Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201534200-XII nr. 1

34 200 XII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Infrastructuur en Milieu 2014

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU (XII)

Aangeboden 20 mei 2015

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2014 (in € 9.899,5 mln.)

Gerealiseerde uitgaven naar beleidsterrein voor 2014 (in € 9.899,5 mln.)

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 2014 (in € 215,0 mln.)

Gerealiseerde ontvangsten naar beleidsterrein voor 2014 (in € 215,0 mln.)

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

A.

Algemeen

5

1.

Aanbieding en dechargeverlening

5

2.

Leeswijzer

7

     

B.

Beleidsverslag

10

3.

Beleidsprioriteiten

10

4.

Beleidsartikelen

23

 

Artikel 11 Waterkwantiteit

23

 

Artikel 12 Waterkwaliteit

33

 

Artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling

38

 

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

50

 

Artikel 15 Openbaar Vervoer

57

 

Artikel 16 Spoor

61

 

Artikel 17 Luchtvaart

68

 

Artikel 18 Scheepvaart en havens

77

 

Artikel 19 Klimaat

85

 

Artikel 20 Lucht en geluid

94

 

Artikel 21 Duurzaamheid

101

 

Artikel 22 Externe Veiligheid en risico’s

107

 

Artikel 23 Meteorologie, seismologie en aardobservatie

116

 

Artikel 24 Handhaving en toezicht

120

 

Artikel 25 Brede Doeluitkering (BDU)

128

 

Artikel 26 Bijdragen aan investeringsfondsen

130

     

5.

Niet-beleidsartikelen

134

 

Artikel 97 Algemeen departement

134

 

Artikel 98 Apparaat Kerndepartement

136

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

138

     

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

139

     

C.

De jaarrekening

151

7.

Verantwoordingsstaten

151

 

7.1 De departementale verantwoordingsstaat 2014 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

151

 

7.2 De samenvattende verantwoordingsstaat 2014 van de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

152

 

7.3 De departementale saldibalans per 31 december 2014

154

 

7.4 De balansen per 31 december 2014 van de agentschappen van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu

163

 

7.5 Topinkomens

197

     

D.

Bijlagen

200

 

1. Toezichtrelaties en ZBO’s/RWT

200

 

2. Afgerond evaluatie en overig onderzoek

212

 

3. Overzicht niet-financiële informatie over inschakeling van externe adviseurs en tijdelijk personeel (externe inhuur)

221

 

4. Rapportage correspondentie

223

 

5. Afkortingenlijst

224

A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Hierbij bied ik, mede namens de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, het jaarverslag met betrekking tot de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (XII) over het jaar 2014 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Infrastructuur en Milieu decharge te verlenen over het in het jaar 2014 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014;

  • b. het voorstel van de slotwetten over het jaar 2014 die met het onderhavige jaarverslag samenhangen;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het jaar 2014 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2014 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2014, alsmede met betrekking tot de Saldibalans van het Rijk over 2014 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

Voor u ligt het Jaarverslag 2014 van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM), Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting. In dit Jaarverslag 2014 wordt verantwoording afgelegd over de gerealiseerde uitgaven, ontvangsten en aangegane verplichtingen ten opzichte van de begroting 2014 inclusief de nota van wijziging 2014 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 750 XII, nr. 11).

Het Jaarverslag IenM 2014 bestaat uit de volgende onderdelen:

  • A. Een algemeen deel: hierin is naast deze leeswijzer de officiële aanbieding van het Jaarverslag aan de Staten-Generaal en het verzoek tot dechargeverlening opgenomen.

  • B. Het beleidsverslag 2014 van IenM: hierin wordt ingegaan op de resultaten die in 2014 zijn geboekt. Het beleidsverslag bestaat uit vier onderdelen: het verslag over de beleidsprioriteiten, de beleidsartikelen, de niet-beleidsartikelen en de bedrijfsvoeringsparagraaf.

  • C. De Jaarrekening 2014 van IenM: deze bestaat uit de departementale verantwoordingstaat van IenM en de samenvattende verantwoordingsstaten van de agentschappen KNMI, Rijkswaterstaat, Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa). Tevens bevat dit deel de departementale saldibalans van IenM, de jaarverslagen van de agentschappen en de opgave van topinkomens.

  • D. De bijlagen:

    • 1. het overzicht inzake het toezicht op de zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) en de rechtspersonen met een wettelijke taak (RWT’s)

    • 2. het overzicht van afgerond evaluatie en overig onderzoek

    • 3. het overzicht van de externe inhuur

    • 4. de rapportage correspondentie

    • 5. de afkortingenlijst

Naast dit Jaarverslag, Hoofdstuk XII van de Rijksbegroting, kent IenM ook de Jaarverslagen van het Infrastructuurfonds en het Deltafonds, respectievelijk Hoofdstuk A en J van de Rijksbegroting. In deze fondsen worden de concrete investeringsprojecten en programma’s van het Ministerie van IenM geraamd en verantwoord.

Met het Infrastructuurfonds wordt invulling gegeven aan de doelstellingen zoals genoemd in de Wet op het Infrastructuurfonds (Staatsblad 1993, nr 319), te weten het bevorderen van een integrale afweging van prioriteiten en het bevorderen van continuïteit van middelen voor infrastructuur.

Het Deltafonds kent zijn oorsprong in de Waterwet (Staatsblad 2009, nr 107). In de Waterwet is als doel van dit fonds opgenomen de bekostiging van maatregelen, voorzieningen en onderzoeken op het gebied van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

De verantwoordingen van IenM zijn ook digitaal beschikbaar op www.rijksbegroting.nl.

De financiële informatie in het beleidsverslag (onderdeel B) wordt gepresenteerd door middel van de tabellen «Budgettaire gevolgen van beleid». Hierin worden opmerkelijke verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar toegelicht. Om de hoeveelheid informatie te beperken is gekozen voor het hanteren van de hieronder aangegeven norm. Aan de hand van deze norm wordt bepaald of een verschil wordt toegelicht. Naar aanleiding van de aanbeveling van de Tijdelijke Commissie Onderhoud en Innovatie Spoor is de normering aangepast, waarbij geldt dat begrotingsbedragen boven de € 50 miljoen met een afwijking van meer dan € 5 miljoen ook worden toegelicht.

Norm bij te verklaren verschillen

Begrotingsbedrag

Verschil

< € 4,5 miljoen

> 50%

€ 4,5 – 22,5 miljoen

>  2,5 miljoen

€ 22,5 – 50 miljoen

> 10%

> € 50 miljoen

> € 5 miljoen

Dit houdt in dat die hoofdproducten, waarbij het verschil tussen het begrotingsbedrag en de realisatie kleiner is dan de aangegeven norm niet worden toegelicht. Een uitzondering hierop wordt gemaakt voor beleidsmatige relevante mutaties. Deze worden ongeacht bovenstaande normering wel toegelicht. Verder worden in afwijking van bovenvermelde norm die artikelen, waarop in de begroting 2014 geen of zeer geringe ontvangsten, uitgaven of verplichtingen zijn geraamd maar waar in 2013 wel relatief kleine bedragen op zijn gerealiseerd, niet apart toegelicht.

Betreffende de niet-financiële informatie moet worden vermeld dat IenM bij het verkrijgen van deze indicatoren voor een deel afhankelijk is van verzameling door externe partijen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De praktijk is zodanig dat deze gegevens in een aantal gevallen later beschikbaar komen. Dit leidt ertoe dat niet in alle gevallen de gegevens over het verslagjaar ten tijde van het opstellen van het jaarverslag beschikbaar waren.

Wat is nieuw in dit Jaarverslag

Groeiparagraaf

Het Jaarverslag 2014 is op de volgende punten gewijzigd ten opzichte van het vorige jaarverslag:

Bijdragen aan agentschappen

«Bijdragen aan agentschappen» is één van de financiële instrumenten waarin beleidsartikelen, in lijn met Verantwoord Begroten, moet worden ingedeeld. Met ingang van de ontwerpbegroting 2014 is deze reeks in de tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» uitgesplitst naar de agentschappen die deze bijdrage ontvangen. Op deze manier wordt inzicht gegeven in welke agentschappen een bijdrage uit de beleidsartikelen van IenM krijgen.

Aanpassing artikel 21 Duurzaamheid

De benaming van de artikelonderdelen van artikel 21 Duurzaamheid is gewijzigd teneinde het artikel te doen aansluiten op ontwikkelingen in het werkveld.

Afronding conversie

Als gevolg van de vorming van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu is de structuur van de begroting 2013 ingrijpend veranderd. In deze begroting zijn in het verlengde hiervan de artikelen 1 tot en met 10 verwijderd. Hiermee is de conversie afgerond.

Eenvoudig Beter (Herziening Omgevingswet)

Gezien de grote financiële belangen is voor Eenvoudig Beter een apart artikelonderdeel gecreëerd onder artikel 13 Ruimtelijke Ontwikkeling. Hierdoor zijn de uitgaven voor Eenvoudig Beter zichtbaar en navolgbaar.

Aanscherping beleidsconclusies

In beleidsconclusies van de artikelen wordt met ingang van dit jaarverslag specifiek ingegaan op de vraag of grote ombuigingen die het afgelopen jaar zijn doorgevoerd of voorbereid op schema liggen. Deze toelichting wordt minimaal gegeven voor maatregelen, waarvoor 2014 of 2015 is genoemd als «geplande inwerkingtreding» in het Rijksbreed wetgevingsoverzicht van VenJ. In het Jaarverslag 2014 is bij artikel 11 Waterkwantiteit onder het deel beleidsconclusies specifiek ingegaan op de invulling van de taakstelling uit het regeerakkoord 2010 op de middelen van het HWBP.

DEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

Inleiding

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu staat voor een leefbaar, bereikbaar en veilig Nederland. In 2014 heeft IenM volop gewerkt aan oplossingen voor de grote uitdagingen waar Nederland voor staat, zoals klimaatverandering, waterveiligheid, milieu, ruimtelijke inrichting en bereikbaarheid. In dit beleidsverslag worden de belangrijkste resultaten uit 2014 toegelicht.

Ruimte en bereikbaarheid

Omgevingswet

Het kabinet heeft in juni 2014 het wetsvoorstel Omgevingswet1 ingediend bij de Tweede Kamer. De bestuurlijke koepels IPO, VNG en UvW hebben aangegeven vertrouwen te hebben in het wetsvoorstel. Op 18 februari heeft de Minister van IenM, mede namens de betrokken bewindspersonen, de Nota naar aanleiding van het verslag2 aan de Tweede Kamer aangeboden.

De Tweede Kamer is bij indiening van het wetsvoorstel bij brief3 geïnformeerd over de hoofdlijnen en de planning van de uitvoeringsregelgeving bij dit wetsvoorstel en de implementatie van de stelselherziening (de invoeringsbegeleiding en de digitalisering van de Omgevingswet). De uitwerking van het wetsvoorstel in algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) is in volle gang en loopt nog door tot eind 2015. In 2014 is tevens gestart met de voorbereidingen voor de invoeringswet- en regelgeving.

Vooruitlopend op de Omgevingswet doen overheden nu al ervaring op met de filosofie achter de Omgevingswet. Onder de noemer «Nu al Eenvoudig Beter» wordt met de Crisis- en herstelwet (Chw) mogelijk gemaakt dat, vooruitlopend op de Omgevingswet, gewerkt kan worden met het omgevingsplan. Van deze mogelijkheid wordt veelvuldig gebruik gemaakt. In totaal hebben zevenentwintig gemeenten zich aangemeld voor dit experiment. Begin 2015 hebben het kabinet en Bouwend Nederland de website houdheteenvoudig.nl gelanceerd.

In 2014 zijn de 7e en 8e tranches Crisis en herstelwet (Chw) in werking getreden. Het ontwerpbesluit 9e tranche is na behandeling in de Tweede Kamer aan de Raad van State aangeboden. In 2014 is de mijlpaal van 100 experimenten bereikt. Op 1 november 2014 is de permanente Chw in werking getreden. De Chw wordt verlengd totdat deze opgaat in de Omgevingswet. Hiermee zijn een aantal quick wins ingeboekt, zoals de verruimde mogelijkheden voor vergunningvrije bouwwerken.

MIRT en Gebiedsagenda’s

Het programma Vernieuwing MIRT maakt het MIRT klaar voor de toekomst. Om dit einddoel te bereiken worden acties ontplooid binnen drie pijlers: samenwerken, «brede blik» en maatwerk in besluitvorming.

Als concrete uitwerking van deze pijlers hebben onder andere de Bestuurlijk Overleggen MIRT (BO’s MIRT) in 2014 in de regio plaatsgevonden. Hierdoor is het mogelijk om een actuele opgave die op de bestuurlijke tafel ligt te bezoeken en daarover met betrokken private en maatschappelijke partijen in gesprek te gaan. Bovendien waren de gesprekken meer strategisch van aard. Rijk en Regio hebben onder andere gesproken over de koppeling van de opgaven uit gebiedsagenda’s met de nationale energieopgave en de gebiedsgerichte besluiten in het kader van het Deltaprogramma. Als direct resultaat van de BO’s MIRT op locatie zijn bijvoorbeeld in de Zuidvleugel afspraken gemaakt tussen Rijk, Regio en het bedrijfsleven over het opstellen van een regionale energievisie en uitvoeringsstrategie. In Noord Nederland is een MIRT onderzoek ruimtelijke inpassing van nieuwe energiesystemen afgesproken, dat wordt opgezet door Rijk, Regio en kennisinstellingen. Zie voor een compleet overzicht van de uitkomsten van de BO’s de brief van de Minister en Staatssecretaris van IenM van 17 november 20144.

In de loop van 2014 is een aantal brede MIRT onderzoeken rond bereikbaarheidsopgaven gestart. Deze brede en gezamenlijke aanpak past als onderdeel van de Vernieuwing van het MIRT en Meer Bereiken, ook bij de werkwijze en ervaringen van Beter Benutten. De looptijd van deze MIRT onderzoeken is naar verwachting 2 jaar.

Structuurvisie Ondergrond

Het Ministerie van IenM en decentrale overheden hebben in het kader van het Programma STRONG (Structuurvisie Ondergrond) de (beleids)opgaven voor de ondergrond in beeld gebracht. Dit heeft in juni 2014 geresulteerd in het document «Probleemstelling STRONG – opgaven voor de ondergrond». De hierin beschreven opgaven vormen het vertrekpunt voor verdere uitwerkingen door Rijk en decentrale overheden. Het opstellen van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor de uit te voeren planMER via een Europese aanbesteding en het meer ruimte geven voor publieke participatie middels een formele zienswijze procedure betekenen dat de ontwerp Structuurvisie Ondergrond naar verwachting najaar 2015 naar de Tweede Kamer kan worden gezonden.

Beter Benutten

Het programma Beter Benutten beoogt de files op specifieke drukke trajecten met 20% te verminderen. Van de in totaal ruim 350 maatregelen was eind 2014 het merendeel gerealiseerd. De laatste tussenmeting (peildatum 1 oktober 2014) laat een effect zien van ca. 9%. Dit was bij de meting begin 2014 nog 4%. Hiermee is bijna de helft van de programmadoelstelling van 20% gehaald.

In maart 2014 zijn per regio bestuurlijke afspraken gemaakt maken over de invulling van het vervolg van Beter Benutten.

Wegen

Wegenprojecten

Eind 2013 is de rijksstructuurvisie Blankenburgverbinding vastgesteld en is de planuitwerking gestart. Het OTB staat gepland voor 2015. In het voorjaar van 2014 is de voorkeursvariant voor de Ring Utrecht vastgesteld en is de MKBA in het MIRT-overleg met de Kamer besproken. Het OTB zal naar verwachting in 2016 worden vastgesteld. Van de overige projecten zijn o.a. de voorkeurvariant A27 Houten-Hooipolder, het TB A27/A1, het TB Zuidelijke Ringweg Groningen en de OTB’s Rijnlandroute (inclusief A4 en A44) en A4-Vlietland-N14 vastgesteld.

Verkeersveiligheid

Ongeveer 70 procent van de gemeenten heeft in 2014 een lokale aanpak veilig fietsen opgesteld of werkt hieraan. Uit fietsveiligheidsonderzoeken is gebleken dat oudere fietsers vaak niet op de hoogte zijn van de mogelijkheden zelf de kans op een fietsongeval te beperken. Samen met decentrale overheden werkt IenM aan maatregelen om oudere fietsers zich hier meer bewust van te maken. Het wetsvoorstel T-rijbewijs5 is in 2014 door het parlement aangenomen en zal per 1 juli 2015 in werking treden.

Innovatie Rijkswaterstaat

RWS heeft in 2014 een Innovatieagenda samengesteld in samenwerking met marktpartijen, kennispartijen en andere overheden. Met deze agenda wordt een totaaloverzicht gegeven van wat RWS wil op gebied van innoveren en wat de innovatievragen van de (nabije) toekomst zijn. De Innovatieagenda komt hiermee tegemoet aan de vraag van marktpartijen die inzicht wilden in de innovatiebehoefte van RWS. De innovatieagenda wordt uitgevoerd in samenwerking met markt- en kennispartijen. Successen zijn onder meer behaald op gebied van:

  • duurzamer asfalt, stille voegovergangen en energiezuinige verlichting

  • dijkversterkingsmaatregelen, waarbij «nature based solutions» worden toegepast door dijken met zand te versterken

  • toepassen van effectiever en efficiënter zoet-zoutscheidingssysteem voor schutsluizen.

De nieuwe innovatie-agenda van Rijkswaterstaat geeft de komende jaren een extra impuls aan deze en andere innovaties.

Verkeersmanagement

«Connecting Mobility», het uitvoeringsprogramma voor de routekaart Beter Geïnformeerd Op Weg, is in januari 2014 gestart. Hierin werken bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samen aan de uitvoering van innovatieve mobiliteit. Prioriteit voor 2014 was het uitvoeren van enkele vooraanstaande «routeprojecten». Zo is gestart met de realisatie van de Innovatiecentrale Helmond en is de eerste fase van de Praktijkproef Amsterdam afgerond.

Door inspanningen van het programma Beter Benutten op het gebied van ITS kunnen reizigers sinds begin 2014 gebruik maken van vijf multimodale planners en vijf nieuwe reisinformatiediensten die actueel zijn en gericht op hun persoonlijke voorkeur. Zij ontvangen hiermee zowel voorafgaand als tijdens de reis real time reisinformatie, zoals de geldende maximumsnelheden, wegwerkzaamheden en incidenten Om deze verbeterde diensten mogelijk te maken ontsluiten wegbeheerders de hiervoor benodigde publieke data. Op de A67 kunnen reizigers gebruik maken van persoonlijk rijstrookadvies en is door het project «Spookfiles» sinds het laatste kwartaal van 2014 een persoonlijk snelheidsadvies verkrijgbaar op de A58.

Spoor

In 2014 is de Lange termijn spooragenda deel 2 (LTSA2)6 uitgebracht en besproken met de Tweede Kamer. Een optimale deur-tot-deur reis is de kern van de ambitie uit LTSA2. Om dit te bereiken is een intensieve samenwerking tussen alle betrokken partijen in de OV-keten nodig. Deze samenwerking komt onder meer tot stand door de landsdelige en landelijke OV- en Spoortafels die twee keer per jaar plaatsvinden.

Voor de deur-tot-deur reis is de kwaliteit van het gehele OV-netwerk bepalend. Het hoofdrailnet vormt de ruggengraat van die keten. ProRail en NS hebben voor de LTSA2 gezamenlijk een operationeel spoorconcept uitgewerkt, als basis voor een meerjarige verbeteraanpak. Deze verbeteraanpak, vastgelegd in «Beter en Meer», is een ontwikkelfilosofie: eerst gericht werken aan het voorkomen van negatieve uitschieters en de betrouwbaarheid verder verbeteren («Beter»), om daarna de frequenties te verhogen («Meer»).

Eind 2014 zijn de beheer- en vervoersconcessie aan respectievelijk ProRail en NS gegund. Hiermee is invulling gegeven aan een belangrijk deel van de vernieuwing van de sturing op ProRail en NS zoals in de LTSA2 is opgenomen. De concessies bieden de mogelijkheid om actief te sturen op de prestatieverbetering die noodzakelijk is voor de gehele spoorsector. De herijking van projecten en programma’s aan de doelstellingen van de LTSA zal in 2015 worden afgerond.

Aanleg en beheer, onderhoud en vervanging

In 2014 is gestart met de uitvoering van het Doorstroomstation Utrecht en is voortgegaan met de korte termijnmaatregelen OV SAAL. Daarnaast zijn richtinggevende besluiten genomen voor PHS-Amsterdam en Meteren-Boxtel, inclusief de inpassing Vught. ProRail heeft daarnaast gewerkt aan de belangrijke knooppuntstations Den Haag, Rotterdam, Utrecht CS, Breda, Arnhem, Spoortunnel Delft en de Knoop Zwolle. Andere relevante dossiers waarvoor richtinggevende besluiten zijn genomen zijn het project Bleizo, het Grensoverschrijdend project Heerlen-Aken, elektrificatie van de Maaslijn en Zwolle-Enschede.

Veiligheid

De Staatssecretaris van IenM heeft in april 2014 de voorkeurbeslissing ERTMS7 genomen. De ERTMS pilot op het baanvak Amsterdam-Utrecht is verlengd tot het eerste kwartaal 2015.

Het Landelijk Verbeterprogramma Overwegen (LVO), bedoeld om het aantal incidenten bij spoorwegovergangen verder te verminderen, is in 2014 gestart. Projecten voor de eerste tranche maatregelen zijn geselecteerd. Zie voor uitgebreide informatie het programmaplan LVO dat de Staatssecretaris van IenM op 12 juni 2014 aan de Tweede Kamer heeft aangeboden8.

HSL Zuid/Fyra V250

Het kabinet heeft in september 2013 een standpunt ingenomen over het alternatief voorstel om de reiziger verbindingen tussen Nederland en België te bieden9. Als gevolg van dit alternatief worden in totaal (internationaal en nationaal) in het eindbeeld meer treinen gereden over de HSL-Zuid. Hiervoor worden echter minder hogesnelheidstreinen ingezet dan oorspronkelijk was voorzien. Londen, Lille en luchthaven Zaventem worden de komende jaren als bestemmingen toegevoegd. In april 2014 zijn de twee extra Thalys treinen gaan rijden naar Lille, via Brussel. In december 2014 is de frequentie van de IC Brussel verhoogd naar 16 keer per dag en rijdt de trein weer van en naar Amsterdam (in plaats van Den Haag). Deze trein stopt nu ook te Zaventem.

OV-chipkaart

Het Nationaal OV Beraad (NOVB) is eind 2013 van start gegaan en heeft reeds een aantal resultaten bereikt, zoals afspraken over incomplete transacties («vergeten uit te checken») en reizen op rekening voor blinden en slechtzienden. Het wetsvoorstel OV-Chipkaart is in september 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden10. Daarnaast werken de concessiehoudende vervoerders gezamenlijk aan de herpositionering en de herfinanciering van TLS die de OV-chipkaart uitgeeft. Alle betrokkenen hebben een intentieverklaring getekend over de governance en financiering van TLS in de toekomst. Daarmee gaan alle vervoerders deelnemen aan de coöperatie die eigenaar wordt van TLS.

Luchtvaart

De voorbereidingen om te komen tot luchthavenbesluiten voor de luchthavens Rotterdam, Eelde en Maastricht zijn gestart. De ontwerp-luchthavenbesluiten zullen naar verwachting in de loop van 2015 in procedure gebracht kunnen worden.

In 2014 zijn voorbereidingen getroffen voor de oprichting van de Omgevingsraad Schiphol (ORS) per 1 januari 2015. Er zijn onder andere verkiezingen voor bewonersvertegenwoordigers gehouden. De Commissie Regionaal Overleg Schiphol (CROS) en de Alderstafel werken sinds 1 januari 2015 als Omgevingsraad. Voor de overige civiele luchthavens worden Commissies Regionaal Overleg (CRO’s) opgericht, waarbinnen overleg plaatsvindt tussen de luchtvaartsector en de directe omgeving over het gebruik van de luchthaven. Voor Eelde, Maastricht en Rotterdam zijn deze al in 2013 opgericht. De CRO voor Lelystad volgt nadat het Luchthavenbesluit is geslagen.

Naar aanleiding van het advies van de Commissie Shared Vision is in 2014 het wetsvoorstel exploitatie van de luchthaven Schiphol opgesteld en voor advies aan de Raad van State gezonden. Het wetsvoorstel zal in 2015 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Eind 2014 is, naar aanleiding van het Aldersadvies van 8 oktober 2013, het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer gezonden waarmee het nieuwe normen- en handhavingsstelsel wordt verankerd.

Op 22 oktober 2014 heeft overleg tussen de delegatieleiders van de partijen aan de Alderstafel plaatsgevonden, waarin de vertegenwoordigers van de luchtvaartsector hebben gemeld dat zij er op dat moment in ontoereikende mate in slagen een substantiële bijdrage te leveren aan het oplossen van het knelpunt met de regel voor de inzet van de vierde baan op Schiphol. In de periode daarna heeft aan de Alderstafel intensief overleg plaatsgevonden waarin gezamenlijk een oplossing is verkend die op draagvlak kan rekenen bij alle partijen aan de Alderstafel. Dit advies is 29 januari 2015 aan de Tweede Kamer gezonden11. In 2015 zal het kabinet een reactie op dit advies formuleren, waarbij ook zal worden ingegaan op de gevolgen die dit advies heeft voor het traject en de precieze invulling van het reeds bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel inzake het nieuwe normen- en handhavingstelsel, het onderliggende Luchthavenverkeerbesluit Schiphol (LVB) en de m.e.r.-procedure.

Internationaal zet Nederland in op mondiale maatregelen om de uitstoot van CO2 terug te dringen en om het level playing field voor de luchtvaart te borgen. In EU-verband heeft in 2014 aanpassing van het ETS voor de luchtvaart plaatsgevonden. Dit heeft geresulteerd in een beperking van de geografische reikwijdte van het systeem. Voor de periode 2013 tot en met 2016 vallen alleen vluchten binnen Europa onder het systeem.

Maritiem Beleid

In 2014 is tussen de ministers van IenM en EZ, de vijf zeehavens van nationaal belang en het zeehavenbedrijfsleven een werkprogramma zeehavens 2014–201612 vastgesteld. Het werkprogramma heeft als doel de internationale concurrentiepositie te verstevigen door er gezamenlijk voor te zorgen dat de Nederlandse haveninfrastructuur de beste van de wereld blijft, het marktaandeel van de Nederlandse havens in de Hamburg-Le Havre range groeit en dat de toegevoegde waarde van de Nederlandse zeehavens toeneemt. Dit werkprogramma is sindsdien in uitvoering.

In het kader van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam zijn de eerste terminals op de Tweede Maasvlakte in 2014 getest.

De binnenvaart is goed aangesloten op het Beter Benutten proces. Met diverse partijen uit de sector is in 2014 gewerkt aan de voorbereiding van plannen voor het benutten van de binnenvaart aan het verminderen van de meest vertraagde ritten op de weg. Voor de zomer van 2015 wordt besluitvorming over deze plannen verwacht.

Op verschillende thema’s wordt in CCR-verband (Centrale Commissie voor de Rijnvaart) gewerkt aan modernisering van regelgeving en vermindering van regeldruk. Op het gebied van de technische eisen zijn de meest knellende bepalingen die in 2015 van kracht zouden worden, uitgesteld. Ze worden opnieuw bezien. In de CCR is verder regelgeving in voorbereiding die het gebruik van LNG als brandstof in de binnenvaart mogelijk maakt. De regels zullen naar verwachting in 2015 in werking kunnen treden. In 2014 is de EU-richtlijn «Clean power for transport» aangenomen, die de lidstaten verplicht een netwerk van LNG-bunkerstations in havens te realiseren. In de IMO (International Maritime Organization) is een principe-overeenkomst bereikt over de zogenoemde IGF Code, die uniforme veiligheidseisen stelt voor LNG als brandstof voor zeeschepen. Deze regels zullen op termijn dienen als uitgangspunt voor regulering van het gebruik van LNG in de binnenvaart.

Topsector Logistiek

Het Neutraal Logistiek Informatie Platform (NLIP) is verder uitgewerkt, onder meer in standaarden voor papierloos transport, zodat het logistieke bedrijfsleven de informatiestromen meer kan digitaliseren in elektronische transportopdrachten, vrachtbrieven en facturen.

Uit de actie kernnetwerk is de beslissing voortgekomen voor brede MIRT-onderzoeken van twee multi-modale goederencorridors: de A15-Betuweroute-Waal corridor vanuit Rotterdam («corridor Oost») en de corridor Rotterdam-Brabant-Limburg-Duitsland («corridor Zuid»). Deze brede MIRT-onderzoeken zijn in 2014 van start gegaan met de eerste fase.

