Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202035470-XIV nr. 7

35 470 XIV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Diergezondheidsfonds 2019

Nr. 7 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN

Vastgesteld 22 juni 2020

De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de brief van 20 mei 2020 inzake het Jaarverslag Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Diergezondheidsfonds 2019 (Kamerstuk 35 470 XIV, nr. 1).

De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 11 juni 2019. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie, Kuiken

De adjunct-griffier van de commissie, Verhoev

1

Kunt u beknopt uiteenzetten wat de ontwikkelingen in 2019 waren rondom het bijenrichtsnoer van de European Food Safety Authority (EFSA) en wat de huidige stand van zaken is?

Antwoord

In maart 2019 heeft EFSA het mandaat van de Europese Commissie gekregen om het bijenrichtsnoer op onderdelen verder uit te werken. Nederland heeft aangedrongen om spoedig voortgang te maken.

De onderdelen die al voldoende wetenschappelijk actueel en praktisch uitvoerbaar waren, zouden op korte termijn kunnen worden geïmplementeerd. Daartoe had de Europese Commissie een voorstel opgesteld tot wijziging van de Uniforme Beginselen, waarmee grenswaarden uit het EFSA bijenrichtsnoer zouden worden opgenomen in regelgeving. De EU-lidstaten hebben in juli 2019 met een gekwalificeerde meerderheid ingestemd met dit voorstel. Het Europees Parlement heeft dit voorstel op 23 oktober jl. echter afgewezen. Over dit voorstel en de afwijzing van het Europees Parlement heb ik uw Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nrs. 479 en 487). Met de beslissing van het Europees Parlement heeft de Europese Commissie besloten om een nieuw voorstel voor de implementatie van het bijenrichtsnoer aan de lidstaten voor te leggen als EFSA de uitwerking heeft afgerond. Dit voorstel zal naar verwachting in maart 2021 worden gepubliceerd.

2

Zijn er in 2019 aanpassingen geweest in het Europese of Nederlandse toelatingsbeleid voor bestrijdingsmiddelen? Zo ja, welke?

Antwoord

Er zijn in 2019 geen aanpassingen geweest in het Europese en nationale toelatingsbeleid. Wel is in januari 2019 een voorstel van de Europese Commissie aangenomen tot het instellen van een geharmoniseerde risico-indicator, waarmee de voortgang van het duurzame gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beter kan worden gevolgd. Het betrof hier de uitwerking van reeds eerder vastgelegd beleid in de richtlijn over duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (Richtlijn (EG) 2009/128). Ik heb uw Kamer op 23 januari 2019 hierover geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 439).

3

Zijn er in 2019 ontwikkelingen geweest in de capaciteit van de EFSA die invloed kunnen hebben op het tijdig beoordelen van stoffen, waardoor procedurele verlengingen in toenemende of afnemende mate aan de orde zijn? Zo ja, heeft u zich daar in 2019 over uitgesproken?

Antwoord

Wanneer de reguliere herbeoordeling van werkzame stoffen, buiten de schuld van toelatinghouder, niet tijdig is afgerond, voorziet artikel 17 van Verordening (EG) 1007/2009 erin dat de goedkeuring van een werkzame stof tijdelijk wordt verlengd tot de herbeoordeling is afgerond. Ik heb uw Kamer hier eerder nader over geïnformeerd (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1181). De reden voor de vertragingen liggen veelal niet bij EFSA, maar bij de beoordelende instanties van lidstaten. Er zijn mij geen nieuwe ontwikkelingen bij EFSA bekend die direct invloed hebben op het tijdig beoordelen van stoffen.

4

Hoeveel hectare landbouwgrond was eind 2019 in gebruik en hoeveel hectare was dat meer of minder dan eind 2018?

Antwoord

Het totale areaal cultuurgrond bedroeg volgens de meest recente cijfers van het CBS (CBS Statline: Landbouw; gewassen, dieren, grondgebruik en arbeid op nationaal niveau, laatst gewijzigd 3 maart 2020) in 2019 1.816.320 hectare, dat is 6.050 ha minder in 2018, toen het totale areaal cultuurgrond 1.822.370 hectare bedroeg.

5

Wat was de gemiddelde landbouwopbrengst per hectare in 2019?

Antwoord

Bijgaand treft u op basis van voorlopige cijfers van het CBS (CBS Statline: Akkerbouwgewassen; productie naar regio, laatst gewijzigd 31 maart 2020, Groenteteelt; oogst en teeltoppervlakte per groentesoort, laatste gewijzigd 28 april 2020), de gemiddelde landbouwopbrengst per hectare in 2019 voor verschillende akkerbouw- en groentegewassen:

Onderwerp

Totale bruto opbrengst

Beteelde oppervlakte

Geoogste oppervlakte

Bruto opbrengst per ha

Gewassen

1.000 kg

ha

ha

1.000 kg

Totaal tarwe

1.157.429

121.064

120.546

9,6

Wintertarwe

1.095.086

112.203

111.756

9,8

Zomertarwe

62.343

8.861

8.790

7,1

Wintergerst

100.389

11.134

11.092

9,1

Zomergerst

147.797

22.570

22.297

6,6

Rogge

5.428

1.875

1.491

3,6

Haver

8.558

1.535

1.430

6

Triticale

7.208

1.334

1.326

5,4

Korrelmais

127.395

12.668

12.424

10,3

Snijmais

8.014.566

187.400

186.226

43

Corn Cob Mix

67.773

6.632

6.585

10,3

Bruine bonen

3.505

1.413

1.413

2,5

Koolzaad

6.038

1.794

1.775

3,4

Vezelvlas

13.356

2.291

2.291

5,8

Lijnzaad

2.149

2.291

2.291

0,9

Cichorei

171.888

4.041

3.975

43,2

Hennep

14.074

1.877

1.877

7,5

Aardappelen, totaal

6.961.230

167.523

165.733

42

Consumptieaardappelen, totaal

3.716.187

78.887

77.544

47,9

Pootaardappelen, totaal

1.545.981

43.688

43.240

35,8

Zetmeelaardappelen

1.699.063

44.949

44.949

37,8

Suikerbieten

6.644.707

79.176

79.176

83,9

Zaai-uien

1.369.020

27.583

27.206

50,3

Zaai-uien na uitval

1.276.784

27.583

27.206

46,9

(Bron: CBS Statline: Akkerbouwgewassen; productie naar regio, laatst gewijzigd 31 maart 2020)

Onderwerp

Oogst

Teeltoppervlakte

Oogst/teeltoppervlakte

Groenten

mln kg

hectare

1.000 kg / ha

Champignons

300,0

61

4.918,0

Aardbeien, productie

23,7

1.149

20,6

Aardbeien onder glas en tunnels

51,8

489

105,9

Andijvie

9,4

309

30,4

Asperges

18,1

2.946

6,1

Knolvenkel

3,5

195

17,9

Prei

92,4

2.542

36,3

Selderij, bleek/groen

4,5

170

26,5

Sla, krop en overig

15,6

758

20,6

Sla, ijsberg

86,0

2.480

34,7

Spinazie

74,2

3.386

21,9

Witlof

52,6

3.095

17,0

Bos- en waspeen

169,0

3.147

53,7

Knolselderij

92,2

1.880

49,0

Rode bieten

37,6

875

43,0

Radijs

24,0

100

240,0

Schorseneren

17,6

689

25,5

Uien

1.256,3

34.301

36,6

Winterpeen

446,9

6.767

66,0

Bloemkool

46,0

2.577

17,9

Boerenkool

7,0

340

20,6

Broccoli

19,7

2.081

9,5

Chinese kool

9,1

302

30,1

Groene kool

2,1

67

31,3

Rode kool

40,4

599

67,4

Spitskool

16,9

542

31,2

Spruitkool

54,4

2.730

19,9

Witte kool

114,5

1.471

77,8

Doperwten

25,3

3.813

6,6

Sperziebonen

48,8

3.973

12,3

Tuinbonen

5,1

616

8,3

Aubergines

64,0

125

512,0

Courgette

16,7

412

40,5

Komkommers

410,0

580

706,9

Paprika's

375,0

1.504

249,3

Tomaten

910,0

1.800

505,6

Overige groenten

71,6

4.043

17,7

(Bron: CBS Statline: Groenteteelt; oogst en teeltoppervlakte per groentesoort, laatste gewijzigd 28 april 2020)

6

Wat was de gemiddelde landbouwopbrengst per hectare in 2019 in de «gangbare» landbouw?

Antwoord

Deze gegevens zijn niet beschikbaar.

7

Wat was de gemiddelde landbouwopbrengst per hectare in 2019 in de «overige/biologische» landbouw?

Antwoord

Bijgaand treft u op basis van cijfers van het CBS (CBS Statline: Biologische plantaardige en dierlijke productie; nationaal, laatst gewijzigd 27 september 2019, Activiteiten van biologische landbouwbedrijven; regio, laatst gewijzigd 3 maart 2020) de gemiddelde landbouwopbrengst per hectare in 2018 voor diverse groente- en akkerbouwgewassen waarvan zowel biologisch gecertificeerde productie- als areaalgegevens beschikbaar zijn. Cijfers over 2019 zijn nog niet beschikbaar.

