Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2010, 681AMvB

Besluit van 26 augustus 2010 tot wijziging van het Besluit SUWI in verband met het stellen van regels omtrent de dienstverlening in en de inrichting van locaties werk en inkomen

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2010, nr. RUA/UO/10/13477;

Gelet op artikel 10, tweede lid, en artikel 62, vierde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2010, W12.10.0038/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 20 augustus 2010, nr. RUA/UO/2010/16208;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN HET BESLUIT SUWI

In hoofdstuk 2 van het Besluit SUWI worden na artikel 2.2 vier artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 2.3 Dienstverlening in en inrichting van locaties werk en inkomen

  • 1. Geïntegreerde dienstverlening als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet SUWI houdt in dat het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders in de locaties werk en inkomen gezamenlijk:

    • a. diensten verlenen op een gemeenschappelijke en herkenbare locatie, die zich naar derden presenteert onder de naam werkplein;

    • b. een structuur creëren waarin de medewerkers op de locatie werk en inkomen gebruik maken van elkaars expertise en instrumenten;

    • c. gebruik maken van arbeidsmarktinformatie en arbeidsmarktanalyse;

    • d. diensten op maat verlenen aan werkzoekenden op het gebied van werk, die voor zover de arbeidsinschakeling daarmee bevorderd wordt, bestaan uit diagnosestelling, re-integratie en bemiddeling, waarbij de werkzoekende een vaste adviseur heeft die de dienstverlening regisseert;

    • e. afspraken maken over de wijze waarop in de dienstverlening op het gebied van werk wordt aangesloten op de dienstverlening op het gebied van inkomen en, voor zover geen sprake is van gegevensverwerking als bedoeld in artikel 62, tweede lid, van de Wet SUWI, over de wijze waarop de informatieverstrekking over deze dienstverlening via de locatie werk en inkomen en het aanspreekpunt, genoemd in onderdeel d, plaatsvindt;

    • f. zorg dragen voor eenmalige uitvraag van gegevens die door het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders verwerkt worden voor de uitvoering van alle taken op het gebied van werk en inkomen, bedoeld in artikel 9 van de Wet SUWI; en

    • g. op maat en vraaggericht diensten verlenen aan werkgevers met betrekking tot vacaturevervulling, waarbij de werkgever een vaste adviseur heeft die de dienstverlening regisseert.

  • 2. Het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders werken bij hun taken ter bevordering van re-integratie en participatie van werkzoekenden in de locaties werk en inkomen in ieder geval samen met uitzendbureaus, re-integratiebedrijven, organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, onderwijsinstellingen en zorginstellingen.

  • 3. Het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders dragen gezamenlijk zorg voor vormgeving van de cliëntenparticipatie via de locaties werk en inkomen.

Artikel 2.4 Organisatie regionaal arbeidsmarktbeleid

  • 1. Het UWV wijst in evenwichtig gespreide regio’s locaties werk en inkomen aan, waar vorm wordt gegeven aan regionale samenwerking ten behoeve van arbeidsmarktbeleid.

  • 2. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een locatie werk en inkomen als bedoeld in het eerste lid is gevestigd, draagt zorg voor de totstandkoming, organisatie en ondersteuning van een regionaal netwerk van werk, inkomen en scholing, waarin periodiek overleg wordt gevoerd over afstemming van regionale arbeidsmarktvraagstukken en uitvoering van regionale arbeidsmarktprojecten.

  • 3. Aan het regionale netwerk, bedoeld in het tweede lid, wordt in ieder geval deelgenomen door werkgevers of vertegenwoordigers daarvan, organisaties van werknemers, instanties als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, het UWV en alle gemeenten uit de regio. De deelnemers van het regionale netwerk kiezen uit hun midden een voorzitter, die de activiteiten van het netwerk coördineert.

  • 4. Het UWV en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin een locatie werk en inkomen, bedoeld in het eerste lid, is gevestigd, dragen zorg voor:

    • a. uitvoering van regionale taken, waaronder uitvoering van artikel 30d van de Wet SUWI en werkzaamheden, bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet SUWI, en regionale dienstverlening aan werkgevers;

    • b. regionale arbeidsmarktanalyse.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de aanwijzing en spreiding van de locaties werk en inkomen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2.5 Rapportage uitvoering geïntegreerde dienstverlening

  • 1. Het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten die bij een locatie werk en inkomen zijn betrokken, stellen een gezamenlijk jaarplan op, waarin op basis van een gedeelde arbeidsmarktanalyse, wordt vermeld op welke wijze uitwerking wordt gegeven aan artikel 2.3. en in geval van samenwerking in de vorm van een regionale werkplein op welke wijze uitwerking wordt gegeven aan artikel 2.4. Het gezamenlijke jaarplan wordt bekend gemaakt op een daartoe ingerichte website.

  • 2. Het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders die bij een locatie werk en inkomen zijn betrokken, stellen een gezamenlijk jaarverslag op, waarin verantwoording wordt afgelegd over de onderwerpen uit het jaarplan. Het gezamenlijke jaarverslag wordt bekend gemaakt op de website, bedoeld in het eerste lid.

  • 3. In gezamenlijke tussentijdse verslagen van het UWV en van vertegenwoordigende organisaties van de gemeenten wordt gerapporteerd over de behaalde resultaten en de vastgestelde tekortkomingen, en wordt vermeld op welke wijze is voldaan aan de invulling van de samenwerking, bedoeld in dit hoofdstuk, en welke verbeteringen in de organisatie van de dienstverlening op de locaties werk en inkomen worden aangebracht.

