Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 56, pagina 3188-3197

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Implementatie van het kaderbesluit nr. 2005/214/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PbEG L 76) (Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties) (30699).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Dit wetsvoorstel betreft vonnissen dan wel beschikkingen waarbij geldelijke sancties worden opgelegd die worden uitgesproken respectievelijk opgelegd in landen van de EU. Het wetsvoorstel strekt ertoe dat Nederland in zo'n geval verplicht is om die vonnissen en beschikkingen ten uitvoer te leggen en te erkennen. Omgekeerd geldt hetzelfde voor Nederlandse equivalenten daarvan.

Ik wil eerst twee voorbeelden noemen. Iemand gaat op vakantie in Duitsland en verlaat zijn hotel zonder te betalen. De Duitse autoriteiten vervolgen die persoon voor oplichting. Als dat wordt bewezen, volgt een vonnis en een veroordeling. Een ander voorbeeld betreft iemand die in Griekenland op vakantie is en door de politie wordt bekeurd in een uitgaansgebied voor een overtreding. De betrokkene zegt dat hij die overtreding niet heeft begaan. Hij spreekt echter de Griekse taal niet en krijgt een bekeuring die uiteindelijk tot een veroordeling leidt. Op basis van dit wetsvoorstel wordt hij daar in Nederland mee geconfronteerd.

In het wetsvoorstel is een aantal weigeringsgronden opgenomen. Het betreft allereerst een aantal verplichte weigeringsgronden. Die bieden geen enkele ruimte voor een afweging. Er wordt gewoon verplicht geweigerd als de betreffende situatie zich voordoet, zoals zaken waarover een Nederlandse rechter al heeft geoordeeld, zaken die personen jonger dan twaalf jaar betreffen en immuniteit.

Daarnaast zijn er facultatieve weigeringsgronden. In die gevallen kan het Openbaar Ministerie, de officier van justitie, besluiten het vonnis niet ten uitvoer te leggen. Dat is aan zijn oordeel overgelaten. Dat kan een probleem opleveren. Bij vervoer van verboden goederen is er een facultatieve weigeringsgrond als het transport geheel of gedeeltelijk in Nederland heeft plaatsgevonden. Hoe kan de officier dit beoordelen? Hij heeft de vrijheid om te bepalen of het geheel of gedeeltelijk in Nederland heeft plaatsgevonden of niet. Dat kan een probleem opleveren. De officier heeft ruime marges en er is eigenlijk niemand die hem kan controleren.

Ik heb enkele punten van kritiek op dit voorstel. Ik heb in mijn schriftelijke inbreng de definities van strafbare feiten al genoemd. Ik noemde het voorbeeld van Duitsland. Daar is het niet betalen van een hotelrekening oplichting en derhalve strafbaar. Dat feit is in Nederland niet strafbaar. Een ander punt van kritiek betreft het laten vallen van de eis van de dubbele strafbaarheid. In artikel 10, lid 1 onder b staat dat als er sprake is van een stafbaar feit dat in Nederland niet strafbaar is, er een weigeringsgrond kan zijn. In artikel 10, lid 2, staat echter dat de lijst voorgaat.

De heer Teeven (VVD):

De heer De Wit zegt dat het niet betalen van een hotelrekening in Nederland niet strafbaar is. Volgens mij is dat flessentrekkerij. Het is misschien geen oplichting, maar wel flessentrekkerij. Het feit is in Nederland ook strafbaar, maar het is onder een ander artikel geschoven.

De heer De Wit (SP):

Het is de vraag of dat zo strafbaar is. Het wordt in de literatuur genoemd als voorbeeld. Het niet betalen van een hotelrekening is in Nederland geen strafbaar feit en in Duitsland wel. Er kan ook een ander voorbeeld voor in de plaats worden gezet. Het gaat niet per se om dat feit, maar om feiten die in Duitsland of een ander EU-land wel strafbaar zijn en in Nederland niet.

De heer Teeven (VVD):

Dat heb ik begrepen, maar ik vraag concreet of uw fractie er wel mee kan leven als feiten niet onder dezelfde noemer strafbaar zijn, maar in Nederland bijvoorbeeld onder A en in Duitsland onder B.

De heer De Wit (SP):

Ik versta het niet. Wilt u het nog eens zeggen?

De heer Teeven (VVD):

Als feiten in Nederland zeg maar onder noemer A strafbaar zijn, bijvoorbeeld als vermogensdelict, maar in het buitenland een andere titel hebben gekregen, kan uw fractie daar dan wel mee leven? Kan zij ermee leven dat het niet precies gelijkluidend is, dus niet twee keer oplichting, maar een keer flessentrekkerij en een keer oplichting?

De heer De Wit (SP):

In de literatuur die hierover is, onder andere naar aanleiding van het kaderbesluit rondom het arrestatiebevel, dus de Overleveringswet die wij in Nederland kennen, staat uitgelegd dat het niet zozeer om de vraag gaat of wij nu exact eenzelfde definitie kennen als wel om het feitenbestand, dus om de vraag of de feiten die zich hebben voorgedaan, in Nederland strafbaar zijn. Daar gaat het om.

Ik ben gebleven bij het ontbreken van de eis van dubbele strafbaarheid. Hoe verhoudt het feit dat iets in het buitenland strafbaar is, maar in Nederland niet, terwijl de straf in Nederland wordt geëxecuteerd, zich tot het nulla-poenabeginsel, dus dat er eerst een wet moet zijn voordat er iets strafbaar kan worden gesteld?

In de schriftelijke inbreng heeft volgens mij met name de VVD-fractie gewezen op het functioneren van het rechtsstelsel in de landen die pas bij de Europese Unie gekomen zijn, dus Roemenië en Bulgarije. Polen wordt ook in het debat over dit wetsvoorstel genoemd. Daar zou sprake zijn van nogal wat corruptie. Welke vrijheid is er om wat over die vonnissen op te merken? In hoeverre mag er worden getwijfeld aan de rechtsgang of aan de inhoud en de totstandkoming van een vonnis? De minister zegt dat dit geen probleem is, aangezien het landen zijn waarop het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van toepassing is sinds die bij de Europese Unie zijn aangesloten. Naar mijn oordeel is dat een papieren werkelijkheid; volgens mij is de realiteit anders. Mijns inziens gaat het in dit wetsvoorstel om Nederlandse onderdanen die met vonnissen worden geconfronteerd waartegen in feite een gebrekkige rechtsgang mogelijk is, omdat ze in landen zijn geveld waar je je vraagtekens bij kunt zetten.

Hiermee kom ik op het vierde punt. De afstand kan een probleem opleveren voor het voeren van je verdediging in een procedure in bijvoorbeeld Griekenland, Roemenië of Bulgarije. Ik noem maar een banaal voorbeeld: een persoon kan op vakantie zijn, zijn vakantiedagen hebben opgenomen en dus geen vrije dagen meer kunnen opnemen en zijn vakantiegeld hebben opgemaakt. Die persoon heeft dan geen geld meer om een retour Griekenland, Bulgarije of wat dan ook te betalen. Als gevolg daarvan wordt de procedure in dat land bij verstek gevoerd. Een ontkennende persoon die heeft gezegd: ik heb daar niets mee te maken, kan met vonnissen of een rechtsgang worden geconfronteerd waar die door omstandigheden geen invloed op kon uitoefenen. Van deze vier punten vraag ik mij af of ze nog kunnen worden bestempeld als deugdelijke rechtsgang. Ik vraag mij af of die ten opzichte van Nederlandse onderdanen die daarmee worden geconfronteerd, met voldoende waarborgen zijn omkleed. Ik ben van mening dat dit niet zo is. Ik vraag de minister dan ook of hij het geen goed idee vindt om in een aantal zaken waarin het om belangrijke affaires gaat, iemand die door omstandigheden zelf niet kan verschijnen, de mogelijkheid te bieden tot het doen van een beroep op de consulaire dienst van Nederland in zo'n land. Dan is er in zeker zin nog sprake van een waarneming of van iemand die het proces kan volgen.