Synchromodaal vervoer, onder andere via de «Cool Port Control Tower», is in 2014 meer ingeburgerd geraakt bij bedrijven, onder andere ingegeven door de langere aanvoerroute vanaf de Tweede Maasvlakte, het toenemende volume en het vermijden van files op de A15.

Transport Internationaal

IenM heeft in 2014 diverse internationale activiteiten op transportgebied ondernomen. Naast consolidatie van relaties met Turkije, Mexico, Nicaragua, Brazilië en Hong Kong hebben de Minister en Staatssecretaris bezoeken afgelegd aan respectievelijk Indonesië en Brazilië. Delegaties uit de haven- en transportsector sloten zich hierbij aan. Verder zijn hoogwaardige inkomende bezoeken vanuit Oman en Egypte door de bewindspersonen ontvangen.

Nederland ligt op drie corridors van het Europese kernnetwerk voor transport (TEN-T). Dit betekent dat investeringen hierin, van zowel overheden als private partijen, vaak een Europese meerwaarde hebben. Dit is in 2014 ook vanuit Brussel onderkend, door een bijdrage van ruim 90 miljoen euro aan subsidie voor projecten met Nederlandse (lead) partners, waaronder IenM.

De Europese transportagenda werd in 2014 gedomineerd door luchtvaart- en spoordossiers. Goede voortgang is geboekt met de technische onderdelen van het Vierde Spoorpakket. Het bereiken van overeenstemming over de zogenoemde «politieke pijler», die ziet op liberalisering en organisatie van de spoorsector, zal nog geruime tijd vergen. Door een bilateraal politiek geschil tussen lidstaten is besluitvorming over luchtvaartdossiers (passagiersrechten, Single European Sky) in 2014 geblokkeerd geraakt.

Leefomgeving en milieu

Op 10 maart 2014 is de brief Modernisering Milieubeleid13 aan de Tweede Kamer gestuurd. Het kabinet maakt daarin duidelijk dat modernisering van werkwijze en aanpak essentieel is om te zorgen voor een beter milieu, gezondheid en duurzaamheid. Zoals de Staatssecretaris van IenM heeft toegelicht in de Tweede Kamer zijn Zero waste, beperking van de effecten van klimaatverandering en zorgen voor de meest veilige en gezonde leefomgeving van Europa, de belangrijkste doelen van de Modernisering Milieubeleid. Gezondheid en veiligheid worden als centraal thema gepositioneerd. Alle acties uit de brief zijn in uitvoering (o.a. afwegingskader Bewust omgaan met Veiligheid, afwegingskader Gezondheid, website Duurzaam Doen en projecten als Slimme en Gezonde Stad en Safety Deals).

Klimaat

Op 4 oktober 2013 is de Klimaatagenda «weerbaar, welvarend en groen»14 aan de Tweede Kamer gestuurd. De Klimaatagenda biedt met name maatregelen voor sectoren die buiten het SER-energieakkoord vallen en zet een nieuwe stip op de horizon voor 2030.

Het kabinet heeft zich ingezet voor het op Europees niveau vastleggen van ambitieuze doelen voor CO2-reductie, hernieuwbare energie en energiebesparing. In de Europese Raad van oktober 2014 heeft de EU zich vastgelegd op de volgende doelen voor 2030: ten minste 40% CO2-reductie (t.o.v. 1990), 27% hernieuwbare energie en 27% energiebesparing (indicatief)15. Met het 40%-doel neemt de EU internationaal het voortouw in de aanloop naar «Parijs» waar in december 2015 een nieuw mondiaal klimaatakkoord moet worden bereikt. Begin december 2014 is in Lima de VN-Klimaatconferentie (COP20) gehouden. Nederland heeft zich daar onder meer ingezet voor brede participatie; voor een effectief mondiaal klimaatbeleid is een sterke rol voor steden, bedrijven en het maatschappelijk middenveld onmisbaar. In dat licht heeft IenM voorafgaand aan «Lima» een stakeholderbijeenkomst georganiseerd om de Nederlandse inzet mede vorm te geven16.

Duurzame mobiliteit

De Nederlandse inzet in Europees verband voor de sector mobiliteit en transport is in de eerste plaats gericht op het nastreven van steeds scherpere CO2-emissienormen. Daarnaast kan nationaal beleid de introductie van alternatieve energiebronnen (zoals elektrisch en waterstof) in mobiliteit en transport ondersteunen, onder meer door te zorgen voor de benodigde tank- en oplaadinfrastructuur. In september 2014 heeft Staatssecretaris Mansveld het eerste openbare waterstoftankstation in Rhoon geopend. Op 21 november 2014 heeft zij in Groningen de Green Deal Zero Emission Stadslogistiek ondertekend. Doel hiervan is om steden schoner en veiliger te maken door in 2025 zoveel mogelijk soorten vervoer op de weg te hebben die geen schadelijke stoffen uitstoten.

In juni 2014 is de duurzame brandstofvisie overhandigd aan Staatssecretaris Mansveld en de voorzitter van het SER-uitvoeringsoverleg Mobiliteit en Transport, dhr. Van Geel. In deze visie worden diverse ontwikkelpaden beschreven waarmee de doelen uit het SER-Energieakkoord voor de sector mobiliteit behaald kunnen worden. Samen met de SER-partners wordt gewerkt aan een actieplan met daarin concrete afspraken en initiatieven voor de korte termijn om uiteindelijk de doelen voor de lange termijn te behalen.

Ruimte voor duurzame energie

De Structuurvisie Windenergie op Land (SvWOL) is op 31 maart 2014 vastgesteld. In september is de pilot geluid voor een kennisplatform windenergie van het RIVM van start gegaan.

Van Afval Naar Grondstof

Het programma Van Afval naar Grondstof heeft als hoofddoel het bevorderen van een circulaire economie. Het programma wordt uitgewerkt via acht operationele doelstellingen. De uitwerking van deze doelstellingen is in januari 2014 aan de Tweede Kamer gezonden17. De daarin aangekondigde acties zijn opgestart. In maart 2015 is een eerste voortgangsrapportage aan de Kamer gestuurd.

Het kunststof ketenakkoord is een succes doordat meer dan 75 partijen uit bedrijfsleven, wetenschap, NGO’s en overheden met elkaar samenwerken, gericht op concrete duurzame innovaties om de kunststofkringloop te sluiten. Het betreft innovaties in aanpak, in vormen van inzameling op land en op zee, recycling en duurzaam ontwerp van kunststof producten. Enkele specifieke Green Deals zijn ondertekend zoals die rond de havenontvangstvoorzieningen, de visserij en de stranden.

Met gemeenten wordt goed samengewerkt om te komen tot verhoging van de recycling van huishoudelijk afval. Zie voor meer informatie de brief van de Staatssecretaris van IenM van 1 december 201418.

Veiligheid Leefomgeving

Op 18 december 2014 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de concrete beleidsvoornemens inzake de modernisering van omgevingsveiligheid19. In het bijbehorende Uitvoeringsprogramma 2015–2018 is ook de samenhang en afstemming met de Omgevingswet vastgelegd. De eerste aanzet om het beleid transparanter, eenvoudiger en robuuster te maken is daarmee gegeven. Om het besluitvormingsproces beter aan te laten sluiten op de praktijk van de ruimtelijke ordening wordt een alternatieve invulling van het groepsrisico onderzocht.

In 2014 is het landsdekkend stelsel van 29 Regionale Omgevingsdiensten (OD’s; voorheen regionale uitvoeringsdiensten, RUD’s) tot stand gekomen. De OD’s voeren voor gemeenten en provincies de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten aanzien van milieutaken uit. Het functioneren van de omgevingsdiensten wordt nauwlettend gevolgd en geëvalueerd. Het evaluatierapport zal medio 2015 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

De Europese Commissie heeft in 2014 stappen gezet om de informatievereisten voor nanomaterialen te verduidelijken en is een effectenbeoordeling gestart naar mogelijke manieren om op Europees niveau inzichtelijk te maken waar nanomaterialen worden toegepast. Vanwege het gebrek aan voortgang op dit dossier en op het gebied van duidelijkheid over hormoonverstorende stoffen en de beoordeling van combinatie-effecten, heeft Nederland zich met 6 andere lidstaten aangesloten bij een Deens initiatief REACH-UP. Dit initiatief heeft tot doel om de Europese Commissie te stimuleren om conform afspraken voorstellen tot verbetering van de regelgeving inzake stoffen aan de lidstaten voor te leggen. Nederland heeft hierbij tevens aandacht gevraagd voor de kosten voor met name het MKB.

Het landelijk asbestvolgsysteem (LAVS) voorziet sinds 2014 alle betrokken ketenpartijen van de nodige informatie. De zogenoemde «dynamische koppeling» waarmee een deel van de informatie uit dit systeem zichtbaar wordt gemaakt op de Atlas Leefomgeving komt in de zomer van 2015 beschikbaar.

Waterbeleid

Waterveiligheid

In september 2014 heeft de deltacommissaris het voorstel neergelegd voor een nieuw waterveiligheidsbeleid gebaseerd op de overstromingskans-benadering. Het kabinet heeft dit voorstel overgenomen en vastgelegd in de tussentijdse herziening van het Nationaal Waterplan20. Het nieuwe beleid dient als grondslag voor de wijziging van de Waterwet, waarmee in het najaar van 2014 is gestart. Ook het wettelijk toetsinstrumentarium wordt gebaseerd op het nieuwe beleid.

Het programma Ruimte voor de Rivier is ook in 2014 in volle vaart doorgegaan. Door het programma is het beoogde veiligheidsniveau langs de Rijntakken en het benedenstroomse deel van de Maas op vier plekken gerealiseerd. Daarbij is ook de ruimtelijke kwaliteit versterkt. De laatste aanbestedingen zijn afgerond. Het programma Maaswerken is in 2014 voortgezet. Twee locaties van het Grensmaasproject, te weten Borgharen en Aan de Maas, zijn afgerond. Daarnaast is cluster D van de prioritaire sluitstukkademaatregelen Roer en Overmaas afgerond.

Het tweede Hoogwaterbescheringsprogramma (HWBP-2) is in 2014 volop voortgezet. Het laatste onderdeel van de kustversterking Noordzeekust (Zwakke schakels) is vrijwel gereed: de Hondsbossche en Pettemer zeewering. Daarmee is de gehele versterking van de Noordzeekust afgerond. Voor de Markermeerdijken is de aanbesteding via een innovatieve marktbenadering gestart. In 2014 is ook een onderzoek uitgevoerd naar een nieuw rekeninstrumentarium voor dijken op veen. Conclusie is dat met dit nieuwe instrumentarium een aanzienlijke kostenbesparing kan worden gerealiseerd doordat dijken op veen sterker blijken te zijn dan eerder was aangenomen. De dijkversterking kan daardoor minder zwaar en daarmee goedkoper worden uitgevoerd. In 2015 wordt een besluit genomen of daadwerkelijk gebruik zal worden gemaakt van deze methode.

Zoetwater

In de deltabeslissing Zoetwater staan concrete maatregelen, alsook de aanpak van het voorzieningenniveau. Door middel van een herziening van het Nationaal Waterplan 1 zijn de deltabeslissingen verankerd in beleid.

Waterkwaliteit

In 2014 heeft IenM de uitvoering van de inrichtingsmaatregelen in het hoofdwatersysteem voortgezet, conform de toezeggingen in de stroomgebiedbeheerplannen van 2009. Daarnaast zijn ontwerp-stroomgebiedbeheerplannen 2016–2021 opgesteld voor de stroomgebieden Rijn, Maas, Eems en Schelde. Deze zijn eind 2014 in de inspraak gegaan en liggen tot en met 22 juni 2015 ter inzage als bijlagen van het 2e Nationaal Waterplan. Verder is de structurele financiering van de inrichtingsmaatregelen in het hoofdwatersysteem van 2016 tot en met 2027 geborgd.

Water Internationaal (topsector Water)

De Minister van IenM heeft in 2014 diverse internationale activiteiten op watergebied ondernomen. In 2014 zijn de relaties met de 7 Deltalanden (Vietnam, Indonesië, Egypte, Myanmar, Bangladesh, Colombia en Mozambique) geconsolideerd, waarbij de Minister bezoeken heeft afgelegd aan Myanmar, Egypte en Indonesië. Delegaties uit de watersector sloten zich hierbij aan, waarbij het Kernteam Export en Promotie van de Topsector Water een actieve en ondersteunende rol vervulde. Verder zijn hoogwaardige inkomende bezoeken vanuit Vietnam, Egypte, Myanmar, Indonesië en Bangladesh door de Minister ontvangen, waarbij directe betrokkenheid was van het Nederlandse bedrijfsleven. De Minister opende in september de Deltaconferentie te Rotterdam waarbij 1.300 buitenlandse deelnemers aanwezig waren. Voorts nam de Minister deel aan Verenigde Naties (UNSGAB) sessies op het gebied van water, en voerde zij gesprekken met de Wereldbank over de internationale water-inzet.

Dankzij het Partners voor Water programma hebben uitvoerders de afgelopen jaren met en voor de sector vele activiteiten kunnen uitvoeren die bijdragen aan de internationale positionering van de Nederlandse watersector. In 2014 is besloten de samenwerking tussen IenM, BZ en EZ ten aanzien van internationale wateractiviteiten te intensiveren. Het programma Partners voor Water is een belangrijk uitvoeringsprogramma voor deze samenwerking. De voorbereidingen voor een vervolgprogramma, na het aflopen van het huidige programma in 2015, zijn opgestart.

Beheersing frauderisico’s

Een groot deel van de aanleg en het beheer en onderhoud van infrastructuur besteedt IenM/Rijkswaterstaat uit aan de markt. Hierbij doen zich mogelijke risico’s voor op omkoping, fraude, marktverdeling of prijsafspraken. Om deze risico’s af te dekken wordt met interne procedures de onafhankelijkheid van derden en scheiding van verantwoordelijkheden geborgd. RWS heeft onder meer een Gedragscode Publiek Opdrachtgeverschap ontwikkeld en een centraal meldpunt ingesteld waar opdrachtnemers met eventuele klachten terecht kunnen.

Realisatie beleidsdoorlichtingen

Artikel

Realisatie

Geheel artikel?

Vindplaats

   

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

   

11

Waterkwantiteit

           

x

Ja

 

12

Waterkwaliteit

     

x

     

Ja

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–1.html

13

Ruimtelijke ontwikkeling

           

x

Ja

 

14

Wegen en verkeersveiligheid: leefomgeving

   

x

       

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–3.html

15

Openbaar vervoer

           

x

Ja

 

16

Spoor: railveiligheid

   

x

       

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-29893–106.html

17

Luchtvaart

                 

18

Scheepvaart en havens: zeehavens

       

x

   

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–2.html

19

Klimaat: sloopregeling, vrachtautozonnering

   

x

       

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31305–188.html

20

Geluid en lucht: verzuringsbeleid

   

x

       

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-28663–54.html

21

Duurzaamheid

           

x

Ja

 

22

Externe veiligheid en risico’s: besluit externe veiligheid inrichtingen

           

x

Nee

https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-32861–4.html

23

Meteorologie, Seismologie en aardobservatie

                 

24

Handhaving en toezicht

                 

Toelichting op de tabel

De herstructurering van de artikelindeling heeft er bij de meeste artikelen toe geleid dat het artikel gedeeltelijk is doorgelicht; het overige deel staat geprogrammeerd voor een doorlichting in de komende jaren. Bij beleidsartikel 20 worden de onderdelen geluid en lucht separaat doorgelicht.

Link naar de meerjarenplanning uit de meest recente begroting: http://www.rijksbegroting.nl/beleidsevaluaties/evaluaties-en-beleidsdoorlichtingen/2015/planning-beleidsdoorlichtingen/xii-infrastructuur-milieu

In dit jaarverslag is een bijlage «afgerond evaluatie-en overig onderzoek» opgenomen.

Garanties

Het Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft één garantieregeling, te weten de te weten de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering). Het betreft de mogelijkheid voor een ondernemer in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor krediet bij een bank, om een borgstelling voor een gedeelte van het benodigde budget voor bodemsanering te krijgen. Dit om de aanpak van bodemverontreinigingen op bedrijventerreinen te stimuleren. Om deze stimulans zo groot mogelijk te houden is in de regeling geen premie opgenomen.

Een garantie is een voorwaardelijke financiële verplichting van de overheid aan een derde buiten de overheid, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet. Er is in 2014 geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

Invulling aangescherpte garantiekader

In de kabinetreactie op het rapport van de Commissie Risicoregelingen is het garantiekader aangescherpt (Kamerstukken II, 2013/14, 33 750, nr. 13). Een van de doelen is het afbouwen van niet-gebruikte plafonds en het stopzetten van slapende regelingen. Bij de Regeling Bijzondere Financiering (Bodemsanering) was sprake van een verplichtingenplafond van € 65,3 miljoen. Gebleken is dat er weinig gebruik wordt gemaakt van deze regeling. Het gebruik steeg van ruim € 60.000 in 2008 tot ruim € 650.000 in 2010, om daarna gestaag af te nemen tot de huidige € 515.000. Vanwege het beperkte gebruik is – in lijn met de kabinetsreactie – het verplichtingenplafond verlaagd naar € 15 miljoen bij 1e suppletoire wet 2014 IenM. In 2014 is een beleidsdoorlichting uitgevoerd op artikel 13.

Overzicht verstrekte garanties (bedragen in € 1.000)

Artikel en naam

Omschrijving

Uitstaande garanties 2013

Verleende garanties 2014

Vervallen garanties 2014

Uitstaande garanties 2014

Garantieplafond 2014

Totaal plafond

13 Ruimtelijke ontwikkeling

Regeling Borgstelling MKB

515

0

39

476

0

15.000

 

Totaal

515

0

39

476

0

15.000

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel 11 Waterkwantiteit

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland droge voeten heeft en over voldoende zoetwater beschikt.

(Doen) uitvoeren

Rol en verantwoordelijkheden

Vanuit de Begroting hoofdstuk XII artikel 26.02 wordt een bijdrage gedaan aan het Deltafonds. Vanuit het Deltafonds worden maatregelen en voorzieningen op het gebied van waterveiligheid (artikel 1) en zoetwatervoorziening (artikel 2) bekostigd. De rol (Doen) uitvoeren heeft betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterveiligheid, zoetwatervoorziening en waterkwantiteit:

  • Het waarborgen van de bescherming door primaire waterkeringen langs het kust- en IJsselmeergebied en rivierengebied volgens het wettelijk niveau; alsmede het dynamisch handhaven van de kustlijn op het niveau van 2001 (basiskustlijn).

  • Het (doen) uitvoeren van verkenningen en planuitwerkingen ten behoeve van waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Hoogwaterbeschermingsprogramma, Ruimte voor de Rivier en de Maaswerken (waterveiligheid).

  • Het (doen) uitvoeren van beheer en onderhoud (waterveiligheid en waterkwantiteit).

Regisseren

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid, voor het deltaprogramma en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer met de landen rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol Regisseren heeft op dit artikel ook betrekking op taken binnen de beleidsdomeinen waterkwantiteit en innovatie:

  • Waterkwantiteit. Het realiseren van een maatschappelijk afgewogen waterverdeling en daarvoor het hoofdwatersysteem zo te beheren dat wateroverlast en -tekort worden voorkomen. Het zorgen voor kaders en instrumentarium voor regionale afwegingen om het regionale watersysteem op orde te brengen en te houden. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 4 «Waterbeleid in thema’s») en het Programma Rijkswateren 2010–2015.

  • Innovatie. Het beleid op de topsector Water is gericht op het versterken van de concurrentiekracht van de Nederlandse watersector. Het gaat onder meer om het organiseren en uitvoeren van bilaterale handelsmissies en het ontvangen van buitenlandse delegaties.

Het zorgen voor het ontwikkelen en implementeren van integraal waterbeleid door een aanpak gericht op de gebieden met grote rijkswateren. Deze aanpak is onder andere terug te vinden in het Nationaal Waterplan 2009–2015 (Hoofdstuk 3 «Samenwerken aan realisatie van het waterbeleid» en Hoofdstuk 5 «Waterbeleid in gebieden»), het Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010–2015 en het Programma Rijkswateren 2010–2015.

Tot slot is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwantiteit opgenomen. Onderstaande indicatoren geven weer hoe het is gesteld met het aantal kilometers dijken en duinen en het aantal kunstwerken die zorgen voor waterveiligheid in Nederland. De cijfers zijn gebaseerd op de toetsronden uit 2001, 2006 en 2011.

Conform de Waterwet wordt periodiek getoetst of de primaire waterkeringen voldoen aan de wettelijke veiligheidsnormen. Deze toetsing wordt door de beheerder uitgevoerd volgens het door de Minister vastgestelde wettelijk toetsinstrumentarium. In 2017 start de volgende toetsronde. Over de resultaten van deze toetsing wordt in 2023 gerapporteerd aan de Eerste en Tweede Kamer. Zie voor meer informatie hierover onder Beleidswijzigingen. In 2013 is de Verlengde Derde Toetsronde Primaire Waterkeringen (LRT3+) gehouden. Deze toetsing kwam voort uit de derde toetsing uit 2011, met als bedoeling om zoveel mogelijk de categorie die bij de derde toetsing het oordeel «nader onderzoek nodig» had gekregen weg te werken. In 2014 is hierover aan de Tweede Kamer gerapporteerd met als belangrijkste conclusie dat voor circa 80% van de dijken en duinen het oordeel «nader onderzoek nodig» nu is omgezet in een definitief oordeel, wat eveneens geldt voor bijna 70% van de kunstwerken (Kamerstukken II, 2013/14, 31 710, nr. 32).

Dijken en duinen (in kilometers)

Dijken en duinen (in kilometers)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Kunstwerken (aangemerkt als primaire waterkering in aantallen)

Bron: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2014

Ongeveer zestig procent van ons land zou regelmatig onder water staan als er geen dijken en duinen zouden zijn. In dit gebied wonen negen miljoen mensen en wordt zeventig procent van ons BNP verdiend. Maatschappelijk gezien is aandacht voor de waterveiligheid dus van cruciaal belang voor de leefbaarheid en de economie van Nederland (Kamerstukken II, 2012/13, 33 400, nr. 19).

Ten behoeve van een goede verdeling van water wordt peilbeheer op het hoofdwatersysteem toegepast. Hiervoor dienen de streefpeilen van drie belangrijke watersystemen (het IJsselmeer, Amsterdam-Rijnkanaal/ Noordzeekanaal en het Haringvliet) op het afgesproken niveau te worden gehouden. Stuwen en spuien/gemalen zijn nodig om dit peil te beïnvloeden.

   

Norm

Realisatie

Realisatie

Realisatie

Indicator

Eenheid

 

20121

2013

2014

Beschikbaarheid streefpeilen voor Noordzeekanaal/ Amsterdam-Rijnkanaal, IJsselmeer en Haringvliet

%

90%

n.v.t.

100%

100%

X Noot
1

Deze indicator wordt gebruikt vanaf 2013. Hierdoor zijn geen oudere realisaties beschikbaar.

De norm is dat negentig procent van de (24-uursgemiddelde) tijd de afgesproken (streef)peilen, onder normale omstandigheden, binnen de operationele marge worden gerealiseerd. De streefpeilen van het Haringvliet, Amsterdam-Rijnkanaal, Noordzeekanaal en IJsselmeer (alleen zomerpeil telt mee) waren in 2014 de gehele periode binnen de marge.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

De Deltacommissaris heeft in 2014 nieuwe normen voorgesteld voor de waterkeringen. Naast een basisbeschermingsniveau voor iedere Nederlander, wordt er gekeken naar extra bescherming voor plekken waar veel slachtoffers vallen of veel schade ontstaan. Het voorstel voor de nieuwe normen is door het kabinet overgenomen en vastgelegd in de tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2009–2015. De normen zullen de komende twee jaar ook wettelijke verankerd worden.

Per 1 januari 2014 is een extra doelmatigheidskorting van € 50 mln op waterveiligheid in werking getreden als gevolg van de laatste wijziging van de Waterwet. Deze loopt op tot € 100 mln structureel vanaf 2015. Samen met de eerder in werking getreden korting van € 81 mln op de begroting van IenM tengevolge van de «Spoedwet € 100 mln» is de totale bezuiniging op waterveiligheid op de begroting van IenM vanaf 2015 structureel € 181 mln. Deze bezuiniging maakt deel uit van een totaalpakket aan maatregelen gericht op het vergroten van de doelmatigheid in het waterbeheer, resulterend in een doelmatigheidswinst die tot 2020 geleidelijk oploopt tot jaarlijks € 750 mln ten opzichte van 2010. Van deze doelmatigheidswinst wordt 200 miljoen euro in het watersysteem gebruikt om de rijksuitgaven op het gebied van waterveiligheid te verminderen zoals afgesproken is in het regeerakkoord. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het Bestuursakkoord Water (2011). Over de voortgang wordt jaarlijks gerapporteerd in «Water in Beeld». Belangrijk onderdeel van het Bestuursakkoord Water zijn de afspraken om te komen tot een beheersbaar en structureel gefinancierd programma voor de versterking van de primaire waterkeringen (het vernieuwde Hoogwaterbeschermingsprogramma). Kernelementen zijn de cofinanciering van de aanleg en verbetering van de primaire waterkeringen in beheer bij de waterschappen door rijk en waterschappen gezamenlijk en de verbetering van de programmering en toetsing. Dit vernieuwde Hoogwaterbeschermingsprogramma is per 1 januari 2014 formeel van start gegaan.

In 2014 is, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, de beleidsdoorlichting van Artikel 11, Waterkwantiteit, van de begroting van IenM opgeleverd. De uitkomsten en beleidsreactie zijn op 19 december 2014 (Kamerstukken II, 2014/15, 32 861, nr. 6) aan de Tweede Kamer aangeboden. In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat de voortgang goed wordt gemonitord, onder andere via «Water in Beeld», maar dat in mindere mate de doeltreffendheid wordt geëvalueerd. Naar voren komt dat er vrijwel geen evaluatieonderzoeken naar de doelmatigheid van het beleid in de periode 2008–2013 beschikbaar zijn. Conclusies trekken over de doelmatigheid van het beleid is daarom niet mogelijk. Wel wordt geconcludeerd dat de aandacht voor doelmatigheid in de geëvalueerde periode is toegenomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

11

Waterkwantiteit

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

37.457

40.756

34.814

5.942

1)   

Uitgaven

 

41.021

40.075

39.731

344

 

11.01

Algemeen waterbeleid

 

35.591

34.016

34.564

– 548

 

11.01.01

Opdrachten

 

1.812

1.527

2.436

– 909

 

11.01.02

Subsidies

 

12.259

11.809

10.712

1.097

 
 

– Partners voor Water (HGIS)

 

11.615

11.788

10.500

1.288

 
 

– Overige subsidies

 

644

21

212

– 191

2)

11.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

20.993

19.908

19.416

492

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

728

558

473

85

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

20.265

19.350

18.943

407

 

11.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

527

772

2.000

– 1.228

3)

11.02

Waterveiligheid

 

3.338

3.225

2.860

365

 

11.02.01

Opdrachten

 

3.338

3.225

2.860

365

 

11.03

Grote oppervlaktewateren

 

2.092

2.834

2.307

527

 

11.03.01

Opdrachten

 

2.092

2.834

1.992

842

 

11.03.05

Bijdrage aan internationale organisaties

   

0

315

– 315

4)

 

Ontvangsten

 

78

73

30

43

5)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingen worden op dit artikel veroorzaakt door het programma Partners voor Water (HGIS). Het niet gerealiseerde verplichtingenbudget uit 2013 is in 2014 opgevraagd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken (HGIS) voor de uitvoering van het programma Partners voor Water 2014 en is in 2014 aan de begroting van het Ministerie van IenM toegevoegd.

11.01 Algemeen waterbeleid
11.01.01 Opdrachten

Het in mei 2011 getekende Bestuursakkoord Water (Kamerstukken II, 2010/11, 27 625, nr. 204) was in 2014 in uitvoering. Over de tussenevaluatie van het Bestuursakkoord Water, inclusief de monitoring van de financiële doelmatigheid, is aan de Tweede Kamer gerapporteerd in «Water in Beeld» (Kamerstukken II, 2013/14, 27 625 nr. 317). Daarbij zijn ook de tussenresultaten van het inmiddels opgeleverde eindrapport van de Visitatiecommissie Waterketen betrokken.