  • 4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het gezamenlijke jaarplan, het gezamenlijke jaarverslag en de gezamenlijke tussentijdse verslagen.

Artikel 2.6 Gegevensverwerking geïntegreerde dienstverlening

  • 1. Ten behoeve van geïntegreerde dienstverlening dragen het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders zorg voor de gezamenlijke verwerking van gegevens, bedoeld in artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI.

  • 2. Het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders dragen gezamenlijk zorg voor de inrichting van een landelijk systeem voor de verwerking van gegevens die betrekking hebben op geïntegreerde dienstverlening aan werkzoekenden op het gebied van werk en aan werkgevers in verband met melding van vacatures, en voor het beschikbaar maken van informatie voor beleidsvorming, statistiek en management over de inzet van re-integratievoorzieningen.

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting van het landelijk systeem en de gegevensset.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 26 augustus 2010

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner

Uitgegeven de tiende september 2010

De Minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Geïntegreerde dienstverlening

Op 1 januari 2009 is een wijziging van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) in werking getreden (Stb. 2008, 600 en 601). Doel van de wijziging is de samenwerking en daarmee de dienstverlening in de keten van werk en inkomen te verbeteren, teneinde de arbeidsparticipatie te verhogen (Kamerstukken II 2007/08, 31 514, nr. 3, p. 1). Bij de wijziging is in artikel 10 van de Wet SUWI bepaald dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en de colleges van burgemeester en wethouders (gezamenlijk aangeduid als: ketenpartners) geïntegreerde dienstverlening aan uitkeringsgerechtigden, werkzoekenden en werkgevers (gezamenlijk aangeduid als: klanten) verlenen. Uitgangspunt is dat de geïntegreerde dienstverlening vanuit de ketenpartners zelf tot stand komt.

De geïntegreerde dienstverlening heeft betrekking op de taken die de ketenpartners uitvoeren op grond van de Wet SUWI, de Wet werk en bijstand, de Wet investeren in jongeren, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Deze taken betreffen werk en inkomen. De essentie van de geïntegreerde dienstverlening is dat de ketenpartners samenhangende diensten aanbieden, waarbij de klanten de keten als geheel kunnen aanspreken en de keten ook als geheel zijn diensten aanbiedt. Geïntegreerde dienstverlening kan worden samengevat met: één aanspreekpunt, één geïntegreerd ketenwerkproces en klantvolgsysteem, een andere klantbenadering door en houding van medewerkers en een geïntegreerde werkgeversbenadering (Kamerstukken II 2007/08, 31 514, nr. 3, p. 2).

2. Werkpleinen

De geïntegreerde dienstverlening van de ketenpartners krijgt vorm op locaties werk en inkomen, die bekend staan onder de naam werkplein (verder aangeduid als: werkpleinen) (Kamerstukken II 2008/09, 31 514, nr. 31). Iedere gemeente hoort bij een werkplein. Bij een werkplein kunnen, behalve de gemeente waarin dat werkplein is gevestigd, ook omliggende gemeenten zijn aangesloten. Daarbij kan sprake zijn van twee vormen van samenwerking: een omliggende gemeente kan gelijkwaardig deelnemen aan het samenwerkingsverband of dienstverlening «inkopen» bij het werkplein.

Bij de samenwerking op werkpleinen bevinden de ketenpartners zich in een krachtenveld. Daarin is sprake van een spanning tussen enerzijds de centrale organisatie van het UWV, die wordt gekenmerkt door een uniform concept voor dienstverlening, een eenduidige manier van uitvoering en een uniforme werkwijze, en anderzijds de gemeenten met locaal en regionaal beleid.

De totstandkoming van de geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen zou volgens de oorspronkelijke planning op 1 januari 2010 gereed zijn. Op dit moment hebben nog maar 27 werkpleinen de geïntegreerde dienstverlening voor 100% gerealiseerd. 14 werkpleinen zijn echte achterblijvers, en er is een middencategorie van 81 werkpleinen waar het vaak de goede kant op lijkt te gaan, maar er zijn ook werkpleinen die terugvallen en extra begeleiding nodig hebben.

Het proces waarin de geïntegreerde dienstverlening op het gebied van werk tot stand komt, verloopt derhalve te traag. Ook staat het model, waarin van onderop gezamenlijke geïntegreerde dienstverlening wordt ingevoerd, onder druk. Aanleiding daarvoor is dat de ketenpartners de dienstverlening op organisatieniveau en niet op ketenniveau vorm geven. De nieuwe datum voor de realisatie van geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen is 1 januari 2011.

Het tot stand brengen van de geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de landelijke ketenpartners als uitvoerders van de Wet SUWI en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (verder: de minister) als verantwoordelijk voor het systeem van de uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. De landelijke ketenpartners – met als vertegenwoordigers van de gemeenten de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en de vereniging Directeuren van Sociale Diensten (Divosa) – hebben onderling afspraken gemaakt om maatregelen te treffen om de voortgang te stimuleren.

Om te garanderen dat de uitvoering vorm krijgt volgens de landelijke afspraken, is enige sturing van de minister nodig. Daarbij is het wenselijk dat de afspraken een wettelijke grondslag krijgen. Op deze wijze wordt duidelijk gemaakt welke dienstverlening gezamenlijk wordt nagestreefd. Hierdoor worden de mogelijkheden van de minister tot sturing verbeterd. Met de onderhavige wijziging van het Besluit SUWI wordt zo een impuls gegeven aan dit proces van samenwerking.