Ten tweede wil ik de minister voorhouden dat het nog maar de vraag is dat dit wetsvoorstel volstaat. Er is namelijk alleen maar sprake van verplichte weigeringsgronden, respectievelijk facultatieve weigeringsgronden. Mogen wij wel blind vertrouwen op uitspraken uit het buitenland? Moeten wij de officier van justitie niet meer mogelijkheden geven tot het beoordelen van de gegrondheid van een vonnis? Dit valt niet onder de weigeringsgronden. Ik hoor graag of de minister ook vindt dat de officier van justitie dit zorgvuldig dient af te wegen.

Het gaat in dezen om een wetsvoorstel uit een reeks wetsvoorstellen die al in Nederland zijn geïmplementeerd. Er staat er nog een op stapel, namelijk een wetsvoorstel waarin wordt beoogd te komen tot tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen die in andere landen zijn uitgesproken. Dat gaat mijns inziens wel heel erg ver. Wij spreken dus eigenlijk over heel belangrijke en ingrijpende wetsvoorstellen. De SP-fractie vindt dat wij er de nadruk op moeten leggen dat bij het tot stand komen van kaderbesluiten, respectievelijk bij het maken van Nederlandse wetten, vooral in overweging wordt genomen dat wij de positie van Nederlandse onderdanen in het buitenland zoveel mogelijk moeten waarborgen in de procedures die in het buitenland plaatsvinden. Op die manier kunnen wij met enige zekerheid zeggen dat er sprake is van een uitspraak die beantwoordt aan de Nederlandse normen.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. De fractie van de PVV staat kritisch tegenover de Europese regelgeving zoals die is neergelegd in het kaderbesluit waarop het thans voorliggende wetsvoorstel is gebaseerd. De gedachte dat buitenlanders hun geldboete niet zomaar moeten kunnen ontlopen, spreekt mijn fractie op zichzelf natuurlijk wel aan. Toch hebben wij zorgen over de zorgvuldigheid waarmee door buitenlandse autoriteiten wordt gewerkt. Als ik de tekst van het wetsvoorstel lees, ontstaat de indruk dat de kruisjes die door buitenlandse autoriteiten worden gezet op het zogenaamde certificaat, bepalend en beslissend kunnen zijn.

Ik neem datgene als voorbeeld, wat door de ANWB bij brief van 17 januari jongstleden aan de minister is voorgelegd. Het gaat hierbij om een heel concreet probleem. Er komen bij deze bond namelijk klachten binnen over verdachten die worden aangeschreven in een voor hen onbegrijpelijke taal. Dit is voor elk land van de Europese Unie, en dus voor elk land dat bij dit kaderbesluit betrokken is, in strijd met artikel 6, lid 3, aanhef en onder a van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Daarin wordt voorgeschreven dat ieder het recht heeft om in een taal die hij verstaat op de hoogte te worden gebracht van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Als ik afga op wat de ANWB schrijft, lijkt de praktijk dus nu al uit te wijzen dat dit niet altijd gebeurt.

Ik vraag mij daarom af hoe het straks gaat als een Nederlandse burger een brief uit Litouwen krijgt in een taal die hij niet kan doorgronden. Hij begrijpt waarschijnlijk niet eens dat de brief van justitie afkomstig is. Wat nu, als in zo'n geval het uitvaardigende land in een certificaat aankruist dat de betrokkene conform het recht van dit uitvaardigende land in kennis is gesteld van de procedure die aan de orde is? Kan de betrokkene dit dan nog betwisten bij de Nederlandse autoriteiten? Als je de formulering van de weigeringgronden voor de officier van justitie in het wetsvoorstel leest, lijkt het er op dat de inhoud van het certificaat beslissend is. Weliswaar kan de officier de uitvoering opschorten en nadere inlichtingen van de uitvaardigende staat inwinnen, maar als die er bij blijft dat het kruisje terecht is gezet, zijn wij in Nederland volgens mij uitgepraat. De officier kan dan volgens mij niet weigeren als hij vindt dat hij niet voldoende of niet voldoende overtuigend is voorgelicht door de uitvaardigende staat.

Het wordt voor de burger die wil betwisten dat de procedure in het buitenland volgens de regels van het spel is gevolgd, vrijwel onmogelijk om dit aan te tonen. Ik vraag de minister dan ook, of hij bereid is om de werking van het kaderbesluit en van deze wet na verloop van tijd deugdelijk te evalueren, bijvoorbeeld na een of twee jaar na inwerkingtreding van de wet. Is de minister bijvoorbeeld bereid om een klachtenmeldpunt in te stellen voor de burgers? Is de minister verder bereid om alle zaken waarin een burger de buitenlandse boete betwist, hetzij bij de officier van justitie, hetzij in een verzetprocedure bij de rechter, te laten inventariseren en analyseren? Het doel van al mijn vragen is natuurlijk, de burger te beschermen tegen een strikte en keiharde tenuitvoerlegging van buitenlandse beslissingen, die wellicht in een aantal gevallen ondeugdelijk zullen zijn.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Voorzitter. Het gaat hierbij om de implementatie van het kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties. Een hele mond vol, maar simpel gezegd gaat het erom dat bijvoorbeeld buitenlandse verkeersovertreders – bijvoorbeeld Nederlanders die op de route du soleil met hun sleurhut te hard rijden – bij thuiskomst toch een bekeuring op de deurmat vinden. Het lijkt erg voor de hand liggend dat opgelegde sancties in de hele Europese Unie ten uitvoer gelegd moeten kunnen worden. Alle lidstaten hebben zich immers gebonden aan het Europees verdrag inzake de rechten van de mens, waarin is verankerd dat iedereen recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Het lastige is dat dit wetsvoorstel een voorloper is van maatregelen rondom de wederzijdse erkenning van confiscatiebeslissingen, maar vooral van het kaderbesluit wederzijdse erkenning van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen. Daarover zijn nog heel veel lastige vragen te stellen, maar daar kom ik nog op terug.

Bij het wetsvoorstel waarom het nu gaat, ziet onze fractie allereerst een probleem bij de definitie van straffen in verschillende landen. In beginsel moet elk vonnis zonder verdere formaliteiten door elke lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd worden. Er zijn wel imperatieve en facultatieve weigeringsgronden. Zo kan er sprake zijn van niet-strafbaarheid van een feit naar Nederlands recht, tenzij het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd, vermeld is op een bij AMvB vastgestelde lijst met feiten en soorten van feiten. Daarnaast zijn er nog facultatieve weigeringsgronden, gronden waarvan het Openbaar Ministerie gebruik kán maken. Nu staat er in het tweede lid van artikel 11 dat de officier van justitie de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, houdende een geldelijke sanctie, kan weigeren indien het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd, buiten het grondgebied van de uitvaardigende staat is gepleegd, terwijl naar Nederlands recht geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien het feit buiten Nederland zou zijn gepleegd. Toen ik deze zin las, kwam er maar één vraag bij mij op: wat staat hier nu precies? Op welke feiten die tot geldelijke sancties leiden, wordt hierbij gedoeld? Als het om vrijheidsstraffen ging, zou ik me er iets bij kunnen voorstellen. Dan zou het bijvoorbeeld kunnen gaan om een abortus, uitgevoerd door een Nederlandse arts bij een Pools meisje. Bij geldelijke sancties kan ik mij er weinig bij voorstellen, maar misschien zie ik enige feiten over het hoofd.