In 2014 is het ontwerp Nationaal Waterplan (NWP) 2016–2021 opgesteld, dat op 23 december 2014 de inspraak is ingegaan. Onderdeel van het NWP zijn de beleidsmatige verankering van de Deltabeslissingen in de partiële herziening van het eerste NWP in 2014, de waterkwaliteit, het Noordzeebeleid, de verbinding van water en ruimte, de financiering en de geactualiseerde plannen en maatregelen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico’s en het mariene milieu. Om te komen tot een toekomstig duurzame financiering van het waterbeheer is in 2014 een beleidsonderzoek gestart.

Sinds 2012 is het «waterloket» onderdeel van het Omgevingsloket Online (OLO). Daarin kunnen burgers en bedrijven online watervergunningen aanvragen of een melding doen. In 2014 is versie 2.10 afgerond en in gebruik genomen.

Ook in 2014 is door de Helpdesk Water gewerkt aan het up-to-date houden van de informatie op de website van de Helpdesk. Daarbij is technische ondersteuning verleend aan het Omgevingsloket.

Voor de uitvoering van de Human Capital Agenda zijn in 2014 weer stappen gezet. Ten aanzien van het vergroten van instroom en het versterken van het imago van de watersector is de pilot studiebeurzen Topsector Water voortgezet en verbreed. Voor de periode 2013–2015 zijn vijf beurzen uitgereikt aan studenten met een watermanagement of waterbouwopleiding van de TU Delft. Voor de periode 2014–2016 is inmiddels een achttal beurzen uitgereikt, respectievelijk zes voor de TU Delft en twee voor de Universiteit Twente. Naar verwachting zal IenM ook nog drie beurzen op hbo-niveau verstrekken. Tevens wordt het waterbewustzijn onder scholieren vergroot, om in de toekomst de instroom naar de arbeidsmarkt te borgen. Er wordt hierbij samengewerkt met scholen waarbij onder andere projecten worden opgezet en uitgevoerd om de belangstelling van scholieren te vergroten. Zo wordt gewerkt met de site «Ons Water», gericht op vergroten van het bewustzijn en met sites als watereducatie.nl en waterwonderen.nl. voor de arbeidsmarkt en educatieperspectief. Ook zijn evenementen georganiseerd als het Wereld Water College (november 2014), de Geoweek (april 2014) en is samen met het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) het lespakket waterveiligheid ontwikkeld dat nu wordt getest in drie pilotgebieden. Verder zijn contacten gelegd met het Nationaal Regieorgaan Praktijkgericht Onderzoek SIA en zijn samen met de Unie van Waterschappen voorbereidingen getroffen om regionale focuspunten, waarin overheid, bedrijfsleven en onderwijs samenwerken, op te starten. Naar verwachting zal dit in 2015 resulteren in drie pilots.

11.01.02 Subsidies

HGIS Partners voor Water

Voor de internationale water activiteiten gericht op het combineren van het leveren van een bijdrage aan de mondiale waterproblematiek en het bevorderen van de export van de Nederlandse Watersector, werkt IenM nauw samen met de ministeries van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken. In 2014 is besloten om deze samenwerking te intensiveren. Het programma Partners voor Water is een belangrijk uitvoeringsprogramma voor deze samenwerking. Het programma Partners voor Water loopt tot en met 2015. De voorbereidingen voor de start van een vervolg van dit uitvoeringsprogramma zijn gestart om een soepele overgang van Partners voor Water 3 naar het nieuwe uitvoeringsprogramma mogelijk te maken.

Kenniscoaches RIONED (ad 2)

De lagere realisatie op dit artikelonderdeel betreft de overboeking van de middelen bestemd voor Stichting Riolering Nederland (RIONED) inzake het project kenniscoaches naar artikel 12.01.02. De regie en aansturing van deze subsidietoekenning vindt plaats vanaf artikel 12.01.02 en om deze reden naar dat artikel overgeboekt.

In het Bestuursakkoord Water (BAW) is afgesproken in de regio samen te werken bij de uitvoering van de beheertaken van het stedelijk watersysteem en de waterketen. Kenniscoaches kunnen dit proces faciliteren. Het programma Kenniscoaches is in december 2011 gestart en wordt uitgevoerd door stichting RIONED en financieel ondersteund door het Ministerie van IenM. Er zijn vijftien kenniscoaches aangesteld en getraind in het coachen van het bevorderen van samenwerking in de waterketen. Voorts heeft het programma Kenniscoaches in 2014 bijgedragen aan tal van bijeenkomsten die in het kader van samenwerken in de waterketen zijn georganiseerd. Het programma loopt tot en met december 2016.

11.01.03 Bijdrage aan agentschappen

De bijdrage aan RWS heeft betrekking op de beleidsondersteunende en beleidsadviserende activiteiten (BOA) in 2014. Hiervoor wordt jaarlijks een opdracht aan RWS verstrekt. Tot deze opdracht behoren ook de bijdragen aan de uitwerking van de deelprogramma’s in het kader van het Deltaprogramma, zoals de deelprogramma’s veiligheid, zoetwater, rivieren en kust.

In 2014 zijn aan het KNMI diverse onderzoeken en analyses gevraagd omtrent neerslagpatronen, het gedrag van extreme stormen, verbeterde windmodellen, het weer in de toekomst en risicoanalyses ten aanzien van het samenvallen van extreme weerssituaties. De resultaten van deze analyses dragen bij aan de onderbouwing van het wettelijke toetsinstrumentarium voor de primaire waterkeringen en het waterveiligheidsbeleid in het algemeen.

11.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 3)

Subsidieregeling compensatie kwijtschelding waterschappen

Er zijn door IenM afspraken gemaakt met het Ministerie van SZW over compensaties in relatie tot de kinderopvang voor de waterschappen. Die afspraak behelst het laten meelopen van deze compensaties met de geldstroom van IenM richting de waterschappen. Daartoe zijn budgetten van SZW overgeboekt naar IenM.

De lagere realisatie betreft de subsidieregeling met betrekking tot de kinderopvang, waarvoor minder aanvragen zijn ontvangen dan begroot. In 2014 hebben in dit kader twee waterschappen een subsidie aangevraagd en toegekend gekregen (voor de duur van de subsidieregeling tot en met 2017). Het betreft het waterschap Scheldestromen en het waterschap Hollands Noorderkwartier. Ook is aan waterschap Aa en Maas een subsidie verleend voor de periode 2014 tot en met 2017 op basis van een subsidieverzoek uit 2013. De niet gebruikte middelen zijn teruggeboekt naar het Ministerie van SZW.

Bijdrage secretariaat commissie BBV

Op grond van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) van BZK is een commissie BBV ingesteld. Deze commissie draagt zorg voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het besluit, en voor een visie ten aanzien van rechtmatigheid in de controleverklaring van gemeenten, gemeenschappelijke regelingen, waterschappen en provincies. Sinds 2014 draagt het Ministerie van IenM de helft bij vanwege de betrokkenheid van de commissie met de waterschappen. De bijdrage bedraagt € 29.000 per jaar, lopend tot en met 2019.

11.02 Waterveiligheid
11.02.01 Opdrachten

In 2014 is in een samenwerkingsverband tussen Rijk en decentrale overheden uitvoering gegeven aan het vervolmaken van de overstromingsrisicobeheerplannen voor de vier stroomgebieden Eems, Rijn, Maas en Schelde.

Op basis van de derde ronde toetsing op veiligheid is ook in 2014 gewerkt aan de programmering van de verbetermaatregelen van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Daarnaast is in 2014 gewerkt aan de voorbereiding van de vierde Toetsronde Primaire Waterkeringen (start in 2017).

In 2014 is tevens gewerkt aan de actualisatie van het wettelijk toetsinstrumentarium, te weten de Hydraulische Randvoorwaarden en het Voorschrift Toetsen op Veiligheid. Op basis van technische ontwikkelingen en voortschrijdend inzicht wordt het toetsinstrumentarium geactualiseerd. De nieuwe normering speelt ook hierbij een grote rol. Hiervoor zijn opdrachten gegeven voor onderzoek, kwaliteitsborging en het organiseren van kennisuitwisseling. In 2014 is het besluit genomen om de oplevering van het instrumentarium te faseren en daarmee een deel versneld eind 2015 op te kunnen leveren.

Voor het realiseren van de mijlpaal Deltabeslissing zijn in 2014 diverse opdrachten via RWS aan Deltares en verschillende marktpartijen verstrekt.

11.03 Grote oppervlaktewateren
11.03.01 Opdrachten

In 2014 is gewerkt aan het opstellen van een samenwerkingsagenda voor het beheer van de Waddenzee. Medio 2014 is het Plan van Aanpak «Verbetering beheer Waddenzee» aangeboden aan de Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 29 684, nr. 112). Maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water zijn verder in uitvoering gebracht. De voorkeursstrategie van het onderdeel Wadden van het Deltaprogramma is in 2014 vastgesteld en is de uitvoeringsfase ingegaan.

De Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee, de haalbaarheidsstudie en de routekaart voor windenergie op zee zijn op 26 september 2014 aan de Eerste en Tweede Kamer verzonden (Kamerstuk II, 2014/15, 33 561, nr. 11). De Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee is vastgesteld. Daarmee zijn de windenergiegebieden Hollandse Kust en de gebieden ten noorden van de Waddeneilanden aangewezen. Tevens is het ontwerp Nationaal Waterplan 2016–2021 met als bijlage de ontwerp Beleidsnota Noordzee 2016–2021 op 12 december 2014 aan de Eerste en Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2014/15, 31 710, nr. 35). De Noordzee 2050 Gebiedsagenda die op 28 juli 2014 is aangeboden, heeft een plaats gekregen binnen de ontwerp Beleidsnota Noordzee 2016–2021. Met de Noordzeelanden is de samenwerking versterkt binnen het proces dat heeft geleid tot het vaststellen van de Europese richtlijn voor maritieme planning, die in september 2014 van kracht is geworden. Het Noordzeeloket is in 2014 aangepast aan de Rijkshuisstijl.

De ontwerp rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer (VZM) is op 10 oktober 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2014/15, 33 531, nr. 2). Hierin is een ontwikkelperspectief opgenomen dat zicht biedt op terugkeer van getij op de Grevelingen en een weer zout VZM. Omdat er nog inspanning nodig is voor de dekking van de hiermee gemoeide kosten, is hieraan de randvoorwaarde verbonden dat er eind 2015 een robuust financieel plan moet liggen. Regio en Rijk zijn hiertoe een gezamenlijk programma Gebiedsontwikkeling 2e fase gestart.

Uit de evaluatie van de Watertoets is gebleken dat de watertoets een nuttig instrument is om vroegtijdige betrokkenheid van de waterbeheerder bij ruimtelijke ordeningsprocessen te borgen. Om het functioneren van de Watertoets in de praktijk op bepaalde punten te versterken (bijvoorbeeld strategische planvorming), is in 2014 een visie en actieprogramma opgesteld en uitgevoerd met als onderdeel praktijkgerichte regionale leergemeenschappen. In 2014 is voorts bestuurlijke overeenstemming bereikt over de borging van de watertoets in de Omgevingswet.

11.03.05 Bijdrage aan internationale organisaties (ad 4)

Bij 2de suppletoire wet is het jaarlijkse DGRW aandeel in de kosten van de Vlaams Nederlandse Schelde Commissie (VNSC) budget overgeboekt naar het uitvoerende onderdeel van RWS (Zee en Delta).

Ontvangsten (ad 5)

Het verschil betreft vorderingen uit voorgaande jaren in het kader van «Tijdelijke regeling eenmalige uitkering stedelijke synergieprojecten kaderrichtlijn water». Daarnaast is in 2014 een hoger bedrag ontvangen van de EU voor de afrekening van het waterkwaliteitproject ScaldWIN.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

670.562

Andere ontvangsten van artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

151.020

Totale uitgaven op artikel 1 Investeren in Veiligheid van het Deltafonds

821.582

waarvan

 

1.01

Grote projecten waterveiligheid

700.046

1.02

Overige aanlegprojecten waterveiligheid

115.248

1.03

Studiekosten

6.288

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.577

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

1.049

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

4.626

waarvan

   

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

1.435

2.03

Studiekosten

3.191

Extracomptabele verwijziging naar artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

174.535

Andere ontvangsten van artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

 

Totale uitgaven op artikel 3 Beheer, onderhoud en vervanging van het Deltafonds

174.535

waarvan

   

3.01

Watermanagement

11.530

3.02

Beheer, onderhoud en vervanging

163.005

Artikel 12 Waterkwaliteit

Algemene doelstelling

Het op orde krijgen en houden van een duurzaam watersysteem tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, waardoor Nederland schoon (drink)water heeft.

(Doen) uitvoeren

Rol en Verantwoordelijkheden

Maatregelen op het gebied van waterkwaliteit worden verantwoord op dit artikel. De rol «(doen) uitvoeren» heeft betrekking op taken binnen het volgende onderdeel:

  • Het (doen) uitvoeren van aanlegprojecten, zoals het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren.

  • Het (doen) uitvoeren van beheer en onderhoud.

In 2014 is uitwerking gegeven aan het amendement-Jacobi (Kamerstukken II, 2013/14, 33 503, nr. 8) om met ingang van 1 januari 2015 de uitgaven op het gebied van waterkwaliteit, ook wanneer deze uitgaven geen relatie hebben met waterveiligheid en zoetwatervoorziening, te verantwoorden op het Deltafonds. Voor de resterende opgave waterkwaliteit vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water voor de tweede en derde planperiode tot en met 2027, waarvoor aanvullend circa € 474 miljoen benodigd was, zijn middelen vrijgemaakt ten behoeve van het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijksbesluitvorming.

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van het integrale waterbeleid en het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Ook is de Minister verantwoordelijk voor het verbeteren van de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de bestuurlijke organisatie en het instrumentarium ten behoeve van het waterbeleid. Daarnaast regisseert de Minister de afstemming van het waterbeheer rondom de Noordzee en met de buurlanden bovenstrooms gelegen in de stroomgebieden van Rijn, Maas, Schelde en Eems.

De rol «regisseren» heeft in dit artikel betrekking op taken binnen de volgende onderdelen:

  • Beleidsontwikkeling ten behoeve van het bereiken van een goede ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden, conform de voorschriften zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Water (KRW), om in 3 planperiodes uiterlijk in 2027 aan de Europese verplichtingen te voldoen.21

  • Beleidsontwikkeling ten behoeve van het nemen van de nodige maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken en te behouden in het Nederlandse deel van de Noordzee, in samenwerking en samenhang met de andere Noordzeelanden, conform de vereisten zoals opgenomen in de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM).22

  • Ten aanzien van de KRW en Kaderrichtlijn Mariene Strategie geldt dat de coördinerende verantwoordelijkheid ligt bij de Minister van IenM, tezamen met de Minister van EZ voor zover het aangelegenheden betreft die mede tot zijn verantwoordelijkheid behoren.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor waterkwaliteit opgenomen. In productartikel 3 van het Deltafonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen. In het rapport «Water in Beeld»23 zijn de overige indicatoren weergegeven en is op 20 mei 2014 aangeboden aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 27 625, nr. 317).

Aantal KRW projecten per projectfase

Aantal KRW projecten per projectfase

Bron: Programmabureau Verkenning en Planuitwerking (PVP), Uitvoering Kader Richtlijn Water (KRW), T3 2014

Toelichting

De indicator hierboven geeft informatie over de stand van zaken van de uitvoering van de KRW-maatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit. Het geeft een meerjarig inzicht in de voortgang van de maatregelen van de betreffende projecten. De beleidsinspanningen van de Minister van IenM op dit artikel richten zich op de regie en realisatie van deze projecten. In het figuur is te zien dat de programma’s voortvarend worden aangepakt en de voortgang van maatregelen in voorbereiding via realisatie naar gereedheid volgens plan verloopt. De projecten Inrichting IJssel en natuurvriendelijke oevers Vreugderijkerwaard zijn administratief samengevoegd. Hierdoor zijn er nu nog 49 KRW projecten, in plaats van 50.

Over de ecologische en chemische kwaliteit van de oppervlaktewateren in de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde, Eems en het bereiken van een goede chemische en kwantitatieve toestand van de grondwateren in de vier stroomgebieden wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd via «Water in Beeld» (laatste publicatie: Kamerstukken II, 2013/14, 27 625, nr. 317). Ook presenteert PBL de tussenresultaten in het Milieucompendium. De ecologische en chemische kwaliteit is een gevolg van de genomen inrichtingsmaatregelen en het beleid voor nutriënten en chemische stoffen. Specifiek voor de rijkswateren geldt dat daarbij de belasting van bovenstroomse landen ook een rol speelt.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In de brief van d.d. 20 juni 2013 inzake waterkwaliteit (Kamerstukken II, 2012/13, 27 625, nr. 292) is aangegeven wat de ambities van IenM zijn op dit gebied. In de brief van d.d. 11 juni 2014 is de voortgang inzake de waterkwaliteit geschetst (Kamerstukken II, 2013/14, 27 625, nr. 318). In deze brief is aangegeven dat de uitvoering goed op schema ligt en de kwaliteit van het oppervlaktewater verbetert.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

12

Waterkwaliteit

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

70.389

85.651

83.393

2.258

 

Uitgaven

 

78.565

84.827

85.558

– 731

 

12.01

Waterkwaliteit

 

78.565

84.827

85.558

– 731

 

12.01.01

Opdrachten

 

4.729

3.978

3.815

163

 

12.01.02

Subsidies

 

94

277

36

241

1)

12.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

65.861

78.946

78.944

2

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

65.861

78.946

78.944

2

 
 

* Verbeterprogramma Waterkwaliteit rijkswateren

 

52.791

67.970

67.968

2

 
 

* Natuurcompensatie Perkpolder

 

7.325

7.372

7.372

0

 
 

* Natuurlijker Markermeer/IJ'meer

 

4.485

3.153

3.153

0

 
 

* Verruiming vaargeul Westerschelde

 

1.260

451

451

0

 

12.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

6.557

– 0

1.453

– 1.453

2)

12.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

1.324

1.626

1.310

316

 
 

Ontvangsten

 

0

0

0

0

 
12.01 Waterkwaliteit

Toelichting op de financiële instrumenten

12.01.01 Opdrachten

Kaderrichtlijn Water

Jaarlijks wordt de Kamer met de «Water in Beeld» geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van maatregelen uit de stroomgebiedbeheersplannen van 2009.

Kaderrichtlijn Mariene strategie

De Europese Kaderrichtlijn Mariene strategie (KRM) kent, net als de KRW, een zesjarige plancyclus. In 2013 en 2014 is op basis van de Mariene Strategie Deel I, in samenwerking met het Ministerie van EZ, een aantal stappen in de implementatie voorbereid. Een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) maakte hier onderdeel van uit. Vervolgens heeft in 2014 besluitvorming plaatsgevonden over Mariene Strategie Deel II, het KRM-monitoringsprogramma. Daarnaast heeft een beleidsverkenning plaats gevonden naar de betekenis van kunstmatige harde substraten (zoals wrakken) en beleidsontwikkeling op het gebied van onderwatergeluid. Uitbestedingen hebben plaatsgevonden voor het opstellen van een concept-monitoringprogramma, de uitwerking daartoe van indicatoren en kennisontwikkeling op het gebied van zwerfvuil en onderwatergeluid.

12.01.02 Subsidies (ad 1)

Medio 2014 zijn twee niet eerder in de begroting voorziene subsidies verstrekt waarop betalingen zijn verricht. Het betreft de subsidie inzake Kenniscoaches aan Stichting RIONED en de subsidie aan de coöperatie Gastvrij Randmeren ten behoeve van een pilot inzake maaien van waterplanten op de Randmeren.

Binnen het onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat is een subsidie verstrekt aan een consortium onder leiding van Deltares voor het thema zoetwatervoorziening en waterkwaliteit. In 2014 is dit onderzoek afgerond.

12.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Maatregelen in het hoofdwatersysteem op het gebied van waterkwaliteit die niet verbonden zijn aan waterkwantiteit en waterveiligheid, zijn als servicepakket waterkwaliteit van RWS verantwoord op dit artikel.

Verbeterprogramma waterkwaliteit Rijkswateren

Het KRW pakket betreft 300 maatregelen die zijn onderverdeeld over 49 projecten, waaronder de realisatie van natuurvriendelijke oevers, nevengeulen, vispassages en waterbodemsaneringen. De projecten Inrichting IJssel en natuurvriendelijke oevers Vreugderijkerwaard zijn administratief samengevoegd, waardoor het totaal aantal projecten van 50 naar 49 is gegaan. Op het project Oevergeul Bovenrijn na, zijn alle projecten in realisatie of al gerealiseerd. Het project Oevergeul Bovenrijn kent een KRW doelstelling en een waterveiligheidsdoelstelling. De locatie van dit project, vlak voor het splitsingspunt van de Boven-Rijn in de Waal en het Pannerdensch Kanaal, zorgt ervoor dat het maken van een vergunbaar ontwerp complex is. De KRW doelstelling van het project (1,0 km nevengeul) zal uiterlijk 2015 gerealiseerd worden via omwisseling met het Ruimte voor de Rivier project bij Lent. Daarmee ligt de uitvoering van het KRW pakket als geheel goed op schema.

Natuurcompensatie Perkpolder

Het project Natuurcompensatie Perkpolder maakt onderdeel uit van het wettelijk verplichte natuurcompensatieprogramma voor de tweede verdieping van de Westerschelde. De realisatie is in 2013 gestart. De oplevering van het project is voorzien in 2015.

Verruiming vaargeul Westerschelde

In 2014 is aan de hand van de door het project ingewonnen monitoringsgegevens gewerkt aan het tweede voortgangsrapport over de eventuele effecten van de derde verruiming. Dit rapport zal begin 2015 worden opgeleverd. Tevens zijn in 2014 uit hoofde van het verdrag Ontwikkelingsschets Schelde-estuarium 2010 (OS2010), samen met het Vlaams Gewest, werkzaamheden aan de geulwandverdediging in het Gat van Ossenisse uitgevoerd, bestaande uit het aanvullen van de erosiekuil aan de teen van de geulwandverdediging met onderhoudsspecie. De uitvoering daarvan is in november 2014 afgerond en de ontwikkeling van het aangebrachte zandpakket zal in 2015 worden geëvalueerd op basis van aanvullende monitoring.

Natuurlijker Markermeer / IJmeer

In 2014 zijn de meeste proefprojecten van het onderzoeksprogramma Natuurlijk(er) Markermeer / IJmeer (NMIJ) afgerond. De monitoringsresultaten van de projecten zijn verwerkt in een aantal rapportages. De eindrapportage moet nog plaatsvinden en zal vorm krijgen van een toegankelijk kennissysteem. Eind 2015 zal het onderzoeksprogramma NMIJ klaar zijn en het kennissysteem volledig operationeel.

12.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 2)

In het kader van de Regeling voor Stedelijke synergieprojecten zijn in 2014 per saldo geen uitgaven gedaan. Het toekennen van subsidies hebben vertragingen opgelopen in de uitvoering van de onderliggende projecten.

12.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

In het OSPAR24-verdrag zijn afspraken vastgelegd voor de internationale samenwerking en afstemming over vraagstukken op gebied van mariene milieu, ecologie en biodiversiteit in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Noordzee. Voor OSPAR is jaarlijks contributie verschuldigd.

UNESCO wordt ondersteund door twee Memoranda of Understanding (MOU’s). Het gaat om ondersteuning van het grondwaterinstituut «IGRAC» en om capacity building door UNESCO-IHE. De bijdrage aan «IGRAC» bedroeg in 2014 € 0,5 miljoen en de bijdrage aan UNESCO-IHE bedroeg € 0,3 miljoen in 2014.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

3.577

Andere ontvangsten van artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

1.049

Totale uitgaven op artikel 2 Investeren in zoetwatervoorziening van het Deltafonds

4.626

waarvan

   

2.01

Aanleg waterkwantiteit

0

2.02

Overige waterinvesteringen zoetwatervoorziening

1.435

2.03

Studiekosten

3.191

Artikel 13 Ruimtelijke ontwikkeling

Algemene doelstelling

Een ruimtelijk beleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, waarin sprake is van regionaal maatwerk, waarin de gebruiker voorop staat, waarin investeringen scherp geprioriteerd worden en waarin ruimtelijke ontwikkelingen, milieu en mobiliteit met elkaar zijn verbonden.

Regisseren

Rol en Verantwoordelijkheden

Het Rijksbeleid voor ruimtelijke ontwikkeling is beschreven in de in 2012 vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. 50). Dit ruimtelijk beleid kent een selectieve beleidsinzet op 13 nationale belangen. Bij deze 13 nationale belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de uitvoering. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. In dit kader werkt het Rijk aan meer eenvoudige regelgeving. Daarbij verwacht het Rijk dat medeoverheden zich eveneens inzetten voor meer eenvoud en verdere integratie op het gebied van ruimtelijke regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Om dit doel te bereiken is goede samenwerking met en inzet door medeoverheden van groot belang. De uitvoering van de SVIR is in 2012 gestart.

Door goede afstemming met andere overheden en maatschappelijke partners kan de rijksrol zo efficiënt mogelijk worden ingevuld. De Minister van IenM is vanuit deze rol verantwoordelijk voor:

  • Het opstellen, onderhouden en coördineren van nationale en EU kaders en wet- en regelgeving op ruimtelijk gebied en ten aanzien van interbestuurlijke geo-informatie en de daarbij behorende informatievoorziening. Het vertalen en implementeren van relevante Europese beleidskaders. Het Rijk start in 2014 in samenwerking met medeoverheden, bedrijfsleven en wetenschap met de realisatie van de uitvoeringsagenda voor de nationale geo-informatiestructuur, GIDEON 2.

  • De duurzame kwaliteit van de ruimtelijke inrichting en doelmatig gebruik van het bodem- en watersysteem.

  • Het ontwikkelen van nationale ruimtelijke visies, zoals de SVIR en een Visie op de ruimtelijke kansen voor duurzame energieopwekking-, -opslag en -transport in 2050.

  • Verdere ontwikkeling van kennis op het ruimtelijke vlak en het faciliteren van de toepassing daarvan door de andere overheden.

  • De structurele verankering van het ruimtelijk ontwerp in de beleidsprocessen en projecten van de ruimtelijke ontwikkeling.

  • Via de gebiedsagenda’s in kaart brengen van de inhoudelijke samenhang tussen (nationale) ruimtelijke projecten, verstedelijking, infrastructuur en (openbaar) vervoer op een zodanige wijze dat het afgestemde investeringsbeslissingen tussen Rijk en regio in het Bestuurlijk Overleg-MIRT ondersteunt.

  • De stelselherziening van het omgevingsrecht.

Indicatoren en kengetallen

De monitor Infrastructuur en Ruimte meet de ruimtelijke en mobiliteitsontwikkelingen ten aanzien van de 13 nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), afgezet tegen de gestelde ambities. Na de in 2012 uitgevoerde nulmeting heeft het PBL in 2014 de eerste Monitor Infrastructuur en Ruimte uitgebracht. Daarin wordt op verzoek van de Tweede Kamer behalve aan de 13 nationale belangen ook aandacht besteed aan enkele van de losgelaten doelen van de Nota Ruimte. Op basis hiervan wordt verantwoording afgelegd aan de Tweede Kamer en kunnen eventuele aanpassingen in het beleid worden gedaan. In 2014 is daarnaast gestart met de evaluatie van de SVIR, die in 2015 aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden.

Omdat de cijfers in de MIR 2014 voor een groot deel meetgegevens zijn uit 2012, mogen de resultaten van deze monitor niet worden gezien als een beoordeling van de effecten van de SVIR. Dat kan wel bij ontwikkelingen op de terreinen waarvoor de SVIR-doelen een voortzetting zijn van eerder beleid; dit laatste geldt op hoofdlijnen voor alle genoemde SVIR-doelen, met uitzondering van het SVIR-doel «Buisleidingen in gereserveerde stroken». De gegevens van de monitor zijn te raadplegen op de website van compendium voor de leefomgeving.25

Met betrekking tot artikel 13 zijn de volgende kengetallen van belang (Kamerstukken II, 2011/12, 32 660, nr. A/50):

Nationaal belang SVIR

Doel SVIR

Voorlopige kengetallen Monitor Infrastructuur en Ruimte

Nulmeting 2012/vervolgmeting 2014

Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in, en goede internationale bereikbaarheid van, de stedelijke regio’s met een concentratie van topsectoren

Versterken concurrentiekracht stedelijke regio’s

Internationale concurrentie Nederlandse regio’s

   

Bereikbaarheid

Nabijheid wonen-werken

0,4% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2010

   

0,4% toename bereikbare banen tussen 2000 en 2012

 

Vestigingsklimaat

Fysiek vestigingsklimaat

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie

Realisering netwerk SEV-III

Toename netlengte hoogspanningslij-nen met spanning 220 kV en hoger

2.800 (2008), 2.890 (2012)

De toename van het aantal woningen in zones langs hoogspanningsleidingen waar beperkingen gelden (indicatieve vrijwaringszones) is tussen 2000 en 2012 ongeveer 8.500 woningen

Transitie duurzame energie

Verbruik hernieuwbare energie

4,2% (2011), 4,5% (2013)

Doelstelling windenergie

Opgesteld vermogen windenergie op land en op zee

2237 MW (2010) 2433 MW op land (2012)228 MW op zee (2012)

Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen

Buisleidingen in gereserveerde stroken

Toename rode ontwikkelingen buisleiding-stroken

Netlengte 18.406 km (2008), Aantal woningen binnen gereserveerde buisleidingstroken 251(2000), 250 (2012)

Efficiënt gebruik van de ondergrond

Winning opper-vlaktedelfstoffen verbinden met andere functies

Nog uit te werken op basis van structuurvisie ondergrond

Realisatiecijfers worden verwacht wanneer structuurvisie beschikbaar is

Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten

Ladder voor duurzame verstedelijking

Ladder voor duurzame verstedelijking

Evaluatie gereed,

http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/onderwerpen/nl0041-Monitor-Infrastructuur-en-Ruimte.html?i=40

Aandeel ladderplichtige bestemmingsplannen waarbij de Ladder volledig is toegepast 8% (nulmeting 2013)

Bron: De kengetallen zijn afkomstig uit de Monitor Infrastructuur en Ruimte (www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/ Monitor Infrastructuur en Ruimte). De nulmeting heeft in 2012 plaatsgevonden. De eerste vervolgmeting is in 2014 beschikbaar gekomen.

