Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-2004nr. 34, pagina 2388

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het debat over het verslag van een algemeen overleg over het RAZEB/IGC, te weten:

- de motie-Timmermans c.s. over de positie van het EP in de jaarlijkse begrotingsprocedure (21501-02, nr. 506).

(Zie vergadering van 4 december 2003.)

De voorzitter:

Voordat wij over de motie stemmen, geef ik gelegenheid tot het afleggen van stemverklaringen vooraf.

De heer Van Dijk (CDA):

Voorzitter. Het CDA is altijd voorstander geweest van het opheffen van het onderscheid tussen verplichte en niet-verplichte uitgaven waardoor het Europees Parlement ook zeggenschap zou krijgen over het totaal van de begroting, onder andere de landbouwuitgaven. Daaraan houden wij onverkort vast. De bevoegdheden van het Europees Parlement over de totale begroting mogen niet minder worden dan in het huidige interinstitutionele akkoord. Evenwel, het CDA wil evenwicht tussen de Europese instellingen inzake de zeggenschap over de begroting. Dat wil zeggen: unanimiteitsbesluitvorming over de financiële meerjarenperspectieven en geen vermindering van de bevoegdheden van het EP bij de jaarlijkse begroting. Dus zijn wij tegen het tiebreakmechanisme, zoals de regering dat in haar brief heeft uiteengezet. Dat evenwicht komt niet tot uitdrukking in de motie-Timmermans c.s., reden waarom wij genoodzaakt zijn, tegen te stemmen. Zo hoeft geen onduidelijkheid te ontstaan over het CDA-standpunt over dit onderwerp.

In stemming komt de motie Timmermans c.s. (21501-02, nr. 506).

De voorzitter:

Ik constateer dat de aanwezige leden van de fracties van de SP, GroenLinks, de PvdA en D66 voor deze motie hebben gestemd en die van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.