Onderwerp

Landbouwproductie

Oppervlakte van gewassen

Landbouwproductie /oppervlakte

Gewassen

1.000 kg

ha

ton/ha

Consumptieaardappelen (totaal)

46.232

1.141

40,5

Pootaardappelen (totaal)

13.630

461

29,5

Gerst (totaal)

3.101

553

5,6

Haver

2.746

522

5,3

Tarwe (totaal)

5.046

760

6,6

Rogge

1.265

527

2,4

Triticale

1.586

396

4,0

Maïs (totaal)

1.159

111

10,4

Prei

3.432

130

26,4

Sla (totaal)

1.652

54

30,6

Spinazie

12.037

616

19,6

Knolselderij

6.694

134

49,8

Rode bieten

21.138

406

52,1

Winterpeen

64.695

1.175

55,1

Bloemkool

4.601

279

16,5

Broccoli

2.002

179

11,2

Sluitkool (totaal)

12.147

232

52,4

Spruitkool

1.792

139

12,9

Stambonen

3.647

467

7,8

(Bron: CBS Statline: Biologische plantaardige en dierlijke productie; nationaal, laatst gewijzigd 27 september 2019, Activiteiten van biologische landbouwbedrijven; regio, laatst gewijzigd 3 maart

8

Is in 2019 weer contributie betaald aan de Internationale Jachtraad en zo ja, hoeveel en met welk doel en hoe wordt gemonitord of deze doelen worden bereikt? Waarom is dit noch in het jaarverslag van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) noch op de website van de Internationale Jachtraad terug te vinden?

Antwoord

Contributies op het gebied van natuur en biodiversiteit maken onderdeel uit van de uitgaven op «Bijdragen aan (inter)nationale organisaties/contributies» (beleidsartikel 12 van het jaarverslag). In 2019 is er door de Internationale Jachtraad (CIC) geen contributie in rekening gebracht. In 2020 is er een factuur ontvangen voor de contributie en betaald. De jaarlijkse contributie voor het lidmaatschap van State Member bedraagt € 5.400.

De CIC is een politiek onafhankelijk mondiaal advies orgaan van regeringsvertegenwoordigers (state members), NGO-vertegenwoordigers en individuele leden uit 125 landen met als hoofddoelstelling: «de bevordering van duurzame jacht als instrument voor het behoud van de biodiversiteit, in het bijzonder ten aanzien van de wilde fauna». Voor LNV relevante beleidsterreinen en belangen zijn onder meer de internationale samenwerking m.b.t. de trekvogelproblematiek en plattelandsontwikkeling door het bevorderen van duurzame landbouw en natuur en het toestaan van duurzame jacht voor de lokale bevolking als inkomstenbron. Dit draagt bij aan de instandhouding van soorten en hun habitat en gaat in het bijzonder wildstroperij en illegale trofeeënjacht in vooral Afrika en Azië tegen.

Door het lidmaatschap als State Member kan LNV invloed uitoefenen op het gebied van voor Nederland relevante aandachtsvelden en beleidsprioriteiten.

9

Kunt u de voortgang schetsen van het Haaienactieplan?

Antwoord

Het KRM-haaienactieplan 2015–2021 nadert het einde van haar looptijd. Ter afsluiting heb ik een project in voorbereiding waarin onderdelen van de drie sporen van het plan (communicatie en educatie; verminderen van ongewenste bijvangsten en het verhogen van de overleving) zijn opgenomen. Daarnaast start dit jaar een project onder het LIFE-IP Deltanatuurprogramma in samenwerking met onder andere de Nederlandse Elasmobranchen Vereniging, Sportvisserij Nederland en Wageningen Marine Research. In 2021 zal ik het KRM-haaienactieplan evalueren.

10

Kunt u de voortgang van de evaluatie van de Wet dieren schetsen?

Antwoord

In de wet dieren is bepaald dat de wet vijf jaar na inwerkintreding geëvalueerd wordt op doeltreffendheid en effecten van de wet in de praktijk. In mijn brief van juni 2019 (TK 28 286, nr. 1056) heb ik uw Kamer laten weten dat ik gestart ben met de opzet van de evaluatie. Bureau Berenschot is geselecteerd als onderzoeksbureau dat de evaluatie uitvoert. Berenschot is in december 2019 gestart met het evaluatieonderzoek. In het onderzoek worden stakeholders betrokken uit de veehouderijketen, de gezelschapsdierensector, ngo’s, onderzoekers en toezichthoudende instanties.

Vanwege de Corona-crisis heeft de evaluatie enige vertraging opgelopen, omdat geplande fysieke bijeenkomsten met groepen van stakeholders niet door konden gaan. De evaluatie zal begin juli worden afgerond. Ik zal uw Kamer in het begin van komend najaar mijn beleidsreactie op de evaluatie sturen.

11

Kunt u een overzicht geven van alle wijzigingen in de Meststoffenwet die in 2019 zijn doorgevoerd en kunt u daarbij aangeven op welke wijze deze bijdragen aan de verduurzaming veehouderij (graag onderbrengen in de categorie bijdrage, deels bijdrage en geen bijdrage, met een toelichting)?

Antwoord

In 2019 is een wijziging van de Meststoffenwet doorgevoerd. Op 13 juni 2019 is de afroming bij overdracht van fosfaatrechten verhoogd van 10 naar 20 procent. De verhoogde afroming heeft als doel het aantal rechten versneld onder het productieplafond te brengen. Hierdoor kan het fosfaatproductieplafond beter worden geborgd. Daarnaast geldt dat zodra het aantal rechten onder het productieplafond zit, de daarna afgeroomde fosfaatrechten ten goede komen van de fosfaatbank. Met de fosfaatbank worden jonge boeren en grondgebondenheid gestimuleerd. Doordat de verhoging van het percentage het vullen van de fosfaatbank versneld dichterbij brengt draagt deze wetswijziging ook zodanig bij aan de verduurzaming van de melkveehouderij.

In 2019 heeft het parlement ook een wijziging van de Meststoffenwet aangenomen waarmee diverse maatregelen uit het zesde actieprogramma Nitraatrichtlijn worden geïmplementeerd. Deze wijziging is per 1 januari 2020 in werking getreden. Voor de verduurzaming van de veehouderij is met name het onderdeel van de wetswijziging waarmee de mestproductieplafonds (uitgedrukt in fosfaat en stikstof) in de Meststoffenwet zijn vastgelegd, van belang. Door deze plafonds te verankeren in de wet wordt beoogd een overschrijding van de plafonds, zoals zich in het verleden heeft voorgedaan, te voorkomen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan verduurzaming van de veehouderij.

12

Met welke stakeholders is gesproken over een vereenvoudiging van het mestbeleid?

Antwoord

Zoals in mijn brief van oktober 2018 (Kamerstuk 33 037, nr. 250) aangekondigd is in de afgelopen twee jaar de herbezinning van het mestbeleid een interactief proces geweest samen met landbouworganisaties, de watersector, milieubeweging en wetenschap. In 2018 en 2019 zijn de startbijeenkomst en vier themabijeenkomsten over «Kringlooplandbouw, «Mestmarkt», «Bodem» en «Technologie» gehouden. In deze bijeenkomsten is onderzocht, zoals gedeeld met uw Kamer, of en hoe het mogelijk is om te komen tot een wezenlijk eenvoudiger systeem van sturing op mestproductie en mestgebruik, met minder regeldruk en lasten voor zowel de boer als de overheid. In mijn brief van juli 2019 (Kamerstuk 33 037, nr. 360) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de bijeenkomsten en wie daar aan heeft deelgenomen (bijlage Verslag consultatiefase Herbezinning op het Mestbeleid). Voor de startbijeenkomst is een breed palet aan deelnemers uitgenodigd vanuit de (agrarische) sector, natuur- en milieuorganisaties, wetenschap en overheid, waarvan ruim 120 deelnemers vanuit deze verschillende groepen deelnamen. Voor de themabijeenkomsten konden geïnteresseerden zich inschrijven. Aan deze bijeenkomsten deden, afhankelijk van het onderwerp, deelnemers vanuit verschillende achtergronden mee zoals agrarisch ondernemers, sectorvertegenwoordigers, wetenschap, ondernemers in mestverwerking, waterschappen en NGO’s.

Daarnaast is in navolging van de motie van de leden Lodders en Geurts (Kamerstuk 33 037, nr. 263) een Boerenpanel opgezet welke augustus 2019 heeft plaatsgevonden, waarmee een breed scala aan ideeën voor de herbezinning is besproken en getoetst op de praktijk.

13

Welke stakeholders zijn betrokken bij de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030?

Antwoord

Het betreft de volgende organisaties: Agrodis, Artemis, Cumela, LTO Nederland, Natuur en Milieu, Nefyto, Plantum, Unie van Waterschappen, VEWIN.

14

Wat is de reden dat de stakeholdergesprekken die in 2019 hebben plaatsgevonden over de herbezinning van het mestbeleid tot op heden nog niet hebben geleid tot een contourennota?

Antwoord

De herbezinning op het mestbeleid is gestart als een grondig, interactief proces met meerdere bijeenkomsten waar input is verzameld. Daarnaast is advies ingewonnen bij het Commissie Deskundigen Meststoffenwet over het mestbeleid in andere lidstaten (bijlage bij Kamerstuk 33 037, nr. 360) en bij het Planbureau voor de Leefomgeving over de vijf denkrichtingen voor de herbezinning op het mestbeleid (Quickscan van denkrichtingen voor herbezinning op het mestbeleid) welke maart jl. is afgerond. Zoals toegelicht in mijn brief van november 2019 (Kamerstuk 33 037, nr. 367) is gebleken dat meer tijd nodig was om te komen tot contouren voor een toekomstig mestbeleid mede door de samenhang met de stikstofaanpak. Daarnaast is de afgelopen maanden veel inzet gepleegd op het beleid ter voorkoming van de verspreiding van het COVID-19 virus en de grote gevolgen van het virus op het economische verkeer, en in het bijzonder de agrarische sector. Zoals eerder aangekondigd verwacht ik voor de zomer uw Kamer te kunnen informeren over de contouren van het toekomstig mestbeleid.

15

Wat is de reden voor de vertraging bij de ontwikkeling van het uitvoeringsprogramma voor de Toekomstvisie Gewasbescherming?

Antwoord

De uitzonderlijke omstandigheden als gevolg van het coronavirus hebben ook invloed op de totstandkoming van het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Ik heb uw Kamer op 20 mei jl. (Kamerstuk 27 858, nr. 509) gemeld dat ik verwacht dat ik u het uitvoeringsprogramma rond de zomer kan toesturen.

