop meer dan 12 jaar staat. Aangezien het strafrecht niet van toepassing is op kinderen beneden de 14 of 12 jaar, kan dit zich niet voordoen.

Mevrouw Karabulut (SP):

De minister lijkt er weer een beetje een lolletje en een juridische discussie van te maken.

Minister Donner:

Ik heb geen groter plezier dan hier te staan.

Mevrouw Karabulut (SP):

Het is echter een feit dat in het regeerakkoord staat dat dit kabinet de enkele nationaliteit wil bevorderen en dat het hier gaat om Nederlandse staatsburgers en Nederlandse kindjes die hier geboren worden. Als u dat wilt, minister, kunt u de wet aanpassen, opdat die kinderen niet worden geregistreerd als Marokkaan of bijvoorbeeld als Turks kindje, zodat zij niet in dienst hoeven en zodat de koning van Marokko niet bepaalt wat hij of zij moet doen.

Ik wil het volgende aan de minister vragen: wilt u zich alstublieft niet opstellen als verlengstuk van de koning van Marokko, en die wet aanpassen? En wilt u dan verdergaan en eindelijk die bemoeienis van de koning van Marokko met de Marokkaanse Nederlanders doen stoppen? En ik vraag het volgende aan VVD en CDA: als de minister dit blijft weigeren, gaan wij dit dan zelf regelen, steunt u dan een initiatief dat wij op dit punt zouden willen nemen?

Minister Donner:

Mevrouw Karabulut, twee dingen. Als wij in de wet zouden bepalen dat de nationaliteit niet moet worden geregistreerd, blijft de verhouding tussen het kind en de koning van Marokko bestaan zoals die is, want als gevolg van de wetgeving in Marokko is dit geen beslissing die ter beschikking staat van de wetgever in Nederland. U kunt ervan verzekerd zijn dat ik al het mogelijke zal doen, onder andere de discussie aangaan met Marokko, om te kijken of in deze situatie verandering kan worden gebracht. Ik heb begrepen dat ook in Marokko mogelijkheden bestaan om afstand te doen van nationaliteit. Dat zou een basis kunnen zijn om hier verder over te spreken.

Daarnaast geldt dat wij zuiver uit nationaal belang, uit het belang van het hebben van een gemeenschappelijke basisadministratie, hebben bepaald dat de gegevens daarin niet ter beschikking staan van degene die wordt geregistreerd. Als u geen vermelding wilt van nationaliteit, moet u die categorie schrappen uit de gemeenschappelijke basisadministratie. Dat is een keuze die de wetgever moet maken. Het zou betekenen dat wij onszelf op tal van punten uitermate onthand maken. Het kabinet zal dit niet voorstellen, want er is geen nationaal belang dat dit rechtvaardigt. Het enkele feit dat in deze registratie – terwijl er vele van dit soort registraties plaatsvinden – één iemand is die dit niet wil, is onvoldoende. Er zijn tal van gevallen waarin burgers ook niet willen dat hun adres in de gemeenschappelijke basisadministratie komt, of andere zaken. Het kabinet zal ook niet voorstellen dat die punten ter keuze komen van de geregistreerden.

De voorzitter:

Er is een vraag gesteld aan het CDA, dus ik geef het woord aan mevrouw Sterk.

Mevrouw Sterk (CDA):

Mevrouw Karabulut weet vast wel dat juist het CDA in het verleden vele vragen over deze materie heeft gesteld. In het verleden hebben wij ook, samen met de heer Dijsselbloem van de PvdA, de ontwikkeling van een initiatiefvoorstel op dit punt op ons genomen. Ik heb zonet kort overleg gehad. Het lijkt ons goed om te bekijken of we daarmee verder kunnen komen.

De voorzitter:

Wil de VVD hierover een standpunt innemen? Dat is niet het geval. Ik geef het woord aan de heer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Het debat hierover is tot nu toe juridisch zeer helder, maar politiekinhoudelijk wat mistig. Juridisch helder, omdat duidelijk is dat de toekenning losstaat van de registratie; we hebben het hier alleen maar over de registratie en die is niet bepalend voor de toekenning van de nationaliteit, want die wordt door het Marokkaanse recht bepaald. De inhoudelijke vraag is echter: in hoeverre is de registratie door Nederland van de Marokkaanse nationaliteit ook behulpzaam en dienstbaar voor de Marokkaanse overheid? Wil de minister daarop ingaan, want dat is voor onze meningsvorming hierover wel van belang.

