Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal1996-1997nr. 39, pagina 3193-3197

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:

Ik stel voor, donderdag aan het eind van de vergadering te stemmen over:

  • - de begroting van Financiën;

  • - wetsvoorstel 24614 aangaande de vrijheid van levensovertuiging als grondrecht;

  • - de moties voorgesteld tijdens de notaoverleggen over de HSL.

Aangezien het debat over de Europese Top vandaag moet worden afgerond, stel ik voor zo nodig heden na 23.00 uur door te vergaderen.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Marijnissen.

De heer Marijnissen (SP):

Mijnheer de voorzitter! Er is waarschijnlijk geen punt van het kabinetsbeleid op het gebied van de gezondheidszorg zo omstreden als de maatregel die inhield dat de tandzorg voor volwassenen uit het ziekenfonds moest worden verwijderd. Zoals bekend, is die maatregel per 1 januari 1995 van kracht geworden. De kritiek barstte eigenlijk al onmiddellijk los. Inmiddels hebben de rapporten en de uitspraken van gezaghebbende personen zich opgestapeld. Alle wijzen ze in één richting, namelijk dat die maatregel zeer onrechtvaardig is en de tweedeling in de gezondheidszorg bevordert. Bovenal is duidelijk dat de gebitsprotheses bij fatsoenlijk beleid eigenlijk terug moeten in het ziekenfondspakket.

In de Kamer hebben hierover al heel veel debatten plaatsgevonden die eigenlijk kunnen worden samengevat met het woord "soebatten". Anderhalf jaar lang heeft de Kamer in feite uitgesproken dat zij vindt dat de gebitsprotheses in het ziekenfondspakket terug moeten komen. Edoch, altijd was er wel weer een reden om een Kameruitspraak uit te stellen. Vorige week heeft deze Kamer in haar wijsheid besloten om toch maar een uitspraak te doen. De uitspraak hield in dat er hetzij een financiële tegemoetkoming moest komen voor 500.000 mensen die nu die aanvullende verzekering niet kunnen betalen, hetzij de gebitsprotheses terug zouden moeten in het ziekenfondspakket. Wie schetst mijn verbazing toen wij deze week een brief kregen van de minister van VWS waaruit blijkt dat het kabinet afgelopen vrijdag besloten heeft om de Kameruitspraak, die na zeer ampele overwegingen tot stand is gekomen, naast zich neer te leggen?

Voorzitter! Het is om deze reden dat ik u vraag om het ertoe te leiden dat wij morgen of overmorgen met de minister over deze zaak kunnen debatteren.

De heer Oudkerk (PvdA):

Voorzitter! Als de heer Marijnissen het niet had gevraagd, hadden wij het wel gedaan. Ik ondersteun zijn woorden dus graag.

Mevrouw Oedayraj Singh Varma (GroenLinks):

Voorzitter! De fractie van GroenLinks ondersteunt het verzoek van de heer Marijnissen. De zaak heeft al veel te lang geduurd. Het is een doorn in het oog van de fractie van de GroenLinks.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter! Ik had mij ook kunnen voorstellen dat wij de brief morgen in de procedurevergadering hadden behandeld en nog voor de kerst een algemeen overleg hadden gehouden. Als dit echter een snellere weg is, heb ik er geen bezwaar tegen.

Mevrouw Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels):

Voorzitter! Ik ondersteun het verzoek van de heer Marijnissen, waarbij mijn voorkeur uitgaat naar de donderdag.

De heer Hendriks:

Voorzitter! Ik steun van ganser harte het voorstel van collega Marijnissen.

De heer Leerkes (Unie 55+):

Voorzitter! Ik wil van harte het voorstel van de heer Marijnissen ondersteunen, met name omdat wij al een paar jaar sukkelen met onze tandprotheses. Ik vind dat er nu eindelijk een keer duidelijkheid moet komen.

De heer Lansink (CDA):

Voorzitter! Ook ik steun namens de CDA-fractie dit verzoek, al was het alleen al om te weten of de heren Oudkerk en Van Boxtel nu wel of niet met de mond vol tanden staan.

De heer Van Boxtel (D66):

Het antwoord daarop is: gelukkig wel.

