17 Noten Schriftelijke antwoorden van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op vragen gesteld in de eerste termijn vande behandeling van de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken, onderdeel integratie en volkshuisvesting (33000-VII).

Noot 2 (zie item 14)

Wonen

Fractie: Christenunie

Vraag 24:

Is de minister bereid onderzoek te doen met de AFM en hypotheekverstrekkers naar criteria en voorwaarden voor tijdelijke huur en vrij erkende bemiddelingsbureaus?

Antwoord:

Ik ben van mening dat tijdelijke verhuur middels de Leegstandwet een uitstekende manier is om te koop staande koopwoningen in verhuur te geven.

In het kader van de crisismaatregelen is uitgebreid aandacht daaraan besteed. In samenwerking met VNG en Vereniging Eigen Huis zijn gemeenten en burgers in 2009 voorgelicht over de mogelijkheden die deze wet biedt. Deze informatie is via internet nog steeds beschikbaar.

Ook is het met de Crisis- en Herstelwet mogelijk gemaakt te koop staande koopwoningen bij voldoende punten geliberaliseerd te verhuren, zoals ook op grond van het normale huurprijzenrecht mogelijk is.

Banken zijn verzocht mee te werken met deze vorm van tijdelijke verhuur. Banken lopen immers door het ontbreken van huurbescherming bij toepassing van de Leegstandwet geen risico op verkoop in verhuurde staat. Mijn beeld is dat banken inmiddels over het algemeen goed meewerken met tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet. Desgewenst ben ik wel bereid te bezien waar zich knelpunten voordoen, en of/ hoe deze aangepakt kunnen worden. De AFM heeft in dit kader geen rol.

Vraag 25:

De regeling met betrekking tot de aftrek van dubbele hypotheeklasten loopt eind 2012 af. Kan de minister in overleg met de staatssecretaris van Financiën bekijken of deze regeling kan worden verlengd tot en met 2013?

Antwoord:

Ik zal hier over in overleg treden met de staatssecretaris van Financiën.

Vraag 26:

Amsterdam heeft een leegstandsverordening vastgesteld. Ortega noemt dit als een voorbeeld. Vraag aan minister: Is de minister bereid het gesprek aan te gaan met gemeenten over een meer actief leegstandsbeleid.

Antwoord:

Op dit moment inventariseert BZK, conform afspraak met uw Kamer, in hoeverre gemeenten een leegstandbeleid hebben of dat ontwikkelen, en in hoeverre het instrumentarium, dat sinds 1 oktober 2010 door middel van de Wet kraken en leegstand is aangeboden, hierbij gebruikt wordt. De resultaten van deze inventarisatie komen rond de jaarwisseling beschikbaar. Ik zal deze aan de Kamer zenden, waarbij dan het antwoord op de vraag gegeven kan worden of terzake het gesprek met gemeenten moet worden aangegaan.

Vraag 27:

Graag de reactie van de minister op de volgende 3 punten:

  • 1. Krimp en preventie meenemen in nieuwe verdeling Gemeentefonds

  • 2. Waarsschuwingssysteem voor verloedering

  • 3. Regelgeving aanpassen om gegevens uit een dergelijk systeem aan elkaar te koppelen.

Antwoord:

1 en 2:

Krimp is in de vorm van een tijdelijke maatstaf voor de periode 2011–2015 al onderdeel van de verdeling van het gemeentefonds. De werking daarvan wordt geëvalueerd om op basis van de opgedane ervaringen over een structurele maatregel te kunnen beslissen. Ik ben van mening dat tijdelijke verhuur middels de Leegstandwet een uitstekende manier is om te koop staande koopwoningen in verhuur te geven.

In het kader van de crisismaatregelen is uitgebreid aandacht daaraan besteed. In samenwerking met VNG en Vereniging Eigen Huis zijn gemeenten en burgers in 2009 voorgelicht over de mogelijkheden die deze wet biedt. Deze informatie is via internet nog steeds beschikbaar.

Ook is het met de Crisis- en Herstelwet mogelijk gemaakt te koop staande koopwoningen bij voldoende punten geliberaliseerd te verhuren, zoals ook op grond van het normale huurprijzenrecht mogelijk is.

Banken zijn verzocht mee te werken met deze vorm van tijdelijke verhuur. Banken lopen immers door het ontbreken van huurbescherming bij toepassing van de Leegstandwet geen risico op verkoop in verhuurde staat. Mijn beeld is dat banken inmiddels over het algemeen goed meewerken met tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet. Desgewenst ben ik wel bereid te bezien waar zich knelpunten voordoen, en of/ hoe deze aangepakt kunnen worden. De AFM heeft in dit kader geen rol.

Wat betreft een sleutel voor preventie in het gemeentefonds; er is onderzoek gedaan naar zogenaamde «tipping points», omslagpunten in leefbaarheid. Uit dat onderzoek blijkt dat de Leefbaarometer twee omslagpunten kan blootleggen, die mede gerelateerd zijn aan verloedering. In vervolgonderzoek wordt momenteel bekeken in hoeverre de signalering van die omslagpunten middels de Leefbaarometer kan helpen om beleid vroegtijdig en preventief aan te passen zodat negatieve ontwikkelingen kunnen worden voorkomen. Mocht blijken dat de Leefbaarometer tijdig meer signalen kan afgeven voor preventief beleid, dan geeft dat gemeenten een belangrijk instrument om preventief in te grijpen tegen geringe kosten en ligt een aanpassing van het gemeentefonds niet in de rede.

3:

Momenteel ken ik geen problemen met regelgeving over de koppeling van diverse gegevens bij de ontwikkeling van waarschuwingssystemen door gemeenten. Mocht blijken dat regelgeving beperkingen oplegt aan de ontwikkeling van een dergelijk systeem, dan ben ik bereid daarnaar te kijken.

Vraag 28:

Kan de minister de evaluatie van de Ortega-gemeenten uitstellen ? Kan de minister verloedering eerder signaleren in wijken?

Antwoord:

Signalen van leefbaarheidsontwikkelingen en eventuele verloedering in buurten worden zichtbaar via de Leefbaarometer. De leefbaarometer geeft online informatie over de leefbaarheid in alle buurten en wijken in Nederland. Met de Leefbaarometer kunnen gemeenten en provincies gericht en vroegtijdig reageren.

Specifiek met de Ortega-gemeenten heeft BZK een agenda opgesteld met als doel via een preventieve aanpak een neerwaartse spiraal in de leefbaarheid te voorkomen. Deze Uitvoeringsagenda is eind 2009 aan de Tweede Kamer aangeboden. In overleg met de Ortega-gemeenten is op 1 november 2011 opdracht gegeven voor de evaluatie van deze aanpak. Daarmee is uitstel niet meer mogelijk. De eindrapportage wordt eind januari 2012 verwacht.

Fractie: PvdA

Vraag 33:

Door maatregelen die ervoor zorgen dat huurverhoging (‘25 punten’) pas optreedt bij verhuizing loopt de woningmarkt vast. De PvdA noemt dit verhuisboete. Is de minister bereid de verhuisboete voor huurders in de schaarste gebieden op zijn minst op te schorten zodat de mensen in deze crisis ten minste kunnen blijven verhuizen?

Antwoord:

Het gaat hier om het verhogen van de maximale huur in schaarstegebieden met maximaal 25 WWS-punten. Deze maatregel is uitgebreid in deze Kamer besproken en in werking getreden per 1 oktober 2011.

De maatregel is geen verhuisboete maar geeft verhuurders de ruimte om de huurprijs meer in verhouding te brengen met de kwaliteit.

Door de combinatie van de verhoging van de maximale huur en de extra huurverhoging van 5% meen ik dat er sprake is van een effectieve prikkel voor doorstroming en niet van een boete die stagnatie bevordert.

Met deze maatregel wordt meer ruimte en marktwerking op de huurwoningmarkt beoogd. Ik zie de maatregel niet als een verhuisboete maar juist als een stimulans voor verhuurders tot investeringen in woningen in schaarstegebieden waardoor het aanbod zal toenemen.

De maatregel houdt overigens niet in, dat over de gehele linie nieuwe huren met maximaal € 120 moeten worden verhoogd. Het is aan verhuurders om hun eigen huurprijsbeleid te bepalen binnen de kaders die de rijksregelgeving biedt en de afspraken die daarover met gemeenten zijn of worden gemaakt.

Vraag 34:

Verzoek aan de minister om goed te kijken naar de maatregelen mbt de marktwerking in de woningmarkt en de afspraken die daarover gemaakt zijn.

Antwoord:

Het beleid van het kabinet ten aanzien van de woningmarkt is in de woonvisie neergelegd en onlangs met u besproken. De daaruit voortvloeiende acties worden opgepakt. Enkele maatregelen zijn al ingevoerd.

Vraag 36:

De subsidie aan de LSA stopt in 2013. Is de minister bereid om middelen te zoeken om dit ook in de toekomst blijvend mogelijk te maken gelet op het feit dat hij bewonersparticipatie ook belangrijk vindt?

Antwoord:

Het Landelijke Samenwerkingsverband Aandachtswijken (LSA) speelt een belangrijke rol in het betrekken van bewoners bij het verbeteren van de leefbaarheid in de eigen buurt of wijk. Met het LSA wordt momenteel geëxperimenteerd op het terrein van de wijkonderneming waarvoor het LSA een aanvullende projectsubsidie gaat ontvangen. Ik ben voornemens om begin 2013 de effectiviteit van de subsidieaanvraag van het LSA te evalueren. Op basis van deze evaluatie zal ik – mede in het licht van het belang dat ik inderdaad aan bewonersparticipatie hecht – bezien of en hoe de subsidie na 2013 wordt gecontinueerd.

Vraag 38:

Is de minister bereid tot het vrijmaken van € 100.000 aan onderzoeksbudget voor een award voor de best betaalbare woning per inkomensgroep, waarbij gelet wordt op energieneutraliteit en de maximale woonlasten die de groep kan dragen?

Antwoord:

Indien partijen in het veld hier animo voor hebben zal ik dit met belangstelling volgen. Ik geloof echter dat de minister in deze geen rol moet hebben.

Vraag 39:

De PvdA verzoekt de minister dringend zich niet blind te staren op de maatregelen uit het Regeerakkoord, die, zoals de verhuisboete, juist een tegengesteld effect hebben. Graag de reactie van de minister hierop.

Antwoord:

Het beleid van het kabinet ten aanzien van de woningmarkt is in de woonvisie neergelegd en onlangs met u besproken. De daaruit voortvloeiende acties zijn opgepakt.

Het betreft hier een samenhangend pakket aan maatregelen waarmee het kabinet inzet op een betere werking van de huurmarkt en versterking van het vertrouwen in de koopmarkt.

Ten behoeve van de doorstroming worden meerdere maatregelen ingezet. In de huursector wordt de doorstroming bevorderd door de combinatie van het verhogen van de maximale huur in schaarstegebieden en de extra ruimte via huurverhoging voor huishoudens met een inkomen boven € 43.000. De woningtoewijzing van huurwoningen van corporaties wordt meer toegespitst op huishoudens met lagere inkomens als gevolg van de staatssteunregels. De doorstroming naar de koopsector wordt bevorderd door te regelen dat huurders hun huurwoning van de corporatie kunnen kopen tegen een redelijke prijs.

Het kabinet biedt vertrouwen aan woningkopers door handhaving van de hypotheekrenteaftrek. Gelet op de stagnatie op de woningmarkt is ondermeer de overdrachtsbelasting tijdelijk verlaagd. Uiteraard staat het denken niet stil. Ik sta steeds open voor nieuwe gedachten, maar zal er op letten of die een meerderheid kunnen krijgen.

Fractie: VVD

Vraag 40:

Hoe krijgt men woningen energiezuiniger? Wie kan de consument hiervoor bellen (met vragen)? Wanneer kunnen we de verkenning niet-financiele prikkels energiebesparing verwachten? Kan er een energieloket komen, waar de particulieren terecht kunnen voor de verbetering van de eigen woning? Graag een reactie van de minister.

Antwoord:

Het energiezuiniger maken van woningen wordt bereikt door het nemen van energiebesparende maatregelen, zoals bijvoorbeeld het aanbrengen van isolatie of het plaatsen van een nieuwe verwarmingsketel. Voor informatie hierover kunnen particulieren in veel gemeenten terecht bij een energieloket. Bijvoorbeeld in de provincie Overijssel hebben vrijwel alle gemeenten al zo’n loket. Er kan ook, digitaal of telefonisch, informatie worden verkregen bij Milieu Centraal. Dit is een onafhankelijke, landelijk werkende organisatie die consumenten praktische informatie biedt, onder andere op het gebied van energiebesparing.

De verkenning naar niet-fiscale prijsprikkels wordt momenteel uitgevoerd onder leiding van de minister van E&LI. De Kamer zal in het voorjaar 2012 geinformeerd worden over de uitkomsten van deze verkenning.

Fractie: VVD en CU

Vraag 42 en 22:

Graag een reactie van de minister op de mogelijkheden van het versoepelen van de regels onder de leegstandswet zodag het aantrekkelijker wordt om een tweede woning te verhuren.

Antwoord:

De Leegstandwet is de aangewezen weg om te koop staande woningen tijdelijk te verhuren. Daarbij wordt een gemeentelijke vergunning gehanteerd. De voorwaarden die daarbij gelden zijn bedoeld om het volgende te waarborgen:

  • 1. deze vorm van tijdelijke verhuur wordt slechts toegepast in de situaties waarvoor deze bedoeld is en dus niet door huisjesmelkers wordt misbruikt;

  • 2. de huurder is ervan op de hoogte dat hij een contract aangaat met een beperkte vorm van huurbescherming;

  • 3. de eigenaar krijgt een document waarmee hij bij de hypotheekbank kan aantonen dat de woning bij verkoop vrij van huur kan worden opgeleverd.

Over het algemeen werken banken alleen maar mee aan tijdelijke verhuur op grond van de Leegstandwet als ze beschikken over deze waarborg dat de woning vrij van verhuur kan worden verkocht.

Uw Kamer heeft op 31 mei 2011 het wetsvoorstel van de «Verzamelwet van rechtswege vergunning» (32454) aangenomen. Dit voorstel ligt nu ter behandeling in de Eerste Kamer. Deze wet bepaalt dat vergunningen – zoals de onderhavige op grond van de Leegstandwet – van rechtswege verleend worden indien de gemeente de beslistermijn ongebruikt laat verstrijken. Dat leidt er toe dat woningeigenaren geen nadeel hebben van gemeenten die lang doen over de besluitvorming ten aanzien van de vergunningverlening. Daarmee wordt het gebruik van de Leegstandwet dus al versoepeld.

