Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2019-202027858 nr. 487

27 858 Gewasbeschermingsbeleid

Nr. 487 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 25 oktober 2019

Ik informeer u hierbij over de stand van zaken van een aantal onderwerpen op het gebied van gewasbescherming.

Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030

Graag informeer ik uw Kamer over de voortgang van het op te stellen uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, naar weerbare planten en teeltsystemen. De afgelopen zomer is door de betrokken partijen1 onder regie van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) met veel commitment gewerkt aan de invulling van een uitvoeringsprogramma. De inzet was om na het zomerreces het uitvoeringsprogramma gereed te hebben. Het blijkt echter dat meer tijd nodig is om tot een voldoende samenhangend en gedragen programma te komen, waarmee de omslag die in de Toekomstvisie is neergezet ook echt zal worden bereikt. De diverse betrokken stakeholders hebben mij hier om verzocht, waarbij uitdrukkelijk is aangegeven dat de ambities uit de toekomstvisie niet ter discussie staan maar dat meer tijd nodig is om tot een gedegen uitvoeringsprogramma te komen waarmee de omslag op het gebied van gewasbescherming ook echt gerealiseerd gaat worden. Ik vind het belangrijk om hierin te voorzien. In het eerste kwartaal 2020 stuur ik het uitvoeringsprogramma naar uw Kamer. Met de motie van het lid Futselaar heeft uw Kamer mij verzocht tussendoelen te stellen voor de beperking van gewasbeschermingsmiddelen die op bepaalde momenten richting 2030 moeten gehaald (Kamerstuk 27 858, nr. 474). Deze wordt meegenomen in het uitvoeringsprogramma.

Glyfosaat

Met de motie van het lid De Groot (Kamerstuk 27 858, nr. 463) heeft uw Kamer de regering verzocht om, als onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, met de sector afspraken te maken over het zo spoedig mogelijk beëindigen van het gebruik van glyfosaathoudende middelen voor het resetten van grasland, kalenderspuiten, en pre-harvestbehandeling.

Op grond van de uitvoeringsverordening (EU) 2017/2324 worden werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen alleen toegelaten als uit wetenschappelijke beoordeling blijkt dat deze veilig gebruikt kunnen worden voor mens, dier en milieu. Eind 2017 is de werkzame stof glyfosaat goedgekeurd voor het gebruik als herbicide voor een periode van vijf jaar. Een consortium van vier bevoegde autoriteiten zal de komende herbeoordeling van de werkzame stof glyfosaat op zich nemen, zodat eind 2022 een besluit kan worden genomen over het al dan niet hernieuwen van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat. Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomst van de herbeoordeling, maar er bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de goedkeuring van de werkzame stof eind 2022 niet wordt hernieuwd. Ik vind het mede daarom van belang dat het gebruik van glyfosaathoudende middelen nu al wordt teruggedrongen. Dit is voor mij een belangrijk uitgangspunt bij de uitvoering van de motie De Groot.

Kalenderspuiten bij glyfosaat

Onder kalenderspuiten wordt verstaan het regelmatig preventief op een vast moment gebruiken van een gewasbeschermingsmiddel om te voorkomen dat een plaag, ziekte of onkruid zich ontwikkelt. Ik onderschrijf de opvatting in de motie de Groot dat dit een onwenselijke toepassing van glyfosaat zou zijn. Ik heb dit besproken met het Ctgb en de sectorpartijen en hieruit is gebleken dat glyfosaat niet preventief wordt toegepast. Het werkt systemisch (moet worden opgenomen door de plant) en wordt uitsluitend ingezet indien het onkruid al aanwezig is. Het kan dus niet voorkómen dat onkruid zich ontwikkelt. Kalenderspuiten met glyfosaat is dan ook niet een toepassing die zich voordoet.

Voor-oogsttoepassingen («pre-harvest») glyfosaat worden verboden

Het Ctgb heeft mij geïnformeerd over een principebesluit dat het College heeft genomen over voor-oogsttoepassingen. Dit vooruitlopend op besluitvorming over de herbeoordeling van individuele middelen. Dit principebesluit geldt als uitgangspunt voor die herbeoordeling van glyfosaathoudende middelen2.

