Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-2011nr. 34, pagina 56-95

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2011 (32500 V);

het wetsvoorstel Slotwet en jaarverslag Ministerie van Buitenlandse Zaken 2009 (32360 V);

het jaarverslag van Buitenlandse Zaken (32360 V, nr. 3);

het rapport bij het jaarverslag van Buitenlandse Zaken 2009 (32360 V, nr. 4)

, en van:

- de motie-Dikkers over openbaar maken van afspraken met ontvangende landen (32500 V, nr. 23);

- de motie-Dikkers over een jaarlijkse evaluatie van het coherentiebeleid (32500 V, nr. 24);

- de motie-Dikkers c.s. over handhaven van 0,8% bnp voor ontwikkelingssamenwerking (32500 V, nr. 25);

- de motie-Dikkers c.s. over de beloningsstructuur bij VN-instellingen (32500 V, nr. 26);

- de motie-Dikkers over terugdringen van de hulpafhankelijkheid (32500 V, nr. 27);

- de motie-Dikkers over de effecten van de verschillende vormen van hulp op de armoedebestrijding (32500 V, nr. 28);

- de motie-Dijkhoff over een minder gefragmenteerde structuur bij de medefinancieringsorganisaties (32500 V, nr. 29);

- de motie-Dijkhoff over beëindiging van ontwikkelingssamenwerkingsbeleid door lagere overheden (32500 V, nr. 30);

- de motie-Dijkhoff/Dikkers over niet langer verdubbelen van donaties bij inzamelingsacties (32500 V, nr. 31);

- de motie-Dijkhoff/Ferrier over ontkoppeling van hiv/aidsbeleid en SRGR-beleid (32500 V, nr. 32);

- de motie-Irrgang/Dikkers over aanscherping van de transparantierichtlijn voor Europese multinationale ondernemingen (32500 V, nr. 33);

- de motie-Ferrier c.s. over proactief uitvoeren van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad (32500 V, nr. 34);

- de motie-Ferrier over coherentie in verband met duurzame ontwikkeling (32500 V, nr. 35);

- de motie-Ferrier over ontwikkelen van een duurzame lokale economie (32500 V, nr. 36);

- de motie-Hachchi over behoud van de unieke Nederlandse aanpak bij aidsbestrijding onder kwetsbare groepen (32500 V, nr. 37);

- de motie-Hachchi c.s. over een Europees actieplan om resolutie 1325 te concretiseren (32500 V, nr. 38);

- de motie-El Fassed c.s. over maatregelen tegen de invoer van illegaal gewonnen grondstoffen (32500 V, nr. 39);

- de motie-El Fassed/Hachchi over een tender gericht op vrouwen en hun rechten (32500 V, nr. 40);

- de motie-El Fassed/Dijkhoff over ontsluiten van data van het directoraat-generaal Internationale Samenwerking (32500 V, nr. 41);

- de motie-Voordewind over stapsgewijs invoeren van de bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking (32500 V, nr. 42);

- de motie-Voordewind over handhaven van de norm van minimaal 0,7% bnp (32500 V, nr. 43);

- de motie-Voordewind over minimaal 15% van het ontwikkelingshulpbudget voor onderwijs (32500 V, nr. 44);

- de motie-Voordewind over tegengaan van belastingontwijking (32500 V, nr. 45);

- de motie-Voordewind over geen sectorale steun aan Rwanda (32500 V, nr. 46);

- de motie-Voordewind over het initiatief voor duurzame handel (32500 V, nr. 47);

- de motie-Voordewind over duurzaam geproduceerde huismerkproducten van supermarkten (32500 V, nr. 48);

- de motie-Van der Staaij c.s. over substantieel blijven investeren in (beroeps)onderwijs (32500 V, nr. 49).

De (algemene) beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik heet beide bewindslieden van harte welkom. Na de inbreng van een aantal leden zal ik de vergadering drie kwartier schorsen voor de dinerpauze. Eigenlijk moet dat langer, maar hopelijk kunnen we met drie kwartier volstaan. De heer Van der Staaij heeft permissie van de Kamer om zijn inbreng eerder te doen omdat hij vanavond nog een andere verplichting heeft.

De heer Timmermans (PvdA):

Voorzitter. Het doel van het buitenlands beleid is niet om te voorzien in een uitlaatklep voor onze gevoelens van hoop en verontwaardiging; het doel is om echte gebeurtenissen vorm te geven in een echte wereld. Dit zei president Kennedy begin jaren zestig, vlak nadat hij president was geworden. Ik denk dat dit uitgangspunt vandaag nog steeds geldt bij het formuleren van buitenlands beleid. Ik moest hier ook aan denken toen ik vanochtend de Volkskrant opensloeg en een heel verhaal van de heer Wilders las over Jordanië als Palestijnse staat. Dat brengt me weer bij het eerste deel van de uitspraak van Kennedy: uiting geven aan gevoelens zonder dat dit enige consequentie heeft voor het echte beleid of voor wat er echt in de wereld gebeurt. Daarin heeft het kabinet duidelijk stelling genomen. Kennelijk zit men in de coalitie nu in die dichotomie. De heer Wilders stelt, de rest van de Kamer haalt zijn schouders erover op en de karavaan trekt rustig verder.

De wereld is verzeild geraakt in een crisis op allerlei terreinen die betekent dat alles gaat verschuiven wat vroeger nog normaal werd gevonden en als vaststaand werd gezien. Churchill zei hetzelfde over het begin van de Eerste Wereldoorlog: alles waarvan ik dacht dat het vaststond, was ineens anders. Het zou best kunnen dat we nu ook in zo'n tijdperk leven. Financiële crisis, economische crisis, ecologische crisis, politieke crisis: de kaarten worden opnieuw geschud. Er komen nieuwe grote machthebbers, met name China, en andere landen en regio's, waaronder Europa, zullen van relatief minder belang zijn. In een uitstekend WRR-rapport, Aan het buitenland gehecht, wordt dit fenomeen prachtig geanalyseerd en worden daaraan volgens mijn fractie goede conclusies verbonden. Overigens kan ik iedereen aanraden dit rapport te lezen. Het is fantastisch geschreven met mooie metaforen en begrijpelijke taal. Complimenten aan de schrijver, wie dat ook moge zijn.

Uit de Volkskrant van afgelopen zaterdag kwam weer een ander beeld naar voren. De minister van Buitenlandse Zaken lijkt daarin aan te geven dat er een nieuwe hiërarchie in het buitenlands beleid wordt aangebracht. Hij wil zorgen voor werkgelegenheid en voor handelsbevordering; daar achteraan komen de mensenrechten. Ik hoop dat dit niet zo is. De bevordering van mensenrechten is een constante in het Nederlandse buitenlands beleid, zeker sinds de Tweede Wereldoorlog, maar ook daarvoor. Ik hoop dat de bevordering van mensenrechten ook voor dit kabinet voorop zal blijven staan.

In 1581 werd, in deze stad, het Plakkaat van Verlatinghe ondertekend door mensen die vrij wilden zijn van buitenlandse tirannie. Het uitgangspunt van het Plakkaat was dat ieder mens onvervreemdbare rechten heeft. Als een vorst geen rekening wenst te houden met de onvervreemdbare rechten van zijn onderdanen is die niet meer de vorst. Nederland was het eerste land in Europa, het eerste land ter wereld, dat zo duidelijk het primaat van onvervreemdbare mensenrechten naar voren bracht. Later gevolgd door The Glorious Revolution in Engeland, weer een eeuw later gevolgd door de Franse Revolutie, voorafgegaan door de Declaration of Independence, die allemaal uitgaan van dit principe. De mensenrechtenbevordering van vandaag is gebaseerd op dat uitgangspunt, op de Verlichtingsgedachte dat een mens onvervreemdbare rechten heeft. Dat is vandaag niet minder belangrijk. Die onvervreemdbare rechten staan onder druk, niet alleen in gebieden en landen ver weg, maar ook dichtbij. Omdat het zo wezenlijk is aan wie wij zijn, als Nederlanders, en voor wat het land voor ons betekent, is de bevordering van die onvervreemdbare rechten onlosmakelijk verbonden met onze identiteit en met onze internationale opdracht. Niet alleen omdat het in de Grondwet staat, maar omdat het is wie wij zijn. En dus, als homorechten worden geschonden in Litouwen, moeten wij daarover iets zeggen. En dus, als er een vernederende test komt voor asielzoekers in Tsjechië, moeten wij daarover iets zeggen. En dus, als de persvrijheid in Hongarije onder druk komt te staan, moeten wij daarover iets zeggen. En dus, als in Italië de politieke rechten onder druk komen te staan, moeten wij daarover iets zeggen. Dat zijn wij aan onze identiteit verplicht. Dat is wat ons tot Nederlanders maakt. Dat zijn wij aan onszelf verplicht.

Het heeft ook een economische kant. Mensenrechten zijn de beste thermometer voor de rest. Als het goed gaat met de rechtsstaat, gaat het ook goed met de handel. Als het goed gaat met de rechtsstaat, gaat het ook goed met de rechten van werknemers. Als het goed gaat met de rechtsstaat, kunnen wij spullen kopen en verkopen zonder dat het problemen oplevert. Die bijdrage van de rechtsstaat en dus van de mensenrechten aan de internationale economie is altijd van wezenlijk belang geweest voor Nederland. Een land zoals Nederland, dat niet met kanonnen zijn gelijk kan afdwingen, heeft het recht aan zijn kant nodig om gelijk te krijgen. Dat recht moet een primaat hebben in ons buitenlands beleid. Het verbaast mij dan ook dat de minister dat recht lijkt te relativeren, ondergeschikt lijkt te maken, aan zaken die er in mijn ogen onlosmakelijk mee verbonden zijn.

Het relativeren van de werking van het EVRM of van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens in Nederland doet onszelf veel meer schade dan het oplevert aan kortetermijnwinst. Ik roep de minister dan ook op om afstand te nemen van geluiden uit zijn eigen coalitie dat het wel wat minder kan met de mensenrechten, dat het wel wat minder kan met de internationale rechtsbescherming en dat wij het zelf wel uitmaken. De consequentie van het stellen dat wij het zelf uitmaken is dat ook de Russen, de Turken en allerlei anderen het zelf uitmaken. Ik doel op landen die het op dit moment met de mensenrechten niet nauw genoeg nemen.

Practice what you preach. Doen wat je van anderen vraagt, is van essentieel belang in het buitenlands beleid. Dat verwacht ik van deze regering. Afstand nemen, eindelijk, van wat onze moraliteit heeft ondermijnd met Guantánamo Bay, Abu Ghraib, Bagram. Dat zijn belangrijke zaken voor wie geloofwaardig wil zijn bij de mensenrechten. Wij hebben al jarenlang een prachtig programma, Matra, waarmee wij de rechtsstaat in voormalig communistische landen fors kunnen ondersteunen. Het valt mij op dat dit kabinet met dat programma wil breken en het wil opheffen. Mijn fractie pleit ervoor dit programma te handhaven. Wij dienen daarvoor een amendement in bij deze begroting. Dat is een daadwerkelijke, unieke, Nederlandse bijdrage aan de versteviging van de rechtsstaat. In het WRR-rapport zou men het een niche noemen. Daarvan hebben onze bedrijven profijt. Het bant corruptie uit en zorg voor betere mensenrechten. Het is niet toevallig dat in heel veel Centraal- en Oost-Europese landen het Nederlands BW of andere elementen van onze rechtsstaat worden overgenomen door nieuwe democratieën. Dat mogen wij niet verloren laten gaan. Matra is daarvan een wezenlijk bestanddeel, ook wat betreft de activiteiten van politieke partijen.

In het WRR-rapport wordt op een prachtige manier aangegeven dat de wereld andere spelers heeft dan staten en internationale organisaties. Tegenwoordig is het IOC ook een internationale speler, net als FIFA, Greenpeace en allerlei andere ngo's die allemaal een volwaardige plek in de internationale wereld verdienen. Ik denk dat ze die plek moeten gaan krijgen en dat ze op een transparante manier afgerekend moeten kunnen worden op hun activiteiten. Ik vraag de Nederlandse regering dus om zich er actief voor in te zetten dat clubs als de FIFA geen closed shops meer zijn van corrupte oude mannen, maar open en transparant, zodat wij kunnen weten wat voor beslissingen daar worden genomen en zodat wij ook onze belangen beter veilig kunnen stellen.

Wat het gedrag van bedrijven betreft, wil ik wijzen op het Ruggie framework: de beste manier tot nu toe bedacht om ervoor te zorgen dat we weten waar grondstoffen uit de grond worden gehaald, op welke manier dat gebeurt, dat we weten welke handen een product in elkaar zetten, dus dat we weten wat er precies in onze winkels terechtkomt. Ik wil het kabinet oproepen om op korte termijn handen en voeten te geven aan dat Ruggie framework, zodat we ook rechtstatelijkheid introduceren in de manier waarop onze en andere bedrijven in de wereld opereren.

Tot slot, weer, het interview. "Rustiek tijdverdrijf", zo noemt de minister van Buitenlandse Zaken de huidige diplomatie. Het is een oud politiek spel: je maakt een karikatuur van de werkelijkheid en vervolgens ga je die karikatuur fors bestrijden. De minister moet maar eens concreet aangeven wie die rustieke diplomaten zijn: is dat onze ambassadeur in Washington, onze ambassadeur bij de NAVO, onze ambassadeur bij de EU? Zeg maar wie van onze diplomaten aan "rustiek tijdverdrijf" doet, ik ben ze niet tegengekomen. Ik denk dat de minister vraagt om een nieuwe situatie, waarvan hij zal ontdekken, als hij de collega's die voor hem werken beter kent, dat deze allang bestaat. En dat er inderdaad moet worden gekozen, zoals het WRR-rapport adviseert, maar dat die keuzes niet zijn voor of tegen medewerkers, maar tegen of voor beleid dat je wilt voeren in het belang van Nederland en zijn burgers. Niet het braafste jongetje van de klas willen zijn, wél het beste meisje van de klas; misschien zou dat een mooie ambitie zijn voor ons land en voor dit kabinet. We hebben de kwaliteit, we hebben de ideeën, we moeten ze wel durven toepassen, vanuit het uitgangspunt van Kennedy: streven naar reële verandering in de reële wereld, en niet alleen maar meningen ventileren.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Dikkers van de Partij van de Arbeid. Zij zal in deze begrotingsbehandeling haar maidenspeech houden, wat betekent dat zij niet mag worden geïnterrumpeerd. Ik schors daarna voor een felicitatieronde.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Dank u, voorzitter. Mijn oma mocht niet studeren, want dat deden meisjes vroeger, in de periode waarin zij opgroeide, niet. Haar broer studeerde wel. Mijn moeder moest haar baan opzeggen toen ze ging trouwen met mijn vader, dat was in die tijd heel gebruikelijk. En hier sta ik: dochter van een moeder die niet-aflatend heeft verteld dat ik mijn eigen broek moest ophouden, voor mijn eigen toekomst moest zorgen, mijn eigen kinderen goed moest grootbrengen; een kind van vele mannen en vrouwen, die de emancipatiestrijd hebben gevoerd. Ik ben er heel erg trots op dat ik namens hen hier mag staan. Ik ben er heel erg trots op dat ik mijn oma kan laten zien wat een vrouw zoal kan bereiken.

De Partij van de Arbeid betreurt de draconische en vrij visieloze bezuinigingen die het nieuwe kabinet op ontwikkelingssamenwerking heeft losgelaten. Zij die de crisis niet hebben veroorzaakt, moeten haar wel betalen. Ik zie daar geen enkele barmhartigheid of rechtvaardigheid in. Het budget voor ontwikkelingssamenwerking wordt verlaagd, vermarkt en vervuild. Maatschappelijke organisaties krijgen een extra knauw.

Staatssecretaris Knapen is zo de staatssecretaris van de uitverkoop en die constatering stemt de Partij van de Arbeid droevig. Duizenden kinderen die dankzij de gulheid van de Nederlandse belastingbetaler naar school kunnen, zitten straks thuis; een feit waarvoor de staatssecretaris zijn ogen sluit. Ik verwacht dat de staatssecretaris straks klip-en-klaar maakt dat geen kind de schoolbank uit moet vanwege de Nederlandse bezuinigingen. De ruim 180.000 aidspatiënten die afhankelijk zijn van onze bijdragen, lopen gevaar omdat de staatssecretaris gaat bezuinigen op aidsbestrijding. In plaats daarvan stelt hij wel extra geld beschikbaar aan de Wereldbank, omdat Nederland daar zo graag zijn positie behoudt. Ik begrijp die keuze niet, ik snap die oprecht niet.

En dan het Nederlands economisch eigenbelang, dat de staatssecretaris, maar ook de minister steeds benadrukt. Eigenbelang, daar kan ik mij best iets bij voorstellen. Onze economie heeft belang bij vrede, bij veiligheid, bij de bestrijding van armoede, corruptie, ziektes, maar zo nadrukkelijk economisch eigenbelang vooropstellen, dat vind ik zuur. Het lijkt uitsluitend bedoeld om de VVD- en de PVV-achterban tevreden te houden, over de ruggen van de armen. Dat vind ik buitengewoon cynisch. De regering zet in op economische ontwikkeling en de Partij van de Arbeid heeft op zich wel waardering voor die keuze, maar maakt zich zorgen om de subsidiepotjes die de minister voor het Nederlandse bedrijfsleven zal gaan openen. Wij zien graag een nota van het kabinet tegemoet, waarin het toelicht hoe het de doelstelling op het gebied van de economische ontwikkeling wil bereiken, welke actoren daarin een rol spelen, hoe het maatschappelijk middenveld daarbij betrokken zal worden en welke plaats het bedrijfsleven daarin heeft. Daarnaast staat in het regeerakkoord zo ongeveer in elke derde zin het woord coherentie. Als het kabinet daarmee bedoelt dat de Nederlandse belangen de belangen van ontwikkelingslanden niet mogen schaden, is de Partij van de Arbeid daar erg blij mee. Geen dumping van Europese landbouwproducten graag. Ook hierover wil de PvdA echter graag een nota van het kabinet, waarin wordt toegelicht hoe dat beleid er dan uit gaat zien, welke keuzes gemaakt worden en welke keuzes ten nadele van ontwikkelingslanden gemaakt worden, want voordat je keuzes maakt, is er sprake van een belangenafweging. Ik wil graag weten welke belangenafweging de regering daarin gaat maken.

Voorzitter. Ik rond af. Ik begon met de positie van vrouwen en sluit daar ook graag mee af. De voorgestelde korting op het MDG3-Fonds verkleint de kansen van meisjes en vrouwen. Ik vraag de staatssecretaris om dit te heroverwegen. Ik zie hem knikken; heel goed. Deze meisjes en vrouwen hebben recht op dezelfde kansen als ik gehad heb. Hun oma's hebben niet kunnen studeren. De mijne ook niet, maar nu is het wel hun tijd. Het kabinet kan daar ruimte voor creëren. Ik laat ze niet in de steek, en ik hoop dat u allen dat ook niet doet.

De voorzitter:

Dank u wel. Aan mij de eer en het genoegen om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech in dit huis.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter. Mag ik beginnen met heel hartelijk mevrouw Dikkers te feliciteren met haar maidenspeech uit het hart.

Gevraagd naar het belang van de Franse Revolutie stelde Tsoe En-lai in de jaren zeventig: dat kunnen wij nog niet beoordelen. Ik heb die terughoudendheid niet. Als ik het afgelopen decennium overzie, concludeer ik dat de internationale politieke verhoudingen sterk gewijzigd zijn. In 2000, aan de vooravond van 9/11, gold nog het optimisme dat de democratiseringsgolf na Latijns-Amerika en het Oostblok ook de rest van de wereld zou bereiken. We leefden in een unipolaire wereld, nagenietend van het einde van de Koude Oorlog. Het uitdragen van universele waarden, nu bekritiseerd als Westerse vondst, was een onomstreden onderdeel van ons buitenlands beleid. Vrijhandel en liberalisering van markten zou voorspoed brengen.

Ondanks tegenslagen moeten wij nu, anno 2010, de hoop en ambitie voor een vrije, democratische wereld niet loslaten. Opkomende democratieën en vreedzame democratiseringsinitiatieven zoals die van de Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo verdienen onze blijvende steun. Hoewel de discussie over aard en origine van de universele waarden blijft, ook in dit huis, blijft het ook zeker dat er zoiets is als universele waarden. Nederland dient zich hiervoor uit te spreken in bilaterale contacten en in internationale fora.

Toegenomen vrijhandel en liberalisering van nationale markten heeft het afgelopen decennium honderden miljoenen uit armoede getild. De ongekende groei van de Chinese economie sinds het WTO-lidmaatschap van 2001 geldt hierbij als meest aansprekende voorbeeld. Veel minder bekende voorbeelden gaan hierachter schuil. Technologische vooruitgang, zoals internet, heeft wereldwijde economische groei gestimuleerd en bijvoorbeeld Iraanse democraten de mogelijkheid gegeven om zich uit te spreken voor verandering en tegen frauduleuze verkiezing en onderdrukking.

Het is in deze wereld dat de liberale fractie van de regering een nieuwe koers vraagt. Het regeerakkoord spreekt van vrijheid en verantwoordelijkheid. Deze termen zijn de VVD eigen en vormen een goede leidraad voor een liberaal buitenlands beleid. Vrijheid is internationaal een schaars goed. Voor de vrijheid van meningsuiting wagen journalisten en burgers hun leven in de straten van Bagdad, Moskou en Mombassa. Van Afghanistan tot Zimbabwe is politieke vrijheid iets wat dagelijks moet worden bevochten. Verkiezingen geven in deze landen nog vaak alleen een stem aan machthebbers in plaats van het volk. Vrijhandel, cruciaal voor onze welvaart als handelsnatie, wordt bedreigd door opkomend protectionisme en piraterij.

Vrijhandel is goed voor de wereld en essentieel voor Nederland. Natuurlijk moet Nederlands belang de leidraad voor het Nederlands buitenlands beleid zijn. Wij zijn hier tenslotte niet het Ierse of het Rwandese parlement. Het is verheugend dat ook de WRR tot deze conclusie komt. Vanuit dat nationale belang roep ik de regering op, zich te verzetten tegen strategische handelsbeperkingen.

Het is uit welbegrepen eigenbelang dat Nederland zijn verantwoordelijkheid – het andere begrip – tegenover deze internationale uitdagingen behoort te dragen. De regeringsverklaring stelt: "Op het wereldtoneel blijft Nederland een herkenbare en betrouwbare partner." Ten onrechte, want Nederland heeft zich het afgelopen jaar geen betrouwbare partner getoond. Nederland verzaakte toen het verzoek van de bondgenoten voor een NAVO-bijdrage aan Afghanistan onbeantwoord bleef. Verlies bij lokale verkiezingen beperken bleek belangrijker dan het nemen van internationale verantwoordelijkheid. De zorgvuldig opgebouwde Nederlandse reputatie werd zo voor het oog van de wereldgemeenschap verkwanseld. Tot mijn verrassing zie ik de heer Timmermans naar voren lopen.

De heer Timmermans (PvdA):

Voorzitter, mag ik via u aan de heer Nicolaï vragen wat de positie van de fractie van de VVD was over verlenging van een eventuele missie in Afghanistan?

De heer Nicolaï (VVD):

Wij waren voor, voorzitter.

De heer Timmermans (PvdA):

De heer Nicolaï heeft toch samen met andere partijen in deze Kamer duidelijk gemaakt: afspraak is afspraak? Of niet?

De heer Nicolaï (VVD):

Als ik het preciezer formuleer: wij zijn altijd een voorstander geweest van blijvende betrokkenheid in de discussie die wij vorig jaar hadden, ook militair, van Nederland in NAVO-verband in Afghanistan. Dat is iets anders dan een verlenging van de missie, maar het is wel – het belang van de wereld, Afghanistan, de wereld, de NAVO en Nederland afwegende – de conclusie dat wij wel degelijk daar ook militair aanwezig zouden moeten blijven.

De heer Timmermans (PvdA):

Veel woorden, maar de VVD wilde ook dat er een einde kwam aan de missie in Uruzgan in 2010.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik zit even te kijken wat ik hierop zal terugzeggen. Laat de heer Timmermans zeggen wat hij wil. Vrijheid!

De heer Pechtold (D66):

Het gedonderjaag tussen CDA en PvdA leidde er inderdaad toe dat het papier waarop een NAVO-verzoek, op 4 februari aan dit land gedaan, werd geschreven inmiddels vergeeld begint te raken. Maar dat duurt een paar maanden, want inmiddels hebben wij een nieuwe regering. Een coalitieakkoord maken met een partij die alleen Nederland en Israël als de twee landen in deze wereld beschouwt en verder geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor welk buitenland dan ook zou wel eens kunnen betekenen dat je vier jaar lang niets aan internationale partners kunt toezeggen.

De heer Nicolaï (VVD):

Dat zou ik zeer betreuren, want dat zou haaks staan op het betoog dat ik hier houd. Overigens, strikt genomen kent ook de heer Pechtold het verschil tussen coalitie- en gedoogakkoord. Wij zullen als coalitiepartijen – maar laat ik vooral over deze coalitiepartij VVD spreken – wel degelijk dit kabinet oproepen om die verantwoordelijkheid te blijven nemen, en heel concreet ook de uitvoering van de motie – waarover ik zo nog een opmerking wil maken – die mede door de heer Pechtold is ingediend over een politietrainingsmissie in Afghanistan.

De heer Pechtold (D66):

Ik ben daar reuzebenieuwd naar. Dat van het gedoogakkoord legt u maar samen met de bewindslieden van uw kabinet uit aan degenen aan wie u het kunt uitleggen. Waar ik in treed, is uw stelling dat Nederland een betrouwbare partner moet zijn en dat niet geweest is vanwege het conflict tussen CDA en PvdA eerder dit jaar. Mijn stelling, en ik wil graag dat u daarop reageert, is dat je doordat je een minderheidskabinet vormt, wetende dat je steunt op een partner die helemaal geen betrouwbare partner voor bondgenoten wil zijn, jezelf volstrekt afhankelijk maakt aan de willekeur. Als je alleen met mooie woorden zegt dat je de motie-Peters/Pechtold volgt, sta je in Lissabon met de mond vol tanden als de NAVO-partners vragen hoe het inmiddels staat na 4 juni. Waar ik dus op reageerde, was uw stellige uitspraak dat Nederland met dit kabinet en zijn gedoogpartner een betrouwbare bondgenoot kan zijn.

De heer Nicolaï (VVD):

Het zijn niet mijn woorden als de heer Pechtold suggereert dat het kijken naar de oppositie vertrouwen op volstrekte willekeur is. Ik hoop dat de heer Pechtold goed is voor de handtekening onder de motie die hij samen met mevrouw Peters van GroenLinks heeft ingediend. Daarin wordt gevraagd om een serieuze politietrainingsmissie, waarvan we weten dat die ook veel militaire beveiliging vergt. Dat laatste is geen nadeel maar een voordeel, omdat je daarmee de NAVO laat zien dat je nog je verplichtingen wilt nakomen. Als de heer Pechtold dat bedoelt, kijken we wel degelijk naar de manier waarop de regering de uitvoering van zijn motie ter hand neemt.

De heer Pechtold (D66):

De heer Nicolaï kan ervan op aan dat D66 een betrouwbare partij is als het gaat om het verantwoord omgaan met internationale kwesties, zeker als het gaat om het in de waagschaal stellen van levens van mensen die daar door ons naartoe worden gezonden. Maar ik vond dat zijn stelling – en daar reageert de heer Nicolaï nog steeds niet op – dat dit kabinet, deze minister een betrouwbare partner kan zijn en dat hij bij internationale overleggen kan aanschuiven de komende jaren met een zekerheid vanuit Nederland, op los zand staat. De heer Nicolaï kan namelijk absoluut niet garanderen wat de verhoudingen in dit parlement zullen zijn. Hij zal keer op keer op zoek moeten naar meerderheden. Dat is een bestuurlijke vernieuwing van het soort waar ik niet van houd.

De heer Nicolaï (VVD):

Mijn stelling was dat Nederland geen betrouwbare partner blijft. Toen keek ik naar het vorige kabinet en de clash tussen CDA en PvdA die tot deze ellende heeft geleid, internationaal. De heer Pechtold zal het mij wel vergeven dat ik alle vertrouwen erin heb dat met deze minister en dit kabinet het vertrouwen internationaal hersteld gaat worden. Als de heer Pechtold daarbij aangeeft dat wij ook hem daarbij nodig hebben, gun ik hem graag die ruimte. Sterker nog, ik ga in mijn volgende zin verwijzen naar de motie die mede door de heer Pechtold is ingediend.

Voorzitter. Ik had het over de internationale schade die berokkend is. Mijn vraag is hoe het kabinet van plan is om die schade te herstellen. In ieder geval vraag ik het kabinet – ik gaf dat zojuist al aan – om zo spoedig mogelijk met een substantiële invulling te komen van de motie-Peters/Pechtold waarin wordt gevraagd om een politietrainingsmissie. Daarbij zijn geen beperkingen voor de duur, de plek, het verband waarbinnen de missie plaatsvindt en het aantal benodigde militairen voor de veiligheid. Dat is in het belang van Nederland, de wereld en Afghanistan. Het is in ons nationaal belang het NAVO-bondgenootschap dat al meer dan 50 jaar onze veiligheid garandeert, te versterken. Zonder dit bondgenootschap, en met name de trans-Atlantische partner de Verenigde Staten, kon Europa niet optreden in voormalig Joegoslavië of Kosovo. De Europese samenwerking heeft veel te bieden, maar biedt onvoldoende garanties voor onze veiligheid.

Verantwoordelijkheid nemen in de internationale arena geldt niet alleen voor Nederland. Opkomende machten zoals India en Brazilië kunnen door herziening van internationale fora meer zeggenschap worden geboden, mits zij bereid zijn de daarbij behorende verantwoordelijkheid te dragen. Kan het kabinet aangeven hoe het binnen internationale structuren dit soort landen meer zeggenschap en verantwoordelijkheid wil bieden? Daarnaast is duidelijk – de heer Timmermans zei dat ook – dat niet-statelijke actoren een steeds belangrijker internationale rol spelen, zoals ook terecht de WRR concludeert. Overigens niet alleen bij het oplossen van zaken, waar de heer Timmermans naar verwees, maar ook bij het veroorzaken van de problemen en het bedreigen van onze veiligheid. Ik ben erg benieuwd naar de reactie van het kabinet op deze ontwikkelingen.

Voorzitter. De vrijheid van meningsuiting geldt onverkort, ook als de boodschap impopulair is in andere landen. De vrijheid van meningsuiting verdient onze steun waar geloof wordt misbruikt als grond voor het inperken daarvan. Ik verwacht van deze regering dat zij zich krachtig uitspreekt tegen misbruik van een dergelijk religieus argument in bilaterale contacten in multilaterale fora zoals de VN. Is de regering het eens met mijn pleidooi voor het primaat van de vrijheid van meningsuiting, ook als vehikel voor democratische verandering?

De heer Pechtold (D66):

Vindt de heer Nicolaï de vrijheid van meningsuiting een van de kernbegrippen van de mensenrechten?

De heer Nicolaï (VVD):

Ja. Je kunt daar lang over filosoferen. Dat is hier de plek niet, maar het is een van de meest fundamentele van de grondrechten, ja.

De heer Pechtold (D66):

Hoe pijnlijk en hoe schadelijk vindt de heer Nicolaï het dan van de minister van zijn partij in zijn eerste kennismaking met niet alleen degenen die in Nederland toeluisteren maar ook degenen die misschien in het buitenland onze kranten lezen, te horen dat mensenrechten naar een lager plan gaan?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik heb hem dat niet horen zeggen. De heer Pechtold verwijst naar een interview in de Volkskrant dat ik niet op die manier heb gelezen, maar ik ben natuurlijk wel benieuwd naar de reactie. Ik heb dat echter niet daarin gelezen. Integendeel, wij hebben al enkele debatten met deze minister van Buitenlandse Zaken gevoerd, waarbij ik geen zorgen heb gekregen over het belang van de mensenrechten en al helemaal niet over de vrijheid van meningsuiting, dat ik nu voorhang.

De heer Pechtold (D66):

Hoezeer ik soms ook met de vorige minister van mening verschilde, ik vond het prettig om één rechte koers op het gebied van mensenrechten van minister Verhagen te horen. Die lagen zo ongeveer op zijn lippen bestorven en kwamen bij ieder internationaal contact wel aan de orde, hoeveel ik verder soms ook met hem van ideeën verschilde. Heel duidelijk geeft deze minister, de partijgenoot van de heer Nicolaï, een visitekaartje af bij zijn eerste publieke interview. Hij geeft aan dat het buitenlands beleid voor Nederland en de Nederlanders is. Hij heeft wel degelijk aangegeven dat zoiets als mensenrechten geen prioriteit meer is afgezet tegen andere zaken als economie. Dat moet de heer Nicolaï, zoals ik hem ken als liberaal, pijn doen. Dat maakt dat opgeheven vingertje, waar hij zojuist wel om vraagt, naar de rest van de wereld natuurlijk ontzettend pijnlijk.