Kengetallen Geo-informatie
 

Basiswaarde

Oude streefwaarde

Realisatie 2012

Nieuwe streefwaarde

Te behalen in jaar

Realisatie 2014

1 Gebruik Nationaal GeoRegister

Index: 100

>100

75

Gebruik relevante overheidsbestanden 100%

2014

>95%

             

2 Implementatie Inspire

Inspire-monitor indicatoren

Beter dan 2012

99%

Volledig Inspire Compliant

2016

99%

             

3 Basisregistraties

           

BAG gebruik

100%

>50%

85%

>90%

2014

>90%

BRT gebruik

100%

>75%

100%

100%

n.v.t.

100%

BGT opbouw registratie

100%

>70%

>60%

100%

2016

>75%

BRK gebruik

100%

100%

100%

100%

n.v.t.

100%

BRO opbouw registratie

100%

>50%

<25%

>90%

2015

<35%

Afkortingen

BAG: Basisregistratie Adressen en Gebouwen

BRT: Basisregistratie Topografie

BGT: Basisregistratie Grootschalige Topografie

BRK: Basisregistratie Kadaster

BRO: Basisregistratie Ondergrond

Toelichting op Kengetallen Geo-informatie:

  • 1. Het Publieke Dienstverlening Op de Kaart (PDOK) Loket26 is de vindplaats voor alle Geo-informatie die vrij beschikbaar is gesteld.

  • 2. Het NGR bevat eind 2014 7625 beschrijvingen van datasets en services. Het is volop in gebruik als nationaal informatieknooppunt voor INSPIRE en levert ca. 200 beschrijvingen van INSPIRE services aan het Europees INSPIRE-portaal. In 2015 zijn aanpassingen nodig om te voldoen aan gewijzigde wettelijk verplichte technische voorwaarden en de gebruiksvriendelijkheid te verbeteren.

  • 3. Compliant zijn met INSPIRE betekent:

Voldoen aan de technische richtlijnen. Eind 2014 is Nederland volledig compliant.

En alle gegevens moeten beschreven zijn in het Nationaal Georegister en beschikbaar worden gesteld via de INSPIRE-knooppunten. Eind 2014 voldoen de aangemerkte dataproviders zo goed als volledig, circa 99 procent. Er wordt extra aandacht aan gemeenten besteed voor hun bestanden.

  • 4. De BAG is volledig operationeel. Het gebruik is goed, dat wordt ook in de evaluatie van de Wet BAG gesteld, maar kan nog verder worden verbeterd.

Beleidsconclusie

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

De Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) verkeert in een belangrijke fase van opbouw. Per 2016 dient de Basisregistratie Topografie (BRT) operationeel te zijn. De opbouw verloopt volgens plan. De realisatie van de Basisregistratie Ondergrond (BRO) blijft achter op de planning. Door een verbeterde projectaanpak en een verhoogde inzet verwacht IenM deze trend in 2015 positief om te kunnen buigen.

In 2014 is, conform de toezegging aan de Tweede Kamer, de beleidsdoorlichting van artikel 13, van de begroting van IenM opgeleverd. De uitkomsten en beleidsreactie zijn op 19 december 2014 (Kamerstukken II, 2014/15, 32 861, nr. 6) aan de Tweede Kamer aangeboden. In de beleidsdoorlichting wordt geconstateerd dat de nauwkeurigheid waarmee uitspraken kunnen worden gedaan over de doeltreffendheid van het ruimtelijk beleid en de daaraan gerelateerde begrotingsgelden afhangt van het beschikbare bronnenmateriaal en van de mate waarin bij de formulering van het beleid al rekening is gehouden met evaluatie op doeltreffendheid en doelmatigheid. Het rapport geeft tevens aan dat de uitgevoerde evaluaties en de aard van het beleid (kwantitatieve) uitspraken over de doelmatigheid van het beleidsterrein niet mogelijk maken. Wel is het mogelijk om per onderdeel de plausibiliteit aan te geven van de doelmatigheid van de bijbehorende uitgaven.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

13

Ruimtelijke ontwikkeling

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

35.851

101.410

136.319

– 34.909

1)   

Uitgaven

 

112.483

98.154

105.979

– 7.825

 

13.01

Ruimtelijk instrumentarium

 

12.920

7.728

10.756

– 3.028

 

13.01.01

Opdrachten

 

5.651

4.469

7.770

– 3.301

2)

13.01.02

Subsidies

 

4.868

1.770

1.386

384

 

13.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.948

1.451

1.200

251

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.948

1.451

1.200

251

 

13.01.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

453

38

400

– 362

3)

13.02

Geo-informatie

 

36.184

42.613

39.131

3.482

 

13.02.01

Opdrachten

 

2.554

2.676

2.590

86

 

13.02.02

Subsidies

 

5 060

11.494

0

11.494

4)

13.02.06

Bijdrage aan ZBO en RWT

 

28.570

28.443

36.541

– 8.098

5)

 

– Basisregistraties

 

28 570

28.443

36.541

– 8.098

 

13.03

Gebiedsontwikkeling

 

16.345

13.603

11.083

2.520

 

13.03.01

Opdrachten

 

5.341

1.733

217

1.516

6)

13.03.02

Subsidies

 

48

194

60

134

7)

13.03.03

Bijdrage aan agentschappen

 

86

0

0

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

86

0

0

0

 

13.03.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

10.870

11.676

10.806

870

 
 

– Bufferzones

 

0

0

0

0

 
 

– Projecten BIRK

 

4.823

11.676

5.278

6.398

 
 

– Projecten Nota Ruimte

 

6.047

0

5.528

– 5.528

 
 

– Projecten Bestaand Rotterdams Gebied

 

0

0

0

0

 

13.04

Ruimtegebruik bodem

 

42.609

28.438

33.321

– 4.883

 

13.04.01

Opdrachten

 

2.756

1.846

3.856

– 2.010

8)

13.04.02

Subsidies

 

22.047

19.447

16.538

2.909

9)

 

– Bedrijvenregeling

 

6.912

6.924

6.400

524

 
 

– Overige subsidies

 

15.135

12.523

10.138

2.385

 

13.04.03

Bijdrage aan agentschappen

 

7.938

6.862

7.066

– 204

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

7.938

6.862

7.066

– 204

 

13.04.04

Bijdrage aan medeoverheden

 

1.500

283

4.261

– 3.978

10)

 

– Meerjarenprogramma Bodem

 

0

0

1.981

– 1.981

 
 

– Programma Gebiedsgericht instrumentarium

 

1.500

283

2.280

– 1.997

 

13.04.07

Bekostiging

 

8.368

0

1.600

– 1.600

11)

 

– Uitvoering klimaatadaptie

 

8.368

0

1.600

– 1.600

 

13.05

Eenvoudig Beter

 

4.425

5.772

11.688

– 5.916

 

13.05.01

Opdrachten

 

2.357

3.700

11.376

– 7.676

12)

13.05.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.068

2.072

312

1.760

13)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.068

2.072

312

1.760

 
 

Ontvangsten

 

6.938

2.901

934

1.967

14)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Het verschil in de verplichtingenrealisatie wordt door een aantal verschillende ontwikkelingen in 2014 verklaard. Allereerst is in 2014 geen beroep gedaan op de garantieregeling bodemsaneringskredieten midden- en kleinbedrijf. Hierdoor is het beschikbare verplichtingenbudget van € 15 miljoen niet gerealiseerd. Ten tweede was er een verlaging van het budget met € 2 miljoen in verband met de overheveling van middelen naar het Ministerie van BZK (Provincie- en Gemeentefonds) ten behoeve van knelpunten bodemsaneringsprojecten. Ten derde is het budget met € 1,6 miljoen verlaagd als gevolg van de overheveling van middelen naar het Ministerie van BZK (BES-fonds) ten behoeve van het op orde brengen van de basisvoorzieningen in Caribisch Nederland. Als laatste zijn circa € 3 miljoen verplichtingen niet besteed vanwege de vertraagde aanbesteding OLO-3, het nieuwe ICT systeem ten behoeve van de uitvoering van de komende Omgevingswet.

13.01 Ruimtelijke Instrumentarium
13.01.01 Opdrachten (ad 2)

De lagere realisatie is veroorzaakt door een overboeking naar artikel 97. Bij de suppletoire begrotingen 2014 zijn als onderdeel van de opdrachten ruimtelijk instrumentarium de jaarlijks benodigde middelen voor de ICT uitvoering van Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) overgeboekt naar artikel 97 ten behoeve van de betreffende uitvoerende organisatie DCI.

Uitvoering SVIR

De financiële middelen zijn in 2014 met name ingezet ten behoeve van het monitoren van de realisatie SVIR, en de uitvoering van de beleidsdoorlichting. Hiertoe behoorden bijdragen aan de uitvoering van de Monitor Infrastructuur en Ruimte door het PBL, evaluaties over de realisatie van doelen, het uitvoeren van beleidsverkenningen en tot slot financiële bijdragen aan kennisinstituten, hoogleraren en het op peil houden van de vakkennis. In 2014 is de eerste vervolgmeting van de Monitor Infrastructuur en Ruimte verschenen en aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2013/2014, 32 660, nr. 60). De uitkomsten van de evaluatie van de Ladder voor Duurzame verstedelijking zijn in 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden. In 2014 is het BARRO (Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening) uitgebreid met twee in de SVIR aangekondigde onderwerpen. Het betrof nieuwe hoofdstukken voor de grondreservering van de parallelle Kaagbaan te Schiphol en voor de vrijwaring van buisleidingenstroken. Er zijn in 2014 verkenningen uitgevoerd naar de beleidsopgaven rond Smart Cities, naar het versterken van het vestigingsklimaat in Nederland en het tegengaan van krimp en leegstand. Na evaluatie van de pilots rond de centralisatie van kennis samen met het IPO, zijn in 2014 vervolgacties uitgevoerd gericht op het komen tot een gezamenlijke vraagarticulatie.

Ontwerp en GEO-analyse

De beschikbare middelen zijn in 2014 besteed aan onder meer het samenwerkingsproject «Lage Landen», activiteiten in het kader van Atelier Stad/Smart Cities en activiteiten omtrent Atelier Making Projects (AMP).

Digitalisering ruimtelijk instrumentarium

In 2014 is gewerkt aan de doorontwikkeling van Omgevingsloket Online (OLO en Ruimtelijkeplannen.nl) als onderdeel van de digitalisering van het omgevingsrecht. Deze voorzieningen moeten worden aangepast ten behoeve van de digitale ondersteuning van de omgevingswet.

Ruimtelijke adaptatie

Het deelprogramma Nieuwbouw en Herstructurering van het Deltaprogramma heeft de afgelopen jaren verkend hoe ruimtelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het beperken van de gevolgen van overstroming, een hevige regenbui, langdurige droogte en extreme hitte. Dit heeft in september 2014 geleid tot de deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie en tot het bestuursakkoord Deltaprogramma. Bovendien tekenden ruim honderd partijen, samen goed voor meer dan 10.000 organisaties, op het Festival Ruimtelijke Adaptatie op 9 oktober 2014 de algemene intentieverklaring ruimtelijke adaptatie.

13.01.02 Subsidies

Klimaatbuffers

Het programma klimaatbuffers ondersteunt de realisatie van 20 natuurprojecten, die de effecten van klimaatverandering tegengaan. De verplichtingen hiervoor zijn in het verleden reeds aangegaan. De projecten waren in 2014 nog deels in uitvoering. In 2014 is het programma met een symposium voor alle geïnteresseerden afgesloten.

Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO)

Het budget voor de Actieagenda Architectuur en Ruimtelijke Ontwerp (AAARO) is grotendeels als meerjarige subsidie uitgekeerd aan een aantal Lead Partners (Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Architectuur Lokaal, etc.) om zo goed mogelijk aan te sluiten op ontwikkelingen en concrete activiteiten in de praktijk. In 2014 zijn de daartoe toegezegde middelen beschikbaar gesteld.

13.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan het agentschap RWS ten behoeve van het beheer van het OLO-2 systeem, dat in het kader van de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) nodig is ter ondersteuning van de uitvoering van het huidige omgevingsloket.

13.01.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 3)

Het Innovatieprogramma Mooi Nederland stimuleert vanaf begin 2009 verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. In dit kader kregen 58 Voorbeeldprojecten medefinanciering uit de Innovatieregeling Mooi Nederland. Naar aanleiding van de motie Wiegman is ook geld van het innovatieprogramma beschikbaar gesteld voor «Voorbeeldgebieden Investeren in het landschap». In 2014 is zowel in het pilot gebied Groene Woud, Ooijpolder-Groesbeek en Amstelland hard gewerkt aan de uitvoering van de projecten. Er zijn in 2014 voortgangsrapportages van de gebieden ontvangen. Op basis daarvan is bij een aantal projecten de looptijd aangepast vanwege een langzamer dan voorziene realisatie en bijgevolg is daardoor ook minder uitgekeerd.

13.02.01 Opdrachten

De structurele middelen zijn in 2014 besteed aan exploitatie, beheer en onderhoud van de voorzieningen voortkomend uit Europese verplichtingen, waaronder de implementatie van de Europese richtlijn Inspire, gericht op ontsluiting en harmonisatie van ruimtelijke gegevens.

13.02.02 Subsidies basisregistraties (ad 4)

Bij suppletoire begrotingen is in 2014 vanuit het budget voor de basisregistraties € 11,5 miljoen overgeboekt, omdat het geen bijdrage maar een subsidie betrof voor de opstartkosten, die gemaakt moeten worden voor uitvoering van de Basisregistratie Grootschalige Topografie.

Tot 2016 vindt de transitie plaats van de oude Grootschalige Basiskaart Nederland (GBKN) naar de nieuwe Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Gezamenlijke werkzaamheden werden ook in 2014 gecoördineerd en uitgevoerd door de stichtingen Landelijk Samenwerkingsverband GBKN en het Samenwerkingsverband BGT. De vergoedingen voor de transitiekosten (opbouw en dubbele exploitatie) zijn in de vorm van subsidies aan beide partijen verstrekt.

13.02.06 Bijdragen aan ZBO/RWT (ad 5)

Betreft de structurele bijdrage aan het Kadaster met betrekking tot het beheren en onderhouden van een aantal basisregistraties. Dit betreft tevens de brede verspreiding van aansluitingen op en gebruik van het gezamenlijke loket PDOK (Publieke Dienstverlening op de Kaart) en het Nationaal Georegister (NGR) in relatie tot Europese richtlijn Inspire.

Het verschil van ca. € 8 miljoen wordt naast de elders al genoemde overboekingen vanuit het budget van basisregistraties, naar het subsidiebudget van de basisregistraties (ca. € 11,5 miljoen), verklaard uit een bij eerste suppletoire begroting 2014 ontvangen bijdrage van € 3 miljoen van het Ministerie van BZK aan de basisregistratie Kadaster.

13.03 Gebiedsontwikkeling
13.03.01 Opdrachten (ad 6)

Aan het opdrachtenbudget gebiedsontwikkeling is bij eerste suppletoire wet 2014 per saldo circa € 1 miljoen toegevoegd. De belangrijkste toevoeging betrof € 1,4 miljoen vanuit artikel 13.04 als compensatie voor de in 2013 gedane uitgaven met betrekking tot de schadevergoeding rondom de beleidslijn Ruimte voor de Rivier. Daarnaast is voor ca. € 0,3 miljoen meer dan gebudgetteerd uitgegeven aan opdrachten in het kader van de vernieuwing MIRT.

In 2014 is het programma Vernieuwing MIRT gestart. Dit programma maakt het MIRT klaar voor de toekomst. In het MIRT verschuift het accent van projecten naar opgaven, van onderhandeling naar dialoog en van een focus op de inzet van financiële middelen naar een bredere inzet van instrumenten. Op 17 november 2014 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van de Bestuurlijke Overleggen MIRT (Kamerstukken II, 2014/2015, 34 000 A, nr. 15).

13.03.02 Subsidies (ad 7)

Deze subsidieverlening betreft de jaarlijkse subsidie aan het RegieCollege Waddengebied (RCW).

Op het subsidiebudget met betrekking tot de gebiedsontwikkeling is een subsidie aan het windpark Wieringermeer (€ 60.000) verstrekt. Dit betreft een vertraagde betaling op de subsidie 2012 aan het toenmalige Regionaal College Waddengebied.

13.03.04 Bijdrage aan medeoverheden

Het nog beschikbare NSP budget (Nieuwe Sleutel Projecten) is in 2014 ingezet ter ondersteuning van de twee resterende projecten (Breda en Arnhem) met betrekking tot de (her)ontwikkeling van deze HSL stations en omgeving. Het nog beschikbare BIRK budget is in 2014 ingezet voor de projecten Sittard Geleen en Integrale Ontwikkeling tussen Delft en Schiedam (IODS).

13.04 Ruimtegebruik bodem
13.04.01 Opdrachten (ad 8)

De onderbesteding heeft meerdere oorzaken. Allereerst betreft het een overboeking van € 556.000 naar artikel 21 ten behoeve van uitvoering bodem- en drinkwatertaken door RIVM en RVO. Ten tweede is er circa € 1 miljoen overgeboekt naar het financieel instrument subsidies ten behoeve van de aan de Commissie m.e.r. verstrekte aanvullende reguliere subsidie en ter dekking van de betaling van de 1e tranche van het meerjarige verstrekte overbruggingskrediet. Als laatste hebben de vertraging in de uitvoering van het deelproject STRONG (Structuurvisie Ondergrond) en de lagere uitgaven voor juridische producten met betrekking tot bodemonderzoeken geleid tot onderbesteding in 2014. Een gedeelte van deze onderbesteding (€ 286.000) is overgeheveld naar het financiële instrument bijdrage aan medeoverheden en aangewend voor de betaling van de BTW bij de bouw van de waterzuiveringsinstallatie in Bonaire.

Het beleidsonderbouwend onderzoek betrof in 2014 onder meer onderzoek ten behoeve van de Structuurvisie Ondergrond, de fundamentele herziening van de Wet bodembescherming, de Visitatiecommissie Waterketen en de ruimtelijke kansen voor duurzame energieopwekking, -opslag en transport.

13.04.02 Subsidies (ad 9)

De overschrijding op de overige subsidies is met name veroorzaakt door subsidies aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (Cie m.e.r.). Een aanvullende subsidie is verstrekt ten behoeve van extra werkzaamheden die door de commissie in de eerste helft van 2014 zijn uitgevoerd. Daarnaast is de 1e tranche (€ 2 miljoen) betaald van het verstrekte vierjarige overbruggingskrediet.

Bedrijvenregeling

Op grond van de Wet bodembescherming en het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, zijn ook in 2014 subsidies verleend in het kader van de bedrijvenregeling.

NS bodem

Deze jaarlijkse subsidie aan de Stichting Bodemsanering NS wordt op basis van het convenant Bodemsanering NS-percelen (d.d. 21 december 1995) gegeven en loopt tot 2016.

Programma Commissie voor de milieueffectrapportage

Omdat de Wet tarieven Cie m.e.r. pas op 1 juli 2014 in werking is getreden en het bevoegd gezag sindsdien een vergoeding betaalt voor een advies van de Cie m.e.r. zijn de exploitatiekosten van het eerste halfjaar nog ten laste gekomen van de rijksoverheid. Om de financiële continuïteit van de, bij wet ingestelde Cie m.e.r., niet in gevaar te brengen, heeft het Rijk voor de jaren 2014 tot en met 2017 een overbruggingsbudget van € 2 miljoen per jaar ter beschikking gesteld.

Incidentele subsidies

In 2014 is een subsidie verleend aan de Stichting Kennisontwikkeling Kennisoverdracht Bodem in het kader van het programma 2010–2014. Tevens is er in 2014 een subsidie verleend aan Staatsbosbeheer ten behoeve van bodemsanering Staatsbos. Ten slotte is er in 2014 een subsidie verleend voor het Beheer van het Landelijk Grondwater Register.

13.04.03 Bijdrage aan agentschappen

Dit betreft de bekostiging in 2014 van de uitvoeringsorganisatie bodem en ondergrond. Concreet gaat het hierbij om het verrichten van uitvoerende wettelijke taken door RWS. Voorts worden de andere overheden op het gebied van milieueffectrapportage ondersteund door de helpdesk InfoMil.

13.04.04 Bijdrage aan medeoverheden (ad 10)

Meerjarenprogramma bodem

De lagere realisatie is veroorzaakt door de overboeking van bodemsaneringsmiddelen naar het Ministerie van BZK (Provincie- en Gemeentefonds) voor bodemsaneringsknelpunten. In 2014 zijn in dit verband subsidies verstrekt voor de aanpak van de verontreiniging rondom het terrein van Joh. Enschedé te Haarlem en het terrein van het voormalige bedrijf Thermphos te Vlissingen. Daarnaast is aan Zuid-Holland een subsidie verstrekt voor de voorbereiding van de verdere aanpak van de verontreiniging van het EMK terrein te Krimpen aan den IJssel.

Programma Gebiedsgericht Instrumentarium

De lagere realisatie is veroorzaakt door overboeking van middelen naar het Ministerie van BZK (BES-fonds) ten behoeve van het op orde brengen van de basisvoorzieningen in Caribisch Nederland.

Programma drink- en afvalwatervoorziening op Caribisch Nederland Afvalwatervoorziening Bonaire

De rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) op Bonaire is sinds mei 2014 operationeel. Met hulp van IenM zijn in 2014 ook een aantal huisaansluitingen op de RWZI gerealiseerd.

Drinkwatervoorziening Saba

In 2014 is gestart met de voorbereiding van het vergroten van de zoetwatervoorraad op Saba. Hiertoe werden in Winwardside en in Sint John’s extra waterbergingen gerealiseerd.

13.04.07 Bekostiging (ad 11)

De vaststelling van de subsidie aan de Stichting Kennis voor Klimaat heeft niet meer in 2014 kunnen plaatsvinden. Hierdoor heeft de eerder in 2014 geplande eindbetaling niet plaatsgevonden. Eindbetaling staat nu geprogrammeerd voor 2015.

13.04.08 Garanties

MKB krediet

Het betreft de mogelijkheid voor ondernemers in het midden- en kleinbedrijf, met onvoldoende middelen of te weinig zekerheden voor een bankkrediet, een borgstelling te krijgen voor een gedeelte van het benodigde budget voor een vrijwillige bodemsanering. IenM sluit aan bij de garantieregeling van EZ. Er is in 2014 geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

13.05 Eenvoudig Beter
13.05.01 Opdrachten (ad 12)

De onderschrijding van het budget betreft onder andere de overhevelingen naar de bijdrage aan agentschappen ten behoeve van de inzet van RWS (circa € 0,9 miljoen) en het budget voor de externe inhuur naar artikel 98 (€ 1,8 miljoen). Daarnaast is als gevolg van vertragingen van lopende opdrachten het budget niet volledig uitgeput (€ 0,6 miljoen). Voor OLO-3 is in 2014 € 2,5 miljoen overgeboekt naar RWS en DCI voor reguliere uitvoering. Daarnaast heeft er een kasschuif met 2015 van € 2 miljoen plaatsgevonden ten behoeve van betalingen van BIRK-projecten in 2014.

Binnen de interdepartementale programmadirectie Eenvoudig Beter (EB) wordt gewerkt aan de stelselherziening van het omgevingsrecht en de implementatie van de Crisis- en herstelwet (Chw). De financiële middelen zijn ingezet voor het aanpassen van de Omgevingswet (Ow) naar aanleiding van het advies van de Raad van State. In juni 2014 is het wetsvoorstel Omgevingswet ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013/14, 33 962, nr. 2). In het laatste kwartaal is gewerkt aan de nota naar aanleiding van verslag van de Tweede Kamer. Verder is in 2014 gestart met de uitwerking van het wetsvoorstel in vier AMvB’s. Daarnaast zijn de middelen ingezet voor het omgevingsmanagement, de implementatie van de Chw en Nu al Eenvoudig Beter. Via Nu al Eenvoudig Beter en de Chw kunnen gemeenten bijvoorbeeld starten met het opstellen van omgevingsplannen, vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet.

13.05.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 13)

Dit betreft de agentschapbijdrage voor de capaciteitsinzet RWS voor de implementatie van de Omgevingswet (Ow), de Crisis- en herstelwet (Chw) en de bouw van het OLO-3 systeem. Bij eerste en tweede suppletoire wet 2014 zijn de benodigde budgetten ter grootte van circa € 1,7 miljoen vanuit de respectievelijke programmamiddelen op 13.05.01 naar dit artikelonderdeel overgeheveld.

Ontvangsten (ad 14)

Er is € 0,4 miljoen meer ontvangen doordat bij de eindafrekening van een aantal projecten Mooi Nederland en Klimaatbuffers in voorgaande jaren hogere voorschotten waren verleend dan er kosten zijn gemaakt. Daarnaast is er elk jaar sprake van niet gebudgetteerde ontvangsten met betrekking tot het kostenverhaal Bodem (circa € 0,3 miljoen). Tevens zijn er meer ontvangsten als gevolg van de vaststelling van de subsidie 2013 aan de Stichting Bureau Commissie voor de m.e.r. (€ 0,6 miljoen).