Ik zal nader bezien of er nog verantwoorde mogelijkheden zijn om voor deze categorie van tijdelijke verhuur (categorie te koop staande woningen) onderdelen van de huurprijsregelgeving buiten toepassing te verklaren. Ik zal de Kamer daarover in de eerder toegezegde brief over Huur op Maat, tijdelijke huurcontracten en het plan van D66 ‘Weg met de wachtlijst’ informeren.

Fractie: VVD

Vraag 43:

Er moet meer ruimte komen voor kleinschalige bouwlocaties, ook in het Groene Hart. Wanneer komt de minister met een voorstel hiertoe?

Antwoord:

Het kabinet kiest, teneinde beter aan te sluiten bij de woningvraag van de consument, voor meer ruimte voor kleinschalige locaties en natuurlijke groei (onder andere in het Groene Hart).

Met de ontwerp-Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervallen diverse beperkingen op rijksniveau (bijvoorbeeld ruimtelijke regimes van rijksbufferzones, nationale landschappen, herijking Ecologische HoofdStructuur). Op deze wijze schept de rijksoverheid in het nationaal beleid meer ruimte voor regionaal maatwerk in de woningbouw.

Het is nu aan de decentrale overheden om in de uitvoering van het ruimtelijk beleid,waaronder ook de woningbouw, gebruik te maken van de ruimte die het kabinet biedt. Het kabinet verwacht dat de provincies er op toezien dat bij de uitvoering van de ruimtelijke ordening rekening wordt gehouden met de rijksdoelstellingen voor woningbouw. Het gaat daarbij onder andere om: voldoende ruimte voor woningbouw in aansluiting op de kwalitatieve vraag, meer ruimte voor kleinschalige bouwlocaties ook in het Groene Hart, en meer ruimte voor particulier opdrachtgeverschap en voor meegroei-, mantelzorg- en meergeneratiewoningen.

Fractie: SP

Vraag 45:

Met minder mensen die een koopwoning kunnen betalen, moeten er meer sociale huurwoningen zijn. Dit staat haaks op de uitverkoop van de sociale huursector met het right to buy uit het regeerakkoord. Is er op dit punt al voortschrijdend inzicht bij de minister?

Antwoord:

Laat ik voorop stellen dat van uitverkoop geen sprake is. We hebben ook met eigendomsrecht te maken. Er zijn dus grenzen aan de mogelijkheden van kooprecht voor huurders. Maar het kabinet streeft wel naar een zo breed mogelijke invulling van het kooprecht met als doel dat mensen zelf kunnen kiezen tussen een huurwoning of een koopwoning.

De bereikbaarheid van een koopwoning voor een huishouden is daarbij van vele factoren afhankelijk, zoals het inkomen, eventueel vermogen, de koopprijzen, bijkomende kosten, rente en andere leningsvoorwaarden.

Een kooprecht houdt geen koopplicht in. Als minder hurende huishoudens kunnen kopen dan zullen er ook minder sociale huurwoningen worden verkocht. Bovendien, als wel wordt verkocht in het kader van kooprecht, dan gaat het om verkoop aan de zittende huurder die de woning anders ook bezet zou houden.

Vraag 46:

Is de minister bereid om na te denken over een positievere benadering bijvoorbeeld om corporaties pas achteraf heffingen op te leggen als de leefbaarheid achteruit gaat in wijken.

Antwoord:

In het Regeerakkoord heeft het Kabinet aangegeven dat de «Vogelaarheffing» wordt afgeschaft. Er komt dus geen heffing die een directe relatie heeft met de leefbaarheid van wijken. Het Regeerakkoord kondigt wel een nieuwe heffing aan vanaf 2014 voor alle verhuurders met meer dan 10 woningen als bijdrage aan de huurtoeslag. Deze heffing geldt dus niet alleen voor corporaties. Deze heffing is noodzakelijk voor het dekken van de uitgaven aan huurtoeslag en het ligt dus niet in de rede om deze afhankelijk te maken van prestaties van corporaties. Overigens heeft de eerder met de kamer besproken analyse van het CFV aangetoond dat macro gezien de investeringen van de corporaties niet onder deze heffing hoeven te leiden. Ik ga er vanuit dat lokale en regionale knelpunten door samenwerking tussen corporaties kunnen worden opgelost.

Vraag 47:

Gaat de Minister een beweging maken mbt tot de opgave om te komen tot betaalbare woningen? Geldt voor alle inkomensgroepen in Nederland.

Antwoord:

De veronderstelling dat steeds minder mensen een koophuis kunnen betalen is een te snelle conclusie. De koopprijzen zijn gedaald, de rente is nog steeds laag, dit kabinet heeft de overdrachtsbelasting verlaagd, de hypotheekrenteaftrek gehandhaafd en de verhoging van de NHG verlengd. Wel zijn de leenvoorwaarden voor het verstrekken van hypotheken aangescherpt. Maar het belangrijkste is mijns inziens dat als gevolg van een gebrek aan vertrouwen in de economie veel mensen zich echter op dit moment terughoudend opstellen. Tegelijkertijd wijst onderzoek uit dat er een structureel hoge vraag is naar koopwoningen. Hierop sluit het kabinet aan door de introductie van het kooprecht, zodat er een breder segment betaalbare koopwoningen op de markt ontstaat, waarmee beter aan de vraag van woningzoekenden kan worden voldaan. Zittende huurders krijgen de mogelijkheid om hun woning van de corporatie te kopen, waarbij uiteraard geen sprake is van een koopplicht, maar van een kooprecht. Voor de corporaties levert dit middelen op die zij kunnen gebruiken om te investeren in woningen voor de doelgroep en in de leefbaarheid van wijken en buurten.

Het kabinet staat voor de beschikbaarheid van voldoende betaalbare huurwoningen. Hier zet het kabinet ook op in. Allereerst door de inflatievolgende huurstijging voor huishoudens met een inkomen tot 43.000 euro. Daarnaast wordt de betaalbaarheid voor de laagste inkomens gegarandeerd door de huurtoeslag.

Het is van belang dat er voldoende betaalbare woningen zijn voor de doelgroep. Gegeven de omvang en samenstelling van het huidige corporatiebezit is er meer dan voldoende ruimte om de doelgroep te huivesten. Er zijn 2,4 miljoen corporatiewoningen tegenover een doelgroep van 1,9 miljoen huishoudens in de huursector, waarvan er overigens nog een aantal in de particuliere sector huurt.

In het kader van het afgrenzen van staatssteun voor de DAEB-activiteiten van corporaties moet nu 90% van de woningen met een huur onder € 652 per maand worden toegewezen aan de doelgroep. Dat was in het verleden circa 75%. De slaagkansen van de doelgroep worden daarmee groter.

Vraag 48:

Waarom is er een open-einderegeling op de Hypotheekrenteaftrek en villasubsidie, maar wordt er gekort op de Huurtoeslag?

Antwoord:

De maatregelen in de huurtoeslag zijn noodzakelijk vanwege de budgettaire overschrijdingen waarbij gezien de financiële positie van de overheidsfinanciën het niet mogelijk maakt de tekorten op andere wijze te dekken. De andere regelingen waar de vragensteller naar verwijst maken onderdeel uit van het fiscale kader en vallen daarmee onder een andere budgettair kader. Bovendien is het Kabinet van mening dat het gegeven de stand van zaken op de markt van koopwoningen onwenselijk is daar met beperkende maatregelen te komen. Het kabinet heeft al eerder in de Woonvisie aangegeven geen wijzigingen zullen worden aangebracht in de hypotheekrenteaftrek.

Vraag 50:

Voor het komend jaar is ‘slechts’ € 5,8 mln. beschikbaar voor bewonersinitiatieven voor bewoners. Karabulut dient een amendement in met als doel dat bewoners wél mogelijkheden behouden om initiatieven te nemen. Graag een reactie van de minister.

Antwoord:

In 2012 is € 5,8 miljoen beschikbaar voor het beleidsprogramma woonomgeving. Hieronder vallen ondermeer de uitvoering van het plan van aanpak bevolkingsdaling, de preventieve aanpak in de Ortega-gemeenten, de uitvoering van de charters met aandachtswijken en bewonersparticipatie.

In de periode 2008–2011 is in totaal € 95 miljoen aan bewonersbudgetten aan de G32 en 40+ gemeenten beschikbaar gesteld. Deze budgetten voor bewonersinitiatieven worden tot en met eind 2011 verstrekt. Gemeenten die deze middelen nog niet hebben uitgeput, kunnen deze ook in de komende jaren nog inzetten.

In de afgelopen vier jaar is geëxperimenteerd met de vouchersystematiek en zijn de werking van de vouchers en het effect van de bewonersinitiatieven onderzocht. Hieruit blijkt dat de initiatieven een positieve bijdrage hebben geleverd aan het vergroten van de leefbaarheid en sociale cohesie. De mate van participatie en zeggenschap is toegenomen. Tevens heeft het geleid tot een verbetering van de relatie tussen bewoners en professionals.

Nu is het aan de gemeenten om op lokaal niveau de bewonersbudgetten voort te zetten. Het ministerie van BZK ondersteunt met kennisuitwisseling en experimenteerruimte.

Vraag 51:

Is de Minister bereid concrete afspraken/convenanten (over financiën, Rijkshuisvesting, etc.) met krimpgebieden te maken om de Rijksoverheid mede-probleemeigenaar te maken?

Antwoord:

Gemeenten zijn eerstverantwoordelijk voor de aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling. De provincie heeft een regierol, in het bijzonder in het fysieke domein. Ik ben in overleg met gemeenten en provincies die met bevolkingsdaling te maken hebben en krijgen. Inzet is om concrete afspraken te maken, al dan niet in de vorm van convenanten, over hoe het Rijk gemeenten en provincies kan ondersteunen bij de aanpak van de gevolgen van bevolkingsdaling.

Fractie: CDA

Vraag 52:

Wat gaat het Kabinet doet aan de focus op het verhogen van het aanbod voor middeninkomens (huren tussen 600–800 euro), ongeacht de ontwikkelingen in Brussel?

Antwoord:

Het kabinet neemt diverse maatregelen om het aanbod in het middensegment van de huursector te vergroten. In het algemeen zal de regel dat minimaal 90% van de vrijkomende sociale huurwoningen voortaan moet worden toegewezen aan huishoudens met een inkomen tot € 33.614, bij huishoudens met een inkomen boven deze grens leiden tot meer vraag naar huurwoningen in het middensegment. Dit zal zowel woningcorporaties als particuliere verhuurders stimuleren meer aanbod in dit segment te creëren.

Woningcorporaties kunnen daartoe vrijkomende sociale huurwoningen met meer dan 142 WWS-punten boven de liberaliseringsgrens van € 652,52 brengen. Dat was al mogelijk voor 40% van alle sociale huurwoningen. Door de extra WWS-punten in schaarstegebieden zal dit percentage nog hoger worden. Daarnaast is het de inzet van het kabinet om bij de nadere regelgeving op grond van de Woningwet corporaties voldoende mogelijkheden te geven te bouwen en te verhuren voor de middeninkomens.

Voor particuliere verhuurders wordt het aanbod in het middensegment aantrekkelijker gemaakt doordat er een gelijk speelveld met corporaties ontstaat. Corporaties moeten immers sinds begin 2011 zonder staatssteun (zoals WSW-borging) opereren in het geliberaliseerde huursegment. Daarnaast kunnen particuliere verhuurders vanwege de op 1 november j.l. in werking getreden circulaire Verkoop Corporatiewoningen gemakkelijker (al dan niet complexgewijs) woningen kopen van woningcorporaties, met name waar het gaat om woningen met huren die boven de liberaliseringsgrens liggen. IVBN heeft in haar recente visie op de huurwoningmarkt al aangegeven dat institutionele beleggers mogelijkheden zien om te beleggen in het middensegment van de huurmarkt. Zij achten een verdubbeling van hun aanbod mogelijk, deels door nieuwbouw, deels door de aankoop van corporatiewoningen.

Met deze maatregelen schept het kabinet de randvoorwaarden voor corporaties en particuliere verhuurders om meer woningen in het middensegment aan te kunnen en willen bieden. Uiteraard blijf ik mij inzetten voor het bevorderen van het aanbod woningen voor het genoemde segment onder meer door partijen bij elkaar te brengen en daar waar nodig een faciliterende rol te spelen.

Vraag 54:

De minister als koppelaar om dochters van woningcorporaties uit te huwelijken? Waarom zijn er geen voorwaarden meegegeven door het kabinet?

Antwoord:

Onlangs heeft het kabinet de mogelijkheden voor corporaties om woningen te verkopen aan beleggers en aan dochters verruimd. Bij die verruiming zijn wel voorwaarden meegegeven, namelijk voorwaarden die eerder ook al in de Woonvisie van het kabinet waren aangekondigd: het vastleggen van een minimale exploitatieperiode en winstdeling om speculatie te voorkomen.

Voor zowel sociale als commerciële huurwoningen zal worden toegezien dat dergelijke overdrachten voor een redelijke prijs plaatsvinden zodat het maatschappelijk bestemde vermogen voor de sociale huursector behouden blijft. De huurders van dergelijke woningen behouden uiteraard ook de huurprijsbescherming die het Burgerlijk Wetboek hen biedt.

Wat betreft de oproep om met een plan van aanpak te komen om dochters van corporaties liaisons te laten aangaan met pensioenfondsen en andere institutionele beleggers, ben ik van oordeel dat een dergelijk initiatief primair vanuit de sectoren zelf zou moeten komen. Ik blijf dat wel volgen en zal waar behulpzaam is partijen soms een ‘zetje’ kunnen geven. Zo heb ik de rol van een koppelaar altijd begrepen; het is geen huwelijksmakelaar.

Vraag 55:

Er bestaat een keurmerk voor partijen die zich richten op beheer en onderhoud. Toch is het stelsel nog niet voldoende en horen we uit het veld dat het keurmerk nog verre van optimaal is. Een beroep op de Minister hoe we een ANWB en Bovag inrichten voor VVE’s? Wat met auto’s kan, kan toch ook met woningen?

Antwoord:

De situatie ten aanzien van de VVE’s is niet optimaal. Dit heeft verschillende redenen. Ten eerste speelt mee dat een deel van met name de kleine VVE’s nog steeds een slapend bestaan kent. Om dit te activeren is recent de wet gewijzigd, zodat gemeenten een vergadering van de VVE bijeen kunnen roepen en punten op de agenda kunnen zetten. Van belang hierbij is ook de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, zodat helder is wie de bestuurder is van een VVE.

In de praktijk besteden veel VVE’s het beheer/de administratie uit aan een administratiekantoor. Een beperkt deel van de administratiekantoren heeft een keurmerk.