De heer De Wit is al ingegaan op de dubbele strafbaarheid. Je kunt het beginsel van dubbele strafbaarheid in het eerste lid van artikel 10, onder b, door alle juridische termen heen zien schemeren, maar ook niet meer dan dat. Het is sterk afhankelijk van de bij AMvB vast te stellen lijst van feiten en soorten van feiten hoe sterk of, beter gezegd, hoe zwak er aan het beginsel van dubbele strafbaarheid wordt vastgehouden. Deze lijst is globaal bekend, artikel 5 van het kaderbesluit bevat een opsomming. Het gaat om lastige delicten waarvoor Nederlandse hulp kan worden ingeschakeld. Bij zulke delicten denken wij bijvoorbeeld aan hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf.

Overigens is het wel wat merkwaardig dat er in een kaderbesluit dat bedoeld is om de erkenning van geldboetes te regelen, ook delicten worden genoemd zoals moord en doodslag, zware mishandeling, terrorisme, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Wat doen dergelijke zware delicten eigenlijk op een lijst van delicten die met een geldboete zouden kunnen worden afgedaan? Wellicht hangt dit samen met de toekenning van vergoedingen aan slachtoffers. In Nederland kunnen slachtoffers zich voegen in het strafproces van de dader; de strafrechter kan vervolgens beoordelen welke schade er eventueel vergoed dient te worden. De grens wordt hierbij gevormd door de bepaling dat de strafrechter de civielrechtelijke claim vrij eenvoudig moet kunnen beoordelen. Ik kan mij voorstellen dat men elders in de Europese Unie aanmerkelijk verder gaat bij de toekenning van zulke claims. In Frankrijk kent men bijvoorbeeld de action civile, waarbij slachtoffers eigenmachtig min of meer langs strafrechtelijke weg schadevergoeding kunnen claimen. En in Duitsland bestaat een hiermee vergelijkbaar juridisch instrument, de Nebenklage. Is het voorstelbaar dat dergelijke vonnissen in Nederland met deze wet ten uitvoer kunnen worden gelegd? Ik ben hier niet per se tegen, maar ik verneem graag een reactie hierop. De wederzijdse erkenning van geldelijke sancties is een begrijpelijk streven waar mijn fractie zich in beginsel in kan vinden.

Grotere problemen wachten ons nog met andere kaderbesluiten op dit vlak. Het laatste ontwerpkaderbesluit rondom de wederzijdse erkenning van vrijheidsstraffen is nog in onderhandeling. Wij zien zeker het voordeel van wederzijdse erkenning van vrijheidsstraffen vanuit de behoefte aan een integratie van Nederlandse gedetineerden in Nederland, resocialisatie in hun eigen omgeving, maar ik heb wel een aantal fundamentele vragen.

Zoals ik al zei, is op Europees niveau het vereiste van de dubbele strafbaarheid steeds meer losgelaten in de afgelopen jaren. Dat zou worden gecompenseerd door heel precies aan te geven voor welke delicten de dubbele strafbaarheid niet zou gelden en door minimumeisen aan de rechtsgang te stellen. Nu begrijp ik dat het kaderbesluit en de te stellen minimumeisen door de vele amenderingen door de lidstaten flink zijn uitgekleed. De Europese Commissie die dit voorstel oorspronkelijk heeft gedaan, is zelfs van mening dat het zo uitgekleed is dat het zelfs onder het minimum van het Verdrag voor de rechten van de mens komt. Ik heb begrepen dat de Europese Commissie om die reden advies heeft gevraagd in Straatsburg. Op welke punten zou het compromis dat nu gevormd is onder het Verdrag voor de rechten van de mens uitkomen? Kan hij daarop een precieze reactie geven?

Ik begrijp dat het ontwerpbesluit zich op grond van het compromis slechts richt op grensoverschrijdende criminaliteit. Is al duidelijk hoe deze vorm van criminaliteit juridisch afgebakend kan worden?

Bij dit ontwerpbesluit en de eventuele implementatie zal heel sterk rekening moeten worden gehouden met de praktische uitvoering. Hoe pas je dit ontwerpbesluit toe in de eigen wetgeving? Daarbij komen lastige vragen kijken, bijvoorbeeld over de manier waarop het bewijs is verkregen. Zo is op dit moment in Oostenrijk een Nederlander veroordeeld voor drugshandel, maar die veroordeling heeft plaatsgevonden op basis van een anonieme getuigenverklaring. In Nederland zou dat onvoldoende bewijsvoering vormen. Zou Nederland dan gewoonweg dit vonnis moeten overnemen of zou Nederland een extra toets kunnen toepassen?

Al deze fundamentele vragen moeten nu al beantwoord worden, omdat zij nu in onderhandeling zijn.

Ten slotte de interpretatie van de lijst van strafbare feiten. Die lijst lijkt heel vanzelfsprekend. Moord is moord, doodslag is doodslag. Wij leven echter in een divers Europa en zoals ik al eerder in een voorbeeld aangaf, is volgens de Poolse wetgeving abortus moord. Het is een puur hypothetische en puur theoretische vraag. Mijn vraag aan de minister is wel tot welke problemen dit bijvoorbeeld kan leiden tussen Nederland en Polen op dit punt, dat voor Nederland als soevereine rechtsstaat toch van groot belang is.

De heer Teeven (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Wat de VVD-fractie over het wetsvoorstel opmerkt, moet niet worden opgevat als een pleidooi voor harmonisatie van het Europees strafrecht. Dat is het zeker niet; dus er staat geen deur open. Mijn fractie vindt wel dat de executie van geldelijke straffen die hier wordt besproken, iets totaal anders is dan een harmonisatie van het strafrecht in Europees verband. Mijn fractie kan dus ook echt wel leven met de wederzijdse erkenning van vonnissen uit andere lidstaten en de wederzijdse erkenning op geldelijke sancties. Met de motie van de heer De Roon om in elk geval na twee jaar te bekijken hoe het uitwerkt, hebben wij op zich wel de garantie ingebouwd.

Wij hebben nog wel een aantal opmerkingen over dit wetsvoorstel. Wij hebben bij de wisseling van stukken al enige zorgen geuit over de mogelijke aanwezigheid van corruptie binnen het systeem in de nieuwe lidstaten. Daar is de minister wel heel kort langs gegaan. Kan de minister bijvoorbeeld nog eens bespreken hoe hij dit ziet in net toegetreden lidstaten, die wellicht een beetje vatbaar zijn voor corruptie? Nog niet zo lang geleden heeft de Europese Commissie daarover gerapporteerd.