Artikel 14 Wegen en Verkeersveiligheid

Algemene Doelstelling

Om weggebruikers zo snel, verkeersveilig, betrouwbaar en duurzaam mogelijk van A naar B te laten reizen ontwikkelt, beheert en benut IenM het hoofdwegennet. Daartoe zet IenM in op een hoofdwegennet dat bijdraagt aan de economische en ruimtelijke ontwikkeling van Nederland en voldoet aan milieunormen. Daarnaast wordt ingezet op een afname van het aantal verkeersslachtoffers op alle Nederlandse wegen. Om deze doelen te bereiken werkt IenM samen met decentrale overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor een robuust mobiliteitssysteem van sterke verbindingen, sterke modaliteiten, voorspelbare reistijden en goede bereikbaarheid (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor). Voor het hoofdwegennet betekent dit dat de Minister zorgt voor:

  • De besluitvorming over en uitvoering van infrastructuur in relatie tot gebiedsontwikkeling. Aanlegprojecten worden in het MIRT vastgelegd. De bijdragen zijn gerelateerd aan het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen);

  • De financiering (via het Infrastructuurfonds) van het programma Beter Benutten;

  • De uitvoering van het beheer, onderhoud, verkeersmanagement en het oplossen van veiligheidsknelpunten door RWS als beheerder van het hoofdwegennet. Deze activiteiten zijn terug te vinden op het Infrastructuurfonds (artikel 12 Hoofdwegen);

  • Het bevorderen van de bereikbaarheid en veiligheid en beperken van de kosten door verbetering van de reisinformatie en het verkeersmanagement: via inzet op de laatste technologieën en samenwerking tussen bedrijfsleven en wegbeheerders verbetert de reisinformatie voor de reiziger, die zich daardoor zowel beter kan voorbereiden op de reis, als de reis kan aanpassen;

  • Het vormgeven (in saneringsplannen) en uitvoeren van de aanpak van hoge geluidbelastingen langs rijkswegen door middel van het meerjarenprogramma Geluid (MJPG);

  • Het oplossen van de knelpunten voor luchtkwaliteit langs het hoofdwegennet door middel van maatregelen (zowel generiek en locatie specifiek) in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering van het beleid inzake wegen en verkeersveiligheid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. Via wet- en regelgeving, aansturing van RWS in het beheer van het wegennet en afspraken met het bedrijfsleven en andere maatschappelijke organisaties, zorgt IenM voor veilige infrastructuur en optimaal gebruik daarvan. Daarbij wordt ingespeeld op ontwikkelingen bij gebruikers, voertuigen en infrastructuur. Deze regierol wordt concreet ingevuld door:

  • Regelgeving en afspraken over voorzieningen- en kwaliteitsniveaus bij infrastructuur in het kader van veiligheid, betrouwbaarheid, snelheden, doorstroming en duurzaamheid;

  • Een slim gebruik van de huidige en toekomstige infrastructuur. Met het programma Beter Benutten wordt -naast investeringen in de infrastructuur- gewerkt aan het terugdringen van de files met 20 procent op specifieke corridors in de drukste gebieden van het land, ten opzichte van een situatie zonder het programma Beter Benutten (zie ook artikelen 15 Openbaar vervoer en 16 Spoor). Samen met de regio’s worden de afgesproken gebiedspakketten in het kader van Beter Benutten uitgevoerd om zo op basis van maatwerk de beoogde effecten te realiseren. Daarbij is nadrukkelijk ook samenwerking met het bedrijfsleven;

  • De inzet van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2008–2020 en de Beleidsimpuls Verkeersveiligheid. Ze richten zich op verbetering van het infrastructuur, voertuigen en het gedrag van weggebruikers ter vermindering van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden;

  • Samen met decentrale overheden en maatschappelijke partners is met name aandacht voor de groeiende risicogroepen onder de verkeersdeelnemers: ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders;

  • Samen met (internationale) overheden en marktpartijen te werken aan de marktcondities ten behoeve van veiligheid, bereikbaarheid en economie in het wegvervoer. Denk daarbij aan regelgeving over opleidingseisen, cabotage en maten- en gewichten van het vrachtverkeer in Europa;

  • In samenwerking met sociale partners, de transportsector en maatschappelijke organisaties wordt ingezet op verbeterde duurzaamheid van mobiliteit.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie artikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en Kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Wegen en verkeersveiligheid opgenomen. In productartikel 12 van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: acceptabele reistijd
 

Basiswaarde 2001

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Streefwaarde 2020

percentage trajecten waar de streefwaarde wordt gehaald.1)

86%

84%

83%

88%

92%

94%

93%2)

100%

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2015

Toelichting

Ad 1) De reistijd op een traject is acceptabel als de streefwaarde voor de reistijd wordt gehaald. De streefwaarde voor trajecten van het hoofdwegennet tussen steden is een reistijd in de spits van maximaal 1,5x de reistijd buiten de spits (referentiesnelheid 100 kilometer/uur). Op trajecten rond de vijf grote steden en trajecten op niet-autosnelwegen van het hoofdwegennet is de streefwaarde maximaal 2,0. De percentages zijn gebaseerd op gegevens van 186 trajecten. Voor 80 onvoldoende bemeten trajecten wordt verondersteld dat het traject voldoet aan de streefwaarde. Aangenomen is dat deze onbemeten trajecten voldoen aan de gewenste reistijd in de spits omdat dit de minst drukke trajecten zijn.

Ad 2) De automobiliteit op hoofdwegen is in 2014 met 2% gestegen door de aantrekkende economische situatie in Nederland, met name in het laatste kwartaal, waardoor de files met 5% zijn toegenomen. Hierdoor is het percentage trajecten waar de streefwaarde voor reistijden wordt gehaald met 1% afgenomen t.o.v. 2013.

Indicator: lokale luchtkwaliteit NO2 en geluidsknelpunten langs hoofdwegen
 

Basiswaarde peildatum

Waarde 2008

Waarde 2009

Waarde 2010

Waarde 2011

Waarde 2012

Waarde 2013

Waarde 2014

Streefwaarde peildatum

Lokale luchtkwaliteit NO2 1)

               

0 knelpunten langs rijkswegen 2015

Geluids-knelpunten langs hoofdwegen2)

12.000

12.000

12.000

7.500

7.500

7.000

zie ad 2

zie ad 2

0 knelpunten langs rijkswegen 2023

Bron: Rijkswaterstaat, 2015

Toelichting

Ad 1) Voor lokale luchtkwaliteit geldt dat uiterlijk per 1 januari 2015 op alle locaties langs rijkswegen de grenswaarde voor NO2 gehaald moet worden. Tussenliggende waarden zijn niet vastgesteld. Voor PM10 wordt op alle locaties langs rijkswegen, na volledig gebruik van de wettelijke beginselen van blootstelling en toepasbaarheid, aan de grenswaarde voldaan die geldt vanaf 11 juni 2011.

Ad 2) Het Meerjarenprogramma geluidsanering (MJPG) is in 2011 van start gegaan. Het MJPG is gericht op het realiseren van geluidreducerende maatregelen bij geluidsknelpunten (woningen met een geluidbelasting van meer dan 65 dB als gevolg van een rijksweg) en bij woningen langs die infrastructuur die in het kader van de saneringsoperatie onder de Wet geluidhinder tijdig zijn gemeld. Daarnaast zijn woningen die als gevolg van verkeersgroei onder de Wet geluidhinder een toename van meer dan 5 dB hebben ondergaan onderdeel van de saneringsoperatie.

Het totale aantal knelpunten wordt voor de begroting herijkt op basis van de nieuw beschikbaar landelijke onderzoek dat gedetailleerder is dan de eerder beschikbare informatie. In 2014 is de sanering van circa 50 geluidsknelpunten boven de 65dB formeel afgehandeld in aanlegprojecten. Daarnaast zijn -in het kader van de PreNoMo-sanering- vooruitlopend op formele afhandeling van de sanering, in 2014 maatregelen opgeleverd voor het beperken van de geluidsbelasting van circa 75 geluidsknelpunten boven de 65dB en zijn uitgaven gedaan voor de nog lopende realisatie van maatregelen ten bate van circa 500 geluidsknelpunten boven de 65dB.

Indicator: ontwikkeling aantal verkeersslachtoffers
 

Basiswaarde 2002

2009

2010

2011

2012

2013

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Doelstelling 2020

aantal verkeersdoden

1.066

720

640

661

650

570

650

 

500

ernstig verkeersgewonden

16.100

18.600

19.200

20.100

19.200

18.800

   

10.600

Bron: Rijkswaterstaat/WVL, 2014

Toelichting

De gegevens over 2014 waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De cijfers omtrent het aantal verkeersdoden komen in mei beschikbaar en het aantal verkeersgewonden in december. Deze cijfers zullen apart worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Beleidsconclusies

De uitvoering van het beleid is volgens plan verlopen. De in de begroting voorgenomen inspanningen om knelpunten te saneren op het gebied van luchtkwaliteit (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) is conform verwachtingen verlopen. Ditzelfde geldt voor de resultaten van de beleidsinspanningen op het gebied van duurzame mobiliteit en om de bereikbaarheid en veiligheid te bevorderen en de kosten te beperken, door middel van verbetering van de reisinformatie en verkeersmanagement. Daarnaast is in toenemende mate aandacht besteed aan de ontwikkelingen met betrekking tot de zelf rijdende auto. Vooruitlopend op het opstellen van regionale saneringsplannen, heeft de geluidsanering in 2014 plaatsgevonden binnen een aantal tracébesluiten

De uitvoering van het lopende programma Beter Benutten is in volle gang en een deel van de maatregelen is al gereed. Over de voortgang van de uitvoering van de gebiedsprogramma’s wordt u geïnformeerd in het kader van het MIRT proces.

Het verkeersveiligheidsbeleid van Rijk, decentrale overheden en maatschappelijke organisaties richt zich op het terugdringen van het aantal verkeersdoden en ernstig verkeersgewonden met focus op de risicogroepen ouderen, fietsers, notoire overtreders en beginnende bestuurders. Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

14

Wegen en verkeersveiligheid

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

31.318

26.712

28.575

– 1.863

 

Uitgaven

 

32.729

33.866

33.119

747

 

14.01

Netwerk

 

11.884

15.581

14.029

1.552

 

14.01.01

Opdrachten

 

8.332

11.494

11.364

130

 

14.01.02

Subsidies

 

1.229

1.412

105

1.307

1)

14.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

2.323

2.675

2.560

115

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

2.323

2.675

2.560

115

 

14.02

Veiligheid

 

20.845

18.285

19.090

– 805

 

14.02.01

Opdrachten

 

7.054

5.541

5.506

35

 

14.02.02

Subsidies

 

13.121

12.107

13.208

– 1.101

 

14.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

670

637

376

261

2)

 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

670

637

376

261

 
 

Ontvangsten

5.236

4.253

6.782

– 2.529

 
14.01 Netwerk

Toelichting op de financiële instrumenten

14.01.01 Opdrachten

Op het opdrachtenbudget Wegvervoer is minder uitgegeven, deze lagere uitgaven zijn voornamelijk toe te schrijven aan minder verzoeken tot wijziging van geluidproductieplafonds en het later realiseren van de landelijke saneerplannen. Daarnaast komt dit door lagere kosten voor de Landsadvocaat, minder uitgaven voor Lean and Green Personal mobility en doordat het besluit van de Economische commissie voor de invoering van European Register of Roadtransport Undertakings 2 is vertraagd. Dit verklaart tevens de lagere realisatie op het verplichtingenbudget. De uitgaven in het kader van het kennisplatform tunnelveiligheid en duurzame mobiliteit zijn uitgeput, mede omdat de uitgaven voor het nieuwe project «de zelfrijdende auto» ten laste van dit budget zijn gebracht.

Ook in 2014 is voortvarend gewerkt aan de verbetering van de veiligheid en bereikbaarheid op en rond wegen. Uitgaven worden verantwoord op het Infrastructuurfonds. Daarnaast zijn uitgaven verricht voor de inhuur landsadvocaat, A2 zitting Raad van State, beroepsprocedure Tracébesluit, A2 s-Hertogenbosch-Eindhoven en advies ingewonnen ten behoeve van de invoering van de Tolwet bij de Blankenburgverbinding en ViA15.

De uitgaven voor Beter Benutten laten een lichte overschrijding zien (€ 0,35 miljoen). Deze is mede het gevolg van de gehanteerde overprogrammering. De overschrijding is gecompenseerd door meevallers vanwege lagere uitgaven op de aan Bureau Sanering Verkeerslawaai opgedragen werkzaamheden als gevolg van minder aanvragen in 2014 voor procedures met betrekking tot de uitvoering van SWUNG.

Daarnaast komt dit door lagere kosten voor de Landsadvocaat, minder uitgaven voor Lean and Green Personal mobility en doordat het besluit van de Economische commissie voor de invoering van European Register of Roadtransport Undertakings 2 is vertraagd.

14.01.02 Subsidies (ad 1)

Het budget is verhoogd i.v.m. het onderbrengen van de subsidie Fietsersbond onder het programma Beter Benutten, voor de eindafrekening Papierloos transport en voor een bijdrage voor de communicatiecampagne flex-reiziger (Hopper). Door het Instituut voor Duurzame Mobiliteit (IvDM) is een aanvraag tot subsidievaststelling voor de subsidie Het Nieuwe Rijden eerder ingediend dan bij de subsidieverstrekking is voorzien. Dit leidt ook tot hogere uitgaven.

14.01.03 Bijdragen aan agentschappen

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

14.02 Veiligheid
14.02.01 Opdrachten

Het verbeteren van de positie van kwetsbare verkeersdeelnemers gebeurt onder meer door onderzoeken op het gebied van fietsveiligheid. Uitgaven zijn verricht in verband met de invoering van het trekkerrijbewijs (RDW), vergoedingen commissie rijgeschiktheid van de Gezondheidsraad, Onderzoek cat. III medicijnen. Het stimuleren van de verkoop van veilige voertuigen gebeurt door deelname aan Euro NCAP (New Car Assessment Programme). Euro NCAP beoordeelt onafhankelijk de veiligheidsprestaties van Europa’s best verkochte auto’s. Om gedragsbeïnvloeding te bereiken is ondermeer het Meerjarenprogramma Campagnes Verkeersveiligheid uitgevoerd.

14.02.02 Subsidies

Er zijn subsidies verstrekt aan maatschappelijke organisaties Veilig Verkeer Nederland (VVN), ANBO, Fietsersbond, Team Alert en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV). Uitvoering is gegeven aan het meerjarenprogramma Blijf Veilig Mobiel.

Daarnaast is er aan het CBR een vergoeding verstrekt voor de onderzoeken naar de rijvaardigheid alsmede de geestelijke en lichamelijke geschiktheid die zij uitvoeren. De kosten komen ingevolge de Regeling maatregelen Rijvaardigheid en Geschiktheid (RMRG) voor rekening van het Rijk.

Het CBR heeft tijdelijk het opleggen van het alcoholslotprogramma aangehouden in aanloop naar de uitspraak door de afdeling bestuursrecht van de Raad van State over het alcoholslotprogramma. Het CBR is gecompenseerd voor het wegvallen van inkomsten en de inzet van tijdelijke extra juridische capaciteit.

14.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 2)

Dit betreft de bijdrage aan RWS voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies. Het budget is aangepast vanwege een groter dan verwachte inzet van Rijkswaterstaat voor Verkeersveiligheidsonderzoeken. Dit heeft geleid tot een hogere agentschapsbijdrage aan RWS.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.436.443

Andere ontvangsten van artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

132.430

Totale uitgaven op artikel 12 Hoofdwegennet van het Infrastructuurfonds

2.568.873

waarvan

   

12.01

Verkeersmanagement

21.589

12.02

Beheer, onderhoud en vervanging

665.071

12.03

Aanleg

873.067

12.04

GIV/PPS

601.189

12.06

Netwerkgebonden kosten HWN

407.957

12.07

Investeringsruimte

 

Artikel 15 Openbaar vervoer

Algemene Doelstelling

Reizigers veilig, betrouwbaar en snel vervoeren gericht op gemak en eenvoud door een optimaal openbaar vervoer netwerk. De verantwoordelijkheid van de Minister inzake spoor wordt toegelicht in artikel 16 Spoor.

Regisseren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het beleid inzake regionaal openbaar vervoer (onder andere regionaal openbaar vervoer, taxi, waddenveren). Ook het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid. De rol «regisseren» heeft specifiek betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het stellen van regels en de kaders (wetgeving) voor het openbaar vervoer (overheden, marktpartijen en reizigers). De regels en kaders hebben betrekking op het openbaar vervoer per bus, tram en metro, het CVV (Regiotaxi) en het openbaar vervoer over water;

  • Het faciliteren (waar nodig) van de decentrale overheden om ervoor te zorgen dat zij optimaal hun rol kunnen vervullen (denk daarbij aan het stimuleren van fietsgebruik, het landelijk fietsdiefstalregister en de nationale database voor reisinformatie voor het openbaar vervoer);

  • Het monitoren van sociale veiligheid door het ministerie. De uitvoering vindt plaats door decentrale overheden en OV-bedrijven voor het stad- en streekvervoer;

  • Het ontwikkelen van beleid voor toegankelijkheid in de OV-keten. Dit gebeurt door initiatieven bij elkaar te brengen, maar ook door maatregelen te testen waarbij organisaties zijn betrokken van reizigers met functiebeperkingen. Bij deze acties wordt samengewerkt met de vervoersbranche en de decentrale overheden;

  • Het financieren van grote regionale en lokale projecten, vanuit artikel 14 op het Infrastructuurfonds: Regionaal, lokale infrastructuur. Via artikel 25 Brede doeluitkering (op de Begroting hoofdstuk XII) wordt het realiseren van maatwerkoplossingen voor verkeers- en vervoersvraagstukken gefinancierd;

  • Het verlenen van concessies voor de Waddenveren (met uitzondering van Texel). De decentrale overheden verlenen concessies aan het regionaal openbaar vervoer (onder andere bus, tram, metro, gedecentraliseerde treindiensten, boot en CVV). Marktpartijen verrichten het vervoer en zijn concessienemers;

  • Het opstellen van wet- en regelgeving voor het taxivervoer over de vakbekwaamheid, tarieven en de toegang tot de markt ter verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer. De meeste busregelgeving wordt in EU en internationaal verband voorbereid en vastgelegd in internationale verdragen, welke worden ingepast in nationale regelgeving;

  • Het beschikbaar stellen van brongegevens voor reisinformatie aan afnemers en waar nodig optreden als regisseur;

  • De implementatie van de OV-Chipkaart en de invulling van de permanente structuur voor de governance daarvan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Het kengetal reizigerskilometers regionaal openbaar vervoer is niet meer opgenomen, aangezien de gegevens niet langer verzameld worden en dus niet meer beschikbaar zijn. Om deze gegevens weer beschikbaar te krijgen wordt door IenM nagegaan of gebruik gemaakt kan gaan worden van geanonimiseerde OV-Chipkaartdata. Hierover wordt overleg met de OV-sector gevoerd.

Het beschikbaar krijgen van OV-Chipkaartdata is sinds de zomer 2014 een onderwerp binnen het NOVB. Er is nu een informatiebehoeftenmatrix beschikbaar. Privacy is een heel belangrijk aspect dat speelt bij het beschikbaar stellen van gegevens. Conform de planning zullen overheden en vervoerders voor de zomer conceptafspraken maken en voorleggen aan het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). De verwachting is dat eind 2015 meer gegevens beschikbaar zullen komen.

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Openbaar vervoer opgenomen.

Kengetal Klanttevredenheid regionaal openbaar vervoer
 

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Algemeen oordeel

7,0

7,2

7,2

7,2

7,2

7,4

7,4

7,5

Informatie en veiligheid

7,3

7,5

7,5

7,5

7,5

7,6

7,6

7,6

Rijcomfort

7,0

7,2

7,2

7,2

7,3

7,4

7,5

7,5

Tijd en doorstroming

6,0

6,2

6,5

6,5

6,6

6,8

6,8

6,9

Prijs

6,3

6,5

6,3

6,3

5,9

6,2

6,3

6,4

Bron: CROW/KpVV – Klantenbarometer 2014

Toelichting

De OV Klantenbarometer is het klanttevredenheidsonderzoek voor het regionaal openbaar vervoer. Het is een landelijk onderzoek naar de mening van reizigers in het stads- en streekvervoer. Het onderzoek wordt jaarlijks gehouden in de periode van eind oktober tot begin december. De gebruikers van bus, tram, metro, regionale trein en boot zijn in 2014 iets meer tevreden over hun ov-ritten dan in 2013. Zij waarderen het stads- en streekvervoer met een 7.5.

Kengetal Sociale veiligheid in het stads- en streekvervoer
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Waardering veiligheidsgevoel in het voertuig als rapportcijfer

                   

– Reizigers1)

7,6

7,8

7,8

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

7,9

8

– Personeel2)

6,5

6,3

nb

6,3

nb

6,5

nb

6,9

nb

7

Onveiligheidsincidenten in en rond het OV in %

                   

– Reizigers3)

25

25

23

23

24

23

nb

15

15

16

– Personeel4)

56

65

nb

69

nb

64

nb

60

nb

60

Bron: CROW-KpVV Personeelsmonitor stads en streekvervoer 2014 en CROW-KpVV OV-Klantenbarometer 2014

Toelichting: rapportages staan op www.crow.nl

Toelichting

Ad 1) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van de reizigers zowel in als rond het voertuig.

Ad 2) Dit cijfer betreft het veiligheidsgevoel van het personeel zowel in als rond het voertuig.

Ad 3) Het percentage in 2012 is niet vergelijkbaar met voorgaande jaren omdat een andere vraagstelling heeft plaatsgevonden. Voor een toelichting wordt verwezen naar de uitgave Sociale Veiligheid van OV-reizigers in het stads- en streekvervoer 16.

Ad 4) Dit is het percentage van het personeel dat één of meerdere keren slachtoffer is geweest van een incident. Bij (2) en (4); Voor personeel wordt tweejaarlijks gemeten.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In 2014 is een beleidsdoorlichting voor artikel 15 uitgevoerd.

Inzake doeltreffendheid zijn er op landelijk niveau geen harde conclusies te trekken vanwege het gegeven dat doeltreffendheid op regionale schaal wordt bepaald. Toch is er ten aanzien van doeltreffendheid waargenomen dat:

  • Het gebruik van het stads- en streekvervoer redelijk stabiel is gebleven in de periode vanaf 2000.

  • De klanttevredenheid van reizigers die gebruik maken van het stad- en streekvervoer een licht positieve trend laat zien.

Voor wat betreft doelmatigheid geldt dat in de beleidsdoorlichting een redelijk goed beeld ontstaan is van de kosten die zijn gemaakt en de (reizigers-)opbrengsten die daar tegenover staan. Het is echter op rijksniveau en op decentraal niveau methodisch niet mogelijk gebleken een direct verband te leggen tussen de effecten en kosten van het rijksbeleid.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

15

Openbaar vervoer

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

3.018

15.322

5.734

9.588

1)   

Uitgaven

 

8.200

15.528

7.531

7.997

 

15.01

Openbaar vervoer

 

8.200

15.528

7.531

7.997

 

15.01.01

Opdrachten

 

5.406

13.778

5.252

8.526

2)

15.01.02

Subsidies

 

1.799

736

1.284

– 548

 

15.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

995

1.014

995

19

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

995

1.014

995

19

 
 

Ontvangsten

10

123

0

123

 

Verplichtingen (ad 1)

De hogere verplichtingen worden met name veroorzaakt door een bijdrage (€ 9,0 miljoen) in het kader van een regeling met Eigen Veerdienst Terschelling over veerverbinding met Terschelling.

15.01 Openbaar vervoer

Toelichting op de financiële instrumenten

15.01.01 Opdrachten (ad 2)

Opdrachten betreffen voornamelijk (lopende) opdrachten voor de implementatie van de OV-Chipkaart, de implementatie van de Boord Computer Taxi en de ontwikkeling en bouw van de Nationale Databank Openbaar Vervoergegevens. Daarnaast wordt uit deze middelen bijgedragen aan het OV-Loket, de concessie Waddenveren, het stimuleren van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer (OV-Chipkaart), het fietsbeleid en het stimuleren van het beschikbaar stellen van (actuele) brongegevens voor informatiediensten in het kader van het project Nationale Data Openbaar Vervoer. De hogere uitgaven worden met name veroorzaakt door een bijdrage (€ 9,0 miljoen) in het kader van een regeling met Eigen Veerdienst Terschelling over veerverbinding met Terschelling.

15.01.02 Subsidies

De navolgende subsidies zijn verstrekt:

  • ROVER (OV-loket 2013–2015)

  • ROVER (Beleidsondersteuning 2014)

  • Koninklijk Nederlands Vervoer (Landelijk Klachtenmeldpunt Taxi 2014)

  • Stichting de Geschillen Commissie (|Commissie Taxivervoer 2013 en 2014)

  • Kennisplatform CROW (OV-Klantenbarometer 2013 en 2014)

De middelen voor de Fietsersbond zijn overgeheveld naar artikel 14 en daar gerealiseerd.

15.01.03 Bijdragen aan agentschappen

RWS ontvangt een jaarlijkse agentschapbijdrage voor de beleidsondersteunde en adviserende taken voor het openbaar vervoer.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

162.164

Andere ontvangsten van artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

1.210

Totale uitgaven op artikel 14 Regionaal, lokale Infrastructuur van het Infrastructuurfonds

163.374

waarvan

 

14.01

Grote regionaal/lokale projecten

149.178

14.02

Regionale mobiliteitsfondsen

9.334

14.03

RSP-ZZL: pakket bereikbaarheid

4.862

Artikel 16 Spoor

Algemene Doelstelling

De kwaliteit van het spoorproduct verbeteren zodat de reiziger en de verlader de trein in toenemende mate als een aantrekkelijke vervoersoptie beschouwen

(Doen) Uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor aanleg en beheer van de spoorweginfrastructuur. Om hier invulling aan te geven wordt ProRail als uitvoerder ingeschakeld. De rol «uitvoeren» heeft betrekking op:

  • Verkenningen en planuitwerkingen;

  • Aanleg van projecten;

  • Beheer waaronder: inframanagement, verkeersleiding en capaciteitsmanagement.

De Minister is ook verantwoordelijk voor het aanbod van reizigersvervoer op het hoofdrailnet. Invulling gebeurt door een concessie te verlenen aan vervoerder NS

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook de uitvoering van het spoorbeleid, waaronder het toezicht op de uitvoering van de wet- en regelgeving. De verantwoordelijkheid van IenM heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • Het uitwerken van de «Lange Termijn Spooragenda». Onderdeel hiervan vormt het vormgeven van het nieuwe sturingsarrangement waarmee IenM in de toekomst haar regierol op het spoor gaat invullen. Dit zal ondermeer zijn weerslag krijgen in de nieuwe beheer- en vervoerconcessie vanaf 2015. Het zorg dragen voor de vormgeving van en implementatie van de internationale regelgeving en het opstellen van regels en kaders voor het vervoer per spoor. Daarbij gaat het onder andere om de capaciteitsverdeling op het spoor. Marktpartijen verrichten het vervoer;

  • Het realiseren van een betrouwbare, duurzame en veilige spoorweginfrastructuur door eisen te stellen aan het hoofdspoorwegnet en de rollen, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van betrokkenen helder te omschrijven in de spoorwegwetgeving;

  • Het aansturen van het beheer van en vervoer over spoor via concessies. Tot 1 januari 2015 heeft ProRail de beheerconcessie voor het beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur. Per 1 januari 2015 wordt een nieuwe beheerconcessie verleend. Het vervoer op het hoofdrailnet is vastgelegd in de vervoerconcessie die is verleend aan de Nederlandse Spoorwegen, die tot 1 januari 2015 loopt. Per 1 januari 2015 wordt tot de verlening van een nieuwe concessie overgegaan. Met ingang van 2015 wordt ook de Hogesnelheidslijn (HSL) onder de hoofdrailnet-concessie gebracht;

  • Het zorgen voor veilige aanleg, beheer en gebruik van lokale spoorwegen (met name tram en metro), het eenduidig regelen van de verantwoordelijkheden en het opheffen van technische belemmeringen door de wet lokaal spoor (in werking vanaf 1 januari 2014).

  • Het opstellen van kaders voor het goederenvervoer per spoor, knooppunten met andere modaliteiten en achterlandverbindingen. Samen met overheden en infrastructuurbeheerders werkt het ministerie aan de drie Europese spoorgoederencorridors (naar Frankrijk, Italië en Polen/Tsjechië) die in ons land beginnen, waarbij de regelgeving zoveel mogelijk wordt afgestemd op de Nederlandse situatie. De corridors naar Frankrijk en naar Italië worden eind 2013 operationeel, de corridor naar Polen/Tsjechië in 2015;

  • De railmap European Railway Traffic Management System (ERTMS), een algemene veiligheidsaanpak, het plan van aanpak voor snelheidsverhoging op het spoor en daaropvolgend de uitvoering ervan.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor Spoor opgenomen. In productartikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en/of -kengetallen opgenomen.

Indicator: Punctualiteit Hoofdrailnet (HRN)
 

Basiswaarde 2003

2009

2010

2011

2012

2013

Grenswaarde Vervoerplan 20142

Realisatie 20143

Indicator: 3 minuten punctualiteit HRN1

83,1%

86,6%

86,5%

89,6%

88,5%

n.v.t.

n.v.t.

89,70%

Indicator: 5 minuten punctualiteit HRN1

 

92,8%

92,5%

94,7%

94,2%

93,6%

93,0%

94,9%

                 

Reizigerspunctualiteit

     

91,5%

91,5%

90,0%

90,5%

92,3%

Klantoordeel op tijd rijden (% dat een 7 of hoger geeft)

     

51,0%

48,9%

46,8%

53,0%

49,9%

Bron: NS/Jaarverantwoording over de vervoerconcessie 2014

Toelichting:

Ad 1) Met het oog op de internationale vergelijkbaarheid is er sinds 2013 geen prestatie-afspraak meer op basis van de norm van 3 minuten, maar op basis van de norm van 5 minuten. De 3 minuten punctualiteit wordt nog wel gemeten, maar niet meer voorzien van een grenswaarde.

Ad 2) Vooraf gemaakte prestatie-afspraken.

Ad 3) Daadwerkelijk geleverde prestaties; als deze lager zijn dan de grenswaarden, wordt er een boete opgelegd.27

Indicator Spoorveiligheid (naar risicodrager)
     

Beoordelingsjaar 20141)

2013

2012

verbetering in 2013 t.o.v. 2012?

Nr.

Risico-drager

Omschrijving indicator

NRV

MWA 2014

MWA 20132)

MWA 2012

1.1

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerstreinkm’s

6,57

....

4,22

6,57

ja

1.2

Reiziger

FWSI onder reizigers / jaar / mld reizigerskm’s

0,05

....

