Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2003-2004nr. 34, pagina 2384-2387

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

De overige ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Op verzoek van de fractie van D66 benoem ik in de Themacommissie Technologiebeleid het lid Van der Laan tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacature.

Het woord is aan de heer Depla.

De heer Depla (D66):

Voorzitter. Mede namens mijn collega Vendrik vraag ik om het verslag van het algemeen overleg over frequenties dat op 3 december jl. is gehouden, op de agenda van de Kamer te plaatsen.

De voorzitter:

Ik stel aan de Kamer voor, aan dit verzoek te voldoen en het verslag van dit algemeen overleg toe te voegen aan de agenda van deze week of die van volgende week.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Noorman-den Uyl.

Mevrouw Noorman-den Uyl (PvdA):

Voorzitter. Afgelopen vrijdag heb ik schriftelijke vragen gesteld aan de heer De Geus, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over zijn plan om charitas te bedrijven voor minima, met inzet van ambtenaren van het ministerie. Mijn fractie heeft zich daarover zeer verwonderd. Onderdeel van die vragen was het uitdrukkelijke verzoek om vóór 09.00 uur vanmorgen daarop antwoord te geven, mede in het belang van verdere behandeling van het onderwerp deze week.

Tot mijn grote verbazing heeft de minister laten weten dat hij niet van plan is om op deze vragen te antwoorden. Ik kan mij uit de tijd dat ik in de Kamer zit, niet herinneren dat vragen die door de voorzitter zijn doorgeleid, niet worden beantwoord. Daarom vraag ik de voorzitter om het daarheen te leiden dat de minister de schriftelijke antwoorden op de vragen vóór 16.00 uur vanmiddag aan de Kamer toestuurt.

Verder vraag ik de voorzitter om, als dat aan de orde mocht zijn, in de agenda ruimte te maken voor een regeling van werkzaamheden.

De voorzitter:

Ik stel aan de Kamer voor om aan het verzoek inzake de beantwoording van de vragen te voldoen. Deze vragen zijn door mij doorgelaten in mijn verantwoordelijkheid voor het goedkeuren van vragen. De vragen zijn gesteld en mevrouw Noorman stelt prijs op beantwoording daarvan, met een limiet gericht op de tweede termijn van de behandeling van de begroting van het ministerie van SZW. Ik stel voor, het stenogram van dit gedeelte van de vergadering door te geleiden naar het kabinet, in het bijzonder naar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Naar de klok kijkend, voeg ik hier voor mijn rekening aan toe dat de wereld niet vergaat als de Kamer de antwoorden om 16.30 uur ontvangt in plaats van om 16.00 uur.

Aldus wordt besloten.

De voorzitter:

Mevrouw Noorman heeft daarnaast aangegeven niet uit te sluiten dat zij, afhankelijk van de reactie van de minister, in de loop van deze middag om een regeling van werkzaamheden zal vragen. Welnu, dat is het recht van ieder Kamerlid.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD):

Morgen staat de tweede termijn van de behandeling van de begroting van het ministerie van SZW op de agenda. De beantwoording van de vragen kan daarbij worden betrokken. Ik vraag mij af of dan wel een aparte regeling van werkzaamheden noodzakelijk is, want die zou misschien weer uitmonden in een apart debat. Het kan morgen perfect worden meegenomen in de afhandeling van de begroting van het ministerie van SZW, want in dat kader is het al aan de orde geweest. Namens de VVD-fractie meld ik dat wij niet in de agenda willen schuiven.

De voorzitter:

Laten wij niet vooruitlopen op een eventuele regeling van werkzaamheden.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter. Ik hoorde u zo-even zeggen dat u de minister wilt laten weten dat mevrouw Noorman-den Uyl "prijs stelt op een antwoord". Dit vind ik een novum. Ik vind het een gotspe dat deze minister, die de Kamer...

De voorzitter:

Ik laat mij meteen door u corrigeren als mijn woordgebruik aanleiding geeft tot misverstanden; de Kamer wenst antwoord, punt!