In overleg met de betrokken branche-organisaties wil ik de komende tijd bezien of het mogelijk is het (belang van het hebben van een) keurmerk prominenter neer te zetten en onder de aandacht van de VVE’s te brengen.

Vraag 56:

Kan de Minister met een stappenplan komen tot een heffing bij verhuurders? Het CDA wil tot een evenwichtige verdeling komen in relatie tot de kosten (korting) van de Huurtoeslag.

Antwoord:

De planning is om in het voorjaar van 2012 een nadere uitwerking van de heffing bij verhuurders met ingang van 1 januari 2014 aan de Tweede Kamer voor te leggen. Op dat moment kan dan ook met uw Kamer het debat gevoerd worden over de effecten van deze heffing en de samenhang met de huurprijsstelling van corporaties en de huurtoeslag.

Vraag 58:

Graag een reactie van de Minister op de mogelijkheid tot meer flexibiliteit in bestemmingsplannen, om tot een minder harde scheiding te komen tussen wonen en werken te komen.

Antwoord:

Ook het Kabinet wil dat er vaker gebruik wordt gemaakt van flexibele bestemmingsplannen. In de woonvisie heb ik dit ook aangegeven. Essentie van flexibele bestemmingsplannen is dat wanneer bij het opstellen van het bestemmingsplan rekening wordt gehouden met meerdere mogelijke functies, geen strikte scheiding tussen bijvoorbeeld wonen en werken nodig is. De snelheid van locatieontwikkelingen wordt hierdoor bevorderd. In dit verband wordt door de minster van Infrastructuur en Milieu, nader gekeken naar de voorwaarden waaronder de financiële uitvoerbaarheid van flexibele bestemmingsplannen kan worden gewaarborgd.

Fractie: D66

Vraag 60:

Is de Minister bereid te onderzoeken wat precies de juridische knelpunten zijn, en welke mogelijkheden er zijn om knelpunten met betrekking tot de huurbescherming weg te nemen, bijvoorbeeld door tijdelijke contracten?

Antwoord:

Ik heb u tijdens het Algemeen Overleg over de Woonvisie toegezegd de Kamer te informeren over de evaluatie van Huur op Maat en daarbij in te gaan op tijdelijke huurcontracten en het D66-plan ‘Weg met de wachtlijst’.

Ik zal daarbij dus ook ingaan op de mogelijkheden voor tijdelijke huurcontracten.

Ik vind het D66-plan sympathiek, wel heeft het aspecten die nader onderzoek vergen. Het gaat daarbij ondermeer om de effecten op de huurbescherming en om de hoogte van een huursprong bij een hoger inkomen. Om dit verder te onderzoeken zou een experiment op dit terrein wenselijk zijn, bijvoorbeeld in Amsterdam.

Ik zal hier in mijn brief, die u voor het eind van het jaar tegemoet kunt zien, verder op ingaan.

Vraag 61:

Is de minister bereid om bij Najaarsnota het Fonds Startersleningen aan te vullen met 40 miljoen euro?

Antwoord:

Ik ben zeer gevoelig voor het belang en de positie van starters op de woningmarkt. Tegelijk worden de drempels voor toetreding in deze periode vooral verlaagd door de lagere huizenprijzen en de groei van het aanbod. Ik zie geen ruimte om budget voor startersleningen vrij te maken. Mijn voorkeur gaat overigens niet uit naar een gefragmenteerde aanpak door het stapelen van specifieke maatregelen voor specifieke groepen, maar naar generiek beleid. Generieke maatregelen zullen ook beter werken dan maatregelen voor specifieke groepen om de doorstroming in de woningmarkt als geheel weer op gang te helpen. Starters profiteren juist bij uitstek van de generieke maatregelen, zoals de tijdelijke verlaging van de overdrachtsbelasting, de tijdelijke verruiming van de NHG en de verschillende koopmogelijkheden van corporatiewoningen.

Vraag 62:

Is de Minister bereid om snelheid te maken om de toegankelijkheid van executieveilingen voor particulieren te verbeteren?

Antwoord:

De verwachting is dat de Minister van V&J eind van het jaar het wetsvoorstel aan de Kamer zal aanbieden. Het wetsvoorstel beoogt de toegankelijkheid en transparantie van executieveilingen te verbeteren.

Vraag 63:

Kent de minister het initiatief VVE 010, dat VVE’s in Rotterdam helpt bij het opknappen van woonblokken en het energiezuinig maken van woningen?

Antwoord:

Ja.

De stichting VVE 010 ondersteunt Rotterdamse VVE’s bij het uitvoeren van hun taken. Op het gebied van energiebesparing heeft VVE 010 een samenwerking met het klimaatbureau van de gemeente Rotterdam. Dit voorbeeld past uitstekend binnen het plan van aanpak energiebesparing in de gebouwde omgeving.

Vraag 64:

Kan de minister iets doen aan het feit dat besturen van VVE’s zich in moeten schrijven bij de KVK? Dit zorgt voor administratieve rompslomp.

Antwoord:

De zorgen over slapende VVE’s zijn terecht. De prangende situatie bijvoorbeeld met veel gespreid en veelal slecht onderhouden bezit in Rotterdam Zuid onderstreept de noodzaak van geregistreerde VVE’s die het mogelijk maken bewoners, al dan niet via de bestuurders hiervan, te benaderen en waar nodig gericht aan te schrijven. Registratie en inschrijving bij de KvK helpt hierbij zeer. Want hierdoor wordt men gedwongen aan te geven wie binnen de VVE welke verantwoordelijkheid draagt. Voor zowel de VVE als voor derden is van groot belang dat bekend is wie binnen de VVE bevoegd is tot het (namens de VVE) doen van juridische handelingen, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van onderhoudscontracten.

De genoemde voordelen wegen ruim op tegen de beperkte administratieve rompslomp. De kosten van inschrijving zijn relatief laat (26 eur) en is derhalve geen obstakel. Mede ook omdat de inschrijving bij de KvK een eenmalige actie is en nadien alleen wijzigingen door gegeven hoeven te worden. Bij een VVE van een paar woningen zal dat mijns inziens slechts eens in de zoveel jaar (in verband met woningverkoop en bijgevolg aanpassing van het bestuur) het geval zijn. Desalniettemin zal ik bezien of nog administratieve lasten kunnen worden teruggedrongen.

Vraag 65:

Wanneer kunnen we de Minister toevoegen aan de lange lijst met namen van instanties en personen die staan voor hervormingen op de woningmarkt, zoals de OESO, IMF, SER, AFM etc?

Antwoord:

U grijpt de rapporten van de OESO, CPB, IMF en andere instituten aan om nog een keer het punt van de beperking van de hypotheekrenteaftrek te maken. Wij hebben daar al uitgebreid met elkaar over gesproken. Dit kabinet heeft haar integrale visie op de woningmarkt gepresenteerd. Vanuit het perspectief van de woningmarkt is, gelet op de langjarige verplichtingen van kopers voor de financiering van de eigen woning, zekerheid over de hypotheekaftrek nu cruciaal. Het kabinet vindt belangrijk dat kopers niet te grote risico’s nemen bij de aanschaf van een woning. Zekerheid over handhaving van de hypotheekrenteaftrek speelt een belangrijke rol bij het vertrouwen in de koopmarkt. In de huursector wil het kabinet bereiken dat de sociale huurvoorraad ook echt beschikbaar is voor hen die dat nodig hebben, de doelgroep van beleid.

Fractie: PVV

Vraag 66:

Welke concrete stappen kan de minister nemen om de groep starters op de koopmarkt door de storm heen te helpen?

Antwoord:

Starters zijn inderdaad belangrijk voor de woningmarkt. Zij kunnen de motor vormen voor de markt omdat zij geen eigen woning te verkopen hebben. Als gevolg van de crisis kunnen starters profiteren van de gedaalde huizenprijzen. Bovendien is de rente nog relatief laag. Daarnaast profiteren starters van de generiek verlaagde overdrachtsbelasting en de verschillende koopmogelijkheden voor corporatiewoningen. Verder wil ik erop wijzen dat in 2012 de regels van de NHG worden aangepast waardoor voor tweeverdieners op verantwoorde wijze doorgaans een iets hogere lening mogelijk wordt. Het zal mogelijk worden om het tweede inkomen voor 1/3 mee te tellen bij de bepaling van het zogenaamde financieringslastpercentage, het aandeel van het inkomen dat volgens de normen aan hypotheeklasten mag worden besteed, waardoor in veel gevallen een hogere hypotheek mogelijk wordt in 2012.

Vraag 68:

Zijn er mogelijkheden voor een centraal register voor huurders die wegens overlast hun corporatiewoning zijn uitgezet?

Antwoord:

Er zijn twee particuliere initiatieven van centrale registers voor huurders:

  • - Het national meldpunt ongewenst huurgedrag (NMOH),

  • - Het waarderingsregister huurders (WRH).

Bij het NMOH zijn ongeveer 100 verhuurders aangesloten. Bij het WRH 600. Het betreft hier zowel corporaties, particuliere verhuurders als makelaars (die verhuur regelen). De gevraagde centrale registers zijn derhalve voorhanden.

Vraag 69:

Is de minister bereid om een verplichte keuring in te stellen voor moderne balans/ventilatiesystemen in corporatiewoningen om een gezonde leefomgeving te realiseren voor huurders?

Antwoord:

Een verplichte keuring voor ventilatiesystemen levert extra regeldruk op en de naleving van een dergelijke verplichting is moeilijk te controleren. Bovendien is een verplichting alleen voor corporaties wettelijk niet goed mogelijk vanwege het ontstaan van rechtsongelijkheid.

Een gezonde leefomgeving wordt geborgd door het deugdelijk aanbrengen van de ventilatiesystemen en goed onderhoud ervan. Over het deugdelijk aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van de systemen heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu in de Nationale aanpak milieu en gezondheid al toezeggingen gedaan aan de Kamer (juli 2011). Sinds de problemen met de balansventilatie in de Amersfoortse wijk Vathorst hebben corporaties aandacht voor goed onderhoud. Ik zal het belang van regelmatige controles van mechanische ventilatiesystemen in corporatiewoningen bij Aedes benadrukken, en wil bespreken welke mogelijkheden er zijn met betrekking tot verbetering van de kwaliteitscontrole.

Vraag 71:

Er is een toename van te hoge toekenningen van de huurtoeslag. Dit leidt tot hoge terugvorderingen jaren later. Kwestbare mensen zijn hierdoor extra kwetsbaar. Zijn er in het nieuwe belastingplan hierover afspraken gemaakt? Zijn huurders gewaarschuwd voor een mogelijke te hoge toekenning?

Antwoord:

Naar genoemde problematiek is uitgebreid onderzoek gedaan. Er is inderdaad geconstateerd dat er een groep aanvragers is die op basis van een te lage schatting van het inkomen geen of slechts beperkt recht op huurtoeslag heeft, maar die steeds opnieuw toekenningen en vorderingen krijgt.

De Belastingdienst onderzoekt maatregelen om het aantal terugvorderingen van deze groep terug te dringen.

Dit betreft o.a. het stopzetten van aanvragen van aanvragers die waarschijnlijk geen recht hebben tot het aanschrijven van bepaalde groepen, waarbij de kans is dat ze geen of beperkt recht hebben op huurtoeslag met het verzoek eventuele wijzigingen aan de Belastingdienst door te geven.

Het aanpakken van deze problematiek heeft geen plaats in het Belastingplan, omdat het op dit moment door maatregelen in de uitvoering wordt aangepakt. Mocht bijvoorbeeld uit bovengenoemde werkgroep blijken dat ook de regelgeving dient te worden aangepast, zal dan een wetgevingstraject in gang worden gezet.

Vraag 72:

Corporaties: hoe staat het met de motie over meldplicht asbest in corporatiewoningen? Investeren corporaties inmiddels voldoende in communicatie richting huurders hierover (over aanwezigheid asbest in huurwoningen)?

Antwoord:

Uw Kamer is bij brief van 8 juli 2011 geïnformeerd over de vervolgstappen naar aanleiding van de moties over de voorlichting over asbest door woningcorporaties aan hun huurders. Bij Aedes is aandacht gevraagd voor goede voorlichting over asbest in woningen en voor de zorgplicht van de corporaties in deze. Aedes draagt aan haar leden uit dat corporaties transparant moeten zijn richting hun huurders. Het beeld is dat de corporaties hieraan invulling geven. Aedes werkt in overleg met het ministerie van Infrastructuur en Milieu aan producten die de voorlichting verder moeten verbeteren, zoals een handboek en best practices die naar verwachting eind dit jaar beschikbaar komen.

Fractie: Groenlinks

Vraag 74:

Is het kabinet bereid tot het verlagen van BTW voor transformatie om leegstand te bestrijden?

Antwoord:

Het kabinet is op verschillende wijze betrokken bij het streven om leegstaande kantoren te transformeren in woningen; met name via vereenvoudiging van regelgeving en aanpassing bepalingen ruimtelijke ordening Er is echter geen budget beschikbaar. De schaarse middelen zijn niet toereikend om dit te doen.

Tevens zijn de mogelijkheden op dat punt voor wijziging van wetgeving waaraan Europese regelgeving ten grondslag ligt, beperkt.

Dat geldt in het bijzonder voor de BTW, waar een verlaagd tarief voor niet-woningen niet wordt toegestaan volgens de richtlijnen.

Maatregelen voor een specifiek segment, zoals voor kantoren, moeten worden voorgelegd aan de Europese Commissie. Het risico bestaat dat zij worden aangemerkt als ongeoorloofde staatssteun.

Vraag 76:

Is het Kabinet bereid met corporaties en gemeenten in conclaaf te gaan over leegstand op locaties zoals defensieterrein Merwedekanaal in Utrecht?

Antwoord:

Ja, het kabinet is over het hergebruik en het geven van eventuele andere bestemmingen van complexen in rijksbezit met partijen in gesprek.

Vraag 77:

Kinderen blijven langer thuiswonen, hiervoor zijn toegeruste woningen nodig. Realiseert het kabinet zich dat er dan extra maatregelen voor huurwoningen nodig zijn? In de huurvisie is hierover namelijk niets opgenomen? Kan de minister aangeven hoe de scheiding tussen wonen en zorg goed aangepakt kan worden?

Antwoord:

Of kinderen met 18 jaar, 23 jaar of 28 jaar uit huis gaan: voor de fysieke kenmerken van de woning maakt dat niet veel verschil. Extra maatregelen lijken derhalve niet aan de orde.

Op 1 juni 2011 heeft uw Kamer over onder meer het scheiden van wonen en zorg een brief van de staatssecretaris van VWS ontvangen. Hierin wordt aangekondigd dat per 1 januari 2014 gestart wordt met het scheiden van wonen en zorg, een proces dat in 2018 afgerond moet zijn.