De heer Nicolaï (VVD):

Het heeft mij geen pijn gedaan; ik moet de heer Pechtold teleurstellen. Ik zal goed luisteren naar de reactie van de regering maar ik heb daar geen enkele zorg over. De heer Pechtold moet zich wel realiseren dat de kernboodschap die deze regering uitdraagt, namelijk dat het nationaal belang, het Nederlands belang, leidraad zou moeten zijn in het Nederlands beleid, de volle steun heeft van mij en mijn fractie. Hij weet ook dat ik dat op andere plekken eerder heb betoogd. Hij heeft ook gezien dat het niet voor niets met zulke duidelijke woorden in het regeerakkoord is aangeduid. Het is een volstrekt naïeve gedachte, die ik niet de heer Pechtold in de schoenen wil schuiven maar hier toch terzijde wil schuiven, dat je buitenlands beleid niet uit nationaal belang zou voeren. Er is geen serieus land ter wereld dat dat doet.

De heer Pechtold (D66):

Ons eigenbelang is een gezond eigenbelang. Het gaat er echter om wat het visitekaartje van een nieuwe bewindspersoon is, wanneer hij prioriteiten stelt. De heer Nicolaï is het met mij eens dat de vrijheid van meningsuiting een-op-een gelieerd is aan mensenrechten. Als hij zegt dat dat op een moet staan, dat er een vingertje moet zijn, dan heeft hij met dit visitekaartje van deze minister een probleem. Als hij – dat laad ik er maar even bovenop – aangeeft dat de vrijheid van godsdienst daarbij ook een van de essentiële dingen is, wat hij zojuist ook zei, dan heeft hij een tweede probleem. Tegen een aantal miljard van de 7 miljard wereldbewoners zegt hij namelijk dat hun geloof een politieke ideologie is, in ieder geval dat hij dat moet gedogen omdat hij deze minister anders niet een dag langer in vak-K heeft zitten.

De heer Nicolaï (VVD):

De heer Pechtold weet heel goed dat ik, de VVD en deze regering dat laatste niet zeggen. Overigens is de grap dat ik juist de vrijheid van godsdienst opvoerde niet alleen als iets wat beschermd dient te worden maar ook als iets wat een excuus kan zijn om de vrijheid van meningsuiting in te perken. Op dat gebied denk ik de heer Pechtold zeer aan mijn zijde te vinden. Laat heel duidelijk zijn dat het nationaal belang voor de VVD het leidend principe is voor het buitenlands beleid. Ik zou niet weten hoe je het anders zou moeten formuleren. Dat nationaal belang is wel meer dan wat je morgen verdient. Dat is ook de vrijheid in de wereld waar Nederland van profiteert.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Ik ken de VVD en de heer Nicolaï als voorvechters van mensenrechten, maar het lijkt alsof de dominee definitief vertrokken is, terwijl de voorganger van deze minister, minister Verhagen altijd zei dat de koopman en de dominee hand in hand gaan. Ik ben benieuwd naar zijn reactie.

De heer Nicolaï (VVD):

Als ik moet kiezen – maar dat zal een persoonlijke opvatting zijn – dan kies ik eerder voor de koopman dan de dominee. Dat kan met mijn achtergrond te maken hebben, die is namelijk een domineesgeslacht. Maar dat is gelukkig alweer enige tijd geleden. En dat opgeheven vingertje dat met een dominee wordt geassocieerd en dat mij door de heer Pechtold in de schoenen werd geschoven, daar staat de VVD nu juist heel ver van af.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Hoe ziet de heer Nicolaï dan de mensenrechten in landen waarvan wij afhankelijk zijn voor olie of waarnaar wij onze producten exporteren? Schuift hij die aan de kant vanwege ons nationale belang of gaat het hand in hand?

De heer Nicolaï (VVD):

Het zal altijd hand in hand moeten gaan. Dat is natuurlijk een heel algemeen antwoord op een heel algemene vraag. Natuurlijk is het altijd een weging. En natuurlijk ga je China niet eerst de maat nemen met je opgeheven vingertje voordat je ergens anders over praat. Het moet hand in hand gaan. Je moet echter nooit de gelegenheid voorbij laten gaan om China wel te wijzen op wat wij principieel van waarde achten en van universeel belang.

Voorzitter. Een kerntaak van de staat is het toegang verschaffen aan eigen burgers tot middelen van bestaan, binnen de eigen grenzen maar ook internationaal. Het nationaal belang dicteerde reeds in de tijd van de Griekse stadstaten dat handelsmissies werden uitgezonden en de toegang tot grondstoffen veilig werd gesteld. In de afgelopen jaren is de aandacht gelukkig steeds meer uitgegaan naar energiezekerheid, zowel nationaal als Europees. Er is echter nog onvoldoende aandacht, althans prioriteit, voor grondstoffen, in het bijzonder voor zeldzame aardmetalen. Juist deze grondstoffen zijn onmisbaar voor de ontwikkeling van onze duurzame innovatieve industrie. Er zijn onvoldoende garanties dat er voldoende kan blijven worden geïmporteerd. De vraag neemt wereldwijd sterk toe, vooral bij opkomende economieën. Meer dan 90% van deze zeldzame aardmetalen wordt gewonnen in China, dat er kortgeleden in het conflict met Japan niet voor terugschrok om dit als drukmiddel in te zetten. Is de minister het met mij eens dat de beschikbaarheid van voldoende grondstoffen een sine qua non is voor onze welvaart, en het zorgen voor grondstoffenzekerheid een kerntaak is van de Nederlandse overheid, zowel wat betreft buitenlands als wat betreft economisch beleid?

Vorig jaar was een hoofdpunt in mijn inbreng dat de wereld sneller verandert dan Buitenlandse Zaken, met name het postennetwerk. Toen is Kamerbreed de motie-Nicolaï c.s. aangenomen, waarin de regering werd verzocht om te komen tot een selectiever, flexibeler postennetwerk. Intussen hebben wij ook een mooie wetenschappelijke onderbouwing van deze lijn kunnen lezen in het WRR-rapport. Ook daarin wordt, terecht, gepleit voor een sanering van het postennetwerk, meer werkend vanuit nationaal belang – dat zeg ik tegen de heer Timmermans – en handelsbevordering, en voor een opener organisatie. De overeenstemming lijkt groot, maar volgens mij schiet het niet op. In de motie werd 1 april jongstleden genoemd als deadline voor de uitwerking. Ik vraag de nieuwe regering om de uitwerking van deze motie alsnog met spoed ter hand te nemen.

De heer Pechtold (D66):

Zou het kunnen dat het postennetwerk niet erg opschiet omdat al die diplomaten met rustiek tijdverdrijf bezig zijn?

De heer Nicolaï (VVD):

Dat zou de heer Pechtold aan de minister moeten vragen. Die heeft daar iets over gezegd, heb ik zojuist van de heer Pechtold begrepen.

De heer Pechtold (D66):

Ik kreeg bijna het gevoel dat de heer Nicolaï de interviews van de minister van zijn partij niet leest. Ik heb daarin toch heel duidelijk een kwalificatie van de ambtenaren van Buitenlandse Zaken gelezen, namelijk dat onder de voorgangers van de minister door hen aan diplomatiek tijdverdrijf werd gedaan. Dat zou dus zijn gebeurd onder de heer Timmermans en ook onder de heer Nicolaï zelf.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik denk dat de heer Pechtold het met mij eens is – hij heeft vorig jaar mijn motie gesteund en ik geloof zelfs meeondertekend – dat het hoog tijd is om de boel op te schudden. Dit hele postennetwerk is eigenlijk nog geënt op een idee uit de vorige eeuw over het buitenland, en is absoluut niet toegesneden op de prioriteiten, de accenten en de keuzes van nu. Daar gaat mijn kritiek over.

De heer Pechtold (D66):

Op dat punt kunnen de heer Nicolaï en ik elkaar vinden en de minister tot meer spoed manen. Mij gaat het erom in hoeverre in de ogen van de heer Nicolaï medewerkers van ambassades gestimuleerd worden door een minister die niet alleen een uitspraak in een interview doet waarvan ik dacht "Zo, dat is een visitekaartje!", maar die over zijn eigen personeel en over zijn voorgangers zegt dat zij aan rustiek tijdverdrijf doen. Kan de heer Nicolaï daar eens op reageren in het kader van het postennetwerk?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik blijf bij mijn punt, en dat betreft niet de mensen die iets wel of niet goed doen, maar het netwerk dat niet op de juiste wijze is ingericht.

De heer Pechtold (D66):

Mag ik dan concluderen dat collega Nicolaï de kwalificatie van de minister dat er tot nu toe rustiek tijdverdrijf plaatsvond op al onze ambassades, een slip of the tongue vindt?

De heer Nicolaï (VVD):

De heer Pechtold mag concluderen dat iedereen zijn eigen woorden gebruikt.

De heer Pechtold (D66):

Ik gaf de heer Nicolaï de ruimte om daar eventjes afstand van te nemen. Ik hoop toch van harte dat in tijden dat we moeten bezuinigen, in tijden dat we moeilijk buitenlands beleid hebben uit te leggen, in tijden dat we bewindslieden hebben die eigenlijk met lege handen naar partners moeten en die met boodschappen aankomen als het aanpassen van verdragen en het veranderen van mensenrechten en ga zo maar door, de heer Nicolaï het met mij eens is dat het dan niet past om te zeggen dat daar tot nu toe aan rustiek tijdverdrijf werd gedaan. Ik zou graag van de heer Nicolaï een kwalificatie hebben dat dit niet zijn oordeel is.

De heer Nicolaï (VVD):

Die krijgt de heer Pechtold niet. Ik blijf bij mijn kwalificatie dat het postennetwerk verouderd is en wat mij betreft aan grote herziening toe is.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Staat de heer Nicolaï nog achter zijn belofte van vorig jaar om bij het verkleinen en efficiënter maken van het postennetwerk de mensenrechten in ieder geval te garanderen?

De heer Nicolaï (VVD):

Jazeker. Dat is trouwens ook een punt dat Nederland niet altijd zelf hoeft te doen. Ik heb destijds ook betoogd dat een heel aantal taken ook in Europees verband zou kunnen plaatsvinden. Waar bijvoorbeeld veel energie in gaat zitten is het monitoren van mensenrechten in heel grote landen. Dat zijn natuurlijk zaken die je ook gecombineerd zou kunnen laten plaatsvinden.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Als we dat niet kunnen doen en we een beetje zouden moeten bezuinigen op het postennetwerk om juist de mensenrechten in stand te houden en te garanderen, is de heer Nicolaï daar dan voorstander van?

De heer Nicolaï (VVD):

Nu lopen we wel heel erg vooruit op de uitwerking. Ik ben daar erg benieuwd naar. Ik denk dat er echt ruimte zit om recht te doen aan de principes die GroenLinks, VVD en andere partijen belangrijk vinden, ook omdat het veel efficiënter en flexibeler kan. Je hebt het dan niet over minder, maar gewoon over beter. Ik hoop dat we dan op deze vraag niet eens antwoord hoeven te geven.

Tot slot. Er is de afgelopen week veel gezegd over WikiLeaks. Op pijnlijke wijze is duidelijk geworden hoe kwetsbaar moderne informatiesystemen zijn. Ik wil de regering oproepen tot twee dingen. In de eerste plaats roep ik haar op om pal te blijven staan voor de vrijheid van pers en internet. Hoe schadelijk deze affaire ook is, het mag nooit een reden zijn om die vrijheid te beperken. Deze vrijheid blijft, zoals we net ook bij interruptie bespraken, een van de belangrijkste vehikels voor democratische verandering. In de tweede plaats roep ik haar op om pal te staan voor het behoud van de mogelijkheid van vertrouwelijke internationale communicatie. De ruimte voor eerlijke en openhartige uitwisseling van informatie die vertrouwelijk blijft, mag niet minder worden. Heeft de regering de Verenigde Staten aangesproken op deze affaire? Is de regering bereid, zich te beraden op de technische beveiliging van de Nederlandse internationale communicatie en op de classificatie van berichten? Als het klopt dat zo'n 3 miljoen mensen ergens kennis van hebben kunnen nemen, is lekken alleen een kwestie van tijd.

Voorzitter. U kent misschien het liberale adagium "geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid". In dit verband voeg ik daar vandaag "geen vrijheid zonder vertrouwelijkheid" aan toe.

De voorzitter:

Ik zie dat u wegloopt van het spreekgestoelte. Echter, er zijn leden die u nog iets willen vragen, maar liefst twee.

De heer Nicolaï (VVD):

Voorzitter, met alle plezier, hoewel we allemaal uitzien naar de volgende maidenspeech.

De heer Timmermans (PvdA):

Ik heb een vraag naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Nicolaï over WikiLeaks en over iets wat hij eerder zei in zijn betoog. Voor een land als Nederland is het belangrijk om een betrouwbare partner te zijn. In mijn ogen is betrouwbaar zijn doen wat je hebt afgesproken. Is de heer Nicolaï dat met mij eens?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik heb het gevoel dat als ik nu ja zeg, er daarna een probleem ontstaat. Toch kan ik het moeilijk ontkennen.

De heer Timmermans (PvdA):

Dus als je doet wat is afgesproken, ben je een betrouwbare partner. Dit betekent dan dus ook het volgende; ik citeer daarbij maar even uit WikiLeaks. Als je met je Amerikaanse partner spreekt over wat er zou kunnen gebeuren na 2010 in Afghanistan en je zegt dat je wel betrokken wilt blijven, maar dat je niet weet of er wel draagvlak is voor weer een missie, doe je, in mijn ogen, geen afbreuk aan je betrouwbaarheid. Je houdt je namelijk precies aan de gemaakte afspraken. Waar of niet?

De heer Nicolaï (VVD):

Lijkt mij wel. Ik houd een kleine slag om de arm, want de heer Timmermans voert het op naar een derde vraag.

De heer Timmermans (PvdA):

Mijn conclusie is dan ook dat ik het best kan begrijpen als de VVD-fractie zegt: wij hadden graag gezien een voortgezette missie daar et cetera; en: wij vinden het een foute keuze om dat niet te doen. Dat respecteer ik. In mijn ogen heeft dat alleen niets te maken met betrouwbaarheid. Dat heeft te maken met een andere politieke afweging. Onbetrouwbaar ben je pas op het moment dat je niet doet wat je hebt afgesproken. Daar was in dit geval, naar mijn smaak, geen sprake van.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik geloof dat de heer Timmermans zich meer aangesproken voelt dan ik hem eigenlijk wilde aanspreken. Ik verweet niet de PvdA onbetrouwbaar te zijn. Ik verweet Nederland als gevolg van het optreden van de PvdA onbetrouwbaar te zijn. Ik was zelfs zo vriendelijk om daar ook het hele kabinet bij mee te nemen. De heer Timmermans voelt zich nu iets schuldiger dan ik bedoelde.

De heer Timmermans (PvdA):

Dat is mij iets te makkelijk. Het gaat mij hierbij om het Nederlandse belang en niet om de vraag of de PvdA er goed uitkomt. Mijnheer Nicolaï, u schildert Nederland af als een onbetrouwbare partner. Dat doet u op basis van het feit dat Nederland niet de missie in Uruzgan wilde verlengen, terwijl de verlenging van de missie in Uruzgan niet was afgesproken en niet was beloofd. Als je iets niet doet wat niet beloofd is, ben je niet onbetrouwbaar. U doet ons land dus ernstig tekort door uit de besluitvorming over Uruzgan af te leiden dat wij een onbetrouwbare partner zijn.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik wil mij best wat moraal aanmatigen, maar niet zoveel als de heer Timmermans. Als heel de wereld vindt dat wij tekortgeschoten zijn en dat wij verwachtingen hebben gewekt die wij niet waarmaken, maar wij denken van niet, wie heeft er dan gelijk?

De heer Timmermans (PvdA):

Wie heeft dan verwachtingen gewekt? Dat heeft de Nederlandse regering niet gedaan. Als individuen binnen de Nederlandse regering dat wel hebben gedaan, dan lezen wij dat misschien nog wel via WikiLeaks. De Nederlandse regering heeft echter altijd gezegd: wij besluiten pas als wij besluiten. Er is dus niets voorgespiegeld en daarom kunt u Nederland niet als een onbetrouwbare partner wegzetten. Overigens, waar maken onze internationale partners zich volgens u meer zorgen over: over de vraag of wij in Afghanistan blijven of over de vraag of er in Nederland een regering is die steunt op een man die vindt dat 1,3 miljard wereldburgers aanhangers zijn van een fascistische ideologie? Wat denkt u; wat is schadelijker voor het beeld van Nederland in het buitenland?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik vind dat wij geen betrouwbare partner gebleken zijn in de discussie over Afghanistan en ik heb dat de vorige regering ook scherp verweten. Dat heb ik trouwens niet alleen de PvdA verweten, zeg ik tegen de heer Timmermans. Ik vind het een ernstige zaak, die met meer dan alleen prestige in de NAVO te maken heeft. Er trad een nieuwe president aan in de Verenigde Staten en dat was een impuls voor heel veel landen, bijna alle landen, om meer te doen in Afghanistan. Eén land, één klein land, zei echter: nee, wij weten het beter; wij hebben ooit een procedure afgesproken en wij laten de boel de boel. Bovendien waren er verkeerde verwachtingen gewekt. Ik vind dat geen vorm van betrouwbaar partnerschap, noch in NAVO-verband noch in relatie tot de gehele wereldgemeenschap.

De heer El Fassed (GroenLinks):

De heer Nicolaï wenst dat Nederland Amerika aanspreekt op WikiLeaks. Afgelopen donderdag durfde de VVD-fractie het echter niet eens aan om de minister ertoe op te roepen om in Brussel te onderzoeken of er eventueel een Europees standpunt zou komen over een mogelijke uitlevering van de heer Assange aan de Verenigde Staten.

De heer Nicolaï (VVD):

De heer El Fassed geeft zelf al bijna antwoord op zijn vraag. Er zaten namelijk een aantal "als"-en in zijn motie. Je moet altijd oppassen dat je daarmee niet op de zaak vooruitloopt. Dat was een van de redenen om absoluut niet voor zijn motie te zijn. Die motie ging uit van de mogelijkheid dat als misschien de uitlevering vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Zweden zou plaatsvinden, Zweden misschien het verzoek zou krijgen tot uitlevering aan de VS enz. Dat is nooit verstandig. Ik heb eerder al aangegeven dat dit juist een voorbeeld is van het vermengen van het politieke en het justitiële element. Dat is de principiëlere reden dat ik absoluut niet voor de motie van de heer El Fassed was. Er zijn verdragen die uitleveringen regelen. Als wij bezorgd zijn over een nette scheiding tussen machten, moeten politici daarom niet het slechte voorbeeld geven door zich al bij voorbaat met een juridische procedure te bemoeien.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Wij weten dat er in Amerika honderd mensen zonder eerlijk proces gevangen zitten, zonder dat zij door een onafhankelijke rechter zijn veroordeeld. Wij weten dat in Afghanistan honderden mensen zonder eerlijk proces in Amerikaanse detentie zitten. Via Amnesty weten wij dat er vanuit het Verenigd Koninkrijk CIA-vluchten hebben plaatsgevonden. De zorg is volgens mij dus reëel. Volgens mij betaamt het een goed diplomaat om voorbereid te zijn op alle mogelijke scenario's.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen die erachter zitten, maar ik vind het een gevaarlijke weg. Dat wil ik serieus gezegd hebben. De politiek moet er juist voor pleiten dat een justitiële weg een justitiële weg. De heer El Fassed zal het juist met mij eens zijn dat er geen politieke druk uitgeoefend mag worden op het proces. Dan moeten politici dat niet zelf gaan doen door op zaken vooruit te lopen en het proces niet te vertrouwen. Ik vertrouw de Zweedse justitie.

De heer Van Bommel (SP):

Als de heer Nicolaï moet kiezen, dan kiest hij voor Nederland als koopman in plaats van dominee. Het kabinet doet dat ook een beetje en daarop kom ik in de inleiding op mijn eigen betoog terug. Mijnheer Nicolaï, ziet u vanuit dat koopmanschap geen bedreiging voor de positie van Nederland nu wij zo'n enorme imagoschade oplopen omdat het kabinet gesteund wordt door een partij die openlijk pleit voor het etnisch zuiveren van de Palestijnse gebieden? Die partij noemt de islam een fascistische ideologie en zet daarmee vanuit Nederland de verhoudingen in het Midden-Oosten ernstig onder druk. Dat geldt ook voor de relatie tussen Nederland, de Europese Unie en de landen in het Midden-Oosten. Ziet u daarin niet een enorm risico voor het imago van Nederland en, daaraan gekoppeld, voor de handelsbelangen van Nederland in het Midden-Oosten? Die zijn niet gering, zoals u weet.

De heer Nicolaï (VVD):

Ik zie vanuit de PVV al mensen naar voren lopen. U moet deze vraag stellen aan de regering en aan de PVV. Voor zover u die vraag aan mij stelt, is het antwoord dat ik die zorg niet heb. Ik begrijp én van de regering én van mijn contacten, die u waarschijnlijk ook hebt, dat soms met enige moeite goed duidelijk is te maken hoe de verhoudingen hier liggen. In deze regering zit geen PVV.

De heer Van Bommel (SP):

U maakt zich geen zorgen, de Nederlandse regering maakt zich wel zorgen. Die heeft namelijk al bij een eerdere gelegenheid aan ambassades laten weten hoe de positie van de PVV geduid moet worden. Zij heeft ook aan Jordanië expliciet laten weten hoe het zit met de opvattingen van de PVV over een Palestijnse staat. Vandaag komt daar expliciet bij de oproep tot het etnisch zuiveren van Palestijnse gebieden. Dat is in de wereld een ongehoord voorstel. Het kan niet anders dan dit aan Nederland zal kleven. Etnisch zuiveren is volgens alle verdragen niet toegestaan. Daar zult u zich met de regering zorgen over moeten maken. Hoe kan het dat u als koopman zich daarover geen zorgen maakt?

De heer Nicolaï (VVD):

Ik was erg blij met de opmerking die de minister van Buitenlandse Zaken nog geen paar dagen geleden in het algemeen overleg maakte. Daarin was juist de hele Midden-Oostenproblematiek en de positie van de PVV ten opzichte van Israël aan de orde. De minister zei toen in een heldere zin dat dit ten enenmale niet de positie van de Nederlandse regering is. Ik twijfel er niet aan dat hij dit ook internationaal zal duiden.

De voorzitter:

Wij gaan wederom luisteren naar een maidenspeech. Het woord is aan de heer Dijkhoff, die zijn maidenspeech zal houden.

De heer Dijkhoff (VVD):

Voorzitter. Het is voor mij een voorrecht om hier officieel voor het eerst te staan. Het is officieel voor het eerst, want tien jaar geleden mocht ik hier al staan in het kader van het studentenparlement. Ik wil mijn excuses nog aanbieden aan de fractie van D66, waar wij toen vakkundig alle snoep uit de laatjes hebben geroofd en opgegeten.

Een bevoorrecht mens dus, maar dat zijn wij hier sowieso in het westen, waar het relatief veilig is en onze welvaart groot is. Dat is niet vanzelfsprekend. Daar werken wij met z'n allen dag in, dag uit hard aan. Spijtig genoeg ben je op vele plaatsen in deze wereld een stuk slechter af. Geweld, honger en ellende, het is er al zolang er mensen zijn. Je zou je er als mens ook bijna schuldig over gaan voelen. Als je niet oppast, raak je daardoor verblind. Dan ga je denken dat het vooral onze taak is om iets te doen. De volgende stap is de misvatting dat hoe meer wij doen, hoe beter het is. Dat wekt de schijn dat wij anderen helpen, maar uiteindelijk zijn wij nog steeds vooral met onszelf bezig. Degenen die wij helpen, zien wij dan ook nooit voor vol aan. Als liberaal vind ik de effecten veel belangrijker dan de bedoelingen. Die effecten zijn bij ontwikkelingshulp in het verleden niet altijd goed genoeg geweest.

Alleen al daarom is het tijd voor verandering. Ik moet bekennen dat de meeste formules van Einstein mij boven de pet gaan, maar zijn definitie van "stommiteit" snap ik nog wel. Dat is keer op keer hetzelfde doen en een ander resultaat verwachten. Het moet dus anders. Als je mensen wilt helpen, begint dat bij mensen voor vol aan te zien. Dat hebben wij niet altijd gedaan. Wij hebben er een handje van om over mensen te praten en ze dan zielig te vinden, maar niet met hen te praten. Wij geven ze een zak geld, wij heffen een moralistisch vingertje en wij verwachten dankbaarheid terug. Die lijn heeft veel te weinig resultaat gehad. Die heeft geen duurzame ontwikkeling gebracht. Die heeft voor ons ook geen blijvend positieve relaties opgebouwd. Die heeft ook platweg heel veel geld gekost dat wij beter anders hadden kunnen besteden.

De VVD wil ontwikkelingssamenwerking dus anders, mensen als gelijkwaardig zien, bijdragen aan duurzame en blijvende ontwikkeling en komen tot zelfredzaamheid via een stevige economische ruggengraat. Zij wil dat er met een gezond bedrijfsleven een sterke middenklasse ontstaat en een stevige economie die basis kan zijn voor een overheid om zelf belasting te heffen bij de bevolking. En dan ook in ontwikkelingslanden een democratisch bestuur creëren dat financieel afhankelijk is van de belastingopbrengsten van de bevolking en die bevolking zelf laten gaan over de manier waarop men zorg en onderwijs inricht en betaalt. De keuze van de staatssecretaris om meer te focussen op die economische ruggengraat steunt de VVD dan ook van harte. Alleen met een stevige ruggengraat kun je trots rechtop lopen.

Op die lijn is helaas veel kritiek. Nu ben ik het als VVD'er wel gewend om een negatieve Pavlovreactie te zien als het woord "bedrijfsleven" valt. In dit geval vind ik dat echter behoorlijk absurd en cynisch. Onze welvaart komt van onze economie. Onze veiligheid, onze gezondheid en ons onderwijs worden erdoor betaald. Welvaart, veiligheid en gezondheid zijn geen zero-sum games. Mijn excuses voor de Engelse taal, maar als ik nulsomspel zeg, begrijpt helemaal niemand dat. Het gaat er dus om dat het niet ten koste hoeft te gaan van een ander. Het feit dat wij hier problemen niet zelf hebben die wij in andere landen willen helpen bestrijden, is te danken aan onze eigen economische ruggengraat, is te danken aan al die ondernemers die risico's nemen en hun creatieve ideeën najagen en is te danken aan al die hardwerkende Nederlanders die dag in dag uit aan het werk gaan. Zonder hen zouden wij als Nederland nergens zijn. Zonder hen hadden wij vandaag niet eens kunnen discussiëren hoe wij 5 mld. van ons geld uitgeven om over de grens te proberen mensen te helpen in hun ontwikkeling. Het is in mijn ogen dan ook absurd en cynisch om, als je zegt dat je mensen wilt helpen, hen zelf die stabiele ruggengraat van de economie waaraan wij alles te danken hebben niet te gunnen.

Kortom, de liberale visie op ontwikkelingssamenwerking is echte samenwerking aangaan, waarin wij verantwoordelijkheden voor mensen niet overnemen, maar mensen in hun vrijheid ondersteunen om zelf aan de weg te timmeren. Bij zo'n realistisch beleid past ook dat je soms afstand neemt als onze hulp wel regimes, maar niet mensen helpt. De vrijheid en verantwoordelijkheid voor mensen staan voor de VVD centraal, ook internationaal. In veel ontwikkelingslanden zijn grote problemen met vrijheid en democratie. Daar worden basale rechten zoals meningsuiting nog genegeerd. Daar betekent democratie nog dat een verkeerde stem jou je leven kan kosten. Daar kan een regime het zich permitteren maling te hebben aan de eigen bevolking, omdat mensen geen economische zelfstandigheid hebben en niet los van de overheid kunnen functioneren en omdat regimes ook kunstmatig in stand worden gehouden met geld van buitenaf. Ja, voorzitter, helaas ook vaak met ons geld. Ook Nederlanders betalen daaraan mee, niet omdat wij dat graag willen, maar omdat het botte instrument van begrotingssteun dat te vaak met zich brengt en omdat wij ons laten vangen in een dilemma dat blijven doorgaan slecht uitpakt, maar stoppen slecht voelt.

Op dit punt ziet de VVD van de staatssecretaris graag harde keuzes. Gisteren hebben wij per brief al wat van die keuzes mogen zien als het gaat om begrotingssteun. Het is dus lastig om er nu een definitief oordeel over te vellen. Wij zien het als een goede eerste stap richting minder algemene begrotingssteun, maar als VVD zijn wij ook van sectorsteun geen fan. Bijdragen aan bijvoorbeeld het justitieel systeem in Oeganda, waarvan vervolgens gebruik wordt gemaakt om homoseksualiteit strafbaar te stellen, is voor ons onverteerbaar.

Daarnaast zien wij ook graag een actieve houding van de staatssecretaris waar het gaat om het bekritiseren van begrotingssteun in Europees verband. Te vaak maakt Europa gebruik van ook Nederlands geld om makkelijk begrotingssteun te geven aan landen zoals Tanzania. Wij kunnen er in Nederland wel mee stoppen, maar dan is het niet echt praktisch als ons geld via Europa nog steeds daarheen gaat. Wij wachten dus met belangstelling op de volgende stappen van de staatssecretaris op dit punt. Als stimulans kan ik vast zeggen dat, mocht de staatssecretaris stevig minder gebruik willen maken van begrotingssteun, hij de VVD aan zijn zijde zal vinden.

Maar ik wil geen wedstrijdje beginnen wie de hardste keuzes durft te maken, want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat er een ander punt is waarop de VVD vindt dat de staatssecretaris een te harde keuze heeft gemaakt. De bezuiniging op de bestrijding van hiv/aids gaat ons wat al te hard. Ook het loskoppelen van hiv/aidsbestrijding van seksuele en reproductieve gezondheidsrechten zien wij niet zo zitten. Voor de VVD is de bestrijding van aids meer dan een gezondheidsaspect. Het hangt samen met de erkenning van elk individu, met het bestrijden van stigma's en met het opkomen voor gelijke rechten voor vrouwen en homoseksuelen. Er liggen de nodige moties en amendementen om op dit punt het beleid bij te stellen. Vorige week ontraadde de staatssecretaris deze nog in het wetgevingsoverleg. Hoewel door de VVD in het algemeen consistentie erg gewaardeerd wordt, wil ik de staatssecretaris toch vragen of hij op dit punt voortschrijdend inzicht heeft gehad in de afgelopen week, want er kan in een week veel veranderen. Ik diende vorige week een aantal moties in, onder andere over de verdubbelaar bij inzamelingsacties en de hoge salarissen van directeuren van hulpclubs. Als nieuw Kamerlid was mij al verteld dat het ongeveer zo werkt: moties, stemmingen, tijdje wachten, nieuw beleid, niet helemaal tevreden zijn, een beetje duwen en trekken met de bewindspersonen en uiteindelijk het effect dat je wilt. Maar ik had even gerekend buiten de media en de daadkracht van deze staatssecretaris. Het automatisme van de verdubbelaar is al weg. Chapeau aan de staatssecretaris, die dit signaal meteen omzette in beleid. Na jaren strijd hebben ook de laatste koppige clubs onder druk van de motie en de media het directeurssalaris aangepast. Ik moet wel zeggen dat ik dat retorisch jammer vind. Ik had graag nog een keer gloedvol uitgehaald naar vooral SNV-directeur Elsen, om nog maar te zwijgen over de voorzitter van de raad van toezicht en topsalarisverdediger Lodewijk de Waal.

De voorzitter:

Het is uw maidenspeech, maar namen noemen wij niet van mensen die hier niet aanwezig zijn.

De heer Dijkhoff (VVD):

Dan ben ik blij dat ik dat gloedvolle betoog niet gehouden heb.

Een ander punt waar wij vorige week over spraken, was de ontwikkelingshulp door lagere overheden. Daar wil de VVD van af. Dat is ook 100% in lijn met het regeerakkoord. Dat stelt glashelder: je gaat erover of niet. Welnu, wij hier gaan erover, lokale overheden niet. In een reactie op mijn motie gaf de staatssecretaris aan dat het moeilijk ligt: wetten, internationale verdragen, verschillende ministeries; moeilijk, moeilijk. Oftewel vrij naar Elsschot: tussen droom en daad staan wetten in de weg en internationale verdragen. In mijn motie wordt niet gevraagd om het per direct onmogelijk maken van lokaal ontwikkelingswerk. Wel wordt gevraagd om voorstellen, zodat bekeken kan worden wat wij kunnen doen om dat te bereiken. Ik denk bijvoorbeeld, om een idee mee te geven, aan de mogelijkheid om het lokaal bestede geld in mindering te brengen op de uitkeringen uit het Gemeentefonds. Men heeft het blijkbaar niet nodig voor de gemeente zelf.

Is de staatssecretaris ten minste bereid om voor de Voorjaarsnota aan de Kamer een brief te sturen over de mogelijkheden die er zijn om ontwikkelingssamenwerking exclusief door de nationale overheid te laten doen en bekostigen? Dan kan de Kamer op grond daarvan discussiëren over de vraag of en, zo ja, hoe wij dat willen verwezenlijken.

In het begin gaf ik het al aan: ook bij ontwikkelingssamenwerking gaat het voor de VVD om resultaten. Het omvormen van het ontwikkelingsbeleid moet in het teken staan van hetgeen wij daadwerkelijk bereiken bij het helpen van mensen om zich te ontwikkelen. De VVD wil geen overheid die een collectief "moeder Theresa"-complex afkoopt met een kille kasschuif. De VVD wil beleid dat wordt geroemd om de goede effecten en niet zozeer om de goede bedoelingen.

