Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2018-2019nr. 108, item 5

5 Tekort aan arbeidskrachten

Aan de orde is het debat over het tekort aan arbeidskrachten.

De voorzitter:

Ik heet de minister van harte welkom. Wij gaan ons thans buigen over het tekort aan arbeidskrachten. We hebben zeven deelnemers van de zijde van de Kamer. Iedereen heeft vier minuten spreektijd. De eerste spreker van de zijde van de Kamer is mevrouw Tielen van de fractie van de VVD.

Het woord is aan mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Of je als mkb'er nou een bedrijf leidt in de ICT, een praktijk in de mondzorg, een café of een zwemschool: altijd drijft je succes op goeie mensen, op doeners, medewerkers die niet alleen werken om salaris te verdienen, maar ook omdat ze iets doen wat ze goed kunnen, omdat ze met andere mensen in contact zijn en omdat het werken gewoon een fijne besteding van de dag is. Maar medewerkers zijn steeds moeilijker te vinden. Het mkb als motor van de Nederlandse economie begint vast te lopen omdat er grote personeelstekorten zijn. Niet alleen in het mkb zijn er tekorten, maar ook in de zorg, het onderwijs en bij Defensie, waar op dit moment meer dan 8.000 vacatures zijn. De vraag naar goede mensen is groter dan het aanbod.

Voorzitter. Anderhalf jaar geleden vond deze Kamer het tekort aan arbeidskrachten zo urgent dat we daarvoor deze minister naar de Kamer lieten komen om aan de slag te gaan. Nu, anderhalf jaar later, is het nog steeds belangrijk om hierover in de zaal te staan. De minister heeft een aanpak geschreven en een voortgangsrapportage gemaakt, maar helaas is het aantal openstaande vacatures deze zomer weer tot een recordhoogte gestegen. Nog steeds zijn er ruim een miljoen mensen die onnodig langs de kant staan of meer willen werken. Dat is slecht voor die mensen en slecht voor Nederland.

Voorzitter. De VVD is blij met zo veel banen en zo veel werkenden, maar we maken ons zorgen over die krapte. Wat ons betreft is de minister nog veel te voorzichtig in zijn aanpak. De VVD wil dat er meer urgentie en meer daadkracht is, dat de minister weet welke obstakels er zijn die een goede aansluiting tussen vraag en aanbod in de weg staan en dat hij die obstakels gewoon weghaalt. De VVD wil dat mkb'ers en andere werkgevers ervaren dat de aanpak van de minister ook daadwerkelijk voor hen werkt. Daarom wil ik in dit debat drie dingen weten. Waarom is het voor zo veel deeltijdwerkers zo moeilijk om meer te gaan werken? Meer dan 350.000 mensen die nu in deeltijd werken, willen graag meer uren of meer dagen werken. Het kan niet anders dan dat werkgevers dat toejuichen. Het is in deze gespannen arbeidsmarkt dan ook niet te geloven dat dat kennelijk niet lukt. Kan de minister concreet maken welke obstakels in de weg staan tussen deeltijdwerk en meer uren? Is de minister bereid om concrete maatregelen te nemen om die weg te halen? Wij willen graag dat mensen die meer uren willen werken, dat ook kunnen doen en er dan natuurlijk financieel op vooruitgaan. Wie meer werkt, verdient beter. Wat kan de minister doen?

De heer Smeulders (GroenLinks):

Heel terecht dat de VVD deze vraag stelt. Ik ben wel benieuwd wat de VVD zelf als oorzaak hiervan ziet.

Mevrouw Tielen (VVD):

Een van de oorzaken is dat mensen er te weinig op vooruitgaan als ze meer gaan werken. Dan blijkt dus, als je met elkaar thuis om de tafel zit om op een rijtje te zetten wat het je oplevert om meer te gaan werken, dat je ineens allerlei dingen niet meer krijgt en dat er onder aan de streep minder overblijft dan je had verwacht met een dag of een halve dag meer werken.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Een helder antwoord. Het is zeker een punt, maar bijvoorbeeld kinderopvang is heel duur, vooral voor veel mensen met een lager inkomen. Als je dan extra gaat werken, houd je daarvan inderdaad heel weinig over, bijvoorbeeld vanwege de kinderopvang of omdat het heel moeilijk is om zorgverlof te krijgen. Is de VVD ook bereid om dat bijvoorbeeld aantrekkelijker te maken?

Mevrouw Tielen (VVD):

Kinderopvang is helemaal niet duur als je in de laagste inkomensgroepen zit of een middeninkomen hebt. Er wordt vanuit de schatkist enorm veel aan kinderopvangtoeslag bijgedragen, juist om te zorgen dat mensen inderdaad die kinderopvang kunnen gebruiken. Ik herken dat dus niet helemaal.

De heer Van Kent (SP):

Groot nieuws: de VVD verklaart hier dat kinderopvang in Nederland niet duur is. Volgens mij zijn er een hele hoop huishoudens die daar toch anders over denken en ook een andere ervaring hebben. Maar mijn vraag gaat over de toeslagen. U zegt terecht dat mensen er in een aantal gevallen niet of nauwelijks op vooruitgaan of er zelfs op achteruitgaan als ze gaan werken of meer willen gaan werken. Vindt de VVD ook dat die toeslagen veel minder snel moeten worden afgebouwd en dat die grens verlegd moet worden, zodat werk ook altijd loont?

Mevrouw Tielen (VVD):

Die laatste uitspraak van meneer Van Kent onderschrijf ik van harte. Hoe dat er precies moet uitzien in een tabel met belastingtarieven, toeslagen enzovoort, heb ik nu niet paraat, zeg ik heel eerlijk. Ik vind wel dat we daar heel scherp en kritisch naar moeten kijken. Voor gewone mensen in het land is dit gewoon niet logisch, dus dat moeten we gewoon oplossen. Ik hoor dat de SP graag met mij meekijkt, dus ik ga graag in debat over een oplossing.

De heer Van Kent (SP):

Dat debat voeren wij volgens mij hier. Ik zal u een handje helpen. Als je van bijstandsniveau of minimumloon naar modaal gaat, raak je in stapjes een paar duizend euro aan toeslagen kwijt. Dat heet technisch een zaagtand. Als we in plaats daarvan kiezen voor een glijdende schaal, ben je niet bij harde grenzen ineens een groot deel van je toeslag kwijt. Als mensen meer gaan werken, betekent dat dat ze er meer aan overhouden. Is de VVD bereid om samen met de SP deze minister te vragen om daar goed naar te kijken en met een voorstel te komen om het probleem op te lossen?

Mevrouw Tielen (VVD):

Als blijkt dat dat de grootste obstakels zijn ... Ik denk dat er meer oorzaken te noemen zijn. Volgens mij is er ook nog interdepartementaal onderzoek onderweg dat dit soort dingen in kaart brengt. Ik ben het helemaal met u eens: als dit de obstakels zijn, als we die relatief makkelijk kunnen oplossen, dan moeten we dat doen. Dan ben ik zeker bereid om daarin stappen van deze minister te vragen.

De voorzitter:

Prima. U continueert.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ten tweede. Als je een bedrijfje met tien medewerkers hebt, heb je er nogal veel last van als je twee langdurig openstaande vacatures hebt, veel meer dan als je een bedrijf hebt met bijvoorbeeld 300 mensen. Dat begrijpt iedereen. Toch krijg ik signalen van mkb'ers dat ze weinig steun krijgen bij hun vraag om potentiële arbeidskrachten. Mogen ze niet gewoon verwachten dat het UWV en de gemeentes ze in contact brengen met werkzoekenden in de kaartenbakken? Waarom gebeurt dit niet? Wat staat er in de weg? In de update van de minister las ik dat er miljoenen euro's klaar liggen om regionale actieplannen te laten realiseren. Hoe staat het daarmee? Hoeveel arbeidsmarktregio's zijn inmiddels in actie gekomen? Maken ze in hun plannen specifiek een aanspreekpunt voor mkb'ers? Dat wil ik graag weten, want wij willen dat werkgevers veel gerichtere ondersteuning krijgen in het vinden van werkzoekenden voor hun vacatures.

Ten derde. Waarom wordt er, ondanks de grotere aantallen vacatures, juist minder geïnvesteerd in opleiding en ontwikkeling, O&O in het jargon van dit ministerie? Dat is raar. Kan de minister aangeven wat de resultaten zijn van de zogenoemde O&O-fondsen? Zijn ze wel toegankelijk genoeg voor ondernemers? We willen graag dat de verbinding tussen onderwijs en opleiding enerzijds en de arbeidsmarkt anderzijds steeds sterker wordt, op alle niveaus. Bijscholen, omscholen, opgeleid worden tijdens het werken, moeten de normaalste zaak van de wereld worden. In diverse debatten zullen we daarop terug blijven komen.

Voorzitter, begrijp mij niet verkeerd. De VVD gelooft niet in een maakbare arbeidsmarkt. Openstaande vacatures zullen er altijd zijn, maar we willen graag meer urgentie en prioriteit van deze minister voor de personeelstekorten die alleen maar oplopen en die een bedreiging zijn voor de ontwikkeling van onze welvaart. Wij willen graag dat deze minister laat zien dat hij zorgt dat het komende jaar het aantal banen verder blijft stijgen, en het aantal mensen dat niet of te weinig werkt daalt. Aan de slag!

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik heb even gewacht tot het hele betoog van de collega geweest is, maar ik mis een onderdeel, namelijk dat er ook mensen zijn die heel graag zouden willen doorwerken als zij hun AOW-gerechtigde leeftijd hebben bereikt. Dat heb ik gemist. Wat is het standpunt van de VVD daarover? Kunnen we elkaar vinden om ervoor te zorgen dat ook deze mensen een kans krijgen om, eventueel parttime, door te werken?

Mevrouw Tielen (VVD):

Dat is het nadeel van vier minuten. Dan moet je kiezen, maar mevrouw Van Brenk heeft natuurlijk helemaal gelijk. Als mensen door willen werken en daartoe in staat zijn, wat staat daar dan aan in de weg om te zorgen dat er een match is, om het in mooi Nederlands te zeggen, tussen werkgevers en werkzoekenden boven de AOW-leeftijd? Ik zoek dat graag met u uit. Als u ideeën heeft over hoe dat kan en opgelost kan worden, trek ik ook daarin graag met u op.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dan heb ik nog een ander punt. Ik hoorde een opmerking over blijvend leren en investeren in mensen. Dat lijkt me heel erg goed. Dat is ook een punt waar wij permanent aandacht voor vragen. Betekent dat dat dan dat de investeringsagenda van dit kabinet wat de VVD betreft ook daarop gericht moet zijn?

Mevrouw Tielen (VVD):

U bedoelt dan ...

De voorzitter:

"En mevrouw Van Brenk bedoelt dan."

Mevrouw Tielen (VVD):

Sorry. Dank u wel, meneer Bosma, meneer de voorzitter.

Wat bedoelt mevrouw Van Brenk precies? Heeft zij het dan over investeringen in bijscholing en omscholing, bijvoorbeeld onder andere in die O&O-fondsen, waar zowel werkgevers als de schatkist aan bijdragen? Bedoelt zij dat, denkt u?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Mevrouw Van Brenk denkt dat er in de leerrekening die geïntroduceerd is, ook door de overheid behoorlijk moet worden geïnvesteerd, zodat mensen de ruimte hebben om zich binnen maar ook buiten hun sector verder te bekwamen en door te groeien.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ja, ook dat klinkt heel redelijk en logisch, dus ik zou graag ja zeggen. Tegelijkertijd hoop ik dat u het mij niet euvel duidt dat ik nog niet alle bedragen precies voor ogen heb. Wellicht zijn we het niet helemaal met elkaar eens, maar u heeft gelijk: laten we als samenleving en dus ook vanuit de overheid zorgen dat mensen — "inzetbaar" vind ik rotwoord — duurzaam kunnen blijven werken aan het werk dat ze goed kunnen en leuk vinden.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Van Weyenberg van de fractie van D66.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Het is een illusie te denken dat deze minister met één pennenstreek de krapte op de arbeidsmarkt kan oplossen, maar de oplossing zal wel moeten komen uit goed samenspel van werkgevers, de vakbeweging en het kabinet. In dat verband zou ik het graag over drie zaken willen hebben, ook in het verlengde van het actieplan voor de aanpak van de krapte dat eerder op verzoek van D66 en VVD is opgesteld.

De eerste is arbeidsmarktdiscriminatie. Het is al onbestaanbaar, maar je bent als werkgever natuurlijk knettergek als je mensen vanwege hun leeftijd, geloof, achternaam of geboorteplaats niet uitnodigt op gesprek of geen stage geeft. Het is heel weerbarstige materie. Ik zal volgende week in het debat daarover met de staatssecretaris weer een aantal moties indienen, ook gericht op de uitzendbureaus, maar ik zou graag een reactie van de minister willen op een wat mij betreft heel interessant initiatief van de Start Foundation, namelijk Open Hiring: wie langskomt, krijgt een baan en daarna gaan we kijken of je opgetraind kunt worden en of het goed gaat. Ik vind dat een inspirerend experiment. Heeft de minister daar al contact over? En vindt hij dat met mij heel interessant?

De tweede is arbeidsmigratie, maar ik zie mevrouw Van Brenk, dus ik wacht even.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Wij gaan straks ook een pleidooi houden voor Open Hiring, maar de vraag is of dat bij de minister ligt of dat we dan ook moeten kijken naar sociale partners, in die zin dat we moeten zorgen dat zij aan de bak gaan om dit bij alle bedrijven voor elkaar te krijgen. Ziet D66 dat ook zo?

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben dat volledig met mevrouw Van Brenk eens. Ik vroeg aan de minister of hij net als ik enthousiast is, maar deze experimenten worden juist door de Start Foundation opgestart met bedrijven die dit graag willen. Dat vind ik nou net zo interessant. De echte oplossing ligt daar waar mensen worden geworven. Zo wil ik de Arbeidsinspectie bijvoorbeeld een grotere rol geven en vragen om te handhaven als er wordt gediscrimineerd. Maar ik ben het helemaal met u eens: de kracht van die experimenten is nou juist dat het geen overheidsexperimenten zijn maar experimenten op de werkvloer.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Er is nog één punt. U had het al over discriminatie en dergelijke. Maar het gaat ook om een mentaliteitskwestie. Ik heb vandaag nog even gekeken: als ik achter de kassa wil bij Jumbo, moet ik een CV insturen, anders nemen ze mijn sollicitatie helemaal niet in behandeling. Dan kom je met open hiring dus nergens. Welke stappen ziet D66 voor zich om dát juist voor elkaar te krijgen?

De heer Van Weyenberg (D66):

Nu moet ik een beetje opletten, want ik val nu bijna in de valkuil waarvoor mevrouw Van Brenk mij net zelf voor waarschuwde, namelijk om dit niet vanuit het Haagse te gaan doen, maar om aan te sluiten bij de experimenten. Over het doel van die experimenten zijn wij het volledig eens, namelijk het wegnemen van dit soort drempels. Wat ik nou hoop, is dat een bedrijf het straks niet gaat doen omdat ik het zeg — hoewel het altijd leuk is als mensen naar mij luisteren — maar omdat zijzelf door experimenten bij andere bedrijven ervan overtuigd zijn dat hen dit de kans geeft om heel goede mensen binnen te halen die ze juist niet volgens de reguliere werving in beeld hadden gehad. Dat is nou net waarom dat zo'n win-win kan zijn.