Fractie: SGP

Vraag 78:

In hoeverre zijn er provinciale belemmeringen (die een aantrekkelijk klimaat voor investering in de bouw in de weg staan) als het gaat om het realiseren van de eigen woningbehoefte? Wat is het perspectief voor starters? Wat zijn de mogelijkheden voor mantelzorg en generatiewoningen?

Antwoord:

Om in de woningbehoefte van de consument te kunnen voorzien vindt het kabinet het belangrijk dat er meer ruimte komt voor woningbouw. Hiertoe heeft het kabinet in de Structuurvisie Infrastructuuur en Ruimte ruimtelijke beperkingen van rijkswege weggenomen. Het kabinet verwacht van provincies dat ook zij eventuele beperkingen in hun regelgeving wegnemen, om zo goed mogelijk te kunnen voorzien in de woningbehoefte van de consument. Wanneer blijkt dat provincies (maar ook gemeenten) bij locatieontwikkelingen in onvoldoende mate rekening houden met de behoefte van de consument, kan het Rijk hen daarop aanspreken. Ik ga de rol van provincies bij de ontwikkeling van woningbouwlocaties volgen. Wanneer daaruit knelpunten en belemmeringen blijken, dan zal ik hen ook daarop aanspreken.

Als gevolg van de crisis kunnen starters profiteren van de gedaalde huizenprijzen. Bovendien is de rente nog relatief laag. Daarnaast profiteren starters van de generiek verlaagde overdrachtsbelasting en de verschillende koopmogelijkheden voor corporatiewoningen. Verder wil ik erop wijzen dat in 2012 de regels van de NHG worden aangepast waardoor voor tweeverdieners op verantwoorde wijze doorgaans een iets hogere lening mogelijk wordt. Het zal mogelijk worden om het tweede inkomen voor een derde mee te tellen bij de bepaling van het zogenaamde financieringslastpercentage (het aandeel van het inkomen dat volgens de normen aan hypotheeklasten mag worden besteed), waardoor in veel gevallen een hogere hypotheek mogelijk wordt in 2012.

Ik zal u voor het einde van het jaar een brief sturen over de wijze waarop het kabinet belemmeringen wil wegnemen ter stimulering van de bouw van mantelzorg-, meegroei- en meergeneratiewoningen.

Vraag 79:

Kan de minister voor langere termijn integraal kijken naar de balans tussen geldstromen huren en kopen, waarbij ik verwijs naar de onlangs aangenomen motie hierover uit de Eerste Kamer?

Antwoord:

Het kabinet heeft in haar Woonvisie een integrale visie op de koop- en de huurmarkt voor de langere termijn gepresenteerd. Ik heb u eerder gemeld dat ik een nieuwe studie naar de hypotheekrenteaftrek niet nodig vind, omdat er reeds vele studies over dit onderwerp voor handen zijn, zoals de ambtelijke heroverwegingen en de studies van o.a. CPB, SER en de VROM-raad. Dat geldt ook voor studie naar de balans tussen geldstromen m.b.t. huren en kopen. Ik heb toegezegd een overzicht van de eerder verrichte studies aan de Kamer toe te sturen.

Overigens zal het kabinet een reactie op de motie geven voor de Algemene Financiele Beschouwingen in de Eerste Kamer op 22 november a.s. , conform het verzoek van 1 november jl. hiertoe van de voorzitters van de vaste commissie voor Financien en Binnenlandse Zaken van de Eerste Kamer.

Fractie: CDA

Vraag 80:

Ziet de minister met de CDA-fractie mogelijkheden dat particuliere huizenbezitters, bijvoorbeeld in krimpregio’s zich inkopen bij het nieuwe stelsel?

Antwoord:

In de aanpak van de diverse lokale partijen in de krimpgebieden, waarbij ook het Rijk is betrokken, zal de positie van particuliere huizenbezitters een belangrijke plaats innemen. Lokale initiatieven zoals in Heerlen en Oost-Groningen spelen daar reeds op in. De suggestie van de heer Van Bochove zal bij de verdere planvorming voor deze gebieden worden meegenomen.

Integratie en inburgering

Fractie: Christenunie

Vraag 20:

Wat is de visie op betrekken kerken en vrijwilligers? Kan dit worden vormgegeven in een handvest? Kan de Minister komen tot een integrale aanpak om de kracht van vrijwilligers in kerkelijke organisaties te versterken? Graag reactie.

Antwoord:

Het kabinet wil de kracht van de samenleving aanspreken. Om die reden is ook in de Integratiebrief verwoord dat vrijwilligers en kerken een belangrijke rol kunnen hebben bij de integratie en inburgering van nieuwe inwoners in Nederland.

Het vorige kabinet heeft discussies in het land georganiseerd om over een handvest burgerschap te praten. Daarnaast is er onderzocht onder brede lagen van de bevolking hoe mensen over zo’n handvest en de eventuele invulling daarvan denken. Belangrijkste conclusie daaruit is dat de invulling van burgerschap niet van de overheid moeten komen, maar dat mensen, maatschappelijke organisaties en bedrijven zelf invulling geven aan burgerschap.

Fractie: Christenunie, PvdA, CDA

Vraag 21, 84, 99:

Kan de minister waarborgen dat de expertise en kennis mbt minderheden behouden blijft? Wordt hier geld voor vrijgemaakt en op welke termijn kunnen we de plannen verwachten?

Is de Minister bereid om met de LOM in gesprek te gaan en geen onomkeerbare stappen te zetten?

Het LOM slaat een nieuwe weg in Ze zijn bezig met een sociaal contract voor burgerschap en integratie. Welke ondersteuning biedt de minister in de overgangsperiode? Is de minister het er mee eens dat de noodzaak voor gesprek niet verdwijnt na het wegvallen van de wettelijke basis? Hoe ziet de minister bijvoorbeeld de rol als het gaat om spanningen tussen Turkse Nederlanders en Koerdische Nederlanders?

Antwoord:

  • - De beëindiging van de subsidies aan de LOM-samenwerkingsverbanden vindt plaats per 1 januari 2015. Van 2012 t/m 2014 hebben de LOM-samenwerkingsverbanden de gelegenheid om hun kennis en expertise te borgen en om de organisatie af te bouwen.

  • - Naast het Rijk en de LOM-samenwerkingsverbanden hebben ook het expertisecentra zoals FORUM en SCP kennis en expertise m.b.t. minderheden. Met de Jaarrapportage Integratie en de SIM en SING onderzoeken stelt BZK kennis beschikbaar over de positie van verschillende migrantengroepen in de Nederlandse samenleving.

  • - Het kabinet streeft ernaar dat kennis en expertise m.b.t. minderheden aanwezig is bij andere overheden en instellingen. BZK ondersteunt de ontwikkeling en verspreiding van bewezen methoden en interventies.

  • - Voor een effectieve aanpak van integratieproblematiek is een nauw contact met sleutelfiguren en organisaties met kennis over, en een breed netwerk binnen, migrantengemeenschappen van groot belang. Dit om voeling te houden met wat er in de samenleving leeft en om te kunnen vaststellen of het reguliere beleid voldoende effectief is.

  • - De noodzaak voor gesprek blijft na het wegvallen van de wettelijke basis dus bestaan, maar een geïnstitutionaliseerd overleg met organisaties die op etnische basis zijn gevormd, past niet in deze tijd waarin niet de afkomst, maar de toekomst telt.

  • - In het overleg met het LOM van 6 juli 2011 heb ik zelf de LOM-samenwerkingsverbanden voorgesteld om met voorstellen te komen voor nieuwe dialoogvormen.

  • - In mijn volgend overleg met het LOM, nog dit jaar, zal ik met de LOM-samenwerkingsverbanden in gesprek gaan over hun voorstellen voor nieuwe dialoogvormen.

  • - Ik ben niet bereid om de garantie te geven dat ik tot die tijd geen onomkeerbare stappen zal nemen, immers het wetgevingsproces om de Wet Overleg Minderhedenbeleid in te trekken gaat door.

  • - De ongeregeldheden tussen Turken en Koerden hebben zich tot nu toe op lokaal niveau voorgedaan, en het is de verantwoordelijkheid van de burgemeester om de lokale orde te handhaven. Het Inspraakorgaan Turken heeft het initiatief genomen voor een overleg van Turkse en Koerdische organisaties op 26 oktober jl. Ik hoop dat de organisaties ook in de toekomst op deze wijze hun verantwoordelijkheid zullen nemen. Vanzelfsprekend houd ik in dit soort gevallen ook zelf de vinger aan de pols en zal ik in gesprek gaan met de organisaties wanneer dat nodig is.

Fractie: PvdA

Vraag 81:

Om het uitbuiten van oost-europese arbeidsmigranten tegen te gaan, doet PvdA 7 voorstellen. Is de minister bereid de volgende plannen over te nemen?

  • 1. maak uitzendbureaus die verantwoordelijk zijn voor het halen van grote hoeveelheden mensen wettelijk verplicht taallessen aan te bieden

  • 2. huisjesmelken strafbaar maken met nieuw artikel in wetboek van strafrecht

  • 3. huisbaas die huurders onwettig op straat zet moeten niet alleen boete betalen maar ook kosten voor onderdak en terugreizen arbeidsmigranten betalen

  • 4. verbod op verhuren kamers aan meerdere personen tegelijkertijd

  • 5. 7 mln vrijmaken voor het aanstellen van 100 handhavers die zich bezig houden met aanpak illegale verhuur, overlast, etc.

  • 6. wet wijzigen om gemeenten makkelijker te maken panden te sluiten of te onteigenen of bij illegale overlast

  • 7. Opdrachtgevers moeten volledige cao loon uitbetalen aan arbeidsmigranten, ook voor ZZPers

Antwoord:

  • 1. Maak uitzendbureaus die verantwoordelijk zijn voor het halen van grote hoeveelheden mensen wettelijk verplicht taallessen aan te bieden.

    Aangezien het een aangelegenheid is van de minister van SZW zal ik hem op dit punt wijzen. In de volgende voortgangsrapportage over EU arbeidsmigranten zal hier nader op ingegaan worden.

  • 2. Huisjesmelken strafbaar maken met nieuw artikel in wetboek van strafrecht.

    Ik kies voor een publiekrechterlijke aanpak. Over een publiekrechtelijke aanpak is herhaaldelijk contact geweest met Rotterdam. Er wordt een aanpak uitgewerkt waarbij malafide eigenaar eerst een boete krijgt opgelegd en waarbij daarna, indien dit niet heeft geholpen, het beheer van het betreffende pand kan worden overgenomen. Wanneer deze eigenaar ook andere panden op een slechte manier beheerd, dan zou het uiteindelijk mogelijk moeten zijn de gehele woningportefeuille van deze eigenaar in een bepaalde buurt in beheer te geven aan een derde bonafide partij. Dit komt in de buurt van het door wethouder Karakus voorgestelde huurverbod.

    Huisjesmelkerij is geen vaststaand juridisch begrip. Daaronder begrepen zijn uiteenlopende verschijnselen als te hoge huurprijzen vragen, betrokkenheid bij hennepteelt, verwaarlozing van panden, toestaan van overbewoning. Al deze verschijnselen zijn middels bestaande wet- en regelgeving aan te pakken.

    Wil huisjesmelkerij strafbaar worden gesteld, dan zal precies moeten worden omschreven op welke gedragingen het fenomeen huisjesmelkerij ziet. Wanneer de handhavende instanties nu niet toekomen aan het optreden tegen de afzonderlijke normschendingen, dan zal het optreden tegen een combinatie daarvan ook niet van de grond zal komen. Een verdere strafrechtelijke aanpak van huisjesmelkers heeft daarom niet mijn voorkeur.

  • 3. Huisbaas die huurders onwettig op straat zet moeten niet alleen boete betalen maar ook kosten voor onderdak en terugreizen arbeidsmigranten betalen.

    Huurders hebben huurbescherming en huurprijsbescherming. Wanneer een verhuurder het huurcontract wil ontbinden en de huurder is het daar niet mee eens, zal de verhuurder de kantonrechter om een uitspraak moeten vragen.

    Bij logies geldt er geen huurbescherming. Het is een vorm van huisvesting die naar zijn aard van korte duur is. Daar is van belang wat partijen zijn overeengekomen. Vaak bieden werkgevers of uitzendbureaus huisvesting in de vorm van logies aan, waarbij is geregeld dat de huisvesting ophoudt op het moment dat de arbeidsrelatie wordt beëindigd. Dat is een legale overeenkomst.

    Overigens vindt er op dit moment overleg plaats met de koepels van werkgevers en uitzendbureaus en vakbonden om te komen tot vastlegging van goede normen voor goed werkgeverschap en goede huisvesting voor arbeidsmigranten in de CAO’s. In dat kader streven vakbonden ook naar het vastleggen van een redelijke opzeggingstermijn voor huur en logies bij beëindiging van het arbeidscontract.

  • 4. Verbod op verhuren kamers aan meerdere personen tegelijkertijd.

    Bij de verhuur van reguliere woonruimte, zowel zelfstandige als onzelfstandige, gelden de normen van de bouwregelgeving die een minimaal 12 vierkante meter gebruiksoppervlak per in die woning verblijvende persoon verplicht stellen. Overbewoning kan op deze wijze worden voorkomen. Gemeenten kunnen op basis van een eigen huisvestingsverordening ook een vergunning vereisen voor het onttrekken van woonruimte ten behoeve van de bedrijfsmatige verhuur van onzelfstandige woningen en aan die vergunning de eis verbinden van een maximum aantal personen dat samen een huishouden vormt.

    Bij logies zijn er geen wettelijke normen voor een minimum aantal vierkante meters per persoon; werkgevers en werknemers werken aan een norm van minimaal 10 vierkante meter per persoon. Wettelijk gelden overigens wel zware eisen ten aanzien van de (brand)veiligheid. Logies is een vorm van huisvesting die voor met name arbeidsmigranten van groot belang is, vanwege hun vaak tijdelijke verblijf op een plek, de snelle beschikbaarheid en de relatief goedkope prijs. Uit onderzoeken blijkt dat arbeidsmigranten er regelmatig bewust vrijwillig voor kiezen een kamer te delen. Soms omdat zij een relatie met elkaar hebben, in andere gevallen omdat zij (vooral bij kortdurend verblijf in Nederland) kiezen voor zo laag mogelijke verblijfskosten. Een verbod op de verhuur van kamers aan meerdere personen is niet nodig.

  • 5. 7 mln vrijmaken voor het aanstellen van 100 handhavers die zich bezig houden met aanpak illegale verhuur, overlast, etc.