16

Kunt u voorbeelden geven van gewassen die weerbaar zijn en geteeld kunnen worden zonder behulp van veel gewasbeschermingsmiddelen en hoge emissies, en die een boer financieel ook nog wat opleveren?

Antwoord

Een dergelijk voorbeeld met alle door u Kamer genoemde aspecten kan ik u niet geven. In de huidige agrarische praktijk wordt voor een groot aantal gewassen gebruik gemaakt van resistentie tegen bijvoorbeeld schimmels. Dat is één mogelijkheid om de weerbaarheid van een gewas te verhogen. Weerbaarheid is echter meer. De weerbaarheid van een teeltsysteem wordt bepaald door een breed samenspel van maatregelen, methoden en technieken die met elkaar een integraal geheel vormen. Bijvoorbeeld de keuze van rassen, het gebruik van gezond uitgangsmateriaal, inzetten van functionele agrobiodiversiteit, inzetten van nuttige organismen en precisietechnieken om gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. Hoe de transitie naar deze integrale aanpak kan worden vormgegeven, wordt uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, naar weerbare planten en teeltsystemen.

17

Is de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 inmiddels vastgesteld? Zo ja, door welke partijen?

Antwoord

Ja, de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 is in maart 2019 vastgesteld door Agrodis, Artemis, Cumela, LTO Nederland, Natuur en Milieu, Nefyto, Plantum, Unie van Waterschappen, VEWIN. De visie is op 16 april 2019 uw Kamer aangeboden (Kamerstuk 27 858, nr. 449).

18

Welke maatregelen zou het kabinet in 2019 conform de afspraak in het regeerakkoord nemen om het aantal stalbranden te reduceren?

Antwoord

In het regeerakkoord (Bijlage bij Kamerstuk 34 700, nr. 34) is afgesproken dat het kabinet samen met verzekeringsmaatschappijen en ketenkwaliteitssystemen afspraken zal maken over de bestrijding van knaagdieren door ondernemers en over een periodieke elektrakeuring. Op deze wijze wil het kabinet het aantal stalbranden verminderen.

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is verantwoordelijk voor beleid inzake toelating en gebruik van biociden waar ook de groep middelen die gebruikt wordt voor de bestrijding van knaagdieren (de anticoagulantia) onder valt.

19

Waarom is de afspraak uit het regeerakkoord dat, om het aantal stalbranden te verminderen, het kabinet samen met verzekeringsmaatschappijen en ketenkwaliteitsystemen vóór 2019 afspraken maakt over de bestrijding van knaagdieren door ondernemers nog steeds niet uitgevoerd?

Antwoord

Met de Kamerbrief Actieplan brandveilige veestallen van 16 juli 2018 (Kamerstuk 28 286, nr. 988) is de Tweede Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de opgaven uit het regeerakkoord op het gebied van elektrakeuringen. Zo is een periodieke elektrakeuring als verplichting opgenomen in de ketenkwaliteitssystemen (IKB’s) van de varkens-, pluimvee-, en kalversector. Inmiddels hebben alle varkens-, kalver- en pluimveehouderijen die aangesloten zijn bij een kwaliteitssysteem (respectievelijk Holland Varken, Vitaal Kalf, IKB Kip en IKB Ei) in 2019 een elektrakeuring gehad. Daarmee is een belangrijke stap voorwaarts gezet ter preventie van stalbranden, aangezien problemen met de elektriciteit en kortsluiting tot de voornaamste oorzaken worden gerekend.

Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) is verantwoordelijk voor beleid inzake toelating en gebruik van biociden waar ook de groep middelen die gebruikt wordt voor de bestrijding van knaagdieren (de anticoagulantia) onder valt.

20

Worden hydrologische maatregelen, waaronder het structureel verhogen van de grondwaterstanden in agrarische gebieden, meegenomen in het Actieprogramma klimaatadaptieve landbouw?

Antwoord

Ja, in het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw is aandacht voor hydrologische maatregelen in het kader van het watersysteem, de landbouwbodems en weerbare gewassen en teeltsystemen. Denk specifiek aan de activiteiten en plannen op dit gebied van de Veenweidenaanpak, het Nationaal Programma Landbouwbodems en onder regie van het Ministerie van IenW de Deltaprogramma’s Ruimtelijke Adaptatie en Zoetwater.

Op dit moment – en afgelopen winter – nemen waterbeheerders en boeren ook al water- en bodemmaatregelen, zoals het preventief opzetten van waterpeilen en vasthouden van water in de (landbouw)bodems.

Omdat effecten van klimaatverandering, zoals een zakkend grondwaterpeil, verzilting of te veel of juist te weinig water voor gewassen per regio en bodem- en watersysteem sterk verschillen, vraagt klimaatadaptatie om een regionale aanpak. Daarom wordt in de genoemde programma’s nauw samengewerkt tussen betrokken partijen zoals rijk, provincies, waterschappen en boeren.

21

Hoe staat het met het door u tijdens de begrotingsbehandeling van LNV in oktober 2019 toegezegde onderzoek of jaarlijks een klein percentage van de overheidsfinanciering voor onderzoek met proefdieren kan worden overgeheveld naar onderzoek zonder proefdieren?

Antwoord

Deze vraag is toegevoegd aan het onderzoek naar de publieke financieringsstromen voor dierproeven en proefdiervrije innovatie en naar de invoer van prijsprikkels (moties met Kamerstuk 32 336, nrs. 93, 98 en 103) Het onderzoek is in het najaar 2019 gestart maar heeft door de COVID-19 crisis enigszins vertraging opgelopen. Dit onderzoek is geen makkelijke opgave omdat het veelal gaat om niet-geoormerkte budgetten en er op basis van steekproeven een onderbouwde inschatting moet worden gedaan. De verwachting is dat het onderzoek in de zomer 2020 wordt afgerond. Uw Kamer zal daarna geïnformeerd worden over de onderzoeksbevindingen.

22

Wat is de definitie van duurzaam geproduceerd voedsel?

Antwoord

In de monitor duurzaam voedsel wordt ieder jaar in opdracht van het Ministerie van LNV een overzicht gegeven van de consumentenbestedingen aan voedsel dat op een duurzamere manier geproduceerd wordt. In deze monitor wordt duurzaam voedsel gedefinieerd als voedsel waarbij tijdens de productie en verwerking meer rekening is gehouden met milieu, dierenwelzijn en/of sociale aspecten dan wettelijk verplicht is. Het gaat om voedingsmiddelen die door consumenten op één of meer aspecten als duurzaam kunnen worden herkend, gebaseerd op keurmerken met onafhankelijke controle.

23

Wat zegt de daling van het aantal kilo’s voedsel dat Nederlandse huishoudens jaarlijks verspillen over de bewustwording van de Nederlanders?

Antwoord

Het lijkt erop dat Nederlanders zich bewuster zijn geworden van voedselverspilling en hun rol daarin. Bij de monitor voedselverspilling bij huishoudens in Nederland in 2019 is gekeken naar een mogelijke verklaring voor de daling van het aantal kilo’s voedsel dat jaarlijks verspild wordt. De aankoopvolumes waren afgenomen ten opzichte van 2016 en 2013, maar dit verklaarde slechts een heel klein deel van de daling. Het lijkt aannemelijk dat door de inspanningen in voorlichtingscampagnes het bewustzijn rond het thema voedselverspilling aanzienlijk is gegroeid (Van Dooren, C., Syntheserapport Voedselverspilling bij huishoudens in Nederland in 2019). Dit heeft waarschijnlijk ook een bijdrage geleverd aan de daling van de voedselverspilling bij huishoudens.

24

Wanneer zal het wetsvoorstel gereed zijn waarmee een aantal handelspraktijken wordt verboden die het inkomen van boeren negatief beïnvloeden?

Antwoord

Het wetsvoorstel oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen strekt tot implementatie van richtlijn (EU) 2019/633 en moet conform de richtlijn uiterlijk 1 mei 2021 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd zijn en op 1 november 2021 in werking zijn getreden.

In deze fase van de wetgevingsprocedure – het wetsvoorstel ligt ter advisering bij de Raad van State – is de inhoud van het wetsvoorstel niet openbaar. Ik praat graag met uw Kamer verder over de inhoud van het wetsvoorstel als ik het bij uw Kamer heb ingediend.

25

Welke handelspraktijken zullen met dit wetsvoorstel worden verboden?

Antwoord

In deze fase van de wetgevingsprocedure – het wetsvoorstel ligt ter advisering bij de Raad van State – is de inhoud van het wetsvoorstel niet openbaar. Omdat het wetsvoorstel ter implementatie van richtlijn (EU) 2019/633 is, zullen in ieder geval de daarin genoemde 16 handelspraktijken verboden worden1. Ik praat graag met uw Kamer verder over de inhoud van het wetsvoorstel als ik het bij uw Kamer heb ingediend.

26

Welke andere middelen zet u in om meer ruimte voor innovatie, investeringen en ontwikkeling van hun bedrijven te creëren voor boeren en tot welke resultaten heeft dat geleid?

Antwoord

In mijn brief aan uw Kamer van 29 juni 2018 (Kamerstuk 28 625, nr. 257) heb ik een maatregelenpakket aangekondigd om de positie van de boer in de keten te versterken en ruimte te creëren voor innovatie, investeringen en ontwikkeling. Naast de in het jaarverslag genoemde inrichting van de agro-nutrimonitor bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en het wetsvoorstel oneerlijke handelspraktijken landbouw- en voedselvoorzieningsketen, gaat het om het wetsvoorstel ruimte voor duurzaamheidsinitiatieven (Kamerstuk 35 247) dat de Staatssecretaris van EZK op 4 juli 2019 bij uw Kamer heeft ingediend en het wetsvoorstel tot wijziging van de Mededingingswet om de bijzondere positie van de landbouw- en visserijsector te verduidelijken en te expliciteren dat de Staatssecretaris nog dit jaar uw Kamer zal aanbieden. Al deze trajecten bevinden zich in laatste voorbereidende fase, waardoor nu nog niets te zeggen valt over resultaten.

