Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 56, pagina 3156-3158

Vragen van het lid Fritsma aan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie over het bericht "Ankara wil hier Turks in de klas".

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. De Telegraaf berichtte afgelopen zaterdag dat de Turkse ambassadeur in Den Haag bij het kabinet heeft aangegeven dat op Nederlandse scholen aan Turkse kinderen onderwijs moet worden gegeven in de Turkse taal en cultuur. Is dit bericht juist? Als dat het geval is, wil ik aangeven dat de PVV het onacceptabel vindt dat Turkije kennelijk grip wil houden op de Turkse gemeenschap in Nederland en dat het zich daarvoor zelfs bemoeit met de inhoud van het Nederlandse onderwijs. Ik vraag de minister of zij de mening deelt dat het met het oog op de integratie van Turken in Nederland een erg slechte zaak is dat Turkije invloed wil uitoefenen op de Turkse gemeenschap in Nederland. Deelt zij ook de mening dat het zeer onwenselijk zou zijn als op Nederlandse scholen les wordt gegeven in de taal en cultuur van landen waar veel migranten vandaan komen, omdat het juist noodzakelijk is dat allochtone kinderen zich op de Nederlandse samenleving richten?

Ik heb twee aanvullende vragen voor de minister van Buitenlandse Zaken. Hij kan helaas niet aanwezig zijn. Wellicht kan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie deze vragen namens het kabinet beantwoorden. Als dat niet mogelijk is, verzoek ik haar vriendelijk de vragen door te geleiden naar de minister van Buitenlandse Zaken.

Vindt het kabinet het ook onacceptabel dat de Turkse ambassadeur zich bemoeit met de vraag hoe het Nederlandse onderwijs vormgegeven moet worden? Is de minister van Buitenlandse Zaken bereid om de Turkse ambassadeur te ontbieden om aan te geven dat Nederland deze bemoeienis absoluut niet accepteert? Kan het kabinet garanderen dat de verzoeken van welk land dan ook aan de Nederlandse regering met als doel om in Nederland woonachtige migrantengroepen te beïnvloeden, meteen naar de prullenbak worden verwezen, waarbij de landen in kwestie duidelijk wordt gemaakt dat deze bemoeienis ongepast is en onmiddellijk moet ophouden?

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik kan helaas niet bevestigen dat het bericht in De Telegraaf juist is. Ik heb koortsachtige pogingen gedaan en getracht te achterhalen waar het desbetreffende document door de Turkse ambassadeur aan het kabinet overhandigd zou zijn. Het ministerie van Buitenlandse Zaken wist daar bij navraag niets van. Voor zover mijn informatie strekt is het ook niet bij mijn departement ingediend. Wij zullen de komende dagen pogingen ondernemen om via het ministerie van Buitenlandse Zaken bij de ambassadeur zelf te achterhalen welk postbusnummer hij heeft gebruikt. Dat weten wij op dit moment niet.

De heer Fritsma vraagt verder of ik zijn mening deel dat het onwenselijk is dat de Turkse ambassadeur invloed wil houden op de Turkse migranten in Nederland. Ik deel zijn opvatting niet dat dit statement van de ambassadeur kan worden opgevat als een manier om invloed op de Turkse migranten uit te oefenen. De ambassadeur heeft een opvatting neergelegd over wat hij wenselijk vindt voor het beleid van de Nederlandse regering. Dat is volgens mij een wezenlijk verschil met de formulering van de heer Fritsma.

Daarnaast heeft hij gevraagd of de regering het onwenselijk acht om onderwijs in de eigen taal en cultuur opnieuw in te voeren. Daarop kan ik hem volledig geruststellen. Er is meer dan twintig jaar met verschillende vormen geëxperimenteerd om naast de Nederlandse taal ook onderwijs in de eigen taal en cultuur aan te bieden aan kinderen van Turkse, Marokkaanse of een andere etnische achtergrond. De gedachte was dat kinderen effectiever Nederlands zouden leren als zij eerst de taal en cultuur van hun moederland leerden. Wij hebben met elkaar geconcludeerd dat onderwijs in eigen taal en cultuur niet effectief is gebleken. Dat blijkt uit de mate van Nederlandse taalbeheersing die de afgelopen jaren bij deze kinderen is gerealiseerd. Op 1 augustus 2003 is besloten om onderwijs in eigen taal en cultuur af te schaffen. Daarmee is het geen deel meer van het onderwijsprogramma. Wij zien geen enkele aanleiding om op dat besluit terug te komen. Wij blijven bij het beleid dat een aantal jaren geleden door het vorige kabinet is ingezet. Dat is breed gesteund in deze Kamer.

Verder lijkt het mij inderdaad verstandig om de minister van Buitenlandse Zaken te vragen of hij zijn vragen schriftelijk wil beantwoorden.