De voorzitter:

Maar u bent altijd bereid om mevrouw Van Brenk te helpen om caissière bij de Jumbo te worden. Dat is eigenlijk uw antwoord.

De heer Van Weyenberg (D66):

Mevrouw Van Brenk heeft mijn hulp niet nodig, maar mocht het zo zijn: altijd, voor wat ze maar wil. En misschien zo wel met een motie, zeg ik met een knipoog.

Mijn tweede punt gaat over arbeidsmigratie. In heel veel sectoren is dat gewoon heel belangrijk. Daar moet nog heel veel worden verbeterd in de woonomstandigheden, zodat sprake is van goed werkgeverschap. Er zijn nog te veel misstanden. Nou hoorde ik recent geluiden dat straks misschien heel grote groepen niet meer komen, omdat in Polen het minimumloon misschien wordt verdubbeld. En ik hoor werkgevers soms zeggen: er zijn belemmeringen. Krijgt de minister van hen een concreet lijstje? Want alleen in algemene zin daarover praten vind ik lastig.

Mijn laatste punt gaat over onbenut arbeidspotentieel. Je ziet in de praktijk dat in heel veel sectoren waar vaak vooral vrouwen in kleine deeltijdbanen werken, een groot tekort is: de zorg, het onderwijs. Het is net in deze sectoren waarin, als iemand aan zijn baas vraagt langer te mogen werken, het vaakst nee wordt verkocht. Dat vind ik echt onbegrijpelijk. Ik vind dat extra onbegrijpelijk in de wetenschap dat in Nederland nog steeds de helft van de vrouwen niet economisch zelfstandig is. Dus dit is voor iedereen slecht. Ik heb de indruk dat hier heel veel dingen samenkomen. Als ik kijk naar het kabinet — daarin had de heer Smeulders wat mij betreft gelijk — dan gaat dat ook over goedkopere kinderopvang. Het kabinet heeft daarin extra geïnvesteerd. Verder gaat het om knelpunten in de toeslagen. Ik hoop dat na Prinsjesdag werken weer meer gaat lonen. Maar het heeft ook iets te doen met cao's en met afspraken op de werkvloer. Wil de minister hierover echt meer met hen in gesprek? Want in de actieplannen van minister De Jonge en minister Slob staat weliswaar heel mooi dat ze dit gaan bevorderen, maar ik zie heel weinig gebeuren op de werkvloer. Waarom gaat een werkgever, als hij zo'n krapte heeft, niet met iedereen in gesprek om mensen te verleiden? Dat kan bijvoorbeeld inderdaad een soort financiële bonus zijn, het kan zijn dat er een probleem is in de roosters, het kan zijn dat we het werk minder zwaar moeten maken. Maar juist als de krapte zo groot is en daar zoveel mensen zitten die graag meer willen werken, had ik daar veel meer urgentie verwacht. Dus ik zou graag heel concreet actie van het kabinet in die twee sectoren willen zien. Ik zou de minister willen vragen, echt in gesprek te gaan met werkgevers over de vraag wat ze doen om mensen te verleiden. Dat wil ik weten. Kan een soort bonus of opslag als je je uren uitbreidt juridisch? Is dat een interessant instrument? Kun je niet zeggen: ga elk jaar met mensen in een kleine deeltijdbaan in het functioneringsgesprek ook even kijken hoe je ze kunt verleiden om een dag meer te werken? Zit het probleem bij de kinderopvangkosten, dan praat ik daar graag over door. Zit het in de inroostering, omdat men roosters heeft waarin het niet past, dan moet daar misschien wat aan gebeuren. Want juist hier zit zoveel potentieel, terwijl nog zoveel vrouwen niet economisch zelfstandig zijn, dat we hier een gigantische kans missen. Ik vind echt dat hier wat bij moet. Hoe vaak en op welke grond wordt een verzoek om uitbreiding afgewezen? Daar heb je gewoon recht op, tenzij er sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Smeulders van de fractie van GroenLinks.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dit debat gaat over de krapte op de arbeidsmarkt. Dat is een groot probleem voor veel mensen. Toen ik dit debat gisteren voorbesprak met onze stagiaire Fee Kirsch kwam zij met een heel mooie metafoor, die ik graag met jullie wil delen, ook omdat die heel erg tastbaar maakt waar dit nu eigenlijk om gaat. Zij kwam met de metafoor van de stoelendans. Wat is er nu eigenlijk aan de hand op de arbeidsmarkt? Er zijn veel te weinig mensen die meedoen aan de stoelendans en de stoelen die er staan, zijn niet meer zo heel erg aantrekkelijk voor veel mensen. Wat is onze verantwoordelijkheid als overheid? Volgens mij is het onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat er meer mensen gaan meedoen, om het makkelijker en interessanter te maken op de arbeidsmarkt. Maar we moeten ook werkgevers verleiden om ervoor te zorgen dat de stoelen die misschien nu niet helemaal perfect zijn, wel degelijk matchen met de mensen die beschikbaar zijn. Ik vond het een heel mooie metafoor.

Ik zal een aantal zaken benoemen die de overheid in onze ogen kan doen, samen met bedrijven en werkgevers, om de arbeidsmarkt voor meer mensen aantrekkelijker te maken. Het eerste punt is eigenlijk heel simpel, namelijk ervoor zorgen dat de arbeidsvoorwaarden aantrekkelijker zijn. CNV, de vakbond, heeft ons daar een brief over gestuurd in de aanloop naar dit overleg, waarin ze onder meer ingaan op de stagnerende loonontwikkeling. De minister-president heeft daar heel stoere uitspraken over gedaan. Ik ben heel benieuwd om van de minister van Sociale Zaken te horen wat op dit moment de visie van het kabinet daarop is. Gaat het kabinet, binnen zijn mogelijkheden, maatregelen nemen richting bedrijven om ervoor te zorgen dat de lonen meer omhooggaan?

Het tweede punt is dat de overheid er heel goed voor kan zorgen dat het makkelijker en aantrekkelijker wordt om te gaan werken. Ik had het net al over de kinderopvang. Met name voor de middeninkomens is kinderopvang nog steeds heel erg duur. Vier op de tien mensen die van de kinderopvang gebruikmaken, geven aan dat ze die zo duur vinden dat het een reden is om niet meer te gaan werken. Ik ben heel benieuwd naar de reactie van het kabinet daarop, maar ik ben minstens zo benieuwd naar hoe het staat met de uitvoering van onze motie rondom het zorgverlof. Die heb ik vorig jaar samen met collega Van Weyenberg van D66 ingediend bij de begrotingsbehandeling. Daarin stond dat het kabinet voor de zomer, of medio 2019, met een plan van aanpak zou komen om zorgverlof aantrekkelijker te maken. Volgens mij is "medio" bijna voorbij, dus vol verwachting klopt ons hart richting december en in ieder geval richting de volgende begrotingsbehandeling. Ik wil heel graag van het kabinet weten hoe het staat met de uitvoering daarvan.

De overheid kan ook meer doen om laaggeletterdheid tegen te gaan, zodat meer mensen mee kunnen doen. Graag een reactie van het kabinet daarop.

Ook het inburgeringsbeleid dat we in de afgelopen jaren hebben gehad, is niet een toonbeeld van: doe lekker mee in de samenleving en wees productief op de arbeidsmarkt. Heel veel mensen mochten niet van het begin aan Nederlands leren. Vanaf het moment waarop dat wel moest, zei men: zoek het maar uit en betaal het zelf maar. Zou minister Koolmees ook nog een update kunnen geven van hoe het staat met het nieuwe inburgeringsbeleid? En hoe ziet hij dat in relatie tot de krapte op de arbeidsmarkt?

Ik wil ook aandacht vragen voor een groep waar relatief weinig aandacht voor is, ook hier in de Kamer: de niet-uitkeringsgerechtigden. Die worden ook wel nuggers genoemd. Ik vind dat een vreselijke term. Dat vond ik al toen ik wethouder was en ik het af en toe over deze doelgroep had. Het zijn mensen die op dit moment vaak niet werken. Een deel daarvan is wel in beeld bij de overheid — het ligt eraan welke definitie je hanteert — maar een heel groot deel niet, terwijl dit een groep is die je mogelijk met wat aanvullende maatregelen in beweging kan krijgen. Heeft het kabinet aandacht voor deze groep?

Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over grensoverschrijdende arbeid. Juist in de grensgebieden in Nederland is er veel uitwisseling met België en Duitsland. Kan het kabinet dat nog aantrekkelijker maken?

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Van Kent van de fractie van de SP.

De heer Van Kent (SP):

Dank u wel, voorzitter. Veel mensen zullen zich de proef van de gemeente Den Haag en Rotterdam herinneren. Er werden bussen met uitkeringsgerechtigden naar het Westland gebracht om daar in de kassen te gaan werken. De locaties waren onbereikbaar voor het openbaar vervoer, waardoor men eigenlijk een eigen auto nodig had, en de omstandigheden waren zwaar. Denk aan de luchtvochtigheid en de temperatuur. Ze werkten in een team waarin bijna niemand Nederlands sprak, en voor het minimumloon, waardoor de gemeentelijke regelingen direct stopten en een aantal toeslagen minder werden. Zij hadden onzekere flexcontracten en gingen er financieel in veel gevallen niet op vooruit maar op achteruit. En wat denkt u dat de uitkomst was van deze proef? Juist ja, dat werkt natuurlijk voor geen meter. Bedrijven die namelijk geen werknemers kunnen vinden, moeten allereerst naar zichzelf kijken, vindt de SP-fractie. Is de minister dat met haar eens? Als deze bedrijven de lonen namelijk zouden verhogen, wel goede contracten zouden geven en de arbeidsomstandigheden zouden verbeteren, met andere woorden, als deze bedrijven bijvoorbeeld €20 per uur zouden betalen — ik noem maar even een bedrag — dan zou de situatie ineens heel anders zijn. Dan zul je zien dat er wel werknemers gevonden kunnen worden. Deze bedrijven moeten dus wat ons betreft niet bij de overheid aankloppen, maar eerst naar zichzelf kijken. En ja, ook de overheid moet naar zichzelf kijken. Zij heeft namelijk eerst 77.000 banen in de zorg wegbezuinigd om vervolgens, een paar jaar later, een imagocampagne te starten om werken in de zorg aantrekkelijk te laten lijken. Verder noem ik de strijd van leraren voor een fatsoenlijk inkomen hier in het Zuiderpark, de strijd van politieagenten voor een beetje een fatsoenlijke cao en de strijd van gevangenisbewaarders en militairen. Zo kan ik nog wel even doorgaan.

Het verwaarlozen en afbreken van de publieke sector maakt de overheid tot een zeer slechte werkgever dan wel opdrachtgever. Erkent de minister dat de overheid hiermee zelf een grote verantwoordelijkheid heeft voor de tekorten aan werknemers in de publieke sector?

Werken moet lonen. Daar hadden we het al eventjes over met de VVD. Werken moet lonen voor mensen die willen werken of meer willen werken. Zelfs de minister-president roept bedrijven op om werknemers een eerlijk deel van de recordwinsten te geven. Hun cadeautje, het verlagen van de winstbelasting, stelt hij daarom nog even uit, tenminste, daar moeten we van uitgaan als we de berichten mogen geloven. Maar wie gelooft dit kabinet-Rutte nog?

Iedereen zou in de portemonnee gaan voelen dat Nederland uit de crisis is. Vandaag weten we dankzij de media dat dat een leugen is gebleken, want daarin staat dat mensen er in 2018 gemiddeld 0,3% op vooruit zijn gegaan. Daarom verzoek ik het kabinet om met een echte maatregel te komen om zijn belofte waar te maken. Laat het kabinet het minimumloon en daarmee ook de AOW-uitkering met 10% verhogen. Is de minister bereid om in het kabinet te gaan zorgen voor een echte maatregel, zodat dit kabinet niet omkomt in de valse beloftes, maar ook waarmaakt wat het belooft?

Het aantal van ruim 1 miljoen, om precies te zijn 1,1 miljoen mensen, die willen werken of meer willen werken, is al een paar keer voorbijgekomen. Vaak sluit de baan alleen niet aan bij de opleiding van mensen. De SP stelt daarom voor om de drempels om echte scholing te gaan volgen zo veel mogelijk weg te halen voor mensen in de WW. Ik weet dat deze minister daarin al een aantal stapjes heeft gezet, maar het blijft onduidelijk voor mensen. Het blijft onzeker en afhankelijk van een medewerker van het UWV of er al dan niet toestemming voor gegeven kan worden. Daarom het voorstel om scholing altijd toe te staan, tenzij, en om er zodoende voor te zorgen dat de medewerker van het UWV het beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt niet meer als voorwaarde stelt als iemand scholing wil volgen. Met andere woorden: iemand kan altijd scholing volgen voor een tekortberoep, ook als hij daardoor een tijdje niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Wij zullen daar ook een motie over indienen.

Nog heel kort, voorzitter, als het mag.

Met de VVD ging het in het interruptiedebatje al even over die toeslagen. Volgens mij hebben we daarmee de vragen al samen met de VVD aan deze minister gesteld. Daar wil ik het dus bij laten.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan mevrouw Palland van de fractie van het CDA.

Mevrouw Palland (CDA):

Voorzitter. Ruim een kwart van de ondernemers geeft aan dat de ontwikkeling van het bedrijf wordt geremd door een tekort aan arbeidskrachten. Daardoor zal het de komende twee jaar economisch naar verwachting slechter gaan. Was de grote vraag naar arbeidskrachten eerst nog een teken van een florerende economie, nu lijkt die aanhoudende vraag ons straks, als we niet oppassen, economisch de das om te doen.

Ondertussen heeft het aantal openstaande vacatures in het tweede kwartaal van dit jaar weer een nieuw record bereikt: 284.000, waarvan de meeste in de zorg, de handel en de zakelijke dienstverlening. Zelfs bedrijven die gespecialiseerd zijn in het vinden van personeel, de uitzendbureaus, kampen met personeelstekorten. Tegelijkertijd constateert het CBS ook dat er in één kwartaal nog nooit zo veel vacatures zijn vervuld als in het tweede kwartaal van dit jaar. Dat is goed nieuws. Er lijken in ons land ook goede dingen te gebeuren. Dat blijkt ook uit de brief van de minister, waarin we onder andere lezen dat het onbenut arbeidspotentieel daalt, meer mensen toetreden tot de arbeidsmarkt en een toenemend aantal mensen met een arbeidsbeperking ook een baan vindt.