Verder heb ik uw Kamer in mijn brief van 7 februari jl. (Kamerstuk 35 334, nr. 44) over de landbouwmaatregelen in het kader van de stikstofproblematiek aangekondigd dat er een omschakelfonds komt voor boeren die willen omschakelen naar kringlooplandbouw.

Ten slotte, wil ik de ontwikkeling van en innovatie en investeringen in duurzame landbouw ondersteunen met een integrale agrarische ondernemerschapsagenda. Deze agenda, financieel gedekt uit een herschikking van bestaande middelen, is thans in ontwikkeling en ik zal uw Kamer hierover binnenkort nader informeren.

27

Op welke manier wordt transport van geïmporteerd voedsel gewaardeerd?

Antwoord

In de huidige prijs van geïmporteerd voedsel zitten transportkosten verdisconteerd. Het gaat hierbij om kosten die een partij maakt om goederen te vervoeren van de oorsprong naar de bestemming. De negatieve externe effecten die zijn verbonden aan het transport (denk aan luchtverontreiniging, geluidoverlast, etc.) moeten in principe primair worden toegeschreven aan de transportsector. Deze externe kosten worden echter niet, of heel beperkt ge-monetariseerd en zijn dan ook niet in de prijs van voedsel opgenomen.

In het Meerjaren Experimentenprogramma True Cost Accounting wordt in praktijkprojecten geëxperimenteerd met het beprijzen van externe kosten van voedsel, en hoe (op welke manier) informatie over de Echte Prijs resulteert in gedragsverandering c.q. andere aankoopbeslissingen van ketenpartijen, waaronder consumenten. Externe kosten van transport kunnen daar een rol in spelen.

28

Hoe staat het met de acht locaties in Noord-Nederland waar gebiedsprocessen zijn gestart met boerenondernemers en andere grondgebruikers om meer met de natuur te boeren?

Antwoord

In de Regiodeal Natuurinclusieve Landbouw Noord-Nederland wordt in acht gebieden samen met de stakeholders een aanpak voor meer natuurinclusieve landbouw ontwikkeld. Dat gebeurt in fasen. De eerste fase is het opstellen van een streefbeeld voor 2030. Daarna wordt een bijbehorend actieplan ontwikkeld dat is ingericht om handelingsperspectief voor de grondgebruikers te bieden om middels pilots en projecten invulling te geven aan natuurinclusieve landbouw. Het betreft de volgende 8 gebieden:

  • 1. De Veenkoloniën (Groningen/Drenthe)

  • 2. Westerwolde (Groningen)

  • 3. Oldambt (Groningen)

  • 4. Noordelijke kleischil (Groningen/Fryslân)

  • 5. Veenweidegebied (Fryslân)

  • 6. Kleiweidegebied (Fryslân)

  • 7. Schiermonnikoog (Fryslân)

  • 8. Drents Plateau (Drenthe)

Alle acht gebieden zijn gestart met gebiedsprocessen om tot streefbeelden en actieplannen te komen. De uitvoering van deze processen verschilt, mede als gevolg van de verschillen tussen de gebieden (in omvang, organisatiegraad en actuele gebiedsgerichte vraagstukken). Eind 2019/begin 2020 zijn de gebieden Schiermonnikoog, Oldambt, Drents Plateau, Veenkoloniën, Westerwolde en Friese Kleiweide begonnen met de processen om samen met de grondgebruikers te komen tot een gedeeld streefbeeld. Het proces voor de noordelijke Kleischil is in de loop van het tweede kwartaal 2020 gestart in vervolg op een inventarisatie en een pilot voor het deelgebied De Marne. Voor het omvangrijke Friese Veenweide zullen meerdere processen worden gestart voor deelgebieden, te beginnen met de Groote Veenpolder. Naar verwachting zal eind 2020 gestart worden met de uitvoering van de eerste actieplannen.

De coronacrisis heeft zeer waarschijnlijk consequenties voor de voortgang. De afgelopen maanden hebben er geen fysieke bijeenkomsten kunnen plaatsvinden die wel nodig zijn voor benodigd draagvlak en partnerschap. De verwachting is dat er vanaf 1 juni 2020 weer fysieke bijeenkomsten zullen plaats vinden (met inachtneming van de richtlijnen van het RIVM).

29

Binnen welke kaders wordt er over het resterend budget Grote Wateren gesproken?

Antwoord

Voor de reservering van het totale rijksbudget van € 248 mln voor specifieke projecten en acties voor de 2e tranche Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) gelden dezelfde criteria (technisch uitvoerbaar, ecologische urgentie, draagvlak, cofinanciering, risico’s bij uitvoering en kansen voor bijdragen aan andere sociaal-maatschappelijke doelen).

Ook over het restant budget PAGW 2e tranche, spreken LNV en IenW, met ondersteuning van het PAGW-uitvoeringscollectief van Rijkswaterstaat-Staatsbosbeheer-Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, met regionale overheden in gebiedsoverleggen en met natuurorganisaties over een passende programmering en gezamenlijke financiering. Ik betrek de resultaten van deze gesprekken samen met de Minister van IenW in onze gezamenlijke investeringskeuzes voor het restant budget PAGW 2e tranche. MIRT-besluiten voor de gekozen en nog te kiezen projecten 2e tranche komen in het BO-MIRT.

30

Wanneer verwacht u de uiteindelijke Bossenstrategie en het uitvoeringsprogramma te kunnen presenteren?

Antwoord

Het streven om medio 2020 de bossenstrategie te presenteren zal helaas door de Coronacrisis niet haalbaar zijn. Het nieuwe streven is om de bossenstrategie in het najaar van 2020 rond te hebben.

31

Wat zijn de ervaringen met de nieuwe governancestructuur voor natuur- vis- en waterbeheer op de Wadden: de Beheerautoriteit Waddenzee en hoe functioneert deze structuur tot op heden?

Antwoord

De nieuwe governancestructuur voor het Waddengebied is aangekondigd in de Verzamelbrief Wadden d.d. 20 juni 2019 (Kamerstuk 29 684, nr. 185). Per 1 januari 2020 is de nieuwe governance van start gegaan. De Beheerautoriteit Waddenzee voor natuur-, vis- en waterbeheer maakt deel uit van deze nieuwe governancestructuur. De opdrachtgevers van de Beheerautoriteit Waddenzee, zijnde de Ministeries van LNV en IenW en de drie Waddenprovincies, hebben in lijn met de Verzamelbrief Wadden, een bestuursovereenkomst gesloten. Met ingang van 1 maart 2020 zijn de twee directeuren Beheerautoriteit Waddenzee aangesteld. Zij hebben de taak om samen met de beheerders van de Waddenzee een Integraal Beheerplan op te stellen, teneinde de samenhang en effectiviteit van het natuur-, vis- en waterbeheer te versterken. Gelet op de zeer recente start van de Beheerautoriteit is het nog niet opportuun om iets over het functioneren te zeggen. Na vier jaar zal de Beheerautoriteit Waddenzee worden geëvalueerd.

32

Hoeveel hectare bos is er in 2019 opgestookt in biomassacentrales?

Antwoord

In 2019 is er volgens het CBS 8 petajoule opgewekt via bij- en meestook in energiecentrales en ongeveer 25 petajoule via biomassaketels bij bedrijven (12,5 warmte, 12,7 elektriciteit). De overige biomassa inzet (72,8 petajoule) betreft afvalverbandingsinstallaties, biobrandstof voor transport, biogas en biomassa bij huishoudens. Er zijn nog geen cijfers beschikbaar voor de hoeveelheid houtige biomassa afkomstig uit Nederlandse bossen voor 2019. Cijfers uit 2017 laten zien dat ongeveer 30% van de houtige biomassa die in Nederland wordt vergaard, afkomstig is uit het bos. Daarbij gaat het primair om laagwaardige stammen, takken, toppen, wortels en

stronken die vrijkomen tijdens beheer- en onderhoudswerkzaamheden. Ook komt er biomassa vrij bij de omvorming van houtopstanden naar andere typen landgebruik. Biomassaoogst is in deze gevallen nooit het doel. Het merendeel van de houtige biomassa komt uit stedelijke beplanting (40%) en natuur en landschap (30%).

33

Hoe staat het met de inventarisatie naar belemmeringen in wet- en regelgeving voor natuurinclusieve landbouw?

Antwoord

Het Centrum voor Landbouw en Milieu heeft samen met een aantal agrariërs, adviseurs en deskundigen een inventarisatie gemaakt van hun praktijkervaringen hoe wet- en regelgeving volgens hen de ontwikkeling van hun grondgebonden bedrijven naar natuurinclusieve landbouw hindert. Deze inventarisatie is medio april 2020 afgerond. De link naar het rapport is: https://www.clm.nl/publicatie/181/18.

34

Kunt u een overzicht geven van de belemmeringen in wet- en regelgeving voor natuurinclusieve landbouw die zijn geïnventariseerd en daarbij tevens aangeven welke knelpunten voor natuurinclusieve boeren inmiddels door overheden zijn weggenomen, welke knelpunten nog bestaan, en hoe deze resterende knelpunten weggenomen kunnen worden?

Antwoord

Voor het overzicht van de in de praktijk geïnventariseerde belemmeringen verwijs ik u graag naar het rapport (https://www.clm.nl/publicatie/181/18).

Het rapport bevat een inventarisatie van praktijkervaringen van grondgebonden agrarische ondernemers, adviseurs en deskundigen. De aanbevelingen die hieruit zijn gekomen, ben ik momenteel aan het onderzoeken. Het is belangrijk om zorgvuldig te analyseren waar de ervaren hinder vandaan komt (soms ligt de oorzaak niet in regelgeving) en hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen. Hierbij betrek ik het Deltaplan Biodiversiteitsherstel. De uitkomsten zullen onderdeel uitmaken van een bredere analyse naar belemmeringen in wet- en regelgeving in het kader van de LNV visie «Waardevol en verbonden». Over de voortgang van de LNV visie informeer ik de Kamer regelmatig.