3. Sturing

Het uitgangspunt van de Wet SUWI is dat de geïntegreerde dienstverlening een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de ketenpartners. Daarbij is sprake van sturing door de minister op de hierna beschreven wijze.

Bij de wijziging van artikel 10 van de Wet SUWI is een opsomming gegeven van de werkzaamheden die in ieder geval binnen het concept van geïntegreerde dienstverlening vallen (Kamerstukken II 2007/08, 31 514, nr. 3, p. 3). Allereerst betreft het de diagnose aan het begin van de procedure, de uitkeringsintake, de bemiddeling en de re-integratie van alle uitkeringsgerechtigden en werkzoekenden waarvoor de ketenpartners verantwoordelijk zijn. Verder zijn de daarmee samenhangende klantbenadering (ook aangeduid als: klantmanagement) in het algemeen en de werkgeversbenadering in het bijzonder genoemd. Tenslotte gaat het om de informatieverstrekking omtrent de taken die op het werkplein worden verricht en de verwijzing van klanten naar andere instanties.

Verder worden met de ketenpartners afspraken gemaakt over de invoering van geïntegreerde dienstverlening. Ook wordt de voortgang van de totstandkoming gevolgd. Daarnaast wordt invloed uitgeoefend via de jaarplancyclus van en de bestuurlijke overleggen met het UWV. Daarbij wordt opgemerkt dat de minister ten aanzien van het UWV een andere verantwoordelijkheid heeft dan ten aanzien van de colleges van burgemeester en wethouders. Het UWV is immers een zelfstandig bestuursorgaan waarvoor directe ministeriële verantwoordelijkheid geldt, terwijl de gemeenten een eigen positie in het staatsbestel hebben.

De minister is echter, ondanks de eigen positie van de gemeenten, verantwoordelijk voor de keten van werk en inkomen als geheel. Gezien deze verantwoordelijkheid kan de minister het proces van de totstandkoming van geïntegreerde dienstverlening, zowel in relatie tot het UWV als de colleges van burgemeester en wethouders, bijsturen met behulp van artikel 10, tweede en derde lid, van de Wet SUWI. Op basis van de in artikel 10, tweede lid, van de Wet SUWI opgenomen delegatiebepaling kunnen regels worden gesteld over de dienstverlening in, de inrichting van en de cliëntenparticipatie bij de werkpleinen. Ook kunnen werkzaamheden van de ketenpartners worden aangewezen die op een beperkt aantal werkpleinen worden verricht.

4. Besluit

Het onderhavige besluit moet tegen de achtergrond van de hier boven vermelde omstandigheden worden geplaatst. Het besluit richt zich met name op de geïntegreerde dienstverlening op het gebied van werk. Het proces waarin de geïntegreerde dienstverlening op het gebied van inkomen tot stand komt, geeft vooralsnog geen aanleiding tot bijsturing. Wel is van belang dat de dienstverlening op het gebied van werk en inkomen op elkaar aansluiten.

Het doel van het onderhavige besluit is tweeledig, namelijk enerzijds normering en anderzijds sturing. De normering houdt in dat voor de ketenpartners en burgers inzichtelijk wordt gemaakt welke taken op de werkpleinen worden uitgevoerd. Daarbij is van belang dat de mogelijkheid van diversiteit op de werkpleinen niet onbedoeld wordt belemmerd. De sturing betekent dat nadere richting wordt gegeven aan de inhoud van de dienstverlening in en de cliëntenparticipatie bij de werkpleinen. Ook worden regels gesteld omtrent de regionale samenwerking ten behoeve van het arbeidsmarktbeleid. Het heeft daarbij nog steeds de voorkeur dat de geïntegreerde dienstverlening van onderop, dat wil zeggen op de werkpleinen zelf, ontstaat. Het besluit beoogt de verschillende alternatieven in de samenwerking dan ook niet te ontmoedigen.

In de onderhavige wijziging van het Besluit SUWI is ervoor gekozen om de afspraken die de ketenpartners onderling hebben gemaakt over de aspecten die volgens hen essentieel zijn voor de dienstverlening op de werkpleinen als uitgangspunt te nemen. Met de wijziging van het Besluit SUWI wordt beoogd de afspraken van de ketenpartners te ondersteunen en te versterken.

Op basis van het onderhavige besluit kan worden vastgesteld of op de werkpleinen ook daadwerkelijk die taken worden uitgevoerd, die in het besluit zijn genoemd. Daarvoor is informatie nodig over de uitvoering op de werkpleinen. Deze informatie wordt verstrekt met behulp van jaarplannen en jaarverslagen van locale werkpleinen en gezamenlijke tussentijdse verslagen van de landelijke ketenpartners. Ook zorgen de ketenpartners gezamenlijk voor de inrichting van een landelijk systeem voor de verwerking van gegevens voor geïntegreerde dienstverlening, en voor het beschikbaar maken van informatie voor beleidsvorming, statistiek en management. Bij werkpleinen waarvan wordt vastgesteld dat er sprake is van ernstige tekortkomingen in de uitvoering, kan in het uiterste geval een aanwijzing worden gegeven op grond van artikel 10, derde lid, van de Wet SUWI.