Desondanks maakt het CDA zich zorgen over de krapte op de arbeidsmarkt, de gaten in specifieke sectoren en de rem op de economische ontwikkeling in het reguliere bedrijfsleven. Dit is slecht voor Nederland. Van de minister hebben we een vijf pagina's tellende stand van zaken ontvangen van alle lopende trajecten om deze krapte aan te pakken. Het is een mooi overzicht. Dit kabinet zit duidelijk niet stil. Maar doen we ook de goede dingen? Welk effect gaat dit hebben? Het zou ons helpen als we het effect van al die maatregelen, afzonderlijk en in samenhang, zouden kunnen zien. Waarschijnlijk is dat nu nog niet vast te stellen, maar toch wel op middellange of langere termijn. Is de minister bereid dit in een volgende stand van zaken mee te nemen? Wij zijn met name geïnteresseerd in cijfers over de omvang van de stille reserves in de WW, bijvoorbeeld in sectoren als de zorg, het onderwijs en de politie. Het CDA vindt het van groot belang dat deze WW'ers weer aan de slag gaan, ofwel in hun eigen sector ofwel daarbuiten. Hebben we deze stille reserves volgens de minister nu voldoende in beeld om ze met de juiste prikkels en begeleiding uit de kaartenbakken van het UWV te halen, of is daarvoor extra inspanning nodig? Graag een reactie daarop.

Voorzitter. De Chinese artificial intelligence-expert Kai Fu Lee stelt: de echte economische vooruitgang wordt niet gerealiseerd door een paar elitewetenschappers, maar door een heel leger van goed opgeleide vakmensen. Dat lijkt mij zeer waar. Het hebben van goed opgeleide vakmensen vraagt om goede aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt, maar ook om een leven lang ontwikkelen. Want de wereld verandert, en nieuwe ontwikkelingen vragen nieuwe of andere vaardigheden van werkenden. Mensen moeten daar blijvend op toegerust zijn, arbeidsfit. Op een dynamische, veranderende arbeidsmarkt als de Nederlandse, waar mensen regelmatig van baan wisselen, is een goede arbeidsmarktdienstverlening ook heel belangrijk. Dat concludeert ook het CNV in de brief die wij afgelopen week ontvingen. Een beproefde manier om mensen aan het werk te helpen of te houden is om hen om te scholen van een beroepssector waar arbeid verdwijnt naar een sector waar de vraag naar arbeid toeneemt. Daaraan gekoppeld heb ik een vraag over de O&O-fondsen, waarvan er in Nederland maar liefst ongeveer 125 zijn. Deze fondsen en hun gelden zijn sectorgebonden, terwijl mensen soms beter zouden kunnen worden omgeschoold van de ene sector naar de andere. We kennen het voorbeeld van de Noordelijke Scholingsalliantie, waarbij het knelpunt wordt opgelost. Daarbij is er sprake van voorfinanciering vanuit de overheid om die omschakeling mogelijk te maken. Maar zou de minister eens willen kijken hoe we deze O&O-fondsen waar nodig kunnen ontschotten en effectiever kunnen inzetten?

Uit sommige arbeidsmarktregio's ontvangen wij signalen dat ze bezig zijn met een human capital-agenda. Er wordt in diverse regio's ook gewerkt aan een regiodeal daarover. Maar wij ontvangen ook signalen over onduidelijkheid over de btw-plicht voor projecten inzake omscholing en toeleiding, onder andere bij het project Perspectief op Werk, waar de minister in zijn brief op ingaat. Arbeidsmarktregio's krijgen hier geld voor, maar nadien kan er discussie ontstaan over de btw-afdracht, waardoor het budget ineens een stuk kleiner is geworden. Hoe zouden we die onduidelijkheid kunnen wegnemen?

Voorzitter. Arbeidsmarktkrapte levert ook het risico op dat jongeren zonder startkwalificatie al door bedrijven van school worden gehaald voor een baan, de zogenaamde groenpluk. Wij krijgen signalen dat dit op diverse mbo's aan de orde is en dat scholen nu zelfs bedrijven gaan weren. Dat lijkt ons geen goede ontwikkeling. Deze jongeren moeten ook bij economische tegenwind kunnen terugvallen op een startkwalificatie. Mijn vraag aan de minister is: hoe kunnen wij hen en de scholen hierbij helpen?

De voorzitter:

U bent door uw tijd heen.

Mevrouw Palland (CDA):

O, u heeft gelijk.

De voorzitter:

Ik zie dat u nog heel veel tekst heeft.

Mevrouw Palland (CDA):

Ik wil nog één vraag stellen.

De voorzitter:

Kort en puntig.

Mevrouw Palland (CDA):

Vorig jaar heeft de SER een verkenning gedaan naar combinatiebanen. In zijn reactie wees de minister daar ook op. Als je banen combineert, biedt dat de mogelijkheid om ook in een andere sector ervaring op te doen. Twee derde van de mensen is heel tevreden met het hebben van een combinatiebaan, maar loopt tegen administratieve hobbels aan. Onze vraag is: hoe maken we het makkelijker om deze banen te combineren, om daarmee ook de arbeidsmarktkrapte tegen te gaan?

De voorzitter:

Heel goed. Dank u wel. Dan mevrouw Van Brenk van de fractie van 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Er is een groot tekort aan personeel. Je zou denken dat er dan alle kansen zijn voor mensen die werk zoeken, mensen met een arbeidsbeperking, mensen die geen uitkering hebben maar wel graag willen werken, mensen die meer willen werken en ook mensen die na hun AOW-leeftijd graag willen doorwerken. Maar de realiteit is dramatisch anders. Meer dan 1 miljoen mensen staan langs de kant. Denk bijvoorbeeld alleen maar aan de ervaren verkopers van Vroom en Dreesman die niet meer aan de bak komen. Er is een verstikkende mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Onze eerste vraag is dan ook of werkgevers wel een langetermijnvisie hebben. Waar is de gedegen personeelsplanning voor de middellange termijn in plaats van het steeds maar denken op de korte termijn? Waar is ook het keiharde offensief van de overheid om deze mismatch te verhelpen? Collega's zeiden ook al dat bedrijven de hand ook in eigen boezem moeten steken. Horeca en retail klagen over een tekort en over verloop van arbeidskrachten, maar bieden zij vaak niet belabberde arbeidsvoorwaarden? Werkgevers houden werknemers met een lage-inkomensvoordeel toch ook te vaak in een "lage-inkomensgreep"?

Voorzitter. Er zijn zeker kansen. Is de minister dan ook bereid zich kritisch te richten tot de Malietoren? Het lijkt soms wel of "een vak leren op mbo-niveau" een vieze term is geworden of dat mensen zonder startkwalificatie bij voorbaat afgeschreven zijn. Waar is het gezonde verstand gebleven? Waarom geven wij mensen zo weinig kans om door te groeien binnen een functie of bij te blijven in een functie? Mag er ook nog werk zijn voor mensen die geen studiebol zijn? Ook lbo'ers en mbo'ers moeten toch een goede plek kunnen krijgen op onze arbeidsmarkt? Ziet de minister dit ook en wat gaat hij daaraan doen?

Voorzitter. De sleutel van de mismatch tussen vraag en aanbod is wat ons betreft tweeërlei: als topeconomie meer investeren in onderwijs — we zijn nu een middenmoter in de EU — en daarnaast moet de overheid zelf met oog voor kwetsbare groepen fors meer gaan investeren in duurzame inzetbaarheid en in een leven lang leren en ontwikkelen. Denk dan wat ons betreft aan die persoonlijke leerrekening. Tuig die dan flink op. Maak daarvan een onderdeel van de investeringsagenda van dit kabinet. Dan vergroot je de mobiliteit binnen een sector, maar ook tussen sectoren. En je geeft werkzoekenden meer kans om zich verder te ontplooien en aan het werk te komen. Onze vraag is: gaat deze minister zich daarvoor hardmaken binnen het kabinet?

Voorzitter. Het tekort aan arbeidskrachten kan ook nog op een andere manier worden teruggedrongen. De arbeidsmarkt is te ver doorgeschoten in het eisen van indrukwekkende cv's met formele kwalificaties, jarenlange werkervaring en uitsluitend op papier blijven zoeken naar het schaap met de vijf poten. Daardoor blijven echt gouden kansen liggen. De collega van D66 zei dat net ook al. 50PLUS vraagt u drempels weg te nemen. Laat mensen in de praktijk bewijzen wat ze waard zijn, want dan geven wij ook mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder ook veel ouderen, een kans. We vragen de minister zich samen met sociale partners sterk te maken voor open hiring, waar dat ook maar mogelijk is. Waarom biedt niet iedere website behalve vacatures ook de mogelijkheid van een simpele invuloefening voor naam en telefoonnummer? Zo geef je jong en oud met open blik en zonder vooroordeel een kans. Wil de minister hier actief mee aan de slag gaan? Wat ons betreft is de nood hoog, zowel bij werkzoekenden als bij werkgevers.

Voorzitter. Ik zei het net al: je leest nog te vaak dat als er bij een sollicitatie niet een behoorlijk uitgebreide cv is, die sollicitatie niet in behandeling wordt genomen. Dat is een gemiste kans.

De voorzitter:

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer De Graaf van de fractie van de Partij voor de Vrijheid.

De heer De Graaf (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Ik hoor dat de minister straks graag tien minuten wil schorsen. Hij heeft nog vier minuten nodig — tenminste, als ik die vol krijg — om ook naar het verhaal van de PVV te luisteren. Daar zal ik dan ook meteen mee starten.

Economische groei heeft de afgelopen jaren voor krapte op de arbeidsmarkt gezorgd. Ik heb al bezorgde geluiden gehoord, ook net in het debat: in hoeverre is die economische groei nou wel in de zakken van de mensen terechtgekomen? Mevrouw Van Brenk had het er, geloof ik, ook over in een interruptiedebatje. We kunnen met z'n allen in Nederland qua verdiensten namelijk wel weer op hetzelfde niveau zitten als vóór de crisis van 2008 en misschien zelfs hoger, maar als dat geld alleen maar is verdwenen in de zakken van hele grote bedrijven en vooral ook van de overheid, gaat er natuurlijk iets mis. In de vorige kabinetsperiode heb ik me namens de PVV flink verzet tegen de doorgeschoten flexibilisering van Asscher en natuurlijk ook van Rutte en hun kabinet. Ik denk dat daar ook een deel van het probleem zit. Maar dat gaan we vandaag natuurlijk niet in een vierminutendebat oplossen.

Voorzitter. Ik vergeet te vertellen dat er volgens het CBS een miljoen mensen aan gemiste arbeidspotentieel is. Behalve werklozen zijn dat ook andere groepen, zoals mensen die ofwel recent gezocht hebben naar werk, ofwel al direct beschikbaar zijn voor werk. Ook deeltijders die meer uren willen werken, zijn direct beschikbaar. Deze mensen worden gerekend tot het onbenut arbeidspotentieel, maar vallen buiten de werkloosheidsdefinitie.

Eind juni 2019 hadden 426.000 personen tot aan de AOW-leeftijd — die zitten dus onder die AOW-leeftijd — een bijstandsuitkering. 426.000. Als we naar deze aantallen kijken, vinden wij het als PVV onbegrijpelijk dat er partijen en sectoren zijn die zeggen dat de grenzen nog wijder open moeten staan om mensen van buiten te halen. De ergernis is al groot. Je kunt op een terras in Amsterdam of in de strandhoreca op Scheveningen geen biertje of gezonde smoothie bestellen — zo heet dat tegenwoordig; ik noem het liever zûhpfrûht — zonder te worden aangesproken door een Mexicaanse kunstacademiestudent in het Spaans, of door iemand uit New York in het Engels, of door iemand bij wie het Moskouse accent — ik hoor dat heel goed — al te zeer door het Engels doorklinkt.

Aan mij zal het niet liggen, want ik leer die mensen wel Nederlands en als het nodig is ook Haags en Schevenings. Als ik daar zit, leren ze dat dus wel van me. Maar dan kijk ik naar De Haagse Markt. Daar zie ik heel veel mensen achter de kramen staan die zich daar echt, op z'n Hollands gezegd, de pokken werken. Bij de Hollandse visboer zie ik Marokkaanse mannen staan die echt heel hard werken, maar die ook goed geïntegreerd zijn. Daar zit een heel groot deel van het probleem. De mensen die op De Haagse Markt voor de kramen staan, zijn over het algemeen namelijk niet geïntegreerd. Die bestellen gewoon in het Arabisch, het Berbers of het Turks. Als ik aan die mensen vraag hoe ze aan hun geld komen — dat doe ik, want zo brutaal ben ik — hoor ik alleen maar: bijstand, bijstand. Meer Nederlands komt er niet uit. Zo simpel is de realiteit. Dan hebben we het dus ook over onbenut arbeidspotentieel.

Als ik hoor dat de helft van een bepaalde doelgroep vrouwen niet economisch zelfstandig is, denk ik: dat is logisch als je geen Nederlands spreekt en je niet aanpast aan de westerse normen en waarden. Dan kun je op een gegeven moment inderdaad niet meer aan de slag. Strandtenten en Amsterdamse terrasjes willen die mensen ook niet hebben. Voor de klant is het al ergerlijk genoeg dat die in het Engels, gebroken Russisch of Mexicaans-Spaans wordt aangesproken. Laat er ook nog eens Berbers, Marokkaans of Turks bij komen. Ik voorspel dat er dan geen klant meer op het terras komt.

Het belangrijkste punt is dus het juist dichter maken van de grenzen in plaats van het meer openzetten van de grenzen. De heer Van Kent had het vandaag over de bussen die naar het Westland gaan. Datzelfde voorbeeld had ik zelf ook in gedachten. Is het geen tijd om tegen mensen, Nederlanders maar ook niet-westerse allochtonen — de helft van de bijstandsontvangers is niet-westers allochtoon — die kunnen werken maar dat weigeren te zeggen: wordt het niet eens tijd dat we jouw uitkering gaan korten of stopzetten?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer De Graaf is de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Ik schors voor tien minuten en daarna gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt van 11.58 uur tot 12.11 uur geschorst.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister.

Minister Koolmees:

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik begin zo meteen met een algemene spreektest en daarna heb ik een paar blokjes. Ik weet dat uw Kamer hecht aan structuur, dus ik ga alvast vertellen welke blokjes er zijn. Het breed offensief, de regionale actieplannen en de open hiring zijn blok 1. Blok 2 is deeltijd en alles rond het arbeidspotentieel, zo zal ik maar zeggen. Blok 3 is scholing en blok 4 is overig. Het is altijd een verrassing voor u wat daarin zit en voor mij ook. Nee, hoor, dat is niet waar. Ik heb het net keurig allemaal gelezen.

Voorzitter. Ik begin met mijn algemene inleiding. Een aantal Kamerleden zei al dat we inmiddels een jaar verder zijn nadat we de vorige brief over de aanpak van de krapte op de arbeidsmarkt hebben besproken. Voor de zomer heeft het kabinet nog een voortgang gestuurd. In die aanpak hebben we beschreven wat we doen om de match op de arbeidsmarkt te verbeteren om de krapte aan te pakken en om meer mensen aan het werk te helpen. Daarbij heb ik gelijk twee dingen aangegeven.

Bij het aanpakken van krapte is er in de eerste plaats een gedeelde verantwoordelijkheid is. Dat is niet alleen de verantwoordelijkheid van de overheid, maar ook van werkgevers, werknemers, vertegenwoordigers van de gemeenten, UWV, scholen en het Rijk samen. Zoals de heer Van Weyenberg zei, gaan we de krapte ook niet zomaar, in een keer, oplossen. Ik denk dat het een illusie is om te denken. Er is geen wondermiddel waarmee we plotsklaps iedereen die aan de kant staat om allerlei verschillende redenen, kunnen koppelen aan vacatures waarin wordt gevraagd om allerlei verschillende competenties en kennis. Daarom hecht ik veel belang aan het structureel beter laten functioneren van de arbeidsmarkt, waardoor de mismatch op de arbeidsmarkt kan worden verminderd.