    De wetgever heeft de verantwoordelijkheid voor handhaving op wonen en overlast bij de gemeenten neergelegd. Ik ondersteun de gemeenten actief bij hun handhaving met:

    • - Handreikingen over praktische toepassing van wettelijke mogelijkheden tot tegengaan van overlast en overbewoning

    • - Een ‘netwerk van MOE-landergemeenten’ dat gericht is op kennis- en ervaringsuitwisseling

    • - Aanpassing van de regelgeving om de handhaving effectiever te maken.

  • 6. een financiële ondersteuning is daarbij niet aan de orde.wet wijzigen om gemeenten makkelijker te maken panden te sluiten of te onteigenen of bij illegale overlast

    Een verhuurverbod en een verkoopplicht (snelle onteigening) voor malafide huiseigenaren zijn in maart 2011 ook voorgesteld door de gemeente Rotterdam. Zoals aangegeven bij punt 2 wordt samen met Rotterdam een aanpak uitgewerkt die escaleert van een boete tot het overnemen van het beheer van het totale woningbezit van een eigenaar in een buurt. Dit in aanvulling op het huidige instrumentarium. Er wordt nauw saemn met Rotterdam en de deskundigen gezocht naar een uitwerking die effectief is voor gemeenten, maar niet botst met de wetgeving inzake eigendom en onteigening.

  • 7. Opdrachtgevers moeten volledige cao loon uitbetalen aan arbeidsmigranten, ook voor ZZPers.

    Het betreft hier een onderwerp dat de portefeuille van de minister van SZW raakt. CAO-loon moet altijd worden uitbetaald. Dat is een zaak tussen partijen. Voor ZZP-ers zijn er geen CAO’s omdat zij ZZP-er zijn.

    In de volgende voortgangsrapportage over EU arbeidsmigranten zal hier nader op ingegaan worden.

Vraag 82:

Integratiebeleid afgelopen jaren Antilliaanse en Marokkaanse jongeren heeft successen geboekt; geleid tot lagere criminaliteitscijfers.

Wat is belangrijker: ideologie of resultaat? Wat gaat het kabinet concreet doen om het behaalde resultaat te behouden?

Antwoord:

De afname van criminaliteit onder Antilliaans- en Marokkaans-Nederlandse jongeren is naar verhouding niet groter dan bij de rest van de bevolking. De oververtegenwoordiging is onverminderd hoog. Niettemin hebben gemeenten mij aangegeven dat zij op lokaal niveau verbetering zien. Met name de overlast is afgenomen. Om deze reden geven gemeenten ook aan in de aanpak van de problematiek te willen blijven investeren.

Het kabinet vindt dat generiek beleid effectief moet zijn voor alle burgers en wil geen onderscheid maken naar groepen.

In 2012 is het aan gemeenten om de succesvolle elementen uit het specifieke beleid in te bedden in het generieke beleid. Het Rijk biedt hierbij tot in 2012 nog ondersteuning.

Vraag 83:

Er zijn problemen met Somalische vluchtingen zoals werkloosheid, analfabetisme en qat-gebruik, dit schreeuwt om oplossingen. Is de minister bereid om voor het eind van het jaar met een agenda te komen om deze problemen aan te pakken?

Antwoord:

De problemen onder Somalische Nederlanders zijn inderdaad zorgelijk. Oplossing van deze problemen vraagt echter niet om specifiek beleid maar om meer gerichte actie van bestaande generieke maatregelen. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt in eerste instantie bij de betrokken gemeenten en uitvoeringsinstanties. Het Rijk faciliteert gemeenten door middel van kennisdeling, via handreikingen met een profiel van de doelgroep en het organiseren van expertbijeenkomsten met gemeenten en reguliere instellingen.

Daarnaast zal het kabinet zoals aangekondigd in de drugsbrief en integratiebrief, op basis van een onderzoek naar de problemen rond het gebruik en de handel in qat, begin volgend jaar beslissen welke maatregelen nodig zijn om deze problemen aan te pakken. Hierbij zal tevens worden bezien of Qat op de lijst van verboden middelen moet worden geplaatst. Een verbod op Qat is een serieuze optie.

Fractie: VVD

Vraag 87:

Een belangrijk punt is de borging van de kwaliteit van de inhoud van de inburgeringscursussen. Die laat nu te wensen over. Waarom moet een Mexicaan bijvoorbeeld weten hoeveel keer Marokko groter is dan Nederland? Waarom zijn er voor de inburgering vanuit het buitenland in Islamitische landen gekuiste versies in omloop als het gaat om doodnormale zaken als topless zonnende vrouwen, zoenende mannen, etc? Hoe gaat de minister dit verbeteren?

Antwoord:

De overheid stelt ten aanzien van de inburgeringsplicht eisen aan taalniveau en kennis van de Nederlandse samenleving via het vaststellen van de eindtermen. De kwaliteit is voldoende geborgd.

De branche-organisaties hebben een keurmerk Inburgering ingesteld voor aanbieders van cursussen. Immers, er is marktwerking in het inburgeringsonderwijs. De overheid koppelt dit Keurmerk aan het leenstelsel: als een inburgeraar een lening aanvraagt is hij verplicht tot een cursus bij een gekeurmerkte instelling.

Het zelfstudiepakket dat mensen kunnen aanschaffen ter voorbereiding op het basisexamen inburgering in het buitenland is in een aantal talen beschikbaar in een aangepaste versie. In deze versie ontbreken bepaalde beelden waarop in sommige landen een wettelijk verbod bestaat om deze te bezitten.

Vraag 88:

Het is een aloude wens, van de VVD en van deze Kamer, dat ook voor Europeanen die zich in Nederland vestigen, inburgeringseisen gelden. Hoe heeft het kabinet de motie Ormel waarin werd gevraagd de mogelijkheden hierin te onderzoeken uitgevoerd? Heeft het huidige kabinet dit onderzoek opgepakt? Wat zijn de resultaten hiervan?

Antwoord:

Ik neem aan dat gedoeld wordt op de motie Ormel uit 2007 waarin de Regering wordt verzocht om op Europees niveau inburgeringcursussen te bevorderen voor eenieder die zich voor langere tijd vestigt in een lidstaat van de EU.

De regering heeft hier per brief van 14 mei 2008 aan de Kamer op gereageerd.

In de brief aan de Kamer werd vermeld dat de inzet van het bevorderen van inburgeringscursussen op Europees niveau niet mogelijk en niet wenselijk werd geacht omdat integratie en inburgering nationale competenties zijn en dit naar de mening van het kabinet dienen te blijven.

Dit is ook het uitgangspunt van dit kabinet.

Het kabinet acht het wel wenselijk dat EU-burgers die zich vestigen in een EU-lidstaat ook kennis hebben van de cultuur en geschiedenis van deze lidstaat, en zich kunnen uitdrukken in de taal van deze lidstaat. Bij de uitwerking van het concept van de leeftijdsonafhankelijke leerplicht zal dit worden meegenomen.

Inzet is een grotere eigen verantwoordelijkheid. Deze arbeidsmigranten zijn over het algemeen relatief hoog opgeleid en kunnen in staat worden geacht de taal te leren via zelfstudie. Daarom biedt BZK een zelfstudiepakket aan (inburgering, A1 taalniveau). Met werkgevers wordt besproken dat zij tijd, ruimte en ondersteuning bieden bij de zelfstudie; met gemeenten wordt gesproken over het organiseren van een netwerk van taalcoaches.

In mijn gesprekken met collega’s, onlangs in Londen en Parijs heb ik het belang van het stellen van integratie eisen, waaronder kwalificatie eisen onder de aandacht gebracht. Ook mijn collega voor Immigratie en Asiel vraagt bij zijn collega’s in Europa aandacht hiervoor.

Vraag 89:

Het bedrijfsleven kan een belangrijke rol spelen door inburgeringscursussen aan te bieden gericht op werk binnen een bepaalde sector met bijbehorende jargon, etc. De zogenaamde duale trajecten. Staat de minister positief tegenover deze ontwikkelingen?

Antwoord:

Het kabinet is bekend met de initiatieven van werkgevers om hun werknemers taalcursussen aan te bieden en staat daar positief tegenover. Met het aanbieden van die cursussen maken de werkgevers hun verantwoordelijkheid in deze waar. De overheid zal dat niet af dwingen.

De wijziging van de Wet inburgering brengt met zich mee dat vanuit het inburgeringsbeleid en de daarmee gepaard gaande wet- en regelgeving geen voorzieningen meer worden aangeboden, dus ook geen duale voorzieningen. Dit betekent echter niet dat duale trajecten in de praktijk niet meer mogelijk zijn. De wetswijziging impliceert alleen dat niet meer voorzien wordt in overheidsfinanciering voor het inburgeringsdeel van een duaal traject.

Vraag 90:

Op dit moment worden er nauwelijks meetbare, afrekenbare doelen geformuleerd voor subsidieverstrekking, of de subsidie gaat naar de verkeerde groepen. Dat moet anders; is de Minister bereid meer op outcome te gaan sturen?

Antwoord:

Het doelgroepenbeleid wordt afgeschaft. Na 2012 moet het zijn ingebed in het reguliere beleid gericht op schooluitval, werkloosheid, overlast en criminaliteit. Die beantwoorden reeds aan de behoefte naar criteria.

Met de Marokkanengemeenten zijn afspraken gemaakt dat eind 2012 de cijfers voor schooluitval, werkloosheid en criminaliteit zijn gedaald. Het kabinet zorgt jaarlijks voor een monitor die op outcome niveau de ontwikkeling bij de Marokkanen- en Antillianengemeenten volgt voor schooluitval, werkloosheid en criminaliteit.

Vraag 91:

Geen vage, algemene ‘integratiebevorderende’ projecten meer. In plaats daarvan gerichte aanpak van problemen in opdracht van vakministers. Geen specifieke groepen aanpakken, maar specifieke problemen in open concurrentie met marktpartijen. Deelt de minister deze visie?

Antwoord:

De opmerkingen van de VVD over doelgroepenbeleid en gerichte aanpak van problemen door vakministers beschouw ik als ondersteuning van het kabinetsbeleid.

Vakministers zijn verantwoordelijk om te zorgen dat het generieke beleid effectief en toegankelijk is voor iedereen. Een effectieve werking van het reguliere beleid vergt gedegen kennis over specifieke problemen en de achtergronden daarvan, over de uitwerking van het reguliere beleid en eventuele knelpunten daarin, en over succesvolle interventies en methoden. Mijn departement ondersteunt de vakminister daarbij met expertise en netwerk op het gebied van integratie en specifieke groepen.

De aanpak voor specifieke groepen wordt afgeschaft. Na 2012 moet het zijn ingebed in het reguliere beleid gericht op schooluitval, werkloosheid, overlast en criminaliteit. Het kabinet zorgt tot die tijd dat er jaarlijks een monitor wordt uitgebracht die op outcome niveau de ontwikkeling bij de Marokkanen- en Antillianengemeenten volgt voor schooluitval, werkloosheid en criminaliteit. De uitkomsten worden besproken in bestuurlijk overleg met de betrokken gemeenten.

Ook de subsidie aan de LOM-organisaties wordt stopgezet. Tot de beëindiging van de subsidie per 1 januari 2015 zullen de LOM-samenwerkingsverbanden ruimschoots door mij in de gelegenheid worden gesteld om hun verzelfstandiging goed voor te bereiden. Daarna moeten ze net als iedereen op de markt concureren.

Vraag 92:

Asielzoekers moeten wat de VVD betreft meteen ervaren hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit, bijvoorbeeld gelijke rechten voor mannen en vrouwen. Is de Minister ook van mening dat de overheid of haar ZBO’s integratiefrustrerende activiteiten (zoals speciale computeruren voor vrouwen in een AZC) niet moeten legitimeren, subsidiëren of faciliteren? Bent u bereid Minister Leers, verantwoordelijk voor het COA, hierop aan te spreken? Ziet de minister bijvoorbeeld iets in een algemene beleidsregel dat integratiefrustrerende effecten worden meegewogen bij het beoordelen van subsidieaanvragen?

Antwoord:

Bij het verstrekken van subsidie in het kader van integratiebeleid wordt altijd gekeken of de activiteiten die ondernomen worden passen binnen het beleid van het kabinet. Onderdeel hiervan is uiteraard ook dat activiteiten de integratie niet in de weg mogen staan. Het kabinet zal geen subsidie geven aan organisaties die activiteiten ondernemen die zich tegen de integratie richten. Ik zal mij op de hoogte stellen van de situatie bij het CAO en mij over mijn bevindingen verstaan met minister Leers.

Fractie: SP

Vraag 94:

Integratie, de overheid faciliteert hierbij. Waarom legt de regering zich neer bij de groeiende segregatie in Nederland? Waarom worden mensen die iniatief nemen in de steek gelaten?

Zie ook het door Karabulut ingediende amendement, nr 33 000 VII, 32. Verhoging artikel 5 met 0,4 mln tbv initiatieven voor integratie.

Antwoord:

Het kabinet herkent zich niet in het beeld dat er sprake is van groeiende segregatie waarbij zij zich neerlegt. En bovendien worden mensen die initiatief nemen niet in de steek gelaten.

In de taakverdeling tussen gemeenschap en overheid is daarbij het streven het zelforganiserende vermogen uit de samenleving beter aan te spreken en waar mogelijk te benutten, bijvoorbeeld als het gaat om de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs.

Het kabinet zet in op de factoren die een structurele bijdrage leveren aan de participatie van mensen, namelijk de kwaliteit van het onderwijs en de leefbaarheid in de steden.

Dan het amendement van mevrouw Karabulut om een bedrag van € 400.000 vrij te maken voor burgerschap, integratie en sociale veiligheid door de regeling scholing en vorming raadsleden te schrappen.

Wanneer het idee van mevrouw Karabulut is om een bedrag vrij te maken voor burgerschap in brede zin dan spreekt mij dat aan. Ik laat het oordeel over dit amendement over aan de Kamer. Daarbij wijs ik wel op de consequenties van het amendement. Om het amendement van dekking te voorzien, wordt de regeling scholing en vorming raadsleden geschrapt. Die is in 2009 ingevoerd op verzoek van en bij amendement van de Kamer.

De regeling scholing en vorming raadsleden biedt subsidie voor landelijke en voor lokale politieke partijen. Als de regeling wordt ingetrokken, vervalt de enige subsidiemogelijkheid voor lokale partijen.

Vraag 95:

Waarom wordt voor grote groepen inburgeraars het inburgeringsbeleid losgelaten?

Is de minister bereid het sociaal leenstelsel voor vrijwillige inburgeraars en/of MOE-landers open te te stellen?

