34 000 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2015

Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

A.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET WETSVOORSTEL

2

     

B.

BEGROTINGSTOELICHTING

3

     

1)

Leeswijzer

3

     

2)

Beleidsagenda

6

     
 

Tabel beleidsdoorlichtingen

16

     
 

Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar

18

     
 

Garantieoverzicht

20

     

3)

Artikelen

27

 

• Artikel 1. Duurzame handel en investeringen

27

 

• Artikel 2. Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

37

 

• Artikel 3. Sociale vooruitgang

44

 

• Artikel 4. Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

50

 

• Artikel 5. Versterkte kaders voor ontwikkeling

55

     

BIJLAGEN

 

1. Verdiepingshoofdstuk

60

 

2. Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2013/2014

63

 

3. Subsidieoverzicht

81

 

4. Evaluatie- en onderzoeksoverzicht

90

 

5. Lijst van afkortingen

93

A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETVOORSTEL

Wetsartikel 1

De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaat van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2015 vast te stellen.

Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten vormen samen de Rijksbegroting voor het jaar 2015. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2015.

Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2015 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting).

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.M.J. Ploumen

B. BEGROTINGSTOELICHTING

1. LEESWIJZER

Deze leeswijzer gaat in op de totstandkoming van de nieuwe begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de opbouw van de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de overige onderdelen van de begroting.

Algemeen

Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, alsmede de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied (Bonaire, Sint Eustasius en Saba). Waar deze begroting spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking.

Voor de uitvoering van het programma maakt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Groeiparagraaf

Op 20 april 2011 is de aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam verantwoord begroten in de Tweede Kamer behandeld. De nieuwe presentatie geeft meer inzicht in de financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de Minister en laat een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma zien. In deze begroting zijn alle begrotingsartikelen ingevuld volgens de nieuwe voorschriften, inclusief de aanpassing van de tabel Budgettaire gevolgen van beleid.

Open data/transparancy

Nederland heeft zich met 56 andere landen aangesloten bij het Open Government Partnership en het Internationale Aid Transparancy Initiative (IATI). Het toegankelijk maken en beschikbaar stellen van informatie horen daarbij. Sinds 2012 publiceert het Ministerie van Buitenlandse Zaken periodiek actuele gegevens over ontwikkelingssamenwerking. Met deze open data kunnen toepassingen of apps worden ontwikkeld. Overheden, hulporganisaties en burgers kunnen met deze apps snel zien hoeveel Nederland aan hulp besteedt in een land of aan een project. Daarnaast is in dit kader een webpagina gelanceerd waarmee inzicht wordt gegeven in de budgetten en activiteiten voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Beleidsagenda

De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van het kabinet. De beleidsagenda wordt afgesloten met een overzichtstabel van de beleidsdoorlichtingen, de belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van de Ontwerpbegroting van 2014 en het garantieoverzicht.

Beleidsartikelen

De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het buitenlandse handel- en ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van het kabinet. In de beleidsartikelen staat de financiële en beleidsinformatie over de voorgenomen uitgaven. Met verantwoord begroten wordt niet langer gewerkt met operationele doelstellingen. De financiële instrumenten zijn geclusterd naar artikelonderdelen. De indeling per beleidsartikel is als volgt.

A: Algemene doelstelling

Elk beleidsartikel begint met de algemene doelstelling (titel van het beleidsartikel).

B: Rol en verantwoordelijkheid

De rol en de verantwoordelijkheid van de Minister wordt beschreven aan de hand van de volgende categorieën: stimuleren, financieren, regisseren en uitvoeren.

Volgens het uitgangspunt van verantwoord begroten zijn er alleen kwantitatieve indicatoren bij resultaatverantwoordelijkheid. Op de beleidsterreinen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de Minister een stimulerende, faciliterende of regisserende rol en slechts in sommige gevallen een uitvoerende rol. De mogelijkheden voor kwantitatieve effectmeting voor de meeste beleidsterreinen van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zijn dan ook beperkt. Kenmerkend is de internationale context waarin veel spelers en factoren de doelbereiking beïnvloeden. Vaak is er een gezamenlijke inspanning waarbij het weinig zinvol is (een deel van) de resultaten toe te rekenen aan Nederland, dat een deel van de input heeft verzorgd. In artikel 1 is één indicator opgenomen voor het instrument Partners for International Business (PIB), die inzicht geeft in het bereiken van het specifieke resultaat van dit instrument.

C: Beleidswijzigingen

Dit is een overzicht van belangrijke wijzigingen als gevolg van nieuw Kabinetsbeleid, evaluatie of voortschrijdend inzicht. Daar waar sprake is van beleidswijzigingen die in beleidsnotities zijn verschenen, is verwezen naar de betreffende notitie met het kamerstuk.

D1: Tabel Budgettaire gevolgen van beleid

In het kader van «verantwoord begroten» wordt rijksbreed de financiële inzet op instrumentniveau gepresenteerd. De financiële instrumenten zijn onderverdeeld naar onder andere de volgende categorieën: subsidies, leningen, garanties, bijdragenovereenkomsten, opdrachten, bijdragen aan baten-lastendiensten en bijdragen aan (inter)nationale organisaties.

Dat betekent dat er geen uitputtende opsomming is van de financiële instrumenten per artikelonderdeel. In sommige gevallen zijn de instrumenten nog niet bekend, omdat de programma’s na het verschijnen van de begroting worden gestart en dan duidelijk wordt via welk instrument financiering plaats vindt. De instrumenten worden alleen voor het lopende begrotingsjaar opgenomen. Voor het overzicht van de financiële instrumenten is met ingang van dit jaar een directe aansluiting gezocht met de interne ramingssystematiek. Hierdoor is het gedurende het jaar beter mogelijk om de mutaties bij de tussentijdse begrotingsmomenten weer te geven.

D2: Budgetflexibiliteit

Op artikelniveau wordt aangegeven welk percentage van de begroting juridisch is vastgelegd. Als onderdeel van verantwoord begroten wordt alleen de juridische verplichting voor het begrotingsjaar opgenomen. In dit onderdeel wordt, indien nodig, een kwantitatieve toelichting gegeven.

E: Toelichting op de instrumenten

Hierin wordt per artikelonderdeel inzicht geboden in de financiële instrumenten, zoals in de tabel onder D zijn opgenomen.

Overige onderdelen van de begroting

Na de vijf beleidsartikelen volgen vijf bijlagen: het verdiepingshoofdstuk geeft informatie over de budgettaire begrotingsaansluiting tussen de begroting van 2014 en de begroting van 2015, de lijst met moties en toezeggingen aan de Kamer, het subsidieoverzicht, de evaluatie- en onderzoekstabel en de lijst met afkortingen.

De relatie met de HGIS-nota

De HGIS omvat naast de uitgaven van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ook buitenlanduitgaven van de andere ministeries. Deze bundeling bevordert de samenhang en samenwerking die voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid van belang zijn. De HGIS-nota bevat een overzicht van de belangrijkste programma’s en uitgaven voor het buitenlandbeleid, waaronder een overzicht van de begrotingsontwikkelingen binnen de HGIS en bijlagen die alle buitenlanduitgaven overzichtelijk presenteren, zoals een totaaloverzicht van de buitenlanduitgaven die als officiële ontwikkelingshulp (ODA) kwalificeren.

In de HGIS-nota wordt op hoofdlijnen inzicht gegeven in de internationale klimaatfinanciering 2015.

2. BELEIDSAGENDA

Hulp, handel en investeringen in een veranderend speelveld

Het karakter van de mondiale economie verandert. Landen raken tot op het bedrijfsniveau verweven met elkaar door de vorming van mondiale waardeketens. De wereldhandel, die tot de jaren negentig vooral uit eindproducten bestond, bestaat tegenwoordig ook uit intermediaire goederen, diensten en kennis en valt samen met buitenlandse directe investeringen. De vooruitgang in informatie- en communicatietechnologie en de afbouw van handelsbarrières stelt bedrijven in staat zich te specialiseren in onderdelen van het productieproces en om per onderdeel de meest gunstige productielocatie te zoeken. Op die manier kunnen bedrijven hun concurrentiekracht versterken, ook het midden- en kleinbedrijf, door slim gebruik te maken van de eigen expertise én van de beste productiefactoren die in het buitenland beschikbaar zijn.

Lage- en middeninkomenslanden kunnen door de vorming van mondiale waardeketens gemakkelijker profiteren van de wereldhandel. Het is niet langer nodig een hele industrie op te zetten. Met het ontplooien van een aantal activiteiten kan een land participeren in de wereldhandel en vanuit die basis zich verder ontwikkelen. Via de aansluiting op mondiale waardeketens heeft het land betere toegang tot buitenlandse kennis, technologie, kapitaalgoederen en halffabricaten die gebruikt kunnen worden voor de binnenlandse productie. Op die manier komen er in de hele wereld snel nieuwe zakenpartners, afzetmarkten én concurrenten bij. Het speelveld van internationale concurrentie is veranderd, zowel in het Noorden als het Zuiden. Het gaat niet meer zozeer om wat je verkoopt, maar om wat je doet.

Veel lage- en middeninkomenslanden in Afrika, Latijns-Amerika en Azië ontwikkelen zich snel. De positieve wisselwerking tussen buitenlandse handel en investeringen, welvaartsverhoging en duurzame en inclusieve groei biedt perspectief op stabiele vooruitgang in zuidelijke regio’s, die ook onderling steeds meer verbonden raken. Het aandeel van lage- en middeninkomenslanden in de wereldhandel is sterk toegenomen en de opkomende markten vormden een drijvende kracht achter het snelle herstel van de wereldhandel, die in 2009 scherp afnam. Deze integratie van opkomende landen in modiale waardeketens biedt veel potentie voor verdere groei en diversifiëring van de economie. De toenemende verwevenheid van economieën betekent ook dat internationale economische betrekkingen complexer worden en dat externe schokken sneller gevoeld worden. Het meest acute voorbeeld hiervan vormt de relatie tussen de EU en Rusland die door de crisis in Oekraïne snel is verslechterd. De over en weer ingestelde sancties raken Nederlandse bedrijven. Het is van groot belang dat zij nieuwe afzetmarkten vinden voor hun producten. Goede internationale relaties helpen bij het verkennen van nieuwe markten. Ook de Nederlandse overheid ondersteunt bedrijven daarin.

Het vermogen om adequaat in te spelen op veranderingen is ook voor lage- en middeninkomenslanden essentieel. De groeiverwachtingen van bijvoorbeeld landen als China, Brazilië en Zuid-Afrika zijn, hoewel nog steeds aanzienlijk, naar beneden bijgesteld. Deze landen staan voor de opgave om structurele hervormingen door te voeren om zich te kunnen blijven ontwikkelen en het transitieproces naar een pad van duurzame en inclusieve groei in goede banen te leiden.

De sociale en economische ontwikkeling in veel delen van de wereld zorgt voor snelle afname van het aantal mensen dat in extreme armoede leeft. Tegelijkertijd zien we armoedepatronen veranderen: armoede komt niet alleen voor in lage inkomenslanden. Sterker nog, de meeste armen wonen tegenwoordig in middeninkomenslanden. Zij kunnen om verschillende redenen onvoldoende profiteren van de toenemende welvaart. Dat kan bijvoorbeeld zijn doordat er maar beperkte werkgelegenheid voor hen ontstaat of omdat, soms op basis van afkomst of gender, niet iedereen effectief toegang heeft tot de arbeidsmarkt of tot financiering. Daarbij is grote inkomensongelijkheid een potentiële bron van sociale onrust. Dit vraagt om speciale aandacht voor de allerarmsten en voor inclusieve groei. Lokale effecten van mondiale vraagstukken zoals klimaatverandering, wat een groot direct effect op voedsel- en waterzekerheid kan hebben, bieden bovendien aanleiding tot gezamenlijke actie van bedrijven, lokale gemeenschappen, overheden en van de internationale gemeenschap om duurzaamheid te verbeteren. Speciale aandacht is er ook voor de recente brandhaarden en humanitaire crises in o.a. Irak, Gaza, Zuid-Soedan, de Centraal Afrikaanse Republiek en Syrië. Goede internationale relaties zijn ook hier van groot belang aangezien een gezamenlijke aanpak nodig is om noden te kunnen verlichten en escalatie te voorkomen. Ten slotte is er een aantal landen en regio’s zoals Mali of Zuid-Soedan waar de randvoorwaarden voor groei en ontwikkeling, in het bijzonder veiligheid en effectieve rechtsorde, onder druk staan.

De huidige sterke positie van Nederland in de wereld is niet vanzelfsprekend: er is een groot adaptief vermogen nodig om de voelbare en toekomstige effecten van veranderingen buiten onze grenzen op te vangen, daar op in te spelen en om kansen te benutten. Nederland is een open land, een handelsland en een land dat met bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties internationaal voorop loopt bij de aanpak van een aantal mondiale vraagstukken. Bijvoorbeeld op de speerpunten water, voedselzekerheid, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), veiligheid en rechtsorde heeft Nederland veel kennis en ervaring te bieden en zet die ook gericht in als investering in ontwikkeling. De goede reputatie die Nederland onder andere via de hulprelaties heeft opgebouwd als partner voor ontwikkeling, biedt een vertrekpunt voor gelijkwaardige zakelijke relaties met opkomende landen. Hoewel de Europese Unie onze belangrijkste handelspartner en afzetmarkt is, is onze aansluiting op die opkomende landen zowel zakelijk als politiek heel belangrijk. Niet alleen vindt daar de groei plaats in de komende jaren, ook op het internationale (handels)politieke terrein weegt hun stem steeds zwaarder. Daarom moet Nederland een agenda voeren gericht op versterking van het Nederlands verdienvermogen en zich internationaal sterk blijven maken voor de positie van lage- en middeninkomenslanden en zich een goede partner tonen in ontwikkelingssamenwerking die solidair blijft met de allerarmsten. Om Nederland op die manier te positioneren is een moderne en efficiënte netwerkorganisatie vereist, zowel in Den Haag als op de posten. In de begroting van Buitenlandse Zaken (hoofdstuk V Rijksbegroting) worden de doelen en uitgangspunten van het moderniseringstraject van de diplomatie verder toegelicht.

Hieronder wordt nader ingegaan op de accenten in het begrotingsjaar 2015. De begrotingen van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking dienen in nauwe samenhang te worden bezien. Daarnaast komt de inzet op het Nederlands buitenlandbeleid tot uitdrukking in de Homogene Groep Internationale Samenwerking, die de onderlinge samenhang illustreert en de samenwerking en afstemming tussen de betrokken ministeries bevordert.

De agenda voor hulp, handel en investeringen

Het veranderde internationale speelveld maakt dat hulp en handel steeds meer samengaan en elkaar versterken. Zo is markttoegang pas effectief als er ook gewerkt wordt aan handelsfacilitatie. Zo kan de handel in natuurlijke grondstoffen en mineralen een belangrijke stimulans zijn voor de economie, maar dat moet wel op een duurzame en inclusieve manier gebeuren. Economische vooruitgang is nodig, maar mag niet ten koste gaan van mens en milieu. Ontwikkelingsdoelen blijven onverminderd belangrijk. De klassieke handelsagenda en de ontwikkelingsagenda moeten samenkomen enerzijds omdat ze elkaar versterken, en anderzijds om tijdig goede afwegingen te kunnen maken wanneer belangen botsen. Dat is de leidraad van waaruit beleidscoherentie voor buitenlandse handel en voor ontwikkelingssamenwerking wordt vormgegeven. Het gaat hierbij niet alleen om vooraf bij beleid te letten op de implicaties voor ontwikkelingslanden, maar ook om de effecten van het beleid achteraf. Zo voert Nederland een coherentiecheck uit op Europees beleid en moedigt Nederland de EU aan om de EU impact assessments te herzien door (niet-hulp) beleid ex ante te screenen op mogelijke gevolgen voor de relaties met derde landen. Daarnaast dienen de coherentiepilots die uitgevoerd zijn in Ghana en Bangladesh als aanleiding en voorbeeld om nog sterker in te zetten op coherentie van beleid. Door het combineren van buitenlandse handel en investeringen met ontwikkelingssamenwerking in één portefeuille, is Nederland in een goede positie om lastige thema’s op te pakken. Dit komt bijvoorbeeld concreet tot uiting in de onderhandelingen over TTIP en de EPA’s, en de inzet op de herziening van belastingverdragen met ontwikkelingslanden. Daarin loopt Nederland internationaal voorop. De integrale benadering van ontwikkeling en handels- en investeringsbevordering die centraal staat in de BHOS-agenda wordt door onze internationale partners goed ontvangen en staat ook sterk in de belangstelling van andere landen, zoals Canada en Denemarken.

In de BHOS-agenda zijn drie doelen centraal gesteld, zoals vastgelegd in de beleidsnota Wat de wereld verdient. Ten eerste zet Nederland zich in om extreme armoede binnen één generatie uit te bannen (getting to zero) en richt zich daarbij o.a. op de speerpunten water, voedselzekerheid, vrouwenrechten en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en veiligheid en rechtsorde. Deze speerpunten zijn onder meer verankerd in de Meerjarige Strategische Plannen (2014–2017) voor de partnerlanden. Ten tweede dragen we zoveel mogelijk bij aan duurzame en inclusieve groei overal ter wereld. Ten derde zetten we ons in voor succes van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in het buitenland.

Dat is een ambitieuze agenda waarin we telkens moeten afwegen waar Nederland op kan inzetten om met beperkte middelen een zo groot mogelijk positief effect te sorteren. Daarbij werkt de overheid in Den Haag en op de posten zoveel mogelijk strategisch samen met het bedrijfsleven, het maatschappelijk middenveld, kennisinstellingen en initiatieven van andere overheden en multilaterale organisaties die alle vanuit hun ervaring en expertise een relevante bijdrage kunnen leveren aan ontwikkelingsdoelen door complementair op te trekken. Deze strategische gezamenlijke aanpak geeft meer slagkracht. Een mooi voorbeeld is het publiek-privaat partnerschap Initiatief Duurzame Handel (IDH) waar Nederland bijdraagt aan de verduurzaming van internationale handels- en productieketens, met aandacht voor mens, milieu en economie in ontwikkelingslanden. Het doel is het bereiken van markttransformatie van deze ketens, voornamelijk door duurzame grondstoffen als pre-competitief te zien, waardoor bedrijven, NGO’s, handelaren en producenten de handen ineenslaan en duurzaamheid nastreven. Ook de Dutch Trade and Investment Board is een goed voorbeeld van intensieve publiek-private samenwerking op handelsbevordering en strategische acquisitie van investeringen.

Uitbannen van extreme armoede

Directe armoedebestrijding met aandacht voor de allerarmsten blijft onverminderd belangrijk. Het uitbannen van extreme armoede in een generatie dwingt tot beleidskeuzes. Eén van die keuzes is focus als het gaat om hulp. Voor sommige landen, zoals fragiele staten, (post-)conflictlanden of landen met een te beperkte capaciteit, is het niet mogelijk om zonder hulp effectief armoede te bestrijden en ontwikkeling te bevorderen. Veiligheid en stabiliteit zijn absolute randvoorwaarden voor die ontwikkeling. Onder andere via de 3D-benadering draagt Nederland in conflictgebieden bij aan herstel van stabiliteit en opbouw van instituties, maar ook door in te zetten op Security Sector Reform (SSR) gezien de invloed van het veiligheidsapparaat op de bescherming van de bevolking. Bij de inzet op armoedebestrijding concentreert Nederland zich op de bovengenoemde speerpunten waarop de Nederlandse meerwaarde bewezen is. Die gerichte inzet zorgt voor continuïteit in de uitvoering van de ontwikkelingsagenda en voorkomt bovendien fragmentatie van hulp. Nederland pleit ook internationaal voor een andere aanpak t.a.v. ontwikkelingssamenwerking waarin de nadruk ligt op strategische partnerschappen en op het bijeenbrengen van vraag en aanbod.

De context waarin we met landen samenwerken voor ontwikkeling verandert. Hulpontvangende landen zoals China en Brazilië verstrekken tegenwoordig zelf ook hulp. En via strategische partnerschappen worden met publieke fondsen private geldstromen gemobiliseerd. Deze ontwikkelingen vragen om herbezinning op het begrip «Official Development Assistance» (ODA), omdat het niet meer past bij moderne ontwikkelingssamenwerking. Mede op aandringen van Nederland wordt er in de OESO-DAC gewerkt aan vernieuwing van de ODA-definitie. Bij die vernieuwing is een sterke focus op de allerarmste en fragiele landen belangrijk. ODA moet zich concentreren op die plekken en mensen in de wereld waar het het hardst nodig is. Verder moet ODA meer ruimte bieden aan innovatieve financieringsinstrumenten waarmee private sectorfinanciering kan worden gemobiliseerd, zoals garanties. Juist de eerder genoemde strategische partnerschappen en andere nieuwe vormen van armoedebestrijding kunnen daarvan profiteren. Bij de herziening van de ODA-definitie zouden ook resultaten en beleidscoherentie voor ontwikkeling een belangrijker plaats moeten krijgen.

Ook het komend jaar zal er internationaal veel aandacht zijn voor de opvolging van de Millenniumdoelen. Nederland wil een goede verankering van de speerpunten in de post 2015 Agenda. Het uitbannen van extreme armoede en honger staan terecht centraal in deze agenda. Daarnaast wil Nederland met de nieuwe agenda groeiende ongelijkheid verminderen en mensenrechten bevorderen, met nadruk op vrouwenrechten, SRGR, veiligheid en rechtsorde in bijvoorbeeld fragiele staten. Dat is niet voor alle onderwerpen gemakkelijk. Onder andere de borging van SRGR stuit op weerstand bij thema’s als veilige abortus of toegang tot SRGR-diensten voor jongeren. Om dit toch voor elkaar te krijgen is een consistente inzet van Nederland in samenwerking met gelijkgezinde landen nodig. 2015 wordt een cruciaal jaar voor de opzet van een nieuw subsidiekader dat expliciet fondsen beschikbaar stelt voor het tegengaan van kindhuwelijken en voor veilige abortus. Om bovenstaande te bereiken is inzet op de bevordering van de rechtsorde en effectieve instituties cruciaal.

Dat Nederland belang hecht aan strategische partnerschappen blijkt ook uit het co-voorzitterschap van Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC). In het GPEDC zetten 161 overheden, de private sector en non-gouvernementele organisaties zich gezamenlijk in om armoede binnen één generatie uit te bannen (getting to zero). Het co-voorzitterschap biedt mogelijkheden om de geïntegreerde benadering voor hulp & handel verder vorm te geven en het maatschappelijk middenveld en de private sector intensief te betrekken bij de inspanningen om tot nul armoede te geraken. Het boeken van concrete resultaten door het uitwisselen van best practices, het maken van samenwerkingsafspraken tussen dat brede spectrum aan betrokkenen en het nagaan of de afspraken nageleefd worden staat hierbij centraal. Het GPEDC speelt zo een cruciale rol bij het verwezenlijken van de post 2015 Agenda. MinBHOS zal de samenwerking in het Partnership en met de VN, als co-voorzitter, actief stimuleren.

Bevorderen van duurzame en inclusieve groei

Een langetermijnperspectief op toenemende welvaart vraagt om een groeimodel dat duurzaam en inclusief is, in Nederland en in de rest van de wereld. Ook in landen waar het economisch goed gaat kan snelle groei verhullen dat inkomensongelijkheid toeneemt, dat er te weinig oog is voor de draagkracht van het milieu of dat niet alle groepen in de samenleving gelijke kansen hebben om te profiteren van groei. Inzet op verschillende niveaus is nodig om duurzaamheid en inclusiviteit van groei te bevorderen.