De heer Marijnissen (SP):

Zo is het, voorzitter.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Marijnissen, die zelf nog een punt aan de orde wenste te stellen in deze regeling van werkzaamheden.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter. Wanneer wordt gezegd dat er voor 17 mld euro wordt bezuinigd, is dat voor heel veel mensen een abstractie. Op het moment dat de bezuinigingen worden doorgevoerd, wordt het echter concreet en gaan mensen het letterlijk voelen. Andersom ligt dat met het begrip solidariteit. Ook dat is een abstractie. Als die abstractie concreet wordt of als de solidariteit wordt uitgehold in concrete maatregelen, is gelukkig ook in dit land het hek van de dam. De afgelopen weken hebben zich gekenmerkt door een storm van verontwaardiging, verbijstering en woede van mensen over de wijze waarop de kabinetsplannen op het gebied van inkomen, en op andere terreinen, uitpakken. Daarom stel ik de Kamer voor om zo spoedig mogelijk een debat te voeren met de minister-president over de vraag hoe hij de georganiseerde solidariteit in dit tijdsgewricht ziet. Ik vind het een rare figuur dat wij op dit moment drie debatten tegelijk voeren: een over het belastingplan, een over de begroting van het ministerie van SZW, binnenkort in tweede termijn, en een over de begroting van VWS, binnenkort in derde termijn. In deze debatten is één centraal thema aan de orde, namelijk de wijze waarop wij de georganiseerde solidariteit in dit land vormgeven.

De minister-president, als eerstverantwoordelijke voor dit beleid, uit zich over deze onderwerpen dag in, dag uit. Dat kan ook moeilijk anders, want hij wordt door journalisten daarom gevraagd. Nu het volk verontwaardigd is over hetgeen aanstaande is, zou ik het raar vinden als de Kamer niet over dit belangrijke onderwerp met de premier zou debatteren. Mijn voorstel is, op zo kort mogelijke termijn een debat met de minister-president te houden.

De heer Van de Camp (CDA):

Het onderwerp dat de heer Marijnissen naar voren brengt, houdt heel Nederland bezig, dat ben ik zeer met hem eens. Ik ben ook van mening dat er geen goede coalitie is zonder oppositie, maar je kunt ook overdrijven. Wij gaan deze week nog drie keer praten over de inkomensplaatjes. Wij hebben nog een derde termijn VWS, wij hebben een repliek en een dupliek Sociale Zaken en de staatssecretaris van Financiën komt waarschijnlijk met een novelle over de reparatievoorstellen. Ik stel voor om deze drie debatten behoorlijk diepgaand en met de juiste deskundigen te voeren. Wij hebben geen behoefte aan een afzonderlijk debat met de minister-president.

De heer Weekers (VVD):

Ik heb namens de VVD-fractie weinig toe te voegen aan wat de heer Van de Camp zojuist heeft gezegd.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik steun het verzoek van de heer Marijnissen van harte. Ook mijn fractie heeft al eerder aangegeven dat het nu tijd wordt voor een debat met de premier, want wij maken ons grote zorgen over heel veel mensen in dit land. Ik zou dat graag willen. Dan zouden wij wellicht ook onze punten met betrekking tot het volgende jaar aan de minister-president kunnen voorleggen, want daar maken wij ons eveneens zorgen over. Misschien is het een idee om de debatten van deze week af te ronden en dan volgende week het debat met de minister-president te voeren?

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Ik kan mij veel voorstellen bij het verzoek van de heer Marijnissen om nu een debat met de minister-president te hebben, al was het alleen maar omdat wij in andere debatten die heer Marijnissen noemde, bezig zijn met de exegese van wat de minister-president wel heeft gezegd en bedoeld en wat niet. Misschien is het inderdaad het beste hem dat zelf te vragen in een debat over het totaal, maar dat is dan breder dan alleen de onderwerpen waar wij deze week mee bezig zijn. Ik vraag wel naar de planning, met het oog op de opmerking die de heer Marijnissen zelf maakte over de drie lopende debatten. Ik sluit mij aan bij de vraag van mevrouw Vos of het verstandig is om dat debat te voeren terwijl de begrotingsbehandelingen nog lopen, of dat het een beter idee is om het debat na afronding van de begrotingsbehandelingen te doen. Ik hoor graag de opvatting daarover van de heer Marijnissen zelf.

