Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2007-2008nr. 80, pagina 5623-5628

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 15 april 2008 over Staatsbosbeheer.

De heer Graus (PVV):

Mevrouw de voorzitter. Ik heb vijf korte moties en begin maar meteen met voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat ondergrond van niet-doelstellingsgerichte gronden van Staatsbosbeheer in handen komt van gemeenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12(29659).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, onderzoek te laten verrichten naar de economische en maatschappelijke gevolgen voor Drenthe, indien de bezwaarprocedure van Staatsbosbeheer tegen de zandwinning in het Gasselterveld bij de Raad van State niet wordt ingetrokken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13(29659).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, Staatsbosbeheer expliciet te wijzen op zijn verantwoordelijkheid om ruimte te geven aan de zandwinning in het Gasselterveld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14(29659).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, erop toe te zien dat Staatsbosbeheer geen concurrentie- en marktverstorende activiteiten ontplooit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15(29659).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, erfpachters evenredig meer inspraak te geven bij besluitvorming door Staatsbosbeheer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16(29659).

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Voorzitter. Ik heb drie moties die wel iets langer zijn dan die van de voorgaande spreker.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat Staatsbosbeheer (op de Waddeneilanden) gronden in zijn bezit heeft die geen natuurfunctie hebben;

  • - dat Staatsbosbeheer de erfpachtcanon voor die gronden verhoogt terwijl Staatsbosbeheer verder geen bijdrage van betekenis levert aan bijvoorbeeld de realisering van voorzieningen van openbaar nut;

  • - dat deze voorzieningen geen strikt natuurdoel dienen;

  • - dat Staatsbosbeheer deze gronden bij de verzelfstandiging om niet in eigendom heeft gekregen;

verzoekt de regering, er zorg voor te dragen dat Staatsbosbeheer in overleg treedt met de betrokken gemeenten en met de betrokken burgers om te komen tot teruggave van de gronden onder genoemde voorzieningen en bebouwing;

verzoekt de regering, de Kamer over de uitkomsten van dit overleg te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Snijder-Hazelhoff, Mastwijk en Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17(29659).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer onder andere was ingegeven door de wens tot vermaatschappelijking van Staatsbosbeheer;

  • - dat moet worden vastgesteld dat de wijze waarop Staatsbosbeheer meent de opgedragen taken te moeten uitvoeren op veel plekken in het land, niet leidt tot maatschappelijk draagvlak en wel tot irritaties;

  • - dat hierbij geen sprake is van "beheer", maar impliciet of expliciet van het doen van beleidsuitspraken, waarbij mogelijkerwijs de minister wordt gehinderd in het op een goede manier invulling geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid;

  • - dat Staatsbosbeheer is gehouden aan het uitvoeren van zijn wettelijke taak in overeenstemming met het beleid van de minister;

  • - dat de ministeriële verantwoordelijkheid blijkens het traject van het tot stand komen van de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer voor de Kamer steeds nadrukkelijk uitgangspunt is geweest;

  • - dat diezelfde ministeriële verantwoordelijkheid is bevestigd door de Taskforce-Witteveen in 2006 in het rapport Sturen in het bos;

Snijder-Hazelhoff

verzoekt de regering, te komen met voorstellen tot aanpassing van de relevante wetgeving die ertoe leidt dat in de toekomst Staatsbosbeheer zich gedraagt als een beheer uitvoerende organisatie en zich dus richt naar het beleid van de minister;

verzoekt de regering, de Kamer een notitie voor te leggen waarin zij aangeeft op welke wijze zij voorgaand verzoek gaat invullen en hoe de ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van Staatsbosbeheer in de toekomst, rekening houdend met de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, wordt vormgegeven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Snijder-Hazelhoff, Mastwijk en Jacobi. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18(29659).

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):

Mijn laatste motie gaat over de evaluatie en een eventuele versnelling daarvan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer onder andere was ingegeven door de wens tot vermaatschappelijking van Staatsbosbeheer;

  • - dat de rol van Staatsbosbeheer vraagt om het helder en herkenbaar neerzetten van het natuurbeheer en het inspelen op de maatschappelijke vraag en de wensen van het publiek, en dat het publiek ook dient te worden betrokken bij het beheer;

constaterende dat de wijze van uitvoering door Staatsbosbeheer op dit moment niet in overeenstemming is met het bovenstaande en leidt tot veel vragen en irritaties;

verzoekt de regering, begin 2009 te komen met een evaluatie van Staatsbosbeheer en deze aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Snijder-Hazelhoff, Jacobi en Mastwijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19(29659).