Ten eerste is toegang tot de buitenlandse handel en investeringen een belangrijke katalysator voor groei. Binnen de Doha-ronde van de WTO zet Nederland zich er voor in om wereldwijd handelsbelemmeringen weg te nemen en de belangen van lage- en middeninkomenslanden goed aan bod te laten komen. Bij het akkoord over handelsfacilitatie dat in het kader van deze onderhandelingen eind 2013 in Bali is gesloten, is dit gelukt. Het is in de periode 2014–2016 van belang om de implementatie van het Bali-akkoord soepel te laten verlopen, onder meer door helderheid te verschaffen over de benodigde en de beschikbare technische assistentie voor de implementatie van het akkoord in ontwikkelingslanden. Ook in de onderhandelingen over de Economic Partnership Agreements (EPA’s), die nu in een afrondende fase zijn, heeft Nederland vanuit de rol van honest broker getracht de belangen van de EU en de Afrikaanse regio’s dichter bij elkaar te brengen. Ook in 2015 zal Nederland een faciliterende rol blijven spelen en zich in de EPA-regio’s inzetten voor goede implementatie van de akkoorden, zodat het lokale bedrijfsleven en de consument daadwerkelijk van de voordelen van deze akkoorden geniet. Ook wanneer de EU over bilaterale handels- en investeringsverdragen onderhandelt, zoals nu met de onderhandelingen over het VS-EU vrijhandelsakkoord, maakt Nederland zich er sterk voor de effecten op lage- en middeninkomenslanden te onderzoeken en waar nodig en mogelijk de gevolgen te mitigeren. Op het gebied van investeringsverdragen zal Nederland zich in 2015 inzetten om de eigen bilaterale portfolio te bekijken om te zien welke verdragen in aanmerking komen voor heronderhandeling om deze inhoudelijk te moderniseren en in lijn te brengen met de Europese aanpak. De modernisering betreft dan onder meer het waarborgen van beleidsruimte voor de betrokken staten en een sterkere inzet op duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Naast toegang tot buitenlandse markten is een sterke private sector nodig om inclusieve groei te bevorderen via productieve werkgelegenheid. Stabiliteit is een belangrijke voorwaarde om het ondernemersklimaat te versterken, maar ondersteuning van de private sector in conflictlanden kan via betere basisvoorzieningen en werkgelegenheid ook bijdragen aan duurzame vrede en stabiliteit, het zogenaamde vredesdividend. Daar wil Nederland in 2015 meer nadruk op leggen. Een breed ontwikkelde private sector vergroot bovendien de productiviteit en de veerkracht van de economie om zich aan te passen aan externe veranderingen. Nederland zet zich daarom in de relaties met lage- en middeninkomenslanden in voor markttoegang en ketenverduurzaming, verbeteren van wet- en regelgeving, versterking van economische instituties en actoren en het uitbreiden van de financiële infrastructuur en de fysieke infrastructuur.

Een nieuw instrument voor de ontwikkeling van fysieke infrastructuur in lage- en middeninkomenslanden, het Developmentally Relevant Infrastructure Investment Vehicle (DRIVE), vervangt in 2015 het programma Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling (ORIO). Uitgangspunten daarbij zijn ontwikkelingsrelevantie, flexibiliteit en concessionele financiering om optimaal gebruik te maken van de infrastructurele ontwikkelcapaciteit van het bedrijfsleven. Wat betreft versterking van de financiële infrastructuur zet Nederland zich hiervoor in op multilateraal niveau, bijvoorbeeld als geassocieerd lid van het G20 Global Platform for Financial Inclusion. Zelf zorgt Nederland met het Dutch Good Growth Fund (DGGF), dat sinds 1 juli 2014 operationeel is, dat er financiering beschikbaar komt voor Nederlandse en lokale MKB-ondernemers die ontwikkelingsrelevante activiteiten willen ontplooien in lage- en middeninkomenslanden maar daar geen financiering voor kunnen krijgen. Hierdoor maakt het DGGF activiteiten mogelijk die bijdragen aan de lokale ontwikkeling en versterkt het de financiële infrastructuur. Daarnaast werkt Nederland zoveel mogelijk samen met betrokken overheden en bedrijven om een bijdrage te leveren aan economische ontwikkeling. Zo werken we met Nederlandse bedrijven aan sterkere marktinstituties waar dat nodig is, en met belastingdiensten in ontwikkelingslanden om het rendement te vergroten. Ook maakt Nederland zich er in OESO-verband sterk voor om agressieve belastingplanning waardoor overheden belastinginkomsten mislopen, tegen te gaan. De verbinding tussen handel, privatesectorontwikkeling en ontwikkelingssamenwerking wordt inmiddels ook door de EU gezien als een effectieve strategie. Belangrijke aspecten van de nieuwe strategie die de Europese Commissie op dit gebied volgt zijn versterkte dialoog met het bedrijfsleven en naleving van internationale standaarden voor duurzaam ondernemen.

Om te zorgen dat groei leidt tot grotere welvaart voor een ieder is naast armoedebestrijding specifieke aandacht nodig voor hoge en groeiende ongelijkheid. Dit staat hoog op de internationale politieke agenda. Daarom is de Nederlandse inzet gericht op duurzame en inclusieve groei. Toenemende ongelijkheid en groei gaan op termijn niet goed samen: grote inkomensongelijkheid versmalt de basis voor economische groei en kan bijdragen aan onrust en instabiliteit. Bovendien profiteren bij een hoge ongelijkheid de armste groepen onvoldoende van de toegenomen welvaart. De kansen om te profiteren van groei zijn vaak ongelijk verdeeld. Die kansen, zoals toegang tot zorg, onderwijs, financiële diensten en markten of de mogelijkheid om te werken voor een eerlijk loon, wil Nederland vergroten. De taskforce Vrouwenrechten en Gendergelijkheid zet zich in op activiteiten gericht op o.a. het versterken van vrouwelijk ondernemerschap en het vergroten van werkgelegenheid voor vrouwen. Nederland zet zich daarnaast in voor gelijke kansen door o.a. het bevorderen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden in internationale ketens en ondersteuning van pleiten en beïnvloeding door maatschappelijke organisaties die opkomen voor achtergestelde groepen.

Een grotere welvaart mag niet ten koste gaan van het klimaat. De Nederlandse overheid zet daarom in op een ambitieus mondiaal klimaatbeleid. 2015 Is met de klimaattop in Parijs een belangrijk jaar. Nederland ondersteunt in het kader van deze onderhandelingen ontwikkelingslanden bij het vergroenen van hun economieën en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Deze steun bestaat o.a. uit het verbeteren van de toegang tot hernieuwbare energie, het behoud van bossen en de verduurzaming van handelsketens. Het bedrijfsleven speelt een belangrijke rol bij de financiering van klimaatactiviteiten. Hiertoe wordt zowel internationaal als bilateraal ingezet op het mobiliseren van privaat kapitaal voor bovengenoemde onderwerpen.

Ten slotte kan op het niveau van individuele bedrijven veel bereikt worden om duurzaamheid en inclusiviteit te waarborgen. Betrokkenheid van bedrijven bij deze vraagstukken is essentieel vanwege hun directe impact, omvangrijke netwerk en vaak hoge effectiviteit als het gaat om ketenverduurzaming of het handhaven van arbeidsstandaarden. De Nederlandse inzet gericht op het verduurzamen van de textielsector in Bangladesh is hier een goed voorbeeld van. Nederland zal ook in 2015 in samenwerking met Nederlandse bedrijven blijven inzetten op een veilige werkomgeving en een leefbaar loon voor de textielarbeiders in Bangladesh. Tevens worden schone productiemethodes die het milieu minder belasten, bevorderd. Ook in andere landen in Azië werkt Nederland aan de verbeteringen van arbeidsomstandigheden in de textiel- en kledingsector, onder meer in Pakistan, Vietnam en Cambodja, en doet dat samen met textielbedrijven, sociale partners, overheid, ngo’s, andere donoren en multilaterale instellingen. Maar niet alleen daar is maatschappelijk verantwoord ondernemen de norm. Alle bedrijven dienen zich bewust te zijn van hun potentiële effecten op mens en milieu, rechtstreeks en via hun keten van toeleveranciers en afnemers. De overheid biedt daarvoor een kader: de OESO richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Verder agendeert de MVO Sector Risico Analyse MVO-kwesties die in de ketens van (midden- en klein)bedrijven urgent aandacht verdienen en beoogt bedrijven zo aan te sporen tot een proactieve benadering van risico’s. Op basis van deze analyse zal een gesprek gestart worden met de geïdentificeerde sectoren om te bezien hoe de situatie verbeterd kan worden. De inzet is gericht, onder meer in nauw overleg met de SER, op structurele oplossingen in de vorm van MVO-convenanten.

Succes voor het Nederlandse bedrijfsleven in het buitenland

Buitenlandse handel en investeringen zijn enorm belangrijk voor het verdienvermogen van de Nederlandse economie. Een derde van het Nederlands inkomen en van de werkgelegenheid in Nederland wordt gegenereerd door de handel met andere landen. Het strategisch versterken van de positie van Nederland in mondiale waardeketens vereist een integrale benadering op handels- en investeringsbevordering die niet alleen kijkt naar wat Nederland exporteert en waar we investeren, maar ook naar de toegang van Nederlandse bedrijven tot de beste importgoederen, diensten en kennis die wereldwijd beschikbaar zijn en de productie in Nederland concurrerender maken. Onze belangrijkste keten- en handelspartners liggen in de Europese Unie. De groei zal echter de komende jaren vooral plaatsvinden in opkomende landen in Azië, Latijns-Amerika en Afrika waar consumenten- en zakelijke markten snel groeien. Ook daar zal Nederland haar positie moeten versterken.

Het wereldhandelssysteem draagt bij aan versoepeling van het handelsverkeer en het vergroten van rechtszekerheid voor alle internationale actoren in de wereldhandel. Binnen de WTO wil Nederland de integrale benadering, die nodig is om de handel binnen waardeketens te faciliteren, zoveel mogelijk gestalte geven. Naast het opheffen van beleidsmatige handelsbarrières is handelsfacilitatie daar een belangrijk onderdeel van. Het is bovendien in ieders belang om lage- en middeninkomenslanden verder te laten integreren in de mondiale economie. Om dat te bereiken moeten de belangen van lage- en middeninkomenslanden binnen multilaterale onderhandelingen gekend worden. Nederland zet zich in voor een spoedige afronding van de Doha-ronde. Daarbij zullen afspraken gemaakt worden over welke nieuwe onderwerpen die voor Nederland belangrijk zijn er op de WTO-agenda komen, zoals mededinging, energie en duurzaamheid.

Ook op bilateraal niveau zet Nederland zich in voor vrijhandelsakkoorden van de EU met politiek en economisch interessante landen of regio’s. Op dit niveau is vaak meer ruimte om thema’s te agenderen die belangrijk zijn om de handel in mondiale waardeketens goed te faciliteren. Het potentiële economische belang daarvan is groot. Zo zou het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), afhankelijk van het ambitieniveau, de Nederlandse economie op termijn jaarlijks tussen 1,4 en 4,1 miljard euro kunnen opleveren. De handelspolitieke bevoegdheid ligt al decennia bij de EU. De lidstaten sturen de Europese Commissie bij op lopende dossiers en geven regelmatig een mandaat voor nieuwe onderhandelingen. Nederland legt in de Brusselse besprekingen als groot en open handelsland een aardig gewicht in de schaal, bijvoorbeeld op thema’s als agrofood of chemische producten. Op dit moment wordt onderhandeld met 49 WTO-landen over het Trade in Services Agreement (TiSA), wat een belangrijke stap is door versoepeling van het dienstenverkeer. Daarnaast lopen onderhandelingen over grote verdragen zoals TTIP met de VS en het vrijhandelsakkoord met Japan. Nederland zet in op afronding daarvan in 2015. Het Comprehensive Economic and Trade Agreement (CETA) met Canada is al vrijwel afgerond. Nederland hoopt dat ook de onderhandelingen met China over investeringsbescherming en -toegang in 2015 of uiterlijk in 2016 zullen worden afgerond.

Goede economische diplomatie wordt steeds belangrijker. De mogelijkheden om internationaal zaken te doen nemen toe, vooral ook voor het midden- en kleinbedrijf, maar de informele kosten stijgen ook. Dit heeft te maken met het toenemend aantal actoren dat bij de handel betrokken is en het toenemend belang om dicht op afzetmarkten te zitten. Elke markt vergt een eigen aanpak en het vinden van zakenpartners vereist tijd en geld. Bovendien is interventie van de Nederlandse overheid vaak noodzakelijk om zaken te doen met opkomende markten maar ook in lage- en middeninkomenslanden. Een goede economische dienstverlening verlaagt de informele kosten van handelen aanzienlijk en opent deuren voor ondernemers en kennisinstellingen. Dat vereist professionaliteit in het handelsbevorderende netwerk, goede publiek-private samenwerking en oog voor de specifieke vragen van bedrijven en ook van de desbetreffende landen. Vraag en aanbod komen ook hier weer samen. Een deel van de dienstverlening aan bedrijven wordt gestandaardiseerd om die kwaliteit te waarborgen. Als het gaat om bedrijfsspecifieke advisering kan beprijzing een manier zijn om kwaliteit van de vraag en van het aanbod te waarborgen. Hier wordt komend jaar aan gewerkt.

Vooral voor het midden- en kleinbedrijf kan er een hoge drempel zijn om internationaal te handelen of in het buitenland te investeren. Het Dutch Good Growth Fund komt tegemoet aan kapitaalbehoefte van kleinere bedrijven die in opkomende landen actief willen worden. Zij hebben daarbij behoefte aan duidelijke informatievoorziening en aan betere toegang tot de regelingen die openstaan voor het hele bedrijfsleven. Daarom is één loket ingesteld dat toegang geeft tot het beschikbare instrumentarium voor internationalisering. In 2015 zal er aan gewerkt worden de informatievoorziening voor het MKB verder te verbeteren. Daarnaast worden extra stimuleringsmaatregelen genomen door de regeling Starters for International Business (SIB) uit te breiden voor het MKB. Ook het publiek-private handelsbevorderende netwerk wordt beter ingericht voor het MKB, waarvoor het initiatief bij de Dutch Trade Board ligt. De Dutch Trade Board zelf is uitgebreid naar de Dutch Trade en Investment Board en rekent strategische acquisitie tot haar takenpakket. Daarin is ook aandacht voor het vestigingsklimaat. In het acquisitiebeleid zal de strategische aanpak waarmee ervaring is opgedaan in de topsectoren Agrifood en Chemie verder worden ontwikkeld en breder worden toegepast met het oog op het versterken van de economische structuur en positie van Nederland in mondiale waardeketens.

Inkomende en uitgaande handelsmissies vormen een effectief instrument om Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen die willen internationaliseren te ondersteunen en om binnenlandse en buitenlandse partijen met elkaar in contact te brengen. Nederlandse missies worden samen met de topsectoren vraaggestuurd vormgegeven. Bekeken wordt of een meer thematische indeling beter aan die vraag voldoet. Tevens wordt met de topsectoren en decentrale overheden een meer strategische aanpak van inkomende missies uitgewerkt. Bovendien bieden de missies een platform om bedrijven, kennisinstellingen, NGO’s en overheden bij elkaar te krijgen rondom thema’s zoals exploitatie van nieuw gevonden energiebronnen. Bijvoorbeeld tijdens de missie naar Mozambique en Tanzania heeft Nederland op deze manier een visitekaartje afgegeven als betrouwbare partner niet alleen op zakelijk gebied en vanwege inhoudelijke expertise, maar ook als het gaat om ontwikkelingsvraagstukken. Op die manier wil Nederland de synergie tussen hulp en handel verder uitdragen in 2015.

Open data/ transparantie

Nederland heeft zich met 56 andere landen aangesloten bij het Open Government Partnership en het Internationale Aid Transparancy Initiative (IATI). Het toegankelijk maken en beschikbaar stellen van informatie horen daarbij. In dit kader is onder meer een webpagina gelanceerd waarmee inzicht wordt gegeven in de budgetten en activiteiten voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

Uitfasering onderwijs

De afbouw van verschillende onderwijsactiviteiten die door Nederland werden gefinancierd is bijna afgerond. In 2015 blijft Nederland -in het kader van arbeidsdeling- andere donoren, waaronder de EU en de Nordic+, aansporen om de financiële steun aan onderwijs te handhaven en/of te verhogen. Nederland heeft dit onlangs gedaan en marge van een bijeenkomst van het Global partnership for Education (GPE). Tijdens deze bijeenkomst hebben andere donoren voor de periode 2015–2018 USD 2,1 miljard toegezegd aan het GPE, waaronder USD 500 miljoen van de EU. Dit is een verhoging van 40% in vergelijking met de toezeggingen gedaan in 2011.

Overzichtstabel met geplande beleidsdoorlichtingen

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de voorgenomen beleidsdoorlichtingen voor de periode 2014–2019.

Artikel / Beleidsdoelstelling

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

     

(realisatie)

(planning)

         

1

Duurzame handel en investeringen

             

1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen 1

       

   

2

Versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie en economische naambekendheid1

       

   

3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

 

         

4

Dutch Good Growth Fund: intensivering van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met ontwikkelingslanden door het Nederlandse en het lokale bedrijfsleven, met een focus op het MKB

           

2

Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

             

1

Toename van voedselzekerheid

     

   

2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie 2; 3

       

   

3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergroten van de weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering in ontwikkelingslanden

 

         

3

Sociale vooruitgang

             

1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de spreiding van HIV/aids

           

2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

 

         

3

Versterkt maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden3

     

     

4

Toename van het aantal professionals en versterking van hoger- en beroepsonderwijs-instellingen; en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek 4

             

4

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

             

1

Humanitaire hulp3

   

       

2

Budget Internationale Veiligheid: Voorkomen en terugdringen van conflictsituaties 5

             

3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

√√

 

       

5

Versterkte kaders voor ontwikkeling

             

1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

     

     

2

Overig armoedebeleid2

           

3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

             
                   

**

Hier wordt één beleidsdoorlichting voor twee doelstellingen uitgevoerd.

             

*****

Is in 2011 doorgelicht en zal later onder de BZ begroting worden meegenomen in de doorlichting consulaire dienstverlening.

             
 
X Noot
1

Bouwt voort op eerder uitgevoerd effectenonderzoek.

Een nadere toelichting is voorhanden in de evaluatie- en onderzoeksbijlage.

X Noot
2

Deze beleidsdoelstellingen zijn in 2012 doorgelicht.

X Noot
3

Deze beleidsdoorlichtingen zijn 1 jaar uitgesteld vanwege een meer realistischere planning (splitsing begroting, capaciteit IOB en vertraging andere doorlichting). 1.3 is inmiddels uitgevoerd.

X Noot
4

Is in 2011 doorgelicht en is voor huidig kabinet geen prioriteit. In 2012 is de TK hierover geïnformeerd.

X Noot
5

In 2016 is een effectonderzoek voorzien.

BELANGRIJKSTE BELEIDSMATIGE MUTATIES TEN OPZICHTE VAN ONTWERPBEGROTING 2014

Belangrijkste beleidsmatige mutaties ten opzichte van vorig jaar

Bedragen x EUR 1.000

2014

2015

2016

2017

2018

Stand ontwerpbegroting 2014

2.795.676

2.735.578

2.976.433

2.800.679

2.736.887

           

1 Duurzame handel en investeringen

– 20.123

22.667

– 104.558

– 49.031

– 47.902

2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

– 35.673

– 52.549

– 54.172

– 85.792

– 70.792

3 Sociale vooruitgang

30.143

– 1.157

3.960

– 7.353

– 2.353

4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

364.198

– 295.000

– 295.000

– 295.000

– 285.000

5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

117.676

65.626

– 34.142

140.806

– 44.476

Stand ontwerpbegroting 2015

3.251.897

2.475.165

2.492.521

2.504.309

2.286.364

Toelichting:

Artikel 1

Door een kasschuif van 2016 naar 2014 en 2015 wordt de raming voor het Dutch Good Growth Fund (DGGF) voor deze jaren aangepast. Daarnaast worden vanwege een BNP-korting op het ODA-budget de uitgaven voor private sectorontwikkeling meerjarig aangepast.

Artikel 2

Vanwege de BNP-korting op het ODA-budget worden de uitgaven voor milieu en klimaat meerjarig aangepast.

Artikel 3

Als onderdeel van het amendement-Voordewind c.s. wordt het budget 2014 voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en een halt aan de verspreiding van HIV/aids verhoogd.

Artikel 4

De uitgaven op dit artikel worden per saldo verhoogd in 2014 en verlaagd vanaf 2015. Dit vloeit voort uit de overheveling van middelen uit het Budget Internationale Veiligheid (BIV) naar Defensie en Buitenlandse Zaken, een verhoging van onderdeel rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptieartikel ten behoeve van centrale programma’s op het gebied van wederopbouw en een verhoging vanwege het noodhulpfonds. Het budget voor internationale veiligheid (BIV) wordt vanaf 2015 structureel overgeheveld naar de begroting van Defensie. Binnen het Kabinet is afgesproken dat jaarlijks een bedrag van EUR 60 miljoen beschikbaar blijft voor BH&OS en BZ op de terreinen veiligheidssectorhervormingen, vredes- en capaciteitsopbouw en beveiliging van hoog-risico posten. Deze middelen worden vanaf 2015 jaarlijks bij de Voorjaarsnota opgenomen op deze beide begrotingen.

Het noodhulpfonds is flexibel inzetbaar in de periode 2014–2017. Dit betekent dat het beschikbare bedrag in 2014 niet volledig zal worden uitgegeven, maar zal worden verdeeld over de komende jaren. (naar verwachting EUR 100 mln in 2014, EUR 170 mln in 2015 en EUR 150 mln in 2016 en 2017). Tenslotte zijn vanwege de BNP-korting op het ODA-budget de uitgaven vanaf 2015 meerjarig aangepast.

Artikel 5

Op dit artikel zijn de correcties verwerkt als gevolg van de daling van het BNP en het hieraan gekoppelde ontwikkelingssamenwerkingsbudget.

Garantieoverzicht

Hoofdstuk XVII

Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

                   

Risisco van de Staat, te verlenen garanties, vervallen garanties

                     

(bedragen in duizenden euro's)

                     

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Soort garantie*

Risico van de Staat

Te verlenen garanties

Te vervallen garanties

Risico van de Staat

Te verlenen garanties

Te vervallen garanties

Risico van de Staat

Te verlenen garanties

Te vervallen garanties

Risico van de Staat

     

ultimo 2013

2014

2014

ultimo 2014

2015

2015

ultimo 2015

2016

2016

ultimo 2016

1.04

Garantie IS-DGGF

Kredietgarantie

nvt

   

nvt

           

5.02

Garanties IS-NIO

Kredietgarantie

252.062

 

30.000

222.062

 

28.432

193.630

   

193.630

5.02

Garanties IS-Raad van Europa

Deelnemingen

176.743

   

176.743

   

176.743

   

176.743

5.01

Garanties IS-OPCW

Exploitatie

0

   

0

   

0

   

0

5.02

Garanties Regionale Ontwikkelingsbanken

Deelnemingen

1.854.769

 

95.047

1.759.722

 

95.000

1.664.722

   

1.664.722

 

TOTAAL

 

2.283.574

0

125.047

2.158.527

0

123.432

2.035.095

 

2.035.095

Uitgaven en ontvangsten

(bedragen in duizenden euro's)

                   

Artikel waarop garantie wordt verantwoord

Omschrijving garantie

Soort garantie*

Saldo Uitgaven en Ontvangsten

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo Uitgaven en Ontvangsten

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo Uitgaven en Ontvangsten

Uitgaven

Ontvangsten

Saldo Uitgaven en Ontvangsten

     

2013

2014

2014

2014

2015

2015

2015

2016

2016

2016

5.02 (uitgaven) en 5.20 (ontvangsten)

Garanties IS-NIO

Kredietgarantie

– 864

860

 

860

215

 

215

1.000

 

1.000

                         
 

TOTAAL

 

– 864

860

0

860

215

0

215

1.000

0

1.000

Definitie garanties

Een garantie wordt omschreven als een voorwaardelijke financiële verplichting van het Rijk aan een derde buiten het Rijk, die pas tot uitbetaling komt als zich bij de wederpartij een bepaalde omstandigheid (realisatie van een risico) voordoet.