35

Wat is de stand van zaken omtrent het verzoek tot nietigverklaring van het pulsverbod dat door de Nederlandse regering is ingediend bij het Hof van Justitie van de EU?

Antwoord

Nederland heeft in oktober 2019 een verzoekschrift ingediend bij het Europese Hof (zie ook Kamerstuk 32 201, nr. 111). Met dit verzoekschrift vraagt Nederland het Europese Hof om het pulsverbod nietig te verklaren.

De schriftelijke rondes met het Europees Parlement en de Raad zijn eind april 2020 afgerond. Omdat Frankrijk zich tegen Nederland gevoegd heeft in de procedure loopt er nu nog een schriftelijke ronde voor Nederland. Tot eind juli heeft Nederland de tijd om een reactie in te dienen. In de herfst zal naar verwachting, op verzoek van Nederland, de mondelinge behandeling plaatsvinden. De uitspraak volgt vaak enkele maanden na de mondelinge behandeling. Dat betekent dat ik een uitspraak van het Europese Hof op zijn vroegst begin 2021 verwacht.

36

Wat is de meest recente stand van zaken met betrekking tot het Noordzeeakkoord?

Antwoord

De Minister van IenW heeft uw Kamer op 15 april jl. per brief geïnformeerd dat er groot draagvlak is voor een Noordzeeakkoord, maar dat nog niet alle partijen hun definitieve steun hebben kunnen uitspreken (Kamerstuk 33 450, nr. 66). Met name de positie van de visserijsector in relatie tot het Noordzeeakkoord is op dit moment nog niet duidelijk. De Minister van IenW verwacht uw Kamer binnenkort te informeren.

37

Welke stappen zijn gezet in 2019 om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid meer bij te laten dragen aan verduurzaming van de landbouw, naast de aankondiging van de Green Deal en Farm to Fork-strategie?

Antwoord

De verdere verduurzaming van de landbouw kreeg ook in 2019 vorm via de reguliere GLB-maatregelen als het vergroeningsbeleid in de eerste pijler en het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in de tweede pijler van het GLB. Daarnaast richtte de politieke inzet van het kabinet zich in 2019 op de Brusselse onderhandelingen over een nieuw GLB om te komen tot een effectiever beleid als het gaat om vergroening c.q. verduurzaming van de landbouw. Het toekomstige GLB (2021–2027) moet gaan bijdragen aan zowel een landbouw die economie, boer en leefomgeving verbindt als ondersteunend is aan de noodzakelijke omslag naar kringlooplandbouw en de klimaatopgave. Voor die verdere verduurzaming werden in 2019 in het proces van besluitvorming stappen gezet en is het de ambitie van het kabinet dit zo maximaal mogelijk vertaald te krijgen in de wetgevingsteksten voor het toekomstige GLB.

38

Wat zijn de resultaten van en ervaringen met de gebiedsplannen die in 15 gebieden zijn opgesteld in het kader van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland, welke uitwerking hebben deze gebiedsplannen gehad op de vitaliteit van het platteland in deze 15 gebieden en welke lessen kunnen daaruit worden geleerd?

Antwoord

Sinds het tot stand komen van de landelijke samenwerkingsafspraken tussen VNG, IPO, Unie van Waterschappen en het Ministerie van LNV in juli 2018 zijn voor 14 van de 15 gebieden gebiedsplannen opgesteld (het vijftiende gebied, Veluwe-FoodValley, heeft ervoor gekozen zich eerst te richten op de Regio Deal FoodValley). Elk van de plannen is uniek, geeft gebiedsspecifiek invulling aan landelijke en regionale beleidsdoelen en draagt bij aan de grote opgaven van het moment, zoals kringlooplandbouw, natuur en biodiversiteit, veenweideproblematiek, emissiereductie (waaronder stikstof), bodemvruchtbaarheid en wateropgaven.

Na het opstellen van de gebiedsplannen zijn de gebieden verder gegaan met de uitwerking van de gebiedsplannen en het voorbereiden van de uitvoering. Dit houdt in dat de verschillende pilots en projecten verder zijn uitgewerkt, de cofinanciering is vastgelegd en de organisatiestructuur is opgezet. Met het opstellen van de gebiedsplannen, het organiseren van de samenwerking en het vastleggen van de financiering is een stevige basis gelegd voor het samen uitvoeren van de gebiedsopgaven en het zetten van stappen in de gewenste transities.

Op 20 december 2019 heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken, de inhoudelijke ambities en de financiering van de gebiedsplannen in het kader van het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland (IBP-VP, Kamerstuk 29 576, nr. 89).

Eerste bevindingen

IBP-VP is voor de gebieden een waardevol platform voor gebiedsgericht werken en interbestuurlijke samenwerking. Geconstateerd wordt dat er op veel vlakken en rondom verschillende thema’s intensief wordt samengewerkt tussen overheden samen met ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere partijen binnen de gebieden. Voorlopig kan gesteld worden dat binnen het IBP-VP alle 4 de overheden goed aan tafel zitten en elkaars inhoudelijke agenda kennen en gezamenlijk oppakken.

Inhoudelijk gaat het gesprek in de gebieden over het samenbrengen van een economisch duurzaam verdienmodel voor agrariërs met de andere opgaven in een gebied, waaronder bijvoorbeeld natuur, klimaat en landschap. Met andere woorden: hoe ziet een vitaal platteland eruit?

In de komende periode (tot aan eerste kwartaal 2021) zal vooral worden ingezet op de uitvoering van projecten en pilots in de gebieden, zodat concrete stappen gezet worden in het opgavegericht werken, het aansluiten van andere departementen bij de gebiedsgerichte aanpak en het verankeren van het werken als één overheid in de betrokken organisaties. Ook zal er in de gebieden meer aandacht komen voor het uitdiepen van wetgevings-gerelateerde vragen en kennis- en onderzoek behoeften.

Lerende Evaluatie

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voert samen met het VU/ Athena instituut een lerende evaluatie van het IBP-VP uit. Gedurende de looptijd van het IBP-VP doen PBL en VU onderzoek en formuleren gaandeweg hun bevindingen om daar met de betrokkenen gezamenlijk van te leren. Als eerste producten zijn een evaluatiekader («een onderzoeksmethodiek voor het evalueren van transformerend leren en handelen») en eerste concept voorlopige bevindingen opgeleverd, https://www.pbl.nl/publicaties/evaluatiekader-ibp-vp.

PBL en VU zullen aan de hand van dialoogsessies met betrokkenen bij het IBP-VP van het Rijk, IPO/provincies, UvW/waterschappen, VNG/gemeenten en maatschappelijke partijen deze concept resultaten en bevindingen de komende periode verrijken om het lerend vermogen te vergroten. De concept voorlopige bevindingen en de resultaten van de dialoogsessies vormen de basis voor het eindrapport van de lerende evaluatie dat voorjaar 2021 zal verschijnen.

Looptijd IBP-VP

Het landelijk interbestuurlijk programma Vitaal Platteland eindigt in het eerste kwartaal van 2021, maar de uitvoering van de gebiedsplannen loopt in de gebieden ook in de jaren daarna nog door.

39

Welke stappen zet u om zowel nationaal als Europees strategisch na te denken over voedselvoorziening, het geostrategische belang van voedselzekerheid en zelfvoorziening van voedsel binnen de Europese Unie?

Antwoord

De huidige crisis heeft de kwetsbaarheden van handelsstromen blootgelegd. Ik wil mij inzetten om voedselsystemen weerbaarder en duurzamer te maken. Dat geldt zowel binnen de EU als daarbuiten. Ik wil daar nadrukkelijk het innovatieve Nederlandse bedrijfsleven bij betrekken. Ik zal op korte termijn met de onder andere de Topsectoren om tafel gaan zitten om te bezien hoe Nederland aan de green recovery bij kan dragen. Uiteraard zal ik deze zaken ook met mijn Europese collega’s bespreken. In dit verband belangrijk om te noemen is dat de Europese Commissie op 20 mei jl. de Farm to Fork-strategie heeft gepubliceerd. Deze is onderdeel van het Green Deal-initiatief en moet leiden tot een geïntegreerd, EU breed, duurzaam, veilig en gezond voedselsysteem, met verdien- en concurrentievermogen en een neutraal of positief effect op het milieu in 2030. Hiervoor is momenteel een BNC-fiche in ontwikkeling dat ik uw Kamer begin juli zal toesturen.

40

Hoe is de versterking van het cameratoezicht in slachthuizen precies vormgegeven?

Antwoord

Cameratoezicht is voor de NVWA een toezichtsondersteunend instrument. De NVWA-toezichthouders hebben inzage in de beelden van slachthuizen om bepaalde momenten terug te kijken, om steekproefsgewijs terug te kijken of om real time mee te kijken.

De slachthuizen met permanent toezicht en de middelgrote slachthuizen (>10 GVE per week) hebben aangegeven mee te werken aan cameratoezicht op vrijwillige basis. De 13 middelgrote slachthuizen die voorheen geen medewerking gaven, hadden aangegeven per 1 april een adequaat camerasysteem te hebben. Op dit type slachthuizen is de NVWA niet dagelijks aanwezig. Bij een controleronde in de eerste week van juni, bleken 3 van de bedrijven geen adequaat camerasysteem te hebben. De NVWA regelt voor deze bedrijven op de kortst mogelijke termijn «aanvullend permanent toezicht op het levende deel» in, op kosten van de slachthuizen. De bedrijven zijn hiervan op de hoogte gesteld. Dat regime blijft van kracht, totdat er een adequaat camerasysteem aanwezig is in deze bedrijven.

41

Wat is de omvang van «het eerste deel» van het bedrag voor de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) voor aanscherping van de handhaving op dierenwelzijn en voedselveiligheid?