0,03

0,05

ja

2

Personeel

FWSI onder spoorpersoneel / jaar / mld treinkm’s

2,25

....

3,37

2,25

neen

3.1

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / mld treinkm's

97,05

....

85,22

97,05

ja

3.2

Overweggebruiker

FWSI onder overweggebruikers / jaar / ((mld treinkm’s*aantal overwegen)/ lijnkm’s)

108,7

....

100,3

108,7

ja

4

Onbevoegden

FWSI onder onbevoegden op het spoor / jaar / mld treinkm’s

7,99

....

7,92

7,99

ja

5

Anderen

FWSI onder «anderen (derden)» / jaar / mld treinkm's

7,21

....

5,74

7,21

ja

6

Overall

Totaal FWSI / jaar / mld treinkm’s

129

....

110

129

ja

Bron: ILT Jaarverslag 2013 van de Nationale Veiligheidsinstantie Spoor (NSA), Kamerstukken II, 2014/15, 29 893, nr. 178

Gebruikte afkortingen in de tabel:

FWSI = Fatalities and Weighted Serious Injuries (het aantal doden en gewogen zwaargewonden)

NRV = National Reference Value, de in Europees kader vastgestelde referentiewaarde per lidstaat voor de betreffende indicator

MWA = Moving Weighted Average (voortschrijdend gewogen gemiddelde)

Toelichting:

Ad 1) De gegevens voor kolom «MWA 2014» waren nog niet beschikbaar ten tijde van het drukken van dit jaarverslag. De gegevens komen uiterlijk september 2015 beschikbaar en zullen dan separaat aan de Tweede Kamer worden verzonden.

Ad 2) Hierboven staan de indicatoren voor railveiligheid. Dit betreft de ontwikkeling van de verschillende veiligheidsdoelstellingen voor de diverse risicodragers conform de Europese systematiek, zoals die ook wordt toegepast in de 3e kadernota railveiligheid. Risicodragers zijn actoren met verschillende rollen die binnen het spoorsysteem veiligheidsrisico’s lopen. In bovenstaande tabel is voor de belangrijkste acht railveiligheidsindicatoren aangegeven wat de stand van zaken eind 2013 en eind 2012 was op basis van meerjarige voortschrijdende gewogen gemiddelden («Moving Weighted Average»). Voor de ontwikkelingen rondom deze railveiligheidsindicatoren geldt het beleid van de 3e kadernota railveiligheid, namelijk dat we de railveiligheid op alle fronten, dus bij elk van deze acht veiligheidsindicatoren, continu willen verbeteren. Zoals in bovenstaande tabel te zien, is dat in 2013 bij 7 van de 8 gelukt, maar bij 1 niet.

Kengetal aantal treinbewegingen per week op A15-tracé van Betuwelijn
 

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Betuweroute¹

220

400

450

460

440

500

Oldenzaal grens²

80

70

60

60

70

60

Zevenaar grens²

340

380

480

490

490

540

Venlo grens²

230

250

230

220

240

190

Maastricht grens²

30

30

20

20

30

30

Roosendaal grens²

120

120

120

110

110

110

Bron: ProRail Operatie, VL/PAB en ProRail Vervoer en Dienstregeling, PV/POV.

Toelichting:

Ad 1) De treinbewegingen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen en inclusief losse locomotieven. Het aantal hiervan verschilt per jaar, maar is ongeveer 5% van de treinbewegingen op het A15-trace van de Betuwe-route.

Over de redenen voor de stijging van 13,6% het volgende (kwartaalrapportage ProRail over het 4e kwartaal 2014):

«De positieve trend van de ontwikkeling van de volumes op de Betuweroute heeft te maken met:

  • 1. herstellende marktomstandigheden;

  • 2. de concurrentiepositie van het railgoederenvervoer ten opzichte van andere modaliteiten en havens;

  • 3. het toenemende marktaandeel van de Betuweroute

  • 4. minder grote buitendienststellingen».

Ad 2) De treinbewegingen in bovenstaande tabel zijn afgerond op tientallen.

Kengetal sociale veiligheid NS
 

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Klantoordeel veiligheid reizigers (1)

77,5%

78,0%

78,3%

79,1%

78,3%

79,5%

80,2%

Bron: Nederlandse Spoorwegen

Toelichting:

Ad 1) In het Vervoerplan28 van NS wordt voor sociale veiligheid, net als voor diverse andere zorggebieden, het klantoordeel gebruikt. Het klantoordeel veiligheid geeft een percentage en niet een cijfer. Het klantoordeel is het gewogen gemiddelde van de klantoordelen overdag en ’s avonds in de trein en overdag en ’s avonds op stations.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

In 2014 kwam 92% van de reizigers op tijd aan. Dit is een stijging ten opzichte van 2013 (90%) en ruim boven de grenswaarde uit het vervoerplan 2014. Toch blijkt uit het klantoordeel op tijd rijden dat reizigers ontevreden waren over de stiptheid van treinen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

16

Spoor

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

10.051

8.453

5.348

3.105

1)   

Uitgaven

 

60.350

39.471

24.424

15.047

 

16.01

Spoor

 

60.350

39.471

24.424

15.047

 

16.01.01

Opdrachten

 

17.651

16.687

2.888

13.799

2)

16.01.02

Subsidies

 

42.493

22.710

21.365

1.345

 
 

– Subsidies Bijzondere Spoordiensten

 

32.491

12.805

12.189

616

 
 

– Subsidie bodemsanering NS percelen

 

9.076

9.076

9.076

0

 
 

– Overige subsidies

 

926

829

100

729

3)

16.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

137

74

74

0

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

74

74

74

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

63

0

0

0

 

16.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

69

0

97

– 97

4)

 

Ontvangsten

0

149

0

149

5)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De hogere verplichtingen worden met name veroorzaakt door hogere uitgaven (€ 2,5 miljoen) voor extra ondersteuning parlementaire enquête Fyra, nieuwe concessies en de Lange Termijn Spoor Agenda en door een éénmalige subsidie (€ 0,8 miljoen) voor de OV-begeleiderskaart.

16.01 Spoor
16.01.01 Opdrachten (ad 2)

Dit betreft voornamelijk (lopende) opdrachten voor de pilot ERTMS op het traject Amsterdam-Utrecht, activiteiten ter ondersteuning van de Railmap ERTMS, adviezen ter ondersteuning van het programma Overwegen, de nieuwe beheer- en vervoerconcessie, de Lange Termijn Spoor Agenda en de parlementaire enquête Fyra. Daarnaast maakt de jaarlijkse vergoeding aan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) onderdeel uit van deze middelen, welke een vergoeding is voor haar werk op het gebied van spoor (onder andere de Vervoerkamer). De Vervoerkamer reguleert vooral de relatie tussen de beheerders en de gebruikers van het spoor.

De hogere realisatie wordt met name veroorzaakt door reeds verplichte uitgaven (€ 11,3 miljoen) voor de ERTMS pilot Amsterdam-Utrecht (deel NS) welke worden begroot op het Infrastructuurfonds en verantwoord op Hoofdstuk XII en door hogere uitgaven (€ 2,5 miljoen) voor extra ondersteuning parlementaire enquête Fyra, nieuwe concessies en de Lange Termijn Spoor Agenda.

16.01.02 Subsidies (ad 3)

De hogere uitgaven worden veroorzaakt door een éénmalige subsidie (€ 0,8 miljoen) voor de OV-begeleiderskaart. De volgende subsidies zijn in 2014 verstrekt:

  • Subsidies bijzondere spoordiensten: betreffen subsidies voor lijnen die na de gunning van het hoofdrailnet in 2005 aan het hoofdrailnet zijn toegevoegd. Betreft daarnaast een jaarlijkse bijdrage voor de Complete Lijn Uitschakeling (waarbij bijvoorbeeld bij een incident een tracé als geheel wordt uitgeschakeld) en de inzet van de 25kV Spanningtester (CLU+) op de Betuweroute en HSL in het kader van de daartoe gesloten overeenkomst met de betrokken Veiligheidsregio’s.

  • Subsidie bodemsanering NS-percelen: sinds 1996 dragen het Ministerie van IenM (en haar voorganger) en de Nederlandse Spoorwegen jaarlijks geld aan de Stichting Bodemsanering Nederlandse Spoorwegen (SBNS) voor de landelijke aanpak van bodemverontreiniging in NS-percelen.

  • Overige subsidies: Deze uitgaven hebben voornamelijk betrekking op een eenmalige subsidie aan NS voor de OV-begeleiderskaart, alsmede een subsidie voor Rover.

16.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties (ad 4)

Er zijn geen uitgaven gedaan aan internationale organisaties. Het begrote budget betrof een betaling aan de Organisation pour les Transports Internationaux Ferroviaires (OTIF) die voor 2014 was geraamd maar door vertraging in 2015 tot betaling zal komen.

Ontvangsten (ad 5)

De ontvangsten betreffen een incidentele meevaller als gevolg van de lagere vaststelling van de subsidie in het kader van de Tijdelijke subsidieregeling upgrade ERTMS.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.123.255

Andere ontvangsten van artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

117.966

Totale uitgaven op artikel 13 Spoorwegen van het Infrastructuurfonds

2.241.221

waarvan

   

13.02

Beheer, onderhoud en vervanging

1.304.521

13.03

Aanleg

784.844

13.04

GIV/PPS

135.279

13.07

Rente en aflossing

16.577

13.08

Investeringsruimte

 
Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

4.547

Andere ontvangsten van artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

751

Totale uitgaven op artikel 17.02 Betuweroute, 17.03 HSL en 17.07 ERTMS van het Infrastructuurfonds

5.298

waarvan

 

17.02

Betuweroute

1.709

17.03

HSL

751

17.07

ERTMS

2.838

Artikel 17 Luchtvaart

Algemene beleidsdoelstelling

Het versterken van de internationale concurrentiekracht van de mainports van de Nederlandse luchtvaartsector en het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam luchtvaartbestel voor goederen, passagiers en omwonenden.

Regisseren

Rollen en verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving van de kaders en voor het binnen deze kaders (doen) realiseren van de gewenste ontwikkeling van de Nederlandse luchtvaart. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • Voor een veilig en duurzaam gebruik van netwerken stelt de Minister normen (en handhaaft deze). Om de concurrentiekracht van de luchtvaart te versterken streeft de Minister naar een internationaal level playing field. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van de International Civil Aviation Organization (ICAO) en een gerichte bijdrage in de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als de European Aviation Safety Agency (EASA) en andere;

  • Voor het in stand houden en versterken van het luchtvaartnetwerk van verbindingen van Nederland met de rest van de wereld zijn internationale overeenkomsten cruciaal (multilateraal en bilateraal). De Minister sluit hiertoe overeenkomsten met de vanuit de Nederlandse luchtvaartpolitiek belangrijke landen;

  • Daarnaast wordt mede vanuit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving in de luchthavengebieden de innovatie en de transitie naar een duurzame luchtvaart bevorderd. IenM zorgt voor de regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, veiligheid, milieu en security, houdt toezicht en handhaaft de regelgeving om de publieke belangen te waarborgen. Veel van deze regelgeving komt in internationaal of Europees kader tot stand. In deze kaders levert Nederland een actieve bijdrage gericht op de Nederlandse belangen;

  • De Minister richt zich nationaal en internationaal op het veiligstellen en efficiënter gebruiken van de capaciteit in het luchtruim en op verbetering van de prestaties van de Luchtverkeersleiding, intensievere samenwerking tussen civiele en militaire luchtverkeersleidingsorganisaties (co-locatie) en betere samenwerking van internationale luchtverkeersleidingsorganisaties binnen het Functional Airspace Block Europe Central (FABEC);

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor duurzaamheid met betrekking tot mainportbeleid en voor een permanente verbetering van de veiligheid middels introductie van veiligheidsmanagement;

  • Voorts geeft IenM invulling aan de wettelijke verplichtingen, zoals het nemen van omzettingsregelingen (aanpassing aan nieuwe wetgeving) en luchthavenbesluiten voor de regionale luchthavens van nationale betekenis en het vrijwaren van de veiligheidssloopzone van Schiphol. Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Indicator: Creëren luchthavencapaciteit Schiphol
 

Basiswaarde 2009

2010

2011

2012

2013

Gerealiseerd 2014

Streefwaarde 2020

Gerealiseerde vliegtuigbewegingen tov plafond 510.000

390.000

386.000

420.000

423.000

426.000

438.300

510.000

 

76%

76%

82%

83%

83,5%

85,90%

100%

Bron streefwaarde: Luchtvaartnota april 2009

Bron realisatie: Schiphol Amsterdam Airport, januari 2015

Voor de luchthaven Schiphol is tot 2020 een plafond aan het aantal vliegtuigbewegingen afgesproken. Met het oog op de netwerkkwaliteit moet binnen dit plafond ruimte blijven voor de ontwikkeling van mainportgebonden verkeer. In 2012 is het convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol» tussen Schiphol en het Rijk bijgesteld. De afspraak is nu de inspanning er op te richten al bij het bereiken van 90 procent van de 510.000 vliegtuigbewegingen regionale luchthavencapaciteit te kunnen inzetten ter ontlasting van Schiphol (Kamerstukken II, 2011/12, 29 665, nr. 181). De marktontwikkeling op Schiphol wordt daarom nauwlettend door het ministerie gevolgd.

Indicator: Creëren extra luchthavencapaciteit Eindhoven en Lelystad (tbv 70.000 extra luchthavencapaciteit)

Basiswaarde 2009

Gerealiseerd t/m 2014

Streefwaarde 2015

Streefwaarde 2020

Luchthaven capaciteit Eindhoven

0

25.000 (10.000)

10.000

25.000

Luchthaven capaciteit Lelystad

0

0

25.000

45.000

Bron Eindhoven: Luchthaven besluit Eindhoven 2014 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013/14, 31 936, nr. 187

Bron Lelystad: Ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad (Kamerstukken II, vergaderjaar 2013/14 31 936 nr. C)

De ontwikkeling van Eindhoven en Lelystad (met in totaal 70.000 extra vliegtuigbewegingen op jaarbasis) vindt plaats in een zodanig tempo en uitvoering dat Schiphol meer ruimte krijgt voor écht mainportverkeer en de concurrentiepositie van Schiphol wordt versterkt, conform het Convenant «Behoud en versterking mainportfunctie en netwerkkwaliteit luchthaven Schiphol». Op basis van het Aldersadvies Eindhoven heeft het kabinet in 2010 besloten tot uitvoering van de afspraken over het accommoderen van 25.000 extra vliegtuigbewegingen in 2020. In 2014 is met het nemen/vaststellen van het luchthavenbesluit de wettelijke basis gelegd voor 25.000 extra vliegtuigbewegingen. In 2015 wordt de eerste tranche, op basis van de verleende vergunning medeburgergebruik voor 10.000 extra vliegtuigbewegingen, geëvalueerd. Indien aan alle voorwaarden is voldaan zal met ingang van 1 januari 2016 een vergunning burgermedegebruik kunnen worden verleend voor de volledige ruimte van 25.000 extra vliegtuigbewegingen.

Voor Lelystad zijn in 2014 alle voorbereidingen getroffen om voorjaar 2015 een luchthavenbesluit te kunnen nemen voor 45.000 vliegbewegingen. Het aantal vliegtuigbewegingen wijkt daarmee af van de streefwaarde 2015 zoals opgenomen in de begroting 2014, omdat thans voorzien wordt vergunning te verlenen voor de volledige ruimte van 45.000 extra vliegbewegingen.

Indicator: Luchthavengelden, ATC-heffingen en overheidsheffingen (aeronautical kosten)

Ranglijst kostenniveau (van hoog naar laag)

Realisatie 2013

Realisatie 2014

Streefwaarde 2014 e.v.

London Heathrow (LHR)

1

1

 

Parijs (CDG)

3

3

 

Frankfurt (FRA)

2

2

 

Gatwick

4

4

 

Schiphol

8

8

< LHR, FRA, CDG

Zürich

5

5

 

München

6

6

 

Brussel

9

9

 

Madrid

7

7

 

Bron: SEO, jaarlijkse Benchmark Luchthavengelden en Overheidsheffingen 2014

Om te kunnen vaststellen of Schiphol een concurrerend kostenniveau heeft, vindt er jaarlijks een vergelijking plaats van de luchthavengelden, de ATC-heffingen en de overheidsheffingen op Schiphol en tien concurrerende luchthavens. De resultaten van de benchmark van 2014 laten zien dat Schiphol medio 2014 net als het jaar ervoor goedkoper is dan zeven andere Europese luchthavens. Het streven is om de huidige positie van Schiphol in de rangorde van kostenniveau onder die van Londen Heathrow, Frankfurt en Parijs Charles de Gaulle te houden.

Kengetal: Geluidsbelasting rond Schiphol

Periode

2012

2013

2014

Grenswaarde TVG

Gedurende het gehele etmaal (Lden)

62,71

62,45

62,55

63.46 dB(A)

Gedurende de periode van 23.00 tot 7.00 uur (Lnight)

52,47

52,09

52,14

54.44 dB(A)

Bron: Handhavingsrapportage Schiphol van de ILT 2014

Bron grenswaarde: Luchthavenverkeerbesluit 2004

Toelichting

Op Schiphol is ook in 2014 aan de grenswaarden voor het Totale Volume Geluid (TVG) voldaan. Het TVG is de totale hoeveelheid geluid die door alle vliegtuigen gezamenlijk in een jaar mag worden geproduceerd. In het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat de totale hoeveelheid geluid van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar voor het etmaal (de Lden) niet meer dan 63,46 dB(A) en voor de nacht (de Lnight) niet meer dan 54,44 dB(A) mag bedragen.

Kengetal TRG score Schiphol

Op Schiphol is ook in 2014 aan de grenswaarde voor het Totale Risico Gewicht (TRG) voldaan. Het TRG is het resultaat van een vermenigvuldiging van het maximale startgewicht van een vliegtuig met de ongevalskans per vliegtuigbeweging. De TRG-waarde 2014 bedraagt 7,101 ton. In het luchthavenverkeerbesluit Schiphol is vastgelegd dat het TRG van het luchthavenluchtverkeer bij Schiphol per gebruiksjaar niet meer dan 9,724 ton mag bedragen. Het gebruiksjaar 2014 loopt van 1 november 2013 tot en met 31 oktober 2014. Afgezet tegen de grenswaarde van 9,724 ton betekent dit dat op 31 oktober 2014 nog een TRG-ruimte van 2,623 ton beschikbaar was.

Kengetal: Aantal bestemmingen waarnaar (> 2 x per jaar) met vnl. geregelde vluchten wordt gevlogen per luchthaven

Luchthaven

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Amsterdam

245

250

258

246

253

263

271

266

261

264

Frankfurt

279

285

288

291

284

283

288

301

286

286

London Heathrow

181

188

181

177

171

165

174

176

176

179

Parijs Charles de Gaulle

239

249

260

273

272

271

268

256

258

278

Brussel

132

131

158

190

183

188

200

190

181

192

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), op basis van APGdat, januari 2015

Toelichting

Het aantal bestemmingen vanaf Schiphol is in 2014 licht gestegen. De toename is het grootst vanaf Parijs Charles de Gaulle en Brussel.

Op Schiphol stijgt het aantal vliegtuigbewegingen in 2014 met 3%. Op de drie grote luchthavens is sprake van een daling (Frankfurt en Parijs CdG) of slechts een geringe stijging (Londen Heathrow). De groei van het aantal vliegtuigbewegingen is op Brussel het hoogst.

Opvallend is ook de sterke stijging van het aantal passagiers op Brussel. De stijging van het aantal passagiers op Schiphol in 2014 (4,6%) is groter dan op Frankfurt, London Heathrow en Parijs Charles de Gaulle.

Op alle luchthavens is er in 2014 een positieve ontwikkeling voor wat betreft het vrachtvolume. De stijging is het sterkst op Schiphol (6,7%)

Kengetal: Aantal vliegtuigbewegingen, aantal passagiers en vrachttonnage per luchthaven
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Vliegbewegingen (x 1.000)

                   

Amsterdam

405

423

436

428

391

386

420

423

426

438

Frankfurt

482

482

485

480

458

458

481

476

466

463

London Heathrow

472

471

476

473

460

449

476

471

470

471

Parijs Charles de Gaulle

514

533

544

551

518

492

507

491

472

465

Brussel

231

232

241

236

212

205

214

206

199

214

Passagiers (in mln)

                   

Amsterdam

44

46

48

47

44

45

50

51

53

55

Frankfurt

52

53

54

53

51

53

56

57

58

59

London Heathrow

68

67

68

67

66

66

69

70

72

73

Parijs Charles de Gaulle

54

57

60

61

58

58

61

61

62

64

Brussel

16

17

18

19

17

17

19

19

19

22

Vracht (x 1.000 ton)

                   

Amsterdam

1.450

1.527

1.610

1.568

1.286

1.512

1.524

1.483

1.531

1.633

Frankfurt

1.864

2.031

2.074

2.021

1.808

2.199

2.133

1.986

2.016

2.051

London Heathrow

1.306

1.306

1.314

1.401

1.278

1.473

1.484

1.465

1.423

1.499

Parijs Charles de Gaulle

1.767

1.884

2.053

2.039

1.819

2.177

2.088

1.950

1.876

1.896

Brussel

700

706

762

659

449

476

475

459

430

454

Bron: Amsterdam Airport Schiphol (AAS), januari 2015

De jaarlijkse Monitor Netwerkkwaliteit en Staatsgaranties geeft een beeld van de ontwikkeling van de netwerkkwaliteit op Schiphol ten opzichte van enkele concurrerende buitenlandse luchthavens. Daarnaast wordt in de monitor het netwerk van Skyteam (Air France KLM en alliantiepartners) vanaf Schiphol vergeleken met dat vanaf Parijs Charles de Gaulle. Zo wordt de naleving van de staatsgaranties gevolgd die in het kader van de fusie van KLM met Air France zijn afgesproken.

Uit het onderzoek blijkt dat het netwerk van Schiphol in 2014 sterker groeit dan dat van de concurrerende Europese luchthavens. Het netwerk van Skyteam heeft zich op Schiphol sinds 2004 op alle fronten aanzienlijk sterker ontwikkeld dan op Parijs Charles de Gaulle. De connectiviteit is in 2014 op Schiphol nagenoeg gelijk aan die op Parijs Charles de Gaulle.

Kengetal: Gemiddelde vertraging per vlucht toe te rekenen aan Air Traffic Management in het Europese luchtruim (in minuten)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Taakstelling vanaf 2000 met herijking voor 2002–2006

2,8

2,44

2,08

1,72

1,4

1,0

1,0

1,0

1,0

1,0

nb

0,7

0,6

0,5

Gerealiseerd

2,5

1,4

0,9

0,8

0,9

1,0

1,2

1,4

0,9

2,0

1,1

0,63

0,54

0,61

Bron: Performance review Body, Performance monitoring Dashboard

Toelichting

De in bovenstaande tabel opgenomen reeks is de gemiddelde jaarlijkse vertraging per vlucht (in minuten) die aan Air Traffic Management in het Europese luchtruim wordt toegerekend.

De reeks is gewijzigd als gevolg van het feit dat Eurocontrol in eerdere rapporten uitsluitend de gemiddelde vertraging in het en route verkeer gedurende de zomer heeft gemeten en vervolgens op een jaargemiddelde is overgegaan. Voorts zijn vanaf 2012 de gegevens ontleend aan het Performance Monitoring Dashboard van de performance Review Body, een adviseur van de Europese Commissie ter zake van prestatiesturing.

Het Rijk heeft geen directe invloed op het aantal minuten vertraging in het Europese luchtruim. Dit kengetal is een internationaal gemiddelde en wordt bepaald door operationele factoren, zoals capaciteitsplanning en human resource management. Dit kengetal geeft wel een beeld van de efficiëntie van het luchtvaartbestel.

Kengetal: Gemiddelde ATFM 1ATFM staat voor «Air traffic flow management»- vertraging per vlucht in het NL luchtruim en op Schiphol (in minuten)
 

2010

2011

2012

2013

2014

Gemiddelde ATFM-vertraging per vlucht

2,80

1,00

1,00

1,00

1,00

Gerealiseerd

0,94

0,90

0,78

0,68

0,94

Bron: Luchtverkeersleiding Nederland

Dit kengetal heeft betrekking op de gemiddelde en-route ATFM-vertraging (Air Traffic Flow Management) per controlled flight in het Nederlandse luchtruim en de gemiddelde ATFM- vertraging op Schiphol tezamen. In de tabel is de gemiddelde vertraging per vlucht in het Nederlandse luchtruim als gevolg van regulaties van het verkeer door LVNL aangegeven. Deze gemiddelde vertraging betreft zowel de vertragingen in de en route als in de terminal verkeersbegeleiding. Dit in tegenstelling tot de Eurocontrolgegevens in de voorgaande tabel, die betrekking hebben op het en route verkeer. Het merendeel van de vertragingen treedt op in de terminalfase van een vlucht. Het merendeel van deze vertragingen wordt veroorzaakt door weersomstandigheden die een direct negatief effect hebben op de afhandeling van de starts en landingen in de vluchtfase onder 1 kilometer hoogte (slecht zicht, wind, sneeuw en aanverwante oorzaken als beperkt aantal vliegtuigopstelplaatsen).

Beleidsconclusies

Het op artikel 17 uitgevoerde beleid en de resultaten waren in 2014 conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen opgetreden en er was geen noodzaak tot bijstelling.

In 2014 zijn belangrijke stappen gezet in de voorbereiding van de besluitvorming over de capaciteitsuitbreiding op Lelystad Airport. De totstandkoming van het luchthavenbesluit Lelystad Airport laat enige vertraging zien ten opzichte van de verwachting ten tijde van de vastgestelde begroting 2014. Het luchthavenbesluit wordt in het voorjaar van 2015 vastgesteld.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

17

Luchtvaart

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

27.313

17.542

20.183

– 2.641

1)   

Uitgaven

 

21.796

20.201

34.291

– 14.090

 
 

Luchtvaart

 

21.796

20.201

34.291

– 14.090

 

17.01.01

Opdrachten

 

17.536

6.727

21.750

– 15.023

 
 

– Opdrachten GIS

 

10.604

1.598

15.530

– 13.932

2)

 

– Overige opdrachten

 

6.932

5.129

6.220

– 1.091

 

17.01.02

Subsidies

 

2.862

2.284

1.290

994

3)

17.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

64

10.071

10.071

0

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

48

10.048

10.048

0

 
 

– bestemd voor Caribisch Nederland

 

0

10.000

10.000

0

 
 

– waarvan bijdrage aan KNMI

 

16

23

23

0

 

17.01.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

1.334

1.119

1.180

– 61

 

Ontvangsten

 

38.863

38.168

44.851

– 6.683

4)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

De lagere verplichtingenrealisatie is voornamelijk het gevolg van minder benodigd verplichtingenbudget voor de opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS). Doel van het project GIS is het verminderen van de geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie van woningen. Ook wordt de behandeling en uitbetaling van schadeclaims en aankopen van woningen in de geluids- en sloopzones uit het LIB (Luchthaven Indelingsbesluit) uitgevoerd. In 2014 was minder verplichtingenruimte benodigd doordat een rechtszaak in het voordeel van RWS is beslecht, zie ook de toelichting ad 2.

17.01 Luchtvaart
17.01.01 Opdrachten

Opdrachten Geluidsisolatie Schiphol (GIS) (ad 2)

De derde fase van het geluidsisolatieprogramma is in 2012 afgerond. De beleidsevaluatie GIS is in 2013 aan de Tweede Kamer aangeboden. (Kamerstukken II, 2013/2014, 26 959, nr. 140) De resultaten van de beleidsevaluatie GIS worden betrokken bij de brede beleidsdoorlichting luchtvaart in 2017. Doel van het project GIS is het verminderen van de geluidshinder voor omwonenden van Schiphol door middel van geluidsisolatie van woningen. Ook wordt de behandeling en uitbetaling van schadeclaims en aankopen van woningen in de geluids- en sloopzones uit het LIB (Luchthaven Indelingsbesluit) uitgevoerd. In 2014 is een rechtszaak bij de Raad van State over claims, waarvan de uitkomst van invloed was op 350 andere claims betreffende het Luchthavenverkeerbesluit Schiphol 2008 (LVB 2008), in het voordeel van RWS beslecht. Hierdoor hoefde de reservering in de begroting niet te worden aangesproken.

Overige opdrachten

Luchtvaartnota en de Alderstafels

Het Nederlandse mainportbeleid is gericht op een selectieve ontwikkeling van de mainport Schiphol, in samenhang met de ontwikkeling van de regionale luchthavens van nationale betekenis. In 2011 is het Aldersadvies Eindhoven door het Kabinet en de Tweede Kamer overgenomen. In 2014 is het Luchthavenbesluit Eindhoven genomen en is het ontwerp Luchthavenbesluit Lelystad aan de Tweede Kamer aangeboden.