* Soorten garanties

Kredietgarantie: garantie op rente- en aflossingverplichtingen (risico gemaximeerd voor totaalbedrag).

(Her-)verzekering: garantie op moeilijk/niet te verzekeren risico's (risico gemaximeerd per gebeurtenis).

Garantie voor deelnemingen: garantie op vol- of bijstorten aandelenkapitaal (risico gemaximeerd voor totaalbedrag).

Overig, exploitatiegarantie: garantie op minimum van exploitatieniveau (risico gemaximeerd per jaar).

Overig, liquiditeitsgarantie: garantie op minimum van liquiditeitsniveau (risico gemaximeerd voor totaalbedrag).

Uitgaven

Betreffen schade-uitkeringen op afgegeven garanties.

Ontvangsten

Betreffen zowel ontvangen premies of provisies e.d. alsook op derden verhaalde (schade)uitkeringen.

Toelichting op garantieoverzicht

DGGF

Er zijn op het moment van schrijven nog geen garanties afgegeven. Alle drie de onderdelen van het DGGF krijgen de mogelijkheid om garanties te verstrekken. Via onderdeel 2 worden geen garanties verstrekt met staatsdekking. Daarom wordt hieronder ingegaan op onderdeel 1 en 3 van het DGGF. Door het verstrekken van garanties kan het DGGF onverwachts geconfronteerd worden met onvoorziene uitgaven indien de garantieverstrekking leidt tot claims. Daarnaast kan er een flinke mismatch in de tijd optreden tussen inkomsten en uitgaven. Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen zal, ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Comptabiliteitswet 2001, gebruik worden gemaakt van het instrument «interne begrotingsreserve». De reserve wordt in de jaren 2014 t/m 2017 gevuld vanuit de middelen die voor de onderdelen 1 en 3 van het DGGF beschikbaar zijn voor garanties. Voor onderdeel 2 zal de fondsbeheerder zelf een reserve aanhouden voor het verstrekken van garanties. De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen 1 en 3 per onderdeel van het DGGF worden vastgesteld. Op het moment dat de verhouding tussen het uitstaande garantieplafond en de omvang van de reserve te veel af gaat wijken van de overeengekomen hefboom wordt jaarlijks bezien of het nodig is om de hoogte van de reserve of het garantieplafond aan te passen. Zowel de toevoeging van middelen aan de reserve als de onttrekking eraan en de (uiteindelijke) besteding van de middelen loopt over de begroting en wordt in de begroting toegelicht.

Onderdeel 1 (uitvoerder RVO)

Als een commerciële partij (vaak een bank) bereid is mee te financieren zal er worden getracht een garantie in te zetten als instrument. Met dit instrument zal de overheid borg staan voor een percentage van de financiering die een bank, lokaal dan wel Nederlands, geeft. De Nederlandse staat neemt een deel van de risico’s over, waardoor een bank eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen. Ook is het mogelijk dat de overheid borg staat voor een gedeelte van de financiering in het geval van een tekort aan onderpand van de Nederlandse MKB’er. Als gezegd kan de bank die de financiering verschaft zowel een Nederlandse bank of financier zijn als een lokale bank. De inzet van het DGGF is om in het geval van lokale banken samen te werken met zogenaamde netwerkbanken, zijnde banken met een uitgebreid netwerk en/of vele vestigingen in DGGF-landen. Er wordt een vergoeding gehanteerd die in lijn is met de Go-faciliteit (Garantie Ondernemingsfinanciering van het Ministerie van Economische Zaken). Het uitgangspunt van deze faciliteit is dat de af te dragen opslag procentueel gelijk dient te zijn aan de door de staat verstrekt garantie. De hefboom voor onderdeel 1 van het DGGF is 1:2. Dat wil zeggen dat voor elke EUR 2,- die aan garanties er wordt uitgezet, er EUR 1,- in de begrotingsreserve voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF wordt gestort, om als reserve hiervoor te dienen.

Onderdeel 3 (Uitvoerder Atradius)

In het algemeen geldt dat de aanvullende EKV die bij Onderdeel 3 van het DGGF wordt verstrekt hetzelfde werkt als bij de reguliere EKV. De essentie is dat de politieke en commerciële risico's van exporttransacties worden verzekerd. Leidt één van de gedekte schadeoorzaken tot non-betaling van de vordering, dan kan aanspraak gemaakt worden op de polis. De waaier van specifieke verzekeringen (bijvoorbeeld, exporteurs- en bankpolis, werkkapitaaldekking en garantiedekkingen etc.) die bij de EKV worden gevoerd, kunnen ook onder onderdeel 3 worden verzekerd. Het doel is een aanvulling te bieden op de mogelijkheden onder de reguliere EKV voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties. De noodzaak is er in gelegen dat een aantal exporttransacties nu geen doorgang vindt terwijl die wel ontwikkelingsrelevant zijn. De beheersing van de risico's gebeurt op diverse manieren. Atradius DSB analyseert de risico's zorgvuldig en nauwkeurig en hanteert een ruimer risicoprofiel dan bij de EKV. Uitgangspunt is dat er een goede business case aan de transactie ten grondslag moet liggen. Daarnaast geldt er voor de banken en de exporteurs een eigen risico wat maakt dat zij betrokken zijn en blijven bij de goede afloop van de transactie. De premiestelling is gebaseerd op de OESO-minimumpremies die voor EKV-stelsels overeen zijn gekomen. De premiesystematiek heeft als uitgangspunt dat de premies het risico reflecteren (landenrisico en debiteurenrisico) en er wordt rekening gehouden met uitvoeringskosten. Kostendekkendheid over een langere periode (conform WTO-vereisten) is de basis van de premiesystematiek. De premie wordt periodiek in de begrotingsreserve gestort. Gewerkt wordt met een 1 op 3 verhouding: voor elke euro DGGF-budget geldt een hefboom van 3 euro voor te accepteren risico's.

NIO

De NIO is in 1965 opgericht als volledige dochter van de Nationale Investeringsbank. Deze was destijds een volledige staatsbank en is in 1945 opgericht om de Marshallhulp te kanaliseren naar het Nederlandse bedrijfsleven. Het doel van de dochteronderneming NIO was leningen te verstrekken aan ontwikkelingslanden onder gunstige voorwaarden zodat deze landen, die destijds geen toegang hadden tot de reguliere kapitaalmarkt, in staat werden gesteld ontwikkelingsrelevante investeringen te doen. Deze leningen hadden een lange looptijd en een lage rente. Deze zogenaamde bilaterale concessionele leningen waren destijds een onderdeel van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingbeleid. Na 2001 zijn geen nieuwe concessionele leningen door NIO verstrekt. NIO bleef vanaf dat moment verantwoordelijk voor het beheer van de afgesloten leningen. Eind jaren negentig is de Nationale Investeringbank geprivatiseerd en zijn de aandelen NIO in 2000 overgenomen door FMO. In 2010 heeft de staat de aandelen van FMO overgenomen. In een overeenkomst die in 1993 is gesloten tussen de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en NIO is geregeld dat de Staat garant staat voor de financiering van NIO. Dit houdt in dat de obligaties die NIO heeft uitgegeven zijn uitgegeven onder staatsgarantie. Bovendien heeft de staat zich jegens NIO verplicht om middelen ter beschikking te stellen in het geval NIO niet zelfstandig in staat is om (her)financiering aan te trekken op de kapitaalmarkt voor reeds verstrekte leningen wegens incidentele krapte. Overigens is er nog nooit sprake van geweest dat één van beide garanties zou worden ingeroepen.

Raad van Europa

De Ontwikkelingsbank van de Raad van Europa is in 1956 opgericht met het doel om de Raad van Europa eigen financiële middelen te geven om zelfstandig activiteiten te kunnen uitvoeren. De bank verstrekt leningen voor uitvoering van projecten aan overheden en andere instanties op de volgende drie gebieden: hulp aan vluchtelingen en migranten, milieubescherming en ontwikkeling van menselijk potentieel. Hieronder vallen bijvoorbeeld onderwijsprojecten. De Ontwikkelingsbank is de oudste internationale financiële instelling van Europa en de enige met een puur sociale roeping. Het oorspronkelijke idee van de bank was om oplossingen te bieden voor de problemen van vluchtelingen na de Tweede Wereldoorlog, maar dit heeft zich geleidelijk uitgebreid naar andere sectoren die bijdragen aan de sociale samenhang in Europa. Humanitaire hulp blijft een prioriteit van de bank. De organisatie valt onder de autoriteit van de Raad van Europa en is financieel autonoom. Het vermogen van de bank is opgebouwd uit donaties van de veertig lidstaten en de aandeelhouders. In totaal beschikt de bank over een kapitaal van 4,8 miljard euro. Sinds 2005 richt de bank zich vooral op Centraal en Oost-Europa. De garantie betreft het Nederlands aandeel in het kapitaal.

Regionale ontwikkelingsbanken

  • 1. IDB:

    De Inter-American Development Bank (IDB) is in 1959 opgericht door 19 Zuid-Amerikaanse landen en de VS. De IDB is de oudste en grootste regionale ontwikkelingsbank ter wereld. Centrale doelstellingen zijn duurzame economische ontwikkeling en armoedebestrijding. De IDB-Groep bestaat uit de Bank (IDB), de Investment Corporation (IIC) en het Multilateral Investment Fund (MIF). De Zuid-Amerikaanse landen hebben een meerderheid van de aandelen van 50.01%, de VS hebben 30% en Canada 4%. Sinds 1976 zijn ook 28 «niet-regionale landen» buiten het westelijk halfrond lid (16% van de aandelen). Het aantal leden bedraagt in totaal 48. Het hoofdkantoor is gevestigd in Washington D.C.. De Bank wordt gefinancierd met aandelenkapitaal, waarvan lidstaten een deel inleggen en een deel, in de vorm van garanties, verstrekken. Op basis van het ingelegde kapitaal en de garanties verstrekt de IBD leningen aan de nationale overheden van de klantlanden. Het kapitaal is negenmaal verhoogd. Het meest recente besluit tot een kapitaalverhoging vond in 2010 plaats: van USD 100 miljard naar USD 170 miljard (in vijf termijnen te voldoen). Hiervan is USD 6 miljard oftewel 3,5% paid-in capital en USD 164 miljard oftewel 96,5% garantiekapitaal (callable capital). Omdat de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking zich minder dan voorheen richt op Latijns-Amerika heeft Nederland niet meegedaan met de kapitaalverhoging waardoor het Nederlandse aandeel is afgenomen van 0,338% naar 0,200%. De IDB richt zich specifiek op terreinen (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die niet voldoende worden gedekt door commerciële banken. De risico’s die zijn verbonden met de uitvoering van langjarige publieke en private investeringsprogramma’s in midden-inkomenslanden en soms fragiele staten (Haïti), zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen. Door de beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de IDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden.

  • 2. AfDB:

    De Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AfDB) werd in augustus 1963 opgericht door een groep van 23 Afrikaanse staten in Khartoem, Soedan. Reden voor de oprichting was de wens om kapitaalstromen naar het continent te vergroten. Onvrede over de geografische verdeling van leningen binnen de Wereldbank, en de grote zeggenschap van ontwikkelde landen hierover, speelde hierbij een rol. In september 1964 werd het oprichtingsverdrag van kracht toen inschrijving op 65% van het kapitaal (toen USD 250 mln in totaal) werd bereikt; twintig lidstaten hadden op dat moment ingeschreven. Door de geringe kredietwaardigheid van regionale leden bestonden er grote beperkingen ten aanzien van de toegang van de Bank tot de internationale kapitaalmarkt. In 1979 werd daarom een resolutie uitgewerkt om ook niet-regionale landen tot de Bank toe te laten. Dit stuitte eerst op verzet maar nadat in 1982 ook Nigeria als grote lidstaat met het voorstel had ingestemd, werd goedkeuring bereikt. Inmiddels kent de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 77 lidstaten: 53 regionale en 24 niet-regionale leden. Naar verwachting wordt dit aantal de komende jaren uitgebreid (nieuwkomers: Zuid-Soedan, Australië en mogelijk ook Turkije). De AfDB-groep bestaat uit de Bank (AfDB) en het Fonds (AfDF). Met de oprichting van het Fonds in 1972 waren de niet-regionale lidstaten al eerder bij de Bankgroep betrokken. De activiteiten van het Fonds namen in augustus 1974 een aanvang met een initiële middelenaanvulling van UA 215 miljoen (tegen de huidige koers ruim USD 350 miljoen). Hoewel het Fonds precies dezelfde doelstellingen nastreeft als de Bank is het bedoeld voor een andere doelgroep. Het Fonds verstrekt enkel concessionele leningen en giften aan de armere lidstaten op het continent (de zogeheten lage-inkomenslanden, 33 in totaal). Tijdens de laatste middelenaanvulling (ADF-12) droeg Nederland voor 4,9% bij. De AfDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden zijn met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AfDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») is de AfDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt

  • 3. AsDB:

    De Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) werd in 1966 opgericht door een groep van 31 landen, waaronder Nederland. Bij de oprichting kreeg de AsDB als mandaat het bevorderen van economische groei en regionale samenwerking in Azië en de Stille Oceaan regio. Sinds 1999 is de overkoepelende doelstelling van de Bank armoedebestrijding. Inmiddels kent de Aziatische Ontwikkelingsbank 67 lidstaten: 48 uit Azië en de Stille Oceaan regio (vooral kleine eiland-economieën) en 19 niet-regionale leden. De AsDB heeft een aandelenkapitaal van USD 163 miljard (2012). Nederland is in grootte de 19e aandeelhouder bij de Bank, met 1,12% van de stemmen. De totale waarde van het Nederlands aandeel bij de Bank bedraagt USD 1,67 miljard. Hiervan is USD 1,36 miljard gegarandeerd. De grootste aandeelhouders zijn Japan en de VS (beiden met 12,78%), gevolgd door China (5,45%), India (5,36%) en Australië (4,39%). De Board (raad van bewindvoerders) bestaat uit 12 leden. Nederland zit in een kiesgroep met Canada, Denemarken, Finland, Ierland, Noorwegen en Zweden. De bewindvoerder van deze kiesgroep is altijd een Canadees. Naast deze Europese (+ Canada) kiesgroep, zijn er nog 2 Europese kiesgroepen. De Verenigde Staten zit alleen in een kiesgroep. De overige 8 leden van de Board zijn regionale bewindvoerders. De ASDB-groep bestaat uit de Bank (AsDB) en het Fonds (AsDF). Het Aziatische Ontwikkelingsfonds (AsDF) is opgericht in 1974 en verstrekt leningen tegen concessionele voorwaarden aan de armere Aziatische landen. In het Fonds is Nederland de 11e donor met 2,23% van de stemmen. Het Fonds verkrijgt de middelen hoofdzakelijk uit contributies van de rijkere lidstaten. De onderhandelingen over de middelenaanvullingen vinden iedere drie jaar plaats. De laatste middelenaanvulling (AsDF-XI) is in 2012 afgerond. De AsDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) die nog niet voldoende wordt gedekt door commerciële banken. De risico’s die verbonden met met de uitvoering van programma’s in bijvoorbeeld fragiele staten, zijn beter te beheersen door Internationale Financiële Instellingen zoals de AsDB. Door haar beschikking over garantiekapitaal («callable capital») en de daarmee gepaard gaande AAA-status is de AsDB in staat goedkoper geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit uit te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Dit aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Een dergelijke garantieregeling heeft als voordeel ten opzichte van ingelegd kapitaal dat het geen directe gevolgen heeft voor de rijksuitgaven en het EMU-saldo. Natuurlijk vormt het «callable capital» wel een risico op kasuitgaven, maar dit risico wordt als zeer klein aangemerkt.

3. ARTIKELEN

Artikel 1: Duurzame handel en investeringen

A: Algemene doelstelling

Doel is om de agenda voor hulp, handel en investeringen vorm te geven om extreme armoede uit te bannen, inclusieve en duurzame groei te bevorderen en succes voor Nederlandse bedrijven in het buitenland te bewerkstelligen. De inzet is om duurzame handel en investeringen te bevorderen door versterking van het internationaal handelssysteem. Daarbij is er aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), de versterking van de Nederlandse handel- en investeringspositie en economische naamsbekendheid en de bevordering van de private sector en de randvoorwaarden voor duurzaam en inclusieve groei in ontwikkelingslanden. Voor het Dutch Good Growth Fund (DGGF) is een belangrijke rol weggelegd om het Nederlandse en lokale midden- en kleinbedrijf te betrekken bij duurzame economische ontwikkeling in de DGGF-landen.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De versterking van de Nederlandse handel- en investeringspositie en economische naamsbekendheid en het realiseren van een goede bijdrage van het Nederlandse bedrijfsleven aan duurzame economische ontwikkeling elders in de wereld vraagt een kabinetsbrede inspanning. In het bijzonder werkt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hierbij samen met de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het voeren van een op maat gesneden en onderling samenhangend financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering voor het Nederlands bedrijfsleven, marktfacilitatie en markttoegang. Uitgangspunten hierbij zijn het opheffen van marktfalen en het creëren van een gelijk speelveld.

  • Het inhoud geven aan de mede-beleidsverantwoordelijkheid voor de Exportkredietverzekering (EKV) met de Minister van Financiën ten einde de Nederlandse export van grote kapitaalgoederen en dienstentransacties te faciliteren.

  • Het financieren van diverse programma’s die bijdragen aan een gunstig ondernemingsklimaat en innovatief ondernemerschap ten behoeve van duurzame en inclusieve groei in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het financieel ondersteunen van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf om met eigentijdse oplossingen bij te dragen aan duurzame economische ontwikkeling wereldwijd, onder andere via het Dutch Good Growth Fund.

Regisseren

  • Het met oog voor de Nederlandse belangen bijdragen aan de verdere vrijmaking van het internationale handels- en investeringsverkeer via de World Trade Organisation (WTO)/Doha ronde, vrijhandelsakkoorden, investeringsbeschermingsovereenkomsten en de Europese markttoegangstrategie.

  • Het versterken van de internationale economische rechtsorde in het kader van de WTO en OESO.

  • Het bevorderen van een gelijk speelveld voor Nederlandse ondernemers op MVO door goede afspraken te maken in de OECD Working Party on Responsible Business Conduct. Nederland levert het voorzitterschap via een speciaal vertegenwoordiger voor de OESO Richtlijnen.

  • Het mede vormgeven van een nieuwe WTO onderhandelingsagenda.

  • Het bevorderen van kaders voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van de VN, OESO, EU en voluntary principles on security and human rights.

  • Het actief inzetten op het door de EU afsluiten van een aantal Economische Partnerschapsakkoorden met een aantal Afrikaanse regio’s.

  • Het behouden van draagvlak voor globalisering door realistische invulling van ketenverantwoordelijkheid.

  • Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken met aandacht voor IMVO, en het opstellen en bewaken van de afgestemde reisagenda van het kabinet naar economisch prioritaire landen.

  • Het bevorderen van publiek-private samenwerking op het terrein van internationaal ondernemen, onder via de Dutch Trade and Investment Board.

  • Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de Minister van Economische Zaken.

  • Het invulling geven aan de internationale kant van het topsectorenbeleid en dit verbinden aan het economisch-diplomatieke werk.

  • Het versterken van de Nederlandse positie in mondiale waardeketens om export en investeringen optimaal te laten bijdragen aan het Nederland verdienvermogen.

  • Het in onderlinge samenhang inzetten van centrale en decentrale programma’s ter versterking van de randvoorwaarden voor duurzame en inclusieve groei en private sectorontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het afstemmen van Nederlandse inspanningen op het gebied van private sectorontwikkeling en duurzame en inclusieve groei met die van andere multilaterale en bilaterale donoren, met bijzondere aandacht voor programma’s van de Europese Commissie en EU-lidstaten.

  • Het invulling geven aan beleidscoherentie voor buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking door bij beleid vooraf en achteraf te letten op de effecten op ontwikkelingslanden.

  • Het bereiken van maximale synergie tussen ontwikkelingsdoelstellingen en de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, mede door inzet van het Dutch Good Growth Fund.

  • In de partnerlanden zal Nederland binnen de speerpunten voedselzekerheid, water, seksuele en reproductieve gezondheidszorg (alsook vrouwenrechten en gendergelijkheid) en veiligheid en rechtsorde (m.n. in fragiele staten) inzetten op ontwikkeling en zoveel mogelijk samenwerking zoeken met de private sector en maatschappelijke organisaties.

Stimuleren

  • Het stimuleren van een actief voorlichtingsbeleid over de OESO-richtlijnen via o.a. het Nationale Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) en MVO Nederland.

  • Het faciliteren en ondersteunen van (Nederlandse) bedrijven met specifieke aandacht voor MKB, om zaken te doen op buitenlandse markten, waaronder in lage- en middeninkomenslanden, met behulp van financiering, informatie en advies.

  • Het bevorderen van clustergewijze samenwerking van bedrijven op buitenlandse markten.

  • Het benadrukken van de kansen die internationaal ondernemen biedt en bedrijven daartoe activeren en actief ondersteunen, met speciale aandacht voor het MKB.

  • Het monitoren en bevorderen van markttoegang in derde landen via de EU markttoegangsstrategie.

  • Het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor buitenlandse investeerders t.b.v. verdere internationalisering van de Nederlandse economie.

  • Het stimuleren van toegang van lokale MKB-bedrijven tot (regionale) markten met oog voor duurzame ketenontwikkeling en handelspolitiek en -facilitatie.

  • Het stimuleren van goed bestuur in de vorm van goede wet- en regelgeving, betrouwbare instituties en actoren en verbeterde belastingregimes.

  • Het stimuleren van goede fysieke infrastructuur en logistiek.

  • Het stimuleren van een inclusieve ontwikkelingsagenda door ontwikkeling van verzekeringsinstrumenten en uitbreiding van financiële dienstverlening aan de MKB-sector.

  • Het bevorderen van publiek-private samenwerking en inclusief ondernemerschap in lage- en middeninkomenslanden.

  • Het stimuleren dat de EU haar impact assessments herziet door (niet-hulp) beleid ex ante te screenen op mogelijke gevolgen voor derde landen.

Uitvoeren

  • Het behandelen van klachten van bedrijven, o.a. over oneerlijke concurrentie waar Nederlandse bedrijven in het buitenland mee te maken hebben.

  • Het uitvoeren van de controle op de export van strategische goederen met oog voor sancties in het kader van de EU, het Wassenaar Arrangement, de Australië groep, de Nuclear Suppliers Group, de Organisation for the prohibition of Chemical Weapons en de Missile Technology Control Regime.

  • Het aansturen en vormgeven van de inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op het gebied van handelsbevordering en privatesectorontwikkeling, inclusief het Dutch Good Growth Fund, en het strategisch aansturen van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO.

  • Het in dit verband realiseren van een efficiënte dienstverlening aan het Nederlandse bedrijfsleven (EénLoket).

C: Beleidswijzigingen

  • Om het MKB beter van dienst te zijn bij internationalisering worden extra stimuleringsmaatregelen genomen met name gericht op het beter bereiken van de MKB-er om instrumenten te ontsluiten.

  • Ter verbetering van de economische dienstverlening van het postennet worden pilots gedraaid op het gebied van private bijdrages voor en standaardisering van de dienstverlening.

  • De lopende economische diplomatieke inzet op prioritaire markten wordt versterkt met inzet op regionale samenwerking.