Antwoord

Het betreft de in het Regeerakkoord ter beschikking gestelde middelen voor de NVWA. Hiervan wordt 2/3 deel via de LNV-begroting verstrekt en 1/3 deel via de VWS-begroting. De omvang van «het eerste deel» van het bedrag via de LNV-begroting 2019 is € 6 mln.

42

Op welke manier is het eerste deel van het bedrag voor de NVWA aanscherping handhaving op dierenwelzijn en voedselveiligheid ingezet (graag een uitsplitsing naar de verschillende inzetten en onderdelen en per onderdeel het bijbehorende bedrag)?

Antwoord

Met deze middelen:

  • a. zijn administratieve controles en digitaal toezicht uitgevoerd overwegend op voedselveiligheid.

  • b. is de Inlichtingen en opsporingsdienst (IOD) versterkt om voedselveiligheid strafrechtelijk aan te pakken.

  • c. is in het kader van dierenwelzijn een pilot uitgevoerd met cameratoezicht in slachthuizen.

Daarnaast investeerde de NVWA in:

  • d. versnelde opbouw kennispositie en risicoduiding ten aanzien van voedselveiligheid en dierenwelzijn om het toezicht goed te kunnen richten.

  • e. het versterken van de juridische capaciteit voor deze zaken.

  • f. het verder openbaar maken van handhavingsresultaten.

Nr.

Maatregel

Bedrag in mln (LNV)

Versterking toezicht op voedselveiligheid en/of dierenwelzijn

1a

Administratieve controles/digitaal toezicht

2,3

Overwegend voedselveiligheid en daarnaast dierenwelzijn

1b

Versterking IOD

1,1

Voedselveiligheid

1c

Pilot Cameratoezicht slachthuizen

0,4

Dierenwelzijn

1.d

Kennisopbouw en risicoduiding

1,1

Voedselveiligheid en dierenwelzijn

1e

Juridische versterking

0,8

Voedselveiligheid en dierenwelzijn

1f

Openbaarmaking Handhavingsresultaten

0,4

Voedselveiligheid en dierenwelzijn

 

Totaal

6,0

 

43

Hoeveel bedrijfsmatige- en hobbyfokkers van gezelschapsdieren zijn door de NVWA in totaal geïnspecteerd in 2019?

Antwoord

In 2019 heeft de NVWA 155 controles bij houders van gezelschapsdieren uitgevoerd. Dit zijn controles bij bedrijfsmatige en particuliere houders naar aanleiding van meldingen over rabiës, bij hondenhandelaren en bij fokkers van gezelschapsdieren.

44

Hoeveel bedrijfsmatige- en hobbyfokkers van gezelschapsdieren zijn gecontroleerd op basis van een melding en hoeveel op basis van regulier toezicht?

Antwoord

118 bedrijfsmatige- en hobbyfokkers van gezelschapsdieren zijn gecontroleerd op basis van een melding; 37 bedrijfsmatige- en hobbyfokkers van gezelschapsdieren zijn gecontroleerd op basis van regulier toezicht.

45

Hoeveel fokkers van kortsnuitige honden zijn in 2019 geïnspecteerd door de NVWA?

Antwoord

In de periode van eind oktober tot half december 2019 zijn bij hondenfokkers van de vijf meest voorkomende kortsnuitige rassen controles uitgevoerd. Er zijn controles uitgevoerd bij negen fokkers, te weten bij zes fokkers van rashonden en bij drie fokkers van «lookalikes».

46

Hoe vaak is er een waarschuwing of een boete uitgedeeld omdat fokkers de handhavingscriteria «fokken met kortsnuitige honden» overtraden?

Antwoord

In totaal zijn 9 fokkers van kortsnuitige honden gecontroleerd, waarvan er 7 niet akkoord zijn bevonden. Deze fokkers hebben een schriftelijke waarschuwing gekregen. Wordt bij hercontrole opnieuw een overtreding vastgesteld, dan volgen een bestuurlijke boete en mogelijk andere bestuurlijke maatregelen.

47

Hoeveel fte is beschikbaar voor toezicht- en handhavingstaken op het gebied van dierenwelzijn van gezelschapsdieren, zowel bij de NVWA, de landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) als de politie?

Antwoord

Bij de NVWA was in 2019 5 fte beschikbaar voor de toezicht- en handhavingstaken op het gebied van dierenwelzijn van gezelschapsdieren, in 2020 groeit dat naar 10 fte. Bij de LID was hiervoor in 2019 24,7 fte beschikbaar; in 2020 groeit dat naar 32,7 fte. De cijfers over toezicht- en handhavingstaken op het gebied van dierenwelzijn bij de politie (Justitie en Veiligheid) zijn bij mijn ministerie niet beschikbaar.

48

Wat is de voortgang met betrekking tot de witte lijst voor bonafide hondenhandelaren?

Antwoord

Voor de zomer informeer ik u over de stand van zaken van meerdere onderwerpen op het gebied van dierenwelzijnsbeleid. Het beleid om te komen tot gezonde en sociale honden maakt daar deel van uit. Ik zal uw Kamer in dat kader ook bijpraten over de witte lijst voor bonafide hondenhandelaren.

49

Wat is de voortgang van de versterking van de paspoortplicht en het registratiesysteem voor honden en is dit systeem conform uw voornemen op 1 januari 2020 in gegaan?

Antwoord

De realisatie en de procedures rondom de regelgeving en het ombouwen van verschillende registratiesytemen is een omvangrijke operatie is die veel tijd kost. Het Besluit waar de paspoortplicht en het registratiesysteem in worden geregeld gaat deze maand (juni »20) in consultatie. Het Besluit en bijhorende regeling treden naar verwachting per 1 juli 2021 in werking.

50

Wat is de voortgang met betrekking tot de pilots lokale chipplicht voor katten?

Antwoord

Momenteel werk ik met drie belangstellende gemeenten aan de inrichting van een pilot om ervaring op te doen met een lokale chipplicht voor katten, zodat deze direct na de zomer kan starten. Met deze pilot wil ik inzicht krijgen in de effectiviteit van een lokale chipplicht in het aanpakken van de problemen die gemeenten ervaren op het gebied van zwerfkatten.

51

Kunt u uitgebreid uitleggen waarom de geplande klimaatgelden (€ 4,7 miljoen euro) voor de duurzame veehouderij naar 2020 of later zijn geschoven en om welke maatregelen gaat het?

Antwoord

De geplande klimaatgelden betreffen maatregelen op het gebied methaanemissie (€ 2,7 mln) en de opslag van bodemkoolstof (€ 2 mln), tezamen € 4,7 mln.

Voor wat betreft methaanemissie gaat om het om de ontwikkeling van integraal duurzame stalsystemen. Om seizoensinvloeden mee te kunnen nemen in de bepaling van emissies, worden binnen dit soort onderzoeksprojecten jaarrondmetingen gedaan. Dit project is niet direct bij aanvang van 2019 gestart en om deze reden is 2,7 mln doorgeschoven naar 2020. De begrotingsmutatie was reeds in de 2e suppletoire 2019 opgenomen.

Voor wat betreft het programma inzake de opslag van bodemkoolstof is vertraging opgetreden.

Allereerst bij een opleiding voor gekwalificeerde bodemadviseurs, waarvoor de afronding van het subsidieverzoek niet meer binnen 2019 tot stand kon komen. Daarnaast bij een kennisverspreidingstraject naar boeren via het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, waar vanwege afstemming over de wijze van uitvoering vertraging is opgelopen. Naar verwachting kunnen beide onderdelen wel in 2020 worden toegekend.

52

Welke opdracht is in het kader van het 6e actieprogramma aan de NVWA verleend?

Antwoord

De opdracht aan de NVWA bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Uitvoeringskosten (organisatorisch) voor het 6e actieprogramma Nitraatrichtlijn (€ 1 mln): dit gaat onder andere om capaciteit voor het uitvoeren van inspecties inzake de maatregelen uit het actieprogramma.

  • Slimme ICT toepassingen (€ 0,72 mln): het gaat hierbij om het verbeteren van toezicht en handhaving door slimmer datagebruik.

  • Maatwerksamenwerking in de regio (€ 0,35 mln): het gaat hierbij om het verbeteren, coördineren van de samenwerking in het toezicht (gebiedsgericht handhaven), gegevensuitwisseling en het evalueren en het opstellen van voortgangscontroles.

  • Pilot NIRS (€ 0,05 mln): verkennen van de mogelijkheden van NIRS (near infra red spectroscopy) voor de handhaving.

53

Wat is de Versterkte Handhavingsstrategie (VHS)?

Antwoord

De Versterkte Handhavingsstrategie Mest (VHS Mest) heb ik in 2018 opgesteld en aan u aangeboden (Kamerstuk 33 037, nr. 311). In de VHS mest zijn maatregelen opgenomen die ik neem om fraude met mest tegen te gaan en de naleving van mestregelgeving te verbeteren. Met het indienen van deze strategie bij de Europese Commissie heb ik voldaan aan één van de voorwaarden uit de derogatiebeschikking 2018 -2019. Ik heb uw Kamer in mijn brief (Kamerstuk 33 037, nr. 368) geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van de strategie.

54

Kunt u een uitgebreid overzicht delen van alle activiteiten en projecten van Jong Leren Eten en de resultaten per project aangeven?

Antwoord

Een uitgebreid overzicht van de activiteiten en projecten van Jong Leren Eten kunt u vinden in de tussentijdse rapportage die ik in december aan uw Kamer heb gestuurd (Kamerstuk 31 532, nr. 235).

Verder verwijs ik u naar het antwoord op de vragen 14 en 15 van de Slotwet (Kamerstuk 35 470 XIV, nr. 6).

55

Welke voorbereidingsactiviteiten op de implementatie Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2021–2027 zijn door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) gedaan (graag een uitputtend overzicht)?

Antwoord

De volgende voorbereidingsactiviteiten op de implementatie GLB 2021–2027 zijn door RVO uitgevoerd in 2019:

  • Ondersteuning in de beleidsontwikkeling.