Mijn fractie blijft zich in tegenstelling tot andere fracties wel verbazen dat een veroordeelde in Nederland zich toch weer moet kunnen verzetten tegen het nemen van verhaal door Nederland. Wij denken dat het erkennen van strafvonnissen uit andere lidstaten juist iets is, zeker in het geval van geldelijke sancties. Iemand heeft de mogelijkheid van hoger beroep in zo'n lidstaat en in sommige zaken ook de mogelijkheid van cassatie. De vraag is dan of iemand zich in Nederland kan verzetten als verhaal plaatsvindt. Ik heb wellicht wat meer vertrouwen in de officier van justitie dan anderen in dit huis. Naar het oordeel van onze fractie is er geen verzet nodig als een officier van justitie toetst of de inmiddels veroordeelde destijds in een voor hem begrijpelijke taal op de hoogte is gesteld van het ten laste gelegde feit, van de verweermogelijkheden en van de wijze van betaling. De officier van de justitie kan altijd het verzoek van de uitvaardigende staat weigeren als niet aan die vereisten is voldaan. Ik heb er wel vertrouwen in dat dit goed gaat. Als de regering akkoord gaat, wordt een en ander gedurende twee jaar gemonitord. Na die twee jaar kan een evaluatie plaatsvinden. Laten wij wel wezen, het gaat niet om moord, abortus en dat soort zaken. Wij praten hier over geldelijke sancties, maar die kunnen natuurlijk wel oplopen bij bepaalde delicten.

De VVD zou ervoor zijn om zo weinig mogelijk vonnissen om te zetten en ervoor te kiezen om zoveel mogelijk vonnissen ten uitvoer te leggen. Is de minister voornemens om in die zin een aanwijzing te geven via het College van procureurs-generaal en het OM om het beleid vooral te laten zijn dat er niet wordt omgezet maar altijd ten uitvoer wordt gelegd?

Bij onze fractie bestaat nog altijd de zorg of er wel voldoende capaciteit is bij het CJIB om dit allemaal te gaan doen. Dit is immers meer maatwerk dan het massawerk dat het CJIB tot nu toe gewend is.

In de nota naar aanleiding van het verslag is ingegaan op het uitgangspunt dat de uitvoerende lidstaat het geld krijgt. Maar wat gebeurt er als er een slachtoffer is in de uitvaardigende lidstaat en dat slachtoffer kan zich voegen in zo'n strafprocedure? Als er wordt ingevorderd in de uitvoerende lidstaat, kan dat geld dan ten goede komen aan het slachtoffer van de uitvaardigende lidstaat? De minister heeft daarover wel iets gezegd in de nota naar aanleiding van het verslag (pagina 10) maar dat is voor ons wat mager. Welke rechten hebben slachtoffers van een ongeval veroorzaakt door iemand uit een van de andere lidstaten om toch beslag te kunnen leggen en over geld te kunnen beschikken?

Wij zouden de minister willen uitnodigen, in te gaan op de vraag of hij de mogelijkheid van verzet die nu in de wet zit echt nodig vindt, of dat die er uitgehaald kan worden. Het geeft een hoop administratieve rompslomp en wij praten over relatief kleinere strafzaken. Misschien zijn er enkele grote fraudezaken, maar die vormen toch een minderheid.

De heer Çörüz (CDA):

Mevrouw de voorzitter. De CDA-fractie verwelkomt het voorliggende wetsvoorstel. Juist voor de aanpak van grensoverschrijdende delicten kan dit een goed instrument zijn. Het is natuurlijk niet alleen bedoeld om het Nederlanders die met een caravan over de Franse wegen toeren moeilijk te maken. Als er sprake is van oplichting, fraude en dat soort zaken waarbij een geldsanctie wordt opgelegd, kan dit een goed instrument zijn.

Het wetsvoorstel sluit goed aan bij het Verdrag van Prüm waarover wij recent gesproken hebben. Met name de grensoverschrijdende samenwerking bij de aanpak van criminaliteit kan daarbij een middel zijn.

Ik heb een tweetal vragen aan de minister. Voor een Nederlander aan wie bijvoorbeeld in Duitsland een geldelijke sanctie wordt opgelegd en die weer naar Nederland komt omdat hij daar zijn woon- of verblijfplaats of zijn inkomen of vermogen heeft, kan Nederland een briefje of een certificaat krijgen. In zo'n certificaat staan de naam en het adres van betrokkene en datgene waarvan hij of zij wordt beschuldigd. Nu doet zich het vreemde feit voor dat artikel 4, tweede lid, van het kaderbesluit meldt dat het model van het certificaat in de bijlage bij dat besluit staat. Er is dus een model dat aangeeft hoe het certificaat eruit behoort te zien. In de nota naar aanleiding van het verslag schrijft de minister dat het model van het certificaat bij aparte maatregel van bestuur in de Nederlandse wetgeving zou moeten worden geïmplementeerd. Is dat niet dubbelop? Er is immers al een model.

Dan heb ik nog twee korte vragen over de kosten. Een geldsanctie kan eventueel worden omgezet in een detentie. Stel dat het gaat om een Nederlander die in Duitsland is veroordeeld. Hij kan in Nederland zijn gevangenisstraf uitzitten en Nederland draait dan op voor de kosten. Hoe ziet de baten-lastenanalyse er volgens de minister uit?

Wij gaan de WOTS vervangen door dit wetsvoorstel, maar dit wetsvoorstel is gebaseerd op vertrouwen. Juist omdat wij andere EU-lidstaten vertrouwen, erkennen wij hun besluiten. Echter, wij hebben te maken met een aantal nieuwe EU-lidstaten. Hoe gaan wij borgen dat ons vertrouwen in de rechtsstelsels van de nieuwe lidstaten niet wordt geschaad?

Minister Hirsch Ballin:

Mevrouw de voorzitter. Het wetsvoorstel dat voor ons ligt wil uitvoering geven aan een kaderbesluit. Nederland is daartoe als lidstaat van de EU verplicht. Het kaderbesluit is ook met instemming van de Tweede en de Eerste Kamer der Staten-Generaal tot stand gekomen. Als men meent dat wij het kaderbesluit maar niet of niet helemaal moeten uitvoeren, kan ik daaraan geen gevolg geven. Dat kan ik ook niet doen als de betogen daarvoor mij zouden hebben overtuigd. Dat is overigens niet het geval. Voordat ik inga op de verschillende opmerkingen, moeten wij dus in aanmerking nemen dat er op Nederland als lid van de EU de verplichting rust om het kaderbesluit in wetgeving om te zetten. Die wetgeving zal gestalte krijgen met de aanneming van dit wetsvoorstel en met de algemene maatregel van bestuur die daarop is gebaseerd.

Wij hebben hier te maken met een besluit van de Europese Unie dat qua juridisch effect vergelijkbaar is met een richtlijn. In artikel 34 van het verdrag betreffende de Europese Unie staat dat kaderbesluiten bindend zijn voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken resultaat. Aan de nationale instanties wordt echter de bevoegdheid gelaten om de vorm en de middelen te kiezen.

De kaderbesluiten hebben geen rechtstreekse werking. Dit kaderbesluit is echter zeer precies in het vaststellen van het model voor het certificaat, dat als bijlage aan het kaderbesluit is gehecht en er in die zin deel van uitmaakt. Dit neemt niet weg dat wij vervolgens dat model een plaats moeten geven in de Nederlandse wetgeving. Dat geschiedt in de algemene maatregel van bestuur die op dit wetsvoorstel zal worden gebaseerd.