Ik heb natuurlijk niks tegen goede bedoelingen. Wij liberalen zitten er zelf ook vol mee. In de korte tijd dat ik Kamerlid ben, heb ik veel collega's van allerlei partijen mogen ontmoeten en bij hen heb ik veel goede bedoelingen en idealen mogen aantreffen. Bij de idealen die ik zelf heb, past wel een terughoudende rol van de overheid. Eentje die zich laat afrekenen op resultaten en die goede bedoelingen waardeert, maar die ook het risico daarvan onderkent.

Ik wil graag afsluiten met een persoonlijke noot, met de rede die het politieke vuur in mijzelf doet branden. Mensen lopen hier relatief kort op de aarde rond. In die tijd proberen wij allemaal gelukkig te worden. Dat valt niet voor iedereen altijd mee. Ik kan er dan ook met mijn pet niet bij dat er mensen zijn die een goed deel van hun eigen leven besteden aan het dwarszitten van het geluk van anderen. Het maakt mij niet zoveel uit waarom dat zo is, of dat nu voortkomt uit eigen gewin, uit een geloofsovertuiging of uit een gevoel van morele superioriteit. Zolang er mensen zijn die de overheidsmacht willen gebruiken om anderen te belemmeren in het vinden van en het zoeken naar hun geluk, zal ik daar als liberaal tegen blijven strijden.

De voorzitter:

Mijnheer Dijkhoff, aan mij is het genoegen om u als eerste te feliciteren. Ik zal de vergadering schorsen opdat ook alle anderen u kunnen feliciteren. Daarna gaan wij luisteren naar de heer Van der Staaij.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Dat ik nu al het woord mag voeren, is geen gevolg van een onverwachte groeistuip van de SGP. Dat is te danken aan de bereidwilligheid van de collega's die mij voorrang verlenen in verband met andere verplichtingen die ik vanavond heb. Dit biedt mij tegelijkertijd de mogelijkheid om een hartelijke felicitatie uit te spreken aan degenen die hun maidenspeech hebben gehouden, mevrouw Dikkers en de heer Dijkhoff. Ik heb hen allebei al eerder mogen horen bij het wetgevingsoverleg, maar het was een genoegen om naar hen beiden te luisteren. Ieder sprak op de eigen manier, heel betrokken, zoals wij inmiddels ook weten van mevrouw Dikkers. De heer Dijkhoff heeft zichzelf op zijn twitteraccount al eens gekarakteriseerd als "een VVD-activist". Dat is een vrij ongebruikelijke aanduiding, maar na zijn betoog is die aanduiding herkenbaar.

Het is een genoegen om met deze bewindslieden voor het eerst plenair te mogen debatteren over de begroting. Gelet op de vele brandhaarden in deze wereld, is een "crisisprofessor" op Buitenlandse Zaken helemaal niet zo'n gek idee. Crises genoeg, en dan heb ik het niet alleen over WikiLeaks.

Het regeerakkoord laat al het nodige zien over de koers die dit kabinet wil gaan varen in het buitenlands beleid. Vanzelfsprekend wordt niet op alles ingegaan. Graag hoor ik meer over de volgende drie punten, allereerst over de beleidslijn tegenover fragiele staten. Wat is de inzet van het kabinet? Neem bijvoorbeeld Somalië; de inzet tegen piraterij en de opvang van vluchtelingen kosten veel geld en energie. Die inspanning is terecht, maar in feite is dit symptoombestrijding. Hoe kan dit probleem meer bij de bron, dus in Somalië zelf worden aangepakt?

Het tweede punt: er is al vaker gesignaleerd dat het internationaal recht – ook het internationaal oorlogsrecht – onvoldoende is toegesneden op de huidige asymmetrische oorlogvoering en dat soms een fijnmazig juridisch web opdoemt. Terroristen en piraten profiteren hier gretig van. Herkent de minister dit probleem en wat is zijn inzet?

Het laatste punt waarop het regeerakkoord niet heel uitvoerig ingaat en waarover wij graag meer horen, is de inzet op het terrein van de mensenrechten. In een recent Volkskrantinterview spreekt de minister van "meer focus in het mensenrechtenbeleid". Wat betekent dit concreet? Ten aanzien van "focus in het mensenrechtenbeleid" wil de SGP met nadruk het tegengaan van geloofsvervolging als speerpunt bepleiten. Ondanks de inzet van Nederland voor de vrijheid van meningsuiting profiteert de geloofsvrijheid hier slechts mondjesmaat van.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik complimenteer de heer Van der Staaij voor het feit dat hij zich zorgen maakt over piraterij en dat hij de minister van Buitenlandse Zaken vraagt om te kijken naar de oorzaken van de piraterij van onder anderen Somaliërs. Ik neem dan aan dat hij het met mij eens is dat ook moet worden bekeken hoe de Somaliërs weer in hun eigen onderhoud kunnen voorzien door van hun eigen viswateren gebruik te maken en dat de Nederlandse schepen die daar op dit moment alle vis wegroven, daar weg moeten om piraterij te voorkomen. Somaliërs hebben op dit moment immers niets anders waarmee zij in hun onderhoud kunnen voorzien, omdat de wateren leeg zijn gevist door onze schepen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Natuurlijk moet bij het zoeken naar de voedingsbodem van een conflict naar alle factoren worden gekeken, maar ik zeg hierbij dat ik niet het idee heb dat de problemen inzake de visrechten het kernprobleem van Somalië vormen. We hebben ook echt te maken met een falende staat die zijn gezag onvoldoende kan laten gelden.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het is erg jammer dat op het terrein van internationale problematiek ook hier in de Kamer de kennis ontbreekt van de oorzaken van armoede en van piraterij. Alle internationale organisaties geven namelijk aan dat de overbevissing met name in die wateren leidt tot piraterij van de bewoners van die staten, die daarvan afhankelijk zijn. Daarom vraag ik nogmaals: als ik dit, misschien op een ander moment, met u kan bespreken, bent u dan bereid om samen met het kabinet te bekijken hoe wij dit probleem kunnen aanpakken?

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik vind het prima om ook te kijken naar mogelijke problemen rond visrechten, maar ik blijf van mening dat er veel meer aan de orde is. Dat is geen tekortschietende kennis, maar mijn visie op basis van bezoek in de regio en op basis van wat ik weet over Somalië. We hebben te maken met falend staatsgezag. Door die kwestie kan allerlei criminaliteit welig tieren.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Een korte conclusie. Ik vind het kenmerkend dat hier weer met het vingertje naar de staat zelf wordt gewezen. Er wordt niet gekeken naar de eigen verantwoordelijkheid van Nederland. Wij zijn vooral op rooftocht in andere delen van de wereld om in onze welvaart te voorzien. Ik vind het jammer dat we niet kijken naar onze eigen invloed hierop.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het spijt mij dat ik mevrouw Thieme niet tevredener kan maken.

Voorzitter. Ik ga verder waar ik was gebleven, bij het punt over geloofsvrijheid. In de praktijk is dat te veel een vergeten mensenrecht. Een concreet voorbeeld: in Eritrea zitten op dit moment 1500 christenen opgesloten in containers en bunkers. Daarover hoor je bijna niemand. Wat ons betreft moet dat anders. Christenen zijn met afstand de grootste religieuze groep die vervolging te duchten heeft. Wereldwijd worden naar schatting 200 miljoen christenen vervolgd vanwege hun geloof, in het bijzonder in islamitische en communistisch georiënteerde landen. Gelet op deze aantallen verdient het thema geloofsvervolging meer en afzonderlijke aandacht. Wat ons betreft mag die aandacht niet verwateren in algemeen mensenrechtenbeleid. Ziet de minister mogelijkheden om een duidelijker lijn aan te brengen in de agendering van de aanpak van geloofsvervolging, bijvoorbeeld aan de hand van voortgangsrapportages van diverse organisaties of ranglijsten van landen waar gelovigen het meest te lijden hebben? Aan de hand van die documentatie zou de Kamer jaarlijks een debat met de minister kunnen voeren over geloofsvrijheid.

Ik kan hier in mijn spreektekst lang niet zo uitgebreid bij stilstaan als ik zou willen en zo lang als het onderwerp het zou rechtvaardigen. Om toch extra aandacht hiervoor te bevorderen, is door een stagiair van onze fractie, Wilco Kodde, een notitie geschreven. Ik zou de minister en de staatssecretaris graag die SGP-notitie overhandigen. Vanzelfsprekend heb ik ook voor de collega's een exemplaar meegenomen.

De voorzitter:

Ik zal ervoor zorgen dat de bewindslieden en de Kamerleden die notities krijgen. Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik zou graag een inhoudelijke reactie van het kabinet vragen op de aanbevelingen die in de notitie gedaan worden. Ik noem er enkele. Ontbied vaker de ambassadeur in geval van geloofsvervolging. Kijk bij het verstrekken van ontwikkelingshulp ook uitdrukkelijk naar de positie van religieuze minderheden. Zet in internationaal verband een systeem van vroege waarschuwing op, waarbij aan internationale organisaties en regeringen wordt gerapporteerd. Leg in Europees verband een arsenaal aan van aanbevolen acties bij geloofsvervolging. Wij zien uit naar de reactie van het kabinet op onze voorstellen. Ik hoor graag welke trends het kabinet op dit terrein ziet en welke inzet het kabinet kiest.

De heer Timmermans (PvdA):

Is de heer Van der Staaij het met mij eens dat het ook met zijn geloofsovertuiging strookt dat je geen hiërarchie aanbrengt in de gewetensvervolgden voor wie je wilt opkomen? Ik hoop niet dat hij vindt dat voor mensen met een godsbeeld of religieuze overtuiging de mensenrechten van een hogere orde zouden zijn dan voor mensen zonder die overtuiging. Hopelijk vindt hij dat het zogezegd een christelijke plicht is om voor iedereen die vanwege zijn geweten wordt vervolgd in gelijke mate op te komen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het is zeker een goed christelijk punt om juist voor iedereen op te komen en niet alleen voor je eigen soort of voor degenen met wie je jezelf verwant weet. De heer Timmermans heeft bijbelkennis genoeg om daar het voorbeeld van de barmhartige Samaritaan en andere voorbeelden bij te verzinnen. Dat is voor mij dus inderdaad een heel belangrijk punt. Tegelijkertijd is er niets mis mee om te zeggen dat je ook een bijzondere betrokkenheid en verbondenheid hebt met geloofsgenoten in het buitenland. Daar hebben wij bovendien heel veel informatie over.

Ik vind het jammer dat dit punt wel eens tussen wal en schip valt. De VN-rapporteur inzake de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging waarschuwde hier ook voor. Als christenen voor christenen opkomen, wordt namelijk gezegd: zie je wel, ze komen op voor hun eigen club. Anderen herkennen daarentegen de vrijheid van godsdienst juist weer onvoldoende als mensenrecht omdat die over een heel specifieke groep gaat. Ik heb hier goed over nagedacht en zie de gevoeligheden op dit punt, maar wil toch de aandacht van andere fracties hiervoor vragen. Niet voor niets ben ik begonnen over die 1500 mensen in Eritrea. Dat houdt mij bezig. Waarom krijgt dat zo weinig aandacht? Stel dat het 1500 homoseksuelen waren? Stel dat het 1500 mensen waren die wegens spotprenten in de problemen waren gekomen? Stel dat het 1500 mensen waren die in de problemen zijn gekomen vanwege een vernederende test voor asielzoekers? Dat zijn de drie voorbeelden waarmee de heer Timmermans zijn betoog begon. Zou het dan toch niet zo zijn dat het maatschappelijk veel zwaarder opgepakt wordt omdat het om een heel specifieke groep gaat?

De heer Timmermans (PvdA):

Ik vind het interessant om deze handschoen op te pakken. Ik ben overigens katholiek. De bijbel werd ons altijd onthouden, zoals de heer Van der Staaij weet. Wij moesten de catechismus leren. Los daarvan is het een heel interessant punt. Ik zou graag de discussie hierover willen voeren met de heer Van der Staaij, op basis van het uitgangspunt van de universaliteit van mensenrechten en dat mensenrechten niet hiërarchisch ingedeeld worden, op basis van de geloofs- of levensovertuiging van de rechthebbende. Op die basis wil ik hierover heel graag verder praten met de heer Van der Staaij.

De heer Van der Staaij (SGP):

Het lijkt mij uitstekend om het debat hierover te vervolgen. Ik zeg op mijn beurt dat, ook als het 1500 mensen zouden zijn van een geheel andere geloofs- of levensovertuiging, de heer Timmermans op mij kan rekenen als hij daarover vragen wil stellen. Andersom hoop ik, dat als wij er vragen over stellen, er niet vanuit een soort angstvallige gelijkheidsreflex gezocht wordt of er niet ook andere clubjes zijn die ook per se in de vragen opgenomen moeten worden omdat anders de gelijkheid uit balans is. Bij christenen is nog weleens aan de orde dat de groep wereldwijd gezien veel te duchten heeft vanwege hun geloofsovertuiging.

Op het punt van het Midden-Oosten lezen wij goed nieuws in wat minister Rosenthal schrijft. Ik zie daarin een voorzetting van het beleid van de afgelopen periode: geen Israël-bashing en niet meedoen aan Israël als paria wegzetten, maar op een evenwichtige manier streven naar vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten. Wij moeten Israël zowel materieel als mentaal steun geven.

Mijn fractie legt in dit verband expliciet de vinger bij een recent artikel in Le Figaro. Uit dit artikel blijkt klip-en-klaar, mede op grond van informatie van Franse en Amerikaanse inlichtingendiensten, dat Iran en Syrië moderne raketten en bijbehorende technologie leveren aan Hezbollah. Wij hebben daarover eerder vragen gesteld. Onderkent de minister het grote risico van deze zeer moderne herbewapening van Hezbollah? Wil Nederland dit in internationaal verband blijven aankaarten?

En dan een heel ander gebied. Zuid-Afrika, waarmee Nederland historische banden heeft, kent buitensporig veel geweldsmisdrijven. Blank en zwart worden hierdoor getroffen. Een bijzondere vorm hiervan vormen de vele voorbeelden van geweld, moorden en intimidaties ten aanzien van blanke boeren in Zuid-Afrika. Ik noem de recente gruwelijke moord op een driejarig meisje.

Het blijft altijd moeilijk een patroon van etnische zuivering te bewijzen, maar de problematiek rond deze groep is in ieder geval groot. Oud-president De Klerk sprak onlangs zelfs van een nieuwe vorm van apartheid, maar nu jegens blanken. Mijn vraag aan de minister is: doet de Zuid-Afrikaanse regering wel genoeg hiertegen? Wordt zij vanuit Nederland, vanuit de internationale gemeenschap, hierop aangesproken? Hoe kan Nederland de Zuid-Afrikaanse overheid helpen als het gaat om preventie, opsporing, justitiële ondersteuning, antidiscriminatiemaatregelen, et cetera?

Bijzonder historische banden zijn er ook met verschillende bevolkingsgroepen in Indonesië. Vanmiddag hebben we als vaste Kamercommissie Buitenlandse Zaken nog een petitie in ontvangst genomen van een aantal samenwerkende organisaties van Papoea's, waarin grote zorg wordt uitgesproken over mensenrechten, arrestaties en martelingen. Deze organisaties brachten daarbij heel ernstige zaken naar voren. Het gaat ook om de problematiek van zelfbestuur dat aan de Papoea's was beloofd op grond van recente overeenkomsten en afspraken. In de afgelopen jaren is daarvan onvoldoende terechtgekomen. Herkent de minister deze zorgen en wil hij zich inzetten voor verbetering op dit vlak?

Ik houd het kort als het gaat over ontwikkelingssamenwerking, maar niet omdat het niet belangrijk is. Het is heel belangrijk. Wij hebben er echter al in het wetgevingsoverleg uitvoerig bij stilgestaan. Wij hebben toen waarderende woorden gesproken over bepaalde onderdelen van het beleid en onze teleurstelling geuit over de grote korting op het MFS-kanaal, de financiering van maatschappelijke organisaties, het onderwijs en de aidsbestrijding. Ik leg nog kort de vinger bij enkele zaken die wat ons betreft nog niet zo heel helder zijn afgerond. Hoe weet de staatssecretaris zeker dat een aantal belangrijke onderwijsprogramma's die Nederland afstoot, worden opgepikt door andere landen? Dat veronderstelt het kabinet namelijk. Hoe stemt het kabinet dit af met andere landen, hoe voorkomen we dat behaalde resultaten verdampen? Eenzelfde vraag zou ik willen stellen ten aanzien van de gezondheidsprogramma's. Over de door ons ingediende amendementen kan ik nog melden dat de heer Voordewind en ikzelf een amendement hebben bijgesteld over de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerkingsorganisaties. Het gaat nu om een bedrag van 10 mln. structureel; we hebben dat enigszins teruggebracht en er een andere dekking voor gezocht, namelijk uit de IDA-gelden.

Nog één concreet punt over de mensenrechten. China's eenkindpolitiek leidt tot talloze gedwongen abortussen. Hoe verschillend in deze Kamer ook wordt gedacht over abortus, niemand in deze Kamer steunt gedwongen abortussen. Mijn fractie roept de minister met klem op om via internationale gremia dat misschien wel kostbaarste mensenrecht, het recht op leven, stevig voor het voetlicht te halen.

De voorzitter:

De leden Van Bommel en Irrgang spreken nog voor de dinerschorsing, na de dinerpauze hervatten we met de heer Ormel.

Het woord is aan de heer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP):

Voorzitter. De inzet van deze regering lijkt op het eerste gezicht een voortzetting van het oude beleid: de verdediging van de eigen belangen en een betere wereld nastreven; Nederland als koopman en als dominee. Toch lijkt ook sprake van een breuk met het verleden op het vlak van de mensenrechten. De minister zei zaterdag dat je niet overal voortdurend mee bezig kunt zijn. Dat is een relativering van de aandacht voor mensenrechten, die ook Amnesty International en de juryvoorzitter van de Mensenrechtentulp is opgevallen. Waar komt deze relativering van de mensenrechten vandaan?

Nederland kampt met een groeiend imagoprobleem. Hoe wil de regering de betrekkingen met het buitenland verbeteren, als andere landen afwachtend zijn omdat de regering wordt gesteund door een islamofobe partij? Dat geldt bijvoorbeeld voor Indonesië, Turkije, Marokko, Afghanistan en Pakistan: daar kijkt men met argusogen naar Nederland. Wat betekent dit beschadigde imago van Nederland voor het morele recht om andere landen aan te spreken op mensenrechten? Wat betekent het voor het Nederlandse bedrijfsleven, voor Nederlanders die in het buitenland werken? Wat betekent dit voor de Nederlandse ambassades? In ieder geval heel wat extra codeberichten – of "fact sheets" zoals de minister zei – tussen de ambassades en Den Haag.

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. De heer Van Bommel is kennelijk een medicus; hij weet wat fobieën zijn. Ik kan hem uitleggen dat hij net abuis was: een fobie is een onredelijke angst. Als hij het heeft over islamofobie, dan is hij dus abuis, want er is alle reden om gerechtvaardigd bang te zijn voor islamitisch radicalisme. Daar doelen wij op. Het is dus geen fobie, het is een reële angst.

De heer Van Bommel (SP):

Wanneer je die angst zo groot laat groeien, dat je daar iedere dag mee bezig bent en je in iedere politieke beweging van anderen aspecten van islamisering ziet, durf ik dat wel een fobie te noemen. Ik ben overigens geen medicus. Ik weet niet of u dat wel bent, maar anders zou u er goed aan doen eens aan zelfonderzoek te doen.

De voorzitter:

Graag via de voorzitter spreken. Voor je het weet, mankeert er iets.

De heer Van Bommel (SP):

Ach, u hebt gelijk.

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Nee, ik ben geen medicus, ik ben gewoon een weldenkende Nederlander.

De heer Van Bommel (SP):

Dan hebben we een gelijk speelveld.

De heer Kortenoeven (PVV):

U ziet dingen die er niet zijn. Wij zeggen niet bij alles dat het aan de islam ligt of aan islamieten; hoe komt u daar nou bij? Dat haalt u erbij om een politiek punt te scoren. U voert een hetze tegen ons.

De voorzitter:

Mijnheer Kortenoeven, realiseert u zich dat u al die tijd tegen mij aan het praten was?

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter, in mijn emotie was ik even weggetrokken, ik probeer het opnieuw.

Voorzitter. De heer Van Bommel voert een hetze tegen mijn partij, maar hij is degene die daarnet zei dat mijn partij etnisch zuiveren voorstaat. Ik til daar zwaar aan. Hij is degene, Van Bommel is degene die een paar jaar geleden in Damascus heeft geconfereerd met een Hamasleider. Tot afgrijzen van zijn delegatiegenoten van VVD, CDA en SGP heeft hij geconfereerd met een Hamasleider die niet alleen West-Palestina etnisch wil zuiveren van joden, maar alle joden wil vernietigen. U confereert daarmee, u associeert daarmee en u loopt hand in hand met mevrouw Duisenberg "Hamas, Hamas, Hamas" te roepen.

De voorzitter:

Mijnheer Kortenoeven, hebt u nog een vraag? Nee?

De heer Van Bommel (SP):

Geen vraag, maar ook geen antwoorden. Waar het om gaat is dat de PVV een stelling betrekt met betrekking tot de islam in Nederland en daar in ieder betoog over het buitenlandse beleid of over andere vormen van beleid op terugkomt. Als je zo door de aanwezigheid van de islam in Nederland geobsedeerd bent, durf ik dat een fobie te noemen. Daar hoef ik helemaal geen graad in de medische wetenschappen voor te hebben. Dat is een politieke opvatting. Ik schrijf u ook geen medicijnen voor. Ik stel u ook geen behandeling voor. Ik hoop alleen dat u uw ogen en uw oren openhoudt over de islam in Nederland. Dan denk ik wel dat u ...

De voorzitter:

Via de voorzitter!

De heer Van Bommel (SP):

... dat de heer Kortenoeven wel tot een wat reëlere kijk op de positie van de islam in Nederland komt. De islam is in Nederland en die gaat daar, zo zeg ik tegen de heer Kortenoeven, niet meer weg. Went u daar maar aan!

De heer Kortenoeven (PVV):

De heer Van Bommel heeft het over fobieën en nu ook over obsessies. Hij denkt wel degelijk een medicus te zijn. Misschien moet hij zich dan verstaan met een medicus, want deze zaken zijn niet terecht. De heer Van Bommel zegt maar wat.

Voorzitter. Ik word in de emotie een beetje meegesleept, omdat ik dadelijk een heel genuanceerd betoog zal houden over de islam; een islam die ook moslims schaadt. Daar nemen wij het ook voor op en dat ga ik dadelijk aantonen. Ik hoop dat de heer Van Bommel dan ook op mij reageert. Dat mag hij!

De voorzitter:

Dank u.

De heer Van Bommel vervolgt zijn betoog.

De heer Van Bommel (SP):

Het steentje in de schoen van de minister van Buitenlandse Zaken heet natuurlijk Afghanistan. De afgelopen negen jaar heeft Nederland intensief meegedaan aan de oorlog in Afghanistan. Die oorlog breidt zich uit naar Pakistan. 2010 was het bloedigste jaar sinds 2001 en de illegale Amerikaanse bombardementen in Pakistan compliceren deze oorlog verder. Op termijn dreigt zelfs het uiteenvallen van Pakistan. Ziet de minister dit risico? Wanneer gaan wij een krachtig verzet horen tegen de mislukte NAVO-strategie om de taliban weg te bombarderen? Met meer oorlog zijn de Afghanen niet tot vrede te verleiden.

Na vier jaar deelname aan deze oorlog in Uruzgan is er sprake van hoge aantallen Nederlandse doden en gewonden. Nog veel meer militairen zullen te maken krijgen met ernstige psychische problemen. Nederland heeft zijn steentje méér dan bijgedragen. Betrokkenheid in civiele of diplomatieke zin of betrokkenheid bij echte opbouw van het land verdient onze steun. Aan de militaire betrokkenheid moet echter een einde komen, vooral ook omdat de militaire aanpak niet werkt. Overigens, niemand gelooft nog in Afghanistan, zei EU-voorzitter Herman van Rompuy, maar hij had ongelijk. Er zijn nog gelovigen, en een van hen zit in vak-K. De staatssecretaris heeft nooit geloofd in de 3D-aanpak. In zijn NRC-column eerder dit jaar noemde hij die aanpak "gegoochel met argumenten". Hij had natuurlijk gelijk, net als Van Rompuy.

In het regeerakkoord staat dat Nederland verder wil investeren in de band met de staat Israël. Wat betekent dat concreet? Na de Gazaoorlog werden de EU-plannen daartoe juist opgeschort. Het bestaande associatieakkoord met Israël is terecht niet versterkt. Is het de inzet om die opschorting ongedaan te maken? Gezien de ontbrekende eerbiediging van de internationaalrechtelijke bepalingen zou dat een slecht idee zijn. De minister vindt toch ook dat de humanitaire boycot van Gaza moet worden opgeheven en dat de bouw van nederzettingen illegaal is en moet worden gestaakt? Althans dat stond in de verklaring die de minister gisteren heeft aangenomen binnen de EU. Nu Amerika het hoofd in de schoot legt en geen bouwstop meer eist, moet de EU eensgezind optreden. Een Nederlandse alleingang is daar niet dienstbaar aan.

Het hele Midden-Oosten is in de greep van een wapenwedloop en van oorlogsdreiging. Saoedi-Arabië heeft in de VS voor 60 mld. 85 F-15's besteld. Irak koopt voor 16 mld. aan Amerikaanse wapens. Israël bestelt op zijn beurt de JSF in de Verenigde Staten. Zo fungeren de Verenigde Staten als de wapensupermarkt van de wereld. Dat bemoeilijkt de stabilisering van het Midden-Oosten. De EU heeft criteria voor wapenexport en het zou goed zijn de VS daar eens op te wijzen. Is de minister daartoe bereid?

Iran is onderwerp van sancties en oorlogsdreiging omdat het zou werken aan een atoombom. Bewijzen ontbreken, maar steeds scherpere VN-sancties moeten de Iraanse samenleving ontregelen en de Iraanse regering doen inbinden. Het beste zou zijn om de Iraanse bevolking niet in de armen te jagen van de Iraanse machthebbers. Uit onthullingen van de laatste weken blijkt dat diverse landen een oorlog tegen Iran wensen. Dat moet worden voorkomen om het Midden-Oosten voor een nieuwe catastrofe te behoeden. Er is ook geen enkel mandaat voor het gebruik van geweld tegen Iran. Gaat deze minister uit van de eis dat militair optreden tegen Iran een adequaat volkenrechtelijk mandaat vereist? Het doorbreken van de wapenwedloop in het Midden-Oosten is van het grootste belang om de spiraal van decennialange oorlogen te stoppen. Ik verwacht van de regering krachtige steun voor dit streven en volle inzet voor het welslagen van een conferentie over kernontwapening in het Midden-Oosten. Dat komt overeen met de uitkomst van de toetsingsconferentie van het non-proliferatieverdrag van mei dit jaar. Ik hoor graag wat Nederland concreet gaat doen in dit verband. Wat gaat de minister doen met de Iraanse mediaprojecten die vanuit Nederland opereren? Beëindigt hij de steun daaraan? Daar lijkt sprake van te zijn en daar zou ik zeer tegen zijn. Dit is een van de weinige dingen die wij nog concreet kunnen doen om de vrijheid van meningsuiting in Iran te bevorderen.

Gisteren bracht NRC Handelsblad het nieuws dat Nederland heeft geweigerd, een toestel van de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken bij te tanken. Een hoge Amerikaanse regeringsvertegenwoordiger stelt dat minister Rosenthal de VS heeft gebeld om instructies, hetgeen heeft geleid tot deze brandstofsanctie. Nederland loopt met dit beleid opnieuw uit de Europese pas, omdat Iraanse staatsvliegtuigen elders in de EU wel gewoon kunnen tanken. Waarom volgen wij op dit punt de VS? We zijn toch niet ongemerkt de 51ste staat van de VS geworden? Of heb ik iets gemist? Graag opheldering.

Voorzitter. Nederland heeft een moeizame relatie met Indonesië. Die relatie is nu in een impasse geraakt door het mislukte bezoek van de Indonesische president Yudhoyono. Hoe gaat de minister die impasse doorbreken? Is het in dat licht niet het beste om te beginnen met het doen van een stap op punten waarin Nederland historisch fout zat? Ik reken daartoe twee punten. Is de minister bereid, 17 augustus 1945 als onafhankelijkheidsdatum te erkennen, en is de minister tevens bereid om de zaak met de nabestaanden van Rawagede met spoed af te handelen? Erken de misdaden door Nederlandse militairen en geef tevens aan dat ook elders in Indonesië oorlogsmisdaden zijn gepleegd door Nederlandse militairen. Doorbreek de impasse en maak de weg vrij naar een open verstandhouding, zodat ook met meer recht kritische noten over de mensenrechten in Indonesië kunnen worden gekraakt, bijvoorbeeld op de Molukken en in West-Papoea.

De regering zit in haar maag met een Surinaams staatshoofd dat hier nog een tegoed heeft van elf jaar gevangenisstraf. De Nederlandse ambassadeur doet in Paramaribo echter gewoon zijn werk, en dat is terecht. Hij heeft een ontmoeting gehad met de president. Is daarbij de impasse rondom de toescheidingsovereenkomst aan de orde gesteld? De afspraken uit die overeenkomst moeten gewoon worden nageleefd. Surinaamse Nederlanders die hieronder vallen, dienen in Suriname te worden behandeld als waren zij Surinamers. Deelt de minister die opvatting? De vorige regering introduceerde een programma dat Nederlandse en Surinaamse ngo's aan elkaar koppelde. Was dat programma naar de opvatting van de bewindslieden een succes en blijft het bestaan? Behoefte is er in ieder geval.

De discussie over het ambassadenetwerk gaat traag. Daarom doe ik de bewindslieden een voorstel. Reduceer de meeste Nederlandse ambassades in de Europese Unie tot consulaat, dan kunnen wel gewoon de consulaire zaken worden behartigd. De permanente politieke contacten in Brussel zouden veel ambassadeurs in de kleinere EU-landen overbodig kunnen maken. Dat scheelt toch gauw zo'n twintig van de 127 ambassadeurs die Hare Majesteit heeft.

Het aantal klachten over onder andere de paspoortverlening is bijna vervijfvoudigd, van 160 in 2008 naar 799 in 2009. Deze toename wordt vooral toegeschreven aan de invoering van biometrie. Toch zal de serviceverlening voor de uitgifte van biometrische paspoorten niet worden verbeterd. Een aantal mensen zal naar de invoering van biometrie veel verder moeten reizen om een paspoort aan te vragen. Dat is vragen om meer klachten. Waar ligt voor de bewindslieden de grens? Hoeveel tijd en geld moeten burgers ervoor over hebben om aan een paspoort te komen in het buitenland?

Aandacht voor de mensenrechten kan handelsbelangen in de weg zitten. We zien dat bij het vrijhandelsverdrag tussen de EU en India. De EU wilde een mensenrechtenclausule opnemen met een zogenaamd geschillenbeslechtingsmechanisme. India prefereert een monitoringmechanisme en de EU lijkt daaraan toe te willen geven. Houdt de minister vast aan zo'n mensenrechtenclausule plus geschillenbeslechting?

Afsluitend: de VN heeft verklaard dat 2011 het herdenkingsjaar is van de VN Wereldconferentie tegen racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat in Durban. 2011 is volgens een resolutie van de AVVN ook het internationale jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst. Wat gaat Nederland doen ter uitvoering van die resolutie?

De heer Irrgang (SP):

Voorzitter. We hebben op 6 december zeven uur lang kunnen debatteren over het begrotingsonderdeel Ontwikkelingssamenwerking. Ik heb bij die gelegenheid alle ruimte gehad om te betogen dat dit kabinet de rekening van een crisis die veroorzaakt is door de allerrijkste mensen op aarde, bankiers op Wall Street, probeert af te schuiven op de allerarmsten in de wereld. Dat gebeurt niet met de steun van de SP. Naar aanleiding van dat debat wil ik nog een paar punten kort benoemen.

De staatssecretaris heeft in reactie op mijn suggestie om eens te kijken naar het toezicht op goededoelenorganisaties – dat is breder dan alleen ontwikkelingshulp of ontwikkelingshulpachtige activiteiten – gezegd dat hij dat zou doen. Hij leek echter te suggereren dat mijn bedoeling vooral het versimpelen van het toezicht was. Dat is ook een probleem, want er zijn maar liefst vier toezichthouders. Het gaat mij echter vooral om de onafhankelijkheid ervan. Dat wordt ook vermeld in het WRR-rapport. Als de staatssecretaris toezegt dat hij hier op een later moment, in de loop van volgend jaar, op terugkomt, ben ik op dit punt tevreden.

De staatssecretaris heeft gezegd dat hij schriftelijk zou reageren op onze motie over belastingontwijking en -ontduiking. In de brief staat daar echter niets over. Ik zou hier graag alsnog een reactie op krijgen, daar wij donderdag over de begrotingen stemmen.