5. Ingewonnen adviezen en toetsen

Het onderhavige besluit is voor een uitvoeringstoets voorgelegd aan het UWV, de Programmaraad (samenwerkingsorgaan van het UWV en de VNG) en het Uitvoeringspanel en voor een toezichtbaarheidstoets aan de Inspectie voor Werk en Inkomen. De gemeenten zijn voor een reactie gevraagd via de VNG en Divosa. Ten slotte is ook het College bescherming persoonsgegevens om advies gevraagd. Het College bescherming persoonsgegevens heeft ambtelijk laten weten niet binnen de gevraagde termijn van 4 weken zijn advies te kunnen uitbrengen. De Programmaraad heeft laten weten geen uitvoeringstoets uit te brengen, en verwijst naar de reacties van het UWV en de VNG/Divosa. De Inspectie voor Werk en Inkomen heeft enkele tekstuele opmerkingen bij het ontwerpbesluit gemaakt. Het Uitvoeringspanel heeft in haar advies opmerkingen gemaakt over de noodzaak van het ontwerpbesluit, over de verantwoording voor gemeenten, over de verhouding tot de beleidsvrijheid van gemeenten, en over de invoeringstermijn van een landelijk systeem. Voorafgaand aan het uitbrengen van de toetsen door het UWV en de VNG en Divosa zijn nog diverse (bestuurlijke) overleggen gevoerd met het UWV en de VNG. Het UWV en de VNG hebben hierbij gewezen op implementatiekosten en kosten van beheer en ontwikkeling van het landelijk systeem (artikel 2.6). Kenbaar is gemaakt dat het gaat om bestaande taken en in aansluiting op de ingeslagen weg voor de werkwijze op de werkpleinen. Belangrijkste punt van aanpassing is dat de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit afhankelijk zal zijn van de resultaten en prestaties van het UWV en gemeenten op de locaties voor werk en inkomen (werkpleinen). Naar aanleiding van opmerkingen van het Uitvoeringspanel, de Inspectie voor Werk en Inkomen, de VNG, alsmede van het UWV, zijn nog aanpassingen doorgevoerd in het ontwerpbesluit. Daarna hebben ook het UWV en de VNG/Divosa hun uitvoeringstoets cq. reactie uitgebracht waaruit blijkt dat overeenstemming is bereikt over de inhoud van het ontwerpbesluit. Het UWV schrijft dat het ontwerpbesluit uitvoerbaar is en geeft aan op welke termijn de invoering gerealiseerd kan worden. Het UWV brengt ook kosten in beeld voor het realiseren van het landelijk systeem, maar geeft daarbij aan dat deze mogelijk gefinancierd kunnen worden uit de reguliere budgetten. De VNG/Divosa schrijven dat men ervan uitgaat dat het ontwerpbesluit overbodig is omdat de ketenpartners zelf de voortgang tot stand zullen brengen, maar dat men begrip heeft voor de positie van de van de minister in deze.

6. Financiële gevolgen

Met het onderhavige besluit worden geen nieuwe eisen gesteld aan de uitvoering van de wetten op het terrein van werk en inkomen. Wel maken de uitgangspunten van dit besluit het noodzakelijk om de ict-systemen van het UWV en de gemeenten beter op elkaar aan te laten sluiten. Hiertoe zijn tussen het UWV, de VNG en Divosa onderling reeds afspraken gemaakt. Het UWV zal de basisinfrastructuur om niet ter beschikking stellen aan gemeenten. Dit leidt tot eenmalige en structurele kosten bij UWV. Uitgangspunt van het onderhavige ontwerpbesluit is verder dat de implementatie en de uitvoering van de samenwerking op het terrein van werk en inkomen op de in dit besluit aangegeven wijze voortvloeien uit de Wet SUWI en daarmee budgetneutraal dienen plaats te vinden.

7. Administratieve lasten

Onderhavig besluit heeft geen administratieve lasten tot gevolg voor burgers en bedrijven. De opstelling van tussentijdse verslagen door de landelijke ketenpartners (VNG en UWV) op grond van het derde lid van artikel 2.5, is een formalisering van een bestaande praktijk.

Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel 2.3 Dienstverlening in en inrichting van locaties werk en inkomen

De ketenpartners stemmen hun dienstverlening niet alleen op elkaar af, maar organiseren dat ook zodanig dat één samenhangend – geïntegreerd – pakket van passende dienstverlening wordt geboden. Bij binnenkomst op het werkplein staat niet centraal voor welke organisatie een klant komt, maar wel welke dienstverleningsvraag een klant heeft.

Eerste lid, onderdeel a (locatie en naam)

De ketenpartners verlenen de dienstverlening op een gezamenlijke locatie. Op deze locatie zijn medewerkers van het UWV, zoals de werkcoaches, én medewerkers van de gemeente, zoals de re-integratieconsulenten, werkzaam. Voor de gezamenlijke locatie wordt een eenduidige naamgeving gehanteerd: het werkplein. Door de gezamenlijke locatie en eenduidige naam wordt bewerkstelligd dat klanten het werkplein als één dienstverlener ervaren.

Eerste lid, onderdeel b (uitwisseling expertise en instrumenten)

Medewerkers op het werkplein maken gebruik van elkaars expertise bijvoorbeeld aan de hand van casusbesprekingen, en maken afspraken over de inzet van elkaars instrumenten, bijvoorbeeld door afspraken te maken over de verrekening daarvan naar elkaar.

