Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2005-2006nr. 72, pagina 4536-4538

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

In verband met ziekte van de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat zal het VAO Noordzee van de plenaire agenda van deze week worden afgevoerd en ergens volgende week op de agenda worden geplaatst.

Op verzoek van de VVD-fractie benoem ik:

  • - in de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken het lid Van Aartsen tot lid in plaats van het lid Hirsi Ali en het lid Hirsi Ali tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Oplaat;

  • - in de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken het lid Bibi de Vries tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Hirsi Ali;

  • - in de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken het lid Bibi de Vries tot lid in plaats van het lid Van Egerschot en het lid Van Egerschot tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Örgü;

  • - in de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Van Aartsen tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Van der Sande;

  • - in de algemene commissie Integratiebeleid het lid Van Egerschot tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Van der Sande.

Het woord is aan de heer Bos.

De heer Bos (PvdA):

Voorzitter. Vorig jaar tijdens de algemene politieke beschouwingen heb ik, medeondersteund door de heer Wilders, gevraagd om een kritische terugblik op het functioneren van politie en justitie, inclusief de veiligheidsdiensten, in de reeks van gebeurtenissen in de aanloop naar de moord op de heer Van Gogh. De reden daarvoor was dat er tijdens de procesgang van de Hofstadgroep allerlei feiten boven tafel kwamen die een ander licht wierpen op de inschatting die door politie, justitie en de veiligheidsdiensten in al die maanden gemaakt was van het gevaar of de dreiging die uitging van de Hofstadgroep en de individuele leden daarvan.

Minister Donner antwoordde toen bij monde van de minister-president dat het kabinet daartoe bereid was, maar dat dan eerst de rechtsgang afgerond moest zijn. Deze is inmiddels afgerond. Een veelheid aan feiten is nu onomstotelijk in de rechtszaal vastgesteld. Kortom, het lijkt ons dat nu het moment is gekomen dat het kabinet de beloofde brief aan de Kamer moet sturen, waarin zoals gezegd kritisch wordt teruggekeken op het functioneren van politie, justitie en de inlichtingendiensten in de reeks van gebeurtenissen in de maanden voorafgaand aan de moord op de heer Van Gogh.

Concreet is mijn verzoek tweeledig. Ten eerste vraag ik het kabinet om deze week nog een brief te sturen, waaruit wij kunnen vernemen wanneer wij die evaluatie kunnen ontvangen. Ten tweede vraag ik om de evaluatie zelf zo snel mogelijk toe te zenden.

De heer Wilders (Groep Wilders):

Voorzitter. Het zal u niet verbazen dat ik het verzoek van de heer Bos ondersteun, omdat ik dit bij de algemene beschouwingen ook heb gevraagd. Ik voeg er het verzoek aan toe om de informatie niet naar de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten, maar zo veel mogelijk in de openbaarheid naar de Kamer te sturen, zodat iedereen er kennis van kan nemen. Ik neem aan dat de heer Bos dat ook beoogt.

De heer Van Fessem (CDA):

Voorzitter. Hoe komt de heer Bos erbij dat de kwestie rondom de Hofstadgroep is afgehandeld? De feiten zijn vastgesteld in eerste aanleg. Iedereen is echter in hoger beroep gegaan, dus alles ligt weer open.

De heer Bos (PvdA):

Het hoger beroep gaat niet over de feiten. De feiten zijn onomstotelijk vastgesteld. Daarnaast is er niet tegen elk onderdeel van de uitspraak hoger beroep aangetekend. Tegen het onderdeel van de uitspraak over de rol die Mohammed B. heeft vervuld in het netwerk van de Hofstadgroep is geen beroep aangetekend. Die overwegingen zullen de komende tijd niet veranderen. Een van de redenen om de regering een brief te vragen, is om precies te vernemen wat met ons bediscussieerd kan worden.

De voorzitter:

Ik stel voor dat wij aan dit verzoek voldoen, met de aanvulling van de heer Wilders. Ik stel voor, het stenogram van dit gedeelte van de vergadering door te geleiden naar het kabinet, in het bijzonder naar de minister-president en de minister van Justitie.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Hamer.