Bij dit alles gaat het om een toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning dat sinds Tampere uitdrukkelijk deel uitmaakt van het beleid in de justitiële en politionele samenwerking. Er zijn voorbeelden genoemd van Nederlanders die onaangenaam verrast zijn wanneer de executie plaatsvindt van een vermogenssanctie die hun over de grens is opgelegd. Ik wil erop wijzen dat dit ook de andere kant op werkt. Het voorbeeld werd genoemd van de snelheidsovertredingen waarop sommige mensen uit andere lidstaten van de Europese Unie in het bijzonder worden aangekeken. Dat bij open grenzen hier met recht en rede opgelegde sancties niet ten uitvoer worden gelegd, is toch niet iets wat wij ons wensen. Het vertrouwen stellen in elkaars rechtsstelsel en dat over en weer uitvoeren, hoort bij de Europese Unie.

Met inachtneming van wat ik zojuist heb gezegd, zal ik op een paar van de punten ingaan die aan de orde zijn gesteld. Daarbij wil ik niet de indruk wekken dat het kaderbesluit niet uitgevoerd hoeft te worden, maar hoop ik toch iets te kunnen bijdragen aan het begrip voor het stelsel. De heer De Wit heeft nogal wat bedenkingen geuit over het ontbreken van het vereiste van dubbele strafbaarheid voor de feiten die alleen qua onderwerp zijn omschreven in het kaderbesluit. Het gaat dus om de opsomming in artikel 5, eerste lid van het kaderbesluit. Die zal uiteraard geheel gevolgd worden in de algemene maatregel van bestuur. Daarin is geen beoordelingsruimte gelaten aan de Nederlandse wetgever. Het gaat hierbij om een omschrijving van delicten waarover geen twijfel bestaat dat ze met de variëteit in de manier waarop het juridisch is vormgegeven, alom worden beschouwd als strafwaardige feiten. Ik noem mensenhandel of cybercriminaliteit. De vormgeving in nationale strafbepaling kan inderdaad uiteenlopen voor misdrijven zoals die welke onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen. In dat opzicht laat dit kaderbesluit ook ruimte voor variëteit in nationale tradities in het omschrijven van strafbare feiten. Het lijdt geen twijfel dat het thematisch gaat om onderwerpen die wij hier strafwaardig vinden en die over de grens niet strafwaardig kunnen zijn, en omgekeerd. Ook al wordt niet de soms bewerkelijke traditionele methodiek van het vereiste van de dubbele strafbaarheid gehanteerd, de dubbele strafwaardigheid alom in het gebied van de EU komt tot uitdrukking in dit kaderbesluit, dat door alle lidstaten is aanvaard. In die zin is de tegenstelling tussen het wel of niet omhelzen van de traditionele methodiek van de dubbele strafbaarheid betrekkelijk. Wij moeten onszelf niet aanpraten dat ruimte wordt geboden voor allerlei ongewenste grensoverschrijdende handhaving. Het geeft eigenlijk veel meer uitdrukking aan een gemeenschappelijk inzicht in de strafwaardigheid van de in artikel 5 eerste lid van het kaderbesluit opgesomde onderwerpen.

De heer De Wit (SP):

In artikel 10 lid 1 onder b wordt nu juist uitgegaan van de mogelijkheid dat er sprake is van strafbare feiten die in het buitenland strafbaar zijn, maar in Nederland niet. Dat staat in de weigeringsgrond onder b. De bedenkingen die wij daartegen kunnen hebben, worden weggenomen doordat in lid 2 wordt verwezen naar de lijst. Het is dus geen theoretisch idee dat het kan voorkomen dat wij in Nederland te maken krijgen met feiten die in het buitenland strafbaar zijn, maar in Nederland niet. De uitweg is dan de lijst, maar dat zijn geen duidelijk strafbare feiten die in de Nederlandse wet zijn vastgelegd; dan kan althans voorkomen.

Minister Hirsch Ballin:

Dat is juist de systematiek waarvoor hier is gekozen. Het uitgangspunt van de dubbele strafbaarheid is dan ook niet over de gehele linie overgeslagen. In het geval van een veroordeling in het buitenland is er in dat land respect voor het nulla-poenabeginsel. Dat noemde de heer De Wit ook in dit verband. Gaat het om gedrag dat in Nederland niet strafbaar is, dan kan Nederland weigeren. Dat klopt. Een uitzondering daarop vormen de feiten op de lijst. Daarvoor geldt dat wij de geldboete voor de tenuitvoerlegging accepteren, ook als in een uitzonderlijk geval de strafbaarheid ontbreekt. Daarom is voor deze onderwerpen, alleen die van artikel 5 eerste lid, gekozen voor de benadering van de lijst met onderwerpen.

De heer De Wit (SP):

Artikel 10 lid 1 onder b is een verplichte weigeringsgrond. Dat vind ik nou net het vreemde. Er is sprake van een verplichte weigeringsgrond wanneer het gaat om feiten die in Nederland niet strafbaar zijn. In lid 2 wordt echter verwezen naar de lijst. In feite wordt die weigeringsgrond daarmee onderuitgehaald en dat is vreemd. In de lijst vind je immers geen strafbare feiten, maar omschrijvingen van feiten waar deze onder gerangschikt kunnen worden.

Minister Hirsch Ballin:

Dat is inderdaad de systematiek. In artikel 10 eerste lid onder b wordt gezegd dat de officier van justitie de erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissing houdende geldelijke sanctie moet weigeren indien het feit waarvoor de geldelijke sanctie is opgelegd en indien het feit in Nederland was begaan naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn. Daarom zei ik zo-even dat hier het dubbelestrafbaarheidsprincipe is gehandhaafd. Daaraan is echter toegevoegd: behoudens het bepaalde in het tweede lid. Het tweede lid zegt nu juist dat de tenuitvoerlegging van een beslissing niet wordt geweigerd – niet mag worden geweigerd dus – op de grond die ik zo-even weergaf indien het feit is vermeld op de lijst, de algemene maatregel van bestuur die de bepalingen in het kaderbesluit die ik zo-even aanhaalde, incorporeert in het Nederlandse recht.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

De minister sprak bij de geldelijke sancties over ruimte voor nationale tradities. Waarop doelt hij dan precies?

Minister Hirsch Ballin:

Ik doelde op een heel praktische aanpak, die niet alleen bij dit kaderbesluit maar ook bij de andere kaderbesluiten die uiting geven aan het principe van de wederzijdse erkenning geldt. Daarbij is de soms bewerkelijke, strakke of onhandige methodiek van het vergelijken van delictsomschrijvingen losgelaten. In plaats daarvan is gekozen voor omschrijvingen van het onderwerp waarop de delictsomschrijvingen betrekking hebben. Daarmee is tegelijkertijd de ruimte aanvaard en in stand gelaten dat in de nationale wetgeving nog steeds verschillende benaderingen kunnen worden gekozen, bijvoorbeeld bij het strafbaar stellen van mensenhandel, racketeering of sabotage. De delictsomschrijvingen hoeven niet te worden geharmoniseerd. Dat had een vervolg kunnen zijn van de Europese rechtsontwikkeling als wij niet voor deze methode hadden gekozen. Er wordt ook niet een situatie gecreëerd waarin uitvoerige onderzoeken naar nationale wetgeving nodig zijn, terwijl uit het onderwerp waarop de veroordeling betrekking heeft duidelijk blijkt dat het een strafbaar feit betreft dat wij in Nederland ook strafbaar achten. Er is in dit kaderbesluit en in de vergelijkbare kaderbesluiten een thematische methodiek gevolgd. Het grote voordeel daarvan is dat wij niet in een spoor terechtkomen van harmonisatie van strafbepalingen in de Europese Unie. Daarom sprak ik over het feit dat er ruimte is gelaten voor tradities. Het is echter ook niet de bedoeling dat wij in een situatie terechtkomen waarbij de grensoverschrijdende erkenning wordt bemoeilijkt doordat er voortdurend rechtsvergelijkende onderzoeken dienen te worden gedaan.

