Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2011-201233240-XV nr. 1

33 240 XV Jaarverslag en slotwet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2011

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID (XV)

Aangeboden 16 mei 2012

Gerealiseerde uitgaven 2011 (€ 30 766,6 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde uitgaven 2011 (€ 30 766,6 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten 2011 (€ 2 455,7 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde ontvangsten 2011 (€ 2 455,7 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieuitgaven 2011 (€ 49 691,4 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieuitgaven 2011 (€ 49 691,4 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieontvangsten 2011 (€ 260,0 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

Gerealiseerde premieontvangsten 2011 (€ 260,0 mln) naar artikel (bedragen x € 1 mln)

INHOUDSOPGAVE

   

blz.

     

A.

Algemeen

7

     

1.

Aanbieding en dechargeverlening

7

     

2.

Leeswijzer

11

     

B.

Beleidsverslag

13

     

3.

Beleidsprioriteiten

13

4.

Beleidsartikelen

20

 

Artikel 41 Inkomensbeleid

20

 

Artikel 42 Arbeidsparticipatie

24

 

Artikel 43 Arbeidsverhoudingen

31

 

Artikel 44 Gezond en veilig werken

42

 

Artikel 45 Pensioenbeleid

47

 

Artikel 46 Inkomensbescherming met activering

54

 

Artikel 47 Aan het werk: Bemiddeling en Re-integratie

79

 

Artikel 48 Sociale werkvoorziening

92

 

Artikel 49 Overige inkomensbescherming

96

 

Artikel 50 Tegemoetkoming specifieke kosten

105

 

Artikel 51 Rijksbijdragen aan sociale fondsen

112

 

Artikel 52 Kinderopvang

115

     

5.

Niet-beleidsartikelen

122

 

Artikel 97 Aflopende regelingen

122

 

Artikel 98 Algemeen

123

 

Artikel 99 Nominaal en onvoorzien

130

     

6.

Bedrijfsvoeringsparagraaf

131

     

C.

Jaarrekening

135

     

7.

Verantwoordingsstaat

135

8.

Saldibalans

136

9.

Topinkomens

143

10.

Baten-lastendiensten

144

     

D.

Bijlagen

163

     
 

Bijlage 1: Toezichtsrelaties

163

 

Bijlage 2: ZBO’s en RWT’s

172

 

Bijlage 3: Inhuur externen

175

 

Bijlage 4: Subsidies

176

 

Bijlage 5: SZA-kader en sociale fondsen

178

 

Bijlage 6: Lijst van gebruikte afkortingen

184

 

Bijlage 7: Trefwoordenregister

188

ONDERDEEL A. ALGEMEEN

1. AANBIEDING EN DECHARGEVERLENING

Aan de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bied ik het departementale jaarverslag van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) over het jaar 2011 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 63 en 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verzoek ik de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid decharge te verlenen over het in het jaar 2011 gevoerde financiële beheer.

Ten behoeve van de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening is door de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 82 van de Comptabiliteitswet 2001 een rapport opgesteld. Dit rapport wordt separaat door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Rekenkamer met betrekking tot:

  • a. het gevoerde financieel beheer en materieelbeheer;

  • b. de ten behoeve van dat beheer bijgehouden administraties;

  • c. de financiële informatie in het jaarverslag;

  • d. de betrokken saldibalans;

  • e. de totstandkoming van de informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering;

  • f. de in het jaarverslag opgenomen informatie over het gevoerde beleid en de bedrijfsvoering.

Bij het besluit tot dechargeverlening dienen verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken te worden betrokken:

  • a. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011;

  • b. het voorstel van de slotwet over 2011 dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • c. het rapport van de Algemene Rekenkamer over 2011 met betrekking tot het onderzoek van de centrale administratie van ’s Rijks schatkist en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • d. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer met betrekking tot de in het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2011 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten van het Rijk over 2011, alsmede met betrekking tot de saldibalans van het Rijk over 2011 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 64 van de Comptabiliteitswet 2001 verklaart de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 64, derde lid van de Comptabiliteitswet 2001 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. LEESWIJZER

2.1 Opbouw jaarverslag

Het jaarverslag van SZW bestaat uit vier onderdelen: Algemeen, Beleidsverslag, Jaarrekening en Bijlagen.

Algemeen

Het onderdeel Algemeen omvat het verzoek tot dechargeverlening en deze leeswijzer.

Beleidsverslag

Het beleidsverslag is opgebouwd uit vier onderdelen:

  • 1. De paragraaf beleidsprioriteiten bevat een uiteenzetting op hoofdlijnen van de in 2011 bereikte resultaten en de ontwikkelingen in de sociale zekerheid;

  • 2. De beleidsartikelen verantwoorden meer in detail in hoeverre de doelstellingen van SZW in 2011 zijn behaald. Tevens is hier de financiële toelichting te vinden op opmerkelijke verschillen tussen realisatie en begroting.

  • 3. De niet-beleidsartikelen verantwoorden de financiële afwikkeling van afgesloten regelingen, de apparaatsuitgaven die niet aan de beleidsartikelen zijn toe te rekenen, onvoorziene uitgaven en loon- en prijsbijstellingen.

  • 4. De bedrijfsvoeringsparagraaf geeft informatie over de bedrijfsvoering.

Jaarrekening

De jaarrekening is opgebouwd uit de verantwoordingsstaat van het ministerie van SZW, de saldibalans, de bij deze onderdelen behorende financiële toelichtingen en het onderdeel topinkomens. Als laatste bevat de jaarrekening de paragraaf inzake baten-lastendiensten van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen.

Bijlagen

Het jaarverslag bevat zeven bijlagen, te weten de bijlagen: Toezichtrelaties, ZBO’s en RWT’s, Inhuur externen, Subsidies, SZA-kader en sociale fondsen, Lijst van gebruikte afkortingen en het Trefwoordenregister.

2.2 Specifieke aandachtspunten

Accountantsverklaring en accountantscontrole

De financiële informatie is opgenomen in de jaarrekening en valt onder de reikwijdte van de accountantsverklaring. Dit geldt ook voor de financiële toelichting bij de budgettaire tabellen die in het beleidsverslag staan. De niet-financiële informatie valt niet onder de reikwijdte van de accountantsverklaring, maar is wel onderdeel van de accountantscontrole.

De premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven vallen evenmin onder de reikwijdte van de accountantsverklaring maar wel onder de accountantscontrole. De zelfstandige bestuursorganen (ZBO’s) leggen verantwoording af over de rechtmatigheid van de premiegefinancierde sociale zekerheidsuitgaven.

ESF-middelen

De programma-uitgaven voor ESF en EQUAL afkomstig van de Europese Commissie staan buiten begrotingsverband en zijn dus niet in de verantwoordingsstaat terug te vinden. De Tweede Kamer wordt via jaarlijkse voortgangsrapportages geïnformeerd over de voortgang van de uitvoering van het ESF-programma.

Gegevens oude jaren

In de jaarverantwoording worden ook gegevens gepresenteerd over oude jaren. Hierbij wordt uitgegaan van de meest recente informatie. Dit betekent dat deze gegevens kunnen afwijken van gegevens die in vorige jaarverantwoordingen werden gepresenteerd.

Groeiparagraaf

De Algemene Rekenkamer heeft bij het jaarverslag 2010 aanbevolen om de systematiek waarmee een relatie wordt gelegd tussen de kosten en inspanningen van re-integratie verder te ontwikkelen. Hiervoor wordt verwezen naar de aangepaste tabellen 47.8 en 47.9 in dit jaarverslag.

Daarnaast is de inhoud van bijlage 2 van dit jaarverslag, over de zelfstandige bestuursorganen en de rechtspersonen met een wettelijke taak die onder de verantwoordelijkheid van de minister van SZW vallen, conform de gewijzigde rijksbegrotingsvoorschriften uitgebreid.

Overkomst regelingen als gevolg van het Regeerakkoord

Als gevolg van de departementale herindelingen die voortvloeien uit het Regeerakkoord vallen de beleidsterreinen «kindregelingen» en «kinderopvang» sinds oktober 2010 onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van SZW. Het beleidsterrein kindregelingen (AKW, WKB, TOG-kopje) is overgekomen van het programmaministerie Jeugd en Gezin. Het beleidsterrein kinderopvang (KOT) is overgekomen van het ministerie van OCW. In de ontwerpbegroting 2011 van SZW waren de genoemde regelingen nog niet opgenomen. In het jaarverslag 2011 van SZW zijn de kindregelingen toegevoegd aan artikel 50 Tegemoetkoming specifieke kosten. Het jaarverslag 2011 kent een nieuw artikel 52 Kinderopvang.

De doelstellingen, kengetallen en indicatoren over kinderopvang en kindregelingen zoals opgenomen in het jaarverslag 2011 van SZW, zijn gebaseerd op de doelstellingen, kengetallen en indicatoren uit de begroting 2012 van SZW. De begroting 2012 van SZW was de eerste begroting van SZW waarin de genoemde regelingen zijn opgenomen. Bij het opstellen van de begroting 2012 is kritisch gekeken naar de omschrijving van de doelstellingen en keuze van de indicatoren en kengetallen en zijn hierin verbeteringen aangebracht. Vandaar dat deze doelstellingen, kengetallen en indicatoren voor het jaarverslag 2011 van SZW als uitgangspunt worden genomen. Bij artikel 50 zijn de kengetallen «misbruikrisico AKW» en «beboetbare regelovertreding AKW per 100 klantjaren» vervallen en de kengetallen «aangiften in personen» en «aangiftebedrag (x1000)» samengevoegd tot het kengetal «totaal schadebedrag». Bij artikel 52 zal de indicator «percentage doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar aan wie een VVE-programma wordt aangeboden» niet meer worden vermeld, aangezien de beleidsverantwoordelijkheid voor VVE bij het ministerie van OCW ligt (na de departementale herindeling is de beleidsverantwoordelijkheid voor VVE voor kinderen jonger dan 4 jaar, die daarvóór onderdeel van het kinderopvangbeleid was, overgegaan naar het ministerie van OCW).

ONDERDEEL B. BELEIDSVERSLAG

3. BELEIDSPRIORITEITEN

3.1 Inleiding

Veel maatregelen uit het regeerakkoord zijn in 2011 door het parlement aangenomen. Tevens zijn belangrijke hervormingen van het kabinet, zoals de Wet Werken naar Vermogen en de herziening van het pensioenstelsel, in het afgelopen jaar nader uitgewerkt.

De economische ontwikkelingen werden in het jaar 2011 grotendeels beïnvloed door de Europese schuldencrisis. De schuldencrisis heeft het vertrouwen in de financiële markten onder druk gezet. Gedurende het jaar verslechterde ook de economische ontwikkeling in Nederland.

Ondanks de verslechterde conjuncturele situatie in de tweede helft van het jaar, is de arbeidsparticipatie in 2011 toegenomen. In het licht van de houdbaarheid van de overheidsfinanciën is dit zeer wenselijk.

3.2 De economische situatie in 2011

Economisch herstel zet in de tweede helft van 2011 niet door

Met name in de eerste maanden van 2011 trok de economische groei verder aan. Dit was voor het Centraal Planbureau (CPB) reden om de economische groei voor 2011 opwaarts bij te stellen. In de juniraming ging het CPB uit van een economische groei van 2%. Het economisch herstel hield echter niet aan. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) verwacht in zijn voorlopige realisatie voor 2011 een bbp-groei van 1,2%.

De Europese schuldencrisis heeft het vertrouwen in de financiële markten onder druk gezet. De turbulentie op de financiële markten begon vanaf de zomer meer door te werken in het consumentenvertrouwen, waardoor de consumptie van huishoudens in 2011 is afgenomen ten opzichte van 2010.

Naast de afname van de consumptieve bestedingen ontwikkelde ook de relevante wereldhandel zich minder gunstig dan verwacht. Vanwege het open karakter van de Nederlandse economie bepaalt de ontwikkeling van de export voor een groot deel de groei van de Nederlandse economie. De groei van de wereldhandel vertraagde in 2011, waardoor de groei van de uitvoer van goederen achterbleef bij de raming van het CPB in juni 2011.

De afname van de groei van de wereldhandel en de afname van de koopbereidheid van consumenten hebben, met name vanaf het derde kwartaal, de economische groei onder druk gezet. In het derde kwartaal is het bbp met 0,4% gekrompen ten opzichte van het vorige kwartaal. In het vierde kwartaal was sprake van een krimp van 0,7% ten opzichte van het vorige kwartaal. Hierdoor bevindt Nederland zich opnieuw in een recessie.

Werkloosheid loopt op, maar niet door afname werkgelegenheid

De daling van de werkloosheid die sinds februari 2010 is ingezet heeft zich in de eerste helft van 2011 voortgezet. In juni 2011 waren 392 duizend personen werkloos (seizoensgecorrigeerd, Nederlandse definitie). Sindsdien is de seizoensgecorrigeerde werkloosheid echter weer gestegen. Deze stijging werd voornamelijk veroorzaakt door een sterkere stijging van het arbeidsaanbod in vergelijking met de werkgelegenheid. Het CPB geeft aan dat dit mogelijk het gevolg is van een groter aantal schoolverlaters dan gebruikelijk en vrouwen die de arbeidsmarkt betreden om een mogelijk inkomensverlies te beperken. Daarnaast zijn ook meer ouderen de arbeidsmarkt opgekomen, mogelijk vanwege de onzekerheid rondom de pensioenvoorzieningen1. In december 2011 zijn er 456 duizend werklozen (zie figuur 3.1), hetgeen overeenkomt met 5,8% van de beroepsbevolking. In vergelijking met andere Europese landen is de werkloosheid in Nederland relatief laag. Ook de jeugdwerkloosheid in Nederland behoort tot één van de laagste in Europa.

Figuur 3.1: Ontwikkeling werkloosheid in 2009 tot en met 2011 (aantal personen x 1 000)

Figuur 3.1: Ontwikkeling werkloosheid in 2009 tot en met 2011 (aantal personen x 1 000)

Bron: CBS, Statline

Dat de stijging van de werkloosheid niet veroorzaakt wordt door verminderde vraag naar arbeid blijkt ook uit de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Gemiddeld waren er in 2011 36 duizend banen meer dan in 2010. Het aantal openstaande vacatures is in de eerste helft van 2011 gestegen tot 137,4 duizend. Sindsdien is het aantal openstaande vacatures gedaald, waardoor eind december 123 duizend openstaande vacatures bestonden.

Dalende koopkrachtontwikkeling

In 2011 is de statische koopkrachtontwikkeling negatief2. Dit wordt veroorzaakt door het achterblijven van de contractloonontwikkeling bij de inflatie. De inflatie over 2011 bedraagt volgens het CBS 2,3%, terwijl de contractlonen in die periode met gemiddeld 1,3% zijn gestegen. De mediane koopkrachtontwikkeling komt, volgens het CPB, uit op -1%. Opvallend is wel dat de stijging van de contractlonen gedurende het jaar toenam. In het eerste kwartaal van 2011 namen de contractlonen met 1,1% toe, in het laatste kwartaal was dit 1,5%.

Figuur 3.2 Ontwikkeling inflatie en CAO loonstijging

Figuur 3.2 Ontwikkeling inflatie en CAO loonstijging

In tabel 3.1 zijn voor de meest relevante kerngegevens de prognoses van de begroting (MEV 2011) vergeleken met de realisatie (CEP 2012).

Tabel 3.1 Kerngegevens 2011: verwachting versus realisatie
 

MEV 2011

CEP 2012

Economische groei (%)

1,2

Contractloon marksector (%)

1,4

Consumentenprijsindex (%)

2,3

Koopkracht, mediaan, alle huishoudens (%)

– ¼

– 1,0

Werkgelegenheid in arbeidsjaren (%)

– ¼

0,2

Werkloosheid (% van de beroepsbevolking)

5,4

Arbeidsproductiviteit marktsector (%)

1,5

EMU-saldo (% van het bbp)

– 3,9

– 5,0

EMU-schuld (% van het bbp)

66,2

65,6

3.3 Maatregelen kabinet Rutte-Verhagen

Het kabinet Rutte-Verhagen startte in oktober 2010, nadat de ontwerpbegrotingen nog door het vorige kabinet waren gepresenteerd. Het jaar 2011 stond vooral in het teken van het uitwerken van de regeerakkoordplannen en behandeling van de maatregelen in het parlement. Verschillende maatregelen zijn door het parlement aangenomen en zijn in 2012 in werking getreden. Met deze maatregelen wordt een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het op orde brengen van de overheidsfinanciën.

De dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon is afgeschaft. Hiermee is voorkomen dat de bijstandsuitkering op termijn hoger wordt dan het wettelijk minimumloon. Werken moet immers lonen.

De bijstand is activerender gemaakt. Er zijn scherpere verplichtingen ingesteld om op zoek te gaan naar een baan. Uitgangspunt is dat iedereen zelf zoveel mogelijk in zijn eigen inkomen voorziet.

Er zijn diverse maatregelen getroffen in de kindregelingen. In het kindgebonden budget is een vermogenstoets ingevoerd. Daarnaast worden de bedragen deze kabinetsperiode niet geïndexeerd. De kinderopvangtoeslag is gekoppeld aan het aantal gewerkte uren en er heeft een proportionele aanpassing van de toeslagtabel plaatsgevonden.

In 2011 zijn grote stappen gemaakt in de uitwerking van de plannen voor een steviger aanpak van fraude door burgers en bedrijven. Mensen die onterecht een uitkering ontvangen, benadelen anderen die onnodig hogere belasting en premies moeten opbrengen. Werkgevers die hun verplichtingen om te zorgen voor verantwoorde arbeidsomstandigheden niet naleven, zorgen voor oneerlijke concurrentie en kunnen de gezondheid en veiligheid van werknemers in gevaar brengen. Het kabinet neemt daarom een aantal stevige maatregelen om fraude op het gehele terrein van SZW te ontmoedigen en te bestrijden.

3.4 Hervormingen SZW: WWNV en het pensioenstelsel

Op het terrein van SZW is in 2011 gewerkt aan twee van de 17 grote hervormingen van het kabinet, te weten de Wet Werken naar Vermogen en de herziening van het pensioenstelsel. In onderstaande tabel wordt informatie gegeven over de doelstelling en de voortgang van deze hervormingen.

Tabel 3.4: Hervormingen kabinet Rutte-Verhagen (bedragen x € 1 000)

Hervorming

Budgettair beslag

Doelstelling

Voortgang 2011 

Hervorming 15: Regeling Werken naar Vermogen

Voor de Wajong, Wsw en het flexibel re-integratiebudget is circa € 6,3 miljard begroot (2011). De besparingen die betrekking hebben op de maatregelen in het kader van de WWNV bedragen € 0,8 miljard in 2015 en € 1,9 miljard structureel.

Het kabinet wil met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. Het kabinet kiest voor een meer activerende aanpak, waarbij iedereen die (gedeeltelijk) kan werken ook naar vermogen gaat werken, en werk aantrekkelijker wordt dan een uitkering.

Het wetsvoorstel Wet Werken naar Vermogen is op 1 februari 2012 naar de Tweede Kamer gestuurd. De beoogde datum van inwerkingtreding is 1 januari 2013.

Hervorming 16: Sociaal akkoord/AOW

Aanpassen fiscale tegemoetkoming pensioenen (Witteveenkader): € 700 miljoen vanaf 2014. Aanpassen AOW-leeftijd naar 66 jaar: € 2 miljard (2020). AOW-leeftijd koppelen aan levensverwachting: 0 miljoen (2015).Totaal: 0,7% bbp structureel (circa € 4,5 miljard).

Het kabinet zet met het pensioenakkoord vergaande stappen die erop gericht zijn de houdbaarheid van het pensioenstelsel ook voor toekomstige generaties te waarborgen.

Op 10 juni 2011 hebben sociale partners en het kabinet in het pensioenakkoord afspraken gemaakt over de toekomst van het pensioenstelsel en de noodzakelijke aanpassingen.

Het wetsvoorstel «Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW» is door de Tweede Kamer aangenomen.

Daarnaast is er onderzoek in gang gezet om de mogelijkheden in kaart te brengen om bestaande opbouw – collectief dan wel individueel – onder te brengen bij het nieuwe pensioencontract.

Wet Werken naar Vermogen (WWNV)

Zoals aangegeven in tabel 3.4 wil het kabinet met de WWNV bereiken dat meer mensen met een arbeidsbeperking bij een gewone werkgever aan de slag gaan. Het kabinet kiest voor een meer activerende aanpak, waarbij iedereen die (gedeeltelijk) kan werken ook naar vermogen gaat werken, en werk aantrekkelijker wordt dan een uitkering.

Het wetsvoorstel WWNV is op 1 februari 2012 ingediend bij de Tweede Kamer.

De belangrijkste elementen van het wetsvoorstel WWNV zijn:

  • Iedereen met een minimum aan arbeidsvermogen die vanaf 1 januari 2013 instroomt, valt onder de nieuwe WWNV.

  • Mensen die nu een Wajonguitkering hebben, behouden deze. De Wajong blijft bestaan voor jongeren die volledig en duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben. De uitkering voor mensen die kunnen werken gaat op 1 januari 2014 omlaag van 75 naar 70 procent WML. Wajongers die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben, houden een uitkering van 75 procent van het WML.

  • De positie van de huidige Wsw’ers verandert als gevolg van dit wetsontwerp niet: hun wettelijke rechten en plichten blijven ongewijzigd. Tot de Wsw worden vanaf 2013 alleen mensen toegelaten die als gevolg van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek uitsluitend onder aangepaste en beschutte omstandigheden tot regelmatige arbeid in staat zijn. Het wetsvoorstel wijzigt de voorwaarden voor de uitvoering van de Wsw niet.

  • Het instrument loondispensatie komt beschikbaar voor mensen die algemene bijstand ontvangen op grond van de WWNV en niet-uitkeringsgerechtigden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van de WWNV. Voorwaarde is dat zij als gevolg van lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking dan wel om andere redenen niet in staat zijn 100 procent van het minimumloon te verdienen, maar ten minste 20 procent van het minimumloon. De werkgever betaalt alleen het arbeidsproductieve deel van een werknemer met een beperking, de overheid vult het inkomen aan tot maximaal WML.

  • Gemeenten worden verantwoordelijk voor de uitvoering van de WWNV en krijgen de beschikking over één gebundeld re-integratiebudget.

In het kader van het implementatietraject van het programma Werken naar Vermogen worden alle externe stakeholders van SZW (uitvoerders, werkgevers, cliënten) geïnformeerd over de voorgenomen kabinetsmaatregelen. Ook worden de uitvoerders gefaciliteerd bij de voorbereidingen op inwerkingtreding van de WWNV per 1 januari 2013. Op verzoek van de VNG en Divosa wordt de komende drie jaar bijna € 5 miljoen uitgetrokken voor de versterking van vakmanschap bij sociale diensten en de inzet van zes regioteams om gemeenten te ondersteunen bij de voorbereidingen op de WWNV. Divosa heeft in dit verband een subsidie van € 2,8 miljoen ontvangen voor het project «Tijdelijke regionale ondersteuningsstructuur WWNV en WWB». De landelijke Cliëntenraad is conform zijn verzoek een subsidie van € 103 000 toegekend voor het project «informeren cliëntenraden over de invoering WWNV».

Herstructurering van de sociale werkvoorziening is een belangrijk onderdeel van het programma Werken naar Vermogen. De WWNV doet een beroep op de veranderkracht en het innovatief vermogen van gemeenten en hun sw-bedrijven. Om de omslag richting een efficiëntere bedrijfsvoering van de sociale werkvoorziening te ondersteunen is in de periode 2012–2018 € 400 miljoen beschikbaar in een herstructureringsfaciliteit.

Pensioenstelsel

Op 10 juni 2011 heeft het kabinet met werkgevers en werknemers verenigd in de Stichting van de Arbeid een pensioenakkoord gesloten om de houdbaarheid van het pensioenstelsel ook voor toekomstige generaties te waarborgen. Daarin zijn de volgende afspraken gemaakt:

  • De AOW-leeftijd wordt gekoppeld aan de levensverwachting, en zal in dit kader in 2020 stijgen naar 66 jaar en tot 67 jaar in 2025.

  • De AOW wordt in de periode 2013–2028 extra verhoogd met 0,6% per jaar.

  • De AOW wordt flexibel. Eerder of later opnemen van de AOW wordt mogelijk. Voor de laagste inkomens worden de inkomenseffecten van het eerder opnemen van de AOW beperkt tot -3% bij opname op 65 jaar vanaf 2025.

  • Er zijn concrete afspraken gemaakt om te komen tot een nieuw pensioencontract, waarbij het pensioen gaat meebewegen met de ontwikkelingen in de levensverwachting en op de financiële markten.

  • Sociale partners zullen inzetten op duurzame inzetbaarheid, wat zal leiden tot langer en gezond doorwerken. Het kabinet ondersteunt hierbij door middel van het vitaliteitspakket.

In oktober 2011 heeft het kabinet het wetsvoorstel «Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW» aan de Tweede Kamer verzonden (33 046, nr. 1). In dit wetsvoorstel worden de koppeling aan levensverwachting, de extra verhoging van het AOW-pensioen en de flexibilisering van de AOW geregeld. Dit wetsvoorstel is inmiddels door de Tweede Kamer aangenomen.

Bij de totstandkoming van het pensioenakkoord heeft het kabinet aangegeven onderzoek te doen naar de mogelijkheid om bestaande opbouw – collectief dan wel individueel – onder te brengen bij het nieuwe pensioencontract. Onderdeel van het onderzoek zijn berekeningen van het CPB. De uitkomsten van die berekeningen zijn essentieel om aan het uitgangspunt van een generatiebestendig pensioenstelsel invulling te kunnen geven. Parallel daaraan is gestart met de ontwikkeling van een nieuw Financieel Toetsingskader (FTK) voor de nieuwe contracten. Daarin wordt ook invulling gegeven aan de benodigde verbetering van het FTK voor de huidige contracten. Een ander onderzoek heeft betrekking op de vraag hoe de in dit akkoord beschreven koers zich verhoudt tot de toezichts- en buffereisen die in EU-verband worden gesteld. Tot slot is SZW een aparte werkgroep gestart waarin wordt gezocht naar nieuwe vormen en methoden om de presentatie van de pensioenvooruitzichten inzichtelijker te maken.