Wij hebben vernomen dat het Koninklijk Instituut voor de Tropen zich gaat houden aan de dg-norm. Dat is goed nieuws. Het is ons nog niet helemaal duidelijk of dat voor de gehele directie geldt. Het is ook niet helemaal duidelijk of er nu een of twee mensen in de directie zitten. Ik krijg daar graag een reactie op.

Wij hebben met verbazing in Het Parool van 10 december 2010 gelezen dat de heer Donner, niet zijnde Piet Hein Donner, zou willen procederen tegen het onder de dg-norm gebracht worden. Wij hebben begrepen dat die keutel inmiddels weer is ingetrokken. Ik zou echter graag een reactie horen van de staatssecretaris op een opmerking in het artikel van de voorzitter van de raad van commissarissen van het Koninklijk Instituut voor de Tropen, namelijk dat staatssecretaris Knapen niet gelukkig is met de opstelling van de Kamercommissie. Ik kan mij dat niet voorstellen, omdat hij de dag daarvoor in de Kamer zei dat hij de motie van de heer Dijkhoff, ondergetekende en een aantal andere leden beschouwde als ondersteuning van zijn beleid. Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris op deze opmerking.

Ik kom nu op de amendementen, waarover wij donderdag zullen stemmen. De fracties van het CDA en de VVD hebben gezegd dat er iets moet gebeuren aan de enorme korting op het budget voor hiv/aidsbestrijding. Er liggen amendementen voor van die fracties voor ik meen 20 mln. Dat is nog geen derde ervan. Er zijn heel veel opmerkingen gemaakt, maar er ligt nu minder dan een derde. Er liggen heel veel amendementen van mijn fractie en andere fracties in de Kamer om daar veel meer aan te doen. Er zijn ook heel veel mogelijkheden om dat te doen. De bijdrage voor IDA, de Wereldbank, vervijfvoudigt volgend jaar, dus daar liggen echt heel veel mogelijkheden. Niet alleen de SP-fractie zal bij de stemmingen heel goed kijken wat de fracties van de VVD en het CDA zullen gaan doen. Ik vraag hen om hun woorden waar te maken en dat bij de stemmingen te laten zien. Anders is "talk" echt "cheap" hier.

Ik heb, om het allemaal wat makkelijker te maken, nog een amendement ingediend over de begrotingssteun voor Burkina Faso.

De vergadering wordt van 19.10 uur tot 20.00 uur geschorst.

De heer Ormel (CDA):

Voorzitter. Laat ik beginnen met mijn beide collegae te feliciteren met hun maidenspeech. Mevrouw Dikkers is aanwezig, de heer Dijkhoff nog niet. Ik ken beiden al als zeer betrokken en enthousiaste collegae. Ik vond dat zij geweldige maidenspeeches hielden, waarmee ik hen feliciteer.

De VVD begon met Tsoe En-lai, PvdA-collega Timmermans met John F. Kennedy. De verleiding is groot om dan ook met een historische figuur te beginnen, maar ik zal eindigen met een citaat van een historische figuur, dus dat houdt u nog even tegoed.

Nederland ligt midden in een veranderende wereld. Deze wereld wordt door velen gezien als beangstigend, als bedreigend, met als reactie: achter de dijken, gordijnen dicht en deur op slot. Dat is niet de oplossing voor Nederland. Het CDA is een partij die vanuit haar christendemocratische wortels pal staat voor de waarden van onze samenleving en voor universele waarden, zoals verwoord in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Vanuit het besef dat velen het slechter hebben en dat wij met hen solidair willen zijn, vanuit het besef dat wij zorgvuldig met onze aarde behoren om te gaan en vanuit het besef dat Nederland zijn boterham in het buitenland verdient, hecht de CDA-fractie groot belang aan een actief en betrokken buitenlands beleid.

Nederland kan het niet alleen. Machtsverhoudingen verschuiven in de wereld om ons heen. Er is sprake van een enorme geopolitieke verschuiving en van een multipolaire wereld. Voor Nederland is het van belang deel uit te maken van een machtsblok dat ertoe doet. Daarom is het CDA voorstander van een gezamenlijk Europees buitenlands beleid. Het is in het belang van Nederland om een actieve en betrokken lidstaat van de Europese Unie te zijn. Voor onze veiligheid, voor onze territoriale integriteit en voor de verdediging van onze waarden zijn wij afhankelijk van de NAVO. En onze bondgenoten zijn afhankelijk van ons. Daarom moet Nederland een betrouwbare bondgenoot zijn.

Nederland is solidair met de vele miljoenen mensen die leven in armoede en blijft, conform internationale afspraken, 0,7% van het bruto nationaal product besteden aan internationale samenwerking. Mondiale milieuproblemen raken ons ook en Nederland behoort volop bij te dragen aan het streven naar een duurzamer wereld.

Deze begrotingsbehandeling is bijzonder, omdat wij spreken met een nieuwe minister en een nieuwe staatssecretaris van Buitenlandse Zaken. Zo nieuw zijn zij ook niet meer, maar voor deze begroting wel. De verleiding is dan groot om, naar analogie van mr. G.B.J. Hilterman, de toestand in de wereld te beschouwen.

Aan enkele grote thema's valt niet te ontkomen, maar tijdens deze begrotingsbehandeling dienen toch vooral de piketpalen te worden gezet als parlementaire bakens voor deze over de wereld dolende bewindslieden. Het onderdeel Ontwikkelingssamenwerking heeft mijn collega Ferrier vorige week uitvoerig besproken in het wetgevingsoverleg. In het nog komende debat over de Staat van de Unie zal de rol van Nederland in de Europese Unie ter sprake komen. Maar door het Verdrag van Lissabon en de komst van EDEO zal het buitenlands beleid van de Unie vandaag toch ter sprake komen, bijvoorbeeld in het postennetwerk. De te bespreken uitgangspunten voor de CDA-fractie zullen zijn: duurzaamheid en buitenlands beleid, mensenrechten, de organisatie van het ministerie en het postennetwerk en de trans-Atlantische band en multilaterale organisaties.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Wij hebben samen ook gewerkt met de vorige minister van Buitenlandse Zaken, die als speerpunt de mensenrechten had. Dat was een van de belangrijkste thema's in zijn buitenlands beleid. U heeft een mooie inleiding gehouden over de visie van de christendemocratie op de betrokkenheid in de wereld, waarvan wij de waarden delen met elkaar: gerechtigheid, barmhartigheid, betrokkenheid. Nu heeft u ook kunnen lezen dat deze minister van Buitenlandse zaken mensenrechten als derde speerpunt na handel, economie en werkgelegenheid noemt. Hoe reageert u daarop?

De heer Ormel (CDA):

Het is natuurlijk aan iedere minister om zijn eigen stempel te drukken. Daarvan zijn wij ons wel bewust. Deze minister heeft aangegeven wat voor hem de twee belangrijkste pijlers zijn: ten eerste stabiliteit en veiligheid en ten tweede welvaart en werkgelegenheid. Deze minister heeft echter ook de mensenrechten genoemd. Ik zou hem willen meegeven dat een driepoot veel stabieler is dan een tweepoot om op te zitten.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Dat is een waarheid als een klok. De minister heeft hierin echter heel bewust een rangorde aangebracht: de eerste, de tweede en de derde. De vorige minister zette deze elementen daarentegen op een gelijke schaal neer. Wij kennen zijn mensenrechtennotitie. Wij weten ook hoe dit aspect verweven was met de andere pijler; ook toen was er immers de internationale betrokkenheid als het gaat om economie en de bevordering van economische groei. Nu is er echter duidelijk een rangorde. Ziet de CDA-fractie die ook of behoudt zij haar eigen rangorde? Bij het CDA bevonden die elementen zich altijd op een gelijke schaal. Hoe reageert de heer Ormel dan op deze minister?

De heer Ormel (CDA):

Ik heb deze minister niet horen spreken over een rangorde. Als het gaat om het mensenrechtenbeleid, verwacht de CDA-fractie dat het opkomen voor mensenrechten een essentieel onderdeel van het Nederlandse buitenlands beleid blijft.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Als u het Volkskrantartikel nog eens terugleest, zult u zien dat de minister wel degelijk een heel duidelijke rangorde aangeeft. Ik hoop dat wij ons geen zorgen hoeven te maken. Als wij dat wel moeten doen, hoop ik dat de CDA-fractie en de ChristenUnie-fractie gezamenlijk zullen kunnen optrekken.

De heer Ormel (CDA):

In het buitenlands beleid hebben wij al vaak met de ChristenUnie gezamenlijk opgetrokken. Natuurlijk waardeer ik het zeer als wij dat blijven doen. Ik zie dit als een uitgestoken hand. Graag steek ik een hand terug uit naar de ChristenUnie.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Ormel (CDA):

Ik heb de vier hoofdstukjes van mijn bijdrage genoemd. Laat ik beginnen met het hoofdstuk "duurzaamheid en buitenlands beleid".

Internationaal milieubeleid behoort tot de aandachtsvelden van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Daarnaast spelen het ministerie van EL&I en het ministerie van I en M een rol in het internationaal milieubeleid, het internationaal energiebeleid, het internationaal handelsbeleid en dergelijke. Internationaal energiebeleid heeft met duurzaamheidsaspecten te maken, maar ook met internationale stabiliteit; denk bijvoorbeeld aan de zuidelijke Kaukasus. Internationaal milieubeleid heeft grote gevolgen voor klimaatverandering, die ook weer geopolitieke conflicten tot gevolg kan hebben. Kortom, hoe positioneren minister en staatssecretaris van Buitenlandse Zaken zich in dit krachtenveld, en hoe komen zij tot coherentie van beleid? Graag krijg ik een nadere uitleg van de minister.

Het CDA vraagt aandacht voor de problematiek van de zeldzame metalen. Ook collega Nicolaï vroeg hiervoor al aandacht. Zeldzame metalen worden vaak gewonnen in instabiele gebieden, onder mensonwaardige omstandigheden. Deze winning kan zorgen voor politieke instabiliteit en aantasting van unieke natuurgebieden; denk bijvoorbeeld aan Oost-Congo, dat een oorlogsgebied is, een conflictgebied, waar volop illegale winning van zeldzame metalen plaatsvindt. Hoe moeten wij dit bestempelen? Is dat geen plundering, bijvoorbeeld?

Ook met de eenmaal gewonnen zeldzame metalen wordt slordig omgegaan. Hergebruik en recycling zijn onvoldoende ontwikkeld. China heeft zelfs aangekondigd om de export van zeldzame metalen in te dammen. Gewapende grondstoffenconflicten zijn dus niet uit te sluiten. Nederland is daarbij betrokken als handelsnatie, als gebruiker, als actief deelnemer in vele internationale verbanden en als voorvechter van internationaal recht. Kan de minister schetsen waar de coördinatie ligt? Ligt deze bij de VN, bij de EU of bij de OPEC? Hoe werken deze organisaties samen? Wat te doen met al die juridische mazen? Is de minister bereid om Nederland als trekker aan te bieden voor een coördinerende rol om bijvoorbeeld een passend juridisch internationaalrechtelijk kader voor de handel in zeldzame metalen op te zetten?

Voorzitter. Nederland is goed in watermanagement en goed in voedselproductie. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid noemde die al speerpunten van het Nederlands buitenlands beleid.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het is natuurlijk prachtig dat de heer Ormel zich zorgen maakt over de zeldzame grondstoffen, maar we hebben ook nog andere grondstoffencrises, zoals een fosfaatcrisis. Daar heeft Nederland een belangrijke rol in te vervullen, aangezien het een grootverbruiker is van fosfaat, juist voor de kunstmest. Is de heer Ormel met mij van mening dat daar ook wat aan gedaan moet worden en dat er ook een internationaal juridisch kader moet komen om de fosfaatcrisis aan te pakken?

De heer Ormel (CDA):

Fosfaat is een van de grondstoffen die over de wereld heenreizen. En de kringlopen worden steeds meer wereldkringlopen, terwijl voor de essentiële mineralen en sporenelementen de kringlopen beter regionaal kunnen zijn. We moeten daar in de toekomst meer naartoe. Ook dat is een duurzaamheidsperspectief waar we aan moeten werken. Ik vind het te ver gaan om een internationaal fosfortribunaal in te stellen.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Het is het goed recht van de heer Ormel om er een karikatuur van proberen te maken, maar we hebben te maken met een fosfaatcrisis van jewelste. Dat heeft onder meer te maken met het feit dat wij een grootverbruiker zijn van kunstmest. De heer Ormel zegt terecht dat de kringlopen verstoord zijn, zeker op regionaal gebied. Nederland is daar een van de veroorzakers van. Hoe gaat Nederland, juist om de fosfaatcrisis aan te pakken, zijn verantwoordelijkheid nemen om dat op te lossen?

De heer Ormel (CDA):

Wij moeten toe naar duurzamer landbouwsystemen. Wij moeten bijvoorbeeld mestvergisting veel meer oppakken en de resultaten van mestvergisting aanzien als kunstmest die we weer kunnen toepassen. Dat is op dit moment veel te weinig mogelijk. Wij zijn daar veel te rigide in. Daarnaast zullen we als het gaat om de internationale handel in soja bijvoorbeeld, moeten nadenken over andere stappen. Wat bijvoorbeeld ook een rol speelt, is het gebruik van dierlijke eiwitten. Die worden nu veel te veel vernietigd, wat nog een gevolg is van de zeldzame koeienziekten. Maar nu ik dit zo allemaal met u uitspreek, denk ik dat we met een ander debat bezig zijn dan met het debat over de begroting van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Dat ben ik niet met de heer Ormel eens. Het gaat er juist om dat we de crises in samenhang bekijken. De minister van Buitenlandse Zaken speelt een grote rol bij het aan de orde stellen van dit soort crises in internationaal verband, zeker als het gaat om de rol van Nederland.

De heer Ormel (CDA):

Dat ben ik met u eens. Ik ben het ook met u eens dat we moeten toewerken naar een regionalisering van kringlopen. We spraken echter over de zeldzame metalen. Die zeldzame metalen zijn zeldzaam omdat ze niet overal op de wereld voorkomen. Dat geldt niet voor fosfor. Fosfor komt overal op de wereld voor. Daarbij gaat het er meer om hoe wij komen tot een grotere regionalisering.

De heer El Fassed (GroenLinks):

We weten dat grondstoffenwinning gepaard gaat met enorme milieuschade en mensenrechtenschendingen. Wat is de heer Ormel bereid om daaraan te doen?

De heer Ormel (CDA):

Dat heb ik zojuist aangegeven. Ik heb een vraag gesteld aan de minister. Ik heb aandacht gevraagd voor de winning van zeldzame metalen. Ik vind dat er meer aandacht moet komen voor recycling. Ik vind dat er dus nadrukkelijk moet worden gekeken naar de internationale juridische consequenties van het winnen in oorlogsgebieden van zeldzame metalen. Zo zijn er tal van facetten waarmee we de kwestie van de zeldzame metalen op de agenda moeten zetten.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Bent u dan ook bereid om eens te bekijken wat de mogelijkheden zijn van bijvoorbeeld een importverbod voor grondstoffen als de winning gepaard zou gaan met enorme mensenrechtenschendingen en milieuschade?

De heer Ormel (CDA):

Een importverbod van wat? Die zeldzame metalen zijn vaak essentieel voor onderdelen van gebruiksartikelen die in de Nederlandse samenleving niet meer weg te denken zijn. Ik noem mobiele telefoons. Als wij daar verboden voor gaan afspreken met elkaar, maken wij het onszelf bijzonder lastig. Ik geloof meer in het transparant maken van handelsstromen en het goed bekijken wat aan de bron gebeurt dan in allerlei internationale verboden.

De heer Timmermans (PvdA):

De vorige minister van Buitenlandse Zaken heeft zich heel sterk gemaakt voor het in kaart brengen van de manier waarop de spulletjes die wij hier kopen, tot stand komen. Dan gaat het over waar de grondstoffen vandaan komen, wie ze in elkaar zet et cetera. Inmiddels is in VN-verband een kader gemaakt door de heer Ruggie, waarin ideeën zijn geformuleerd die ertoe kunnen leiden dat dat allemaal transparant wordt. Zo weet de Nederlandse consument als hij naar de winkel gaat, waar een product vandaan komt, of het met kinderarbeid is gemaakt, of er oorlogen nodig waren om aan de grondstoffen te komen et cetera. Is de CDA-fractie bereid om zich samen met de PvdA-fractie en misschien andere fracties in de Kamer ervoor in te zetten dat Nederland het voortouw neemt om de aanbevelingen van de heer Ruggie eerst in de EU en later in de VN daadwerkelijk gestalte te doen krijgen?

De heer Ormel (CDA):

Ik hoorde de heer Timmermans in zijn bijdrage ook spreken over het Ruggie framework. Ik ben nog niet voldoende op de hoogte van de details daarvan om de heer Timmermans nu een toezegging daarvoor te doen. Maar het feit dat ik in mijn bijdrage nadrukkelijk aandacht vraag voor de zeldzamemetalenhandel, betekent dat de CDA-fractie daar ook bezorgd om is. Zij luistert naar de beantwoording van de regering. Misschien neemt zij het idee van de heer Timmermans al over. Onze fractie zal ook zeker met interesse bekijken waar hij mee komt.

Ik kom op de mensenrechten, al heb ik daar in een interruptie van de heer Voordewind al iets over gezegd. Mensenrechten waren een speerpunt van het buitenlands beleid, en terecht. Nederland heeft immers de grondwettelijke taak om bij te dragen aan de internationale rechtsorde. Verdediging van mensenrechten valt onder deze plicht. Maar dat levert soms spanningen op met de internationale handelsbelangen van Nederland. Dat was onder de vorige minister zo. Dat zal nu ook zo zijn. Hoe gaat de minister daarmee om? Wij zijn van mening dat mensenrechten een essentieel onderdeel blijven van het Nederlandse buitenlandse beleid. Dat behoort een driepoot te zijn. Het bijdragen aan herstel van bestuur in failed states, het bestrijden van terrorisme en het uitvoeren van crisisoperaties dragen allemaal bij aan het bieden van stabiliteit en veiligheid. In feite zijn mensenrechten dus al helemaal in de tweepoot geïncorporeerd, maar wij raden de minister voor zijn eigen stabiliteit en vanwege de Arbowet een driepoot aan.

Vanuit onze bezorgdheid over internationale stabiliteit in combinatie met de mensenrechten wil ik nu aandacht vragen voor een aantal probleemgebieden, waarbij ik besef dat ik niet volledig ben. Wij willen aandacht vragen voor Iran, niet alleen vanwege de destabilisering die uitgaat van de opstelling inzake nucleaire proliferatie, maar ook vanwege de interne mensenrechtensituatie. Wij spreken vaak over Iran. Wij verwachten van de regering blijvende aandacht, ook voor de mensenrechtenschendingen.

Over Israël en de Palestijnse gebieden is de regering duidelijk in het regeerakkoord. De CDA-fractie is net als de regering een voorstander van de tweestatenoplossing. Deze twee staten zullen elkaar moeten erkennen en veiligheid aan hun burgers moeten kunnen bieden. Dat betekent bijvoorbeeld dat Hamas sergeant Gilad Shalit moet vrijlaten, die sinds 2006 gevangen wordt gehouden ergens in Gaza of in de omgeving. Het betekent ook dat wij van mening zijn dat de Palestijnen geholpen moeten worden bij de opbouw van een zelfstandige staat, die in vrede naast Israël kan leven. Onze fractie heeft dan ook een amendement ingediend om gerichte steun voor de opbouw van een justitieel apparaat op de Westelijke Jordaanoever te bevorderen.

De heer Van Bommel (SP):

Zoals ik heb gememoreerd, staat in het regeerakkoord dat Nederland verder wil investeren in de relatie met Israël. Het CDA heeft dat ondersteund. Legt de heer Ormel het zo uit dat de opschorting van de verdieping van de economische relatie via het associatieverdrag, moet worden opgeheven, althans dat de Nederlandse regering daarnaar zou moeten streven?

De heer Ormel (CDA):

Ik denk dat het van belang is dat we een goede relatie met Israël hebben, ook een goede economische relatie. Wat dat betreft vind ik dat wij vraagtekens kunnen zetten bij de opschorting van de economische verdieping die nu in Europees verband wordt nagestreefd. Het is van belang dat wij in Europees verband streven naar een verdieping van de economische samenwerking met Israël, maar ook met de Palestijnse gebieden. Wij moeten een beetje af van de polarisatie rond dit conflict. Wij moeten inzien dat dit een groot en diep conflict is, waarin wij uiteindelijk moeten streven naar een tweestatenoplossing waarbij Israël in vrede en veiligheid kan leven en er een zelfstandige Palestijnse staat is op de Westelijke Jordaanoever.

De heer Van Bommel (SP):

Met dat laatste ben ik het eens, en ook met het belang van een goede relatie met Israël en met steun aan de Palestijnen. Die zaken moeten er zijn in het Nederlandse beleid en die zijn er. Ook in het Europese beleid. Er gaat ook steun naar de wederopbouw van Gaza en ik vind dat goed. De regering steunt dat ook. Mijn vraag is echter heel concreet gericht op de tekst in het regeerakkoord, omdat het regeerakkoord op dit punt lijkt af te wijken van het Europese beleid. Volgens het Europese beleid blijft de opschorting van de verdieping van de economische relatie die gepland was, bestaan. Is het CDA het daarmee eens, of moet die opschorting ter discussie worden gesteld, zoals de regering zegt?

De heer Ormel (CDA):

Het CDA is van mening dat we gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid moeten hebben, ook ten aanzien van Israël. Dat wij binnen dat gemeenschappelijke Europese beleid als Nederland pleiten voor een verdieping van de economische relatie, vind ik begrijpelijk. Dat steunen wij.

De heer Van Bommel (SP):

Dat is juist mijn punt. Dat staat haaks op het Europese beleid. Europa heeft in 2008 juist gezegd: als gevolg van de Gazaoorlog en de boycot gaan we de economische relatie niet verdiepen, want dat zou een beloning zijn voor slecht gedrag; het kan pas op het moment dat de internationaalrechtelijke bepalingen worden nageleefd. De regering heeft in het regeerakkoord echter iets opgenomen wat afwijkt van die Europese lijn. Kennelijk volgt de heer Ormel de regering daarin. Dan moet hij niet zeggen dat hij het Europese standpunt steunt; dan steunt hij kennelijk de regering, die wil afwijken van de Europese lijn. Erkent de heer Ormel dat?

De heer Ormel (CDA):

Nee, dat erken ik niet. De heer Van Bommel luistert niet goed. Ik zeg dat het Europese beleid, dat wij als Europese lidstaten met elkaar maken, geen statisch geheel is, maar iets waarbinnen je als lidstaat een inbreng kunt hebben: zouden we het niet een beetje anders kunnen doen? Nederlandse regering zegt dat zij in Europees verband wil pleiten voor een verdieping van de economische relatie. Als wij dat niet halen, als wij daarvoor in Europa geen meerderheid vinden, komt die verdieping er dus niet. Maar dat Nederland ervoor kan pleiten, dat lijkt me logisch.

Voorzitter, mijn volgende punt is Indonesië. Het CDA betreurt in hoge mate dat het staatsbezoek van de Indonesische president op het aller-, allerlaatste moment is uitgesteld. Zet de minister zich ervoor in om dit staatsbezoek zo snel mogelijk alsnog te laten plaatsvinden? Wij zijn bezorgd over de mensenrechtensituatie in Papoea. De president heeft in zijn eerste termijn beloofd om het conflict in Papoea vreedzaam en eerlijk en bij voorkeur via dialoog op te lossen. Wij hechten aan de territoriale integriteit van Indonesië, maar wij vragen de minister om in EU-verband initiatieven voor internationale bemiddeling in Papoea te ontplooien.

Het CDA is zeer bezorgd over de oplopende spanning in Sudan nu het referendum van 9 januari voor de deur staat. We hebben hier enkele weken geleden in een algemeen overleg over gesproken. Nederland heeft allang een grote betrokkenheid getoond. Voormalig minister mevrouw Van Ardenne was nauw betrokken bij de besprekingen tussen Zuid- en Noord-Sudan. Wij verwachten van de huidige regering een betrokken en actieve opstelling ten aanzien van de grote problematiek aldaar. Hoe gaat de regering zich hiervoor inzetten?

De heer El Fassed (GroenLinks):

Vorig jaar heeft de Kamer gezegd dat Sudan een prioriteit zou moeten zijn van de regering. De staatssecretaris moet binnenkort een landenkeuze gaan maken. Steunt de heer Ormel de stelling dat Sudan daar absolute prioriteit bij zou moeten hebben?

De heer Ormel (CDA):

Ik heb nu gesproken over Sudan als geopolitieke conflicthaard. Wat daar staat te gebeuren, wordt in Afrika wel vergeleken met de val van de Berlijnse muur. Dat is iets heel anders dan een ontwikkelingsrelatie. De staatssecretaris maakt afwegingen. Die hebben ons nog niet bereikt, maar dat zal binnenkort gebeuren. Daar loop ik niet op vooruit. Ik vind wel – dat heb ik ook in het algemeen overleg gezegd – dat wij in Zuid-Sudan actief en betrokken moeten zijn. We hebben daar ook een geschiedenis liggen. Ik heb zelfs gepleit voor het openen van een consulaat in Juba.

De heer El Fassed (GroenLinks):

De betrokkenheid van Nederland bij Sudan was mede ingezet omdat wij een heel belangrijke donor waren. Zo ondersteunde Nederland mede het CPA en het vredesproces. Als Sudan in het buitenlands beleid een prioriteit zou moeten zijn, lijkt het mij logisch dat het ook in de landenkeuze wordt meegenomen. Dat is volgens mij het coherente beleid waar de heer Ormel voor pleit.

De heer Ormel (CDA):

Ik wacht met belangstelling de afweging van de staatssecretaris af, mijnheer El Fassed. U doet dat ook, denk ik.

Voorzitter. Ik kom op Birma. De vrijlating van Aung San Suu Kyi is verheugend, maar eerder vertoond. In 1995 en 2002 heeft haar vrijlating geen enkel positief effect gehad. Onlangs zijn de verkiezingen volkomen vervalst. De CDA-fractie blijft aandacht vragen voor Birma/Myanmar. Er zijn nog 2200 politieke gevangen. Die moeten nog vrijgelaten worden. Nederland moet in EU-verband aandacht blijven vragen voor Birma en aandringen op samenwerking met de Verenigde Staten, de Asean en China om gezamenlijk een tripartiete dialoog te eisen tussen de democratisch gezinde oppositie onder leiding van Aung San Suu Kyi, etnische minderheden en het huidige regime. De internationale druk op het Birmese regime moet opgevoerd worden in plaats van ons in slaap te laten sussen door haar vrijlating. Graag een reactie van de regering.

De heer Van Bommel (SP):

Als de heer Ormel spreekt over het opvoeren van internationale druk, vraag ik mij altijd af wat hij precies bedoelt. Bedoelt hij dat met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Birma, waar de regering zich terecht zorgen over maakt, en met betrekking tot de positie van Aung San Suu Kyi het sanctieregime ten aanzien van Birma moet worden aangescherpt?

De heer Ormel (CDA):

Ik bedoel met name dat het risico bestaat dat door de ontwikkelingen die onlangs hebben plaatsgevonden in Birma, de vrijlating in combinatie met de verkiezingen, er landen zijn, ook binnen de EU, die zeggen: het gaat er nu toch een tandje beter; laten we toch eens met dat regime in gesprek gaan. Dat is precies wat het regime wil. Het wil een wig drijven tussen de Asean, China, de VS en de EU. Dat moeten we niet laten gebeuren. We moeten gezamenlijk blijven optrekken om gezamenlijk druk te zetten op Birma om de tripartiete dialoog tot stand te brengen.

De heer Van Bommel (SP):

Daar ben ik het zeer mee eens. Dat is alleen wat anders dan de druk opvoeren. Volgens mij ligt de oplossing van het probleem in het overleg met en het beïnvloeden van partners in de regio, die veel meer invloed hebben dan Europa. Ik herhaal mijn vraag: de heer Ormel pleit dus niet voor het aanscherpen van sancties, die Europa overigens wel heeft, maar andere delen van de wereld niet?

De heer Ormel (CDA):

Het is natuurlijk mooi om tegen de Asean te zeggen dat die dezelfde sancties moet hebben als Europa. Maar laten we ook realistisch zijn. Vanuit het Europese perspectief gezien vind ik dat Nederland in Europees verband ervoor moet pleiten om niet nu in gesprek te gaan met het regime in Birma, maar om gezamenlijk met de Asean, China en de VS te zeggen: beste mensen, ga die tripartiete dialoog aan; besef dat er een oppositie is en besef dat er etnische minderheden zijn; kom daaruit. Ik denk dat dit het zinvolst is in plaats van hier nu stoer te doen over sancties.

Voorzitter. Ik kom op het postennetwerk. Wij begrijpen dat er over dit belangrijke punt nog een nadere positiebepaling van de minister volgt. Dat maakt het des te belangrijker om enkele piketpalen te slaan. Ons postennetwerk is van hoog niveau en levert een belangrijke ondersteunende bijdrage aan het Nederlandse bedrijfsleven. Het kind moet niet te snel met het badwater weggegooid worden; expertise op het terrein van economische zaken en landbouw is van grote betekenis en dat moet zo blijven. Ook de politieke rol van onze ambassadeurs is van groot belang. Het backoffice kan ongetwijfeld per regio worden samengevoegd of kan zelfs dankzij moderne communicatiemiddelen, zonder WikiLeaks, vanuit Den Haag worden gecoördineerd. Het opheffen van posten is echter een stap die niet te licht moet worden genomen. Er kan eerder gedacht worden aan het samenvoegen van ambassadetaken met vooruitgeschoven posten per land. Een ambassadeur met geringe middelen is ook nog een volwaardige ambassadeur. Consulaire taken moeten liefst zo snel mogelijk in EDEO-verband worden samengevoegd. Volgens de CDA-fractie moet er geen generieke kaasschaaf over grote ambassades worden gehaald, in landen die voor Nederland van essentieel belang zijn, zoals in Duitsland, de Verenigde Staten en China.

In het WRR-rapport wordt geadviseerd om ons toe te leggen op niches. Wij zijn het daarmee eens, maar het is ook belangrijk om zichtbaar te zijn in de wereld in het belang van onze internationaal vervlochten economie. Ik merk het volgende op over de niches voedsel en duurzaamheid. Wij vinden dat de gewenste deskundigheid misschien moet worden uitgebreid en gecoördineerd.

Wij hebben met teleurstelling kennis genomen van het schrappen van het budget voor Matra. Met relatief weinig geld wordt hiermee op een kleinschalige en zeer effectieve manier ingezet op versterking van maatschappelijke en democratische veranderingen in preaccessielanden in Midden- en Oost-Europa. Gezien het verleden van deze landen, die nog maar 25 jaar geleden achter het ijzeren gordijn lagen, achten wij het onverantwoord om de inzet van Matra stop te zetten. Bovendien dienen wij daarmee een Nederlands belang, want er zijn zeer veel handelsinitiatieven ontstaan uit de contacten die uit Matra voortkomen. Het is nu eenmaal makkelijker om met onze buurlanden handel te drijven, dan met landen die heel ver weg zijn. Ik zeg tegen de minister dat wij op dit punt een amendement zullen indienen.

Als laatste kom ik op de trans-Atlantische band. De CDA-fractie is van mening dat Nederland essentiële waarden zoals individuele vrijheid, vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting en respect voor het menselijk leven, deelt met de lidstaten van de Europese Unie en de leden van de NAVO. Deze waarden lijken voor ons vanzelfsprekend te zijn, maar dat zijn ze niet. Deze waarden zijn het waard om verdedigd te worden. Daarom is Nederland overtuigd lid van de NAVO en de EU. De WRR denkt daar wat anders over, maar wij delen de opvatting van de minister dat wij twee ankers hebben: de NAVO en de EU.

Ik rond af met een historische figuur, want dat had ik beloofd. In het WRR-rapport Aan het buitenland gehecht, wordt de positie van Nederland vergeleken met een vlot in een snelstromende rivier. Wie in zo'n wildwaterbaan koste wat het kost aan zijn eigen koers wil vasthouden, slaat om. Rosenthal en Knapen met de peddel in de hand en Rutte met een helm op midden in het vlot. In deze metafoor kan de bemanning van het vlot slechts reageren op stroomversnellingen en is zij afhankelijk van de woeste kolken in de snelstromende rivier der wereldgeschiedenis. De CDA-fractie verwacht grote alertheid, maar vindt de vergelijking met een wankel vlot geen recht doen aan de positie van Nederland. Daarom geven wij de regering de lijfspreuk van de vader des vaderlands mee: saevis tranquillus in undis, een rots in woelige baren.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Volgens mij zei de heer Ormel in zijn inleiding dat hij ook nog wat over het klimaat zou zeggen. Afgelopen week is er in Cancún een akkoord gesloten over de verlenging van het Kyotoprotocol over de uitstoot van broeikasgassen en de uitwisseling van technologie. Vindt de CDA-fractie dat Nederland gelet op onze kennis daarin een voortrekkersrol moet spelen?