Onder voor-oogsttoepassingen wordt verstaan een toepassing kort voor de oogst van het gewas. Op grond van de EU-uitvoeringsverordening 2017/2324 zijn alleen herbicidetoepassingen van glyfosaat toelaatbaar. Op basis van een advies van de NVWA concludeert het Ctgb dat een aantal volveldstoepassingen kort voor de oogst wordt ingezet voor een uniforme afrijping van het gewas en niet als herbicidetoepassing. Deze toepassingen zijn in strijd met de EU-uitvoeringsverordening en het Ctgb acht dit type toepassingen dan ook niet meer toelaatbaar. Pleksgewijze toepassing (maximaal 10% van het perceel) kort voor de oogst is op grond van de teeltpraktijk wel te verdedigen als lokale onkruidbestrijding (herbicidetoepassing) en vanuit dat oogpunt zijn er dus geen bezwaren tegen een toelating, mits uit de herbeoordeling blijkt dat een dergelijke toepassing veilig is voor mens, dier en milieu.

Gebruik van glyfosaat voor het behandelen van onkruiden, vanggewassen en groenbemesters: nee, tenzij

Glyfosaathoudende middelen zijn toegelaten voor het bestrijden van onkruiden en voor het vernietigen van ongewenste planten of delen van planten (zoals groenbemesters en vanggewassen). Groenbemesters en vanggewassen hebben verschillende functies, bijvoorbeeld het verbeteren van de bodemkwaliteit, het beheersten van ziekten, plagen en onkruiden en het voorkomen van uitspoeling van nutriënten. De groenbemesters en vanggewassen worden op een bepaald moment bewerkt/ ingewerkt om ruimte te bieden aan een volggewas. Het bewerken/ inwerken kan op verschillende manieren plaatsvinden via ploegen, maaien/ klepelen en via het toepassen van glyfosaathoudende middelen.

Mijn inzet is om het gebruik van glyfosaathoudende middelen in het bestrijden van onkruiden, graslandbeheer en het behandelen van groenbemesters en vanggewassen drastisch te verminderen. Leidend daarbij zijn de principes van geïntegreerde gewasbescherming (Lees: IPM). Voor het inzetten van glyfosaat wordt een IPM-stappenplan ontwikkeld met een beslisboom voor het bestrijden van onkruiden, graslandbeheer en het behandelen van groenbemesters en vanggewassen. Niet-chemische maatregelen en pleksgewijze toepassing staan daarbij voorop. Zeker voor de onkruidbestrijding in grasland kan pleksgewijze behandeling het zogenaamd «resetten» van grasland voorkomen en volveldse toepassing van glyfosaat beperken tot de uiterste gevallen. Ik zet in op het opstellen van de IPM-stappenplannen door een inventarisatie van chemische en niet-chemische alternatieve maatregelen voor het gebruik van glyfosaat. Tevens wordt de milieu-impact van deze alternatieven in kaart gebracht. Deze milieu-impact wordt meegenomen bij het opstellen van de IPM-stappenplannen. Dit plan moet gereed en beschikbaar zijn voor telers in het eerste kwartaal van 2020. Dit betekent dat vanaf dan een «nee, tenzij»-beleid gaat gelden voor glyfosaatgebruik. Met het doorlopen van het IPM-stappenplan worden glyfosaathoudende middelen niet gebruikt, tenzij er geen alternatief beschikbaar is met een kleinere milieu-impact.

Het IPM-stappenplan voor het inzetten van glyfosaat wordt onderdeel van het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Het stappenplan is gebaseerd op de momenteel beschikbare kennis, en zal jaarlijks worden geëvalueerd. Ik ondersteun dit door jaarlijks de inventarisatie van chemische en niet-chemische alternatieven te actualiseren. Ik zal gezamenlijk met de sector een communicatiecampagne starten met als doel dat de IPM-stappenplannen worden toegepast door de telers, zodat het gebruik van deze plannen kan leiden tot het verminderen van het gebruik van glyfosaathoudende middelen.

Het IPM-stappenplan glyfosaatgebruik moet op termijn onderdeel worden van een integraal IPM-stappenplan waarin ook andere gewasbeschermingsmiddelen worden meegenomen.