3.5 Budgettaire ontwikkelingen

Het budgettaire startpunt van het kabinet is weergegeven in de startnota (32 500, nr. 29). Deze financiële effecten zijn vervolgens via een Nota van Wijziging, de Incidentele Suppletoire Begroting en de 1e Suppletoire Begroting in de begroting verwerkt. Op basis van de startnota is het uitgavenkader van SZW (het SZA-kader) opnieuw vastgesteld.

Het jaar 2011 is afgesloten met een onderschrijding van het uitgavenkader van SZW met € 0,2 miljard. Deze onderschrijding is het saldo van uitvoeringsmeevallers, besparingsverliezen op eerder getroffen maatregelen en een eenmalige kasschuif. De uitvoeringsmeevallers bedroegen in totaal € 0,6 miljard en deden zich hoofdzakelijk voor bij de werkloosheidsuitgaven (WW/WWB). Tegenover deze meevallers stond een kleine tegenvaller in de WAO/WIA. De val van het kabinet Balkenende IV heeft geleid tot vertraging in de parlementaire behandeling van een aantal wetsvoorstellen. Hierdoor zijn besparingsverliezen opgetreden ter grootte van € 0,1 miljard. Ten slotte heeft een eenmalige kasschuif van € 0,4 miljard plaatsgevonden in de bevoorschotting van Wajonguitgaven aan het UWV. De uitgaven aan Wajonguitkeringen zijn hierdoor in 2011 hoger, terwijl de uitgaven in 2012 met eenzelfde bedrag zijn verlaagd.

Voor meer informatie over budgettaire ontwikkelingen wordt verwezen naar bijlage 5 bij dit jaarverslag.

In het kader van eerdere overschrijdingen heeft het vorige kabinet in de begroting 2010 en 2011 een aantal ombuigingsmaatregelen getroffen. De volgende maatregelen zijn in 2011 in werking getreden:

  • De tegemoetkomingen voor AOW-gerechtigden (per 1 juni de MKOB, zie hieronder), nabestaanden (Anw) en arbeidsongeschikten (WAO, WIA, WAZ en Wajong) zijn met € 14 op jaarbasis verlaagd. Eerder was reeds besloten de tegemoetkomingen tot en met 2011 niet te laten meestijgen met de inflatie (art. 46, 49 en 50).

  • Het Wsw-budget is ten opzichte van 2010 met € 120 miljoen verlaagd (art. 48).

  • De bekostiging van het UWV is afgetopt op het budget van 2010 (diverse artikelen).

  • Met ingang van 1 juni is de AOW-tegemoetkoming afgeschaft en vervangen door de Mogelijkheid Koopkrachttegemoetkoming Oudere Belastingplichtigen (MKOB). Deze nieuwe koopkrachttegemoetkoming wordt alleen gericht op Nederlands belastingplichtigen (art. 50).

  • Met ingang van 1 augustus is de AOW-partnertoeslag voor huishoudens met een inkomen boven de € 30 000 met 10% verlaagd. Inkomens tot € 30 000 zijn van deze korting uitgezonderd (art. 49).

  • Met ingang van 1 juli is de verrekeningssystematiek van inkomsten tijdens het recht op ziekengeld aangepast. Daarnaast is een loon- en verhaalsanctie ingevoerd (art. 46).

4. BELEIDSARTIKELEN

Artikel

41 Inkomensbeleid

Artikel

Zorgdragen voor een activerende en evenwichtige inkomensontwikkeling

Algemene doelstelling

Motivering

Om financiële prikkels voor werkaanvaarding in stand te houden en te verbeteren en tegelijkertijd een evenwichtige inkomensontwikkeling te bereiken.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

De inkomensontwikkeling is over de hele linie negatiever dan oorspronkelijk is geraamd in de begroting 2011. Dit wordt voor het grootste deel verklaard door een hogere inflatie. De financiële prikkels voor werkaanvaarding zijn nagenoeg gelijk aan de geraamde ontwikkeling in de begroting.

Externe factoren

Behalen van deze doelstelling hangt af van:

  • de financieel-economische situatie en daarmee de mogelijkheden om negatieve effecten te compenseren;

  • algemene factoren zoals loon- en prijsontwikkeling.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de indicatoren voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 41.1 Begrotingsuitgaven Artikel 41 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

673

971

1 722

1 173

1 147

1 916

– 769

Uitgaven

673

857

1 359

1 371

1 223

2 006

– 783

               

Programma uitgaven

0

169

352

321

205

862

– 657

               

Operationele Doelstelling 2

             

Overig

0

157

312

281

165

817

– 652

Subsidies

0

12

40

40

40

45

– 5

               

Apparaatsuitgaven

673

688

1 007

1 050

1 018

1 144

– 126

Personeel en materieel

673

688

1 007

1 050

1 018

1 144

– 126

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De onderuitputting bij «overig» onder operationele doelstelling 2 (€ 0,65 miljoen) is ontstaan door een algemene reservering die lopende het jaar grotendeels ten behoeve van andere budgetten en artikelen is herschikt.

1 Het bereiken van een zo evenwichtig mogelijk over de verschillende inkomensgroepen gespreide inkomensontwikkeling

Operationele doelstelling

Motivering

Om te komen tot een evenwichtige inkomensverdeling en bescherming van de inkomenspositie van groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en de middeninkomens.

Doelbereiking

De inkomensontwikkeling is over de hele linie negatiever dan geraamd in de begroting 2011.

Instrumenten en activiteiten

In de begroting voor 2011 zijn de beleidsmaatregelen voor 2011 opgenomen. Na publicatie van de begroting is het bedrag van het kindgebonden budget voor het tweede kind lager (33 euro) vastgesteld dan waar tijdens het opstellen van de begroting mee is gerekend.

Doelgroepen

De verschillende inkomensgroepen met bijzondere aandacht voor groepen zonder perspectief op de arbeidsmarkt, huishoudens met kinderen en middeninkomens.

  • De inkomensontwikkeling van burgers wordt gevolgd door middel van standaard koopkrachtcijfers zoals gepresenteerd in tabel 41.2. Deze cijfers laten voor een aantal standaardhuishoudens de inkomensontwikkeling zien als gevolg van de gemiddelde loon- en prijsontwikkeling en als gevolg van generieke maatregelen, zoals aanpassingen in belastingen, (ziektekosten-)premies en kinderbijslag.

  • De standaardgroepen zijn er in 2011 tussen de ¾% en de 2% op achteruit gegaan. Dit is tussen – ¾ en -1 ¼ procentpunt negatiever dan verwacht bij het opstellen van de begroting.

  • Deze verslechtering wordt voor het grootste deel verklaard door een hogere inflatie (2 ¼% in plaats van 1 ½% waarmee werd gerekend). Andere factoren zijn onder meer het lager dan geraamde bedrag van het kindgebonden budget voor het tweede kind (33 euro), een iets lagere loonontwikkeling en een hogere pensioenpremie.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 41.2 Indicatoren operationele doelstelling 1: Koopkrachteffecten

Actieven

Realisatie 2011

Raming 2011

Alleenverdiener met kinderen

   

modaal

– 1 ½

– ¼

2 x modaal

– 2

– 1

Tweeverdieners

   

modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1

– ¼

2 x modaal + ½ x modaal met kinderen

– 1 ½

– ¼

modaal + modaal zonder kinderen

– 1 ½

– ½

2 x modaal + modaal zonder kinderen

– 1 ¼

– ¼

Alleenstaande

   

minimumloon

– ¾

0

modaal

– 1

0

2 x modaal

– 1 ¼

– ¼

Alleenstaande ouder

   

minimumloon

– ½

½

modaal

– 1

¼

Inactieven

Realisatie 2011

Raming 2011

Sociale minima

   

paar met kinderen

– ¾

¼

alleenstaande

– 1 ¼

– ½

alleenstaande ouder

– ½

½

AOW (alleenstaand)

   

(alleen) AOW

– 1 ¼

– ½

AOW + € 10 000

– 1 ½

– ¾

AOW (paar)

   

(alleen) AOW

– 1 ½

– ¾

AOW + € 10 000

– 1 ½

– ¾

Bron: SZW-berekeningen

2 In stand houden en verbeteren van financiële prikkels voor werkaanvaarding

Operationele doelstelling

Motivering

Bijdragen aan een activerend inkomensbeleid.

Doelbereiking

De realisatie van de armoedeval komt nagenoeg overeen met de geraamde cijfers.

Instrumenten en activiteiten

Zie de instrumenten die genoemd worden onder doelstelling 1.

Doelgroepen

Huishoudens die door een hogere arbeidsparticipatie hun inkomen kunnen verbeteren.

Realisatie meetbare gegevens

Tabel 41.3 presenteert indicatoren voor de ontwikkeling van de werkloosheidsval, de herintredersval en de deeltijdval. De werkloosheidsval geeft de inkomensvooruitgang aan bij het aanvaarden van werk vanuit een bijstandsuitkering. De herintredersval is de inkomensvooruitgang bij het aanvaarden van werk door de niet-werkende partner. De deeltijdval wordt gemeten als de inkomensvooruitgang bij één dag extra werken door de minstverdienende partner.

Er zijn kleine verschillen in de afronding doordat de vastgestelde parameters in de huurtoeslag iets afwijken van de raming en door de hoger dan geraamde pensioenpremie. Daarnaast is het kindgebonden budget lager vastgesteld dan waar tijdens het opstellen van de begroting mee werd gerekend.

Tabel 41.3 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2011

Raming 2011

Verschil

Werkloosheidsval

     

(inkomensvooruitgang bij aanvaarden werk in plaats van bijstand)1

     

Aanvaarden werk op minimumloonniveau

     

Alleenverdiener met kinderen

2%

2%

0%

Alleenstaande

13%

14%

– 1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

–5%

–5%

0%

Aanvaarden werk op 120% minimumloonniveau

     

Alleenverdiener met kinderen

4%

4%

0%

Alleenstaande

21%

22%

–1%

Alleenstaande ouder (gaat 4 dagen werken)

7%

7%

0%

Herintredersval

     

(inkomensvooruitgang bij 2½ dag werken door niet-werkende partner)2

     

Hoofd minimumloon, partner minimumloonniveau

11%

11%

0%

Hoofd 120% minimumloon, partner 120% minimumloonniveau

18%

18%

0%

Deeltijdval minstverdienende partner

     

(inkomensvooruitgang bij 1 dag extra werken)2

     

Hoofd minimumloon

     

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

6%

5%

1%

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

6%

7%

–1%

Hoofd modaal

     

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (minimumloonniveau)

7%

7%

0%

Partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (minimumloonniveau)

6%

6%

0%

Partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (120% minimumloonniveau)

8%

8%

0%

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (120% minimumloonniveau)

8%

7%

1%

partner gaat van 2 naar 3 dagen werk (modaal niveau)

12%

12%

0%

partner gaat van 3 naar 4 dagen werk (modaal niveau)

7%

7%

0%

Bron: SZW-berekeningen

1 Er wordt uitgegaan van een voltijdbaan (5 dagen), tenzij anders vermeld.

2 Er wordt uitgegaan van een huishouden met 2 kinderen tussen 6 en 11 jaar.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 41.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Artikel 41

AD

A. 2010

B. 2011

30 982, nr 7

Effecten onderzoek ex post

Geen

     

Overig evaluatieonderzoek

Geen

     

Artikel

42 Arbeidsparticipatie

Artikel

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

Algemene doelstelling

Motivering

Om te bevorderen dat het aandeel werkenden in de beroepsbevolking (verder) toeneemt, creëert SZW via wet- en regelgeving, ondersteuning van gemeenten, aansturing van uitvoeringsorganisaties en overleg met sociale partners voorwaarden om verhoging van de arbeidsparticipatie te stimuleren. Deze voorwaarden hebben in hun samenhang betrekking op het verbeteren van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie, het verhogen van het scholingsniveau van de beroepsbevolking en het bevorderen dat alle groepen van de samenleving op de arbeidsmarkt kunnen participeren.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Onder bruto arbeidsparticipatie wordt verstaan het aantal mensen met een baan of direct beschikbaar voor een baan van minimaal 12 uur per week als percentage van de bevolking van 20–64 jaar. Anders dan bij de netto arbeidsparticipatie worden bij de bruto arbeidsparticipatie de werklozen meegeteld. De bruto arbeidsparticipatie is daarmee het arbeidsaanbod.

In 2011 verslechterde de conjuncturele situatie en liep de werkloosheid op. De recente stijging van de werkloosheid is niet het gevolg van een terugloop van de werkgelegenheid. In de tweede helft van 2011 is de werkzame beroepsbevolking gestegen. De hogere werkloosheid werd veroorzaakt door een sterkere stijging van het arbeidsaanbod in vergelijking met de werkgelegenheid.

Een toename van het arbeidsaanbod is opvallend in een tijd waarin de economische vooruitzichten verslechteren. De stijging van het arbeidsaanbod doet zich met name voor bij jongeren (15–25 jaar) en ouderen (45–65 jaar). Er zijn signalen dat jongeren als gevolg van de kredietcrisis langer op school zijn gebleven en nu in grotere getale de arbeidsmarkt op stromen. Mogelijk bieden ouderen zich opnieuw aan op de arbeidsmarkt vanwege de toegenomen onzekerheid, maar dit is nu nog niet met zekerheid vast te stellen.

Externe factoren

De eerste helft van 2011 groeide de Nederlandse economie nog. De conjuncturele situatie is vanaf de zomer 2011 echter verslechterd: de Nederlandse economie kromp het derde kwartaal met 0,4%. In het vierde kwartaal van 2011 was sprake van een krimp van 0,7% ten opzichte van het vorig kwartaal. Hierdoor bevindt Nederland zich opnieuw in een recessie.

Realisatie meetbare gegevens

De bruto arbeidsparticipatie van 20–64 jarigen is in 2011 75%. Het arbeidsaanbod is in de eerste helft van 2011 gedaald, waarna in het tweede deel van 2011 een stijging volgde.

Tabel 42.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Bruto arbeidsparticipatie 20- 64 jaar (% > 12 uur werkt of wil werken)

76

76

75

Volume uitkeringen bijstand, ww en ao (in uitkerings- jaren x 1 000)

1 171

1 242

1 252

983

Bronnen: CPB, Centraal Economisch Plan

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 42.2 Begrotingsuitgaven Artikel 42 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting

2011

Verschil

2011

Verplichtingen

24 802

28 997

31 664

37 156

26 817

60 664

– 33 847

Uitgaven

26 487

26 625

33 310

38 089

23 397

60 726

– 37 329

               

Programma uitgaven

9 334

7 296

12 822

17 231

7 171

42 505

– 35 334

               

Operationele Doelstelling 2

             

Scholing en EVC

0

0

220

1 837

50

0

50

Operationele Doelstelling 3

             

Stimulering Arbeidsparticipatie

6 367

7 296

5 954

5 931

2 386

14 645

– 12 259

Jeugdwerkloosheid

0

0

5 117

7 375

3 340

27 000

– 23 660

Overig

2 967

0

1 531

2 088

1 395

860

535

               

Apparaatsuitgaven

17 153

19 329

20 488

20 858

16 226

18 221

– 1 995

Personeel en materieel

17 153

19 329

20 488

20 858

16 226

18 221

– 1 995

               

Ontvangsten

19 431

28 100

20 624

17 444

20 697

17 237

3 460

Programma-uitgaven

Toelichting

De posten onder operationele doelstelling 3 laten een onderschrijding zien. Voor «Jeugdwerkloosheid» is € 23 miljoen overgeboekt naar het gemeentefonds. Per saldo is dit budget dus vrijwel uitgeput. Voor «Stimulering Arbeidsparticipatie» heeft een herschikking naar andere begrotingsartikelen plaatsgevonden en zijn middelen overgeboekt naar de SVB. Per saldo is de onderuitputting op dit budget circa € 4 miljoen en deze houdt verband met het lager vaststellen van een aantal subsidies dan waar vooraf rekening mee was gehouden en het doorschuiven van een aantal voorgenomen activiteiten naar 2012.

Ontvangsten

De realisatie van de ontvangsten is in 2011 hoger dan geraamd. Dit wordt veroorzaakt door hogere boeteopbrengsten (€ 4,027 miljoen) als gevolg van een extra overloop van ontvangsten uit voorgaande jaren en hogere algemene ontvangsten (€ 0,733 miljoen.) Daarnaast zijn in de begroting 2010 de ontvangsten bij amendement (32 123 XV, nr. 5) structureel met drie maal € 1,3 miljoen verhoogd (artikel 42, 43 en 44). Deze ontvangsten dienden ter dekking van personele uitgaven voor het aanstellen van extra inspecteurs. Uitvoering was niet mogelijk omdat de boete-opbrengsten niet toereikend waren om de beoogde uitbreiding te financieren (zie de brief aan de Tweede Kamer, 32 500 XV, nr. 77). In totaal is er € 3,460 miljoen meer ontvangen dan in de begroting was opgenomen.

Tabel 42.3 Fiscale uitgaven artikel 42 (lopende prijzen x € 1 mln)

Artikelonderdeel

2007

2008

2009

2010

Realisatie 2011

Begroting

2011

Verschil

2011

Operationele doelstelling 2

             

Afdrachtvermindering onderwijs

242

291

348

377

386

367

19

               

Operationele doelstelling 3

             

Arbeidskorting voor ouderen

196

206

239

262

271

293

– 22

Doorwerkbonus

265

260

332

296

36

Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid

10

13

2

2

2

2

0

Premievrijstelling ouderen werknemers

1 020

1 020

939

807

652

652

0

Premiekorting oudere werknemers

   

210

299

371

311

60

Premiekorting arbeidsgehandicapten

   

43

44

45

45

0

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst

1 Beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten

Operationele doelstelling

Motivering

Om ervoor te zorgen dat onze economie innovatief, concurrerend en ondernemend blijft en ook bij toenemende internationale concurrentie de welvaart kan waarborgen is een beheerste ontwikkeling van de arbeidskosten van belang. Een indicatie hiervan geven de arbeidskosten per eenheid product in de industrie in vergelijking met de concurrenten in het eurogebied.

Doelbereiking

De daling van de arbeidskosten is in Nederland minder groot geweest dan in de andere eurolanden. Daardoor is de relatieve concurrentiepositie van Nederland iets verslechterd. Dat komt zowel door een sterkere groei van de loonvoet als door een minder sterker toename van de arbeidsproductiviteit in Nederland ten opzichte van het gemiddelde in de andere eurolanden.

Instrumenten en activiteiten

Beheersing van belastingen en premies die ten laste komen van het arbeidsinkomen. Hiermee wordt voorkomen dat belasting- en premiedruk worden afgewenteld en tot hogere arbeidskosten leiden.

Doelgroepen

Burgers en bedrijven.

Arbeidskosten

Realisatie meetbare gegevens

De relatieve ontwikkeling van de arbeidskosten verbetert indien de arbeidskosten per eenheid product van de Nederlandse industrie minder stijgen of meer dalen dan die van de euroconcurrenten. De ontwikkeling wordt in belangrijke mate bepaald door de contractlonen die door de sociale partners in vrije loononderhandelingen worden overeengekomen. In 2011 zijn de arbeidskosten per eenheid product in Nederland 0,7% minder gedaald dan bij de euroconcurrenten.

Wig

De gemiddelde wig op het arbeidsinkomen (d.w.z. het verschil tussen de loonkosten en het netto loon als percentage van de loonkosten) is een goede indicator van de lastendruk zoals werkgevers en werknemers die ervaren. De ontwikkeling van de wig hangt samen met veranderingen in het belasting- en premiestelsel. De wig is in 2011 iets toegenomen tot 43,7%.

Tabel 42.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Ontwikkeling arbeidskosten t.o.v. eurogebied

– 0,4

– 0,9

0,7

1,75

Omvang van wig inclusief werkgeverslasten (%)

42,3

43,1

43,7

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

Arbeidskosten

De cijfers in tabel 42.5 geven een verbijzondering van de ontwikkeling van de arbeidskosten in tabel 42.4. De arbeidskosten per eenheid product zijn in 2011 met 2,2% gedaald, 0,7% minder dan in de andere eurolanden.

Tabel 42.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie

2009

Realisatie

2010

Realisatie

2011

Ontwikkeling arbeidskosten per eenheid product industrie

     

1. Nederland

8,8

– 7,2

– 2,2

2. Euroconcurrenten

9,2

– 6,3

– 2,9

Bron: CPB, Centraal Economisch Plan

2 Stijging van het aandeel werkenden en werklozen in de beroepsbevolking met een startkwalificatie

Operationele doelstelling

Motivering

Om duurzame arbeidsparticipatie te bevorderen, is het van belang dat meer mensen een startkwalificatie hebben. Een startkwalificatie (MBO-2 of HAVO-VWO) vergroot de kans op duurzaam werk.

Doelbereiking

In 2011 had 78 procent van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie. Dat is iets minder dan in 2010. Dit kan worden verklaard doordat het CBS de wijze van bevraging van respondenten in de Enquête Beroepsbevolking (EBB) in 2010 heeft aangepast.

Instrumenten en activiteiten

Algemeen:

  • Fiscale faciliteiten voor werkgevers (Afdrachtvermindering onderwijs waaronder WVA-startkwalificatie en de afdrachtvermindering voor werkgevers die een werknemer in dienst hebben die een EVC-procedure volgt;

  • Aftrek studiekosten of andere scholingsuitgaven bij de aangifte inkomstenbelasting;

  • Subsidieregeling ESF 2007–2013 (voor scholing van o.a. werkenden kan Europese subsidie worden verkregen).

Specifiek:

  • Structurele basisfinanciering voor 44 leerwerkloketten;

  • Stimuleringsmaatregel Leercultuur in het MKB. Met deze regeling krijgen bedrijven de kans om met deskundig advies hun interne leercultuur te versterken, gericht op een brede en duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers;

Doelgroepen

Werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

Realisatie meetbare gegevens

Het percentage in tabel 42.6 geeft aan welk deel van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie heeft. In 2011 had 78 procent van de beroepsbevolking (25–65 jaar) een startkwalificatie.

Voor 2011 was voor deze indicator in de begroting geen streefwaarde opgenomen. Deze streefwaarde kwam voort uit de zogenoemde Lissabondoelstellingen. De EU 2020-strategie, de nieuwe langetermijnstrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid, is er vooral op gericht dat minder jongeren vroegtijdig de school verlaten om te voorkomen dat ze zonder startkwalificatie de arbeidsmarkt betreden. Het lag dan ook in de rede om te kiezen voor een streefwaarde voor voortijdig schoolverlaters in plaats van het aandeel in de beroepsbevolking met een startkwalificatie. De begroting 2012 van het ministerie van OCW bevat derhalve een streefwaarde voor het aantal voortijdig schoolverlaters.

Tabel 42.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Aandeel (%) in de beroepsbevolking (25–65 jaar) met startkwalificatie

78

79

78

Bron: CBS, Statline

3 Wegnemen van factoren die de arbeidsparticipatie van specifieke groepen belemmeren

Operationele doelstelling

Motivering

Om te voorkomen dat de arbeidsparticipatie van specifieke groepen achterblijft.

Netto arbeidsparticipatie ouderen

Doelbereiking

De netto arbeidsdeelname onder 55-plussers is met ruim 2 procentpunt gestegen. Het blijft van belang om in te zetten op een stijging van de arbeidsdeelname en op een structurele verbetering van de arbeidsmarktpositie van ouderen. De premiekorting, de doorwerkbonus voor ouderen zijn daarbij instrumenten die hun effect hebben bewezen.

Netto arbeidsparticipatie etnische minderheden

Om de arbeidsparticipatie van etnische minderheden te bevorderen is met name ingezet op instrumenten die werknemersvaardigheden trainen en beter doen aansluiten op de vraag van de arbeidsmarkt. De netto arbeidsparticipatie voor etnische minderheden is toegenomen van 52,8 % naar 53,5%.

Percentage werkloze jongeren

De jeugdwerkloosheid vertoont een dalende lijn. Met de uitvoering van het Actieplan Jeugdwerkloosheid hebben vele verantwoordelijke partijen in de regio werk gemaakt van het aan het werk helpen van werkzoekende schoolverlaters.

Activiteiten en instrumenten gericht op jongeren:

Instrumenten en activiteiten

  • Het «Actieplan Jeugdwerkloosheid» is inmiddels beëindigd. De eindrapportage met daarin beschreven de bereikte resultaten is per brief van 5 oktober 2011 (29 544, nr. 341) aan de Tweede Kamer aangeboden.

  • Op 27 december 2010 is de Tijdelijke subsidieregeling raakvlak onderwijs en arbeidsmarkt (amendement Van Hijum, 31 200 XV, nr. 22), opengesteld voor het vierde en laatste uitvoeringsjaar. SZW heeft uit een totaal van 95 subsidieaanvragen, 7 innovatieve projectvoorstellen geselecteerd voor het uitvoeringsjaar 2011–2012.

Activiteiten en instrumenten gericht op ouderen:

  • Ter bevordering van de arbeidsparticipatie gold ook in 2011 voor ouderen die aan het begin van het kalenderjaar 57 jaar of ouder zijn een extra inkomens- en leeftijdsafhankelijke arbeidskorting. Ouderen die bij het begin van het kalenderjaar 62 jaar of ouder zijn en blijven werken, ontvangen ter stimulering van de arbeidsparticipatie de doorwerkbonus.

  • Voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder en voor het in dienst houden van werknemers in de leeftijd van 62 jaar en ouder kon ook in 2011 gebruik gemaakt worden van de premiekorting oudere werknemers.

  • Overname loondoorbetaling door UWV bij ziekte langer dan 13 weken van werknemer die bij indienstneming tenminste 55 jaar en langer dan een jaar werkloos was.

Activiteiten en instrumenten gericht op etnische minderheden:

  • Ontwikkelen van vaardigheden en competenties onder allochtone jongeren op (v)mbo niveau ter voorbereiding op de arbeidsmarkt (project is afgerond in 2011);

  • Faciliteren van organisaties betrokken bij het naar werk bemiddelen van vluchtelingen (project loopt tot en met 2012).

Activiteiten en instrumenten gericht op personen met een arbeidsbelemmering zijn opgenomen in artikel 47 en 48.