Eerste lid, onderdeel c (gebruik arbeidsmarktinformatie en arbeidsmarktanalyse)

Op het werkplein wordt gebruik gemaakt van regionale arbeidsmarktinformatie, die maandelijks wordt verschaft door het UWV. De regionale arbeidsmarktinformatie kan, bijvoorbeeld, gebruikt worden voor arbeidsmarktanalyse. Op basis van dat laatste kan een regionaal arbeidsmarktbeleid geformuleerd worden (zie ook artikel 2.4, vierde lid, onderdeel b).

Eerste lid, onderdeel d (diensten werkzoekenden)

De dienstverlening aan werkzoekenden wordt op maat geleverd. Met maatwerk wordt bedoeld dat de diensten zijn toegesneden op de specifieke omstandigheden van individuele werkzoekenden. Daarbij wordt niet steeds aan elke werkzoekende precies dezelfde dienstverlening verstrekt, maar wordt die dienstverlening telkens afgestemd op de bijzonderheden van het geval. Dit impliceert een gerichte aanpak waarbij werkzoekenden ook nadrukkelijk op hun eigen verantwoordelijkheden, houding en gedrag worden aangesproken. Door individuele werkzoekenden centraal te stellen, worden een snelle en effectieve bemiddeling en re-integratie bewerkstelligd.

De samenwerking op het werkplein wordt zodanig vormgegeven, dat vanuit één gezicht en één naam wordt gehandeld. Daarbij kunnen de diensten aan werkzoekenden digitaal, telefonisch of persoonlijk worden verricht. Werkzoekenden die persoonlijke dienstverlening wordt aangeboden, hebben een vast aanspreekpunt. Dit is één adviseur, die in beginsel alle aspecten van de dienstverlening coördineert, maar in ieder geval de aspecten die betrekking hebben op werk en, indien mogelijk, de aspecten die betrekking hebben op inkomen.

De dienstverlening aan werkzoekenden wordt vanuit het vaste aanspreekpunt georganiseerd tótdat zij zijn uitgestroomd naar werk. In incidentele gevallen kan het nodig zijn individuele werkzoekenden over te dragen aan een andere medewerker op het werkplein. In dat geval vindt echter altijd een zodanige overdracht plaats, dat de werkzoekenden niet opnieuw dezelfde procedures hoeven te doorlopen of dezelfde informatie hoeven te verstrekken.

Eerste lid, onderdeel e (aansluiting dienstverlening werk en inkomen)

Uitgangspunt is dat de dienstverlening met betrekking tot werk en inkomen geïntegreerd wordt aangeboden. Op dit moment heeft de dienstverlening op het gebied van inkomen echter een diverse vormgeving. Door het UWV worden de diensten meestal digitaal of telefonisch verzorgd, terwijl de colleges van burgemeester en wethouders vaak voor een speciale inkomensconsulent kiezen die al dan niet op het werkplein werkzaam is.

Met het onderhavige besluit wordt ruimte gegeven aan de diversiteit in de dienstverlening op het gebied van inkomen. Vooralsnog is niet gebleken dat de kwaliteit van de dienstverlening daar onder lijdt. Op dit moment bestaat daarom geen aanleiding om nadere regels te stellen voor de dienstverlening op het gebied van inkomen zelf. Wel moeten de ketenpartners ervoor zorgen dat de dienstverlening met betrekking tot werk en inkomen op elkaar aansluit en dat de informatie over de dienstverlening op deze gebieden over en weer beschikbaar is.

Eerste lid, onderdeel f (eenmalige gegevensuitvraag)

Met dit artikel wordt benadrukt dat het beginsel van eenmalige gegevensuitvraag ook op de geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen van toepassing is. Gegevens die de ketenpartners nodig hebben voor de geïntegreerde dienstverlening op het werkplein mogen in beginsel maar één maal bij de klanten worden gevraagd. Dit betreft zowel gegevens op het gebied van werk en inkomen. Dit betekent tevens dat de gegevens die reeds beschikbaar zijn aan de werkkant op het werkplein, vervolgens hergebruikt worden voor de inkomenskant in de backoffices van het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders. Deze mogen dus niet opnieuw uitgevraagd worden om de uitkering vast te stellen.

Eerste lid, onderdeel g (diensten werkgevers)

De samenwerking op het werkplein wordt zodanig vormgegeven, dat vanuit één gezicht en één naam wordt gehandeld. Elke werkgever die klant van een werkplein is, heeft een vast aanspreekpunt. Dit is één adviseur, die in beginsel alle diensten op het terrein van werk aan die werkgever coördineert.

Daarbij wordt de dienstverlening op maat geleverd. Onder maatwerk wordt verstaan dat de dienstverlening is toegesneden op de specifieke omstandigheden van individuele werkgevers. Daarbij wordt niet steeds aan elke werkgever precies dezelfde dienstverlening verstrekt, maar wordt die dienstverlening telkens afgestemd op de bijzonderheden van het geval. Daarnaast verzorgen de ketenpartners de dienstverlening op een vraaggestuurde wijze. De ambitie van werkgevers om snel een geschikte werkzoekende voor een vacature te vinden, vereist dat de ketenpartners een goede koppeling tussen vraag en aanbod tot stand kunnen brengen.