Mevrouw Hamer (PvdA):

Voorzitter. Ik verzoek u om uitstel van de stemmingen over de overblijfvoorzieningen. Ik ben bezig met een nader gewijzigd amendement, dat ik vanmiddag graag aan de collega's zal doen toekomen. Wat mij betreft kunnen wij dan volgende week over de amendementen en het wetsvoorstel stemmen.

De voorzitter:

Ik constateer dat de Kamer akkoord gaat met het verzoek van mevrouw Hamer om uitstel van de stemmingen over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het primair onderwijs en de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 in verband met overblijven in het basisonderwijs.

Het woord is aan de heer Rouvoet.

De heer Rouvoet (ChristenUnie):

Voorzitter. Afgelopen zaterdag hebben wij kennis kunnen nemen van een interview met de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratiebeleid in het Algemeen Dagblad. Daarin blikt zij onder andere terug op de debatten waarin de Kamer moties van afkeuring heeft ingediend. Zij geeft blijk van een merkwaardige opvatting over de ministeriële verantwoordelijkheid. Zij vindt dat de Kamer veel te snel vraagt om het aftreden van een bewindspersoon. De Kamer zou ook te rigide zijn. Je kunt overal een vergrootglas overheen leggen, onder andere over het optreden van de medewerkers van de IND, en dan vind je altijd wel wat. Zij verwijst ook naar haar collega Hoogervorst van Volksgezondheid. De Kamer heeft hem nog nooit aangesproken op zieke mensen, het aantal zelfmoorden of op een kruisje dat niet op een formulier had mogen staan. Hij wordt niet gecontroleerd op het werk van iedere verpleegkundige.

Mijn fractie vindt dit een curieuze opvatting van de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom heb ik een paar vragen. Kan de minister-president in een brief aangeven hoe het kabinet het belangrijke leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid ziet? In mei 1999 heeft de minister-president, toen nog in de oppositie, in Openbaar Bestuur een loepzuivere analyse gegeven van de sorrydemocratie onder Paars. Hij schreef dat vooral het niet of onvoldoende inlichten van het parlement tot het verleden moest behoren en dat de trap van bovenaf moest worden schoongeveegd. Ik krijg graag een brief van de minister-president, waarin hij in ieder geval ingaat op de vraag of dit artikel met de huidige ministers is besproken bij hun aantreden. Is dat een kabinetsvisie? Wat vindt hij van de opvatting die minister Verdonk ten beste heeft gegeven? Dat is in feite de legitimatie van de sorrydemocratie: niet af- maar optreden. Heeft hij met de minister over die visie gesproken en heeft hij haar al de les staatsrecht gegeven die kennelijk noodzakelijk is?

De voorzitter:

Ik stel voor, aan het verzoek te voldoen door toezending van het stenogram van dit gedeelte van de vergadering naar het kabinet, in het bijzonder naar de minister-president.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Verhagen.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter. Naar aanleiding van de problemen rond NedCar had ik een spoeddebat willen aanvragen, vooral ook omdat hetgeen besproken is tijdens het vragenuurtje te summier is om een volledig beeld te krijgen van de mogelijkheden en onmogelijkheden van overheid en werkgever om iets te doen aan de toekomst van NedCar. Tijdens het vragenuur heeft de minister van Economische Zaken gezegd dat hij op 22 april een brief naar de Kamer zal sturen, waarin hij ingaat op alle facetten van de toekomst van NedCar: het FES, Pieken in de Delta en hetgeen naar voren is gekomen uit het overleg met de directie. Daarna wil ik graag zo spoedig mogelijk in een plenair debat van gedachten wisselen over de brief.

De voorzitter:

Onder het voorbehoud dat de brief aanleiding kan zijn om dit verzoek in te trekken, stel ik voor het verzoek van de heer Verhagen in te willigen en zal ik na ontvangst van de brief een nader voorstel doen over het tijdstip waarop het debat zal plaatsvinden en de spreektijden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Atsma als voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat.