De heer Ormel (CDA):

Ik ben begonnen met duurzaamheid. Wij vinden duurzaamheid belangrijk omdat wij een goed rentmeester willen zijn en de aarde op een nette manier willen doorgeven aan de volgende generatie. Daarbij hoort ook dat wij zo veel mogelijk de menselijke invloed op klimaatverandering onder controle moeten zien te krijgen. Wij moeten dus voldoen aan onze internationale verplichtingen, maar meer dan dat moeten wij datgene waarin wij goed zijn, zien te exporteren over de wereld. Als u weet dat in 2050 de wereldbevolking uit meer dan 9 miljard mensen bestaat en als u weet dat het landbouwareaal enorm afneemt door de klimaatverandering, dan kunt u ook beseffen dat willen al die monden gevoed worden en willen wij voedselzekerheid houden voor die mensen – dat zal GroenLinks ook willen – wij de zeer goede intensieve manier van landbouw bedrijven van Nederland zo veel mogelijk moeten exporteren. Dat is een speerpunt. Ik ben blij als GroenLinks zij aan zij met de CDA-fractie wil strijden voor een goed uitdragen over de wereld van de wijze waarop wij landbouw bedrijven.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Onder het CDA zijn de klimaatgelden enorm afgenomen in vergelijking met voorgaande jaren. Dat strookt niet helemaal met het verhaal dat ik nu hoor, dat duurzaamheid zo belangrijk is.

De heer Ormel (CDA):

Je kunt natuurlijk overal kleine details uit halen of zaken die je extreem belangrijk vindt, het CDA heeft verantwoordelijkheid gedragen, ook de afgelopen jaren. Het CDA is een rentmeesterpartij. Wij willen de aarde op een nette manier overdragen. Daarbij hoort ook de balans tussen people, profit en planet, wij, winst en de aarde. Die balans zorgt ervoor dat het soms een tandje minder moet om daarna versterkt door te kunnen gaan. Alleen met een goede economische vooruitgang kunnen wij welvaart creëren, waarmee wij vervolgens kunnen investeren in duurzaamheid.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Wij kennen allemaal het principe "de vervuiler betaalt". Wij weten dat in ontwikkelingslanden mensen helemaal niet zijn voorbereid op de klimaatverandering en dat wij daaraan een steentje kunnen bijdragen. Daarover hoor ik juist niets.

De heer Ormel (CDA):

Ik begrijp dat u nogal eens aan het kraambed gekluisterd bent, maar de kranten staan er vol van. Ik vind het een beetje flauw om dat tot partijpolitiek terug te brengen. Heel Nederland wil bijdragen aan een betere wereld en aan meer duurzaamheid. Dat is niet meer iets van de ene partij dit of de andere partij dat. Het gaat hooguit om verschillen tussen willen wij de volledige economische ontwikkeling stopzetten om direct aan alles te voldoen of willen wij ook een economische ontwikkeling, zodat wij in de toekomst de winst die wij daaruit halen, kunnen inzetten voor een duurzame wereld. Ik geloof in het laatste model.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Voorzitter. Allereerst mijn complimenten aan de collega's Dikkers en Dijkhoff voor hun maidenspeeches. Ik heb het genoegen gehad om al met hen te hebben samengewerkt en hun maidenspeeches doen mij nog meer verlangen naar een voortzetting van onze vruchtbare samenwerking.

Wij hebben op 6 december een goed debat gevoerd met de staatssecretaris over ontwikkelingssamenwerking. Daarin heb ik op verschillende punten instemming betuigd, maar ook de pijnpunten van de CDA-fractie naar voren gebracht. Intussen heb ik samen met de VVD een amendement ingediend om de pijn op hiv/aids met 20 mln. te verzachten.

Wat MDG3 betreft sluit ik me graag aan bij de oproep die mevrouw Dikkers zojuist in haar maidenspeech deed. Misschien moet ik de staatssecretaris daarbij aankijken op dezelfde manier als mevrouw Dikkers, zodat hij ook naar mij instemmend zal knikken.

Op twee punten wil ik hier nog nader ingaan. Dat zijn het MFS, het medefinancieringsstelsel, en de afbouw van sectoren en dan specifiek het onderwijs.

Wat het medefinancieringsstelsel betreft, hoeven wij in feite nu niet te beslissen over 2012 en de nakomende jaren. Ik wil de staatssecretaris voorstellen de basisbeschikking van 1 november in stand te houden en van jaar tot jaar te bekijken of hij het begrotingsvoorbehoud, dat immers deel uitmaakt van die beschikkingen, wil inroepen. Zo kunnen wij ieder jaar bekijken en bedebatteren of de begroting toelaat die middelen ter beschikking te stellen.

Ik wil de staatssecretaris ook vragen zich ervoor in te spannen dat, als er financiële ruimte komt door groei van het bruto nationaal product of anderszins, die allereerst wordt vrijgemaakt voor het zo belangrijke medefinancieringsstelsel.

Kan de staatssecretaris ook toezeggen dat medefinancieringsorganisaties mee kunnen doen aan het te ontwikkelen sectorbeleid op de terreinen water, landbouw en voedsel, mensenrechten en good governance? Graag krijg ik een duidelijke reactie.

De heer Irrgang (SP):

Mevrouw Ferrier zei terecht dat wij op 6 december lang hebben gesproken over de begroting, het onderdeel Ontwikkelingssamenwerking. Zij zette daar in dat de kortingen op hiv/aids zo veel mogelijk moeten worden beperkt. Zij komt nu niet verder dan een derde en op het MFS komt zij met helemaal niets. Zij kan wel over 2012 en verder beginnen, maar wij spreken hier toch echt over de begroting 2011. Is dit nu alles wat er overblijft van haar betoog?

Mevrouw Ferrier (CDA):

De heer Irrgang moet goed naar mij luisteren. Ik heb nooit gezegd dat ik de kortingen op hiv/aids zo veel mogelijk wil herstellen. Ik heb steeds gezegd dat ik de pijn wil verzachten, omdat ik weet in wat voor financiële positie wij op dit moment verkeren. Ik kan natuurlijk met voorstellen komen die heel leuk en heel haalbaar lijken en die misschien voor dit moment ook haalbaar zijn, maar waarmee wij ons in de toekomst in de voet schieten. Ik denk aan kasschuiven van IDA. Ook de CDA-fractie heeft likkebaardend en verlangend gekeken naar de verhoging op IDA en gedacht: kunnen wij dat geld nu niet beter besteden voor 2011? Ik ben tot de conclusie gekomen dat, als wij nu al van die ruimte gebruikmaken, er voor de toekomst weinig overblijft. Ik kom niet met weinig; dat vind ik helemaal niet. Ik vind dat ik met reële zaken kom, waarmee ik ook ruimte overhoud voor de toekomst. Juist omdat wij nu over 2011 praten en niet over de nakomende jaren, heb ik aan de staatssecretaris gevraagd: kunnen wij dan nu niet die beschikking van 1 november jongstleden vasthouden en ieder jaar opnieuw bekijken of wij die 50 mln. al dan niet moeten inzetten? Misschien kan het in 2012 of 2013 wat minder zijn. Misschien is de financieel-economische situatie dan zodanig veranderd dat wij met een andere situatie te maken hebben; vandaar dat voorstel.

De heer Irrgang (SP):

Ik heb samen met mevrouw Ferrier aan de basis gestaan van het meerpartijeninitiatief hiv/aids hier in de Kamer. Dat is een belangrijk initiatief waarmee wij het politieke belang daarvan wilden onderstrepen. Maar op dit soort momenten leer je wel je vrienden kennen. Dan moet zij niet aankomen met 2012 en verder, met Wereldbankbijdragen die ver in de toekomst liggen. In 2011 wordt de bijdrage voor de Wereldbank vervijfvoudigd. Op dit moment is het aan mevrouw Ferrier om te zeggen: ik laat dat lopen of ik doe dat niet. Er liggen amendementen van mij en ook van andere fracties om dat te kiezen. Dan is het nu aan mevrouw Ferrier om te zeggen waar zij staat. Kiest zij nu voor de bestrijding van hiv/aids of laat zij dat lopen?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik kies voor het verzachten van de pijn op hiv/aids en ik doe dat met een eigen amendement, waarvan ik weet dat ik volledig kan staan achter de financiële dekking. Ik zal niet ontkennen dat ik ook graag veel meer had gedaan. Ik zal niet ontkennen dat ik mij met volle overtuiging heb ingezet voor het meerpartijen­initiatief hiv/aids en dat wij graag hadden gezien dat er meer geld voor hiv/aids was. Nogmaals, ik hecht eraan om met een dekking te komen waarvan ik weet: hiermee behoud ik ruimte voor de toekomst. De vervijfvoudiging van IDA is omdat de betaling in golven gaat: nu moeten wij een deel betalen, de komende jaren kan het misschien wat minder zijn. Daarom zeg ik: laten wij voor onszelf die ruimte creëren.

De heer Irrgang (SP):

Ik bestrijd hier ten stelligste dat die dekking niet goed is. Die dekking is een politieke keuze waaruit blijkt wat je belangrijk vindt: wil je een vervijfvoudiging van de bijdrage aan de Wereldbank of niet? Wij kunnen ervoor kiezen om die bijdrage naar achteren te schuiven. Wij kunnen er zelfs voor kiezen om bij de zestiende middelenaanvulling minder bij te dragen. Die keuze heeft mevrouw Ferrier. Die is aan haar en aan de CDA-fractie. Als zij daar niet voor kiezen is dat geen kwestie van het ontbreken van een dekking; dan is het CDA niet bereid om de politieke prioriteit te leggen bij de aidsbestrijding, die de afgelopen jaren een gigantisch succes is gebleken. In de afgelopen jaren heb ik samen met mevrouw Ferrier bij voortduring de aidsbestrijding verdedigd. Nu komt het erop aan die waar te maken.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Mijn collega's kennen mij als iemand die goed luistert naar de argumenten. Ik heb goed naar de argumenten van de heer Irrgang geluisterd. Ik ga zijn amendementen heel goed bestuderen en bespreken in mijn fractie. Ik kan hem nu wel zeggen dat mijn fractie niet zal meegaan met amendementen waarin wij de pijn naar achteren schuiven, want dan komen wij onszelf op een later moment tegen.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Laat ik mevrouw Ferrier helpen. De klappen vallen niet alleen bij aids, maar ook bij onderwijs en het medefinancieringsstelsel. Mevrouw Ferrier heeft tijdens het wetgevingsoverleg gezegd dat deze bezuinigingen "de bijl aan de wortels" van maatschappelijke organisaties zijn. Is mevrouw Ferrier bereid om net als de Partij van de Arbeid te stemmen voor een motie waardoor een bezuiniging van 50 mln. op ontwikkelingssamenwerking en maatschappelijke organisaties wordt gerepareerd? Wij willen de pijn verzachten. Die extra bezuiniging van 50 mln. willen wij niet. Die halen wij af van de zestiende bijdrage aan de Wereldbank. Is mevrouw Ferrier bereid daarin mee te gaan?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik geef mevrouw Dikkers hetzelfde antwoord als de heer Irrgang. Inderdaad, de korting op het medefinancieringskanaal is een pijnpunt van de CDA-fractie.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

"De bijl aan de wortel", hebt u gezegd.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ja, dat vind ik ook. Dat heb ik niet voor niks gezegd. Wij hechten enorm aan het maatschappelijk middenveld. Dat levert een enorme bijdrage aan de opbouw die in landen zo nodig is. Maar ook hier geldt dat ik geen dingen wil doen waarbij ik mijzelf later tegenkom omdat er volstrekt geen ruimte is. Daarom doe ik een dringende oproep aan de staatssecretaris, die aandachtig naar deze indringende oproep luistert. Wij hebben het nu over 2011. Wij hoeven niet over de jaren daarna te beslissen. Het gaat nu om 50 mln. Dat doet pijn, maar iedereen slikt dat. Laten wij bekijken of wij het in de komende jaren, als wij weten welke ontwikkelingen er zijn, op een andere manier kunnen doen.

Op de vraag over de IDA geef ik hetzelfde antwoord als het antwoord dat ik de heer Irrgang heb gegeven.

De voorzitter:

Mag ik mevrouw Ferrier vragen om iets beknopter te antwoorden?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik zal mijn best doen, voorzitter.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Het is een politieke keuze om het geld naar de Wereldbank te laten gaan in plaats van naar het maatschappelijk middenveld. Ik constateer dat de CDA-fractie kiest voor de Wereldbank en niet voor het maatschappelijk middenveld.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Mevrouw Ferrier heeft in het wetgevingsoverleg dat wij met de staatssecretaris hebben gevoerd, zelf voorgesteld om de bezuiniging van 50 mln. te spreiden over vijf jaar. Dat betekent dat je kiest voor 10 mln. per jaar. Collega Van der Staaij en ik hebben een amendement ingediend om die bezuiniging van 50 mln. ongedaan te maken. Op suggestie van mevrouw Ferrier hebben wij in het amendement een fasering aangebracht. Is de CDA-fractie nu bereid om haar eigen voorstel te steunen?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Dat amendement moet ik nog goed bestuderen en bespreken in mijn fractie. Ik zal het met veel belangstelling lezen, mijnheer Voordewind.

De voorzitter:

Ik zie dat u wilt interrumperen, mijnheer Van Bommel, maar uw collega heeft op dit punt al geïnterrumpeerd.

De heer Van Bommel (SP):

Ik had de indruk dat mevrouw Ferrier aan het eind van haar betoog was.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Nog niet.

De voorzitter:

Bijna. Het scheelt een haar, dus u moet even gaan zitten, mijnheer Van Bommel.

Mevrouw Ferrier rondt haar betoog af.

Mevrouw Ferrier (CDA):

Zeker, voorzitter.

Ik heb nog een paar vragen over onderwijs. Ik was geraakt door de opmerking van de staatssecretaris dat wij geen school uitwandelen waar de kinderen nog binnenlopen in de verwachting dat zij daar onderwijs kunnen volgen. Toch is mijn fractie bezorgd over de afstemming tussen donoren in de praktijk. Daarom heb ik drie concrete vragen.

Ten eerste: met welke partnerlanden en donoren vindt nu afstemming plaats? Ik denk bijvoorbeeld aan de situatie in Benin. Wij gaan daaruit en ook Denemarken houdt daar op als onderwijsdonor. Hoe gaat het daar verder met het onderwijs? Ten tweede: hoe wordt de continuïteit van de lopende onderwijsprogramma's gemonitord? Tot slot: als er geen andere financiering of financier gevonden wordt, blijft Nederland dan in dat land of laten wij die kindertjes een school in lopen waar geen onderwijs meer gegeven wordt?

De heer Van Bommel (SP):

Ik heb in het betoog van mevrouw Ferrier Suriname gemist. Ik weet dat zij daar een goede band mee onderhoudt. Ik kom er zelf ook wel eens. De relatie tussen Nederland en Suriname is er een uit het verleden, maar ook uit het heden en ook zeker in de toekomst. Daarom vraag ik haar of zij de door de regering ingezette koers steunt. Er is namelijk gekozen voor een zakelijke relatie met de nieuwe regering van Suriname, inclusief de president. Dat is op eigen initiatief de houding van Nederland. Daarnaast heb ik een vraag over de inzet die Nederland steeds had op het punt van de toescheidingsovereenkomst. De vorige minister van Buitenlandse Zaken zei dat de toescheidingsovereenkomst een bilateraal verdrag is en gewoon moet worden nageleefd en dat wij, als we er niet uitkomen, eventueel zelfs naar het Internationaal Gerechtshof gaan. Is dat ook nog steeds het standpunt van de CDA-fractie?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Ik heb altijd gezegd en zeg nog steeds dat de relatie tussen Suriname en Nederland een bijzondere is. Dat vindt de CDA-fractie en dat vindt mijn partij. Die relatie laat zich duiden door zakelijkheid en betrokkenheid en krijgt niet alleen gestalte op het niveau van de regering maar met name ook op het niveau van de vele contacten tussen beide samenlevingen. Het zijn familiaire banden maar ook vriendschapsbanden. Vandaar dat ik volledig sta achter de door de regering gekozen lijn om een zakelijke maar betrokken relatie op te bouwen met Suriname. Ik vind het belangrijk dat er afspraken zijn gemaakt, ook over de besteding van de laatste middelen voor ontwikkeling. Die afspraken zijn gemaakt tussen Nederland en de republiek Suriname. Ik vind dat die afspraken nagekomen moeten worden. Daarover dient zakelijk overleg plaats te vinden. Daar sta ik dus volledig achter.

Over de toescheidingsovereenkomst hebben wij het ook al eerder gehad. Die overeenkomst is er nu en moet nageleefd worden. De overeenkomst is wel toe aan herziening. Het debat daarover moet gevoerd worden. Dat debat wordt in Nederland ook gevoerd door de gemeenschap die van Surinaamse afkomst is en wordt ook in Suriname gevoerd. Er vindt ambtelijk overleg plaats. Ik zie er eigenlijk zeer naar uit om met deze nieuwe regering nader te spreken over de toescheidingsovereenkomst in relatie tot Suriname en om te bekijken hoe wij daarmee omgaan en wat de plannen zijn van de nieuwe regering in Suriname.

De heer Van Bommel (SP):

Dat is helder. Dank u wel voor dat heldere antwoord, zeker over de steun aan de regering voor haar zakelijke houding jegens de Surinaamse regering.

Mevrouw Ferrier (CDA):

En betrokken!

De heer Van Bommel (SP):

Zakelijk en betrokken, vanzelfsprekend. Die zakelijkheid hangt ook samen met het feit dat wij te maken hebben met een president die in Nederland een veroordeling op zijn naam heeft staan. Dat is een complicatie. Toch heeft de regering de moed gehad om die stap vanwege die zakelijkheid en betrokkenheid te zetten. Ik heb nog geen duidelijk antwoord gekregen op de vraag welke inzet de regering volgens u moet hebben op het punt van de toescheidingsovereenkomst. U zegt dat die overeenkomst moet worden herzien, maar wat zou volgens de CDA-fractie de inzet van Nederland moeten zijn?

Mevrouw Ferrier (CDA):

Dat is niet nieuw. Die discussies worden allang gevoerd. Er vindt overleg plaats op het niveau van beide regeringen en er vindt ook ambtelijk overleg plaats. Ik ben het met de heer Van Bommel eens dat het hoog tijd is om van deze regering een update te vragen en om dan diepgaand met de regering in debat te gaan over de relatie tussen Suriname en Nederland.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Graag zou ik naar aanleiding van het vragenuurtje vanmiddag eerst de actualiteit doornemen met de minister. Het gaat met name over Rwanda en Victoire Ingabire. De staatssecretaris van Justitie heeft vanmiddag gezegd dat zowel hij als de minister van Buitenlandse Zaken betrokken was bij de afweging van de rechter-commissaris te Rotterdam om de inval te doen. Er zal zich nog een tweede weegmoment voordoen, maar ik zou graag morgen van de minister, voor hij aan zijn eerste termijn begint, een brief krijgen waarin hij uiteenzet wat de redenen waren om het eerste weegmoment positief voor de inval te doen uitslaan. Kan de minister in die brief ook aangeven hoe het contact tussen Rotterdam en de twee ministeries is verlopen? Verder zou ik willen vernemen hoe de minister de Kamer hierbij gaat betrekken voor het tweede weegmoment, namelijk het sturen van de stukken naar Rwanda. Als die beantwoording morgen plaatsvindt, zou dat een spoeddebat of spoed-AO, waarover we vanmiddag hebben gesproken, kunnen voorkomen.

De heer Ormel (CDA):

Ik steun het verzoek van de heer Pechtold, maar heb wel een vraag aan hem. Uit de eerste reacties in de pers heb ik begrepen dat de heer Pechtold het als zeer verontrustend beschouwde dat er een inval is geweest. Ik deel de wens om te horen hoe de afweging is geweest, maar ik vind het te vroeg om dit als zeer verontrustend te kwalificeren. Kan de heer Pechtold aangeven waarom hij dit nu al zeer verontrustend vindt?

De heer Pechtold (D66):

De positie van deze oppositieleidster baart ons al tijden zorgen. Tot het vragenuurtje vanmiddag was volstrekt onduidelijk of de rechter-commissaris op zijn eentje strikt heeft gekeken naar de letter van het juridische verdrag dat we met Rwanda hebben of dat er ook politieke bemoeienis is geweest. De staatssecretaris gaf op mijn vraag vanmiddag aan dat er wel degelijke politieke bemoeienis is geweest, sterker nog, dat hijzelf en de minister van Buitenlandse Zaken daarbij betrokken waren. Dat verbaast mij. Ik had bij zo'n gevoelige zaak wel verwacht dat de bewindslieden ons op zijn minst direct per post hadden geïnformeerd over de stand van zaken. Daarom ben ik verontrust.

De heer Ormel (CDA):

Er zijn verdragen met Rwanda. Er vindt uitwisseling plaats. Er worden zelfs verdachten van oorlogsmisdaden teruggestuurd naar Rwanda. Deze mevrouw, Victoire Ingabire, is in hechtenis in Rwanda en wordt onder andere verdacht van contacten met rebellen die oorlogsmisdaden bedrijven in Oost-Congo. Ik weet niet of dat waar is, maar als dat onderzocht wordt en als daarom de huiszoeking heeft plaatsgevonden, kan ik me voorstellen dat die huiszoeking terecht was. Daarom vind ik het nu te vroeg om daaraan de kwalificatie "zeer verontrustend" te geven.

De heer Pechtold (D66):

Het regime in Rwanda is op zich al verontrustend. Wij doen inderdaad aan juridische uitleveringen aan Rwanda van ernstig geboefte en eventueel van lui die in de tijd van de genocide aldaar een rol hebben gespeeld, maar de huiszoeking heeft zaterdag reeds plaatsgevonden. Inmiddels had het ministerie van Buitenlandse Zaken of het ministerie van Justitie wel aan de openbaarheid kunnen toevertrouwen waarom dit gebeurd is. Omdat het regime in Rwanda mij zeer verontrust en omdat de positie van deze oppositieleidster verontrust, waarmee ik niets af wil doen van de mogelijkheid dat er iets waar is van de beschuldigingen, had ik gehoopt dat we niet zo zouden worden geconfronteerd met de feiten. Het feit dat ik zelfs na het vragenuurtje vanmiddag nog niets aan communicatie vanuit de ministeries heb gehad, noopt mij samen met u tot het stellen van deze vraag. Laten we kijken wat daaruit komt en welke oordelen u daaraan verbindt.

Voorzitter. Wat is het beeld van Nederland in de wereld? Wat is het eerste dat mensen op hun netvlies krijgen als ze aan ons denken? Ik denk dat ze allereerst een vooruitstrevende handelsnatie zien, een land dat middenin de wereld staat, dat in de zestiende eeuw een van de eerste landen ter wereld was dat zich openstelde voor vrije handel en dat elders zocht wat hier niet was. Ze zien een land dat in de zeventiende eeuw een vrijhaven was voor vele denkers en schrijvers wier gedachtegoed in de rest van Europa verboden was, zoals Bayle, Locke en Descartes. Dat boeken en geschriften liet drukken die elders verboden waren, om de ruimte te bieden aan zichzelf, maar belangrijker nog, aan anderen. Een land dat in de twintigste eeuw een pleitbezorger was van de Volkenbond, een van de zes oprichters van de Europese Unie en dat gastheer werd van vier internationale gerechtshoven. En dat, uniek in de wereld, het bevorderen van de internationale rechtsorde in zijn Grondwet heeft staan.

Deze instituties zijn van onschatbare waarde. Aan dit beeld is eeuwen gewerkt, zoals andere landen de goede kanten van hun imago koesteren. De Fransen cultiveren het idee dat goede wijn uit Frankrijk komt. Hun hele economie draait op die wijn en op dat imago. De Britten claimen dat zij het voetbal hebben uitgevonden. Football is coming home, zo luidt het dan. Voetbal als ware industrie. De Duitsers presenteren zich als de cultuurdragers van het Europees erfgoed met Bach, Beethoven, Brahms, Goethe en Nietzsche. Maar, dan mijn probleem van vandaag met het beeld van Nederland als open en tolerante samenleving. Met dit zorgvuldig opgebouwde imago en met deze traditie breekt deze regering abrupt. Het regeerakkoord legt een hypotheek op onze historie en reputatie. Europa, internationale solidariteit, internationale verdragen: zij staan het kabinet meer in de weg dan dat zij worden gekoesterd. Hoe anders de ruim 800 mln. te verklaren die wordt bezuinigd op ontwikkelingssamenwerking? Hoe anders te verklaren dat de minister vijf EU-richtlijnen en zes andere verdragen, tot en met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen, wil veranderen? Want minister, u wilt die toch allemaal wijzigen? U wilt toch meer speelruimte voor een bijna hysterisch asiel- en migratiebeleid?

De minister stelt dat collega's in het buitenland de gedoogconstructie wel begrijpen. Mijn ervaring is een andere. In al mijn contacten met ambassadeurs en vertegenwoordigers van andere landen krijg ik een spervuur aan vragen over hoe het nu precies zit. Ik heb moeite om ze dat uit te leggen. Het kan aan mij liggen, maar was het maar zo eenvoudig. Kan de minister trouwens ophelderen hoe hij dit in het Engels en het Frans uitlegt? Hoe legt hij uit dat de term "gedogen" volgens het woordenboek betekent: met lijdzaamheid verdragen? Wie zijn hier dan degenen die lijden?

D66 wil een buitenlandbeleid dat niet in zichzelf gekeerd is. Wij willen dat Nederland in Europa leidend is, zoals Europa in de wereld leidend moet zijn in het streven naar veiligheid en welvaart. Ons buitenlandbeleid moet primair lopen via de EU. Alleen een samenwerkend Europa kan bijdragen aan oplossingen voor grote problemen in de wereld. De minister wil zich inzetten voor ons trans-Atlantische bondgenootschap en zich meer richten op de Verenigde Staten. Dat is een achterhaalde koudeoorlogideologie. Wat moet Rusland hiervan nu denken? Rusland, dat bij de NAVO-top in Lissabon juist aansluiting zocht én vond. In de theorieën van de minister is het dus niet welkom. Minister, zou ik zeggen, koop eens een nieuw boek over de internationale betrekkingen en niet bij De Slegte. Ook de Verenigde Staten zien namelijk liever een sterk en samenhangend Europa dan 16 miljoen Nederlanders die hen weliswaar steunen, maar zich binnen Europa isoleren. Nog altijd moet er een echt antwoord komen op de vraag van Kissinger wie hij zou moeten bellen als hij Europa wil spreken. Nederland moet helpen, dit antwoord te formuleren. Vindt de minister dit ook?

Toch niet voor niets schreef de WRR in een recent rapport dat de EU de belangrijkste arena is om onze eigen strategie te realiseren. Niet voor niet schreef de WRR dat Nederland de ambitie moet hebben, juist hier te excelleren. Minister, de hoofdauteur zit naast u! Ik raadde u al even aan een nieuw boek te kopen over internationale betrekkingen. Ik zou zeggen, misschien kunt u een gesigneerd exemplaar krijgen!

De heer Ormel (CDA):

Over het belang van Europa voor Nederland en over het gemeenschappelijk buitenlands beleid vinden D66 en CDA elkaar heel vaak. Wij hebben er zelfs gezamenlijk voor gezorgd dat de Europese vlag bovenop dit huis zwaait. Over de trans-Atlantische band zegt de heer Pechtold echter: ach, dat is koudeoorlogretoriek, dat is voorbij. Dan vraag ik hem toch waar die overspannen gedachte vandaan komt dat Europa kan zorgen voor onze veiligheid, onze territoriale integriteit en de bescherming tegen bijvoorbeeld terroristische aanvallen. Europa bestaat uit landen die neutraal zijn en Europa heeft geen gezamenlijk defensiebeleid.

De heer Pechtold (D66):

Nee, en dat zou er wel komen als het aan D66 ligt. Tot die tijd is ook mijn partij zeer trots op de relatie die wij met de trans-Atlantische partners hebben. Wij hebben daar waar mogelijk, graag steun verleend aan operaties die wij gezamenlijk met de NAVO uitvoeren. De vraag is echter, zeker als je als minister je eerste visitekaartje afgeeft, of je terugkijkt naar die periode van de Koude Oorlog en de nadruk legt op de NAVO, of dat je vooruitkijkt naar een samenwerkend Europa, zoals ik had gehoopt en de heer Ormel zojuist in zijn bijdrage verrassend meer deed dan de minister in zijn interview. De heer Ormel sprak al over een gezamenlijk buiten-Europees beleid. Dat is fantastisch, want dan vinden wij dat telefoonnummer.

De heer Ormel (CDA):

De heer Pechtold zegt echter dat zolang er nog geen sprake is van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid, ook D66 trots is op de trans-Atlantische band, op de NAVO, en dus ook bereid is om de verantwoordelijkheden te dragen die bij dat bondgenootschap horen.

De heer Pechtold (D66):

Zeker en daar loop ik niet voor weg. Sterker nog, toen in de afgelopen jaren de posities van Frankrijk en Duitsland binnen het bondgenootschap ook weer hechter werden en veranderden ten opzichte van de periode daarvoor, heb ik dat toegejuicht. Ik heb zojuist gezegd dat ik het toejuich dat Rusland, voormalig tegenstander ooit in dat bondgenootschap, eind november in Lissabon aan tafel zat. Ik waak er echter voor dat Nederland met een reputatie die onder druk staat, deze band prevaleert boven datgene wat naar ik hoop daar op zijn minst gelijkwaardig naast kan worden gezet en dat in de toekomst op de eerste plaats zou moeten kunnen komen, namelijk Europa.

De voorzitter:

Ik wil even een opmerking maken. U weet toch allen nog steeds dat wij na dit debat nog een ander debat voeren? Ik hoop dat dit nog niet is weggezakt.

De heer Pechtold vervolgt zijn betoog.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Minister Rosenthal presenteerde zich afgelopen zaterdag in De Volkskrant als een nieuw gezicht met een frisse blik. Hij deed forse uitspraken en staat u mij toe er een paar te noemen. "Diplomatie als rustiek tijdverdrijf is voorbij", zegt de minister, ik citeerde dit al eerder. Ik vraag mij af wat voorgangers als Van Aartsen, Bot en niet te vergeten Verhagen hierover denken. Betekent dit dat onze diplomaten onder hen een beetje aan het hobbyen waren? De minister sprak ook stevig: "Buitenlands beleid is er voor Nederland en de Nederlanders." Dus buitenlands beleid is er niet langer voor een duurzame, veilige en stabiele wereld en niet langer voor 6,8 miljard wereldburgers? Is het beleid er echt slechts voor die 16 miljoen Nederlanders? De minister zei ook: "Welvaart heeft meer prioriteit dan mensenrechten." Hij noemt zichzelf een realist en geen idealist. Waarom denkt de minister dat Nederland een traditie heeft van 400 jaar internationaal recht? Uit puur idealisme?

Voor D66 kan het eerste niet zonder het laatste. Idealisme en eigenbelang, een handelsland is gebaat bij stabiliteit en vrede. Ik vraag de minister: verdienen wij niet 70% van ons geld in het buitenland? Is Nederland niet de zestiende economie van de wereld? Zijn wij niet de vijfde investeerder van de wereld, de tweede landbouwexporteur, de zevende handelsnatie? En er wonen toch ook 700.000 Nederlanders in het buitenland. Zou de minister niet ook hun minister moeten zijn? De bijna blinde wens om het WK voetbal naar Nederland te halen, steekt schril af bij het nationalistisch afschrikbeleid van dit naar binnen gekeerde kabinet.

De korte geschiedenis van dit kabinet stelt mij allerminst gerust, want wat is de oogst tot nu toe? Een ambtsbericht aan alle ambassades al voordat het kabinet er zat, de speech van Wilders in New York, de dubbelepaspoortenkwestie, de veeg uit de pan van Wilders voor Merkel, bondskanselier van onze belangrijkste handelspartner, en het pleidooi van de PVV dat Jordanië dé Palestijnse staat moet zijn. Steeds maar weer schade repareren of zien te voorkomen. En minister Rosenthal heeft wat uit te leggen in de aanloop naar de viering van 400 jaar Nederlands-Turkse betrekkingen; uit te leggen dat de tweet van Wilders om niet naar Turkije te gaan geen kabinetsbeleid is, evenals diens uitspraak in maart van dit jaar, dat premier Erdoan een "total freak" is. Dit jaar wordt dus de viering van 400 jaar Nederlands-Turkse betrekkingen. Ik zou het eigenlijk niet hoeven vragen, maar doe dat voor de zekerheid toch maar: wordt het net zo'n feest als in 2000, met Japan, of als in 2009, met New York? Kan worden gegarandeerd dat de voornemens omtrent het programma ongewijzigd zijn gebleven? Wanneer zijn de plannen klaar? Zal de minister aansturen op een staatsbezoek?

Het onzalige avontuur met Wilders betekent in het beste geval onophoudelijk incidenten repareren in onze internationale betrekkingen, maar in het slechtste geval langdurige schade voor Nederland. In de internationale diplomatie geldt immers des te meer: vertrouwen komt te voet, maar gaat te paard. Misschien is het net als bij Michelinsterren: het kost jaren om die te verdienen, maar met één bedorven maaltijd ben je ze kwijt.

Hoe scherp kan de vinger van de minister nog zijn in de richting van landen waar gediscrimineerd wordt? Hoe kan de minister anderen nog oproepen om solidair te zijn met minderheden? Hoe krijgt hij jongeren gemotiveerd voor het idee dat de wereld groter is dan 16 miljoen man achter de dijken? En wat zegt hij tegen islamitische collega's, nu hij steunt op een politicus die immigranten vergelijkt met een natuurramp; die in Denemarken zei dat miljoenen, tientallen miljoenen moslims Europa uit moeten en die rassenrellen niet bij voorbaat negatief vindt? Over de hele wereld wordt de islam als een religie behandeld, maar in Nederland moet de regering gedogen dat moslims geen gelovigen zijn, maar een politieke ideologie.