Tweede lid (samenwerking andere instanties)

Door de verdere ontwikkeling van de keten werk en inkomen kunnen de aangrenzende terreinen van onderwijs, inburgering, zorg, jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning nadrukkelijker bij de dienstverlening worden betrokken. Op het werkplein wordt – in ieder geval – samengewerkt met uitzendbureaus, re-integratiebedrijven, organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, onderwijsinstellingen en zorginstellingen ter bevordering van re-integratie van werkzoekenden. De ketenpartners maken goede afspraken met re-integratiebedrijven en organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening, zodat de werkgeversdienstverlening van die bedrijven en organisaties is afgestemd op de activiteiten van het werkplein. Door de samenwerking met andere instanties wordt bevorderd dat klanten vanuit één aanspreekpunt op hun situatie toegesneden dienstverlening ontvangen.

Derde lid (cliëntenparticipatie)

De ketenpartners moeten oog en oor hebben voor de belangen en wensen van hun klanten. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet SUWI zijn de ketenpartners gehouden de cliëntenparticipatie op de werkpleinen gezamenlijk vorm te geven. Hieraan wordt nadere inhoud gegeven. Cliëntenparticipatie moet worden gerealiseerd op het niveau waarop beslissingen ten aanzien van de uitvoering en de dienstverlening worden genomen die voor de klanten van belang zijn – en dus op het niveau van de werkpleinen zelf. Dit houdt in dat participerende cliënten worden betrokken bij de geïntegreerde dienstverlening die op de werkpleinen wordt geleverd.

Artikel 2.4 Organisatie regionaal arbeidsmarktbeleid

Doorgaans zoeken werkgevers hun werknemers niet op een lokale, maar op een regionale arbeidsmarkt. De geïntegreerde dienstverlening moet daarom worden verbonden aan een regionaal arbeidsmarktbeleid en aan concrete regionale initiatieven, zoals stagebureaus en leerwerkloketten. Via de werkpleinen kan een verbinding worden gemaakt met werkgevers in een regio. Daardoor kan vraaggestuurde dienstverlening aan werkgevers plaatsvinden, vraag en aanbod op de arbeidsmarkt aan elkaar worden gekoppeld en vacatures worden vervuld.

De regionale samenwerking heeft betrekking op drie elementen: het tot stand brengen van een regionaal netwerk van werk, scholing en inkomen (tweede en derde lid), de uitvoering van regionale taken (vierde lid, onderdeel a) en een regionale arbeidsmarktanalyse (vierde lid, onderdeel b). Deze elementen worden hieronder verder uitgewerkt.

Eerste lid (regionale werkpleinen)

Het UWV wijst een beperkt aantal regionale werkpleinen aan, in overeenstemming met de landelijke ketenpartners. Dit zijn de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: VNG) en de Vereniging van directeuren van overheidsorganen voor sociale arbeid (verder: Divosa). De regionale werkpleinen, die aansluiten bij de arbeidsmarktregio’s, verrichten taken voor een regio waarin meerdere locale werkpleinen zijn gevestigd.

Als ordenend principe is er inmiddels brede consensus over 30 arbeidsmarktregio’s. UWV heeft dan ook, in samenspraak met de landelijke ketenpartners, inmiddels al invulling gegeven aan het aanwijzen van de regionale werkpleinen. 30 van de circa 100 werkpleinen zijn aangewezen als regionale werkpleinen; wijzigingen hierop kunnen doorgevoerd worden na overeenstemming met de landelijke ketenpartners.

Voor de komende periode is bij de regionale samenwerking striktere regie nodig, en is het van belang de regionale samenwerking minder vrijblijvend in te richten.

Tweede en derde lid (regionaal netwerk)

Bij de regionale samenwerking heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het regionale werkplein gevestigd is, een voortrekkersrol. Het vervullen van deze rol vereist dat het college zijn beleids- en organisatiekracht op regionaal niveau inzet en versterkt. Het college heeft daar ook belang bij. Zo kan een regionaal arbeidsmarktbeleid een bijdrage leveren aan de gemeentelijke beleidsopgave op het gebied van re-integratie. De voortrekkersrol van het college van burgemeester en wethouders doet overigens niets af aan het uitgangspunt dat de uitvoering op het werkplein een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners is. Sociale partners benadrukken het belang om afspraken te kunnen maken op landelijk en sectoraal niveau. Het UWV kan hierbij een belangrijke rol hebben omdat UWV een schakelfunctie kan vervullen tussen het landelijke/sectorale en regionale en lokale niveau. In het regionaal netwerk zal UWV deze expertise inbrengen.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het regionale werkplein gevestigd is, heeft tot taak een regionaal netwerk van werk, scholing en inkomen tot stand te brengen. Publieke en private partijen worden bijeengebracht om de aanpak van arbeidsmarktvraagstukken af te stemmen. Het regionale netwerk kan worden gebruikt voor de uitvoering van regionale arbeidsmarktprojecten. In het regionale netwerk zijn in ieder geval de gemeenten, het UWV, (grote) werkgevers, het midden- en kleinbedrijf, branches, vakorganisaties en onderwijsinstellingen vertegenwoordigd. Het regionale netwerk benoemt uit haar midden een voorzitter, die optreedt als coördinator van het netwerk.

Vierde lid, onderdeel a (regionale taken)

De ketenpartners voeren op het regionale werkplein, evenals op de overige werkpleinen, de taken uit die in artikel 2.3 zijn opgenomen. Daarnaast zijn het UWV en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het regionale werkplein gevestigd is, verantwoordelijk voor taken en werkzaamheden die het locale niveau overstijgen en die gebaat zijn bij uitvoering op een grotere, regionale schaal. Het kan daarbij – onder meer – gaan om taken die het UWV verricht ten behoeve van de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening door de colleges van burgemeester en wethouders (artikel 30d van de Wet SUWI) en werkzaamheden die het UWV uitvoert voor de colleges van burgemeester en wethouders in het kader van de samenwerking, bedoeld in artikel 9 van de Wet SUWI (artikel 5, vierde lid, van de Wet SUWI).