Daarbij zet ik bijvoorbeeld in op — nu ga ik een hele rits aan maatregelen noemen — het meer lonend maken van werken. In het regeerakkoord staat een lastenverlichting die oploopt tot 5,2 miljard euro voor mensen in 2021, vooral gericht op werk. We hebben de Wet arbeidsmarkt in balans aangenomen die juist gericht is op een nieuwe balans tussen vast werk en flexwerk op de arbeidsmarkt. Daar heb ik vorig jaar uitgebreid over gesproken met uw Kamer. Ook hebben we plannen gemaakt om het makkelijker te maken om arbeid en zorg te combineren, met name omdat vrouwen vaak in deeltijd werken in Nederland. De participatiegraad van vrouwen is hoog, maar als je kijkt naar uren is de participatie nog steeds heel erg laag. Die positie willen we verbeteren. Denk bijvoorbeeld aan de Wieg, de Wet invoering extra geboorteverlof. Maar in het regeerakkoord staat bijvoorbeeld ook de verhoging van de kinderopvangtoeslag met 250 miljoen. Dit is er juist op gericht om het combineren van arbeid en zorg makkelijker te maken.

In de derde plaats hebben de staatssecretaris en ik ingezet op het verbeteren van matching tussen werkgevers, werkzoekenden, UWV en de gemeenten. Vanmiddag heeft u daar ook een algemeen overleg over met de staatssecretaris. We hebben voor 2019 en 2020 70 miljoen uitgetrokken voor de regionale arbeidsmarkten om de lokale werkgevers, de mkb'ers, te koppelen aan UWV en aan de gemeentelijke bestanden van mensen die nog werkzoekend zijn. Nogmaals, vanmiddag praat u daar verder over met de staatssecretaris.

We hebben ook een stap gezet in het stimuleren van een leven lang ontwikkelen door mensen inderdaad meer regie te geven op hun eigen loopbaan. Zoals u weet zijn we bezig met de ontwikkeling van het STAP-budget, de publieke, individuele leerrekening. Ik zie de heer Smeulders kijken; het klopt dat mijn ministerie heel erg goed is in afkortingen. We zijn ook bezig met het actieplan leven lang ontwikkelen. Dit doet de rijksoverheid niet alleen maar juist ook samen met de Sociaal-Economische Raad, met werkgevers en met werknemers. Daarbij ligt de aandacht juist op de sectoroverstijgende inzet van de O&O-fondsen. Hoe ga je van een sector waar de werkgelegenheid krimpt naar een sector waar de werkgelegenheid juist groeit? Misschien moet je je daarvoor omscholen. Misschien moet je daarbij begeleid worden.

Een laatste stap op het terrein van de staatssecretaris gaat over het beter erbij betrekken van groepen mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Dat is het brede offensief van Tamara van Ark, de staatssecretaris, zoals u weet.

Als je daar een beetje doorheen kijkt, is de vraag waar we nu staan. Het gaat eigenlijk heel goed met de arbeidsmarkt. We boeken echt voortgang. Je ziet ook dat er steeds meer mensen werken. De werkgelegenheid is de afgelopen drie maanden bijvoorbeeld met 10.000 mensen per maand toegenomen. Je ziet dat werkgelegenheid jaar op jaar stijgt. De werkloosheid is op een historisch laag niveau. Er zijn meer mensen dan ooit aan het werk. Dat zijn allemaal positieve ontwikkelingen.

Laten we dan even kijken naar het onbenutte arbeidspotentieel, want veel Kamerleden hebben daarnaar gevraagd. Ik zeg het even uit mijn hoofd. In 2017 werden 1,4 miljoen mensen gerekend tot het onbenutte arbeidspotentieel. Dat is ondertussen afgenomen naar 1 miljoen mensen, in de laatste cijfers van het CBS. Dat betekent niet dat we er zijn of dat ik tevreden ben, maar er is wel een ontwikkeling de goede kant op. Mensen die eerst aan de zijkant stonden, krijgen en vinden nu een plek op de arbeidsmarkt. Dat zie je niet in de koopkrachtcijfers en in de plaatjes die we elke keer op Prinsjesdag presenteren, maar het is natuurlijk wel echt werk, een echte inkomensverbetering voor mensen die zeker in de tijd van de crisis nog aan de zijkant stonden. We zijn er dus nog niet mee klaar. Ook als de verwachting van het CPB uitkomt dat de economische groei wat gaat afzwakken, is het belangrijk om door te gaan met deze aanpak en te kijken wat nog beter kan, waar we nog knelpunten kunnen oplossen en waar mijn verantwoordelijkheid ligt om de arbeidsmarkt soepeler te laten werken. Het ingewikkelde is wel dat er heel veel vragen zijn gesteld over koopkracht, investeringen en allerlei andere dingen. Dat is eigenlijk pas volgende week aan de orde tijdens Prinsjesdag. Daar kan ik niet op vooruitlopen; dat begrijpt u. Daar ga ik dus een beetje omheen manoeuvreren. Neemt u dat mij niet kwalijk, zeg ik alvast.

Dat was mijn inleiding, voorzitter. Nu kom ik bij de blokjes. Ik begin met de vraag van mevrouw Tielen over de regionale actieplannen en de vraag hoe mkb'ers hierin worden bediend. Meer in het algemeen heeft het kabinet zeer veel oog voor de positie van mkb-werkgevers. Denk bijvoorbeeld aan de oplossing voor loondoorbetaling bij ziekte, die voor heel veel mkb-werkgevers de reden is om angstig te zijn bij het in dienst nemen van mensen. Bij de regionale arbeidsmarktplannen gaat het concreet over het matchen van onbenut arbeidspotentieel, de mensen in de kaartenbakken, met de mkb-werkgevers in de regio. We hebben 35 arbeidsmarktregio's. Die hebben een actieplan ingediend, in het kader van Perspectief op Werk. Dat valt onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris. We hebben als kabinet twee keer 35 miljoen uitgetrokken voor het beter matchen van de vraagkant, dus van de werkgevers die mensen nodig hebben, en de mensen die op zoek zijn naar werk. De eerste negen plannen zijn inmiddels goedgekeurd. De overige plannen krijgen op zeer korte termijn duidelijkheid over hun plan. Perspectief op Werk moet alle werkgevers gaan helpen. In een deel van die plannen zijn specifieke acties opgenomen voor mkb-ondernemers. Mevrouw Tielen heeft er gelijk in dat juist daar de uitdagingen en problemen zitten om een match tot stand te brengen. Onderdeel van de Perspectief op Werkplannen, van die twee keer 35 miljoen is dus juist ook om de mkb-ondernemer erbij te betrekken.

Daarnaast heeft de staatssecretaris van EZK, mevrouw Keijzer, eind 2018 het MKB-actieplan naar uw Kamer gestuurd. Een van de centrale thema's daarin is: hoe vind je voldoende personeel? Inderdaad geven mkb-ondernemers aan dat daar op dit moment de grootste uitdaging ligt op de arbeidsmarkt. Door te investeren in werkgeversdienstverlening, in het matchen van werk, in de arbeidsmarktregio's en in het brede offensief — dan gaat het met name over mensen die in bijvoorbeeld de Participatiewet zitten — proberen we de regionale arbeidsmarkt te stimuleren en de matching op de arbeidsmarkt te verbeteren. Dat op dit punt.

Mevrouw Palland — ik ga het vandaag goed doen — vroeg of het klopt dat er een discussie is over de btw bij de Perspectief op Werkgelden. De werkgevers, gemeenten, UWV, het onderwijsveld en andere partijen in de arbeidsmarktregio hebben actieplannen opgesteld. Daarvan zijn er negen toegekend. De rest komt binnenkort tot een effectuering. Elke arbeidsmarktregio, dus 35 in totaal, wordt door SWZ ondersteund met een impulsfinanciering van 1 miljoen euro in 2019 en 1 miljoen euro in 2020. Deze middelen zijn voor alle kosten die gemaakt worden, dus inclusief de btw. Het is standaard dat er een scheiding is tussen inkomsten en uitgaven, ook in de begrotingsregels. Blijkbaar was dit niet helemaal duidelijk op het moment dat de plannen werden opgesteld, maar dit is gangbaar gebruik als het gaat over financiering van de rijksoverheid aan de lokale overheden, zeker als het gaat over de samenwerking tussen die verschillende actoren.

Mevrouw Palland (CDA):

Het is bekend dat het budget inclusief is. Alle kosten moeten daaruit gedekt zijn, dus ook eventuele btw-kosten. Maar er is soms discussie over wel of geen btw-plichtigheid. Die onzekerheid brengt mee dat sommige regio's zich overvallen voelen door achteraf toch nog te moeten aftikken. Het is logisch dat het voor hun rekening komt, maar we krijgen graag duidelijkheid over wat wel en niet btw-plichtig is.

Minister Koolmees:

Ik weet nog uit een vorig leven als financieel woordvoerder dat er een BTW-compensatiefonds is. Ik kan daar uren over praten. Het gaat met name over het deel dat men gaat uitbesteden, dus niet het deel dat inbesteed en wordt uitgevoerd door de gemeente of de regionale arbeidsmarktactoren. Over het deel dat wordt uitbesteed aan de externe actoren, ben je btw-plichtig. Dus als je externen inhuurt om de ICT te begeleiden, moet daarover btw worden betaald. Dat is conform de huidige systematiek. De gemeenten weten dat ook heel goed, want zij weten hoe het BTW-compensatiefonds werkt. Als zij zelf iets doen, kunnen zij dat weer terugvragen bij mijn collega Hoekstra. Maar het gaat dus over de uitbesteding. Daarvoor geldt btw-plicht.

De heer Van Weyenberg vroeg aandacht voor de arbeidsmarktdiscriminatie. Dat is een terecht punt. U heeft veelvuldig contact met de staatssecretaris en debatten over het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie, dat wij hebben gestart. Een onderdeel om de kansen van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, maar ook van mensen met een niet-westerse achtergrond, die helaas toch nog vaak gediscrimineerd worden op de arbeidsmarkt, is het voorbeeld dat de heer Van Weyenberg en mevrouw Van Brenk noemde over Open Hiring. Hoe haal je de drempels weg voor mensen die normaal gesproken niet worden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek? Ik ben bekend met de initiatieven van de Start Foundation, de drie pilots die daar lopen. Ik vind het heel interessant. Ik vind dat er goede stappen worden gezet. Ik heb overigens ook contact met de Start Foundation hierover. Hoe gaat het in zijn werk? Dit initiatief is inmiddels ook breed onder de aandacht van de gemeenten gebracht. In een aantal plannen in het Perspectief-op-Werktraject gaan ook de arbeidsmarktregio's hiermee aan de slag. Je ziet dat dit wordt overgenomen in de praktijk op de regionale niveaus. De Start Foundation zelf evalueert de aanpak. Natuurlijk volg ik dat met belangstelling en kijk ik heel goed naar de resultaten daarvan. De resultaten van de evaluatie zal ik verspreiden en bespreken met de sociale partners, zodat partijen daar hun voordeel mee kunnen doen. Ik ben het dus zeer eens met zowel mevrouw Van Brenk als de heer Van Weyenberg dat dit een nieuwe, innovatieve manier is om te kijken hoe wij mensen echt kunnen helpen om op de arbeidsmarkt een plek te vinden. Dat doe ik dus graag.

Dan blokje 2 over deeltijd, arbeidsmigratie, inburgering van nuggers, niet-uitkeringsgerechtigden. Mevrouw Tielen, mevrouw Palland, de heer Van Weyenberg en de heer Smulders vroegen welke obstakels er zijn voor mensen om meer uren te gaan werken en of de minister bereid is om maatregelen te nemen, bijvoorbeeld door meer uren werk beter te laten lonen. Ik ben het volledig met u eens. Het is inderdaad merkwaardig als werkgevers aan de ene kant zeggen dat zij ontzettend behoefte hebben aan extra mensen, terwijl er anderzijds geluiden zijn dat mensen wel meer willen werken. In dat onbenutte arbeidspotentieel van 1 miljoen mensen zitten een paar honderdduizend mensen die zeggen dat zij al werken en graag meer uren per week zouden willen werken, maar dat zij daarbij toch tegen belemmeringen aanlopen. Uit de gesprekken en de onderzoeken die al zijn gedaan, weet ik dat het verschillende soorten belemmeringen zijn. Het gaat inderdaad over financiële prikkels, over kinderopvang en over het mislopen van toeslagen als je meer inkomen krijgt, maar ook over culturele aspecten binnen organisaties waarin het gewoon niet gebruik is dat mensen fulltime werken. Dat heeft ook een cultureel effect op de werkvloer, dat mensen ervan uitgaan dat je in die sector gewoon twee of drie dagen werkt. Dat vind ik heel erg merkwaardig, zeker ook als we zien dat het gebeurt in de sectoren waar ontzettend veel krapte is. Daar kunnen wij heel veel winnen bij het oplossen van tekorten in bijvoorbeeld de gezondheidszorg of het onderwijs als mensen meer uren gaan werken.

U weet dat mijn collega's Hugo de Jonge en Arie Slob allebei in hun eigen sectorale plannen hiervoor aandacht hebben gevraagd. Wij hebben ook op dit moment het interdepartementaal beleidsonderzoek Deeltijdwerk lopen. Dat komt voor het einde van het jaar, inclusief een kabinetsreactie, naar uw Kamer, omdat wij ook als kabinet hebben gezien dat dit gewoon een probleem is. Wij moeten creatief gaan nadenken hoe wij dit kunnen oplossen en hoe wij dat onbenutte arbeidspotentieel ook kunnen aanboren, niet alleen vanwege tekorten in het onderwijs en de zorg, maar ook inderdaad — mevrouw Tielen en de heer Van Weyenberg zeiden het — vanwege economische zelfstandigheid en emancipatie. Daar is nog een wereld te winnen. In het verlengde daarvan liggen, ik zei het net al, de lasten op arbeid verlagen en de kinderopvangtoeslag verhogen.

De heer Van Kent vroeg nog specifiek op dit punt naar de zaagtand versus de glijbaan. Dat herken ik zeer, dus we hebben op dit moment ook nog een interdepartementaal beleidsonderzoek toeslagen lopen, dat ook aan het einde van het jaar komt. We hebben daar al een stap gezet, bijvoorbeeld bij de huurtoeslag. Daar hadden we een hele harde grens; als iemand net een euro meer verdiende, ging hij er €150 per maand op achteruit, met heel schrijnende gevolgen. Ik heb twee weken geleden nog met een groep mensen gesproken die zeiden: "Dan gíng ik werken en verdiende ik iets meer geld, en moest ik een jaar later €3.500 aan toeslagen terugbetalen." Dat motiveert natuurlijk helemaal niet. Dus in de huurtoeslag hebben we er juist voor gekozen om die inderdaad geleidelijker te laten verlopen. Dat zit al in het Belastingplan van vorig jaar van staatssecretaris Snel, maar ik hoop dat er ook bij het IBO Toeslagen weer nieuwe instrumenten komen om ervoor te zorgen dat inderdaad — daar is de heer Van Kent — die zaagtand meer een glijbaan wordt en dat meer werken inderdaad meer loont. Met andere woorden, dat de marginale druk daar ook wordt verlaagd.