  • Advisering en toetsing van wetgevende voorstellen.

  • Gegevensanalyse met als doel om inzicht te krijgen in de vereiste data om in het GLB 2021–2027 verantwoording af te kunnen leggen over de in het Nationaal Strategisch Plan opgenomen doelstellingen met bijbehorende indicatoren.

  • Kaders en regels om uitvoering aan te passen in de overgangsperiode 2021 en 2022.

  • Voorbereiding en ontwikkeling van de uitvoering van nieuwe wetgeving op gemoderniseerde wijze voor grondgebonden subsidies, marktordening en plattelandsontwikkeling.

  • Eerste check bij 1000 bedrijven die ingevoerd worden in de Basisregistratie Geografische Topografie.

56

Hoeveel procent van het onderzoek van Wageningen Research werd in 2019 gedaan naar biologische landbouw en kunt u dit uitsplitsen naar veehouderij, akkerbouw en andere sectoren?

Antwoord

Binnen de LNV-subsidie doet WR vooral onderzoek, gericht op de realisatie van missies uit het innovatiethema Landbouw, Water en Voedsel. Resultaten van dit onderzoek zijn ook relevant voor de biologische landbouw, daarbij wordt weinig onderzoek specifiek naar biologische landbouw gedaan waardoor dit niet in een percentage uit te drukken is.

57

Waarom is het niet-bestede deel van de nationale cofinanciering voor de regelingen van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) 2014–2020 niet uitgegeven en waar zou het aan besteed moeten zijn?

Antwoord

Aan het eind van een jaar wordt de niet uitgegeven nationale cofinanciering overgeboekt naar de begrotingsreserve visserij zodat deze beschikbaar blijft voor het Europees Fonds Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Het fonds kende een langzame start, maar is inmiddels vrijwel geheel gecommitteerd. De inschatting is dat het gehele bedrag aan cofinanciering benut zal worden. De programmaperiode van het EFMZV loopt tot en met 2020 en de uitfinanciering loopt door tot en met 2023. In deze periode worden betalingen in het kader van lopende projecten verricht en kunnen nieuwe verplichtingen worden aangegaan. De cofinanciering wordt besteed aan de maatregelen zoals opgenomen in het Nederlandse Operationele Programma van het EFMZV.

58

Hoeveel hectare habitatverlies was er in 2019 en kunt u dit uitsplitsen naar oorzaken als energietransitie, bevolkingsgroei en andere oorzaken?

Antwoord

Habitatverlies wordt niet landelijk bijgehouden in hectares per jaar. We kunnen dus ook geen uitsplitsing geven naar oorzaken. Er zijn wel andere indicatoren beschikbaar die een goed beeld geven van de stand van de natuur. Denk bijvoorbeeld aan het Compendium voor de Leefomgeving (www.clo.nl). Iedere twee jaar stelt het Planbureau voor de Leefomgeving de Balans voor de Leefomgeving op. Ook worden rode lijsten bijgehouden van bedreigde soorten. Uw Kamer ontvangt jaarlijks de Voortgangsrapportage Natuur (van Rijk en provincies), met feitelijke voortgangsinformatie over bijvoorbeeld het Natuurnetwerk Nederland. En Nederland rapporteert iedere zes jaar aan de Europese Commissie (over de staat van instandhouding van soorten en habitattypen van de Habitatrichtlijn en de status en trends van alle inheemse vogels voor de Vogelrichtlijn) en iedere vier jaar aan de VN (Biodiversiteitsverdrag) over de situatie in de Nederlandse natuur, conform onze internationale verplichtingen.

59

Kunt u uitleggen waarom het percentage niet-bedreigde soorten nog niet bekend is voor 2019 en hoe kan dit percentage als kengetal gebruikt worden om aan te geven of de beleidsdoelen voor 2020 zijn behaald?

Antwoord

De indicator is 1 mei jl. door het CBS gepubliceerd (www.clo.nl/nl1521). Hierdoor kon deze niet meer worden opgenomen worden in het jaarverslag aangezien deze in maart zijn aangeboden aan de Algemene Rekenkamer.

In 2019 is het percentage niet-bedreigde soorten 60,9%. In 2018 was dat 60,8%.

De verschillen van de indicatorwaarde tussen de jaren zijn klein, waardoor de indicator onvoldoende beeld geeft van het behalen van de beleidsdoelen. Er is voor gekozen om deze indicator in de begroting 2021 te vervangen door een andere indicator die de beleidseffecten van maatregelen op de condities voor een gunstige staat van instandhouding van soorten van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR) in beeld brengt, het zogenaamde VHR-doelbereik. Uw Kamer is hierover op 25 mei jl. geïnformeerd (Kamerstuk 35 300 XIV, nr. 74).

60

Kunt u ingaan op het bedrag van 6 miljoen euro die naar het Provinciefonds is gegaan ten behoeve van pilots voor klimaatslimme landbouw in veenweidegebieden? In hoeverre zijn deze pilots gerealiseerd?

Antwoord

Van de € 6 mln. uit de klimaatenveloppe 2019 voor veenweiden is:

  • € 3,2 mln. besteed aan een pilot voor de inzet van het grondinstrument door de provincie Fryslân.

  • € 2,3 mln. besteed aan onderzoek om inzicht te krijgen op de emissies uit het veenweidegebied, het kwantificeren van het effect van emissie-reducerende maatregelen waaronder natte teelten en onderwaterdrainage, het bepalen van een goede, kosteneffectieve meetmethode om deze emissie te meten en tot slot het kunnen voorspellen van emissies door het verbeteren van de bestaande broeikas- en bodemdalingsmodellen.

  • € 0,5 mln is besteed aan een pilot met veenmosaangroei in het Ilperveld en een pilot voor het opzetten van een koolstofwaarderingssysteem in de veenweiden «Valuta voor Veen».

Al deze pilots en het onderzoek zijn in uitvoering gebracht.

61

Hoeveel geld is er in 2019 uitgegeven aan veenweideproblematiek op nationaal niveau?

Antwoord

Door het Ministerie van LNV is in 2019, € 6 mln uit de klimaatenveloppe besteed aan pilots en onderzoek (zie voor specificatie het antwoord bij vraag 60) en € 5 mln voor de regiodeal bodemdaling Groene Hart.

Door het Ministerie van I en W is in 2019 in totaal ca. 3 ton besteed aan een tiental activiteiten op het gebied van kennis en onderzoek dat te relateren is aan veenbodemdaling voor zowel landelijk als stedelijk gebied. Ruwweg 2 ton daarvan is te relateren aan bodemdaling in het landelijke veenweidegebied.

62

Is er in 2019 met deze gelden ook een rijksbreed plan voor veenweiden gerealiseerd, als een groot gedeelte van dit bedrag naar de provincies is overgeheveld?

Antwoord

Los van de inzet van € 6 mln klimaatgeld, wordt een veenplan opgesteld door de betrokken overheden. Dit naar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Kröger en Schonis over de initiatiefnota «Veen red je niet alleen» (Kamerstuk 35 140, nr. 15). In dit Veenplan 1e fase geef ik de inzet en maatregelen van de gezamenlijke partijen weer voor de komende 2 jaar (opbouwfase) richting de afspraken tot 2030 en schets ik een perspectief voor 2050.

63

Kunt u verhelderen waardoor de voorziene onderuitputting op de Rijksbegroting is veroorzaakt en is deze voorziene onderuitputting structureel en hoe is deze voorzien?

Antwoord

De begrotingsreserve Stikstof is in het najaar van 2019 ingesteld en gevuld met € 500 miljoen die kon worden vrijgemaakt uit op dat moment bekende en verwachte onderuitputting. Zoals aangegeven in antwoord op schriftelijke vragen bij de Najaarsnota 2019 (Kamerstuk 35 350, nr. 2) deed de gemelde onderuitputting bij Najaarsnota van € 238,2 miljoen euro op het deelplafond rijksbegroting zich grotendeels voor bij de departementen VWS en Financiën. De plafondtoets Rijksbegroting in de Najaarsnota en de tweede suppletoire begrotingen geven inzicht in de verdeling hiervan over de verschillende departementale begrotingen. Bij de voorbereidingen voor de begrotingen van volgend jaar en de bijstelling van de begrotingen voor het lopende jaar onderzoekt het kabinet in welke mate de onderuitputting die zich het jaar ervoor heeft voorgedaan een structureel karakter heeft. De uitkomst hiervan vindt zijn weerslag in de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. In de Kamerbrief van 25 september 2019 (Kamerstuk 35 200, nr. 33)naar aanleiding van de motie van het lid Nijboer (Kamerstuk 35 200, nr. 19) wordt beschreven hoe het kabinet binnen de begrotingssystematiek omgaat met structurele onderuitputting.

64

Welke programma’s of andere uitgaven met betrekking tot natuur, biodiversiteit en gebiedsgericht werken voor 2019 konden geen doorgang vinden vanwege de onderuitputting en waarom niet?

Antwoord

Er zijn geen programma’s of andere uitgaven voor natuur, biodiversiteit en gebiedsgericht werken die in 2019 geen doorgang konden vinden vanwege onderuitputting.

65

Kunt u een inzichtelijk overzicht (in plaats van een verwijzing naar) geven van de totale kosten van het lab Voeder en Voedselveiligheid en het lab RIKILT (over 2017 en 2018 en 2019) en de situatie na fusie met en zonder aftrek incidentele kosten en de te verwachte structurele kosten?

Antwoord

In onderstaande tabel vindt u een overzicht van de kosten van het lab Voeder- en Voedselveiligheid. Het jaar 2018 is voor de fusie; in 2019 vond per 1 juni de fusie plaats. In 2020 worden alle activiteiten uitgevoerd onder de vlag van Wageningen Food Safety Research.