Onder andere de heer De Wit heeft gevraagd of de rechtmatigheid van in andere lidstaten opgelegde vonnissen voldoende is gewaarborgd. Hij heeft onder andere Bulgarije en Roemenië genoemd. Dat raakt de kwestie die is opgeworpen door de heer De Roon, namelijk het vertrouwen in de nieuwe lidstaten. Pas op het moment dat de procedure in de uitvaardigende lidstaat resulteert in een onherroepelijke beslissing waarbij een geldboete wordt opgelegd, komt de regeling aan de orde die wij nu treffen. Het komt dus inderdaad aan op de regeling van de rechtsgang in dat land. Daaraan is de vraag gekoppeld over de begrijpelijkheid van talen en dergelijke. Het gaat hoe dan ook om het feit dat procesrechtelijke vereisten ook in die andere lidstaten in acht moeten worden genomen. Daarbij hoort ook de begrijpelijkheid van de taal. Een en ander is overigens overeenkomstig artikel 6 van het EVRM gewaarborgd. Dat heeft betrekking op het waarborgen van de procedure die leidt tot een veroordeling. Wij stellen het niet op prijs als mensen die in ons land worden veroordeeld later zeggen dat de Nederlandse taal voor hen koeterwaals was. Wij moeten nu dus ook niet het standpunt innemen dat onze grensoverschrijdende samenwerking zich beperkt tot landen waar Nederlands of Engels wordt gesproken. Natuurlijk moet er zijn voldaan aan het vereiste dat de veroordeling op de juiste manier heeft plaatsgevonden. Ook de aanklacht dient voor betrokkene begrijpelijk te zijn. Het gaat om lidstaten die partij zijn bij het EVRM. In het kaderbesluit is ten overvloede een verwijzing naar die grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen opgenomen. Het individuele klachtrecht is de laatste stok achter de deur. Ik onderstreep nogmaals dat wij terecht aandacht besteden aan grondrechten, ook als het zaken in de EU betreft.

Gevraagd is of gebreken in de rechtsorde van de nieuwe lidstaten een reden zijn om anders te handelen. Dat is niet het geval. Deze vereisten gelden ook voor die lidstaten. Die kunnen ook daar worden gehandhaafd. Het is zeker waar dat de steun en de hulp voor en de monitoring van de volledige toepassing van verdragen, kaderbesluiten, richtlijnen en verordeningen door de Europese Commissie in het oog worden gehouden. Dat gebeurt in samenwerking en Nederland heeft daarin ook zijn aandeel.

De heer Teeven vraagt of de verzetprocedure achterwege kan blijven. Het vertrouwen zou zo groot zijn dat die niet meer nodig is. Die vraag beantwoord ik niet bevestigend. Ik ga er niet van uit dat die procedure hoogfrequent toegepast moet worden. In het geheel van het stelsel van de wet lijkt het mij echter een bijdrage aan de evenwichtigheid en werking daarvan. Ook hier is een rechtsgang om over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de beslissing uit de andere lidstaat.

De beoordelingsruimte van de officier van justitie kan ik niet groter maken dan het kaderbesluit toestaat. Ik heb de redenen gegeven waarom ik het door alle lidstaten aanvaarde kaderbesluit ex post niet ter discussie wil stellen.

De heer De Roon wijst op de zorgen van de ANWB over de verkeersovertreders in het buitenland. De wederkerigheid bij verkeersovertredingen en de verplichting om te wijzen op de rechten en plichten bij een gerechtelijk stuk heb ik al aangestipt. De ANWB levert op dit vlak nuttige bijdragen. Ik hoop dat ADAC en andere zusterorganisaties in het buitenland hetzelfde doen voor het weggebruik in Nederland. Ik heb in een brief aan de ANWB overigens een aantal praktische suggesties aan de ANWB meegegeven. De Kamer heeft die brief in afschrift ontvangen.

Mevrouw Azough heeft opmerkingen gemaakt over het Kaderbesluit strafvonnissen die leiden tot een vrijheidsstraf. Dit onderwerp is aan de orde geweest in de overleggen over de agenda voor de JBZ-raad. Er is een politiek akkoord over dit onderwerp. Misschien is het goed om daarop verder in te gaan in het algemeen overleg.

Mevrouw Azough vraagt mij of ik mij alles kan voorstellen bij de lijst. Ik heb zo-even een paar voorbeelden gegeven. Daaruit kan zij opmaken dat het lang niet altijd gaat om misdrijven waarvan wij ons voorstellen dat die met een geldboete afgedaan kunnen worden. Het kan ook gaan om schadevergoedingsmaatregelen. Dat kan aan de orde zijn bij de ernstige misdrijven waarover mevrouw Azough spreekt. Bovendien is dit een soort standaardlijst die wij bij de reeks kaderbesluiten hanteren. Het is verstandig om niet per kaderbesluit een waarschijnlijkheidsinschatting te maken of een type sanctie aan de orde komt.

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Ik heb specifiek gevraagd of de civielrechtelijke claims, die bij strafzaken elders in de Europese Unie aanmerkelijk verdergaand worden beoordeeld, ook in Nederland toegepast moeten worden. Ik doel op de action civile en dergelijke.

Minister Hirsch-Ballin:

Bij een geldbedrag voor een schadefonds of instelling voor slachtoffers van strafbare feiten, voor zover deze verplichting is opgelegd bij rechterlijke uitspraak of beschikking, of een geldbedrag voor het slachtoffer van het strafbare feit, voor zover deze verplichting is opgelegd door de strafrechter, kan inderdaad de tenuitvoerlegging ook langs deze weg plaatsvinden. Ik hoop dat de Kamer straks het wetsvoorstel behandelt bij versterking van de positie van het slachtoffer. Het is misschien goed om in het oog te houden dat mensen die slachtoffer zijn van een delict begaan door een buitenlander in Nederland effectievere mogelijkheden hebben om aan hun geld te komen. Ik denk dat het goed is om bij de bespreking van deze implementatie van dit kaderbesluit onder ogen te zien dat niet alleen Nederlandse veroordeelden in het buitenland er last van hebben, maar ook Nederlandse slachtoffers er baat bij hebben en dat de tenuitvoerlegging in andere Europese lidstaten hiermee dus een steun in de rug krijgt.

De heer Teeven (VVD):

Gaat de minister nu ook in op de wijze waarop het slachtoffer het geld van de tenuitvoerleggende staat krijgt? Dat stelde ik ook aan de orde.

Minister Hirsch Ballin:

Als de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat plaatsvindt, gaat die met inachtneming van de vormen aldaar. De regels omtrent de tenuitvoerlegging – dus executie, beslag en dergelijke – in die andere lidstaat worden daarbij dus gevolgd.

De heer Teeven (VVD):

Dat snap ik, maar het gaat mij om het volgende. Er is sprake van een Nederlands slachtoffer, in het buitenlands wordt het vonnis uitgevoerd. Dit is de omgekeerde situatie. Hoe kan het Nederlandse slachtoffer in dat geval een schadevergoeding krijgen? Het uitgangspunt van deze regeling is dat de tenuitvoerleggende staat het geld toekomt.