De voorzitter:

Het debat begint niet heden. De steun voor de suggestie van de heer Marijnissen is zeer breed, dus wij zullen een debat houden. Ik moet er wel bij zeggen dat de spreektijden buitengewoon kort zullen zijn; in de eerste plaats omdat wij niet voor het eerst met de problematiek worden geconfronteerd en in de tweede plaats omdat wij deze week nog een gigantische agenda moeten afwerken.

Ik stel derhalve voor, het debatje op woensdag te houden, want dan hebben wij ruimte. U krijgt een nieuw schema waarop dit onderwerp zal worden genoemd.

Overeenkomstig het voorstel van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Sipkes.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Voorzitter! Vorige week heb ik aan de regering een reactie gevraagd op de noodkreet van VluchtelingenWerk Nederland en Pharos. Deze reactie is gisteren binnengekomen. De inhoud ervan stelt mijn fractie teleur. Deze inhoud is voor ons in ieder geval aanleiding om u te vragen of wij nog deze week op basis van de brief van de regering een plenair debat kunnen houden. Het lijkt mij dat daarbij dan drie bewindspersonen aanwezig moeten zijn: de staatssecretaris van Justitie, de minister van Binnenlandse Zaken en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De heer Middel (PvdA):

Voorzitter! De PvdA heeft ook de brief van de staatssecretaris gelezen. Wij vinden het ook belangrijk dat er een debat komt, maar dat moet wel enige diepgang hebben. Het debat moet breed kunnen worden gevoerd. Wij weten dat de staatssecretaris midden volgende maand met haar eindrapportage komt over het stappenplan asielbeleid. Het lijkt ons voor de hand liggend om een koppeling te leggen tussen het debat over de brief en het debat over het stappenplan asielbeleid, zodat wij er in één keer goed over kunnen praten. Als wij deze week een kort debat proberen te houden, dan vrezen wij dat het "ad hoc"-erig wordt en dat de essentie verloren gaat.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Voorzitter! Wat zou een oppositiepartij waard zijn als zij niet met de regering zou willen debatteren? Ik zeg dat collega Sipkes na. Er is echter wel een probleem. Wij hebben een afrondend debat over de brief van de staatssecretaris nodig, maar het onderwerp is breder dan alleen in die brief is vermeld, zo begrijp ik van collega Sipkes. Laten wij dat debat dan houden, zo zeg ik collega Middel na, op basis van informatie die zo'n debat rechtvaardigt en niet op grond van een deeltje. Wat de CDA-fractie betreft, moet en kan in januari een volledig, serieus en volwassen debat worden gehouden, eventueel voorafgegaan door een algemeen overleg. Dan kunnen wij behoorlijk in den brede over het beleid praten. Ik teken daarbij aan dat ook de CDA-fractie grote zorgen heeft over de brief van de staatssecretaris. Maar het lijkt mij niet zo vreselijk zinnig om nu deze week overhaast over een deel van het onderwerp te debatteren.

De heer Rijpstra (VVD):

Voorzitter! Ik sluit mij aan bij de collega's Middel en De Hoop Scheffer. Wij willen juist dit onderwerp zorgvuldig uitdiepen. Daarvoor heb je een langdurig plenair debat nodig. Wij willen dat graag in januari houden. Daar kunnen wij in de procedurevergadering nog op terugkomen.

Mevrouw Scheltema-de Nie (D66):

Voorzitter! De D66-fractie steunt de drie voorgaande sprekers. Wij denken dat de problematiek van de asielzoekers en van het verblijf in de opvangvoorzieningen ernstig genoeg is om in januari of begin februari goed en weloverwogen te worden besproken, mede aan de hand van de voortgangsrapportage.

De voorzitter:

Mevrouw Sipkes, het is helder wat het standpunt van de meerderheid van de Kamer is. Wilt u nog reageren?

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Voorzitter! Ook vorige week zeiden collega's, met name van de Partij van de Arbeid, dat over deze problematiek niet ad hoc mag worden gesproken. Ik heb toen gezegd dat het laatste wat mijn fractie zou willen, was om over deze problematiek een ad-hocdebat te voeren.