Ik zeg daar wel altijd even bij — want ik heb nu een jaar of tien ervaring met deze discussies, ook toen ik nog in uw Kamer zat — dat het niet makkelijk is. Want het gaat altijd over koopkracht, het gaat altijd over marginale druk, het gaat altijd over inkomensondersteuning voor specifieke groepen. Maar op het punt dat de heer Van Kent adresseerde ben ik zeer met hem eens. Daar is nog een wereld te winnen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Zeker is er nog een hele wereld te winnen. Ik wilde graag even terug naar het vorige punt. Ik kom in tweede termijn wel breder terug op meer uren werken. De minister noemde terecht de sectoren zorg en onderwijs. En ja, daar staan teksten in de sectorale actieplannen, maar ik moet wel bekennen dat ik niet de indruk heb dat dit nou de dingen zijn die met de meeste voortvarendheid zijn opgepakt. Dus ik zou wel de minister willen vragen of hij aan de twee collega's wil vragen om heel specifiek in die sectoren niet een, niet twee, maar drie tandjes bij te zetten en de Kamer daar vóór de begrotingsbehandeling van Sociale Zaken over te informeren.

Minister Koolmees:

Mijn beeld is een ander. Voor mijn gevoel zijn de collega's De Jonge en Slob hier echt actief mee bezig. Ik zie die mensen natuurlijk elke week en ik heb sowieso de neiging om ze te verdedigen. Los daarvan, komt er in het najaar een voortgangsrapportage van de collega's van VWS op dit punt. Ik zal even navragen of dat kan vóór de begrotingsbehandeling van SZW, want ik vind de vraag wel terecht. Hier ligt op de arbeidsmarkt ook mijn verantwoordelijkheid en is wel degelijk ook echt nog winst te behalen. Ah, de ministers Slob en Van Engelshoven hebben u gisteren nog een brief gestuurd over de voortgang van hun aanpak. Die heb ik helaas zelf nog niet kunnen lezen, maar ik zal dit punt onder de aandacht brengen van collega De Jonge en collega Slob.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank. Ik weet dat er heel hard wordt gewerkt. Alleen, juist op dit punt zou ik zeggen: ga gewoon in gesprek met de twee sectoren en zorg dat zij bijvoorbeeld elk jaar gewoon een gesprek met al hun medewerkers in kleine deeltijdbanen voeren: wilt u uitbreiden, wat kan ik doen? Die vormen van enthousiasme en ook een beetje buiten de gebaande paden denken mis ik toch in beide actieplannen.

Minister Koolmees:

Dit punt neem ik mee naar het kabinet en naar mijn collega's. Nogmaals ik ben het eens met de vragen van mevrouw Tielen en de heer Van Weyenberg dat hier gewoon een groot arbeidspotentieel zit dat we vanuit verschillende optieken beter moeten aanboren. Ik denk dat dat voor de hele maatschappij gunstig zou zijn.

De heer Van Weyenberg vroeg in dit kader ook of we kunnen onderzoeken of en waarom verzoeken om uitbreiding van het aantal uren, als mensen aangeven zelf meer uren te willen werken, worden geweigerd. Ik heb helaas alleen oude cijfers, recentere cijfers heb ik niet, maar in 2008 is er een evaluatie uitgevoerd van de wet die toen nog de Wet aanpassing arbeidsduur heette. Daaruit blijkt dat 75% van de werkgevers nog nooit een verzoek heeft afgewezen. Wanneer een verzoek voor urenvermeerdering wordt afgewezen, is dat in 90% van de gevallen vanwege gebrek aan budget, werk en formatieruimte. Ik zeg er gelijk bij dat dit heel oude cijfers zijn.

Overigens, toen was de arbeidsmarkt ook heel erg krap, want het was vóór de financieel-economische crisis. Ook toen was er sprake van een hoge vacaturegraad. Dus in die zin is de arbeidsmarktssituatie vergelijkbaar. Maar ik hoor ook heel veel signalen, juist uit die sectoren waar dit veelvuldig voorkomt, dat het wel degelijk een cultuur- of een organisatiekwestie is. Dus deze vraag wil ik ook in het kader van de vorige vraag van de heer Van Weyenberg graag meenemen richting de collega's en het kabinet en ook richting het IBO Deeltijdwerk dat eind van het jaar verschijnt.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik kom hier in tweede termijn denk ik op terug. Een van mijn vragen is bijvoorbeeld ook of mensen überhaupt wel weten dat ze het recht hebben en of ze het niet proberen informeel te doen in plaats van met de wet in de hand. Ik denk dat bijvoorbeeld ook het argument dat het niet in de roosters past een grote rol speelt. Maar het lijkt mij goed dat wij hier een wat dieper zicht op krijgen. Volgens mij hebben mensen ook gewoon een recht, dat je als werkgever alleen in zeer uitzonderlijke gevallen mag afwijzen. Ik vraag mij af of de mensen dat wel weten.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Op het gevaar af dat mijn vraag bij het kopje "overig" aan de orde komt, merk ik op dat ik de minister nog niet heb horen vertellen over de mogelijkheid van doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd. Gisteravond hadden wij hier een debat over het CBR, waar een groot tekort is aan keuringsartsen. Gepensioneerde artsen, die best nog wel iets zouden willen doen, zonder druk, moeilijke roosters en weekenddiensten, zouden best dat soort dingen kunnen doen. Ik hoor de minister daar niet over.

Minister Koolmees:

Die vraag valt inderdaad onder het kopje "overig", maar als u de vraag nu stelt, wil ik die best meteen beantwoorden. Vorige week hebben wij in deze Kamer nog een debat gevoerd over de pensioenen. De heer Van der Linde van de VVD en ook mevrouw Van Brenk hebben daar toen aandacht voor gevraagd. Ik heb toen al aangegeven dat ik het daar zeer mee eens ben. Ik vind dat wij belemmeringen om door te kunnen werken na de AOW-leeftijd moeten wegnemen. Mijn beeld is dat wij dit hebben gedaan als rijksoverheid, voor zover het fiscale en organisatorische belemmeringen betreft. Er zijn geen regelingen die langer doorwerken tegenhouden. Het blijft wel een vrijwillige keuze van individuele werkgevers en individuele werknemers. Ook binnen de rijksoverheid, op mijn eigen ministerie, zie ik mensen die er vrijwillig voor kiezen om langer door te werken, omdat ze het gewoon leuk vinden. In geval van krapte in specifieke beroepen, zoals de artsen bij het CBR, maar ook bijvoorbeeld de artsen bij het UWV, waar dezelfde problematiek in de uitvoering speelt, is dit een heel interessante doelgroep om te benaderen. Daar ben ik zeer voor.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik heb in dat licht ook de vraag gesteld of de minister kritisch wil zijn richting de Malietoren, omdat daar meteen de reactie kwam: dat bepalen we zelf wel; wij willen eigenlijk niet dat mensen doorwerken.

Minister Koolmees:

Ik vind het sowieso niet vervelend om kritisch te zijn tegenover de Malietoren; dat is een van de leuke onderdelen van mijn beroep.

De voorzitter:

Voor de kijkers thuis: wie woont daar ook al weer?

Minister Koolmees:

De werkgeversorganisaties wonen daar, VNO-NCW en MKB-Nederland. Overigens heb ik ook heel vaak ontzettend goed overleg met deze clubs, juist als het erom gaat hoe de rijksoverheid en de werkgevers elkaar kunnen versterken om doelen dichterbij te brengen. Denk aan het brede perspectief en een heleboel andere onderwerpen.

Het debat van vorige week met de heer Van der Linde ging over het wettelijk recht om te zeggen dat de AOW-leeftijd niet het moment is waarop werkgever en werknemer besluiten dat het arbeidscontract wordt beëindigd. Dit is een fundamenteel debat dat wij in de afgelopen jaren een aantal keren hebben gevoerd. De werkgevers staan op het standpunt dat het de individuele keuze van de werkgever en de werknemer is om de arbeidsrelatie door te zetten. Daarmee ben ik het eens, omdat je anders de situatie krijgt dat dat er geen natuurlijk moment is waarop mensen met pensioen gaan.

Los van het voorgaande zie je de afgelopen jaren dat het aandeel mensen dat boven de AOW-leeftijd doorwerkt, toeneemt. Dat vind ik toe te juichen. De belemmeringen die er waren, hebben wij weggenomen om dit mogelijk te maken. Dat vind ik de koninklijke weg.

De heer Smulders sprak specifiek over de beschikbaarheid van kinderopvang en in het verlengde daarvan de zorgverlofdiscussie, naar aanleiding van de begrotingsbehandeling van vorig jaar. Zoals ik in mijn inleiding al heb gezegd, investeert het kabinet fors in de toegankelijkheid en de kwaliteit van de kinderopvang. De staatssecretaris heeft 250 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor inkomensondersteuning. Maar er is ook extra geld bij gekomen voor de groepensamenstelling — hoeveel kinderen per leidster? Dus ook in de kwaliteit is fors geïnvesteerd.

Wij hebben met de Wieg de uitbreiding van het geboorteverlof voor partners geïntroduceerd. Medio volgend jaar wordt dit zelfs zes weken. Ook dat helpt natuurlijk in de combinatie van arbeid en zorg. Wij hebben nu ook de campagne "Zijn jullie er al uit?" lopen. Dat is een voorlichtingscampagne die juist gericht is op mannen en vrouwen met jonge kinderen en op de taakverdeling arbeid en zorg, omdat wij heel vaak zien dat mannen doorwerken en vrouwen toch besluiten om minder te gaan werken of zich zelfs terugtrekken van de arbeidsmarkt. Natuurlijk is dat een vrije keuze, waar het kabinet niet in treedt, maar die heeft wel gevolgen voor de lange termijn. Ik denk aan carrièreperspectieven, inkomensniveaus en economische zelfstandigheid. Die bewustwordingscampagne wil het kabinet ondersteunen, opdat mensen echt een bewuste keuze maken als zij er bijvoorbeeld voor kiezen om een taakverdeling arbeid en zorg in te richten. De vraag of dit voldoende is of dat we op een effectievere, efficiëntere wijze meer kunnen doen, hebben wij gesteld aan het ibo Deeltijd. Die vraag laten we daar dus in meelopen, omdat het eigenlijk een onderdeel is van arbeid en zorg. We hebben bijvoorbeeld ook de discussie over het zorgverlof daarin meegenomen, naar aanleiding van de motie vorig jaar bij de begrotingsbehandeling. Dit komt voor de kerst met een kabinetsreactie naar uw Kamer. Ik kan helaas niet beloven dat dit voor de begrotingsbehandeling is, want dan is het rapport nog niet klaar. Ik had gewild dat dat zo zou zijn, maar dat lukt niet. Daarin zit ook de discussie over het aantrekkelijker maken van verlofvormen, dus niet alleen zorgverlof maar bredere verlofvormen, om het arbeidspotentieel aan te jagen.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Kan de minister aangeven hoe concreet die kabinetsreactie wordt? Wij dienden vorig jaar een motie in waarin we zeiden dat we eigenlijk medio 2019 een kabinetsplan wilden over het aantrekkelijker maken van zorgverlof. Ik heb daar dan een ander beeld bij dan: er komt een interdepartementaal onderzoek ergens in het najaar en daar geven wij ook een reactie op.

Minister Koolmees:

Dit is bijna een ingewikkelde filosofische vraag, want het advies is er nog niet. Ik kan dus ook nog niet aangeven hoe concreet de kabinetsreactie erop wordt. Ik heb wel aangegeven dat ik dit een belangrijk punt vind. Ik vind het onbenut arbeidspotentieel een belangrijk punt, en eigenlijk ook de uitzonderingspositie van Nederland internationaal vergeleken. Vergeleken met de landen om ons heen heeft Nederland weliswaar een hoge participatiegraad, maar loopt het in het aantal uren echt achter. Qua potentieel hebben we hier dus nog veel te winnen, natuurlijk binnen de grenzen van de keuzevrijheid en de eigen keuze van mensen, want ik ben ook een liberaal. Mensen moeten ook zelf keuzes kunnen maken. Het advies is er nog niet, dus ik kan nog niet aangeven hoe ambitieus de kabinetsreactie is. Dat kan ik pas aangeven als het advies er is.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Ik vrees dat we het daar nu mee moeten doen. T.z.t. ga ik de kabinetsreactie met hoge verwachtingen lezen. Ik hoop dat we niet teleurgesteld zijn.

Minister Koolmees:

Dat hoop ik altijd, voorzitter, dat de heer Smeulders niet teleurgesteld is. Dat zou namelijk heel vervelend zijn.

De heer Smeulders en de heer Van Weyenberg hebben gevraagd of arbeidsmigratie een bijdrage kan leveren aan het bestrijden van de krapte. Zoals ook in de brief over de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt is vermeld, is er in Nederland nog heel veel arbeidspotentieel dat kan worden ingeschakeld: de 1 miljoen mensen die tot het onbenutte arbeidspotentieel worden gerekend. Daarnaast leveren arbeidsmigranten een belangrijke bijdrage aan de Nederlandse economie, maar zijn zij in het algemeen niet de oplossing voor de krapte op de arbeidsmarkt. In algemene zin geldt dat arbeidsmigranten van buiten Europa kunnen worden toegelaten voor banen waarvoor de werkgever in Nederland of binnen de Europese Unie niemand heeft kunnen vinden. Als vacatures niet vervuld kunnen worden, kan er een tewerkstellingsvergunning worden aangevraagd. Een werkgever moet wel altijd eerst het aanbod van werknemers binnen Nederland en de Europese Unie benutten.

Recent kwam overigens naar voren in gesprekken met collega's uit Oost-Europa, bijvoorbeeld naar aanleiding van de discussie over de export-WW maar ook in het kader van de discussie over de sociale coördinatieverordening 883 — uw Kamer welbekend — dat de economische ontwikkeling in Oost-Europa ook daar zorgt voor krapte. Ik heb mijn Tsjechische collega gesproken. Daar is de werkloosheid zelfs nog lager dan in Nederland. Ik heb ook met mijn Poolse collega gesproken. Ook daar is er krapte op de arbeidsmarkt, waardoor mensen minder naar West-Europa trekken om daar te werken, maar juist in Polen blijven omdat de arbeidsmarktpositie daar fors is verbeterd.