De premier zegt steeds: het gaat mij om de 76 stemmen. De minister komt daar echter niet mee weg. Zal de minister altijd, proactief, afstand nemen van dit geroeptoeter? Garandeert hij dat, als het weer eens raak is, hij sneller reageert dan ik hem naar de Kamer kan roepen?

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Ik schaam mij plaatsvervangend voor de heer Pechtold, omdat hij mijn voorzitter belastert. Hij stelt dat mijn voorzitter zou hebben gezegd dat moslims een tsunami zijn, maar hij heeft de islamisering als proces een tsunami genoemd. Mijn voorzitter heeft het dus niet over mensen, maar over ideologie en over bewegingen. De heer Pechtold weet dat heel goed. Ik begrijp niet waarom hij zich bedient van deze oncollegialiteit, nee meer dan dat: een schandelijke insinuatie. Ik wil hem dus vragen wat hij daarmee bedoelt. Waarom doet hij dit mijn collega en voorzitter aan, die het beste voorheeft met de mensen, maar de ideologie betitelt als iets wat ons kan schaden?

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter.

  • - de Volkskrant, 8 augustus 2007: "De kern van het probleem is de fascistische islam, de zieke ideologie van Allah en Mohammed zoals neergelegd in de islamitische Mein Kampf: de Koran."

  • - Fox News Channel, 25 januari 2008: "Onze cultuur is veel beter dan de achterlijke islamitische cultuur."

  • - De Spits, 9 november 2006: "De Nederlandse cultuur is duizend keer beter dan de islam."

  • - HP/De Tijd, 6 februari 2004: "Mocht het ooit tot rassenrellen komen, wat ik dus echt niet wil, dan hoeft daarvan niet bij voorbaat een negatieve werking uit te gaan."

  • - de Volkskrant, 9 oktober 2004: "Nederland is voller dan vol wat betreft niet-westerse allochtonen, vooral van islamitische afkomst."

Ik heb nog een stuk of zes velletjes, hoeveel wilt u er?

De heer Kortenoeven (PVV):

Het gaat mij niet om uw velletjes, daar kunt u wat mij betreft de pot mee op. Voorzitter, ik bedoel natuurlijk via u te spreken. Ik vroeg de heer Pechtold iets en hij komt aanzetten met allerlei velletjes. Hij noemde zaken die niets te maken hebben met de insinuaties waarop ik hem net attendeerde: valse insinuaties dat mijn voorzitter het over mensen zou hebben gehad, terwijl hij het had over bewegingen en ideologieën.

De heer Pechtold (D66):

Laat ik er dan nog een doen, uit Fitna:

  • "In 1945 werd in Europa het nazisme overwonnen.

  • In 1989 werd in Europa het communisme overwonnen.

  • Nu moet de islamitische ideologie worden overwonnen.

  • Stop de islamisering.

  • Verdedig onze vrijheid."

Mijnheer Kortenoeven, als u denkt dat u mensen wijs kunt maken dat dit niet over mensen gaat, maar over ideologieën of over boeken, moet u dat vooral blijven proberen. Maar zolang ik hier sta en zolang een regering denkt uw partij te kunnen gedogen, zal ik het benoemen.

De heer Kortenoeven (PVV):

Ik hoop dat de heer Pechtold dan in ieder geval wat beter wordt in het benoemen. Ik ga het dadelijk ook over benoemen en bouwen hebben. Ik vind de benoemingen van de heer Pechtold echt buiten de orde en ik vind het schandelijk dat dit in dit huis gebeurt.

De heer Pechtold (D66):

Wij hebben het over buitenlands beleid. Deze regering weet in een vele tientallen pagina's tellend regeer- en gedoogakkoord naast Nederland alleen Israël te noemen. Vervolgens moet deze regering bij iedere stap die in Europa moet worden gezet, of het nou gaat om het overeind houden van de euro of, zo zeg ik tegen de heer Ormel, over het nakomen van artikel 5 van de NAVO kijken naar onzekerheden in de Kamer. Dat moet deze regering doen, omdat u, mijnheer Kortenoeven, achter die dijken de angst blijft zaaien. Dan mag ik de regering toch wel aanspreken op het buitenlands beleid dat zij vertegenwoordigt? Ik kan het niet uitleggen. Het beeld dat men het in het buitenland zou snappen, werp ik verre van mij. Mijn dagelijkse ervaring is namelijk dat mensen het niet snappen. Dat is het belangrijkste, want zodra wij gewoon gaan vinden wat extreem is, dan zijn wij fout. Wij zullen het moeten blijven benoemen en wij zullen het moeten blijven beschijnen en wij zullen daar alternatieven tegenover moeten blijven zetten.

De heer Kortenoeven (PVV):

Ik zal dadelijk de heer Pechtold uitleggen waarom het een probleem is.

De heer Timmermans (PvdA):

Ik heb met belangstelling geluisterd naar wat er allemaal gezegd is. Naar aanleiding van zijn betoog vraag ik de heer Pechtold het volgende. Vindt hij ook dat het wel eens interessant zou kunnen zijn om van de minister te horen wat dit allemaal kost? Hoeveel tijd zijn onze ambassades bezig om dit allemaal uit te leggen in het buitenland? Hoeveel mensen worden daarbij ingezet? Hoeveel berichten worden daarover verstuurd? Wat is de rekening die de belastingbetaler gepresenteerd krijgt om in het buitenland te moeten uitleggen wat gedogen is en dat mijnheer Wilders niet alles bepaalt in dit land, et cetera?

De heer Pechtold (D66):

Alleen al afgaande op de tijd die ik als buitenlandwoordvoerder van een middelgrote partij in de oppositie nodig heb om ambassadeurs te vertellen hoe ik denk dat het zit, zou dat inderdaad een interessante studie kunnen zijn. In de vorige kabinetsperiode, toen de heer Wilders wilde weten wat een allochtoon kost, heb ik dat gesteund, hoewel ik het abject vond. Ik vind namelijk dat als een parlementariër zoiets wil weten, wij over de feiten moeten kunnen praten. U, mijnheer Timmermans, vraagt inderdaad, naar mijn gevoel, terecht naar de feiten. Ik denk, net als u, dat er heel veel tijd aan verloren gaat. Ik zou, net als u, die vraag wel aan het kabinet willen stellen. Kan het kabinet voor ons inzichtelijk maken hoeveel van die ambtsberichten er zijn en hoeveel tijd met het schrijven daarvan, met name in islamitische landen, gepaard gaat? Hoeveel extra beveiliging is er nodig? Hoe zijn de 700.000 Nederlanders in het buitenland daarbij betrokken? Ik vind dat terechte vragen. Ik neem ze graag over.

De voorzitter:

Mijnheer Pechtold, zou u willen proberen via de voorzitter te spreken?

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter, dat u de vragen zou willen steunen, durf ik niet te bedenken, maar ik spreek natuurlijk via u direct tot de heer Timmermans.

De voorzitter:

Het is mij duidelijk.

De heer Pechtold (D66):

Dit kabinet is voor het buitenlandbeleid afhankelijk van wisselende meerderheden. Kijk naar Ierland, als wij een euro willen redden. En kijk naar Afghanistan. Dat dit kabinet ten aanzien van een trainingsmissie de motie-Peters/Pechtold noemt, zou ik natuurlijk als een compliment kunnen opvatten. Hoe fragiel is het echter om voor steun aan Ierland en Afghanistan, voor elke Raad en voor elk internationaal overleg te moeten hopen op een meerderheid. Als een kabinet steeds op die manier moet zoeken naar meerderheden, gaat het beleid eigenlijk alleen maar over Nederland en Israël. U, mijnheer de minister, vertrouwt op het fatsoen van de oppositie, maar wat is uw agenda? Blijft het bij ad-hocbeleid? Dat zou je bestuurlijke vernieuwing kunnen noemen, maar ik vind het eerder bestuurlijke vernieling. Als premier Rutte elke week met Wilders overlegt, hoe vaak komt u dan bij ons in de oppositie lobbyen?

"Hij is een nog grotere vriend van Israël dan zijn voorganger Verhagen", zeiden diplomaten gisteren in NRC Handelsblad over de minister. Mijn vraag is dan: bent u, minister, ook een vriend van de Palestijnen? Wij kennen deze minister nog niet goed, maar ik hoop dat hij, net als Obama, nu juist geen partij kiest en zo neutraal mogelijk helpt zoeken naar een oplossing. De minister wil niet dat Israël gebasht wordt en dat ben ik met hem eens. Prima, maar verzet hij zich ook tegen het bashen van de inwoners van Gaza? Deze minister weet immers hoe gevoelig dit dossier ligt. Deze minister weet hoe scherp er naar hem gekeken wordt op dit dossier, juist door de gedoogsteun van Wilders. Waarom dan nu zo partij gekozen? Hoe geloofwaardig is zijn officiële kabinetsbeleid voor een tweestatenoplossing dan nog?

Voorzitter. Dat de minister niet twittert, een tweet als een twitterbeweging bestempelt en als informateur zelfs een twitterverbod uitvaardigde, heeft misschien nog wel iets charmants. Het past in het beeld van een verstrooide professor. Dat hij echter de gevolgen van WikiLeaks verkeerd inschat, vind ik niet charmant. De minister gaat in zijn reacties op WikiLeaks alleen in op het feit dat er gelekt is, niet op wat er gelekt is. Hij komt niet verder dan een taskforce – dat is inmiddels een lievelingsspeeltje van dit kabinet – maar een taskforce is feitelijk niet meer dan een praatgroep. Kortom, stoere symboliek. Niettemin: wanneer kunnen we de eerste resultaten verwachten?

Stoere symboliek zien we helaas verder ook. Over vier dagen zullen vier 3FM-dj's weer hun intrek nemen in het Glazen Huis. Die actie brengt velen in de samenleving in beweging, van jong tot oud. Ieder jaar levert de overheid een bijdrage, maar nu niet meer. Stoere symboliek onder het motto van bezuinigingen. Het is dezelfde symboliek als het verplaatsen, vorige week, van de uitreiking van de Nederlandse staatsprijs voor de mensenrechten van de statige Ridderzaal naar een zaaltje op het ministerie, dezelfde symboliek die de gemeente Doetinchem gebruikt om geen kerstboom meer te kopen. Wat mij betreft, is die stoere symboliek foute symboliek.

Mijn collega Hachchi heeft vorige week maandag ruim acht uur lang met de staatssecretaris gedebatteerd over Ontwikkelingssamenwerking. Ze heeft zich bij die gelegenheid onder andere sterk gemaakt voor minder versnippering, effectievere hulp en verhoging van het budget voor genderbeleid. Ik ga dat debat hier niet overdoen. Ik zeg alleen dat D66 het betreurt dat dit kabinet de bezuinigingen als excuus gebruikt om minder hulp te geven aan de allerarmsten op deze wereld. Ik vraag de minister waarom dit kabinet überhaupt nog aan ontwikkelingssamenwerking doet, als buitenlands beleid alleen maar is voor Nederland en de Nederlanders.

Voorzitter. Het buitenlands beleid van dit kabinet verkwanselt, als we niet oppassen, onze goede naam. Wij zien hoe de wereld naar ons kijkt. Als Le Monde schrijft dat Nederland is besmet door "la maladie du populisme" en als The Economist schrijft over de frontale aanval van de gedoogpartner op de islam: "This is dangerous stupidity that weakens the civilization Mr Wilders claims to defend", dan geef ik ze gelijk. Ik zeg tegen dit kabinet: geef niet weg wat niet van u is. Geef niet weg wat niet van u is! Onze goede naam, ons internationaal aanzien zijn in uw handen gegeven om goed te beheren en waar mogelijk uit te bouwen, niet om er schade aan toe te brengen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan kan ik nu het woord geven aan de heer Kortenoeven van de PVV-fractie, die zijn maidenspeech gaat houden. Na hem zal de heer Driessen van de PVV-fractie zijn maidenspeech houden. Ik stel voor dat we na die twee speeches kort schorsen om hen te feliciteren. Beide heren hebben aangegeven dat zij geïnterrumpeerd willen worden en ik sta dat toe aan het eind van hun betoog.

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Wij hebben nogal wat minuten over, maar ik zal ze niet allemaal gebruiken.

De voorzitter:

Ik ben u erg dankbaar.

De heer Kortenoeven (PVV):

Ik heb in de regeling voorgesteld dat ik 40 minuten zou spreken. Die zal ik niet allemaal gebruiken. Ik zal mijn woorden wel speciaal voor de heer Pechtold rustig uitspreken, zodat hij ze goed in zijn oren kan knopen. Dat is kennelijk nodig. Ik heb begrepen dat hij een aantal dingen niet begrijpt.

Voorzitter. Ik begin mijn bijdrage graag met een woord van dank en erkenning aan de politicus van het jaar, aan Geert Wilders. Het is voor mij een grote eer om in zijn team te mogen meewerken aan een beter Nederland en een betere wereld.

De fractie van de PVV gedoogt dit kabinet in het belang van de Nederlandse bevolking. Dat betekent een overeenstemming op tal van dossiers, maar op het beleidsterrein van Buitenlandse Zaken zijn wij op een aantal punten overeengekomen "to agree to disagree". De PVV-fractie gaat echter niet onbenoemd laten wat in het kader van de internationale betrekkingen duidelijk benoemd moet worden. In dat kader zal ik mijn bijdrage verweven met enkele kritische kanttekeningen bij de tekst van de buitenlandbegroting.

De regering schrijft de Nederlandse belangen centraal te stellen en daarmee samenhangend een betere wereld na te streven, een rechtvaardige en veilige wereld. Welnu, dat wil de PVV ook. Mijn fractie ziet echter de noodzaak voor nuances in de praktische uitwerking van die woorden. Daarbij is het van concreet en primair belang om oorzaken en gevolgen goed te onderscheiden en deze correct te benoemen, want benoemen alleen levert het cement voor bouwen. Ik benadruk dit speciaal voor de heer Pechtold.

Een voorbeeld hiervan is dat de regering redeneert dat armoede en uitzichtloosheid niet alleen massa-immigratie en mensenhandel in de hand werkt, maar ook extremisme. Ik veronderstel dat hier wordt gedoeld op islamitisch extremisme, maar dat wordt niet ingevuld door de regering. Nu zal ik niet ontkennen dat armoede en uitzichtloosheid extremisme kunnen bevorderen, maar het is een misverstand dat armoede en uitzichtloosheid dit veroorzaken. Extremisme behoeft een radicale ideologie. Bij afwezigheid daarvan leiden armoede en uitzichtloosheid slechts tot lethargie. Wij hebben dat kunnen zien bij de Aboriginals in Australië en bij de onaanraakbare kastelozen in India. Zij hebben nimmer zelfmoordaanslagen gepleegd of de vernietiging van een andere cultuur nagestreefd. Armoede en uitzichtloosheid op zich veroorzaken geen extremisme. Mohammed Atta was geen kansarme jongere, maar een young urban professional, een yuppie, net als Mahmoud Ahmadinejad.

Ik ben bij het lezen van de begroting op meer onbevredigende analyses gestuit. Zo stelt de regering dat nieuwe regionale grootmachten een steeds nadrukkelijker stempel op de loop der gebeurtenissen drukken. Ook mijn fractie erkent de rol van opkomende economische tijgers. Ik denk aan China, India en Brazilië. Maar wordt door de regering niet om de hete brij heen gedraaid? In de begroting komen de woorden "islam" en "islamitische" immers niet één keer voor. Echter, het zijn ook islamitische spelers die een steeds nadrukkelijker stempel op de loop der gebeurtenissen drukken. Het gaat om staten als Iran en Saudi-Arabië en om organisaties als de Taliban, Hezbollah en de transnationale Moslim Broederschap.

Het gaat ook om de Organisatie van de Islamitische Conferentie, de OIC. Dat is geen religieuze instelling, maar een politiek lichaam. De OIC bestrijdt onze westerse beschaving. Dat blijkt alleen al uit artikel 24 van de Verklaring van de rechten van de mens van de OIC. Daarin stelt die organisatie dat alle rechten en vrijheden van mensen, waar ter wereld ook, zijn onderworpen aan de islamitische sharia. Deze spelers bestrijden de democratieën van het Westen. Zij hebben dezelfde wereldmissie daarbij. Hun onderlinge onenigheden worden uiteindelijk opgelost voor een collectieve doelstelling. De regering stelt terecht dat Nederland zal moeten investeren in relaties met opkomende machten. Hoe ziet zij dit met betrekking tot het radicale islamitische machtsblok?

De regering benoemt de uitdagingen van de 21ste eeuw en benadrukt dat die stuk voor stuk grensoverschrijdend van aard zijn. Genoemd worden de financieel-economische crisis, klimaatverandering, de bedreiging van de biodiversiteit, schaarstevraagstukken, kernwapens, internationaal terrorisme en epidemieën. Maar de oorlog waarin wij ons sinds 9/11 bevinden, komt niet op dit lijstje voor. Trouwens in die oorlog is internationaal terrorisme, dat grensoverschrijdende probleem, slechts een tactisch wapen. Wij kampen hier met een concrete en immense uitdaging die ook nog eens grensoverschrijdend van aard is, maar zij wordt door de regering niet genoemd.

Ik wil hier enkele van de islamitische spelers noemen en uit hun politieke programma citeren. Ik hoop dat de heer Pechtold ook hiernaar goed luistert. Laat ik beginnen met de Pakistaanse denker Said Abul A'ala Maududi, die geldt als een van de belangrijkste politieke ideologen van de moderne tijd. Van hem zijn de woorden: "Maar de waarheid is dat de islam niet de naam van een religie is, noch is moslim de titel van een natie. In werkelijkheid is de islam een revolutionaire ideologie en een programma dat de sociale orde van de hele wereld wil veranderen. De islam wenst alle staten en regeringen die zich keren tegen de ideologie en het programma van de islam te vernietigen, waar dan ook ter wereld." Wij nemen dit serieus. Maudoudi's woorden inspireerden de vaders van de soennitische Moslim Broederschap Hassan al-Banna en Said Qutb. Zij inspireerden Abdullah Azzam, de mentor van Osama bin Laden. Zij inspireerden de Turkse Milli Görüs-stichter Necmettin Erbakan. En zij inspireerden de sjiitisch-Iraanse leider ayatollah Khomeiny. Maudoudi's woorden raakten uiteindelijk tot over de zee, tot in Manhattan, als een donderslag bij heldere hemel.

Zijn woorden spelen momenteel een hoofdrol in de destabilisering van Egypte en die van kernmacht Pakistan, nu nog bondgenoten van het Westen, morgen wellicht bondgenoten van Iran. Maar in de begroting lees ik daar niets over. Ontkent de regering het bestaan van dit conflict? Dat is mijn vraag.

Voorzitter. Van alle kanten roepen islamitische voorlieden dat zij met ons in oorlog zijn. Dat doen ook de leiders van de Hamasbeweging. Dat is de moslimbroederschapsafdeling die de staat Israël en het Joodse volk direct naar het leven staat. Hamas-parlementariër Yunis al Astal sprak de volgende woorden in een uitzending van de tv-zender van Hamas: "Als Allah het wil, zal heel binnenkort Rome worden veroverd, gelijk gebeurde met Constantinopel, zoals dat door onze profeet werd voorspeld. Deze hoofdstad van hun wordt een vooruitgeschoven post voor de islamitische veroveringen. Deze veroveringen zullen zich over heel Europa uitbreiden en zich vervolgens richten op de twee Amerika's en zelfs op geheel Oost-Europa."

Deze woorden sluiten naadloos aan op die van sjeik Yusuf al-Qaradawi. Dat is de geestelijk leider van de Moslim Broederschap, die wereldwijd actief is, ook in ons land. Deze griezel stelt het Joodse volk een nieuwe genocide in het vooruitzicht, maar hij wordt in het Westen door velen als gematigd betiteld. Dit zeg Qaradawi over ons: "De islam zal als een veroveraar en als een overwinnaar terugkeren naar Europa, na daaruit twee keer te zijn verdreven. De ene keer vanuit het zuiden, vanuit Andalusië, de tweede keer vanuit het oosten."

Maar in de begroting lees ik helemaal niets over deze dreigementen. Alsof zij afkomstig zijn van zonderlinge en kansloze utopisten. Alsof zij afkomstig zijn van primitieve geitenhoeders, die de karavaan van de vooruitgang gemist hebben. Maar wij nemen deze mensen serieus. De PVV neemt deze mensen serieus.

Voorzitter. Deze ontkenning van de voor iedereen zichtbare realiteit is symptomatisch voor het Europese denken. De leerlingen van Schuman en Monet hebben een verenigd Europa tot stand gebracht, maar zij hebben de wil, noch de moed getoond om de Europese beschaving tegen nieuwe uitdagingen te verdedigen.

Bovendien hebben zij de poorten van Europa wagenwijd opengezet voor migranten uit islamitische landen. Ook hebben zij de achterdeur opengezet voor agenten en instellingen van de islamitische beweging, en zelfs voor een Turks paard van Troje. Dat verdient die naam eigenlijk niet. De afzenders ervan steken namelijk hun doelstellingen niet onder stoelen of banken. Ik heb het hier over instellingen van de Turkse staat in Nederland, op de eerste plaats Dianet, het Directoraat Religieuze Zaken. Dat heeft in ons land een dikke vinger in de moskeepap.

Voorzitter. Voor een goed begrip ga ik even terug in de tijd, naar 1998. Toen was de huidige Turkse leider Erdogan nog burgemeester van Constantinopel. Hij heeft destijds gezegd: "Minaretten zijn onze bajonetten, koepels onze helmen, moskeeën onze kazernes en gelovigen onze soldaten." Tien jaar later, in zijn functie van premier, heeft diezelfde Erdogan op Europese bodem Turkse toetreding tot de Europese Unie geëist. Geëist! In één adem heeft hij toen de in Europa woonachtige Turken voorgehouden dat hun assimilatie in Europa een misdaad tegen de mensheid zou zijn. Tot zover Europese integratie volgens het model van Erdogan.

Drie jaar eerder was deze zelfde Erdogan nog uitgeroepen tot Europeaan van het jaar, maar hij is in feite een anti-Europeaan. Hij komt uit de politieke school van eerdergenoemde Necmettin Erbakan, oprichter en leider van de Turks nationalistische moslimbeweging Milli Görüs. Die organisatie ging in 1975 van start met een gelijknamig manifest. Daarin schetste Erbakan het volgende toekomstbeeld van Turkije: islamitisch, modern, economisch sterk en met een leidende rol in de islamitische wereld. Toenadering tot Europa werd door Erbakan toen nog van de hand gewezen vanwege mogelijke afbreuk aan het islamitische karakter van Turkije. Hij zag de toenmalige Europese Economische Gemeenschap namelijk als een door zionisten en vrijmetselaars gesteunde katholieke organisatie; ja, men hoort het goed.

Zoals bekend, groeide Erbakans Milli Görüs al snel uit tot de belangrijkste organisatie van de Turkse diaspora in West-Europa, met honderdduizenden leden en de controle over een groot aantal moskeeën en sociaal-maatschappelijk instellingen. Met dit machtige apparaat in handen heeft Erbakan op enig moment zijn visie op Turkse integratie in Europa bijgesteld. Hij vreesde niet langer de de-islamisering van Turkije door Europees toedoen maar hij realiseerde zich dat Turkije en de Turkse diaspora een hoofdrol zouden kunnen spelen bij de islamisering van Europa. Dat voltrekt zich nu voor onze ogen. De strategische doelstellingen van Milli Görüs worden inmiddels tientallen jaren openlijk in West-Europa verkondigd. In 1989 was Erbakan eregast op een Milli Görüs-bijeenkomst in Arnhem. Daar hield hij een onvervalst imperialistische toespraak. Hij zei onder andere: "De Europeanen zijn ziek. Wij hebben het medicijn om hen beter te maken. Heel Europa wordt islamitisch. Wij zullen Rome veroveren. Jullie zijn het nieuwe leger van sultan Fatih. Europa zal de islam van jullie leren." Deze sultan Fatih veroverde in 1453 de christelijke metropool Constantinopel en in de jaren daarop grote delen van de Balkan.

Turkije zakt terug in het duistere verleden van het kalifaat. Na de Eerste Wereldoorlog werden in het land zegenrijke hervormingen uitgevoerd onder leiding van de seculiere leider Mustafa Kemal Atatürk. De sharia werd vervangen door Europese wetgeving en Koranscholen werden verboden. Ook verbood Atatürk het hoofddoekje. Hij noemde dat een "vod". Hij zorgde ervoor dat vrouwen stemrecht kregen. De islamitische krachten hebben zich inmiddels echter politiek teruggevochten. Erbakans discipel, Recep Tayyip Erdogan, won de verkiezingen en werd in 2003 premier. Hij is dat nog steeds. Een van zijn gevleugelde uitspraken is: "Democratie is als een tram. Als je je bestemming hebt bereikt, stap je af." Veelzeggend, nietwaar?

In het kader van een herislamiseringsprogramma heeft de regering-Erdogan een zuivering en overname ingezet van de politie, de rechtbanken en de media. Dit voltrekt zich voor onze ogen. Tegenstanders werden gearresteerd. De banden met het islamitische regime in Iran werden door Ankara aangehaald. De relatie met de Joodse staat Israël werd actief beschadigd, ondermijnd en afgebouwd. De speciale rapporteur voor Turkije, CDA-Europarlementariër Ria Oomen, heeft vorige week nog eens bevestigd wat wij allang weten. Ik citeer: "Het land is zo sterk in de greep van de islamisering dat de Turkse overheid er niet in slaagt een scheiding met religie aan te brengen. Bovendien is er nog lang geen sprake van godsdienstvrijheid in Turkije. Minderheden hebben nog altijd minder rechten dan moslims. De islam is en blijft dominant in dat land." Het is duidelijk dat de PVV volkomen gelijk had en heeft met de constatering dat Turkije in nog geen 1000 jaar lid van de EU mag worden. Wat ons betreft is er ook helemaal niets te vieren als wordt herdacht dat Nederland en Turkije 400 jaar diplomatieke betrekkingen onderhouden. Wij vieren namelijk liever geen feestjes met regimes die liberale vrijheden de nek willen omdraaien en die de sharia willen invoeren. Wat ons betreft hoeft de minister volgende maand dus niet naar Ankara om dat jubileum te gaan voorbereiden. Wat mij betreft krijgt Erdogan een passend jubileumgeschenk: een exemplaar van de memoires van Atatürk, gesigneerd door mijn fractievoorzitter, Geert Wilders.

Een andere islamitische spreekbuis die ik hier wil opvoeren, is de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad. Die roept met regelmaat op tot de vernietiging van VN-lidstaat Israël. Mijn fractie vindt dat deze Ahmadinejad in verband daarmee voor een internationaal tribunaal moet worden gesleept wegens oorlogshitsing en het aanzetten tot genocide. Wat ons betreft kan dat tribunaal ook het ICC in Den Haag zijn. Ik vraag de regering of zij kansen ziet om dit te bevorderen.

De regering schrijft dat Iran moedwillig een bedreiging vormt voor de vrede en veiligheid in de wereld. Dat is al heel wat. Nu nog de volledige erkenning van de onderliggende problematiek. Ik ga het kabinet daar even bij helpen. Het gaat om de islamitische republiek Iran, die sinds 1979 in permanente staat van oorlog met het Westen verkeert. Ahmadinejad en de zijnen worden niet gedreven door klassieke opvattingen over oorlog en vrede. Zij worden gedreven door een messiaans-islamitische droom waarin zijzelf de hoofdrol vervullen.

Het vooruitzicht dat Iran over kernwapens kan beschikken, is een nachtmerrie van de eerste orde. Want apocalyptische gelovigen als Ahmadinejad moeten in staat en bereid worden geacht die wapens daadwerkelijk in te zetten, ook al wordt daarmee een verwoestende tegenaanval uitgelokt. Een allesvernietigende wereldoorlog tegen de ongelovigen ligt in de filosofie van de twaalvers besloten. De twaalvers, voor degenen die het niet weten, vormen de sekte die de huisfilosofie leveren van Ahmadinejad en zijn regime. Deze twaalvers zeggen dat de eindstrijd met ons voor de deur staat. En wij geloven hen. Het gaat deze mensen niet om de overwinning van Iran zelf, maar om de overwinning van Allah. Moslims die het martelaarschap daarbij verwerven, verwerven het eeuwige leven in een landschap met rivieren van wijn en in het gezelschap van tientallen bereidwillige maagden. Zo banaal luidt het recept voor onze ondergang.

Velen noemen Ahmadinejad en de zijnen krankzinnig, maar dat zijn zij niet. Het zijn rationele en calculerende gelovigen met een missie. Het zijn Mohamed Atta's met een luchtmacht, en straks met een atoombom. Alles moet worden gedaan om deze lieden de voet dwars te zetten, inclusief wurgsancties, een dagvaarding voor Ahmadinejad en een Europees reisverbod voor functionarissen van het regime. Het is echter de vraag of wij niet al te laat zijn. Ik krijg graag een reactie van het kabinet.

Voorzitter. Ik keer terug naar de tekst van de begroting. Het kabinet ziet kunst als een internationale taal die de banden tussen landen en samenlevingen versterkt. Culturele diplomatie stelt Nederland in staat om als klein land een grote rol te spelen in het buitenland. Een internationale culturele uitwisseling is dan ook een belangrijk onderdeel van het buitenlands beleid. Dat klinkt prachtig. Maar hoe stelt de minister zich dat voor in landen als Saudi-Arabië, Iran en Sudan? Welke cultuuruitingen worden daar door onze ambassades uitgedragen? Gaat het om klompen en tulpen of om Spinoza en Mulisch? En wat stellen die verlichte moslimstaten daar eigenlijk tegenover? Soms denk ik dat wij een gezond gevoel voor humor naar die chagrijnige landen moeten exporteren.

De heer Timmermans (PvdA):

Dat kunnen we hier ook wel een beetje gebruiken!

De heer Kortenoeven (PVV):

Speciaal voor de heer Timmermans zal ik het wat extra aanzetten!

Ik las het afgelopen weekend dat enkele Saudische kwaliteitsmedia zelfs de Amerikaanse komiek Andy Borowitz serieus hebben genomen. Borowitz had een column geschreven met daarin de zinsnede: in zijn laatste poging om het met de Republikeinen in het Amerikaanse Congres ergens over eens te worden, heeft president Barack Obama vandaag gezegd dat hij bereid was, toe te geven dat hij een moslim is. Deze column leidde tot krantenkoppen met chocoladeletters in Saudi-Arabië, onder andere: Obama: ik ben bereid om te verklaren dat ik moslim ben. Twee Saudische media namen bovendien klakkeloos het volgende Obama-citaat uit Borowitz' column over: mijn geboorteplaats was altijd onderhandelbaar en zal dat altijd zijn. Waarvan akte, zal ik maar zeggen.

Voorzitter. De PVV-fractie is blij met een aantal dingen in de begroting van Buitenlandse Zaken. Wij zijn blij met de oprichting van het Haagse International Center for Counter-Terrorism dat onlangs zijn deuren heeft geopend. Ik spreek de hoop uit dat dit gesubsidieerde centrum niet in politiek correcte derwisjbewegingen zal grossieren. Ik hoop dat het als onafhankelijk en wetenschappelijk instituut zal functioneren, onderzoeken en rapporteren, ook als onderzoeksopdrachten en conclusies zich niet met de diplomatieke wenselijkheid verhouden. Ik zeg dat in het licht van een geheim memo van minister Hillary Clinton over de financiering van terroristische groeperingen vanuit de golfstaten, met name Saudi-Arabië. Inmiddels is dat memo via WikiLeaks uitgelekt; niets is meer veilig.

Het memo bevat de volgende zinsnede: donors in Saudi-Arabië vertegenwoordigen de belangrijkste financieringsbron van soennitische terroristische groeperingen wereldwijd. Aan de minister de vraag of deze of vergelijkbare informatie bij zijn ministerie bekend was. Zo ja, wat is er dan mee gedaan? Heeft de regering het Saudische regime hier inmiddels over benaderd? Zo nee, is de minister dat alsnog van plan? Het gaat immers om een concrete en ernstige bedreiging van onze veiligheid. Die bedreiging wordt gefinancierd vanuit wat een bevriende staat heet te zijn. Diezelfde staat is een van de meest systematische mensenrechtenschenders ter wereld. Het is een islamitische apartheidsstaat waar slavernij nog bestaat en waar het voor joden en christenen verboden is hun godsdienst te belijden. Laat staan dat er synagogen of kerken gebouwd kunnen worden. Diezelfde staat financiert het liefst op iedere Hollandse straathoek een moskee. Vanuit die staat vergiftigen satellietzenders de opvattingen van talloze moslims in het Westen. Wat gaat de regering doen om die verwoestende Saudische invloed op de westerse samenlevingen tegen te gaan?

Het grootste deel van mijn inbreng is gewijd aan de grootste bedreiging van onze beschaving. Die bedreiging is in de begrotingsstukken onbenoemd gebleven. Maar er is wel meer mis met de wereld. Enkele korte observaties. Dit jaar is het 60 jaar geleden dat China het vreedzame Tibet binnenviel en bezette. China heeft geen enkele historische, culturele of etnische verwantschap met Tibet en de Tibetanen. Toch werd het bezette gebied gekoloniseerd alsof het altijd bij China gehoord had, maar de wereld zwijgt daarover, waarschijnlijk omdat China een maatje te groot is.