  • De overheid agendeert met de MVO Sector Risico Analyse MVO-kwesties die in de ketens van (MKB)bedrijven urgent aandacht verdienen en beoogt bedrijven zo aan te sporen tot een pro-actieve benadering van risico’s.

  • Het Nederlandse co-voorzitterschap van het Global Partnership on Effective Development Cooperation biedt mogelijkheden om het belang van een geïntegreerde benadering voor hulp & handel internationaal verder vorm te geven en het maatschappelijk middenveld en de private sector intensief te betrekken bij de inspanningen om tot nul armoede te geraken.

  • De impact van het privatesectorontwikkelingsbeleid wordt vergroot door meer focus, versterking van de synergie tussen de programma’s, verscherpte aandacht voor additionaliteit en eenduidige aansturing van de uitvoeringsorganisaties.

  • Een nieuw instrument – DRIVE – voor de ontwikkeling van publieke infrastructuur in lage- en middeninkomenslanden vervangt het Programma Ontwikkelingsrelevante infrastructuurontwikkeling (ORIO)

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 1 Duurzame handel en investeringen

Bedragen in EUR 1.000

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

209.837

995.303

320.663

407.430

393.450

90.042

90.042

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

373.529

443.133

514.497

573.462

724.953

425.153

425.153

 

waarvan juridisch verplicht

     

85%

       
                   

1.1

Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

10.499

13.896

13.494

10.695

11.222

11.222

11.222

                   
 

Bijdrage (inter)nationale organisaties

               
   

Contributies internationaal ondernemen

 

5.670

5.670

       
   

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

 

4.873

5.085

       
                   
 

Opdrachten

               
   

waarvan beleidsondersteuning internationaal ondernemen

 

3.103

2.489

       
                   

1.2

Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid

91.047

77.142

71.714

70.599

56.563

61.263

61.263

                   
 

Subsidies

               
   

Starters International Business (SIB)/ Programma Strategische Beurzen

 

4.940

4.940

       
   

Partners for International Business (PIB)

 

6.300

8.400

       
   

Transitiefaciliteit (TF)/ Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies en Kennisverwerving (DHK)

 

13.701

15.000

       
   

Package4growth non-ODA

 

1.000

730

       
   

Package4growth ODA

 

5.144

         
   

Overig Programmatische Aanpak

 

3.340

3.104

       
   

PSO/2g@there

 

2.710

3.576

       
                   
 

Leningen

               
   

Finance for International Business (FIB)

 

5.870

3.965

       
                   
 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

               
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

27.560

26.072

       
   

Versterking economische functie (NBSO's via RVO)

 

6.577

5.927

       
                   

1.3

Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden

271.983

252.095

279.289

342.168

357.168

352.668

352.668

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's ondernemingsklimaat

 

16.832

14.000

       
   

Bedrijfsmatige technische bijstand

 

1.709

1.709

       
                   
 

Subsidies

               
   

Transitiefaciliteit

 

3.383

1.700

       
   

Marktontwikkeling in het kader van private sector development

 

35.294

41.759

       
   

Wet en regelgeving

 

13.522

13.172

       
   

Financiele sectorontwikkeling

 

23.502

19.572

       
   

versterking privaat ondernemerschap

 

58.952

51.756

       
   

Infrastructuurontwikkeling

 

43.736

68.994

       
   

Samenwerking bedrijfsleven en PPP's

 

10.476

12.950

       
   

Bedrijfsleveninstrumentarium

 

5.143

6.382

       
   

Technische assistentie DGGF

 

10.000

15.000

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

             
   

International Labour Organization

 

5.167

5.167

       
   

Partnershipprogramma ILO

 

5.000

5.000

       
   

International Finance Corporation

 

3.300

2.628

       
                   
 

Bijdragen aan baten-lastendiensten

               
                   
   

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

 

16.079

19.500

       
                   

1.4

Dutch Good Growth Fund: intensivering van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met ontwikkelingslanden door het Nederlandse en het lokale bedrijfsleven, met de focus op het MKB en bij uitzondering en onder condities grootbedrijf

 

100.000

150.000

150.000

300.000

0

0

                   
   

programma's Dutch Good Growth Fund

 

100.000

150.000

       
                   
 

Ontvangsten

 

1.833

9.315

7.267

13.463

4.815

1.815

1.815

                   

1.10

Versterkt internationaal handelssysteem met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

1.833

9.315

7.267

13.463

4.815

1.815

1.815

D2: Budgetflexibiliteit

Voor het onderdeel versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn de geplande uitgaven volledig juridisch verplicht met uitzondering van beleidsondersteuning. De contributies aan internationale organisaties (WTO en OESO) vloeien voort uit meerjarige internationale afspraken en zijn volledig juridisch verplicht. De programma’s voor versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie en economische naamsbekendheid zijn volledig juridisch verplicht. Voor het onderdeel private sectorontwikkeling is het merendeel juridisch verplicht als gevolg van de meerjarig overeengekomen bijdragen voor bedrijfsleveninstrumenten. De bijdragen aan internationale organisaties zijn eveneens grotendeels juridisch verplicht. Van de middelen voor het Dutch Good Growth Fund is ruim de helft juridisch verplicht.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

1.1 Versterkt internationaal handelssysteem, met aandacht voor Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
  • De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is beleidsinitiërend en coördinerend op het gebied van de handelspolitiek. Het belangrijkste orgaan hiervoor is de Interdepartementale Raad voor de Handelspolitiek (IRHP). Op basis van de uitkomsten in de IRHP neemt BH&OS deel aan onderhandelingen en officiële besprekingen op bilateraal, communautair en multilateraal niveau (OESO, WTO). Vanuit dit budget worden de jaarlijkse contributies aan de verschillende partijen gefinancierd.

  • Activiteiten die liggen op het terrein van de beleidsondersteuning en -onderzoek en evaluatie, alsmede incidentele projecten, zoals de Nederlandse deelname op Wereldtentoonstellingen.

    Programma’s ter ondersteuning van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.

1.2 Versterkte Nederlandse Handels- en Investeringspositie en economische naamsbekendheid
  • RVO is de centrale uitvoeringsorganisatie voor publieke handelsbevordering. Zij voert het financiële instrumentarium uit en faciliteert netwerken en contacten op het gebied van handels- en investeringsbevordering. Ook neemt RVO belemmeringen voor het bedrijfsleven weg, via het beschikbaar maken van kennis, informatie en contacten.

  • Het instrument Starters International Business (SIB) biedt startende exporteurs de mogelijkheid om samen met de Kamers van Koophandel en andere organisaties een actieplan voor export op te stellen.

  • Het instrument Partners for International Business (PIB) ondersteunt de structurele positionering van clusters van Nederlandse bedrijven, met name uit topsectoren, op voor Nederland kansrijke markten. Daarbij geldt als richtlijn, dat clusters van bedrijven (eventueel aangevuld met kennisinstellingen), die een grote en langdurige kans op een buitenlandse markt zien, maar tegen marktbelemmeringen aanlopen, gebruik kunnen maken van de faciliteit.

Indicator

Referentie Waarde

Peil

Datum

Realisatie 2013

Streef

Waarde

Planning

Bron

Convenanten met clusters van bedrijven (waarvan tenminste 80% binnen de topsectoren en focuslanden)

12

2012

14

20

2015

RvO

  • De Transitiefaciliteit (TF) wordt ingezet op voormalige OS-partnerlanden Vietnam, Zuid-Afrika en Colombia om de transitie van een bilaterale ontwikkelingsrelatie naar een wederzijds profijtelijke economische relatie mogelijk te maken. De TF-aanpak op de drie transitielanden zal in de huidige vorm naar verwachting in 2015 aflopen. De ervaringen van de TF zullen worden benut voor de ontwikkeling van een aanpak op de acht Overgangslanden 1. De inzet is om in deze landen hulp en handelsactiviteiten zodanig samen te brengen dat zij leiden tot wederzijds voordeel.

  • Met het Programma Strategische Beurzen ondersteunt de overheid de deelname per topsector aan twee internationaal strategische beurzen per jaar.

  • Via de regeling Demonstratieprojecten, Haalbaarheidsstudies of Kennisverwerving (DHK) kunnen Nederlandse bedrijven, die willen exporteren of investeren in opkomende markten, een subsidie ontvangen voor het uitvoeren van demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies of kennisverwerving.

  • Met de Faciliteit Opkomende Markten (FOM) worden investeringen van Nederlandse ondernemingen in opkomende markten gestimuleerd doordat de overheid een garantie verstrekt aan de Financierings Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) voor financieringen aan lokale dochterondernemingen of joint-ventures van Nederlandse bedrijven. FMO kan door die garantie financiering verschaffen, daar waar banken of andere kapitaalverschaffers het risico niet kunnen lopen. FOM is daarmee aanvullend aan de markt. Voor de FOM wordt bij de Rijkshoofdboekhouding (RHB) een interne begrotingsreserve aangehouden. Het betreft een kostendekkende regeling. Om een garantie te krijgen moet een premie worden betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. De begrotingsreserve dient om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. De stand van de interne begrotingsreserve per 31 december 2013 is EUR 102 miljoen.

  • Package4Growth (P4G) is omgevormd naar het instrument Finance International Business. De resterende budgetten dienen ter uitfinanciering van in het verleden aangegane verplichtingen.

  • Het instrument Finance for International Business (FIB) vergroot de beschikbaarheid van financiering voor Nederlandse MKB ondernemingen die investeren in opkomende markten. Met FIB investeert de overheid mee in specifieke proposities van investeringsmaatschappijen en/of banken. De overheid investeert mee als derde partij en benut zo de financiële expertise van de private financier. FIB en FOM pakken ieder een andere belemmering aan die de kredietverschaffing aan het MKB voor directie buitenlandse investeringen in de weg kan staan.

1.3 Versterkte private sector en een verbeterd investeringsklimaat in ontwikkelingslanden
  • Verbetering van wet- en regelgeving via multi- en bilaterale kanalen, bijvoorbeeld bestrijding van landroof.

    Toename van de rechtszekerheid, een effectief en transparant belastingstelsel en actieve bestrijding van corruptie leiden onder andere tot een beter investeringsklimaat, hetgeen tot uiting komt in verbeterde scores op de indicatoren van de Doing Business Index en Corruption Perception Index.

  • Toegang tot en gebruik van ontwikkelingsrelevante en betrouwbare infrastructuur leidt tot grotere economische bedrijvigheid. Hier wordt onder andere aan bijgedragen door programma’s als Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling (ORIO) en Programma Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties (ORET, in 2008 omgevormd tot ORIO en sindsdien geen nieuwe activiteiten meer), het Infrastructure Development Fund (IDF) van de FMO.

  • DRIVE is een nieuw instrument voor de ontwikkeling van publieke infrastructuur in lage- en middeninkomenslanden en vervangt in 2015 het Programma Ontwikkelingsrelevante infrastructuurontwikkeling (ORIO). Uitgangspunten daarbij zijn ontwikkelingsrelevantie, flexibiliteit en concessionele financiering om optimaal gebruik te maken van de infrastructurele ontwikkelcapaciteit van het bedrijfsleven.

  • Met het MASSIF programma wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van de financiële sector in ontwikkelingslanden. Verbeterde toegang tot kredieten en verzekeringen vergroten de mogelijkheden om economische initiatieven te ontplooien.

  • Opbouw van kennis en capaciteit bij het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden leidt onder andere tot toename van ondernemerschap en gekwalificeerd personeel, toename van het aantal bedrijven en toename van de overheidsinkomsten door middel van belastingafdrachten. Hieraan wordt onder andere bijgedragen door middel van het PSI programma.

  • Verbeterde toegang van bedrijven in ontwikkelingslanden tot nationale, regionale en internationale markten leidt tot meer handel. Onder andere de inzet van het CBI is hierop gericht.

  • Nederland draagt via het Partnerschapsprogramma met de ILO bij aan het bevorderen van de sociale rechtvaardigheid, het creëren van kansen op de arbeidsmarkt en verbetering van economische- en werkomstandigheden, alsook het bevorderen van de sociale dialoog in ontwikkelingslanden.

  • Technische assistentie voor het DGGF heeft als doel om een investeringsportefeuille op te bouwen die voldoet aan de eisen op het terrein van revolverendheid en ontwikkelingsrelevantie. Het budget kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor capaciteitsopbouw aan de zijde van lokale ondernemers, waarmee de slagingskans van investeringen/export toeneemt.

1.4 Dutch Good Growth Fund: intensivering van ontwikkelingsrelevante investeringen in en handel met ontwikkelingslanden door het Nederlandse en het lokale bedrijfsleven, met een focus op het MKB en bij uitzondering en onder condities grootbedrijf
  • Het DGGF is een revolverend fonds dat financiering verschaft voor ontwikkelingsrelevante en risicodragende investeringen en exporttransacties. De financiering is additioneel aan wat reguliere marktpartijen bieden. Het gaat concreet om drie vormen van ondersteuning:

    bevordering van investeringen door Nederlandse bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf, in lage- en middeninkomenslanden;

    ondersteuning van investeringen in het midden- en kleinbedrijf in lage- en middeninkomenslanden en Nederland;

  • Ondersteuning van ontwikkelingsrelevante export door Nederlandse bedrijven, met name het midden- en kleinbedrijf, in lage- en middeninkomenslanden.

  • Onderdeel van het DGGF is het verstrekken van garanties, waarvoor een kostendekkende premie wordt betaald. Daaruit kunnen eventuele schades in latere jaren worden betaald. Met ingang van 2014 werkt het DGGF met een interne begrotingsreserve. De begrotingsreserve dient om een eventuele mismatch in de tijd tussen inkomsten en uitgaven op te kunnen vangen. Tot op heden is de begrotingsreserve voor het DGGF nog niet gebruikt.

Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

A: Algemene doelstelling

Een toename van voedselzekerheid; verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie; en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, het tegengaan van klimaatverandering en een vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering.

B: Rol en verantwoordelijkheid

In afstemming met de Minister van Economische Zaken, de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu draagt de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking bij aan het zeker stellen dat internationale publieke goederen zoals een stabiel klimaat, gezonde ecosystemen, grondstoffen, voedsel en water beschikbaar blijven voor huidige en toekomstige generaties.

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • De financiering van diverse programma’s gericht op duurzame economische ontwikkeling, voedsel- en waterzekerheid, toegang tot moderne energie, klimaatadaptatie en-verduurzaming van grondstofwinning. In toenemende mate wordt ingezet op financiering van programma’s waarin oog is voor de dwarsverbanden die tussen deze mondiale uitdagingen bestaan. Groeiende druk op natuurlijke hulpbronnen dwingt tot verduurzaming en een integrale benadering die synergie tussen de verschillende thema’s bevordert. De programma’s worden uitgevoerd door multilaterale instellingen, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, (lokale) overheden, centrale programma uitvoerders (zoals FMO, RVO), in samenwerking met andere donoren (waaronder DFID, BMZ, USAID en SIDA) en via publiek-private partnerschappen

  • De financiering van verschillende multilaterale en internationale instellingen, die een sleutelrol spelen bij de verzameling van gegevens, analyse en (formulering van de) aanpak van vraagstukken op het gebied van deze thema’s.

Regisseren

  • Het stimuleren van samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen.

  • Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.

Stimuleren

  • Het stimuleren van de intensivering van de samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector.

  • Inzet van Nederlandse deskundigheid en technologie bij het realiseren van de ontwikkelingsdoelstellingen.

C: Beleidswijzigingen

  • Binnen het beleid gericht op voedselzekerheid is private sector ontwikkeling een belangrijk middel. Verschillende programma’s richten zich op een goed ondernemingsklimaat, ondernemerschap en marktontwikkeling. De organisatie van het ministerie reflecteerde deze verwevenheid. Sinds 2013 weerspiegelt het organogram van het ministerie de daarnaast toegenomen aandacht voor voedselzekerheid als internationaal publiek goed en de nexus tussen de vijf duurzaamheids IPG’s.

  • De beleidsdoorlichting voor private sector ontwikkeling van 2013 leverde goede inzichten op voor verdere verbetering van het programma. Een aantal van de aanbevelingen is, vanwege bovengenoemde onderlinge verwevenheid, relevant voor voedselzekerheid en water. Zo zal beter gekeken worden naar onderlinge (kennis- en netwerk-) uitwisseling tussen programma’s en instrumenten. Effectiviteit, impact en resultaatmeting houden blijvende aandacht.

  • Op het moment van schrijven van deze memorie van toelichting wordt, in samenwerking met de Staatssecretaris van Economische Zaken, gewerkt aan actualisering van het voedselzekerheidsbeleid. Deze nieuwe beleidsbrief, die tot stand zal komen na consultatie van belanghebbenden, zal naar verwachting in het najaar van 2014 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

  • Binnen de speerpunten water en voedselzekerheid is een integrale en duurzame benadering het uitgangspunt bij de keuze voor te ondersteunen activiteiten. Dit betekent enerzijds dat wordt ingespeeld op klimaatverandering en wordt bijgedragen aan toegang tot hernieuwbare energie en tegengaan van ontbossing. Anderzijds dat in nauwe samenwerking met de private sector, kennisinstellingen en NGO’s activiteiten worden uitgevoerd die zijn gericht op verduurzaming van handelsketens, verhoogde waterproductiviteit in de landbouw, veilige delta’s en verbeterd stroomgebiedbeheer.

  • In verband met toenemende urbanisering en de wens Nederlandse kennis te betrekken verschuift de focus binnen het thema water geleidelijk van rurale naar stedelijke gebieden.

    Toch zal, conform de wens van de Tweede Kamer, ten minste 50% van de investeringen op gebied van drinkwater en sanitatie in landelijke gebieden blijven worden gerealiseerd. Tevens blijft 50% van het budget voor water gereserveerd voor WASH (motie Voordewind).

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Bedragen in EUR 1.000

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

712.298

586.199

445.237

520.369

335.180

340.180

335.180

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

666.235

546.280

564.053

632.360

665.740

680.740

685.740

 

waarvan juridisch verplicht

     

91%

       
                   

2.1

Toename van voedselzekerheid

342.790

299.112

303.795

328.795

348.795

358.795

363.795

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's voedselzekerheid

 

138.177

140.813

       
                   
 

Subsidies

               
   

Internationaal onderwijsprogramma

 

32.700

32.700

       
   

Duurzame voedselproductie

 

56.050

51.250

       
   

Marktontwikkeling in het kader voedselzekerheid

 

33.735

39.332

       
   

Voeding

 

16.100

17.200

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Partnerschapsprogramma FAO

 

2.500

2.500

       
   

versterking ruraal ondernemersklimaat

 

19.850

20.000

       
                   

2.2

Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie

158.018

162.161

173.157

188.157

193.157

193.157

193.157

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's integraal waterbeheer

 

48.884

59.611

       
   

Landenprogramma's drinkwater en sanitatie

 

48.378

51.649

       
                   
 

Subsidies

               
   

Integraal waterbeheer

 

32.939

19.937

       
   

Drinkwater en sanitatie

 

31.960

31.960

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Wereldbank

   

10.000

       
                   
                   

2.3

Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering

165.427

85.007

87.101

115.408

123.788

128.788

128.788

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's klimaatbeleid

 

12.260

9 655

       
   

Landenprogramma's milieubeleid; biodiversiteit en bossen

 

2.332

53

       
   

Landenprogramma's klimaat, energie en milieutechnologie

 

300

0

       
   

Landenprogramma's themadoorsnijdend

 

870

0

       
                   
 

Subsidies

               
   

Hernieuwbare energie

 

38.554

55.554

       
   

Algemeen klimaatbeleid

 

20.628

1.776

       
                   
 

Bijdragen (inter) nationale organisaties

               
   

Algemene vrijwillige en verplichte bijdragen

 

2.566

2.566

       
   

GEF

 

0

10.000

       
   

UNEP

 

7.140

7.140

       
   

Contributie IZA/IZT

 

357

357

       

D2: Budgetflexibiliteit

Mede als gevolg van de recente bezuinigingen op het budget voor ontwikkelingssamenwerking zijn de in 2015 geplande uitgaven duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water voor het overgrote deel juridisch verplicht. Nederland zal in 2015 een deel van de financiering voor klimaatmitigatie en -adaptatie via het multilaterale kanaal leiden. De juridische verplichting hiervoor wordt in 2015 vastgelegd.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

2.1. Toename van voedselzekerheid

Het beleid gericht op voedselzekerheid wordt uitgevoerd in bilaterale programma’s in de partnerlanden, via het multilaterale kanaal en door een aantal centraal gefinancierde programma’s. Aansluiting op het bedrijfsleveninstrumentarium is hierbij een belangrijk aandachtspunt, private sectorontwikkeling in veel programma’s een uitgangspunt.

De instrumenten bestaan uit:

  • Bijdrage aan de faciliteit waarin kennis en kunde van de Nederlandse private sector, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties worden gekoppeld aan concrete impact in lage inkomenslanden (Fonds Duurzame Ontwikkeling en Voedselzekerheid (FDOV)).

  • Private investeringen worden ook gestimuleerd in het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP), waar Nederland participeert in het private sector loket. Vanuit dit trustfonds, dat wordt beheerd door de Wereldbank, kunnen bedrijven geld lenen en ondersteuning krijgen voor investeringen in de landbouw- en voedselproducerende sectoren in ontwikkelingslanden.

  • Partnerschappen blijven een belangrijk en effectief onderdeel van de Nederlandse inzet. Met een Nederlandse agrarische sector die tot de grootste (in termen van toegevoegde waarde en exportvolume) van de wereld behoort, wereldvermaarde kennisinstituten en veel erkende maatschappelijke organisaties werkt Nederland aan herkenbare resultaten. Met onder meer het Amsterdam Initiative against Malnutrition (AIM) laat Nederland internationaal zien dat samenwerking meer oplevert dan de som der delen.

  • Via het Adaptation for Smallholder Agriculture Programme (ASAP) dat wordt uitgevoerd door IFAD, wordt bijgedragen aan het klimaatslimmer maken van veel multilaterale programma’s gericht op landbouwontwikkeling en voedselzekerheid.

  • Met de bilaterale programma’s wordt ingezet op vergroting van de voedselzekerheid door te investeren in duurzaam geproduceerd voedsel, productiviteitsverbetering in de kleinschalige voedsellandbouw, verhoging van werkgelegenheid, verbetering van koopkracht en toegang tot gezond en nutriëntenrijk voedsel.

2.2. Verbeterd waterbeheer, drinkwater en sanitatie
  • Een groot deel van de middelen wordt ingezet voor bilaterale waterprogramma’s. Daarnaast wordt vanuit de centrale middelen een aantal regionale en mondiale programma’s gefinancierd.

  • Via het Fonds Duurzaam Water (FDW) worden samen met de Nederlandse watersector programma’s op het gebied van waterbeheer, waterproductiviteit en drinkwater en sanitatie in verschillende lage en middeninkomenslanden gefinancierd.

  • Het regionale programma voor voedsel en water in de Hoorn van Afrika en de Sahel (ICRAF) werkt via een gebiedsgerichte aanpak in vijf landen (Burkina Faso, Ethiopië, Kenia, Mali en Niger) aan verbeterde bodemvruchtbaarheid, verbeterd waterbeheer en economische ontwikkeling, waarbij met lokale organisaties wordt voortgebouwd op succesvolle lokale initiatieven.

  • FAO en UNESCO-IHE gaan met NL financiering een wereldwijde database ontwikkelen voor waterproductiviteit in de landbouw en deze informatie toegankelijk maken voor overheden, boeren, kennisinstellingen en bedrijven.

  • Samen met de VS en Zweden wordt het Water Grand Challenge programma uitgevoerd om via innovatieve programma’s de water efficiency in de landbouwketen te verbeteren.