Daar hoort ook een discussie bij over de zorgen die er zijn over bijvoorbeeld huisvesting. De Poolse ambassadeur is bij mij langs geweest over de zorgen van arbeidsmigranten die in Nederland aan het werk zijn over slechte huisvesting, slechte betaling en oneerlijke arbeidsomstandigheden. Samen met mijn collega's Mona Keijzer, de staatssecretaris van EZK, en Kajsa Ollongren heb ik voor de zomer een actieplan gestuurd over het aanpakken van de misstanden bij arbeidsmigranten. De heer Jasper van Dijk van de SP heeft hier veelvuldig aandacht voor gevraagd, wat mij betreft terecht. Ook goed werkgeverschap hoort hierbij. Als je mensen van buiten Nederland wilt halen om vacatures te vervullen, zul je ze goede arbeidsvoorwaarden moeten bieden, maar ook goede huisvesting. In het algemeen geldt dat naarmate de arbeidsmarkt krapper is, het UWV meer tewerkstellingsvergunningen kan verlenen als een werkgever kan aantonen dat er geen potentieel in Nederland dan wel binnen de Europese Unie beschikbaar is.

De heer Van Weyenberg vroeg in dit kader of ik al een lijstje had gekregen van werkgevers van belemmeringen bij arbeidsmigratie. Nee, dat heb ik nog niet gekregen. Ik heb daar geen lijstjes van gekregen. Ik heb ook geen verzoeken van werkgevers gekregen op dit punt. Ik constateer wel uit gesprekken met werkgevers dat zij herkennen dat in Oost-Europa de economische ontwikkeling dusdanig is dat het ook moeilijker wordt om mensen voor een baan in Nederland te vinden. Daar hoort ook de discussie over arbeidsomstandigheden en huisvesting bij. Maar ik heb geen lijstje belemmeringen van de werkgevers gekregen, dus dat herken ik niet.

Mevrouw Palland vroeg of ik een overzicht zou kunnen geven van de vorderingen met betrekking tot de stille reserves in bijvoorbeeld de zorg, de politie en dergelijke. Collega Slob heeft onderzoek gedaan naar de groep langdurig werklozen uit het onderwijs, omdat ook recent naar bovenkwam, voor de zomervakantie, dat er een grote instroom was in de WW, de stille reserves met een WW-uitkering. De heer Slob heeft uw Kamer daar per brief op 12 juli over geïnformeerd. Dat zal de commissie voor Onderwijs zijn geweest. Uit dat onderzoek komt naar voren dat er verschillende belemmeringen zijn bij deze groep om weer aan het werk te gaan in het onderwijs. Een deel van die belemmeringen heeft te maken met persoonlijke factoren, zoals gezondheid en gevorderde leeftijd in relatie tot de WW-duur, zodat de prikkel om te gaan werken beperkt is. Een deel heeft betrekking op de aantrekkelijkheid van het werk in het onderwijs zelf. Desondanks blijkt uit dat onderzoek dat er binnen die stille reserves ook een groep WW'ers is met terugkeerpotentieel die ook echt wel kan worden ingezet om vacatures in het onderwijs op te lossen. Daar hoort wel een kanttekening bij. Een groot deel van deze groep bereikt binnen vijf jaar de pensioengerechtigde leeftijd. Maar dat laat onverlet dat er voor de komende paar jaren een heel groot potentieel is dat kan worden ingezet om inderdaad die leraar voor de klas te krijgen. Daar is collega Slob dus mee bezig.

Mevrouw Palland (CDA):

Dank voor de reactie van de minister. Dat geeft inderdaad aan dat er in ieder geval in het onderwijs een potentieel is, maar de vraag was ook of er vergelijkbare initiatieven in de zorg en bij de politie zijn en of die stille reserves in beeld te brengen zijn.

Minister Koolmees:

Dat hebben we niet zichtbaar. We hebben dus al wel concreet onderzoek gedaan bij Onderwijs, althans dat heeft collega Slob gedaan, maar in het verlengde van de vraag van de heer Van Weyenberg over de actieplannen voor zorg en onderwijs wil ik dit punt graag meenemen naar mijn collega's Grapperhaus en De Jonge, of zij ook zo'n inzicht kunnen geven in het onbenutte potentieel in bijvoorbeeld de WW. Dat zeg ik dus graag toe.

De heer Van Weyenberg en de heer Smeulders vroegen naar het inburgeringsbeleid en het feit dat statushouders in Nederland toch heel vaak in een bijstandsuitkering belanden. Vorige week kwamen er weer nieuwe cijfers waaruit bleek dat die positie nog steeds gewoon heel slecht is. Dat heeft ook te maken met het inburgeringsstelsel, dat te weinig focust op het leren van de taal en ook te weinig op snel aan het werk gaan. Dat kan via vrijwilligerswerk gaan, via stages, maar ook gewoon via betaalde arbeid. Ik ben ervan overtuigd dat werken en de taal leren hand in hand gaan en elkaar daarbij kunnen versterken. Dat is ook onderdeel van mijn nieuwe wet. Zoals u weet is die wet veranderopgave inburgering bijna klaar en lopen er onderhandelingen met gemeenten over de financiering en de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Zoals u weet loopt er nu ook een gezamenlijk onderzoek naar de financiering daarvan. Ik hoop u nog voor de begrotingsbehandeling te kunnen informeren hoe ver we daarmee zijn. Ik hoop dat ook we die wet snel kunnen behandelen. Vooruitlopend op die wet zijn al heel veel gemeenten bezig met deze aanpak. Dat is positief. In Leiden, Zwijndrecht en Amsterdam zijn gemeenten ook echt aan de slag om statushouders aan het werk te helpen. Er zijn heel veel bedrijven die zien dat het ook een oplossing kan zijn voor het vervullen van vacatures. Ik was laatst in Oost-Nederland bij Alliander, een netwerkbedrijf dat binnen een jaar tien statushouders heeft opgeleid tot elektricien voor het bedrijf en hun direct een baan heeft aangeboden. Dat vind ik ontzettend goede ontwikkelingen, die in het verlengde liggen van mijn inburgeringswet en die ervoor kunnen zorgen dat mensen sneller aan de slag kunnen. Daar hoort ook bij het verhogen van het taalniveau naar B1. Wij zijn bezig met al deze stappen. Het gebeurt voor een deel in de praktijk, maar er is echt nog een wereld te winnen. Dat moet echt veel beter dan zoals het nu gaat. De nieuwe inburgeringswet moet ingaan op 1 januari 2021. Vooruitlopend erop hoop en verwacht ik en ben ik ervan overtuigd dat gemeenten al langs die weg aan het werk gaan om dit voor elkaar te krijgen. Tot zover mijn tweede blokje.

Dan het derde blokje: scholing. Vlak voor het reces hebben wij een uitgebreid debat gehad over een leven lang ontwikkelen.

De voorzitter:

Dus dat kunnen we nu kort en puntig doen.

Minister Koolmees:

Ja, dat ga ik kort en puntig doen. Binnenkort zal ik samen met minister Van Engelshoven een brief sturen over de aanpak van een leven lang ontwikkelen. Daarin zit onder andere het punt van mevrouw Palland en mevrouw Tielen over de sectoroverstijgende O&O-fondsen. Ik vind het een van de positieve ontwikkelingen — natuurlijk gaat het allemaal te langzaam en moet het allemaal sneller — dat je op dit moment samenwerking ziet tussen de O&O-fondsen in krimp- en groeisectoren. Mevrouw Mariëtte Hamer, voorzitter van de SER, heeft een doelagenda in dit kader opgesteld, juist om dit soort initiatieven te stimuleren en aan te jagen. Ik heb eergisteren nog gesproken met mevrouw Koster, de voorzitter van het Techniekpact, waarin dit soort initiatieven op regionaal niveau gaan lopen. Er zijn heel veel tekorten in technische sectoren. Dat is onderdeel van het beleid in leven lang ontwikkelen, naast het STAP-budget en de 200 miljoen euro die wij als rijksoverheid beschikbaar gaan stellen voor de persoonlijke leerrekeningen. U ontvangt die brieven binnenkort, in het najaar, namens mevrouw Van Engelshoven en mijzelf. We zullen er natuurlijk een debat over voeren om die stap vooruit te zetten. Zoals u ook weet, ben ik met het UWV in overleg over dat STAP-budget. De heer Harry van der Molen van het CDA heeft er vragen over gesteld, die ik binnenkort zal beantwoorden.

Mevrouw Tielen vroeg waarom er minder wordt geïnvesteerd in O&O. Dat beeld herken ik niet. Dit voorjaar bleek uit onderzoek van werkgeversvereniging AWVN dat circa 1,7 miljard euro voor duurzame inzetbaarheid beschikbaar was. Dat is in lijn met de afgelopen jaren. Wat ik wel herken, is dat werkgevers in tijden van krapte minder geneigd zijn om mensen vrij te maken om te scholen. De productie moet worden gedraaid. Mensen kunnen dan niet op cursus. Eigenlijk is dat een slechte ontwikkeling, die er alleen maar toe leidt dat mensen niet goed geschoold zijn op het moment dat de economie en de conjunctuur omslaat en de werkloosheid weer oploopt. Eigenlijk zou je dit een structureel onderdeel moeten maken van het humanresourcebeleid, het personeelsbeleid, in die sectoren. Ook daar vragen we aandacht voor.

Naar aanleiding van de motie-Wiersma zijn we voornemens om de SER advies te vragen over de vraag hoe er gekomen kan worden tot een eenduidig overzicht van voor scholing beschikbare private middelen. Naast het STAP-budget, publiek geld, hebben we de O&O-fondsen. Bovendien kennen steeds meer cao's persoonlijke leerrekeningen. Dat is meteen een uitdaging: hoe gaan we met elkaar inzichtelijk maken hoeveel budget er beschikbaar is en hoe mensen eigen regie kunnen voeren op hun scholing? We weten ook dat heel veel mensen het niet automatisch zelf doen en een zetje nodig hebben. Ze moeten worden ondersteund door de werkgever, omdat ze het anders gewoon niet doen. Dat zou ontzettend zonde zijn in deze veranderende economie. Binnenkort komen er uitgebreide brieven en ook een uitgebreid debat hierover.

De laatste vraag in dit kader is de vraag van de heer Van Kent over WW en scholing. De heer Van Weyenberg en de coalitie hebben bij de begrotingsbehandeling van 2018 een motie ingediend om 30 miljoen beschikbaar te stellen voor het UWV en scholing. In de eerste fase liep dat niet goed, omdat het gewoon te weinig werd gebruikt. Naar aanleiding daarvan hebben wij de regeling uitgebreid en toegankelijker gemaakt. En inderdaad, als mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt of een achtergrond die niet echt aansluit bij de vraag op de arbeidsmarkt in de WW zitten, kan scholing een goed instrument zijn om weer actief te worden op de arbeidsmarkt, maar het blijft maatwerk. Het blijft zoeken of dit echt een goed instrument is om mensen van de ene sector naar de andere sector te helpen. Het is ook publiek geld, dus daar moeten we keuzes in maken.

We hebben wel met het UWV oplossingen bedacht om belemmeringen weg te nemen om scholing te volgen en daarmee het gebruik van die 30 miljoen te bevorderen. De recente cijfers heb ik niet, maar mijn beeld uit de gesprekken met mensen van het UWV is dat het nu beter gaat dan vorig jaar, maar daar kan ik bij de begrotingsbehandeling op terugkomen.

De voorzitter:

Ik wil dolgraag naar de tweede termijn, dus als we het allemaal een beetje kunnen afronden, zou ik blij zijn.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik had nog de heel specifieke vraag gesteld of de minister zich extra hard zou willen maken om dit een onderdeel te laten zijn van de investeringsagenda. Wil hij die leerrekening extra vullen op dit moment? Wil hij zich daar binnen het kabinet hard voor maken? Ik heb daar geen antwoord op gekregen.

Minister Koolmees:

In het kader van het regeerakkoord hebben wij 200 miljoen die aan de lastenkant beschikbaar was, beschikbaar gesteld voor de individuele leerrekeningen. Er zijn geen plannen om dat bedrag op korte termijn uit te breiden. Wel zie ik dat er op cao-niveau tussen werkgevers en werknemers afspraken worden gemaakt om het scholingsbudget fors uit te breiden.

De heer Van Kent (SP):

De vraag die ik had, was heel specifiek. Wij krijgen regelmatig klachten van mensen die heel graag een opleiding willen volgen, maar die dat van het UWV niet mogen, omdat ze beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt. Ik had de vraag gesteld of de minister ervoor kan zorgen dat het UWV dat nooit als reden aandraagt als iemand zich wil omscholen naar een tekortberoep, bijvoorbeeld als iemand zich wil laten opleiden om in de zorg of het onderwijs te gaan werken.

Minister Koolmees:

De vraag begrijp ik, maar ik begrijp ook de afweging die het UWV hierin maakt. Het UWV kijkt ook of het nou de meest geijkte manier, de beste manier is om mensen vanuit een werkloosheidsuitkering terug te brengen naar de arbeidsmarkt. Als mensen een grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben of te weinig kansen hebben om aan de slag te gaan, dan kan scholing een goed instrument zijn om ze te helpen. Maar soms is dat niet het geval. En een scholing is niet binnen een maand gedaan. Dat heeft een langere tijdsduur. Dus niet voor alle mensen is het de juiste manier om terug te keren op de arbeidsmarkt. Het is maatwerk, maar ik heb de regeling wel verbreed zodat meer mensen daar gebruik van kunnen maken. Ik heb ook met het UWV besproken dat dat kan worden ingezet. Maar in z'n algemeenheid altijd scholing; dat ben ik niet met de heer Van Kent eens.

De heer Van Kent (SP):

Dat kan ik me voorstellen. Dat is ook niet wat ik betoog. Ik bedoel het volgende. De tekorten in de zorg zijn gigantisch. En we hebben deze zomer berichten gezien van scholen die geen leraren konden vinden. Als mensen zich graag willen laten omscholen om voor de klas te gaan staan en daarop nee te horen krijgen van het UWV omdat ze beschikbaar zouden moeten zijn voor de arbeidsmarkt, dan kan ik dat niet uitleggen. Kan de minister dat wel uitleggen? Of kan hij ervoor zorgen dat het UWV als antwoord ja geeft in plaats van nee?

Minister Koolmees:

Dit vind ik een voorbeeld waarvan ik heel goed begrijp dat het UWV een andere afweging maakt. Een opleiding om leraar te worden — of dat nou de pabo is, een hogere beroepsopleiding of een lerarenopleiding — kost vier jaar, tenzij je zij-instromer bent of anders verworven competenties hebt. Als je een zijinstromer bent en in een andere sector, bijvoorbeeld de techniek hebt gewerkt, en je wilt techniekdocent worden, dan kan dit een goede route zijn. Maar als je in een sector werkt waar je nooit iets te maken hebt met onderwijs, dan is er gewoon een heel grote afstand tussen je eigen werkervaring en de kwalificaties om voor de klas te kunnen staan. Daarom blijft het maatwerk en kun je niet generiek zeggen dat dat een goede route is. Ik ben het met de heer Van Kent eens dat, als dit de manier is om de zijinstroom in het onderwijs te bevorderen van bijvoorbeeld mensen die uit het vak komen en het willen onderwijzen, bijvoorbeeld op een mbo-school, dit een manier kan zijn. Maar niet altijd.