Minister Hirsch Ballin:

U bedoelt hoe dit wordt overgeboekt?

De heer Teeven (VVD):

De tenuitvoerleggende staat behoudt het geld. Hoe kan het slachtoffer dan realiseren dat hij het smartengeld ontvangt dat hij normaal in de Nederlandse situatie krijgt?

Minister Hirsch Ballin:

In ons systeem gaat dat via het Openbaar Ministerie. Ik heb hier niet de teksten van de Duitse, Belgische of Bulgaarse wetten ter implementatie van hetzelfde kaderbesluit bij de hand, maar omdat dit kaderbesluit bindt, zal dit moeten geschieden op de wijze die is voorgeschreven in het kaderbesluit. Dit betekent dat de betreffende lidstaat tot tenuitvoerlegging moet overgaan, daarbij geen kosten in rekening mag brengen en er vervolgens zorg voor moet dragen dat de gelden die verkregen zijn uit de tenuitvoerlegging van beslissingen toevallen aan de tenuitvoerleggende staat. Er moet daarbij wel in worden voorzien dat dit ten goede komt aan het slachtoffer.

De heer Teeven (VVD):

Hiermee zijn we terug bij uw beantwoording op pagina 10 van het verslag: hoe gaat Nederland hierin voorzien, hoe gaat u met uw ambtsgenoten in die andere lidstaten realiseren dat die slachtoffers het geld krijgen dat hun toekomt? Of het nu een Nederlands slachtoffer betreft dat hier zit vanwege een feit in het buitenland, of een feit dat hier is gepleegd met een slachtoffer in het buitenland, is me om het even, maar hoe gaat die persoon feitelijk zijn geld krijgen?

Minister Hirsch Ballin:

Ik probeer me in de situatie te verplaatsen die spiegelbeeldig is aan de onze. Hopelijk houdt u me ten goede dat ik nu geen details kan geven over de organisatie daarvan in de andere lidstaat. Hoe dan ook, het Openbaar Ministerie zal hier in ons geval met hulp van het CJIB een intermediaire functie moeten vervullen. Dit raakt sterk aan de materie die wij straks bespreken bij het wetsvoorstel over de versterking van de positie van het slachtoffer. Ik zal bij die gelegenheid nadere informatie geven over de praktische vormgeving.

Verder vroeg de heer Teeven naar de omzetting. Welnu, het gaat hier niet om omzetten, maar om erkenning en tenuitvoerlegging zonder verdere formaliteiten. Bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zal derhalve tussen de lidstaten van de Europese Unie niet langer sprake zijn van omzetting, zoals die nu plaatsvindt in de exequatur-procedure, maar van wederzijdse erkenning. Dat is een andere benadering die een flinke vereenvoudiging inhoudt.

Mevrouw Azough heeft terecht opgemerkt dat het hier op de een of andere manier altijd moet gaan om criminaliteit met een grensoverschrijdend karakter, al was het maar in de eenvoudige vorm van iemand die zelf de grens over gaat. Het betreft dus een wat lichtere vorm van grensoverschrijdendheid dan wij meestal associëren met het begrip "grensoverschrijdende criminaliteit".

De heer De Roon heeft vragen gesteld over evaluatie en een meldpunt voor klachten. Ik zie geen aanleiding om hier een bijzondere voorziening te treffen. Natuurlijk is er altijd de klachtmogelijkheid en de mogelijkheid van verzet die in het wetsvoorstel is vervat. Inzake de normen van artikel 6 EVRM is de ultieme klachtmogelijkheid die bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het is ook niet nodig om hiervoor een bijzonder klachtenmeldpunt in te richten, omdat uiteraard de gewone mogelijkheden aanwezig zijn om klachten in te dienen ten aanzien van het handelen van het OM.

De heer De Wit (SP):

Voorzitter. Het centrale woord in dit debat is eigenlijk "vertrouwen". Wij zullen erop moeten vertrouwen dat het gaat om strafbare feiten die ook in Nederland strafbaar zijn. De lijst speelt daarbij een cruciale rol. Gelet op het feit dat wij te maken hebben met EU-lidstaten die het EVRM ondertekenen, zullen wij erop moeten vertrouwen dat de rechtsgang en de rechtspraak in orde is en conform is wat wij daaronder verstaan. Wij zullen er tenslotte op moeten vertrouwen dat de burger ook het idee heeft dat de Nederlandse Staat goed voor hem heeft gezorgd, om het maar banaal te zeggen. Over dat laatste punt heb ik een vraag.

Het merendeel van de zaken die zich zullen voordoen, zullen verstekzaken zijn, althans geredeneerd vanuit de Nederlandse onderdanen. Je kunt dan de vraag stellen of je de burger dat grote vertrouwen moet aanpraten dat eigenlijk in de wet is vastgelegd. Ik zal eerlijk zeggen wat het idee is waar ik zelf al die tijd mee zit. Wat vindt de minister ervan om toch iets van kennelijke ongegrondheid in het wetsvoorstel in te brengen? Ik zie ook dat het eigenlijk niet kan, omdat de enige ruimte wordt geboden door de twee weigeringsgronden verplicht en facultatief. Ik pleit er echter voor om iets van kennelijke ongegrondheid in te brengen, zodat de officier zelf een zekere schifting kan aanbrengen.

De heer De Roon (PVV):

Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uiteenzetting. Ik ben bang dat het begin van zijn betoog over de juridische inkadering waarbinnen wij moeten opereren, juist is. Het kaderbesluit is voor Nederland bindend. Dat neemt allemaal niet weg dat wij ook nog een principe van gezond verstand kunnen hanteren. Er is een gezegde dat luidt: beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald. In mijn eerste termijn heb ik al gezegd dat er binnen mijn fractie veel reserves zijn over deze hele affaire. Ik zou graag dat de minister uiteenzet wat er gebeurt als bijvoorbeeld dit parlement besluit om dit wetsontwerp te verwerpen. Dan voldoen wij niet aan de termijn die wordt genoemd in het kaderbesluit. Wij hadden op 22 maart 2007 de zaak al op orde moeten hebben. Waar komt Nederland Europeesrechtelijk voor te staan als wordt besloten om hier toch maar niet in mee te gaan? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn?

Een andere kwestie betreft het gebrek aan vertrouwen. Ik heb geprobeerd om daar wat lucht aan te geven aan de hand van wat de ANWB aan concrete voorbeelden heeft aangedragen. De vraag kan gesteld worden of een rechter in het zesde dorp achter Boekarest die één, twee of drie keer per jaar met zo'n zaak te maken krijgt alles wel volgens de regels van bijvoorbeeld het EVRM doet.

Ik wil echter niet alleen naar het buitenland wijzen. Laten wij ook eens kijken wat er in dit land gebeurt op dit punt. Mijn ervaring is dat gerechtshoven een aantal malen per jaar in verstekzaken het vonnis van de rechter in eerste aanleg moeten vernietigen omdat uit het dossier niet blijkt dat stukken die in deze verstekzaak aan het buitenland zijn gezonden, zijn vertaald in een voor de betreffende verdachte begrijpelijke taal. Ook hier gaat het af en toe mis. Men kan zich dan met recht afvragen of het in al die nieuwe EU-landen die nog niet zo lang zijn aangesloten bij het EVRM als wij, niet nog vaker misgaat dan hier. Ik ben niet overtuigd door de sussende woorden van de minister die erop neerkomen dat wij er vertrouwen in moeten hebben dat het allemaal wel goed gaat.