  • Jongeren;

  • Ouderen;

  • Etnische minderheden.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De in tabel 42.7 gepresenteerde participatiecijfers betreffen de netto arbeidsparticipatie. Dit is het aandeel van mensen met een baan van minimaal 12 uur per week in de genoemde specifieke bevolkingsgroep. Anders dan bij de bruto arbeidsparticipatie worden de werklozen bij de netto arbeidsparticipatie niet meegeteld. Het percentage werkloze jongeren is het aandeel van jongeren in de totale werkloosheidcijfers. Overtreding WAV is het percentage bedrijven dat zich niet houdt aan de regels van de Wet Arbeid Vreemdelingen. De Toelichtingen zijn opgenomen onder het kopje « Doelbereiking» van deze operationele doelstelling.

Het kabinet Balkenende IV hanteerde als doelstelling om tot 80% bruto arbeidsparticipatie te komen in 2016. De indicator hiervoor is opgenomen onder de algemene doelstelling van dit artikel. De uitsplitsing van deze doelstelling naar specifieke groepen wordt niet zinvol geacht, omdat hiervoor geen specifiek beleid wordt gevoerd. Om de ontwikkeling van de netto arbeidsparticipatie van de specifieke groepen te kunnen volgen in de begroting, zijn hiervoor bij deze operationele doelstelling enkele kengetallen opgenomen.

Tabel 42.7 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Netto-arbeidsparticipatie 15–64 jaar1

67,8

67,1

67,2

Netto-arbeidsparticipatie niet-westerse allochtonen1

55,2

52,8

53,5

Netto arbeidsparticipatie ouderen (55–64 jaar1

47,9

48,7

51,0

Netto-arbeidsparticipatie vrouwen1

59,7

59,7

60,2

       

Percentage werkloze niet-schoolgaande jongeren (18–26 jaar) wet WIJ2

8,0

8,7

7,9

Percentage door AI bezochte bedrijven waarbij overtreding WAV is vastgesteld3

17

18

17

1 CBS, Statline.

2 CBS, EBB Kernprogramma.

3 Inspectie SZW administratie.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 42.8 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Zorgdragen voor een toename van de arbeidsparticipatie

OD1 en 2

A. 2011

B. 2011

30 982, nr. 8

Effecten onderzoek ex post

Geen

     

Overig evaluatieonderzoek

Geen

     

Artikel

43 Arbeidsverhoudingen

Artikel

Zorgdragen voor een flexibel instrumentarium voor moderne arbeidsverhoudingen en voorwaarden

Algemene doelstelling

Motivering

Om bij te dragen aan evenwichtige arbeidsverhoudingen, waarbij werknemers een minimumniveau van arbeidsrechtelijke bescherming wordt geboden dat in overeenstemming is met de maatschappelijke ontwikkelingen en dat sociale partners voldoende ruimte biedt voor eigen verantwoordelijkheid.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Het instrumentarium op het terrein van arbeidsverhoudingen biedt functionerende kaders voor de totstandkoming op verschillende niveaus van moderne arbeidsrelaties tussen (organisaties van) werkgevers en werknemers. Tevens zorgt het instrumentarium voor een niveau van rechtsbescherming dat een adequaat evenwicht vormt tussen de belangen van werkgevers en werknemers en bijdraagt aan de arbeidsparticipatie van zowel degenen die reeds op de arbeidsmarkt participeren, als voor degenen die de arbeidsmarkt willen betreden.

Externe factoren

De effectiviteit van het stelsel wordt enerzijds bepaald door de wijze waarop het instrumentarium wordt toegepast door de direct betrokken partijen van werkgevers en werknemers, anderzijds door algemene ontwikkelingen, zoals de economische situatie die zijn weerslag heeft op de arbeidsmarkt.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 43 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling, deels omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd, deels omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 43.1 Begrotingsuitgaven Artikel 43 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

13 214

21 567

21 326

20 133

14 239

17 950

– 3 711

Uitgaven

12 972

20 500

21 675

20 470

14 401

17 798

– 3 397

               

Programma uitgaven

1 909

4 174

4 907

3 806

1 796

4 469

– 2 673

               

Algemene Doelstelling

             

Handhaving

0

283

487

176

236

644

– 408

Overig

0

816

751

1 924

1 024

1 587

– 563

Operationele Doelstelling 1

             

Subsidies

316

427

291

307

211

515

– 304

Overig

0

168

26

85

117

209

– 92

Operationele Doelstelling 2

             

Subsidies

0

0

0

0

0

80

– 80

Voorlichting

0

320

0

0

0

0

0

Operationele Doelstelling 3

             

Overig

27

1 078

2 876

904

0

552

– 552

Operationele Doelstelling 4

             

Subsidies

1 566

818

251

207

0

679

– 679

Overig

0

264

225

203

208

203

5

               

Apparaatsuitgaven

11 063

16 326

16 768

16 664

12 605

13 329

– 724

Personeel en materieel

11 063

16 326

16 768

16 664

12 605

13 329

– 724

               

Ontvangsten

998

711

760

694

614

1 711

– 1 097

Programma-uitgaven

Toelichting

Op de verschillende budgetten is onderuitputting zichtbaar. De onderuitputting op de algemene doelstelling ontstaat onder andere door het niet doorgaan van een voorlichtingscampagne over de EU-richtlijn illegale derdelanders. De onderuitputting op de subsidiebudgetten (OD1, OD2 en OD 4) hangt samen met het niet en niet tijdig binnenkomen van enkele subsidieaanvragen, waardoor (nog) geen vaststelling heeft plaatsgevonden. De onderuitputting van € 0,55 miljoen onder OD 3 komt door uitstel en het niet doorgaan van enkele onderzoeken. Het meldpunt klokkenluiders wordt ook uit dit budget bekostigd. Het meldpunt start later dan verwacht.

Ontvangsten

In de begroting 2010 zijn de ontvangsten met € 1,3 miljoen verhoogd. Die ontvangsten zijn in 2011 niet gerealiseerd (zie toelichting bij ontvangstenartikel 42). Daarnaast is in 2011 € 0,203 miljoen extra aan boete-opbrengsten gerealiseerd. Dat betekent dat er per saldo € 1,097 miljoen minder is ontvangen dan in de begroting was opgenomen.

Tabel 43.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 43 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

realisatie 2011

begroting 2011

verschil 2011

Uitgaven

891 000

1 000 000

1 122 000

1 112 000

1 148 886

1 199 065

– 50 179

               

Programma uitgaven

891 000

1 000 000

1 122 000

1 112 000

1 148 886

1 171 661

– 22 775

Operationele Doelstelling 3

             

Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof uitkeringslasten

875 000

985 000

1 093 000

1 086 000

1 120 886

1 161 193

– 40 307

Zwangerschaps-, bevallings- en adoptieverlof uitvoeringskosten

16 000

15 000

29 000

26 000

28 000

10 468

17 532

               

Nominaal

0

0

0

0

0

27 404

– 27 404

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Toelichting

De uitkeringslasten voor zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn in 2011 circa € 40 miljoen minder dan geraamd. Het verschil ontstaat door een lager volume dan verwacht en een gemiddelde daguitkering die bijna € 1 lager was dan geraamd. Binnen UWV heeft in 2009 een herijking van uitvoeringskosten plaatsgevonden. De uitvoeringskosten voor de uitkeringen voor zwangerschaps- en bevallingsverlof komen hierdoor vanaf 2009 hoger uit. In 2011 is deze budgettair neutrale herijking ook in de SZW-begroting 2012 doorgevoerd.

Tabel 43.3 Fiscale uitgaven Artikel 43 (x € 1 mln)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Belastinguitgaven

372

376

415

402

391

396

5

               

Operationele doelstelling 3

             

Levensloopregeling

355

349

353

341

329

329

0

Ouderschapsverlofkorting

17

28

62

61

62

67

5

Bron: Ministerie van Financiën, Belastingdienst

Toelichting

De fiscale uitgaven aan de levensloopregeling die hier worden gepresenteerd bestaan hoofdzakelijk uit een saldo van twee effecten: de inkomensderving door inleg in de levensloopregeling en de extra inkomsten vanwege opname van het levenslooptegoed.

Met het oog op de noodzaak langer door te werken is besloten de levensloopregeling niet voort te zetten. Per 1 januari 2012 is de levensloopregeling daarom niet meer beschikbaar voor nieuwe deelnemers. Vanaf het jaar 2014 kunnen mensen alleen nog gebruik maken van de levensloopregeling als zij op 31 december 2011 een saldo van € 3 000 of meer op hun levenslooprekening hadden.

1 Het bevorderen van stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen

Operationele doelstelling

  • Stabiele en evenwichtige arbeidsverhoudingen bevorderen door het recht op onderhandeling door sociale partners te waarborgen en collectieve arbeidsvoorwaardenvorming te regelen;

  • Het grondwettelijke recht op medezeggenschap door werknemers regelen, waarborgen en bevorderen;

  • Een adequate overlegstructuur tussen het kabinet en sociale partners in stand houden ten behoeve van onderlinge beleidsafstemming, coördinatie op sociaal en sociaaleconomisch terrein en om zoveel mogelijk draagvlak te verkrijgen voor het kabinetsbeleid.

Motivering

Doelbereiking

Sociale partners hebben in 2011 veelvuldig gebruik gemaakt van de instrumenten cao en avv. In totaal zijn er 185 bedrijfstakcao’s en 503 ondernemingscao’s afgesloten voor in totaal 6,1 miljoen werknemers.

Gedurende het jaar heeft het kabinet overleg met sociale partners gevoerd over diverse sociale en sociaaleconomische onderwerpen. Op het overleg van 10 juni 2011 heeft het kabinet met sociale partners verenigd in de Stichting van de Arbeid afspraken gemaakt die moeten leiden tot een robuust pensioenstelsel (aanvullende pensioenen en AOW) en duurzame participatie en inzetbaarheid van de werknemer (30 413, nr. 157).

  • Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (cao), Wet op het Algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (avv) en Wet op de loonvorming;

  • Wet op de bedrijfsorganisatie (WBO);

  • Wet op de ondernemingsraden (WOR), Wet op de Europese ondernemingsraden (WEOR) en Wet rol werknemers Europese vennootschap;

  • Overleg tussen werkgevers- en werknemersorganisaties en de overheid, waaronder het voor- en najaarsoverleg tussen het kabinet en de Stichting van de Arbeid;

  • Subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen.

Instrumenten

  • In de begroting voor 2011 zijn reguliere activiteiten opgenomen, zoals het uitvoeren van de ministeriële taken op grond van de Wet cao en de Wet avv, het onderhouden van een adequate overlegstructuur tussen Kabinet en sociale partners en de uitvoering subsidieregeling kwaliteit arbeidsverhoudingen. Deze activiteiten zijn conform de begroting uitgevoerd in 2011;

  • In december 2011 is de kamer geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) (29 818, nr. 35). In lijn met het unanieme SER-advies zal de WOR-heffing worden afgeschaft. Het streven is om het wijzigingsvoorstel in juni 2012 aan de Tweede Kamer voor te leggen. Tevens is aangegeven dat besloten is aan het kabinetsstandpunt 2009 geen nadere invulling te geven. Wel wordt de Wet aangevuld met een bepaling over de informatieplicht in het kader van internationale concernverhoudingen;

  • In 2011 is de Wijziging van de Wet op de Europese ondernemingsraden in verband met de uitvoering van richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 mei 2009 (PbEU 2009, L 122) houdende herschikking van richtlijn 94/45/EG aangenomen. De wijziging heeft tot doel verbetering van de effectiviteit van Europese ondernemingsraden. Zo wordt nader omschreven waarover Europese ondernemingsraden moeten worden geïnformeerd en geraadpleegd en wordt bepaald dat Europese ondernemingsraden tijdig geïnformeerd en geraadpleegd moeten worden;

  • In 2011 is – samen met de medeverantwoordelijke minister van EL&I – uitwerking gegeven aan de motie van de leden Aptroot (VVD), Koopmans (CDA) en Van den Besselaar (PVV) over de Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO) (32 615, nr. 3). Naar aanleiding hiervan is op 22 december een vervolgmotie aangenomen tot afbouw van het PBO stelsel. Het Kabinet zal begin 2012 hierop reageren.

Activiteiten

  • Sociale partners (werkgevers en werknemers) en hun organisaties;

  • Ondernemingsraden en Europese ondernemingsraden;

  • (Hoofd)product- en (hoofd)bedrijfschappen en de SER.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Output en outcome zijn, zoals geconcludeerd in de beleidsdoorlichting Arbeidsverhoudingen (30 982, nr. 5), moeilijk objectief meetbaar. Er zijn daarom geen indicatoren geformuleerd. De gehanteerde kengetallen geven inzicht in de mate waarin de sociale partners gebruik maken van het instrumentarium voor vormgeving van de arbeidsverhoudingen:

  • Het gebruik van de instrumenten van cao en avv varieert door de jaren heen, mede afhankelijk van factoren als het sociaal-economisch klimaat.

  • Het aandeel ondernemingsraadplichtige ondernemingen met OR.

Tabel 43.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

cao/avv:

       

Aantal bedrijfstak-cao’s

192

190

188

185

Aantal direct gebonden werknemers

4 644 500

4 699 500

4 954 200

4 869 000

Aantal door avv gebonden werknemers

676 000

855 500

843 800

728 500

Aantal ondernemingen-cao’s

524

558

521

503

Aantal gebonden werknemers

543 000

594 500

574 100

531 000

Totaal aantal cao’s

716

748

709

688

Totaal aantal werknemers onder cao’s

5 863 500

6 149 500

6 372 100

6 128 500

Bron: SZW, voorjaarsrapportage cao-afspraken

Tabel 43.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2002

Realisatie 2005

Realisatie 2008

Realisatie 2011

Medezeggenschap:

       

Percentage OR-plichtige ondernemingen met OR

71

76

70

71

Bron: Research voor Beleid (2002, 2005) en Regioplan (2008, 2011), Onderzoek naleving WOR

2 Zorgdragen voor een goede balans tussen rechten en plichten van werkgevers en werknemers voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst

Operationele doelstelling

Motivering

De bescherming van werknemers waarborgen, in evenwicht met de belangen van de onderneming en met inachtneming van de eigen rol en verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers.

Doelbereiking

De wettelijke normering van de diverse aspecten van het arbeidsrecht biedt, mede als gevolg van de regelmatige aanpassingen aan zich wijzigende omstandigheden, op hoofdlijnen een adequate bescherming van de belangen van de werknemer. Dit binnen de randvoorwaarden die de arbeidsorganisatie daaraan stelt en binnen de internationaal overeengekomen minimum-standaarden.

  • Het arbeidsovereenkomstenrecht, inclusief het ontslagrecht;

  • Het Buitengewoon Besluit arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en de daarop gebaseerde regels betreffende ontslag en werktijdverkorting;

  • De Wet melding collectief ontslag (WMCO);

  • De Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en daarop gebaseerde regels betreffende bestuurlijke handhaving van de WML;

  • Het Besluit minimumjeugdloonregeling;

  • Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi);

  • Voorlichting.

Instrumenten

  • In de begroting 2011 zijn reguliere activiteiten opgenomen, zoals het verlenen van ontslagvergunningen door het UWV, het verlenen van tijdelijke ontheffingen van het verbod om de arbeidstijd te verminderen, het verlenen van goedkeuring als bedoeld in de Wet melding collectief ontslag, het handhaven van de Wet minimum loon en minimum vakantiebijslag (WML) door de Arbeidsinspectie door het opleggen van bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom bij onderbetaling. Deze activiteiten zijn conform de begroting uitgevoerd in 2011;

  • In 2011 is de wijziging van het Burgerlijk Wetboek houdende de afschaffing van de beperkte opbouw van minimumvakantierechten tijdens ziekte gerealiseerd. Deze wijziging is op 1 januari 2012 inwerking getreden;

  • Tevens is in 2011 gerealiseerd, de wijziging van de Wet melding collectief ontslag in verband met het van toepassing verklaren van deze wet op de beëindiging van een dienstbetrekking door middel van een beëindigingsovereenkomst. Deze wijziging treedt op 1 maart 2012 in werking;

  • Sinds 11 februari 2011 beschikken de inspecteurs van de Inspectie SZW i.o. over de bevoegdheid om in het kader van de handhaving van de WML daarvoor vatbare voorwerpen in beslag te nemen. Het gaat dan met name om administratieve bescheiden die nodig zijn om vast te kunnen stellen wie bij de werkgever in dienst zijn en of de werkgever het wettelijk minimumloon en de wettelijke minimumvakantiebijslag aan zijn werknemers heeft uitbetaald (Stb, 2011, 27);

  • In 2011 zijn bij de Tweede Kamer ingediend het wetsvoorstel betreffende de implementatie van de zogenoemde Uitzendrichtlijn en het wetsvoorstel tot aanpassing van artikel 18b, lid 2 van de Wet minimumloon (WML) betreffende het rechtsvermoeden van het zijn van werkgever in de zin van deze wet (32 895, nr. 1 en 32 896, nr. 1). De plenaire behandeling van deze beide wetsvoorstellen is op 7 februari 2012 afgerond;

  • Op grond van de uitkomsten van een evaluatie daarvan is besloten met ingang van 1 januari 2012 de tijdelijke crisismaatregel «Extra tijdelijke contracten voor jongeren tot 27 jaar» te beëindigen;

  • In 2011 is een concept-wetsvoorstel doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd voorbereid. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting in het voorjaar van 2012 de Tweede Kamer worden aangeboden;

  • Verder is in 2011 besloten de handhaving van de WML te vereenvoudigen en meer te richten op het tegengaan van echte misstanden. Daarvoor is de zogenoemde handhavingnorm gesteld op 40 uur (32 896, nr. 5). Tevens is besloten om bij de handhaving van de WML verrekeningen met het loon van kosten van huisvesting en premies voor de ziektekostenverzekeringen slechts toe te laten voor zover zij niet meer dan een daarvoor vastgesteld bedragen;

  • Wijziging van de Waadi en de WML met het oog op effectievere controles door private instanties, en verbetering van de effectiviteit van het door de uitzendbranche ontwikkelde keurmerk (32 872, nr. 1);

  • In 2011 is voor een aantal situaties van verminderde bedrijvigheid als gevolg van buitengewone omstandigheden besloten de regeling voor werktijdverkorting open te stellen. Dat betrof de stremming in de Rijn bij Sankt Goarshausen (Duitsland), het gedeeltelijk instorten van winkelcentrum ’t Loon in Heerlen, de terugval van activiteiten als gevolg van de EHEC-bacterie en de ontploffing van de kernreactor in Japan;

  • In 2011 is een aantal maatregelen genomen om de bewustwording voor en de effectiviteit van de opsporing van arbeidsgerelateerde arbeidsuitbuiting te vergroten. Bijgedragen is aan het oplossen van knelpunten die de Inspectie SZW i.o. of partners in het kader van de Taskforce Aanpak Mensenhandel tegenkomen. Zo is het bestaan van arbeidsuitbuiting onder de aandacht gebracht van onder meer de Nederlandse ambassades. Informatie over de rollen en verantwoordelijkheidsverdeling in de verschillende fasen van de aanpak van mensenhandel is verspreid onder de ketenpartners. Tussen het ministerie van SZW en het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel is een samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen voor gegevensuitwisseling, zodat sneller duidelijkheid wordt verkregen over het bestaan van een serieus vermoeden van arbeidsuitbuiting in strafrechtelijke zin. Voorts is bij een drietal Kamers van Koophandel een pilot gestart om signalen van schijnzelfstandigheid en mogelijke uitbuiting te melden.

Activiteiten

  • Werknemers;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Operationele doelstelling 2 kent geen kwantitatieve streefwaarden. De doelstelling van het beleid is te komen tot een transparante regelgeving waarbij op evenwichtige wijze rekening wordt gehouden met de bescherming van de werknemers en de vereisten van de onderneming. Voor dit evenwicht is geen objectieve indicator te geven.

Het aantal ontslagverzoeken in 2011 is lager uitgevallen (58 334) dan was geraamd (68 000). Bij de raming is uitgegaan van de prognose van het CPB. Vanwege een aantal calamiteiten zoals de stremming in de Rijn bij Sankt Goarshausen is er meer gebruik gemaakt van de Regeling Werktijdverkorting dan geraamd (236 versus 150).

Tabel 43.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Ontslagen

     

Aantal ontslagaanvragen UWV1

60 064

40 530

38 539

– waarvan via collectieve aanvraag (in %)

18

12

12

Aantal ontbindingsverzoeken rechtbanken2

29 854

22 243

19 795

Totaal aantal aanvragen en verzoeken

89 918

62 773

58 334

Aanvragen WTV (reguliere werktijdverkorting)3

     

Aantal aanvragen

142

171

236

Aantal toegewezen

82

109

132

Handhaving WML4

     

Aantal inspecties WAV/WML

9 723

9 987

9 225

Aantal opgelegde boetes

58

127

107

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag

2 Raad voor de Rechtspraak

3 SZW, Onderzoeksrapport werktijdverkorting

4 Inspectie SZW administratie

3 Bevorderen van het combineren van arbeid en zorg

Operationele doelstelling

Motivering

Werknemers in staat stellen de arbeidsduur (tijdelijk) aan te passen in verband met zorgtaken.

Doelbereiking

Het arbeid-en-zorginstrumentarium ondersteunt de hoge graad van de arbeidsparticipatie van met name vrouwen in Nederland.

  • Wet arbeid en zorg;

  • Wet aanpassing arbeidsduur;

  • Levensloopregeling.

Instrumenten

  • Het wetsvoorstel modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (32 855, nr. 1) is 10 augustus 2011 de Tweede Kamer aangeboden;

  • Het wetsvoorstel ter implementatie van Richtlijn 2010/18/EU inzake ouderschapsverlof (33 107, nr. 1) is 30 november 2011 de Tweede Kamer aangeboden. De Eerste kamer heeft het voorstel op 20 maart 2012 als kamerstuk afgedaan;

  • In de reactie van 7 november 2011 (29 544, nr. 355) op het SER-advies «Tijden van de samenleving» heeft het kabinet aangekondigd om in tenminste twee gemeenten pilots op te zetten om binnen de bestaande mogelijkheden in de gehele gemeente in tijd en inhoud sluitende arrangementen voor kinderen te realiseren;

  • In het belastingplan 2012 (Stb. 2011, 639) is opgenomen dat het vanaf 1 januari 2012 niet meer mogelijk is te starten met deelname aan de levensloopregeling. Bestaande deelnemers kunnen onder voorwaarden wel deel blijven nemen. Daarnaast kunnen mensen per 1 januari 2013 deelnemen aan het vitaliteitssparen;

Activiteiten

  • (Potentiële) werknemers;

  • Zelfstandigen (in verband met zwangerschaps- en bevallingsuitkering);

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Indicatoren

Met ingang van de begroting 2012 is de indicator gewijzigd. Bij de oude prestatie-indicator werd de behoefte aan verlof als gegeven genomen, ongeacht andere instrumenten die werknemers kunnen benutten voor de combinatie van arbeid en zorg, zoals flexibele arbeidspatronen. Met ingang van 2012 dient als indicator het aandeel werknemers dat moeite heeft met de combinatie arbeid en zorg. Om deze reden was voor 2011 geen streefwaarde meer opgenomen voor de oude indicator.

Tabel 43.7 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2007

Realisatie 2009

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof (%)

45

44

36

Bron: CBS, EBB module – arbeid en zorg

Het gebruik van ouderschapsverlof is toegenomen. Tot en met 2009 werd de peiling voor ouderschapsverlof in het eerste kwartaal van het jaar gedaan. In 2011 heeft de peiling in het derde kwartaal plaatsgevonden. Als gevolg van de wijziging in de methodiek ligt een toename van het (gemeten) gebruik van ouderschapsverlof voor de hand. Bovendien is per 1 januari 2009 de maximale duur van ouderschapsverlof verhoogd van 13 naar 26 weken. Door de toename van het gebruik van ouderschapsverlof is het percentage personen, dat dit verlof wel wenst maar niet opneemt gedaald. De discrepantie tussen feitelijke en gewenste opname van verlof is daardoor ook afgenomen.

Tabel 43.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Zwangerschaps- en bevallingsverlofuitkering (x 1 000)

     

– aantal toekenningen werknemers1

139

137

136

– aantal toekenningen zelfstandigen1

7,5

7,4

7,8

Adoptieverlof (x 1 000)

     

– aantal toekenningen werknemers1

1,2

1,3

1,2

Ouderschapsverlof (x 1 000)

     

– Aantal werknemers met ouderschapsverlof (betaald en onbetaald)2

124

160

– Aantal ontvangers ouderschapsverlofkorting3

72

72

n.b.

Levensloopregeling (x 1 000)

     

– aantal actieve deelnemers4

249

239

235

Bronnen:

1 UWV, jaarverslag

2 CBS, EBB module Arbeid en zorg (in 2010 heeft er geen meting plaatsgevonden)

3 Ministerie van Financiën, Belastingdienst

4 CBS, EBB module Levensloop

n.b. niet beschikbaar

4 Bevorderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en toegang tot de arbeidsmarkt door bescherming te bieden tegen ongelijke behandeling bij arbeid en beroep

Operationele doelstelling

Motivering

Werknemers en werkzoekenden bescherming bieden tegen ongelijke behandeling en te waarborgen dat een ieder gelijke kansen heeft op het terrein van arbeid.

Doelbereiking

In cao’s is geen sprake meer van direct onderscheid naar geslacht en bij werving en selectie is dat aanmerkelijk afgenomen. De gelijke behandeling van allochtonen, ouderen en arbeidsgehandicapten vergt nog de nodige aandacht.

  • Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid;

  • Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen;

  • Wet verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur;

  • Wet gelijke behandeling van tijdelijke en vaste werknemers;

  • Wet op de medische keuringen;

  • Besluit aanstellingskeuring en Besluit klachtenbehandeling aanstellingskeuring;

  • Commissie Gelijke Behandeling;

  • Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen.

Instrumenten

  • Wijziging van de Wet op de medische keuringen in verband met het opnemen van de mogelijkheid tot onderbrenging van de klachtenbehandeling bij aanstellingskeuringen bij de Sociaal-Economische Raad en enige andere wijzigingen (33 050, nr. 2 en 33 050, nr. 3);

  • Voortzetting van de website www.gelijkloon.nl;

  • Wetsvoorstel in voorbereiding met betrekking tot het aantrekkelijker en makkelijker maken van doorwerken na de AOW-gerechtigde leeftijd door het weghalen van een aantal arbeidsrechtelijke belemmeringen;

  • Opzet en start van de Discriminatiemonitor 2010–2012 (SCP).