Minister Donner:

Ik hoop dat de heer Van der Staaij mij goed begrijpt. Ook ik zou het liefst zo snel mogelijk de situatie bereiken dat het afstand doen van nationaliteit bij de persoon zelf ligt, behoudens de mogelijkheid van het ontstaan van staatloosheid. Dan is het nog de vraag of die bij de ouders ligt; ook naar Nederlandse wetgeving ligt het afstand doen van nationaliteit bij de persoon zelf immers pas na het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Met dit onderscheid zitten we dus ook in onze eigen wetgeving. Maar dat men, of men nu wil of niet, de nationaliteit krijgt, is een ongewenste situatie; daarover zijn wij het eens. Ik ben het daarom ook geheel eens met de vraag van mevrouw Sterk: wat kan er worden gedaan om daaraan een eind te maken?

Eventuele behulpzaamheid vloeit niet voort uit de registratie, maar uit de zaken die eerder aan de orde kwamen en waarover de brief van november ging, en wel of er door de Nederlandse burgerlijke stand informatie wordt doorgegeven aan het Marokkaanse consulaat over de geboorte van zo'n kind. Dat is niet het geval, dat is inderdaad beleid dat de Nederlandse overheid in de hand heeft. Daarover is heel duidelijk afgesproken dat het niet gebeurt: deze registratie leidt niet tot behulpzaamheid.

De heer Van Dam (PvdA):

Ik zou graag op dat punt door willen gaan. Laat ik eerst vragen of er volgens de minister voor ons ook verdragrechtelijke belemmeringen zouden zijn om de wet te wijzigen en die registratie te beëindigen. Mijn fractie heeft er al herhaaldelijk op aangedrongen dat iedereen wat ons betreft vrij zou moeten zijn om ervoor te kiezen de Marokkaanse nationaliteit af te staan als men dat wil.

Ouders die niet willen dat hun kind de Marokkaanse nationaliteit heeft, zullen de geboorte zelf ook niet doorgeven aan het Marokkaanse consulaat. De kern van de vraag is daarom: is het zo dat de Nederlandse bevolkingsadministratie de enige is die vastlegt dat dit kind de Marokkaanse nationaliteit heeft, omdat Marokko dat simpelweg niet weet?

Minister Donner:

De heer Van Dam wijst erop dat het consulaat in deze situatie niet geïnformeerd is. Als voorkomen had moeten worden dat het consulaat dit wist, hadden de ouders niet naar de krant moeten gaan. Door de krant weet men nu van dit geval. Dat doet er niet aan af dat wij niet het enige land zijn. Wij hebben een gemeentelijke basisadministratie. Er zijn landen die nationaliteit niet registreren. Dat is een keuze die men kan maken, maar waar ervoor wordt gekozen om dat wel te doen, neem ik aan dat er ook wordt geregistreerd op basis van de feitelijke toestand.

De heer Van Dam heeft ook gevraagd of Nederland kan bepalen dat afstand wordt gedaan van de Marokkaanse nationaliteit. Wij kunnen niet bij Nederlandse wet bepalen dat een wet van een ander land ongedaan wordt gemaakt in zijn rechtsgevolg. Die discussie is hier de hele tijd aan de orde. Ten slotte: kunnen wij op verzoek van de ouders bepalen dat de Marokkaanse nationaliteit niet wordt geregistreerd? Dat kan men bepalen, maar dat gaat over het fundamentele beginsel van de hele Wet gemeenschappelijke basisadministratie: kunnen geregistreerden zelf beslissen wat wel of niet wordt geregistreerd? Dat beginsel moet men dan aan de orde stellen. Dat komt aan de orde als we het opnieuw over de registratie van personen hebben.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Hoorde ik de minister net zeggen dat ouders niet naar een krant mogen gaan als er sprake is van een inbreuk op hun persoonlijke vrijheid?

Minister Donner:

Neen, dat heeft de heer El Fassed mij niet horen zeggen. Het gaat er nu om dat men niet vreemd moet opkijken dat het consulaat dit weet als men deze situatie in de krant zet. Voor het overige betwijfel ik of de Marokkaanse overheid weet van de geboorte van dit kind.