De heer Van Kent (SP):

Volgens mij komen we wel ergens, want ik denk dat we het met elkaar eens zijn dat, als mensen die stap willen zetten, ze dat ook zouden moeten doen. Natuurlijk, als het echt niet anders kan. Maar er zijn ook lerarenopleidingen waarbij je één dag werkt en vier dagen voor de klas staat, met allerlei varianten. Is de minister het met de SP eens dat er nu nog drempels kunnen zijn voor mensen om deel te nemen aan zo'n opleidingstraject? Is de minister bereid om hier uit te spreken dat die drempels er niet zouden moeten zijn als er inderdaad sprake is van de door de minister net geschetste voorwaarden? Want wij krijgen signalen dat daar nog steeds problemen zijn, ondanks de 30 miljoen die ...

Minister Koolmees:

Die signalen ken ik niet, maar ik zal ze mee terugnemen. Ik zal dat navragen bij het UWV. Het feit dat er 30 miljoen beschikbaar is voor scholing geeft al aan dat ik het zeer met u eens ben dat dit een goede manier zou kunnen zijn. Maar als er in de praktijk belemmeringen zijn, ga ik daar graag naar kijken. Dat zeg ik de heer Van Kent graag toe.

De voorzitter:

Prima. Graag nu in afrondende sfeer.

Minister Koolmees:

Nogmaals, alle vragen die zijn gesteld over Prinsjesdag en de koopkracht komen volgende week op Prinsjesdag. Dus die laat ik nu even zitten. Combinatiebanen, was de vraag van mevrouw Palland. Dit is een meerdimensionale zaak, wat één aanpak en één appreciatie lastig maakt. Als je het SER-advies over de combinatiebanen leest, gaat het deels om mensen die noodgedwongen combinatiebanen hebben en deels om mensen die het gewoon leuk vinden. In de zomer op het strand werken en in de winter skileraar zijn is het klassieke voorbeeld. Soms gaat het om slechte bekendheid van regelingen, maar het gaat vaak over heel specifieke situaties. Er zijn wel werkgevers die deze belemmeringen willen oplossen, ook in de zorg en het onderwijs, juist als het gaat om die krapte. Maar in zijn algemeenheid is het wel moeilijk om daar een soort malletje op te leggen en beleid op te maken. Dat is echt weer maatwerk op sectoraal niveau tussen werkgevers en werknemers.

Meneer De Graaf, van de PVV, vroeg of het geen tijd wordt om de uitkering van werkweigeraars te korten of stop te zetten. Zoals u weet, is in de Participatiewet het vereiste opgenomen van de tegenprestatie en de taaleis. De staatssecretaris doet daar een nog lopend onderzoek naar. Ik denk dat daarover vanmiddag in het AO over de Participatiewet zal worden gesproken. Dan gaat het inderdaad om de vraag hoe we ervoor gaan zorgen dat mensen die een afstand hebben tot de arbeidsmarkt en bijvoorbeeld de taal niet spreken wel de taal gaan leren. Wat mij betreft ligt dat in het verlengde van de vraag van de heer Smeulders over de nieuwe Inburgeringswet. Straks gaan gemeenten de taal regelen voor de statushouders. Het zou heel goed kunnen dat ze taalcursussen gaan inkopen voor mensen in de bijstand, waarmee zij worden geactiveerd om de taal te leren en daarmee aan het werk te gaan. Dus qua beeld en richting zijn de heer De Graaf en ik het eens. Daar kan nog wel een stap worden gezet.

De heer De Graaf (PVV):

Dank voor dat antwoord. In de vorige kabinetsperiode, toen die wet werd aangescherpt, zijn er veel dingen veranderd op sociaal gebied, zoals op het gebied van flexibiliteit. Toen heb ik aangegeven dat er altijd weer open eindjes aan zo'n wet zitten, ook in de Participatiewet, die ertoe leiden dat ambtenaren op de gemeentehuizen wat al te veel naar eigen goeddunken kunnen beslissen of iemand genoeg zijn best heeft gedaan. De wet is door die losse eindjes wat breed interpretabel. Nu zegt de minister weer dat we eventueel taalcursussen gaan inkopen. Maar wat is nou het moment waarop er een keer gestraft wordt en er een voorbeeld wordt gesteld? Hoeveel uitkeringen zijn er uiteindelijk gestopt en gekort? Volgens mij zijn die op één hand te tellen.

Minister Koolmees:

De discussie over de verantwoordelijkheid van gemeenten is altijd lastig. De Wet werk en bijstand is de verantwoordelijkheid van de gemeenten. Als Rijk stellen we daar een budget voor beschikbaar en stellen we een aantal randvoorwaarden binnen de Participatiewet waar gemeenten zich aan moeten houden, maar de uitvoering vindt echt plaats op lokaal niveau. Je ziet ook hele grote verschillen tussen de gemeenten, zowel in de aanpak als in de visie op wat het beste zal werken. Ik kan me van de vorige periode nog een discussie herinneren over de Rotterdamse aanpak en de Amsterdamse aanpak. Het principiële punt is dat de gemeenten beleidsvrijheid hebben om dit te doen. Zij zijn daar zelf verantwoordelijk voor. Maar de staatssecretaris is, indachtig het regeerakkoord, wel bezig om niet-vrijblijvende afspraken te maken met gemeenten over de activering van mensen in de bijstand en over een taaleis. Maar nogmaals, vanmiddag heeft uw Kamer een algemeen overleg met de staatssecretaris. Daar wil ik graag naar verwijzen, want zij is beleidsverantwoordelijk hiervoor en ze is ook heel goed bezig.

De heer De Graaf (PVV):

Ik snap dat de staatssecretaris beleidsverantwoordelijk is, maar de minister is eindverantwoordelijk voor het hele ministerie. Het moment van een keer straf uitdelen, een keer korten of een keer iets afpakken, komt steeds maar niet. Dat blijft toch een open einde. Wordt het niet eens tijd, zo vraag ik aan de minister, de beleidseindverantwoordelijke voor het ministerie, om die wet aan te passen en te zeggen: we moeten de beleidsvrijheid van gemeentes maar eens in gaan perken?

Minister Koolmees:

Het is een flauw antwoord, maar ik weet dat deze discussie nu loopt. Ik weet dat er op dit moment ook onderzoeken lopen naar wat gemeenten in de praktijk doen om vorm te geven aan de activering. Dat kan via een tegenprestatie, via sociale activering of via het oplossen van schuldenproblematiek waar mensen mee te maken hebben. Dat onderzoek loopt op dit moment. Daar spreekt de Kamer vanmiddag over met de staatssecretaris. Zij is beter op de hoogte van de laatste stand en de laatste cijfers dan ikzelf. Nogmaals, qua richting verschillen we niet eens zozeer van mening. Ik vind dat we mensen kansen moeten geven, maar als mensen die kansen niet pakken, dan moeten we mensen stimuleren en desnoods achter de broek aanzitten om ervoor te zorgen dat ze aan het werk komen. We zijn het dus niet eens zo zeer oneens over de richting, maar de discussie moet echt met de staatssecretaris worden gevoerd, want zij weet veel beter dan ik wat de laatste stand is op dit terrein. Dat gebeurt vanmiddag al, dus de heer De Graaf kan zich vanmiddag melden bij het algemeen overleg Participatiewet.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel. Bestaat er behoefte aan een tweede termijn? Dat hoeft niet, maar dat is wel het geval. Dan ga ik het lijstje af. Mevrouw Tielen, het woord is aan u.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik kijk even naar het klokje. Heb ik zo weinig tijd?

De voorzitter:

Ja, u bent door uw tijd heen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik had toch vier minuten? Krijg ik nu maar twee minuten voor de tweede termijn?

De voorzitter:

U heeft één minuut en twintig seconden. Dat is een derde.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik wilde graag een beetje onderhandelen ...

De voorzitter:

Er valt niet te onderhandelen met mij.

Mevrouw Tielen (VVD):

... maar daar moet ik andere middelen voor verzinnen met deze voorzitter.

Voorzitter. We hebben een oproep gedaan aan de minister om met urgentie en daadkracht aan de slag te gaan met die krapte. We hebben daar veel over terug gehoord. We horen dat OCW, VWS, JenV en Defensie allemaal bezig zijn met de tekorten. Mijn vraag aan deze minister is eigenlijk: is hij bereid om als een soort primus inter pares onder zijn collega's wat meer coördinatie op zich te nemen als het gaat om die krapte, zodat de aanpakken kunnen worden gebundeld, we van elkaars ervaringen kunnen leren en we vooral niet allemaal in dezelfde vijver gaan vissen?

Daarnaast heb ik twee moties. Ik ga die niet toelichten, maar gewoon snel benoemen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de investeringen vanuit cao-fondsen in Opleiding & Ontwikkeling en werkgelegenheid zijn afgenomen;

overwegende dat een kwart van alle ondernemers personeelstekorten heeft en omscholing sterk kan bijdragen aan het oplossen hiervan;

verzoekt de regering om in het najaar samen met werkgevers uit het mkb concrete verbetervoorstellen te formuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tielen, Bruins en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 940 (29544).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een kwart van alle ondernemers personeelstekorten heeft;

overwegende dat er nog meer dan een miljoen mensen in Nederland langs de kant staan of meer willen werken;

overwegende dat het mkb zorgt voor het grootste deel van ons verdienvermogen en de werkgelegenheid in Nederland;

verzoekt de regering het mkb extra prioriteit te geven in de aanpak van krapte op de arbeidsmarkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Tielen en Palland. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 941 (29544).

Dank u wel. Dan de heer Van Weyenberg van de fractie van D66.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank u wel, voorzitter. Ik heb alleen twee moties, met het oog op de tijd.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in veel sectoren personeelstekorten zijn;

overwegende dat 368.000 deeltijdwerkers, waaronder veel vrouwen, meer willen werken en hiervoor direct beschikbaar zijn;

overwegende dat nog niet de helft van de vrouwen financieel onafhankelijk is;

overwegende dat bijvoorbeeld het aanpassen van arbeidstijden, het anders inrichten van werk en financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat (meer) mensen hun arbeidsduur uitbreiden;

verzoekt de regering om in gesprek te gaan met sociale partners om de uitbreiding van gewerkte uren te bevorderen;

verzoekt de regering tevens om met de sociale partners in kaart te brengen hoe deeltijdwerkenden meer kunnen werken, bijvoorbeeld door in cao's meerwerk (financieel) extra te belonen of een periodiek aanbod van extra uren op te nemen en knelpunten hiervoor weg te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Tielen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 942 (29544).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat met de Wet flexibel werken werknemers het recht hebben gekregen om een verzoek in te dienen hun arbeidsduur aan te passen;

constaterende dat werkgevers daar alleen van af mogen wijken bij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen die zich tegen het verzoek verzetten;

overwegende dat in een aantal sectoren waar relatief veel in deeltijd wordt gewerkt en het tekort aan personeel groot is zoals in het onderwijs en in de zorg er wel veel verzoeken voor uitbreiding van arbeidsduur worden afgewezen;

verzoekt het kabinet onderzoek te doen naar de wijze waarop de verzoeken om uitbreiding van de arbeidsduur worden afgehandeld, hoe vaak daarbij een beroep wordt gedaan op zwaarwegende bedrijfs- en dienstbelangen en hoe vaak dit ter toetsing aan een rechter wordt voorgelegd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 943 (29544).

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. De minister verwees naar de brief van de beide bewindslieden van Onderwijs over de aanpak van krapte. Daar staat bijvoorbeeld heel veel in over de zijinstroom, maar eigenlijk helemaal niets over hoe je nou meer uren werk in die sector kunt doen. En dat is wat mij betreft de kern. Een rapportage over die motie vóór de begrotingsbehandeling, ook van deze bewindslieden, zou ik zeer waarderen.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Smeulders van de fractie van GroenLinks.

De heer Smeulders (GroenLinks):

Dank u wel, voorzitter. Dit is een debat over de krapte op de arbeidsmarkt, maar ik ervaar het vooral als het grote doorverwijsdebat. Ik ben halverwege begonnen met meeschrijven: minister Slob, minister Van Engelshoven, minister De Jonge, minister Grapperhaus, minister Ollongren, staatssecretaris Snel, staatssecretaris Van Ark en staatssecretaris Keijzer, en misschien heb ik er nog wel een paar gemist. We snappen dat dit breed is en dat dit heel veel ministeries, heel veel sectoren, raakt. Ik wil me wel van harte aansluiten bij de oproep van mevrouw Tielen — ze is hier de eerste keer als woordvoerder Sociale Zaken, dus het is fijn om samen op te trekken — om Sociale Zaken misschien toch iets meer primus inter pares te laten zijn. Want er gebeurt nu ongelooflijk veel, op heel veel verschillende plekken, en het lijkt me goed dat u als eindverantwoordelijke binnen het kabinet voor de arbeidsmarkt daar echt duidelijk de regie op voert. Er zijn verder geen moties van onze kant. Ik ben eigenlijk vooral heel benieuwd naar Prinsjesdag volgende week om te horen wat u concreet gaat doen om de krapte op de arbeidsmarkt aan te pakken.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan de heer Van Kent van de SP.

De heer Van Kent (SP):

Dank, voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste omdat we — in ieder geval een groot deel van de fracties — het daarover eens lijken te zijn.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering verschillende scenario's uit te werken waarbij het stelsel van toeslagen zo wordt ingericht dat (meer) werken altijd lonend is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Kent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 944 (29544).

De heer Van Kent (SP):

Ik had het in het interruptiedebatje met de minister over het al dan niet kunnen volgen van een opleiding tijdens de WW. Daarom de volgende motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een groot tekort is aan arbeidskrachten in bepaalde sectoren, waaronder het onderwijs en de zorg;

overwegende dat het volgen van een opleiding voor mensen met een werkloosheidsuitkering niet altijd is toegestaan omdat men beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt;

roept de regering op ervoor te zorgen dat het beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt nooit als enige reden kan worden aangedragen om het volgen van een opleiding voor een erkend diploma voor het werken in een kraptesector niet toe te staan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Kent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 945 (29544).

De heer Van Kent (SP):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Palland van het CDA.

Mevrouw Palland (CDA):

Voorzitter. Ik dank de minister voor het beantwoorden van de vragen. We hebben nog wel een vraag openstaan over de "groenpluk" op het mbo. Verder wil ik de minister danken voor de toezegging dat hij nog bij zijn collega's nagaat hoe het zit met de stille reserves uit de WW bij de politie en de zorg. Wij hebben nog een motie inzake het SER-rapport over de combinatiebanen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Sociaal-Economische Raad (SER) in 2018 een advies heeft uitgebracht over "combinatiebanen";

overwegende dat werken moet lonen en meer werken ook moet lonen;

overwegende dat een combinatiebaan de mogelijkheid biedt om in een andere sector ervaring op te doen en dat het tegelijkertijd combineren van banen kan bijdragen aan het oplossen van de krapte op de arbeidsmarkt;

overwegende dat het hiertoe van belang is dat belemmeringen, zoals wet- en regelgeving die geen rekening houdt met mensen met meerdere banen of onbekendheid met bestaande informatie die voor baancombineerders van belang is, zo veel mogelijk worden weggenomen;

verzoekt de regering om verder in kaart te brengen welke belemmeringen voor het combineren van banen er zijn, hoe deze zouden kunnen worden weggenomen en hoe het combineren van banen gemakkelijker kan worden gemaakt voor zowel werkenden als werkgevers;

verzoekt de regering tevens de Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2020 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Palland, Amhaouch en Tielen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 946 (29544).