Activiteiten

  • Werkgevers, werknemers en hun vertegenwoordigers;

  • Relevante belangenorganisaties en organisaties van professionals.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Ongecorrigeerde beloningsverschillen geven de verschillen in gemiddeld uurloon weer en zijn daarmee een indicatie voor de arbeidsmarktpositie van vrouwen. De gecorrigeerde verschillen laten zien in welke mate deze verschillen samenhangen met kenmerken als leeftijd en opleiding- en beroepsniveau. Beloningsdiscriminatie is op het totaal van beloningsverschillen van ondergeschikte betekenis.

Met het oog op de arbeidsparticipatiebeslissingen van met name vrouwen is relevant dat deze verschillen bij de 25- tot 35-jarigen in het bedrijfsleven beperkt zijn tot -7,9% en bij de overheid geheel afwezig (Monitor Arbeidsmarkt 2011; 26 448, nr. 462).

Tabel 43.9 Indicatoren operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Streefwaarde 2012

Gecorrigeerde beloningsverschillen (%)

     

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 9

– 9

< – 9

Verschil man-vrouw overheid

– 8

– 7

< – 7

       

Ongecorrigeerde beloningsverschillen (%)

     

Verschil man-vrouw bedrijfsleven

– 22

– 22

< – 22

Verschil man-vrouw overheid

– 14

– 15

< – 15

Bron: CBS, Gelijk loon voor gelijk werk, 2010

Toelichting

De gegevens van de Commissie gelijke behandeling en van de Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen betreffen het aantal ingediende klachten en/of oordelen ingediend bij of uitgesproken door deze commissies. Deze getallen geven slechts een beperkt inzicht in de mate waarin ongelijke behandeling voorkomt.

Tabel 43.10 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Commissie gelijke behandeling: aantal oordelen op terrein van arbeid1

Totaal aantal

96

142

162

– waarvan op grond van geslacht (%)

15

17

23

– waarvan op grond van leeftijd (%)

41

26

29

– waarvan op grond van handicap (%)

9

15

14

– waarvan overig (%)

35

42

34

Commissie klachtenbehandeling aanstellingskeuringen2

Totaal aantal

47

31

55

– waarvan klachten

9

5

6

– waarvan vragen

38

26

49

Bronnen:

1 Commissie Gelijke Behandeling, Jaarverslag.

2 Commissie Klachtenbehandeling Aanstellingskeuringen, Jaarverslag.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 43.11 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Discriminatiemonitor 2010–2012

OD 4

A. 2010

B. 2012

 

Beleidsdoorlichting

Geen

     

Effecten onderzoek ex post

Effectiviteit van de tijdelijke maatregel tijdelijke contracten voor jongeren tot 27 jaar

OD 2

A. 2011

B. 2011

29 544, nr. 368

 

Naleving van de Wet op de ondernemingsraden, stand van zaken 2011

OD 1

A. 2011

B. 2012

 
 

Evaluatie verruiming onmisbaarheidscriterium

OD 2

A. 2011

B. 2011

33 000 XV, nr. 3

Overig evaluatieonderzoek

Geen

     

Artikel

44 Gezond en veilig werken

Artikel

Bevorderen van gezonde en veilige arbeidsomstandigheden

Algemene doelstelling

Motivering

Om de veiligheid en gezondheid van werknemers te beschermen en arbeidsuitval te voorkomen is een goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid noodzakelijk. Dit is van belang voor het vergroten van de arbeidsparticipatie en arbeidsproductiviteit. Door het beperken van arbeidsuitval kan het stelsel van sociale zekerheid geborgd blijven. Het is tevens van belang bij het beperken van het beroep op de gezondheidszorg door ziekte en letsel ontstaan door of op het werk. Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden dragen verder bij aan het voorkomen van arbeidsongevallen en aan het inperken van (bedrijfs-)risico’s met ingrijpende effecten op de samenleving, bijvoorbeeld bij bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen.

De daadwerkelijke uitvoering van goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid is de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. SZW stimuleert en bevordert dat zij vorm en uitvoering geven aan veilige en gezonde werkomstandigheden en ziet erop toe dat de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet worden nageleefd.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

In 2011 was het verzuimpercentage 4,2%. Uit de Nationale enquête arbeidsomstandigheden (NEA) kwam naar voren dat 90% van de werknemers positief is over de eigen gezondheid. Uit de NEA blijkt ook dat de tevredenheid van werknemers met hun arbeidsomstandigheden de laatste jaren (licht) is gestegen.

Externe factoren

Werkgevers en werknemers zetten zich in voor het opstellen van arbocatalogi om daarmee in bedrijven maatwerk mogelijk te maken. In de arbocatalogus is door werkgevers en werknemers uitgeschreven hoe aan de wettelijke voorschriften kan worden voldaan. Deze arbocatalogi worden door de Inspectie SZW getoetst op enkele criteria waaronder het voldoen aan wettelijke regels.

Realisatie meetbare gegevens

Het percentage ziekteverzuim is al enkele jaren stabiel. Dat geldt ook voor het percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg.

Tabel 44.1 Indicatoren algemene doelstelling
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Percentage ziekteverzuim1

4,1

4,2

4,2

4,3

Percentage arbeidsongevallen onder werknemers met verzuim tot gevolg2

3,1

3,2

2,9

3,0

Percentage werknemers dat verdere aanpassingen aan de werkplek of aan de werkzaamheden noodzakelijk acht in verband met zijn of haar gezondheid2

19,5

18,5

18,3

19,0

Bronnen:

1 CBS, Kwartaal enquête ziekteverzuim

2 TNO/CBS, Nationale enquête arbeidsomstandigheden

Tabel 44.2 Kengetal algemene doelstelling
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Aantal incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen

3

1

2

Bron: Inspectie SZW administratie

In 2011 waren er twee incidenten met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Deze incidenten betroffen een grote brand bij een chemicaliënopslag en het vrijkomen van een grote hoeveelheid gevaarlijke stof bij een tankopslagbedrijf. Het kengetal betreft de aan de EU te melden ongevallen met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen bij bedrijven die vallen onder de Europese richtlijn Seveso II. De Seveso II richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het besluit risico’s zware ongevallen 1999 (brzo 1999). Een incident is meldingsplichtig als aan de criteria wordt voldaan die in de bijlage van de Seveso II richtlijn staan. Het voornaamste criterium is het vrijkomen van een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stof met als mogelijk gevolg een brand, explosie, sterfgeval of aanzienlijke milieuschade.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 44.3 Begrotingsuitgaven Artikel 44 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

72 842

59 970

59 006

62 765

45 954

65 220

– 19 266

Uitgaven

84 463

61 072

58 288

59 246

51 657

65 395

– 13 738

               

Programma uitgaven

33 059

19 728

19 503

19 331

14 674

18 235

– 3 561

               

Operationele Doelstelling 1

             

Arboconvenanten

9 092

0

0

0

0

0

0

Handhaving

529

325

317

269

8

0

8

Overig

6 034

4 725

6 822

8 961

9 164

7 807

1 357

Subsidies

17 404

14 678

12 364

10 101

5 502

10 428

– 4 926

               

Apparaatsuitgaven

51 404

41 344

38 785

39 915

36 983

47 160

– 10 177

Personeel en materieel

51 404

41 344

38 785

39 915

36 983

47 160

– 10 177

               

Ontvangsten

5 251

8 207

11 978

8 445

7 585

9 300

– 1 715

Programma-uitgaven

Toelichting

De overschrijding van het budget overig en de onderschrijding van het budget subsidies is het gevolg van de ontwikkeling dat meer gebruik wordt gemaakt van opdrachtverlening (overige uitgaven) en minder van het subsidie-instrument.

Ontvangsten

Door de start van een andere werkwijze bij de Arbeidsinspectie en door het uitvoeren van minder inspecties dan gepland is er € 0,669 miljoen minder binnengekomen aan boeteopbrengsten. Daar staat een bedrag van € 0,256 miljoen aan extra algemene ontvangsten tegenover. Tevens zijn in de begroting 2010 de ontvangsten structureel met € 1,3 miljoen verhoogd. Die ontvangsten zijn in 2011 niet gerealiseerd (zie Toelichting bij ontvangstenartikel 42). Dit leidt per saldo tot € 1,715 miljoen lagere ontvangsten dan geraamd.

1 Bevorderen dat werkgevers en werknemers in bedrijven, branches en sectoren een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid voeren

Operationele doelstelling

Motivering

Het is in het belang van zowel werkgevers als werknemers dat in bedrijven een effectief en efficiënt arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid wordt gevoerd. Werkgevers zien zich dan minder geconfronteerd met verzuim en werkenden kunnen gezond en vitaal aan het arbeidsproces deelnemen tot de AOW-gerechtigde leeftijd.

Met de herziene Arbeidsomstandighedenwet die sinds 1 januari 2007 van kracht is, hebben werkgevers en werknemers de ruimte gekregen om, gegeven de wettelijke doelstellingen, arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid af te stemmen op de eigen onderneming (maatwerk). Dit verhoogt het draagvlak voor het arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid binnen de onderneming en maakt het meer kostenefficiënt. De Arbeidstijdenwet legt eveneens een grote verantwoordelijkheid bij werkgevers en werknemers. Door middel van het handhavingsbeleid van SZW wordt de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet en de Arbeidstijdenwet bevorderd.

Doelbereiking

Bij de concretisering van het beleid speelt de arbocatalogus een grote rol. De totstandkoming van arbocatalogi is de verantwoordelijkheid van sociale partners. De Commissie Begeleiding Arbocatalogi van de Stichting van de Arbeid heeft dit proces van 2007 tot 2011 gestimuleerd. In 2011 zijn in diverse branches nieuwe arbocatalogi tot stand gekomen dan wel bestaande arbocatalogi aangevuld met (belangrijke) risico’s. Deze zijn door de Arbeidsinspectie getoetst.

  • De herziene Arbeidsomstandighedenwet en -regelgeving;

  • Het standpunt van Nederland met betrekking tot de eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor de invulling van de arbeidsomstandigheden wordt ingebracht in EU werkgroepen en discussies;

  • De Arbeidstijdenwet (ATW), het Arbeidstijdenbesluit, het Arbeidstijdenbesluit vervoer en de Nadere regeling kinderarbeid;

  • Handhaving van wet- en regelgeving;

  • Het monitoren en onderzoeken van maatschappelijke trends, ontwikkelingen, blootstelling aan arbeidsrisico’s, effecten van arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid en naleving van wet- en regelgeving;

  • Communicatie en voorlichting;

  • Subsidieverlening: het tijdelijk subsidiëren van het implementeren van de arbocatalogi (de afspraken tussen sociale partners over de invulling van de eigen arbeidsomstandigheden) en de tijdelijke stimuleringsregeling voor het veilig werken door gedragsverandering in het mkb.

Instrumenten en activiteiten

  • Werkgevers;

  • Werknemers;

  • Arboprofessionals (zoals preventiemedewerkers, bedrijfsartsen en veiligheidskundigen).

Doelgroepen

Naleving zorgplicht Arbowet

Realisatie meetbare gegevens

Naleving van de Arbowet wordt aangeduid door een percentage dat aangeeft in hoeverre de in de wet genoemde systeemelementen aanwezig zijn. Dit percentage is samengesteld uit de percentages voor de vier deelverplichtingen: de risico-inventarisatie en -evaluatie (ri&e), de arbodienstverlening, de preventiemedewerker en de bedrijfshulpverlening (BHV). Het streefcijfer geeft aan in welke mate de zorgplicht van de Arbowet in het algemeen wordt nageleefd. Het percentage wordt zowel voor bedrijven als voor werknemers berekend (zie tabel 44.4).

Grote bedrijven beschikken vaker over genoemde systeemelementen dan kleine bedrijven. Het percentage werknemers valt hoger uit dan het percentage bedrijven. Met de aanpassing van de Arbowet per 1 april 2011 is het voor kleine bedrijven (ten hoogste 25 werknemers) eenvoudiger en goedkoper gemaakt een ri&e op te stellen.

Met een nieuw communicatie- en implementatieprogramma hebben sociale partners, ondersteund door SZW, in 2011 extra aandacht besteed aan manieren om de naleving van de ri&e te bevorderen. Zo is bijvoorbeeld de werkplekcheck geïntroduceerd. Daarmee kan een werkgever op eenvoudige wijze nagaan hoe het staat met de veiligheid- en gezondheidsrisico’s in de onderneming. Vervolgens kunnen bedrijven gratis een verbeterplan ontvangen.

Het communicatie- en implementatieprogramma loopt door in 2012.

Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt

Het percentage werknemers dat onder een positief getoetste arbocatalogus valt is ongeveer gelijk gebleven. Er zijn in 2011 wel nieuwe arbocatalogi bijgekomen. De betrokken branches zijn van geringe omvang; het percentage is daardoor niet veranderd. Verder zijn er in 43 branches nieuwe deelcatalogi ingediend en beoordeeld. Dit zijn toevoegingen aan de bestaande arbocatalogi.

In het kader van het Actieplan Arbeidsveiligheid is de eenjarige stimuleringsregeling Veilig Werken door Gedragsverandering zeer succesvol gebleken. Binnen een half jaar was het beschikbare budget uitgeput. Ruim 300 mkb-bedrijven hebben subsidie ontvangen, waarvan 76% kleine bedrijven (< 50 werknemers), met name in de sector Bouw. Het beoogde doel van de subsidieregeling om vooral het kleinbedrijf te enthousiasmeren is hiermee bereikt.

Tabel 44.4 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Naleving zorgplicht Arbowet1

       

– percentage bedrijven

59

58

56

59

– percentage werknemers

88

88

83

88

Percentage bedrijven dat bij hercontrole voldoet aan de Arbowet2

98

98

94

>95

Percentage werknemers dat onder de werking van een arbocatalogus valt3

49

51

51

60

Bronnen:

1 SZW-berekeningen o.b.v. Monitor Arbeid in bedrijf (Inspectie SZW)

2 Inspectie SZW administratie

3 SZW administratie

In 2011 zijn in totaal 14 638 actieve inspecties verricht in het kader van Arbo-projecten. De raming 2011 was 16 500. Het aantal actieve inspecties is in de loop van 2011 bijgesteld naar 14 500 zaken, omdat minder inspectiecapaciteit beschikbaar bleek dan aanvankelijk is ingeschat voor het actieve werk. Dit werd veroorzaakt door een combinatie van factoren, waaronder een hoger handhavingspercentage dan begroot, een aantal zeer omvangrijke reactieve zaken (waaronder de B-toren, (een winkel- en wooncomplex centrum Rotterdam) en de Grolsch Veste), een hoger dan verwacht verloop van inspecteurs en een iets hoger ziekteverzuim dan waar bij de begroting was rekening gehouden. De Arbomonitor 2011 is volledig uitgevoerd.

Tabel 44.5 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Aantal actieve Arbo-inspecties door de Arbeidsinspectie

21 386

18 541

14 638

Bron: Inspectie SZW administratie

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 44.6 Afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Arbeidsomstandigheden

AD

A. 2009

B. 2012

25 883, nr. 209

Effecten onderzoek ex post

Arbeidsomstandighedenwet

AD

A. 2009

B. 2012

25 883, nr. 209

Overig evaluatieonderzoek

Arbeidstijdenwet

OD

A. 2010

B. 2012

30 532, nr. 28

Artikel

45 Pensioenbeleid

Artikel

Bevorderen en beschermen van arbeidspensioenen

Algemene doelstelling

Motivering

Werkgevers en werknemers stimuleren om afspraken te maken voor aanvullend pensioen en een waarborg te scheppen dat een pensioentoezegging van de werkgever aan zijn werknemer na pensionering gestand wordt gedaan.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Sociale partners hebben het pensioenakkoord van 4 juni 2010 nader uitgewerkt in een Uitwerkingsmemorandum d.d. 9 juni 2011. Daarin is een akkoord op hoofdlijnen gesloten tussen sociale partners op centraal niveau en het kabinet over de noodzakelijke aanpassing van het FTK en de Pensioenwet (30 413, nr. 157). De aanhoudende crisis en de gevolgen daarvan voor de financiële positie van pensioenfondsen in combinatie met de toenemende vergrijzing, zetten de houdbaarheid van het stelsel steeds verder onder druk. De noodzaak om het pensioenstelsel aan te passen is alleen maar toegenomen.

Het uitwerkingsmemorandum bevat de verschillende elementen van het nieuwe pensioencontract: afspraken over premiestabilisatie, verwerking van de stijging van de levensverwachting en de overgang naar schokbestendige en transparante pensioencontracten. In de nieuwe pensioencontracten worden schokken op de financiële markten doorvertaald naar het opgebouwde pensioen. Voor wat betreft de spreiding van de risico’s over de generaties zal het kabinet bij de verdere invulling van het nieuwe pensioencontract borgen dat schokken en onzekerheden zich op een voor alle generaties verantwoorde en duidelijke manier vertalen in de pensioenopbouw of het pensioeninkomen. Die aspecten spelen ook een belangrijke rol in het reeds gestarte onderzoek naar de mogelijkheden om bestaande pensioenrechten onder te brengen in het nieuwe pensioencontract. Voor de definitieve invulling van het financieel toetsingskader voor nieuwe pensioencontracten zijn de uitkomsten van voornoemd onderzoek van belang. Zodra de resultaten van het onderzoek beschikbaar zijn zal worden bezien op welke wijze het wettelijk kader van de nieuwe pensioencontracten het beste kan worden vormgegeven. Gestreefd wordt naar invoering van het wettelijk kader per 1 januari 2014.

Daarnaast is een goed bestuur (governance) van pensioenfondsen van groot belang. Het integrale wetsvoorstel voor de governance van pensioenfondsen met daarin verschillende bestuursmodellen is voor advies voorgelegd aan de Raad van State. Dit advies is eind januari 2012 ontvangen.

Communicatie is een belangrijk aandachtspunt bij de verdere uitwerking van het pensioenakkoord. Het is van belang dat over risico’s ten aanzien van het pensioen goed wordt gecommuniceerd naar alle belanghebbenden. In oktober is onder leiding van SZW een sectorbreed samengesteld project «Pensioencommunicatie» gestart dat beziet hoe de communicatie met alle belanghebbenden zo optimaal mogelijk kan worden vormgegeven. Het project moet bouwstenen aandragen voor de aanpassing van de wetgeving.

Met de afgesproken inzet van sociale partners en het kabinet kan een robuust pensioenstelsel worden gerealiseerd.

Externe factoren

Het behalen van deze doelstelling hangt af van arbeidsvoorwaardenonderhandelingen, economische ontwikkelingen, demografische ontwikkelingen, het pensioenbewustzijn en de EU-regelgeving voor de handhaving van nationale kenmerken van pensioenstelsels. De ontwikkelingen op de financiële markten, de mondiale economische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de financiële positie van pensioenfondsen hebben de urgentie om het toekomstbestendig maken van het pensioenstelsel versterkt. Daarnaast zet de vergrijzing van de bevolking de houdbaarheid van het stelsel verder onder druk.

De verdieping van de crisis heeft ertoe geleid dat veel pensioenfondsen in 2011 niet beschikken over het minimaal vereiste vermogen om te kunnen voldoen aan hun verplichtingen. Hun dekkingsgraad was lager dan 105%. De lage dekkingsgraad van pensioenfondsen is het gevolg van de combinatie van een lage rente, beursmalaise en een sterk stijgende levensverwachting. De lage rente dwingt fondsen de waarde van hun verplichtingen te verhogen. Hoe hoger die waarde, hoe lager de dekkingsgraad.

De stijgende levensverwachting speelt de pensioenfondsen ook parten. De premies, die in het verleden zijn betaald, hielden geen rekening met deze snelle stijging. Fondsen moeten veel langer pensioenen uitkeren dan aanvankelijk gedacht. Door de stijgende levensverwachting is een opwaartse druk op de premies ontstaan. In het pensioenakkoord is aangegeven hoe om te gaan met een stijging van de levensverwachting.

Realisatie meetbare gegevens

Artikel 45 kent geen indicatoren op het niveau van de algemene doelstelling, deels omdat het beoogde effect van het beleid niet kan worden gekwantificeerd, deels omdat het beleidseffect niet kan worden geïsoleerd van andere factoren.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 45.1 Begrotingsuitgaven Artikel 45 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

58 547

2 623

1 943

2 456

2 497

2 930

– 433

Uitgaven

86 347

2 431

2 011

2 498

2 590

2 930

– 340

               

Programma uitgaven

85 000

943

437

727

263

920

– 657

               

Operationele Doelstelling 1

             

Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening

85 000

0

0

0

0

0

0

Uitvoeringskosten Toezicht

0

0

0

0

0

510

– 510

Overig

0

15

138

655

216

250

– 34

Operationele Doelstelling 2

             

Subsidies

0

928

299

72

47

160

– 113

               

Apparaatsuitgaven

1 347

1 488

1 574

1 771

2 327

2 010

317

Personeel en materieel

1 347

1 488

1 574

1 771

2 327

2 010

317

               

Ontvangsten

0

13 661

11

79

0

0

0

Uitvoeringskosten toezicht

Toelichting

De uitvoeringskosten toezicht hebben betrekking op de kosten van de toezichthouders DNB en AFM die verband houden met de voorbereiding van wet- en regelgeving op het gebied van pensioenen. De minister van Financiën draagt zorg voor de betaling aan AFM en DNB van de overheidsbijdrage in de toezichtkosten. Het bedrag op de begroting van SZW is daarom overgeboekt naar het overeenkomstige beleidsbudget van het ministerie van Financiën. Vanuit SZW heeft geen directe betaling aan AFM en DNB plaatsgevonden. De gerealiseerde kasuitgaven op dit artikelonderdeel staan daarom op 0.

1 Vergroten van de houdbaarheid en het bereik van het stelsel van aanvullende pensioenen

Operationele doelstelling

Motivering

Zoveel mogelijk werknemers in de gelegenheid te stellen op collectieve en solidaire wijze een aanvulling op de AOW te verkrijgen om na pensionering hun levensstandaard zo goed mogelijk te kunnen handhaven.

Doelbereiking

Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor het realiseren van de prestaties op het terrein van de aanvullende pensioenen, de overheid zorgt voor ondersteuning door middel van het bieden van een wettelijk kader voor afspraken over de pensioenvoorziening.

Het pensioenakkoord bevat afspraken over de hervorming van het pensioenstelsel, waarin alle partijen laten zien dat zij zo goed mogelijke randvoorwaarden willen creëren voor een robuuste oudedagsvoorziening voor de gepensioneerden van nú en voor de gepensioneerden van later. Op 21 juni is de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitwerking van dit akkoord (32 043, nr. 62). Sociale partners hebben op een aantal terreinen aanvullende wensen kenbaar gemaakt. Over de aanvullende afspraken is de Tweede Kamer op 14 september geïnformeerd (32 043, nr. 66).

  • De Pensioenwet;

  • Wet verplichte Beroepspensioenregeling;

  • Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;

  • Fiscale faciliteiten voor de opbouw van aanvullende pensioenen (Witteveenkader);

  • Materieel en prudentieel toezicht door DNB op pensioenfondsen en pensioenverzekeraars;

  • Overleg met sociale partners over de inrichting van het pensioenstelsel.

Instrumenten

  • Uitwerking van het pensioenakkoord (32 043, nr. 157);

  • Modernisering van de mogelijkheden om pensioenregelingen uit te voeren (Premiepensioeninstelling);

  • De ontwikkeling van een nieuw type pensioeninstelling dat de kansen van Nederland op de Europese pensioenmarkt kan vergroten en verbetering van de samenwerkingsmogelijkheden tussen pensioenfondsen;

  • Het volgen van de ontwikkelingen en het uitdragen van het Nederlandse standpunt in de Europese Commissie, die voorbereidingen treft om de Europese Pensioenfondsenrichtlijn eind 2012 te herzien.

Activiteiten

  • Werkgevers;

  • Werknemers;

  • Pensioenuitvoerders.

Doelgroepen

Aantal werknemers dat geen aanvullend pensioen opbouwt (%)

Realisatie meetbare gegevens

Als indicator voor het bereik van het pensioenstelsel wordt het percentage werknemers gepresenteerd, dat geen aanvullend pensioen opbouwt. Over de omvang van de witte vlek op pensioengebied in 2007 is gerapporteerd dat 9 van de 10 werknemers pensioen opbouwen (30 413, nr. 136). Het CBS onderzoek naar de omvang van de witte vlek over 2010 is in februari 2012 verschenen. De onderzoeksresultaten laten zien dat de omvang en samenstelling van de witte vlek in de jaren 2007 – 2010 een soortgelijk beeld geven. Er lijkt sprake van een lichte daling van de omvang van de witte vlek.

Tabel 45.2 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

% werknemers dat geen aanvullend pensioen opbouwt

10

9

Bron: CBS, witte vlek op pensioengebied

Aantal fondsen met een reservetekort

Een pensioenfonds heeft een reservetekort als het vermogen van het fonds lager is dan het vereiste eigen vermogen dat op de lange termijn aangehouden moet worden om aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. Bij de bepaling van het vereiste eigen vermogen wordt rekening gehouden met de beleggingsrisico’s die een fonds loopt. Een gemiddeld pensioenfonds heeft geen reservetekort als de dekkingsgraad hoger is dan 130%.

Volgens DNB hadden van de 454 pensioenfondsen er 311 eind december 2011 een reservetekort. In vergelijking met 2010 lijkt er sprake te zijn van een lichte daling, maar toen waren er nog 514 pensioenfondsen.

Een dekkingsgraad van 100% geeft aan dat een fonds precies genoeg vermogen heeft om de verplichtingen na te komen. DNB eist echter een buffer, waardoor pensioenfondsen een dekkingsgraad van minimaal 105% moeten hebben. Eind 2011 konden 227 pensioenfondsen niet aan deze eis voldoen.

Aantal actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting

Een pensioenuitvoerder kan voor de deelnemer die niet meer voldoet aan de voorwaarden voor deelname aan de pensioenregeling, bijvoorbeeld omdat het dienstverband is beëindigd, een vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling uitvoeren als de vrijwillige voortzetting maximaal drie jaar vanaf de beëindiging van de dienstbetrekking voortduurt. Het beeld ten aanzien van het opnemen van afspraken over vrijwillige voortzetting van deelname in een pensioenregeling is al enkele jaren vrij stabiel.

Aantal actieve deelnemers naar type regeling

Zoals blijkt uit tabel 45.3 hebben de meeste werknemers een uitkeringsovereenkomst op basis van middelloon, waarbij het op te bouwen pensioeninkomen een gewogen gemiddelde is van alle pensioengrondslagen. Het beeld wijkt niet af van voorgaande jaren.