De heer Mastwijk (CDA):

Voorzitter. Ook de CDA-fractie heeft er behoefte aan om via (twee) moties de positie van Staatsbosbeheer te markeren. De eerste motie gaat over de erfpachtcanons.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat de verzelfstandiging van Staatsbosbeheer onder andere was ingegeven door de wens tot vermaatschappelijking van Staatsbosbeheer, zodat deze organisatie kan worden beschouwd als een vorm van "maatschappelijke onderneming";

  • - dat Staatsbosbeheer via de zbo-status is geprikkeld tot bedrijfsmatiger en efficiënter opereren, inclusief het verwerven van eigen inkomsten;

  • - dat het verwerven van eigen inkomsten leidt tot erfpachtcanons met een hoogte waarbij aantoonbaar frictie ontstaat met het zijn van "maatschappelijke onderneming", waarbij grote problemen ontstaan als het gaat om de leefbaarheid op de Waddeneilanden, maar ook bij het biologisch boeren in Nederland en andere maatschappelijk verantwoorde activiteiten die zodanig extensief van aard zijn dat een te hoge erfpachtcanon deze activiteiten zou frustreren;

  • - dat de minister namens de regering heeft gezegd, een commissie in het leven te zullen roepen die de erfpachtcanons in beeld gaat brengen, inclusief de gevolgen van eventuele verhogingen voor de maatschappelijke omgeving in en rond de eigendommen van Staatsbosbeheer waar de verhogingen worden doorgevoerd;

verzoekt de regering, deze commissie onder leiding te doen staan van de minister van LNV, de commissie zodanig samen te stellen dat alle relevante partijen zich voelen vertegenwoordigd, de opdracht aan de commissie met de Kamer te bespreken en de bevindingen van de commissie aan de Kamer voor te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mastwijk, Jacobi en Snijder-Hazelhoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20(29659).

De heer Mastwijk (CDA):

Mijn volgende motie gaat over de activiteiten van Staatsbosbeheer als houtvester.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het optreden van Staatsbosbeheer voor wat betreft activiteiten op het gebied van in- en verkoop van hout en biomassa niet marktverstorend mag zijn en zich dient te beperken tot het aangaan van verplichtingen die kunnen worden nagekomen vanuit de eigen productie, dat wil zeggen vanuit de eigendommen die aan het beheer van Staatsbosbeheer zijn toevertrouwd;

verzoekt de regering, het zogenaamde MAZARS-rapport zodanig in de bedrijfsvoering van Staatsbosbeheer te implementeren dat de handel in hout en biomassa door Staatsbosbeheer zich beperkt tot leverantie vanuit eigen productie, er zorg voor te dragen dat Staatsbosbeheer producten op de markt brengt tegen marktconforme prijzen en de organisatiestructuur, inclusief bv's, met betrekking tot het voorgaande door te lichten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Mastwijk en Snijder-Hazelhoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21(29659).

De heer Polderman (SP):

Voorzitter. De SP-fractie dient slechts een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Staatsbosbeheer in 1997 is verzelfstandigd;

constaterende dat er regelmatig discussie ontstaat over de gewenste beleidsruimte van Staatsbosbeheer, zoals die onder meer recent tot uiting kwam bij:

  • - de vaststelling van de pachtcanons op de Waddeneilanden;

  • - de al dan niet gewenste winstmarges en concurrentiepositie in de houthandel en de mogelijkheid c.q. wenselijkheid van juridische bezwaarprocedures bij een zandwinning in het Gasselterveld in de provincie Drenthe;

voorts constaterende dat de mogelijkheden om de regering hierop aan te spreken door de verzelfstandiging beperkt zijn;

tevens constaterende dat de samenleving van de politiek verwacht dat zij leidend is in de aansturing van deze publieke taak;

verzoekt de regering, een plan van aanpak te ontwikkelen om Staatsbosbeheer weer als onderdeel van het ministerie van LNV op te nemen, zodat de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer kan worden ingetrokken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Polderman. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22(29659).