  • Verbeterde samenwerking tussen landen binnen stroomgebieden en veilige delta’s wordt bewerkstelligd door financiering van het Cooperation International Waters Africa (CIWA) van de Wereldbank.

  • In 2015 wordt een nieuwe fase ondersteund van de Organisation pour la Mise en Valeur du Fleuve Senegal (OMVS), de regionale organisatie verantwoordelijk voor het beheer van het stroomgebied van de Senegal rivier.

  • Binnen het nieuwe samenwerkingsprogramma met UNESCO/IHE wordt ingezet op waterdiplomatie in de vorm van onderwijs en onderzoek dat bijdraagt aan een verbeterde grensoverschrijdende samenwerking in stroomgebieden.

  • Het Water Partnership Programma van de Wereldbank richt zich op innovatie, het beïnvloeden van de mondiale dialoog in de watersector en leverage van investeringen, waarbij aandacht is voor thema’s waar Nederland een toegevoegde waarde heeft, zoals stedelijke delta’s. Op uitnodiging van de Wereldbank zal NL bezien of er inhoudelijk en financieel kan worden bijgedragen aan de ontwikkeling en invulling van het Water Global Practice, dat binnen de Wereldbank verantwoordelijk is voor beleid en uitvoering op het gebied van water.

  • Het UNICEF/WASH programma in West-Afrika en het programma van de Water Supply and Sanitation Collaborative Council (WSSCC) leveren een forse bijdrage aan het realiseren van de doelstelling om aan 25 miljoen extra mensen toegang tot drinkwater en sanitatie te verschaffen.

  • Bestaande publiek private partnerschappen voor drinkwater en sanitatie, zoals met Vitens-Evides International, de KNVB, Aqua for All en AKVO zullen worden voortgezet. Verdere verduurzaming van de WASH-investeringen zal worden nagestreefd, de ervaringen met de sustainability clause, de jaarlijkse sustainability checks en de sustainability compact zullen worden geëvalueerd.

  • In het bilaterale programma in Bangladesh wordt via het Blue Gold Programme gewerkt aan waterbeheer om de voedselproductie en daarmee het inkomen van de boeren te vergroten. In Mali wordt het waterbeheer in het stroomgebied van de Niger verbeterd ten behoeve van landbouw, veeteelt en visserij, met aandacht voor de hele keten van productie tot markt. Het waterprogramma in Benin concentreert zich op watermanagement van de Ouemé river basin en ontwikkeling en implementatie van het Urban Sanitation Master Plan voor verschillende steden. Het programma in Rwanda richt zich op versterking van de instituties en capaciteitontwikkeling voor integraal watermanagement

2.3. Duurzaam gebruik natuurlijke hulpbronnen, tegengaan van klimaatverandering en vergrote weerbaarheid van de bevolking tegen onafwendbare klimaatverandering
  • De NL inzet op het gebied van duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen en klimaat richt zich voornamelijk op regionale en mondiale programma’s. Decentrale milieuprogramma’s worden in 2015 verder afgebouwd.

  • Het Initiatief voor Duurzame Handel voert in zes pilotgebieden het Sustainable Land and Water Programme, waarin bedrijven, lokale overheden en de andere gebruikers van land en water in een productiegebied samenwerken om klimaatverandering, bodemdegradatie en waterschaarste duurzaam het hoofd te bieden.

  • Er wordt samengewerkt met een aantal gerenommeerde kennisinstellingen, zoals het World Resources Institute in Washington en het Tropenbos Instituut. Nederland is voornemens de bijdrage aan het Climate Knowledge and Development Network voort te zetten. Het netwerk ondersteunt ontwikkelingslanden bij de klimaatonderhandelingen en het plannen van klimaatprojecten in deze landen.

  • In het GeoCap programma dragen Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen bij aan de kennis en kunde van Indonesië voor de ontwikkeling van haar unieke geothermie potentieel.

  • De algemene bijdrage aan het United Nations Environment Program (UNEP) wordt voortgezet.

  • Via de Global Environment Facility (GEF) steunt NL de uitvoering van de internationale milieuverdragen voor klimaatverandering, biodiversiteit, duurzaam landgebruik, internationale wateren, chemicaliën en afvalmanagement.

  • Nederland zal in 2015 een deel van de financiering voor klimaatmitigatie en -adaptatie via het multilaterale kanaal leiden. Hierbij zullen nieuwe bijdragen aan bestaande fondsen en het nieuw opgerichte fonds Green Climate Fund worden overwogen.

  • Middels de hernieuwbare energieactiviteiten wordt ingezet op mitigatie van klimaatverandering door in de armste landen bij te dragen aan transitie naar inclusieve groene groei. Voor een deel is dit gericht op bottom-up marktontwikkeling die bijdraagt aan energievoorziening voor arme mensen, met onder meer het Africa Biogas Partnership programma voor huishoudelijk biogas van HIVOS, en het Energizing Development programma (BMZ) gericht op promotie van schoon koken en elektrificatie van huishoudens en sociale instellingen. Voor een ander deel is dit gericht op het mobiliseren van investeringen door MDBs en private sector, waar mogelijk met Nederlandse kennis en kunde. Via het Wereldbank ESMAP programma worden bijvoorbeeld de toekomstige duurzame energie investeringen van de Wereldbank ontwikkelt, met specifieke aandacht voor Sustainable Energy for All, geothermie, en het ondersteunen van Wereldbank partnerlanden bij uitfasering van fossiele brandstofsubsidies.

  • Met het FMO Access to Energy Fund wordt bijgedragen aan innovatieve private investeringen in Subsahara Afrika. In het Scaling-up Renewable Energy Program (een van de Climate Investment Funds) zetten de gezamenlijke multilaterale ontwikkelingsbanken klimaatfinanciering in voor hernieuwbare energie in lage inkomenslanden.

Artikel 3: Sociale vooruitgang

A: Algemene doelstelling

Menselijke ontplooiing en het bevorderen van sociale en inclusieve ontwikkeling ten behoeve van een duurzame en rechtvaardige wereld, door het bijdragen aan seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt toeroepen aan de verspreiding van HIV/Aids; het bevorderen van gelijke rechten en kansen voor vrouwen; versterking van het maatschappelijk middenveld en bevordering en bescherming van de politieke ruimte als voorwaarde voor organisaties om effectief te opereren; en een toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Stimuleren

  • Het bijdragen aan structurele armoedebestrijding en bevorderen van inclusieve groei en ontwikkeling door de mogelijkheden en kansen te vergroten van mannen en vrouwen in ontwikkelingslanden.

  • De Nederlandse inzet voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV-preventie, onder meer in multilaterale fora. Nederland speelt een actieve rol in de follow-up van ICPD beyond 2014 en de integratie van SRGR en gendergelijkheid in de post 2015 agenda, in de bilaterale dialoog in de partnerlanden, in de samenwerking met NGO’s en in samenwerking met private partijen en het bedrijfsleven.

    Werken aan goede internationale kaders voor vrouwenrechten en gendergelijkheid in multilaterale fora (VN, OESO/DAC, EU) en het ondersteunen van lokale vrouwenorganisaties ter versterking van politieke participatie, economische zelfstandigheid, een actieve rol van vrouwen in vredesprocessen en de uitbanning van geweld tegen vrouwen. Lokale ervaringen worden ingebracht in multilaterale fora, en vice versa.

  • De samenwerking met het maatschappelijk middenveld op de internationale beleidsagenda en het bevorderen van de politieke ruimte in internationale fora, waaronder het Global Partnership for Effective Development Cooperation (GPEDC).

Financieren

  • Het financieren van programma’s van multilaterale organisaties, niet-gouvernementele organisaties, bedrijven, overheden en kennisinstellingen, die het meest perspectief bieden op het verwezenlijken van de beoogde resultaten.

  • Het financieren van programma’s gericht op het versterken van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden, via onder meer MFS-II, SRGR-fonds, FLOW, VMP en SNV.

  • De versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen via NICHE en de opleiding van professionals via NFP; en de Kennisplatforms voor Development Policies en voor SRGR (Share-Net International).

C: Beleidswijzigingen

  • In 2015 lopen de verschillende subsidie-instrumenten voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld op het terrein van SRGR af. Dit biedt de mogelijkheid om vanaf 2016 te streven naar een geïntegreerd kader voor de verschillende instrumenten (SRGR-fonds, het Keuzen en Kansen fonds, het Key Populations fonds en het Kindhuwelijkenfonds).

  • In veel landen neemt de politieke ruimte voor het maatschappelijk middenveld af. In de internationale agenda zal dit meer aandacht krijgen. Daartoe wordt de samenwerking op bilateraal niveau, binnen de EU en internationale fora geïntensiveerd, waarbij coherentie tussen de verschillende initiatieven wordt nagestreefd. In 2015 wordt invulling gegeven aan het beleidskader strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties op het gebied van pleiten en beïnvloeden. Doel is de capaciteit van partners in lage- en lage-middeninkomenslanden te versterken en veranderingsprocessen in gang te zetten die bijdragen aan het vergroten van de politieke ruimte voor organisaties, en daarmee aan inclusieve en duurzame groei.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 3 Sociale vooruitgang

Bedragen in EUR 1.000

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

184.754

649.161

1.589.610

653.108

317.258

374.258

322.258

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

1.115.501

1.016.130

943.934

846.783

730.470

735.470

735.470

 

waarvan juridisch verplicht

     

95%

       
                   

3.1

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids

399.752

415.874

391.784

416.784

431.784

431.784

431.784

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's SRGR & HIV/aids

 

83.401

89.009

       
                   
 

Subsidies

               
   

Centrale programma's SRGR & HIV/aids

 

131.416

121.193

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

SRGR (Unicef)

 

15.000

10.000

       
   

UNAIDS

 

20.000

20.000

       
   

SRGR; Strategische Alliantie Internationale NGO's

 

6.750

1.500

       
   

Global Fund to Fight Aids, Malaria and Tuberculosis

 

75.000

55.000

       
   

UNFPA

 

68.000

70.000

       
   

WHO-PAHO

 

5.891

6.713

       
   

Partnershipprogramma WHO

 

10.216

10.216

       
                   

3.2

Gelijke rechten en kansen voor vrouwen

51.694

44.832

43.510

43.417

43.386

43.386

43.386

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's gelijke rechten en kansen voor vrouwen

 

6.156

5.371

       
                   
 

Subsidies

               
   

Vrouwenrechten en gendergelijkheid

 

32.676

32.139

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

UNWOMEN

 

6.000

6.000

       
                   

3.3

Versterkt maatschappelijk middenveld

452.070

451.024

452.340

335.282

219.000

219.000

219.000

                   
 

Subsidies

               
   

Vakbondsmedefinancierings programma

 

12.000

12.000

       
   

SNV programma

 

55.000

55.000

       
   

Medefinancieringsstelsel

 

382.000

382.000

       
   

Twinningsfaciliteit Suriname

 

2.024

3.340

       
                   

3.4

Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek

211.985

104.400

56.300

51.300

36.300

41.300

41.300

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Landenprogramma's hoger onderwijs

 

4.000

4.000

       
   

Landenprogramma's onderwijs algemeen

 

17.874

2.950

       
                   
 

Subsidies

               
   

Onderzoekprogramma's

 

10.650

4.363

       
   

Onderwijsprogramma's

 

4.373

800

       
   

Internationale hoger onderwijsprogramma's

 

36.503

43.710

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

Internationale onderwijsinstituten

 

1.000

477

       
   

Global Partnership for Education

 

30.000

0

       

D2: Budgetflexibiliteit

De uitgaven voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids zijn bijna volledig juridisch verplicht met uitzondering van verplichte bijdragen. Voor het artikelonderdeel gelijke rechten en kansen voor vrouwen is het merendeel (waaronder UNWOMEN) ook juridisch verplicht. Onder versterkt maatschappelijk middenveld zijn de geraamde uitgaven volledig juridisch verplicht. Het betreft hier meerjarige contracten die lopen tot en met 2015. Voor het onderdeel toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek is het merendeel juridisch vastgelegd. Het betreft lopende programma’s.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

3.1 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/aids
  • Via de landenprogramma’s en centrale subsidies SRGR en HIV/aids worden de volgende doelstellingen beoogd:

    • Jongeren hebben meer kennis en zijn zo in staat gezondere keuzes te maken over hun seksualiteit: seksuele voorlichting op scholen en daarbuiten, toegang tot jeugdvriendelijke zorg en preventieve maatregelen en kansen voor jongeren om hun stem te laten horen en op te komen voor hun rechten.

    • Een groeiend aantal mensen krijgt toegang tot aidsremmers, voorbehoedmiddelen en andere levensreddende middelen voor een goede seksuele gezondheid: een ruimere keuze en beter aanbod van voorbehoedmiddelen, een verbeterd aanbod van medische middelen om moedersterfte en problemen op het gebied van seksuele gezondheid te voorkomen en het wegnemen van cultureel bepaalde en kennis gerelateerde obstakels die vrouwen verhinderen voorbehoedmiddelen te gebruiken.

    • Publieke en private klinieken bieden betere seksuele en reproductieve zorg aan, waar een toenemend aantal mensen gebruik van maakt: een verbeterde samenwerking tussen publieke en private zorg, een beter geïntegreerde aanpak van HIV en seksuele gezondheid binnen het nationale gezondheidsbeleid in partnerlanden en verbeterde kwaliteit van verloskundige hulp en innovatieve manieren om seksuele gezondheidszorg betaalbaar en toegankelijk te houden.

    • Meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van groepen aan wie deze rechten worden onthouden: aankaarten van naleving van mensenrechten van specifieke groepen, zoals seksuele minderheden, drugsgebruikers en sekswerkers; toegang geven tot voorzieningen en middelen voor seksuele gezondheid aan bovengenoemde specifieke groepen, bepleiten van zelfbeschikking van vrouwen en meisjes over hun seksualiteit (met daarbij specifieke aandacht voor het tegengaan van kindhuwelijken) en bevorderen van een rechtenbenadering in beleid en wetgeving in partnerlanden.

  • Daarnaast worden bijdragen geleverd aan multilaterale instellingen op gebied van SRGR en HIV/aids zoals:

  • Algemene vrijwillige bijdragen aan UNICEF, UNAIDS en UNFPA.

    Naast de verplichte contributie aan de WHO ontvangt deze organisatie ook een geoormerkte bijdrage voor het WHO Partnershipprogramma.

3.2 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen
  • Verbetering van veiligheid, economische zelfredzaamheid en politieke participatie van vrouwen via het Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) programma.

  • Verbeterde positie van vrouwen in conflictgebieden door uitvoering van het Nederlands Nationaal Actieplan 1325. Dwarsdoorsnijdende thema’s zoals politieke participatie, leiderschap van vrouwen en verbetering van de economische positie van vrouwen worden ondersteund via vredes- en wederopbouwprocessen in zes fragiele staten (Afghanistan, Burundi, Colombia, Democratische Republiek Congo, Sudan en Zuid-Sudan) en het Midden-Oosten en Noord-Afrika.

  • Verbeterde kennis bij diplomaten, militairen en civiele experts om genderaspecten te operationaliseren in hun werk in fragiele staten via de bijdrage aan en organisatie van de Spaans-Nederlandse Training A Comprehensive Approach to Gender in Operations.

  • Een algemene vrijwillige bijdrage aan UNWOMEN alsmede een geoormerkte bijdrage aan het UNWOMEN Trustfund Violence Against Women.

3.3 Versterkt maatschappelijk middenveld
  • Programma’s van twintig allianties van Nederlandse maatschappelijke organisaties onder het MFS II programma gefinancierd (periode 2011–2015), waarmee het maatschappelijk middenveld wordt versterkt, de capaciteit van maatschappelijke organisaties is versterkt en is bijgedragen aan het realiseren van de MDG’s.

  • Capaciteit van NGO’s, private sector en lokale overheden in ontwikkelingslanden vergroot door de bijdrage aan SNV.

  • Het vakbondsmedefinancieringsprogramma draagt bij aan betere naleving van arbeidsrechten wat leidt tot versterkte capaciteit van vakbonden, verbeterde sociale dialoog en tot verbeterde arbeidsomstandigheden. Door betere aansluiting bij andere samenwerkingsinspanningen die met ODA-middelen worden gefinancierd wordt de effectieve bijdrage aan duurzame ontwikkeling vergroot.

3.4 Toename van het aantal goed opgeleide professionals, versterking van hoger- en beroepsonderwijsinstellingen en het bevorderen van beleidsrelevant onderzoek
  • De capaciteit van het hoger (beroeps)onderwijs wordt versterkt via het NICHE-programma en het aantal goed-opgeleide mensen in partnerlanden neemt toe via het NFP.

  • Kennis over duurzame en inclusieve groei in partnerlanden wordt vergroot via kennisplatforms.

  • Verantwoorde afbouw van programma’s voor basisonderwijs.

Artikel 4: Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

A: Algemene doelstelling

Vrede en veiligheid voor ontwikkeling door het voorkomen en terugdringen van conflictsituaties; en het bevorderen van rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, legitieme en democratische staatsstructuren en het bestrijden van corruptie. Tevens het verlenen van noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Financiering van programma’s en partners op het terrein van veiligheid & rechtsorde.

  • Vanaf 2015 wordt het Budget Internationale Veiligheid overgeheveld naar de begroting van Defensie. Vanuit dit budget worden middelen op het terrein van veiligheidssectorhervormingen en vredes- en capaciteitsopbouw jaarlijks bij Voorjaarsnota overgeheveld naar BH&OS en BZ. Besluitvorming wordt interdepartementaal voorbereid en uitgevoerd. Hiermee is het geïntegreerde karakter van de inzet van diplomatieke, civiele en/of militaire activiteiten uit het BIV geborgd.

  • Naast core bijdragen aan internationale, bij humanitaire hulp betrokken organisaties en het VN-noodhulpfonds, ook ongeoormerkte bijdragen aan VN-organisaties per chronische crisis, op basis van een indicatieve planning vooraf.

  • Specifieke bijdragen aan acute crises op basis van de ontstane noden, zowel natuurrampen als man-made.

Stimuleren

  • Programma’s gericht op veiligheid en rechtsorde in de elf partnerlanden, en in de regio’s van het Grote Merengebied en de Hoorn van Afrika, flankeren door politieke dialoog en waar mogelijk inbedden in een geïntegreerde benadering.

  • Stimuleren van bij noodhulp betrokkenorganisaties om gecoördineerd te werken en om vrouwen in humanitaire situaties te betrekken bij beleid en uitvoering en seksueel geweld tegen te gaan. Daarbij sterkte nadruk op het versterken van beschikbare uitvoeringscapaciteit.

Regisseren

  • Samenwerking met actoren zoals de VN, het Rode Kruis en NGO’s voor een effectievere noodhulpverlening, en met de Europese Commissie Office for Humanitarian Aid Department (ECHO) en EU-lidstaten.

  • Betere samenwerking op veiligheid & rechtsorde tussen UNDP (team rechtsstaatsontwikkeling) en VN-DPKO via multi-donor dialoog over het Global Focal Point for Justice, Police and Corrections en via conditionaliteit van Nederlandse middelen

  • Meer interne cohesie tussen EU-instellingen, met name Commissie en EDEO, op crisisbeheersing en conflictpreventie, door dialoog over de uitvoering van de Raadsconclusies over de Geïntegreerde Benadering. NL brengt hierbij eigen «best practice» in, en werkt in landen als Mali en CAR nauw met EU samen.

  • Bevorderen van een vroegtijdig herstel na crises en post-conflict en het stimuleren van een belangrijke rol voor het maatschappelijk middenveld bij lokale conflictpreventie en bevorderen van participatie van burgers.

  • Nauwere samenwerking en meer coherentie tussen de Nederlandse activiteiten in internationale crisisbeheersingsoperaties en veiligheid en rechtsordeprogramma’s in fragiele staten door gezamenlijk besluitvorming over financiering uit het Budget Internationale Veiligheid.

  • Middels NL co-voorzitterschap van het Global Partnership for Effective Development Cooperation aandacht vestigen op conflictsensitieve private sectorontwikkeling. Hiermee kan werkgelegenheid, en daarmee stabiliteit, in fragiele staten bevorderd worden.

C: Beleidswijzigingen

  • Meer nadruk op brede justitiële ketenbenadering, en op toegang tot het rechtssysteem voor kwetsbare groepen.

  • Meer inzet op een functionerende rechtsorde voor een gunstig ondernemingsklimaat, ook in fragiele staten.

  • De inzet op Security Sector Reform wordt geïntensiveerd ondermeer in samenwerking met de AU; effecten van internationale georganiseerde criminaliteit op de stabiliteit van fragiele staten zal worden meegenomen in V&R programmering.

  • NL gaat de recent opgezette netwerken beter inzetten t.b.v. concrete crisissituaties, o.a. via strategische partnerschappen en kennisplatform Veiligheid en Rechtsorde. Via het kennisplatform is aansluiting met internationale partners bewerkstelligd, zijn onderzoeksmiddelen toegekend en worden onderzoeksresultaten vertaald naar beleid en uitvoering.

  • Het verkleinen van risico’s op rampen wordt nu breed in de hele OS meegenomen; vanuit humanitaire hulp wordt de focus verschoven naar rampenparaatheid.

  • Vanaf 2015 wordt het Budget voor Internationale Veiligheid (BIV) opgenomen op de begroting van het Ministerie van Defensie. Jaarlijks wordt bij Voorjaarsnota de inzet voor veiligheidssectorhervormingen, vredes- en capaciteitsopbouw en beveiliging van hoog-risico posten overgeheveld naar Buitenlandse Zaken en Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking.

  • Door grote toename van het aantal en de omvang van humanitaire rampen en het afgenomen humanitaire hulpbudget (subartikel 4.1) dat grotendeels aan het begin van het jaar wordt ingevuld, is besloten tot invoering van een nieuw noodhulpfonds tijdens de huidige kabinetsperiode. Het fonds is flexibel inzetbaar tot en met 2017 en additioneel aan het bestaande budget voor humanitaire hulp. Met het fonds kan Nederland adequaat bijdragen aan de huidige en toekomstige grote rampen, inclusief opvang van vluchtelingen in de regio. Dit flexibel in te zetten fonds is additioneel aan het humanitaire hulpbudget, maar de uitgangspunten van het humanitaire beleid, zoals handhaving humanitaire principes en coördinatie zullen ook voor dit fonds gelden.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Bedragen in EUR 1.000

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

559.660

1.197.200

366.379

440.402

324.132

488.132

324.132

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

527.379

1.049.667

394.571

394.571

394.571

404.571

414.571

 

waarvan juridisch verplicht

     

91%

       
                   

4.1

Humanitaire hulp

 

233.892

217.767

205.017

205.017

205.017

205.017

205.017

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

UNHCR

 

33.000

33.000

       
   

Wereldvoedselprogramma

 

36.000

36.000

       
   

UNRWA

 

13.000

13.000

       
   

Noodhulpprogramma's

 

130.767

123.017

       
                   

4.2

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties

 

22.798

0

0

0

0

0

                   
                   
   

Veiligheid voor mensen; Budget Internationale Veiligheid

 

22.798

         
                   

4.3

Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie

293.487

239.102

189.554

189.554

189.554

199.554

209.554

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

landenprogramma's legitieme en capabele overheid

 

6.000

5.000

       
   

Landenprogramma's functionerende rechtsorde

 

26.000

12.000

       
   

Midden Amerika programma

 

14.567

10.100

       
   

Kunduz Trainings missie

 

3.118

         
   

Landenprogramma's inclusieve en politieke processen; vredesdialoog en confilictpreventie

 

42.989

40.879

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

functionerende rechtsorde

 

9.000

10.000

       
   

Inclusieve politieke processen: vredesdialoog en conflictpreventie

 

47.348

36.300

       
   

Vredesdividend: werkgelegenheid en basisvoorzieningen

 

66.612

56.000

       
   

Legitieme en capabele overheid

 

23.468

19.275

       
                   

4.4

Noodhulpfonds

0

570.000

0

0

0

0

0

                   
   

Noodhulpfonds

 

570.000

         
                   
                   
 

Ontvangsten

     

0

0

0

0

0

                   

4.20

Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties

   

0

0

0

0

0

D2: Budgetflexibiliteit

Het budget voor humanitaire hulp kent een deel dat nog niet juridisch verplicht is. De uitgaven voor dit onderdeel zijn afhankelijk van de actualiteit en de behoefte bij de inzet in noodsituaties. De wereldwijd in te zetten core bijdragen aan internationale bij noodhulp meest betrokken organisaties zijn al wel juridisch vastgelegd. Ook de programma’s voor functionerende rechtsorde en capabele overheid, inclusieve en politieke processen, vredesdividend; werkgelegenheid en basisvoorzieningen en functionerende rechtsorde zijn nagenoeg allemaal juridisch vastgelegd. Het betreft programma’s die in 2014 of eerder zijn gestart.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

4.1 Humanitaire Hulp
  • Niet-geoormerkte bijdragen aan het wereldwijde VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF), UN-OCHA en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) ten behoeve van de snelle beschikbaarheid en flexibiliteit van de humanitaire hulp.