Vanuit het regionale werkplein wordt ook regionale geïntegreerde dienstverlening aan werkgevers aangeboden. Daartoe worden verschillende loketten, zoals mobiliteitscentra, werkgeversteams, vacatureteams, leerwerkloketten en brancheservicepunten, gebundeld. Voor werkgevers ontstaat daardoor op het regionale werkplein één duidelijk aanspreekpunt.

Vierde lid, onderdeel b (regionale arbeidsmarktanalyse)

Het UWV en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het regionale werkplein gevestigd is, zijn verantwoordelijk voor de totstandkoming van een regionale arbeidsmarktanalyse. Een regionale aanpak van arbeidsmarktvraagstukken is gebaat bij een dergelijke analyse. Het UWV verstrekt maandelijks arbeidsmarktinformatie ten behoeve van de arbeidsmarktregio’s. De regionale arbeidsmarktinformatie wordt benut voor het maken van een jaarlijkse regionale arbeidsmarktanalyse.

Vijfde lid (delegatiebepaling)

Het UWV wijst de regionale werkpleinen aan. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over die aanwijzing en over de spreiding van de regionale werkpleinen. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het totale aantal regionale werkpleinen en om de exacte verdeling daarvan over de regio’s.

Artikel 2.5 Rapportage uitvoering geïntegreerde dienstverlening

Voor het jaarplan, het jaarverslag en de tussentijdse verslagen die het UWV zelf en niet in de hoedanigheid van ketenpartner op het werkplein vaststelt, gelden de voorschriften die in de artikelen 46 en volgende van de Wet SUWI zijn opgenomen. Deze voorschriften zijn niet van toepassing op het gezamenlijke jaarplan en het gezamenlijke jaarverslag van het werkplein. Wel is met de ketenpartners op bestuurlijk niveau afgesproken dat de planning- en controlcyclus van het UWV en de daarin gehanteerde tijdstippen in principe ook worden gevolgd voor de publicatie van het gezamenlijke jaarplan en het gezamenlijke jaarverslag. Mede gelet op deze afspraak zijn in het onderhavige besluit dan ook geen tijdstippen voor die bekendmaking opgenomen.

Eerste lid (gezamenlijk jaarplan)

Het werkplein werkt met één gezamenlijk jaarplan op basis van een gedeelde arbeidsmarktanalyse. Voor het opstellen van een werkplein jaarplan is door de landelijke ketenpartners een handreiking opgesteld. In het jaarplan wordt beschreven welke doelstellingen het werkplein wil realiseren, en op welke wijze het werkplein de elementen die beschreven staan in de artikelen 2.3 van het Besluit SUWI tot stand zal brengen. Voor de regionale werkpleinen geldt dat zij in hun jaarplan ook beschrijven op welke wijze het werkplein de elementen die beschreven staan in de artikelen 2.4 van het Besluit SUWI tot stand zal brengen. Het jaarplan wordt ondertekend door alle bij het werkplein betrokken bestuurders. Dit zijn de wethouders van alle aangesloten gemeenten en het UWV. De wethouder van de gemeente waar het werkplein gevestigd is neemt het initiatief voor een consultatieronde ter voorbereiding van de ondertekening. Het jaarplan wordt gepubliceerd op de website www.samenvoordeklant.nl.

Tweede lid (gezamenlijk jaarverslag)

Het werkplein werkt met één gezamenlijk jaarverslag, waarin verslag wordt gedaan over alle aspecten van het jaarplan. Het gaat daarbij om de resultaten, de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de elementen die beschreven staan in artikel 2.3 van het Besluit SUWI, en over de kwaliteit van de informatievoorziening in het jaarverslag. Voor de regionale werkpleinen geldt dat zij in hun jaarverslag ook beschrijven op welke wijze uitvoering is gegeven aan de elementen die beschreven staan in artikel 2.4 van het Besluit SUWI. Het jaarverslag wordt ondertekend door alle bij het werkplein betrokken bestuurders. Dit zijn de wethouders van alle aangesloten gemeenten en het UWV. De wethouder van de gemeente waar het werkplein gevestigd is neemt het initiatief voor een consultatieronde ter voorbereiding van de ondertekening. Het jaarverslag wordt gepubliceerd op de centrale website www.samenvoordeklant.nl.

Derde lid (rapportage in tussentijdse verslagen)

De landelijke ketenpartners, te weten het UWV, de VNG en Divosa, doen verslag via gezamenlijke tussentijdse verslagen over de jaarplannen en jaarverslagen van de locale werkpleinen. De tussentijdse verslagen worden besproken in bestuurlijk overleg met de minister.

Vierde lid (delegatiebepaling)

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de in dit artikel opgenomen rapportageverplichtingen. Het kan daarbij gaan om de inhoud van het gezamenlijke jaarplan, het gezamenlijke jaarverslag en/of de rapportage in de tussentijdse verslagen. Ook kunnen regels worden gesteld voor de wijze waarop gerapporteerd wordt. Deze regels kunnen worden opgenomen in Bijlage IX bij de Regeling SUWI, die betrekking heeft op alle rapportageverplichtingen van het UWV.