Antwoord:

Uitgangspunt is dat migranten zelf verantwoordelijk zijn voor hun inburgering. Dat is de basis van het voorstel voor wijziging van de Wet inburgering dat op 14 november jl. aan de Kamer is aangeboden.

De doelgroep vrijwillige inburgeraars in de Wet inburgering komt te vervallen met de wijziging van de wet inburgering die ik deze week aan uw Kamer heb aangeboden. Deze doelgroep bestaat uit EU-onderdanen en (genaturaliseerde) Nederlanders die niet verplicht kunnen worden tot inburgering. Zij kunnen voortaan gebruik maken van de mogelijkheden die het reguliere onderwijs- en arbeidsmarktbeleid bieden. Met het ingediende voorstel tot wijziging van de Wet inburgering vervalt de mogelijkheid van gemeenten om op grond van de Wet inburgering deze groep een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening aan te bieden. De Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) zal met ingang van de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zodanig worden aangepast dat EU-onderdanen en genaturaliseerde Nederlanders in aanmerking kunnen komen voor een opleiding Nederlands als Tweede Taal (NT2) op grond van de Web.

Op dit moment kan een vrijwillige inburgeraar (bijvoorbeeld een Europese arbeidsmigrant) geen gebruik maken van het reeds bestaande leenstelsel. Daar staat tegenover dat gemeenten wel een inburgeringsaanbod kunnen doen aan Europese arbeidsmigranten. Zo zijn er in 2010 tenminste 9.000 Europese arbeidsmigranten aan een inburgeringstraject begonnen met een voorziening van de gemeente. Deze mogelijkheid eindigt bij de meeste gemeenten voor 2013. In het kader van wetsvoorstel tot wijziging van de wet inburgering, is sprake van een sociaal leenstelsel uitsluitend voor verplichte inburgeraars.

Onderzocht wordt of en hoe een sociaal leenstelsel ook voor (werkende) Europese arbeidsmigranten en mogelijk anderen met een taal- dan wel inburgeringsbehoefte gestalte zou kunnen krijgen.

Vraag 96:

Is de minister bereid te onderzoeken, in overleg met werknemers en werkgevers, in welke sectoren nog meer behoefte is aan extra scholingmogelijkheden?

Antwoord:

Het vervullen van de behoefte aan scholingsmogelijkheden voor werknemers binnen bedrijven is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de werkgever en de werknemer. Er is van de kant van het kabinet meermalen en op verschillende plaatsen gewezen op het belang van scholing en op het belang van het beheersen van de Nederlandse taal. Er wordt overleg gevoerd met de koepels van uitzendbureau’s, met LTO, met het productschap Pluimvee en Eieren, met het Productschap Vee en Vlees en met de vakbonden. De vraag naar scholingsbehoefte zal daar aan de orde worden gesteld.

Fractie: CDA

Vraag 100:

Kan de minister concreet aangeven hoe het kabinet zorgt «dat kennis over integratie en over de positie van verschillende groepen in de Nederlandse samenleving, effectieve interventies en succesvolle methoden, beschikbaar worden gesteld en dat het benutten ervan actief wordt bevorderd bij algemene instellingen»?

Kan de minister aangeven op welke wijze het kabinet de expertise op alle betrokken ministeries behoudt?

Antwoord:

Zoals in de integratievisie staat, vergt een effectief generiek beleid gedegen kennis van specifieke problemen en achtergronden, de uitwerking van het reguliere beleid en eventuele knelpunten en succesvolle interventies en methoden.

Vakministers zijn zelf verantwoordelijk om te zorgen voor een effectief beleid, maar BZK ondersteunt hen daarbij met zijn expertise en netwerk op het gebied van integratie en specifieke groepen.

FORUM heeft hier de komende jaren als expertisecentrum een belangrijke ondersteunende rol. Met de Jaarrapportage Integratie en de Survey Integratie Minderheden (SIM) en de Survey Integratie Nieuwe Groepen (SING) onderzoeken die in opdracht van het ministerie van BZK zijn verricht, stelt BZK jaarlijks kennis beschikbaar over de positie van verschillende migrantengroepen in de Nederlandse samenleving.

Vraag 103:

Gezien de problemen die het veroorzaakt, dient het verdovende middel Qat ons insziens verboden te worden. Kan de Minister al iets aangeven over de resultaten van zijn reeds lopende onderzoek hiernaar?

Antwoord:

Zoals eerder aangegeven in de drugsbrief en de integratiebrief zal het kabinet op basis van een onderzoek naar de problemen rond het gebruik en de handel in qat, begin volgend jaar beslissen welke maatregelen nodig zijn om deze problemen aan te pakken. Hierbij zal tevens worden bezien of Qat op de lijst van verboden middelen moet worden geplaatst. Op dit moment zijn nog geen resultaten te noemen uit het lopende onderzoek.

Zie ook vraag 83 PvdA

Vraag 104:

Hoe benutten we het migratiepotentieel maximaal, door de kansen die er zijn (op onderwijs, de arbeidsmarkt, volwaardige deelname aan de maatschappij) te benutten? Hiervoor is actief burgerschap nodig. Wanneer kunnen we daar met de Minister in de volle breedte over praten? D66 ziet ook een rol weggelegd voor kennisinstituut Forum.

Antwoord:

Het kabinet wil actief burgerschap stimuleren en ontwikkelt daartoe de agenda burgerschap. Initiatief door burgers zelf vormt hierbij de kern. In de taakverdeling tussen gemeenschap en overheid is daarbij het streven het zelforganiserend vermogen uit de samenleving beter aan te spreken en waar mogelijk te benutten. Deze kanteling van burger- naar overheidsparticipatie ondersteunt zelfredzaamheid, het tonen van eigen verantwoordelijkheid en biedt een kans om de relatie tussen overheid en samenleving aan te passen aan de eisen van onze tijd. De agenda richt zich op alle burgers, niet alleen op migranten.

FORUM heeft reeds aandacht voor het thema burgerschap.Voor het werkplan 2012 is FORUM gevraagd in haar werkplan aandacht te geven aan dit onderwerp. Meer in het bijzonder is FORUM gevraagd welke mogelijkheden er zijn om burgers toe te rusten opdat ze hun verantwoordelijkheid in het integratieproces zelf oppakken.

Fractie: D66

Vraag 106:

De RvS heeft het wetsvoorstel om de inburgeringsplicht te koppelen aan een verblijfsvergunning afgeraden. Kan de minister ingaan op de opmerkingen van de RvS bij dit voorstel? Kan de ministers tevens ingaan op het punt uit dit voorstel of het uitzetten van die migranten die hieronder vallen, wel realistisch is?

Antwoord:

Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar het nader rapport dat tezamen met het voorstel voor wijziging van de Wet inburgering maandag 14 november jl. aan de Kamer is verzonden.

Fractie: PVV

Vraag 107:

Is de minister bereid gemeenten en provincies aan te sporen om te stoppen met het steken van geld in integratiebelemmerend diversiteitsbeleid?

Antwoord:

Het past mij als minister van BZK niet om een dergelijke rol op te pakken. Gemeenten en provincies zijn vrij om binnen de geldende wet- en regelgeving hun eigen beleid te voeren.

Overigens is niet alle diversiteitbeleid integratiebelemmerend. Ik hoop dat gemeenten door budgettaire problematiek dergelijk beleid niet zullen staken. De uitdaging voor hen is de beperkte middelen in te zetten op de meest effectieve maatregelen.

Fractie: SGP

Vraag 110:

Hebben wij voldoende in beeld en bevorderen wij voldoende dat die mensen (de moe-landers) die hier langere tijd zijn maar de Nederlandse taal nog niet spreken, dit wel leren?

Antwoord:

In de antwoorden op de schriftelijke vragen (113 en 114) is reeds ingegaan op arbeidsmigratie MOE-landers.

De eigen verantwoordelijkheid van Europese arbeidsmigranten en de verantwoordelijkheid van de werkgevers staan centraal. In vergelijking met veel niet-westerse migranten hebben de meeste Europese arbeidsmigranten een relatief hoog opleidingsniveau. Daardoor zijn zij veelal in staat tot zelfstudie. Met werkgevers wordt overlegd dat zij hun werknemers tijd en ruimte bieden om zich aan deze zelfstudie te wijden.

Op vrijwillige basis begonnen in 2009 3.206 arbeidsmigranten uit de 10 MOE-landen aan een inburgeringtraject via de gemeente, in 2010 waren het er 7.235 en in 2011 zullen het er circa 3.000 zijn. In totaal zijn in de periode 2009–2011 ongeveer 13.500 MOE-landers aan een traject begonnen.

Onbekend is hoeveel arbeidsmigranten uit Midden- en Oost Europa op dit moment een inburgeringscursus dan wel taalcursus via de werkgever volgen. De cursussen die arbeidsmigranten via hun werkgever volgen zijn zeer divers en vooral gericht op werk. In hoeverre dit aanbod voldoende is laat zich moeilijk meten. Helder is dat we zo goed mogelijk het aanleren van taal ook door migranten binnen de EU moeten bevorderen.

Vraag 111:

Het geleidelijk verminderen van integratiesubsidies. Voor Forum blijft wel veel budget (3 mln) beschikbaar. Past dit wel binnen het subsidiebeleid? Kan dit niet binnen reguliere organisaties (VNG)? Kan er niet gekeken worden naar maatschappelijke verankering en betrokkenheid?

Antwoord:

In de Integratievisie is aangegeven dat een effectieve werking van het reguliere beleid gedegen kennis vergt over specifieke problemen en de achtergronden daarvan, over de uitwerking van het reguliere beleid en eventuele knelpunten daarin, en over succesvolle interventies en methoden. Forum speelt daarin een essentiële rol.

Vraag 112:

Het Kabinet wil doelgroepenbeleid afschaffen, dat vinden wij de goede richting. Echter, de SGP maakt zich wel zorgen dat specifieke problemen onvoldoende in beeld zijn. Zou gericht beleid in sommige gevallen toch geen uitkomst voor de problemen kunnen bieden?

Antwoord:

Het is belangrijk om problemen in beeld te hebben, dat ben ik helemaal met de heer Van der Staaij eens. Culturele aspecten kunnen er toe doen, net als vele andere aspecten, niet in de laatste plaats de sociaal-economische status. Als er problemen ontstaan dan willen we weten wat er aan de hand is.

Met de Jaarrapportage Integratie en de SIM en SING onderzoeken die in opdracht van het ministerie van BZK zijn verricht, stelt BZK jaarlijks kennis beschikbaar over de positie van verschillende migrantengroepen in de Nederlandse samenleving. Het is dus zeker niet zo als in Frankrijk, dat dit kabinet niet wil weten hoe het gaat met specifieke groepen in het land. Als mocht blijken dat groepen onvoldoende bereikt worden, dan zal bekeken moeten worden hoe dit het beste kan worden aangepakt binnen het generieke beleid.

Het generiek beleid moet voor iedereen werken. Om kwaliteit te kunnen leveren moeten professionals in de uitvoering van het beleid rekening houden met de specifieke aspecten die bij de problemen een rol spelen. Daarvoor zijn geen aparte subsidies of beleidsinstrumenten nodig.

Bestuur

Fractie: VVD

Vraag 3, 4:

Voorstellen mbt de aanpak van de knelpunten bij het stemmen vanuit het buitenland, omdat de bestaande procedures zo omslachtig zijn. De laatste keer was de opkomst maar 10%, uitgaande van de aanname dat er ca 500.000 Nederlanders zijn in het buitenland die mogen stemmen. Minister heeft eerder toegezegd er naar te streven maatregelen te hebben genomen vóór de verkiezingen Europees parlement in 2014, gaat dit lukken? Hoe staat het implementatie van het Register Niet Ingezetenen (RNI).

Antwoord:

Ik ben het met de heer Taverne eens dat de procedures voor de kiezers die vanuit het buitenland kunnen stemmen omslachting zijn. Het kabinet wil dat ook veranderen. U heeft dat kunnen lezen in mijn brief van 30 mei 2011.

We moeten naar mijn mening af van de twee belangrijkste «hindernissen» voor deze groep kiezers, te weten:

  • - De registratie voor elke verkiezing;

  • - Het tijdig kunnen beschikken over de stembescheiden.

Aan beide punten wordt nu hard gewerkt. Concreet betekent dit:

  • - De vorming van het Register Niet Ingezetenen (RNI). De Nederlanders van 18 jaar en ouder in dit register ontvangen als het register er is direct de stembescheiden. De registratie vooraf en voor elke verkiezing is dan verdwenen. De wettelijke basis voor de RNI wordt gelegd in de wet Basisregistratie Personen. Dit wetsvoorstel ligt thans voor advies bij de Raad van State. Aan de ontwikkeling van de RNI wordt echter nu al gewerkt en het streven is erop gericht om de RNI in 2013 beschikbaar te hebben. De wijziging van de Kieswet is eveneens in voorbereiding. wordt ter hand genomen.

  • - Het zo vroeg mogelijk sturen en zo mogelijk ook langs elektronische weg sturen van de stembescheiden inclusief het stembiljet. Dan zullen veel minder kiezers in het buitenland in tijdsnood komen om hun stem uit te brengen.

De heer Taverne vroeg zich af of internetstemmen voor deze groep kiezers niet een goede optie zou kunnen zijn. Ik ben daar heel voorzichtig mee. En dat is de Kamer ook. Ik breng in herinnering dat in 2008 de Kamer de toenmalige staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft opgeroepen niet in te stemmen met de invoering van internetstemmen voor de Waterschapsverkiezingen.

De reden voor deze voorzichtigheid is dat bij internetstemmen niet alleen het stemgeheim heel moeilijk te waarborgen is, maar met dergelijke systemen is de controleerbaarheid en transparantie nauwelijks vorm te geven. En dan laat ik nog buiten beschouwing alle beveiligingsproblemen die aan het internet kleven. Verder, en dat is ook niet triviaal, het kost heel veel geld gezien het feit dat het om een voorziening gaat die hooguit 1 keer in de twee jaar gebruikt zal worden.

Fractie: D66

Vraag 14:

Heeft het gesprek met de voorzitters van de planbureaus en andere adviesorganen (wat de MP heeft aangekondigd) over de problematiek mbt hun positie en het feit dat ze regelmatig op de man worden aangevallen, al plaatsgevonden, is het al ingepland en wat zijn de resultaten?

Antwoord:

Er zijn dit jaar gesprekken gevoerd tussen de minister president, de minister van BZK en de voorzitters van de strategische adviescolleges. Onderwerpen van gesprek waren onder meer de positie van de adviescolleges en de afstemming van de werkprogramma's van deze adviescolleges.