  • Ongeoormerkte bijdragen aan UNHCR, UNRWA en WFP, eveneens ten behoeve van snelle beschikbaarheid en flexibiliteit. Bijdragen aan de International Strategy for Disaster Risk Reduction (ISDR) van de VN en het Global Network of Civil Society Organizations for Disaster Reduction (GNDR); deze organisaties houden zich bezig met vermindering van (effecten van) rampen.

  • Verlichting van noden bij de grote humanitaire crises. Besluitvorming met betrekking tot bijdragen wordt gebaseerd op de inventarisatie van noden door de VN, het zgn. Consolidated Appeals Process (CAP). De bijdragen kunnen worden ingezet via VN-organisaties, gemeenschappelijke landenfondsen (Common Humanitarian Funds), (Internationale) Rode Kruis of NGO’s.

4.2 Budget Internationale Veiligheid; voorkomen en terugdringen van conflictsituaties
  • Vanaf 2015 is het budget voor Internationale Veiligheid (BIV) opgenomen op de begroting van het Ministerie van Defensie.

4.3 Rechtstaatontwikkeling, wederopbouw, vredesopbouw, versterkte legitimiteit van democratische structuren en tegengaan van corruptie
  • Legitieme en capabele overheid wordt geheel gefinancierd via een aantal grote, internationaal opererende NGO’s en IGO’s op het gebied van corruptie, democratisering, lokaal bestuur en politieke partijen.

  • Inclusieve politieke processen en vredesdialoog, wordt voor het overgrote gedeelte uitgevoerd via een mix van nationale en internationale NGO’s. Daarnaast is er een bedrag van circa EUR 4 mln. per jaar gereserveerd voor kennisontwikkeling op het gebied van vrede, veiligheid en rechtstaatontwikkeling.

  • Bij de wederopbouw (vredesdividend) is sprake van uitvoering d.m.v. NGO’s. In het geval van Specifieke landenprogramma’s wordt ook vaak gekozen voor voor uitvoering via het multilaterale kanaal (Multi-Donor Trust Funds), met het oog op de noodzakelijke coördinatie ter plekke en het belang van de betrokkenheid van de nationale overheid bij de uitvoering.

  • In het geval van rechtstaatontwikkeling is de International Development of Law Organisation (IDLO), dat in 2014 een «branch office» in Den Haag opende, een belangrijke uitvoeringspartner. Daarnaast wordt met centrale middelen met een beperkt aantal multilaterale en niet-gouvernementele organisaties samengewerkt en is op landenniveau een beperkt aantal NGO’s actief in de bilaterale programma’s.

Artikel 5: Versterkte kaders voor ontwikkeling

A: Algemene doelstelling

Versterkte kaders voor ontwikkeling en inclusieve groei door versterkte multilaterale betrokkenheid; de inzet van cultuur en sport in ontwikkelingslanden om een sociale en kansrijke samenleving te stimuleren; het bevorderen van maatschappelijke betrokkenheid in Nederland en bijdragen aan migratie en ontwikkeling.

B: Rol en verantwoordelijkheid

De Minister is verantwoordelijk voor:

Financieren

  • Het bijdragen aan organisaties die een belangrijke systeemfunctie hebben binnen het multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.

  • Het plaatsen van structureel circa 75 assistent-deskundigen uit Nederland en ontwikkelingslanden op interessante posities bij multilaterale organisaties.

  • Het verlenen van schuldverlichting in de Club van Parijs, de Wereldbank en de regionale ontwikkelingsbanken. Het in internationaal verband deelnemen in de kapitaal-aanvullingen van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Het steunen van lokale sport- en culturele organisaties in 6 partnerlanden. Sport en cultuur worden door die organisaties ingezet om de rol van jongeren en vrouwen te versterken in sociale ontwikkeling, water- en sanitatieprojecten, vrede en veiligheid, infrastructuur en projecten gericht op verbetering van sexuele en reproductieve gezondheid en rechten.

  • Het ondersteunen van initiatieven die cultuur en sport inzetten voor ontwikkeling, zowel op de posten als door middel van subsidies aan Nederlandse organisaties zoals het Prins Claus Fonds en KNVB WorldCoaches.

  • Het ondersteunen van initiatieven op het vlak van migratie en ontwikkeling.

Stimuleren

  • Het leveren van een bijdrage in relevante fora aan het overleg over de hervorming van de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.

  • Het toezien op de uitvoering door multilaterale organisaties van strategische aanwijzingen die de lidstaten in de VN opstellen.

  • Het bevorderen van meer coherent beleid en samenwerking door multilaterale organisaties op hoofdkantoor- en landenniveau.

  • Het bevorderen dat multilaterale organisaties resultaatgericht werken en hun resultaten zichtbaar maken.

  • Beïnvloeding van de formulering en vaststelling van nieuwe duurzame ontwikkelingsdoelstellingen in het kader van de post-2015 agenda.

  • Het toezien op de uitvoering van een nieuwe ontwikkelingsagenda door multilaterale organisaties.

  • In de betrokken multilaterale instellingen een bijdrage leveren aan het overleg over schuldhoudbaarheid.

  • Het pleiten voor een gezonde kapitaalpositie van de regionale ontwikkelingsbanken.

  • Het verbinden van culturele en sportieve initiatieven met onderwerpen van internationaal beleid, in het bijzonder ontwikkeling, democratisering, maatschappelijke transitie en mensenrechten.

  • Het stimuleren dat er rekening wordt gehouden met het belang van ontwikkelingslanden binnen het rijksbrede migratiebeleid.

  • De positieve bijdrage van migratie aan ontwikkeling bevorderen en de negatieve effecten tegengaan.

Regisseren

De coördinatie van de rijksbrede multilaterale inzet op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

C: Beleidswijzigingen

  • Inzet op een geïntegreerde agenda voor de ontwikkelingsdoelstellingen post-2015, waarin de drie elementen van duurzaamheid samenkomen.

  • Voor sport en cultuur wordt het aantal programmalanden verkleind (van 10 naar 7). Verder wordt de kennisuitwisseling versterkt.

D1: Budgettaire gevolgen van beleid

Beleidsartikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Bedragen in EUR 1.000

 

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Verplichtingen

 

– 118.106

217.552

21.217

186.586

28.672

185.672

20.672

                   

Uitgaven:

               
                   

Programma-uitgaven totaal

 

334.920

196.687

58.110

45.345

– 11.425

40.430

30.029

 

waarvan juridisch verplicht

     

100%

       
                   

5.1

Versterkte multilaterale betrokkenheid

227.589

191.117

159.617

159.882

135.882

135.882

135.882

                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

UNDP

 

27.500

17.500

       
   

UNICEF

 

19.000

14.000

       
   

UNIDO

 

1.950

1.950

       
   

Middelenaanvulling multilaterale banken en fondsen

 

121.219

104.296

       
   

Kapitaalaanvullingen multilaterale banken en fondsen

 

5.498

5.498

       
   

Speciale multilaterale activiteiten

 

6.950

7.373

       
   

Assistent-deskundigen programma

 

9.000

9.000

       
                   

5.2

Overig armoedebeleid

 

99.285

– 3.430

– 110.507

– 123.537

– 156.307

– 104.452

– 114.853

                   
 

Bijdragenovereenkomst

               
   

Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling

 

12.937

12.011

       
   

Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking

 

14.800

9.350

       
                   
 

Bijdragen (inter)nationale organisaties

               
   

Schuldverlichting

 

48.111

48.667

       
   

Unesco

 

2.000

2.000

       
                   
 

nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNP en/of toerekeningen

 

– 81.278

– 182.535

       
                   

5.3

Bijdrage aan migratie en ontwikkeling

8.046

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

9.000

                   
 

Subsidies

               
   

Migratie en ontwikkeling

 

3.500

3.100

       
                   
                   
 

Ontvangsten

 

78.619

106.715

79.542

164.537

76.882

74.492

72.154

                   

5.20

Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen

 

59.248

55.539

48.366

43.361

45.706

43.316

40.978

                   

5.21

Ontvangsten OS

 

19.371

51.176

31.176

121.176

31.176

31.176

31.176

                   

5.22

Koersverschillen OS

 

0

pm

pm

pm

pm

pm

pm

D2: Budgetflexibiliteit

Alle uitgaven voor versterkte multilaterale betrokkenheid, overig armoedebeleid en migratie en ontwikkeling zijn volledig juridisch verplicht.

E: Toelichting op de financiële instrumenten

5.1 Versterkte multilaterale betrokkenheid
  • Bijdragen aan de begroting van de Internationale Financiële Instellingen via middelenaanvulling, kapitaalverhogingen en specifieke programma’s of trustfondsen ter bestrijding van armoede in ontwikkelingslanden over een breed spectrum aan sectoren, o.a. op terrein van economische en sociale sectoren.

  • Nederland ondersteunt een aantal multilaterale systeemorganisaties die, behalve dat zij direct werkzaam zijn op het terrein van armoedebestrijding, ook van groot belang zijn voor het effectief functioneren van het multilaterale kanaal en het versterken van armoedebeleid in ontwikkelingslanden. Het betreft de Wereldbank, UNDP en UNICEF.

  • Het Nederlandse multilaterale assistent-deskundigen programma draagt bij aan capaciteitsopbouw van deskundigen in ontwikkelingslanden en aan het versterken van de invloed van ontwikkelingslanden in internationale organisaties.

5.2 Overig armoedebeleid
  • Compensatie van de Wereldbank (IDA) en regionale ontwikkelingsbanken voor schuldverlichting geeft ontwikkelingslanden de financiële ruimte een sterker eigen armoedebeleid te voeren.

  • Kleinere activiteiten op ambassades en consulaten-generaal op het terrein van cultuur en ontwikkeling.

  • Voor cultuur- en sport activiteiten in ontwikkelingslanden en uitwisseling is een bedrag beschikbaar, dat deels via ambassades in Mali, Indonesië, Egypte, Kenya, Zuid-Afrika, Suriname en Palestijnse Gebieden wordt ingezet en deels via Nederlandse cultuur-, sport- en ontwikkelingsorganisaties, zoals het Prins Clausfonds, NSA International en het Hubert Bals Fonds.

  • Voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking.

    Op dit artikelonderdeel is een negatief bedrag opgenomen waar wijzigingen van het totale ODA-budget als gevolg van BNP-mutaties worden verwerkt evenals aanpassingen in de toerekeningen (o.a. EKI en de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen). In het kader van verantwoord begroten worden de financiële instrumenten opgenomen op de beleidsartikelen. Omdat BNP mutaties een aantal keren per jaar plaatsvinden wordt hiermee geanticipeerd op schommelingen.

5.3 Bijdrage aan migratie en ontwikkeling
  • Aan niet-gouvernementele organisaties en interstatelijke organisaties die activiteiten uitvoeren op terrein van migratie en ontwikkeling kunnen subsidies of bijdragen worden verstrekt.

Ontvangsten

  • Het betreft hierbij restituties op OS programma’s die een lagere realisatie kennen dan oorspronkelijk voorzien. Vanwege bevoorschotting komt het voor dat hierbij restsaldi ontstaan. Daarnaast worden hierop ook de ontvangsten met betrekking tot aflossingen op begrotingsleningen verwerkt.

Bijlage 1: Verdiepingshoofdstuk

In het verdiepingshoofdstuk wordt informatie gegeven over de budgettaire aansluiting tussen de Ontwerpbegroting 2014 en de begroting 2015. Alleen mutaties boven EUR 2 miljoen en mutaties met een structurele doorwerking worden toegelicht en de mutaties t/m de eerste suppletoire begroting 2014 zijn eerder al tijdens de Voorjaarsnota toegelicht.

Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

463.256

491.830

678.020

773.984

473.055

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

– 45.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

44.627

52.417

– 74.558

– 19.031

2.098

 

nieuwe mutaties 2014

 

– 19.750

– 29.750

– 30.000

– 30.000

– 50.000

 

Stand ontwerpbegroting 2015

373.529

443.133

514.497

573.462

724.953

425.153

425.153

Toelichting artikel 1:

Vanwege kortingen op het ODA-budget, als gevolg van een dalend BNP het afgelopen jaar, wordt het budget voor Duurzame handel en investeringen op het terrein van versterkt privaat ondernemerschap meerjarig verlaagd.

Artikel 1 Duurzame handel en investeringen

Opbouw ontvangsten (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

9.315

5.167

8.463

4.815

1.815

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

0

2.100

5.000

0

0

 

nieuwe mutaties 2014

 

0

0

0

0

0

 

Stand ontwerpbegroting 2015

1.833

9.315

7.267

13.463

4.815

1.815

1.815

Artikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

581.953

616.602

686.532

751.532

751.532

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

5.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

– 10.673

– 22.549

– 4.172

– 45.792

– 45.792

 

nieuwe mutaties 2014

 

– 30.000

– 30.000

– 50.000

– 40.000

– 25.000

 

Stand ontwerpbegroting 2015

666.235

546.280

564.053

632.360

665.740

680.740

685.740

Toelichting artikel 2:

Vanwege kortingen op het ODA-budget, als gevolg van een dalend BNP het afgelopen jaar, wordt het budget voor Duuzame ontwikkeling, voedselzekerheid en water op het terrein van marktontwikkeling, duurzame voedselproductie en het versterken van het ruraal ondernemingsklimaat meerjarig verlaagd.

Daarnaast worden de Landenprogramma’s voor integraal waterbeheer en drinkwater en sanitatie bijgesteld.

Artikel 3 Sociale vooruitgang

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

985.987

945.091

842.823

737.823

737.823

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

33.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

– 379

1.321

6.438

– 4.875

125

 

nieuwe mutaties 2014

 

– 2.478

– 2.478

– 2.478

– 2.478

– 2.478

 

Stand ontwerpbegroting 2015

1.115.501

1.016.130

943.934

846.783

730.470

735.470

735.470

Artikel 4 Vrede en veiligheid voor ontwikkeling

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

685.469

689.571

689.571

689.571

689.571

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

7.000

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

– 197.802

43.350

0

0

0

 

nieuwe mutaties 2014

 

555.000

– 338.350

– 295.000

– 295.000

– 285.000

 

Stand ontwerpbegroting 2015

527.379

1.049.667

394.571

394.571

394.571

404.571

414.571

Toelichting artikel 4

Door herprioritering wordt EUR 5 miljoen in 2014 overgeheveld naar de begroting van Buitenlandse Zaken (V). Vanaf 2015 wordt het budget voor Internationale veiligheid structureel overgeheveld naar de begroting van Defensie. Onderdeel van deze overheveling is dat EUR 60 miljoen beschikbaar blijft voor de begrotingen van BZ en BH&OS ter financiering van veiligheidssectorhervormingen, vredes- en capaciteitsopbouw en beveiliging van hoog-risico posten. Dit wordt jaarlijks bij Voorjaarsnota verwerkt.

Voor 2014 is het noodhulpfonds ingesteld. Dit fonds is flexibel inzetbaar in de periode 2014–2017. Dit betekent dat het beschikbare bedrag in 2014 niet volledig zal worden uitgegeven, maar zal worden verdeeld over de komende jaren. (naar verwachting EUR 100 mln in 2014, EUR 170 mln in 2015 en EUR 150 mln in 2016 en 2017)

Artikel 4 Vrede en weilgheid voor ontwikkeling

Opbouw ontvangsten (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

     

0

0

   

mutatie nota van wijziging 2014

     

0

0

   

mutatie amendement 2014

     

0

0

   

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

     

25.500

25.500

   

nieuwe mutaties 2014

     

– 25.500

– 25.500

   

Stand ontwerpbegroting 2015

     

0

0

   

Toelichting artikel 4:

Als gevolg van de overheveling van het Budget Internationale Veiligheid (BIV) naar het Ministerie van Defensie worden ook de ontvangsten overgeheveld.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Opbouw uitgaven (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

79.011

– 7.516

79.487

– 152.231

84.906

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

41.496

– 78.571

– 178.648

– 21.931

– 128.290

 

nieuwe mutaties 2014

 

76.180

144.197

144.506

162.737

83.814

 

Stand ontwerpbegroting 2015

334.920

196.687

58.110

45.345

– 11.425

40.430

30.029

Op dit artikel zijn de correcties verwerkt als gevolg van de daling van het BNP en het hieraan gekoppelde ODA-budget.

Artikel 5 Versterkte kaders voor ontwikkeling

Opbouw ontvangsten (EUR 1.000)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Stand ontwerpbegroting 2014

 

86.715

80.117

75.675

77.337

74.947

 

mutatie nota van wijziging 2014

 

0

0

0

0

0

 

mutatie amendement 2014

 

0

0

0

0

0

 

Mutatie 1e suppletoire begroting 2014

 

0

0

0

0

0

 

nieuwe mutaties 2014

 

20.000

– 575

88.862

– 455

– 455

 

Stand ontwerpbegroting 2015

78.619

106.715

79.542

164.537

76.882

74.492

72.154

De stijging van de ontvangsten wordt veroorzaakt door restituties van de Wereldbank, het Global Trade Liquidity Program (GTIP).

Bijlage 2: Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2013/2014

MOTIES BH&OS (XVII)

Datum

Omschrijving

Herkomst

Stand van Zaken

12-09-2013

Motie Schouw c.s. 19 637, nr. 1717: over het verhogen van het quotum voor hervestiging van 2014

Dertigledendebat over het bericht «Het kabinet ziet niets in opvang van vluchtelingen uit Syrie d.d. 12 september 2013

Zal door MinV&J behandeld worden

12-09-2013

Motie Schouw c.s. 19 637, nr. 1718: over een meer actieve rol van de regering in de Europese coordinatie van hulp aan Syrie

Dertigledendebat over het bericht «Het kabinet ziet niets in opvang van vluchtelingen uit Syrië d.d. 12 september 2013

Aan voldaan in brief DSH-888/2013, verzonden op 16 oktober 2013

12-09-2013

Motie Van der Staaij/Van Hijum 19 637, nr. 1716: over voorrang geven aan de meest kwetsbare en bedreigde personen

Dertigledendebat over het bericht «Het kabinet ziet niets in opvang van vluchtelingen uit Syrië 12 september 2013

Zal door MinV&J behandeld worden

12-09-2013

Motie Voordewind 19 637, nr. 1715: over het loskoppelen van 250 Syrische vluchtelingen van het bestaande quotum

Dertigledendebat over het bericht «Het kabinet ziet niets in opvang van vluchtelingen uit Syrië d.d. 12 september 2013

Zal door MinV&J behandeld worden

12-09-2013

Motie Voortman c.s. 19 637, nr. 1712: over ruimhartige opvang van Syrische vluchtelingen in Nederland

Dertigledendebat over het bericht «Het kabinet ziet niets in opvang van vluchtelingen uit Syrië d.d. 12 september 2013

Zal door MinV&J behandeld worden

03-10-2013

Motie de Caluwé/Agnes Mulder 26 234, nr. 142: geen extra regelgeving bovenop de OESO-richtlijnen

VAO Landroof d.d. 3 oktober 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-10495/2013, verzonden op 30 september 2013

03-10-2013

Motie Smaling/Jasper van Dijk 26 234, nr. 146: uitbreiding van het landbouwareaal binnen het speerpunt «Voedselzekerheid"

VAO Landroof d.d. 3 oktober 2013

Ondersteuning beleid

03-10-2013

Motie Van Ojik (gewijzigd) 26 234, nr. 147: aanscherpen van de OESO-richtlijnen met het oog op landrechten van boeren

VAO Landroof d.d. 3 oktober 2013

In behandeling

11-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 625 nr. 52: uitbreiding van de eis van ontwikkelingsrelevantie voor investeringen uit het Dutch Good Growth Fund

Notaoverleg Ondernemen voor Ontwikkeling (DGGF) d.d. 11 november 2013

Ondersteuning beleid

11-11-2013

Motie Van Ojik 33 625 nr. 56: activiteiten uit het Dutch Good Growth Fund in lijn laten zijn met internationale duurzaamheidsafspraken

Notaoverleg Ondernemen voor Ontwikkeling (DGGF) d.d. 11 november 2013

Ondersteuning beleid

11-11-2013

Motie Van Ojik 33 625, nr. 55: voldoen aan arbeidsvoorwaarden voor steun uit het Dutch Good Growth Fund

Notaoverleg Ondernemen voor Ontwikkeling (DGGF) d.d. 11 november 2013

Ondersteuning beleid

11-11-2013

Motie Van Ojik 33 750 V nr. 13: de inzet van het Budget voor Internationale Veiligheid als uitgangspunt te nemen dat die inzet bijdraagt aan de versterking van de rol van vrouwen in conflictsituaties

Notaoverleg Budget Internationale Veiligheid d.d. 11 november 2013

In behandeling

28-11-2013

Motie Agnes Mulder en de Caluwé 33 750 nr. 30: een visie op het grensoverschrijdende bedrijfsleveninstrumentarium

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DDE over effectieve private sector ontwikkeling, verzonden op 25 april 2014

28-11-2013

Motie Jan Vos 33 750 nr. 28: Kamer regelmatig informeren over TTIP en nationale maatregelen privacy (de borging van privacy in het handelsakkoord tussen de EU en de VS)

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief IMH-64555/14, verzonden op 7 februari 2014

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 625 nr. 65: de politieke onafhankelijkheid van maatschappelijke organisaties

VAO Maatschappelijke Organisaties en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO-122/14, verzonden op 13 mei 2014

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 625 nr. 66: jaarlijkse reflectie op de verhouding tussen de kanalen en de vraag in hoeverre de daarin gemaakte keuzes bijdragen aan een goede uitvoering van de beleidsprioriteiten

VAO Maatschappelijke Organisaties en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO-122/14, verzonden op 13 mei 2014

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 750 nr. 31: afrekenbare doelen op het terrein van buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking in 2014

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief BIS-034/14, verzonden op 20 maart 2014

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 750 nr. 33: het beleid ten aanzien van intellectueel eigendom

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief EZ, verzonden op 8 juli 2014.