Ik hoop uiteraard dat wij in januari/begin februari een plenair debat over het geheel, dus het uiteindelijke resultaat van het stappenplan, kunnen hebben. Maar tegelijkertijd wil ik de collega's ook voorhouden dat er een noodkreet kwam van maatschappelijke organisaties, gemeentebesturen, provinciale besturen en organisaties van politieke partijen, die vinden dat het zo niet langer kan, en dat daar iets aan gedaan moet worden. De Kamer kan niet tegen die organisaties zeggen dat ze nog maar even moeten wachten. Verder kan de Kamer tegen de meer dan 10.000 asielzoekers niet zeggen hier over vijf weken nog maar eens over te praten. De brief die er nu ligt, rechtvaardigt een debat. Zonder op ad-hocbasis te reageren, kunnen we een goed debat voeren over dat ene probleem van de enorme psychische problematiek die er op dit moment aan de kant van de asielzoekers is. We kunnen daarover ook maatregelen voorstellen, waarover we straks in januari/februari verder kunnen praten. Ik vraag de collega's hun standpunten nog eens te heroverwegen.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Die noodkreet heeft ook de CDA-fractie uiteraard geraakt. Maar ik denk dat het voor de asielzoekers in kwestie en de problematiek beter en zinniger is, dat wij hier geen hapsnapdebat voeren in de laatste week voor het kerstreces, met spreektijden van een paar minuten. Verder moeten wij een debat voeren over een aantal elementen van het opvangbeleid, waarover ik aan de regering vraag in ieder geval haar positie op te schrijven. Ik vraag de regering om een notitie of een brief, zodat we daarover op een zinnige manier kunnen debatteren. Ik denk werkelijk dat de organisaties die u noemt en de asielzoekers zelf daarmee het meeste gebaat zijn. Nogmaals, ik wil met alle plezier op ieder moment van de dag en de nacht over dit onderwerp met de regering debatteren, maar niet op een hapsnapmanier. Dat doet het onderwerp, dat belangrijk genoeg is, namelijk geen recht.

De heer Middel (PvdA):

Voorzitter! De PvdA-fractie is het eens met mevrouw Sipkes, dat de inhoud van de brief van de staatssecretaris een debat rechtvaardigt. Maar we moeten zelfs de schijn vermijden dat wij hier de laatste dagen voor het kerstreces nog even symboolpolitiek gaan voeren, waaraan de mensen om wie het gaat niet zo vreselijk veel hebben. Het is veel beter om als alle gegevens beschikbaar zijn en duidelijk is wat het kabinet voorstaat, met elkaar fundamenteel te praten over de stappen die op korte termijn genomen kunnen worden. Het is echt beter dit eind januari/begin februari te doen dan dat we in deze laatste week voor het kerstreces nog even een nummer gaan maken.

De voorzitter:

Het lijkt me dat de meerderheid van de Kamer haar standpunt handhaaft.

Mevrouw Sipkes (GroenLinks):

Dat is duidelijk. Ik wil alleen echt protesteren tegen de bewering dat ik hier probeer aan symboolpolitiek en hapsnapbeleid te doen. Het verbaast me van de heer De Hoop Scheffer te horen dat we dan meer stukken hebben, gelet op de stapel stukken die we al hebben. Het lijkt mij nog steeds – ik zal me echter bij de meerderheid neer moeten leggen – dat wij een zorgvuldig en absoluut noodzakelijk debat hadden kunnen voeren, en ook eigenlijk moeten voeren.

De voorzitter:

Ik stel voor, na het kerstreces hierover een intensief en uitgebreid algemeen overleg te houden, eventueel gevolgd door een plenair debat.

Aldus wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Van Nieuwenhoven.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA):

Voorzitter! Afgelopen donderdag 12 december heeft de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een mondeling overleg gehouden met staatssecretaris Nuis over Europa, cultuur en het Europese voorzitterschap van Nederland. Daarbij is een voorstel van een groot deel van de Kamer aan de orde gekomen om Rotterdam de mogelijkheid te geven in 2001 Europese cultuurhoofdstad te worden. Omdat wij graag zo snel mogelijk de staatssecretaris van de nodige steun willen voorzien, zodat hij met andere departementen samen voorbereidingen kan treffen, zou ik graag nog voor donderdag daarover in de Kamer willen spreken. Dat kan heel kort, omdat – dat verklap ik alvast – er een motie is, waaronder een groot deel van de Kamer al zijn handtekening heeft gezet, zodat het kan blijven bij een enkele spreker, met een paar minuten spreektijd.

De voorzitter:

Ik stel voor, het verslag van het algemeen overleg over de Cultuurraad voor morgen op de agenda te plaatsen, met spreektijden van maximaal twee minuten.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Van Zuijlen.