Ik heb uit de stukken begrepen dat vanuit Nederland 50.000 zaken naar het buitenland kunnen worden overgeheveld. Een veelvoud aan zaken zal naar Nederland komen. De minister heeft erop gewezen dat mensen in verzet kunnen komen bij de rechter. Dat betreft volgens mij alleen verzet tegen een beslaglegging. De buitenlandse beslissing als zodanig kan niet meer worden aangevochten. En als dan wordt gezegd dat mensen naar Straatsburg kunnen gaan als zij het er dan toch nog niet mee eens zijn, vraag ik mij af of de burger niet met een kluitje in het riet wordt gestuurd. Dat mensen voor dit soort geldboetezaken naar Straatsburg te moeten om aan te tonen dat het niet goed is gegaan, is niet de weg die wij op moeten. Omdat de minister niet keihard wil toezeggen dat hij wil monitoren en evalueren, dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het in het belang van de rechtsbescherming is om de werking van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties te monitoren en te evalueren;

verzoekt de regering om de werking van genoemde wet met een deugdelijk systeem te monitoren en te evalueren en daarover aan de Kamer schriftelijk rapport uit te brengen, uiterlijk 24 maanden nadat genoemde wet in werking is getreden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Roon en Teeven. Naar mij blijkt, wordt zij voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8(30699).

Mevrouw Azough (GroenLinks):

Voorzitter. Ik heb in mijn eerste termijn volgens mij heel duidelijk gezegd dat de fractie van GroenLinks het kaderbesluit met betrekking tot de geldelijke sancties in beginsel positief beoordeelt. Ik heb echter ook gezegd dat wij fundamentele bezwaren en twijfels hebben met betrekking tot de nadere kaderbesluiten die nog in de Kamer moeten worden behandeld. Ik denk dat niet alleen mijn fractie daar zo over denkt, maar verschillende andere fracties ook.

Ik vind het noodzakelijk om dat hier nogmaals aan te kaarten. Het gaat weliswaar om een andere zaak, maar wij hebben gezien hoe wij regelmatig ergens worden "ingerommeld". Het is van groot belang dat het parlement zich kritisch en zorgvuldig opstelt op dit terrein. Ik hoop dat de minister in de bespreking van dit onderwerp in het algemeen overleg over de JBZ-raad wel antwoorden zal geven. Het is teleurstellend dat dit niet gebeurt als er zulke fundamentele vragen zijn gesteld. Deze vragen zijn overigens ook al gesteld in het kader van het Europees arrestatiebevel en wij zullen die ook in dat algemeen overleg stellen. De Europese Commissie heeft advies gevraagd in Straatsburg. Dergelijke feiten kunnen niet zomaar langszij worden geschoven. Ik hoop van harte dat de minister in het algemeen overleg dat volgt, hier wel op ingaat. Zoals wij allen hebben gezegd, achten wij vertrouwen cruciaal. Alle lidstaten hebben zich verbonden aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien is de Europese Commissie van mening dat wij zeer kritisch moeten zijn als er in het ontwerpkaderbesluit niet aan dat verdrag kan worden voldaan. Ik hoop van harte dat de minister er net zo kritisch naar kijkt als wij.

Over het wetsvoorstel inzake de wederzijdse erkenning van geldelijke sancties kan ik kort zijn: mijn fractie steunt dat.

Minister Hirsch Ballin:

Voorzitter. Ik ben er dankbaar voor dat de meeste woordvoerders instemmen met de aanpak die is gekozen voor de uitwerking van de verplichting, die wij op grond van het kaderbesluit hebben. Het is misschien goed om erop te wijzen dat er bepaald niet is gekozen voor een roekeloze toepassing van dat kaderbesluit. Wij hebben de opzet van het kaderbesluit juist zeer aandachtig bestudeerd. Hetzelfde geldt voor de veroordelingen in absentia waar de heer De Wit over sprak. In het kaderbesluit is daarvoor een regeling opgenomen, te weten in artikel 7, dat stelt dat de tenuitvoerlegging in die situatie kan worden geweigerd. Wij zijn binnen de ruimte die het kaderbesluit ons biedt, een stap verder gegaan. In artikel 10, eerste lid onder f en g van het wetsvoorstel staat namelijk dat executiehandelingen moeten worden geweigerd in geval van een oplegging bij afwezigheid van de veroordeelde respectievelijk degene aan wie de sanctie is opgelegd. Artikel 10, eerste lid onder f en g zijn bij ons opgezet als verplichte weigeringsgronden. Er is een procedure aan verbonden: in het derde lid staat dat de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende staat de gelegenheid moet hebben gehad tot het verschaffen van inlichtingen hieromtrent. Wij hebben dus juist voor de situatie van verstek waar de heer De Wit over sprak, een verplichte weigeringsgrond in het wetsvoorstel opgenomen. Ik hoop eigenlijk dat dit hem ten aanzien van het punt dat hij in tweede termijn naar voren heeft gebracht, voldoende vastigheid geeft om te zeggen dat wij bepaald niet over een nacht ijs zijn gegaan bij het creëren van waarborgen bij de tenuitvoerlegging op grond van dit kaderbesluit.

De heer De Wit (SP):

Het klopt dat vastgesteld is dat afwezigheid een weigeringsgrond is. Er staat alleen bij: tenzij blijkt dat iemand behoorlijk is opgeroepen, zoals in Nederland geldt. Niet louter afwezigheid vormt dus een weigeringsgrond, nee, het kan gepasseerd worden indien voldaan is aan de normale regels voor oproeping en tijdige inkennisstelling.

Minister Hirsch Ballin:

Je mag ook verwachten dat de normale rechtspleging in de andere lidstaat zijn werk mag doen indien er voldaan is aan de vereisten voor oproeping. In omgekeerde richting zouden wij dat ook zeggen. Ik herhaal dat wij ten aanzien van de facultatieve benadering in het kaderbesluit zelf strikter zijn geweest. Het lijkt mij te ver gaan om te stellen dat iemand die bewust de rechtsgang in de andere lidstaat frustreert door niet te verschijnen enzovoorts, terwijl hij behoorlijk is opgeroepen, gevrijwaard moet blijven van executiehandelingen. Ik zie dat wij daar geen echt verschil van inzicht over hebben.

Ik dank mevrouw Azough voor haar steun voor dit voorstel. Tijdens de voorbereiding van de JBZ-raad hebben wij over het andere kaderbesluit gesproken. Wij hebben toen geconstateerd dat er in ieder geval bij een meerderheid in de Kamer steun is voor het politiek akkoord dat daarover inmiddels is bereikt. Nu het politiek akkoord met instemming van de Kamer door Nederland is gegeven, zijn wij in het stadium gekomen van de uitwerking in een juridisch bindende tekst.

Ik kom op het punt van de evaluaties. De motie van de heer De Roon lijkt mij overbodig. Er hoeft geen extra rapportageplicht te worden geïntroduceerd. Uiteraard geldt voor deze wet, net als voor andere wetgeving, dat in diverse jaarverslagen van het OM en in bijvoorbeeld de justitiebegroting de werking van de wet wordt gevolgd. Wij kunnen op dit punt ook alle inlichtingen verschaffen die nodig zijn via de taak van het CJIB op dit terrein. Een extra voorziening naast de bestaande mogelijkheden om te volgen hoe het gaat met de toepassing van wetten, lijkt mij niet vereist.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik stel voor, volgende week dinsdag over het wetsvoorstel en de motie te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.