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Voorzitter. In aansluiting op vorige moties, die ook door mijn fractie zijn ondertekend, dien ik twee moties in die specifiek gaan over de situatie op de Waddeneilanden en van de Waddeneilanden. De eerste motie betreft de Waddentoets.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat bij de betrokken decentrale overheden grote behoefte is aan het instrument "Waddentoets";

  • - dat op de eilanden Vlieland en Terschelling Staatsbosbeheer 80 à 90% van de grond in bezit heeft en dat daarnaast landelijke en provinciale regelgeving op de eilanden ongewenste effecten geeft of onuitvoerbaar lijkt te zijn, waardoor knelpunten ontstaan in het voeren van goed gemeentelijk beleid;

  • - dat de speciale positie van de Waddeneilanden op basis van subsidiariteit in voorkomende gevallen rechtvaardigt dat de visie van de betrokken decentrale overheden extra bij de afweging van de belangen wordt meegewogen;

verzoekt de regering, bij toekomstige regelgeving die op de Waddeneilanden een nadelige uitwerking kan hebben, te toetsen of deze regelgeving de economische, ecologische en bestuurlijke positie van de Waddeneilanden niet onevenredig schaadt;

verzoekt de regering, de bruikbaarheid van het instrument Waddentoets te onderzoeken en daarover de Kamer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jacobi, Mastwijk en Snijder-Hazelhoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23(29659).

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Mijn tweede motie gaat over de betaalbaarheid van de recreatie op de Waddeneilanden in het kader van de verhoging van de erfpachtcanon.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende:

  • - dat op de eilanden Vlieland en Terschelling Staatsbosbeheer 80 à 90% van de grond in bezit heeft;

  • - dat de Waddeneilanden gezien de geïsoleerde ligging in een unieke positie verkeren;

  • - dat de toeristische voorzieningen op de Waddeneilanden bereikbaar dienen te blijven voor brede lagen van de bevolking;

  • - dat de economische belangen van de Waddeneilanden, die vooral afhankelijk zijn van het toerisme, niet mogen worden geschaad;

verzoekt de regering om in de taakstelling van Staatsbosbeheer de opdracht mee te geven dat Staatsbosbeheer er mede zorg voor dient te dragen dat recreatie op de Waddeneilanden betaalbaar blijft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Jacobi, Mastwijk en Snijder-Hazelhoff. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24(29659).Jacobi

Als ik goed heb geteld, zijn over dit onderdeel dertien moties ingediend.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Verburg:

Mevrouw de voorzitter. Ik hoop dat ik alle dertien moties in de goede volgorde voor mij heb.

In de motie op stuk nr. 12 van de heer Graus wordt de regering gevraagd er zorg voor te dragen dat ondergrond van niet-doelstellingsgerichte gronden van Staatsbosbeheer in handen komt van gemeenten. Deze motie is wat mij betreft te algemeen. Bovendien zie ik een verband met de zesde motie, ingediend door mevrouw Snijder. Ik ontraad de aanneming van de motie op stuk nr. 12, maar ik zie de motie-Snijder c.s. als een ondersteuning van beleid. Die motie ligt in het verlengde van de motie van de heer Graus, maar is iets specifieker.

De motie op stuk nr. 13 van de heer Graus wil ik combineren met zijn motie op stuk nr. 14. In de motie op stuk nr. 13 wordt de regering gevraagd onderzoek te laten verrichten naar de economische en maatschappelijke gevolgen voor Drenthe indien de bezwaarprocedure van Staatsbosbeheer tegen de zandwinning in het Gasselterveld bij de Raad van State niet wordt ingetrokken. Dit punt heeft de provincie al meegewogen in haar verhaal. De Raad van State weegt het ook mee. Daarom ontraad ik de aanneming van deze motie op dit moment. De procedure loopt al en het recht moet ook zijn loop hebben.

In de motie op stuk nr. 14 wordt de regering gevraagd om Staatsbosbeheer expliciet te wijzen op zijn verantwoordelijkheid om ruimte te geven aan de zandwinning in het Gasselterveld. Dit ligt in dezelfde lijn. Ik ontraad de aanneming van deze motie. Wat Staatsbosbeheer heeft gedaan, past binnen zijn verantwoordelijkheden.

In de motie op stuk nr. 15 van de heer Graus wordt de regering gevraagd erop toe te zien dat Staatsbosbeheer geen concurrerende en marktverstorende activiteiten ontplooit. Ik zie deze motie als een ondersteuning van het beleid. Dit is zo afgesproken met Staatsbosbeheer. Het rapport waarover de heer Mastwijk eerder sprak, maakt duidelijk dat er nu geen sprake is van concurrentie of van marktverstorende activiteiten, maar laat wel zien dat de gedragscode die is afgesproken, niet afdoende wordt gehanteerd door Staatsbosbeheer. Ik zal op dit punt bijsturen; ik ben daar al toe overgegaan.