Resultaat van deze gesprekken is onder meer dat het bestaande stelsel van adviescolleges zal worden bestendigd en beter benut. Voorts zal de rijksbrede kennisagenda, die gebaseerd is op de ontwikkelingen op middellange termijn en het regeerakkoord, de basis vormen voor de inhoudelijke koers van de werkprogramma’s. In het gesprek is een aantal rijksbrede thema's benoemd, dat volgt uit deze kennisagenda en het regeerakkoord.

De gesprekken met de planbureaus worden gevoerd door de minister waaronder het desbetreffende planbureau ressorteert.

Fractie: PVV

Vraag 16:

Graag een onderzoek naar de wijze waarop en de vraag of de lagere overheden hun informatie op een juiste wijze verstrekken aan de burger in het kader van de WOB.

Antwoord:

Andere overheden hebben een eigen verantwoordelijkheid om de Wob goed uit te voeren.

Als bijvoorbeeld uit het structureel verliezen van beroepszaken blijkt dat een andere overheid de Wob niet goed uitvoert, dan moet dat voor de organisatie zelf reeds reden zijn om het gevoerde beleid aan te passen.

Doet een andere overheid dat niet, dan is het aan het desbetreffende controlerende orgaan – bijvoorbeeld Provinciale Staten of de gemeenteraad – daar verantwoordelijkheid in te nemen.

Vooralsnog hebben mij geen signalen bereikt dat er structureel iets mis zou zijn.

Daarom zie ik voor een onderzoek geen directe aanleiding. Ik zal dit onderwerp evenwel bespreken met de Commissarissen van de Koningin teneinde ook bij hen vast te stellen of mijn indruk juist is.

In 2010 zijn er maar vier WOB-hoger beroepszaken geweest waarin het college van Gedeputeerde Staten procespartij was. Dat duidt niet op grote problemen.

Fractie: Christenunie

Vraag 18:

Opslag biometrische gegevens: de opbrengst staan niet in verhouding tot de inbreuk op privacy. Wil het kabinet de plannen tot opslag vingerafdrukken laten varen?

Antwoord:

Zoals de Kamer weet, is de enige permanente opslag van de vingerafdrukken de opslag in de chip van het reisdocument omdat dit als gevolg van Europese regelgeving moet.De bewaartermijn van de vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie eindigt zodra de uitreiking van het reisdocument is geregistreerd danwel de aanvraag is komen te vervallen. Voor de wijze waarop de vernietiging van de persoonsgegevens in de reisdocumentenadministratie gaat plaatsvinden verwijs ik naar de brieven die ik naar de Kamer heb gezonden, laatstelijk op 22 september 2011.

Achtergrond: Tweede Kamer is geïnformeerd over het bewaren en vernietigen van de vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie in de brieven van:

26 april 2011 (TK, 2010 – 2011, 25 764, nr. 46)

19 mei 2011 (TK, 2010 – 2011, 25 764, nr. 48)

5 juli 2011 (TK 2010–2011, Antwoord Kamervragen 3058)

5 juli 2011 (TK 2010–2011, 25 764, nr. 50)

22 september 2011 (TK, 2011 – 2012, 25 764, nr. 52).

Vraag 19:

Wat zijn de mogelijkheden om de adequate juridische ondersteuning voor burgemeesters en gemeenteraden te vergroten?

Antwoord:

Decentrale overheden zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het aantrekken van adequate ambtelijke ondersteuning, bijvoorbeeld voor de ondersteunende afdelingen van de burgemeester en wat de gemeenteraden betreft voor griffiers en griffieambtenaren. Het recht op ambtelijke bijstand ten behoeve van gemeenteraden en leden van de raad wordt bij verordening geregeld. Dat is een waarborg voor ambtelijke ondersteuning bijvoorbeeld bij het ontwerpen van initiatief-raadsvoorstellen.

In samenwerking met BZK organiseren VNG en Genootschap van Burgemeesters regelmatig professionaliseringsactiviteiten in de vorm van symposia, cursussen op diverse vakinhoudelijke gebieden. Hiermee kan ook de juridische expertise bij gemeenten worden vergroot.

Vraag 23:

Wat kan eraan gedaan worden om de zorgen op de BES weg te nemen over het verlies van de eigen cultuur? Is de minister bereid de verdragen m.b.t. aanmerking als nationale minderheden op de BES van toepassing te laten zijn?

Antwoord:

In zijn algemeenheid is er bij de transitie van de BES-eilanden naar Nederland voor gezorgd dat in de onderwijswetgeving en in de wetgeving inzake het bestuurlijk verkeer de positie van de eigen talen (Papiaments op Bonaire en Engels op Saba en Sint-Eustatius) goed is geregeld. In de praktijk zijn er evenwel signalen die erop wijzen dat daarmee de zorg over het verlies van de eigen cultuur, wat overigens meer omvat dan de eigen taal, duidelijk aanwezig is. Die boodschap is ook overgebracht tijdens het bezoek van de Koningin aan de eilanden in het Caribisch gebied. Ik ben bereid om samen met mijn collega van OCW te bezien of daartoe verdere inspanningen mogelijk en wenselijk zijn.

Bij de transitie van de BES-eilanden is uitdrukkelijk de vraag aan de orde geweest of de regering de verdragen van de Raad van Europa met betrekking tot nationale minderheden op de BES van toepassing laat zijn. De conclusie is, en die opvatting werd ook door de meerderheid van de Kamer gedeeld, dat hier geen sprake van kan zijn. Ik verwijs in dat verband naar argumenten die zijn genoemd in de Kamerstukken 31 9541, nr. 15, blz. 492

Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden De leden van de OSF-fractie stellen vast dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden niet is vermeld in onderhavig wetsvoorstel en vragen of dit betekent dat het Handvest geen geldigheid zal hebben op de BES-eilanden of dat het juist op grond van artikel 2, eerste lid, juncto artikel 1 automatisch van toepassing geacht moet worden op de BES-eilanden. In het verlengde van hetgeen in januari tijdens het wetgevingsoverleg met de Tweede Kamer reeds aan de orde is geweest, kan ik u het volgende meedelen. Dit verdrag van de Raad van Europa heeft blijkens de preambule tot doel de bescherming van de historische regionale talen of talen van minderheden in Europa, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden en historische tradities in de verschillende regio’s in Europa. Het is dan ook niet mogelijk om voor de BES-eilanden het Papiaments of Engels onder de strekking van dit verdrag te brengen. Dit laat onverlet dat Nederland ten aanzien van het Papiaments en het Engels op de BES-eilanden zijn verantwoordelijkheid erkent. Een en ander komt tot uitdrukking in (voorstellen van) wetgeving.

Het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden Het lid van de OSF-fractie vragen of de regering het zinvol acht om van toepassingverklaring van het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden op de BES-eilanden te overwegen. Aangezien het Kaderverdrag tot doel heeft de nationale minderheden in Europa te beschermen, is toepassing van het verdrag voor de Neder-landse Antillen of Aruba niet aan de orde geweest. Verder heeft de Kamer bij de ratificatie van dit verdrag de Nederlands-Antillianen en Arubanen in Nederland evenmin aangemerkt als nationale minderheden in de zin van het Kaderverdrag. Tegen die achtergrond is er dus geen reden de bevolking of delen van de bevolking op de BES-eilanden te zien als nationale minderheid in de zin van dit verdrag.

Fractie: SGP

Vraag 30:

Kan de minister op het belang van gewetensvrijheid van trouwambtenaren ingaan?

Antwoord:

Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 8 november jl. zal het kabinet naar aanleiding van het advies van de Commissie gelijke behandeling «Trouwen? Geen bezwaar!» voorlichting vragen aan de Raad van State betreffende de problematiek rondom gewetensbezwaren in relatie tot ambtenaren, in het bijzonder ambtenaren van de burgerlijke stand.

Na ontvangst van deze voorlichting zal het kabinet nader ingaan op dit onderwerp.

Fractie: CDA

Vraag 97:

Het Handvest voor Burgerschap dat het kabinet aankondigt om burgers en bedrijven meer te betrekken is een mooi aanknopingspunt om mensen betrokken te krijgen bij de samenleving, actief te maken in hun instituties, in hun kracht zetten los van hun achtergrond of religieuze voorkeur. Wat is de stand van zaken rondom de Agenda voor Hedendaags burgerschap?

Antwoord:

Het Handvest voor Burgerschap is niet hetzelfde als de Agenda voor Hedendaags Burgerschap. Ten aanzien van de Agenda ben ik druk bezig met gemeenten, maatschappelijke organisaties en burgers. Het is een gemeenschappelijke Agenda. Het gaat dan in ieder geval om concrete thema’s als financiering van maatschappelijke initiatieven en wijkondernemingen. Het kabinet komt zeer binnenkort met een brief over de stand van zaken rondom de Agenda voor Hedendaags Burgerschap. Daarin worden ook de acties van het kabinet in dat kader genoemd.

Raad van State

Fractie: SGP

Vraag 31:

In hoeverre functioneert de rechtseenheidsvoorziening naar behoren als verschillende instituties in hoogste instantie rechtspreken?

Antwoord:

Er vindt al enige tijd geregeld overleg plaats tussen de hoogste rechtscolleges over bestuursrechtelijke vraagstukken waar ze allemaal mee te maken hebben.

Daaraan nemen naast de Afdeling bestuursrechtspraak ook deel: de centrale Raad van Beroep, het College van Beroep voor het bedrijfsleven en de strafkamer en belastingkamer van de Hoge Raad.

Naar ik heb vernomen, heeft dit overleg sinds vorig jaar al geleid tot verschillende richtinggevende uitspraken waarmee de rechtseenheid wordt bevorderd. Die uitspraken hebben betrekking op allerlei onderwerpen, uit de aard der zaak vooral procesrechtelijk van aard. Veel gaan er over de interpretatie van termijnbepalingen. Enkele ook over de wijze van toetsing door de rechter in bepaalde gevallen.

Naar mijn indruk werpt deze wijze van werken dus zeker zijn vruchten af.

In het wetsvoorstel over aanpassing bestuursprocesrecht (32 450; bij de Tweede Kamer aanhangig) zijn voorstellen opgenomen die deze werkwijze nog verder kunnen versterken. Ik noem met name de mogelijkheid om in een ‘grote kamer’ van vijf leden uitspraak te doen; Dat maakt het gemakkelijker om rechters uit andere kamers of andere colleges aan een zaak te laten deelnemen en het helpt er ook voor te zorgen dat een uitspraak eerder als richtinggevend opvalt.

Vraag 8:

Zou de wettelijke procedure voor benoeming van de vice-president van de RvS niet gewijzigd moeten worden in die zin dat de Tweede Kamer daarin een rol krijgt net zoals bij de Nationale Ombudsman.

Fractie: D66

Vraag 13:

Is de minister bereid het voortouw te nemen om de Tweede Kamer een grotere rol te geven bij de benoemingspocedure voor de Vice-president van de RvS?

Antwoord op beide vragen:

De vergelijking met de Nationale ombudsman gaat niet op.

De benoeming van de Nationale ombudsman door de Tweede Kamer is een unicum in ons staatsrecht. De indiener van het betrokken amendement motiveerde zijn voorstel zelf al met de volstrekte eigensoortigheid van het nieuw in te stellen orgaan, dat aan het Scandinavische recht was ontleend, en met de bijzondere relatie die de ombudsman met de Tweede Kamer heeft. Hij wees om die reden zelfs nadrukkelijk elke vergelijking met andere benoemingen van de hand.

Bij de benoeming van de leden van de Algemene Rekenkamer en de Hoge Raad speelt de Tweede Kamer eveneens een rol. Ook in die beide gevallen is er een bijzondere reden geweest om dat te doen.

De Algemene Rekenkamer vervult haar taak vooral ten behoeve van het parlement. Nu die taak eruit bestaat controle uit te oefenen over de handelingen van de regering, is er veel voor te zeggen de benoeming van de controleur niet uitsluitend in handen te laten van de gecontroleerde.

Bij de Hoge Raad is er voor een bijzondere procedure gekozen omdat die tevens belast is met de grondwettelijke taak om in voorkomend geval bewindspersonen te berechten wegens ambtsdelicten.

Bij de leden van de Raad van State of zijn vice-president is van dit alles geen sprake. Zij worden benoemd door de regering, net als de voorzitters en leden van andere adviesorganen of rechterlijke colleges.

De benoemingswijze van leden van de Raad is al enkele keren eerder aan de orde is geweest. Onder andere:

  • - Bij de grondwetsherziening van 1983.

  • - Bij de Wet herstructurering Raad van State die in september vorig jaar in werking is getreden.

De grondwetgever heeft begin jaren 80 uitdrukkelijk en uitvoerig overwogen of voor de leden van de Raad van State een overeenkomstige procedure zou moeten gaan gelden als voor de leden van de Hoge Raad.

Daar is toen niet toe besloten:

  • - Ten eerste omdat (zoals gezegd) de vergelijking met de Hoge Raad niet opgaat.

  • - Ten tweede, omdat de Raad van State als adviseur niet een speciale band met de Tweede Kamer heeft, zoals de Algemene Rekenkamer dat bijvoorbeeld wel heeft. (NB: De Nationale ombudsman was er toen nog niet).

Nu de Grondwetgever deze vraag zo nadrukkelijk onder ogen heeft gezien, moet geconcludeerd worden dat de Grondwet geen ruimte laat voor een afwijkende regeling. Daarvoor zou dus wijziging van de Grondwet nodig zijn.

Dat was ook de conclusie die de Raad van State in oktober 2007 trok toen hem advies was gevraagd over een amendement dat in deze Kamer was ingediend op het wetsvoorstel herstructurering Raad van State. Dat amendement voorzag in een voordracht van de Tweede Kamer voor benoeming van de leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Fractie: VVD

Vraag 5 en 6:

  • - De bestuursrechtspraak en advisering RvS zouden 2 aparte taken moeten zijn die ook bij verschillende instituties belegd zouden moeten worden. Hoe staat de minister tegenover verdergaande institutionele wijzigingen? Hoe kunne we verder het aantal dubbelfuncties vermindering? Hoe zou dit er in de praktijk uit komen te zien, mede in het licht van de nieuwe organisatie van de rechtspraakketen?

  • - Graag vernemen wij van de minister zijn opvattingen over het beperken van de taak van de RvS tot advisering.

Antwoord:

De onrust over de functiecombinatie is in 1995 opgekomen door een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in een Luxemburgse zaak (Procola).

Sommigen trokken daaruit de vergaande conclusie dat een organisatie nooit tegelijkertijd belast kon zijn met rechtspraak en advisering.