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de minister de boodschap van de Turkse ambassadeur iets te lichtvaardig opvat, want de minister vindt niet dat Turkije daarmee invloed wil uitoefenen op de Turkse gemeenschap in Nederland. De ambassadeur pleit ervoor dat op Nederlandse scholen les wordt gegeven in de Turkse taal en cultuur. Dat is wel degelijk een kwestie van invloed uit willen oefenen op de Turkse gemeenschap in Nederland. Dus met dat antwoord kan ik niet goed leven. Voor de rest ben ik blij dat de minister aangeeft dat op Nederlandse scholen geen lessen meer worden gegeven in de taal en cultuur van andere landen. Dat signaal moet duidelijker aan die andere landen worden gegeven. Het is natuurlijk onacceptabel dat die andere landen wel van Nederland verwachten dat dergelijk onderwijs op Nederlandse scholen wordt gegeven. Ik vraag de minister om iets duidelijker aan te geven, zowel hier in de Kamer als via de minister van Buitenlandse Zaken aan de Turkse ambassadeur, dat het onacceptabel is dat andere landen zich bemoeien met de vormgeving van het Nederlandse onderwijs.

Minister Vogelaar:

Voorzitter. Ik ben begonnen met te zeggen dat nog niet volstrekt helder is waar de boodschap precies terechtgekomen is en wat de exacte inhoud van de boodschap is. Het is altijd verstandig om ervoor te zorgen dat die exacte inhoud bekend is voordat wij dit soort conclusies trekken. In het overleg met mijn collega van Buitenlandse Zaken zal ik afwegen wat een gepast antwoord aan de Turkse ambassadeur is. Dat lijkt mij een correcte wijze van handelen.

De heer Kamp (VVD):

De Turkse ambassadeur zou bij een interview door de grootste krant van Nederland gezegd hebben dat het pure waanzin is om over een dubbele nationaliteit te discussiëren en dat het onmenselijk is om geen Turkse les aan kinderen van Turkse afkomst in Nederland te geven. Zou het niet verstandig zijn om hem bij de verantwoordelijke minister te roepen en hem te vragen niet zo'n grote mond te hebben?

Minister Vogelaar:

Het lijkt mij verstandig om hierover met mijn collega van Buitenlandse Zaken te overleggen. Hij is eerstverantwoordelijk voor het contact met de ambassadeurs binnen het kabinet. Het lijkt mij niet verstandig dat ik hier allerlei uitspraken ga doen voor hem. Krantenkoppen zijn één, maar ik hecht eraan om kennis te nemen van de exacte uitlatingen die in de richting van het kabinet zijn gedaan voordat wordt besloten welke actie tegenover de desbetreffende ambassadeur wordt genomen. Ik zal hierover met mijn collega contact opnemen.

De heer Dibi (GroenLinks):

In het krantenbericht in De Telegraaf dat de heer Fritsma aanhaalt, volgens mij deze week de lievelingskrant van de SP, wordt ook een ander punt gemaakt. Dat zijn de achterstallige pensioenbetalingen aan voormalige Turkse gastarbeiders. In Marokko is er voor knelpunten op het gebied van de sociale zekerheid en achtergelaten vrouwen een stichting, namelijk de Stichting Steunpunt Remigranten. Is de minister bereid om de mogelijkheden te bezien voor een soortgelijk steunpunt in Turkije?

Minister Vogelaar:

Het is wat ingewikkeld, maar dit aspect regardeert mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik zal hierover met hem contact opnemen. Ook daarover krijgt de Kamer een antwoord. Wij moeten nagaan of er in Turkije al een dergelijke voorziening is en of het wenselijk is om zo'n voorziening ook in Turkije te treffen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat wij voor de antwoorden van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Buitenlandse Zaken de gebruikelijke termijn van drie weken aanhouden.

De heer Dijsselbloem (PvdA):

Ik wil de minister vragen om in de brief van haar en de minister van Buitenlandse Zaken aan de Kamer aan te geven op welke termijn en over welke agenda zij gaan praten met de Turkse regering. Er is wel degelijk een aantal onderwerpen dat de integratie en de positie van Turkse Nederlanders in dit land raakt. Wij hebben al een discussie gehad over de dienstplicht en er loopt nog een discussie over Dyanet en de Turkse moskeeën in Nederland. Nu is er dit onderwerp. Er is echt een gezamenlijke agenda, zodat gesproken kan worden over de verhouding: waar begint de bemoeienis en, vooral, waar houdt die op? Het hoeft niet op korte termijn, maar ik zou graag willen dat de minister die agenda vaststelt en het tijdstip voor dat overleg aan ons meedeelt.

Minister Vogelaar:

Het lijkt mij dat wij dit punt bij het onderling overleg kunnen betrekken. Ik vat de opmerking dat het niet op korte termijn hoeft zo op, dat wij wel binnen drie weken antwoord zullen geven, maar dat de contacten met de Turkse regering, zo die nodig mochten blijken te zijn, op een later moment kunnen plaatsvinden.