In de motie op stuk nr. 16 van de heer Graus wordt de regering gevraagd erfpachters evenredig meer inspraak te geven bij besluitvorming door Staatsbosbeheer. Deze motie is echt te algemeen. Ik ontraad de aanneming ervan. Ik kan mij wel voorstellen dat de heer Graus een combinatie ziet met de motie die is ingediend door de heer Mastwijk, de negende motie die tijdens dit VAO is ingediend. Daarin wordt de regering gevraagd deze commissie onder leiding te doen staan van de minister van LNV en de commissie zodanig samen te stellen dat alle relevante partijen zich vertegenwoordigd voelen, de opdracht aan de commissie met de Kamer te bespreken en de bevindingen aan de Kamer voor te leggen. Ik ben bereid om dit te zien als ondersteuning van beleid in die zin dat de leden van de commissie een zekere deskundigheid moeten hebben en de reflectie van belanghebbenden. Deze commissie – de commissie-De Jong – zal haar onderzoek verrichten onder mijn verantwoordelijkheid.

De heer Mastwijk (CDA):

Als de minister zegt dat de samenstelling van de commissie zodanig zal zijn dat deskundigheid verzekerd is en dat degenen die hun belangen verdedigd willen zien, daarmee kunnen instemmen, dan zitten wij naar mijn mening op hetzelfde spoor. Met andere woorden: er komt een commissie met deskundigen waarvan de betrokken partijen zeggen dat zij in staat zijn om hun belangen goed te verwoorden.

Minister Verburg:

Zij moeten deskundig zijn en een mogelijkheid tot reflectie bieden voor de mensen die vertegenwoordigd zijn. Het gaat om die combinatie. Ik benadruk dat hier sprake is van een soort hertoets en daarvoor is een zekere deskundigheid nodig. Ik ben bereid om het punt van reflectie ook bij de samenstelling van de commissie te betrekken.

De voorzitter:

Is dit voldoende, mijnheer Mastwijk? Het ging over de negende motie die u hebt ingediend. U zei: dan zitten wij op hetzelfde spoor. Is dat voldoende om de motie in te trekken?

De heer Mastwijk (CDA):

Nee, wij moeten eerst helder hebben waar wij het over hebben. Daarna zullen wij overwegen of wij alle moties in stemming brengen of dat wij misschien een motie intrekken. Dat doen wij nu nog niet.

Minister Verburg:

Voorzitter. Mevrouw Snijder-Hazelhoff verzoekt de regering, met voorstellen te komen tot aanpassing van de relevante wetgeving die ertoe leidt dat in de toekomst Staatsbosbeheer zich gedraagt als een beheeruitvoerende organisatie en zich dus richt naar het beleid van de minister. Verder verzoekt zij de regering om de Kamer een notitie voor te leggen, waarin zij aangeeft op welke wijze zij voorgaand onderzoek gaat invullen en hoe de ministeriële verantwoordelijkheid voor het optreden van Staatsbosbeheer, rekening houdend met de Kaderwet ZBO's, wordt vormgegeven.

Dat laatste ben ik van plan en over het eerste heb ik gezegd dat ik van tijd tot tijd een aantal zaken met Staatsbosbeheer bespreek. Verder opereert Staatsbosbeheer binnen de kaders die daarvoor in de wetgeving zijn vastgelegd. Als dat laatste niet gebeurt, bespreek ik dat met Staatsbosbeheer, separaat of in het reguliere overleg. Ik heb daarom geen behoefte aan het eerste gedeelte van het dictum. Ik ontraad dan ook de aanneming van deze motie. Het laatste deel zie ik echter als ondersteuning van mijn beleid, omdat het mijn voornemen is om te toetsen aan de Kaderwet ZBO's.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff verzoekt de regering in een motie om begin 2009 te komen met een evaluatie van Staatsbosbeheer en deze aan de Kamer voor te leggen. Ik was voornemens om deze evaluatie in 2010 uit te voeren. Als de Kamer wil dat ik deze evaluatie naar voren haal, kan ik daarmee leven. Ik laat het oordeel over de motie dan ook aan de Kamer.

De heer Mastwijk heeft mede namens mevrouw Snijder een motie ingediend waarin hij de regering verzoekt, het zogenaamde MAZARS-rapport zodanig in de bedrijfsvoering van Staatsbosbeheer te implementeren dat de handel in hout en biomassa door Staatsbosbeheer zich beperkt tot leverantie uit eigen productie, ervoor zorg te dragen dat Staatsbosbeheer producten op de markt brengt tegen marktconforme prijzen en de organisatiestructuur, inclusief bv's, met betrekking tot het voorgaande door te lichten. Ik laat het oordeel over deze motie aan de Kamer. Ik wijs er echter wel op dat Staatsbosbeheer aan lopende contracten, overeenkomsten en verplichtingen moet kunnen voldoen.