Ook groot is Rusland. De vraag is gerechtvaardigd of dat de geringe betrokkenheid veroorzaakt bij de in verdrukking verkerende kleine staten op de Kaukasus, zoals Georgië, waar wij ons ernstig zorgen over maken. Georgië wordt door Rusland beschuldigd van agressie. De grote beer met het kleine konijntje. Anders kan ik het niet noemen.

Een andere bezetting plus kolonisatie waarover in de begroting wordt gezwegen, is die van Noord-Cyprus. Een lidstaat van de EU wordt deels bezet en gekoloniseerd, maar dat lijkt ook niet echt te boeien.

Speciale aandacht wil ik vragen voor de moeilijke positie van christenen in de islamitische wereld. Ik sluit mij op dat punt graag aan bij collega Voordewind. Vooral de christenen in Indonesië, Pakistan en Irak dreigen door de jihad te worden vermalen. Ook hier is onze cultuur op de terugtocht.

De Partij voor de Vrijheid is de mensenrechtenpartij bij uitstek. Wij signaleren dat de islamitische landen tot de ernstigste mensenrechtenschenders behoren. Maar zij signaleert ook dat die volledig of grotendeels met hun wandaden kunnen wegkomen. Tegelijkertijd hebben deze staten de middelen in handen om de enige rechtsstaat in het Midden-Oosten, Israël, constant ritueel te veroordelen. Zij staan voorop om Israël de maat te nemen en laten zichzelf de maat niet nemen. Er moet subiet een eind komen aan die lawfare tegen Israël. Lawfare staat voor het vechten tegen een staat met wapens zoals internationaal recht, wat geen recht meer is maar politiek. De PVV is verheugd dat de minister van Buitenlandse Zaken werk wil maken van de strijd tegen die lawfare tegen Israël. Maar eigenlijk moeten de rollen worden omgedraaid. De werkelijke schenders moeten te schande worden gezet in de internationale mensenrechtenorganisaties, die zij nu nog nominaal controleren. Ik hoop dat de regering daarop in wil gaan.

De laatste noten op mijn zang gaan over Israël en Palestina. Ik borduur even voort op de wijze woorden die mijn fractievoorzitter ruim een week geleden in Tel Aviv heeft gesproken. Er is een goede reden waarom de PVV zich juist nu duidelijk uitspreekt voor een tweestatenoplossing. Door andere wordt namelijk gestreefd naar een driestatenoplossing: twee Palestijnse staten en één joodse staat. Palestina 1, Palestina 2 en Israël. Palestina 1 bestaat al; het ligt in Jordanië, aan gene zijde van de Jordaan. Dat blijkt uit geografische en historische feiten. Dat blijkt ook uit verklaringen van Arabische leiders, onder wie de bekendste de koning van Jordanië is: Hoessein. Hij zei in 1981 nog: Jordanië is Palestina en Palestina is Jordanië. Bij die woorden sluiten wij van de PVV-fractie ons graag aan, ter wille van de vrede. Dat doet wij niet omdat wij de boel willen verstoren, zoals een geachte afgevaardigde eerder insinueerde, maar omdat wij de boel juist willen repareren. Wij hebben daar oog voor. Ik zal ook uitleggen waarom.

De PVV heeft ook oog voor het lot van de Palestijnse Arabieren, die als gevolg van de Arabische agressie in 1948 naar omliggende Arabische landen moesten vluchten en daar in vluchtelingenkampen werden vastgehouden om als politiek wapen tegen Israël te dienen. Deze vluchtelingen en hun miljoenen nakomelingen kregen voorgespiegeld dat zij zouden kunnen terugkeren na de aangekondigde vernietiging van de joodse staat. Intussen werden alle andere vluchtelingenvraagstukken van na de Tweede Wereldoorlog opgelost. Tientallen miljoenen mensen werden vreedzaam geherhuisvest. Ook het joodse vluchtelingenvraagstuk werd opgelost. Van de bijna 1 miljoen joden die na 1948 de Arabische wereld hadden moeten ontvluchten, werden er ruim 600.000 in Israël opgevangen en geïntegreerd. De Palestijns-Arabische vluchtelingen werden echter tot een eeuwig slachtofferschap veroordeeld. Volgens de UNRWA zijn ook alle generaties na hen vluchteling, tot het einde der tijden. Dat geldt alleen voor de Palestijnen, en het is hun vloek geworden. Ze zijn gehospitaliseerd als uitkeringstrekkers, zonder perspectief, alleen om als wapen tegen Israël te kunnen dienen. En dat, terwijl er een Palestijnse staat bestaat die hun een menswaardig bestaan zou kunnen bieden: Jordanië. Jordanië is in alle opzichten Palestijns-Arabisch, behalve waar het zijn koningshuis betreft. Dat werd destijds door de Britten geïmporteerd uit Mekka. Mijn fractie ziet geen enkele reden om de Palestijnse Arabieren hun nationale tehuis te onthouden. Wij zien geen enkele reden om hen als conflictveroorzaker te handhaven, en ook nog eens op onze kosten. Hun uitkeringssituatie heeft vele miljarden gekost en daar draagt Nederland nog steeds aan bij. Het Palestijns-Arabische vluchtelingenvraagstuk is een kunstmatig vraagstuk, dat de vrede bedreigt. Het moet worden opgelost, maar daarvoor is wel een paradigmaverandering nodig. En zoals wel vaker het geval is, moet die kennelijk van de PVV komen.

Voorzitter, het speldje op mijn revers is de Leeuw van Juda. Ik heb het ooit gekregen van Teddy Kollek, die van 1965 tot 1993 burgemeester was van de Israëlische hoofdstad Jeruzalem. De Leeuw van Juda staat ook op de stadsvlag van Jeruzalem. Veel collega's weten dat die vlag op mijn werkkamer hangt. Jeruzalem is al ruim 3000 jaar de politieke en religieuze hoofdstad van het Joodse volk. De staat Israël geeft uitdrukking aan het recht op zelfbeschikking van datzelfde Joodse volk. De Joodse staat. Ongedeeld Jeruzalem, gelegen op de berg van Judea, is de eeuwige hoofdstad van Israël, maar de Nederlandse ambassade in Israël staat in Ramat Gan, aan de kust van de Middellandse Zee. Niet op de bergen van Judea, waar zij hoort. Mijn partij roept de regering op, de Nederlandse ambassade terug te verplaatsen naar de hoofdstad van de Joodse staat Israël.

Voorzitter, ik sluit af. In de komende regeerperiode treft u ook een kritische PVV op uw pad. We agree to disagree, maar we zullen onze mond nooit houden als de waarheid ons gebiedt te spreken.

De voorzitter:

Aan mij de eer om u als eerste te feliciteren met uw maidenspeech. U mocht worden geïnterrumpeerd, en daarvan wordt door de heer Van Bommel gebruikgemaakt.

De heer Van Bommel (SP):

De heer Kortenoeven begon met kritiek op de begroting, omdat daarin wordt gesteld dat armoede en achterstelling extremisme veroorzaken. Hij zei dat dit niet waar is en ik ben dat wel met hem eens. We zien het ook in Nederland en hier in de Kamer. De PVV'ers, niet bepaald de arme sloebers van Nederland, zijn zeer extremistisch in hun standpunten met betrekking tot de islam. Daarom heb ik in mijn eerste termijn gezegd dat de PVV een islamofobe visie heeft op Nederland. De heer Kortenoeven sprong toen als een bok op de haverkist, maar hij zou het eigenlijk als een geuzennaam moet beschouwen. Zijn hele betoog in deze eerste termijn was namelijk doordrenkt – in iedere tweede zin zat "islam" of "islamitisch" – met de waarschuwing voor de gevaren die hij in de islam ziet. Waarom heeft de heer Kortenoeven zo'n moeite met de kwalificatie "islamofoob"?

De heer Kortenoeven noemde ook zaken waarover de regering een ander standpunt inneemt dan de PVV-fractie. Met betrekking tot Iran bepleitte hij wurgsancties. Dat is niet de opvatting van de regering, maar daarmee lijkt hij afstand te nemen van de eerdere opvatting van zijn fractie dat Iran zo snel mogelijk gebombardeerd zou moeten worden. Is dat een juiste constatering? Is de PVV niet meer van mening dat Iran zo snel mogelijk gebombardeerd moet worden? Deelt de heer Kortenoeven mijn opvatting dat voor geweld tegen Iran een volkenrechtelijk mandaat nodig is?

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Ik kan tot het ochtendgebed doorgaan, maar ik zie mijn rabbijn daar zitten en die zal dat niet toestaan. Ik zal het kort houden.

Islamofobie, zo heb ik u daarnet omstandig uitgelegd, is pathologisch. Wat ik doe, is niet pathologisch. Wat ik doe, is rationeel. Ik kan u een boekje geven met feiten en wil u nog wel een dikker boek geven waar ik een essay in heb geschreven. Dat is een boek van 800 pagina's met vergelijkbaar materiaal over wat ons bedreigt. Ik vraag u of u eens dat boek zou willen lezen en ter harte zou willen nemen, in plaats van uw kop in het zand te steken – ik zeg "kop", maar ik bedoel het figuurlijk – voor de concrete gevaren die ook u bedreigen. U bent een liberaal in hart en nieren. Ik bedoel dan liberaal naar menselijk inzicht, ik bedoel niet dat u een liberaal bent zoals de VVD; u begrijpt mij. U bent een liberaal waar het gaat om rechten van homo's en vrouwen. U kunt het naar mijn mening niet volhouden om u niet te verzetten tegen een systeem dat juist deze mensenrechten wil verwringen en doorspoelen. Maar dat doet u wel.

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Van Bommel.

De heer Van Bommel (SP):

De heer Kortenoeven stelde in eerste termijn dat ik geen medicus ben en dus niet zou kunnen vaststellen of er sprake is van een fobie of niet. Hij erkende bovendien dat hij zelf ook geen medicus is. Daarmee moeten we constateren dat hij ook niet kan vaststellen dat hij geen fobie heeft. Dat lijkt mij een ijzeren logica. Dan kunnen we alleen nog afgaan op de woorden die vandaag gebruikt zijn. Daaruit blijkt toch op z'n minst een obsessie voor de islam in Nederland en in de wereld en de gevaren die de PVV daarin ziet. Nogmaals, dat is niets om u voor te schamen. U zit in een groot gezelschap; dat komt vaker voor. U duidt mij aan als liberaal; ik kan dat velen. Wij tolereren ook uw opvattingen in deze Kamer. Maar het is toch wel een beetje eenzijdig om zo te kijken naar de wereld; mag ik het op die neutrale manier formuleren? Komt u in uw beantwoording ook nog even terug op het bombarderen van Iran?

De voorzitter:

Probeert u beiden via de voorzitter te spreken? Het is lastig – dat geef ik toe – maar het helpt.

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Ik zal het proberen, maar het is lastig. Ik zeg u eerst dat diagnoses zijn voorbehouden aan een arts. U komt zelf met diagnoses. U hebt het over fobieën en over allerlei andere zaken, zoals obsessies, die u niet kunt bezigen, tenzij u in het geheim een psychiater of psycholoog bent. Ik doe dat niet; u doet dat. U komt met medische termen over opvattingen van mensen.

De voorzitter:

Probeer het nu via de voorzitter te doen. Ik doe helemaal niets. Ik sta niet eens op de sprekerslijst.

De heer Kortenoeven (PVV):

U hebt helemaal gelijk. Het is mijn onbekendheid met dit soort taferelen, voorzitter.

De voorzitter:

Ik help graag.

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter. Ik denk dat de discussie over de medische aspecten van de islam en de visie op de islam hier niet hoort. Ik denk dat het handig is om gewoon rationele argumenten uit te wisselen. Ik hoop dat de heer Van Bommel het boek wil lezen over de islam waarin ik een essay heb geschreven – ik wil het hem wel overhandigen – en waarin 34 wetenschappers en politici essays hebben geschreven over de aard van een politieke ideologie, die de islam is. Als u daarna nu eens bij mij terugkomt, dan praten we verder.

Ik kom nu op het bombarderen van Iran. Het heeft allemaal te maken met de "necessity of need". Op een gegeven moment zul je actie moeten ondernemen. Wij hebben gezien dat sancties niet werken en dat Iran zich geen snars aantrekt van wat er allemaal aan economische sancties tegen dat land is losgelaten. Iran heeft vorige week, zoals aangegeven, de uraniumverrijking vergroot of verdiept; hoe noem je zoiets? Ze naaien ons een oor aan en luisteren niet. Op een gegeven moet je iets. U kunt toch ook niet menen dat we moeten wachten tot zij een nucleair wapen gaan inzetten of dat zij ons daarmee serieus gaan bedreigen of dat zij Saudi-Arabië met een nucleair wapen gaan bedreigen en dat afschieten? Wij hebben te maken met een regime dat in staat en bereid is om de meest vreselijke dingen te doen. Ik wil u daar één voorbeeld van geven, want dat is wel iets ...

De voorzitter:

Mijnheer Kortenoeven ...

De heer Kortenoeven (PVV):

Voorzitter, ik wil de heer Van Bommel daar één voorbeeld van geven.

De voorzitter:

De vraag van de heer Van Bommel was vrij concreet.

De heer Kortenoeven (PVV):

Mag ik dan één concreet voorbeeld aan hem geven?

De voorzitter:

Ja.

De heer Kortenoeven (PVV):

In 1979, toen de heer Khomeini net de leider van Iran was, heeft dat regime in de oorlog met Irak 500.000 groene plastic sleuteltjes aangeschaft in Taiwan. Die sleuteltjes waren de sleuteltjes tot het paradijs. Die sleuteltjes werden met een kettinkje om de halzen van Iraanse kindertjes gehangen. Die werden daarmee de Iraakse mijnenvelden ingestuurd. Daar werden ze opgeblazen of gemitrailleerd vanachter de Iraakse stellingen. Een regime dat dit met zijn eigen kinderen doet, gaat veel ergere dingen met u en mij doen. Daarom moeten wij er rekening mee houden dat wij een oorlogshandeling moeten verrichten om dit regime tot staan te brengen. Er moet op een gegeven moment preventief worden opgetreden om je eigen vernietiging te voorkomen. Ik wijs u op Entebbe in 1976, waarbij het internationaal recht ...

De voorzitter:

Mijnheer Kortenoeven, op deze manier komt u echt aan de 123 minuten.

De heer Kortenoeven (PVV):

Ik laat het hierbij, voorzitter. Ik wil er een andere keer nog wel even over praten met de heer Van Bommel.

De voorzitter:

Dat lijkt mij goed en als ik mag kiezen: misschien op een andere plek.

De heer Timmermans (PvdA):

Mevrouw de voorzitter. Ongeveer twintig jaar geleden heb ik dagelijks honderden visa getekend voor mensen die, mede dankzij de inspanningen van de heer Kortenoeven en zijn medestrijders, eindelijk de gevangenis die "Sovjet-Unie" heette, mochten verlaten. Daarbij heeft de heer Kortenoeven zijn sporen verdiend en daarvoor complimenteer ik hem. Het volgende begrijp ik echter niet. De heer Kortenoeven is iemand die zoveel zelfvertrouwen had in het aanpakken van de gigantische Sovjet-Unie en hij geloofde: wij krijgen de mensen die weg willen daar weg. Hij heeft dat bereikt, maar kennelijk is hij bang voor een stel "knettergekke" islamfanaten in het Midden-Oosten, een term van zijn fractievoorzitter. Zijn fractievoorzitter is ook geen medicus, maar hij heeft de term wel vaker gebruikt. Zij hebben inderdaad idiote denkbeelden, maar zij vormen geen enkele bedreiging voor een samenleving als de onze, die zo sterk is, die zulke sterke waarden heeft en die voor zichzelf kan opkomen. Ik begrijp niet dat de heer Kortenoeven zo bang is, dat hij alles projecteert op een paar knettergekke islamfanaten en dat hij denkt dat iedere moslim, of de islam per se, een fundamentele bedreiging voor onze vrijheid kan zijn. Daar zijn wij veel en veel te sterk voor.

De heer Kortenoeven (PVV):

Ik bedank de heer Timmermans voor zijn complimenten, maar ik vertel hem ook dat ik maar een klein radertje was in een groot geheel waarin heel veel mensen heel veel hebben gedaan. Ik ben de heer Timmermans echter dankbaar voor de verwijzing en ik begrijp zijn redenering. Het probleem is door mij ook aangestipt: wij denken in het westen maar al te gauw en al te graag dat wij met gevaarlijke gekken te maken hebben. Er waren in de jaren dertig ook mensen die Adolf Hitler een gevaarlijke gek noemden, maar kijk eens wat die gek heeft aangericht. Een ideologie die mensen wil vernietigen en die dat aanzegt, neem ik serieus. Ik ben dat aan mijzelf verplicht en ik ben niet beter of anders dan de heer Timmermans – ik respecteer zijn opvatting – maar ik hoop dat ook de heer Timmermans eens wil lezen wat ik heb gelezen. Ik hoop dat wij dan tot een gezamenlijke conclusie komen voor het welzijn van Nederland en onze beschaving.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Driessen, die eveneens zijn maidenspeech zal houden.

De heer Driessen (PVV):

Voorzitter. Afgezien van een klein intermezzo direct na de Fortuyn-opstand heeft Nederland voor het eerst sinds tijden geen minister voor ontwikkelingshulp meer. Dat is prachtig. Geen minister, maar slechts nog een halve staatssecretaris houdt zich met ontwikkelingshulp bezig. Hij doet wat de meeste Nederlanders willen: hakken in het ontwikkelingsbudget. Volgend jaar gaat er al meteen 400 mln. af en daarna wordt er vrolijk verder gehakt. Wij zijn getuige van een keerpunt in de geschiedenis. De fractie van de Partij voor de Vrijheid ziet het begin van het einde van de gesubsidieerde ontwikkelingshulp. Wij stellen een heel belangrijke vraag: hebben de meer dan 2000 mld. die het westen sinds de jaren zestig weggaf aan bijvoorbeeld de gebieden ten zuiden van Barbarije, geholpen?

Topdeskundigen op het gebied van ontwikkelingshulp zijn niet mals in hun oordeel. William Easterly zegt: hoe meer ontwikkelingshulp een land krijgt, hoe sneller de economie van dat land in elkaar stort. Simeon Djankov zegt: ontwikkelingshulp leidt tot corruptie en tast de democratie aan. Ook zegt hij dat ontwikkelingshulp een vloek is voor arme landen. Dambisa Moyo zegt dat ontwikkelingshulp Afrika arm heeft gehouden. Oud-ambassadeur Karel van Kesteren zegt: een derde van alle ontwikkelingshulp verdampt door inefficiëntie. Een derde, voorzitter.

Mijn fractiegenoot Wim Kortenoeven heeft zijn bijdrage vandaag vooral gewijd aan onze dure plicht om te strijden tegen de islam, de plicht waarvoor de Staten-Generaal elf jaar na de val van Constantinopel in het Zuid-Nederlandse Brugge nota bene zijn opgericht. Bij een strijd tegen de islam past niet het gireren van Nederlandse belastingcenten aan islamitische partnerlanden. Nederland zal daar wat ons betreft vandaag nog mee moeten stoppen. HGIS staat dan voortaan voor: help geen islamitische staten. Is de staatssecretaris bereid landen als Jemen, Pakistan, de Soedan, de mohammedaanse autoriteit in Judea en Samaria en al die andere partnerlanden die lid zijn van die verschrikkelijke Organisatie van de Islamitische Conferentie, van de partnerlandenlijst te schrappen? Is dit kabinet bereid te doen waarvoor de Staten-Generaal ooit zijn opgericht?

In het regeerakkoord staat: "Nederland wil verder investeren in de band met de staat Israël." Intussen echter financiert de Nederlandse overheid en dus de Nederlandse belastingbetaler de anti-Israëlbeweging, bijvoorbeeld via subsidieslurper Oxfam Novib. Die club, de club van Farah Karimi, geeft centjes aan onder andere Stop de Bezetting, met voorzitster Gretta Duisenberg en in het comité van aanbeveling Marcel van Dam, die het nodig vond om Pim Fortuyn een minderwaardig mens te noemen, en Mohamed Rabbae, die mijn fractievoorzitter ooit uitmaakte voor kleine Hitler. Ook die andere vreselijke subsidieslurper ICCO, de club van onze "Benoemen en Bouwen"-vriend Doekle de dhimmi maakt centjes over aan de anti-Israëlbeweging. Zo gaat er geld naar haatclub The Electronic Intifada. Dat kan natuurlijk niet. Wat mij betreft worden Oxfam Novib en ICCO van het subsidie-infuus gehaald, liever vandaag dan morgen.

Bij die subsidieslurpers houdt het helaas niet op. Ook de Europese Unie besteedt Nederlandse ontwikkelingsgelden aan bijvoorbeeld Libanon, van waaruit Hezbollah de jihad tegen Israël voert, en Iran, waar het vernietigen van Israël door de president wordt gepropageerd. Is het kabinet het met mij eens dat er geen Nederlands belastinggeld ingezet moet worden tegen de enige echte democratie in het Midden-Oosten, de Joodse staat Israël?

Ik stipte het zojuist al even aan, ontwikkelingshulp door de Europese Unie. De fractie van de Partij voor de Vrijheid vindt dat de bureaucraten in Brussel zich helemaal niet met ontwikkelingshulp zouden moeten bezighouden. Europa is er voor het verbeteren van onze welvaart en zeker niet om over de hele wereld belastingcentjes uit te delen. Daarom vraag ik de staatssecretaris om zich in Brussel tijdens het eerstvolgende hulpsinterklazenoverleg hard te maken voor het stoppen van alle EU-ontwikkelingshulp. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Afgelopen zomer werd Desi Bouterse beëdigd tot president van Suriname. Alle reden lijkt mij om, op eventuele noodhulp na, onmiddellijk te stoppen met het geven van ontwikkelingshulp aan dat land. Is het kabinet ook daartoe bereid?

Ik rond af. Dit kabinet hakt fors in het ontwikkelingsbudget. Na jaren van linkse waanzin zegeviert eindelijk het gezond verstand. De linkse kerk krijgt klap na klap. Dat is prachtig en voor de zwijgende meerderheid zijn het prachtige tijden. Ik wens de staatssecretaris heel veel succes met het hakken in het budget voor de gesubsidieerde ontwikkelingshulp. Hoe meer, hoe beter.

De voorzitter:

Ik mag u allereerst feliciteren met uw maidenspeech.

U wilde een aantal interrupties toestaan. Ik geef als eerste het woord aan de heer Irrgang. Probeert u het beiden via de voorzitter te doen.

De heer Irrgang (SP):

Voorzitter, via u wil ik graag de heer Driessen alvast feliciteren met zijn maidenspeech. Wij hebben al eerder met elkaar gedebatteerd. Als ik mij niet vergis, sprak de heer Driessen over Constantinopel en Barbarije. Het zal ongetwijfeld aan mijn geografische kennis liggen, maar kan hij mij uitleggen waar dat ligt en wat dat is?

De heer Driessen (PVV):

Ik heb inderdaad gesproken over Constantinopel. Ik heb gesproken over de val van Constantinopel. Toen heette het nog Constantinopel. Daar is dus helemaal niets vreemds aan. Wat Barbarije betreft, zo werd het gebied waar nu Marokko, Algerije, Tunesië en Libië liggen ooit genoemd. Ik ben een groot fan van de Oostenrijkse taalfilosoof Wittgenstein, die zegt dat het heel leuk is om een beetje dynamisch met taal om te gaan en zo nu en dan een ander woord te gebruiken voor een bepaald begrip.

De heer Irrgang (SP):

Dat is hartstikke leuk. Wij kunnen hier ook doen alsof wij het parlement zijn van de Republiek der Zeven Provinciën. Dat vindt de staatssecretaris misschien ook wel aardig als republikein van het eerste uur. De heer Kortenoeven had het ook over Constantinopel. Moet ik het nu zo zien dat de PVV-fractie moeite heeft met het uitspreken van het woord Istanbul, de hoofdstad van Turkije, een door Nederland erkend land? En geldt dat ook voor Algiers, de hoofdstad van Algerije? Of is dit alleen maar een spelletje, een taalspelletje?

De heer Driessen (PVV):

Misschien zou de heer Irrgang een keer terug naar school moeten gaan, want Istanbul of Constantinopel is niet de hoofdstad van Turkije; dat is Ankara. Het spijt me. Wij hebben meer met Constantinopel dan met Istanbul.

De heer Irrgang (SP):

Ik moet de heer Driessen gelijk geven. Hij heeft heel veel geografische kennis. Inderdaad, de hoofdstad van Turkije is Ankara. En die andere grote stad? Die heet toch Istanbul? Of vindt hij het moeilijk om dat te zeggen?

De heer Driessen (PVV):

Istanbul is in Nederland inderdaad de gangbare term. Maar bijvoorbeeld in Griekenland wordt Constantinopel nog steeds Constantinopel genoemd, dus ik vraag mij af waarom ik Constantinopel niet Constantinopel zou kunnen noemen.

De voorzitter:

Dit lijkt mij afdoende besproken.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Ook mijn felicitaties aan collega Driessen voor zijn maidenspeech. Ik weet inmiddels uit ervaring hoe het is om daar te staan.

De heer Driessen haalde Easterly en Moyo aan. Ik sloeg aan toen hij zei: het gaat om het verbeteren van de welvaart hier. Maar Easterly en Moyo hebben aangetoond dat het voor het verbeteren van de welvaart in het Westen cruciaal is geweest dat wij de handel in grondstoffen zeker stellen. Ontwikkelingssamenwerking is in dat licht gezien heel gunstig voor ons geweest. Daarmee kan hij het toch niet oneens zijn?

De heer Driessen (PVV):

Nee hoor. Ik zou zeggen: lees de boeken er nog eens op na. Als er twee mensen kritisch zijn op gesubsidieerde ontwikkelingshulp, zijn het wel William Easterly en Dambisa Moyo. Ik ga dus totaal niet mee met het verhaal van mevrouw Dikkers.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Ik heb de boeken er nog eens op nageslagen. Zij hebben daadwerkelijk gezegd dat ontwikkelingssamenwerking vooral voor het Westen goed is geweest. Dat was ook een belangrijk kritiekpunt van hen. Als je zegt dat wij ons eigen belang voorop moeten stellen, zou je er alleen maar voorstander van kunnen zijn.

De heer Driessen (PVV):

Daar ben ik het totaal niet mee eens, helemaal niet. Wat ons betreft, stoppen wij vandaag nog met gesubsidieerde ontwikkelingssamenwerking.

De voorzitter:

Ik zie geen voortgang in de gedachtewisseling, mevrouw Dikkers.

Mevrouw Dikkers (PvdA):

Ik zie dat ook niet.

De heer Ormel (CDA):

Ik merk een groot meningsverschil tussen de SP en de PVV over het woord "Constantinopel". Ik wijs erop dat het de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk was. Daarom stel ik, in een soort brugfunctie, aan beide partijen voor om voortaan over Byzantium te spreken.

De heer Pechtold (D66):

Ik hoop dat 32% van het CDA blij was met deze interventie!

De voorzitter:

Dit is allemaal geen deel van het debat. Mijnheer Driessen, volgens mij hebben de leden geen nadere vragen. Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer El Fassed (GroenLinks):

Voorzitter. Allereerst feliciteer ik de heren Kortenoeven en Driessen. In de lijn van de PVV hielden zij een prachtige toespraak en maidenspeech. Ik feliciteer ook mevrouw Dikkers en de heer Dijkhoff.

De nieuwe minister van Buitenlandse Zaken noemt zichzelf een realist. In de Volkskrant liet hij optekenen dat je er met mooie verhalen en goede bedoelingen niet komt. Dat klopt. Een realist is iemand die uitgaat van de waarneembare werkelijkheid. Zijn realiteit lijkt echter meer op het vluchtgedrag van een struisvogel die de kop in het zand steekt om de boze buitenwereld niet te zien. Die wereld is er een van vele mondiale problemen: de financiële crisis, de economische crisis, de onveiligheid, de energie- en klimaatcrisis en de voedselcrisis.

De minister hoeft niet bang te zijn. De netwerkeconomie, de opkomst van nieuwe economieën en de mondiale crises bieden namelijk kansen voor Nederland. Als realist moet de minister niet weglopen en bij de eerste dijk gaan schuilen, maar juist kansen grijpen met een toekomstvisie op onze kenniseconomie waarin duurzaamheid en mensenrechten leidend zijn. De minister zegt stoer dat het buitenlands beleid er is voor Nederland en de Nederlanders, maar hij wil afstappen van een buitenlandagenda met idealen. Wat deze minister daadkrachtig kan maken, is optreden op basis van sterke waarden zoals ondernemingszin, mensenrechten, duurzaamheid en transparantie. Dat werkt niet alleen goed voor de wereld, maar ook voor ons. De minister eet echter liever thuis zijn stamppot boerenkool dan dat hij met de winnares van de mensenrechtentulp aan het diner zit. Werkelijk te gênant voor woorden. Of is het wellicht uit angst voor zijn gedoogpartner dat hij Nederland liever teruggetrokken ziet achter de dijken?

Met deze realist als minister bespreek ik graag een aantal realiteiten anno 2010. De realiteit is dat Nederland uit de G20 is gevallen en zijn plek bij het IMF verliest. In VN-verband verliezen Nederland en de EU steeds meer steun. Kan de minister, realist als hij is, een inschatting maken van de invloed van Nederland en de EU? Hoe gaat deze realist ervoor zorgen dat Nederland en de EU hun invloed niet verder verliezen?

De realiteit is dat ik deze VVD-minister goed ondernemerschap moet uitleggen. Met dit kabinet is de dominee vertrokken, maar de koopman van de BV Nederland heeft nog altijd een stabiele en veilige wereld nodig. Mensenrechten zijn de prullenbak in gegooid, terwijl het wereldwijd bevorderen van mensenrechten een gemeenschappelijk belang is waarbij juist onze soort economie gebaat is.

Geen daadkracht, maar een angstig, naar binnen gekeerd en "verschuild" buitenlands beleid is wat dit nieuwe kabinet ons biedt. Deze minister wil het liefst stil op een plekje achter de dijk zitten en wachten tot de crisis overwaait en dit terwijl juist in deze tijd internationale samenwerking een noodzaak is. Nederland, maar ook de EU, grijpt de kans niet om te profiteren van deze noodzaak. De EU laat steeds vaker door gebrekkige organisatie en interne verdeeldheid toe dat repressieve en autoritaire staten de buitenland- en mensenrechten­agenda domineren. De staatssecretaris houdt in het laatste WRR-rapport "Aan het buitenland gehecht" een prachtig pleidooi voor juist meer samenwerking. Helaas heeft de minister dit meteen opzijgeschoven. Graag hoor ik een reactie van beide bewindslieden.

Nog een realiteit. Wij leven in een nieuwe wereldorde. De vraag rijst of Nederland klaar is voor de toekomst. Opkomende landen betreden op een andere manier internationale fora. Wij zullen als klein land, maar ook als een belangrijk lid van de EU, op zoek moeten gaan naar een gelijkwaardige, geloofwaardige en autonome rol. Hoe ziet de minister dit eigenlijk? Wat wordt onze rol in Europa als het gaat om de positie van Europa in een multipolaire wereld?

Een andere realiteit. De macht van China en de repressieve regimes die China steunt, groeit. De nieuwe wereldorde bezigt gedrag en gebruiken waar wij al van af zijn gestapt: non-interventie bij humanitaire crises, geen moeilijke vragen stellen, passief dreigen met militaire middelen en een niemand en niets ontziend optreden in Afrika. Dat laatste is voor Afrikaanse regimes interessant. China stelt geen moeilijke vragen, bouwt infrastructuur, levert wapens en houdt corrupte regimes in het zadel. Afrikaanse burgers profiteren slechts in zeer beperkte mate. Chinese werknemers bouwen de oliewerken en de wegen. Dat levert dus geen banen op en drukt Afrikaanse bedrijven uit de markt. De verwerking van de producten vindt bovendien in China plaats. Graag hoor ik van beide bewindslieden hoe zij dit beoordelen.

Intussen liegen de groeicijfers van China er niet om. Het geld wordt gepompt in de Chinese krijgsmacht, Europese staatsobligaties en ontwikkelingen van het platteland. De Chinese energiebehoefte groeit enorm. Kan China worden geholpen om het fossiele energietijdperk over te slaan? Voor China is het zaak dat technologie beschikbaar komt en betaalbaar is en dat er voldoende rendement is. Laat in de etalage van de bv Nederland nou net allerlei producten en technologieën op het gebied van duurzame energie staan te pronken! Gaat de minister dit faciliteren?

Nog een realiteit: over 20 jaar is de EU voor 70% afhankelijk van energie uit landen waar grove mensenrechtenschendingen plaatsvinden. Hoe kan Nederland volgens de minister koploper worden in duurzame technologie als zijn buitenlands beleid ons afhankelijk maakt van oliereserves van schurkenstaten? In energielanden zoals Algerije, Kazachstan en Saudi-Arabië liggen radicalisme, terrorisme, corruptie en conflicten op de loer of zijn zij allang onderdeel van de maatschappij. Het is gevaarlijk maar ook onverstandig om zo afhankelijk te zijn van deze landen. Wat gaat de minister daaraan doen?