Artikel 2.6 Gegevensverwerking geïntegreerde dienstverlening

Artikel 62 van de Wet SUWI regelt de onderlinge gegevensverstrekking bij de samenwerking op het terrein van werk en inkomen door het UWV, de Sociale verzekeringsbank en de colleges van burgemeester en wethouders. Ook wordt een regeling getroffen voor de inrichting van elektronische voorzieningen om die gegevensuitwisseling te faciliteren.

Op grond van artikel 62, derde lid, van de Wet SUWI zijn de ketenpartners voor de verwerking van gegevens bij de geïntegreerde dienstverlening gezamenlijk verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Daarmee hebben de ketenpartners recht op toegang tot elkaars gegevens en inlichtingen, voor zover dit noodzakelijk is voor een effectieve, efficiënte en rechtmatige gezamenlijke uitvoering van hun taken.

Aan de samenwerking bij de gegevensverwerking en de elektronische voorzieningen ter facilitering van de gegevensuitwisseling, die in artikel 62 van de Wet SUWI zijn geregeld, wordt in het onderhavige artikel nadere inhoud gegeven.

Eerste lid (gezamenlijke gegevensverwerking)

De ketenpartners zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de verwerking van gegevens bij de geïntegreerde dienstverlening. Deze verantwoordelijkheid wordt zodanig ingevuld, dat de ketenpartners die gegevens ook daadwerkelijk gezamenlijk verwerken. Daarbij is er sprake van een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het geheel van de gegevensverwerkingen. Daarom wordt nu geregeld dat ten behoeve van geïntegreerde dienstverlening het UWV en de colleges van burgemeester en wethouders gezamenlijk zorg dragen voor de inrichting van een landelijk systeem. De ketenpartners zijn hierover in gesprek en hebben hierover afspraken gemaakt en acties in gang gezet.

Tweede lid (landelijk systeem)

Gegevens die de ketenpartners met het oog op de dienstverlening aan werkzoekenden op het terrein van werk en aan werkgevers in verband met de melding van vacatures verzamelen, worden vastgelegd met behulp van een landelijk systeem. Het landelijk systeem moet zodanig functioneren dat eenduidige gegevens beschikbaar zijn, die inzicht geven in de werkzaamheden en resultaten van de lokale werkpleinen. Ook moet statistische informatie verzameld kunnen worden, waarmee de effectiviteit van de uitvoering kan worden getoetst en beleid kan worden ontwikkeld.

Uitgangspunt daarbij is dat de bestaande landelijke systemen van het UWV een basis vormen en zodanig zijn ingericht dat de systemen van gemeenten daarop kunnen aansluiten.

Indien de ketenpartners gebruik maken van dezelfde systemen, zal de kwaliteit van de gegevens die worden verwerkt verbeteren. Een betere kwaliteit van de gegevens draagt bij aan het verbeteren van de dienstverlening aan de klant en informatie voor beleidsvorming, statistiek en management is beter beschikbaar. Binnen de keten is in het kader van het digitaal klantdossier al ervaring opgedaan met het gezamenlijk in stand houden van elektronische voorzieningen ten behoeve van het uitwisselen van gegevens. Bij het op elkaar aansluiten van de verschillende systemen kan het digitaal klantdossier een rol spelen. Hierbij heeft het UWV een faciliterende rol en treedt op als beheerder. Het landelijk systeem maakt deel uit van de gezamenlijke elektronische voorzieningen SUWI. Dit betekent dat de geldende regels voor de normering van de beveiliging (waaronder autorisatie) en de bewaartermijnen hierop van toepassing zijn.

Doordat de medewerkers op de werkpleinen de gegevens van de klanten die zij nodig hebben voor de uitvoering voor hun werkzaamheden, vaker door één landelijk systeem geleverd krijgen, worden de mogelijkheden tot beveiliging van de gegevens verbeterd. Daardoor zal de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de klanten beter gewaarborgd zijn.

De ketenpartners zullen een gebruikersraad instellen, die tot taak heeft erop toe te zien dat de kwaliteit van het landelijk systeem tegemoet komt aan de wensen van de gebruikers op de werkpleinen.

Derde lid (delegatiebepaling)

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor de inrichting van het landelijk systeem. Daarbij kan het ook gaan om de organisatie en het tijdpad dat wordt gekozen bij de totstandkoming daarvan. Verder kan nadere inhoud worden gegeven aan de gegevensset. De gegevens kunnen, onder meer, betrekking hebben op re-integratie en (jeugd-)werkloosheid. Het gaat hierbij overigens niet om uitbreiding van de gegevens die voor de dienstverlening aan werkzoekenden of ten behoeve van beleids- en managementinformatie over re-integratie voorzieningen worden verwerkt. De omvang van de statistische gegevens zijn bijvoorbeeld al in ministeriële regelingen vastgelegd, zoals de Regeling statistiek WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WWIK.

Artikel II

Gekozen is voor een flexibele inwerkingtredingsbepaling. De onderhavige wijziging van het Besluit SUWI vormt een oriëntatie op de verwachtingen ten aanzien van de werkpleinen. Met de landelijke ketenpartners is afgesproken dat het besluit eerst geheel of gedeeltelijk in werking treedt, indien het proces van de totstandkoming van de geïntegreerde dienstverlening op de werkpleinen niet voldoende vooruitgaat. De geïntegreerde dienstverlening is immers een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle partijen. Die inwerkingtreding vindt pas plaats na overleg met de landelijke ketenpartners.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

J. P. H. Donner


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.