Tabel 45.3 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Aantal fondsen met een reservetekort

     

aantal fondsen (absoluut)

351

341

311

Aantal deelnemers betrokken bij deze fondsen (absoluut)

5 396 157

5 464 805

5 481 295

Aantal actieve deelnemers met mogelijkheid tot vrijwillige voortzetting (%)

     

Bij vrijwillig ontslag

89

87

87

Bij zorgverlof

91

91

90

Bij ouderschapsverlof

92

93

91

Bij sabbatical leave

91

89

90

Bij educatief verlof

88

89

89

Aandeel actieve deelnemers per type regeling (%)

     

Uitkeringsovereenkomst op basis van eindloon

1

1

1

Uitkeringsovereenkomst op basis van middelloon

90

90

91

Beschikbare premieregeling

5

5

5

Overig (combinatie van verschillende typen regelingen)

4

4

3

Bron: DNB, statistieken

2 Verbeteren van de betrokkenheid van deelnemers bij hun pensioenvoorziening

Operationele doelstelling

Motivering

Deelnemers stimuleren kennis te nemen van hun pensioenregelingen en hun verantwoordelijkheid voor aanvullend pensioen te nemen.

Doelbereiking

Begin januari 2011 is de website www.mijnpensioenoverzicht.nl in gebruik genomen, dat een totaalbeeld geeft van het via het werk opgebouwde pensioen en de AOW. Ook kan men raadplegen hoeveel nabestaandenpensioen er is na overlijden. In totaal hebben circa 3 miljoen mensen naar hun pensioenoverzicht gekeken. In oktober won de website het Gouden Schild in de categorie beste klantcommunicatie. Er zijn vergevorderde plannen om de functionaliteit van deze website uit te breiden.

Op 29 november 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de evaluatie van de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving (33 110, nr. 1). De uitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen in het sectorbreed samengestelde project Pensioencommunicatie onder leiding van SZW, dat is ingesteld in het kader van de concretisering van de afspraken tussen het kabinet en sociale partners over pensioenen. Het project zal voorstellen doen voor de aanpassing van de wetgeving over pensioencommunicatie.

In juli en augustus 2011 is het Voorontwerp versterking bestuur pensioenfondsen voor consultatie op internet gepubliceerd. Mede naar aanleiding van de internetconsultatie en expertmeetings is het wetsvoorstel aangepast. Begin november is het wetsvoorstel ter advisering naar de Raad van State gezonden. Het advies van de Raad van State is eind januari 2012 ontvangen.

Het streven is om het wetgevingstraject op het gebied van governance van pensioenfondsen in 2012 af te ronden. Hierdoor kunnen pensioenfondsen komen tot een nieuwe governancestructuur voordat nieuwe contracten mogelijk zijn. Fondsen hebben bij invoering in 2013 voor de overgang naar de nieuwe governancestructuur een jaar de tijd.

Instrumenten

De Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met name de bepalingen over voorlichting aan deelnemers en de bepalingen over medezeggenschap en de governance bij pensioenuitvoerders.

  • Zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van de belangen van deelnemers en pensioengerechtigden in of ten aanzien van het pensioenfondsbestuur;

  • Stroomlijning van de wettelijke taken van de verschillende organen in het pensioenfonds (deelnemersraad, verantwoordingsorgaan, e.d.);

  • Overleggen met sociale partners, pensioengerechtigden en pensioenuitvoerders over verbetering van de kwaliteit van het besturen van pensioenuitvoerders;

  • Ondersteunen van de ontwikkeling van het Pensioenregister;

  • Het verbeteren van de pensioencommunicatie met deelnemers en gepensioneerden door aanpassing van de wetgeving.

Activiteiten

Doelgroepen

Deelnemers en pensioengerechtigden in pensioenregelingen.

Realisatie meetbare gegevens

Het primaat voor het maken van afspraken over het bevorderen van een doeltreffende informatievoorziening over pensioenvoorzieningen ligt bij sociale partners.

In de begroting 2011 was de indicator «inzicht in de hoogte aanvullend pensioen» opgenomen. In het jaarverslag 2011 is deze indicator niet opgenomen, aangezien het onderzoek «Kennis van ouderdomspensioen», dat werd verricht door Research voor Beleid, is stopgezet. Dit onderzoek vormde de informatiebron voor de indicator.

Ook de kengetallen uit de begroting 2011 bij operationele doelstelling 2 zijn niet opgenomen in het jaarverslag 2011. Dit vanwege het stopzetten van de pensioenenquête «Kennis van ouderdomspensioen» die door Research voor Beleid werd verzorgd. Deze enquête vormde de informatiebron voor de kengetallen.

Door het stopzetten van deze monitor zal in de verslaglegging voortaan gebruik worden gemaakt van de resultaten van de Pensioenbewustzijnsmeter van TNS NIPO, die in opdracht van het platform Wijzer in geldzaken wordt uitgevoerd. Ook zal verslag worden gedaan van het bereik van de website www.mijnpensioenoverzicht.nl .

De economische crisis en het pensioenakkoord zorgen ervoor dat het nóg belangrijker wordt om de financiële vaardigheden te vergroten. Het platform Wijzer in geldzaken heeft financiële educatie blijvend op de agenda staan. Een van de doelstellingen van Wijzer in geldzaken is het aantal Nederlanders dat volledig pensioenonbewust is, terug te brengen van 72 naar 50 procent in 2011. Uit de Pensioenbewustzijnmeter 2011 blijkt dat het pensioenonbewustzijn is afgenomen van 72 naar 69 procent; de beoogde doelstelling is dus niet behaald. Uit onderzoek blijkt dat de website www.mijnpensioenoverzicht.nl vooral bezoekers trekt, die hun jaarlijks pensioenoverzicht goed bekeken hebben en nog niet wordt bezocht door de pensioenonbewuste Nederlander.

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 45.4 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

 

AD

A. 2011

B. 2012

 

Effecten onderzoek ex post

Geen

     

Overig evaluatieonderzoek

Informatiebepalingen in de pensioenwet

OD2

A. 2010

B. 2011

33 110, nr. 1

 

2b PSW

OD 2

A. 2010

B. 2011

29 544, nr. 342

Informatiebepalingen in de pensioenwetgeving

Toelichting

Op 29 november is de evaluatie van de informatiebepalingen in de pensioenwetgeving toegezonden aan de Tweede Kamer. De resultaten zullen worden meegenomen bij de aanpassing van de wetgeving over pensioencommunicatie.

Artikel

46 Inkomensbescherming met activering

Artikel

Zorgdragen voor adequate bescherming met activerende voorwaarden tegen financiële risico’s bij inkomensverlies

Algemene doelstelling

Motivering

Om personen te beschermen tegen de financiële risico’s als gevolg van ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Daarbij wordt hen een inspanningsverplichting opgelegd om betaalde arbeid te verkrijgen, danwel maatschappelijk te participeren of een opleiding te volgen. Aan werkgevers, andere private partijen of gemeenten worden prikkels gegeven die aan preventie en activering bijdragen.

SZW creëert de voorwaarden voor het verlenen van de uitkeringen. Dit gebeurt door de uitkeringsvoorwaarden vast te leggen in wet- en regelgeving en zorg te dragen voor de uitvoering door het verstrekken of het laten verstrekken van uitkeringen door UWV, gemeenten of private partijen. Daarnaast richt SZW het juridische en financiële regelgevend kader in, zodat private arrangementen mogelijk en rechtszeker zijn.

Doelbereiking en maatschappelijk effect

Het herstel van de economie in 2010 heeft zich in 2011 maar beperkt doorgezet. Dit werd weerspiegeld in het aantal mensen met een WW-uitkering. Dit aantal daalde in de eerste helft van het jaar, maar begon naar het einde van 2011 weer te stijgen. In december 2011 zaten er uiteindelijk meer mensen in de WW dan in december 2010.

In 2011 is verder de deeltijd-WW geëindigd: per 1 juli 2011 zijn de laatste mensen uit de deeltijd-WW gestroomd.

De WWB reageert met vertraging en minder sterk op de economische crisis, aangezien werknemers eerst in de WW terechtkomen en een deel van de werknemers vanuit de WW weer een baan vindt en niet alle werknemers voor de WWB in aanmerking komen vanwege overige inkomsten binnen het huishouden of vermogen.

Externe factoren

De economische conjunctuur is een belangrijke factor in de volumeontwikkeling en daarmee het budgettaire beslag van een aantal wetten binnen deze algemene doelstelling. Daar waar dat van toepassing is wordt daar bij de operationele doelstelling op ingegaan.

Het behalen van de algemene doelstelling is mogelijk gemaakt door:

  • Een effectieve uitvoering van de wetten door UWV, gemeenten en private partijen;

  • De mate van naleving van de verplichtingen uit wet- en regelgeving door uitkeringsgerechtigden;

  • De inspanning gericht op het verkrijgen van betaald werk van de uitkeringsgerechtigden.

Realisatie meetbare gegevens

Voor de algemene doelstelling zijn geen aparte prestatie-indicatoren geformuleerd, omdat op dit aggregatieniveau onvoldoende concrete doelstellingen geformuleerd kunnen worden. Verwezen wordt naar de realisatiecijfers voor de operationele doelstellingen.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 46.1 Begrotingsuitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

5 947 764

6 442 443

7 510 742

7 139 531

7 953 941

7 194 877

759 064

Uitgaven

6 270 136

6 436 837

6 767 571

7 066 636

7 583 102

7 198 137

384 965

               

Programma uitgaven

6 260 279

6 427 209

6 759 259

7 057 515

7 575 909

7 191 351

384 558

               

Operationele Doelstelling 1

             

IOW uitkeringslasten

0

0

0

1 741

4 800

5 970

– 1 170

IOW uitvoeringskosten

0

0

0

1 566

250

250

0

Operationele Doelstelling 3

             

Wajong Uitkeringslasten

1 928 009

2 153 830

2 425 710

2 642 160

3 138 036

2 729 695

408 341

Wajong Uitvoeringskosten

56 377

83 979

102 527

125 194

132 542

128 954

3 588

Operationele Doelstelling 4

             

BIA Uitkeringslasten

5 007

4 179

3 887

3 597

0

3 283

– 3 283

BIA Uitvoeringskosten

271

281

220

287

0

84

– 84

Tri uitkeringslasten

31 719

20 464

7 444

693

0

0

0

Tri Uitvoeringskosten

6 266

4 054

500

212

0

0

0

Operationele Doelstelling 5

             

BUIG

3 943 592

3 855 307

3 863 053

4 056 157

4 042 887

4 119 068

– 76 181

Bijstand Buitenland

2 198

2 760

2 787

2 500

2 381

2 600

– 219

Bijstand Zelfstandigen

87 305

117 364

120 905

118 077

146 118

76 743

69 375

IOAW

112 199

103 733

133 013

4 845

0

0

0

IOAZ

31 625

34 164

30 683

2 730

0

0

0

WWIK Uitkeringslasten

26 148

22 698

20 582

3 590

55

0

55

WWIK Uitvoeringskosten

5 309

4 734

4 964

2 678

3 674

1 594

2 080

Vazalo

0

39

142

70

71

4 000

– 3 929

Handhaving

7 695

7 827

7 892

7 334

6 310

6 077

233

Overig

16 559

11 796

34 950

84 084

96 368

109 998

– 13 630

Operationele doelstelling 6

             

Uitkeringen Caribisch Nederland

0

0

0

0

2 417

3 035

– 618

               

Apparaatsuitgaven

9 857

9 628

8 312

9 121

7 193

6 786

407

Personeel en materieel

9 857

9 628

8 312

9 121

7 193

6 786

407

               

Ontvangsten

98 317

59 864

57 268

48 236

16 827

0

16 827

IOW (Inkomensvoorziening oudere werklozen)

Toelichting

Werknemers van zestig jaar of ouder die tussen 1 oktober 2006 en 1 juli 2011 werkloos zijn geworden en die langer dan 3 maanden recht hadden op een WW-uitkering, komen na afloop van de WW-uitkering in aanmerking voor een IOW-uitkering. Als het recht op een IOW-uitkering bestaat, behouden oudere werklozen dat tot dat ze 65 jaar worden. Daarnaast hebben gedeeltelijk arbeidsongeschikte ouderen na hun loongerelateerde WGA-uitkering recht op IOW als tussen 31 december 2007 en 1 juli 2011 het recht op de loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan en de loongerelateerde WGA is toegekend na het bereiken van de leeftijd van 60 jaar.

De uitgaven aan de IOW zijn € 1 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit als gevolg van een lagere instroom in de regeling dan verwacht.

De gerealiseerde uitgaven aan uitvoeringskosten IOW zijn gelijk aan de begrote uitgaven.

Wajong (Wet werk en arbeidsondersteuning jongehandicapten)

De Wajong vormt de inkomensvoorziening voor jonggehandicapten. Per 1 januari 2010 is de gewijzigde Wajong in werking getreden, waarin meer nadruk ligt op het vinden en behouden van arbeid. In verband met deze gewijzigde regelgeving is in de raming rekening gehouden met lagere instroom in de Wajong.

De uitkeringslasten Wajong waren in 2011 € 408 miljoen hoger dan begroot. Dit grote verschil heeft hoofdzakelijk een technische oorzaak, namelijk een kasschuif van het jaar 2012 naar het jaar 2011 (€ 414 miljoen). Voorts heeft de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling geresulteerd in een lastenverhoging (€ 34 miljoen). Daar staat tegenover dat als gevolg van uitvoeringsmeevallers de uitkeringslasten lager waren dan verwacht (- € 40 miljoen). Dit is het gevolg van een procentueel hoger dan verwachte instroom in de studieregeling, waarvoor een lagere uitkering geldt. Daarnaast is de wet Wajong per 1 januari 2011 gewijzigd, waardoor bij samenloop van Wajong en ZW de ZW tot uitbetaling komt waar dit tot 2011 andersom was. Dit heeft lagere uitkeringslasten Wajong tot gevolg. Dit was nog niet verwerkt in de beginstand.

De uitvoeringskosten Wajong zijn € 4 miljoen hoger dan begroot.

Dit is het gevolg van een herschikking in de toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn in 2011 middelen WAO toegerekend aan de Wajong (zie ook toelichting uitvoeringskosten WAO bij tabel 4.6.2). De herschikking leidt per saldo niet tot wijziging van de uitvoeringskosten UWV.

BIA (Wet beperking Inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria)

Deze in 1996 in werking getreden tijdelijke wet beperkt de inkomensgevolgen van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. De BIA vervalt met ingang van 1 december 2016.

In het kader van de vereenvoudiging van de administratieve uitvoering komen de uitgaven BIA vanaf 2011 ten laste van de Toeslagenwet (TW). In de SZW Begroting 2011 waren de middelen voor de BIA nog afzonderlijk weergegeven. Omdat de uitgaven BIA zijn betaald uit het budget TW, lijkt het in het jaarverslag alsof de voor de BIA beschikbare € 3 miljoen niet is uitgegeven. Dit is niet het geval (zie ook toelichting bij de TW in artikel 49).

BUIG (Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten)

Met de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten zijn vanaf 2010 de gemeentelijke middelen voor de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) voor zover dat betrekking heeft op algemene bijstand aan startende ondernemers, de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) (tot en met 2011) en de Wet investeren in jongeren (WIJ) gebundeld met het inkomensdeel van de WWB. Hiermee krijgen gemeenten één budget BUIG (Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten) voor de bekostiging van de uitkeringen op grond van de genoemde wetten.

Voor de uitvoeringskosten BUIG ontvangen gemeenten middelen via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Het macrobudget Inkomensdeel WWB/WIJ is voor de periode 2008–2011 gebaseerd op de afspraken in het Bestuurlijk Akkoord 2007–2011 tussen Rijk en gemeenten. Belangrijk element in deze afspraken is dat het macrobudget voor een jaar in beginsel is vastgezet op de middellange termijnraming van het CPB. Aanpassingen voor conjunctuur vinden slechts plaats indien de afgesproken bandbreedte van 12 500 uitkeringen wordt overschreden. Het macrobudget wordt jaarlijks aangepast voor loon-/prijsbijstellingen en voor effecten van rijksbeleid. Er vindt op basis van de afspraken geen correctie plaats voor gemeentelijke realisaties.

De uitgaven BUIG zijn € 76 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van een neerwaartse bijstelling van de werkloosheidsraming van het CPB, en daarmee van de budgetten voor WWB en IOAW (- € 134 miljoen). Daarnaast heeft verwerking van de realisatiegegevens op de IOAW, IOAZ, Bbz (levensonderhoud voor starters) en WWIK geleid tot een neerwaartse bijstelling (- € 15 miljoen). Tevens zijn er enkele technische correcties doorgevoerd (- € 5 miljoen). Het budget is opgehoogd als gevolg van de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 75 miljoen). Daarnaast was er minder geld dan begroot nodig voor de uit te keren incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU en MAU). Ter financiering van de uitkeringen IAU en MAU zijn vanuit het budget BUIG middelen overgeheveld naar het budget Overig, waaruit de IAU en MAU worden betaald. Omdat er voor IAU en MAU minder middelen nodig waren dan begroot, kon een deel van de middelen worden teruggeboekt van het budget Overig naar het budget BUIG (€ 3 miljoen).

Uit voorlopige opgaven van gemeenten (zoals weergegeven in hun «Beelden van de Uitvoering» 2011) blijkt dat het saldo van baten en lasten over 2011 landelijk € 4,7 miljard bedraagt. Daarmee hebben gemeenten gezamenlijk een tekort van € 675 miljoen over 2011. Dit is vooral het gevolg van de hierboven genoemde afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord tussen Rijk en Gemeenten.

Bijstand buitenland

Voor bijstandsverlening aan Nederlanders in het buitenland was er de regeling Bijstand buitenland. Deze regeling verviel in 1996 met de invoering van de Algemene bijstandswet, waardoor er sinds 1996 geen nieuwe gevallen tot deze regeling zijn toegelaten. Voor de nog lopende gevallen voert de SVB sinds 2009 de regeling uit. De uitgaven aan uitkeringslasten en uitvoeringskosten in 2011 zijn nagenoeg gelijk aan wat was begroot.

Bbz (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen)

Startende ondernemers en gevestigde zelfstandigen kunnen onder voorwaarden voor financiële bijstand een beroep doen op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Sinds 2010 zijn de kosten van levensonderhoud voor startende ondernemers onderdeel van de gebundelde uitkering BUIG. Voor de kosten van levensonderhoud voor gevestigde zelfstandigen en de verstrekking van bedrijfskapitaal ontvangen gemeenten een aparte specifieke uitkering Bbz. In 2011 zijn voor het eerst uitvoeringsrealisaties bekend geworden over de niet met de uitkering BUIG gebundelde middelen Bbz.

De uitgaven zijn € 69 miljoen hoger dan oorspronkelijk begroot. Dat wordt deels veroorzaakt door de nabetalingen over 2010 aan gemeenten die blijkens hun gerealiseerde uitgaven in 2010 onvoldoende bevoorschot waren (€ 38 miljoen). Hier stonden overigens ontvangsten tegenover van gemeenten die blijkens hun gerealiseerde uitgaven teveel bevoorschot waren (€ 16 miljoen; deze zijn geboekt op de post Ontvangsten). Uit de gemeentelijke uitvoeringsrealisaties bleek tevens dat het oorspronkelijk geraamde budget op een te laag volume en een te lage prijs was gebaseerd. Op basis van deze realisaties is het budget Bbz opgehoogd (met respectievelijk € 18 miljoen en € 15 miljoen). Daarnaast zijn er minder middelen dan begroot uitgegeven aan de borgstellingsregeling en de bevordering van ondernemerschap (- € 2 miljoen).

WWIK (Wet werk en inkomen kunstenaars)

De WWIK gaf kunstenaars recht op een aanvulling op hun inkomen als zij met hun werk te weinig verdienen om in hun (totale) levensonderhoud te voorzien. Sinds 2010 zijn de middelen voor de uitkeringslasten WWIK onderdeel van de gebundelde uitkering BUIG, en worden de middelen voor de gemeentelijke uitvoeringskosten via (een decentralisatieuitkering uit) het Gemeentefonds aan de twintig centrumgemeenten uitgekeerd. De in de SZW Begroting 2011 genoemde middelen betreffen de uitvoeringskosten van de stichting Cultuur-Ondernemen voor het op verzoek van een centrumgemeente uitvoeren van beroepsmatigheidstoetsen.

Vanwege de bundeling van de middelen voor de uitkeringslasten WWIK met het inkomensdeel van de WWB werden er voor 2011 geen uitkeringslasten WWIK verwacht. Deze waren er toch als gevolg van een toegekend bezwaar van een centrumgemeente tegen de eindafrekening over het jaar 2006 (€ 0,055 miljoen).

De uitvoeringskosten WWIK zijn € 2 miljoen hoger dan geraamd. Een deel hiervan is het gevolg van een technische correctie op de beginstand (€ 1 miljoen). Daarnaast is het budget opwaarts bijgesteld ten behoeve van nabetalingen aan de stichting Cultuur-Ondernemen over de jaren 2009 en 2010 (€ 1 miljoen). De economische en financiële crisis maakte dat in die jaren een groter beroep op de stichting werd gedaan dan was verwacht.

Experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders (Vazalo)

Het experiment bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB is op 1 januari 2009 van start gegaan en liep tot en met 2011. Voor de deelname aan het experiment hebben gemeenten in 2011 – via een decentralisatieuitkering uit het Gemeentefonds – een tegemoetkoming in de kosten ontvangen. Hiertoe zijn middelen overgeheveld naar het Gemeentefonds (- € 3,9 miljoen).

Handhaving

De WWB geeft gemeenten een financiële prikkel, die bevordert dat zij zich inspannen voor handhaving. SZW stimuleert en ondersteunt de handhaving door gemeenten. De middelen Handhaving op dit beleidsartikel hebben voornamelijk betrekking op de uitvoeringskosten van het Inlichtingenbureau en de middelen voor het Handhavingsprogramma 2011–2014.

De in 2011 gerealiseerde uitgaven wijken nauwelijks af van de begrote uitgaven.

Overig

De overige bijstandsuitgaven hebben betrekking op de incidentele en meerjarige aanvullende uitkeringen (IAU en MAU) voor gemeenten die tekort komen op hun budget Inkomensdeel WWB, de doorontwikkeling van de WWB (inclusief het onderhoud van het verdeelmodel WWB), de uitvoeringskosten van het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen voor wat betreft de inning van partneralimentatie, en de middelen voor schuldhulpverlening.

De gerealiseerde overige bijstandsuitgaven zijn € 14 miljoen lager dan begroot. Dit komt deels omdat er voor de implementatie van het wetsvoorstel Gemeentelijke schuldhulpverlening minder subsidie nodig was dan verwacht (- € 6 miljoen). Daarnaast was er voor de doorontwikkeling van de WWB minder geld nodig dan voorzien (- € 5 miljoen). Bovendien waren de voor het uitkeren van IAU- en MAU-uitkeringen benodigde middelen lager dan geraamd (- € 3 miljoen).

Uitkeringen Caribisch Nederland

De regelingen van SZW voor Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba) op het terrein van inkomensbescherming betreffen een drietal werknemersverzekeringen (de Cessantiawet, de Ongevallenverzekering en de Ziekteverzekering) en de onderstand. Het eerste jaar van uitvoering van deze sociale zekerheidsregelingen heeft geleid tot lagere uitgaven dan vooraf verwacht (- € 1 miljoen). Met name de onderstandsuitgaven zijn lager uitgevallen dan begroot.

Ontvangsten

De ontvangsten zijn € 17 miljoen hoger dan geraamd. Dit betreft voornamelijk ontvangsten Bbz van gemeenten die blijkens hun gerealiseerde uitgaven in 2010 teveel bevoorschot waren (€ 16 miljoen). Daarnaast waren er nog enkele ontvangsten op de uitvoeringskosten van de in 2010 door UWV uitgevoerde regelingen (€ 1 miljoen).

Tabel 46.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 46 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

realisatie 2011

begroting 2011

verschil 2011

Uitgaven

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

16 442 510

16 701 909

– 259 399

               

Programma uitgaven

14 391 090

14 062 154

16 269 030

17 021 276

16 442 510

16 409 959

32 7551

Operationele Doelstelling 1

             

WW uitkeringslasten

2 832 000

2 470 965

4 374 000

4 996 618

4 501 000

4 795 601

– 294 601

WW uitvoeringskosten

468 880

377 870

515 790

400 665

406 360

502 229

– 95 869

Operationele Doelstelling 2

             

WAO uitkeringslasten

8 037 261

8 042 000

7 883 187

7 465 814

6 930 000

6 766 675

163 325

WAO uitvoeringskosten

441 380

375 770

272 450

202 225

168 205

197 108

– 28 903

IVA uitkeringslasten

128 000

208 000

330 000

474 202

631 000

568 862

62 138

IVA uitvoeringskosten

46 000

44 995

41 392

49 596

55 418

53 745

1 673

WGA uitkeringslasten

316 129

562 194

807 444

1 124 932

1 461 000

1 480 609

– 19 609

WGA uitvoeringskosten

163 520

206 985

147 177

173 789

163 241

135 763

27 478

ZW uitkeringslasten

1 181 800

1 061 995

1 222 000

1 511 604

1 551 000

1 352 601

198 399

ZW uitvoeringskosten

353 120

300 380

302 590

285 825

284 275

249 235

35 040

WAZ uitkeringslasten

393 000

378 000

358 000

323 006

283 011

283 452

– 441

WAZ uitvoeringskosten

30 000

33 000

15 000

13 000

8 000

24 079

– 16 079

               

Nominaal

0

0

0

0

0

291 950

– 291 950

               

Ontvangsten

164 530

144 000

170 253

203 000

260 000

217 502

42 498

WW (Werkloosheidswet)

Toelichting

De WW verzekert werknemers die werkloos worden tegen de financiële gevolgen van werkloosheid. Het verlies aan inkomen kan voor een bepaalde periode opgevangen worden met een Werkloosheidswetuitkering (WW-uitkering). Hoe lang iemand een WW-uitkering krijgt, hangt af van het aantal jaren dat iemand heeft gewerkt voordat iemand werkloos werd. De WW-uitkering duurt minimaal 3 maanden en maximaal 38 maanden. De WW wordt uitgevoerd door het UWV.