In 2003 heeft datzelfde Hof in een uitspraak over een Nederlandse zaak (Kleyn e.a.) verduidelijkt dat men die conclusie niet hoefde te trekken. Wel is het van belang dat een rechter die een bepaalde rechtsvraag te beoordelen krijgt, niet eerder zelf betrokken is geweest bij het opstellen van een advies waarin dezelfde rechtsvraag (‘same case’) aan de orde was. Maar zoiets is niet gauw het geval als de advisering uitsluitend betrekking heeft op algemene wetgeving en de rechtspraak op concrete, individuele besluiten of beschikkingen. In de zaak Kleyn was er om die reden ook niets verkeerds gebeurd volgens het Hof: de Tracéwet en de regeringsbeslissing over het Betuwetracé waren niet een ‘same case’.

Dit is in 2006 door het Hof nog eens bevestigd en verder verduidelijkt in een zaak over de Franse Conseil d’État, die op dit punt erg op de Nederlandse Raad van State lijkt.

In de Franse Raad van State zijn op enkele uitzonderingen na zelfs alle leden betrokken bij zowel adviserende als rechtsprekende taken!

De Nederlandse wetgever heeft hieruit de conclusie getrokken dat een institutionele scheiding niet vereist is. Wel werd het wenselijk gevonden om binnen de Raad de nodige voorzieningen te treffen om de kans te verkleinen dat zich een samenloopgeval voordoet, om dit in zo’n geval tijdig intern te signaleren en om ook rechtzoekenden en hun advocaten beter in staat te stellen een en ander te controleren.

Daarvoor zijn nu juist in het al genoemde wetsvoorstel Herstructurering Raad van State de nodige voorzieningen getroffen: met name:

  • - Instelling van een afzonderlijke Afdeling advisering, naast de al bestaande Afdeling bestuursrechtspraak;

  • - Het nieuwe artikel 42, lid 4, van de Wet op de Raad van State: «Een lid van de Afdeling bestuursrechtspraak dat betrokken is geweest bij de totstandkoming van een advies van de Raad, neemt geen deel aan de behandeling van een geschil over een rechtsvraag waarop dat advies betrekking had.»

Wat de zogenoemde ‘dubbelfuncties’ betreft:

  • - De gewijzigde wet op de Raad van State beperkt die tot een maximum van 10. Dat is geen streefgetal, maar een maximum.

  • - Anders dan onder de oude wet, is de dubbelbenoeming dus geen regel meer, maar de uitzondering op de regel.

AIVD

Fractie: SP

Vraag 9:

Bent u bereid een eind te maken aan de mogelijkheid van het rekruteren van journalisten door geheime diensten en deze wettelijke mogelijkheid te schrappen

Antwoord:

Nee, daartoe ben ik niet bereid.

Ik neem afstand van de door u gewekte suggestie als zou een complete beroepsgroep worden misbruikt door inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het op deze wijze voeren van discussie acht ik bovendien weinig vruchtbaar en niet in het belang van de beroepsgroep zelf.

Zoals ik in het Algemeen Overleg met uw Kamer over AIVD-onderwerpen op 29 juni jl. heb aangegeven, hecht ik eraan te benadrukken dat het de diensten conform de Wiv 2002 is toegestaan om zich bij de uitvoering van zijn taak, dan wel ter ondersteuning van een goede taakuitvoering, te wenden tot een ieder die geacht wordt de benodigde gegevens te kunnen verstrekken.

De Wiv 2002 bepaalt voorts dat de diensten bevoegd is tot de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van de dienst zijn belast met het gericht verzamelen van gegevens omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de diensten van belang kunnen zijn (artikel 21). Dit artikel bevat geen uitzonderingen waar het gaat om het soort dekmantel of de hoedanigheid waaronder de agent functioneert.

In dat kader gaat het mij aanmerkelijk te ver om op voorhand bepaalde beroepsgroepen, zoals de journalistieke beroepsgroep, van bepaalde activiteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten uit te sluiten. Een dergelijk standpunt vindt geen steun in de Wiv 2002 en het EVRM en zou de taakuitvoering van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ernstig (kunnen) belemmeren.

Wanneer iemand bijvoorbeeld over informatie beschikt die betrekking heeft op een terroristische dreiging, moet het voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten in het belang van de bescherming van de nationale veiligheid mogelijk zijn een beroep op betrokkene te kunnen doen, ook in het geval het een journalist betreft. En omgekeerd moet een journalist die over dergelijke informatie beschikt zich vrij kunnen voelen om dergelijke informatie aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te verstrekken.

Hierbij geldt echter altijd dat zowel de medewerking als de informatieverstrekking aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geheel vrijwillig is.

Ik heb mijn standpunt in dezen schriftelijk overgebracht aan de NVJ.

Overig

Fractie: SP

Vraag 10:

Is de minister bereid de verklaring wetenschappelijke onafhankelijkheid van de KNAW te ondertekenen namens het Kabinet?

Antwoord:

De Koninklijke Nederlandse Academie Wetenschappen valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van OCW. Ook de onafhankelijkheid van de wetenschap, en daarmee ook die van de Koninklijke Nederlandse Academie Wetenschappen, valt onder de bevoegdheid van de Minister van OCW.

Ik heb de verklaring gelezen en begrijp niet goed de uitnodiging om deze mede te ondertekenen. De minister is geen onderzoeker. Bovendien herken ik mij niet in het beeld dat uitkomsten van onderzoek «gestuurd» worden door de opdrachtgever.

Fractie: SGP

Vraag 29:

Waarom is Operationele doelstelling Waarborgen van de grondrechten en zorgen voor een goed functionerend constitutioneel bestel verdwenen? Dit komt niet expliciet terug in de begroting 2012. Wil de minister hier nader op ingaan? Welke activiteiten passen bij het waarborgen van de grondrechten en een goed functionerend constitutioneel bestel om de werking ervan te waarborgen?

Antwoord:

Op 20 april 2011 ging de Tweede Kamer akkoord met het invoeren van Verantwoord Begroten (kamerstuk 31 865, nr, 26). De nieuwe begroting maakt onderscheid tussen apparaatsgeld en programmageld. Op het Centraal Apparaatsartikel staan de uitgaven aan personeel en materieel. In het begrotingsartikel staat toegelicht waaraan en waarvoor het programmageld wordt uitgegeven; dat richt zich met name op financiële instrumenten.

Het waarborgen van grondrechten en een goed functionerend constitutioneel bestel wordt uitgevoerd door BZK-ambtenaren. Ambtenaren toetsen wetsvoorstellen bijvoorbeeld aan de grondwet, adviseren over kabinetsvisies en zijn betrokken bij de oprichting van het College bescherming mensenrechten. De ambtenaren die belast zijn met deze taken staan op het Centraal Apparaatsartikel waar alle uitgaven voor personeel en materieel staan. BZK geeft geen programmageld uit aan deze taken, waardoor de mogelijkheid vervalt om deze werkzaamheden op te nemen in een Operationeel Doel in een begrotingsartikel.

Conclusie: het waarborgen van grondrechten en een goed functionerend constitutioneel bestel blijft een taak van BZK, maar is om begrotingstechnische redenen niet meer opgenomen als Operationeel Doel in een begrotingsartikel.

Fractie: VVD

Vraag 93:

Alle werkgevers, inclusief de overheid, hebben de verantwoordelijkheid om iedereen een gelijke kans te bieden op werk. Ik wil de overheid daarom aanspreken op goed werkgeverschap. Bijvoorbeeld door kritisch te kijken of overal wel een VoG nodig is. Graag uw reactie.

Antwoord:

Voor wat betreft de Rijksoverheid – waarvoor ik aanspreekbaar ben als coördinerend minister – is bepaald dat het bevoegd gezag kan vergen dat een betrokkene voorafgaande aan een aanstelling een verklaring omtrent het gedrag moet overleggen. Afhankelijk van de omstandigheden, waaronder de te verrichten werkzaamheden, zal het bevoegd gezag na een zorgvuldige afweging gebruik maken van deze discretionaire bevoegdheid.

Overigens zijn er ook functies bij de Rijksoverheid waarvoor deze discretionaire bevoegdheid niet geldt. Het gaat dan om vertrouwensfuncties, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet veiligheidsonderzoeken, waarvoor een verklaring van geen bezwaar is vereist of functies waaraan bijzondere eisen aan de integriteit zijn gesteld en onderzoek naar de betrouwbaarheid en geschiktheid wordt ingesteld (veiligheidsonderzoek).

Fractie: CDA

Vraag 98:

Graag een reactie van de minister op het concept van maatschappelijke obligaties. Achtergrond: Het CDA wil dat het kabinet een proefproject gaat doen met maatschappelijke obligaties naar analogie van Groot-Brittannie. Met dit type obligaties steunen private investeerders projecten tegen bijvoorbeeld schooluitval, drugsgebruik, het leren van de Nederlandse taal. Daarbij moeten doelen worden vastgesteld. Bereikt met dat doel dan krijgt men het geld terug met een rendement van 13%. Doelen worden uitgedrukt in een daadwerkelijke verbetering van de maatschappelijke situatie. Het moet gaan om preventieve oprojecten op lokaal niveau, waarbij de doelgroep goed wordt afgebakend en de resultaten makkelijk meetbaar zijn.

Antwoord:

Ik vind de inzet van sociale obligaties interessant, immers:

  • - Het draagt bij aan de kanteling van overheids- naar burgerparticipatie;

  • - Het ondersteunt zelfredzaamheid en het tonen van eigen verantwoordelijkheid en sociaal vertrouwen in de samenleving;

  • - Het komt tegemoet aan de financiële beperkingen waar de (lokale) overheid zich voor gesteld ziet.

Ik wil daarom de mogelijke toepassing van het instrument nader verkennen. Daarbij kan worden bezien voor welke maatschappelijke vraagstukken en onder welke voorwaarden dit instrument in de Nederlandse context kan worden toegepast.

Naturalisatie

Fractie: VVD

Vraag 85:

Wanneer komt er een nieuw voorstel gebaseerd op wederkerigheid voor de Rijkswet personenverkeer? Wat vindt de minister van de eenzijdige eisen van Curacao aan de instroom van Nederlandse migranten? Moet Nederland dit dan omgekeerd ook gaan doen?

Antwoord:

Naar aanleiding van de motie van de heer Bosman, waarin de regering wordt verzocht om dit onderwerp te agenderen voor de Koninkrijksconferentie op 14 december 2011 a.s, zal dit onderwerp aan de orde komen in de discussie. Zoals ik ook al heb aangegeven tijdens de begrotingsbehandeling van HIV betekent dit overigens niet dat op de Koninkrijksconferentie alle knopen worden doorgehakt.

De keuze voor een Rijkswet impliceert dat er in beginsel overeenstemming is tussen de vier landen van het Koninkrijk. Ik kan op dit moment dan ook geen uitspraken doen over de termijn wanneer de Tweede Kamer over een regeling personenverkeer wordt geïnformeerd. Het streven is dat er voor eind van dit jaar een kader is opgesteld waarin de hoofdlijnen van een regeling worden aangegeven.

De Nederlandse inzet is om samen met alle andere landen, ook Curaçao, een regeling van het personenverkeer te formuleren, die tegemoet komt aan de belangen en behoeften van alle landen en waarin de thema's grensoverschrijdend verkeer, economische en sociale ontwikkeling en openbare orde en veiligheid worden uitgewerkt. De kaders voor deze thema's zullen over en weer moeten gelden.

De regeling op Curaçao betreft een initiatiefverordening waar de regering thans een standpunt over moet innemen. Daarom is een oordeel daarover nog wel mogelijk.

Fractie: PvdA

Vraag 86:

Waarom wil de Minister het Nederlandse paspoort innemen van Nederlanders die de nationaliteit aannemen van hun partner en in het buitenland woonachtig zijn? Verzoek aan de Minister dit deel van het wetsvoorstel te schrappen.

Antwoord:

Dit kabinet hanteert als uitgangspunt het tegengaan van meervoudige nationaliteit bij Nederlanders.

In het voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap is daarom een bepaling opgenomen waardoor vaker dan nu de Nederlandse nationaliteit verloren gaat als iemand een andere nationaliteit aanneemt.

Het wetsvoorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ligt momenteel bij de Raad van State voor advies.

Fractie: D66

Vraag 105:

Gaat het plan voor het aanpakken van de dubbele nationaliteit van tafel (het is namelijk overbodig)?

Antwoord:

Nee, zoals bekend, huldigt het kabinet een andere opvatting over meervoudige nationaliteit. Aan het vermijden van meervoudige nationaliteit na naturalisatie of optie ligt het Verdrag tot beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit uit 1963 ten grondslag (het verdag van Straatsburg). Nederland is partij bij het Verdrag.

Het bezit van één nationaliteit bevordert eenduidigheid in rechtspositie. Zowel voor het individu als voor de staat is helder welke rechten en plichten over en weer gelden.

Fractie: PVV

Vraag 108:

Hoe wordt gecontroleerd of immigranten die hun oude nationaliteit neerleggen om de Nederlandse aan te nemen, vervolgens niet opnieuw de oude nationaliteit aanvragen?

Antwoord:

Het is niet in alle gevallen goed vast te stellen of een Nederlander een andere nationaliteit heeft aangenomen.

Nederland ontvangt van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Noorwegen, Oostenrijk, Portugal en Suriname informatie dat een Nederlander de nationaliteit van dat land heeft aangenomen.

Er zijn verdragen voor de uitwisseling van deze informatie, maar slechts weinig landen doen er aan mee.

Als betrokkene in Nederland woont, dan is hij op grond van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) verplicht aan de gemeente te melden dat hij nog een andere nationaliteit heeft gekregen.

De gemeente is vervolgens verplicht dit op te nemen.

Overigens moet worden opgemerkt, dat de Nederlandse nationaliteit, behoudens wettelijke uitzonderingengevallen, bij aanvaarding van een andere nationaliteit van rechtswege vervalt. Of dit wordt gecontroleerd of niet, doet daar niet aan toe of af. Het is niet zo, dat als het niet gecontroleerd wordt, het Nederlanderschap dan niet verloren gaat. Het rechtsgevolg van het aanvaarden van een andere nationaliteit is dan toch ingetreden.


X Noot
1

Dit verdrag van de Raad van Europa (het Europees handvest voor regionale talen of talen van minderheden) heeft blijkens de preambule tot doel de bescherming van historische streektalen of talen van minderheden in Europa. Dit in het kader van «de specifieke omstandigheden en historische tradities van de Europese staten». Toepassing voor de Nederlandse Antillen is om die reden nooit aan de orde geweest; het Papiaments op de Nederlandse Antillen is geen beschermde taal in de zin van dit verdrag. Het is niet mogelijk om het Papiaments onder de strekking van dit verdrag te brengen.

X Noot
2

Kamerstuk 31 945, nr. C, blz. 24–25.

Naar boven