In het regeerakkoord staat dat energie en grondstoffenzekerheid een van de prioriteiten van deze minister is. Als realist kan deze minister binnen het kabinet toch niet anders zijn dan de grootste pleitbezorger van een eigen Europese duurzame eindeloze energievoorziening? Investeren in duurzame energie en technologie is investeren in onze eigen etalage. Daarop krijg ik graag een reactie.

Ook onovertroffen sceptici zoals de PVV zullen moeten beseffen dat Nederland niet afhankelijk moet zijn van landen waar vrouwenrechten dag in, dag uit aan de laars worden gelapt en waar een kritisch geluid de nek om wordt gedraaid en dat de benzinedorst niet anders kan worden gelest dan met afhankelijkheid van notoire mensenrechtenschenders. Zolang de PVV de overstap naar duurzame energie tegenhoudt, blijft zij een belangrijke financier van moskeeën en imams in islamitische landen.

Eigenlijk weet ik niet wat wij van de minister nog mogen zeggen over Israël. Dat is het enige buitenland dat wordt genoemd in het regeerakkoord. Het is al vreemd dat een minister geen volwassen dialoog aandurft met een bevriend land, maar het is iets anders als een minister rechtmatige kritiek de mond wenst te snoeren als het om basale mensenrechten gaat. Daarop krijg ik graag een reactie.

Meer dan ooit brengt de opkomst van nieuwe digitale media, technologieën en toepassingen uitdagingen met zich mee. In samenwerking met traditionele professionele media kunnen deze ontwikkelingen bijdragen aan een democratischer en opener nieuwsomgeving. Deze ontwikkelingen bieden ongekende mogelijkheden voor mensenrechtenverdedigers, maar ook voor de onderdrukking van hun werk. Het aantal landen waar media worden gecensureerd en internetgebruikers worden gestraft, is in 2010 sterk toegenomen. In China zitten voor het eerst meer bloggers en internetjournalisten in de gevangenis dan journalisten van oude media. Een land als Iran laat software ontwikkelen om bloggers te censureren en op te sporen.

De Nederlandse open economie is gebaat bij een vrij internet. Nederland heeft daarom altijd vooropgelopen. Raken wij deze koppositie nu kwijt? De voorganger van de minister, de heer Verhagen, heeft mede op ons aandringen een eerste stap gezet naar een Europees verbod op censuurexport. Wat wordt de volgende stap om zo snel mogelijk bedrijven aan banden te leggen die censuur- en filtertechnologieën leveren aan repressieve regimes? Kan Nederland initiatieven zoals het online monitoren van verkiezingen ondersteunen? Kan het Mensenrechtenfonds worden uitgebreid ten behoeve van de digitale vrijheid van meningsuiting? Kunnen wij technische ondersteuning bieden met online oplossingen tegen internetcensuur en filters? Kunnen wij via ambassades meer steun bieden door bijvoorbeeld de uitbreiding met internet van het handboek voor mensenrechtenverdedigers? Graag hoor ik van beide bewindslieden hun visie op nieuwe media en technologieën en welke kansen en bedreigingen die bieden.

Syrië ondertekent eind dit jaar wellicht een associatieverdrag met de EU. Waarschijnlijk beginnen binnenkort onderhandelingen met Libië. Het is in dit licht echt zaak om te zorgen voor een monitoringmechanisme op het gebied van mensenrechten als onderdeel van de associatieverdragen. Duidelijke ijkpunten moeten daarvan onderdeel uitmaken. Gaat de minister daarvoor zorgen?

De minister erkent de realiteit dat vrede alleen duurzaam is als die gepaard gaat met waarheid, gerechtigheid en verzoening. Zeker in post-conflictlanden is rechtspraak over tijdens en voor het conflict begane misdaden noodzakelijk voor de weg naar verzoening, stabiliteit, vrede en democratie. Effectieve rechtshandhaving en juridische systemen zorgen bovendien voor verantwoording bij overheden. Deze zaken moeten voor iedereen gelijk en toegankelijk zijn. De realiteit is echter dat die toegang vrouwen vaak wordt ontzegd. Rechtsinstanties missen vaak de gevoeligheid voor het geweld dat vrouwen hebben meegemaakt en behandelen schendingen van de rechten van vrouwen als een lage prioriteit. Wij zijn ervan overtuigd dat de opbouw van een justitieapparaat, de aanpak van straffeloosheid en vrouwenrechten altijd een essentieel onderdeel moeten zijn bij de assistentie aan post-conflictlanden. Hierbij valt te denken aan training en ondersteuning van rechters, advocaten, openbare aanklagers en politie en aan het instellen van andere mechanismen van transitionele gerechtigheid. Graag een reactie van de minister.

Ervaring leert dat de positie van vrouwen in fragiele staten om een expliciet en uitgesproken beleid vraagt. De Kamer en mijn fractie onderschrijven het belang van VN-resolutie 1325. Het gevaar dreigt echter dat deze resolutie een papieren tijger wordt. Er zijn geen dwingende beleidsmechanismen, er is geen sprake van monitoring en evaluatie, er zijn geen institutionele structuren en er zijn geen fondsen. Is de minister bereid assistentie te verlenen bij het formuleren van actieplannen door overheden en maatschappelijke organisaties in fragiele staten? Nederland heeft een enorme expertise opgebouwd op het gebied van gender, vrouwenrechten en resolutie 1325. Wij worden daar wereldwijd om geprezen. Wat zijn de ambities van de minister met betrekking tot vrouwenrechten?

De minister is een realist. Hij staat voor de bv Nederland en de Nederlanders. Ik ook. Daarom hoop ik dat de minister zich niet als een struisvogel gedraagt en vol daadkracht en ondernemingszin bouwt aan de toekomst van de wereld en ons land. Ik vraag de minister: gelooft u werkelijk dat deze visie het beste is om Nederland internationaal te gaan vertegenwoordigen? Staat u met beide benen in de nieuwe wereld om onze plek in de toekomst te claimen? Eerlijk gezegd ziet mijn fractie in plaats van een door angst gedreven beleid liever een minister die staat voor de positieve ambities van ons land.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook ik feliciteer mevrouw Dikkers, de heer Dijkhoff, de heer Kortenoeven en de heer Driessen met hun maidenspeech. Allen gaven mij genoeg aanleiding om te verwachten dat we een spannend seizoen met elkaar zullen beleven op het gebied van buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking.

Voorzitter. Dit kabinet zit er nog maar net en onze fractie heeft goede herinneringen aan de samenwerking met de voorganger van deze minister van Buitenlandse Zaken. We hebben geregeld gezamenlijk goed kunnen optrekken als het ging om de pijlers mensenrechten, kinderarbeid en godsdienstvrijheid. De ChristenUnie ziet ook nu uit naar een goede samenwerking met de minister. Ik heb ook kennisgenomen van het inmiddels beroemde artikel in de Volkskrant. Misschien is de minister van Buitenlandse Zaken nog nooit zo vaak geciteerd als vandaag. De minister gaf aan dat de derde pijler van zijn beleid de mensenrechtencomponent zou bevatten. De minister heeft gezegd: je kunt ook niet voortdurend overal mee bezig zijn; je moet je energie, tijd, aandacht en middelen selectief inzetten, want je kunt niet op elk moment overal achteraan jagen en tal van organisaties en instituten houden zich er tenslotte al mee bezig. Dat zei de minister over de mensenrechten.

Als de mensenrechten inderdaad op het derde plan komen, hoe vertaalt hij ze dan in concreet beleid? Gaat hij minder fte's inzetten op de ambassades? Gaat hij daar mensen wegsturen die de afgelopen jaren juist door de vorige minister zijn aangetrokken? We weten dat op bepaalde ambassades juist specialismen zijn aangetrokken ter versterking van het beleid van de regeringen en van de organisaties die zich daar bezighielden met de verbetering van de mensenrechtensituatie. Ik noem de ambassade in Jakarta als voorbeeld. Hoe gaat dit er concreet uitzien? Gaat de minister zich net als de vorige minister onvermoeid inzetten voor de godsdienstvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de rechten van minderheden?

Was de politieke weging van de inval in het huis van mevrouw Ingabire in Zevenhuizen ook zo'n voorbeeld van een andere politieke afweging dan we van tevoren hadden kunnen meemaken? Ik steun het verzoek van de heer Pechtold om morgen voor aanvang van de eerste termijn van de minister een brief te krijgen over de politieke wegingen die aan dit besluit ten grondslag hebben gelegen.

Wij vragen deze minister naar de toezegging, gedaan door de vorige minister, van een evaluatie van de vijf pilots bij de ambassade over de godsdienstvrijheid. Wanneer kan de Kamer die evaluatie verwachten?

Dan nog even terug naar ontwikkelingssamenwerking. Wij hebben daarover inderdaad lang met de staatssecretaris gesproken. Dat gaf de heer Van der Staaij en mijzelf aanleiding om te kijken naar het amendement. Wij zagen ook bij de CDA-fractie wat beweging naar onze kant. Daarom hebben wij het amendement iets aangepast. Naar aanleiding van de suggesties van de staatssecretaris over de dekking hebben wij er opnieuw naar gekeken. Ik ben benieuwd naar het oordeel van de staatssecretaris en of wij de grote bezuiniging op de medefinancieringsorganisaties iets kunnen afzwakken.

Als het gaat om de Basisbrief, daarin zet de staatssecretaris met kracht in op het veranderen van de richtlijn over vrede en veiligheid, de ODA. Die ODA-richtlijn wil hij verruimen. Dat motiveert hij vanuit het Nederlandse 3D-beleid. Er komt in het voorjaar van 2011 een high-level meeting. Daarbij moeten besluiten vallen om te zien of de richtlijnen veranderd kunnen worden. Kan de staatssecretaris ons daarover verder informeren? Welke richtlijnen wil hij wijzigen en welke coalities denkt hij te smeden? Met welke motivatie wil hij de ODA-criteria oprekken? De antwoorden mag hij geven in eerste termijn, maar het mag ook in een brief. Ik ben er zeer in geïnteresseerd.

Ik ben blij met de toezegging van de staatssecretaris in het vorige wgo dat er geen onderwijsprojecten abrupt worden gestopt bij het uitfaseren van partnerlanden. De staatssecretaris gaat in ieder geval niet aan kapitaalvernietiging doen, heeft hij gezegd. Vooral projecten ter vermindering van kinderarbeid en om kinderen naar scholing toe te leiden, zou hij ontzien. Ik vraag de staatssecretaris wel hoe hij de behaalde resultaten overeind wil zien te houden, ook met de komende bezuinigingen.

Dan terug naar de minister van Buitenlandse Zaken. Afgelopen maandag heeft Noord-Korea nog gedreigd met een atoomoorlog. Onze fractie heeft met herhaling gewezen op de cruciale rol van China. In 2008 is door mij een motie ingediend over het gedwongen terugsturen van vluchtelingen vanuit China naar Noord-Korea. Kan de minister van Buitenlandse Zaken zeggen wat de stand van zaken is? Het was een Kamerbreed gedeelde motie. Wij maken ons nog steeds grote zorgen over de mensen die het land uitgezet worden en teruggestuurd worden naar Noord-Korea.

Bij West-Papoea en de Molukken blijven de Indonesische autoriteiten de mensenrechten met voeten treden. Men kan nog altijd niet zonder vrees demonstreren of voor de mensenrechten opkomen. Ook worden onafhankelijke media en internationale organisaties nog altijd actief tegengewerkt. Wij hebben net nog gehoord dat op Java een grote groep christenen met geweld uit een huis is verdreven waar zij samenkwamen. Kent de minister die zaak en wat vindt hij daarvan? Kerken moeten geregistreerd zijn, maar de politie geeft die registratie niet. Vandaar dat mensen in huizen samenkomen. Hoe kan dat toch? Ik sluit mij aan bij de collega van de SGP.

Ook mijn fractie betreurt het dat de president zijn staatsbezoek aan Nederland heeft afgezegd. Zijn er op korte termijn ook plannen om dit bezoek alsnog te laten doorgaan? Kan de fractie rekenen op de steun van de minister voor het bij Indonesië blijven aandringen op het respecteren van fundamentele mensenrechten?

Dan India en de positie van de zogenaamde kastelozen, de dalits. Die is nog zeer schrijnend te noemen. Er zijn verschillende voorbeelden te noemen, zoals religieuze prostitutie. Mijn collega Van Dalen in het Europees Parlement heeft daarover onlangs vragen gesteld. Met name als het gaat om het vrijhandelsverdrag met India, en het concepthoofdstuk over de ontwikkeling en de waarborgen van mensenrechten, vraag ik de minister om zich ook in Europa in te zetten voor een stevige, fundamentele arbeids- en mensenrechtencomponent.

Over Haïti is onlangs vernomen dat de adoptieprogramma's stopgezet zijn, omdat niet genoeg duidelijkheid van de regering aldaar verkregen kon worden. Per 1 december is een speciale medewerker toegevoegd aan onze ambassade in de Dominicaanse Republiek. Is het niet een idee om deze medewerker als eerste te belasten met het uitzoeken van de lopende adoptieprocedures om te zien of wij die in ieder geval nog kunnen vlot trekken voor de mensen die daar al lang op wachten?

Dan het Midden-Oosten. De ChristenUnie is in feite positief over het voornemen van de regering om te investeren in de relatie met Israël. Ook op dit vlak is onze fractie benieuwd naar de concrete inzet van het kabinet. Betekent dit bijvoorbeeld dat het kabinet zal pleiten voor verbreding van het Associatieverdrag met Israël? Deelt de minister het standpunt van mijn fractie dat hierbij de veilige grenzen en de erkenning van de staat Israël noodzakelijke voorwaarden zijn voordat er überhaupt kan worden gesproken over vrede? Ons hebben geluiden bereikt dat Nederland van plan is, althans via het initiatief van een aantal organisaties, om een zogenaamde hulpvloot naar de Gaza te sturen. Kent de minister deze berichten? Ze worden breed uitgemeten op allerlei websites. Onder andere Stop de bezetting doet hieraan mee. Kan de minister nagaan of deze organisaties dat doen met belastinggeld, met subsidie? Wij weten dat een aantal van de organisaties ondersteuning krijgt van de medefinancieringsorganisaties. Wat is het oordeel van de minister daarover?

Wij hebben eerder gevraagd om een onderzoek naar de Union of Goods in Europa. Is daar iets meer over bekend?

Tot slot Iran. De Britten hebben inmiddels het besluit genomen om ook de dual use goederen te betrekken bij het sanctiepakket. Kent de minister die maatregelen van Engeland? Is hij bereid om die ook voor Nederland te overwegen?

Mevrouw Thieme (PvdD):

Voorzitter. Joseph Luns zei dat Nederland een klein land is met een grote betekenis in de wereld. Ook zei hij dat het belang van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken groot geacht moet worden, omdat wij immers als klein land te maken hebben met een heel groot buitenland. Daarnaast hebben wij een zeer grote verantwoordelijkheid, gelet op het verleden. De VOC-mentaliteit die ons landje groot heeft gemaakt, heeft ook de uitputting van de aarde sterk bevorderd en de ecologische voetafdruk van het rijke westen. Internationale handel heeft ons een buitenproportionele invloed gegeven en onze invloed in landen als Indonesië, Suriname, Sri Lanka, Brazilië en de Antillen is groot geweest. Dit maakt ook onze verantwoordelijkheid zeer groot.

Wij consumeren in ons land een veelvoud van wat de aarde aankan. Het Wereld Natuur Fonds berekende in het Living Planet Report dat er in 2050 drie aardbollen nodig zijn om in de groeiende consumptiebehoefte van de wereldbevolking te kunnen voorzien. Elk jaar worden er meer bomen gekapt dan er in één jaar terug kunnen groeien. Elk jaar worden er meer vissen gevangen dan er worden geboren. Als wij de biocapaciteit van de aarde vergelijken met een jaarsalaris, moeten wij zeggen dat wij vandaag de dag al in september ons hele loon hebben gespendeerd en de rest van elk jaar op de zak van toekomstige generaties leven.

Wij voelen ons ver verheven boven het bijgeloof dat wij aantroffen in de gebieden die wij in het verleden koloniseerden, maar geven ons nu zelf over aan een volstrek irrationeel bijgeloof, namelijk dat er zoiets zou bestaan als de onzichtbare hand, bedacht door Adam Smith die de markt en daarmee onze toekomst zou ordenen. Het sprookje van die onzichtbare hand is uit, zelfs als veel mensen daar nog niet aan willen. Onder architectuur van de huidige minister van Buitenlandse Zaken en onder leiding van zijn protegé Mark Rutte is er een beleid opgetuigd waar rechts Nederland zijn vingers bij zou aflikken, maar reeds in 1982 werd voorspeld dat het sprookje geen lange levensduur had. Professor Goudswaard schreef het boek Kapitalisme en vooruitgang, waarin hij de problemen die wij vandaag ondervinden, loepzuiver voorspelde: de grondstoffenproblematiek, de hebzucht, de klimaatproblemen. Het kan niet anders of hij moet diep treurig gestemd zijn over het verraad van zijn partij, het CDA, en het nu gevoerde kabinetsbeleid dat zijn aanbevelingen andermaal negeert.

Het nu gevoerde beleid blijft hangen in achterhaalde begrippen als links en rechts en dat is een dramatisch misverstand dat ons land, en daarmee ook het immense buitenland dat onder het takenpakket van de minister Rosenthal valt, in grote problemen zal brengen. Het is pompen of verzuipen. En iedereen die meent te moeten pleiten voor het afschaffen van linkse hobby's, om daarmee rechts Nederland zijn vingers af te laten likken, maakt zich schuldig aan miskenning van de ernst van de feiten en de urgentie van een duurzame omslag. We mogen niet verwachten dat de onzichtbare hand van Adam Smith ook maar iets zal betekenen in de strijd tegen landoverschrijdende dierziekten, het tegengaan van de klimaatcrisis, het voorkomen van de fosfaatcrisis, het verbeteren van de wereldvoedselverdeling, het voorkomen van de kap van het regenwoud en de uitputting van andere grondstoffen.

Jaarlijks sterven honderdduizenden mensen aan de gevolgen van overstroming, droogte en verwoestijning, goeddeels veroorzaakt door ons westerse leefpatroon. Elk jaar sterven 6 miljoen kinderen aan de gevolgen van ondervoeding, maar ons buitenlands beleid blijft vooralsnog gericht op de instandhouding van onze westerse welvaart. Wij hebben een vee-industrie die jaarlijks 50% van de wereldgraanvoorraad opslokt voor veevoer, grote milieu- en klimaatproblemen veroorzaakt en 80% van het wereldlandbouwareaal in beslag neemt. De veehouderij veroorzaakt 30% van het biodiversiteitsverlies, dat steeds dramatischer vormen aanneemt.

Ik gaf al aan dat we bij een onverantwoord leefpatroon in 2050 drie aardbollen nodig zouden hebben. Ik weet dat minister Rosenthal tegen die tijd 105 jaar oud zal zijn en ikzelf 78. We kunnen natuurlijk doen alsof het ons niet aangaat, alsof we de tijd hebben om vriendschappelijk aan het bedrijfsleven te vragen om te verduurzamen en te zien waar het schip strandt. Wat gaan u en ik onze kinderen en kleinkinderen nalaten? Gaan we deze planeet in een betere conditie achterlaten dan we hem hebben aangetroffen? En wat zal daarin de rol zijn van ons buitenlands beleid? Bij zijn aantreden heeft minister Rosenthal gezegd dat hij zich vooral wil gaan inzetten voor het behoud van de Nederlandse welvaart, vrijheid en veiligheid. Hoe ziet hij dat? Als we, met oogkleppen op, menen dat de Nederlandse welvaart behouden kan blijven, inclusief onze tomeloze overconsumptie, zal dat onze vrijheid en veiligheid ernstig in gevaar brengen. Zijn oud-collega in de Eerste Kamer, generaal buiten dienst Van Kappen, waarschuwde voor ongebreidelde welvaartsgroei. Ik citeer: "De effecten van de verregaande globalisering in combinatie met de steeds maar groeiende wereldbevolking leiden tot schaarste en een stijgende energiebehoefte. Als die klimaatverandering doorzet, wordt de situatie nog nijpender. Het zal dan ook steeds moeilijker worden om de groeiende wereldbevolking te voeden. In het bijzonder de toegang tot drinkbaar water wordt dan een potentiële casus belli." Ik vat het maar even samen in mijn eigen, eenvoudige woorden: als wij blijven inzetten op welvaartsgroei, zal dat ten koste gaan van de vrijheid en veiligheid in de wereld; het zal een reden voor oorlogen zijn. Zo denkt in ieder geval een vooraanstaand partijgenoot van de minister erover.

Maar de minister filosofeert niet graag over de veranderingen in de diplomatieke dienst die nodig zijn om samen de overlevingskansen groter te maken. Nou ja, de minister wil wel dat er iets verandert in de diplomatieke dienst: die zou niet langer een rustiek tijdverdrijf moeten zijn. Dat is interessant, want kennelijk was hij dat tot nu toe wel. Graag een toelichting daarop. Er zou meer ingezet moeten worden op de economische belangen van Nederland dan op mensenrechten. Wat bedoelt de minister daar eigenlijk mee? Gaan we nog meer inzetten op het plunderen van grondstoffen in Afrika en Zuid-Amerika, blijven we zoet water in het buitenland verspillen voor onze voedselvoorziening, terwijl het Wereld Water Forum ons leert dat in 2017 70% van de wereldbevolking geen vrije toegang meer zal hebben tot schoon drinkwater?

En als de minister de diplomatieke dienst meer wil inzetten voor de economische belangen van Nederland, hoe verhouden de ecologische belangen van de wereldbevolking zich daartoe? Graag een reactie van de minister. De huidige EU zegt dat het akkoord dat dit weekend is bereikt in Cancún, voor iedereen meer inspanningen vergt, dus ook van Europa, omdat we nu de temperatuurstijging niet gaan beperken tot twee graden. Welke extra inspanningen zullen Nederland en Europa leveren? Ik heb minister Rosenthal daarover in het geheel nog niet gehoord. Sterker nog, hij pleit voor Nederlands welvaartsbehoud, dat zich vooralsnog niet verdraagt met de genoemde doelstellingen.

In de internationale gemeenschap krijgt de landbouw meer dan ooit een hoofdrol toebedeeld bij de wereldvraagstukken rondom voedselzekerheid, zoetwatervoorraden, klimaatverandering en versterking van economieën in ontwikkelingslanden. De koppeling tussen landbouw- en klimaatbeleid is in Cancún duidelijk gelegd. Investeringen in landbouw werden tijdens deze top eindelijk serieus besproken. Volgens de UNCTAD moeten internationale handelshervormingen gericht zijn op ondersteuning van de biologische landbouw, gekoppeld aan een echte vermindering van landbouwsubsidies en exportsteun door de ontwikkelde landen. Ik hoor graag of, en zo ja hoe, deze elementen zullen terugkomen in ons buitenlands beleid.

Helaas heb ik het wetgevingsoverleg over ontwikkelingssamenwerking moeten missen. Ik deel de boosheid over de bezuinigingen. Genoeg is inderdaad genoeg. Ik zal proberen de discussie hierover niet nog eens over te doen, maar ik wil enkele belangrijke punten aanstippen, waarbij het van belang is dat de minister van Buitenlandse Zaken meeluistert. Het persbericht van het kabinet over het ontwikkelingsbudget meldde dat de bezuinigingen vooral worden gevonden bij de uitgaven voor sectoren als onderwijs en gezondheidszorg, in de trant van: houd jij ze arm, dan houd ik ze dom.

Ik heb een paar vragen over het initiatief Duurzame Handel. Het kabinet wekt de indruk, grote verwachtingen te hebben van de inzet van het bedrijfsleven, en dat zullen wij weten ook. De komende vijf jaar gaat er namelijk 100 mln. naar het initiatief Duurzame Handel. Het bedrijfsleven is zeer bereid om zijn activiteiten te vergroenen, als het er maar geld voor krijgt en als er van overheidswege maar niet te hard wordt nagedacht over de vraag wat dan precies duurzaam te noemen is. Aan deze 100 mln. heb ik nog geen voorwaarden gekoppeld gezien.

Dit kabinet zet een streep door private groene investeringen van burgers met idealen, om vervolgens het bedrijfsleven te gaan subsidiëren. Is dat het beleid waar rechts Nederland zijn vingers bij zal aflikken? Zo vraag ik de minister. In het regeerakkoord lees ik dat subsidies alleen nog worden toegekend als de effectiviteit bewezen is. Ik stel voor, dat wij dan ook stoppen met de subsidie aan de Round Table on Responsible Soy. Dit project is allesbehalve duurzaam. Immers, binnen dit project, dat verantwoorde soja zou moeten opleveren, wordt ontbossing nog steeds toegestaan en worden er bewezen meer giftige bestrijdingsmiddelen gebruikt, ten koste van de lokale bevolking en de biodiversiteit. Dit project is een cadeautje aan bestrijdingsmiddelengigant Monsanto. Ik vraag de staatssecretaris, welke criteria worden gehanteerd bij het subsidiëren van projecten in het kader van het initiatief Duurzame Handel. Hoe wordt het geld verdeeld over de projecten en welke verantwoordelijkheid neemt de overheid in dit proces? Hoe worden de deelnemers geselecteerd, zowel hier als daar? Welke indicatoren hanteert het kabinet en op welke manier kan het op dit beleid worden afgerekend? Welke definitie van duurzaamheid wordt in dit project gehanteerd? Ik krijg graag meer duidelijkheid. Wij steunen dan ook graag de motie van de ChristenUnie die is ingediend tijdens het wetgevingsoverleg.

Wat ik zie gebeuren met deze subsidie is dat wij de positie van ontwikkelingslanden als leverancier van primaire goederen gaan versterken, terwijl wij zouden moeten investeren in de capaciteit van ontwikkelingslanden om niet alleen primaire goederen te produceren, maar deze ook te verwerken, op te waarderen en af te zetten op de eigen markten. Deelt de staatssecretaris deze mening? Op welke wijze wordt het bedrag van 100 mln. ingezet om deze zelfredzaamheid te stimuleren? Het lijkt er nu sterk op dat het bedrag van 100 mln. is bedoeld om de ketens van een paar grote multinationals te "greenwashen". Graag krijg ik een reactie.

Staatssecretaris Knapen zei in een speech trots dat wel elf donorlanden, waaronder de VS, tot de conclusie waren gekomen dat wij de millenniumdoelen niet gaan halen zonder de private sector. Precies, zou ik willen zeggen: donorlanden willen graag dat de private sector het ontwikkelingswerk gaat opknappen. Maar willen de ontvangende landen ook dat hun hulp wordt veranderd van het bouwen van scholen en ziekenhuizen in het opgedrongen krijgen van concepten waarmee hun landen voortaan "verantwoord" kunnen worden beroofd van drinkwater, nutriënten en genetische rijkdommen? Er was afgesproken dat handelsregels en regels omtrent "intellectual property rights" en het benutten van genetische hulpbronnen in orde gemaakt zouden worden, vanuit het perspectief van de ontwikkelingslanden zelf, waarbij hun belangen voorop staan. Is het kabinet bereid dit te doen en zo ja, hoe gaat het dit doen? Welke verantwoordelijkheid heeft de staatssecretaris hierin en wat ligt er bij de staatssecretaris van landbouw? Graag krijg ik de toezegging van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking dat zij betrokken zullen zijn bij de handelsafspraken en de reizen van de staatssecretaris van ELI en dat zij zullen kijken naar de behoeften van het andere land; niet alleen naar de behoeften van ons land. Daarbij ben ik ook benieuwd naar de visie van het kabinet op de lopende DOHA-ronde binnen de WTO. Welke handreikingen is Nederland bereid te doen aan ontwikkelingslanden?

Wij weten dat het internationale bedrijfsleven aan steeds meer en steeds belangrijkere touwtjes trekt dan Den Haag. Wat is de visie van deze minister op governance? Hoe geeft hij de verhoudingen vorm tussen de belangen en de macht van burgers en die van aandeelhouders in deze dramatische tijden, waarin het gesneuvelde neoliberalisme weer tot leven gewekt moet worden door bewindslieden die heel hard roepen: leve het neoliberalisme? Alsof daarmee een terugkeer naar de vette jaren zou kunnen worden bewerkstelligd. Graag krijg ik hierop een reactie.

Voorzitter. Het begint er een beetje op te lijken dat dit kabinet niet weet hoe snel het publiek geld in private handen moet leggen. De publieke potjes – ik noem ODA, kunst en cultuur, ontwikkelingssamenwerking, natuur- en milieubeleid en het FES – worden door dit kabinet zo snel mogelijk leeggetrokken, terwijl de miljoenen het bedrijfsleven om de oren vliegen. "At your service" lijkt inderdaad het opnieuw tot leven gewekte motto van dit kabinet te zijn, niet ten dienste van de internationale samenleving, helaas, maar ten dienste van het internationale bedrijfsleven. OS wordt verdeeld onder de armen, de armen van het Nederlandse bedrijfsleven wel te verstaan. Het kabinet moet uitkijken dat het niet de verdenking op zich laadt, louter in dienst van het bedrijfsleven en het grote geld te staan. WikiLeaks komt vast nog wel met nieuws op dat punt. WikiLeaks heeft het allemaal bevestigd: minister Verhagen was de grote vriend van de Verenigde Staten. Zal minister Rosenthal net zo happig zijn, net zo toegeeflijk aan Washington?

Over WikiLeaks gesproken: WikiLeaks is naar onze mening heel belangrijk voor de wereld. De informatiepositie tussen overheden en burgers, tussen bedrijven en maatschappelijke organisaties, tussen Zuid en Noord is meer in evenwicht gebracht. Eindelijk werd duidelijk hoe Shell in Nigeria te werk gaat. Wat gaat Nederland hieraan doen? Dat vraag ik aan de minister. Hoe nemen wij onze verantwoordelijkheid, nu de hele wereld weet dat een groot Nederlands bedrijf zich schuldig maakt aan corruptie? Graag hoor ik hoe hier een vervolg aan gegeven zal worden. Hoe zit het momenteel met de aansprakelijkheid van Nederlandse bedrijven voor activiteiten in het buitenland?

Er zit natuurlijk nog veel meer in die "cables". Olieproducerende landen willen geen sterk klimaatverdrag. Dat is niet verrassend, maar het is goed om te zien hoe dat werkt. De Verenigde Staten willen weten hoe de Afrikaanse leiders over gentech denken. Dat wordt al interessanter. Op welke wijze zet Nederland haar diplomaten in om dergelijke handelsbelangen te verzekeren? Gaan we Vion of Cargill tegenkomen in Leaks?

Voorzitter. Maak niet dezelfde fout als minister Verhagen deed. Zoals Shell al zei: de VS-diplomatie is nogal leaky. Bij de behartiging van dit soort handelsbelangen door regeringen wordt dit alleen nog maar een reëler gevaar. Het kabinet moet zich gedragen op een manier die het daglicht kan verdragen. Handel in het belang van de mensheid, dan is er niets aan de hand. Dan mag iedereen meelezen met wat het kabinet doet.

Dan de missie naar Afghanistan. Wij willen dat Nederland geen militairen meer stuurt naar Afghanistan. Zoals het er nu naar uitziet, zal de door sommigen bepleitte afgeslankte Afghanistanmissie worden gefinancierd uit het ontwikkelingsbudget. Dit is een regelrechte schande, als het waar is. Als dit een vorm van ontwikkelingshulp is, hoe verhoudt zich dat dan tot de kabinetsafspraak dat we alleen ontwikkelingshulp zouden geven aan landen zonder corruptie, die enigszins stabiel zijn, waardoor we zeker zijn van de effectiviteit van de hulp? Graag een reactie.

Voorzitter. Ik wil afsluiten met een compliment aan de regering. Ik vond het goed om te zien dat er blushelikopters beschikbaar zijn gesteld om in Israël te helpen de bosbranden te bestrijden. Graag zien we hier meer van. Internationale solidariteit is een groot goed. Graag horen we welke ideeën er leven om een meer structurele bijdrage te leveren aan de internationale veiligheid. Niet in ons eigen belang of dat van onze gekoesterde welvaart, maar in het belang van de 6 miljard mensen met wie we deze planeet delen.

In dat kader ben ik voorts van mening dat er zo snel mogelijk een einde moet komen aan de bio-industrie.

De voorzitter:

Dan zijn wij gekomen aan het eind van de inbreng van de Kamer in eerste termijn. Ik heb begrepen dat de regering voornemens is om een aantal vragen schriftelijk te beantwoorden. Ik verzoek de bewindslieden, die brief voor 13.00 uur morgenmiddag aan te leveren. Mijnheer Pechtold ...

De heer Pechtold (D66):

Om het spoeddebat dan wel het spoed-AO over Rwanda dat al gepland staat, te voorkomen, wil ik graag weten of het kabinet ook voornemens is, ons de brief die wij gevraagd hebben – naar mijn gevoel met de steun van een meerderheid van de Kamer – om openheid te geven over hoe het gegaan is met de inval en over het tweede weegmoment, eveneens morgen voor aanvang van de eerste termijn van de kant van het kabinet toe te sturen.

De voorzitter:

De minister knikt, dus die brief is ook uiterlijk om 13.00 uur beschikbaar. Dat lijkt mij een mooie afspraak.

De (algemene) beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.