Overige inperkingen van het gebruik van glyfosaat

Uit monitoringsdata over reeksen van jaren is gebleken dat de kwaliteit van het oppervlaktewater in het stroomgebied van de Maas op diverse meetpunten in de nabijheid van drinkwaterinnamepunten voor wat betreft glyfosaat niet voldoet aan de drinkwaternorm. De norm wordt al bij binnenkomst van de Maas in Nederland overschreden, maar het Nederlands gebruik draagt eveneens bij aan de normoverschrijdingen verderop in het stroomgebied. De mate van overschrijding neemt stroomafwaarts af en sinds enkele jaren is een licht dalende trend zichtbaar. De toetsconcentratie blijft vooralsnog echter boven de drinkwaternorm. Het Ctgb heeft daarom het principebesluit genomen een gebiedsbeperkende maatregel te gaan stellen voor het gebruik van glyfosaat in het Maasstroomgebied. Door de toepassing op alle gesloten en half-open verhardingen in het stroomgebied van de Maas niet toe te laten, zal de bijdrage van het Nederlands gebruik aan de normoverschrijdingen van glyfosaat verminderen en zullen deze naar verwachting dalen. Het kabinet zal hierover ook met België in overleg treden. Ik verwijs u voor meer informatie door naar het principebesluit van het Ctgb.

Internationale ontwikkelingen glyfosaat

Ik heb in het VAO over gewasbeschermingsmiddelen op 3 juli 2019 (Handelingen II 2018/19, nr. 101, item 7) toegezegd uw Kamer te informeren over de wijze waarop Oostenrijk een nationaal verbod op glyfosaat geregeld heeft. De vorige regering van Oostenrijk heeft opdracht gegeven voor een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheid om glyfosaathoudende middelen te verbieden in Oostenrijk en de mogelijke gevolgen van zo’n verbod voor de Oostenrijkse landbouw. De resultaten van dit onderzoek komen er in het kort op neer dat het niet mogelijk is om glyfosaathoudende middelen zonder meer te verbieden in Oostenrijk en dat glyfosaathoudende middelen van groot belang zijn voor de Oostenrijkse landbouw3. Het Oostenrijkse parlement heeft desalniettemin het initiatief genomen om een wetsvoorstel te formuleren voor het verbieden van het op de markt brengen van glyfosaathoudende middelen in Oostenrijk. Dit wetsvoorstel is op 2 juli 2019 aangenomen4. De nieuwe regering van Oostenrijk zal zich hierop beraden.

In recente mediaberichten kwam naar voren dat Duitsland voornemens is tussen 2020 en 2023 het gebruik van glyfosaathoudende middelen met 75% te laten dalen via een verbod op het gebruik in huistuinen, groentetuinen en parken. In Nederland geldt reeds een verbod op professioneel gebruik buiten de landbouw. Daarnaast heeft Duitsland het voornemen om tussen 2020 en 2023 het gebruik binnen de landbouw voor de oogst te verbieden en om glyfosaat per 2023 ook in de landbouw te verbieden. Dit laatste voornemen is gebaseerd op de mogelijke niet-verlenging van de Europese goedkeuring van glyfosaat in 2022, waardoor er vervolgens geen nationale toelatingen meer kunnen worden vergeven. Dit betekent dat het Duitse voornemen op dit punt afhankelijk is van de uitkomst van de wetenschappelijke herbeoordeling. Uiteraard geldt ook voor Nederland en alle andere lidstaten dat, indien op basis van de herbeoordeling op Europees niveau wordt besloten de goedkeuring van glyfosaat als werkzame stof niet te verlengen, ook nationale toelatingen van glyfosaathoudende middelen zullen worden beëindigd.

Omwonenden

Ik stuur u hierbij het rapport «Uitgesproken»5. De provincies Drenthe en Overijssel, de Vereniging Drentse Gemeenten (VDG) en het Ministerie van LNV hebben gezamenlijk opdracht gegeven voor dit verkennend onderzoek om beter inzicht te krijgen in de problematiek rond het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de zorgen daarover van omwonenden. De onderzoekers hebben gesprekken gevoerd met telers, omwonenden en organisaties. De titel van het rapport is verschillend uitlegbaar, maar betekent voor mij dat wij nog niet zijn uitgesproken. De uitkomsten bevatten handvatten voor een vervolg. Op 11 oktober jl. heeft een bestuurlijk overleg plaatsgevonden met de beide provincies, VDG en LNV, waarbij is afgesproken om op korte termijn gezamenlijk invulling te geven aan het vervolg met een gebiedsgerichte aanpak. Zoals ik ook aangaf in mijn brief van 7 oktober jl. hecht ik extra aan het concretiseren van gebiedsgerichte pilots om te komen tot concrete maatwerkoplossingen op lokaal niveau, omdat mij uit een juridische verkenning is gebleken dat het ten algemene instellen van spuitvrije zones, een van de elementen uit het rapport «Uitgesproken» moeilijk te realiseren is (Kamerstuk 27 858, nr. 484). Bij een gebiedsgerichte aanpak zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan initiatieven om telers te stimuleren perceel(akker)randen anders in te richten en/of zoveel mogelijk te vrijwaren van bespuitingen met gewasbeschermingsmiddelen, of aan versnelde implementatie van technieken om emissies bij de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. De provincie en de VDG hebben de regie, dat ik zal faciliteren ingebed in het uitvoeringsprogramma van de Toekomstvisie gewasbescherming 2030, naar weerbare planten en teeltsystemen en nagenoeg zonder emissies. Bovenstaande laat onverlet dat ik de aanbevelingen uit het rapport «Uitgesproken» waar gesproken wordt over de inzet van het Rijk, zoals aandacht voor cumulatieve effecten en laag risico middelen, ter harte neem en waar mogelijk mee zal nemen in het uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030.