Mevrouw Van Zuijlen (PvdA):

Voorzitter! De fractie van de PvdA heeft met belangstelling kennisgenomen van de actieve houding van minister Wijers op het gebied van de verdeling van de voetbalrechten. Op voorhand heeft minister Wijers eventuele afspraken die voetbalbonden onderling maken, in strijd met de Wet economische mededinging verklaard. De fractie van de PvdA kan zich voorstellen dat de verdeling van de voetbalrechten mededingingsrechtelijke problemen met zich kan brengen. Wij vragen de minister om zijn activiteiten op dit terrein in een brief aan de Kamer toe te lichten.

Mevrouw De Koning (D66):

Voorzitter! Mijn fractie sluit zich daar graag bij aan, temeer omdat het ook onduidelijk is, in het kader van de afweging wanneer het algemeen belang het Besluit horizontale prijsbinding te boven gaat, hoe het staat met samenvattingen. Daar waar de minister de KNVB zo goed op de hoogte houdt, stellen wij hetzelfde zeer op prijs.

De heer De Jong (CDA):

Voorzitter! Ik heb de minister daarover vorige week schriftelijke vragen gesteld. Misschien kunnen de antwoorden daarop in dit kader worden meegenomen.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een goede combinatie. Ik stel voor, het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Het woord is aan mevrouw Van 't Riet.

Mevrouw Van 't Riet (D66):

Voorzitter! Afgelopen week heeft de minister van Verkeer en Waterstaat bij de begrotingsbehandeling haar "onaanvaardbaar" uitgesproken over het amendement met betrekking tot Abcoude, dat door onze fractie is medeondertekend. De heer Schutte stelde de fractie van D66 vervolgens de vraag welke consequenties zij hieruit trekt. Daarop heb ik geantwoord dat ik dit in mijn fractie zou bespreken.

Mede namens de fractie van de PvdA vraagt D66 de minister van Verkeer en Waterstaat om een brief, waarin zij aangeeft waar haar "onaanvaardbaar" precies betrekking op heeft, op de dekking van het amendement, op de inpassing van de infrastructuur of op beide. Indien het slechts om de dekking gaat, dan horen wij graag het politieke oordeel van de minister over de inpassing. Wij verzoeken de minister om deze brief zo spoedig mogelijk naar de Kamer te zenden. In afwachting daarvan verzoeken wij u, voorzitter, om de stemming over de vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Infrastructuurfonds voor het jaar 1997, agendapunt 7, tot donderdag uit te stellen.

De heer Stellingwerf (RPF):

Voorzitter! Er is blijkbaar verwarring ontstaan over het begrip "onaanvaardbaar". Ik kan mij daar wel iets bij voorstellen. Op dat punt ondersteun ik het verzoek. Het moet echter ook helder zijn dat wellicht heropening van de beraadslaging nodig zal zijn. Kan de brief vóór de regeling van morgen bij de Kamer binnen zijn? Dan kunnen wij er nog zinvol over spreken.

De heer Reitsma (CDA):

Voorzitter! Mijn fractie ondersteunt het verzoek, alhoewel de minister in de Kamer vrij helder is geweest over wat zij bedoelde. Wij verzoeken de minister wel om ervoor te zorgen dat de brief uiterlijk vanavond bij de Kamer is. Dan kunnen wij morgen bij de regeling een afspraak maken over het vervolg.

De heer Schutte (GPV):

Voorzitter! Als dit alles nodig is om een goed antwoord te krijgen op mijn vraag van vorige week, dan is dat uiteraard prima. Wij zullen dat antwoord van de minister vergelijken met het antwoord dat zij vorige week heeft gegeven.

Mevrouw Verbugt (VVD):

Voorzitter! Mijn fractie wil ook vóór het debat duidelijkheid over wat de minister precies heeft bedoeld. Wij sluiten ons dus aan bij het verzoek.

De voorzitter:

Ik stel voor, dit deel van het stenogram door te geleiden naar het kabinet en daarbij aan te dringen op uiterste spoed. Dat kan in die zin worden vertaald dat de brief er vanavond of uiterlijk morgenochtend moet zijn.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Verder stel ik voor, de stemmingen onder agendapunt 7 (Infrastructuurfonds) tot donderdag uit te stellen.

Daartoe wordt besloten.