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 750 nr. 34: bestedingen uit het BIV en het DGGF

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

In behandeling

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 750 nr. 35: de bestrijding van vrouwenbesnijdenis nadrukkelijker als politieke prioriteit benoemen en uitdragen

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO-124/14, verzonden op 28 april 2014

28-11-2013

Motie Sjoerdsma 33 750 nr. 36: de kans voor studenten uit ontwikkelingslanden om in Nederland te studeren

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO/030/14, verzonden op 6 mei 2014

28-11-2013

Motie Van der Staaij 33 750 nr. 43: verankering van voorkombare infectieziekten in het SRGR-beleid

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO/GA-054/14, verzonden op 20 maart 2014

28-11-2013

Motie Van Laar 33 625 nr. 62: het mogelijk maken dat organisaties uit een DAC-land deel uitmaken van een alliantie

VAO Maatschappelijke Organisaties en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 28 november 2013

Aan voldaan in brief DSO-122/14, verzonden op 13 mei 2014

28-11-2013

Motie Van Laar 33 750 nr. 29: expliciete aandacht voor vrouwen en meisjes in OS-beleidsdocumenten

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

In behandeling

28-11-2013

Motie Van Ojik 33 750 nr. 42: TTIP en ISDS: onderzoek naar risico’s en de Kamer over resultaten informeren. In Europees verband inzetten om ongewenste gevolgen akkoord aan te pakken/ opname van het ISDS in het handelsakkoord tussen de VS en de EU

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-231032/14, verzonden op 16 mei 2014

28-11-2013

Motie Van Ojik en Jasper van Dijk 33 750 nr. 41: de grote verschillen in ontwikkelingsniveau van ACP-landen, in EU-rol van honest broker spelen en aandringen op flexibele opstelling

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief IMH-114339/14, verzonden op 19 maart 2014

28-11-2013

Motie Voordewind 33 750 nr. 37: een breed convenant met de Nederlandse kledingbranche voor risicolanden

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

In behandeling

28-11-2013

Motie Voordewind 33 750 nr. 38: het streven naar gelijkwaardigheid van de drie domeinen in het speerpunt water

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DME-48485/14, verzonden op 11 februari 2014

03-12-2013

Motie van Laar 33 750 V, nr. 14: bij elke missie gefinancierd uit het BIV expliciet en voor zover mogelijk aan geven hoe Nederland invulling geeft aan haar betrokkenheid aan wat het perspectief op lange termijn is

Notaoverleg Budget Internationale Veiligheid d.d. 11 november 2013

In behandeling

17-12-2013

Motie Sjoerdsma 26 485 nr. 171: ervoor zorg te dragen dat bedrijven rijksbreed enkel in aanmerking komen voor overheidssteun indien zij handelen conform de OESO-richtlijnen

VAO MVO-Bangladesh d.d. 17 dec. 2013

In behandeling

17-12-2013

Motie Voordewind 26 485 nr. 170: de financiële sector expliciet op te nemen in het mvo-risicosectorenbeleid om duurzaamheid en transparantie in deze sector te bevorderen

VAO MVO + Bangladesh d.d. 17 dec. 2013

Aan voldaan in brief EDT-5430/14, verzonden op 24 juni 2014

18-12-2013

Motie van Vliet 25 086, nr. 69: alert zijn op fiscale afwikkelingen in andere landen en, fiscale innovatie als uitgangspunt te hanteren

Plenair SEO-onderzoek d.d. 18 dec. 2013

Zal door MinFIN behandeld worden

18-12-2013

Motie Van Vliet 25 087 nr. 70: bij eventuele heronderhandeling over belastingverdragen met derde staten het behoud van de Ned. fiscale positie als uitgangspunt hanteren

Plenair SEO-onderzoek d.d. 18 dec. 2013

Zal door MinFIN behandeld worden

20-02-2014

Motie Jasper Van Dijk, 21 501-02 nr. 1334: over het TTIP-vrijhandelsverdrag mag geen verlaging van Europese standaarden betekenen

AO RBZ-Handelsraad d.d. 13 februari 2014 / VAO RBZ-Handelsraad d.d. 20 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-16673/14, verzonden op 22 april 2014

20-02-2014

Motie Klaver en Jan Vos, 21 501-02 nr. 1335: bezien of en hoe Amerikaanse bedrijven NAFTA ISDS zouden kunnen gebruiken om claims in te dienen in Nederland

AO RBZ-Handelsraad d.d. 13 februari 2014 / VAO RBZ-Handelsraad d.d. 20 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-2014.328124, verzonden op 25 juni 2014

20-02-2014

Motie Klaver, 21 501-02 nr. 1336: dat de Europese Unie onverkort vasthoudt aan het voorzorgsprincipe in het onderhandelen met de VS over het handelsakkoord

AO RBZ-Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-16673/14, verzonden op 22 april 2014

20-02-2014

Motie Klaver/v. Dijk, 21 501-02, nr. 1338: het TTIP-verdrag altijd ter goedkeuring voor te leggen aan het parlement

AO RBZ-Handelsraad d.d. 13 februari 2014

In behandeling

20-02-2014

Motie van Dijk, 21 501-02, nr. 1333; brede consulatie te organiseren over het vrijhandelsverdrag EU-VS (TTIP) en de resultaten aan de Kamer te sturen

AO RBZ-Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan voldaan in brief DGBEB-231032/14, verzonden op 16 mei 2014

06-03-2014

Motie Van Laar en De Caluwé 33 625 nr. 75: het inpassen van de HPV-vaccinatie in de SRGR-programma's

VAO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2014

Aan voldaan in brief DSO/GA-054/14, verzonden op 20 maart 2014

06-03-2014

Motie Van Laar en Jasper Van Dijk 33 625 nr. 77: continueren van de steun aan maatschappelijke organisaties

VAO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2014

Aan voldaan in brief DSO-075/14, verzonden op 10 april 2014

11-03-2014

(Gewijzigde) Motie Van Laar en Sjoerdsma 33 625, nr. 76: 5 miljoen euro oormerken voor projecten voor veilige abortus

VAO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 11 maart 2014

In behandeling

13-05-2014

Motie de Caluwé 33 625 nr. 101: het herzien van het meerjarenplan voor Mali

VAO MJSP's d.d. 13 mei 2014

In behandeling

13-05-2014

Motie de Caluwé 33 625 nr. 103: Oeganda waarschuwen voor verdergaande maatregelen van Nederland

VAO MJSP's d.d. 13 mei 2014

Aan voldaan in brief DIE-372092/14, verzonden op 17 juli 2014

13-05-2014

Motie de Caluwé en Mulder 33 625 nr. 102: één concreet en meetbaar doel per partnerland in de speerpuntenbrief van september

VAO MSJP's d.d. 13 mei 2014

In behandeling

13-05-2014

Motie Van Laar en Mulder 33 625 nr. 100: met Ambassades zoeken naar extra impulsen in de strijd tegen seksueel geweld

VAO MJSP's d.d. 13 mei 2014

In behandeling

23-06-2014

Motie Agnes Mulder 33 916 nr. 4: Het versterken van «enabling environment»

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

In behandeling

01-07-2014

Gewijzigde motie Leegte (t.v.v. 33 916, nr. 5): De nadruk leggen op het benutten van kansen

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Gewijzigde motie Leegte (t.v.v. 33 916, nr. 6): Een platform creëren waar vraag en aanbod elkaar kunnen vinden

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

In behandeling

01-07-2014

Gewijzigde motie Leegte (t.v.v. 33 916, nr. 7): Overleg plegen over investeringsvoorstellen en gemengde vormen van financiering

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Motie Van Laar 33 916 nr. 13: Altijd vooropstellen van ontwikkelingsrelevantie en inclusieve groei

Nota overleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Motie Van Laar 33 916 nr. 14:Het lokale maatschappelijk middenveld actief betrekken bij het bedrijfsleveninstrumentarium

Nota overleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Motie Van Laar 33 916 nr. 15:Het DRIVE-programma

Nota overleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

In behandeling

01-07-2014

Motie Van Ojik 33 916 nr. 12: Onafhankelijke controle en monitoring op Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen

Nota overleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Motie Van Ojik 33 916 nr.10: Armoedebestrijding expliciet als doel stellen

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 201

Ondersteuning beleid

01-07-2014

Nader gewijzigde motie Leegte en Agnes Mulder (t.v.v. 33 916, nr. 9): Over mogelijkheden om de inzet van het Nederlandse bedrijfsleven bij nationale en internationale instrumenten te vergroten

Notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

In behandeling

03-07-2014

(Gewijzigde) Motie Jasper Van Dijk (tvv 26 485, nr. 183): Niet-vrijblijvende afspraken om landroof tegen te gaan

VAO IMVO d.d. 3 juli 2014

In behandeling

04-07-2014

Motie Jan Vos c.s. 26 485 nr.180: Inzicht in de herkomst van door de energiebedrijven gebruikte steenkolen

VAO IMVO d.d. 3 juli 2014

In behandeling

TOEZEGGINGEN BH&OS (XVII)

Datum

Omschrijving

Herkomst

Stand van Zaken

03-07-2013

Informeren over EU-donorconferentie voor Somalië van 16 september a.s., incl. Nederlandse inzet en terugblik op verleende hulp

AO Somalië d.d. 3 juli 2013

Aan voldaan in brief DAF-2013.258459, verzonden op 17 september 2013

03-07-2013

Overzicht sturen met uitsplitsing van Nederlandse hulp aan Somalië, met daarbij ook informatie over Nederlandse inzet voor remittances en over samenwerking met Turkije m.b.t. Somalië

AO Somalië d.d. 3 juli 2013

Aan voldaan in brief DAF-258459/13, verzonden op 13 september 2013

08-07-2013

De Kamer ontvangt na het zomerreces maar in ieder geval voor de begrotingsbehandeling de jaarrapportage wapenexport 2012

AO Wapenexportbeleid d.d. 3 juli 2013

Aan voldaan in brief BEB/IMH 2013.267531, verzonden op 11 november 2013

08-07-2013

In het volgende jaarverslag komt er meer informatie over afwijkingen van begrote uitgaven

Wetgevingsoverleg d.d. 13 juni 2013

Aan voldaan. In de jaarverslagen is per artikel hierover een passage opgenomen.

08-07-2013

Later dit jaar komt er een beleidsdoorlichting van de Private Sector Ontwikkeling

Wetgevingsoverleg d.d. 13 juni 2013

Aan voldaan in «Kamerbrief inzake Effectieve privatesectorontwikkeling door focus en synergie», verzonden op 25 april 2014

08-07-2013

De Minister verkent de mogelijkheden van onderzoek door een onafhankelijke (bijv. het OPCW) naar het eindgebruik van het vanuit Nederland geëporteerde glycol

AO Wapenexportbeleid d.d. 3 juli 2014

Aan voldaan in brief DGBEB/IMH-254984/2013, verzonden op 3 september

08-07-2013

De Minister zal de Kamer eenmaal per jaar in een vertrouwelijke brief informeren over de afwikkeling van mogelijke malversaties, met in het jaarverslag informatie over resultaten van terugvorderingen

Wetgevingsoverleg d.d. 13 juni 2013

Aan voldaan in vertrouwelijke brief FEZ-2013/416, verzonden op 8 november 2013

08-07-2013

De Minister zal de Kamer in een brief informeren over beheer en capaciteit, in vergelijking met andere landen

Wetgevingsoverleg d.d. 13 juni 2013

Aan voldaan in brief FEZ-2013/423, verzonden op 18 oktober 2013

08-07-2013

Resultaten « tracking cell» voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen in Somalië door militairen van AMISOM

AO Somalië d.d. 3 juli 2013

Aan voldaan in brief DVB/CV-243/13, verzonden op 16 december 2013

30-08-2013

De Minister onderzoekt mogelijkheden voor meer hulp aan IDP's in Syrië en informeert de Kamer over de uitkomst

AO Syrië d.d. 30 augustus 2013

Aan voldaan in brief DSH-806/2013, verzonden op 20 september 2013

18-09-2013

De Minister informeert de Kamer periodiek per brief over de voortgang van de post-2015 ontwikkelingsagenda en de Nederlandse inzet daarbij en rapporteert daarin tevens over de resultaten met betrekking tot de MDG's en de Nederlandse financiele bijdrage daaraan

AO Nederlandse visie op de post-2015 ontwikkelingsagenda d.d. 18 september 2013

Aan voldaan in brief DMM/SE-321875, verzonden op 27 november 2013

19-09-2013

Kamer zal geinformeerd worden over de sector risico analyse; waaronder de vraag naar openbaar maken van de sectoranalyses

AO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen d.d. 19 september 2013

Aan voldaan tijdens technische briefing MVO sector risico analyse

19-09-2013

De Minister zal de Kamer rapporteren over de uitkomst van het gesprek met CEO's van bedrijven over verbetering van de transparantie met betrekking tot land deals

AO Landroof d.d. 18 september 2013

Aan voldaan in brief DDE-685/13, verzonden op 18 december 2013

19-09-2013

De Minister zal gezette tijden rapporteren naar de Kamer over de voortgang van de uitvoering van het Plan van Aanpak van de Nederlandse textielsector

AO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen d.d. 19 september 2013

In behandeling

19-09-2013

De Minister zal in een volgende brief over Landroof maximaal rapporteren in termen van kwantitatieve ontwikkelingen en doelstellingen

AO Landroof d.d. 18 september 2013

Aan voldaan in brief DME-2014.177758, verzonden op 30 april 2014

19-09-2013

Voor het kerstreces komt er een brief over het Nationaal Actieplan Mensenrechten en Bedrijfsleven. Hierin wordt ingegaan op het NCP, onderzoeksmandaat van het NCP en inzagerecht

AO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen d.d. 19 september 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-353777/13, d.d. 20 december 2013

01-10-2013

In een volgende brief over MVO zal nader ingegaan worden op naleving van OESO richtlijnen door bedrijven die meegaan met economische missies

AO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen d.d. 19 september 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-2013.5665, verzonden op 4 juli 2013

03-10-2013

De Minister informeert de Kamer per brief over de Nederlandse positie ten aanzien van de Asian Development Bank

AO Wereldbank d.d. 3 oktober 2013

Aan voldaan in brief DMM/IF-187/2013, verzonden op 5 november 2013

23-10-2013

De Minister zal schriftelijk terugkomen op vragen CDA over Nederlandse handelsbevordering met sudan

AO RBZ d.d. 16 oktober 2013

Aan voldaan in brief DGBEB/DIO-2013.68911, verzonden op 2 december 2013

13-11-2013

De reserveringen voor kinderrechten in een overzicht

AO Maatschappelijke organisaties en ontwikkelingssamenwerking d.d. 13 november 2013

Aan voldaan in brief DSO/GA-72/14, verzonden op 28 maart 2014

13-11-2013

Uitwerking beleidskader

AO Maatschappelijke organisaties en ontwikkelingssamenwerking d.d. 13 november 2013

Aan voldaan in het MO subsidiekader op 13 mei 2014

15-11-2013

De Kamer ontvangt uiterlijk eind september 2014 een brief over de wijze waarop de 3-D benadering wordt ingevuld

Notaoverleg Budget Internationale Veiligheid d.d. 11 november 2013

In behandeling

15-11-2013

De Minister informeert de Kamer voor het zomerreces per brief over hoe het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid in de Palestijnse Gebieden in het evaluatieprogrammavan het IOB is opgenomen

Notaoverleg Budget Internationale Veiligheid d.d. 11 november 2013

Aan voldaan in brief DAM-340106/14, verzonden op 3 juli 2014

15-11-2013

De Minister stuurt de kamer voor 1 juni 2014 een brief over ORIO naar naanleiding van de review van het Carnegie Consult

Notaoverleg Ondernemen voor Ontwikkeling d.d. 11 november 2013

Aan voldaan in brief DDE-204/14, verzonden op 25 april 2014

05-12-2013

Informeren over evaluatie NBSO Houston

Notaoverleg Modernisering Diplomatie d.d. 25 november 2013

Aan voldaan in brief DIO-6670/14, verzonden op 17 juli 2014

05-12-2013

Preciezer resultaten weergeven van bijvoorbeeld handelsmissies

Notaoverleg Modernisering Diplomatie d.d. 25 november 2013

Aan voldaan met de verzending van de afgelopen kwartaalrapportage BZ-2013.83004

11-12-2013

Brief met techn uitleg over ISDS incl.appreciatie sociale,ecologische,financiële en rechtspositionele gevolgen voor Nederlandse bedrijven t.o.v. intern bedrijven, waarbij de risico’s in kaart worden gebracht,incl(waar nodig)mitigerende maatregelen/acties

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief IMH-328124/14, verzonden op 25 juni 2014

11-12-2013

Brief op vragen lid Thieme over China, zuivel en handelsbevordering

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DIO-2013.13699, verzonden op 19 december 2013

11-12-2013

Brief over Internationaal Verdienvermogen

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013 + AO Economische missies en exportbevordering d.d. 19 december 2013

Aan voldaan in brief EDT-80225/14, verzonden op 16 mei 2014

11-12-2013

Brief over samenhangend beleidsverhaal waarin de relatie tussen middelen en doelstellingen uiteen wordt gezet

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DME-177758/14, verzonden op 30 april 2014

11-12-2013

CEO’s energiebedrijven informeren over Kamermeerderheid voor transparantie over sourcing steenkolen tijdens gesprek 19/12

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-355893/13, verzonden op 23 december

11-12-2013

Gendercide: inventarisatie van de situatie in andere landen en inzet mensenrechtenambassadeur bezien

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief TFVG-06/2014, verzonden op 30 april 2014

11-12-2013

Kamer schriftelijk informeren TK over transactietax, inclusief voorstellen Noorwegen

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

Aan voldaan in brief EDT-1739–14, verzonden op 3 maart 2014

11-12-2013

Nader informeren in voorjaar over motie Smaling (145, AO landroof) over financiering landroof door banken en pensioenfondsen

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

In behandeling

11-12-2013

Noodhulp: bij bedragen boven 5 mln Kamer schriftelijk informeren en 1 keer p/j rapporteren zoals gebruikelijk

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

Aan voldaan in brief DAM-9082/14, verzonden op 13 januari 2014

11-12-2013

Onderwijs: Brief over eventuele gaten in budgetten in partnerlanden. Inclusief korte alinea over welke donoren wat doen. Indien mogelijk meenemen in bestaande rapportage

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief, verzonden op 5 februari 2014.

11-12-2013

Onderwijs: in volgende rapportage terugkomen op uitvoering motie van der Staaij

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in OS-EXIT brief

11-12-2013

Palmolie en schendingen landrechten: per brief oordeel over investeringen Rabo, na gesprek met Rabo en andere financiele instellingen

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

In behandeling

11-12-2013

Rapporteren over voortgang EITI, per brief, ism MinEZ

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

In behandeling

11-12-2013

Rwanda begrotingssteun: indien aanleiding voor heroverwegen steun Kamer informeren via geannoteerde agenda RBZ OS

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief DAF-2014.191761, verzonden op 7 mei 2014

11-12-2013

Verslag van gesprek met CEO’s energiebedrijven aan TK sturen

Begrotingsbehandeling BuHa&OS d.d. 28 en 29 november 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-355893/13, verzonden op 23 december

11-12-2013

Via geannoteerde agenda RBZ Handel verslag over afspraken over privacy in EU, ihkv TTIP onderhandelingen

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 27 en 28 november 2013

Aan voldaan in brief IMH-64555/14, verzonden op 7 februari 2014

20-12-2013

In het TTIP/ISDS onderzoek (motie van Ojik begrotingsbehandeling) wordt een appreciatie van de politieke context meegnomen

Mondeling Overleg Eerste Kamer Nederlands OS-beleid d.d. 17 december 2013

Aan voldaan in brief DGBEB-2014.231032, verzonden op 16 mei 2014

20-12-2013

De Minister stuurt aanvullende brief over de 0.7% norm (voor verschijnen Kabinetsreactie IBO/ODA)

Mondeling Overleg Eerste Kamer Nederlands OS-beleid d.d. 17 december 2013

Aan voldaan in brief BIS-001/2014, verzonden op 17 februari 2014

23-12-2013

De Minister presenteert in april 2014 een separate MKB-strategie en zal deze aan de Tweede Kamer sturen

AO Economische missies en exportbevordering d.d. 19 december 2013

Aan voldaan in brief DIO-6240/14, verzonden op 7 juli 2014

23-12-2013

De Minister zal in overleg treden met de De Minister van V&J over extraterritoriale werking van wetgeving in de VS + het VK inzake corruptie en de Kamer schriftelijk over de uitkomst hiervan informeren

AO Economische missies en exportbevordering d.d. 19 december 2013

Aan voldaan in brief IMH-2014.48893, verzonden op 29 januari 2014

16-01-2014

Samenwerkingsforum Israel d.d. 8-9 december 2013

Toezegging tijdens Vragenuurtje d.d. 14 januari 2014

Aan voldaan in brief DAM-35843/14, verzonden op 16 januari 2014

23-01-2014

Kamerbrief van de Ministers over NL hulp Zuid Sudan en mogelijke politieke inspanningen

AO-RBZ d.d. 16 januari 2014

Aan voldaan in brief DSH-60428/14, verzonden op 13 februari 2014

10-02-2014

De Kamer ontvangt alsnog een notificatiebrief inzake de afgegeven vergunning voor wapenexport naar Turkmenistan

AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief DVB-059/14, verzonden op 19 maart 2014

10-02-2014

De Kamer ontvangt de Wapenexportrapportage over het jaar 2013 vóór het zomerreces van 2014

AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief DVB-2014.304173, verzonden op 25 juli 2014

10-02-2014

De Kamer wordt medio april geïnformeerd over de gewijzigde EU-Verordening inzake dual-use goederen, waarbij ook ingegaan zal worden op het Nederlandse ambitieniveau inzake harmonisering en verbetering van het Europese wapenexportcontrolebeleid

AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief DVB-185039/14, verzonden op 3 juli 2014

10-02-2014

In de volgende wapenexportjaarrapportage zal ook een overzicht opgenomen worden van de afgegeven vergunningen voor strategische diensten.

AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief DVB-2014.304173, verzonden op 25 juli 2014

10-02-2014

Mininister stuurt brief aan Kamer over humanitaire hulp Syrië en de afgelopen Rome conferentie hierover

AO RBZ d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief DSH-76157/14, verzonden op 24 februari 2014

12-02-2014

De Kamer ontvangt vóór het AO China (9 april 2014) een kabinetsreactie op het AIV-advies «Azië in opmars», waarbij ook het Clingendael rapport over de Aziatische Ontwikkelingsbank zal worden betrokken

AO Nederlandse positie bij de Aziatische Ontwikkelingsbank d.d. 11 februari 2014

Aan voldaan in brief DAO-143213/14, verzonden op 1 april 2014

12-02-2014

In de rapportage aan de Kamer in het kader van de Voorjaarsvergadering van de Wereldbank ook ingaan op de inzet in de richting van de Aziatische Ontwikkelingsbank om deelname van het Nederlandse bedrijfsleven aan de uitvoer

AO Nederlandse positie bij de Aziatische Ontwikkelingsbank d.d. 11 februari 2014

Aan voldaan in brief DMM-259316/14, verzonden op 18 juni 2014

12-02-2014

Toezegging 1: OPCW

Besloten gedeelte AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-131432/14, verzonden op 24 april 2014

12-02-2014

Toezegging 2: OM

Besloten gedeelte AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-131432/14, verzonden op 24 april 2014

12-02-2014

Toezegging 3: Australië groep

Besloten gedeelte AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-310967/14, verzonden op 11 juni 2013

12-02-2014

Toezegging 4: Lessons learned

Besloten gedeelte AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-310967/14, verzonden op 11 juni 2013

12-02-2014

Toezegging 5: Declaratie

Besloten gedeelte AO Wapenexportbeleid d.d. 5 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-131432/14, verzonden op 24 april 2014

14-02-2014

De Kamer ontvangt een verslag van de bijeenkomst van de Commission on the Status of Women in New York (10 – 21 maart 2014)

AO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2014

Aan voldaan in brief TFVG-21/14, verzonden op 29 april 2014

14-02-2014

De Kamer ontvangt in september 2014 de resultatenrapportage voortgang speerpunten over het jaar 2013

AO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2014

In behandeling

14-02-2014

De Minister informeert de Kamer in het verslag van de RBZ Handelsraad over het afwegingskader inzake vertrouwelijkheid m.b.t. TTIP en zal daarbij ook ingaan op het ISDS-mechanisme in CETA en NAFTA

AO RBZ Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-114339/14, verzonden op 19 maart 2014

14-02-2014

De Minister informeert de Kamer per brief over de mogelijkheden om binnen de bestrijding van infectieziekten ook in te zetten op HPV-vaccinatie

AO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2014

Aan voldaan in brief DSO/GA-054/14, verzonden op 20 maart 2014

14-02-2014

De Minister informeert de Kamer per brief over de Nederlandse inzet op het gebied van vrouwenbesnijdenis

AO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2014

Aan voldaan in brief DSO-124/14, verzonden op 28 april 2014

14-02-2014

De Minister informeert de Kamer per brief over het exportcontroleregime inzake dual-use en de consequenties van een eventuele aanpassing van de goederenlijst met het oog op een gelijk speelveld.