Evalueren Normen en handhavingsstelsel

De ontwikkeling van Schiphol tot 2020 vindt plaats binnen de aan de Alderstafel afgesproken kaders. In 2013 heeft de Alderstafel Schiphol op basis van de evaluatie van het experiment met het Nieuwe Normen en Handhavingsstelsel (Kamerstukken II, 2013/2014, 29 665, nr. 190) het advies uitgebracht om het Nieuwe Normen en Handhavingsstelsel conform het experiment vorm te geven. Het kabinet heeft in 2013 in lijn met dit advies besloten het nieuwe stelsel in nieuwe wetgeving te verankeren. In de eerste helft van 2014 is aan de hand van het Aldersadvies d.d. 8 oktober 2013 het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet luchtvaart opgesteld. Met dit wetsvoorstel is de basis van het nieuwe normen- en handhavingstelsel Schiphol in de Wet luchtvaart vastgelegd. De Raad van State heeft geadviseerd over het voorstel. Het wetsvoorstel en het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State zijn eind 2014 aan de Tweede Kamer gezonden ten behoeve van de parlementaire behandeling.

Beleidsonderzoek vliegveiligheid

De uitgaven aan onderzoek en evaluatie zijn gerealiseerd in het kader van de uitvoering van de Beleidsagenda Luchtvaartveiligheid 2011–2015.

Verminderen risico op vogelaanvaringen

In 2014 is gewerkt aan het uitvoeren van de maatregelen uit het convenant Reduceren risico vogelaanvaringen Schiphol uit 2012. De effecten van onderwerking oogstresten en de andere sporen van de viersporen aanpak zijn geëvalueerd en de resultaten zijn aan de Tweede Kamer verzonden (Kamerstukken II, 2014/15, 28 286, nr. 778).

Nadere uitwerking luchtruimvisie en civiel-militaire samenwerking

Aan de hand van de Beleidsagenda Luchtruimvisie werken Rijk en luchtverkeersdienstverleners aan het realiseren van een goede luchtzijdige bereikbaarheid van de Nederlandse luchthavens. Het Rijk en de luchtverkeersdienstverleners hebben afspraken gemaakt om de civiel-militaire co-locatie voor het lager luchtruim op Schiphol Oost in 2017 te realiseren.

Luchthavens Caribisch Nederland

In 2014 is een vervolg gegeven aan de voorbereidingen voor de uitvoering van de masterplannen van de luchthavens op Bonaire, Saba en Sint Eustatius. Zo zijn de documenten, die noodzakelijk zijn voor de aanbesteding van de werkzaamheden, in het eerste kwartaal gereed gekomen. Direct daarna is door Rijkswaterstaat gestart met de aanbesteding van de werkzaamheden conform de uniforme Europese aanbestedingsvoorschriften. Op 8 april 2014 is de aankondiging van een opdracht gepubliceerd. Er zijn zowel in Nederland als op de eilanden diverse inlichtingenbijeenkomsten georganiseerd voor geïnteresseerde partijen. De aanbesteding is succesvol verlopen en heeft geresulteerd in een positief gunningadvies. In november 2014 is een opdracht voor de uitvoering van de werkzaamheden gegeven. De daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden zal voornamelijk in 2015 plaatsvinden.

17.01.02 Subsidies

CROS en overige commissies regionaal overleg

IenM draagt financieel bij aan de activiteiten van de Commissie Regionaal Overleg luchthaven Schiphol (CROS). Dit onafhankelijke overleg- en adviesorgaan verenigt bewoners, regionale en lokale overheden en luchtvaartpartijen en heeft als doel om hinder van Schiphol zoveel mogelijk te beperken en een optimaal gebruik van de luchthaven te bevorderen. In 2014 zijn voorbereidingen getroffen voor de oprichting van de Omgevingsraad Schiphol (ORS) per 1 januari 2015 waaronder wijziging van de Regeling CROS. Deze wijziging maakt het mogelijk dat de Commissie Regionaal Overleg Schiphol (CROS) en de Alderstafel per 1 januari 2015 als Omgevingsraad zijn gaan werken. Daarnaast zijn subsidies verstrekt aan overige commissies regionaal overleg.

Versneld onderwerken graanresten ten behoeve van reduceren risico vogelaanvaringen (ad 3)

In 2014 is subsidie verstrekt voor het versneld onderwerken van de graanresten na de oogst in een deel van de Haarlemmermeerpolder. De betreffende agrarische ondernemers ontvingen hiervoor een vergoeding per hectare versneld ondergewerkte graanakker. De vergoeding is gebaseerd op de inkomstenderving in verband met het onderwerken van het stro, extra kosten die de boeren moesten maken en een medewerkingvergoeding. Hiervoor heeft bij 2e suppletoire begroting 2014 een ophoging van het subsidiebudget plaats gevonden.

Stichting Knowledge & Development Center (KDC)

De Stichting Knowledge & Development Center (KDC) levert kennis om innovatieve oplossingen te vinden voor de duurzame ontwikkeling van de Mainport Schiphol. In het KDC werken de partners KLM, Schiphol en Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) samen met universiteiten en kennisinstellingen om de Schiphol operatie te innoveren. IenM draagt financieel bij aan het KDC.

Luchthaven Twente

De Tweede Kamer is in mei 2013 per brief geïnformeerd (Kamerstukken II, 2012/13, 31 936, nr. 141) over de bijdrage voor de Luchthaven Twente die maximaal € 4,6 miljoen (netto contante waarde 2014) zou bedragen. Op 17 juli 2014 is de Kamer per brief geïnformeerd over het staken van de inspanningen van de gemeente Enschede en de provincie Overijssel om te komen tot een commerciële burgerluchthaven (Kamerstukken II, 2013/2014, Aanhangsel nr. 2578). In 2014 zijn derhalve geen subsidies verstrekt voor de ontwikkeling van Luchthaven Twente.

17.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Aan Rijkswaterstaat (RWS) inzake Caribisch Nederland en aan KNMI voor beleidsonderzoek is budget verstrekt als agentschapsbijdrage.

17.01.05 Bijdragen aan internationale organisaties

Voor de jaarlijkse contributie aan de ICAO, aan het hiertoe opgezette samenwerkingsverband binnen ABIS (de ABIS-groep vertegenwoordigt de burgerlijke luchtvaartautoriteiten van Oostenrijk, België, Nederland, Luxemburg, Ierland, Zwitserland en Portugal binnen de permanente organen van ICAO), en aan de European Civil Aviation Conference (ECAC) is in 2014 een bedrag uitgegeven van € 1,119 miljoen, waarvan € 0,961 miljoen via de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS).

Ontvangsten (ad 4)

Door een lager aantal vliegbewegingen zijn minder heffingsaanslagen opgelegd hetgeen tot gevolg heeft gehad dat minder ontvangsten in het kader van de Geluidsisolatie Schiphol zijn gerealiseerd dan in de begroting was geraamd.

Artikel 18 Scheepvaart en havens

Algemene Doelstelling

Het realiseren van een efficiënt, veilig en duurzaam goederenvervoersysteem, waarbinnen de internationale concurrentiekracht van de mainport en van de Nederlandse maritieme sector wordt versterkt.

(Doen) uitvoeren

Rollen en Verantwoordelijkheden

De Minister is verantwoordelijk voor het in stand houden van een robuust hoofdnetwerk van vaarwegen.

Vanuit de Begroting hoofdstuk XII (artikel 26.01) wordt een bijdrage gedaan aan het Infrastructuurfonds. Via het Infrastructuurfonds (artikel 15, 17 en 18) investeert de Minister door middel van aanleg en benutting in dit netwerk, in binnenhavens en in de maritieme toegang van zeehavens om een goede en betrouwbare bereikbaarheid over water van de economische kerngebieden te realiseren. Aanleg- en benuttingsprojecten worden in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) vastgelegd. De Minister is verantwoordelijk voor toezicht en nautisch beheer.

RWS voert als beheerder het beheer en onderhoud en vervanging uit. De uitgaven aan beheer en onderhoud en vervanging worden verantwoord op het Infrastructuurfonds (artikel 15).

Regisseren

De Minister is verantwoordelijk voor de vormgeving en deels ook voor de uitvoering, waaronder het toezicht op de uitvoering, van de wet- en regelgeving (zowel de Autoriteit Consument & Markt (ACM) als de ILT) van het maritiem beleid. De rol «regisseren» heeft ook betrekking op de volgende taken:

  • De Minister stelt normen en handhaaft deze om het veilige en duurzame gebruik van netwerken te waarborgen. De Minister ijvert internationaal (bijvoorbeeld in internationale gremia als de Europese Raad van transportministers) en regionaal voor deze normen, ook omdat een internationaal level playing field goed is voor de Nederlandse concurrentiepositie. Daarin passen een actief Nederlands lidmaatschap van International Maritime Organisation (IMO) en Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR) en een gerichte bijdrage aan de totstandkoming van Europese regelgeving inclusief een actieve rol in agentschappen als (European Maritime Safety Agency (EMSA) en andere organisaties;

  • Daarnaast wordt mede uit het oogpunt van verbetering van het milieu en van de kwaliteit van de leefomgeving de innovatie en de transitie naar een duurzame scheepvaart bevorderd;

  • IenM zorgt voor »state of the art» regelgeving op het gebied van marktordening, passagiersrechten, bemanningszaken en security;

  • Met de programma’s Beter Benutten en Impuls Dynamisch Verkeersmanagement Vaarwegen stimuleert de Minister een slim, efficiënt en veilig gebruik van de vaarwegen. Samen met de inspanningen van de vervoerders en verladers kan daarmee de capaciteit van de vaarwegen beter worden benut;

  • De Minister geeft zoveel mogelijk ruimte voor ondernemerschap, met een maximaal beroep op de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor een permanente verbetering van de veiligheid en duurzaamheid met betrekking tot maritiem beleid;

  • Voorts zet de Minister in op een intensivering en stroomlijning van de inspanningen van alle overheden, belangenorganisaties en sectorpartijen betrokken bij bovenstaande beleidsopgaven.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Indicatoren en kengetallen

Hieronder zijn de beleidsmatige indicatoren en kengetallen voor scheepvaart en havens opgenomen. In productartikel 15 Hoofdvaarwegennet van het Infrastructuurfonds zijn de aan dit beleidsartikel gerelateerde productindicatoren en kengetallen opgenomen

Indicator Passeertijd sluizen
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Realisatie 2012

Realisatie 2013

Streefwaarde 2014

Realisatie 2014

Hoofdtransportas

68%

67%

68%

69%

85%

70%

Hoofdvaarweg

81%

79%

78%

80%

75%

80%

Overige vaarweg

88%

92%

93%

92%

70%

92%

Bron: Rijkswaterstaat 2015

Toelichting

Voor elk type vaarweg (Hoofdtransportas, Hoofdvaarweg en Overige vaarwegen) wordt een te realiseren percentage schepen dat binnen de normtijd de sluis passeert nagestreefd (streefwaarde).

De gerealiseerde passeertijden op de hoofdtransportassen voldoen nog niet aan de streefwaarden (70 procent in plaats van 85 procent). Dit speelt al langere tijd en wordt (naast geplande onderhoudsmaatregelen) voornamelijk veroorzaakt door gebrek aan capaciteit op de corridors tussen Zeeland en Rotterdam. Voor de sluizen op die corridors lopen dan ook MIRT-projecten, gericht op het verbeteren van deze capaciteit. De passeertijden voor de hoofd- en overige vaarwegen scoren wel (ruim)voldoende.

Kengetal: Ontwikkeling van het procentuele marktaandeel (in tonnen) van de Nederlandse havengebieden ten opzichte van de totale Noordwest-Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range»)
 

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Totaal Nederlandse Zeehavens

45,5

45,9

44,4

44,9

44,9

44,2

44,5

45,0

46,9

47,8

47,2

47,9

47,5

47,2

Mainport Rotterdam

35,0

35,6

34,5

34,6

34,9

33,8

34,2

34,4

36,0

37,0

36,3

37,0

36,6

36,2

Overige Nederlandse Zeehavens

10,5

10,3

9,9

10,3

10,0

10,4

10,4

10,6

10,9

10,8

10,9

10,9

10,9

11,0

Bron: 2001–2010: Nationale Havenraad, 2011–2014: IenM

Toelichting

Dit kengetal geeft informatie over het marktaandeel van de Nederlandse zeehavens binnen de concurrerende Noordwest-Europese havenrange (de zogenaamde «Hamburg-Le Havre range»). Het streven is het marktaandeel van de Nederlandse havengebieden binnen de Noordwest-Europese havenrange (de «Hamburg-Le Havre range») ten minste te handhaven.

Kengetal: Ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van schepen > 100 GT en pontons > 1.000 GT
 

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

van de vloot van in Nederland geregistreerde zeeschepen onder Nederlandse vlag

Aantallen

                   

Handelsvaart

570

574

566

640

688

725

770

800

822

808

Zeesleepvaart

164

174

212

222

222

249

263

247

260

258

Waterbouw

151

148

139

118

121

120

127

169

168

167

Totaal

885

896

917

980

1.031

1.094

1.160

1.216

1.250

1.233

Bruto tonnage (GT) (x1000)

                   

Handelsvaart

4.932

5.031

5.114

5.980

6.313

6.075

6.886

6.740

7.045

6.978

Zeesleepvaart

178

181

243

264

237

310

307

362

347

360

Waterbouw

498

509

477

375

441

450

494

531

533

537

Totaal

5.608

5.721

5.834

6.619

6.991

6.835

7.687

7.633

7.925

7.875

van de vloot onder buitenlandse vlag in Nederlandse eigendom of beheer

Aantallen

                   

Handelsvaart

375

434

462

395

410

433

422

408

403

403

Zeesleepvaart

329

284

332

358

406

459

456

477

498

519

Waterbouw

37

39

45

52

66

63

55

55

52

52

Totaal

741

757

839

805

882

955

933

940

953

974

Bruto tonnage (GT) (x1000)

                   

Handelsvaart

4.692

5.566

6.278

4.542

5.057

5.259

5.232

5.072

5.517

5.987

Zeesleepvaart

2.704

2.782

1.903

1.423

1.217

1.011

1.298

1.640

1.612

1.643

Waterbouw

99

102

122

184

225

251

210

264

248

285

Totaal

7.495

8.450

8.303

6.149

6.499

6.521

6.740

6.976

7.377

7.915

Bron: Zeeschepen onder Nederlandse vlag: Inspectie Leefomgeving en Transport, 2015. Zeeschepen onder buitenlandse vlag: cijfers 2005 Ecorys (december 2008); cijfers van 2006–2009 Policy Research Corporation (april 2010); cijfers 2010–2014 Inspectie Leefomgeving en Transport, 2015. Alle cijfers op basis van Lloyd’s Register Fairplay.

Toelichting

Bovenstaande kengetallen geven informatie over de ontwikkeling in aantallen en bruto tonnage (GT) van de vloot in Nederlands eigendom of beheer onder Nederlandse en buitenlandse vlag. De gegevens zijn opgesplitst naar de sectoren handelsvaart, zeesleepvaart en waterbouw. De groei c.q. afname van de vloot onder Nederlandse vlag is niet alleen van overheidsbeleid afhankelijk, maar van meerdere factoren zoals de wereldwijde groei van het ladingaanbod en investeringsklimaat, het zeevaartbeleid (waaronder fiscale klimaat) van andere landen en de individuele prestaties van de ondernemingen. Een toename van de vanuit Nederland beheerde vloot (en dan met name de Nederlandse vlag) is gunstig voor de ontwikkeling van de toegevoegde waarde.

Kengetal: Veiligheid scheepvaart
 

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Aantal scheepvaartongevallen (inclusief vissersvaartuigen en recreatievaart) op het Nederlandse deel van de Noordzee (Nederlandse en buitenlandse vlag

Zeer ernstige scheepvaartongevallen

1

1

1

0

0

1

1

0

4

2

 

Ernstige scheepvaartongevallen

7

4

2

6

3

7

9

4

15

13

 

Totaal

8

5

3

6

3

8

10

4

19

15

 

Aantal significante ongevallen met schepen op de Nederlandse binnenwateren

     

Aantal significante scheepsongevallen

117

96

123

150

127

121

164

159

161

136

Aantal doden en gewonden op schepen op de Nederlandse binnenwateren (ook onder niet Nederlandse vlag)

Aantal doden

4

7

3

4

4

4

4

8

4

9

Aantal gewonden

29

49

54

30

51

56

45

63

58

27

Bron: RWS 2014

De gegevens over 2014 komen in mei beschikbaar en zullen dan worden aangeboden aan de Tweede Kamer.

Toelichting

Sinds 2012 is de registratie en classificatie van scheepsongevallen op de Noordzee aanzienlijk verbeterd en verfijnd. Dit heeft tot het inzicht geleid dat de historische reeks 2004–2011 waarschijnlijk een onderschatting geeft van het aantal ernstige scheepvaartongevallen (ESOs) dat in werkelijkheid is opgetreden. Om een goede uitspraak te kunnen doen over de ontwikkeling van de veiligheid van scheepvaart op de Noordzee moet vanaf 2012 een nieuwe historische reeks van ESO’s worden opgebouwd. De historische reeks van zeer ernstige scheepvaartongevallen (ZESO’s) wordt wel betrouwbaar geacht.

Voor de beoordeling van de ontwikkeling van de veiligheid op de Nederlandse binnenwateren wordt gebruik gemaakt van het begrip «significant scheepsongeval». Significante scheepsongevallen zijn scheepsongevallen op de Nederlandse binnenwateren met schepen (ook onder niet Nederlandse vlag) waarbij schade is ontstaan die als ernstig wordt geclassificeerd in de vorm van slachtoffers (doden/gewonden), stremming van de vaarweg of schade aan de vaarweg, schip, lading of milieu.

De 2 ZESO’s in 2013 betroffen de aanvaring tussen het guardschip Maria en het vissersschip TX68, waarbij drie doden zijn gevallen en de stranding van een recreatievaartuig als gevolg waarvan het schip verloren is gegaan. De ESO’s betroffen voorvallen met visserij (2 grondingen, 2 brand), recreatievaart (1 brand, 2 lek raken, 2 grondingen) en koopvaardij (3 verlies lading/sleep). Verder was er 1 aanvaring tussen een vissersschip en een recreatievaartuig.

Beleidsconclusies

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals vermeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

18

Scheepvaart en Havens

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

5.077

18.793

4.963

13.830

1)   

Uitgaven

 

5.361

4.801

5.303

– 502

 

18.01

Scheepvaart en havens

 

5.361

4.801

5.303

– 502

 

18.01.01

Opdrachten

 

2.317

1.956

2.302

– 346

 

18.01.02

Subsidies

 

467

543

340

203

2)

18.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

1.705

1.404

1.705

– 301

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

1.705

1.404

1.705

– 301

 

18.01.05

Bijdragen aan internationale organisaties

 

872

898

956

– 58

 
 

Ontvangsten

 

97

465

0

465

3)

Verplichtingen (ad 1)

Toelichting op de financiële instrumenten

Bij Najaarsnota is € 15 miljoen verplichtingenruimte overgeheveld van het Infrafonds artikel 12 Beter Benutten naar HXII artikel 15 Openbaar Vervoer voor de in 2015 op te starten activiteiten voor de Topsector Logistiek. De scope van het programma is inmiddels nader uitgewerkt. Vervolgens is er vanuit het zwaartepuntprincipe eind 2014 gekozen om deze middelen bij Slotwet over te hevelen naar artikel 18 Scheepvaart en Havens.

18.01 Scheepvaart en havens
18.01.01 Opdrachten
  • In samenwerking tussen rijksoverheid en marktpartijen is een rijksbrede maritieme strategie opgesteld. Doel daarvan is om in nauwe samenwerking tussen rijksoverheid en actoren in het maritieme cluster een duurzame internationale maritieme toppositie van Nederland te bewerkstelligen en behouden. Deze strategie is in januari 2015 aan de Tweede Kamer gezonden.

  • Met het oog op de concurrentiepositie van de maritieme cluster is de maritieme monitor 2014 opgesteld. Deze geeft informatie over de economische ontwikkelingen van de maritieme sectoren.

  • Het Werkprogramma zeehavens met acties om de concurrentiepositie van de Nederlandse zeehavens te versterken is op 25 juni 2014 getekend door de Nederlandse havenbedrijven, het havenbedrijfsleven en de ministers van Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu.

  • Er is een intentieverklaring getekend met de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba over de haveninfrastructuur en nautische veiligheid.

  • In het kader van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam zijn de laatste infrastructurele projecten horend bij fase 1 van het deelproject Landaanwinning afgerond, evenals een aantal projecten van het deelproject Bestaand Rotterdams Gebied.

  • Onder andere via Bureau Voorlichting Binnenvaart Maatwerk, Schuttevaer en Eigen Vervoerders Organisatie (EVO) is in 2014 gewerkt aan de voorbereiding van plannen voor het beter benutten van de potentie van de binnenvaart als instrument om een bijdrage te leveren aan het verminderen van de meest vertraagde ritten op de weg. Daarvoor zijn in 2014 met regio’s bereikbaarheidsverklaringen gesloten met afspraken over doelstellingen (10% vermindering meest vertraagde ritten over de weg). In maart 2015 wordt de besluitvorming over deze plannen verwacht.

  • Nederland speelt een actieve rol in de Europese initiatieven ter vergroening van de binnenvaart. De herziening van de Europese emissie-eisen voor scheepsmotoren is gestart. De Europese richtlijn «Clean power for transport» is aangenomen.

  • In CCR-verband is gewerkt aan regelgeving voor het gebruik van LNG als brandstof in de binnenvaart.

  • In CCR-verband zijn ook belangrijke stappen gezet ter verkleining van het tekort aan bemanningsleden en verdere professionalisering, o.a. door wederzijdse erkenning van diploma’s met scholen in Tjechië en Roemenië.

  • In de IMO werd mede op initiatief van Nederland een actieplan opgesteld dat administratieve lasten van maritieme regelgeving moet verminderen. Ter implementatie van het Verdrag van Nairobi over wrakopruiming is het wetsvoorstel bestrijding maritieme ongevallen (Wbmo) naar de Tweede Kamer gestuurd. Het Verdrag biedt een juridische basis voor wrakopruiming buiten de territoriale zee en verruimt de verhaalsmogelijkheden. In juni 2014 werd de ministeriële Verklaring van Athene aangenomen, over de Europese maritieme strategie tot 2020. Hierin worden Europese acties m.b.t. verbetering van milieu, veiligheid en level playing field in de zeevaart benoemd.

  • Nederland heeft in de IMO en de EU actief bijgedragen aan totstandkoming van regelgeving met betrekking tot veiligheid en milieuvriendelijkheid van de zeevaart. Daarbij werd o.a. mondiale regelgeving vastgesteld voor LNG als brandstof voor zeeschepen, werd een verplichting met betrekking tot het juist aanleveren van gewichten van zeecontainers aangenomen, en werd gewerkt aan maatregelen die CO2 reductie in de zeevaart op een veilige manier moeten bevorderen.

  • In 2014 trad de nieuwe Wet zeevarenden in werking, waarmee IMO-regels voor opleiding en training van zeevarenden werden geïmplementeerd. Daarmee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbetering van veiligheid op zee en arbeidsomstandigheden van zeevarenden

18.01.02 Subsidies (ad 2)

De verhoging wordt veroorzaakt door twee factoren. De eerste betreft de subsidieregeling Innovatie Duurzame Binnenvaart waarbij in totaal € 0,160 miljoen is verstrekt aan duurzame projecten in de Binnenvaart. Hiervoor zijn middelen uit het opdrachtenbudget overgeboekt naar het subsidiebudget. Daarnaast is een rijksbijdrage van € 0,045 miljoen aan Waterrecreatie Nederland ten behoeve van het ontwikkelen van de Beleidsvisie Recreatietoervaart Nederland (totstandkoming van een nieuw BRTN-kader 2015–2020) verstrekt.

Ten behoeve van een grotere instroom in het nautisch onderwijs voor voldoende aanbod van zeevarenden is de Tijdelijke subsidieregeling kennismakingsstages scheepvaart in 2014 verlengd met drie jaar in de periode 2015–2017.

18.01.03 Bijdragen aan agentschappen

In het kader van het BeleidsOndersteuning en Advies (BOA) protocol met RWS zijn afspraken gemaakt over beleidsondersteuning en -advisering, die RWS uitvoert in opdracht van de beleids-DG’s. Door middel van de agentschapsbijdrage wordt capaciteit hiervoor bij RWS gereserveerd. In totaal doet de directie maritiem een beroep op 14,1 fte van RWS voor deze taken, voornamelijk voor taken op het terrein van de binnenvaart. Dit betreft de bijdrage aan Rijkswaterstaat voor de capaciteitsinzet in het kader van Beleidsondersteuning en advies.

18.01.05 Bijdrage aan internationale organisaties

In 2014 zijn conform verdragsverplichtingen de contributies betaald aan de International Maritime Organization (IMO) en de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCR).

Ontvangsten (ad 3)

De hogere ontvangsten zijn het gevolg van terugbetalingen op subsidies uit de subsidieregeling Maritieme Innovatie en de tijdelijke subsidieregeling Innovatie Binnenvaart door RVO/AgNL, die volgen uit een aantal vastgestelde subsidies uit voorgaande jaren.

Extracomptabele verwijzingen

Extracomptabele verwijziging naar artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

846.121

Andere ontvangsten van artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

48.344

Totale uitgaven op artikel 15 Hoofdvaarwegen van het Infrastructuurfonds

894.465

waarvan

 

15.01

Verkeersmanagement

13.986

15.02

Beheer, onderhoud en vervanging

363.939

15.03

Aanleg

269.264

15.06

Netwerkgebonden kosten HVWN

247.276

15.07

Investeringsruimte

 
Extracomptabele verwijziging naar artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

677

Andere ontvangsten van artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

2.316

Totale uitgaven op artikel 17.06 PMR van het Infrastructuurfonds

2.993

waarvan

 

17.06

PMR

2.993

Extracomptabele verwijziging naar artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds (x € 1.000)
   

2014

Bijdrage uit artikel 26 van Hoofdstuk XII aan artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

1.437

Andere ontvangsten van artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

 

Totale uitgaven op artikel 18.03 Intermodaal vervoer van het Infrastructuurfonds

1.437

waarvan

 

18.03

Intermodaal vervoer

1.437

Artikel 19 Klimaat

Algemene doelstelling

Klimaatverandering door menselijk handelen tegen gaan. Door uitstoot van CO2 en overige broeikasgassen stijgt de temperatuur op aarde. Hierdoor verandert het klimaat en stijgt de zeespiegel. Nederland heeft internationale afspraken gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Beperking van CO2-uitstoot biedt bovendien economische kansen, waaronder lagere energiekosten.

Het internationale IenM-beleid vindt niet alleen haar grondslag in dit artikel. Specifieke rollen en verantwoordelijkheden van de Minister op de verschillende beleidsterreinen van IenM zijn bij de betreffende artikelen vermeld.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

De Minister van IenM regisseert de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese en het mondiale klimaatbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • Het door Nederland nakomen van de in UNFCCC29 en EU-verband gemaakte afspraken over het reduceren van emissies van CO2 en overige broeikasgassen en voor het emissiehandelssysteem waaronder het toewijzen en het doen veilen van CO2-emissierechten.

  • De regie op de internationale aspecten van het IenM-beleid, inclusief het politieke optreden en de vertegenwoordiging in de betreffende internationale gremia. Daartoe horen onder andere de Europese Transport- en Milieuraad en relevante VN-bijeenkomsten.

  • De opdracht aan de NEa voor het handelssysteem in CO2-emissierechten. Ook de registratie van biobrandstoffen en de rapportage hierover ter controle van de duurzaamheid en de CO2-prestatie zijn hier onderdeel van.

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van normen en plafonds, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen en normen hebben betrekking op het reduceren van CO2-emissies, op brandstofkwaliteit, op productie en inzet van duurzame biobrandstoffen, op de mondiale uitfasering van ozonlaagafbrekende stoffen en van gefluorideerde broeikasgassen en op de handel in CO2--emissierechten (Emissions Trading System/ETS).

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van klimaat te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit de Klimaatbrief en de Lokale Klimaatagenda tot succesvolle uitvoering te brengen. Green Deals en financiële incentives dragen hieraan bij.

  • Via de Lokale Klimaatagenda, initiatieven voor reductie van CO2-emissies. Ondernemers, burgers en andere overheden brengt zij beter in positie om maatregelen te nemen die goed zijn voor klimaat en economie.