Ten opzichte van de SZW Begroting 2011 zijn de uitgaven WW € 295 miljoen lager uitgevallen dan begroot. Dit hangt samen met het lager dan verwachte beroep op de WW (€ - 324 miljoen). Ook het gebruik van de deeltijd WW viel mee (€ -79 miljoen). Dit hangt mogelijk samen met de minder ongunstig dan verwachte economische situatie. Daar staat tegenover dat de gemiddelde WW-hoogte als gevolg van de algemene loonstijging is toegenomen (€ 102 miljoen). Daarnaast leidde het vervallen van het voornemen tot anticumulatie ZW/WW tot een besparingsverlies. De gerealiseerde uitgaven zijn ook hierdoor hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 6 miljoen).

De uitvoeringskosten WW zijn € 96 miljoen lager uitgevallen dan begroot. De oorzaak hiervan is een minder groot beroep op de WW en deeltijd-WW dan verwacht.

WAO (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering)

WAO-gerechtigden zijn personen die vóór 1 januari 2004 ziek en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt zijn geworden. Door de invoering van de Wet WIA worden geen nieuwe WAO-uitkeringen meer verstrekt, uitgezonderd herlevingen op basis van oud recht. De WAO kent zodoende vrijwel alleen nog uitstroom. De uitkeringslasten WAO en de uitvoeringskosten WAO laten daarom een daling zien.

De gerealiseerde uitgaven blijken wat de uitkeringslasten betreft ongeveer € 163 miljoen hoger te zijn dan was begroot. Dat komt deels door de bijstelling voor inflatie naar het prijspeil van 2011 (€ 85 miljoen). Daarnaast zijn de gerealiseerde uitgaven hoger dan verwacht (€ 78 miljoen). Dit komt vooral doordat het aantal WAO-ers, van wie de uitkering wordt beëindigd als gevolg van herstel, lager ligt dan geraamd.

De uitgaven aan uitvoeringskosten WAO zijn € 30 miljoen lager dan begroot. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van een herschikking in de toerekening van uitvoeringskosten aan de door het UWV uitgevoerde regelingen. Als gevolg hiervan zijn in 2011 middelen WAO toegerekend aan de Wajong (zie ook toelichting uitvoeringskosten Wajong bij tabel 46.1).

WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

In de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) staat werk voorop, ligt het accent op wat mensen kunnen en is er tegelijkertijd inkomensbescherming voor mensen die echt niet meer aan de slag kunnen komen. De WIA bestaat uit twee uitkeringsregimes: de Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA) en de Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA).

IVA (Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten)

De IVA verzorgt een loonvervangende uitkering voor werknemers die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn.

De uitkeringslasten komen € 62 miljoen hoger uit dan begroot. Een relatief klein deel hiervan is gevolg van de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 8 miljoen). Van groter belang is dat de instroom en de doorstroom vanuit de WGA hoger zijn geweest dan geraamd (€ 54 miljoen).

De uitvoeringskosten IVA komen € 2 miljoen hoger uit dan begroot. Oorzaak hiervan is de hoger dan geraamde instroom en doorstroom vanuit de WGA.

WGA (Werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten)

De WGA verzorgt een aanvulling op het met arbeid verdiende inkomen voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten, of een minimumuitkering als zij niet werken of minder werken dan 50% van hun resterende verdiencapaciteit.

Ten opzichte van de begrote uitgaven resteert een meevaller van € 20 miljoen. Het budget is als gevolg van de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling verhoogd (€ 22 miljoen). De instroom was weliswaar iets hoger dan verwacht, maar er heeft meer doorstroom naar de IVA plaatsgevonden dan geraamd (per saldo – € 42 miljoen). Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat – vanwege het beperkt aantal jaren waarvoor realisatiecijfers beschikbaar zijn – de doorstroom van WGA naar IVA lastig te voorspellen is.

De uitvoeringskosten WGA vallen € 27 miljoen hoger uit dan begroot. Oorzaak hiervan is dat de SZW Begroting 2011 is opgesteld op basis van uitvoeringskostenmodel dat uit de pas is gaan lopen met de uitgaven per regeling van het UWV. De WGA is daardoor te laag begroot, terwijl uitvoeringskosten van andere regelingen (zoals de WAZ) te hoog begroot zijn. Voor de SZW Begroting 2012 heeft een budgettair neutrale herschikking van de uitvoeringskosten plaatsgevonden, waardoor de verschillen per regeling in het volgende jaarverslag naar verwachting minder groot zullen zijn.

ZW (Ziektewet)

De ZW verzekert het ziekterisico voor bepaalde groepen werknemers. Het ZW-vangnet verzekert diegenen die geen werkgever met een loondoorbetalingsplicht meer hebben, zoals WW’ers, uitzendkrachten en tijdelijke werknemers na het einde van het dienstverband. Daarnaast geldt de ZW voor een beperkte groep werknemers die in dienst is van een werkgever. Werknemers ontvangen ook een uitkering op grond van de ZW als ze ongeschikt zijn tot het verrichten van hun arbeid als gevolg van zwangerschap of bevalling, orgaandonatie of als ze aanspraak hebben op de zogenaamde no-riskpolis.

Ten opzichte van de SZW Begroting 2011 zijn de gerealiseerde uitgaven ZW € 198 miljoen hoger. Dit wordt vooral veroorzaakt door een toename van het beroep op de ZW van de groepen flexwerkers, zieke werklozen en zwangere vrouwen (€ 164 miljoen). Een reden hiervoor is onder andere dat deze groepen langer dan verwacht een beroep doen op de ZW als gevolg van een lagere werkhervattingskans door een gebrek aan prikkels in de ZW en een (hoewel minder dan verwacht) teruglopende conjunctuur. Met het wetsvoorstel «Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters» wil de regering de prikkels in de ZW versterken. Daarbij is de gemiddelde ZW-hoogte als gevolg van de algemene loonstijging toegenomen (34 miljoen).

Bij de raming van de uitgaven ZW in 2011 is uitgegaan van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel «Verrekening van inkomsten bij ziekte» per 1 januari 2011. De wetgeving is per 1 juli 2011 afgerond, hetgeen leidde tot een besparingsverlies. De gerealiseerde uitgaven zijn ook hierdoor hoger dan oorspronkelijk begroot (€ 3 miljoen).

De uitvoeringskosten ZW zijn € 35 miljoen hoger dan begroot. Dit wordt vooral veroorzaakt door een toename van het beroep op de ZW van de groepen flexwerkers, zieke werklozen en zwangere vrouwen.

WAZ (Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)

De toegang voor zelfstandige ondernemers tot de WAZ is per 1 augustus 2004 beëindigd.

De gerealiseerde uitkeringslasten zijn nagenoeg gelijk aan wat is begroot. Dat komt doordat de gebruikelijke loon- en prijsbijstelling (€ 4 miljoen) werd gecompenseerd door een neerwaartse bijstelling van het budget op basis van recente uitvoeringsrealisaties (- € 4 miljoen).

De uitvoeringskosten WAZ vallen € 16 miljoen lager uit dan begroot. Oorzaak is dat de begroting 2011 is opgesteld op basis van uitvoeringskostenmodel dat uit de pas is gaan lopen met de uitgaven per regeling van het UWV. De WAZ is daardoor te hoog begroot, terwijl uitvoeringskosten van andere regelingen zoals de WGA te laag begroot zijn. Voor de begroting 2012 heeft een budgettair neutrale herschikking van de uitvoeringskosten plaatsgevonden, waardoor de verschillen per regeling in het volgende jaarverslag naar verwachting minder groot zullen zijn.

1 Zorgdragen dat werknemers bij werkloosheid een tijdelijk loonvervangend inkomen ontvangen én tot werkhervatting worden gestimuleerd

Operationele doelstelling

Motivering

Om de tijdelijke inkomensbescherming van werknemers bij werkloosheid te waarborgen en hen te activeren tot werkhervatting.

Doelbereiking

In 2011 heeft 2% meer mensen een WW-uitkering ontvangen dan in 2010. Het aantal nieuwe WW-uitkeringen is vrijwel gelijk gebleven, terwijl het aantal beëindigde uitkeringen met 3% is gedaald. Waar 2010 zich kenmerkte door een langzaam dalende werkloosheid werd 2011 gekenmerkt door een langzaam stijgende werkloosheid. Hierdoor was het werkloosheidspercentage eind 2011 nagenoeg gelijk aan het werkloosheidsniveau van begin 2010.

  • Werkloosheidswet (WW);

  • Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW);

  • Bijdrage uitvoeringskosten aan het UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende wettelijke verzekering tegen werkloosheid;

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting.

Activiteiten van UWV:

  • Uitvoering van de wettelijke verzekering;

  • Handhaving.

  • Verzekerden (werknemers);

  • WW-gerechtigden;

  • IOW-gerechtigden;

  • Premiebetalers (werkgevers).

Doelgroepen

Instroomkans WW 55+

Realisatie meetbare gegevens

Deze indicator geeft de verhouding weer van de instroomkans in de WW van mensen van 55 jaar en ouder ten opzichte van de gemiddelde instroomkans van de totale populatie. Het streven is om deze verhouding onder de 1 te houden, zodat de instroomkans voor ouderen niet slechter is dan voor de totale populatie. Het verhoudingspercentage is in 2011 iets gedaald. Daarmee is het streven gerealiseerd.

Werkhervatting binnen 12 maanden

Het stimuleren van werkhervatting door WW-ers draagt bij aan de doelstelling om de arbeidsparticipatie te verhogen. Naast het totale percentage WW-gerechtigden dat binnen een jaar na aanvang van de uitkering vanwege werkhervatting is uitgestroomd, wordt gekeken naar het percentage van WW-gerechtigden in de leeftijdsgroep van 55 jaar of ouder die weer aan het werk is. Een groot deel van het onbenutte arbeidspotentieel ligt namelijk bij ouderen. Duidelijk is dat de conjunctuur van grote invloed is op de realisaties bij beide indicatoren.

De in 2011 gerealiseerde werkhervattingskansen zijn hoger dan de streefwaarden. Mogelijke verklaring hiervoor is een – zeker in de eerste helft van 2011 – minder ongunstige arbeidsmarktsituatie dan verwacht.

Tabel 46.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Instroomkans in de WW van de leeftijdscategorie 55 en ouder t.o.v. de gemiddelde instroomkans1

0,85

0,86

0,86

1

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden (%)2

45

45

50

47

Werkhervatting binnen 12 maanden na instroom van WW-gerechtigden die bij instroom 55 jaar of ouder waren (%)2

31

31

34

31

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag.

2 UWV, Administratie.

Volume ontslagwerkloosheid

In 2011 is het WW-volume ten opzichte van 2010 enigzins gedaald. Waar 2010 zich kenmerkte door een langzaam dalende werkloosheid werd 2011 gekenmerkt door een langzaam stijgende werkloosheid. Hierdoor was het werkloosheidspercentage einde 2011 nagenoeg gelijk aan dat van begin 2010.

Gemiddelde WW-duur

Ondanks de verwachting bij het opstellen van de SZW Begroting 2011 dat de gemiddelde WW-duur in 2011 hoger zou zijn dan in 2010, is de gemiddelde WW-duur in 2011 ongeveer gelijk aan die van 2010.

Volume IOW

Het aantal lopende IOW-uitkeringen is met 0,3 duizend toegenomen. De IOW is een tijdelijke regeling die eind 2009 is ingegaan. Als gevolg hiervan zal het volume naar verwachting tot en met 2012 toenemen.

Handhaving

Het nalevingsniveau onder WW-ers van de opgave van inkomsten is in 2011 1%-punt lager dan dat in de voorgaande twee jaren. Ook de kennis van de verplichtingen ligt op een vergelijkbaar niveau als tijdens de vorige meting. Het aantal geconstateerde overtredingen en het totale fraudebedrag zijn in 2011 met zo'n 50% toegenomen. Dit is een direct gevolg van het feit dat het UWV er in 2011, dankzij de nodige efficiencymaatregelen, in is geslaagd om alle samenloopsignalen te beoordelen. Net als de afgelopen jaren vindt er in vrijwel alle gevallen afdoening plaats.

Tabel 46.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Volume ontslagwerkloosheid (x 1 000 uitkeringsjaren)1

197

234

225

Aantal nieuwe WW-uitkeringen (x 1 000)1

428

415

414

Aantal beëindigde WW-uitkeringen (x 1 000)1

328

421

408

Gemiddelde WW duur bij uitstroom (weken)1

37

34

33

Aantal lopende uitkeringen (volume) IOW (x 1 000)

0,4

0,7

Handhaving

     

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid (%)2

90

90

89

Kennis van de verplichtingen WW3

92

93

Aantal geconstateerde overtredingen WW (x 1 000)1

18

22

34

Totaal fraudebedrag WW (x € 1 mln)1

26,1

29,7

44,5

Percentage afdoening WW1

99

100

100

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag.

2 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS-informatie;

3 Onderzoek TNS NIPO UWV handhaving rechten en plichten, december 2011.

2 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor arbeidsongeschikte en zieke werknemers

Operationele doelstelling

Motivering

Om werknemers te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Doelbereiking

Het totaal aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor werknemers laat een dalende trend zien. Dit komt doordat de uitstroom uit met name de WAO op een hoger niveau ligt dan de instroom in met name de Wet WIA. Het aandeel werkende WGA-ers met resterende verdiencapaciteit is licht gedaald mede als gevolg van de neergaande conjunctuur.

  • Loondoorbetaling bij ziekte;

  • Ziektewet (ZW);

  • Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), bestaande uit de IVA- en WGA-regeling;

  • Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO): deze wet kent geen nieuwe instroom meer;

  • Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ): ook deze wet kent geen nieuwe instroom meer;

  • De tegemoetkoming voor arbeidsongeschikten (> 35% arbeidsongeschikt) volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van een toekomstbestendige en activerende inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid;

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting;

  • Financiële prikkels voor zieke en arbeidsongeschikte werknemers om aan het werk te blijven dan wel het werk te hervatten;

  • Financiële prikkels voor werkgevers om zieke of arbeidsongeschikte werknemers in dienst te houden of nemen;

  • Vereenvoudiging van regelgeving.

Activiteiten van UWV:

  • Uitvoering van de wettelijke verzekering;

  • Handhaving.

  • Werknemers;

  • Zelfstandigen die voor 1 augustus 2005 arbeidsongeschikt zijn geworden;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Aandeel werkende WGA-ers met resterende verdiencapaciteit

Realisatie meetbare gegevens

Het aandeel werkende WGA-ers met resterende verdiencapaciteit is in 2011 licht gedaald ten opzichte van 2010. Daarmee is het streven van geen verdere daling in 2011 niet gerealiseerd. Dit is mede het gevolg van de neergaande conjunctuur, hetgeen is beschreven in de monitor Arbeidsbeperkten en werk.

Tabel 46.5 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Aandeel werkende WGA ’s met resterende verdiencapaciteit

51%

50%

49%

≥50%

Bron: UWV, Jaarverslag

WAO/WIA

Het totale volume WAO en WIA is in 2011 verder gedaald. Dat komt doordat het WAO-bestand sneller daalt dan dat het WIA-bestand stijgt. Het volume WAO daalt, omdat de WAO een aflopende regeling is. Het toekennen van nieuwe WAO-uitkeringen is beperkt tot de herlevingen op basis van oud recht. Daar staat een veel grotere uitstroom tegenover, met name als gevolg van het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Het bereiken van die leeftijd van de in 1946 geboren «babyboomers» verklaart de hoge uitstroom in 2011.

De WIA-instroom is in 2011 verder gestegen naar een niveau van ongeveer 38 000 personen. Deze stijging wordt deels verklaard door ingroeieffecten (zoals meer hernieuwde aanvragen en herlevingen van oud recht) en demografische ontwikkelingen (meer ouderen en vrouwen die een hoger dan gemiddelde instroomkans kennen). Deels speelt ook de economische crisis een rol. In tijden van laagconjunctuur is de kans op instroom in de WIA, met name vanuit het vangnet ZW, groter omdat de kans op uitstroom uit de ZW naar werk kleiner is.

Opvallend is ook het aandeel vangnetters in de WIA-instroom. Dit aandeel is met circa 50% veel groter dan het aandeel van vangnetters in de achterliggende verzekerdenpopulatie van nog geen 20%. Met het wetsvoorstel «Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters» beoogt het kabinet de doorstroom vanuit de ZW naar de WIA te verkleinen.

Het bestand WAO en WIA als percentage van de verzekerde populatie daalt licht. Dit komt doordat de uitstroom uit de WAO groter is dan de instroom in de WIA.

WAZ

Het volume WAZ daalt, omdat de WAZ een aflopende regeling is.

ZW

Het volume ZW is in 2011 gestegen. Dit komt vooral door een toenemend gebruik door de vangnetgroepen flexwerkers en zieke werklozen. Deze groepen doen gemiddeld steeds langer een beroep op de ZW. Dit verklaart waarom het volume toeneemt, terwijl de instroom is afgenomen.

Handhaving

Het nalevingsniveau onder WAO/WIA-gerechtigden van de plicht tot het opgeven van inkomsten is in 2011 96% en daarmee gelijk aan dat van vorig jaar. De kennis der verplichtingen is toegenomen, vooral onder de WIA-populatie. Het totale fraudebedrag bij de WAO en WIA is in 2011 toegenomen, terwijl het aantal fraudeconstateringen gelijk is gebleven. Dit heeft te maken met een betere selectie door UWV van de onderzochte fraudesignalen, waardoor met name het aantal geconstateerde nulfraudes (wel overtreding, geen benadeling) sterk is verminderd. In bijna alle gevallen van geconstateerde overtreding vindt er afdoening plaats.

Bij de ZW is zowel het aantal overtredingen als het totale fraudebedrag tamelijk stabiel. Ook bij overtredingen bij de ZW vindt er nagenoeg in alle gevallen afdoening plaats.

Tabel 46.6 Kengetallen operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

WAO + IVA + WGA1

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

604,5

596,4

582,3

– waarvan WAO

521,2

486,3

443,9

– waarvan IVA

20,1

28,2

36,0

– waarvan WGA

62,8

81,9

102,4

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

8,4

8,3

8,1

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

35,3

39,9

41,0

– waarvan WAO

6,0

4,3

3,1

– waarvan IVA

5,6

7,3

7,8

– waarvan WGA

23,8

28,4

30,1

Instroomkans WIA/WAO (%)

0,52

0,55

0,58

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

48,9

48,2

55,2

– waarvan WAO

42,9

39,7

45,5

– waarvan IVA

1,6

2,1

3,1

– waarvan WGA

4,4

6,4

6,7

Doorstroom van WGA naar IVA (x 1 000)

2,3

3,0

1,9

Uitstroomkans WAO + WIA (%)

7,8

8,0

8,7

Uitstroomkans WGA naar werk UWV (%)

47

48

50

Uitstroomkans WGA naar werk eigenrisicodragers (%)

57

60

55

Aandeel werkende WAO/IVA/WGA’ers (%)

20

21

20

Aandeel instroom WIA uit ZW (%)

46

50

51

       

Handhaving

     

Nalevingsniveau van opgave van inkomsten uit arbeid %2

97

96

96

Kennis van verplichtingen WAO (%)3

87

91

Kennis van verplichtingen WGA (%)3

81

90

Aantal geconstateerde overtredingen WAO/WIA (x 1000)1

5

3

3

Totaal fraudebedrag AO (x € 1 mln)1

9

6

8

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht AO (%)1

99

99

99

       

WAZ1

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

34,2

30,4

26,0

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

0,3

0,2

0,2

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,7

4,0

4,6

       

ZW1

     

Bestand in uitkeringen (gemiddeld, x 1 000)

85,7

98,4

100,1

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

293

281

273,4

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

378

370

370,4

       

Handhaving1

     

Aantal geconstateerde overtredingen ZW (x 1000)

4

3

3

Totaal fraudebedrag ZW (x € 1 mln)

2

2

3

Afdoeningspercentage inlichtingenplicht ZW

99

100

99

Bronnen:

1 UWV, Jaarverslag.

2 SZW-berekeningen op basis van UWV- en CBS informatie.

3 Onderzoek TNS NIPO UWV handhaving rechten en plichten, december 2011.

3 Zorgdragen voor arbeidsondersteuning en een inkomensvoorziening voor jonggehandicapten

Operationele doelstelling

Motivering

Om de arbeidsparticipatie van jonggehandicapten te bevorderen alsmede jonggehandicapten te beschermen tegen het risico van gebrek aan inkomen als gevolg van arbeidsongeschiktheid.

  • De instroom in de Wajong is afgenomen van 17 800 in 2010 tot 16 300 in 2011;

  • In de tot 2010 geldende Wajong is het aandeel werkenden in 2011 licht gestegen van 25% naar 26%;

  • Het aandeel werkenden in de werkregeling van de sinds 2010 geldende Wajong bedraagt 23,1%, en is daarmee eveneens licht gestegen ten opzichte van 2010;

  • In 2011 werd 89% van de aanvragen tijdig afgehandeld. Daarmee is de tijdigheid aanzienlijk gestegen ten opzichte van 2010, toen dit in 66% van de aanvragen het geval was.

Doelbereiking

  • De nieuwe Wet Werk en Arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), die op 1 januari 2010 in werking is getreden. In de Wajong staat participatie voorop. Met de jonggehandicapte (en eventueel diens ouders) wordt een individueel participatieplan opgesteld, waarin onder andere staat wat de beste manier is om een baan te vinden, welke ondersteuning daarbij beschikbaar is en welke rechten en plichten de jongere heeft. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen zij zo nodig inkomensondersteuning aanvragen. Voor de jonggehandicapte die als gevolg van zijn ziekte volledig en duurzaam niet in staat is om te werken, staat inkomensbescherming voorop;

  • De Wajong geldend voor jonggehandicapten die voor 1 januari 2010 een aanvraag indienden;

  • De tegemoetkoming voor Wajonggerechtigden volgend uit de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg);

  • Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • In stand houden en onderhouden van toekomstbestendige en activerende wettelijke instrumenten en voorzieningen voor jonggehandicapten;

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Voorlichting;

  • Bijdrage aan de uitvoeringskosten van het UWV;

  • Uitwerking aanpak «Werk voor Wajongers» inclusief vraaggerichte werkgeversbenadering;

  • Stimuleren van een soepele overgang van school naar werk.

Activiteiten UWV:

  • Claimbeoordeling;

  • Opstellen en bewaken van een participatieplan voor jonggehandicapten die perspectief hebben op de arbeidsmarkt;

  • Integrale dienstverlening op Werkpleinen;

  • Vraaggerichte werkgeversbenadering/ arbeidsmarktoffensief;

  • Verstrekken van Wajong-uitkeringen.

  • Jonggehandicapten die voor het bereiken van de 18-jarige leeftijd (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn geworden, geen arbeidsverleden hebben en daardoor niet volledig zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

  • Jongeren die tijdens hun studie arbeidsongeschikt worden.

Doelgroepen

Het percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig een participatieplan is opgesteld

Realisatie meetbare gegevens

Voor de claimbeoordelingen in het kader van de sinds 2010 geldende Wajong met recht op «werkregeling» of «studieregeling» geldt een doorlooptijd tussen datum aanvraag en datum beschikking van maximaal 14 weken. In deze termijn is het opstellen van een participatieplan inbegrepen. In 2011 werd 89% van de aanvragen tijdig afgehandeld. Daarmee is de tijdigheid aanzienlijk gestegen ten opzichte van 2010, toen dit slechts in 66% van de aanvragen het geval was. Wat 2011 betreft voldeed UWV daarmee aan de – in UWV Jaarplan 2011 neergelegde – streefwaarde van 85%. Het streven blijft om op termijn een tijdigheid van 100% te realiseren.

Tabel 46.7 Indicatoren operationele doelstelling 3
 

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Het percentage nieuwe Wajong-instromers met arbeidsmarktperspectief voor wie tijdig een participatieplan is opgesteld

66%

89%

100%

Bron: UWV, jaarverslag.

Totaal Wajong

De instroom Wajong is afgenomen van 17 800 in 2010 tot 16 300 in 2011. Het is voor het eerst sinds 2001 dat de jaarinstroom is gedaald ten opzichte van het voorgaande jaar. Daarbij moet worden aangetekend dat in 2010 de instroom extra hoog was door overloopeffecten als gevolg van de in dat jaar gewijzigde Wajong. Een andere factor die in de daling meespeelt, is het percentage afgewezen aanvragen. Dat ligt in de sinds 2010 geldende Wajong hoger dan voorheen. Ook een demografische factor draagt bij aan de lagere instroom. Het aantal 18-jarigen in Nederland bereikte namelijk in 2010 een maximum en neemt daarna af.

Wajong vóór 2010 (oude Wajong)

Het aantal Wajong-gerechtigden in de oude (tot 2010 geldende) Wajong-regeling is afgenomen van 195 400 in 2010 naar 192 400 in 2011. Dat komt doordat de instroom alleen nog betrekking heeft op herlevingen van Wajongrechten. Als gevolg hiervan is de uitstroom groter dan de instroom. Door deze daling is ook het bestand als percentage van de verzekerde populatie afgenomen van 1,9% naar 1,8%. Omdat het bestand Wajong-gerechtigden nog relatief jong is, ligt de uitstroom vanwege het bereiken van de 65-jarige leeftijd op een laag niveau. Het aandeel werkenden in de tot 2010 geldende Wajong is in 2011 licht gestegen.

Wajong vanaf 2010 (nieuwe Wajong)

In de sinds 1 januari 2010 gewijzigde Wajong-regeling stroomden in 2011 14 500 Wajong-gerechtigden in. Dit aantal lag in 2010 lager, namelijk op 9 800, maar dat is toe te schrijven aan aanloopeffecten van de destijds nieuwe wet. De van 2010 op 2011 naar voren komende veranderingen in de percentages Wajongers in de drie verschillende regelingen (de werkregeling, de studieregeling en de regeling voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten) hangen vooral samen met een eind 2010 doorgevoerde correctie in de indelingsprocedure van de uitvoering.

Het aandeel werkenden in de werkregeling van de sinds 2010 geldende Wajong bedraagt 23,1% en is daarmee licht gestegen ten opzichte van 2010. Verwacht wordt dat dit percentage in de loop van de tijd blijft stijgen. Wajongers moeten zich namelijk vaak nog ontwikkelen en hebben begeleiding nodig op weg naar werk, hetgeen tijd kost.