AO RBZ Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-109671/14, verzonden op 14 maart 2014

14-02-2014 &

28-03-2014

De Minister informeert de Kamer schriftelijk over de uitvoering van de motie over agro-ecologische landbouwpraktijken (Kamerstuk 31 250, nr. 81) en een brief over Voedselzekerheid en Climate Smart Agriculture naar de Kamer, waarin ook ingegaan zal worden op de inspanningen voor de verbetering van de positie van lokale producenten (kleine boeren en boerinnen), gender, goed bestuur en transparantie

AO Voortgang Speerpunten Ontwikkelingssamenwerking d.d. 12 februari 2014 en AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

In behandeling

14-02-2014

De Minister stuurt het rapport van Ecorys over de te verwachten winst van TIPP voor Nederland naar de Kamer

AO RBZ Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan voldaan in brief IMH-104239/14, verzonden op 10 maart 2014

14-02-2014

De Minister zal in de geannoteerde agenda RBZ Handelsraad periodiek rapporteren over de uitkomst van de consultaties in het kader van het ISDS-mechanisme

AO RBZ Handelsraad d.d. 13 februari 2014

Aan toezegging is voldaan

06-03-2014

De voortgangsrapportage 2013 (medio 2014) bespreekt de mogelijkheden voor stage en leerwerktrajecten voor studenten uit ontwikkelingslanden die naar Nederland zijn gekomen

AO Migratie en Ontwikkeling d.d. 5 maart 2014

Aan voldaan in brief DCM-MA-087/14, verzonden op 27 juni 2014

06-03-2014

De voortgangsrapportage 2014 (medio 2015) bevat een evaluatie van de strategische landenbenadering; nagegaan wordt of dit door IOB gedaan kan worden, met assistentie van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC)

AO Migratie en Ontwikkeling d.d. 5 maart 2014

In behandeling

06-03-2014

In de voortgangsrapportage 2013 (medio 2014) wordt de Kamer geïnformeerd over de appreciatie van het rapport over remittances en de gesprekken met de financiële sector over de aanbevelingen; rapport ook naar de Kamer

AO Migratie en Ontwikkeling d.d. 5 maart 2014

Aan voldaan in brief DCM-MA-087/14, verzonden op 27 juni 2014

06-03-2014

In de voortgangsrapportage 2013 (medio 2014) wordt informatie gegeven over de monitoring van terugkeer projecten door particuliere organisaties en over de resultaten van particuliere diensten

AO Migratie en Ontwikkeling d.d. 5 maart 2014

Aan voldaan in brief DCM-MA-087/14, verzonden op 27 juni 2014

14-03-2014

Overleggen over mogelijkheid om de noodhulp aan Syrië voor het hele jaar nu reeds toe te zeggen en de Minister verzoeken de Kamer hierover te informeren

AO RBZ d.d. 12 maart 2014

Aan voldaan in AO noodhulp Syrië

27-03-2014

De Minister zal onderzoek doen naar de verhouding in de uitgaven voor noodhulp door het Verenigd Koninkrijk (VK) via multilaterale organisaties en ngo's en de Kamer hierover schriftelijk (in een reeds

AO noodhulp/informatie noodhulp Syrië

Aan voldaan in DSH-302076/14, verzonden op 5 juni 2014

27-03-2014

Wanneer het kabinet later dit jaar besluit tot een additionele bijdrage aan de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR), dan zal de Minister de Kamer daarover per brief informeren

AO noodhulp/informatie noodhulp Syrië

Aan voldaan in brief DIE-184324/14, verzonden op 9 mei 2014

28-03-2014

Bij de (jaarlijkse) herziening van de MJSP’s ook een impactanalyse voor kwetsbare groepen opnemen en ingaan op gender, beleidscoherentie en de inzet op de bestrijding van seksueel geweld binnen de speerpuntenprogramma’s

AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

In behandeling

28-03-2014

De Kamer ontvangt bij de speerpuntenbrief een cijfermatig overzicht van budgettaire mutaties per speerpunt

AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

In behandeling

28-03-2014

De Kamer per brief informeren over condities en omvang van hervatting van de steun voor de justitiële sector in Rwanda

AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

Aan voldaan in brief DAF-2014.191761, verzonden op 7 mei 2014

28-03-2014

In begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2015 zal de Kamer geïnformeerd worden over de laatste stand van zaken m.b.t. de drie landen waarbij sprake is van problemen bij de uitfasering (Nicaragua, Bolivia,Tanzania)

AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

In behandeling

28-03-2014

In de resultaatfiches speerpunten, die in september naar de Kamer worden gestuurd, ook ingaan op de Nederlandse inzet op het gebied van coaching van politievrouwen in Mali

AO Meerjarige Strategische Plannen(MJSP's) 2014–2017 d.d. 27 maart 2014

In behandeling

10-04-2014

De Minister zal voortaan in (ter zake doende) resultatenrapportages nadrukkelijker opnemen wat Nederland via de Wereldbank heeft bereikt.

AO Wereldbank d.d. 9 april 2014

In behandeling

18-04-2014

In MVO-toolkit aandacht vragen voor ketenanalyse i.v.m. eventueel gebruik van laogai-componenten

AO China d.d. 9 april 2014

In behandeling

18-04-2014

In resultatenrapportages voorbeelden geven van multilaterale resultaten (mede) toe te schrijven aan NL

AO Wereldbank d.d. 9 april 2014

In behandeling

18-04-2014

Minister V&J zal TK informeren over uitkomsten bezinning op manier om meer systematisch en periodiek belangen op gebied van veiligheid en economisch gebied af te wegen, zoals aangekondigd in kabinetsreactie AIV-advies (ref. Chinese investeringen in NL)

AO CHina d.d. 9 april 2014

In behandeling

18-04-2014

Tijdens handelsmissie naar China aandacht besteden aan inkomend toerisme uit China, daarbij het Australische plan terzake te betrekken en te bekijken of visumvertrekking nog efficiënter kan

AO China d.d. 9 april 2014

Aan voldaan in brief DVB/CV-074/14, verzonden op 13 mei 2014.

28-04-2014

De Kamer ontvangt rond de zomer de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het opnemen van ISDS in TTIP, waarin ook een reactie op de voorstellen van UNCTAD hieromtrent worden meegenomen

AO RBZ Handelsraad d.d. 24 april 2014

Aan voldaan in per brief IMH-328124/14, verzonden op 25 juni 2014

28-04-2014

De Minister zal de nieuwe ontwikkelingen en wijzigingen voor de CETA tekst op basis van het trade policy committee van 25 april 2014 naar de Kamer sturen

AO RBZ Handelsraad d.d. 24 april 2014

Aan voldaan in brief IMH-180867/14, verzonden op 29 april 2014

28-04-2014

In ambtelijke briefing inzake komende onderhandelingsronde TTIP geïnformeerd worden over uitkomsten vh onderzoek dat de Minister laat uitvoeren naar opbrengsten van TTIP.Hierin zal ook een appreciatie van eerdere onderzoeksrapporten worden meegenomen

AO RBZ Handelsraad d.d. 24 april 2014

Aan voldaan in technische briefing

28-04-2014

De Minister stuurt een verslag van zowel de brede consultatie over TTIP naar aanleiding van de motie-Jasper van Dijk (25 februari jl.) als een verslag van de consultatie over geschillenbeslechting in TTIP (17 april jl.) naar de Kamer

AO RBZ Handelsraad d.d. 24 april 2014

Aan voldaan in brief DGBEB-2014.231032, verzonden op 16 mei 2014

22-05-2014

De Kamer ontvangt rond de zomer een appreciatie van de resultaten van het onderzoek naar mogelijke concurrentienadelen als gevolg van transparantie inzake de herkomst van steenkolen per energiemaatschappij.

AO IMVO eerste termijn d.d. 3 april 2014

Aan voldaan in brief IMH-208345/14, verzonden op 27 juni 2014

22-05-2014

De Kamer ontvangt vóór het zomerreces het aangepaste instellingsbesluit van het NCP (Nationaal Contactpunt OESO-richtlijnen)

AO IMVO eerste termijn d.d. 3 april 2014

Aan voldaan in brief IMH-2014.303161, verzonden op 2 juli 2014

22-05-2014

De Minister gaat met Stas EZ, of Stas EZ gaat zelf in overleg met de supermarkten en CBL over de grote hoeveelheid aan keurmerken (eerlijke supermarkt). De Minister rapporteert hierover aan de commissie.

AO IMVO eerste termijn d.d. 3 april 2014

In behandeling

22-05-2014

De Minister stelt problemen rond de winning van neodymium aan de orde bij de windmolensector, of in een brede dialoog met energiebedrijven. De Minister rapporteert hierover aan de commissie.

AO IMVO eerste termijn d.d. 3 april 2014

In behandeling

02-06-2014

MinBHOS gaat in volgende voortgangsrapportage in op stavaza beschuldigingen van seksueel misbruik

AO Minusma d.d. 21 mei 2014

In behandeling

02-06-2014

De Minister zal een Annex toevoegen aan het MJSP die ingaat op de opbouw van de Malinese rechtsstaat (VenR-programma)

AO Minusma d.d. 21 mei 2014

In behandeling

13-06-2014

Eind van de zomer een kamerbrief sturen over de opzet van een conferentie over het begrip Theory of Change in samenwerking met Partos

AO Subsidiekader «Samenspraak en Tegenspraak» d.d. 12 juni 2014

In behandeling

13-06-2014

Eind van de zomer een kamerbrief sturen waarin een voorstel is geformuleerd voor de oprichting van een hefboomfonds

AO Subsidiekader «Samenspraak en Tegenspraak» d.d. 12 juni 2014

In behandeling

19-06-2014

De Kamer wordt geïnformeerd als via Syrische PV, OPCW of Sigrid Kaag antwoord komt op vraag naar gebruik en inzet van door Nederlandse bedrijven geleverd glycol en teflonpompen

AO Syrische chemische wapenprogramma d.d. 11 juni 2014

Aan voldaan in brief DVB-2014.185039, verzonden op 3 juli 2014

19-06-2014

De Kamer wordt met regelmaat geïnformeerd over de uitvoering van de actiepunten

AO Syrische chemische wapenprogramma d.d. 11 juni 2014

In behandeling

19-06-2014

De Minister zal de kwestie van bewijslast bespreken met Minister van V&J en de Kamer hierover informeren

AO Syrische chemische wapenprogramma d.d. 11 juni 2014

In behandeling

19-06-2014

Vóór de zomer ontvangt de Kamer een brief over dual use, o.a. over het gevolg geven aan denials en over de 5 door de Minister tijdens het AO genoemde actiepunten; en tevens over de afweging van risico's

Ao Syrische chemische wapenprogramma d.d. 11 juni 2014

Aan voldaan in brief DVB-185039/14, verzonden op 3 juli 2014

24-06-2014

De Minister zal de Kamer per brief informeren over de uitkomst van het onderzoek naar de toepassing van unsolicited proposals binnen DRIVE

notaoverleg Bedrijfsleveninstrumentarium en initiatiefnota De Caluwé d.d. 23 juni 2014

In behandeling

01-07-2014

Technische briefing over Open Data waarin vrijwillige bijdragen aan NGO's inzichtelijk wordt gemaakt.

Wetgevingsoverleg Jaarverslag 2013 Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 1 juli 2014

In behandeling

03-07-2014

De Kamer ontvangt de speech van de Minister naar aanleiding van de presentatie van het rapport van PAX over mensenrechtenschendingen in de steenkoolsector in Colombia

AO Tweede Termijn IMVO d.d. 2 juli 2014

Aan voldaan in brief IMH-350914/14, verzonden op 15 juli 2014

03-07-2014

De Kamer ontvangt in het najaar de evaluatie duurzaam inkopen door de overheid

AO Tweede termijn IMVO d.d. 2 juli 2014

Afhandeling door de Minister van Binnelandse Zaken en Koninkrijksrelaties

03-07-2014

De Minister zegt toe, dat alle beschikbare informatie over de effecten van de toepassing van sancties bij malversaties, zal worden meegenomen in de twee jaarlijkse rapportage hierover aan de Kamer (oktober en mei).

Wetgevingsoverleg Jaarverslag 2013 Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

Wordt regulier aan voldaan twee keer per jaar

Bijlage 3: Subsidieoverzicht

Subsidieoverzicht Begroting 2015 Hoofdstuk 17 Buitenlandse Handel en OS

Onder subsidie wordt verstaan: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Uitgangspunt voor het overzicht zijn alle lopende subsidies per 1 juli 2014 en de daarbij behorende kasramingen volgens het managementinformatiesysteem van BZ.

Lopende subsidies peildatum 1 juli 2014 (bedragen x 1.000 euro)

Begrotings- artikel

Naam subsidie (-regeling) (met hyperlink naar vindplaats)

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Aantal verleningen in 2013

Jaar laatste evaluatie (met hyperlink naar vindplaats)

Jaar volgende evaluatie

Einddatum subsidie (-regeling)

17U0101

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Sudsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

2.540

2.761

2.534

2.388

635

0

0

2

2007

2017

2020

17U0102

Regeling Starters International Business (SIB)

0

2.940

0

0

0

0

0

480

n.v.t.

2016

2018

17U0102

Partners for International Business (PIB)

0

5.870

0

0

0

0

0

18

n.v.t.

2016

2020

17U0102

Subsidieregeling voor demonstratieprojecten, haalbaarheidsstudies en kennisverwerving (DHK)

0

7.367

0

0

0

0

0

100

n.v.t.

2016/2017

2020

17U0102

Transitiefaciliteit

0

2.170

0

0

0

0

0

25

n.v.t.

2015

2017

17U0102

2g@there

6.922

3.831

1.275

63

0

0

0

0

n.v.t.

2016

2012

17U0102

Finance International Business (FIB)

2.025

11.345

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2016

2020

17U0102

Package4Growth

3.272

1.684

261

65

0

0

0

0

n.v.t.

2016

2012

17U0102

PSOM, presidentsprogramma

10.669

4.364

590

1.018

0

0

0

0

2010

2013

2013

17U0103

Transitiefaciliteit

0

1.806

8.000

3.366

0

0

0

24

n.v.t.

2015

2017

17U0103

2g@thereOS

1.227

1.523

1.500

1.000

540

0

0

4

n.v.t.

2016

2012

17U0103

Faciliteit Duurzaam Ondernemen en Voedselzekerheid (FDOV)

4.165

7.569

10.462

10.462

14.917

2.811

250

27

n.v.t.

2014

2013

17U0103

Private Sector Investeringsprogramma (PSI)

24.061

16.419

38.916

58.930

27.287

14.245

4.702

250

n.v.t.

2015

2014

17U0103

Schoklandfonds

27

32

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2014

2012

17U0103

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

123.259

82.605

86.914

51.741

32.967

20.776

0

76

n.v.t.

2014/2015

2020

17U0201

Geodata for Agriculture and Water Facility 2013–2014

1.250

3.683

13.037

12.255

9.075

4.165

1.735

0

n.v.t.

2017

2015

17U0201

Schoklandfonds

1.493

854

103

0

0

0

0

0

n.v.t.

2014

2012

17U0201

NFP/NICHE

15.000

10.210

10.210

0

0

0

0

327

2012

2019

2020

17U0201

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

65.241

65.687

43.093

35.121

10.393

100

0

19

n.v.t.

2015

2020

17U0202

Fonds Duurzaam Water (FDW)

1.575

8.505

6.792

6.196

5.000

6.750

382

10

n.v.t.

2016

2013

17U0202

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

24.398

30.163

18.742

10.865

4.200

2.170

366

9

2012

2018

2020

17U0203

KHED/Daey Ouwens Fonds

1.290

1.500

3.160

0

0

0

0

11

n.v.t.

2018

2020

17U0203

Duurzame Biomassa Mondiaal (DBM)

1.349

1.086

0

0

0

0

0

35

2013

Regeling is vervallen per 1/1/2010.

2010

17U0203

Schoklandfonds

0

1.070

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2014

2012

17U0203

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

23.336

24.658

30.460

27.252

22.537

21.658

1.566

10

n.v.t.

2014/2015

2020

17U0301

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subdsideregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

25.871

35.343

21.508

4.699

1.824

548

0

6

n.v.t.

2013

2020

17U0301

Coordinatie en afstemming NGO's

350

140

10

0

0

0

0

0

n.v.t.

Kader wordt meegenomen in bredere evaluatie.

2018/2019

2016

17U0301

Key Population Fonds

3.900

13.100

3.450

250

0

0

0

0

n.v.t.

2016

2016

17U0301

Fonds Keuze en Kansen

8.850

9.150

2.000

0

0

0

0

0

n.v.t.

2015

2015

17U0301

Fonds Product Development Partnerships 2011–2014

19.676

16.478

3.953

295

0

0

0

0

n.v.t.

2015

2015

17U0301

Opstap Fonds

1.000

4.000

1.700

300

0

0

0

0

n.v.t.

Opstapfonds bestaat uit slechts één activiteit. Er is vooralsnog geen aparte evaluatie van de subsidie voorzien. Mogelijk wordt het meegenomen in een volgende beleidsdoorlichting van SRGR en Aids (laatste doorlichting was in 2013). Een datum voor de volgende beleidsdoorlichting waarin deze subsidie kan worden meegenomen is nog niet bekend.

2016

17U0301

SRGR Fonds 2013–2015

30.598

39.044

30.123

6.393

0

0

0

0

n.v.t.

2016

2016

17U0302

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

7.610

7.180

5.080

1.442

171

54

0

15

n.v.t.

2014

2020

17U0302

Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW)

26.260

23.300

12.388

3.500

0

0

0

35

n.v.t.

2016

2016

17U0303

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

60.014

55.000

55.867

6.761

0

0

0

0

n.v.t.

2014

2020

17U0303

Personele Samenwerking Ontwikkelingssamenwerking

0

0

0

0

0

0

0

0

2011

In 2011 heeft een effectonderzoek plaatsgevonden m.b.t. capaciteitsversterking. Daarin is PSO meegenomen in de case studies. Een volgende evalauatie van PSO is niet voorzien. Er is wel een beleidsdoorlichting gepland oor steun aan het maatschappelijk middenveld in 2016.

2013

17U0303

Vakbondsmedefinancieringsprogramma 2013–2016

12.719

14.830

12.252

3.678

2.451

0

0

0

n.v.t.

2018

2017

17U0303

Medefinancieringsstelsel II

379.199

392.239

326.925

19.178

0

0

0

0

n.v.t.

2015

2016

17U0304

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

6.798

5.710

1.881

700

0

0

0

1

n.v.t.

2018

2020

17U0304

Programma Onderzoek en Innovatie

4.793

1.423

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

De subsidieregeling «Programma Onderzoek en Innovatie» is afgesloten, met de introductie van het standaard subsidiekader «ontwikkelingssamenwerking». De activiteiten worden uitgefaseerd en het centrale onderzoeksprogramma wordt omgevormd in lijn met de kennisbrief (kst-32605–61 van 14 november 2011). De subsidieregeling «Onderzoek en Innovatie» bestaat uit een groot aantal diverse activiteiten van verschillende instellingen. Wordt meegenomen in bredere evaluatie.

2018

2013

17U0304

NFP/NICHE

48.767

52.024

47.585

17.585

17.585

0

0

500

2012

2018

2020

17U0401

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

22.614

14.259

7.855

350

258

0

0

15

n.v.t.

2015

2020

17U0401

Wederopbouw 2012–2015

0

2.398

126

0

0

0

0

0

n.v.t.

2013

2016

17U0403

Fonds Politieke Partijen II 2012–2015

4.235

8.000

6.400

1.600

0

0

0

0

n.v.t.

2015

2016

17U0403

Wederopbouw 2012–2015

27.974

25.521

22.832

7.737

830

0

0

3

n.v.t.

2013

2016

17U0403

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

17.959

25.085

16.401

8.074

1.984

0

0

7

n.v.t.

2013

2020

17U0501

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

2.846

1.899

1.277

0

0

0

0

6

n.v.t.

2018

2020

17U0501

Programma Onderzoek en Innovatie

828

92

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2018

2020

17U0502

Subsidies zonder gepuliceerde beleidsregels en/of plafonds die rechtstreeks onder Subsidieregeling Ministerie van de Buitenlandse Zaken 2006 zijn verstrekt.

6.126

6.040

3.806

3.207

0

0

0

5

n.v.t.

2015

2020

17U0502

Kennis voor Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking

10.145

8.720

385

0

0

0

0

0

2013

2017/2018

2015

17U0502

Subsidiebesluit Burgerschap en Ontwikkelingssamenwerking (SBOS)

3.000

4.227

0

0

0

0

0

0

n.v.t.

2015

2014

17U0503

Migratie en Ontwikkelingsprogramma 2011

73

109

0

0

0

0

0

0

2012

2018

2012

17U0503

Migratie en Ontwikkelingsprogramma 2012

724

538

182

28

0

0

0

0

2012

2018

2013

17U0503

Migratie en Ontwikkelingsprogramma 2013

750

1.108

645

209

98

0

0

4

n.v.t.

2018

2014

17U0503

Migratie en Ontwikkelingsprogramma 2014

0

68

106

106

70

0

0

0

n.v.t.

2018

2015

TOTALEN

1.046.779

1.066.730

860.783

306.813

152.822

73.276

9.001

2024

     

Bijlage 4: Evaluatie- en onderzoekstabel

Soort onderzoek

Titel/onderwerp

Artikel

Doel-stelling

Start

Afronding

Vindplaats

1a

Beleidsdoorlichting

         
 

MVO

1

1

2017

2017

 

NL handels en investeringspositie

1

2

2017

2017

 

Private Sector Ontwikkeling

1

3

2012

2014

Rapport

 

Voedselzekerheid & landbouwontwikkeling

2

1

 

2016

 
 

Waterbeheer

2

2

 

2017

 
 

Hernieuwbare energie in ontwikkelingssamenwerking

2

3

2012

2014

 
 

Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, Aids

3

1

2012

2013

Rapport

 

Genderbeleid

3

2

2013

2014

 
 

Maatschappelijk Middenveld

3

3

 

2016

 
 

Humanitaire Hulp

4

1

 

2015

 
 

Beleid Latijns Amerika

4

3

2012

2013

Rapport

 

Steun aan fragiele staten

4

3

2012

2013

Rapport

 

Rechtstaatontwikkeling, democratisering en corruptiebestrijding

4

3

 

2015

 
 

Synthese onderzoek UN organisaties

5

1

2016

 

1b

Effectenonderzoek

         
 

onderhandelingseffectiviteit inzake Transatlantic Trade & Investment Partnership (TTIP)

1

1

 

2015

 
 

Netherlands Business Support (NBSO) netwerk

1

2

2013

2014

 
 

Economische diplomatie

1

2

 

2015

 
 

Faciliteit Opkomende Markten

1

2

 

2016

 
 

Evaluatie DIO instrumentarium

1

2

2016

2017

 

Investment Climate Facility for Africa

1

3

2013

2013

Rapport

 

CBI