De heer Atsma (CDA):

Voorzitter. Namens de vaste commissie verzoek ik u het VAO over de Betuweroute van de agenda af te voeren. Vanavond is er een algemeen overleg met de minister van Verkeer en Waterstaat gepland over een deel van dezelfde problematiek op basis van een brief die wij vandaag over diezelfde problematiek hebben gehad.

De voorzitter:

Overeenkomstig dit verzoek van de vaste commissie stel ik voor, het verslag van het algemeen overleg over de Betuweroute van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Atsma namens de CDA-fractie.

De heer Atsma (CDA):

Voorzitter. De afgelopen week heeft het kabinet een besluit genomen over de toekomst van de Zuiderzeelijn. Ik heb het dan over het traject van Almere tot aan Groningen. De CDA-fractie zou over dat besluit, dat in een brief aan de Kamer is verwoord, graag nog deze week een spoeddebat houden vanwege de vele vragen en onduidelijkheden die de brief en de uitlatingen vanuit het kabinet hebben opgeroepen.

Mevrouw Dijksma (PvdA):

Voorzitter. De heer Atsma zal als voorzitter van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat als geen ander weten dat wij morgen een procedurevergadering hebben. Als wij stukken krijgen van het kabinet, zeker dit soort belangrijke stukken, bezien wij gebruikelijk in een procedurevergadering – overigens onder de voortreffelijke leiding van de heer Atsma – wat wij daarmee gaan doen. Ik zie niet in waarom dat nu niet kan. Het voorstel van het kabinet is niet zomaar een voorstel, het is een heel belangrijk voorstel. Mijn fractie ziet daar graag een hoofdlijnendebat over, maar dan toch wel op een moment waarop wij die meter papier die erbij hoort echt hebben kunnen lezen. Ik vraag de heer Atsma dan ook om zijn collega's de tijd te gunnen die daarvoor nodig is. Ook lijkt mij enige zorgvuldigheid wel gepast. Paniekvoetbal van de CDA-fractie op dit punt lijkt mij de slechtst denkbare route!

De heer Duyvendak (GroenLinks):

Voorzitter. Ook ik zou de heer Atsma willen zeggen: geen paniek. Wij hebben van de commissie-Duivesteijn, de TCI, toch wel geleerd – hadden er in ieder geval van moeten leren – dat de Kamer zeker met grote projecten heel zorgvuldig moet omgaan. Wij hebben een zorgvuldige procedure, wij krijgen er een uitvoerig debat over. Om nu even snel deze week die hele stapel rapporten te bespreken, is niet verstandig, ook als de heer Atsma denkt daarmee voor het noorden op te komen!

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Ik sluit mij daar van harte bij aan!

De voorzitter:

Ik zie de heer Hermans knikken dat ook hij zich hierbij aansluit!

De heer Hermans (LPF):

Inderdaad!

De heer Hofstra (VVD):

Voorzitter. Ook ik ben het daar helemaal mee eens en ik vind het nogal curieus dat de voorzitter en niet de woordvoerder van de CDA-fractie dit vraagt!

De voorzitter:

Ik moet nu toch wel even voor de heer Atsma opkomen, want hij heeft duidelijk gezegd dat hij dit tweede verzoek namens de CDA-fractie doet!

De heer Slob (ChristenUnie):

Voorzitter. Ook de fractie van de ChristenUnie heeft nog wel de nodige vragen over de stukken die wij van de regering hebben ontvangen. Ook wij zijn van mening dat er in de richting van het noorden wel het een en ander zal moeten gebeuren, maar wij willen daar wel zorgvuldig met het kabinet over spreken. Daarom zitten ook wij niet te springen om een spoeddebat, want dat zal het debat op zich niet ten goede komen. Laten wij dezelfde zorgvuldigheid betrachten die wij hadden afgesproken toen wij op een structuurvisie overgingen.

De heer Van der Staaij (SGP):

Voorzitter. Ik sluit mij bij de woorden van de heer Slob aan, ook waar het gaat om meer duidelijkheid, maar die kunnen wij ook op andere manieren verkrijgen dan via een spoeddebat.