De heer Verkerk (AOV):

Voorzitter! Ik zou erop willen wijzen dat de eurobiljetten in ontwerp de laatste dagen in de pers zijn verschenen en dat hier op internationaal niveau al op gereageerd is. Bondskanselier Kohl zou een kleurrijker biljet willen hebben, terwijl premier Chirac en premier Major er een nationaal symbool op zouden willen hebben. Ik zou het kabinet willen vragen om in een brief zijn standpunt weer te geven over de visies die nu internationaal de ronde doen over de eurobiljetten in ontwerp.

Verder zou ik het kabinet willen vragen of het een Nederlands symbool denkt te promoten op de eurobiljetten.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Wij gaan daar vanmiddag juist over spreken. Is het redelijk om het kabinet nu om een brief te vragen over een onderwerp dat over een beperkt aantal uren in deze Kamer aan bod komt?

De heer Verkerk (AOV):

Voorzitter! Ik ga er dan van uit dat de heer Bolkestein in ieder geval dit onderwerp in dat debat aan de orde zal stellen.

De heer Bolkestein (VVD):

Voorzitter! Ik zal dat misschien wel, maar misschien ook niet doen. Ik zeg alleen dat die gelegenheid bestaat, omdat de Kamer over anderhalf uur met de regering van gedachten gaat wisselen over al die toestanden en biljetten.

De heer De Hoop Scheffer (CDA):

Voorzitter! Ik hoop dat collega Verkerk ons dan ook zijn suggesties zal willen meedelen over datgene wat hem voor ogen staat. Wij branden van nieuwsgierigheid om dan te horen wat hij zelf vindt.

De heer Verkerk (AOV):

Voorzitter! Ik heb zonet gevraagd om het standpunt van het kabinet. Ik heb dus geen eigen mening gegeven. Zoals de heer De Hoop Scheffer en ook de heer Bolkestein zegt, zal erover gesproken worden. Ik verwacht dan ook wel het standpunt van het kabinet te vernemen in dat overleg. Ik hoop inderdaad, voorzitter, gehoord de opmerkingen van de collega's, dat zij het onderwerp dat ik hier heb aangekaart, aan de orde zullen stellen. Ik hoef dan op dit moment geen brief van het kabinet hierover te ontvangen.

De voorzitter:

Dank u zeer.

Het woord is aan de heer Verhagen.

De heer Verhagen (CDA):

Voorzitter! Aanstaande donderdag zal er een algemeen overleg plaatsvinden met de minister van Defensie over de ondertekening van het Shirbrig-concept. Ik sluit niet uit dat dit algemeen overleg gevolgd zal moeten worden door een korte plenaire afronding in een tweeminutendebatje. Ik verzoek u er in de agenda rekening mee te houden dat het verslag van het algemeen overleg eventueel nog op de agenda voor donderdag aanstaande geplaatst zal moeten worden.

De voorzitter:

Wij houden dit type reserveringen "in het achterhoofd", maar deze worden niet op voorhand gemaakt. Het hangt een beetje af van de uitkomst van het algemeen overleg, lijkt mij.

Het woord is ten slotte aan de heer Cornielje.

De heer Cornielje (VVD):

Voorzitter! Staatssecretaris Netelenbos heeft nu voor de zoveelste keer meegedeeld dat leraren op zogenaamde "zwarte scholen" extra beloond zouden moeten worden. Bij de behandeling van de begroting hebben wij hier al afstand van genomen. De staatssecretaris doet deze mededelingen alleen via de publiciteit en niet via een brief aan de Kamer. Ik zou daarom willen vragen of zij ons op korte termijn een dergelijk beleidsvoornemen hierover toe wil sturen, zodat wij dit ook in de Kamer verder kunnen bespreken.

De heer Van der Vlies (SGP):

Voorzitter! Ik zou mij hier graag bij willen aansluiten.

De heer Koekkoek (CDA):

Voorzitter! De CDA-fractie ondersteunt het verzoek. Misschien kan de staatssecretaris dan ook aandacht besteden aan de vraag hoe zich dat denkbeeld verhoudt tot autonomievergroting van scholen en tot het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid.

De voorzitter:

Ik stel voor, het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Wij zijn hiermee gekomen aan het eind van de regeling van werkzaamheden. Ik zal op basis hiervan een nieuw vergaderschema maken voor de woensdag en de donderdag.