De heer Bos (PvdA):

Nadat de minister-president ons vorige week een brief heeft gestuurd, heeft hij zich nog verscheidene malen in de media geroerd over dit vraagstuk. Daarbij heeft hij ook een aantal kwalificaties gegeven van de manier waarop de Kamer zich daarover heeft uitgelaten. Het lijkt mij dus niet meer dan logisch dat wij de gelegenheid krijgen om met hem over zijn brief, zijn uitlatingen en zijn beleid in den brede van gedachten te wisselen. Ik zeg met mevrouw Vos dat het wellicht logischer is om de lopende debatten met de ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken eerst af te ronden en dan volgende week vóór de definitieve stemmingen een afrondend debat te hebben met de minister-president.

De heer Van der Ham (D66):

Er zijn nog drie debatten gaande. Laten wij deze eerst afwachten en dan kijken of er nog een extra debat nodig is.

De heer Eerdmans (LPF):

De LPF-fractie vindt het een sympathieke suggestie en wil het verzoek van de heer Marijnissen ondersteunen.

De heer Van der Vlies (SGP):

De SGP-fractie sluit zich aan bij de suggestie van mevrouw Vos van GroenLinks.

De voorzitter:

Dat is duidelijk. Alvorens ik een voorstel doe, geef ik nu eerst de heer Marijnissen gelegenheid voor een korte reactie van procedurele aard.

De heer Marijnissen (SP):

Voorzitter. Het lijkt wel of de paarse tijden herleven. Ik vind het werkelijk verbijsterend dat de coalitiepartijen als één blok hier nu weer een uitzondering vormen op de hele rest van de Kamer. Waar alle andere fracties een debat willen, zeggen zij geen behoefte te hebben aan een debat. Ik wil alleen zeggen dat ik daar verbijsterd over ben. Het lijkt wel of deze partijen geen oor hebben onder de bevolking. De bevolking maakt zich zeer grote zorgen over wat er aanstaande is en ik zou niet weten waarom een fractievoorzitter hier in de Kamer niet een debat kan aanvragen met de minister-president, de eerstverantwoordelijke voor dit beleid. Ik ben er verbijsterd over!

Verheugd ben ik erover dat alle andere fracties van mening zijn dat het moment daar is om dat debat te voeren. Of dat moment nu is of volgende week, daar wil ik nog even een enkel woord aan wijden. Ik wil tegen mevrouw Vos en de heren Bos, Rouvoet, Eerdmans en Van der Vlies zeggen dat je ook zou kunnen opteren voor een debat nu, zo spoedig mogelijk, als het kan vandaag en anders morgen vroeg. Dan kunnen wij nog bij de begrotingsbehandelingen verzilveren in ander en nieuw beleid wat er in het debat met de minister-president ten principale wordt uitgesproken. Dat zou ik de collega's van de oppositiepartijen willen voorhouden.

De voorzitter:

Ik wil vragen of degenen die hebben gezegd dat zij wel een debat willen maar dat zij zich kunnen voorstellen dat eerst de debatten van deze week worden afgewacht, een andere opvatting hebben na de laatste opmerkingen van de heer Marijnissen.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mijn fractie zou toch graag de debatten van deze week willen voeren. Wij willen natuurlijk voor de definitieve stemming een debat voeren met de minister-president.

De voorzitter:

U hebt dus geen andere mening. Ik zie aan de handgebaren van de heer Bos dat hij het daar mee eens is. Datzelfde geldt voor de heer Rouvoet, de heer Van der Vlies en de heer Eerdmans.

Ik stel derhalve voor om eerst deze week de debatten met de minister van SZW over diens begroting in tweede termijn, met de minister van VWS over diens begroting in derde termijn en hoogstwaarschijnlijk met minister van Financiën over de novelle Belastingplan 2004 af te wachten en af te ronden. "Afronden" hoeft overigens niet te betekenen dat er wordt gestemd. Daarbij nemen wij dan als uitgangspunt voor de volgende regeling van werkzaamheden dat er een debat hierover zal worden gevoerd met de minister-president. Kortom, het voorstel van de heer Marijnissen is uitgangspunt in de volgende regeling van werkzaamheden.

De heer Van de Camp (CDA):

Voorzitter. Ik vind de verbijstering van de heer Marijnissen zo langzamerhand voorspelbaar. Iedereen is bezig met het beoordelen van deze voorstellen en met het repareren ervan. De leden van de CDA-fractie werken net zo hard als de leden van de SP-fractie! Van dat soort tendentieuze opmerkingen heb ik zo langzamerhand genoeg.