Het kabinet wil verdergaande stappen bij het reduceren van de instroom in de Wajong en heeft daartoe het wetsvoorstel Werken naar vermogen bij de Tweede Kamer ingediend (33 161, nr. 1). Het is daarbij de bedoeling om de Wajong alleen nog toegankelijk te maken voor mensen die duurzaam geen arbeidsmogelijkheden hebben.

Tabel 46.8 Kengetallen operationele doelstelling 3
     

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Wajong tot 2010

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

192

195,4

192,4

– waarvan volledig arbeidsongeschikt (%)

98,1

98,1

98,1

Bestand als percentage van de verzekerde populatie (%)

1,8

1,9

1,8

Instroom in uitkeringen (x 1 000)

17,6

8,0

1,8

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

4,3

4,5

4,7

Aandeel werkende Wajong’ers (%)

25

25

26

           

Wet Wajong (met ingang van 2010)

     

Bestand in uitkeringen (ultimo, x 1 000)

 

9,7

23,8

waarvan Werkregeling (%)1

 

58

62

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

 

35

33

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

 

3

4

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

 

24

22

waarvan Studieregeling (%)

 

29

28

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

 

13

10

Instroom in uitkeringen ( x 1 000)2

 

9,8

14,5

waarvan Werkregeling (%)1

 

54

51

 

waarvan participatieoordeel reguliere arbeid (%)

 

48

34

 

waarvan participatieoordeel beschutte arbeid (%)

 

6

5

 

waarvan participatieoordeel tijdelijk geen mogelijkheden (%)

 

37

26

waarvan Studieregeling (%)

 

34

41

waarvan volledig en duurzaam arbeidsongeschikt (%)

 

13

8

Uitstroom in uitkeringen (x 1 000)

 

0,1

0,4

waarvan uitstroom wegens werk (%)

 

3

1,2

Aandeel werkende Wajong’ers binnen werkregeling(%)

 

214

23

waarvan werkzaam bij reguliere werkgever (%)

 

93

91

 

waarvan met inkomensondersteuning (%)

 

76

83

 

waarvan zonder inkomensondersteuning (%)

 

24

18

waarvan werkzaam op grond van de Wet sociale werkvoorziening (%)

 

7

9

Bron UWV, jaarverslag

1 De onderstaande drie participatieoordelen tellen niet op tot 100%, omdat er ook nog een categorie «overig of niet bekend» is.

2 Deze instroomcijfers verschillen van de bestandcijfers hierboven doordat de uitstroom is meegenomen in de bestandcijfers.

3 Er zijn nog geen bruikbare gegevens over dit kengetal, omdat de gewijzigde wet nog te kort van kracht is.

4 Stand september 2011.

4 Zorgdragen voor een inkomensvoorziening voor bepaalde herkeurde arbeidsongeschikten

Operationele doelstelling

Motivering

Om oudere herkeurde arbeidsongeschikten die op grond van de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk hebben verloren, een inkomen op minimumniveau te bieden en hen te motiveren te gaan werken.

Doelbereiking

Ultimo 2016 zal het uitkeringsrecht op grond van de Wet BIA vervallen. De doelgroep BIA loopt terug tot 0 in 2016.

  • De tijdelijke Wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria (BIA);

  • Bijdrage uitvoeringskosten UWV.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Toezien op een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wetsuitvoering door UWV;

  • Onderhouden van de wet- en regelgeving.

Activiteiten UWV:

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen.

  • Personen die op 1 augustus 1993 reeds recht hadden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op die dag 45 jaar of ouder waren (na afloop van WW-periode);

  • Personen die op 31 december 1986 in de leeftijd van 35 jaar of ouder waren en zowel op die datum als ook op 31 juli 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvingen (na afloop van WW-periode).

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

De BIA is een overgangsregeling voor een steeds kleiner wordende groep uitkeringsgerechtigden. Daarom zijn er geen indicatoren geformuleerd.

Volume BIA

Het volume BIA daalt, omdat de BIA een aflopende regeling is.

Tabel 46.9 Kengetallen operationele doelstelling 4
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Aantal uitkeringsjaren BIA (x 1 000)

0,4

0,4

0,3

Bron: UWV, jaarverslag

5 Zorgdragen dat toereikende middelen worden verstrekt aan gemeenten voor inkomensaanvulling tot minimumniveau aan mensen die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud

Operationele doelstelling

  • Om inkomensverlies tot onder het niveau van het sociaal minimum te voorkomen en om personen zo spoedig mogelijk zelfstandig in het eigen levensonderhoud te laten voorzien;

  • Om het gemeenten mogelijk te maken burgers financiële ondersteuning te bieden vanwege uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten.

Motivering

Doelbereiking

Het totaal aantal WWB/WIJ-uitkeringen is in 2011 verder toegenomen, ondanks een afname in het derde kwartaal.

  • De Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (BUIG), waaronder vallen:

    • De wet investeren in jongeren (WIJ);

    • Het inkomensdeel van de Wet werk en bijstand (WWB) (het re-integratiebudget wordt toegelicht bij artikel 47);

    • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

    • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

    • Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) 2004 (voor zover dat betrekking heeft op algemene bijstand aan startende ondernemers);

    • Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK);

  • Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004): voor de kosten van levensonderhoud en de verstrekking van bedrijfskapitaal Bbz ten behoeve van gevestigde zelfstandigen ontvangen gemeenten een aparte specifieke uitkering;

  • Inlichtingenbureau gemeenten;

  • Financiële middelen, onder meer ter voorkoming en bestrijding van problematische schulden;

  • Financiële middelen voor extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis;

  • Wet participatiebudget (het re-integratiebudget wordt toegelicht bij artikel 47);

  • Bestuurlijk Akkoord SZW-VNG;

  • Middelen voor bijzondere bijstand via de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW:

  • Onderhouden van de wet- en regelgeving;

  • Ramen macrobudget gebundelde gemeentelijke uitkeringen inkomensvoorzieningen en onderhouden verdelingsystematiek;

  • Experiment werken in deeltijd voor alleenstaande ouders in de bijstand met kinderen jonger dan 12 jaar (Vazalo);

  • Het bepalen van het wettelijk kader voor bijzondere bijstandsverlening;

  • Monitoren ambities en afspraken Bestuursakkoord met gemeenten.

Verder optimaliseren van het systeem en de werking van de WWB en voor zover relevant van de WIJ door:

  • Beslissen op aanvragen voor een meerjarige of incidentele aanvullende uitkering WWB inkomensdeel;

  • Stimuleren aanpak harde kern;

  • Ondersteunen van de gemeenteraad/griffie bij het waarmaken van hun kaderstellende en controlerende rol;

  • Gevolgen van EU-beleid en ervaringen voor nationaal beleid en uitvoering verwerken.

Activiteiten SZW op het terrein van armoede en schuldhulpverlening;

  • Bestrijden van armoede en sociale uitsluiting;

  • Het bevorderen dat kinderen die opgroeien in gezinnen op of rond het sociaal minimum kunnen (blijven) meedoen;

  • Tegengaan van niet-gebruik van inkomensvoorzieningen;

  • Aanpak van problematische schulden door het terugdringen van het aantal personen met een problematische schuld met de helft in 2011. Deze ambitie is geformuleerd voordat sprake was van de recente economische crisis. Het is duidelijk dat de economische crisis effect zal hebben op de mate waarin deze ambitie ook echt gerealiseerd kan worden. Het belang van de beperking en het zo mogelijk terugdringen van het aantal personen met problematische schulden is de reden geweest om in het aanvullend beleidsakkoord extra middelen uit te trekken voor schuldhulpverlening;

  • Het vergroten van het bereik en het versterken van de minnelijke schuldhulpverlening;

  • Het minimaliseren van de wachtlijsten schuldhulpverlening;

  • Voorbereiding van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel op basis waarvan de minnelijke schuldhulpverlening een wettelijke taak van gemeenten wordt;

  • Extra maatregelen schuldhulpverlening in verband met de economische crisis:

    • Extra aandacht voor preventie door goede voorlichting en actieve verwijzing naar schuldhulpverlening op de Werkpleinen;

    • Het opvangen van het extra beroep op de schuldhulpverlening;

    • Extra aandacht voor het verbeteren van de effectiviteit van de schuldhulpverlening.

Activiteiten gemeenten:

  • Desgevraagd doen van een werkleeraanbod;

  • Beoordelen van recht op een uitkering;

  • Verstrekken van uitkeringen;

  • Uitvoeren van de bijzondere bijstand;

  • In het Bestuursakkoord met VNG is afgesproken dat de gemeenten terughoudend zijn met de verstrekking van leenbijstand en dat zij deze zoveel mogelijk zullen terugdringen.

  • Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of opleiding volgen;

  • Mensen van 27 tot 65 jaar die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud (bijstand als aanvulling op een onvolledige AOW-uitkering komt aan de orde in artikel 49);

  • Mensen met een langdurig minimuminkomen en/ of grote afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Mensen in armoede of met een risico op armoede;

  • Mensen met risico op problematische schulden;

  • Alleenstaande ouders;

  • Oudere werkloze werknemers die na het 50ste jaar werkloos zijn geworden en die na het bereiken van de maximale uitkeringsduur op grond van de werkloosheidswet over onvoldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

  • Oudere gewezen zelfstandigen die na het 55ste jaar het bedrijf of beroep hebben beëindigd en niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud;

  • Beroepsmatig actieve kunstenaars die niet over voldoende middelen kunnen beschikken om te voorzien in hun levensonderhoud en academieverlaters kunstvakopleidingen;

  • Burgers met uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, zonder toereikende eigen middelen.

Doelgroepen

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ

Realisatie meetbare gegevens

Uitgangspunt is dat het macrobudget 2011 toereikend is vastgesteld, met inachtneming van de afspraken uit het Bestuurlijk Akkoord voor de periode 2008–2011.

Volumereductie WWB

In het in 2007 overeengekomen Bestuurlijk Akkoord «Participatie» spraken SZW en VNG af om zich sterk te maken voor een vermindering van het aantal mensen dat een beroep doet op de WWB. Concreet hield deze afspraak in dat in 2011 het aantal WWB-uitkeringen 30 000 lager zou zijn dan op grond van de toentertijd verwachte conjuncturele ontwikkeling verwacht werd. Toen het Bestuurlijk Akkoord «Participatie» in 2007 gesloten werd, waren de conjuncturele omstandigheden echter dermate anders dat deze indicator anno nu nog weinig zeggingskracht heeft.

Aantal huishoudens met problematische schulden

Over 2011 zijn nog geen gegevens beschikbaar. Het eerder toegezegde vervolgonderzoek op «Huishoudens in de rode cijfers; Omvang en achtergronden van huishoudens met (een risico op) problematische schulden» (24 515, nr. 161) zal overeenkomstig de gedane toezegging in de loop van 2012 aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet maatschappelijk participeert

Het kabinet Balkenende IV had tot doel om het aantal kinderen uit bijstandsgerechtigde huishoudens dat om financiële redenen niet maatschappelijk participeert in de periode 2008–2010 te halveren. Hiertoe zijn in 2008 en 2009 middelen aan het Gemeentefonds toegevoegd. Dit aantal kinderen is in de periode 2008–2010 afgenomen van 66 naar 61 duizend. Hiermee is de doelstelling van het vorige kabinet niet gehaald. Gezien de tijd die het vergt om lokaal beleid van de grond te krijgen, meent het SCP dat het doel erg ambitieus was. Daarnaast constateert het SCP dat sociale participatie van arme kinderen niet alleen afhangt van financiële obstakels.

Tabel 46.10 Indicatoren operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streven 2011

Toereikendheid macrobudget WWB/WIJ

Toereikend

Toereikend

Toereikend

Toereikend

Volumereductie WWB (x 1 000)1, 2

14

10

9

30

Aantal huishoudens met problematische schulden (x 1 000)3

346

Aantal kinderen dat om financiële redenen niet maatschappelijk participeert (%)4

66

33

Bronnen:

1 SZW administratie.

2 Omdat streefwaarde 2011 betrekking heeft op de volumereductie WWB over de hele periode 2008–2011 zijn in de tabel de volumereducties vanaf 2008 tot en met het betreffende realisatiejaar opgeteld.

3 EIM, Onderzoek huishoudens in de rode cijfers.

4 SCP, Kunnen meer kinderen meedoen?

Volume WWB en WIJ

Kengetallen

Grafiek Bijstand naar leeftijd

Grafiek Bijstand naar leeftijd

Bron: CBS Statline

Bovenstaande grafiek toont het verloop van het volume WWB-WIJ naar leeftijdscategorie. In lijn met de oploop van de werkloosheid en de daling van het aantal vacatures in 2011 was bij de meeste leeftijdsgroepen sprake van een stijgend beroep op de WWB-WIJ. Wat opvalt, is dat de groep tot 27 jaar sinds medio 2011 in omvang is afgenomen. Het CBS wijst als mogelijke verklaring op het mogelijk vooruitlopen door gemeenten op de wijziging van de WWB per 1 januari 201265. Onderdeel hiervan is de introductie van een wachttermijn van 4 weken voordat de jongeren in aanmerking komen voor inkomensondersteuning. In die periode moeten zij zelf een baan of een opleiding zoeken.

In tabel 46.11 is af te lezen dat zowel het volume WWB als inkomensvoorzieningen WIJ in 2011 is toegenomen. Dit lijkt in tegenspraak met bovenstaande grafiek. De verklaring hiervoor is dat in de jaren 2009 en 2010 in het volume WWB ook een deel van de personen tot 27 jaar is meegenomen. De WIJ-populatie bestond tussen 1 oktober 2009 en 1 juli 2010 slechts uit nieuwe instroom. Op 1 juli 2010 is ook het zittend bestand van jongeren tot 27 jaar overgeheveld naar de WIJ.

Volume IOAW, IOAZ, Bbz en WWIK

Het gebruik van de IOAZ, Bbz en WWIK in 2011 bleef vrijwel gelijk aan dat van 2010. Het volume IOAW heeft zich na een toename in 2009 en 2010 in 2011 gestabiliseerd op een niveau net onder de 10 000 uitkeringen.

Aantal jongeren met inkomensvoorziening dat geen werkleertraject volgt

Met name door onduidelijkheid bij gemeenten over wat onder werkleertraject moet worden verstaan, is het CBS niet in staat gebleken om betrouwbare informatie te leveren over het aantal jongeren met inkomensvoorziening dat geen werkleertraject volgt.

Uitgaven bijzondere bijstand

Sinds 2009 behoort de langdurigheidstoeslag tot de bijzondere bijstand. In het jaarverslag 2010 is deze toeslag abusievelijk niet in het totaal opgenomen. In dit jaarverslag is het bedrag voor 2010 daarom aangepast en is te zien dat de uitgaven in de afgelopen jaren stabiel zijn.

Bedrag leenbijstand t.o.v. totale bijzondere bijstand

Het bedrag leenbijstand is ten opzichte van de totale bijzondere bijstand vrijwel ongewijzigd gebleven.

Aantal huishoudens met bijzondere bijstand t.o.v. aantal huishoudens met een laag inkomen

Het aantal huishoudens met bijzondere bijstand bedroeg ultimo 2011 274 000. Cijfers over het aantal huishoudens met een laag inkomen zijn – net als over voorgaand jaar – niet beschikbaar.

Beperken wachtlijsten schuldhulpverlening

Ondanks een toenemend beroep op de schuldhulpverlening zijn de wachttijden voor schuldhulpverlening teruggelopen dan wel niet verder opgelopen. Dat komt doordat gemeenten de tijdelijke extra middelen schuldhulpverlening over de jaren 2009, 2010 en 2011 hebben ingezet voor het creëren van extra capaciteit en het structureel verbeteren van het proces van schuldhulpverlening. Een groot deel van de gemeenten verwacht dat de met de inzet van tijdelijke middelen behaalde resultaten duurzaam zullen zijn (33 000-XV, nr. 66).

Handhaving

Onder WWB-ers is het nalevingsniveau van de verplichting tot het melden van inkomsten met 1%-punt afgenomen ten opzichte van voorgaand jaar, terwijl het nalevingsniveau van het melden van samenwonen gelijk is gebleven aan voorgaand jaar. Voor zowel het aantal geconstateerde overtredingen als het totale fraudebedrag beschikken we slechts over cijfers over het eerste half jaar van 2011. Uit deze cijfers kunnen nog geen conclusies volgen voor het hele jaar 2011. Tot slot ligt de incassoratio op een vergelijkbaar niveau als in voorgaande jaren.

Tabel 46.11 Kengetallen operationele doelstelling 5
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Volume ontwikkelingen

     

Volume WWB thuiswonenden (excl. WIJ), periodiek < 65 jaar (x 1 000)1

269

275

279

Inkomensvoorzieningen WIJ (x 1 000)1

1

22

36

Aantal jongeren met inkomensvoorziening dat geen werkleertraject volgt (x 1 000)

n.b.

n.b.

n.b.

Volume IOAW (x 1 000)1

7

9

10

Volume IOAZ (x 1 000)1

1

1

1

Volume bijstand buitenland (x 1 000)2

<0,5

<0,5

<0,5

Volume Bbz (x 1 000)1

3

4

4

Volume WWIK (x 1 000)1

2

3

3

Uitgaven gemeenten aan bijzondere bijstand (x 1 mln)3

300

240

200

       

Armoede en schuldhulpverlening

     

Bedrag leenbijstand t.o.v. totale bijzondere bijstand (%)3

13

13

15

Aantal huishoudens met bijzondere bijstand t.o.v. aantal huishoudens met een laag inkomen (%)3

40

n.b.

n.b.

Beperken wachtlijsten schuldhulpverlening

 

Gemiddelde wachttijd

32 dagen4

Gemiddelde wachttijd ≤32 dagen5

Handhaving

     

Nalevingsniveau van de opgaven van inkomsten (%)6

94

93

92

Nalevingsniveau van melden samenwonen (%)6

99

99

99

Aantal geconstateerde fraudegevallen7

10 140

11 100

12 116

Totaal fraudebedrag (x € 1 mln)7

55

53

60

Incassoratio %8

11

11

12

Bronnen:

1 CBS, Bijstandsuitkeringsstatistiek (jaargemiddelden)

2 SVB, Jaarverslag

3 CBS, Bijstandsuitkeringenstatistiek (jaartotalen)

4 Panteia, Wachttijden voor schuldhulpverlening bij gemeenten

5 Regioplan, Tijdelijke middelen schuldhulpverlening 2009–2011: besteding, effecten en duurzaamheid

6 SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie, schatting op basis van 1e drie kwartalen 2011

7 SZW-berekeningen op basis van CBS-informatie (voorlopige cijfers over 1e half jaar 2011)

8 CBS, Bijstandsdebiteurenstatistiek

n.b. niet beschikbaar.

6 Zorgdragen voor adequate werknemersverzekeringen en onderstand aan inwoners van Caribisch Nederland

Operationele doelstelling

Motivering

Om inwoners van Caribisch Nederland (de eilanden Bonaire, St. Eustatius en Saba) in geval van werkloosheid, ongevallen of ziekte of inwoners die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud een inkomensvoorziening op maat te bieden, waarbij de ontwikkeling van de uitkeringen op de eilanden wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon op de eilanden.

Doelbereiking

Zieke, arbeidsongeschikte en werkloze inwoners van Caribisch Nederland die niet zelf (volledig) kunnen voorzien in hun levensonderhoud ontvangen een inkomensvoorziening op maat.

Instrumenten

De regelingen van SZW voor de BES-eilanden op het terrein van inkomensbescherming met activering betreffen een drietal werknemersverzekeringen en de Onderstand.

  • De werknemersverzekeringen voor Caribisch Nederland zijn:

    • De Cessantiawet. Dit betreft een verplichte ontslagvergoeding aan werknemers bij ontslag buiten zijn of haar toedoen, te betalen door de werkgever. In geval van faillissement of surseánce van betaling neemt de overheid deze verplichting over;

    • De Ongevallenverzekering. Dit betreft een uitkering (ongevallengeld) aan werknemers die door een bedrijfsongeval geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn geraakt;

    • De Ziekteverzekering. Dit betreft een uitkering (ziekengeld) aan werknemers die door ziekte arbeidsongeschikt zijn;

  • De Onderstand betreft een uitkering aan bewoners die niet over voldoende middelen van bestaan beschikken.

De unit Sociale Zaken die is ondergebracht bij de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN) is verantwoordelijk voor de uitvoering van deze regelingen op Caribisch Nederland. De hoogte van de onderstandsbedragen is overeengekomen in het Bestuurlijk Overleg gehouden op 18 april 2010.

  • Onderhouden van wet- en regelgeving;

  • Uitkeringsverzorging;

  • Toezicht en handhaving.

Activiteiten

Doelgroepen

Uitkeringsgerechtigden op Caribisch Nederland (Bonaire, St. Eustatius en Saba).

  • Gegeven het geringe aantal gerechtigden zijn vooralsnog geen indicatoren geformuleerd. Bezien wordt of dit in de toekomst wel opportuun is.

  • Voor het aanloopjaar 2011 is afgezien van het opnemen van een kengetal voor deze operationele doelstelling, omdat deze gegevens over dit jaar niet beschikbaar zijn. Het voornemen is om vanaf 2012 te gaan rapporteren over kengetallen met betrekking tot het volume.

Realisatie meetbare gegevens

Overzicht afgeronde onderzoeken

Tabel 46.12 Overzicht afgeronde onderzoeken

Soort onderzoek

Onderwerp onderzoek

AD/OD

A. Start

B. Afgerond

Vindplaats

Evaluatieonderzoek ex ante

Geen

     

Beleidsdoorlichting

Evaluatie WIA

OD2

A. 2010

B. 2011

32 716, nr. 1

Effecten onderzoek ex post

Experiment bevordering arbeidsparticipatie alleenstaande ouders WWB

OD5

A. 2008

29 544, nr. 342

   

B. 2011

 
         
 

Evaluatie WIA

 

A. 2010

B. 2011

 
 

Evaluatie IOW

OD2

A. 2010

B. 2011

32 716, nr. 1

 

Evaluatie WIJ

OD1

A. 2010

B. 2011

32 729, nr. 1

Overig evaluatieonderzoek

Geen

OD5

 

33 035, nr. 1

Artikel

47 Aan het Werk: Bemiddeling en Re-integratie

Artikel

Arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen

Algemene doelstelling

Motivering

SZW schept de voorwaarden waarbinnen UWV en gemeenten personen met een sociale zekerheidsuitkering en niet-uitkeringsgerechtigden kunnen ondersteunen op hun weg naar reguliere arbeid. Het is belangrijk om mensen met of zonder uitkering te laten deelnemen aan betaald werk en, waar dat nog niet mogelijk is, mensen tot andere vormen van maatschappelijke participatie te brengen.

Bij de intake op de werkpleinen bepalen UWV en gemeenten wie ondersteuning nodig heeft en welk instrument effectief is. De werkpleinen bieden basisdienstverlening voor iedereen. Voor personen met een afstand tot regulier werk kan re-integratieondersteuning worden ingezet.

De inzet van re-integratieondersteuning richt zich op het verkleinen van de afstand tot regulier werk, opdat de kans op het verkrijgen van regulier werk wordt vergroot. Het doel van re-integratie is (uiteindelijk) arbeidsinpassing in regulier werk, waarmee wordt bijgedragen aan de vergroting van de netto arbeidsparticipatie en de vermindering van uitkeringsafhankelijkheid.

De inzet van re-integratiemiddelen dient selectief en vraaggericht te gebeuren. Selectiviteit vraagt van gemeenten en UWV om goed zichtbaar te maken welke inzet van re-integratiemiddelen en -instrumenten zij plegen, mede opdat zij ook van elkaar kunnen leren. Het gaat dan over wat, voor wie, wanneer wordt ingezet, hoe het werkt en welke resultaten worden bereikt. In het vergroten van de vraaggerichtheid spelen de werkpleinen een belangrijke rol. Werkpleinen verlenen diensten op maat die door één aanspreekpunt worden geregisseerd (geïntegreerde dienstverlening), voor werkzoekenden om arbeidsinschakeling te bevorderen en voor werkgevers om vacatures te vervullen.

  • In 2011 is nog steeds sprake is van een afnemende vraag naar personeel, waardoor het door UWV WERKbedrijf aantal vervulde en ontstane vacatures respectievelijk met 41 en 34 procent is afgenomen vergeleken met 2010. De daling in 2011 is minder sterk dan in 2010 en tekenend voor de economische situatie;

  • Het UWV meldt dat in 2011 271 000 van de bij hen bekende werkzoekenden een baan vonden. Dat zijn er minder dan in 2010. De meeste werkzoekenden hadden een WW-uitkering (228 000)

  • Ruim 260 000 uitkeringsontvangers (van UWV en gemeenten) en bij UWV WERKbedrijf ingeschreven niet-uitkeringsgerechtigden zijn in de eerste zes maanden van 2011 in een baan gestart.

Doelbereiking en maatschappelijke effecten

Externe factoren

De economische omstandigheden, die van doorslaggevende invloed zijn op de situatie op de arbeidsmarkt en daarmee op de vraag naar arbeid, hadden een remmende invloed op de arbeidsinpassing in regulier werk voor uitkeringsgerechtigden en werklozen.

Realisatie meetbare gegevens

Ten aanzien van het realiseren van de algemene doelstelling worden in de begroting geen aparte indicatoren geformuleerd, omdat de uitstroom naar werk te zeer afhankelijk is van de conjunctuur.