De voorzitter:

Dan mevrouw Van Brenk van de fractie van 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Dank, voorzitter. Met potentieel nog 1 miljoen mensen moet je elke mogelijkheid benutten en elke nieuwe kans omarmen. Daarom dien ik een motie in die deze minister steunt om daar ook mee aan de slag te gaan.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de arbeidsmarkt kampt met een fors tekort aan arbeidskrachten;

overwegende dat 55-plussers, mensen met een migratieachtergrond en mensen met een arbeidsbeperking nog steeds moeilijk aan de slag komen;

van oordeel dat vooroordelen in sollicitatieprocedures voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt doorbroken moeten worden;

nodigt de regering uit in overleg met sociale partners en VNG na te gaan of en, zo ja, hoe "open hiring" de kans op werk kan vergroten voor mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 947 (29544).

Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer was mevrouw Van Brenk. Is de minister meteen in staat tot antwoorden? Nee? Dan schors ik de vergadering twee minuten.

Minister Koolmees:

Drie minuten.

De voorzitter:

Tweeënhalve minuut.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Het woord is aan de minister, die even kort en puntig door de moties gaat.

Minister Koolmees:

Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik zal proberen het kort en puntig te doen.

De eerste vraag in tweede termijn, die is gesteld door mevrouw Tielen, maar ook door de heer Smeulders, ging over het feit dat ik naar heel veel collega's doorverwees. Dat klopt, want de publieke sector is omvangrijk en omvat zeer verschillende sectoren, zoals het Rijk, de zorgsector, het onderwijs, de politie en Defensie. De uitdagingen binnen een sector zijn al divers van aard; bovendien zijn ze vaak per regio en per beroepsgroep verschillend. Laat ik een voorbeeld geven. Er zijn verschillende bewindspersonen die te maken hebben met het tekort aan verzekeringsartsen, of artsen in het algemeen. Dat geldt voor het CBR en het UWV, maar ook voor collega's De Jonge en Bruins op het ministerie van VWS. Het is dan ook logisch en wenselijk dat de sectoren die het meeste zicht hebben op aard en omvang van de uitdagingen ook sectorspecifiek beleid voeren in de aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Ik ben van het stelsel. Ik ben er voor de hele Nederlandse economie, niet voor specifieke sectoren, maar voor de hele arbeidsmarkt in brede zin. De minister van BZK is de coördinator voor de arbeidsmarktpositie van het Rijk. Ik wil ook niet in de positie komen dat ik de coördinator van alle sectoren word. Dat kan ik gewoon niet waarmaken. SZW heeft de verantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt in brede zin, voor het stelsel en alle algemene wetten die voor alle sectoren van de Nederlandse economie van belang zijn.

Wij werken wel heel veel met elkaar samen. Neem bijvoorbeeld de samenwerking tussen het veiligheidsdomein, waar Defensie samenwerkt met de Douane, de Dienst Justitiële Instellingen en de brandweer. Mensen die bijvoorbeeld bij Defensie uit dienst gaan, kunnen we behouden voor de publieke sector, bijvoorbeeld bij de politie of de Douane. Daar wordt heel goed samengewerkt. Er zijn ook andere uitwisseltrajecten. Interdepartementaal wordt regelmatig bezien waar de aanpakken in de publieke sector elkaar kunnen versterken. Dan heb ik het bijvoorbeeld over het delen van ervaringen en het gebruiken van mensen die overtollig worden in een andere sector. Maar elke sector heeft een specifieke aanpak. Ik wil de heer Van Weyenberg in dit kader nog wel toezeggen dat ik zijn signaal over de deeltijd zal doorgeven aan de collega's. Voor mij zit het 'm in twee punten. Het ibo deeltijd loopt; dat komt voor de kerst naar buiten. Tegelijkertijd herken ik het punt dat er nog steeds onbenut arbeidspotentieel is in die sectoren, waar deeltijd een oplossing voor zou kunnen zijn. Ik neem het mee terug naar mijn collega's en kom hier voor de begrotingsbehandeling op terug.

Dan ... hou ik even mijn mond.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik snap heel goed dat de minister niet eindverantwoordelijk wil zijn voor alle tekorten en dat het allemaal ook per sector gaat. Dat snap ik allemaal heel goed. Tegelijkertijd vind ik het echt heel zonde dat wij met allerlei collega's bij wijze van spreken elke maand een brief vanuit een ander departement krijgen waarin ervaringen kennelijk niet worden meegenomen; ik verwijs nu naar wat de heer Van Weyenberg zei. Ik vind het helemaal niet zo raar als er iemand is die in ieder geval zorgt — dat hoor ik de minister eigenlijk ook wel zeggen — dat leerpunten worden gewisseld, dat dingen die goed werken worden gedeeld en dat we alsjeblieft geen tijd en geld steken in dingen die niet werken. Wil de minister niet toch iets meer laten zien dat hij daar wel enige coördinerende rol in wil pakken, niet zozeer wat betreft de inhoud als wel wat betreft het proces?

Minister Koolmees:

Formeel is het zo — sorry voor dit formalistische antwoord — dat de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de rijkssectoren. Zij heeft op het departement ook een directie die dit coördineert. Ook de pensioenonderhandelingen en de arbeidsvoorwaardenonderhandelingen gaan bijvoorbeeld vanuit het ministerie van BZK. Als ik te veel in die werkgeversrol ga zitten, kan ik mijn andere rol, die van de hoeder van de polder, van het algemeen belang op de arbeidsmarkt, minder goed spelen. Ik ben het wel met mevrouw Tielen eens dat de ervaringen binnen sectoren gedeeld moeten worden. Dat probeer ik ook te doen. Ik neem haar aanmoediging over. Ik probeer die ervaringen heel goed te delen met mijn collega's. Op zo'n punt over deeltijd, over toeslagen of over het onbenut arbeidspotentieel ben ik het zeer met mevrouw Tielen eens. Ik trek er bij de collega's ook aan om te kijken hoe we dat rijksbreed, of misschien zelfs ook bij de andere publieke sectoren, bijvoorbeeld bij de gemeenten, kunnen inzetten. Die aanmoediging neem ik dus graag ter harte. Daar ga ik graag verder mee. Maar formeel praat uw Kamer met de minister van Binnenlandse Zaken over de personeelszaken van de rijksoverheid, en praat ze in allerlei verschillende commissies ook over tekorten in bijvoorbeeld de zorg en het onderwijs met al mijn collega's. Maar nu creëer ik te veel tegenstellingen. Volgens mij zijn we het op grote lijnen eigenlijk wel met elkaar eens. Ik wil alleen niet die verantwoordelijkheid krijgen, want dat kan ik niet waarmaken. Dan ga ik ook in een dubbele rol zitten.

Voorzitter, de moties. U kijkt heel streng. De motie op stuk nr. 940 van mevrouw Tielen, de heer Bruins en de heer Van Weyenberg gaat over het mkb. Dat is een terecht punt. Oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 941 van mevrouw Tielen en mevrouw Palland verzoekt de regering het mkb extra prioriteit te geven in de aanpak van de krapte op de arbeidsmarkt. Die motie geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 942 van de heer Van Weyenberg en mevrouw Tielen verzoekt de regering om met de sociale partners in kaart te brengen hoe deeltijdwerkenden meer kunnen werken, bijvoorbeeld door in cao's meerwerk financieel extra te belonen of een periodiek aanbod van extra uren op te nemen en knelpunten hiervoor weg te nemen. Zoals ik al heb gezegd, vind ik dat de Kamerleden hiermee een interessante en terechte vraag stellen. Er loopt een ibo deeltijd, maar ik vind dit zo'n sympathiek punt dat ik deze motie oordeel Kamer geef.

De voorzitter:

De motie heeft oordeel Kamer, meneer Van Weyenberg.

Minister Koolmees:

Ja, voordat ik het weet, moet ik nuanceringen gaan aanbrengen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik had gevraagd of we voor de begroting een update kunnen krijgen van wat er uit die gesprekken is gekomen. Dat is dus wat breder dan het punt van OCW en VWS. Dus: gaat niet alleen de publieke sector hiermee aan de slag, maar gaan ook werkgevers hiermee aan de slag?

Minister Koolmees:

Ja, ja. Sorry, dat ga ik doen. Ik ga dit met de Stichting van de Arbeid bespreken. Ik probeer daarover voor de begrotingsbehandeling iets over terug te koppelen.

De motie op stuk nr. 943 van de heer Van Weyenberg en de heer Smeulders verzoekt de regering onderzoek te doen naar de wijze waarop de verzoeken om uitbreidingsduur worden afgehandeld. Ik verwees net naar een oud onderzoek uit 2008. Ik begrijp de vraag naar meer recente cijfers heel goed. Voor de Wet flexibel werken was er al een wettelijke basis om een verzoek te doen om aanpassing van de arbeidsduur. De cijfers van 2008 heb ik net geroepen. In de Wet flexibel werken van 2015 is opgenomen dat de wet na vijf jaar wordt geëvalueerd. In 2020 wordt daarom een evaluatieonderzoek gedaan waarin dit wordt meegenomen. Daarom geef ik deze motie oordeel Kamer. Ik ben vandaag ontzettend flexibel, voorzitter. Hoort u het?

De voorzitter:

En coulant vooral.

Minister Koolmees:

Coulant ook, ja. Die lijn ga ik doorzetten in de richting van de heer Van Kent. Zijn motie, de motie op stuk nr. 944, verzoekt de regering verschillende scenario's uit te werken waarbij het stelsel van toeslagen zo wordt ingericht dat meer werken altijd lonend is. Dat vind ik een sympathieke gedachte. Daar ben ik het mee eens; met de intentie ben ik het eens. Het woordje "altijd" vind ik ingewikkeld, want ik ben bang dat we dat niet altijd kunnen waarmaken, omdat er overal inkomensafhankelijke regelingen zijn die bedoeld zijn om mensen met een lage inkomenspositie te ondersteunen, niet alleen vanuit het Rijk en de Belastingdienst maar ook op gemeentelijk niveau. Als ik de motie zo mag interpreteren dat ik de intentie heel erg onderschrijf en dat dit ook onderdeel is van het ibo toeslagen, dan wil ik de motie graag oordeel Kamer geven. Bij het woordje "altijd" heb ik de genoemde kanttekening bij gemaakt.

De heer Van Kent (SP):

De motie kan gelezen worden op de manier waarop de minister de motie uitlegt.

De voorzitter:

Prima, dat is bij dezen vastgelegd.

Minister Koolmees:

Dan heb ik slechter nieuws voor de heer Van Kent over zijn motie op stuk nr. 945. Ik heb de vorige motie al geïncasseerd; u kan dus niet meer terug. De motie verzoekt de regering ervoor te zorgen dat het beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt nooit als enige reden kan worden aangedragen om het volgen van een opleiding voor een erkend diploma niet toe te staan. Zoals we net al met elkaar hebben besproken in een interruptiedebatje, is dit maatwerk. Scholing in de WW is in principe altijd mogelijk, zolang iemand ook beschikbaar blijft voor de arbeidsmarkt. Dat is de lijn die erin zit. Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt blijft een belangrijke voorwaarde. Het doel van de WW is activering. Het is niet efficiënt en doelmatig om mensen in de WW generiek vrij te stellen van beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt als ze zich willen scholen richting krapte. Ik heb net in dat interruptiedebatje voorbeelden gegeven van waar dit wel het geval kan zijn en waar het niet het geval kan zijn. Een deel van de werkzoekenden kan zonder de inzet van scholing weer nieuw werk vinden. Om die reden geeft het UWV vrijstelling van de sollicitatieplicht als het UWV de scholing noodzakelijk acht voor het vinden van werk. Scholing richting krapteberoepen wordt gestimuleerd met de 30 miljoen uit de motie-Wiersma/Van Weyenberg/Bruins/Heerma. Als het UWV scholing van de werkzoekende richting een krapteberoep financiert, wordt de uitkeringsgerechtigde automatisch vrijgesteld van de plicht om te solliciteren. Dat is ook weer maatwerk, omdat je mensen dan ook de tijd moet geven om die opleiding te kunnen vervolgen. In generieke zin kan ik deze motie dus geen oordeel Kamer geven. Ik moet haar dus ontraden.

De voorzitter:

Kort.

De heer Van Kent (SP):

Ik heb de formulering "nooit als enige reden kan worden aangedragen" gekozen. Met andere woorden, er kunnen andere redenen zijn waarom de scholing niet gevolgd kan worden, maar enkel en alleen de reden dat men beschikbaar moet zijn voor de arbeidsmarkt is niet genoeg om een verzoek tot scholing te weigeren. Ik had gehoopt dat we het op basis van die formulering met elkaar eens zouden kunnen zijn.

Minister Koolmees:

Ik heb net geprobeerd uit te leggen dat dat niet zo is. De basishouding is dat iedereen beschikbaar moet zijn om vanuit de WW aan het werk te kunnen gaan. Het UWV kan daarvan afwijken als mensen scholing volgen. Dat is de volgorde. Deze formulering is andersom.

De voorzitter:

Prima. De motie op stuk nr. 946.

Minister Koolmees:

De motie op stuk nr. 946, van mevrouw Palland, de heer Amhaouch en mevrouw Tielen over belemmeringen voor het combineren van banen vind ik sympathiek. De SER heeft in 2018 het fenomeen combinatiebanen verkend. Zoals ik net al zei, is het heel divers en zijn de motieven verschillend en niet in één malletje te vangen. De SER heeft een aantal belemmeringen genoemd die het lastig kunnen maken om die banen te combineren, zoals de slechte bekendheid van regelingen en van de faciliteit voor voorlopige teruggave. Als ik uw motie mag lezen als een oproep aan het kabinet om deze punten met de SER te bespreken, kan ik deze oordeel Kamer geven.

De voorzitter:

Mevrouw Palland knikt, dus dat is het geval.

Minister Koolmees:

U gaat te snel. Ik had nog een paar zinnen extra, maar het is goed.

De voorzitter:

Die twittert u wel even.

Minister Koolmees:

Dan de motie op stuk nr. 947, van mevrouw Van Brenk en de heer Van Weyenberg. Over open hiring en de lopende initiatieven van de Start Foundation heb ik al gezegd dat ik die zeer sympathiek vind en ook heel interessant vind om te volgen. Ik geef die motie dus graag oordeel Kamer.

Al met al, voorzitter, ben ik dus ontzettend coulant. Ik heb de heer Van Kent één keer teleurgesteld, maar ook één keer heel blij gemaakt.

De voorzitter:

Dat strepen we tegen elkaar weg. Dank aan de minister dat hij bij ons was.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over deze moties stemmen wij 24 september. Dat is over twee weken. Volgende week hebben wij immers Prinsjesdag. Ik schors tot de klok van 14.30 uur. Dan gaan we stemmen over het VSO en het VAO van hedenochtend. Om 14.30 uur gaan we dus stemmen. Aansluitend hebben wij de regeling van werkzaamheden.

Minister Koolmees:

Ik heb dus zo gehaast, zodat u ...

De voorzitter:

Ja, zodat wij lekker kunnen eten. Dank u wel, meneer de minister. Tot zover.

De vergadering wordt van 13.27 uur tot 14.34 uur geschorst.

Voorzitter: Arib