Bijenrichtsnoer

Woensdag 23 oktober 2019 heeft het Europees Parlement (EP) een voorstel afgewezen tot wijziging van de Uniforme Beginselen, waarmee grenswaarden uit het EFSA bijenrichtsnoer zouden worden opgenomen in regelgeving. Het betreft het voorstel dat eerder voorlag in het SCoPAFF van juli 2019 en waarover ik uw Kamer heb geïnformeerd. Ook heb ik uw Kamer geïnformeerd dat dit voorstel nog voor bekrachtiging aan Raad en EP zou worden voorgelegd. Ik betreur het besluit omdat dit betekent dat deze eerste stap tot een betere bescherming van de gezondheid van de honingbij niet geïmplementeerd kan worden.

De Europese Commissie zal zich nu moeten beraden op een nieuw voorstel. Het is onbekend wanneer een nieuw voorstel te verwachten is en hoe dat voorstel er uit zal komen te zien. Ik zal de Europese Commissie verzoeken om snel met een nieuw voorstel te komen. Echter, een vertraging van een jaar is niet uitgesloten, gezien de hernieuwde discussie die tussen lidstaten zal moeten worden opgestart en de formele procedures die moeten worden gevolgd bij een dergelijke wijziging van regelgeving. Zodra de Europese Commissie een concreet eindvoorstel voorlegt aan de lidstaten, zal ik u informeren over het voorgenomen Nederlandse standpunt. De EC had eerder het streven om in het SCoPAFF van december 2019 een voorstel voor een gefaseerd implementatieplan aan de lidstaten voor te leggen. Dat is nu erg onzeker geworden.

Het EP-besluit kan ertoe leiden dat de procedure om tot een nieuw voorstel te komen, ongeveer net zo veel tijd kan vergen als de herziening van het bijenrichtsnoer waar EFSA nu aan werkt en waarmee de bescherming van de gezondheid van de honingbij nog verder verbeterd kan worden, evenals de bescherming van wilde bijen en hommels. In de tussentijd kan nu echter geen gebruik worden gemaakt van in regelgeving vastgelegde grenswaarden uit het bijenrichtsnoer. Dat verzwakt de positie van risico beoordelende instanties om de bescherming van de gezondheid van de honingbij te verbeteren.

Ik verwacht overigens wel dat EFSA verder gaat met de herziening van het bijenrichtsnoer om invulling te geven aan het mandaat van de Europese Commissie. Op 7 oktober heb ik u geïnformeerd over het plan van aanpak van EFSA tot herziening van het bijenrichtsnoer en het EFSA-verzoek uit september aan het Ctgb (en andere risicobeoordelende instanties van de EU-lidstaten) om schriftelijk te reageren op de onderdelen waar de Europese Commissie om herziening had gevraagd (Kamerstuk 27 858, nr. 484). De risicobeoordelende instanties in lidstaten zijn inmiddels door EFSA wederom verzocht te reageren. In dit geval zijn zij gevraagd om te reageren op de methodiek die nodig is om de achtergrondsterfte van bijen en hommels te kunnen bepalen. Het Ctgb heeft inmiddels een gecombineerde reactie van Ctgb, WUR en RIVM toegestuurd aan EFSA en deze wordt wederom op de website van het Ctgb geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C.J. Schouten


X Noot
1

Agrodis, Artemis, Ctgb, Cumela, Fedecom, LTO Nederland, Natuur en Milieu, Nefyto, NVWA, Plantum, UvW, VEWIN en I&W

X Noot
2

Voor het volledige besluit zie website Ctgb:.

https://www.ctgb.nl/documenten/brieven/2019/10/10/herbeoordeling-glyfosaatmiddelen.

X Noot
5

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.