De heer Polderman verzoekt de regering een plan van aanpak te ontwikkelen om Staatsbosbeheer weer als onderdeel van het ministerie van LNV op te nemen, zodat de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer kan worden ingetrokken. Deze motie staat haaks op hetgeen ik in het algemeen overleg hierover heb gezegd en haaks op hetgeen ik voornemens ben te gaan doen. Ik ontraad daarom de aanneming van deze motie.

Mevrouw Jacobi verzoekt de regering bij toekomstige regelgeving die op de Waddeneilanden nadelige uitwerking kan hebben te toetsen op de vraag of deze regelgeving de economische, ecologische en bestuurlijke positie van de Waddeneilanden niet onevenredig schaadt. Zij verzoekt de regering verder, de bruikbaarheid van het instrument Waddentoets te onderzoeken en de Kamer daarover te informeren. Ik moet de aanneming van deze motie ontraden. Zij komt neer op een status aparte voor de Waddeneilanden, want het verzoek van mevrouw Jacobi raakt aan alle economische, ecologische en bestuurlijke posities op de Waddeneilanden.

Op dit moment wordt er gediscussieerd over de vraag of en hoe de BES-eilanden sterker aan Nederland kunnen worden gebonden en de vraag hoe wetgeving en verordeningen van toepassing kunnen worden verklaard. Er bestaat consensus over dat dit in het voordeel is van Saba, Sint Eustatius en Bonaire en dan is het vreemd dat mevrouw Jacobi in haar motie eigenlijk pleit voor een status aparte voor de Waddeneilanden. Zij zal begrijpen waarom ik de aanneming van deze motie ontraad.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

De bedoeling van de motie is om in het bijzonder met betrekking tot de erfpachtcanonregelingen ruimte te maken voor een toets. 90% van de grond op de Waddeneilanden is in het bezit van Staatsbosbeheer en er is sprake van een geïsoleerde ligging. Dit alles maakt dat het redelijk is dat wij over een instrument beschikken om te bezien of regels in die bijzondere situatie werkbaar zijn. Ik wil het niet te groot maken door Aruba, Bonaire en Curaçao erbij te halen, maar ik wil voor deze eilanden een soort praktische haalbaarheidstoets, omdat er sprake is van een bijzondere situatie, die zich nergens anders in Nederland voordoet.

Minister Verburg:

De bewoordingen van de motie vind ik veel te groot en veel te ruim. Als ik mevrouw Jacobi goed begrijp, kan ik haar zeggen dat wat zij wil nu juist in de formulering van de opdracht aan de commissie-De Jong is opgenomen. In reactie op eerdere moties heb ik al gezegd wat de commissie-De Jong gaat doen en hoe deze wordt samengesteld. De commissie gaat een en ander wegen. Zij heeft ook de opdracht om te bezien of er voor de Waddeneilanden iets bijzonders nodig is en of er mogelijke risico's zijn van precedentwerking. Omdat de motie veel breder is geformuleerd en veel verder gaat, blijf ik erbij dat ik de aanneming ervan ontraad.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Zegt u nu: ik heb in feite nu al een soort Waddentoets in werking gezet, en wij zitten op dezelfde lijn? Interpreteer ik u zo goed?

Minister Verburg:

Neen, dat hoort u mij niet zeggen, maar de commissie-De Jong heeft de opdracht gekregen om de bijzondere situatie op de Waddeneilanden met betrekking tot het erfpachtcanon mee te wegen. Als ik u goed heb beluisterd, is dat wat u wilt. De commissie-De Jong zal een en ander tegen het licht houden, in de trant van: is er sprake van een speciale situatie, kan het anders, is het rechtvaardig, vereist de bijzondere positie van de Waddeneilanden een bijzondere aanpak, enzovoort? De commissie brengt aan mij advies uit. Op basis daarvan zal ik mijn afwegingen maken. Vervolgens kom ik met voorstellen naar de Kamer.

Dan kom ik nu op de motie-Jacobi c.s. over de betaalbaarheid van de recreatie op de Waddeneilanden. Als dit ook over de erfpachtcanon gaat, kan ik zeggen dat het beleid hierop is gericht. De commissie-De Jong zal hierover advies uitbrengen. Op deze wijze zie ik de motie als ondersteuning van het beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen morgen over de ingediende moties stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.