Budgettaire gevolgen van beleid

Tabel 47.1 Begrotingsuitgaven Artikel 47 (x € 1 000)

artikelonderdeel

Realisatie 2007

Realisatie 2008

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Begroting 2011

Verschil 2011

Verplichtingen

2 013 219

538 832

4 065 838

2 345 363

1 508 576

2 177 497

– 668 921

Uitgaven

2 034 149

2 095 153

2 228 175

2 485 611

2 216 549

2 178 514

38 035

               

Programma uitgaven

2 025 248

2 081 527

2 212 893

2 470 412

2 196 306

2 160 481

35 825

               

Operationele Doelstelling 1

             

Basisdienstverlening UWV

352 500

315 119

331 866

377 828

293 280

271 229

22 051

Bkwi

8 615

10 198

11 000

9 832

9 890

9 641

249

Ketensamenwerking

0

15 000

2 623

0

0

0

0

Operationele Doelstelling 2

             

Flexibel Re-integratiebudget (Participatiebudget)

1 592 259

1 580 789

1 758 438

1 895 596

1 698 565

1 697 827

738

Stimuleringsregeling Id-banen

5 852

2 333

346

1 260

0

0

0

Risicovoorziening ESF 3

0

58 900

3 673

0

0

0

0

Rwi

9 078

5 977

5 952

5 782

5 352

5 310

42

Re-integratie Wajong

43 219

81 353

71 093

155 061

174 010

165 153

8 857

Re-integratie Wajong Uitvoeringskosten

5 064

3 320

19 830

17 300

11 598

6 582

5 016

Handhaving

40

0

0

0

0

0

0

Subsidies

7 023

4 497

2 916

2 091

1 039

994

45

Beleidsondersteunende uitgaven

1 598

4 041

5 156

5 662

2 323

3 485

– 1 162

Re-integratie Caribisch Nederland

0

0

0

0

249

260

– 11

               

Apparaatsuitgaven

8 901

13 626

15 282

15 199

20 243

18 033

2 210

Personeel en materieel

3 569

4 344

3 993

4 855

5 960

6 143

– 183

Agentschap SZW

5 332

9 282

11 289

10 344

14 283

11 890

2 393

               

Ontvangsten

198 244

87 076

290 344

512 243

523 839

482 667

41 172

Basisdienstverlening UWV

Toelichting

De uitgaven voor de basisdienstverlening zijn ca. € 22 miljoen hoger dan begroot. Dit hangt samen met frictiekosten als gevolg van UWV-redesign.

Participatiebudget

De uitgaven Participatiebudget zijn € 0,7 miljoen hoger dan begroot. Dit is voor € 0,5 miljoen het gevolg van aanpassing van het OCW-deel in het budget voor gestegen lonen en prijzen en voor € 0,2 miljoen in verband met nabetalingen aan gemeenten.

Re-integratie Wajong

De uitgaven zijn ca. € 8,9 miljoen hoger dan begroot. Er is meer uitgegeven aan voorzieningen. Dit is hoofdzakelijk veroorzaakt doordat aanvankelijk € 32 miljoen aan uitgaven voor voorzieningen bij re-integratie WAO/WIA/WAZ/ZW zijn begroot, die betrekking hadden op re-integratie Wajong. Spiegelbeeldig was het budget voor re-integratie WAO/WIA/WAZ/ZW dus € 31 miljoen te hoog begroot (zie ook toelichting re-integratie WAO/WIA/WAZ/ZW bij tabel 47.2). Daarnaast is er minder uitgegeven aan trajecten en loonkostensubsidies.

Re-integratie Wajong Uitvoeringskosten

De uitvoeringskosten zijn € 5 miljoen hoger dan begroot. De hogere uitgaven hangen vooral samen met het toekennen van projectgelden IDM in het kader van de werkgeversbenadering.

Beleidsondersteunende uitgaven

De beleidsondersteunende uitgaven zijn € 1,2 miljoen lager dan begroot als gevolg van minder uitgaven voor onderzoek en voor overige beleidsondersteunende uitgaven.

Apparaatuitgaven Agentschap SZW

De apparaatuitgaven Agentschap zijn € 2,4 miljoen hoger dan begroot. Dit is het gevolg van meer en intensievere controle-activiteiten op ingediende einddeclaraties van ESF projecten.

Ontvangsten

De gerealiseerde ontvangsten zijn € 41,2 miljoen hoger dan begroot. Dit is voor € 15,2 miljoen veroorzaakt door een terugontvangst op de afrekening met UWV van de re-integratievoorzieningen over 2010 en voor € 0,5 miljoen door een ontvangst van OCW voor de aanpassing van het OCW-deel in het participatiebudget. Daarnaast betreft het voor € 24,9 miljoen terugontvangsten op het participatiebudget, omdat bij gemeenten middelen onbesteed zijn gebleven en omdat een deel in strijd met de WWB is uitgegeven (onrechtmatigheid) en derhalve is teruggevorderd. Ten slotte zijn er enkele kleinere ontvangsten (totaal ca. € 0,5 mln).

Tabel 47.2 Premiegefinancierde uitgaven Artikel 47 (x € 1 000)

artikelonderdeel

realisatie 2007

realisatie 2008

realisatie 2009

realisatie 2010

realisatie 2011

begroting 2011

verschil 2011

Uitgaven

521 136

499 000

579 514

559 252

486 025

523 138

– 37 113

               

Programma uitgaven

521 136

499 000

579 514

559 252

486 608

523 025

– 25 919

Operationele Doelstelling 2

             

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

201 200

188 000

183 514

110 252

99 021

134 756

– 35 735

Re-integratie WW

142 000

118 000

151 000

218 000

128 004

131 104

– 3 100

Uitvoeringskosten re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

79 936

95 000

71 000

33 000

26 000

89 890

– 63 890

Uitvoeringskosten re-integratie WW

98 000

98 000

174 000

198 000

233 000

156 194

76 806

               

Nominaal

0

0

0

0

0

11 194

– 11 194

               

Ontvangsten

0

0

0

0

0

0

0

Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

Toelichting

De uitgaven zijn ca. € 35,7 miljoen lager dan begroot. Aanvankelijk is € 32 miljoen aan uitgaven voor voorzieningen bij re-integratie WAO/WIA/WAZ/ZW begroot in plaats van bij re-integratie Wajong (zie ook toelichting re-integratie Wajong bij tabel 47.1). Daarnaast is er minder uitgegeven aan projecten en loonkostensubsidies en meer uitgegeven door oplopend gebruik van de voorzieningen en als gevolg van gestegen lonen en prijzen.

Re-integratie WW

De uitgaven zijn per saldo € 3,1 miljoen lager dan begroot. Dit wordt veroorzaakt door het saldo van hogere uitgaven voor gestegen lonen en prijzen en lagere uitgaven voor loonkostensubsidie.

Uitvoeringskosten Re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW

De realisatie is ca. € 64 miljoen lager dan begroot. In verband met de crisis is een groot deel van de uitvoeringscapaciteit re-integratie WAZ/WAO/WIA/ZW ingezet voor de re-integratie van werklozen. Zie ook: uitvoeringskosten re-integratie WW.

Uitvoeringskosten Re-integratie WW

De uitvoeringskosten zijn als gevolg van de bestrijding van de gevolgen van de crisis € 77 miljoen hoger uitgevallen dan begroot.

1 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk voor die uitkeringsgerechtigden en werklozen die op eigen kracht werk kunnen vinden

Operationele doelstelling

Motivering

Niet iedereen heeft re-integratieondersteuning nodig. Een groot deel van de uitkerings-gerechtigden en werklozen komt op eigen kracht weer aan de slag. De basisdienstverlening van UWV-WERKbedrijf is daarbij ondersteunend.

Doelbereiking

Ruim 190 duizend uitkeringsontvangers en bij het UWV WERKbedrijf ingeschreven niet uitkeringsgerechtigden hebben in de eerste zes maanden van 2011 werk gevonden op eigen kracht of met ondersteuning van het UWV WERKbedrijf.

  • Basisdienstverlening UWV WERKbedrijf: informatie en advies over werk, bemiddeling en begeleiding bij het zoeken naar werk (cv plaatsen op www.werk.nl , hulp werkcoach), inschrijven voor werk en een uitkering aanvragen;

  • Leerwerkloketten.

Instrumenten

Activiteiten

Activiteiten SZW

  • Bevorderen van de ontwikkeling van geïntegreerde dienstverlening door UWV en gemeenten samen op de werkpleinen aan zowel werkzoekenden als werkgevers;

  • Aansturen van en toezicht houden op UWV en daarmee samenhangend beleid en regelgeving tot stand brengen.

Activiteiten ketenpartners

  • Met behulp van diagnose-instrumenten bepalen UWV en gemeenten bij de intake wie ondersteuning nodig heeft en welke ondersteuning effectief is. De ondersteuning wordt geleverd via de werkpleinen. De werkpleinen bieden basisdienstverlening voor iedereen.

  • Daarnaast richten de werkpleinen zich tot werkgevers, door het aanbieden van een vast aanspreekpunt voor de totale dienstverlening. 30 werkpleinen kennen een bredere, regionale functie: de regionale werkpleinen.

  • Partijen in de uitvoering kennen hun eigen planning- en controlcyclus, waarover aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd. Jaarlijks in december ontvangt de Tweede Kamer het jaarplan van UWV. In het voorjaar van het volgende jaar volgt het jaarverslag. Deze rapportages bevatten gegevens over de voortgang van de uitvoering door UWV.

Voortgang werkpleinen

  • In het regeerakkoord is een generieke taakstelling opgenomen voor UWV, en twee specifieke taakstellingen voor het re-integratiebudget  en het bemiddelingsbudget van UWV. De dienstverlening door UWV WERKbedrijf zal daardoor ingrijpend veranderen. Op 14 maart 2011 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de invulling op hoofdlijnen van deze taakstellingen.

  • Op 27 oktober 2011 is het voorstel van wet tot wijziging van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI), Werkloosheidswet (WW) e.a. ingediend bij de Tweede Kamer (33 065, nr. 17). Dit wetsvoorstel ziet onder meer op de aanpassing van de dienstverlening van het UWV aan werkgevers en werkzoekenden in verband met het redesign van het UWV WERKbedrijf.

  • Met de wetswijziging wordt ook de samenwerking tussen UWV en gemeenten gewijzigd. Hiermee is de noodzaak voor de nadere regelgeving (Besluit SUWI) die op 10 september 2010 (Stb. 2010, 681) is gepubliceerd – maar niet in werking is getreden – weggevallen. Elementen uit dit Besluit SUWI zijn meegenomen in het voorliggende wetsvoorstel. UWV en gemeenten werken in ieder geval samen inzake de registratie in één systeem, de werkgeversdienstverlening op regionaal niveau en het verrichten van taken ten aanzien van de regionale arbeidsmarkt.

  • De wetswijziging heeft ook gevolgen voor de samenwerking op de werkpleinen. UWV zal zich op termijn terugtrekken op de 30 regionale werkpleinen. Het is aan gemeenten om te beslissen wat zij met de overige werkpleinen doen. Een groot deel van de gemeenten overweegt de samenwerking met omliggende gemeenten op het lokale werkplein voort te zetten.

  • Bij UWV WERKbedrijf ingeschreven werkzoekenden die op eigen kracht weer aan de slag kunnen komen;

  • Werkgevers.

Doelgroepen

Realisatie meetbare gegevens

Het UWV WERKbedrijf biedt de basisdienstverlening fysiek, telefonisch en via internet aan. Werkzoekenden worden geholpen bij het op eigen kracht weer aan het werk komen. Werkgevers worden geholpen bij het vervullen van vacatures.

De indicatoren in tabel 47.3 geven aan dat werkgevers en werkzoekenden tevreden zijn over de klantgerichtheid van de aangeboden dienstverlening. Vergeleken met 2010 is sprake van een lichte afname.

Tabel 47.3 Indicatoren operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Streefwaarde 2011

Klanttevredenheid werkgevers

7,0

7,2

7,1

voldoende

Klanttevredenheid werkzoekenden

6,8

6,8

6,3

voldoende

Bron: UWV, Jaarverslag

De kengetallen in tabel 47.4 beschrijven de omvang van de basisdienstverlening. De daling van het aantal vervulde (-41%) en ontstane vacatures (-34%) geeft aan dat er in 2011 nog steeds sprake is van een afnemende vraag naar personeel. De daling in 2011 is tekenend voor de economische situatie. In het voorjaar verwachtte het CPB een lichte opbloei, terwijl eind 2011 bleek dat de onzekerheden rondom de eurocrisis tot een vertraging hebben geleid. Dit is nog niet zichtbaar in het bestand niet-werkende werkzoekenden. Het aantal niet-werkende werkzoekenden aan het eind van 2011 is met 472 duizend personen 3,5% kleiner dan aan het begin van het jaar.

Tabel 47.4 Kengetallen operationele doelstelling 1
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie 2011

Aantal niet-werkende werkzoekenden per 1 januari (x 1 000)

508

508

490

Instroom niet-werkende werkzoekenden (x 1 000)

567

564

511

Aantal geregistreerde vacatures primo verslagperiode (x 1000)

44

40

39

Bij UWV Werkbedrijf ingediende vacatures (x 1 000)

248

268

177

Door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures (x 1 000)

92

108

64

Door UWV Werkbedrijf vervulde vacatures als % van het aantal ingediende vacatures

37%

40%

36%

Bron: UWV, Jaarverslag

In tabel 47.5 is aangegeven hoeveel werkzoekenden aan het werk zijn gekomen, hetzij volledig op eigen kracht, hetzij met een beroep op de basisdienstverlening. Omdat de resultaten betrekking hebben op het eerste halfjaar van 2011 is de invloed van de in de nazomer verslechterde arbeidsmarkt nog niet zichtbaar. Er leek zelfs sprake van een lichte verbetering t.o.v. 2010. Zoals te verwachten zijn het vooral WW-ers die zonder re-integratieondersteuning in een baan startten.

Tabel 47.5 Kengetallen operationele doelstelling 1 (aantallen x 1 000)
 

Totaal

Wajong WIA/WAZ WAO

WW

Bijstand WIJ

Nug

In het eerste halfjaar van 2011 zonder re-integratie-ondersteuning in een baan gestarte voormalig werklozen

190

27

132

12

18

 

316

45

213

22

37

Bron: CBS, Uitstroom naar Werk

2 Ondersteuning bij het vinden van regulier werk voor die uitkeringsgerechtigden en werklozen die dat niet op eigen kracht kunnen

Operationele doelstelling

Motivering

Het re-integratiebeleid is gericht op uitstroom uit werkloosheid naar regulier werk van werkzoekenden met een grote afstand tot regulier werk. Het re-integratiebeleid zet niet in op personen die op eigen kracht regulier werk kunnen verkrijgen. Gemeenten en UWV hebben de verantwoordelijkheid en de middelen om via maatwerk een passende re-integratieondersteuning aan te bieden. Met re-integratieondersteuning wordt bedoeld trajecten, waaronder ook inburgeringstrajecten, extra ondersteuning van de casemanager bij gemeenten en de werkcoach bij UWV. Deze trajecten dienen vraaggericht en selectief te worden ingezet, zoals geformuleerd in het Plan van Aanpak re-integratie (28 719, nr. 60).

Doelbereiking

Ruim 60 000 uitkeringsontvangers en bij het UWV WERKbedrijf ingeschreven niet-uitkeringsgerechtigden hebben in de eerste zes maanden van 2011 werk gevonden na of met re-integratieondersteuning. Dit is bijna een kwart van alle uitkeringsontvangers en bij het UWV WERKbedrijf ingeschreven niet-uitkeringsgerechtigden die in een baan startten.

  • Het participatiebudget gemeenten;

  • Bijdrage aan re-integratiebudgetten van UWV;

  • Prestatieafspraken met ketenpartners.

Instrumenten

  • Beschikbaar stellen van instrumenten aan UWV en gemeenten ten behoeve van werkgevers, uitkeringsgerechtigden en niet-uitkeringsgerechtigden, zoals re-integratietrajecten, premiekorting, no-riskpolis, loonkostensubsidie, werkgevers- en werknemersvoorzieningen;

  • Bevorderen van de ontwikkeling van integrale dienstverlening op de werkpleinen;

  • Verrichten van onderzoek en het verspreiden van de resultaten hiervan;

  • Ontsluiten van goede praktijkvoorbeelden via onder andere www.interventiesnaarwerk.nl;

  • Aansturen van en toezicht houden op UWV.

Activiteiten

UWV heeft een eigen planning- en controlcyclus, waarover aan de Tweede Kamer wordt gerapporteerd. Deze rapportages bevatten gegevens over de voortgang van de uitvoering van re-integratieactiviteiten waar UWV verantwoordelijk voor is.

Loondispensatie

Met de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet pilot loondispensatie in 2010 zijn pilots met betrekking tot loondispensatie opgezet. Tot en met 31 december 2012 doen 32 gemeenten mee aan de pilot loondispensatie, één van de pilots werken naar vermogen. Zie voor de resultaten van de pilots: www.ikkan.nl/meebouwenpilots/documenten/bekijk/165.

Vergroten inzicht in netto-effectiviteit van re-integratie

Met het experiment netto-effectiviteit wordt beoogd om inzicht te krijgen in wat wel en wat niet werkt in de verschillende fasen van het re-integratieproces. Naast profiling gaat het dan ook om de diagnose en de toepassing van re-integratie instrumenten. Op deze manier worden handvatten ontwikkeld om de netto effectiviteit van re-integratie te verbeteren. De eerste onderzoeksresultaten van het in 2011 gestarte experiment netto-effectiviteit re-integratie komen in de loop van 2013 beschikbaar.

Participatie-ontwikkeling

In april 2011 heeft Divosa het onderzoek «Participatieontwikkeling in perspectief» gepubliceerd. De conclusie van dit onderzoek bij 18 gemeenten is, dat mensen die dichter bij de arbeidsmarkt staan en dus hoger op de (participatie)ladder staan, verhoudingsgewijs vaker deelnemen aan re-integratieactiviteiten. Zo had 90% van de mensen op trede vijf in 2010 een traject. Op de treden daaronder is het percentage lager, nl. 70% op trede drie en 21% op trede één.

Gemiddeld neemt de helft van de bijstandontvangers deel aan een re-integratietraject. Er zijn meerdere redenen waarom mensen geen traject volgen dat is betaald uit de re-integratiegelden. Zij hebben bijvoorbeeld (op dat moment) geen groeipotentieel en een investering heeft geen meerwaarde. Anderen kunnen zichzelf prima redden en hebben dus geen hulp nodig. Tot slot is er een groep mensen die ondersteuning ontvangt betaald uit andere middelen dan de re-integratiegelden (zoals de Wmo-middelen). Die ondersteuning is in het onderzoek niet zichtbaar.

Monitoren inspanningen gemeenten

In 2011 is in de monitor arbeidsmarkt verslag gedaan over het aantal personen met een gemeentelijk re-integratietraject dat volgens hun re-integratiepositie bezig is met arbeidsinpassing. Van het totale aantal gemeentelijke trajecten valt in medio 2011 35% onder deze categorie. Ongeveer een derde daarvan werkt met toepassing van een loonkostensubsidie.

Monitoren resultaten re-integratie

In december 2011 heeft het CBS de jaarlijkse meting uitstroom naar werk gepubliceerd onder de titel «Aan het werk met re-integratieondersteuning». De belangrijkste uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen in de monitor arbeidsmarkt.

In de CBS-publicatie zijn deze uitkomsten nader gespecificeerd naar achtergrondkenmerken als duurzaamheid van de gevonden baan, duur van de uitkering, leeftijd en geslacht. Tevens zijn de resultaten in een bredere context geplaatst door de resultaten te vergelijken met het totale aantal uitkeringsontvangers en het aantal baanvinders.

  • Bijstandsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Niet-uitkeringsgerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Anw-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • WW-gerechtigden met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Gedeeltelijk arbeids(on)geschikten (WAZ, Wajong, WAO, WIA) met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • Jongeren uit de doelgroep van de WIJ.

Doelgroepen

Uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk

Realisatie meetbare gegevens

Het doel van de indicatoren is om inzicht te geven in de resultaten van re-integratie-ondersteuning gericht op regulier werk. De re-integratieondersteuning die niet rechtstreeks gericht is op uitstroom naar werk wordt in operationele doelstelling 3 beschreven. In 2011 is voor de eerste maal verslag gedaan over het aantal personen met een gemeentelijk re-integratietraject dat volgens hun re-integratiepositie bezig is met arbeidsinpassing. Het is tot de statistiek over 2012 beschikbaar komt niet mogelijk om dit onderscheid cijfermatig te maken voor de indicatoren in tabel 47.6, zodat daarin nog de resultaten van alle re-integratieondersteuning (zowel gericht op regulier werk als op afstandverkleining) wordt weergegeven.

Het realiseren van het in de begroting 2011 geformuleerde kwantitatieve doel, is sterk afhankelijk gebleken van de conjunctuur. Het is een positief teken dat de resultaten in het eerste halfjaar van 2011 weer aantrokken. Gezien de onzekerheden rondom de eurocrisis in het tweede halfjaar zullen de streefwaarden waarschijnlijk niet worden gerealiseerd.

Tabel 47.6 Indicatoren operationele doelstelling 2
 

Realisatie 2009

Realisatie 2010

Realisatie halfjaar 2011

Streven 2011

Uitstroom naar regulier werk binnen 24 maanden na start re-integratieondersteuning gericht op regulier werk

56%

50%

58%

60%

Uitstroom naar regulier werk na einde loonkostensubsidie

51%

45%

46%

50%

Bron: CBS, Uitstroom naar werk

De kengetallen in tabel 47.7 geven per uitkeringssituatie inzicht in de mate waarin personen met re-integratieondersteuning aan het werk gaan. Tevens wordt inzicht gegeven in welke mate de arbeidsinpassing duurzaam is.

Van de 61 000 mensen die na re-integratie in een baan begonnen, had 32 000 een bijstandsuitkering, 17 000 een WW-uitkering, 7 000 een arbeidsongeschiktheidsuitkering en waren er 5 000 niet-uitkeringsgerechtigd. Het aantal door gemeenten ingezette loonkostensubsidies was 5 000. De duurzaamheid van deze gevonden banen kon nog niet door het CBS worden vastgesteld. De duurzaamheid van de in 2010 gestarte banen was gemiddeld 72% en varieerde van 67% voor bijstandsontvangers tot 80% voor WW-ontvangers.

Bij de uitwerking van de toezegging aan de Algemene Rekenkamer (32 360 XV, nr.5) om de relatie tussen kosten, inspanningen en resultaten van de re-integratie door UWV inzichtelijker te maken is aansluiting gezocht bij de reguliere informatie over kosten die in begroting en jaarverslag zijn opgenomen (tabellen 47.1 en 47.2). Voor gemeenten is vergelijkbare informatie niet beschikbaar.

In tabellen 47.8 en 47.9 is weergegeven hoe de uitgaven in een kalenderjaar worden veroorzaakt door de kosten voor re-integratietrajecten en -diensten die in dat kalenderjaar of eerder zijn gestart. De kosten voor WW re-integratietrajecten en -diensten die in 2009 zijn gestart bedragen bijvoorbeeld in 2009 en latere jaren respectievelijk € 101 miljoen, € 74 miljoen en € 14 miljoen. Deze uitgaven zijn niet gecorrigeerd voor loon-prijsindexatie. Eveneens is af te lezen dat van de € 162 miljoen die in 2010 werd uitgegeven, € 77 miljoen werd uitgegeven voor trajecten die in 2010 zijn gestart, en de rest voor trajecten die eerder zijn gestart.

De resultaten van de in een kalenderjaar beëindigde re-integratietrajecten zijn ook per kalenderjaar weergegeven, en per cohort. Daarbij moet worden bedacht dat het resultaat sterk afhankelijk is van de werkgelegenheidsontwikkeling en meer in het bijzonder van de mogelijkheden die werkgevers in een bepaald kalenderjaar hebben om mensen aan te nemen.

Het onderscheid tussen trajecten en diensten is belangrijk voor een oordeel over het resultaat. Hoewel re-integratiediensten plaatsing tot doel hebben, zijn zij daar niet rechtstreeks op gericht. Daarom wordt bij deze diensten niet geregistreerd of sprake is van een plaatsing, maar of de dienst al dan niet is geslaagd (bijv. of een cursus of training is afgerond).

De definitie van plaatsing (uitstroom naar werk aaneensluitend aan het traject) wijkt af van de resultaatindicator die in tabel 47.6 wordt gebruikt. Bovendien beperkt de meting van de indicator zich tot een tijdvak van 24 maanden, vanwege de actualiteit. De looptijd van trajecten, en daarmee ook de daaruit voortvloeiende kosten en resultaten hebben deze beperking niet.

Tabel 47.7 Kengetallen operationele doelstelling 2 (aantallen x 1 000)
 

Totaal

WaJong WIA/WAZ WAO/ZW

WW

Bijstand WIJ

Nug/Anw

In eerste halfjaar 2011 in een baan gestarte voormalig werklozen (na voorliggende re-integratieondersteuning)1

62

7

18

32

5

Aandeel met minimale duur van 6 maanden van in halfjaar 2010 in een baan gestarte voormalig werklozen (na voorliggende re-integratieondersteuning)2

72%

70%

80%

67%

66%

Aantal gestarte loonkostensubsidies in halfjaar 20111

5

0

0

5

0

Beëindigde loonkostensubsidie in halfjaar 20111

6

0

0

6

0

Bronnen:

1 CBS, Uitstroom naar werk.

2 CBS, Statistiek re-integratie gemeenten.

Tabel 47.8 Re-integratie WW, uitgaven en trajecten en diensten
 

Gestarte trajecten en diensten

(x 1000)

2008

2009

2010

2011

Nog lopende trajecten en diensten ultimo 2011

(x 1000)

Instroomjaar

 

Uitgaven in kalender jaar (x € miljoen)

 

Voor 2008

 

62

8

1

9

 

2008

 

53

32

4

0

 

2009

 

101

74

14

 

2010

 

77

23

 

2011

 

8

 

Onbekend

 

3

9

6

13

 

Totaal

 

118

150

162

67

 
             

Resultaten:

           

Instroomjaar

 

Plaatsingen in kalenderjaar (x € 1 000)

 

Voor 2008

 

9

1

0

0

2008

44

3

4

1

0

0

2009

94

3

10

2

4

2010

47

5

3

6

2011

24

1

18

             

Totaal in het kalenderjaar geplaatst

 

12

8

16

6

29

Geslaagde diensten

 

21

29

35

10

 

Bron: UVW, Jaarverslag

Tabel 47.9 Re-integratie WAO/WIA/WAZ/Wajong/ZW, uitgaven en trajecten en diensten
 

Gestarte trajecten en diensten

(x 1000)

2008

2009

2010

2011

Nog lopende trajecten en diensten ultimo 2011

(x 1000)

Instroomjaar

 

Uitgaven in kalender jaar (x € miljoen)

 

Voor 2008

 

70

10

2

9

 

2008

 

53

46

8

1

 

2009

 

65

38

10

 

2010

 

56

28

 

2011

 

19

 

Onbekend

 

3

9

6

14

 

Totaal

 

125

125

110

82

 
             

Resultaten:

           

Instroomjaar

 

Plaatsingen in kalenderjaar (x € 1 000)

 

Voor 2008

 

6

1

0

0

2008

35

2

3

1

0

1