Kosten LabVV (€ mln)

2017

2018

2019

2020 (raming)

Totale kosten lab VV

16,5

16,1

15,4

14,4

Eenmalige transitiekosten

   

2,9

 

Structurele overgangskosten (voor de komende jaren)

     

0,5

Totaal

16,5

16,1

18,3

14,9

66

Kunt u verhelderen waaraan de schuld buiten begrotingsverband aan het EFMZV is besteed?

Antwoord

De schuld buiten begrotingsverband Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) van € 550.000 bestaat uit het saldo van de door RVO.nl uit Brussel ontvangen bedragen en de door RVO.nl reeds bestede middelen t.b.v. de uitvoering van projecten en regelingen van het EFMZV. Dit zijn met name de regelingen Innovatie Aquacultuur, Innovatie Aanlandplicht en Samenwerkingsprojecten Wetenschap en Visserij. Het saldo van € 550.000 heeft RVO.nl nog niet uitgekeerd aan begunstigden.

67

Wat is de reden voor het geringe animo voor innovatieprojecten als onderdeel van het operationeel programma van het EFMZV?

Antwoord

In 2019 is een midterm evaluatie van het EFMZV gehouden waarin een aantal oorzaken zijn benoemd. Zo komt naar voren dat door de economische ontwikkelingen tot en met 2018 er weinig noodzaak en behoefte was vanuit de sector om te innoveren. Meer recent zijn ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening en regelgeving hierop van invloed. De deelname aan innovatieprojecten wordt daarnaast ook beïnvloed door een mogelijke inkomstenderving bij het testen van een innovatie aan boord en de verantwoordingslasten horende bij een Europese subsidie. Wel is ondanks de langzame start inmiddels vrijwel het gehele fonds gecommitteerd.

68

Kunt u aangeven wat de aanpassingen zijn voor het operationeel programma van het EFMZV?

Antwoord

In lijn met de uitkomsten van de midterm evaluatie en de regels van het EFMZV heeft er een budgetoverheveling plaatsgevonden. Zo is er budget verschoven van de unieprioriteit visserij naar controle & handhaving als onderdeel van de unieprioriteit gericht op de uitvoering van het gemeenschappelijk visserijbeleid. Ook is er budget van de unieprioriteit visserij verschoven naar de unieprioriteiten aquacultuur en afzet en verwerking.

69

Kunt u verhelderen wat er is afgesproken ter bevordering van de stabiliteit van de vismarkt?

Antwoord

De betreffende passage in het Jaarverslag maakt deel uit van een algemene beschrijving van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB). Onder het GVB valt de Gemeenschappelijke Marktordening van Visserij- en Aquacultuurproducten. Deze is vastgelegd in Verordening 1379/2013 van 11 december 2013 van het EP en de Raad, en bevat onder meer bepalingen ten aanzien van gemeenschappelijke handelsnormen, en de rol en bevoegdheden van Producenten-, en Branche-organisaties om extreme fluctuaties in aanvoer te vermijden.

De Nederlandse Producentenorganisaties (PO’s) beschrijven hiertoe onder meer in hun Productie- en Afzetprogramma’s hoe zij visserijproducten kunnen opkopen en kunnen opslaan wanneer de marktprijs onder een vastgestelde drempel-prijs komt. Deze drempelprijzen zijn in Nederland voor garnalen en voor schol ingesteld. Eventueel overaanbod van deze soorten wordt op deze wijze voor bepaalde termijn uit de markt genomen om op later moment weer afgezet te worden. Met deze opkoop zijn geen publieke middelen gemoeid; het wordt bekostigd door een heffing onder de vissers die lid zijn van de PO’s.

70

Welke duurzame maatregelen en verbeteringen in rendement zijn behaald in de visserij- en aquacultuur?

Antwoord

Binnen deze twee thema’s van het Operationeel Programma EFMZV vallen een aantal maatregelen. Zo wordt er vanuit de maatregel samenwerkingsprojecten wetenschap en visserij steun verleend aan projecten en kenniskringen, welke gericht zijn op kennisontwikkeling en -verspreiding op het gebied van verduurzaming. Het betref nog lopende innovaties op het gebied van duurzaamheid of onderzoek naar alternatieven voor de boomkorvisserij. Vanuit de maatregel toegevoegde waarde visserijproducten wordt steun verleend aan investeringen die leiden tot een verhoogd rendement, maar die in geen geval een uitbreiding van de capaciteit tot gevolg hebben. De maatregel aquacultuurinnovatie steunt projecten gericht op het verbeteren van duurzaamheid en het rendement van de aquacultuursector.

71

Hoe wordt de toegevoegde waarde of de kwaliteit van de gevangen vis verbeterd?

Antwoord

Vanuit de maatregel toegevoegde waarde worden een aantal investeringen gesteund. Het gaat om investeringen die visbederf tegengaan en daarmee een langer kwaliteitsbehoud waarborgen, of investeringen die leiden tot een verhoogd rendement door minder verlies van marktwaardige vis. Daarnaast is het mogelijk investeringen te steunen gericht op het vereenvoudigen van het verwerkingsproces of het verlagen van de productiekosten.

72

Kunt u verhelderen aan welke nieuwe visserij- en aquacultuurafzetmarkten u refereert?

Antwoord

De nieuwe afzetmarkten betreffen bijvoorbeeld nieuwe groepen consumenten voor bepaalde visserijproducten, nieuwe afzetmarkten in het buitenland of afzetmarkten buiten de humane voedingsketen gericht op verwerking van restproducten.

73

Hoeveel van de ruim 12 miljoen euro is uitgegeven aan de uitzet van glas- en pootaal, hoeveel glas- en pootalen zijn uitgezet en waar kwamen deze vandaan?

Antwoord

Van de ruim € 12 miljoen voor nieuwe overheidsopdrachten vastgelegd vanuit het EFMZV in 2019, is maximaal € 1,5 miljoen beschikbaar gesteld voor de uitzet van glas en pootaal in de periode 2017–2020. In deze periode zijn in totaal ruim 13,9 miljoen glasaaltjes en ruim 2,5 miljoen pootalen uitgezet. De glasaal die in deze periode is uitgezet, is afkomstig van riviermondingen in Frankrijk en de pootaal is afkomstig uit Nederlandse kwekerijen.

74

Wat is de effectiviteit van het programma voor glas- en pootalen en hoeveel glas- en pootaal groeien op tot volwassen alen?

Antwoord

Ik heb u eerder geïnformeerd over de effectiviteit van de uitzet van glas- en pootalen in mijn beantwoording op vragen van het lid Van Kooten-Arissen (PvdD) (Aanhangsel Handelingen II 2018/19, nr. 2356). Hierin heb ik aangegeven dat uitzet van glas- en pootaal bijdraagt aan de aalstand in de Nederlandse binnenwateren, waar deze wateren als gevolg van belemmeringen in de intrekmogelijkheden vaak niet goed bereikbaar zijn voor intrekkende jonge aal. Onzeker is wat uiteindelijk precies de bijdrage hiervan aan de totale uittrek van schieraal naar zee is. Deze bestaat immers uit aal afkomstig van uitzet en van aal afkomstig uit natuurlijke intrek. Volgens ICES zijn er echter voldoende aanwijzingen dat uitzet van jonge aal bijdraagt aan het aalbestand en aan de uittrek van schieraal2. Van de overlevingspercentages van uitgezette glas- en pootaal en de mate waarin deze uiteindelijk opgroeien tot volwassen alen zijn geen wetenschappelijk overlevingspercentages bekend. Eerder onderzoek van de Stichting Duurzame Palingsector Nederland op proefvijvers in Valkenswaard liet echter zien dat na 1 seizoen 90% van alle uitgezette glasaal onder natuurlijke omstandigheden, zonder predatie nog in leven is3. Voor pootaal was dit meer dan 90%.

75

Kunt u een toelichting geven op de percentages afgehandelde burgerbrieven onder «bezwaarschriften», «klaagschriften», «overige brieven en e-mails» en «WOB-verzoeken»?

Antwoord

Het percentage afgehandelde vragen binnen de categorie «overige brieven en e-mails» binnen de gestelde wettelijke termijn is gegroeid van 77% naar 80%. Op dit punt slaagt LNV er steeds beter in burgerbrieven binnen de gestelde termijnen van een antwoord te voorzien. Ook op het onderdeel bezwaarschriften wordt over het algemeen beter gescoord. Bij klaagschriften is het percentage verbeterd of redelijk stabiel voor kerndepartement en RVO, ondanks een grote toename in het aantal af te handelen klaagschriften. De eerder aangeleverde cijfers bleken op dit punt voor de NVWA niet correct. De NVWA heeft in 2019 68% van de klaagschriften binnen de termijn is beantwoord. Een verbetering ten opzichte van 2018, toen 53% tijdig werd beantwoord. Om de tijdigheid verder te verbeteren wordt hier extra inzet op gepleegd.

Dit lukt helaas niet op alle vlakken. Wob-verzoeken zijn over de hele linie minder tijdig beantwoord. Het aantal, de omvang en de complexiteit van Wob-verzoeken neemt nog steeds toe. Om de tijdigheid en kwaliteit van de beantwoording te borgen is bijvoorbeeld bij het Kerndepartement een centrale Wob-ondersteuningsunit opgericht met extra capaciteit, werkt RVO doorlopend aan versterken van expertise en optimaliseren van de beantwoording en is ook bij de NVWA de capaciteit uitgebreid.

76

Waarom worden bij de RVO en de NVWA overige brieven en e-mails niet geregistreerd?

Antwoord

RVO en NVWA ontvangen als uitvoerende en handhavende dienst elke dag vele berichten, zowel schriftelijk als telefonisch. Van al deze binnengekomen berichten worden de eerstelijns zaken, dit zijn mails en brieven die via de klantcontactcentra binnenkomen, geregistreerd. RVO ontving in 2019 ruim 16.000 mails en brieven. De NVWA rapporteert over de door het klantcontactcentrum geregistreerde berichten in haar jaarverslag dat binnenkort wordt gepubliceerd.