Ik kan mij heel goed vinden in het voorstel om eerst die debatten te voeren. Daarna is er een nieuwe regeling van werkzaamheden waarbij de heer Marijnissen zijn voorstel kan herhalen, maar wij nemen dat niet als uitgangspunt.

De heer Marijnissen (SP):

Als de CDA-fractie zich voorspelbaar gedraagt, reageer ik ook voorspelbaar. De CDA-fractie zegt dat zij geen behoefte heeft aan een debat terwijl het hele Nederlandse volk zich ernstige zorgen maakt over de solidariteit. U zegt gewoon dat er geen debat komt en nu maakt u weer licht door te zeggen dat het volgende week misschien wel mogelijk is.

Voorzitter. Ik ben zeer tevreden met uw suggestie dat wij deze regeling van werkzaamheden afsluiten met de afspraak dat wij volgende week dinsdag een debat met de premier hebben.

De voorzitter:

Ik lach nu. Dat is niet bedoeld om u uit te lachen, maar ik lach u toe. Ik lach wel, want dat was niet mijn suggestie. Ik herhaal mijn voorstel, namelijk dat wij deze regeling van werkzaamheden nu afsluiten, dat de drie debatten deze week worden afgemaakt en dat wij hier in een volgende regeling van werkzaamheden op terugkomen. Uitgangspunt van mijn verwachtingspatroon is namelijk dat ik verwacht dat de heer Marijnissen daar dan weer zal staan.

Mevrouw Bibi De Vries (VVD):

Het is prima dat de debatten over de begrotingen worden afgerond. Ik wil echter niet dat het gevraagde debat de stemmingen gaat uitstellen. Wij moeten wel kunnen stemmen voor het reces.

De voorzitter:

Het lijkt mij duidelijk dat de heer Marijnissen dat debat niet na het reces wil houden. Ik denk dat de stemmingen voor het reces zullen plaatsvinden. Dat kan ik u verzekeren.

De heer Marijnissen (SP):

Dat lijkt mij geen enkel probleem. Wij hebben afgesproken dat wij dinsdag het debat houden. Dan kunnen wij zeker op donderdag stemmen. Dat is zeer gebruikelijk in de Kamer.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik hecht eraan te zeggen dat ik mij goed in uw laatste voorstel kan vinden, omdat ik het parlementair de enig juiste uitkomst van deze regeling vind.

De voorzitter:

Op advies van een van mijn medewerkers specificeer ik mijn voorstel nog wat nader, dit om misverstanden te voorkomen. Indien het zinvol is – en dat is het natuurlijk, anders zou u het niet doen – om de novelle Belastingplan te behandelen, moet over de novelle Belastingplan wel donderdag a.s. gestemd worden. Over de begrotingen kan de laatste dag voor het reces worden gestemd, maar over de novelle Belastingplan moet deze week worden gestemd. Anders heeft de gehele behandeling geen zin. Ik neem aan dat de leden daarmee akkoord gaan.

Overeenkomstig het voorstel van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Van Gent.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks):

Voorzitter. Ik vraag u wederom om de stemmingen over de begroting van VROM uit te stellen. Verleden week hebben wij dat ook gevraagd in verband met de koopkrachtplaatjes. Het amendement-Van Gent c.s. gaat over de bezuinigingen op de huursubsidie en de huurverhoging en heeft te maken met de koopkrachtplaatjes. Hetzelfde argument is dus van kracht. Er is nog steeds geen duidelijkheid. Ik wil graag volgende week daarover stemmen.

De heer Van Bochove (CDA):

Voorzitter. Ik kan mij bij dit voorstel aansluiten. Daarbij teken ik aan dat ik overweeg, heropening te vragen om een motie te kunnen indienen.

De voorzitter:

Ik stel voor, de stemmingen over de begroting van VROM en de daarbij ingediende moties van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Dijk.

De heer Van Dijk (CDA):

Voorzitter. Ik verzoek u om het verslag van het algemeen overleg implementatie richtlijnen op de plenaire agenda te plaatsen.

De voorzitter:

Ik stel voor, aan dit verzoek te voldoen en het verslag toe te voegen aan de agenda van de Kamervergadering van deze of volgende week.

Daartoe wordt besloten.