Mevrouw Gerkens (SP):

Ik vind het erg belangrijk om te praten over de mogelijkheid van een snelle verbinding naar het noorden. Ik denk dat het goed is als wij morgen in de procedurevergadering bezien welke route wij daarvoor moeten volgen. Voor een spoeddebat lijkt mij dit moment niet goed!

De heer Atsma (CDA):

Voorzitter. Ook bij de CDA-fractie staat zorgvuldigheid centraal. Daarom vernemen wij graag op korte termijn van de minister van Verkeer en Waterstaat wat zij heeft bedoeld met haar brief aan de Kamer. Wij vragen een reactie op korte termijn omdat in diverse vergaderingen van provinciale staten in Noord-Nederland, waaronder Groningen, in paniek is gereageerd op datgene wat het kabinet afgelopen donderdag naar buiten heeft gebracht. Ik heb gehoord dat de fracties die vandaag hebben gesproken van paniek, daarop in de diverse statenvergaderingen daadwerkelijk in paniek hebben gereageerd. Wij hechten er dus aan dat er snel duidelijkheid komt voor alle geledingen in het land die willen weten wat er aan de hand is. Namens de CDA-fractie verzoek ik de voorzitter derhalve om een spoeddebat over dit onderwerp op de agenda te plaatsen. Dan heeft de Kamer nog twee keer 24 uur de tijd om zich gedegen voor te bereiden en heeft de minister alle ruimte om een aantal toelichtingen te geven. Er is een aantal organisaties van enkele provincies in het noorden van het land dat zich onder aanvoering van de fracties van de PvdA, GroenLinks en enkele andere geledingen sterk maakt om al deze week over deze kwestie te debatteren. Door aan dit verzoek te voldoen, kunnen wij in ieder geval die organisaties op het goede spoor zetten.

De voorzitter:

Ik vraag de voorzitter van de commissie of de procedurevergadering 's morgens of 's middags plaatsvindt.

De heer Atsma (CDA):

Zoals altijd vindt de procedurevergadering op woensdagochtend plaats.

De voorzitter:

Ik stel voor, het verzoek van de heer Atsma namens de CDA-fractie te parkeren tot de regeling van werkzaamheden van morgen en daarover eerst tijdens de procedurevergadering te spreken. Ik doe dat verzoek omdat nagenoeg alle fracties hebben opgemerkt dat zij dat willen. Morgen kunnen wij tijdens de regeling van werkzaamheden eventueel beslissen tot het houden van een spoeddebat over dit onderwerp. Als dat gebeurt, kan het debat alsnog op donderdag plaatsvinden.

De heer Atsma (CDA):

Als u zegt dat het geen probleem zal zijn om eventueel aanstaande donderdag dat spoeddebat te houden, ben ik als was in uw handen.

De voorzitter:

Die toezegging doe ik u.

Overeenkomstig het voorstel van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Dijsselbloem.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Voorzitter. Er staat nog een spoeddebat in de wachtrij, namelijk dat over het verdwijnen van 127 minderjarige asielzoekers. Inmiddels wachten wij meer dan een week op de brief van de minister. Ik rappelleer dus voor de tweede keer op dat punt. Daaraan voeg ik expliciet toe dat ik eraan hecht dat de Kamer het IND-rapport over deze zaak in ieder geval vertrouwelijk mag inzien. Indien mogelijk wil ik dat het ter beschikking van de Kamer komt.

De voorzitter:

Ik stel voor, het stenogram van dit gedeelte van de vergadering door te geleiden naar het kabinet, in het bijzonder naar de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, met de aanvulling van de heer Dijsselbloem. Ik stel de Kamer voor om daarvoor een termijn van 24 uur te hanteren.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Fierens.

Mevrouw Fierens (PvdA):

Voorzitter. Ik wil graag dat het verslag van het algemeen overleg met minister Pechtold over de toegankelijkheid van de overheidswebsites wordt geagendeerd.

De voorzitter:

Ik stel u voor om aan dat verzoek te voldoen en het punt toe te voegen aan de agenda van volgende week.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Voorafgaand aan de stemmingen constateer ik nogmaals dat de heer Lazrak afwezig is.