  • De aanschaf van milieuvriendelijke producten of bedrijfsmiddelen, zoals de productie van groen gas en van energie op daken en in kassen, wordt onder andere door middel van financiële stimulering (MIA30/Vamil31en Groen Beleggen) aantrekkelijk gemaakt.

  • Zuinigere voertuigen. Dit gebeurt onder andere door de voorlopers in de sector te stimuleren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • De jaardoelstelling voor hernieuwbare energie in de vervoersector door middel van een verplichting voor degenen die biobrandstoffen op de markt brengen en het verbreden van de toepassing van hernieuwbare energie naar de luchtvaart en binnenvaart.

Financieren

De Minister van IenM is verantwoordelijk voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM), één van de zogenoemde flexibele mechanismen van het Kyoto Protocol. De flexibele instrumenten bieden de mogelijkheid om emissiereducties (CER’s) ten behoeve van de nationale reductiedoelstelling in een ander land te behalen. Hoofddoelstelling van CDM is om zoveel mogelijk CER’s aan te kopen als nodig om de Nederlandse verplichtingen onder het Kyoto Protocol na te kunnen komen.

Tenslotte is de Minister van IenM verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

Verwachte realisatie non ETS doelstelling 2020 (kengetal)
 

Verantwoordelijk ministerie

Raming begroting 2014 (Mton)

Aangepast nav NEV 2014 (Mton)

Verwachtte realisatie (Mton)

CO2 industrie en energie

EZ

8,5

8

10,7

CO2 verkeer en vervoer

IenM

33,8

34

35,5

CO2 gebouwde omgeving

BZK

25,1

25

22,5

CO2 land- en tuinbouw

EZ

6,6

5

5,75

Overige CO2 broeikasgasssen landbouw

EZ

15,8

16

16

Resterende overige broeikasgassen

IenM

9,7

9

8,8

Totaal

 

99,5

96

99,25

Bron: Kamerstukken II, 2014–2015, 30 196, nr. 257; Nationale Energieverkenning 2014, ECN, PBL, CBS, RvO, 2014; pag. 75.

Toelichting

De doelstelling voor de totale niet-ETS in 2020 is 105 Mton CO2– eq.

Inclusief het extra beleid van het Kabinet zijn de verwachte emissies in 2020 minder dan 100 Mton. Hiermee ligt Nederland goed op koers voor de 2020 doelstelling.

In de kabinetsaanpak Klimaatbeleid op weg naar 2020 heeft het kabinet afgesproken dat indien in een sector tegenvallers optreden die samenhangen met (de uitvoering van) het beleid van het ministerie, de verantwoordelijke bewindspersoon in beginsel compenserende maatregelen neemt. Wanneer is aangetoond dat (alle) binnen de sector mogelijke compenserende maatregelen veel duurder zijn dan de oorspronkelijke maatregelen, zal het kabinet zoeken naar alternatieve kosteneffectieve maatregelen – binnen de beschikbare middelen – in andere sectoren. Vervolgens zal het kabinet een besluit nemen en de Tweede Kamer hierover informeren. Is er een tegenvaller die niets van doen heeft met tegenvallende beleidseffecten, dan volstaat de reserveruimte (het verschil tussen de doelstelling en de raming) om deze tegenvaller op te vangen.

Op dit moment is het beeld dat overschrijdingen met name veroorzaakt zijn door een betere monitoring (beter «meten») en nieuwe aannames over autonome ontwikkelingen zoals de economie en de demografie. Van beleidsveroorzaakte tegenvallers is niet of nauwelijks sprake.

Ontwikkeling verplichting aandeel hernieuwbare energie in het vervoer (indicator in procenten)

Verplichtingen

2007

2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Oud

2

3,25

3,75

4

4,25

4,5

5

5,5

6,25

7

7,75

8,5

9,25

10

Nieuw

         

4,5

5

5,5

6,25

         

Realisatie

2

3,26

3,75

4,01

4,31

4,54

5,05

             

Bron: Kamerstukken II, 2013–2014, 32 813, nr. 93 en de NEa rapportage hernieuwbare energie 2013.

Toelichting

Voor de jaren 2015 tot en met 2019 waren formeel nog geen verplichtingen vastgelegd, maar lineaire interpolatie tussen 2015 en 2020 leidt in de oude situatie tot een groei van 0,75 procent per jaar. Op dit moment is nog volop discussie in het kader van ILUC (Indirect Land Use Change). In het Besluit hernieuwbare energie vervoer is het percentage hernieuwbare energie voor 2015, te weten 6,25% opgenomen. Dit percentage was in de brief van 6 september 2013 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II, 2013–2014, 32 813, nr. 93) aangekondigd. In de NEa-rapportage 2013 over hernieuwbare energie vervoer, dat meegezonden is met de genoemde brief van 9 september 2014, is aangegeven dat in 2013 een percentage hernieuwbare energie in vervoer is gerealiseerd van 5,05%. In dezelfde brief is het voorgenomen percentage van 7% voor 2016 gepubliceerd. Op 4 november 2014 is de motie Dijkstra / Jan Vos aangenomen die vraagt om invulling van het groeipad tot en met 2020 (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 000 XII, nr. 23). Hierover moet nog een besluit genomen worden.

Beleidsconclusie

Het op dit artikel uitgevoerde beleid en de bijbehorende resultaten waren het afgelopen jaar conform de verwachtingen zoals gemeld in de begroting. Er zijn geen grote afwijkingen of een noodzaak tot bijstelling aan het licht gekomen. Onderstaand worden een aantal mijlpalen uit 2014 toegelicht.

Het Kabinet heeft bij de onderhandelingen in aanloop naar de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 ingezet op het vastleggen van Europese doelen van ten minste 40% CO2-reductie, 27% hernieuwbare energie en een indicatief energiebesparingdoel van 30% op EU-niveau. Op basis van de onderhandelingen is in de raadsconclusies uiteindelijk vastgelegd, dat de EU het doel heeft om tenminste 27% energie te besparen in 2030 ten opzichte van projecties van het toekomstig energieverbruik.

Van 1 tot en met 12 december 2014 is in Lima de VN Klimaatconferentie (COP20) gehouden. In de brief aan Tweede Kamer van 19 november 2014 (Kamerstukken 2014–2015, 31 793, nr. 93) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de Nederlandse inzet. In Lima is vooruitgang geboekt met de uitwerking van elementen voor een nieuwe mondiaal akkoord eind 2015 in Parijs. De Tweede Kamer is begin 2015 over de uitkomsten en de beoordeling van de uitkomsten van Lima geïnformeerd (Kamerstukken 2014–2015, 31 793, nr 112).

Op 30 juni 2014 is de Duurzame brandstofvisie met LEF aangeboden aan de Staatssecretaris van IenM en aan de voorzitter van de Mobiliteitstafel van de Borgingscommissie Energieakkoord. De visie is een vervolg op het SER-Energieakkoord voor duurzame groei waarin ambitieuze lange termijn doelen voor vervoer in Nederland zijn opgenomen om de uitstoot van schadelijke broeikasgassen te verminderen. De Brandstofvisie vormt de basis voor een Actieagenda die in de eerste helft van 2015 verschijnt.

De Energieraad van 12 juni 2014 heeft een compromis bereikt over het ILUC (Indirect Land Use Change) voorstel. Het Europees Parlement zal naar verwachting begin 2015 zijn oordeel hierover uitspreken. Tot die tijd is het biobrandstoffenbeleid op de huidige Europese regelgeving gebaseerd en kunnen er geen extra eisen gesteld worden aan de biobrandstoffen die worden bijgemengd. De bouw van het Register Hernieuwbare Energie Vervoer is in 2014 aanbesteed en gebaseerd op de bestaande (Europese) wetgeving.

Budgettaire gevolgen van beleid

Overzicht van de budgettaire gevolgen van beleid (x € 1.000)

19

Klimaat

   

Realisatie

Begroting

Verschil

 
   

2012

2013

2014

2014

2014

 

Verplichtingen

 

27.629

63.217

50.581

12.636

1)   

Uitgaven

 

95.080

65.813

59.422

6.391

 

19.01

Klimaat

 

11.749

16.934

19.969

– 3.035

 

19.01.01

Opdrachten

 

876

3.243

5.659

– 2.416

2)

19.01.02

Subsidies

 

1.667

1.696

3.185

– 1.489

3)

19.01.03

Bijdrage aan agentschappen

 

9.206

11.995

11.125

870

 
 

– Waarvan bijdrage aan NEa

 

5.187

6.943

7.894

– 951

 
 

– Waarvan bijdrage aan RWS

 

3.608

4.146

2.913

1.233

 
 

– Waarvan bijdrage aan KNMI

 

411

906

318

588

4)

 

Internationaal beleid, coordinatie en

           
 

samenwerking

 

83.331

48.879

39.453

9.426

 

19.02.01

Opdrachten

 

76.931

4.715

9.181

– 4.466

 
 

– Uitvoering CDM

 

29.905

2.863

2.806

57

 
 

– RIVM

 

29.613

0

0

0

 
 

– AgNL

 

8.096

34

0

34

 
 

– Interreg

 

8.097

344

1.445

– 1.101

5)

 

– Overige opdrachten

 

1.220

1.474

4.930

– 3.456

6)

19.02.03

Bijdrage aan agentschappen

 

3.258

40.311

26.737

13.574

 
 

– waarvan bijdrage aan RWS

 

3.258

449

188

261

 
 

– waarvan bijdrage aan AgNL

 

0

10.215

1.022

9.193

7)

 

– waarvan bijdrage aan RIVM

 

0

29.647

25.527

4.120

8)

19.02.05

Bijdrage aan internationale organisaties

 

3.142

3.853

3.535

318

 

Ontvangsten

134.567

134.089

200.000

– 65.911

9)

19.01 Klimaat

Toelichting op de financiële instrumenten

Verplichtingen (ad 1)

De hogere realisatie wordt met name verklaard door de verhogingen van het verplichtingenbudget ten behoeve van de opdrachten aan het RIVM en RVO32 (voorheen AgentschapNL). Daarnaast is het budget verhoogd als gevolg van de bijdrage van het Ministerie van Economische Zaken voor de uitvoering van de aan IenM gerelateerde activiteiten uit het SER-Energieakkoord.

19.01.01 Opdrachten (ad 2)

In 2014 zijn opdrachten verstrekt en betalingen gedaan in het kader van zowel beleidsonderbouwend onderzoek als uitvoeringswerkzaamheden op onderstaande beleidsterreinen:

  • Klimaat (onder andere de uitwerking van de Lokale Klimaatagenda, alsmede de Roadmap/Klimaatagenda 2050)

  • SER-Energieakkoord

  • Duurzame mobiliteit (onder andere het programma Proeftuinen Rijden op Waterstof).

Het verschil tussen de begroting 2014 en de realisatie wordt met name verklaard door de verlagingen van het budget in verband met een overheveling naar 12.19.03 bijdragen aan agentschappen ten behoeve van werkzaamheden die RVO in 2014 uitvoerde.

19.01.02 Subsidies (ad 3)

In het verleden heeft het Ministerie van IenM subsidies aan bedrijven, onderzoeksinstellingen en andere overheden verstrekt, waarvan in 2014 nog betalingen hebben plaatsgevonden. Het betreft subsidies in het kader van Lokale Klimaatinitiatieven, milieutechnologie en duurzame mobiliteit.

De verschillen tussen begroting en realisatie zijn te verklaren door onder andere de budgetverlagingen (€ 1,2 miljoen) bij 2e suppletoire begroting 2014. Dat was mogelijk omdat de betalingen op de subsidies achterbleven bij de oorspronkelijke raming.

19.01.03 Bijdrage aan agentschappen

Nederlandse Emissieautoriteit (NEA)

Aan de NEa zijn via de jaarlijkse opdrachtverlening middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van alle (deels wettelijk vereiste) werkzaamheden in het kader van emissiehandel, alsmede het register voor biobrandstoffen.

Koninklijk Meteorologisch Instituut (KNMI) (ad 4)

Aan het KNMI zijn middelen ter beschikking gesteld voor diverse werkzaamheden in het kader van klimaatonderzoek en het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). De benodigde middelen hiervoor zijn binnen de budgettaire ruimte van dit artikel bij 2e suppletoire begroting 2014 en bij slotwet overgeheveld en als agentschapsbijdrage aan het KNMI beschikbaar gesteld.

Rijkswaterstaat (RWS)

Aan RWS Leefomgeving zijn voor 2014 middelen ter beschikking gesteld voor de uitvoering van de klimaat- en energiegerelateerde onderdelen van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieu wet- en regelgeving), alsmede voor programma’s in het kader van onder andere lokale klimaatinitiatieven, overige broeikasgassen, rijden op waterstof en monitoring duurzame mobiliteit.

19.02 Internationaal beleid, coördinatie en samenwerking
19.02.01 Opdrachten

Uitvoering CDM

Voor de uitvoering van het Clean Development Mechanism (CDM) zijn een aantal jaren geleden met (inter-)nationale instellingen overeenkomsten afgesloten. Deze instellingen hebben in opdracht van IenM, voor de levering van emissierechten (CER’s), aankopen gedaan waarmee Nederland een deel van de verplichtingen onder het Kyoto Protocol is nagekomen. Het CDM is inmiddels afgerond. In 2014 is nog aan één instelling een betaling voor de ondersteuning van het programma gedaan, daarnaast is over de waarde van de ontvangen CER’s omzetbelasting afgedragen.

Interreg (ad 5)

Bij voorjaarsnota is voor de internationale uitvoering van de programma’s Interreg in Nederland (ook inbegrepen de stimulering van deelname door Nederlandse partners en de evaluatie) voor 2014 een budget van € 5,3 miljoen toegevoegd. Eind 2014 bleek dat de goedkeuring van een nieuwe Interreg periode 2015/2020 door de Europese Commissie vertraging heeft opgelopen waardoor in 2014 geen storting in het Europese fonds is gerealiseerd. De realisatie betreft de uitgaven die RVO heeft gedaan voor de reeds aangegane verplichtingen.

Overige opdrachten (ad 6)

Het verschil in de overige opdrachten wordt met name verklaard door de overheveling van een deel van het budget naar het budget voor RVO (voorheen Agentschap NL) en RWS. Daarnaast is een aantal HGIS-projecten niet doorgegaan of vertraagd.

In 2014 zijn opdrachten verleend in het kader van internationale diplomatie waaronder het uitvoeren van bedrijfslevenmissies, het ondersteunen en faciliteren van de delegaties bij internationale bijeenkomsten waaronder de klimaatconferentie in Peru en de Aarhus-conferentie die in 2014 in Nederland is georganiseerd. Tenslotte zijn middelen ingezet voor de financiering van de MKBA’s waaronder Programma Groene Groei en Maatschappelijke kosten CO2.

19.02.03 Bijdrage aan agentschappen (ad 7 en 8)

RWS

RWS voert in opdracht van IenM werkzaamheden uit die verband houden met de uitvoering van de Wet bescherming Antarctica. Daarnaast zijn aan RWS voor een aantal overige activiteiten, waaronder Horizon 2020, EU handboek middelen toegekend en voor de uitvoering van Infomil (centraal punt voor bundeling en verspreiding van milieuwet- en regelgeving).

RIVM en RVO (vh AgentschapNL)

IenM heeft een deel van de beleidsuitvoering uitbesteed aan externe uitvoeringsorganisaties, zoals het RIVM (uitvoering van wettelijke taken en beleidsonderbouwend onderzoek) en RVO Nederland (uitvoering van subsidieregelingen en beleidsonderbouwend onderzoek).

Het verschil tussen begroting 2014 en realisatie betreft met name de overhevelingen bij de 1e suppletoire begroting vanuit diverse artikelen voor de uitvoering van werkzaamheden in 2014 door RIVM en RVO. Daarnaast is aan het RIVM en RVO in 2014 een aantal aanvullende opdrachten verstrekt. Hiervoor zijn vanuit diverse artikelen budgetten overgeheveld.

19.02.05 Bijdrage aan internationale organisaties

Op grond van internationale verdragen, internationale afspraken en contributieverplichtingen zijn aan (inter-)nationale organisaties in 2014 de volgende bijdragen van meer dan € 0,1 miljoen betaald.

organisatie

onderwerp

bedrag

x € 1.000

UNEP

Bijdrage aan het International Resource Panel. Het IRP is de pendant van het klimaatpanel IPCC, bestaat uit vooraanstaande wetenschappers en verschaft onafhankelijke informatie over het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Net als bij klimaat is het op dat gebied van belang te beschikken over onafhankelijke beleidsrelevante gegevens. De bijdrage verzekert invloed middels lidmaatschap van de stuurgroep.

100

UNEP

Het Verdrag van Stockholm is een wereldwijd verdrag ter identificatie en uitfasering van persistente organische verbindingen (bijvoorbeeld PCB). Het doel van dit verdrag is om de gezondheid van mens en milieu te beschermen tegen chemicaliën die lang in het milieu blijven en via accumulatie de gezondheid van mensen en dieren kan bedreigen. 178 landen en de EU zijn partij bij dit verdrag.

119

China Council

Nederland (in de persoon van de secretaris generaal IenM) neemt (op uitnodiging van China) deel aan deze adviesraad op hoog niveau op het gebied van duurzame ontwikkeling. De contributies worden gebruikt voor het laten doen van studies. Nederland heeft veel ervaring en kennis op het voor China relevante thema steden en wil dit thema de komende jaren beter onder de aandacht brengen.

100

Internationaal TransportForum (ITF)

Deze mondiale organisatie op vervoersgebied (dochterorganisatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), 54 landen zijn lid: alle Europese landen, en bv. de VS, China, Rusland etc.) is hét internationale publiekprivate platform dat ontwikkelingen bespreekt zoals de globalisering en de verduurzaming van vervoer.

208

UNEP

IenM aandeel Nederlandse bijdrage United Nations Environment Programme (UNEP)

615

UNEP

Climate and Clean Air Coalition; dit in 2012 opgerichte vrijwillige partnerschap van landen, wetenschappelijke instellingen, internationale organisaties en NGO’s wil via gerichte initiatieven en projecten een lagere uitstoot van short lived climate pollutants bewerkstelligen – kortlevende stoffen als roet en ozon die zorgen voor klimaatopwarming en een slechtere luchtkwaliteit. Nederland is eind 2012 toegetreden.

100

UNEP – Verdrag van Rotterdam

Het Verdrag van Rotterdam betreft het vooraf melden van transport van bepaalde zeer schadelijke chemicaliën en het meeleveren van informatie over beschermingsmaatregelen voor gezondheid en milieu tijdens toepassing en gebruik. Het gaat daarbij om gewasbeschermingsmiddelen, biociden of industriële chemicaliën die zo schadelijk zijn dat ze vrijwel zonder uitzondering verboden zijn in de EU. Het verdrag beoogt om de verantwoordelijkheid voor dit soort schadelijke stoffen te delen en om samenwerking te vergroten. Het verdrag functioneert goed. Juist vanwege de rol van Nederland als handelsland en de Europese functie van de haven van Rotterdam is het van bijzonder belang dat dit verdrag goed functioneert.

123

UNEP – Minamata-kwikverdrag

Bijdrage aan voorlichtingsactiviteiten die tot doel hebben andere landen klaar te stomen voor ratificatie van het kwikverdrag. Dit draagt bij aan een snelle inwerkingtreding.

100

UNEP Partnership on Clean Fuels and Vehicles

Bijdrage voor verlagen van de uitstoot van fijn stof in diesel in de regio Zuid Afrika en Mozambique. Past in modernisering milieubeleid (stimuleren van slimme internationale coalities)

100

Earthmind

Door middel van het VCA-platform werkt een internationale multistakeholder-coalitie (overheden, NGO’s en bedrijven) aan de vormgeving en financiering van maatregelen om gebieden duurzaam te ontwikkelen, met positieve baten voor klimaat, water, landgebruik en biodiversiteit. Doel is om het bedrijfsleven te helpen om op transparante en afrekenbare manier te investeren. Deze coalitie is een concrete bijdrage aan de modernisering van (internationaal) milieubeleid.

125

UNEP

Er worden mondiaal te weinig emissies gereduceerd om de tweegradendoelstelling voor klimaat binnen bereik te houden. Om dit gat te dichten heeft consultancybedrijf Ecofys een nieuwe benadering ontwikkeld: wedging the gap. De kern is om met internationale initiatieven van niet-statelijke actoren (bedrijven, lokale overheden, etc.) te komen tot extra emissiereducties die het gat kunnen dichten. In een brief aan de kamer (11 december 2012, 31 793, nr. 73) heeft de Staatssecretaris aangegeven dit initiatief te willen ondersteunen. Met onze bijdrage ontwikkelt Ecofys verdere haalbaarheidsanalyses.

100

UNFCCC

Trust fund for supplementary activities: het fonds is voor aanvullende activiteiten, waartoe landen in gezamenlijkheid hebben besloten tijdens klimaatconferenties.

100

VNO/NCW

Bijdrage aan de PUM Netherland senior experts, die senior managers en experts uitzendt als vrijwilliger naar ontwikkelingslanden en opkomende markten.

107

World Resources Institute (WRI)

Bijdrage aan het operationalisering van Aqueduct. Bij het plannen van besluiten over klimaatadaptatie is inzicht nodig in bestaande en toekomstige risico's en in de effecten van maatregelen op het verlagen van risico's. Met dat doel wordt het online instrument Aqueduct ontwikkeld door een consortium van WRI, Dellares, VU-Amsterdam en PBL, gericht op Flood Risk and Intervention Assessment for Global Cities.

250

Dutch Cycling Embassy

Bijdrage voor het promoten van Nederlandse fietscultuur in het buitenland past in modernisering milieubeleid (smart / healthy cities). Het gaat over kennis, innovatie, mobiliteit, infrastructuur, exportbevordering en «Holland Branding».

190

     

diverse organisatie

bijdragen minder dan  0,1 miljoen.

1.416

Ontvangsten (ad 9)

Dit betreft de ontvangsten in het kader van de Emission Trade System (ETS) veilingopbrengsten. Bij 1e suppletoire begroting 2014 is de raming met € 53 miljoen neerwaarts bijgesteld omdat in Europees verband is besloten het aantal te veilen emissierechten in de jaren 2014 – 2016 met in totaal 900 miljoen stuks te beperken en deze in 2019 en 2020 op de markt te brengen. Het Nederlands aandeel in de te veilen rechten bedraagt 3,23%. Dit betekent dat ook in Nederland het aantal te veilen rechten en de daarmee geraamde ontvangsten zullen wijzigen. Bij 2e suppletoire begroting 2014 is verantwoord dat als gevolg van een lagere veilingprijs per emissie recht de raming met een bedrag van € 20 miljoen wordt bijgesteld. Uiteindelijk is de veilingopbrengst in 2014 op € 132,4 miljoen hetgeen € 5,4 miljoen meer is dan de bijgestelde ramingen.

Artikel 20 Lucht en geluid

Algemene doelstelling

Bevorderen van een solide en gezonde leefomgeving door de luchtkwaliteit te verbeteren en door geluidhinder te voorkomen of te beperken.

Regisseren

Rol en verantwoordelijkheden

Om qua luchtkwaliteit een solide en gezonde leefomgeving te bereiken, regisseert de Minister van IenM de inhoudelijke lijn voor de nationale inbreng in de ontwikkeling van het Europese luchtkwaliteits- en geluidbeleid. Meer specifiek is de Minister van IenM verantwoordelijk voor:

  • De coördinatie van de Nederlandse inzet in internationaal kader bij de vaststelling van grenswaarden en plafonds voor emissies van luchtverontreinigende stoffen, de vertaling daarvan naar Nederlandse wet- en regelgeving en de verdeling van doelstellingen over sectoren en milieuthema’s. De doelen, grenswaarden en normen hebben betrekking op verbetering van de luchtkwaliteit, op bronbeleid voor geluid- en industriële emissies en op bronbeleid om schadelijke luchtemissies door de verkeersector (auto’s, lucht- en scheepvaart) tegen te gaan.

  • De ondersteuning van gemeenten en provincies bij het opstellen van algemene regels en bij de vergunningverlening ter vermindering van luchtemissies bij de industrie en bij een juiste toepassing van de geluidregelgeving.

  • De reductie van administratieve lasten voor het bedrijfsleven door vereenvoudiging van de monitoring- en rapportagestructuur voor emissies.

  • Met de implementatie van de vernieuwde geluidregelgeving (wet SWUNG33) wordt een optimale gezondheidsbescherming van burgers en flexibiliteit voor de beheerders van rijkswegen en hoofdspoorwegen beoogd. Swung-2 zal de aanpak van geluidhinder op gemeentelijk en provinciaal niveau beter uitvoerbaar maken. Hinder door trillingen (vooral bij spoorprojecten van belang) zal door wettelijke normstelling worden tegengegaan. Aan lagere overheden worden subsidiemiddelen ter beschikking gesteld om deze regelgeving te kunnen voldoen en geluidsgevoelige locaties langs infrastructuur aan te pakken.

Stimuleren

Om de milieudoelen op het gebied van luchtkwaliteit en geluid te behalen, is het belangrijk deze op een proactieve wijze met maatschappelijke partners te delen. Daarom stimuleert de Minister van IenM:

  • Het aangaan en organiseren van allianties met en tussen bedrijven, branches, overheden en kennisorganisaties om de doelen uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en SWUNG (geluid) tot succesvolle uitvoering te brengen.

  • Schonere en stillere voertuigen. Dit gebeurt door samen met de verkeerssector een strategie te ontwikkelen, een internationale normering van voertuigen tot stand te brengen, een stabiel beleid gericht op de klimaatdoelen van 2050 te voeren, de voorlopers in de sector te subsidiëren en voor ontwikkeling van diverse alternatieve voertuigen en brandstoffen een kansrijke omgeving te creëren.

  • Mede-overheden tot uitvoering van maatregelpakketten in het NSL om daarmee de Europese normen voor luchtkwaliteit (fijn stof in 2011 en NO2in 2015) te halen. Dit is belangrijk voor de gezondheid van burgers en hiermee schept de Minister tevens ruimte voor nieuwe infrastructuur, woningbouw en bedrijvigheid. De Minister werkt aan een follow-up van het NSL om voorbereid te zijn op de implicaties van nieuwe Europese normen voor luchtkwaliteit in 2020.

Tenslotte is de Minister verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van (een deel van) de wet- en regelgeving door de ILT op dit beleidsterrein (zie beleidsartikel 24 Handhaving en toezicht).

Kengetallen en indicatoren

De vijfde monitoringrapportage NSL is op 16 december 2014 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II, 2014/15, 30 175, nr. 203).

In de aanbiedingsbrief is aangegeven dat er nu nog twee NSL-monitoringsrapportages zullen volgen, in 2015 en 2016.

Tegengaan geluidhinder (kengetallen sanering verkeerslawaai)
 

t.g.v. Rijksinfrastructuur

 

t.g.v. andere infrastructuur

 

Totaal

aantal woningen

Rijkswegen (incl. betreffend

deel A-lijst)

Spoorwegen

A-lijst

Overig

 

Totaal

109.800

70.650

77.355

335.800

593.605

Uitgevoerd 1980–1990 (schatting)

40.000

7.450

40.000

87.450

Uitgevoerd 1990 t/m 31-12-2011

58.302

16.238

48.650

36.721

159.941

Uitgevoerd 2012

0

549

3.031

1.125

4.705

Uitgevoerd 2013

0

831

3.000

2.784

6.615

           

Uitgevoerd 2014

56

704

3.000

397

4.157

Restant 31-12-2014

11.442

44.878

19.674

254.743

330.737

Gepland restant per 31-12-2014

11.270

44.685

19.705

255.697

331.357

Bron: Bureau Sanering Verkeerslawaai, 9 februari 2015

Toelichting

  • De hier gepresenteerde cijfers voor Rijksinfrastructuur hebben betrekking op de sanering die nog door BSV onder de Wet geluidhinder wordt afgehandeld. Deze sanering kent een ander normenkader dan de sanering zoals die nu door RWS en ProRail wordt uitgevoerd onder de (meer recente) Wet milieubeheer. Hierdoor wijken de hier gepresenteerde aantallen af van de aantallen bij beleidsartikel 14, die zijn gebaseerd op sanering onder de Wet milieubeheer.

  • De gerealiseerde en geplande uitvoering van de A-lijst betreft een aanname op basis van de beschikbare budgetten en gemiddelde kosten per woning. Voortgangsgegevens zijn niet centraal beschikbaar.

  • De realisatie van de A-lijst per ultimo 2014 komt goed overeen met het geplande restant. Het verschil is ontstaan doordat de voorbereiding of uitvoering van projecten soms afwijkt van de planning.

Emissies luchtverontreinigende stoffen 1990, 2000, 2005 en 2010, doelstellingen en prognoses 2020 en 2030 in kton/jr. (kengetal)
 

1990

2000

2005

2010

2010

2010

2012